S'rîmad Bhâgavatam

(Complete download)

   

 

CANTO 1: Schepping

 

Hoofdstuk 1 Vragen van de Wijzen

Hoofdstuk 2 Goddelijkheid en Dienst aan God

Hoofdstuk 3 Krishna is de Bron van Alle Incarnaties.

Hoofdstuk 4 De Verschijning van S'rî Nârada.

Hoofdstuk 5 Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

Hoofdstuk 6 Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

Hoofdstuk 7 De Zoon van Drona Gestraft

Hoofdstuk 8 Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

Hoofdstuk 9 Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

Hoofdstuk 10 Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

Hoofdstuk 11 De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ

Hoofdstuk 12 De Geboorte van keizer Parîkchit

Hoofdstuk 13 Dhritarâshthra Gaat van Huis

Hoofdstuk 14 De Verdwijning van Heer Krishna

Hoofdstuk 15 De Pândava's Trekken Zich Terug

Hoofdstuk 16 Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging

Hoofdstuk 17 De Straf en het Loon van Kali

Hoofdstuk 18 Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen.

Hoofdstuk 19 De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

 

CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1 De eerste Stap in de Godrealisatie.

Hoofdstuk 2 De Heer in het Hart.

Hoofdstuk 3 Zuivere Toegewijde Dienst: De Verandering in het Hart.

Hoofdstuk 4 Het Proces van de Schepping.

Hoofdstuk 5 De Oorzaak Aller Oorzaken

Hoofdstuk 6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

Hoofdstuk 7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's.

Hoofdstuk 8 Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

Hoofdstuk 9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

Hoofdstuk 10 Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

 

CANTO 3: De Status Quo

 

Hoofdstuk 1 De Vragen van Vidura

Hoofdstuk 2 Terugdenken aan Krishna

Hoofdstuk 3 Het Spel en Vermaak van de Heer Buiten Vrindâvana

Hoofdstuk 4 Vidura Wendt zich tot Maitreya

Hoofdstuk 5 Vidura Spreekt met Maitreya

Hoofdstuk 6 Het Genereren van de Universele Gedaante 

Hoofdstuk 7 Verdere Vragen van Vidura.

Hoofdstuk 8 Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.

Hoofdstuk 9 Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.

Hoofdstuk 10 De Afdelingen van de Schepping

Hoofdstuk 11 De Indeling van de Tijd zich Uitbreidend Vanuit het Atoom

Hoofdstuk 12 De Schepping van de Kumâras en Anderen

Hoofdstuk 13 Het Verschijnen van Heer Varâha

Hoofdstuk 14 De Bevruchting van Diti in de Avond

Hoofdstuk 15 Beschrijving van het Koninkrijk Gods

Hoofdstuk 16 De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

Hoofdstuk 17 De Overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

Hoofdstuk 18 De Strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha 

Hoofdstuk 19 Het Doden van de Demon Hiranyâksha

Hoofdstuk 20 De Wezens Geschapen uit Brahmâ

Hoofdstuk 21 De Conversatie tussen Manu en Kardama

Hoofdstuk 22 Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

Hoofdstuk 23 Devahûti's Klacht

Hoofdstuk 24 De Verzaking van Kardama Muni

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst  

Hoofdstuk 26 Basisprincipes van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 27 Het Begrijpen van de Materiële Natuur

Hoofdstuk 28 Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

Hoofdstuk 29 De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 30 Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

Hoofdstuk 31 Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

Hoofdstuk 32 De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

Hoofdstuk 33 De Activiteiten van Kapila Muni

 

Canto 4: De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer

 

Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu

Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva

Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî

Hoofdstuk 4 Satî Verlaat Haar Lichaam

Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden

Hoofdstuk 7 Het Offer ten Uitvoer Gebracht door Daksha

Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

Hoofdstuk 11 Svâyambuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena

Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen

Hoofdstuk 17 Mahârâja Prithu Wordt Kwaad op de Aarde

Hoofdstuk 18 Mahârâja Prithu Melkt de Aarde

Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers

Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Mahârâja Prithu

Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Mahârâja Prithu

Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

Hoofdstuk 23 Mahârâja Prithu Keert Terug naar Huis

Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva

Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana

Hoofdstuk 26 Koning Purañjana gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

Hoofdstuk 27 De Aanval door Candavega op de Stad van Koning Purañjana; het Karakter van Kâlakanyâ.

Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven

Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

Hoofdstuk 30 De activiteiten van de Pracetâ's

Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's

 

CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's activiteiten

Hoofdstuk 7 De activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

CANTO 6: Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid

  

Hoofdstuk 1 Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila

Hoofdstuk 2 Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam

Hoofdstuk 3 Yamarâja Instrueert zijn Boodschappers

Hoofdstuk 4 De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha opgedragen aan de Heer

Hoofdstuk 5 Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha

Hoofdstuk 6 Het Nageslacht van de Dochters van Daksha

Hoofdstuk 7 Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati

Hoofdstuk 8 De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde

Hoofdstuk 9 Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

Hoofdstuk 11 De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura

Hoofdstuk 12 Vritrâsura's Glorieuze Heengaan

Hoofdstuk 13 Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde

Hoofdstuk 14 Koning Citraketu's Weeklagen

Hoofdstuk 15 De Heiligen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu

Hoofdstuk 16 Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer

Hoofdstuk 17 Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu

Hoofdstuk 18 Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden

Hoofdstuk 19 De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel

 

CANTO 7: De Wetenschap van God

 

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

CANTO 8: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum  

Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra

Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave

Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld

Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's

Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af

Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara

Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de nectar uit te Delen

Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen

Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt

Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's

Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur

Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes

Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden

Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie

Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja

Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden

Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer

Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over

Hoofdstuk 23 De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen

Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer

 

CANTO 9: Bevrijding

 

Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni

Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni

Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ

Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân

Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld

Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.

Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

Hoofdstuk 24 De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

 

CANTO 10: Het Hoogste Goed

 

Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding

Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna

Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa

Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ

Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura

Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren

Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier

Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya

Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 18 Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba

Hoofdstuk 19 Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana

Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit

Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend

Hoofdstuk 24 Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

Hoofdstuk 25 Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

Hoofdstuk 26 Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

Hoofdstuk 27 Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

Hoofdstuk 28 Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

Hoofdstuk 29 Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

Hoofdstuk 30 De Gopî's op Zoek naar Krishna er vandoor met Râdhâ

Hoofdstuk 31 De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

Hoofdstuk 32 Krishna Keert Terug naar de Gopî's

Hoofdstuk 33 De Râsadans

Hoofdstuk 34 Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

Hoofdstuk 35 De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

Hoofdstuk 36 De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

Hoofdstuk 37 Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

Hoofdstuk 38 Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

Hoofdstuk 39 Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

Hoofdstuk 40 Akrûra's Gebeden

Hoofdstuk 41 De Aankomst van de Heer in Mathurâ

Hoofdstuk 42 Het Breken van de Offerboog

Hoofdstuk 43 Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

Hoofdstuk 44 De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

Hoofdstuk 45 Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura

Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda

Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî

Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna

Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ

Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk

Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld

Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida

Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

CANTO 11: Algemene Geschiedenis

 

Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële

Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

Hoofdstuk 13 De Hams'a-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer

Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

Hoofdstuk 19 De Perfectie van de Spirituele Kennis

Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana

Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ

Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God

Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Hoofdstuk 1 Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

Hoofdstuk 2 Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

Hoofdstuk 3 Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

Hoofdstuk 4 Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

Hoofdstuk 5 De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

Hoofdstuk 6 Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

Hoofdstuk 7 De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

Hoofdstuk 8 Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

Hoofdstuk 9 Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

Hoofdstuk 10 S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

Hoofdstuk 11 Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

Hoofdstuk 12 De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

Hoofdstuk 13 De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd Purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Svâmî Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Svâmî Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata Purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Svâmî Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Svâmî Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt de z.g. ShareAlike regeling: men is vrij te copiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en link naar deze site bhagavata.org) en dat men er geen commercieel doel mee dient. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen.

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 02-10-2009.    

 

Hoofdstuk 1

Vragen van de Wijzen

(1) Moge er het eerbetoon zijn voor de oorspronkelijke verschijning van Hem, Vâsudeva, de Fortuinlijke, hier en in het voorbije aanwezig, van wie, voor het doel van de heugenis en de volledige onafhankelijkheid, de vedische kennis in het hart werd doorgegeven van degene die het eerst geschapen levende wezen is [Heer Brahmâ]. Over Hem verkeren, zoals met een luchtspiegeling van water naar [het vuur van] de zon, de verlichte [en zeker ook de gewone] zielen in een staat van begoocheling waarin, door de actie en reactie van de geaardheden van de materiële natuur, er de illusie van het feitelijke is. Ik mediteer op Hem die, altijd op zichzelf staand en van het bovenzinnelijke zijnd, de negatie is vrij van illusie en het Absolute van de waarheid.

(2) Hierin [in dit boek] wordt bedrieglijke religiositeit [die van nevenmotieven is] afgewezen, en vindt men het hoogste, begrijpelijk voor onzelfzuchtige waarheidlievenden. Hierin wordt geboden wat feitelijk het welzijn inhoudt dat een einde maakt aan de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door de persoon zelf, door anderen of door de natuur]. Wat is de behoefte aan anderen [andere verhalen] als men hierin het prachtige verhaal aantreft van de Fortuinlijke zoals samengesteld door de grote wijze [Vyâsadeva] dat, met de hulp van de vromen en zij die volijverig van dienst zijn, terstond de Heer in het hart sluit. (3) Het is de gerijpte vrucht van de wensboom van de vedische literatuur die vloeiend van de lippen van S'ukadeva [de zoon van Vyâsadeva] manifesteerde als zoete nectar volmaakt in ieder opzicht; o jullie zo bedreven en gewetensvol verrukt over de toewijding, geniet altijd de veilige haven van het S'rîmad Bhâgavatam!

(4) In het woud van Naimishâranya, een geliefde plek van Vishnu, brachten wijzen onder leiding van de wijze S'aunaka een duizendjarig offer terwille van de Heer van de hemel en de toegewijden op aarde. (5) Op een ochtend terwijl het offervuur brandde, vroegen ze met het nodige respect S'rîla Sûta Gosvâmî, die een erezetel was aangeboden, het volgende: (6) "U, vrij als u bent van alle zonde, en bekend met de verhalen en historische verslagen, staat bekend als zijnde goed thuis in de religieuze geschriften waaraan u ook uitleg hebt gegeven. (7) Als de oudste van de geleerden van de Veda's kent u Vyâsadeva, de Heer onder hen -- en Sûta, u kent eveneens de anderen die goed thuis zijn in de fysische en metafysische kennis. (8) Vertel ons daarom, hoog geëerde, omdat u goed op de hoogte, eenvoudig en zuiver bent door hun genade, over de geheimen die u vernomen hebt als een onderworpen discipel van die geestelijk leraren. (9) U die daardoor gezegend bent met een onbezorgd, lang leven - vertel ons uit uw goedheid alstublieft, wat u hebt kunnen vaststellen als zijnde het absolute en uiteindelijke goed dat alle mensen verdienen. (10) Over het algemeen, o achtenswaardige, zijn de mensen in deze tijd van Kali lui, misleid, ongelukkig, en bovenal verstoord. (11) Er zijn zoveel geschriften met evenzoveel voorgeschreven plichten die ieder apart hun aandacht opeisen. O wijze zeg ons daarom wat hiervan naar uw beste weten, voor het heil van alle levende wezens, de essentie is die bevredigend is voor de ziel. (12) Wees gezegend Sûta, u weet voor welk doel de Allerhoogste, de beschermer der toegewijden, verscheen in de schoot van Devakî als de zoon van Vasudeva. (13) O Sûta, u zou ons daarom moeten verheffen, wij die er graag over willen horen, door over Hem te vertellen die nederdaalde voor het heil van alle levende wezens - en over Zijn leringen zoals die werden doorgegeven door voorgaande leraren. (14) Verwikkeld in de complicaties van geboorte en dood zullen we, zelfs als we niet volledig bewust zijn, bevrijding vinden als we de naam van de Heer respecteren die gevreesd wordt door de vrees zelve. (15) O Sûta, eenvoudig samen zijn in toewijding zal ons direct heiligen, zoals water van de Ganges dat doet maar dan alleen na het te gebruiken. (16) Wie, verlangend naar bevrijding, zou niet liever willen horen van de Heer en Zijn aanbiddelijke deugdzame daden en glorie als degene die ons heiligt in het Tijdperk der Onenigheid [Kali]? (17) Hij wordt geroemd door de grote zielen vanwege Zijn transcendentale glorie. Vertel ons, die er zo naar uitzien te geloven, alstUblieft over het spel en vermaak van Zijn nederdalen in de tijd. (18) O scherpzinnige, beschrijf ons daarom de heilbrengende avonturen en andere wederwaardigheden van de meervoudige incarnaties van de Hoogste Beheerser Zijn persoonlijke energieën. (19) We zijn het nooit moe te vernemen over de avonturen van de Verheerlijkte en associatie te vinden met Hem, om bij iedere stap die we zetten het appetijtelijke te genieten. (20) Vermomd als een menselijk wezen deed Hij met Balarâma [Zijn oudere broer] bovenmenselijke dingen. (21) Wetend van de aanvang van het tijdperk van Kali hebben we ons hier voor langere tijd verzameld op deze plek bestemd voor de toegewijden, om offers te brengen en de tijd te nemen om te luisteren naar de verhalen over de Heer. (22) Door de voorzienigheid ontmoetten we uwe goedheid om ons als de kapitein van het schip door dit onoverkomelijke tijdperk van Kali te loodsen dat zo'n bedreiging vormt voor de goede eigenschappen. (23) Zeg ons bij wie we nu onze toevlucht moeten zoeken, nu de Heer van de Yoga, S'rî Krishna, de Absolute Waarheid en de beschermer van de religie, vertrokken is naar Zijn eigen verblijfplaats."

 

Hoofdstuk 2

Goddelijkheid en Dienst aan God  

(1) Volmaakt tevreden over de juiste vragen van de wijzen daar aanwezig, probeerde de zoon van Romaharshana [Sûta] antwoord te geven na hen bedankt te hebben voor hun woorden. (2) Sûta zei: "Hij [S'ukadeva] die wegging om te leven met de wereldverzakende orde zonder de voorgeschreven vormings-ceremonie van de heilige draad, deed Vyâsadeva, die bang was voor de gescheidenheid uitroepen: 'O mijn zoon', en al de bomen en levende wezens antwoordden sympathizerend in het hart van de wijze. (3) Laat mij mijn eerbetuigingen brengen aan hem, die van zijn levens-ervaring, als het enige transcendentale baken in het verlangen de duisternis te verdrijven van het materiële bestaan van de materialistische mens, zich de essentie van de Veda's eigen maakte en vanuit zijn grondeloze genade de zeer vertrouwelijke kennis overdroeg als de meester der grote wijzen. (4) Na eerst eerbetuigingen te hebben gebracht aan Nara-Nârâyana, [de Heer als] het opperste menselijke wezen, de godin van het leren en Vyâsadeva, laat er dan de verkondiging zijn van alles wat nodig is om te overwinnen.

(5) O wijzen, uw vragen over Heer Krishna zijn van belang voor het welzijn van de wereld omdat ze het ware zelf voldoening schenken.(6) Die plichtsvervulling is zonder twijfel voor de mensheid de hoogste, waarvan er de ononderbroken toegewijde dienst zonder nevenmotieven is aan Krishna als de Bovenzinnelijke Ene [Vishnu] die leidt tot de volledige bevrediging van de ziel. (7) De praktijk van het zich verbinden in toewijding tot Vâsudeva, de Persoonlijkheid Gods, leidt zeer spoedig tot de onthechting en de spirituele kennis die berust op eigen kracht. (8) Wat de mens doet in zijn verplichtingen overeenkomstig de eigen positie, is zinloze arbeid die nergens toe leidt, als ze niet leidt tot de boodschap van Vishvaksena [Krishna als het Hoogste Gezag]. (9) Iemands beroepsmatige verplichtingen zijn zeker bedoeld voor de uiteindelijke bevrijding en niet voor de zaak van het materiële gewin, noch is, overeenkomstig de wijzen, de materiële vooruitgang van de plichtsbetrachting in toegewijde dienst er voor het realiseren van zinsbevrediging. (10) Iemands verlangen is er niet zozeer voor de bevrediging van de zinnen, het profijt en het zelfbehoud, maar in plaats daarvan is de arbeid er voor geen andere bedoeling dan te achterhalen wat de Absolute Waarheid is. (11) De geleerde zielen zeggen dat de werkelijkheid van de onverdeelde kennis bekend staat als brahman, paramâtmâ en bhagavân [het onpersoonlijke, gelokaliseerde en persoonlijke aspect]. (12) De wijzen die, met het goede van de kennis en de onthechting, er een serieuze wil tot onderzoek op na houden, zullen in zichzelf en het Paramâtmâ in toegewijde dienst precies dat zien waarvan ze in de Veda's hebben gehoord. (13) Zo bereikt de mens, o besten der tweemaal geborenen, de hoogste volmaaktheid van beroepsmatige plichtsbetrachting overeenkomstig de verdelingen van status en roeping door de Heer te behagen. (14) Daarom moet men met onverdeelde aandacht voortdurend over de Opperheer, de beschermer van de toegewijden, vernemen en Hem verheerlijken en herinneren. (15) Wie zou geen aandacht besteden aan deze boodschap van het zich op intelligente wijze heugen van de Heer door de banden van de materieel gemotiveerde arbeid [karma] te doorbreken? (16) Iemand die met zorg en aandacht met respect voor Vâsudeva luistert, zal door de toegewijde dienst verleend aan zuivere toegewijden affiniteit vinden met de boodschap, o geleerden, en van alle ondeugd gezuiverd worden. (17) Degenen die dit horen van Zijn woorden ontwikkelden zullen deugd vinden in het luisteren en zingen en zullen zeker in hun harten hun verlangen om te genieten gezuiverd zien door de begunstiger van de waarheidlievenden. (18) Door regelmatig aandacht te besteden aan het fortuinlijke [van het boek en de toegewijde] zal vrijwel al het ongunstige zijn greep verliezen, en zal aldus de Opperheer van dienst zijnd met transcendentale gebeden onherroepelijk liefdevolle dienstbaarheid tot stand komen. (19) Te dien tijde, niet aangedaan door de effecten van de hartstocht en de onwetendheid zoals de lust, de begeerte en wat dies meer zij, zal het bewustzijn zijn gevestigd in goedheid en het geluk vinden. (20) Het denken in samenhang met de toegewijde dienst aan de Heer aldus opgehelderd, krijgt, door de omgang bevrijd, dan greep op de kennis der wijsheid in relatie tot de Fortuinlijke. (21) De ontdekking dat het [ware] zelf op die manier de meester is zal zeker de knopen in het hart aan stukken snijden, al de twijfels oplossen en een einde maken aan de keten van materieel gemotiveerde handelingen [karma]. (22) Daarom heeft het alle transcendentalisten altijd behaagd Krishna dienstbaar te zijn - het brengt hun ziel tot leven. (23) Het uiteindelijk voordeel van de Transcendentale Persoonlijkheid, dat zowel geassocieerd is met de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, als met de Handhaver Vishnu, de Schepper Brahmâ en de Vernietiger S'iva, wordt natuurlijk gevonden in de vorm van de kwaliteit van de goedheid [Vishnu]. (24) Zoals we het brandhout van de offers hebben dat van de aarde afkomstig is en rook produceert, zo hebben we ook de hartstocht afkomstig van traagheid die leidt tot de goedheid van welke de essentiële aard wordt gerealiseerd.

(25) Wie deze wijzen ook volgt die voordien aldus dienst leverden aan de transcendentale Heer die boven deze drie geaardheden van de natuur staat, verdient hetzelfde voordeel. (26) Om die reden verwerpen zij die de bevrijding zoeken de minder aantrekkelijke vormen der halfgoden en zijn ze, zonder afgunst, de vele vormen van de gelukzalige Heer Vishnu [Nârâyana] toegewijd. (27) Degenen die onwetend zijn en van de hartstocht, begeren weelde, macht en nageslacht, vasthoudend aan voorvaderen en andere wezens van kosmische heerschappij van een gelijksoortige aard.(28-29) Maar Vâsudeva is het voorwerp van de kennis, het doel van de offers en de yoga, de heerser over alle materiële activiteiten en de hoogste kennis, verzaking, kwaliteit, religie en doel van het leven. (30) Vanaf het begin der manifestatie is Hij, door Zijn innerlijk vermogen, de oorzaak en het gevolg geweest van alle vormen van de schepping en is Hij het transcendentale Absolute van de geaardheden der natuur. (31) Hoewel Hij zich manifesterend met de geaardheden, daarin binnen gegaan, onder de invloed van de geaardheden schijnt te staan, is Hij de volle manifestaie van alle wijsheid. (32) Hij, als de Superziel, doordringt al de levende wezens als de bron van de schepping zoals vuur dat doet in hout en treedt naar buiten als verschillende levende wezens, terwijl Hij tegelijkertijd de Absolute Persoon is. (33) Die Superziel, schiep de subtiele zintuigen beïnvloed door de geaardheden der natuur door de levende wezens in Zijn eigen schepping binnen te gaan, hen ertoe aanzettend te genieten van die geaardheden. (34) Aldus behoudt Hij alles in de geaardheid goedheid, Zelf belichaamd zijnd in het vertoon van Zijn spel en vermaak als de meester over al de werelden van de goddelijke, menselijke en de dierlijke wezens."

 

Hoofdstuk 3

Krishna is de Bron van alle Incarnaties

(1) Sûta zei: "In den beginne nam de Allerhoogste Heer, terwille van de schepping der werelden, de gedaante aan van de Oorspronkelijke Persoon[: de integriteit van het materiële bereik] zoals samengesteld uit de zestien elementen [van de tien waarnemende en werkende zinnen, de vijf elementen en de geest] en de kosmische intelligentie en dergelijke. (2) In Zijn meditatieve sluimer rustend, manifesteerde zich in dat water, uit de lotus die zich vanuit het meer van Zijn navel uitspreide, Brahmâ, de meester van alle stamvaders in het universum. (3) Men neemt aan dat de verschillende werelden [als expansies] deel uitmaken van de gedaante van de Fortuinlijke, welke waarlijk de uitnemendheid van het zuiverste bestaan is. (4) Zijn gedaante aldus perfect bezien heeft tal van benen, dijen, armen en gezichten, met prachtige hoofden, oren, ogen en neuzen, allen stralend met bloemenslingers en kledij. (5) Deze veelvormige bron van de incarnaties is het onvergankelijke zaadbeginsel waaruit de volkomen delen en delen daar weer van, de goden, de menselijke wezens en de dieren, voortkomen."

(6) "Eerst werden de zonen van Brahmâ [de Kumâra's] gedisciplineerd in versobering voor de realisatie van continuïteit. (7) Vervolgens geïncarneerd ter wille van haar welvaart, hief Hij de wereld, als een everzwijn, op uit de lagere regionen. (8) Ten derde aanvaardde Hij [in de gedaante van Nârada Muni] Zijn aanwezigheid onder de geleerden ter wille van de ontwikkeling van de vedische kennis voor het verrichten van diensten in toewijding zonder verdere materiële motieven. (9) Ten vierde geboren als de tweeling zoon van koning Dharma in de vorm van Nara-Nârâyana onderging Hij gestrenge boetedoeningen om de zinnen onder controle te krijgen. (10) Ten vijfde gaf Hij met de naam Kapila een uiteenzetting aan de brahmaan Âsuri over de aard van de metafysica en de elementen der schepping aangezien in de loop van de tijd de kennis verloren was gegaan. (11) Ten zesde, geboren als de zoon [genaamd Dattâtreya] van Atri uit Anasûyâ die voor Hem gebeden had, onderrichtte Hij Alarka, Prahlâda en anderen over het transcendentale. (12) Ten zevende geboren uit Âkûti als Yajñ'a, de zoon van Prajâpati Ruci, heerste Hij, bijgestaan door de goddelijken, over de verandering in de periode van Svâyambhuva Manu tezamen met Zijn zoon Yama en anderen. (13) Ten achtste nam Hij uit Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi, geboorte als koning Rishabha en toonde Hij het pad der perfectie gerespecteerd door mensen van alle levensstadia. (14) Zijn negende incarnatie accepterende door de gebeden van de wijzen, heerste Hij [als Prithu] over de aarde terwille van haar cultivering en opbrengst, welke haar prachtig en aantrekkelijk maakte. (15) Als een vis [Mâtsya] in het water hield Hij Vaivasvata Manu na de periode van Câkshusha Manu in een boot beschermend drijvende op de wateren toen de wereld diep was gezonken. (16) Ten elfde ondersteunde Hij als een schildpad [Kurma] de Mandarâcala Heuvel van de theïsten en atheïsten welke diende als een draaipunt in de oceaan. (17) De twaalfde was Dhanvantari [Heer van de medische wetenschap] en ten dertiende verscheen Hij als een bekoorlijke mooie vrouw voor de atheïsten, terwijl Hij nectar gaf aan de goddelijken. (18) Zijn veertiende incarnatie verscheen Hij als Nrisimha, die met Zijn nagels half als een leeuw op Zijn schoot de koning der atheïsten uiteen reet zoals een timmerman dat doet met bamboe. (19) Ten vijftiende nam Hij de vorm van Vâmana aan [de dwerg-brahmaan] die, van het offerperk van Mahârâja Bali, alleen maar smeekte om drie voetstappen land, terwijl Hij in Zijn hart terug wilde keren naar het koninkrijk van de drie werelden. (20) In zijn zestiende incarnatie trad Hij [als Bhrigupati of Paras'urâma] eenentwintig keer op tegen de heersende klasse die de intelligentsia negeerde. (21) De gewone man als minder intelligent ziend incarneerde Hij ten zeventiende als Vyâsadeva uit Satyavatî door Parâs'ara Muni, om de wensboom van de Veda in verschillende takken onder te verdelen. (22) Vervolgens toonde Hij zich bovenmenselijk in het beheersen van de Indische Oceaan, de vorm aangenomen hebbende van een goddelijk menselijk wezen [Râma] teneinde op te kunnen treden terwille van de goddelijken. (23) Negentien zowel als twintig verscheen Hij als Balarâma en Krishna van de Vrishni-familie en aldus nam Bhagavân de last van de wereld weg. (24) Daarna in het Kali-tijdperk zal Zijn geboorte als Heer Boeddha uit Añjanâ in Gayâ plaatsvinden om diegenen die afgunstig zijn op de theisten te misleiden. (25) Daaropvolgend met de samenkomst van twee yuga's, als er nauwelijks een leider te vinden is die niet een plunderaar is, zal de Heer der Schepping geboorte nemen met de naam Kalki als de zoon van Vishnu Yas'â."

