Deze filognostische presentatie is in aanbouw

1.5 De blauwdruk van het leerproces

Openbaring 1.8: Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige.
Zhuangzi: De verstilde geest van de wijze is een spiegel voor hemel en aarde - een vergrootglas voor alle dingen.
Manual II: Not to act "with logos" is contrary to Godd’s nature.
Shakespeare: De geur van de roos verandert niet als je haar naam verandert.
John Keeley en Franz Hartmann: Alle ziekte is een verstoring van het equilibrium (natuurlijk evenwicht) tussen positieve en negatieve krachten.
György Konrád: Op de vraag naar de zin van het leven antwoordt iedereen met zijn levensloop.
Met beide benen in Moeder Aarde goed verankerd, met het Hart in de hemel, maar met het hoofd bij de zaak. (Asait - over de Hathors)

Ken Uzelve

Hans Vincent: Een integrale visie op ons eigen leven als een geheel vinden we in de leer van de zelfkennis van de Indiase filosoof Jiddu Krishnamurti.
Het begrip “holisme” en het daarvan afgeleide begrip “heelheid” worden momenteel door vele filosofen en wetenschappers gebruikt, soms ook met verwijzing naar metafysische categorieën. Krishnamurti toont met het begrip aan, dat men het menselijk leven, ook op individueel niveau, niet in fragmenten kan splitsen.

Willem Otterspeer boek Bolland (p. 561): Er bestaat een grote overeenkomst tussen de opvattingen van Hegel en die van Hofstadter. De ‘strange loops’ van Hofstadter vervullen dezelfde functie als bij Hegel de ‘logische Satz’, die zegt dat het negatieve tegelijk positief is. Voor beide staat de samenhang ervan met het zelfbewustzijn en de vrije wil in het het centrum van hun redenering. Maar dat was nu juist het probleem met Bolland. Hij zei dat zijn filosofie de hoogste zelfkennis verschafte. Maar hij heeft zichzelf nooit gekend.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer, Deel I, Hoofdstuk Kern van de Geheime Leer (p. 311): ‘Uit pradhana (oorspronkelijke substantie), beheerst door kshetrajna (belichaamde geest?), komt de evolutie van die eigenschappen voort. . . . Uit het grote beginsel mahat (universeel verstand of denkvermogen) . . . komt de oorsprong van de ijle elementen voort en daaruit ontstaan de zintuigen . . .’ (Deel I, ii.)
Zo kan worden aangetoond dat alle grondwaarheden van de natuur in de oudheid algemeen verbreid waren en dat de basisideeën over geest, stof en het heelal of over God, substantie en de mens dezelfde waren. Als men de twee oudste religieuze filosofische stelsels van de wereld, het hindoeïsme en het hermetisme, aan de geschriften van India en Egypte ontleent, is de overeenkomst tussen die twee gemakkelijk in te zien.

Het boek ‘Corpus Hermeticum’ p.203: Het is de weg van kennis die tot zelfkennis, ja tenslotte tot Gnosis leidt, een fundamentele kracht tot levensvernieuwing. ‘Het denken met het hart en het voelen met het hoofd’.

Aan de hand van de wijsheidssleutels wordt de structuur van het rapport 'E i V' belicht. Scott J. Osterhage laat in zijn artikel De zeven juwelen van wijsheid en de zeven stadia van inwijding zien dat het mogelijk is een rode draad in de geschriften van H.P. Blavatsky te onderscheiden. De bijlage Zeven wijsheidssleutels bevat een toelichting op de sleutels.

Ten 1e , die werking van de natuur – natuur in de betekenis van het volstrekte geheel van al wat is, innerlijk en uiterlijk, . . . overal – die zich in de mens manifesteert als wederbelichaming of reïncarnatie, kan in het kort worden omschreven als de verandering van zijn voertuig of lichaam wanneer zijn innerlijke toestand zich wijzigt; want door de werking van de natuur wordt hij er tenslotte toe gebracht of voelt hij de noodzaak naar een andere toestand of een andere plaats te gaan. Dit wordt dood genoemd, maar het is een andere vorm van leven.

De 2e sleutel is karma, de leer van actie en reactie. Enerzijds is karma in geen enkel opzicht fatalisme; anderzijds is het evenmin wat algemeen bekend is als ‘toeval’. Het is in wezen een leer van de vrije wil, want de entiteit die het initiatief neemt tot een beweging of een handeling — of die van geestelijke, mentale, psychische, fysieke, of andere aard is — is daarna natuurlijk verantwoordelijk voor de gevolgen en resultaten die eruit voortvloeien en die vroeg of laat terugslaan op de dader of de eerste oorzaak.

Het 3e juweel is de leer van de elkaar doordringende wezens of levens, ook de leer van de hiërarchieën genoemd, die tevens onscheidbare en elkaar overal doordringende gebieden of sferen zijn. Alles bestaat in al het andere. Er zijn in feite nergens absolute scheidslijnen, hoog noch laag, innerlijk noch uiterlijk, goed noch verkeerd, boven noch beneden. Er is in wezen niets dan een eeuwig ZIJN en een eeuwig NU.

De 4e sleutel is de leer van svabhava, de leer van de essentiële karakteristiek van een entiteit, van een geestelijke radicaal; ook de leer van zelfvoortbrenging of zelfwording in het gemanifesteerde bestaan, die een bevestiging is van onze eigen verantwoordelijkheid. Dit is de meest diepzinnige, de meest mystieke van de vier sleutels die we tot dusver hebben genoemd.

Het 5e juweel, evolutie of het van binnenuit ontvouwen van latente kwaliteiten, ‘is de sleutel tot zelfbewust leven en bestaan, . . . want het doel, de methode en de werking van het universele bestaan is geheel gericht op de verheffing van het lagere tot het hogere. Dit grootse werk kan nooit worden volbracht door het ‘pad voor zichzelf’ . . . te volgen’ (op. cit.).

Het 6e juweel is de leer die eveneens door twee samengestelde woorden met een tegengestelde betekenis tot uitdrukking wordt gebracht: het eerste is amritayana, een Sanskrietwoord dat ‘onsterfelijkheidsvoertuig’ of ‘wagen of drager, of beter pad van onsterfelijkheid’ betekent en betrekking heeft op de individuele mens; het andere is pratyekayana, een Sanskrietwoord met de betekenis van (in eigen woorden weergegeven) het ‘pad van ieder voor zich’.

Het laatste of het 7e juweel, naar boven geteld, wordt atmavidya genoemd, dat letterlijk ‘kennis van het zelf’ betekent.

En-soph, Éne werkelijkheid, Blauwdruk, Logos (Mercabah)

W.T.S. Thackara Evolutie en schepping – 1 Intelligent ontwerp? (Sunrise sepokt 2003):
Op macroniveau bevestigde de natuurkundige Paul Davies een soortgelijk idee in Cosmic Blueprint (1988, p. 203): Alleen al het feit dat het heelal creatief is en dat de wetten het mogelijk hebben gemaakt dat complexe structuren verschijnen en zich ontwikkelen tot het niveau van bewustzijn – met andere woorden, dat het heelal zijn eigen zelfbewustzijn tot stand heeft gebracht – is voor mij een krachtig bewijs dat er achter dit alles ‘iets gaande is’. De indruk van een plan is overweldigend.

