| Deze filognostische presentatie is in aanbouw |
De weerspiegeling
Weerkaatsen
Peter Demski, boekje Het Anarchistische Principe, p. 7:
Het Concilie van Nicacea 325 koos voor de tweede gedachte. Het verklaarde: niet slechts de Vader, maar ook de Zoon is ‘anarchos’. Hier werd in plaats van de platonische voorstelling van de Godwording van de mens de bijbelse ‘God – evenbeeld – achtigheid’ geprefereerd.
Annie Besant (Clapham, 1 oktober 1847 – Adyar (Madras), India, 20 september 1933) was een Engelse feministe, socialiste, publiciste, vrijmetselaarster, theosoof en uiteindelijk tweede internationale presidente van de Theosophical Society Adyar Theosofische Vereniging.
Annie Besant, hoofdstuk (kies Annie Besant, Vier Voordrachten over Theosofie, ‘3. Esoterisch Christendom’):
In iederen godsdienst wordt de drieëenheid geleerd: de Vader, die het aanzicht van Macht, van Zelf-Bestaan voorstelt, en uit den Vader de Zoon en de Geest. De Vader is de oorsprong, de bron van al wat is. God komt in zijn aanzicht van Zelf-Bestaan, van onbegrensd Vermogen in alle openbaringen voor als de Eeuwige Vader, het midden-leven van het heelal. Uit Hem komt de Zoon voort, de openbaring van het aanzicht van liefde der Godheid, van liefde en gelukzaligheid tevens, de tweede persoon in de drieëenheid, de 2e Logos, zooals hij dikwijls genoemd wordt, tweevoudig in zijnen aard: aan den eenen kant de openbaring van mededoogen, van alomvattende liefde, aan de andere zijde van eeuwige, oneindige gelukzaligheid. Het derde aanzicht der godheid is dat van wijsheid. De wijsheid Gods is geopenbaard als de Geest, het goddelijk denkvermogen. Toen God zich openbaarde als scheppende kracht, als het algemeen denkvermogen, werd hij de 3e Logos, de derde persoon in de drieëenheid. God is in wezen één, drievoudig in zijn openbaring, het ééne Bestaan, dat zich toont in drievoudigen vorm. Wanneer wij spreken van de drie personen van de drieëenheid, zijn dit slechts drie aanzichten, waarin de godheid zich openbaart, zich zichtbaar maakt en begrijpelijk voor den mensch.
De drieëenheid, die in de godheid is, weerkaatst zich in den mensch, ook de mensch is een drieëenheid, het beeld van God. In den mensch heeft de goddelijke drieëenheid zich uitgestort, en de mensch ontvouwt in den voortgang zijner ontwikkeling den drievoudigen aard van de godheid, en ontwikkelt in zijn inwezen de drie aanzichten welke hij ontvangen heeft van God. Het eerst ontwikkelt zich in den mensch het verstand, de weerkaatsing van den derden persoon der goddelijke drieëenheid, daarna wordt de Zoon in hem geboren, de geest van den Christus, van alomvattende liefde en oneindig mededoogen. Het kenmerk van den mensch in wien dit tweede aanzicht zich ontwikkelt, die van den derden trap tot den tweeden is gekomen, is dat diepe mededoogen dat alle menschen in zich omvat. Dit is de geest van den Christus, en naarmate de mensch dezen ontwikkelt wordt hij de Zoon Gods. Dan komt de tijd voor de laatste openbaring in den mensch. Niet alleen de ontwikkeling van het verstand, de weerkaatsing van den Geest, niet alleen de liefde, die wordt voorgesteld door het leven van den Zoon,—ook het leven van den Vader moet zich in den mensch openbaren. Hij moet gelijk worden aan de goddelijke Kracht, het goddelijk Bestaan. Dat is de vereeniging waarvan alle godsdiensten hebben geleerd, dat is het één-worden met den Vader, waarvan Christus tot zijn discipelen sprak als de laatste zegepraal dien zij zouden bereiken. Het één-worden met den Vader is het einddoel der ontwikkeling van den mensch.