(26) "O tweemaal geborenen, uit de oceaan der goedheid zijn de incarnaties van de Heer zo talloos als de duizenden stroompjes ontspringend aan de meren. (27) Al de machtige wijzen, de goddelijken, de Manu's en hun nageslacht, zowel als de Prajâpati's [de stamvaders] zijn aspecten van de Heer. (28) Al dezen maken deel uit van Heer Krishna, de Allerhoogste Heer [Bhagavân] in eigen persoon die bescherming biedt in alle tijden en werelden tegen de vijanden van de koning van de hemel [Indra]. (29) Diegenen die in de ochtend en de avond zorgvuldig deze mysterieuze geboorten reciteren, zullen bevrijding vinden van alle ellende van de wereld. (30) Al deze gedaanten van de Heer zijn zeker van de ene zonder vorm die transcendentaal is; ze kwamen in het zelf voort uit de geaardheden van de materiële energie met haar elementen. (31) Voor de minder intelligente ziener zijn ze als wolken in de lucht en stof in de wind om te worden waargenomen. (32) Dit ongemanifesteerde voorbije, dat zonder een vorm is die wordt aangedaan door de geaardheden der natuur en is als dat wat niet gezien of gehoord wordt - dàt is het levende wezen dat herhaaldelijk zijn geboorte neemt. (33) Zo gauw men inziet dat deze grofstoffelijke en subtiele vormen voortkomen uit onwetendheid in het zelf, op dat moment bevindt men zich in associatie met het goddelijke. (34) Met het tot rust komen van de bedrieglijke materiële energie is er verrijking met de volledige kennis van de verlichting en weten in de heerlijkheden van het Zelf. (35) Aldus is de inactieve en ongeboren Heer van het Hart met Zijn geboorten en activiteiten door de geleerden beschreven als zijnde niet te onderscheiden, zelfs niet in de Veda's. (36) Aanwezig in ieder levend wezen is Hij, de almachtige meester der zinnen wiens spel vlekkeloos is, onafhankelijk en onaangedaan door schepping, vernietiging en behoud. (37) Optredend als een acteur in een toneelstuk, kunnen door Zijn manipulaties degenen met weinig kennis Hem niet in Zijn activiteiten, namen en gedaanten kennen door middel van speculaties en redeneringen. (38) Alleen hij kan weten van de transcendentale heerlijkheden van de Schepper almachtig met het wiel van de strijdwagen in Zijn hand, die onvoorwaardelijke, ononderbroken en goedgunstige dienst levert aan Zijn geurige lotusvoeten. (39) In deze wereld kan men een succes zijn als men volledig op de hoogte is van de Hoogste Persoonlijkheid van God die al Zijn universa omspant en inspireert tot het volkomene van de geest der vervoering in welke men nooit de akelige herhalingen van het wereldse belang zal aantreffen."

(40) "Dit boek over het verhaal van de Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden verzameld door de wijze man van God is, als een toevoeging bij de Veda's, er voor het uiteindelijke goed van alle mensen, succes, geluk en perfectie brengend. (41) S'rîla Vyâsadeva gaf het, als de room die hij uit alle vedische geschriften en geschiedenissen heeft geëxtraheerd, door aan zijn zoon, de meest eerbiedwaardige onder de zelfgerealisee rden. (42) Hij op zijn beurt vertelde het aan keizer Parîkchit die aan de Ganges boetvaardig tot aan zijn dood neerzat omringd door de wijzen. (43) Met Krishna vertrokken naar Zijn verblijf tezamen met het juiste gedrag en het spiritueel inzicht erbij, is nu deze Purâna helder als de zon opgekomen voor al de mensen die het in Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] niet meer zien zitten. (44) Toen ik van die machtige grote wijze het verhaal hoorde, slaagde ik er ook in het te begrijpen, perfect aandachtig zijnd door zijn genade, zodat ik het ook aan u kan vertellen vanuit mijn eigen realisatie."

 

Hoofdstuk 4

De Verschijning van S'rî Nârada.

(1) De oudere en geleerde S'aunaka, het hoofd van de langdurige ceremonie waar de wijzen voor verzameld waren, feliciteerde Sûta Gosvâmî, hem aldus dankend: (2) "O meest fortuinlijke van diegenen die gerespecteerd zijn te spreken, vertel ons van de boodschap van het Bhâgavatam, zoals die werd uitgesproken door S'ukadeva Gosvâmî. (3) Wanneer, waar, om welke reden en waardoor geïnspireerd kon deze literatuur worden samengesteld door Vyâsadeva? (4) Zijn zoon, die evenwichtig en standvastig met zijn denken altijd gefixeerd was op de Ene, was een groot toegewijde en een ontwaakte ziel, maar onbekend zijnde leek hij onwetend. (5) Naakte badende schoonheden bedekten uit verlegenheid hun lichaam toen ze de wijze Vyâsa zijn zoon achterna zagen komen, terwijl ze verbazingwekkend genoeg desgevraagd van zijn zoon zeiden dat niet te doen daar hij ze zuiver beschouwde zonder seksueel onderscheid te maken. (6) Hoe werd hij [S'uka], die een achterlijke domme gek leek rondzwervend in de Kuru-jângala provincies, herkend door de inwoners toen hij Hastinâpura [nu: Delhi] bereikte? (7) Hoe kon, o beste ziel, tussen deze heilige en de nazaat van Pându, de wijze koning, de discussie plaatsvinden waarin deze vedische waarheid aangaande Krishna aan de orde kwam? (8) Pelgrimerend verbleef hij, de verblijfplaats zegenend, niet langer bij de deur van huishouders dan de tijd nodig om een koe te melken. (9) Vertel ons alstUblieft over Parîkchit, de zoon van Abhimanyu, van wie beweerd wordt dat hij een eerste klas toegewijde is wiens geboorte en kwaliteiten allen wonderbaarlijk zijn. (10) Om welke reden verwaarloosde de keizer die de naam van Pându verrijkte, de rijkdom van zijn koninkrijk, tot aan zijn dood in boete aan de Ganges neerzittend? (11) Waarom riep hij, aan wiens voeten alle vijanden in hun eigen belang hun weelde overgaven, in de kracht van zijn jeugd uit, zijn zo moeilijk te verzaken leven in koninklijke welstand op te geven? (12) Zij die van toewijding zijn voor de Ene Verheerlijkt in de Verzen, leven terwille van het welzijn, de welvaart en de voorspoed van alle levende wezens en niet voor zelfzuchtige doelen; om welke reden gaf hij, vrij van alle gehechtheid, dit sterfelijk lichaam op dat de toevlucht vormde voor anderen? (13) Verschaf ons uitleg over al de vragen die we hiermee aan u voorleggen want we achten u volledig op de hoogte van de betekenis van vrijwel alle woorden in de geschriften, uitgezonderd die van de vedische hymnen."

(14) Sûta Gosvâmî zei: "Toen het tweede tijdperk overgegaan in het derde eindigde, werd de wijze [Vyâsa] geboren van Parâs'ara uit de baarmoeder van de dochter van Vasu als een volledig aspect van de Heer. (15) Op een ochtend bij het opkomen van de schijf van de zon zat hij, na de wassing met het water van zijn ochtendrituelen, neer aan de oever van de rivier de Sarasvatî om zich te concentreren. (16) Het verleden en de toekomst kennend zag hij, zoals zich dat door ongeziene krachten voordoet in de verschillende tijdperken, dat zich in de religie van zijn tijd geleidelijk aan afwijkingen openbaarden. (17-18) Toen hij in zijn overstijging zag hoezeer er met het afgestompte en ongeduldige van de ongelovigen tekortschietend in goedheid, sprake was van een afname van het natuurlijk vermogen in alle soorten van mensen en ook in de andere schepselen, en dat de gewone man er ongelukkig aan toe was en maar kort leefde, wijdde de wijze zijn bovenzinnelijke aandacht aan het welzijn van alle roepingen en stadia van het leven. (19) Met het inzicht dat er vier offervuren waren voor het zuiveren van de arbeidsinzet van de mensen, verdeelde hij de Veda overeenkomstig in vieren om de voortzetting van het offeren te garanderen. (20) Rig, Yajuh, Sâma en Atharva waren de namen van deze vier Veda's terwijl de Itihâsa's (de enkele geschiedenissen) en de Purâna's (de verzamelingen van verhalen) de vijfde Veda werden genoemd. (21) Daarna werd de Rig Veda uitgedragen door de rishi Paila, de Sâma Veda door de geleerde Jaimini, terwijl Vais'ampâyana de enige was goed genoeg thuis in de materie om ervoor in aanmerking te komen de Yajur Veda hoog te houden. (22) Het serieuze respect voor de Atharva Veda lag bij Angirâ die ookwel Sumantu Muni wordt genoemd, terwijl de Itihâsa's en de Purâna's, werden verdedigd door mijn vader Romaharshana. (23) Al deze geleerden op hun beurt verdeelden de hen toevertrouwde kennis over hun volgelingen die hetzelfde deden met hun volgelingen die dat weer deden met hun leerlingen en aldus ontstonden de verschillende takken van navolgers van de Veda's. (24) Teneinde ervoor te zorgen dat de Veda evenzogoed werd opgenomen door de minder intellectuele mensen, bekommerde Vyâsa de wijze van de heerlijkheid er zich om dit voor de minder onderlegden op schrift te stellen. (25) Op deze manier denkend terwille van de dwazere arbeidersklasse, de vrouwen [zie 6.9: 6 & 9], en de vrienden van de tweemaal geborenen die zelf niet voor het begrip werkten, was de wijze zo genadig voor de realisatie van hun voordeel de geschiedenis van de Mahâbhârata op schrift te stellen."

(26) "O dierbare tweemaal geborenen, op geen enkele manier was hij, die zich altijd inspande voor het welzijn van alle levende wezens, in staat te dien tijde er tevreden over te zijn. (27) Wetende wat religie is, in afzondering gezuiverd aan de oever van de Sarasvatî, zei hij derhalve vanuit de ontevredenheid in zijn hart tegen zichzelf: (28-29) 'Met strikte discipline heb ik oprecht op de juiste manier respect betoond in overeenstemming met de vedische hymnen, de meesters geacht en de offers gebracht. Zelfs voor vrouwen, arbeiders en anderen heb ik, door de Mahâbhârata samen te stellen, naar behoren vanuit de erfopvolging uiteengezet wat moet worden gezegd van het pad der religie. (30) Hoewel ik naar het schijnt afdoende aan de eisen van de vedantisten tegemoet ben gekomen in de realisatie van de macht van de Opperziel zoals die zich in het lichaam bevindt en zelfs van mijn eigen kunnen, heb ik het gevoel dat er iets aan ontbreekt. (31) Ik heb misschien niet genoeg aandacht besteed aan de toegewijde dienst die de perfecten en de Onfeilbare zo dierbaar is. (32) Terwijl Krishna Dvaipâyana Vyâsa op deze manier zo spijtig na zat te denken over zijn tekortkomingen bereikte Nârada, over wie ik voorheen sprak, zijn hutje. (33) Het fortuin daarvan inziend, stond hij snel op en betuigde hij hem alle eer zoals de goddelijken Brahmâjî, de schepper, de eer betuigen."

 

Hoofdstuk 5

Nârada's Instructies over het S'rîmad Bhâgavatam aan Vyâsadeva.

(1) Sûta zei: "Comfortabel gezeten naast hem richtte de behaagde rishi van God - die een vînâ in zijn handen houdt - zich tot de geleerde wijze. (2) Hij zei: 'O hoogst fortuinlijke zoon van Parâs'ara, verloopt de confrontatie met het lichaam en de geest in de zelfrealisatie van uw ziel naar bevrediging? (3) U hebt uitvoerig onderzoek gedaan en goed thuis zijnde in de materie, hebt u de grote en wonderbaarlijke Mahâbhârata opgesteld met de toevoeging van uw uitgebreide verklaringen. (4) Ondanks de volledigheid van uw uitweidingen over het Absolute en Eeuwige, beste meester, betreurt u het niet genoeg gedaan te hebben'.

(5)Vyâsa zei: 'Wat u zegt is zeker waar en mijn ziel heeft er geen vrede mee gevonden. Wat is de wortel die ik gemist heb, vraag ik u, die bent voortgekomen uit de ziel als een man van onbeperkte kennis. (6) U bezit de allesomvattende kennis als een vertrouwelijke toegewijde van de Hoogste Persoonlijkheid, die de Oorspronkelijke Heerser is van het materiële en het geestelijke en in wiens denken alleen, van de transcendentie boven haar geaardheden, het universum is geschapen en vernietigd. (7) In uw goedheid bereist u de drie werelden, in ieders hart als de zelfverwerkelijkte getuige doordringend zoals de alles doordringende ether. Zeg me alstUblieft wat mijn tekortkoming is in mijn met discipline en gelofte verzonken zijn in het Absolute wat betreft de aangelegenheden van oorzaak en gevolg.'

(8) S'rî Nârada zei: 'U hebt nauwelijks de glorie van de vlekkeloze Fortuinlijke geprezen en ik denk niet dat Hij erg behaagd is met die mindere kijk op de zaak. (9) Hoewel U, grote wijze, herhaaldelijk hebt geschreven voor het heil van de vier principes van de religie [dharma, artha, kâma, moksha of rechtschapenheid, economie, zinsbevrediging en bevrijding], hebt u dat niet gedaan ter wille van Vâsudeva. (10) Het zich maar amper bedienen van de woorden die de glorie beschrijven van de Heer die het universum heiligt, is iets waarvan de heiligen denken als van het pelgrimeren naar een verblijfplaats van kraaien; niet als iets waar de perfecten van het transcendente behagen in scheppen. (11) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door zij die gezuiverd en oprecht zijn. (12) Ondanks dat de zelfverwerkelijking vrij is van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare er niet goed uit met het loslaten van benamingen. Wat voor goeds valt er te verwachten van het steeds maar weer ten ongunste werken voor een resultaat als men de Heer er mee mist? Daar schiet je niets mee op! (13) Derhalve zou u, terwille van de bevrijding uit de universele gebondenheid, als hoogst fortuinlijke, vlekkeloze en beroemde perfecte ziener die de waarheid toegedaan is en verankerd is in de kwaliteiten, vanuit uw staat van vervoering moeten denken en schrijven over Hem wiens handelingen bovennatuurlijk zijn.

(14) Wat u ook wilt beschrijven dat van een visie is die losstaat van Hem, zal alleen maar tot namen en vormen leiden die de geest van streek brengen als een boot die van zijn ligplaats is meegevoerd door de wind. (15) U hebt voor de zaak van de religie de mensen geïnstrueerd in verband met hun natuurlijke geneigdheden [om dieren te doden voor hun voedsel b.v.], hetgeen in feite afkeurenswaardig en nogal onredelijk is. De mensen gericht op een dergelijke leidraad zullen niet denken aan de verbodsbepalingen. (16) Voor het begrijpen van de oneindige Heer komen zij in aanmerking die er goed in zijn zich te weerhouden van materiële genoegens en daarom moet diegenen die door de geaardheden gehecht zijn en de geestelijke kennis ontberen, vanuit uw goedheid de wegen en handelingen van de Heer getoond worden.

(17) Onervaren in de toegewijde dienst aan de lotusvoeten kan men de eigen ware aard verloochenend in die positie ten val komen, maar wat dan voor een ongeluk zou de niet-toegewijde ten deel vallen die, druk met zijn beroepsmatige bezigheden, niet reikt tot dat wat in Zijn belang is? (18) Zij die filosofisch zijn toegenegen zouden, om die reden, zich enkel moeten bekommeren om wat niet zo zeer wordt gevonden door van hoog naar laag te dwalen; in de loop van de tijd, die zo onvermoeibaar en subtiel is, zal men - net als de misère - het genoegen als resultaat van de gedane arbeid overal vanzelf vinden. (19) Om een of andere reden falend heeft de toegewijde een andere ervaring dan anderen: zo gauw hij in dit materiële leven de smaak te pakken heeft, zal hij, met in gedachten de voeten van de Heer der Bevrijding die hij omhelsde, het nooit meer willen opgeven. (20) Van uw eigen goedheid weet u dat alles van deze kosmos de Heer Zelve is, ook al verschilt Hij er van; Hij is de bron en de bestemming van de schepping; ik vat het alleen maar even voor u samen. (21) Geef alstUblieft een levendige beschrijving van het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer [S'rî Krishna], daar u, door het perfecte inzicht van uw eigen ziel, kan achterhalen wat de transcendentie is van de Persoonlijkheid van de Superziel, waarvan u een volledig aspect bent geboorte genomen hebbend terwille van het welzijn van de hele wereld. (22) Het door iedereen bereiken van de beschrijvingen van de bovenzinnelijke kwaliteiten door middel van versoberingen, studie, opoffering, het bijwonen van lezingen, het koesteren van de intelligentie en door liefdadigheid, is, volgens de erkende geleerden, het niet mis te verstane belang van de goddelijke verzen die de Allerhoogste verheerlijken.'

(23)'In het voorgaande millennium werd ik, o wijze, geboren uit de dienstmaagd van bepaalde volgelingen van deze conclusie [de Vedânta] en was ik als jongen actief in hun dienst, met ze samenlevend gedurende de maanden van het regenseizoen. (24) Deze volgelingen der wijsheid waren mij, een gehoorzame, goed gemanierde, zelfbeheerste en zwijgzame jongen zonder veel belangstelling voor sport en spel, bijzonder genadig, ondanks hun onpartijdigheid jegens gelovigen. (25) Toen de tweemaal geborenen, in die periode, mij het eens toestonden te genieten van de resten van hun maaltijd, raakte ik, door die handeling, bevrijd van al mijn zonden en manifesteerde, met het aldus in zuiverheid van dienst zijn, zich de aantrekking tot dat dharma. (26) Daarna, iedere dag horend van de beschrijvingen van het leven van Krishna, kon ik door hun respect voor mij, o mijn beste Vyâsa, vol aandacht mijn oor te luisteren leggen en bij iedere stap die ik deed zo mijn smaak ontwikkelen. (27) O grote wijze, toen de smaak te pakken krijgend, vond ik continuïteit met de Heer en zag ik in dat men al het grove en subtiele aanneemt in de eigen onwetendheid wat betreft het Allerhoogste van de overstijging. (28) Zo twee seizoenen lang, de herfst en het regenseizoen, voortdurend over niets anders dan de glorie bezongen door de wijzen horend, begon mijn toegewijde dienst vorm aan te nemen met het naar de achtergrond verdwijnen van de geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid. (29) Als een jongen, gehoorzaam en vrij van zonde, slaagde ik, aldus aangetrokken tot wat het Zijne was, er in mijn strikte navolgen toen vanwege die volgelingen in om [mijn zinnen] in bedwang te krijgen. (30) Door de zuiverheid van die toegewijden vol van zorg voor de deemoedigen, ontving ik, bij hun vertrek, de instructie van die allervertrouwelijkste kennis die rechtstreeks door de Heer Zelf wordt uitgedragen. (31) Daardoor kon ik makkelijk begrijpen wat de invloed is van de begoochelende materiële energie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, de allerhoogste schepper, en hoe men zo de toevlucht die Hij is kan bereiken.

(32) O geleerde, men zegt dat het opdragen van je handelingen aan de Allerhoogste Heer de remedie is tegen de drievoudige misère van het leven. (33) O goede ziel, is het niet zo dat de genezing van een kwaal wordt gevonden in dat eraan gelijk wat er de oorzaak van was? (34) Op dezelfde manier zullen alle materiële handelingen een einde maken aan hun eigen materialisme zo gauw zich geschiktheid ontwikkelt in toewijding tot het transcendente. (35) Alles wat men in deze wereld doet om de Heer te behagen en wat daartoe wordt gedaan in afhankelijkheid van de kennis is bhakti-yoga [yoga van de toewijding]. (36) Als men zijn plichten vervult indachtig de wil van de Fortuinlijke, gaat de geest voortdurend uit naar de kwaliteiten en de namen van Heer Krishna. (37) Laten we mediteren op de naam en de glorie van Vâsudeva en Zijn volledige expansies Pradyumna, Aniruddha en Sankarshana. (38) De persoon die de Heer die zonder een vorm is vertegenwoordigd ziet in de geluidsvorm van een mantra, is, aldus van aanbidding zijnd voor [Heer Vishnu] de Oorspronkelijke Persoon van het Offeren, van een volmaakt inzicht. (39) O geleerde, op deze manier bezig werd ik, goed op de hoogte van het vertrouwelijke gedeelte van de vedische kennis, begenadigd met de kennis van Zijn transcendentale volheden, zowel als met de intieme persoonlijke affectie voor Heer Krishna [Kes'ava]. (40) U, beste goede ziel, met uw uitgebreide vedische kennis, die eveneens heeft gehoord van de Almachtige van wie de wijzen er altijd bevrediging in gevonden hebben te vernemen over het transcendentale - beschrijft u alstUblieft Zijn activiteiten terwille van het verminderen van het lijden van de massa der gewone mensen voor wie er geen andere uitweg is.' "  

 

Hoofdstuk 6

Het Gesprek van Nârada met Vyâsadeva

(1) Sûta zei: "Aldus over de geboorte en handelingen van de grote wijze onder de goden vernemend, vroeg de wijze Vyâsadeva, de zoon van Satyavatî, hem: (2)'Nadat de grote toegewijden die u instructie gaven over de transcendentale wijsheid vertrokken, wat deed u voordat uw huidige leven een aanvang nam? (3) Wat waren de omstandigheden waaronder u verkeerde, van het leven dat u doorbracht na deze inwijding en hoe bent u, na de nodige tijd, tot dit lichaam gekomen? (4) Hoe kon u, o grote wijze, zich dit zo in detail herinneren uit een voorgaand tijdperk, aangezien de tijd op den duur aan alles een eind maakt.'

(5) S'rî Nârada zei: 'De grote wijzen gaven me de transcendentale kennis die ik op het ogenblik heb en in mijn voorgaande leven moest ik ernaar leven toen ze waren vertrokken. (6) Mijn moeder, van wie ik de enige zoon was, was, als dienstmaagd een eenvoudige vrouw zijnd, aan mij, haar nageslacht, gebonden door haar affectie terwijl ze geen ander alternatief voor haar bescherming had. (7) Hoewel ze naar behoren voor me wilde zorgen, kon ze, afhankelijk als een pop aan een touwtje als ze was, dat niet. (8) Toen ik het onderricht volgde van de geleerden, leefde ik, nog maar vijf jaar oud, in afhankelijkheid van haar, zonder ervaring te hebben met de bepaaldheid van de tijd of het land waarin we leefden. (9) Toen ze op een avond naar buiten ging om een koe te melken, werd ze door een slang in haar been gebeten en viel ze de hoogmogende tijd ten offer. (10) Ik vatte het op als een zegening van de Heer die Zijn toegewijden altijd het beste wenst, en op die manier denkend, ging ik op weg naar het noorden. (11) Daar trof ik vele bloeiende grote en kleine steden en dorpen aan met boerderijen, akkers en mijnbouwgebieden in valleien met bloementuinen, moestuinen en wouden. (12) Ik zag heuvels en bergen vol met goud, zilver en koper en olifanten die takken van de bomen trokken nabij meren en vijvers vol met de lotusbloemen waar de bewoners van de hemel zo prijs op stellen - en mijn hart was verblijd met de vogels en het grote aantal rondvliegende bijen. (13) Ik kwam door struikgewas van bamboe, scherp gras en onkruid, ging door moeilijk begaanbare grotten en bereikte diepe en gevaarlijke wouden waar slangen, uilen en jakhalzen vrij spel hadden. (14) Lichamelijk en geestelijk vermoeid, nam ik, hongerig en dorstig, een bad en dronk ik water, in het meer van een rivier daarmee van mijn vermoeidheid herstellend. (15) In dat onbewoonde woud zocht ik beschutting onder een banyanboom en mediteerde ik, intelligent mijn toevlucht zoekend in de Superziel vanbinnen, zoals ik had geleerd van de bevrijde zielen. (16) Zo op de lotusvoeten van de Hoogste Persoonlijkheid mediterend, transformeerde al mijn denken, voelen en willen zich in bovenzinnelijke liefde en zo vol van ijver, rolden de tranen uit mijn ogen toen ik de Heer direct in mijn hart zag verschijnen. (17) Volledig overmand door een overmaat aan liefde en opgaand in geluksgevoelens over mijn hele lichaam kon ik, o wijze, volledig verzonken als ik was in een oceaan van vervoering, Hem en mezelf niet meer van elkaar onderscheiden. (18) Zonder daarna nog langer de vorm van de Heer, die alle strijdigheid uit de geest wegneemt, te zien, stond ik plotsklaps op, verstoord als ik was als iemand die iets begerenswaardigs heeft verloren. (19) Ernaar verlangend dat opnieuw te ervaren zag ik, met het denken op het hart gericht, Hem ondanks mijn afwachten niet en raakte ik zeer neerslachtig, gefrustreerd als ik was op die manier. (20) Aldus op die eenzame plek pogend, hoorde ik dat van gene zijde, ernstige en aangename woorden tot me werden gesproken die mijn treurnis deden afnemen: (21)'Luister eens, voor de duur van je leven zal je het zicht op Mij hier niet deelachtig zijn, daar het moeilijk is dat zicht te verkrijgen als men, onvolwassen met onzuiverheden, schuldig blijft in de vereniging. (22) Die gedaante werd slechts een enkele keer getoond om je verlangen op te wekken, o deugdzame, omdat door het toenemen van het verlangen van de toegewijde, het vastzitten in de slaperigheid weg zal vallen. (23) Met het zelfs maar voor enkele dagen van dienst zijn aan het Absolute een gefixeerde intelligentie jegens Mij hebben bereikt, zal men, met het opgegeven hebben van het mismoedige van deze wereld, zijn schreden richten naar en deel uitmaken van Mijn metgezellen. (24) Intelligentie op deze manier betrokken in toewijding kan nooit van Mij gescheiden worden daar, of levende wezens nu in wording zijn of aan het verdwijnen zijn, hun herinnering zich door Mijn genade zal voortzetten.'

(25) Na op die manier te hebben gesproken, stopte dat grootse en wonderbaarlijke geluid van de Hoogste autoriteit en boog ik, begunstigd als ik was, mijn hoofd in eerbetoon voor het grote en verheerlijkte. (26) Vrij van formaliteiten de heilige naam van de Onbegrensde beoefenend en in de constante heugenis van Zijn mysterieuze en zegenende activiteiten verkerend, bereisde ik, bevrijd en tevreden de wereld, in alle bescheidenheid zonder afgunst mijn tijd afwachtend. (27) Op die manier verzonken in Krishna en vrij van alle gehechtheid aan de materiële wereld, o Vyâsadeva, kwam na de nodige tijd de dood tot me, zo natuurlijk als de bliksem vergezeld gaat van een flits. (28) Beloond met dat bovenzinnelijk lichaam een metgezel van de Heer waardig, verliet ik het lichaam samengesteld uit de vijf elementen, toen ik zag dat mijn verworven karma tot een einde was gekomen. (29) Na het einde van het tijdperk, nam de Heer die zich neer had gelegd in de wateren der vernietiging mij, met de schepper en al, op in Zijn ademhaling. (30) Een duizend tijdperken later, toen de schepper weer werd uitgeademd, verscheen ik weerom tezamen met alle andere rishi's zoals Marîci. (31) Trouw aan de gelofte zowel in de drie werelden als erboven rondreizend, ben ik, vanwege de genade van Mahâ-Vishnu, er vrij in te gaan daar en wanneer ik maar wil. (32) Op deze manier beweeg ik me, onder het voortdurend bezingen van de boodschap van de Heer de bovenzinnelijk geladen vînâ bespelend waarmee de Godheid me heeft onderscheiden. (33) Zo zingend verschijnt spoedig het aangezicht van de Heer van de lotusvoeten over wiens handelingen men met genoegen verneemt, in de zetel van mijn hart alsof ik Hem zou kunnen gebieden. (34) Ik kwam tot het inzicht dat voor diegenen die vol zorgen zijn in hun verlangen naar de objecten van hun zintuigen, er een boot is om de oceaan van materiële onwetendheid over te steken: het herhaaldelijk reciteren van de glorie van de Heer. (35) Verlangen en lust telkens ondervangen door de discipline van de yoga zal voor de ziel zeker niet zo bevredigend zijn als de dienst aan de Persoonlijkheid van God. (36) Ik beschreef voor jou, die zonder zonden bent, dit alles over mijn geboorte en activiteiten, voor de voldoening van zowel jouw als mijn eigen ziel.' "

(37) Sûta zei: "Aldus de machtige wijze toesprekend,nam Nârada Muni afscheid van de zoon van Satyavatî en vertrok hij onder het beroeren van zijn bekoorlijke vînâ, naar waar dan ook. (38) Alle glorie en succes zij de wijze der goden toegewenst die er behagen in schept de heerlijkheden van de Persoonlijkheid van God te bezingen en met behulp van zijn instrument het lijdende universum tot leven te wekken".  