Wim de Lobel (kies Artikelen) boek ‘De eeuwige generatie’, Blauwdruk, p. 28:
Het scheppend vermogen van het heelal blijkt dus logisch doordacht te berusten op zelforganiserende processen. Paul Davies, de Engelse hoogleraar in de theoretische natuurkunde, beschrijft dat als een blauwdruk van de kosmos. ”Materie en energie hebben van nature een neiging tot zelforganisatie.” Hoewel hij in abstracto het bestaan van God niet ontkent constateert hij wel, dat het creatieve heelal zijn eigen zelfbewustzijn organiseert.
De Eeuwige Generatie, De Unio Mystica (p. 91):
Börger was beïnvloed door de kritische bijbelstudies vanuit de Hollandsche Radicale School. In het bijzonder benadrukten zij de Nieuw-Testamentische Evangeliën die in verhaalvorm een verdichting zijn van de oude en steeds weer nieuwe waarheid. Vanuit hun bevindingen ontkenden zij de historiciteit van de Jezusfiguur. Naar hun inzichten stoelde de Christusgedachte in de Unio Mystica, dat is de verborgen inherente universele waarheid omtrent de werkelijkheid. Waarheid in deze zin dienen we dan te verstaan als het zijn van de universele werkelijkheid zoals zij is.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 37):
Parabrahm is kortom het verenigde totaal van de Kosmos in zijn oneindigheid en eeuwigheid, het ‘DAT’ en ‘DIT’, dat niet kan worden opgevat als een samenvoeging van een aantal subtotalen. ‘In het begin was DIT het Zelf, slechts één’ (Aitareya Upanishad); de grote Sankaracharya verklaart dat ‘DIT’ betrekking had op het Heelal (jagat); omdat de woorden ‘in het begin’ betekenen: vóór het opnieuw voortbrengen van het Heelal van verschijnselen.
Deel I, Stanza 1 De nacht van het heelal, p. 78: 9. MAAR WAAR WAS DE DANGMA TOEN DE ALAYA VAN HET HEELAL (de ziel als de basis van alles, anima mundi) IN PARAMARTHA (a) (absoluut Zijn en Bewustzijn, die het absolute Niet-zijn en Onbewustzijn zijn) WAS EN HET GROTE WIEL ANUPADAKA WAS (b)?
Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiërarchieën, p. 127:
(b) Vervolgens zien wij dat de kosmische stof zich verspreidt en zich tot elementen vormt en zich groepeert tot de mystieke vier binnen het vijfde element – ether, de bekleding van akasa, de anima mundi of moeder van de Kosmos. ‘Punten, lijnen, driehoeken, kubussen, cirkels’ en tenslotte ‘bollen’ – waarom of hoe?
129: (a) Letterlijk vertaald betekent ‘Adi-sanat’ de eerste of ‘oeroude’, een naam die de kabbalistische ‘Oude van Dagen’ en de ‘Heilige Oude’ (Sephira en Adam Kadmon) vereenzelvigt met Brahma de schepper, die behalve zijn andere namen en titels ook Sanat wordt genoemd.
Svâbhâvat is de mystieke essentie, de plastische wortel van de stoffelijke Natuur – ‘getallen’ wanneer gemanifesteerd; het getal in zijn eenheid van substantie op het hoogste gebied. De naam wordt gebruikt door de boeddhisten en is een synoniem voor de viervoudige anima mundi, de kabbalistische ‘wereld van de archetypen’, waaruit de ‘scheppende, vormende en stoffelijke werelden’ voortkomen, de scintillae of vonken – de verschillende andere werelden, die zich in de laatste drie bevinden. De werelden zijn alle onderworpen aan heersers of regeerders – rishi’s en pitri’s bij de hindoes, engelen bij de joden en de christenen, goden bij de Ouden in het algemeen.
225: Het is de anima mundi, en behoort nooit anders te worden opgevat, behalve voor kabbalistische doeleinden. Het verschil dat bestaat tussen haar ‘licht’ en haar ‘levende vuur’ moet altijd aanwezig zijn in de gedachten van de ziener en de ‘sensitieve’. Zonder het hogere aspect kunnen alleen schepselen van stof uit dat astrale licht worden voortgebracht. Dat hogere aspect is dit levende vuur, en het is het zevende beginsel. In ‘Isis Ontsluierd’ wordt er een volledige beschrijving van gegeven:
‘Het astrale licht of anima mundi is tweevoudig en biseksueel. Het (ideële) mannelijke gedeelte ervan is zuiver goddelijk en geestelijk, het is de wijsheid, het is geest of Purusha; terwijl het vrouwelijke gedeelte (de Spiritus van de Nazareners) in zekere zin door de stof is besmet, het is inderdaad stof en daarom al een kwaad. Het is het levensbeginsel van ieder levend wezen, en verschaft aan mensen, dieren, vogels in de lucht en alles wat leeft, de astrale ziel, de beweeglijke perisprit. De dieren hebben alleen de sluimerende kiem van de hoogste onsterfelijke ziel in zich. . . . Deze laatste zal zich pas na een reeks van talloze evoluties ontwikkelen; de leer over deze evolutie ligt besloten in het kabbalistische axioma: ‘Een steen wordt een plant; een plant een dier; een dier een mens; een mens een geest; en de geest een god.’ (Deel I, Engelse uitgave, blz. 301, voetnoot.)
632: De esoterische leer is anders: de goddelijke, zuiver ādi-buddhische monade manifesteert zich als het universele buddhi (de mahā-buddhi of mahat in de hindoefilosofieën), de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van goddelijke intelligentie, de hoogste anima mundi of de logos. Deze daalt neer ‘als een vlam die zich vanuit het eeuwige vuur verspreidt, onbeweeglijk en zonder toe of af te nemen, steeds dezelfde tot het einde’ van de cyclus van het bestaan en wordt op het gebied van de wereld het universele leven. Uit dit gebied van bewust leven schieten, als zeven vurige tongen, de zonen van het licht (de logoi van het leven). Daarna komen de Dhyāni-Boeddha’s van de contemplatie: de concrete vormen van hun vormloze vaders – de zeven zonen van het licht, die nog zichzelf zijn. Op hen kan het brahmaanse mystieke gezegde ‘U bent ‘DAT’ – Brahman’ worden toegepast. Deze Dhyāni-Boeddha’s stralen hun chhāyā’s (schaduwen) uit, de bodhisattva’s van de hemelse rijken, de oervormen van de bovenaardse bodhisattva’s en van de aardse Boeddha’s en tenslotte van de mensen. De ‘zeven zonen van het licht’ worden ook ‘sterren’ genoemd.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, De logos (p. 166):
In de esoterie van de Vedanta is daiviprakriti, het door Eswara – de logos(1) – gemanifesteerde licht, tegelijk de moeder en de dochter van de logos, of het woord, van Parabrahman.
P. 167: Zo ziet men in Manu dat Brahmâ (ook de logos) zijn lichaam in twee stukken verdeelt, een mannelijk en een vrouwelijk, en dat hij in het laatste, dat Vâch is, Virâj schept, die hij zelf is, of opnieuw Brahma. Op deze manier spreekt een geleerde Vedanta-occultist over die ‘godin’ en verklaart hij waarom Eswara (of Brahmâ) het verbum of de logos wordt genoemd; waarom hij inderdaad Sabda Brahmam heet:
‘De uitleg die ik u ga geven, zal volkomen mystiek schijnen, maar is niettemin van enorme betekenis als hij goed wordt begrepen. Onze oude schrijvers zeiden dat er vier soorten Vâch zijn (zie de Rig Veda en de Upanishads). Vaikhari-Vâch is wat wij uitspreken. Elke soort Vaikhari-Vâch bestaat in haar madhyama-, verder in haar pasyanti- en tenslotte in haar para-vorm(2). Deze pranava wordt Vâch genoemd, omdat de vier beginselen van de grote Kosmos met deze vier vormen van Vâch corresponderen. Nu bestaat het hele gemanifesteerde zonnestelsel in zijn sukshma-vorm uit het licht of de energie van de logos, omdat de energie daarvan wordt opgevangen en overgebracht op kosmische stof. . . . . De hele Kosmos in zijn objectieve vorm is Vaikhari-Vâch, het licht van de logos is de madhyama-vorm, en de logos zelf de pasyanti-vorm, en Parabrahm is de para-vorm of het para-aspect van die Vâch. In het licht van deze uitleg moeten wij proberen bepaalde uitspraken van verschillende filosofen te begrijpen, die erop neerkomen dat de gemanifesteerde Kosmos het woord is, dat als Kosmos is gemanifesteerd’ (zie de bovengenoemde lezing over de Bhagavadgita).
1) Zie ‘The Theosophist’ van februari 1887, blz. 305, de eerste lezing over de Bhagavad-gita.
2) Madhya noemt men iets, waarvan het begin en het einde onbekend zijn, en para betekent oneindig. Al deze uitdrukkingen hebben betrekking op oneindigheid en de indeling van de tijd.