Deel III, p. 621: Vijf (Linga t/m Buddhi; 2 t/m 6) blijven er over onder de uitstraling van Âtmâ. Vervolgens wordt de lagere vierheid (1 t/m 4) als louter stof, objectieve begoocheling, beschouwd en blijven Manas en het aurische ei over, terwijl de hogere beginselen weerkaatst worden in het ei. Bij al deze stelsels zij men het hoofdfiguur indachtig, het nederdalen en weder opstijging van de geest, zowel in de mens als in de Kosmos. De geest wordt als het ware door geestelijke zwaartekracht omlaag getrokken. 646: Het hart is het middelpunt van het geestelijke bewustzijn, evenals de hersenen het middelpunt van het verstandelijke bewustzijn vormen. Doch niemand kan dit bewustzijn leiden noch de energie ervan besturen voordat hij één is met de Buddhi-Manas; tot die tijd leidt het hem - als het kan. Vandaar de kwellingen der wroeging, het knagen van het geweten; zij komen uit het hart, niet uit het hoofd. In het hart is de enige geopenbaarde God, de twee andere zijn onzichtbaar, en dit vertegenwoordigt de drieheid Âtmâ-Buddhi-Manas. 647: Er zijn in de mens drie hoofdmiddelpunten: hart, hoofd en navel, waarvan twee ten opzichte van elkaar + of – zijn, al naar het betrekkelijk overwicht van de middelpunten.
Lieuwe Mietus proefschrift Gunning en de theosofie, 21 april 2006: De theosofische gnosis houdt vast aan de christelijke voorstelling van schepping en verlossing.
Charles Didier:
De tijdlijn van de godsdienstige geschiedenis begint bij de Bijbel. Het is een verslag van Gods eerste openbaringen aan zijn profeten voor de mens. Hij begint met Adam en Eva, onze eerste ouders; hun schepping; hun val, met alle gevolgen van dien — het sterfelijk leven en de scheiding van God — en hun eerste stappen in de sterfelijke wereld. Vervolgens was waarschijnlijk een van hun eerste vragen: 'Waarom zijn we hier?' Om daar achter te komen, konden ze alleen maar de naam van de Heer aanroepen, want Hij was hun enige bron van ware kennis (zie Genesis 4:26). Door rechtstreekse openbaring hoorden ze de stem van de Heer die hun gebood de Heer, hun God, te aanbidden en Hem een offer te brengen (zie Genesis 4:4; Mozes 5:4-5). Uit verdere openbaring vernamen Adam en Eva dat het offer een afspiegeling was van het offer van de Eniggeborene van de Vader, dat Jezus Christus de enige naam was waardoor zij gered konden worden. Vervolgens werd hun de gave van de Heilige Geest beloofd, en werd hun beloofd dat wat zij ook zouden vragen, hun gegeven zou worden (zie Mozes 5:6-7; 6:52).
Later kreeg Adam door de macht van de Heilige Geest een vast en onwankelbaar getuigenis dat Jezus de Christus was, de Heiland en Verlosser van de wereld. Het begrip van de sterfelijke status van de gevallen Adam en Eva werd letterlijk hersteld doordat zij kennis ontvingen van hun relatie met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; kennis van de verzoening en de opstanding; en nadere kennis van de eerste beginselen en verordeningen van het reddende evangelie.
Bij de hindoes is de god Vishnu de goddelijke geest, de oorsprong en instandhouder van leven, en ook de schepper (Brahma) en vernietiger-vernieuwer (Shiva). Deze drie-eenheid vertegenwoordigt in essentie de daadwerkelijke processen van het bewustzijn dat zijn vormen vernieuwt en verandert in overeenstemming met nieuwe innerlijke impulsen.
De zeven hoogste
Aspecten van de Occulte Filosofie (kies: Elementalenrijken en kosmische elementen):
De elementalenrijken zijn, evenals alle andere rijken, verzamelingen of groepen evoluerende monaden; de zogenaamde elementen van de Ouden, of de beginselen, werden zo genoemd om weer te geven wat wij tegenwoordig de zeven beginselen of elementen van het heelal noemen, zoals een mens zeven beginselen of elementen heeft. Het is hun manier om ze te beschrijven. De hindoes hebben dezelfde manier, alleen is in dat geval de naam in het Sanskriet tattva’s: prithivî-tattva, âpas-tattva, vâyu-tattva, taijasa-tattva, âkâsa-tattva, enz.
Elke groep of verzameling monaden vormt een natuurrijk, of wat we in hun ronden een levensgolf noemen – elke groep van deze monaden, dat wil zeggen alle groepen, leven in en werken door deze tattva’s of kosmische elementen, die door de Grieken en Romeinen aarde, water, lucht en vuur werden genoemd. Sommigen, zoals de pythagoreeërs, zeiden dat er een vijfde was, æther; maar volgens de leer van de occulte scholen waren er feitelijk zeven, waarvan maar vier algemeen bekend; de pythagoreeërs en enkele anderen in Europa verkondigden openlijk het bestaan van een vijfde. De Griekse of pythagorische æther, op de juiste manier opgevat, was wat de hindoes bedoelden als ze het over âkâsa hadden.