 

Hoofdstuk 7

De Zoon van Drona Gestraft

(1) S'rî S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"

(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar, op zijn eigen plek zat Vyâsadeva omringd door bessenbomen zijn denken te concentreren na het doen van zijn waterofferande. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] in combinatie met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Voor de gewone man, zich niet bewust van het einde van het ongewenste dat men vindt in de yoga van de toewijding tot Hem die Zich in het voorbije bevindt, verzamelde de wijze, dit inziend, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, de wijze van ernst in de zelfverwerkelijking."

(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, volledig op het pad der zelfverwerkelijking en innerlijk tevreden in goddelijke onverschilligheid, deze uitgebreide studie ondergaan?"

(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van die aard dat, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de gewone man als de wijzen vrij van alle materiële bindingen zuivere toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) Met de kwaliteit van verzonkenheid in aandacht voor de Allerhoogste Heer, was S'uka, als de zoon van Vyâsa, bij de toegewijden geliefd vanwege het feit dat hij de regelmatige studie op zich had genomen van deze grootse vertelling. (12) Laat me u daarom nu de verhalen van Krishna vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de koningen, zowel als het verhaal van de wereldverzaking van de zonen van Pându.

(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra weeklaagde over de gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van prijs de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen - maar toen de meester dit te zien kreeg keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde bittere tranen in weeklagen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen, als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze keur aan woorden tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras, zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij met grote snelheid in zijn strijdwagen weg om zijn leven te redden, zoals Sûrya voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een hel licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die door Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie bevind Je Je, in Je almacht, in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn en voorzie je op de eerste plaats in het hoogste goed van de rechtschapenheid [van het dharma: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en voor de tevredenheid en de heugenis van Je vrienden en zuivere toegewijden. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.' (27) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona, die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde, zonder zelfs maar te weten hoe hij het moet intrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan gebruikmakend van je eigen brilliante krijgskunsten.' "

(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Nadat hij de vijand met geweld vastgebonden had en hij hem weg wilde voeren naar het militaire kampement, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35)'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand zijn die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toeroepen, daar door de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat.(38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan."

(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, hoewel hij de schandelijke moordenaar was van zijn zonen. (41) Daarna, toen hij zijn eigen kampement bereikte, samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze de crimineel zo als een dier in touwen gebonden en stil van zijn schandelijke daad, naar haar toe gebracht zag, betoonde Draupadî, uit de schoonheid van haar aard, de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen hoe hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij is een brahmaan, een leraar van ons'. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het werpen en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, daar zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] niet uit het leven is gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik, die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijk bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal ze, samen met haar familieleden, in verdriet belanden."

(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma, de rechtspraak en genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Zo ook vielen haar bij Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Voor zijn zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, gedood hebben van slapende kinderen, is gesteld dat de dood zijn loon is.' (52) De vierarmige [Heer Krishna], na de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] gezien te hebben, zei, alsof Hij glimlachte: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet niet ter dood worden gebracht, hoewel men een agressor ter dood brengt - dit is bij Mij voorzeker allebei voorgeschreven om ten uitvoer te worden gebracht met het vasthouden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van je belofte gedaan i.v.m. de genoegdoening jegens je vrouw en eveneens handelen naar de tevredenheid van zowel Bhîma als van Mij.' "

(55) Sûta zei: "Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel van het hoofd van de tweemaal geborene tezamen met zijn haar. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook aan kracht had ingeboet met het ontberen van zijn juweel, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslagleggen op de weelde en verbanning zijn de soorten van lijfstraffen gereserveerd voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."  

Voetnoot

* Toen de zonnegod de demon Vidyunmâlî nazat viel Heer S'iva in woede met zijn drietand hem aan. De zonnegod op de vlucht struikelde te Kâs'î, alwaar hij bekend raakte als Lolârka.    

 

Hoofdstuk 8

Parîkchit Gered en de Gebeden van Koningin Kuntî

(1) Sûta zei: "Aldus begaven ze zich tezamen met Draupadî en de vrouwen voorop, naar de Ganges met de wens de waterrituelen uit te voeren voor hun verwanten. (2) Nadat een ieder zijn wateroffer had gebracht en afdoende nogmaals getreurd had, namen ze een bad in het water van de Ganges dat gezuiverd is door het stof van de lotusvoeten van de Heer. (3) Daar zaten, getroffen door verdriet, de koning van de Kuru's [Yudhishthhira] met zijn jongere broers, Dhritarâshthra en Ghândârî samen met Kuntî, Draupadî en de Heer Zelve. (4) Heer Krishna samen met de muni's kalmeerde aldaar de geschokte en geëmotioneerde familie die haar vrienden en familieleden had verloren, door erop te wijzen hoe een ieder is onderworpen aan de onafwendbare Tijd. (5) Vanwege het bedriegen van Yudhishthhira [de oudste van de Pândava's], die geen vijanden had, waren de niets ontzienden [Duryodhana en zijn broers] gedood die op doortrapte wijze het koninkrijk hadden ingepalmd en hun levensduur hadden bekort met de belediging van het bij de haren vastgrijpen van de koningin [Draupadî]. (6) Door het op gepaste wijze uitvoeren van drie paardoffers raakte hij [Yudhishthhira] in alle uithoeken zo bekend als Indra die dat offer een honderdtal keren had gebracht.

(7) Aanbeden door de wijzen en de geschoolden, nodigde de Heer, in reactie op hun afscheidsgroet, de zoons van Pându uit tezamen met Uddhava [een andere verwant en vriend van Krishna]. (8) Gezeten op Zijn strijdwagen zag Hij, juist toen Hij naar Dvârakâ wilde vertrekken, Uttarâ [de moeder in verwachting van Parîkchit] die zich vol vrees in Zijn richting spoedde. (9) Ze zei: 'Bescherm me, bescherm me, o Grootste der Yogi's, Aanbedene der Aanbedenen en Heer van het Universum; behalve U zie ik niemand anders die onbevreesd is in deze wereld van dood en dualiteit. (10) O almachtige Heer, een gloeiende pijl van ijzer komt op me af. Laat het mij verbranden, o Beschermer, maar redt mijn vrucht.' "

(11) Sûta zei: "Haar woorden geduldig aanhorend begreep de Allerhoogste Heer, die Zijn toegewijden altijd een warm hart toedraagt, dat dit het resultaat was van een brahmâstra wapen van de zoon van Drona die aan het bestaan van alle nazaten van de Pândava's een einde wilde maken. (12) O leider van de wijzen [S'aunaka], toen de Pândava's het laaiende wapen op zich af zagen komen grepen ze naar hun eigen vijf wapens. (13) Ziende dat ze zich in groot gevaar bevonden met geen andere middelen tot hun beschikking, nam de Almachtige Zijn eigen Sudars'ana werpschijf ter hand om Zijn toegewijden te beschermen. (14) Vanuit Zijn positie in de ziel van alle levende wezens, schermde de Allerhoogste Heer van de Yoga middels Zijn persoonlijke energie de vrucht van Uttarâ af om het nageslacht van de Kurudynastie te beschermen. (15) O S'aunaka, hoewel het brahmâstra wapen niet door tegenmaatregelen te stuiten is, werd het, geconfronteerd met de kracht van Vishnu, geneutraliseerd. (16) Maar bezie dit alles, van al het mysterieuze en onfeilbare dat we van Hem kennen, niet als iets bijzonders. De ongeziene godheid is middels Zijn materieel vermogen van schepping, handhaving en vernietiging.

(17) Gered van de straling van het wapen, richtte de kuise Kuntî samen met haar zoons, zich tot Heer Krishna die op het punt stond te vertrekken. (18) Kuntî zei: 'Mijn eerbetuigingen voor U, de Purusha, de Oorspronkelijke Beheerser van de Kosmos die onzichtbaar is en voorbij al het bestaande zowel vanbinnen als vanbuiten bestaat. (19) Verhuld door de begoochelende [materiële] sluier, onberispelijk transcendent en niet te onderscheiden voor de dwazen, bent U als een acteur uitgedost voor het acteren. (20) U bent er opdat de gevorderde transcendentalisten en filosofen, die geest en stof van elkaar weten te onderscheiden, kunnen overgaan tot de wetenschap van het zich verenigen in de toewijding; maar hoe moeten wij vrouwen U dan in acht nemen? (21) Daarom breng ik U mijn respectvolle eerbetuigingen, U de Allerhoogste Heer, de zoon van Vasudeva en Devakî, van Nanda en de koeherders van Vrindâvana, die de beschermer bent van de koeien en de zinnen. (22) Mijn eerbetoon is er voor U, die een lotusachtige welving in Zijn buik heeft, die altijd gesierd is met lotusbloemen, wiens blik koel als een lotusbloem is, en wiens voetafdruk het merkteken van lotusbloemen draagt. (23) U bent de meester der zinnen en hebt Devakî die in nood verkeerde [de moeder van Krishna] bevrijd uit een lange gevangenschap veroorzaakt door de afgunstige [oom] koning Kamsa, en, o Heer, U hebt mij en mijn kinderen beschermd tegen een voortdurende dreiging. (24) Na ons in het verleden gered te hebben van een grote brand, menseneters, een laaghartige vergadering, ontberingen onder verbanning in het woud en tegen wapens in veldslagen met grote generaals, hebt U ons nu volledig beschermd tegen het wapen van de zoon van Drona. (25) Hadden we maar meer van die calamiteiten, zodat we U keer op keer zouden kunnen ontmoeten, o Meester van het Universum, want U ontmoeten betekent dat we niet langer de herhaling van geboorten en dood onder ogen hoeven te zien. (26) Zij die onder de invloed verkeren van het streven naar een goede geboorte, rijkdommen, scholing, en schoonheid, zullen nooit en te nimmer het verdienen zich tot U te mogen richten, die gemakkelijk te benaderen bent voor hen die berooid zijn. (27) Alle eer aan U, de rijkdom van hen die in armoede leven; U die staat voor het transcendentale dat het aangedaan zijn door de materiële geaardheden te boven gaat; U als degene die in zichzelf gelukkig is en het meest zachtgeaard is; al mijn eerbetoon voor U die de Meester der Zaligheid bent. (28) Ik beschouw U als de verpersoonlijking van de eeuwige Tijd, als de Heer die zonder een begin en einde is, en als de alles doordringende Ene die Uw genade overal gelijkelijk verdeelt over de levende wezens die met elkaar in onenigheid verkeren. (29) O Heer, niemand doorgrondt Uw spel en vermaak, dat zo strijdig lijkt als wat de gewone man doet; mensen denken dat U partijdig bent, maar U begunstigt niemand en heeft ook aan niemand een hekel. (30) O Ziel van het Universum, van de vitale energie zijnde Uw geboorte nemend hoewel U ongeboren bent en handelend hoewel U inactief bent, bent U waarlijk verbijsterend in Uw Zich manifesteren met de dieren, de menselijke wezens, de wijzen en de schepselen in het water. (31) Het verwart me dat toen de gopî [Yas'odâ, het koeherderinnetje, de pleegmoeder van Krishna] een touw oppakte om U vast te binden, U bang was en U de make-up van Uw ogen huilde, hoewel U gevreesd wordt door de Vrees in eigen persoon. (32) Sommigen zeggen dat U, zoals sandelhout verschijnt in de Malaya heuvels, uit het ongeborene bent geboren terwille van de glorie van de deugdzame koningen of het genoegen van de familie van de dierbare koning Yadu. (33) Anderen zeggen dat U bent nedergedaald uit het ongeborene voor het heil van Vasudeva en Devakî die voor U baden en voor het einde van degenen die afgunstig op de goddelijken zijn. (34) Weer anderen beweren dat U, als een boot op zee, bent gekomen om de last van hevig werelds verdriet weg te nemen en dat U Uw geboorte nam vanwege de gebeden van Heer Brahmâ. (35) En nog weer anderen zeggen dat U verscheen voor degenen die, door de begeerte en onwetendheid in de materieel gemotiveerde wereld, het zwaar te verduren hebben, zodat ze zich van hun taak kunnen kwijten met het over U vernemen, het U in gedachten houden en met het U aanbidden. (36) Die mensen die er behagen in scheppen voortdurend over Uw handelingen te horen, ze te bezingen en ze te herinneren, zullen zeker zeer snel Uw lotusvoeten zien, die een eind maken aan de herhaling van wedergeboorten. (37) O Heer, met alles wat U voor ons gedaan hebt, laat U, vertrekkend naar de koningen die in vijandschap verwikkeld zijn, ons nu achter - wij Uw intieme vrienden die, enkel bij Uw genade, in afhankelijkheid van Uw lotusvoeten, hun leven hebben. (38) Wij, zonder U, zullen tezamen met de Yadu's en Pândava's, zonder de faam en de naam zijn, zoals een lichaam is zonder de zinnen nadat de geest is vertrokken. (39) Het land van ons koninkrijk zal niet langer er zo mooi uitzien als nu het geval is met de verbluffende merktekenen van Uw voetsporen. (40) Al deze steden en plaatsen bloeiden, dankzij Uw blikken, meer en meer op met hun weelde aan kruiden, groenten, wouden, heuvels, rivieren en zeeën. (41) Daarom, o Heer van het Universum, Persoonlijkheid van de Universele Gedaante, verbreek mijn band van diepe genegenheid voor mijn soortgenoten de Pândava's en de Vrishnis. (42) Maak mijn aantrekking voor U zuiver en voortdurend overlopend, zoals de Ganges die naar zee stroomt. (43) O Krishna, vriend van Arjuna en leider van de Vrishnis, vernietiger van de opstandige geslachten van deze aarde, met Uw niet aflatende heldenmoed bevrijdt U de koeien in nood, de tweemaal geborenen en de goddelijken, o nederdaling van de Heer der Yoga, Universele Leraar en Oorspronkelijke Eigenaar, U biedt ik mijn eerbetuigingen."

(44) Sûta zei: "Na met die keuze van woorden door Koningin Kuntî in Zijn universele glorie te zijn aanbeden, gaf de Heer een milde glimlach ten beste zo betoverend als Zijn Mystiek vermogen. (45) Dat alles op die wijze aanvaardend en na verder respectbetoon jegens de dames in het paleis van Hastinâpura, werd de Heer, bij het vertrek naar Zijn eigen verblijfplaats, tegengehouden door de liefde van de koning [Yudhishthhira]. (46) De geleerden, de wijzen en Heer Krishna, Hij van de bovennatuurlijke werken in eigen persoon, konden hem, van streek als hij was, niet overtuigen, noch kon hij troost vinden in de klassieke geschiedenissen. (47) koning Yudhishthhira, zoon van Dharma, denkend vanuit de materiële opvatting van het verloren hebben van zijn vrienden, liet zich, o wijzen, gaan op de begoocheling van zijn genegenheid toen hij sprak: (48)'O, bezie mij in mijn onwetendheid van hart, diep gezonken in de zonde van het met dit lichaam, dat eigenlijk bedoeld is voor de dienstverlening aan anderen, gedood hebben van zovele formaties van strijders. (49) Vele jongens, tweemaal geborenen, zorgdragers, vrienden, ouderen, broeders en leraren gedood hebbend, zal ik voorzeker nooit, in nog geen miljoen jaar, bevrijding vinden uit de hel. (50) Voor een koning vechtend voor de goede zaak van het beschermen van de burgers is het geen zonde om mensen te doden in de strijd met zijn vijanden, maar deze woorden, die ingesteld zijn voor de tevredenheid van het bestuur, zijn op mij niet van toepassing. (51) Ik kan niet verwachten dat al de vijandigheid die zich heeft opgeworpen vanwege de vrienden die ik heb gedood die vrouwen hadden, teniet zal worden gedaan door me in te spannen terwille van het materiële welzijn. (52) Zoals men geen modderwater met modder kan filtreren of een wijnvlek met wijn kan verwijderen, heeft het ook geen zin het doden van mensen tegen te gaan door dieren te offeren.' "  

 

 

 Hoofdstuk 9

Het Heengaan van Bhîshmadeva in de Aanwezigheid van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "In angst verkerende vanwege het feit dat hij mensen gedood had, ging Yudhishthhira daarna, ter wille van het volledig besef van de religieuze plicht, naar het slagveld, waar hij de stervende Bhîshma neerliggend aantrof. (2) Getrokken door de beste paarden opgesierd met gouden ornamenten, volgden alle broers hem daar, begeleid door Vyâsa, Dhaumya [de priester van de Pândava's] en andere rishi's. (3) De Allerhoogste Heer volgde hem ook met Arjuna op de strijdwagen, o wijzen onder de geschoolden, en op die manier heel aristocratisch overkomend was hij als Kuvera [de schatbewaarder van de halfgoden] en zijn begeleiders. (4) Toen ze Bhîshma als een uit de hemel gevallen halfgod op de grond liggend aantroffen, bogen Yudhishthhira tezamen met zijn broers en de Heer met de werpschijf, Krishna, zich voor hem neer. (5) Daar waren de wijzen der goedheid onder de geschoolden, samen met de goddelijken en de koningen aanwezig, enkel om de leider van de afstammelingen van Koning Bharata [de gemeenschappelijke voorouder] te zien. (6-7) Parvata Muni, Nârada, Dhaumya, Heer Vyâsa, Brihadas'va, Bharadvâja en Paras'urâma waren daar met hun discipelen alsook Vasishthha, Indrapramada, Trita, Gritsamada, Asita, Kakshîvân, Gautama, Atri en Kaus'ika zowel als Sudars'ana. (8) O hooggeleerden, ook vele andere wijzen als S'ukadeva, het werktuig van God, en andere zuivere zielen als Kas'yapa en Ângirasa arriveerden daar begeleid door hun discipelen.

(9) Bhîshmadeva, de beste onder de Vasu's, goed wetende hoe zich religieus te gedragen naar tijd en omstandigheden, verwelkomde al de groten en machtigen die zich daar hadden verzameld. (10) Van Zijn heerlijkheid op de hoogte verwelkomde hij ook in aanbidding Heer Krishna, de Heer van het Universum die, gezeten in ieders hart, Zijn gedaante manifesteert middels Zijn innerlijk vermogen. (11) Toen hij de zoons van Pându in stilte aan zijn zijde zag zitten, feliciteerde Bhîshma hen hartelijk. In staat van vervoering overmand door gevoelens van liefde over de samenkomst stonden hem daarbij de tranen in de ogen. (12) Hij zei: 'O hoe pijnlijk en onrechtvaardig is het voor jullie goede zielen, zonen der rechtschapenheid, geweest een leven vol van leed te hebben gehad dat jullie nooit verdienden onder de bescherming van de geschoolden, de religie en de Onfeilbare. (13) Na de dood van de grote veldheer Pându, had Kuntî, mijn schoondochter, die jonge kinderen had, veel te lijden en dat zette zich voort als gevolg van wat jullie allemaal deden, zelfs toen de jongens waren opgegroeid. (14) Al het onaangename, denk ik, is aan de Tijd toe te schrijven, daar jullie ook, zoals de hele wereld met zijn heersende goden, onder de controle ervan staan zoals de wolken worden meegevoerd door de wind. (15) Hoe kon het ongeluk er ook anders zijn met de aanwezigheid van Yudhishthhira, de zoon van de heerser der religie, Bhîma met zijn machtige strijdknots, Arjuna met de Gândîva in zijn hand en onze weldoener Heer Krishna? (16) Van dit plan heeft niemand weet, 0 Koning; zelfs grote filosofen verwikkeld in uitputtende onderzoekingen zijn voorzeker verbijsterd. (17) Derhalve, verzeker ik u, o besten van de afstammelingen van Bharata, dat dit allemaal toe te schrijven is aan de wil van God's voorzienigheid; o heerser, ontfermt u zich toch vooral over de hulpeloze onderdanen, o meester. (18) Hij [Krishna] die zich op ondoorgrondelijke wijze beweegt onder de Vrishni's, is niemand anders dan de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke oergenieter Nârâyana die een ieder verbijstert door Zijn energieën. (19) O Koning, het zijn Heer S'iva, de wijze onder de goden Nârada en de grote Heer Kapila die rechtstreeks kennis hebben van de meest vertrouwelijke heerlijkheden van Zijn goddelijkheid. (20) Hij is dezelfde persoon die u beschouwt als de neef van uw moeders kant, uw meest dierbare vriend, ijverige weldoener, raadgever, boodschapper, begunstiger en wagenmenner. (21) Hij die in ieders hart aanwezig is, die iedereen gelijkgezind is, die vanuit het Absolute zich nimmer valselijk vereenzelvigt, is in Zijn bewustzijn van onderscheid op ieder moment en in alles wat Hij doet, vrij van welke voorkeur ook. (22) Niettemin, hoe onveranderlijk Hij ook is met Zijn toegewijden, zie, o Koning, hoe Krishna meteen, in mijn stervensuur, zich erom bekommert aan mijn zijde aanwezig te zijn. (23) Die yoga-toegewijden die in hun woorden vroom mediteren op Zijn heilige naam onder het bezingen van Zijn heerlijkheden, zullen, op het afzweren van de materiële levensopvatting, bevrijding vinden van het verlangen van hun materieel gemotiveerde handelingen. (24) Moge Hij, de God der Goden, de Allerhoogste Heer, in de lijn van mijn meditatie op de vierhandige [Vishnu], mij opwachten met Zijn bemoedigende glimlach, Zijn ogen rood als de ochtendzon en Zijn opgesierde lotusgezicht, op het moment dat ik dit materiële lichaam verlaat.' "

(25) Sûta zei: "Yudhishthhira die dit van hem, die neerlag op een bed van pijlen, hoorde, vroeg hem, terwijl de rishi's toehoorden, naar de verschillende religieuze verplichtingen. (26) Bhîshma beschreef hem de verschillende levensstadia en de roepingen zoals bepaald door de kwaliteiten van de persoon, naast de manier hoe systematisch om te gaan met de symptomen van zowel gehechtheid als onthechting. (27) Hij gaf uitleg wat betreft de plichten der liefdadigheid, het leiderschap en de bevrijding door het geven van hun indelingen en gaf een algemeen idee van de plichten van de vrouw en de toegewijde dienst. (28) De waarheid kennend, beschreef hij, o wijzen, de [vier fundamentele burgerdeugden van de] religieuze plichtsbetrachting, de economie, de bevrediging van verlangens en de bevrijding, daarbij citerend uit de bekende geschiedenissen. (29) Ten tijde van het door Bhîshma beschrijven van de plichten, bewoog de zon zich over het noordelijk halfrond hetgeen precies de gewenste tijd is waar de wijzen de voorkeur aan geven voor het verlaten van deze wereld [zie B.G. 8: 24]. (30) Toen verviel Bhîshmadeva, de beschermheer van duizenden wetenschappen en kunsten, in stilte, en met zijn denken bevrijd van alle gebondenheid fixeerde hij zijn ogen wijd open gesperd op de Oorspronkelijke Persoon Heer Krishna, de Vierhandige die voor hem stond in gele kledij. (31) Eenvoudigweg naar Hem, de Vernietiger van het Ongunstige, kijkend, zuiverde zich zijn meditatie en verdween in een oogwenk zijn pijn door de pijlen - en terwijl hij zijn gebeden deed voor het materiële tabernakel stopte al de activiteit van zijn zinnen toen hij vertrok naar de Heerser over Alle Levende Wezens. (32) S'rî Bhîshmadeva zei: 'Laat me, bevrijd van verlangens, mijn geest instellen op de Allerhoogste Heer, de Leider der Toegewijden, de Grote In Zichzelf Tevredene, die in de realisatie van Zijn bovenzinnelijke vreugde bij tijden genoegen schept in het aanvaarden van deze materiële wereld met zijn schepping en vernietiging. (33) Hij is de meest begeerlijke van de hoge, lage en tussenwerelden; grijsblauw als een tamâla-boom, draagt Hij kleding stralend als de gouden gloed van de zon; Hij heeft een lichaam opgesierd met sandelhoutpasta en een gezicht als een lotus - moge mijn liefde zonder materiële bijbedoelingen berusten in de vriend van Arjuna. (34) Laat het denken gericht zijn op S'rî Krishna die, met het wuivende haar op het slagveld askleurig door het stof van de hoeven, Zijn gezicht gesierd met transpiratie en Zijn huid doorboord door mijn scherpe pijlen, met Zijn beschermende wapenrok genoegen in dit alles schiep. (35) Na het horen van het bevel van Zijn vriend manoeuvreerde Hij de strijdwagen tussen de tegenover elkaar opgestelde strijdkrachten, en in die positie bekortte Hij de levensduur van de vijand door slechts naar hen te kijken - moge er mijn liefde zijn voor die vriend van Arjuna. (36) Met de soldaten toeziend op een afstand, vaagde Hij met Zijn bovenzinnelijke kennis de onwetendheid weg van hem die, door een onzuivere intelligentie, weifelachtig was zijn soortgenoten te doden - laat er de transcendentie zijn van mijn aantrekking voor Zijn voeten.

(37) Tegen Zijn eigen woord in kwam Hij, teneinde mijn belofte er feitelijk meer van te zijn [van geweld] teniet te doen, van Zijn strijdwagen af en nam Hij het wiel ervan op, om, terwijl Hij Zijn bovenkleed liet vallen, op me af te stormen als een leeuw die van plan is een olifant te doden. (38) Gewond door de scherpe pijlen en zonder Zijn schild, begaf Hij, besmeurd met bloed, in de woedende stemming van de grote agressor, zich in mijn richting met de bedoeling me te doden - moge die Allerhoogste Heer die bevrijding schenkt mijn bestemming worden. (39) Laat me, in dit stervensuur, van liefde zijn voor de Persoonlijkheid van God die, de paarden mennend met een zweep in Zijn rechter en de teugels in Zijn linker hand, zo elegant om te zien alles in het werk stelde om de strijdwagen van Arjuna te beschermen; het was door naar Hem te kijken dat zij die in deze wereld stierven hun oorspronkelijke gedaante vonden. (40) Kijkende naar de aantrekkelijke bewegingen van Zijn hooggestemde, fascinerende handelingen en zoete glimlachen, vonden de gopî's van Vrajadhâma [het dorp van Krishna's jeugd] in extase Hem imiterend, hun oorspronkelijke natuur. (41) In het uitvoeren van een koninklijke offerande van koning Yudhishthhira, waarbij de grote wijzen en koningen waren verzameld, ontving Hij, met mij aanwezig die Hem herkende als het voorwerp van verering, het respectvolle eerbetoon van de hele elite. (42) Hij, die nu hier voor mij aanwezig is, ken ik, na de verzonkenheid ervaren te hebben van het bevrijd zijn van de misvattingen der dualiteit, als de Ongeborene van het geconditioneerde lichaam. Het is Hij die, hoewel Één, net als de zon, in Zijn zich bevinden in het hart van allen die zijn geschapen door Hem, vanuit vele hoeken verschillend bezien wordt."