De Geheime Leer Deel I, De voorvaderen van de mens op aarde (p. 242):
Het is waar dat Ain-Soph, het ABSOLUTE EINDELOZE NIET-IETS, ook de gedaante van de ENE, de gemanifesteerde ‘hemelse mens’ (de EERSTE OORZAAK) gebruikt als zijn strijdwagen (mercabah in het Hebreeuws; vahan in het Sanskriet) of voertuig om in de wereld van de verschijnselen af te dalen en zich daarin te manifesteren. Maar de kabbalisten maken niet duidelijk hoe het ABSOLUTE iets kan gebruiken of een functie kan uitoefenen, omdat het als het Absolute geen eigenschappen heeft. Evenmin verklaren zij dat het in werkelijkheid de eerste Oorzaak (Plato’s logos) is, de oorspronkelijke en eeuwige IDEE, die zich manifesteert door Adam Kadmon, de tweede logos om zo te zeggen. In het ‘Boek van de Getallen’ wordt uitgelegd dat EN (of Ain, Aiôr) het enige zelfbestaande is, terwijl zijn ‘diepte’ (bythos of buthon van de gnostici, propator genoemd) alleen maar periodiek bestaat. De laatstgenoemde is Brahmâ, de differentiatie van Brahma of Parabrahm. Het is de diepte, de bron van het licht, of propator, die de ongemanifesteerde logos of de abstracte idee is, en niet Ain-Soph, waarvan de straal Adam-Kadmon – of de gemanifesteerde logos (het objectieve Heelal), ‘mannelijk en vrouwelijk’, – gebruikt als voertuig om zich daardoor te manifesteren.

De Geheime Leer Deel I, Over de verborgen Godheid, haar symbolen en tekens (p. 382):
382: In de Zohar is En-Soph ook het ENE, en de oneindige Eenheid. Dit was bekend aan die enkele geleerde kerkvaders, die zich ervan bewust waren dat Jehova slechts een macht van de derde rang was en geen ‘hoogste’ God. Maar hoewel Irenaeus zich bitter over de gnostici beklaagt en zegt . . . ‘onze ketters beweren . . . dat PROPATOR alleen bekend is aan de eniggeboren zoon1 (die o.a. Brahmā is), dat wil zeggen aan de geest’ (nous), heeft hij nooit gezegd dat de joden hetzelfde deden in hun werkelijk geheime boeken. Valentinus, ‘de geleerdste kenner van de gnosis’, beweerde dat ‘er een volmaakte AION was die bestond vóór Bythos of Buthon (de eerste vader van de onpeilbare natuur, die de tweede logos is) en die Propator wordt genoemd’. AION ontspringt dus als een straal aan Ain-Soph (die niet schept) en AION schept, of liever door hem wordt alles geschapen of ontwikkeld. Want, zoals de volgelingen van Basilides leerden, ‘er was een hoogste god, Abraxax, door wie het denkvermogen werd geschapen’ (mahat in het Sanskriet, nous in het Grieks). ‘Uit het denkvermogen kwam logos, het woord, voort, uit het woord de voorzienigheid (of beter: het goddelijke licht), en daaruit vervolgens deugd en wijsheid in Vorsten, Machten, Engelen, enz.’.
387: ‘Ieder die zich op de hoogte stelt van דה, de mercaba en de lahgash (geheime spraak of bezwering), zal het geheim van de geheimen leren.’ Lahgash komt in betekenis nagenoeg overeen met Vâch, de verborgen kracht van de mantra’s.
Wanneer het tijdperk van werkzaamheid is aangebroken, komt sephira, de actieve kracht – het oorspronkelijke punt en de kroon, kether genaamd – uit de eeuwige essentie van Ain-Soph tevoorschijn. Alleen door sephira kan de ‘onbegrensde wijsheid’ een concrete vorm geven aan de abstracte gedachte. Twee zijden van de bovenste driehoek, waardoor de onuitsprekelijke essentie en het heelal – het gemanifesteerde lichaam ervan – worden gesymboliseerd, namelijk de rechterzijde en de basis, bestaan uit ononderbroken lijnen; de derde, de linkerzijde, is een stippellijn. Door de laatstgenoemde komt sephira tevoorschijn. Terwijl zij zich in alle richtingen verspreidt, omvat zij tenslotte de hele driehoek. In deze emanatie wordt de drievoudige triade gevormd. Uit de onzichtbare dauw die uit de hogere uni-triade neervalt (zodat er slechts 7 sephiroth overblijven), schept de ‘hoofd’sephira de oorspronkelijke wateren, d.w.z. de Chaos neemt vorm aan. Het is het eerste stadium van het verdichten van geest, die door middel van verschillende veranderingen aarde zal voortbrengen. ‘Aarde en water zijn nodig om een levende ziel te maken’, zegt Mozes. Men heeft het beeld van een watervogel nodig om deze met water te verbinden, het vrouwelijke element van voortplanting met het ei en de vogel die het bevrucht.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel II, Het begin van bewust leven (p. 42):
In de Sepher Jezirah of ‘getallen van de schepping’ wordt het hele evolutieproces in getallen weergegeven. In de daarin voorkomende ‘32 paden van wijsheid’ wordt het getal 3 vier keer herhaald, en het getal 4 vijf keer. De wijsheid van God ligt dus besloten in getallen (sephrim of sephiroth), want sepher (of zonder klinkers s-ph-ra) betekent ‘in cijferschrift overbrengen’. En daarom zegt ook Plato dat de godheid meetkundig te werk gaat bij het bouwen van het Heelal.
153: ‘Uit één ziel, die van het AL, ontstaan alle zielen, die zich verspreiden alsof ze opzettelijk over de wereld werden verdeeld. Deze zielen ondergaan veel vormveranderingen; de al kruipende dieren veranderen in waterdieren; uit deze waterdieren komen landdieren voort, en uit deze de vogels. Uit de wezens die hoog in de lucht (de hemel) wonen, worden mensen geboren. Bij het bereiken van de staat van mens, ontvangen de zielen het beginsel van (bewuste) onsterfelijkheid, worden geesten, en worden dan opgenomen in het koor van de goden.’