Als zo’n kosmisch element zich op zijn eigen gebied ontvouwt, ontrolt het uit zichzelf al zijn zeven subgebieden of subkosmische elementen vóór het de kosmische elementen daaronder tot aanzijn brengt, zodat elk kosmisch element alle andere kosmische elementen in zich bevat, zij het in geringere mate. Zo heeft het kosmische element water, om de Griekse benaming te gebruiken, als svabhâva het waterelement; maar het bevat eveneens het vuurelement, het luchtelement, het aarde-element, enz.
De natuurrijken zijn verzamelingen, families of groepen monaden. De kosmische elementen zijn de essentiële substanties waarin ze leven, bewegen en hun bestaan hebben en evolueren.
De reden dat er feitelijk zeven subrijken van elementalen zijn is dat ieder elementalenrijk ontspringt aan zijn eigen bijzondere kosmische element. Omdat er zeven kosmische elementen zijn, doet elk kosmisch element zijn eigen elementalenrijk ontstaan. Al deze elementalenrijken tezamen zijn wat we de zeven elementalenrijken noemen omdat ieder uit zijn eigen kosmische element afkomstig is.
Kies: De incarnatie van de hoogste zeven
De ‘hoogste van de zeven’ heeft betrekking op de hoogste hiërarchie van ons eigen zonnestelsel, of liever, om heel technisch te zijn, ons eigen universele zonnestelsel – een heel technische uitdrukking. Het betekent niet alle zonnestelsels in het melkwegheelal. Het heeft een heel andere betekenis, maar dat is een ander verhaal waarop ik hier niet kan ingaan.
Om deze hoogste zeven op een andere manier te beschrijven zouden we kunnen zeggen dat zij de zeven voornaamste logoi van onze zon zijn; ofwel de zeven voornaamste planetaire rectoren of bestuurders van de zeven heilige planeten, die inderdaad zonnelogoi zijn of emanaties van onze zon, en elk van deze planetaire ketens of planeten is de woning, het huis of brandpunt – allemaal woorden die bijna hetzelfde betekenen – van één van hen. Uit de ene of de andere van deze zeven voornaamste godheden in ons zonnestelsel is de lange reeks avatâra’s voortgekomen en, in een ander opzicht, alle boeddha’s; zo is ook ieder mens die geestelijk bijzonder groot is, – let op dat woord ‘geestelijk’ – en die door de mensheid is voortgebracht, in meerdere of mindere mate een belichaming of een incarnatie, een echte incarnatie, van een straal van een van deze zeven voornaamste zonnelogoi. Jezus was er een en daarom zei hij: Ik en mijn Vader [dat is de bron, de logos of de logos vanuit de zon zelf] zijn één.
De zeven aspecten van de Logos zijn, wanneer men ze met hun overeenkomstigheden in een tabel zet, als volgt (p. 65):
| Antroposofie (b): | Elementen (p. 28): | Centra (p. 65): | Aspecten: | Deel II, p. 707: | |
| 7. Âtma | Geestmens | Primoerdial | Conarium | Goddelijke substantie | Noumenale sfeer |
| 6. Buddhi | Levensgeest | Ongedifferentieerd | Voorhoofd | Goddelijke denken | Geestelijke sfeer |
| 5. Manas | Geestzelf | Ether, Akâsha | Keel | Goddelijke liefde | Psychische sfeer |
| 4. Kama (a) | Ik als kern van de ziel | Lucht | Hart | Directe kennis | Astro-etherische sfeer |
| 3. Prâna | Etherlichaam | Vuur | Epigastrisch | Wil | Sub-astrale sfeer |
| 2. Linga-sarira | Astraallichaam | Water | Prostaat | Rede | Vitale sfeer |
| 1. Sthûla-sarira | Fysiek lichaam | Aarde | Sacraal | Herinnering | Zuiver stoffelijke sfeer |
Zie ook:
Boeken:
- Peter Demski Het Anarchistische Principe
Externe Links
- Aspecten van de Occulte Filosofie
Categorie: Artikelen | Rapport | Bijlagen |Auteur: Harry Nijhof
Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 314 keer bekeken.