(43) Sûta zei: "Met zijn denken, spreken, zien en activiteiten aldus gefixeerd op Krishna alleen, viel hij stil en stopte hij met ademhalen, na te zijn overgegaan in het levende wezen van de Superziel. (44) Na dit alles van Bhîshmadeva gehoord te hebben toen hij overging in het Allerhoogste Absolute, vervielen allen in stilte zoals vogels aan het einde van de dag. (45) Daarna klonken van overal trommels geslagen door goden en mensen, met oprechte lofprijzingen van de godvruchtige koninklijke orde en bloemenregens die uit de hemel neerdaalden. (46) O afstammeling van Bhrigu [S'aunaka], na de begrafenisriten voor het stoffelijk overschot volbracht te hebben, was Yudhishthhira een ogenblik aangedaan. (47) Toen gingen de wijzen, tevreden en gelukkig door de vertrouwelijkheid van de heerlijkheden van Heer Krishna, met Hem in hun hart gesloten terug naar hun hermitages. (48) koning Yudhishthhira ging tezamen met Heer Krishna naar Hastinâpura om zijn oom [Dhritarâshthra] en ascetische tante Ghândhârî te troosten. (49) Met de goedkeuring van zijn oom en de instemming van Heer Vâsudeva volbracht hij, naar de grootheid van zijn voorvaderen, daarna toen zijn koninklijke verplichtingen."

 

Hoofdstuk 10

Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ

(1) S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? De geneugten des levens moesten toch aan banden worden gelegd?"

(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira zijn eigen koninkrijk zich had hersteld. (3) Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, verlicht door perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.

(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na die periode werd het Hem, na het vragen om de nodige toestemming, toegestaan te vertrekken; en na zich te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij toen Zijn strijdwagen, waarbij Hij ook van de anderen hetzelfde respectbetoon met de nodige omhelzingen ontving. (9-10) Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchit's moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna. (11-12) Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar een enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en gebonden als ze waren door pure genegenheid, bewogen ze zich rusteloos. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Te dien tijde weerklonken mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.

(19) Van overal weerklonken de woorden van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren in relatie tot de Absolute Waarheid die daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve: (21) 'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke die, materieel nog niet gemanifesteerd, in Zijn eigen Zelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur; Hij die Superziel, die Allerhoogste Heer, waarin de levende wezens met hun energieën in ruste opgaan, zoals dat 's nachts gebeurt. (22) Hij in de rol van de samensteller van de Veda's kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel namen en vormen toe in het opnieuw in het leven roepen van de uiterlijke schijn van de materiële natuur; namen die Hij geeft aan dat wat in feite niet te benoemen is. (23) Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien; zij zijn het die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, dit is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, vertrouwelijk beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, die, door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt, zonder ooit eraan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn, die onwetend, als beesten, tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten, in verscheidene gedaanten, terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe allerhoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, omdat dit, van alle levende wezens, de allerhoogste leider en echtgenoot van de Godin van het geluk is die hier ten tonele verscheen en rondging. (27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], die plaats die, tot de meerdere deugd en roem van de aarde, de glorie van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde vast en zeker met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van volmaakte aanbidding geweest voor de Heer; o vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden meebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in het hart naar zich toe te halen, aldus nooit alleen thuis achtergelaten'.

(31) Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier zo over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's, die in beslag waren genomen door de gedachte aan het komende afscheid, over om terug te keren, waarna Hij met Zijn geliefde metgezellen verder Zijn weg vervolgde naar Dvârakâ. (34-35) Door Kurujâñgala [de provincie van Delhi] en Pâñcâlâ [een deel van Punjab] en S'ûrasenâ en Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na het doortrekken van Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat], kwam Hij, o S'aunaka, uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden. (36) Op verschillende plaatsen viel het voor dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."

 

Hoofdstuk 11

De Binnenkomst van Heer Krishna in Dvârakâ

(1) Sûta zei: "Toen Hij de grens van het land der Ânarta's [het land van hen die vrij zijn van het ongewenste, Dvârakâ] bereikte, liet Hij ter wille van de aankomst in Zijn eigen welvarende stad Zijn schelphoorn klinken [de Pâñcajanya], welke, zo bleek, een einde maakte aan de neerslachtigheid van de bewoners. (2) Het schitterende wit van de ronde vorm van de schelphoorn, hoewel rood gekleurd door de lippen van de Grote Avonturier, zag er, zoals hij in Zijn handen luid tot klinken werd gebracht, uit als een zwaan die naar beneden is gedoken bij de stelen van lotusbloemen. (3) Na het horen van het geluid dat de angst afroept van hen die vrezen om een materieel bestaan, bewogen al de burgers zich snel in de richting van het geluid om de ontmoeting met de beschermer van de toegewijden te hebben waar ze al zo lang naar hadden uitgekeken. (4-5) Daarop bereidden ze hem een welkomstceremonie die kon worden beschouwd als het offeren van een lamp voor de zon in relatie tot de In Zichzelf Tevredene die hen, eigenmachtig, zonder ophouden in alles voorzag. Met opgetogen en geëmotioneerde gezichten hielden ze extatisch vreugdevolle toespraken voor de Vader, zoals vrienden en beschermelingen dat doen voor hun beschermer.

(6) Ze zeiden: 'We hebben ons altijd neergebogen voor Uw lotusvoeten zoals men dat doet in de aanbidding van Brahmâ en Zijn zonen en de koning van de hemel, daar U, voor degene die het opperste welzijn in dit leven verlangt, de Meester der Transcendentie bent waarop de onvermijdelijke tijd geen vat heeft. (7) Wees voor ons welzijn de Schepper van onze wereld en ook onze moeder, weldoener, echtgenoot, vader, Heer en geestelijk leraar; in het voetspoor tredend van U als ons idool, onze hoogst vereerde zijn we geslaagd in ons leven. (8) O hoe gelukkig mogen we ons prijzen nu we Uw zegenrijke gedaante zien, nu we weer onder de bescherming staan van Uw goede Zelf, aangezien zelfs de halfgoden Uw toegenegen, liefdevol glimlachende gezicht maar zelden te zien krijgen. (9) Telkens, o lotusogige, als U hier vandaan vertrekt om Uw vrienden en verwanten onder de Kuru's op te zoeken [in Hastinâpura] en onder de mensen van Mathurâ, o Onfeilbare, lijkt ons ieder moment een miljoen jaar te duren, en zijn onze ogen even nutteloos als ze zouden zijn zonder de zon. (10) Hoe kunnen we, als U elders verkeert, nu leven zonder de bevrediging van Uw blik die de ellende van de wereld verdrijft; hoe kunnen we nu leven zonder Uw mooie, lachende en opgesierde, aantrekkelijke gezicht te zien?'

Met de klank van deze woorden van de burgers in Zijn oren, ging toen de zorgdrager van de toegewijden, Hij die de mens het menselijke bijbrengt middels het werpen van Zijn blikken, de stad Dvârakâ binnen. (11) Zoals de stad Bhogavatî werd beschermd door de Nâga's, werd Dvârakâ beschermd door de kracht van de afstammelingen van Vrishni [Krishna's familie], Bhoja, Madhu, Das'ârha, Arha, Kukura, Andhaka enz. [ofwel de Yadu's], die allen zo goed waren als Krishna zelf. (12) In alle seizoenen was er de rijkdom van de boomgaarden en de bloementuinen die met al hun bomen en planten en ook de hermitages die er waren, fraaie parken vormden rondom vijvers vol met lotusbloemen die de stad nog eens extra mooi maakten. (13) De toegangspoort tot de stad zowel als de verschillende wegen waren versierd met erebogen en vlaggen die, beschilderd met vertrouwde symbolen, hun schaduw wierpen in de zonneschijn. (14) De lanen, straten, de marktplaats en de pleinen waren grondig schoongemaakt, besprenkeld met geparfumeerd water en bestrooid met vruchten, bloemen en ongebroken zaden. (15) Bij de deur van ieder huis in de stad was er een uitstalling van yoghurt, ongebroken vruchten, suikerriet, versieringen, potten met water en artikelen voor het eerbetoon zoals wierook en lampen. (16-17) Horende dat hun meestgeliefde thuis kwam, werden Zijn vader Vasudeva en de onovertroffen Akrûra, Ugrasena, Krishna's bovenmenselijk machtige oudere broer Balarâma, Pradyumna, Cârudeshna en Sâmba de zoon van Jâmbavatî, allen er door de kracht van een buitengewoon geluk toe gedreven hun rusten, zitten en dineren te staken. (18) Met olifanten voorop, met gelukbrengende zaken, het weerklinken van schelphoorns en het verheerlijkende gezang van hymnen, spoedden ze zich in een blijde verwachting, samen met de brahmanen, op hun wagens in Zijn richting. (19) Honderden courtisanes er hevig naar verlangend Hem te zien, volgden met hun voertuigen, met oogverblindende oorbellen die de schoonheid van hun kaaklijn verhoogden. (20) Er waren artiesten, dansers, zangers, geschiedkundigen, genealogen en geleerde sprekers die geestdriftig de bovenmenselijke handelingen van de Heer aanprezen. (21) De Allerhoogste Heer benaderde iedere vriend en burger die kwam om Hem te verwelkomen en ontvangen, zoals het hoort, met het nodige betoon van respect. (22) Hij, de Almachtige, tot aan de laagsten Zijn begeerde zegeningen schenkend, boog met de bemoediging van Zijn vluchtige glimlach Zijn hoofd, hen in woorden begroetend, ze omhelzend en handen schuddend. (23) Toen, begeleid door de gezaghebbende ouderen en de brahmanen en hun vrouwen, ging Hij de stad binnen waar Hij tevens werd verwelkomd met de zegeningen en lofuitingen van andere bewonderaars.

(24) Terwijl Hij door de straten van Dvârakâ liep, klommen de dames van stand op het dak van hun huizen, o hoog geleerden, om van Zijn aanblik te kunnen genieten. (25) Hoewel ze het gewoon waren steeds zo naar Hem te kijken, raakten de inwoners van Dvârakâ het verlokkelijke schouwspel van de belichaming van de schoonheid van het Onfeilbare nooit moe. (26) In Zijn borst huist de Godin van het Geluk, van Zijn gezicht drinken de ogen, bij Zijn armen houden de halfgoden stand, en Zijn lotusvoeten zijn de toevlucht voor de pratende en zingende toegewijden. (27) Gediend met een witte parasol, waaiers en een straat bezaaid met bloemen, zag de Heer, met Zijn gele kledij en bloemenslingers, eruit als een wolk omringd door de zon, de maan, bliksemschichten en een regenboog tezamen.

(28) Maar na het betreden van Zijn ouderlijk huis werd Hij omhelsd door Zijn zeven moeders [Zijn eigen moeder, de vrouw van de priester, van de leraar en van de koning, de koe, de min, en moeder aarde] die vreugdevol werden aangevoerd door Devakî voor wie Hij diep Zijn hoofd boog ter begroeting. (29) Nadat ze Hem allen op hun schoot hadden gekregen, werden hun borsten nat van hun liefde en van het vocht van de tranen die hen overweldigden. (30) Daarna ging Hij Zijn persoonlijke verblijven binnen die, met Zijn vrouwen wiens aantal de zestienduizend overschreed, aan alle mogelijke verlangens beantwoordden. (31) Innerlijk verheugd stonden de dames, die van verre hun echtgenoot thuis zagen komen, onmiddellijk van hun zitplaatsen op met een verlegen kijkend gezicht. (32) Op Zijn verschijnen hun zoons op Hem afsturend, omhelsden ze Hem eerst vanbinnen in hun harten in een moeilijk te beheersen extase, maar ze verstikten, o leider van de Bhrigu's, desondanks in de tranen die onafwendbaar als water uit hun ogen vloeiden. (33) Hoewel Hij hen altijd terzijde stond, zelfs als ze alleen waren, leken Zijn voeten hen niettemin iedere keer weer helemaal nieuw - wie zou zich ook kunnen losmaken van de voeten van de Eeuwige die nimmer door de godin van het geluk worden verlaten? (34) Hij, zonder er zelf deel aan te hebben schiep de onderlinge vijandigheid van de heersers die een last voor de aarde waren geworden, geboren als ze waren met de militaire macht die ze hadden over hun omgeving. Hij bracht verlichting door ze te doden zoals de wind die vuur veroorzaakt via de wrijving van bamboestaken. (35) De Allerhoogste Heer trad vanuit Zijn eigen grondeloze genade uit Zichzelf naar voren onder hen die deeluitmaken van deze menselijke wereld, en genoot een leven, met de waardigsten onder de vrouwen, alsof het een gewone wereldse aangelegenheid betrof. (36) Hoewel ze onberispelijk waren en opwindend met hun bekoorlijke glimlachen, zoals ze met een ernstige gelaatsuitdrukking vanuit hun ooghoeken keken op een manier die zelfs Cupido ertoe verleidde zijn boog op te geven, waren ze als eersteklas, verstandsverbijsterende vrouwen er nimmer toe in staat Zijn zinnen van streek te brengen met hun magie. (37) Gewone mensen die zien hoe Hij, ondanks Zijn onthechte staat, druk bezig is met van alles en nog wat, beschouwen in hun onwetendheid Hem om die reden als een menselijk wezen vol van gehechtheden dat net zo onder de invloed staat als zij zelf. (38) De goddelijkheid van de Persoonlijkheid van God is zodanig dat Hij, hoewel Hij in contact staat met de materiële natuur, nooit door de kwaliteiten ervan is aangedaan; en dat geldt ook voor de intelligentie van hen die zich bevinden in het eeuwige van de Heer die hun toevlucht vormt. (39) De vrouwen dachten in hun zwakheid en eenvoud dat het waar was dat Hij een meeloper was die gedomineerd en geïsoleerd wordt door zijn vrouw. Ze waren zich niet bewust van de heerlijkheden van hun echtgenoot, zoals ook de atheïsten over Hem denken die Hem niet kennen als de Opperheer."

 

Hoofdstuk 12

De Geboorte van keizer Parîkchit

(1) S'aunaka zei: "De [vrucht van de] schoot van Uttarâ, die werd geteisterd door de enorme hitte van het onoverwinnelijke wapen dat was gelanceerd door As'vatthâmâ, werd door de Heer weer opnieuw tot leven gewekt. (2) Hoe vond de geboorte plaats van keizer Parîkchit, die hoog intelligent was en zich bewees als een grote ziel? Hoe precies vond hij de dood en waar bracht hem die dood? (3) Vertel het ons alstublieft, we willen allemaal graag alles te weten komen over wat u over hem vermeldingswaardig acht; we hebben niets dan achting voor u aan wie S'ukadeva Gosvâmî de kennis van het Allerhoogste gaf."

(4) Sûta zei: " Koning Yudhishthhira bracht welvaart op de manier zoals zijn vader dat deed, door, in zijn achting voor Krishna's voeten, zonder enig nevenmotief van materieel gewin of zinsbevrediging het zijn onderdanen naar de zin te maken. (5) Zijn roem wat betreft zijn rijkdom, de offers die hij bracht, waar hij voor stond, zijn koninginnen, zijn broers en zijn soevereiniteit over de planeet aarde waar we leven, drong zelfs door tot in het rijk der hemelen. (6) Maar zo goed als een hongerig iemand met niets anders tevreden is dan met voedsel, kon ook hij in zijn honger als een godvrezende persoon, o brahmanen, niet warmlopen voor al het begeerlijke van de aarde waar zelfs de bewoners van de hemel op uit zijn.

(7) Toen Parîkchit de grote strijder, als kind in de schoot van zijn moeder, te lijden had onder de hitte van het brahmâstra wapen, kon hij, o zoon van Bhrigu, de purusha [de oorspronkelijke persoon] waarnemen in een stralende gedaante. (8) In de schittering zag hij ter grootte van slechts een duim de bovenzinnelijke, onfeilbare Heer prachtig met een donkere huid, een gouden helm en oplichtende kleding. (9) Met de rijkdom van Zijn vier armen, oorsieraden van het zuiverste goud, bloeddoorlopen ogen en een strijdknots in Zijn handen, bewoog Hij zich rond waarbij Hij voortdurend met de knots om zich heen zwaaide alsof het een toorts was. (10) De straling van de brahmâstra tegengaand zoals de zon dauwdruppels verdampt, werd Hij door het kind gadegeslagen dat zich afvroeg wie Hij was. (11) Ziend hoe de allesdoordringende Superziel, de Allerhoogste Heer en beschermer van de rechtschapenen, de gloed wegnam, verdween de Heer die zich in alle richtingen uitstrekt plotseling uit het oog. (12) Toen daarna geleidelijk aan de gunstige voortekenen zich ontwikkelden van een goede stand van de sterren, nam, als de troonopvolger van Pându, hij zijn geboorte die net zo bedreven als Pându zelf zou blijken te zijn. (13) koning Yudhishthhira, verheugd, liet priesters als Dhaumya en Kripa het geboorteritueel uitvoeren onder de recitatie van zegenrijke hymnen. (14) Hij, wetend waar, wanneer en hoe, beloonde met giften van goud, koeien, land, huisvesting, olifanten en paarden, in vrijgevigheid, tezamen met goed voedsel, bij die gelegenheid de geschoolden. (15) Blij richtten de brahmanen zich tot de koning, de leider van de Puru's, hem overbrengend dat ze zich zeer verplicht voelden aan de afstamming in de lijn van de Puru's [van de nazaten van de voorvader koning Puru]. (16) Ze zeiden: 'Teneinde u aan Hem te verplichten, werd deze zoon door de allesdoordringende en almachtige Heer gered van de ondergang als gevolg van het onoverwinnelijke, bovennatuurlijke wapen. (17) Daarom zal hij overal ter wereld bekend raken als degene die door Vishnu wordt beschermd; zonder twijfel zal hij een hoogst fortuinlijke, allerverhevenste toegewijde zijn begiftigd met alle goede kwaliteiten.'

(18) De goede koning zei: 'O besten onder de waarachtigen, zal hij in de voetsporen treden van al de grote zielen van deze familie van heilige koningen, zal hij die goede naam eer aandoen en zich aan zijn woord houden in wat hij tot stand brengt?'

(19) De brahmanen antwoordden: 'o zoon van Prithâ [Kuntî], hij zal van alle levende wezens de behouder zijn, precies zoals koning Ikshvâku, de zoon van Manu, en hij zal trouw zijn in zijn beloften en van respect zijn voor de geleerden, precies zoals Râma, de zoon van Das'aratha, dat was. (20) Hij zal zo liefdadig zijn als koning S'ibi van Us'înara en zij die van overgave zijn beschermen, en zoals Bharata dat deed, de zoon van Dushyanta die vele offers bracht, zal hij de naam en faam van zijn familie verspreiden. (21) Onder de boogschutters zal hij zo goed zijn als de twee Arjuna's [zijn grootvader en de koning van Haihaya], hij zal niet te weerstaan zijn als vuur en zo onoverkomelijk zijn als de oceaan. (22) Zo krachtig als een leeuw, en even waardig voor het zoeken van een schuilplaats als de Himalaya's, zal hij zo verdraagzaam zijn als de aarde en zo tolerant zijn als zijn ouders. (23) Met een geest zo goed als die van de oorspronkelijke vader Brahmâ, zal hij zo vrijgevig en gelijkmoedig zijn als Heer S'iva en de toevlucht zijn voor alle levende wezens zo goed als de Opperste Heer bij wie de Godin van het Geluk verblijft. (24) Volgend in de voetsporen van Heer Krishna zal hij de majesteit van alle goddelijke deugden zijn, hij zal de grootheid van koning Rantideva hebben en zo vroom zijn als Yayâti. (25) Geduldig als Bali Mahârâja zal dit kind zo toegewijd zijn als Prahlâda was voor Heer Krishna en zal hij vele as'vamedha [paard-]offers brengen en trouw zijn aan de ouderen en ervarenen. (26) Hij zal een geslacht van wijze koningen voortbrengen, de parvenu's terechtwijzen en, terwille van de wereldvrede en de religie, korte metten maken met de ruziemakers. (27) Na vernomen te hebben over de dood die hij zou sterven, veroorzaakt door een slangenvogel die werd gestuurd door de zoon van een brahmaan, zal hij zich bevrijden van zijn gehechtheden en zijn toevlucht zoeken bij de Heer. (28) Nadat hij bij de zoon van de wijze Vyâsa zijn licht heeft opgestoken over de juiste zelfkennis zal hij, o koning, aan de oever van de rivier de Ganges zijn materiële leven achter zich laten en zal hij een leven vrij van vrees bereiken.'

(29) Nadat ze de koning aldus op de hoogte hadden gesteld en ze rijkelijk beloond waren, keerden zij die onderlegd waren op het gebied van de astrologie en het geboorteritueel, terug naar hun verblijfplaatsen. (30) Hij, O meester [S'aunaka], zou in deze wereld beroemd worden als Parîkchit, de onderzoeker, omdat, door wat hij vóór zijn geboorte had gezien, hij alle mensen steeds nauwgezet onderzocht met Hem in gedachten. (31) Onder de hoede van zijn beschermende ouders groeide de kroonprins dag na dag snel op tot wat hij zou zijn, zo zeker als de wassende maan dag na dag toeneemt.

(32) koning Yudhishthhira, die graag een paardoffer wilde brengen om de last van zich af te schudden van het hebben bestreden van zijn familieleden, dacht erover fondsen te werven daar hij slechts ontvangsten had uit belastingen en boetes. (33) Uit respect voor zijn wijze wens gingen zijn broers toen, op aanraden van de Onfeilbare, noordwaarts om voldoende rijkdommen in te zamelen. (34) Met het resultaat van die ingezamelde rijkdommen kon de bezorgde, godvruchtige koning Yudhishthhira drie paardoffers brengen waarmee hij Heer Hari volmaakt aanbad. (35) De Allerhoogste Heer, met wiens hulp de tweemaal geborenen de offerplechtigheden konden verrichten, bleef toen, daartoe uitgenodigd door de koning, nog een paar maanden langer om degenen die Hem liefhadden een plezier te doen. (36) Daarna, beste brahmanen, ging Hij met de instemming van de koning, Draupadî en Zijn verwanten, terug naar Dvârakâ, begeleid door Arjuna en andere leden van de Yadu-dynastie."

 

Hoofdstuk 13

Dhritarâshthra Gaat van Huis

(1) Sûta zei: "Toen Vidura* rondtrok langs de verschillende bedevaartsoorden, had hij van de grote wijze Maitreya kennis verkregen van de bestemming van het zelf, en door die kennis voldoende op de hoogte van alles wat er te weten viel, keerde hij toen terug naar de stad Hastinâpura. (2) Met al de vragen die hij had gesteld was hij er in het gezelschap van Maitreya in geslaagd onverdeeldheid te ontwikkelen in zijn toewijding voor Govinda, en had hij er verder van afgezien nog meer vragen te stellen. (3-4) Daar arriverend, werd hij, beste brahmanen, verwelkomd door Yudhishthhira en zijn jongere broers, Dhritarâshthra, Sâtyaki en Sañjaya, Kripâcârya, Kuntî, Gândhârî, Draupadî, Subhadrâ, Uttarâ, Kripî, andere vrouwen van de familieleden van de Pândava's en andere dames met hun zonen. (5) Alsof ze uit de dood waren opgewekt kwamen ze hem opgetogen tegemoet om hem met alle respect te ontvangen met omhelzingen en eerbetuigingen. (6) In hun genegenheid lieten ze emotioneel hun tranen de vrije loop vanwege de angsten en het verdriet dat ze gevoeld hadden als gevolg van de scheiding. koning Yudhishthhira bereidde hem vervolgens een ontvangst hem een zitplaats biedend.

(7) Nadat hij rijkelijk gegeten en gerust had en comfortabel neerzat, boog de koning zich nederig voorover om zich in de aanwezigheid van iedereen tot hem te richten. (8) Hij zei: 'Herinnert u zich hoe we, opgevoed onder uw beschermende vleugels, samen met onze moeder werden gered van verschillende calamiteiten als vergiftiging en brandstichting? (9) Waarmee voorzag u in uw levensonderhoud toen u rondtrok over het oppervlak van de aarde en in welke heilige bedevaartsplaatsen bent u op deze planeet dienstbaar geweest? (10) Toegewijden als uwe goedheid veranderen zelf in heilige plaatsen, o machtige; en met de Hoogste Persoonlijkheid in uw hart, verandert u dan alle plaatsen in pelgrimsoorden. (11) Beste oom, kan u zeggen wat u van onze vrienden en weldoeners gezien of over hen gehoord hebt? Zijn de nakomelingen van Yadu, die met Krishna zo in God opgaan, allen gelukkig met waar ze wonen?

(12) Op die manier door de koning ondervraagd, beschreef hij zoals het hoorde, het ene na het andere onderwerp besprekend, alles wat hij ervaren had, zonder echter de vernietiging van de dynastie te vermelden. (13) Omdat hij ze niet van van streek wilde brengen was hij zo genadig niet uit te weiden over deze in feite zo onverkwikkelijke en onverdraaglijke gang van zaken van de mensheid. (14) Zo bleef de wijze, die behandeld werd met de achting die een god paste, enkele dagen te gast, zodat hij iets voor zijn oudste broer kon betekenen en iedereen er gelukkig mee zou zijn. (15) Zolang Vidura de rol van een s'ûdra [iemand van de arbeidende klasse] speelde, was het Aryamâ** die de straffen zoals ze de zondigen waren toebemeten voltrok; dit vanwege een honderdjarige vloek van de wijze Mandûka Muni [die onder zijn verantwoordelijkheid onrechtvaardig werd behandeld].