Het onkenbare 1e beginsel (kies Inhoud, hoofdstuk Drie grondstellingen uit de proloog), de wisselwerking tussen 'DAT en DIT', de blauwdruk gaat het menselijke begripsvermogen te boven. Het brengt de relatie tussen hemel en aarde, het ontstaan van de kosmos en van de mens (H.P. Blavatsky, De Geheime Leer Deel I en II) tot uitdrukking.

Blavatsky Deel III, Dat en Dit:
204: Gelijk de Zohar overal aangeeft staat de oneindige Eenheid of Ain-Soph immer boven ’s mensen denken en waarderen; en in Sepher Jetzirah zien wij dat de Geest Gods – de Logos, niet de Godheid zelve – Eén (in geopenbaarde toestand wordt het 10, het heelal) genoemd wordt.
Eén is de Geest des levenden Gods….die eeuwig leeft. Stem, Geest, [van de Geest] en Woord: dit is de Heilige Geest, en de vierheid. Uit deze kubus emaneert de ganse Kosmos.
Lucht en Water emaneren het getal vier, Ether of Vuur, de Zoon. Dit is de Kabbalistische vierheid.
206: Daarom betekent Eva de ontwikkeling en het onophoudelijke “worden” van de natuur. SAT, dat de quintessence van volstrekt onveranderlijk Zijn of zijn-heid betekent (Ain of En-Soph, onbegrensd bestaan).
253: uit de Adem komt het oerlicht voort, door welke glans de in de duisternis verborgen eeuwige Gedachte zich openbaart, en dit wordt het Woord (mantra). DAT (mantra of woord) is het, waaruit dit alles (het heelal) tot bestaan gekomen is.
491: TAT (of DAT), een naam voor de onkenbare, wortelloze wortel. Het Eeuwige Volstrekte is DAT. De Kosmos is ontstaan door DAT.
724: Dat (Dit), de ongeopenbaarde oorzaak van geest en stof, het Ene Leven de grondslag van alles.

In de Bhagavad-Gîtâ zegt Krishna over TAT:
Weet, dat TAT, waaruit alle dingen ontstonden,
onvernietigbaar is en dat niemand in staat is
het onvergankelijke te vernietigen.
Van deze eindige lichamen,
die de zielen welke ze bewonen omhullen,
zegt men dat ze behoren tot TAT, het eeuwige,
het onvernietigbare, niet te bewijzen Beginsel.

Subba Row's begint zijn schema met Parabrahman. In zijn lezingen definieert hij die term enige malen: 'Het eerste beginsel, of beter gezegd het eerste postulaat dat ik moet stellen, is het bestaan van wat genoemd wordt Parabrahman....

Gottfried de Purucker Bron van het Occultisme, hoofdstuk Ruimte, tijd en duur:
Zo komt het dat duur zowel identiek is met ruimte als met kosmisch denkvermogen. Toch is zelfs dit mysterie der mysteries, ruimte-denkvermogen-duur, het product of het beeld dat ons hoogste intellect heeft van dat onuitsprekelijke mysterie dat het naamloze of dat wordt genoemd. We zien bovendien dat verleden en toekomst, op de juiste manier begrepen, samensmelten tot ‘het eeuwige nu’ (H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, p. 67).
In de woorden van de Chhandogya-Upanishad (I, 9, 1):

‘Waarheen keert deze wereld terug?’
‘Naar de ruimte (akasa)’, zei hij. ‘Waarlijk, alle dingen hier komen voort uit ruimte. Ze verdwijnen weer in de ruimte, want alleen ruimte is groter dan deze; ruimte is het uiteindelijke doel.’

G. de Purucker Parabrahman (Sanskriet).
Para is een Sanskrietwoord met de betekenis van voorbij. Brahman (onzijdig) wordt soms gebruikt voor het universele Zelf of de universele Geest, ook Paramâtman (zie aldaar) genoemd. Voorbij Brahman is het Para-Brahman. Let op de diep filosofische betekenis hiervan - er wordt niet gepoogd het Onbegrensde, het Onuitsprekelijke door adjectieven te beperken. In de Sanskriet-Veda's en in de werken die daaruit zijn voortgesproten en tot de Vedische literaire cyclus behoren, wordt dit 'voorbij', TAT, DAT, genoemd, terwijl deze wereld van openbaring met Idam, Dit wordt aangeduid.

Parabrahman is nauw verbonden met mûlaprak.riti (zie aldaar). Hun wisselwerking en vermenging veroorzaken de eerste vage trilling, als deze woorden ermee door kunnen, van het universele leven, toen in het begin der dingen de geestelijke begeerte er voor het eerst in ontstond. Parabrahman betekent daarom letterlijk 'voorbij Brahman' en strikt genomen is op Brahman de Westerse term 'het Absolute' van toepassing. Parabrahman is geen entiteit, is geen individu of geïndividualiseerd wezen. Het is een geschikt technisch woord met een gepaste vage filosofische betekenis en sluit alles in wat voorbij het Absolute of Brahman van een hiërarchie ligt. Zoals Brahman de top is van een kosmische hiërarchie, zo is, als we dezelfde gedachtengang volgen, Parabrahman 'alles wat voorbij Brahman' is.

Charles Poncé boek Kabbalah (p. 211): Omdat de En-Soph in de meest essentiële benadering een niet-ding is, en alles dat uit dit niet-dit - niet-dat aanwezig is.

Byron Katie: Wanneer je dit ziet, dan realiseer jij je dat er geen ‘Ik’ bestaat die verlicht dient te worden, dan stop je te geloven in jezelf als een identiteit, en wordt je gelijk aan alles dat wel of niet lijkt te zijn.