(16) Toen Yudhishthhira had gezien dat er een kleinzoon in de dynastie was geschikt om het koninkrijk te besturen dat hij weer in handen had gekregen, genoot hij samen met zijn bestuurlijk bekwame broers van een leven in grote weelde. (17) De onoverkomelijke, niet waarneembare, eeuwige Tijd overtreft superieur al degenen die onoplettend en vergroofd zijn in de geest der gehechtheid aan familieaangelegenheden. (18) Vidura, die hier weet van had, zei tegen Dhritarâshthra: 'O koning, trekt u zich als't u blieft onverwijld terug uit deze positie, zie toch hoe uw leven door de angst wordt beheerst. (19) In deze materiële wereld is er niets of niemand die deze angst kan afwenden, daar het de Allerhoogste Heer is die zich in de gedaante van de eeuwige Tijd voor een ieder van ons aandient. (20) Onvermijdelijk ten prooi aan de macht van de tijd moet een persoon dit leven, dat een ieder zo dierbaar is, zomaar weer opgeven, om nog maar te zwijgen van de weelde en dergelijke zaken die hij heeft verworven. (21) Met je vader, broer, weldoeners en zoons allen dood, met je leven uitgeblust en je lichaam gebrekkig van de ouderdom, leef je bij iemand anders in huis. (22) Je bent van jongs af aan blind geweest, je hoort niet meer zo goed, je geheugen laat het afweten en recentelijk zijn je tanden los gaan zitten, bezorgt je lever je moeilijkheden en hoest je luidruchtig slijm op. (23) Ach, hoe zeer hecht het levende wezen aan het leven, zozeer zelfs dat jij daardoor, als een hond, de resten eet van de maaltijd achtergelaten door Bhîma [je Pândava neef]. (24) Hoe kan je nu teren op de genade van degenen die je geprobeerd hebt te verbranden, te vergiftigen en wiens vrouw je beledigd hebt terwijl je hun koninkrijk inpalmde? (25) Of je het nu wilt of niet, je zal, hoezeer je ook aan het leven hecht, onder ogen moeten zien hoe dit miserabele lichaam wegkwijnt en uiteenvalt als een oud kledingstuk. (26) Iemand is een moedig en hoogstaand mens als hij, onbezorgd en verlost van alle verplichtingen, inziet dat hij zich naar een onbekend oord moet begeven als hij niet meer naar behoren kan beschikken over zijn lichaam. (27) Een ieder die in deze wereld, naar eigen inzicht of het geleerd hebbend van anderen, tot bewustzijn komt in het ontwaken uit zijn materiële gehechtheid en dan zijn huis verlaat met de Heer gevestigd in zijn hart, is voorzeker een hoogstaand mens. (28) Vertrek daarom alsjeblieft in noordelijke richting zonder je verwanten te zeggen waar je heen gaat, want hierna zal weldra de tijd zich aandienenen waarin de kwaliteiten van de mens in een algeheel verval raken [Kali-yuga].' (29) Na dit gehoord te hebben verbrak de oude koning van de Ajamîdha familie, indachtig de wijsheid van zijn jongere broer Vidura, vastberaden de krachtige banden van de familieliefde en vertrok hij in die richting die is vastgesteld voor de weg der bevrijding. (30) Hij werd gevolgd door de kuise en waardige dochter van koning Subala [Gândhârî] die met haar echtgenoot meeging naar de Himalaya's - de plaats die de verrukking is van hen die de staf der verzaking hebben opgenomen als waren ze vechters die het legitieme van een goed pak slaag accepteren.

(31) Terugkerend naar het paleis, wilde hij die niemand als zijn vijand beschouwde [Yudhishthhira], na de halfgoden aanbeden te hebben met offerandes, eerbetuigingen en giften aan de brahmanen, de ouderen zijn respect betonen, maar kon hij zijn twee ooms en tante Gândhârî niet vinden. (32) Bezorgd wendde hij zich tot Sañjaya de zoon van Gavalgana [de assistent die de blinde Dhritarâshthra het verslag deed van de strijd], en zei tot hem: 'Waar is onze oude, blinde oom? (33) Waar is mijn weldoener Vidura en moeder Gândhârî die in de rouw is over het verlies van haar nakomelingen? Heeft de oude koning, mij ondankbaar vanwege het verlies van zijn zonen, vol van twijfel over mijn aanmatiging, zich in zijn verdriet samen met zijn vrouw verdronken in de Ganges? (34) Na de val van mijn vader koning Pându, waren ze de weldoeners die ons allen, nog maar kleine kinderen, beschermden - waarheen zijn mijn ooms vanhier vertrokken?' "

(35) Sûta zei: "Sañjaya die bezorgd zijn meester niet zag, was van streek over de gescheidenheid, en kon in zijn droefenis geen woord uitbrengen. (36) Zijn tranen van zijn gezicht vegend met zijn handen en met alle macht zijn geest tot bedaren brengend, probeerde hij, met de voeten van zijn meester in gedachten, koning Yudhishthhira antwoord te geven. (37) Sañjaya zei: 'Ik weet niet waartoe uw ooms of Gândhârî besloten hebben, o afstammeling van de Kurudynastie - o grote Koning, ik ben door deze grote zielen op een dwaalspoor gezet.' (38) Op dat moment verscheen de verheven persoonlijkheid Nârada ten tonele met zijn muziekinstrument en nadat Yudhishthhira en zijn jongere broers van hun zetels waren opgestaan en, de wijze op die manier naar behoren verwelkomend, hun respect hadden betoond, zei de koning: (39) 'O Allerhoogste, ik weet niet in welke richting mijn ooms en mijn ascetische tante die zo bedroefd is over het verlies van haar zoons van hieruit zijn vertrokken. (40) Als een kapitein op een schip in de uitgestrekte oceaan bent u de Heer om ons naar de overkant te helpen'.

Op die manier aangesproken richtte de goddelijke persoonlijkheid Nârada, de grootste onder de wijze filosofen der eeuwigheid, het woord tot hen: (41) 'O Koning, weeklaag nooit, om welke reden dan ook, daar u in de macht verkeert van de Allerhoogste Heer. Alle levende wezens en hun leiders houden om die reden erediensten voor hun bescherming. Hij is degene die allen bijeen brengt en ze ook allen weer uiteendrijft. (42) Zoals een koe met een touw door de neus wordt vastgebonden, wordt men op dezelfde manier door de hymnen en voorschriften van de Veda gebonden zich te houden aan wat het Allerhoogste verlangt. (43) Zoals men in deze wereld naar believen spelbenodigdheden bij elkaar brengt en weer opbergt, vergaat het ook de mensen die onderworpen aan het spel van de Heer worden samengebracht en weer apart komen te staan. (44) Of je nu personen wel of niet als eeuwig [als een ziel] of als tijdelijk [als een lichaam] beschouwt of anders als zijnde beiden [belichaamde zielen] of als geen van beiden [vanwege de Absolute Waarheid die verheven is boven alle kenmerken], onder geen voorwaarde vormen ze een reden tot treurnis; zoiets doet men alleen maar omdat men emotioneel verwikkeld is geraakt of zijn verstand kwijt is. (45) Derhalve, o Koning, geef uw bezorgdheid op die te wijten is aan een gebrek aan zelfkennis, denk er niet steeds aan hoe deze mensen, hulpeloos en ellendig, het zonder u zouden moeten redden. (46) Hoe kan dit lichaam bestaande uit de vijf elementen [vuur, water, lucht, aarde en ether] met dit denken en onderhevig aan de tijd, het resultaatgericht handelen en de materiële geaardheden der natuur [kâla, karma en guna's] anderen nu beschermen als het zelf net zo goed gebeten is door die slang? (47) Zij [de dieren] die geen handen maar poten hebben, zijn overgeleverd aan hen die wel handen hebben [de mensen]; heeft het levende wezen geen ledematen [zoals gras], dan is het overgeleverd aan de vierbenigen [zoals de koeien]; de zwakkere is overgeleverd aan de sterkere en zo houdt het ene levende wezen zich in leven met het andere. (48) Sla daarom enkel acht op de uiterlijke verschijningsvorm van Hem die zich bij de macht der illusie voordoet als een verscheidenheid; Hij o Koning is de die Zijn gelijke niet kent en de Superziel is die vanbinnen en vanbuiten Zijn energieën kwalitatief manifesteert overeenkomstig Zichzelf, hoewel Hij ervan schijnt te verschillen. (49) Die Ongeborene, de Vader van de Schepping, is, 0 Koning nu nedergedaald in deze wereld in een gedaante van de [allesverslindende] Tijd, met de bedoeling een einde te maken aan al de vijanden van de verlichte zielen. (50) Voor de verlichte zielen heeft de Heer volbracht wat moest worden gedaan, de rest valt nog te bezien; jullie kunnen allen tot die tijd, d.w.z. voor zolang Hij nog aanwezig is op aarde, Hem daarin volgen.

(51)Dhritarâshthra, zijn broer Vidura en zijn vrouw Gândhârî zijn vertrokken naar de zuidelijke zijde van de Himalaya's waar de wijzen hun toevlucht hebben. (52) De plaats staat bekend als Saptasrota [zeven bronnen] omdat de rivier der hemelen [de Svardhunî] daar aan de dag treedt en naar de voldoening van de desbetreffende wijzen zich verdeelt in de zeven stromen die we kennen als haar vertakkingen. (53) Door daar regelmatig te baden, plengoffers in het vuur te doen overeenkomstig de regulerende beginselen en te vasten op enkel water, heeft Dhritarâshthra zijn zinnen en denken geheel in bedwang en is hij aldus verlost van de afhankelijkheid die hij had met zijn familie. (54) Door zithoudingen, adembeheersing en het zich inwaarts keren van de zes zinnen kan men, verzonken in de Heer, de wereldse smetten van de passie, de goedheid en de onwetendheid overwinnen. (55) Door zijn zelf in de wijsheid te laten opgaan en in de wijsheid op te gaan in de zuivere getuigenis heeft hij zich verenigd met het Absolute [brahman], het reservoir van het zuivere zijn, zoals de lucht in een pot zich verenigt met de ruimte erbuiten. (56) Met het eindigen van de materiële geaardheden en het doorbreken van hun effecten, zullen zijn zinnen en denken ermee ophouden zich te voeden als hij, niet gehinderd met het verzaken van alle verplichtingen, zonder zich te bewegen geconcentreerd neerzit. (57) Ik verwacht dat hij zijn lichaam vijf dagen vanaf heden zal verlaten, o Koning, en het tot as zal laten vergaan. (58) Terwijl zij buiten toekijkt hoe het lichaam van haar man met inbegrip van zijn hut [op mystieke wijze] ontvlamt, zal zijn kuise vrouw hem bij vol bewustzijn in het vuur volgen. (59) Vidura, ooggetuige van dat wonderlijke voorval, o zoon van de Kurudynastie, zal, aangedaan door verrukking en verdriet, vandaar vertrekken om zich op een inspirerende pelgrimstocht te begeven. (60) Na aldus de koning toegesproken te hebben, steeg Nârada samen met zijn snaarinstrument op naar de hemel. Yudhishthhira, zich de instructies ter harte nemend, gaf vervolgens al zijn weeklagen op."

 Voetnoten:

 * Vidura is een jongere broer van Dhritarâshthra. Hij werd als een s'ûdra, een arbeider, geboren omdat hij door Vyâsa werd verwekt bij een dienstmaagd van de moeder van Pându.  

** Aryamâ is een zoon van Aditi en Kas'yapa, die Yamarâja, de Heer der bestraffingen vertegenwoordigt. Vidura wordt gezien als zijn s'ûdra-incarnatie.  

 

Hoofdstuk 14

De Verdwijning van Heer Krishna

(1) Sûta zei: "Arjuna ging naar de stad Dvârakâ om zijn vrienden en Krishna, Degene Verheerlijkt door de Vedische Hymnen, te zien en om uit te vinden wat Zijn verdere plannen waren. (2) Na een paar maanden, toen Arjuna daar niet van terugkeerde, nam Yudhishthhira verschillende beangstigende tekenen waar. (3) De tijd had een ongunstige wending genomen: hij bemerkte onregelmatigheden in de seizoenen en zag dat de burgers in hun menselijke zonden zich aan woede, begeerte en valsheid overgaven in de behartiging van hun middelen van bestaan. (4) Er was bedrog in normale transacties, wanbegrip wierp zich op in de achting voor weldoeners, vaders, moeders en broeders, terwijl ook tussen man en vrouw er strijd was te bespeuren. (5) De mensen maakten zich geleidelijk aan goddeloze gewoonten als hebzucht en dergelijke eigen. De koning, geplaatst voor deze ernstige zaken en slechte voortekenen, sprak er toen met zijn jongere broer over.

Yudhishthhira zei [tot Bhîma]: 'Arjuna vertrok om zijn vrienden te zien en ook om uit te vinden wat Krishna van plan was. (7) Het is nu zeven maanden geleden dat je jongere broer vertrok, o Bhîmasena, en ik weet niet precies waarom dat zo is. (8) Is het zo, zoals Nârada ons voorhield, dat de Hoogste Persoonlijkheid vindt dat het tijd is om deze manifeste wereld achter zich te laten? (9) Van Hem hebben we onze welvaart, koninkrijk en vrouwen - door Hem is het bestaan van de dynastie en het leven van onze onderdanen mogelijk geworden en door Zijn genade konden we onze vijanden verslaan en leven voor een betere wereld. (10) Zie eens, o man met de kracht van een tijger, hoe de planeten er voorstaan, hoe de zaken op aarde verlopen en wat er gebeurt met het lichaam en de geest; al deze angstwekkende tekenen die onze intelligentie op een dwaalspoor zetten, duiden op een groot gevaar in de nabije toekomst. (11) Keer op keer beginnen mijn dijen, ogen, armen en de linker kant van mijn lichaam te trillen en heb ik hartkloppingen als gevolg van de angst die ik voel. Dit wijst allemaal op ongewenste gebeurtenissen. (12) Zie, O Bhîma, hoe heftig de jakhals huilt met zonsopkomst en hoe de hond zonder angst naar me blaft. (13) O tijger onder de mensen, de koeien laten me links van hen en ezels en dergelijke draaien om me heen terwijl mijn paarden lijken te huilen. (14) De duif lijkt een boodschapper van de dood en de kreten van uilen en hun rivalen de kraaien doen mijn hart beven alsof ze de leegte van de kosmos wensen. (15) O Bhîma, zie hoe de rook in de lucht blijft rondhangen en hoe de aarde weeklaagt tezamen met de heuvels en de bergen met luide donderslagen bij een heldere, wolkenloze hemel. (16) De wind waait guur en schept duisternis met het stof en de regen stroomt als bloed uit de wolken alsof het een alomvattende ramp betreft. (17) De zon schijnt minder - zie hoe de sterren in de hemel op elkaar lijken te storten en hoe de levende wezens verward en van streek zijn alsof ze huilen. (18) Rivieren en hun zijarmen, de meren en de geest zijn allemaal verstoord terwijl met behulp van boter het vuur niet wil ontvlammen - wat is dit voor een buitengewone tijd? Wat staat er te gebeuren? (19) De kalveren willen niet drinken van de spenen en de koeien willen niet gemolken, angstig kijkend alsof ze huilen, terwijl de stieren er in de weiden geen zin in hebben. (20) De beelden van de godheden lijken te huilen en te zweten alsof ze de tempel willen verlaten en ook de steden, dorpen en plaatsen, tuinen, mijnen en toevluchtsoorden hebben hun schoonheid verloren, beroofd van alle geluk - wat voor rampen staan ons te wachten? (21) Ik denk dat al wat zich zo opwerpt zich manifesteert uit behoefte aan de voetafdrukken van de Hoogste Persoonlijkheid - de aarde beroofd van het buitengewone van de Allerhoogste Persoon zal onfortuinlijk zijn zonder die gunstige tekens.'

(22) O brahmaan, terwijl koning Yudhishthhira, op die manier denkend de slechte voortekenen gadesloeg, keerde Arjuna terug uit het koninkrijk van de Yadu's. (23) Terwijl hij voor de voeten van de koning boog was zijn verslagenheid ongekend met de tranen die van zijn naar beneden gerichte gezicht uit zijn ogen liepen. (24) Toen hij het benauwde hart en het bleke voorkomen van Arjuna zag, ondervroeg de koning, die zich herinnerde wat Nârada had gezegd, hem temidden van de vrienden. (25) Yudhishthhira zei: 'Zijn onze verwanten Madhu, Bhoja, Das'ârha, Ârha, Sâtvata, en Andhaka van de Yadu's allen gelukkig hun dagen doorbrengend in Dvârakâ? (26) Is mijn achtenswaardige grootvader [van moeders zijde] S'ûrasena goed gezond met het slijten van zijn laatste dagen en gaat het met mijn oom [van moeders zijde] Vasudeva en zijn jongere broers allemaal goed? (27) Zijn mijn tantes - zijn vrouwen - alle zeven zusters met Devakî in eigen persoon aan het hoofd, met hun zonen en schoondochters allen gelukkig? (28-29) Zijn koning Ugrasena, wiens zoon de slechterik was [Kamsa], en zijn jongere broer, Hridîka en zijn zoon Kritavarmâ en Akrûra, Jayanta, Gada en Sâranâ alsook S'atrujit en de rest allen gelukkig? Is ook alles goed met de Hoogste Persoonlijkheid Balarâma, die de beschermer van de toegewijden is? (30) Zijn de grote krijgsheer Pradyumna [een zoon van Krishna] en alle anderen van de Vrishni-familie gelukkig - en verkeert de volkomen expansie van Krishna Aniruddha [een kleinzoon van Krishna] in goede doen? (31) En hoe gaat het met Sushena, Cârudeshna en Sâmba, de zoon van Jâmbavatî, en de anderen eminente zoons van Krishna en hun bovenste beste zoons? (32-33) En gaat het ook net zo goed met de constante metgezellen van Krishna als S'rutadeva, Uddhava en anderen, Sunanda, Nanda en andere leiders, en zijn ook de andere bevrijde zielen in orde die de besten onder de mensen zijn? En denken allen die in vriendschap verbonden zijn onder de bescherming van Balarâma en Krishna ook aan ons welzijn? (34) Schept de Allerhoogste Heer, die de vreugde van de koeien en de zinnen is en die altijd zorg draagt voor de toegewijden en de brahmanen, nog altijd genoegen in het zedige gezelschap van de vrienden rondom Hem in Dvârakâ? (35-36) Voor de bescherming en de verheffing van het welzijn van allen en al hun leefwerelden verkeert er daar in hun gezelschap, in de oceaan van de Yadu-dynastie, de Oorspronkelijke, Allerhoogste Genieter en ook Ananta [Balarâma]. In Zijn eigen stad genieten de leden van de Yadu-familie van Zijn beschutting en proeven ze daarbij het transcendentale genoegen zoals de ingezetenen van de hemel dat doen. (37) Middels het hoogst belangrijke bestieren van de gemakken aan de voeten, zorgden de zestienduizend metgezellen van het zwakke geslacht met Satyabhâmâ aan het hoofd ervoor dat de Heer de ingezetenen van de hemel onderwierp, zodat zij, als de vrouwen van de Beheerser van de Donder, konden genieten van wat normaal is voorbehouden aan de halfgoden. (38) De Yadu's, die de bescherming van Zijn armen genieten, betreden immer onbevreesd de Sudharmâ vergaderzaal die, met geweld verkregen [van Indra], de beste der goden waardig was.

(39) 'Mijn beste broer, ben je helemaal gezond? Het lijkt me dat je je luister hebt verloren. Is het omdat je het respect mist en verwaarloosd bent of, mijn broer, omdat je zo lang weg was? (40) Heb je je greep verloren omdat iemand je onvriendelijk heeft bejegend of je bedreigde, of kon je niet vrijgevig zijn of de belofte nakomen dat te zullen doen? (41) Was je niet in staat, toen je benaderd werd voor de bescherming van de geschoolden, de kinderen, de koeien, de ouden van dagen, de zieken en de vrouwen, in de behoeften te voorzien van ieder levend wezen dat zijn toevlucht zocht? (42) Ben je in contact gekomen met een verwerpelijke vrouw of heb je misschien een acceptabele vrouw onheus behandeld, of is je goede zelf onderweg alsnog verslagen door een hogere macht of door gelijken? (43) Heb je oude mannen en jongens die het verdienden met je samen te eten over het hoofd gezien of heb je iets onbehoorlijks gedaan dat moeilijk te vergeven is? (44) Of is het zo, mijn broeder Arjuna, dat met betrekking tot de meest dierbare, je hartsvriend Heer Krishna, een leegte voelt omdat je Hem voortdurend moet missen? Ik kan geen andere redenen bedenken waarom je zo van streek zou zijn.' "

 

Hoofdstuk 15

De Pândava's Trekken Zich Terug

(1) Sûta zei: "Aldus werd Arjuna, de vriend van Krishna, uitgemergeld als hij was vanwege zijn gescheidenheid van Krishna, onderworpen aan de verschillende vormen van twijfel en speculatie van zijn oudere broer de koning. (2) Door zijn treurnis waren zijn mond en lotus-gelijke hart opgedroogd en was zijn lichamelijke luister verdwenen. In beslag genomen door gedachten aan de Allerhoogste Heer S'rî Krishna was hij niet in staat naar behoren te antwoorden. (3) Hoe meer hij de tranen uit zijn ogen vegend met grote moeite de kracht van zijn verdriet probeerde te beheersen, des te meer raakte hij in zijn gevoelens voor Hem verzonken in gedachten over Hem en des te meer raakte hij van streek. (4) Zich Hem herinnerend als weldoener, begunstiger, intieme relatie en wagenmenner, begon Arjuna, overmand en zwaar ademend, tot zijn oudere broer de koning te spreken. (5) Hij zei: 'O mijn Koning, de Persoonlijkheid van God Hari die met me omging als Zijn intieme vriend heeft me verlaten. Nu ben ik verstoken van de verbluffende, grote macht die zelfs de goden versteld deed staan. (6) wie te zijn gescheiden voor zelfs maar een ogenblik voorzeker alle universa ongunstig en ontdaan van alle leven zouden toeschijnen, alsof het allemaal lijken waren. (7) Door de kracht van Zijn genade kon ik al de prinsen bedwingen die lustten naar de macht bij de verkiezing van de bruidegom in koning Draupada's paleis waar ik Draupadî's hand verwierf door de vis die als schietschijf fungeerde met mijn boog te doorboren. (8) Omdat Hij mij terzijde stond was ik in staat Indra en zijn goddelijke metgezellen te overwinnen, slaagde ik erin de vuurgod ertoe aan te zetten zijn woud in lichterlaaie te zetten, en kon ik het wonderschoon uitgevoerde vergaderhuis tot stand brengen dat werd gebouwd door Maya [uit dankbaarheid hem gered te hebben uit dat vuur in het woud genaamd Khândava] waar al de prinsen te uwer ere bijeenkwamen met geschenken uit alle windstreken. (9) Onder Zijn invloed slaagde onze jongere broer [Bhîma], die de kracht heeft van duizend olifanten, erin terwille van het [râjasûya] offer hem [Jarâsandha] te doden die werd aanbeden door de vele koningen. Het was Hij die de koningen redde die door Jarâsandha waren bijeengebracht [in zijn hoofdstad] om te worden geofferd aan de heer der geesten [Mahâbhairava]. Nadien betaalden ze je allen schatting. (10) Hij benam [ter vergelding] de echtgenoten [de Kuru's] het leven wiens vrouwen ertoe waren veroordeeld hun haar los te dragen omdat het samengebonden haar van je vrouw [Draupadî], dat prachtig gekapt en gezegend was voor de grote ceremonie, werd losgemaakt. Gegrepen door de schurken [de Kuru's onder leiding van Duhs'âsana], wierp ze zich in tranen aan de Voeten. (11) Hij beschermde ons toen we in moeilijkheden belandden, bedreigd in het woud door de intrige van onze vijanden die waren geassocieerd met Durvâsâ Muni, die aldaar met zijn tienduizend discipelen langs kwam om te eten. Door simpelweg voordat zij er aan toe waren de voedselresten te aanvaarden stelde Hij al de drie werelden zowel als de muni's die op dat moment aan het baden waren tevreden door ze zo het idee te geven dat ze reeds gevoed waren. (12) Onder Zijn invloed kon ik eens de Persoonlijkheid van God met de Drietand [Heer S'iva] en zijn vrouw, de dochter van de Himâlaya, versteld doen staan, om reden waarvan hij en andere goden me beloonden met hun eigen wapens. En zo slaagde ik er in, levend in dit lichaam, een half verheven zitplaats in het Huis van Indra te verwerven. (13) Als een gast van die hemel kon ik met beide armen, met mijn boog de Gândîva, Indra en al de goden, de demon Nivâtakavaca doden, gemachtigd als ik was, o afstammeling van koning Ajamîdha, door Hem, de Hoogste Persoonlijkheid van wie ik momenteel verstoken ben. (14) Door Zijn vriendschap alleen kon ik, gezeten op de strijdwagen, de onoverkomelijke oceaan van het eindeloze bestaan van de militaire kracht van de Kaurava's oversteken, en door Zijn vriendschap alleen, kon ik terugkeren met de enorme weelde van de vijand; de schittering van al de juwelen die ik met geweld van hun hoofden nam. (15) Hij was het die met de macht van Zijn blik de geestelijke onrust beëindigde die voortkwam uit het verlangen naar resultaten van al de strijders die met de rijkdom van hun strijdwagens stonden opgesteld op het slagveld, o grote Koning, en uit wiens gelederen ik naar voren trad met voor ogen de immensiteit van grote koninklijke persoonlijkheden als Bhîshma, Karna, Drona en S'alya. (16) Onder Zijn bescherming konden de zeer machtige, onoverwinnelijke wapens die werden gebruikt door Drona, Bhîshma, Karna, Bhûris'ravâ, koning Sus'armâ, S'alya, koning Jayadratha, Bâhlika [een broer van Bhîshma] etc., me niet raken, precies zoals dat ook zo ging met Prahlâda [de beroemde toegewijde van Nrisimhadev, de leeuw-incarnatie] die werd bedreigd door de demonen. (17) Abusievelijk over Hem denkend als alleen maar mijn wagenmenner verloste Hij mij, wiens voeten door de intelligenten worden gediend terwille van de verlossing. Door Zijn genade sloegen mijn vijanden geen acht op mij en vielen ze me niet aan als ik afsteeg voor mijn dorstige paarden. (18) Met Zijn glimlachende gezicht maakte Hij grappen en was Hij open met me, me aansprekend met 'zoon van Prithâ','vriend' en 'zoon van de Kurudynastie' en dergelijke; hartelijke uitspraken van mijn Mâdhava [Krishna] die mijn ziel raken en overmannen nu ik er aan terugdenk. (19) Toen ik met Hem sliep, neerzat, liep en at, en we elkaar de waarheid voorhielden en dergelijke, zag ik Hem bij vergissing aan voor een vriend gelijk aan mij, terwijl Hij me, ondanks dat ik Hem in mijn overtreding voor lager aanzag, groots in Zijn glorie tolereerde zoals een vriend een vriend aanvaard of een vader zijn kind. (20) O Keizer, zonder de Hoogste Persoonlijkheid, mijn geliefde vriend en weldoener, zijn mijn hart en ziel leeg. Pas geleden nog werd ik, als was ik een zwakke vrouw, verslagen door een stel ontrouwe koeherders toen ik Krishna's vrouwen beschermde. (21) Met dezelfde boog, pijlen, strijdwagen en paarden, ben ik dezelfde Arjuna en strijdwagenvechter die door alle koningen werd gerespecteerd. Maar dit alles werd in één enkel ogenblik, Hem missend, zo betekenisloos als boter geofferd in de as, als geld verkregen door magie of zaden gezaaid in onvruchtbare grond.