Kees Voorhoeve: De Oerbron is de oneindige eeuwige werkelijkheid die alles overstijgt en tegelijkertijd de Bron is van alles wat bestaat. De Oerbron is op 'niets' gericht, het is zo leeg van iets en tegelijkertijd zo vol van alles. Hoe kan uit dit 'niets' iets ontstaan? In de Kabbalistische traditie wordt de Oerbron En Soph genoemd dat 'zonder grens' betekent.

Benedict Broere Aos. Variatie en Omega Over de wereld als variatie op een thema en kunstwerk in wording, hoofdstuk 5: Logos
Universum, natuur en cultuur lijken in elkaar te grijpen als constructieve processen van ontwikkeling naar groter complexiteit en kwaliteit. Is het mogelijk dat zij bestaan op basis van uiteindelijk één en dezelfde orde, logos of verbindend patroon? Het aos is bedoeld als een nadere invulling van de filosofie van Heraclitus, van het samenwerken van tegendelen naar een schoonste harmonie, in mijn geval het samenwerken van analyse en synthese in het genereren van omega, van een steeds grotere kwaliteit van bestaan. Men spreekt van de logos, het verbindend patroon.
Benedict Broere Aos. Variatie en Omega Over de wereld als variatie op een thema en kunstwerk in wording, hoofdstuk 6:
Het was daarom nogal een verassing toen paus Benedictus XVI in zijn omstreden speech te Regensburg sprak over de logos als een concept dat een centrale rol speelt in het christendom. De paus verwijst daarmee natuurlijk naar het beginvers van het Johannes-evangelie: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God." Met verderop de verwijzing naar Jezus Christus als 'het Woord' dat 'vlees is geworden'. Evenwel volledig in lijn met Heraclitus beschrijft hij de Logos als iets dat creatief is, dat er was vanaf het begin van alles, en dat de menselijke logos/rede analoog is aan de goddelijke logos/rede. Voorts geeft hij aan dat de wetenschappelijke rede aanleiding geeft tot het spreken over een bredere rede, waarin het religieuze discours ook mogelijk is, en dat ons beter in staat stelt de tegenwoordig zo noodzakelijke dialoog van de culturen en religies te voeren. En vervolgens besluit hij met te zeggen dat het de taak van de universiteit is deze Logos te ontdekken.

Het leerproces en de Eeuwige wederkeer, Regelkring

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, De drie grondstellingen van de geheime leer (p. 46):
(4.) Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT of intelligentie, de universele wereldziel, het kosmische noumenon van de stof, de grondslag van de verstandelijke werkingen in en van de Natuur, ook genoemd MAHA-BUDDHI.
De ENE WERKELIJKHEID; haar tweevoudige aspecten in het voorwaardelijke Heelal.
Verder stelt de Geheime Leer:
(b) De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ en die ‘de zich manifesterende sterren’ en ‘de vonken van de eeuwigheid’ worden genoemd. ‘De eeuwigheid van de pelgrim21’ is als een oogwenk van het Zelf-bestaan (Boek van Dzyan). ‘Het verschijnen en verdwijnen van werelden is als een regelmatig getij van eb en vloed.’ (Zie Afdeling II, ‘Dagen en nachten van Brahma’.)
21) ‘Pelgrim’ is de benaming die wordt gegeven aan onze monade (de twee in één) gedurende haar cyclus van incarnaties. Zij is het enige onsterfelijke en eeuwige beginsel in ons, omdat zij een ondeelbaar onderdeel is van het integrale geheel – de universele geest, waaruit zij voortkomt en waarin zij aan het eind van de cyclus wordt opgenomen. Als men zegt dat zij uit de ene geest voortkomt, moet men een onbeholpen en onjuiste uitdrukking gebruiken, bij gebrek aan meer geschikte woorden in het Nederlands. De aanhangers van de Vedanta noemen haar sutratma (draad-ziel), maar ook hun uitleg verschilt iets van die van de occultisten. Het verklaren van dit verschil wordt echter aan eerstgenoemden zelf overgelaten.

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Hoofdstuk 1 De drie grondstellingen:
De tweede stelling in de proloog van De Geheime Leer houdt in dat het heelal als het ware de speelplaats, het terrein, het strijdperk, het toneel is van onophoudelijke, eeuwige, nooit eindigende periodiciteit: dat wil zeggen, van cyclische beweging, het manifesteren van het eeuwige leven in het cyclische verschijnen en verdwijnen van werelden – sterren, planeten en de andere hemellichamen in het kosmische reservoir dat men vaag en onnauwkeurig de ruimte noemt. Ze zegt ons, en daarmee geeft ze uiting aan de lering van de oude wijsheid, dat deze werelden komen en gaan als vonken, in mystieke taal de ‘vonken van de eeuwigheid’ genoemd. De levenscyclus van elk van de grotere lichamen is noodzakelijk van onmetelijke duur; en wanneer we over tijd spreken, eist het menselijke verstand dat we over een maatstaf beschikken aan de hand waarvan we kunnen begrijpen wat we met tijd bedoelen, en men heeft de periode van de omloop van de aarde om de zon, die we één jaar noemen, als een willekeurige maatstaf algemeen aanvaard.

De basis van elk leerproces is: ‘Wat’ moeten we aan ‘Wie’, ’Wanneer’ en ‘Hoe’ leren, en ‘Waarom’ vinden we dat?

De leringen van de theosofie zijn niet gebaseerd op geloof maar op kennis. Theosofie verklaart zowel het 'Wat' (Religie), het 'Waarom' (Filosofie), als het 'Hoe' (Wetenschap) van het leven. Het waarom wordt vanuit een inductieve, intuïtieve benadering beantwoord.
De Theosofie wijst op de essentiële eenheid achter de grote verscheidenheid aan vormen en levensuitingen. Deze eenheid ligt aan de gehele Natuur ten grondslag.

Ken Wilber: boek De eenvoud van zijn - Omarm je ware aard
"Kijk naar de loop van de evolutie tot heden: van amoebe tot mens! Stel dat die verhouding, van amoebe tot mens, van toepassing zou zijn op de toekomstige evolutie. Dat wil zeggen, amoeben verhouden zich tot mensen als mensen tot - wat? Is het zo bespottelijk om te suggereren dat het 'Wat' inderdaad Omega, Geist, het Supramentale, de Geest, zou zijn? Dat Brahman niet alleen de grond van evolutie is, maar ook het doel?

Wanneer we theosofie praktisch willen gaan toepassen gaat het naast Wat, Waarom en Hoe om de vraag 'Wanneer'? Dit rapport legt op het wanneer, op het besturingssysteem, de wederzijdse wisselwerking tussen hardware en software de nadruk. De ziel, het 'Wie' de menselijke psyche verbindt het verleden met de toekomst en vice versa. Tegenover de symbolische orde staat de diabolische uitzichtloze wereld.

De wijsheidssleutels 1, 2 en 3 dragen een macro en de sleutels 5, 6 en 7 een micro karakter. De 4e sleutel, de schakel tussen buiten en binnen draagt beide karakteristieken. De schakel, de ziel brengt de reflexieve dynamiek 'zo binnen, zo buiten; zo buiten, zo binnen' tot uitdrukking. Sleutel 1 kan in samenhang worden gezien met sleutel 7, sleutel 2 met 6, en sleutel 3 met 5. De sleutels weerspiegelen zich in elkaar waardoor de macrokosmos en de microkosmos met elkaar worden verbonden.
De Geheime Leer III, p. 547: Metafysisch en wijsgerig is de mens als volledige eenheid samengesteld uit vier eeuwige grondbeginselen en door de beginselen voortgebrachte tijdelijke drie aanzichten op deze aarde.

De éne werkelijkheid is dat het universum in het menselijke bewustzijn wordt weerspiegeld. De driehoek van Pythagoras en de categorieën van Aristoteles symboliseren hoe de innerlijke wereld met de uiterlijke wereld, religie en wetenschap, 'Wat en Hoe; Hoe en Wat' met elkaar worden verbonden.

De mimesistheorie van Plato ligt hieraan ten grondslag namelijk dat alle beslissende inzichten – de inzichten betreffende de structuur van de geestelijke en de zintuigelijke wereld – reeds onbewust in het innerlijk van de mens sluimeren.

A.B.C Het Onkenbare, de wisselwerking tussen DAT en DIT, de blauwdruk gaat het menselijke begripsvermogen te boven. Het brengt de relatie tussen hemel en aarde, het ontstaan van de kosmos en van de mens (H.P. Blavatsky, De Geheime Leer Deel I en II) tot uitdrukking.

De 3e beginsel betreft de leerstelling van hiërarchieën en heeft op het zo boven zo beneden betrekking (leerstelling van de emanaties). De volmaaktheid in de hemel staat tegenover de onvolmaaktheid op aarde. Een flits van geluk, synthese ontstaat 'Wanneer' in de ziel ‘binnen en buiten’ samenvloeien. Het 3e beginsel brengt de éne werkelijkheid, de Eeuwige wederkeer, de wisselwerking tussen Sat en Asat (Alpha en Omega), tot uitdrukking. Het beginsel maakt de periodiciteit, het verschijnen en verdwijnen, het fenomeen 'verleden en toekomst' en het eeuwige nu tussen verleden en toekomst mogelijk.

De 4e sleutel, het 4e persoonlijkheidskenmerk, de mate van extraversie ligt op het snijvlak tussen binnen en buiten.

In de visie van Kees van Lieshout, hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de katholieke universiteit Nijmegen, wordt extraversie bepaald door de wijze waarop mensen worden geactiveerd. Er is een duidelijk verschil tussen introverte en extraverte types bij prikkels uit de omgeving.

De 5e sleutelde, de verborgen 5e dimensie, wordt in het rapport 'E i V' toegelicht. Het aan 'Wie' staat centraal. Het Wie staat los van een theïstische of een atheïstische visie. Het Ether-paradigma in het centrum van de kubus toont de blauwdruk achter de levenscycli.

De 6e sleutel stelt dat dualiteit aan de basis van alle manifestatie ligt.

De 7e sleutel brengt de 'kennis van het zelf’ tot uitdrukking. De moraal van het verhaal, het 'Waarom' wordt op het snijvlak van individu en collectief manifest.

Het is mogelijk in een flits het metafysische contrapunt, het éne te ervaren. Dit kan bijvoorbeeld wanneer we genieten van muziek, een goed boek, van de natuur. De zelfkennis maakt het Ene en het Vele mogelijk, het staat voor ‘Eenheid in Verscheidenheid’.

De zeven wijsheidssleutels symboliseren hoe probleem en oplossing met elkaar zijn verbonden. Het gaat om de onderlinge wisselwerking tussen de mens en zijn omgeving.

De zeven sleutels laten zien dat de wereld volmaakt geschapen is, aan God ligt het niet. Het is zoals het is, de kaarten zijn al geschud. Het is naïef te veronderstellen dat we de ène werkelijkheid kunnen veranderen. Het enige wat we wel kunnen is om zo goed mogelijk met de ène werkelijkheid te leren leven. Kiezen we voor evolutie of devolutie? In hoeverre is de mens bereid zich aan veranderende omstandigheden aan te passen?

De zevenvoudige samenstelling van de mens laat zien dat er aan de wereld van de eeuwig wederkerende verschijnselen (Aldous Huxley: perennial, Friedrich Nietzsche: ewige Wiederkehr), een eeuwige natuurlijke ordening, een blauwdruk (bepaalde natuurconstanten, de Wet van Zeven), de Triade en de Tetrade ten grondslag ligt. De Triade, de triniteit vormt de natuurlijke eenheid 'Ruimte, Materie en Tijd' en de Tetrade vormt de natuurlijke selectie. Bij de natuurlijke selectie gaat het om Uw wil geschiede. Richard Dawkins heeft gelijk wanneer hij stelt dat het bij levensprocessen om natuurlijke selectie gaat.

Hiërarchie

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, De drie grondstellingen van de geheime leer (p. 47):
(c) De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk.
Deel I, hoofdstuk De drievoudige evolutie in de natuur, p. 210:
Het wordt nu duidelijk, dat er in de Natuur een drievoudig evolutieplan bestaat voor het vormen van de drie periodieke upadhi’s, of liever drie afzonderlijke evolutieplannen, die in ons stelsel op elk punt onontwarbaar zijn dooreengeweven en vermengd. Dit zijn de monadische (of geestelijke), de verstandelijke en de stoffelijke evolutie. Deze drie zijn de eindige aspecten of de weerspiegelingen op het gebied van de kosmische illusie van ATMA, het zevende beginsel, de ENE WERKELIJKHEID.
1. De monadische evolutie heeft, zoals de naam al zegt, te maken met de groei en ontwikkeling van de monade tot nog hogere stadia van activiteit, en gaat samen met:
2. De verstandelijke evolutie, vertegenwoordigd door de Manasa-Dhyani’s (de zonnedeva’s, of de agnishwatta pitri’s), die de mens verstand en bewustzijn geven en:
3. De stoffelijke evolutie, vertegenwoordigd door de chhaya’s van de maanpitri’s, waaromheen de Natuur het huidige stoffelijke lichaam heeft geconcretiseerd. Dit lichaam dient als voertuig voor de ‘groei’ (om een misleidend woord te gebruiken) en voor de omzetting door middel van manas en – tengevolge van de opeenstapeling van ervaringen – van het eindige in het ONEINDIGE, van het voorbijgaande in het Eeuwige en Absolute.
Elk van deze drie stelsels heeft zijn eigen wetten, en wordt bestuurd en geleid door verschillende groepen van de hoogste Dhyani’s of ‘logoi’. Elk is vertegenwoordigd in de constitutie van de mens, de microkosmos van de grote macrokosmos; en de vereniging in hem van deze drie stromingen maakt hem het samengestelde wezen dat hij nu is.