(22-23) O Koning, in antwoord op je vraag naar onze vrienden en verwanten in Dvârakâ kan ik je zeggen dat ze werden vervloekt door de brahmanen en dat ze als gevolg daarvan, dronken van de rijstwijn, als een stel dwazen elkaar met stokken hebben gedood, elkaar niet eens herkennend in die beschonken toestand. Slechts vier of vijf van hen zijn er overgebleven. (24) Het is door de Hoogste Persoonlijkheid, onze Heer, zo beschikt dat de levende wezens elkaar de ene keer doden terwijl ze elkaar de andere keer beschermen. (25-26) Zoals in de oceaan de groteren de kleineren opeten en de sterkeren de zwakkeren verorberen, o Koning, nam zo ook de Almachtige Ene de last gevormd door de Yadu's van de wereld weg, door in een gevecht de sterkere Yadu de zwakkere te laten doden en de grotere Yadu de kleinere. (27) Met voor de geest de woorden gesproken door Govinda, herinner ik me hoe aantrekkelijk ze zijn, en hoe ze, doortrokken van betekenis en aan de tijd en omstandigheid aangepast, een einde maken aan de pijn in het hart.' "

(28) Sûta zei: "Aldus denkend aan de lotusvoeten van de Heer en wat Hij hem allemaal had bijgebracht in de vertrouwlijkheid van hun diepe vriendschap, kwam Arjuna tot rust met zijn geest bevrijd van alle materiële betrokkenheid. (29) Voortdurend zich de voeten van Vâsudeva herinnerend, nam Arjuna's toewijding snel toe en kwam er een eind aan zijn eindeloos gepieker. (30) Zich opnieuw de aanwijzingen van de Hoogste Heer over het transcendentale voor de geest halend temidden van de veldslag en denkend aan Zijn tijd en handelen, verdreef hij de duisternis van zijn onwetendheid en werd hij zijn zinnen de baas. (31) Vrij van treurnis er door zijn spiritueel vermogen in slagend te breken met de twijfels opgeroepen door de dualiteit van het geïdentificeerd zijn met de materie, was hij, dankzij de overstijging zonder de materiële vorm, bevrijd van het verstrikt zijn in de kringloop van geboorte en dood.(32) Met het aangehoord hebben van de uitweidingen over het verdwijnen van de Opperheer naar Zijn hemelverblijf en het einde van de Yadu-dynastie, besloot ook Yudhishthhira zichzelf terug te trekken en de wereld achter zich te laten voor het heil van de ziel. (33) Ook koningin Kuntî, die alles had gehoord wat Arjuna vertelde over het einde van de Yadu's en het verdwijnen van de Heer, vond, samen met alle anderen die onverdeeld waren in hun toewijding voor de transcendentie van de Heer, in haar bezielde betrokkenheid bevrijding van haar materiële bestaan. (34) Door de last weg te nemen van de wereld werd dat lichaam [van de Yadu-dynastie] opgegeven door de Ongeborene, zoals een doorn die werd gebruikt om een andere doorn te verwijderen wordt weggegooid, aangezien die doorns voor de Heer één en hetzelfde zijn. (35) Zoals met Zijn Matsya-incarnatie en andere verschijningen, precies als een goochelaar het ene lichaam opgevend om een ander weer op te pakken, gaf Hij het lichaam prijs dat Hij manifesteerde om de last van de aarde te verlichten. (36) Toen Mukunda [de Heer der Bevrijding], de Fortuinlijke zo de moeite waard om over te vernemen, deze aarde verliet - manifesteerde van die dag af aan Kali[-yuga] zich ten volle, tot het ongeluk van een ieder wiens geest niet ontwaakt is.

(37) Yudhishthhira die slim als hij was zag hoe in zijn hoofdstad, staat en thuis, alsook in het zelf, de zaken verergerden met de vicieuze cirkel van hebzucht, valsheid, oneerlijkheid, goddeloosheid en geweld en dergelijke, begreep dat het tijd was om te vertrekken, waartoe hij zich dan ook kleedde. (38) Zijn kleinzoon [Parîkchit], die naar behoren was getraind en door zijn kwaliteiten zijns gelijke was in alle opzichten, kroonde hij daartoe in de hoofdstad Hastinâpura tot keizer en heerser over al het land dat door de zee werd omringd. (39) Te Mathurâ maakte hij Vajra [de zoon van Aniruddha] tot koning van S'ûrasena, waarna hij een prâjâpatya offer liet brengen om in staat te zijn in zichzelf het vuur te vinden om zijn doel te bereiken. (40) Zijn gordel, sieraden en dat alles opgevend, raakte hij ongeïnteresseerd volkomen onthecht zijnde van de grenzeloze gebondenheid. (41) Hij trok zijn spraak terug in zijn denken, zijn denken tezamen met zijn andere zinnen in zijn adem, zijn adem trok hij terug in de dood, en in volledige toewijding verenigde hij dat met het lichaam bestaande uit de vijf elementen. (42) Na die vijf elementen te hebben geofferd aan de drie kwaliteiten van de natuur, verenigde hij het nadenkende zelf in één en dezelfde onverschilligheid en fixeerde hij het geheel daarvan in de ziel gericht op de geestelijke ziel van het onuitputtelijke brahman. (43) Gescheurde kleding aanvaardend, vast voedsel weigerend, niet meer sprekend en met zijn haar loshangend, begon hij eruit te zien als een afgestompte waanzinnige en als een onverantwoordelijke kwajongen die nergens meer naar luisterde alsof hij doof was geworden. (44) Zich naar het noorden begevend betrad hij, net als vele anderen die in die richting gingen, het pad van zijn gewetensvolle voorvaderen, zijn dagen doorbrengend met het voortdurend vanuit het hart overdenken van de Opperste Verhevenheid, waar hij ook ging.

(45) Gelijk hun vriend inziende dat het tijdperk van Kali met zijn goddeloosheid alle bewoners van de aarde in zijn greep had, volgden al de broers de oudste en vertrokken ze van huis. (46) Zij allen, die met alle deugd en kennis der heiligheid hun offers hadden gebracht, hielden, met het uiteindelijke doel van het levende wezen in gedachten, in hun denken ononderbroken vast aan de voeten van de Heer van Vaikunthha. (47-48) Dat is de bestemming van degenen die door positieve meditatie gezuiverd in toewijding bevrijding hebben gevonden door hun geest te richten op de transcendentale voeten van de Ene Nârâyana. Zij bereikten, met het wegwassen van hun materiële besmetting, met dezelfde lichamen als waar ze mee ter wereld kwamen de verblijfplaats die voor de materialisten die opgaan in materiële zorgen zo heel moeilijk te bereiken is. (49) Ook vertrok Vidura, die met zijn geest en handelen Krishna was toegewijd, na het verlaten van zijn fysieke zelf te Prabhâsa vergezeld door zijn voorvaderen naar zijn hemelverblijf [het rijk van Yama]. (50) Ook Draupadî die het toen zonder de zorg van haar echtgenoten moest stellen, concentreerde zich, eenpuntig in het volle besef van Hem, op Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, en bereikte Hem zo. (51) Een ieder die met toewijding kennis neemt van dit afscheid voor het uiteindelijke doel van de zoons van Pându die de Heer zo na aan het hart liggen, zal enkel goed geluk en zuiverheid vinden en winnend in perfectie zo komen tot de toegewijde dienst van de Heer."

 

Hoofdstuk 16

Hoe Parîkchit de Komst van het Kali-tijdperk Onderging.

(1) Sûta zei: "O hoog geleerden, daarna regeerde Parîkchit, de grote toegewijde, over de aarde onder leiding van de tweemaal geborenen met de kwaliteiten waarvan de astrologen, die de toekomst voorspelden bij zijn geboorte, hadden gedacht dat hij ze zou hebben. (2) Hij trouwde met Irâvatî, de dochter van Koning Uttara, en verwekte vier zoons in haar met Janamejaya als de eerste. (3) Aan de Ganges bracht hij drie paardoffers met gepaste beloningen voor Kripâcârya, die hij tot zijn geestelijk leraar had verkozen, en de godsbewusten die erbij kwamen kijken. (4) Eens, tijdens een veroveringscampagne, slaagde hij, de dappere held, er door zijn bekwaamheid in de meester van het Kali-tijdperk terecht te wijzen die, vermomd als een koning, maar lager dan een s'ûdra [loonarbeider] de poten van een koe en een stier aan het pijnigen was."

(5) S'aunaka wilde weten: "Waarom berispte hij alleen maar de meester van Kali tijdens zijn campagne - hij was uitgedost als een koning, maar als iemand lager dan een s'ûdra sloeg hij tegen de poten van een koe. Beschrijf ons alstublieft dat alles, o fortuinlijke, voor zover het verband houdt met de gespreksonderwerpen van Krishna. (6) Want wat voor nut heeft het voor hen die bevrijd zijn en de honing aan Zijn lotusvoeten genieten, hun leven te verspillen met het eindeloos bespreken van illusoire zaken? (7) O Sûta, het leven van mensen die er zeker van zijn de dood te vinden is maar kort. Het eeuwige is van degenen die er hierin naar uitzien de vertegenwoordiger van de Heer, Yamarâja, de heerser over de dood, af te roepen ter inperking van de praktijken. (8) Niemand zal sterven zolang hij die de dood veroorzaakt hier aanwezig is, om reden waarvan hij als de grote heer door de wijzen ertoe is uitgenodigd - laten degenen die onder zijn invloed verkeren drinken van de nectar van de vertellingen van Zijn goddelijke spel en vermaak. (9) Zij die lui zijn, van een oppervlakkige belangstelling en maar kort leven, brengen hun dagen, zoals ze 's nachts slapend doen, door met activiteiten zonder enig doel."

(10) Sûta zei: "Toen Parîkchit, die in de Kuru hoofdstad verbleef, hoorde dat de tekenen van Kali-yuga zijn rechtsgebied waren binnengedrongen, vond hij dat nieuws niet te verteren en nam hij, in zijn verantwoordelijkheid voor militair optreden, zijn pijl en boog ter hand. (11) Fraai uitgedost onder de bescherming van de leeuw in zijn vlag en met zwarte paarden voor zijn strijdwagen, verliet hij, vastbesloten de overwinning te behalen, de hoofdstad vergezeld door strijdwagenvechters, ruiters, olifanten en grondtroepen. (12) Bhadrâs'va, Ketumâla, Bhârata, de noordelijke gebieden van Kuru en Kimpurusha achter de Himalaya's waren de gedeelten van de aarde die hij veroverde. Daarbij behield hij zijn kracht door schattingen te heffen. (13-15) Overal waar hij kwam hoorde hij voortdurend wat voor grote zielen zijn voorvaderen waren en vond hij ook aanwijzingen van de glorieuze daden van Heer Krishna bij de mensen die hij ontmoette. Hij vernam eveneens over zijn eigen bevrijding van het wapen van As'vatthâmâ en over de toewijding onder de afstammelingen van Vrishni en Parthâ voor Heer Kes'ava [Krishna als de doder van de demon Kes'î, het dolle paard]. Zeer blij daarmee beloonde hij, met zijn ogen wijd open van de vreugde, de mensen grootmoedig met kleding, halssnoeren en andere rijkdommen. (16) Optredend als een wagenmenner, voorzittend in samenkomsten, handelend als een dienaar, als een vriend, als een boodschapper en als nachtwaker, had Hij die van Vishnu is en Zelf universeel door iedereen wordt gehoorzaamd [Krishna], gehandeld met gebeden en eerbetuigingen in relatie tot de godvrezende zoons van Pându. Dit vervulde de koning van toewijding voor Zijn lotusvoeten.

(17) Nu kan u van mij vernemen hoe verbazingwekkend hij, dag na dag, zichzelf nabij hield verzonken in dergelijke gedachten over het goede van zijn voorvaderen. (18) De ronddolende persoonlijkheid van de religie, die slechts op één poot stond [de z.g.'stier'van dharma waarbij de poten staan voor de vier menselijke hoofdwaarden], kwam de bedroefde koe [moeder aarde] tegen die tranen in de ogen had zoals een moeder die haar kind heeft verloren. (19) Hij zei: 'Mevrouw, gaat het wel helemaal goed met uw gezondheid? Bedroefd kijkend met een hangend gezicht ziet u eruit alsof u wordt gekweld door een ziekte of dat u in beslag wordt genomen door een vriend die ver weg is, o moeder. (20) Treurt u over het minder worden van mijn poten daar ik nog maar op één poot sta, of is het omdat de offensieve vleeseters van zins zijn u te exploiteren? Of komt het omdat de gelovigen zijn beroofd van hun aandeel als gevolg van een tekort aan offeranden of omdat de levende wezens in toenemende mate te lijden hebben onder schaarste, hongersnood en droogte? (21) Treurt u over de ongelukkige vrouwen en kinderen op aarde die het moeten stellen zonder de bescherming van hun mannen of hebt u verdriet over de manier waarop men in de families van de geschoolden spreekt tegen de principes van de godin [der kennis]? Of spijt het u dat de meesten van hen tegen de cultuur van het leren handelen door hun toevlucht te zoeken bij de heersende klasse? (22) Is het omdat de onwaardige bestuurders verbijsterd zijn onder de invloed van het Kali-tijdperk en links en rechts de aangelegenheden van de staat in het ongerede hebben gebracht? Of is het vanwege de manier waarop de samenleving is geneigd zich te voeden en te drinken en hoe men slaapt, baadt en geslachtsgemeenschap heeft? (23) Kan het zijn, o moeder aarde, dat u denkt aan het heil gebracht door de handelingen van de incarnatie van de Heer die de zware last verlichtte maar nu uit het zicht is verdwenen? (24) Breng me alstUblieft op de hoogte, o bron van alle overvloed, van de reden van uw beproevingen die u tot een dergelijke zwakte hebben teruggebracht. Is het moeder, dat uw goede geluk dat zelfs werd aanbeden door de goddelijken, met geweld werd weggenomen door de machtige invloed van de tijd?'

(25) Moeder Aarde antwoordde: 'O persoonlijkheid der religie ['Dharma'], ik zal mijn best doen antwoord te geven op de reeks van vragen die u heeft gesteld. U met uw vier poten [de vidhi] bent er in al de werelden om er het geluk te brengen. (26-30) Waarheidsliefde, reinheid, mededogen, zelfbeheersing, grootmoedigheid, tevredenheid, openhartigheid, concentratie, zinsbeteugeling, verantwoordelijkheid, gelijkheid, tolerantie, gelijkmoedigheid en trouw. En zeker ook kennis, onthechting, leiderschap, ridderlijkheid, invloed, macht, plichtsbesef, onafhankelijkheid, vaardigheid, schoonheid, kalmte en goedhartigheid, zowel als vindingrijkheid, goede manieren, beleefdheid, vastberadenheid, kundigheid, behoren, genoeglijkheid, vreugde, onverzettelijkheid, geloof, roem en waardigheid - al deze en vele andere zijn de eeuwige kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, de nimmer aflatende hogere natuur welke kan worden bereikt door degenen die de grootheid waardig zijn. Door Hem ben ikzelf, als de Godin van het Geluk, een dergelijke bron van kwaliteiten, maar in de afwezigheid van Hem als zijnde het rustpunt ervoor, treft men Kali, de bron van alle zonden, aan in alle werelden. (31) Ik treur voor mezelf zowel als voor u, en ook voor de besten onder de goddelijken, de goden en de voorvaderen in de hemel, de wijzen en de toegewijden, zowel als voor allen in hun status-oriëntaties in de samenleving. (32-33) Lakshmî [de Godin van het Geluk] wiens genade werd gezocht door halfgoden als Brahmâ en voor wie de goden menigmaal boete deden in overgave aan de Heer, heeft terwille van de eredienst haar eigen verblijfplaats in het woud der lotusbloemen opgegeven uit gehechtheid aan de zaligmakende voeten. Door Hem, met het door mezelf verworven hebben van de speciale vermogens van de lotusbloem, de bliksemschicht, de vlag en de drijfstok, slaagde ik erin, onder de indruk zijnde van de voetafdrukken van de Hoogste Heer, de eigenaar van alle weelde, op die manier gesierd op schitterende wijze in de drie werelden te zegevieren - maar op het laatst, juist toen ik mij zo gelukkig achtte, heeft Hij me verlaten. (34) Hij die me heeft verlost van de last van de honderden legermachten van de ongelovige koningen, incarneerde eveneens voor u in de Yadu-familie, en wel vanwege het feit dat u, de kracht missende om u staande te houden, in moeilijkheden verkeerde. (35) Wie, derhalve, kan het verdragen om gescheiden te zijn van de liefde, blikken, glimlachen en hartelijkheden van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon die de gepassioneerde wrake en ernst van een vrouw als Satyabhâmâ overwon en mijn haar [mijn gras] overeind deed staan uit vreugde over de afdruk van Zijn voeten.'

(36) Terwijl de aarde en de persoonlijkheid van de religie aldus conversee rden, kwam Parîkchit, die de naam had de heilige onder de koningen te zijn, aan bij de rivier de Sarasvatî die naar het oosten stroomde."

 

Hoofdstuk 17

De Straf en het Loon van Kali

(1) Sûta zei: "Het was daar [bij de rivier de Sarasvatî] dat de koning zag dat een s'ûdra [iemand van de laagste klasse] die zich had uitgedost als een koning, met een knuppel een koe en een stier aan het slaan was, alsof er niemand was om ze te beschermen. (2) De stier, die wit was als een lotus, verkeerde geslagen door de s'ûdra in doodsnood en urineerde en trilde van de angst terwijl hij nog maar op één poot stond. (3) Ook de koe, op zichzelf een religieus voorbeeld maar er nu ellendig aan toe en van streek vanwege de s'ûdra die haar tegen haar poten sloeg, was zonder een kalf en had tranen in haar ogen terwijl ze van zwakte verlangde naar wat gras om te eten. (4) Vanaf zijn met goud beslagen strijdwagen vroeg Parîkchit, goed uitgerust met pijl en boog, met een donderende stem: (5) 'Wie ben jij om te denken dat je op deze plek de hulpelozen, die onder mijn bescherming staan, ter dood kan brengen! Als een acteur doe je je krachtig voor verkleed als een godsbewust man, maar je gedraagt je als iemand die nog nooit het licht van de beschaving [van het twee maal geboren zijn] heeft gezien! (6) Denk je dat, omdat Heer Krishna en de drager van de boog de Gândîva [Arjuna] uit het gezicht zijn verdwenen, je stiekem een onschuldige koe kan slaan? Als de schurk die je op die manier bent verdien je het gedood te worden!'

(7) 'En u', zei hij zich tot de stier wendend,'bent u alleen maar een stier die zich, wit als een lotus, voortbeweegt op één poot en er drie kwijt is, of bent u een of andere halfgod die ons in de vorm van een stier verdrietig maakt? (8) Nog nooit heeft er, behalve dan in het geval van u die tranen in uw ogen heeft om een ander, er onder de bescherming van het gezag [de armen] van welke koning van de Kurudynastie dan ook een dergelijke treurnis op aarde bestaan. (9) O zoon van Surabhi [de hemelse koe] ik zeg u, in mijn koninkrijk zal er geen geweeklaag zijn, wees dus niet bang voor de s'ûdra, en moedertje koe, huil niet, zolang als ik leef als de heerser en onderwerper der afgunstigen, zal het u goed gaan. (10-11) O kuise, hij zal zijn faam, levensduur, fortuin en een goede geboorte verliezen, in wiens staat de levende wezens bang moeten zijn voor onverlaten. Het is voorzeker de hoogste plicht voor koningen gezag uit te oefenen zodat er een einde komt aan het leed van hen die te lijden hebben en daarom zal ik deze slechte kerel die zo gewelddadig is jegens andere levende wezens ter dood brengen. (12) Wie kon er nu zo op uw poten inhakken, o zoon van Surabhi - wat u overkwam is nog nooit eerder gebeurd in het rijk van de koningen die leven zoals Krishna het wil. (13) O stier, u bent eerlijk en vrij van overtredingen, vertel me daarom over hem waardoor u verminkt bent en die de reputatie van de zonen van Prithâ heeft bezoedeld. (14) Zij die de zondelozen doen lijden mogen me vrezen waar ze zich ook bevinden, daar ik een einde zal maken aan de handelingen van de onverlaten en de voorspoed van hen die eerlijk zijn zal herstellen. (15) De parvenu die het bezien heeft op onschuldige levende wezens, zal ik meteen een kopje kleiner maken, of hij nu een halfgod uit de hemel is met wapenrok en sierselen of niet. (16) Het is zeker de heilige plicht van het staatshoofd om altijd hen te beschermen die trouw hun plicht doen en, veilig overeenkomstig de geschriften, hen terecht te wijzen die in deze wereld verdoold zijn geraakt.'

(17) De persoonlijkheid der religie zei: 'Al dat u zei sprekende ter wille van de vrijheid van angst van hen die te lijden hebben is passend voor iemand van de Pândava-dynastie, de dynastie die door zijn kwaliteiten Heer Krishna ertoe aanzette zich te gedragen als een dienaar en dergelijke. (18) O grootste onder de mensen, door de verbijstering van de persoon als gevolg van al de verschillen van mening, kunnen we niet zeggen wat de oorzaak zou zijn van al het menselijk lijden. (19) Sommigen die zich afkeren van alle dualiteiten verklaren dat men lijdt door eigen toedoen, anderen zeggen dat het door het bovennatuurlijke wordt veroorzaakt, terwijl weer anderen beweren dat het te wijten is aan de werking van de materiële natuur of het gevolg is van het aanvaarden van gezag van buitenaf. (20) Sommigen ook kwamen tot de slotsom dat het een kwestie is die niet uit te leggen is en het bevattingsvermogen te boven gaat; wie van hen in dezen gelijk heeft, o wijze onder de koningen, is aan uw eigen oordeelsvermogen overgelaten.' "

(21) Sûta zei: "Parîkchit, die aandachtig volgde wat de persoonlijkheid van de religie had te zeggen, o beste onder de brahmanen, antwoordde weloverdacht. (22) 'U o kenner der plichten, o dharma in de vorm van een stier, spreekt op deze manier [van het niet onthullen van de oorzaak] alleen maar omdat u weet dat [net als met een goeroe die het karma op zich neemt] hij die degene die fout bezig is aanwijst zelf in de positie beland van het fout bezig zijn. (23) Met andere woorden: zoals de Heer in de materiële wereld tewerk gaat is voor levende wezens noch te verwoorden noch te doorgronden. (24) Boetvaardigheid, reinheid, mededogen en waarheidsliefde, [tapas, s'auca, dayâ, satya] zijn de poten die het tijdperk van de waarheid vestigden [Satya Yuga, de'oude tijd'], maar door goddeloosheid zijn drie ervan gebroken in hoogmoed, het vasthouden aan het hebben van seksuele gemeenschap en de zucht zich te bedwelmen. (25) Op het ogenblik, o persoonlijkheid der religie, hinkt u verder op het ene been van de waarheidlievendheid terwijl de onenigheid in eigen persoon [Kali], die gedijt op misleiding, goddeloos probeert die poot ook te vernietigen. (26) Door toedoen van de Allerhoogste Heer werd moeder aarde verlicht van een grote last, Zijn zegenrijke voetafdrukken brachten overal het goede geluk. (27) Jammerend met tranen in haar ogen wordt de onfortuinlijke en kuise [moeder aarde] die door Hem werd verlaten nu genoten door mensen die, van een laag niveau, verstoken zijn van de cultuur van het leren en zich in mijn plaats stellen als degenen die het voor het zeggen hebben.'

(28) Op deze wijze werden de persoonlijkheden van de religie en moeder aarde door de grote strijder tot rust gebracht die zijn scherpe zwaard opnam teneinde Kali, de grondoorzaak van de goddeloosheid, te doden. (29) Beseffend dat de koning hem wilde doden, wierp Kali, onder de druk van de angst, de koninklijke kledij af en boog hij in volledige overgave zijn hoofd aan de voeten. (30) Uit mededogen zag hij, die de armen welgevallig is en in staat is met aanbidding om te gaan, er met een glimlach van af om degene te doden die de held ten voeten was gevallen, de held van wie gezegd wordt dat hij het waard is te worden bezongen. (31) De koning zei: 'Vrees niet daar u zich met gevouwen handen hebt overgegeven. Wij erfden zeker de roem van Arjuna, maar dat wil nog niet zeggen dat u in mijn koninkrijk kan blijven, u bent immers een vriend van de goddeloosheid. (32) Met u fysiek aanwezig als een god der mensen, zal de goddeloosheid van begeerte, valsheid, roofzucht, onbeleefdheid, verraad, ongeluk, bedrog, redetwist en ijdelheid en dat alles welig tieren onder de volkeren. (33) Derhalve, o vriend der goddeloosheid, verdient u het niet u op te houden in de buurt van die plaatsen van eerbetoon waar de experts van de religie en de waarheid plichtsgetrouw en ter zake kundig in dienst aan de Heer der Offers hun offeranden hebben. (34) In dergelijke offerdiensten wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, aanbeden als de ziel van alle aanbiddelijke godheden. In die vorm verspreidt Hij welvaart omdat Hij de voor alle verlangens onschendbare Superziel is die zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is, net zoals de lucht dat is voor alles wat beweegt en niet beweegt.' "

(35) Sûta zei: "Op die manier toegesproken door koning Parîkchit, beefde de persoonlijkheid van Kali toen hij hem sprekende als Yamarâja, de Heer van de Dood, voor zich zag staan met opgeheven zwaard. (36) Kali zei: 'Waar ik onder uw gezag ook moge leven, o Keizer, zie ik mij altijd geplaatst voor de heerschappij van uw boog en pijlen. (37) Daarom alstUblieft, o leider van de beschermers der religie, wijs me een plaats toe waar ik zeker ben van een permanent verblijf onder uw heerschappij.' "

(38) Sûta zei: "Aldus verzocht, verleende hij toen Kali de toestemming te verblijven in plaatsen waar de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, de prostitutie en het slachten van dieren [dyûtam, pânam, striyah, sûnâ] plaatsvonden. (39) Daarnaast kende de meester hem, op zijn aandringen, hem de plaats toe waar men het goud aantreft, daar goud middels de hartstocht de vijfde zonde is door de valsheid, bedwelming, lust en vijandigheid die het met zich meebrengt. (40) Aldus werden op aanwijzing van de zoon van Uttarâ de vijf verblijfplaatsen aan Kali toegewezen waar inderdaad de goddeloosheid wordt aangemoedigd. (41) Derhalve dient een persoon die uit is op zijn welzijn nimmer zijn toevlucht te nemen tot welke van deze plaatsen ook, in het bijzonder niet die personen die zich bevinden op het pad der bevrijding, de adel, de dienaren van de staat en de leraren. (42) Door het aanmoedigen van activiteiten ter verbetering van de drie verloren poten van versobering, reinheid en mededogen van de stier, werd [door koning Parîkchit] de aarde volmaakt in ere hersteld. (43-44) Van hem is de huidige heerschappij afkomstig, de troon die werd overgedragen door de koning, grootvader [Yudhishthhira] toen die het wenste zich in het woud terug te trekken. Van die heerschappij staat die wijze onder de koningen en leider van de Kurudynastie, nu in Hastinâpura bekend als de meest fortuinlijke en befaamde keizer. (45) Vanwege deze ervaring van de zoon van Abhimanyu, de koning, kunt u allen, dankzij zijn heerschappij over de aarde, nu de inwijding genieten van de opvoering van dit soort offers."    

 

Hoofdstuk 18

Mahârâja Parîkchit Vervloekt door een Brahmaanse Jongen

(1) Sûta zei: "Hij [Parîkchit] die in de schoot van zijn moeder werd geschroeid door het wapen van de zoon van Drona, stierf niet dankzij de genade van de Allerhoogste Heer S'rî Krishna wiens daden wonderbaarlijk zijn. (2) Vervloekt door een brahmaan te sterven door een slangenvogel, was hij nooit overmand door de grote angst voor de dood omdat hij zich welbewust aan de Allerhoogste Heer had overgegeven. (3) Na al degenen die hem nabij stonden achter gelaten te hebben begreep hij de eigenlijke positie van de Onoverwinnelijke toen hij zijn lichaam opgaf aan de oever van de Ganges als een discipel van de zoon van Vyâsa [S'ukadeva Gosvâmî]. (4) Zelfs niet in hun stervensuur zullen zij in verwarring verkeren die Zijn voeten in gedachten houden, zich bezighouden met Zijn lofzangen en de nectargelijke verhalen waarderen waarin Hij wordt verheerlijkt. (5) De persoon van Kali, hoewel overal aanwezig, kan niet gedijen zolang het de machtige heerser, de zoon van Abhimanyu is die feitelijk de dienst uitmaakt. (6) Vanaf het ogenblik dat de Allerhoogste Heer deze aarde verliet, verscheen Kali, hij die de goddeloosheid bevordert, in deze wereld. (7) De keizer die een realist was die op de essentie afging was nooit afgunstig op de persoon van Kali. Zoals een bij die recht op de nectar afgaat, wist hij dat gunstige zaken tot een onmiddellijk succes leiden, terwijl men zich voor het ongunstige moet inspannen zonder ooit iets te bereiken. (8) Kali die voor de zwakken een grote macht lijkt te zijn is voor de zelfbeheersten iemand om voor op je hoede te zijn, en zo was hij als een tijger onder de mensen de zorgzame onder de zorgelozen. (9) Op uw verzoek heb ik u vrijwel al de verhalen verteld over de vrome Parîkchit die er in samenhang met Vâsudeva te vertellen zijn. (10) Zij die zich willen ontwikkelen en waarmaken doen er goed aan kennis te nemen van alles wat ik aangaande de Allerhoogste Heer Zijn wonderen, bovenzinnelijke kwaliteiten en ongewone daden heb besproken."

(11) De wijzen zeiden: "O Sûta, moge u een lang, gelukkig en in het bijzonder eeuwig roemrijk leven beschoren zijn, omdat u met uw zo fraaie spreken over Heer Krishna ons stervelingen voorzeker de nectar der eeuwigheid vergunt. (12) In het brengen van dit offer, waarvan de afloop onzeker is, zien we zwart van de rook, maar met het door uw goede zelf behagen van Govinda's voeten genieten we de nectar van een lotusbloem. (13) Het bereiken van hogere leefwerelden of de bevrijding uit de stof, om nog maar te zwijgen van de wereldse zegeningen van hen die op hun dood afstevenen, is niet te vergelijken met het enkel maar voor een ogenblik je evenwicht vinden in de omgang met een toegewijde van de Heer. (14) Iemand die eenmaal de smaak te pakken heeft zal er nooit genoeg van krijgen te genieten van de nectar van de vertellingen over de grootste en enige toevlucht onder de levende wezens, wiens bovenzinnelijke kwaliteiten nimmer konden worden gepeild door zelfs de grootste meesters in de vereniging als Heer Brahmâ en Heer S'iva. (15) Wees o geleerde zo aardig om voor ons die er zo naar verlangen erover te vernemen een beschrijving te geven van Zijn onpartijdige, bovenzinnelijke activiteiten. Want voor uwe goedheid, u die onze belangrijkste persoon bent in relatie tot de Allerhoogste Heer, vormt Hij de enige echte toevlucht, is Hij de grootste onder de groten. (16) Duidelijk is dat Parîkchit, die een eersteklas toegewijde was, de lotusvoeten bereikte van Hem die Garuda in Zijn vaandel voert doordat hij zijn intelligentie had gesterkt met de kennis zoals die werd verwoord door de zoon van Vyâsa om hem in te wijden wat betreft het pad der bevrijding. (17) Vertel ons om die reden over het allerhoogste en zuiverende dat zo wonderbaarlijk in de bhakti [de toewijding] is vervat. Beschrijf ons, op de manier zoals het Parîkchit verteld werd, de handelingen van de Onbegrensde die de zuivere toegewijden zo bijzonder dierbaar zijn."

(18) Sûta zei: "Zie hoe wij, door conversatie verbonden met de groten, duidelijk ertoe zijn bevorderd, hoewel we van verschillende komaf zijn, vandaag [een hogere] geboorte [in de Heer] te nemen. Door hen te dienen die in de kennis gevorderd zijn, raakt men spoedig gezuiverd van het lijden dat het gevolg is van het in een lagere [materiële] zin geboren worden. (19) En, wederom, hoeveel te meer geldt dat niet degenen die enkel hun heil zoeken bij de grote toegewijden en daarbij de heilige naam zingen van Hem die Ananta wordt genoemd vanwege het feit dat Hij onbegrensd is in Zijn vermogen en onmetelijk groot is in Zijn hoedanigheden? (20) Om een beschrijving te geven van Hem die onmetelijk is in Zijn hoedanigheden en Zijns gelijke niet kent, volstaat het erop te wijzen dat de godin van het geluk, met het afwijzen van anderen die er haar om vroegen, het wenste te dienen in het stof van Zijn voeten, terwijl Hij er Zelf niet om vroeg. (21) Wie anders zou de positie waard zijn van het dragen van de naam van Allerhoogste Heer dan Mukunda [Heer Krishna als degene die bevrijding schenkt] uit wiens teennagels het water [van de Ganges] verzameld door Brahmâjî voortkwam dat via Heer S'iva het hele universum zuivert? (22) Zij die hecht verankerd zijn in Hem zijn ertoe in staat van het ene moment op het andere al de gehechtheden van het grofstoffelijk lichaam en de subtiele geest achter zich te laten en te vertrekken om hun toevlucht te nemen tot de hoogste staat van volmaaktheid [sannyâsa], het levensstadium waarin geweldloosheid en verzaking wordt gevonden. (23) Omdat u die zo sterk bent als de zon er mij om vroeg kan ik een beschrijving geven van de kennis die ik heb verworven; in dezen is het als de vogels die vliegen zover ze maar kunnen: ik kan u op de hoogte stellen van Vishnu voor zover mijn realisatie dat toestaat.

(24-25) Eens toen Parîkchit op herten jaagde met pijl en boog, raakte hij zeer vermoeid, hongerig en dorstig. Op zoek naar een drinkplaats ging hij de kluizenaarshut van de beroemde rishi S'amîka binnen alwaar hij de wijze in stilte zag zitten met zijn ogen dicht. (26) Na zijn zinnen, ademhaling, denken en intelligentie te hebben ingeperkt, had hij, in kwaliteit gelijk aan het Allerhoogste Absolute, alle activiteit beëindigd terwijl hij onaangedaan in trance verkeerde verheven boven de drie vormen van bewustzijn [waken, dromen en droomloze slaap]. (27) Hij was bedekt met zijn lange, samengeklitte haar zowel als door een hertenvel. De koning, wiens verhemelte droog was, vroeg om water. (28) Omdat hij niet naar behoren werd ontvangen met een zitplaats, water en gepaste woorden, voelde hij zich verwaarloosd en werd hij zodoende kwaad. (29) O brahmanen, gegeven de omstandigheid dat hij door zijn honger en dorst was aangeslagen, was zijn woede en vijandigheid jegens de brahmaan ongekend. (30) Zijn respect verloren hebbende raapte hij kwaad een levenloze slang van de grond op met de punt van zijn boog en legde die op zijn weg naar buiten over de schouder van de wijze om vervolgens terug te keren naar zijn paleis. (31) Daar vroeg hij zich af of de meditatieve staat van de wijze van het zich met gesloten ogen terugtrekken van de zinnen, geen vals voorgewende trance was om een ontmoeting uit de weg te gaan met een lagere bestuurder.

(32) Toen de zoon van de wijze, die een zeer machtige persoonlijkheid was, hoorde van het verdriet dat de koning zijn vader had bezorgd terwijl hij met wat jochies aan het spelen was, zei hij dit: (33)'Kijk nu eens hoe goddeloos de heersende klasse is! Zich verrijkend als de kraaien gaan ze recht in tegen wat is vastgesteld voor dienaren, terwijl ze niet meer zijn dan waakhonden bij de deur! (34) De zonen van de heersende klasse hebben over de geleerden te waken als waakhonden - op basis waarvan verdient hij die verondersteld wordt voor de deur te liggen van het huis van zijn meester, het om naar binnen te gaan en van hetzelfde bord te eten? (35) Aangezien Krishna onze beschermer, de Allerhoogste Heer en heerser over al die parvenu's, vertrokken is, zal ik ze nu zelf bestraffen, zie maar eens hoe machtig ik ben.'(36) Aldus met zijn ogen roodgloeiend van de woede zijn speelkameraadjes toesprekend, beroerde de zoon van de wijze het water van de Kaus'ika rivier en ontketende hij de volgende donderslag van woorden: (37)'Voorwaar, vanwege het breken met de etiquette zal een slangenvogel over zeven dagen de snoodaard van de dynastie bijten die mijn vader heeft beledigd.'(38) Daarna, toen de jongen was teruggekeerd naar de hermitage, zag hij de slang op de schouder van zijn vader en huilde hij hardop vanwege die deerlijke toestand.

(39) O S'aunaka, toen de rishi zijn zoon hoorde huilen van verdriet, opende hij die was geboren in de familie van Angirâ langzaam zijn ogen en zag de dode slang op zijn schouder. (40) Die terzijde werpend, vroeg hij: 'Mijn beste zoon, waar huil je over? Heeft iemand je kwaad gedaan?' Aldus ertoe verzocht, vertelde de jongen hem alles. (41) Nadat hij vernam over de vloek die was uitgesproken tegen de koning, die nimmer veroordeeld mag worden omdat hij de beste onder de mensen is, complimenteerde hij zijn zoon niet, maar weeklaagde hij in plaats daarvan: 'Helaas! Welk een grote zonde heb je vandaag zelf begaan in het toemeten van zo'n zware straf voor een dermate onbetekenende overtreding. (42) In feite mag niemand ooit een bovenzinnelijke persoon van God op gelijke voet plaatsen met de gewone man - jouw idee van intelligentie is nog onvolgroeid... door zijn onvergelijkelijke bekwaamheid genieten zijn onderdanen volkomen beschermd de welvaart. (43) O mijn jongen, de Heer die het wiel van de strijdwagen draagt wordt vertegenwoordigd door deze monarch, als men hem de rug toekeert zal deze wereld vol van dieven zijn die er meteen toe over zullen gaan de onbeschermden te pakken te nemen alsof ze lammeren zijn. (44) Omdat we de monarch de rug toe hebben gekeerd, zal vanaf heden de terugslag van deze zonde zijn beslag krijgen en grote maatschappelijke wanorde veroorzaken - dieven zullen zich meester maken van de welvaart en onderling zal men elkaar naar het leven staan en schade toebrengen en zal men ook verkeerd omgaan met de vrouwen en de dieren. (45) De rechtschapen samenleving van mensen die zich overeenkomstig de vedische voorschriften ontwikkelen in hun roepingen en levensstadia zal dan systematisch teniet worden gedaan, en met het economisch handelen dat dan in dienst zal staan van het zingenot zal dat resulteren in een ongewenste bevolking op het niveau van apen en honden. (46) De beschermer van de religie, de koning, is een alom gewaardeerd keizer, een rechtstreekse toegewijde eerste klas van de Heer en een heilige van adel; een groot brenger van paardoffers - en als hij door honger en dorst is getroffen door vermoeidheid verdient hij het nooit op deze manier door ons te worden vervloekt'.

(47) Daarop wendde de wijze zich tot de Allerhoogste, Alomtegenwoordige Heer om zich te verontschuldigen voor de grote zonde die door het qua intelligentie onvolgroeide kind werd begaan jegens een zondeloze en waardige onderworpene.(48) [Hij bad:] 'Ook al worden ze door het slijk gehaald, bedrogen, vervloekt, verstoord, verwaarloosd of zelfs gedood, de verdraagzame toegewijden van de Heer zullen zich hiervoor nooit wreken.'(49) Op die wijze betuigde de wijze zijn spijt over de zonde van zijn zoon, terwijl hij persoonlijk niet vond dat het beledigen van de kant van de koning iets zondigs was. (50) Over het algemeen tonen de heiligen in deze wereld zich niet verdrietig of gelukkig als ze door toedoen van anderen betrokken raken bij de dualiteit van de wereld, omdat ze zich bevinden in de bovenzinnelijkheid van de ziel."  

 

Hoofdstuk  19

De Verschijning van S'ukadeva Gosvâmî

(1) Sûta zei: "Toen de koning op weg was naar huis dacht hij dat wat hij gedaan had afschuwelijk was en raakte hij zeer gedeprimeerd bij zichzelf denkend: 'Helaas, het was onbeschaafd en slecht wat ik de foutloze, ernstige en machtige brahmaan aandeed. (2) Voorzeker is het vanwege het ingaan tegen de voorschriften dat ik zeer spoedig een zeer lastige calamiteit onder ogen zal moeten zien. Ik hoop van harte dat dat zo gauw mogelijk gebeurt, zodat ik van mijn zonden zal worden verlost en nooit meer iets dergelijks zal doen. (3) Moge ik, op deze zelfde dag, met mijn koninkrijk, kracht en weelde aan rijkdommen branden in het vuur ontstoken door de brahmaanse gemeenschap, opdat het ongeluk van het zondigen tegen de Heer, de cultuur en de koeien me niet weer zal overkomen.'(4) Terwijl hij zo aan het denken was hoorde hij van de doodsvloek van de zoon van de wijze. Die vloek in de vorm van het vuur van een slangenvogel aanvaardde hij als iets goedgunstigs omdat die zich nog te voltrekken gebeurtenis het logisch gevolg zou zijn van de onverschilligheid van een al te gehechte persoon. (5) Hij gaf het op met deze wereld en met een wereld hierna, want hij was voordien reeds tot het inzicht gekomen dat ze beiden inferieur waren t.o.v. een leven van dienstverlenen aan de voeten van Krishna. Derhalve ging hij aan de oever van de bovenzinnelijke rivier [de Ganges] zitten om te vasten; dat was wat hij naar zijn mening het beste kon doen. (6) Die rivier, altijd stromend vermengd met tulsî-blaadjes [een plant gebruikt in de eredienst], bestaat uit het water dat het stof meevoert van de voeten van Krishna dat zowel de wereld vanbinnen als vanbuiten heiligt en zelfs de Heer der Vernietiging [Heer S'iva]. Welke persoon gedoemd om te sterven zou zich niet tot die rivier wenden? (7) Met dat besluit ging hij, de waardige nakomeling van de Pândava's, aan de oever van de rivier zitten die stroomde van de voeten van Vishnu om tot de dood erop volgde zich over te geven aan de genade van Mukunda. Zonder af te wijken van de geest der geloften van de wijzen zou hij zijn vasten volbrengen, vrij van alle vormen van materiële gehechtheid.

(8) Aldaar kwamen met het idee van een bedevaart bijeen al de grote geesten en denkers die tezamen met hun leerlingen de hele wereld op een hoger plan kunnen brengen. Het is door de persoonlijke aanwezigheid van de wijzen dat de bedevaartsoorden hun heilige status genieten. (9-10) Atri, Cyavana, S'aradvân, Arishthânemi, Bhrigu, Vasishthha, Parâs'ara, Vis'vâmitra, Angirâ, Paras'urâma, Uthathya, Indrapramada, Idhmavâhu, Medhâtithi, Devala, Ârshthisena, Bhâradvâja, Gautama, Pippalâda, Maitreya, Aurva, Kavasha, Kumbhayoni, Dvaipâyana en de grote persoonlijkheid Nârada kwamen er. (11) Ook vele andere goddelijke persoonlijkheden, heilige brahmanen, de besten der wijzen die de meest vooraanstaande adel van advies dienden en vele andere wijzen als Aruna kwamen opdagen. Al deze leidende persoonlijkheden van de dynastieën der wijzen werden door de keizer eerbiedig verwelkomd met een buiging van zijn hoofd. (12) Met allen comfortabel gezeten en na nogmaals hen zijn eerbetuigingen te hebben gebracht, sprak hij nederig met gevouwen handen voor hen aanwezig als zijnde iemand wiens denken onthecht is van wereldse zaken, over zijn besluit om te vasten. (13) De koning zei: 'We zijn werkelijk zeer dankbaar om van al de koningen die het geleerd hebben om open te staan voor de gunsten der grote zielen degene te zijn die zo fortuinlijk is, want aan de voeten der brahmanen zijn de koninklijke geslachten vanwege hun verwerpelijke handelingen niet meer dan afval waarvan men zich verre dient te houden. (14) Vanwege mijn zonden, heeft de Heerser over zowel de bovenzinnelijke als de stoffelijke wereld een vloek tegen me uitgesproken via die brahmaan, omdat ik in mijn gehechtheid almaar door zat te denken aan familiezaken. Met het aannemen van die gedaante zal hij spoedig, met de vrees die hij aanjaagt, mijn wereldse gehechtheid hebben verslagen. (15) Aanvaard mij derhalve, o hoog geleerden, als iemand die zijn toevlucht heeft genomen tot de goddelijke moeder de Ganges met de Heer in zijn hart. Laat de slangenvogel of wat voor magisch iets de tweemaal geborene ook afriep, mij terstond bijten; gaat u alstUblieft door met het verslag doen van de daden van Heer Vishnu. (16) En, nogmaals, laat het zo zijn dat waar ik ook met betrekking tot de Allerhoogste Onbeperkte Heer en de associatie die Hij aantrekt in de materiële wereld mijn geboorte moge nemen, ik overal vriendschappelijke verhoudingen in eerbetoon voor de tweemaal geborenen mag aantreffen.'

(17) En zo kwam het ervan dat de koning, met dezelfde vasthoudendheid als hij voordien had getoond, geheel zelfbeheerst op kus'agras ging zitten dat neergelegd was naar het oosten en naar het noorden keek vanaf de zuidelijke oever van de echtgenote van de zee [de Ganges]. Het bestuur had hij overgedragen aan zijn zoon. (18) Daarop vanuit de hemel ziende dat de koning zou vasten tot zijn dood, bestrooiden alle goden waarderend de aarde met bloemen, waarbij ze zonder ophouden vergenoegd op de hemelse trommen sloegen. (19) Al de grote wijzen die zich daar hadden verzameld waren vol lof over zijn betoonde wijsheid en zeiden, instemmend vanuit de macht van hun goedheid voor de levende wezens, een goedheid die kwalitatief van dezelfde schoonheid is als het goddelijke geprezen in de geschriften: (20) 'Het wekt geen verbazing dat deze heilige koning, die ons allen aanvoert die strikt zijn in het volgen van Krishna, met het bekleden van de troon die versierd is met de helmen der koningen, zijn leven onmiddellijk opgaf in zijn verlangen naar de omgang met de Fortuinlijke. (21) We zullen allemaal hier blijven zolang als de koning maar nodig heeft om zijn lichaam op te geven en naar de wereld van het Allerhoogste terug te keren, alwaar deze vooraanstaande toegewijde volledig vrij zal zijn van alle wereldse zorgen en geweeklaag.'

(22) Nadat hij de verzamelde wijzen zo onpartijdig, aangenaam om te horen, ernstig en volmaakt naar waarheid had horen spreken, complimenteerde Parîkchit ze allen met hun gepaste eerbetoon en zei hij, ernaar verlangend te vernemen over de activiteiten van Vishnu: (23) 'U bent allen bijeengekomen uit alle richtingen als de vertegenwoordiging van de Ene boven de drie werelden [Heer Brahmâ], met geen ander oogmerk in deze wereld of een wereld hierna dan u, geheel naar uw wezensaard, in te zetten voor het heil van anderen. (24) Daarom smeek ik u, vertrouwenswaardige vedisch geleerden, me nu na het nodige overleg te zeggen wat, van al de verschillende verplichtingen van een ieder en in het bijzonder van diegenen die op het punt staan heen te gaan, de juiste en gepaste handelwijze zou zijn.'

(25) Op dat moment verscheen, als geroepen, de machtige zoon van Vyâsa, S'ukadeva Gosvâmî, die, voldaan in zelfverwerkelijking, zonder zich te bekommeren om materieel comfort of om een identiteit, zonder een plan rondreisde, omringd door kinderen en met het voorkomen van een bedelmonnik[, hij was naakt]. (26) Hij, slechts zestien jaar oud, was met zijn benen, handen, dijen, armen, schouders, voorhoofd en overige lichaamsdelen van een fijne bouw. Zijn ogen waren prachtig groot en met een hoog oplopende neus en daarbij passende oren had hij een gezicht met fijne wenkbrauwen en een nek die zo welgevormd was als een hoornschelp. (27) Met diepliggende sleutelbeenderen, een gewelfde borst en een diepe navel had hij een fraai gelijnde buik. Geheel naakt met krullend, zwart, loshangend haar en extra lange armen was zijn tint die van de beste onder de goden [Krishna; een donkere huid]. (28) Hoewel hij zijn naaktheid bedekte, herkenden de wijzen, die een goed oog hadden voor iemands lichaamsbouw, de symptomen van de zwartachtige huid, de schoonheid van zijn prille leeftijd en de aantrekking voor het andere geslacht met zijn mooie glimlachen - en zo stonden ze toen allen op van hun zitplaatsen. (29) Om de nieuwe gast te verwelkomen, boog degene die altijd door Vishnu wordt beschermd [Parîkchit], zich voor hem om zijn eer te betuigen. Zijn minder ontwikkelde gevolg van jongens en vrouwen trok zich toen terug op het moment dat hij in ontvangst van het respect zijn verheven zitplaats innam. (30) S'ukadev, daar omringd door de grootsten der grote heiligen onder de brahmanen, edellieden en goddelijken, vormde vormde een allerverhevenste en capabele verschijning, zo prachtig stralend als de maan omringd door de planeten, hemellichamen en sterren. (31) Kalm, intelligent en zelfverzekerd daar zittend werd de wijze door de grote toegewijde, de koning, benaderd, die zich op gepaste wijze met gevouwen handen voor hem verboog en hem toen op beleefde wijze en vriendelijk vragen stelde.

(32) Parîkchit zei: 'O brahmaan, vandaag genieten wij van de heersende klasse het voorrecht de toegewijde te mogen dienen als vrienden verenigd in uw genade, omdat uw goede zelf met het maken van uw opwachting als gast, al het goede in ons naar boven brengt. (33) Als we denken aan uw persoon zuivert dat meteen al de plaatsen die we bewonen, om nog maar te zwijgen over wat het betekent om u te zien, u aan te raken, uw voeten te wassen en u een zetel aan te bieden. (34) Door uw aanwezigheid, o grote mysticus, worden de grootste van onze zonden direct weggevaagd, precies zoals het een ongelovige vergaat in de nabijheid van Vishnu. (35) Eindelijk is Krishna, de Allerhoogste Heer die zo geliefd is bij de zoons van Pându, mij genadig en heeft Hij, voor de voldoening van Zijn neven en broers mij, hun afstammeling, aanvaard als een van de hunnen. (36) Hoe was het anders mogelijk dat u, speciaal voor iemand die op het punt staat te sterven, uit eigen beweging hier kon verschijnen om ons te ontmoeten, terwijl u, volmaakt als u bent, normaal gesproken niet onder de gewone man wordt aangetroffen? (37) Derhalve smeek ik u, de meest verheven geestelijk leraar der asceten, duidelijk te maken wat voor een persoon in dit leven de volmaaktheid, de uiteindelijke zaligheid zou zijn, en wat allemaal voor iemand die op het punt staat te sterven de plicht zou zijn. (38) Leg alstUblieft uit o meester, waar de mensen in het algemeen naar moeten luisteren en wat ze moeten bezingen, wat ze moeten doen, wat ze in gedachten moeten houden en delen, alsmede wat in strijd met de beginselen zou zijn. (39) Dit omdat, o allerhoogste toegewijde, men u zich thuis bij de huishouders zelden langer ziet ophouden dan de precieze tijd nodig om een koe te melken.' "

(40) Sûta zei: "Aldus op aangename wijze toegesproken en ondervraagd door de koning, begon de verheven zoon van Vyâsadeva die zo goed thuis was in de kennis van de ware plicht, met zijn antwoord."  

 

Aldus eindigt het eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam, het verhaal van de Fortuinlijke.

 

CANTO 2: De Kosmische Manifestatie

 

Hoofdstuk 1

De Eerste Stap in de Godrealisatie

(-) Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (1) S'rî S'uka zei: 'Dit vragen stellen door u voor het heil van allen is het beste dat u kan doen, want dit verheven onderwerp van studie o Koning, draagt de goedkeuring weg van de transcendentalisten en vormt het hoogste van alles wat de aandacht waard is. (2) Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd zijn en blind voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Ze brengen hun leven door met slapen en seks bedrijven gedurende de nacht en met het verwerven van inkomsten en het verzorgen van hun gezin overdag. (4) Al te gehecht aan de feilbare bondgenoten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze ondanks hun ervaring niet de eindigheid van dat alles in. (5) Om die reden o afstammeling van Bharata, moet Hij worden besproken, verheerlijkt en herinnerd die de Superziel, de Hoogste Persoonlijkheid is die als de beheersende en overwinnende Heer hen die verlangens koesteren bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon na zijn geboorte tot het volle besef van het Allerhoogste zou moeten komen, komt uiteindelijk enkel neer op het zich herinneren van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Het zijn over het algemeen de wijzen die de sfeer van voorschriften en beperkingen hebben overstegen o Koning, die er behagen in scheppen om met name de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.

(8) Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara-tijdperk [yuga van het eren van vorsten] door mij bestudeerd onder leiding van mijn vader Dvaipâyana Vyâsa. (9) Volledig gerealiseerd als ik was in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak [van de Heer] o heilige koning, en dus bestudeerde ik de vertelling. (10) Die zal ik aan u voordragen, daar u, o goedheid, een hoogst oprechte toegewijde bent. Zij die er hun volle aandacht en respect aan geven zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda verwerven [Krishna als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Zowel voor hen die vrij zijn van materiële verlangens als voor hen die begeren, alsook voor allen die vrij van angst en twijfel zijn in hun innerlijk verenigd zijn [de yogi's] o Koning, vormt het, in navolging van de traditie, steeds weer zingen van de Heer Zijn heilige naam de aangewezen methode. (12) Wat voor nut heeft het vele jaren als een onwetende in deze wereld door te brengen zonder [deze] ervaring op te doen? Van meer waarde is het uur dat men welbewust besteedt aan het dienen van het hogere belang. (13) De heilige koning die bekend staat als Khatvânga, zette, toen hij besefte dat hem nog slechts een enkel moment restte in deze wereld, alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer. (14) O lid van de Kuru-familie, daarom zou ook uw levensduur die beperkt is tot zeven dagen, u ertoe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel hoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen behoort men vrij te zijn van de angst voor de dood in het kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft, middels het wapen van het niet-gehecht zijn. (16) Nadat men zijn thuis verlaten heeft, in vrome zelfbeheersing op weg naar een heilige plaats, behoort men, naar behoren gereinigd en gezuiverd, in de goede houding te gaan zitten in afzondering, overeenkomstig de reglementen. (17) Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktizeren van de drie heilige letters [A-U-M], en op die manier bereikt men, zonder het zaad van het Absolute [brahman, de onpersoonlijke geest] te vergeten, de beheersing van het Allerhoogste door het reguleren van de ademhaling. (18) Wend voor het heil van de deugd, geconcentreerd in meditatie, de geest af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden, daar de intelligentie, opgegaan in vruchtdragende handelingen, geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat. (19) Daarna de geest, zonder het zicht op het geheel te verliezen, concentrerend op de verschillende onderdelen en verdelingen [van het lichaam alsook van de logica], behoort men bijgevolg aan niets anders te denken dan de voeten van die Allerhoogste Vishnu, die de geest tot verzoening brengt. (20) Vanwege de hartstocht en onbeweeglijkheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat recht gezet wordt in de concentratie van dat wat vrede vond en al het verkeerde vernietigt. (21) Gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis zullen de mystici die aan deze toewijding vasthouden spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dit alles als het goede ziet.'