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Hoofdstuk 1 De drie grondstellingen:
De derde stelling – deze is beslist niet de minst belangrijke, is het gemakkelijkst te begrijpen en bevat voor ons misschien de meeste waarheid – houdt in dat het heelal en al wat zich daarin bevindt één onmetelijk, eeuwig organisme vormt. Laten we hier voorzichtig zijn en niet tot de leer vervallen die het monisme wordt genoemd, en die kort gezegd leert dat alles in het heelal uiteindelijk is voortgekomen uit één stoffelijke oorzaak. We moeten eveneens vermijden tot de onjuiste leer van het monotheïsme te vervallen, of de leer dat het heelal met al wat het omvat, is geschapen door de wil en willekeur van een oneindige en eeuwige persoonlijke God. De eerstgenoemde leer is eenvoudig materialisme; de laatste is bijna even materialistisch.
Deze derde grondstelling zegt ons niet alleen dat het heelal één is met al wat het omvat, maar meer in het bijzonder dat het wezen mens – zijn lichaam, zijn lichamen; zijn ziel, zijn zielen; en zijn geest – slechts het product, de vrucht is van krachten. Dit is een van de leringen op het grootse en veelomvattende terrein van de theosofische filosofie die we goed moeten begrijpen, de leer van de hiërarchieën; namelijk dat de kosmos, het heelal, hoewel één organisme, niettemin is opgebouwd uit klassen of gradaties van wezens, bewustzijnen of intellecten, van allerlei aard, waarin het universele leven zich manifesteert, en dat deze met elkaar zijn verbonden, op elkaar zijn afgestemd en in één eenheid samenwerken aan één gemeenschappelijk doel.

Het 3e Beginsel van de esoterie gaat over de leer van de hiërarchieën. Namelijk over de fundamentele gelijkheid van alle Zielen met de Universele Ziel, die zelf weer een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor elke Ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de Kringloop van Incarnatie in overeenstemming met de Cyclische en Karmische wet, gedurende het gehele tijdperk. In de esoterie wordt van zeven bewustzijnsniveaus, zeven beginselen uitgegaan. Een doorsnede die daarvan is afgeleid geeft Roberto Assagioli in zijn boek Psychosynthese. De oerbron creëert het ‘Ik’ (bronbewustzijn, Zelf-eon, immateriële ziel), de voorwaarde voor het zelfbewustzijn dat door het witte verlichte scherm kan worden geïllustreerd. Het is het ego (de werking van de zeven zintuigen, met een verscheidenheid aan aggregatieniveaus), de relatie tussen geest en lichaam, die zorgt voor het projecteren van de beelden op het scherm.

Om de relatie tussen ‘deel’ en ‘geheel’ te verklaren gebruikt Arthur Koestler het concept van holons. In dit verband kan ook verwezen worden naar het boek Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter. De Verstrengelde hiërarchie correspondeert met het recursieproces en de Merkwaardige lus en de verklaring voor ‘nieuw opduikende’ verschijnselen in onze hersenen – bijvoorbeeld ideeën, hoop, beelden, analogieën, en tenslotte bewustzijn en vrije wil berusten volgens Douglas Hofstadter – op een soort Merkwaardige lus, een wisselwerking tussen niveaus waarbij het hoogste niveau teruggrijpt naar het laagste en daarop invloed uitoefent, terwijl het tegelijkertijd door het laagste niveau bepaald is. Het zelf ontstaat op het moment waarop het zichzelf kan weerspiegelen.

Samenvatting

Tom de Booij 11. Het Droste blikje en de vijfster als fractals

Het is mogelijk de éne werkelijkheid vanuit nieuwe gezichtspunten te belichten. Het rapport 'E i V' wil aantonen dat de kwintessens van het verhaal echter gelijk blijft. De structuur van de eeuwige wederkeer impliceert een Droste-effect. Dit proces van zelfverwijzing heet recursie.

Paul Revis: Terwijl bij het dier de intentionaliteit 'uitwaaiert' naar de dingen, 'verdampt', als het ware opgeslokt wordt door de wereld, buigt zij zich in de menselijke reflectie op zichzelf terug. Het menselijk bewustzijn kan zich zelfs op het eigen denken richten: ik denk, dat ik denk...dat ik denk... dat ik denk, enz. Het lijkt op de ontdekking van een kind, dat - starend naar een cacaoblik van Droste - voor het eerst de repeterende breuk, de oneindige reeks ontdekt: op het blik staat een verpleegster met een dienblad, op het dienblad staat hetzelfde blik met dezelfde verpleegster en hetzelfde dienblad, enz. Zo 'spiegelt' het bewustzijn zich in zichzelf en komt Descartes tot zijn 'cogito ergo sum'.

Jules Ruis: De rode draad door alle informatie is het woord 'fractal', een sterk groeiend begrip, dat naar verwachting de komende jaren ons leven en werken op vele fronten zal gaan beïnvloeden. Een klassiek voorbeeld van fractale structuur is de set van in elkaar passende Russische poppetjes, matruschka's genoemd. 'Fractals' zijn (van origine wiskundige) objecten van een ongekende schoonheid bestaande uit zich steeds herhalende patronen.

Er wordt van uitgegaan dat het 1e, 2e en 3e grondbeginsel met gebroken dimensie, zelfgelijkvormigheid en iteratie, de drie eigenschappen van fractals correleren.

De geschiedenis leert dat de oplossing van de unificatietheorie al millennia bekend is. Het hangt er alleen maar vanaf hoe je het probleem formuleert. Op het snijvlak van de geesteswetenschappen en de natuurwetenschappen ligt het gemeenschappelijke raamwerk, de Unifcatietheorie.

Platonische lichamen
Binnen een pentagoon kan een pentagram worden getekend. Centraal in het pentagram ontstaat een nieuw pentagoon. Er is hier opnieuw van recursie sprake.

Op aarde zal het onkenbare, ongemanifesteerde 1e Beginsel leven, een perpetuum mobile nooit worden gevonden, cq. kunnen worden gecreëerd. De bron van de blauwdruk van het heelal, van de innovatieve geestelijke structuur blijft verscholen.

Het onkenbare 1e beginsel, de wisselwerking tussen DAT en DIT, de blauwdruk gaat het menselijke begripsvermogen te boven. Het brengt de relatie tussen hemel en aarde, het ontstaan van de kosmos en van de mens (H.P. Blavatsky, De Geheime Leer Deel I en II), energie en materie tot uitdrukking.

De innerlijke structuur van de mens, loopt in de pas met de innerlijke structuur van de macrokosmos.

De oerbron En-Soph, het mysterie van leven, staat buiten de levensboom. In een flits (godsvonk, bewustzijnstoestand) kunnen we God (eenheidsbewustzijn) ervaren. Het eenheidsbewustzijn is het punt waarin de micro - en de macrokosmos met elkaar correleren en van waaruit het universum manifest wordt als schepping.

De oudste mimesistheorie is van Plato, de stichter van de oudste Academie. De mimesistheorie van Plato is onderdeel van zijn Ideeën-leer, die de wereld verdeelt in een zintuiglijke en een geestelijke wereld. De geestelijke wereld is werkelijk, de zintuiglijke is een illusie, want veranderlijk. Men moet zich volgens Plato richten op het geestelijke en streven naar de hoogste wijsheid, namelijk die van het Goede, het Ware en het Schone.

Voor een beknopte beschrijving van de begrippen microkosmos en de macrokosmos wordt verwezen naar het boek Nulpunt Revolutie van Benjamin Adamah.

De snaartheorie verbindt de Relativiteitstheorie met de Quantummechanica, de macrokosmos met de microkosmos.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk Leven, Kracht of Zwaartekracht (p. 587): Er wordt ongetwijfeld een nieuw licht geworpen op de wijsheid van het oude en middeleeuwse occultisme en zijn aanhangers. Want Paracelsus schreef hetzelfde meer dan driehonderd jaar geleden, namelijk in de zestiende eeuw, en wel op de volgende manier:
‘De hele microkosmos bevindt zich potentieel in de liquor vitae, een zenuw-fluïdum . . . dat de aard, de hoedanigheid, het karakter en de essentie van wezens omvat’ (De Generatione Hominis) . . . ‘De archaeus of liquor vitae is een essentie die gelijkelijk in alle delen van het menselijke lichaam is verdeeld . . . De spiritus vitae vindt zijn oorsprong in de spiritus mundi. Omdat hij een uitstraling is van laatstgenoemde, bevat hij de elementen van alle kosmische invloeden, en is zo de oorzaak waardoor de werking van de sterren (kosmische krachten) op het onzichtbare lichaam van de mens (zijn vitale lingasharira) kan worden verklaard.’ (De Viribus Membrorum. Zie Life of Paracelsus door Franz Hartmann, M.D., lid van de Theosophical Society.)

John Consemulder BLAUWDRUK de multidimensionale werkelijkheid van creatie en manifestatie (p. 141):
Er moet daarom, zo stelde Hartmann, een oorspronkelijke substantie of allereerste materie zijn, maar van een soort die verschilt van hoe ze aan ons verschijnt in de externe, zichtbare wereld. De Rozenkruizers noemden dit de ‘kosmische aether’ en in de oosterse sagen werd dit Akasha genoemd.
Volgens Hartmann bestaat er daarom slechts één fundamentele en universele kracht, die beweging is, en tevens slechts één fundamentele substantie die hij aether of materie noemt.

Anima mundi betekent 'de ziel van ons klein heelal' en wordt gebruikt als een equivalent voor Akasha-veld.
In het informatie registrerende en overdragende Akasha-veld van het universum worden de correlaties tussen de micro - en macrokosmos tot stand gebracht. Het 'Hoe en Wat' in de aardse microkosmos staat tegenover het 'Wat en Hoe' in de hemelse macrokosmos.

Ervin Laszlo bespreekt in zijn boek Het Akasha-veld, Verbinding en geheugen in kosmos en bewustzijn de relatie tussen de micro - en macrokosmos, René Meijer in zijn boek De Ether Bestaat aan de hand van 3 aanzichten, 6 gezichtspunten (Darshana's).

Er is sprake van een ommekeer wanneer de blauwdruk van de kosmos leidraad wordt voor de effectuering van de blauwdruk voor het leven in elke fase van de levenscyclus.

De Theosofie steunt op de drie basisbeginselen het onkenbare eerste beginsel, het tweede beginsel 'Periodiciteit' en het derde beginsel van de 'Hiërarchieën' TS. Het 1e, 2e en 3e Beginsel van de theosofie hangen samen met ruimte, tijd en materie (deeltjes).

De sleutel tot zelfbewust leven berust op het inzicht te beseffen dat beelden slechts ideeën zijn die zich in elkaar spiegelen en in feite een eenheid vormen.
De 4e sleutel is de leer van svabhava, het betreft het unieke karakter (4. Veerkrachtig) van ieder wezen en klasse van wezens. Volgens Kees van Lieshout, hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de katholieke universiteit Nijmegen, wordt extraversie bepaald door de wijze waarop mensen worden geactiveerd. Er is een duidelijk verschil tussen introverte en extraverte types bij prikkels uit de omgeving. Van Lieshout brengt liever een ander onderscheid aan tussen overcontrolers, undercontrolers, en veerkrachtige individuen. De veerkrachtige houden het (gulden) midden tussen beide extremen. De biologische bepaaldheid van persoonlijke eigenschappen verklaart mede de verschillen tussen mannen en vrouwen. Overcontrolers zijn relatief vaak vrouwen, undercontrolers relatief vaak mannen.
De stertetraëder combineert de mannelijke en de vrouwelijke energie. De mate van extraversie brengt het complementariteitsprincipe tot uitdrukking.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Het vormen van de mens: de denker (p. 269): Nephesh is de ‘adem van (dierlijk) leven’ die Adam, de mens van stof, werd ingeblazen, en is daarom de levensvonk, het bezielende element. Zonder manas, of wat in Lévi’s diagram ten onrechte nephesh wordt genoemd in plaats van manas, ‘de denkende ziel’ of het denkvermogen, is atma-buddhi op dit gebied zonder rede en kan het niet handelen.

De stelling wordt onderbouwd dat de éne werkelijkheid, het fenomeen bewustzijn, weten wat leven nauw precies is, niet kan worden gemeten. Het mysterie van het leven begint wanneer een eicel en een zaadcel elkaar ontmoeten. De blauwdruk van dit leven wordt dan een feit.

David Bohm ziet alles als een geheel, waarin twee werkelijkheden bestaan: de geïmpliceerde (implicate) realiteit en de geëxpliciteerde (explicate) of ontvouwde (=zichtbare ) realiteit, die toch een zijn. David Bohm ziet de realiteit als iets dat voortdurend ontstaat, een proces van worden zgn. flux. Wat wil zeggen, dat wat is, is het proces van worden zelf, terwijl alle objecten, gebeurtenissen, entiteiten, voorwaarden, structuren, etc. vormen zijn die vanuit dit proces kunnen worden geabstraheerd. Het is zoals het is. Verandering is niet tegen te houden, alles is aan het worden (the process of becoming) en de energie of bron komt altijd uit de onderliggende stroming (implicate reality) voort.

Het woord religieus komt van het latijnse woord religare , dat verbinden betekent. Religare betekent dat je iets uit het zichtbare verbindt met het onzichtbare, dat je het materiële verbindt met het geestelijke. Anders gezegd: religie is de verbinding tussen hemel en aarde. We noemen een ervaring religieus, als je in iets aards een stukje hemel ervaart. Je hoort aardse muziek, maar het klinkt als hemelse muziek. Je ziet een schilderij, gemaakt van verf dat met mensenhanden via penselen op canvas is aangebracht, maar je ziet door die materie heen een diepe geestelijke werkelijkheid. Je leest een gedicht, mensenwoorden, maar in dat gedicht spreekt iets bovenaards je aan.

In het individuatieproces moeten wij leren de tegenstellingen als eenheid te ervaren. De ontdekkingen in de natuurlijke wereld, de natuurkunde berusten op een overeenstemming van innerlijke beelden en de observaties in de buitenwereld. Binnen en buiten vallen dan samen.

Zie ook:

Boeken:

Externe Links

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 2088 keer bekeken.