(22) De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van waar en hoe een persoon zich moet bezighouden met of vasthouden aan, om zonder omhaal te kunnen ontkomen aan een onzuivere geest?'

(23) S'rî S'uka zei: 'Van het beheerste zitten en ademhalen, moeten de associaties van de zintuigen gericht op de grove materie van de Heer Zijn uiterlijke trekken, op intelligente wijze betrokken zijn. (24) Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiterlijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [vuur, water, aarde, ether, ego, noumenon en fenomeen, zie ook kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de purusha als de Allerhoogste Heer. (26) De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden onderkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], waarbij Zijn hielen en tenen Rasâtala zijn genaamd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon de Talâtala werelden worden genoemd. (27) De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen zijn Mahîtala genaamd, o Koning, terwijl men de kosmische ruimte houdt voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere verlichte werelden zijn van Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar, Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van het Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is waarlijk het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde zijn, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] vormen, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is; de materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin voorzeker de hunkering, religie is Zijn borst en de weg der ongelovigheid is Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante, o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken Zijn beweging en de terugslagen van de geaardheden der materiële natuur zijn Zijn activiteiten. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn, o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige de grondoorzaak is van de materiële schepping, zo zegt men. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan. (35) Het materiële principe vormt Zijn bewustzijn terwijl, zo zegt men, Heer S'iva de innerlijke oorzaak is (Zijn ego, Zijn zelf). Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn kunnen. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'ya's] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'Krishna'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevredenstellen] middels het brengen van offers.

(38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken, daar er buiten Hem in het grofstoffelijke als zodanig niets anders te vinden is. (39) Hij die van alle realisatie een ieder kent als de Superziel ongeveer zoals een dromer het ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. In Zijn richting behoort men nooit iets anders te aanbidden of men zal zich door gehechtheden verlaagd zien.'

 

Hoofdstuk 2

De Heer in het Hart

(1) S'rî S'uka zei: "Spoedig herwint de ziel vanaf zijn geboorte, mediterend op de Universele Gedaante, zijn verloren herinneringen met het aldus vinden van vrede met de Heer, waarna, met een opgehelderde blik, hij zijn leven opnieuw kan opbouwen als voorheen. (2) Voorzeker doet het aanhangen van het spirituele de intelligentie, vanwege haar vele namen, verwijlen in betekenisloze ideeën waarin men rondwaart in werkelijkheden van illusie en haar verschillende verlangens zonder ooit te genieten, alsof men aan het dromen is. (3) Derhalve behoort de verlichte persoon in de wereld der namen zichzelf te beperken tot het hoogst noodzakelijke zonder gek te zijn van verlangen, intelligent gefixeerd [op de Universele Gedaante] teneinde succesvol te zijn. Hij behoort tot het praktisch inzicht te komen dat hij anders enkel terwille van hard werken bezig zou zijn. (4) Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en met de beschutting van bomen, wat is dan het nut van kleding? (5) Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer Zijn bescherming van de overgegeven zielen opgegeven? Waarom moet dan een geleerd mens, het diegenen die onder de invloed van weelde verkeren, naar de zin maken? (6) Aldus zal voorzeker met het aanbidden van het in het eigen hart zo geliefde doel van de Superziel volmaakt in zichzelf, in onthechting van de wereld ter wille vsn Hem, de Eeuwig Onbegrensde en Allerhoogste Heer, het hoogste en duurzame gewin geven waarin de oorzaak van de materiële gebondenheid zonder twijfel zijn einde zal vinden. (7) Wie anders dan de materialisten zouden door het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van namen en henzelf, de grote massa in het algemeen, als gevallen in de rivier van het lijden zien, beheerst als ze zijn door de misère die het gevolg is van hun eigen arbeid?

(8) Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter in het idee van Hem als hebbende vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots dragen. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadamba bloem bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie. (13) Stuk voor stuk, behoort men op de ledematen te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet, en aldus geleidelijk de beheersing over het denken krijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, behoort hij, aan het eind van zijn voorgeschreven plichten, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon in herinnering te brengen.

(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, de zinnen door de geest te beheersen in het de baas zijn over de levensadem. (16) Het denken, behoort door zijn eigen zuivere intelligentie in relatie tot het levende wezen zichzelf te reguleren en met alles wat erbij hoort in het zelf op te gaan, terwijl dat zelf op de volkomen voldane Superziel vast moet liggen zodat het aldus, alle andere activiteiten beëindigend, de volkomen gelukzaligheid kan bereiken. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of veroorzaking van zijn natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de opperste situatie, geven zij die ernaar verlangen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], waarbij ze in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer op ieder moment in hun hart nemen. (19) Door middel van inzicht behoort de filosoof zich aldus terug te trekken, welbekend met de wetenschap van het terwille van het leven naar behoren reguleren van de kracht, door de aars ['het lucht-gat'] te blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven te richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel, en aldus een eind te maken aan het materiële verlangen. (20) De zwevende kracht moet geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart']worden gevoerd, opwaarts naar de borst vanwaar de mediterende op intelligente wijze het meditatieve uit moet zoeken door het langzaam in het strottehoofd te brengen. (21) Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener, de uitgang van de zeven centra blokkerend en een tijdje ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot standhoudend voor het angstvrije, het domein van het hoofd binnen te gaan en op te geven terwille van het Allerhoogste.

(22) Als men er echter een verlangen op na houdt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's], het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren, zal men het ongetwijfeld ook te stellen krijgen met de geest en de zinnen die erbij komen kijken. (23) Men zegt van de bestemming van de grote transcendentalisten, dat ze vanbinnen de levensadem van het subtiele lichaam bestaan, terwijl degenen die hun werk materieel gemotiveerd volbrengen nooit de vooruitgang bereiken die door degenen in de verzonkenheid van de yoga gerealiseerd wordt in de versobering van de toegewijde dienst.

(24) In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur bereikt men, de hemelbewegingen volgend, door het gracieuze verloop van de ademhaling [de sushumnâ], de zuivere geest [Brahmaloka, plaats van de Schepper] die opheldering geeft en de besmettingen wegwast, waarna men opwaarts de cirkel [de cakra, het wiel], o Koning, genaamd S'is'umâra bereikt [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu], begevend, wordt door het enkele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt aanbiddelijk voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden, waar de zelfgerealiseerde zielen genieten voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, verdwenen zijn vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] die, als het thuis van de gezuiverde zielen van verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft bij het zien van de onwetenden onderworpen aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.

(28) Zonder twijfel bereikt men vanuit dat zuivere zelf, de vormen van water en vuur overtreffend, de stralende atmosfeer waar, na de nodige tijd, het zelf door de eigen adem het etherische bereikt, de ware grootheid van de ziel. (29) Door het ruiken van geuren, door het proeven met de mond, door het zien van vormen en door het in contact verkeren middels fysieke aanraking en, als het ware, het bereiken door ontvangst via het gehoor van de identificatie met het etherische, komt de yogi door de zintuigen eveneens tot materiële handelingen. (30) In de geaardheid goedheid overtreft hij de verandering in de materiële vorm door de grove en subtiele zinnen te neutraliseren, tezamen met die vooruitgang de wijsheid van de ware werkelijkheid [zelfrealisatie] zien meekomend in dat volledige ophouden van de [werking van de] materiële geaardheden. (31) De persoon bereikt door die zuivering van het zelf van de Superziel de rust, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].

(32) Alles wat ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, is in overeenstemming met de Veda's zoals uwe Majesteit dat naar behoren verlangde, en het is eveneens waarlijk overeenkomstig de eeuwige waarheid zoals die beslist werd vernomen in het zuivere van de geest naar de voldoening van de aanbeden Opperheer Vâsudeva. (33) Voor hen die ronddolen in dit leven in het materiële universum, is er zeker niets gunstiger als middel van realisatie dan dat wat beoogd wordt in de toegewijde dienst [bhakti-yoga] jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's drie keer, en met een studieuze inzet nauwgezet onderzoek doend, stelde hij vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is in het aangetrokken zijn tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel; als de Heer die onderscheiden wordt door de intelligentie van de ziener in verschillende tekenen en veronderstellingen. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar en wanneer dan ook, te vernemen van de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Diegenen die de nectar drinken die hun oren vult met de vertellingen over de Allerhoogste Heer, de dierbaarste van de toegewijden, zullen hun materiële plezier, het verontreinigde levensdoel, gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die verwijlen naast de lotus.'

  

Hoofdstuk 3

Zuivere Toegewijde Dienst: De Verandering in het Hart

(1) S'rî S'ukadeva zei: 'Terwille van de intelligenten onder de mensen, heb ik u al de antwoorden gegeven in reactie op het door uw goede zelf navragen over het menselijk wezen op de drempel van de dood. (2-7) Diegenen die verlangen naar de luister van het Absolute aanbidden de meester van de Veda's; Indra, de Koning van de Hemel is er voor degenen die de kracht van de zinnen verlangen [seks] en de Prajâpati's [de krachtige stamvaders] zijn voor hen die nageslacht verlangen. De godin [Durgâ] is voor hen die verlangen naar de schoonheid van de materiële wereld, de vuurgod voor hen die naar macht uitzien, voor de weelde zijn er de Vasu's [een type halfgod] en de incarnaties van Rudra [Heer S'iva] zijn voor hen die kracht en heldhaftigheid wensen. Voor een goede oogst wordt de moeder der halfgoden Aditi aanbeden, verlangend naar de hemel aanbidt men haar zonen, voor hen die koninklijke rijkdom begeren zijn er de Vis'vadeva halfgoden en voor een commercieel succes zijn er de Sâdhya goden. De As'vinî's [twee halfgoden broers] zijn er voor het verlangen lang te leven, voor een sterk lichaam wordt de aarde aanbeden en zij die hun positie willen handhaven en bekendheid willen, respecteren hun omgeving tot aan de horizon. Schoonheid nastrevend zijn er de hemelse Gandharva's, zij die een goede vrouw willen zoeken de meisjes van de hemelse samenleving [de Apsara's en Urvas'î's] en iedereen die wil heersen over anderen is gebonden aan de aanbidding van Brahmâ, het hoofd van het Universum. Yajña, de Heer van het Offer, wordt aanbeden voor tastbare roem en voor een goed banksaldo wordt Varuna de schatbewaarder gezocht. Maar zij die verlangen om te leren, aanbidden S'iva zelf terwijl voor een goed huwelijk zijn kuise echtgenote Umâ wordt geëerd.

(8) Voor geestelijke vooruitgang wordt de hoogste waarheid [Heer Vishnu en Zijn toegewijden] aanbeden, voor nakomelingen en hun bescherming zoekt men het voorouderlijke [de bewoners van Pitriloka], vrome personen worden gezocht door hen die bescherming zoeken terwijl de halfgoden in het algemeen er zijn voor de minder algemene verlangens. (9) De goddelijke Manu's [de vaders der mensheid] zijn er voor hen die een koninkrijk verlangen, maar de demonen worden gezocht om vijanden te verslaan. Zij die zinsbevrediging begeren zijn gebonden aan de maan [Candra], terwijl zij die vrij zijn van begeerte de Hoogste Persoonlijkheid in het voorbije aanbidden. (10) Of men nu vrij is van verlangen, er vol van is of naar bevrijding verlangt, de persoon met een ruimer verstand behoort met heel zijn hart in toegewijde dienst [bhakti-yoga] de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, het opperste geheel te aanbidden. (11) Al deze typen van aanbidders ontwikkelen zeker, in aanbidding van de hoogste zegening in dit leven, een niet aflatende spontane aantrekking voor de Allerhoogste Heer door de associatie met Zijn zuivere toegewijden. (12) De kennis die leidt tot het uiterste van het zich volledig terugtrekken uit de draaikolk van de materiële geaardheden geeft de bevrediging van de ziel, welke naar de transcendentie in onthechting van deze geaardheden, de zegeningen met zich meedraagt van het pad van de bhakti-yoga. Wie, in beslag genomen door de vertellingen over de Heer zou niet in actie komen met deze aantrekking?"

(13) S'aunaka zei: "Wat wilde de koning, de heerser van Bharata, na dit alles gehoord te hebben, nog meer weten van de zoon van Vyâsadeva, de poëtische wijze? (14) O hoog geleerde Sûta, verklaar ons, die er naar uitzien erover te horen, deze onderwerpen die leiden tot de vertellingen over de Heer die zeker welkom zijn in de samenkomst van de toegewijden. (15) Hij, de koning, was zonder twijfel een grote toegewijde, die kleinzoon van de Pândava's; een groot strijder die als kind met poppen de activiteiten van Heer Krishna naspeelde. (16) En zo moest het daar, in de aanwezigheid van de toegewijden, ook zo zijn met de zoon van Vyâsadeva, vanwege zijn grote kwaliteiten in zijn gehechtheid aan de Opperheer Vâsudeva die door zovelen wordt verheerlijkt. (17) Met uitzondering van hem die zijn tijd doorbrengt met de onderwerpen van Hem waar de Allerhoogste schriftuurlijke waarheid over handelt, neemt de levensduur van de mensen zeker af met het op- en ondergaan van de zon. (18) Leven de bomen niet, blazen de blaasbalgen van de smid geen lucht en de beesten om ons heen: eten ze niet en planten ze zich niet voort? (19) Een persoon is, net als een hond, een varken, een ezel of een kameel, niet meer dan een dier als de heilige naam van Hem die ons bevrijdt van alle kwaden nooit zijn oor bereikte. (20) De oren van een mens die nooit hoorden van Vishnu, de Ene van de enorme vooruitgang, zijn als die van slangen, en ook de tongen van hen die nooit hardop de gezangen van waarde zongen zijn net zo nutteloos als die van kikkers. (21) Zelfs getooid met een zware zijden tulband, is het bovenste deel van het lichaam slechts een zware last, nooit neerbuigend voor Mukunda [Krishna die bevrijding schenkt], precies zoals handen, die niet gebruikt worden voor de aanbidding van de Heer, zijn als die van een lijk, zelfs al zijn ze omhangen met schitterende gouden armbanden. (22) Gelijk de ogen op de pluimen van een pauw zijn de ogen van die mensen die niet de gedaanten van Vishnu zien en hun benen zijn als de wortels van de bomen als ze nooit naar de heilige plaatsen van de Heer gingen. (23) Dood bij het leven zijn de stervelingen die nooit in het bijzonder het stof van de voeten van de zuivere toegewijden ontvingen en, terwijl hij ademt, is een afstammeling van Manu [een mens] maar een lijk als hij nooit de weelde van het aroma van tulsîblaadjes heeft geroken van de lotusvoeten van Heer Vishnu. (24) Voorzeker is dat hart in staal gevat dat, ondanks het verzonken zijn in het zingen van de naam van de Heer, niet transformeert met het emotionele van het daarbij hebben van tranen in de ogen en haren die overeind staan. (25) Leg 0 Sûta Gosvâmî, omdat u zich in gunstige bewoordingen uitdrukt, uit welke bovenzinnelijke kennis de zo deskundig leidende S'ukadeva Gosvâmî desgevraagd de waarheidzoekende koning onthulde."

  

Hoofdstuk 4

Het Proces van de Schepping

(1) Sûta zei: "Meteen nadat hij zich realiseerde wat S'ukadeva Gosvâmî aldus zei over het zich verwittigen van de werkelijkheid van de ziel, concentreerde de kuise zoon van Uttarâ [Parîkchit] zich op Heer Krishna. (2) Teneinde niet voortdurend gestoord te worden, gaf hij zijn diep gewortelde affiniteit met zijn lichaam, zijn echtgenote, zijn zoon, zijn schatkist, en al zijn verwanten en vrienden in het koninkrijk op. (3-4) Uit volle overtuiging deed de grote ziel op precies dezelfde manier hierover navraag zoals u me dat vraagt, o grote wijzen. Op de hoogte gesteld van zijn dood verzaakte hij zijn vruchtdragende activiteiten overeenkomstig de drie principes [- van zelfrealisatie: het verzaken van religieuze handelingen, economische ontwikkeling en zinsbevrediging] en alles wat erbij hoort en aldus hecht verankerd bereikte hij de aantrekking van de liefde voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (5) De koning zei: 'Wat u zei is volkomen waar, o hoog geleerde; u die zonder besmettingen bent weet het allemaal en zorgt ervoor dat het duister van de onwetendheid geleidelijk aan verdwijnt terwijl u spreekt over de onderwerpen die de Heer betreffen. (6) Verder, zou ik graag vernemen over hoe de Opperheer middels Zijn persoonlijke energieën deze zichtbare wereld van het universum creëert die zo ondoorgrondelijk is voor zelfs de meesters der meditatie. (7) En alstUblieft vertel me tevens over de manier waarop de machtige Zijn energieën handhaaft en ze weer terugneemt, als de almachtige Hoogste Persoonlijkheid komend tot Zijn expansies, ze erbij betrekkend alsook er zelf bij betrokken zijnd, ze opvoerend alsook ze aanzettend tot handelen. [zie ook Canto1, hoofdstuk 3] (8) Zelfs de hoog ontwikkelden schieten, ondanks hun pogen voor Hem, tekort beste brahmaan, in het verklaren van de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke handelingen van de Allerhoogste Heer. (9) Alhoewel Hij handelt door Zijn verschillende incarnaties is Hij de Ene en Allerhoogste, of Hij nu handelt door de geaardheden, gelijktijdig in de materiële energie aanwezig is, dan wel zich opeenvolgend manifesteert in vele gedaanten. (10) Alstublieft verschaf opheldering over al deze door mij gestelde vragen aangezien u, zo goed zijnde als de Opperheer Zelve, zowel van de mondelinge traditie met de vedische geschriften bent als volledig zelfverwerkelijkt in bovenzinnelijkheid.' "

(11) Sûta zei: "Na aldus ertoe te zijn verzocht door de koning om de bovenzinnelijke eigenschappen van Heer Hrishîkes'a [Krishna als de meester der zinnen] te beschrijven zette S'uka, teneinde naar behoren antwoord te geven, zich ertoe methodisch tewerk te gaan.

(12) S'rî S'uka zei: 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, die voor zowel de handhaving als voor het terugnemen van het volkomen geheel van de materiële schepping, middels Zijn spel en vermaak de macht van de drie geaardheden aannam terwijl Hij innerlijk verblijft als de Ene wiens wegen ondoorgrondelijk zijn. (13) Nogmaals mijn eerbetuigingen aan Hem die de waarachtigen bevrijdt van de ellende van de controverses van hen die van onwaarheid zijn en andermaal mijn respect voor Hem die de vorm van de zuivere goedheid is en alles toekent wat wordt gezocht door hen die zich bevinden in de status van het hoogste stadium van geestelijke volmaaktheid [de paramahamsa's]. (14) Laat me mijn eerbetuigingen brengen aan die grootse kameraad van de Yadu-dynastie die, zich verre houdend van werelds gekonkel, de niet-toegewijden overwint. Ik buig me neer voor Hem die van dezelfde grootheid is in het genieten van de weelde als in het genieten van Zijn eigen verblijf in de geestelijke hemel. (15) Van Hem wiens verheerlijking, heugenis, aanschouwen, gebeden, luisteren en eerbetoon terstond alle mensen van de gevolgen van zonde bevrijd; Hem waarover men verneemt dat Hij in alle opzichten begunstigt, breng ik telkens weer mijn verschuldigde eerbetuigingen. (16) Zij helder van geest die door eenvoudigweg zich aan de lotusvoeten te wijden alle gehechtheden aan een huidig of toekomstig bestaan volledig opgeven, realiseren voorzeker zonder moeilijkheden de vooruitgang van het hart en de ziel naar het spirituele bestaan; die vermaarde, alles-begunstigende Ene breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen (17) De grote wijzen, de grote helden der liefdadigheid, de meest onderscheidenen, de grootste denkers, de grote mantra-chanters [reciteerders/zangers] en de strikte volgelingen zullen nooit tot tastbare resultaten komen zonder Hem toegewijd te zijn; Hem zo gunstig om over te vernemen breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (18) De volkeren van Oud-Bharata [India}, Europa, het zuiden van India, Griekenland, Pulkas'a [een provincie], Âbhîra [deel van oud Sind], S'umbha [een andere provincie], Turkije, Mongolië en nog anderen die ook aan de zonde verslaafd zijn en hun toevlucht tot de Heer Zijn toegewijden zoeken, raken meteen gezuiverd; jegens Hem, de machtige Heer Vishnu, mijn respectvolle eerbetuigingen. (19) Hij is de ziel en Heer van de zelfverwerkelijkten; de verpersoonlijking van de Veda's, de religieuze literatuur en de versobering; degene die door de Ongeboren Ene [Brahmâ], Heer S'iva en hen die boven alle pretenties staan in achting wordt gehouden; o Allerhoogste Heer, moge Uw welwillendheid altijd met me zijn. (20) Van alle weelde de eigenaar, de leider van alle offerandes, de aanvoerder van alle levende wezens, de meester der intelligenten, de heerser over alle werelden, de hoogste instantie van de planeet aarde alsook als de eerste onder hen de bestemming van de koningen van de Yadu-dynastie; o Allerhoogste Heer, meester van de toegewijden, wees me genadig. (21) Het wordt gezegd dat het denken aan Zijn lotusvoeten, er op ieder ogenblik in verzonken zijnd, de autoriteiten volgend, zuiverend de pure kennis geeft van de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel en ook dat het de geleerden er toe aanzet over Hem te schrijven naar hun voorkeur; o Mukunda, mijn Opperheer, moge Uw genade altijd met me zijn. (22) Moge Hij die de Godin van het Leren van het begin af aan inspireerde en de eerste van de Schepping bekrachtigde [Heer Brahmâ] met heugenis in het hart omtrent zijn eigen natuur, terwijl Hij zelf scheen te zijn geschapen uit zijn mond - moge Hij, de Leraar der Leraren, tevreden over mij zijn. (23) Hij die neerligt in de materiële schepping en al deze lichamen gemaakt van de stoffelijke elementen tot leven wekt terwijl Hij als de purusha [de Oorspronkelijke Persoon] er de oorzaak van is dat allen onderworpen zijn aan de geaardheden der natuur met haar zestien onderdelen[bewustzijn, en de vijf elementen van aarde, water, lucht, vuur en ether en de vijf organen van actie en de vijf zintuigen]; moge die Allerhoogste Heer de illustratie zijn van mijn uitlatingen. (24) Mijn eerbetuigingen aan Hem, de grote heer van Vâsudeva [Vyâsadeva in den vleze], de vergaarder van de vedische literatuur, van wiens lotusmond zijn aanhangers de nectar van deze kennis dronken. (25) De eerste [Vyâsadeva; Brahmâ], mijn beste koning, gaf daartoe verzocht door Nârada, vanbinnen uit, de vedische kennis exact door zoals die was uitgesproken door de Heer in het hart.' "

 

Hoofdstuk 5

De Oorzaak Aller Oorzaken

(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Mijn eerbetuigingen aan u, o god der halfgoden, daar u als eerste, de levende wezens het leven schenkt. Leg alstUblieft uit welke kennis in het bijzonder het transcendentale stuurt. (2) Wat is de vorm, de achtergrond en de bron van deze geschapen wereld, o meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstUblieft, wat is hiervan in feite werkelijk? (3) Dit alles weet u in uw goedheid, daar u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is; meester, het universum is als een walnoot in uw wetenschappelijke greep. (4) Wat is de bron van uw wijsheid, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, alleen, de levens van alle wezens met de elementen der materie, die voorzeker door de ziel worden gemachtigd? (5) Te werk gesteld als een spin, manifesteert u zelfvoorzienend zonder enige hulp uit uzelf al dezen [deze levens] zonder er zelf door verslagen te zijn. (6) Of ik nu wel of niet mijzelf ken als superieur of inferieur in deze wereld, of als een gelijke, o machtige, de kwaliteiten van naam en vorm van alles wat met het eeuwige zijn bestaan vond, zijn slechts tijdelijk, zoals al het overige dat ontsproot uit een andere bron. (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam en ons de kans gaf te twijfelen aan de uiteindelijke waarheid van u. (8) O, u alwetende heerser over alles, verschaf alstUblieft uitleg over al hetgeen waar ik naar vroeg zodat ik, naar wat het gezag stelt, in staat zal zijn te begrijpen.'

(9) De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde die mij zo dierbaar is, u bent zeer vriendelijk in uw volmaakte navraag die me inspireert tot de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (10) U zit er niet naast in wat u zoëven zei in uw beschrijving van mij; mijn beste, daar het zonder het Allerhoogste voorbij aan mij, het, mij kennend, zeker zo zal zijn zoals u het over me zei. (11) Ik ben het die het universum doet verschijnen dat voortstraalt bij de macht van Zijn gloed [genaamd de brahmajyoti], zo goed als de zon en het vuur alsook de maan, de sterren, de planeten en de constellaties hun herderheid laten zien. (12) Mijn eerbetuigingen zijn voor Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer, door wiens onoverwinnelijke vermogens men mij de leraar [de goeroe] van de wereld noemt. (13) Onbeschaamd over hun voorop blijven gaan met macht der begoocheling, misbruiken zij die verbijsterd zijn hun woorden pratende over 'ik' en 'mijn', maar zo sprekende wordt ik slecht begrepen. (14) De vijf elementen in hun interactie in de Eeuwige Tijd alsook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan; ieder voor zich hebben ze in waarheid geen waarde.. (15) Nârâyana [Krishna als de vierarmige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Met voor ogen wat door de Ziener, door de Superziel, de heerser over alle intelligentie die mij heeft geschapen, zo volmaakt werd geschapen, hou ik, geïnspireerd door Zijn blik, mezelf bezig met scheppen.

(18) Van deze [werkelijkheid van de geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (19) Onder de invloed van de geaardheden van de materiële energie raakt het eeuwig bevrijdde levende wezen geconditioneerd aan de materiële kennis [van 'ik' en 'mijn'] die zich manifesteert met de symptomen van oorzaak en gevolg in materiële activiteiten. (20) Hij, deze Opperheer, die in de symptomen van al deze drie geaardheden waarlijk, als de Superziener, ongezien is in Zijn bewegingen, o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (21) [De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] die de werklast [karma] alsook de specifieke aard [- of svabhâva - heeft het op zich genomen middels de energie van zijn [Zijn] eigen Zelf, onafhankelijk daarin opgegaan, te verschijnen met het in gang zetten van verschillende gedaanten. (22) Door die eeuwige tijd gebeurde het zo dat vanwege de transformatie van de activiteiten geschapen door de geaardheden der natuur, de Oorspronkelijke Persoon Zijn omvorming van het geheel der materie [de mahat-tattva] plaats vond. (23) Maar door de transformatie van het geheel der materie namen de geaardheden van de hartstocht en de goedheid toe zo dat [tegenwicht biedend in reactie] een overwegen van de geaardheid der duisternis plaatsgreep met haar enkelvoudige materiële kennis en overwegen van materiële activiteiten. (24) Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich in haar drie kenmerken van zowel goedheid, hartstocht als onwetendheid, en aldus, prabhu, raakten de machten van actie, kennis in schepping en begeleiding in intelligentie verdeeld. (25) Door de identificatie met de duisternis der materie werd middels de omvorming naar die geaardheid [het eerste element van] de ether tot ontwikkeling gebracht met haar subtiele vorm en kwaliteit van het geluid dat een aanduiding vormt voor zowel de ziener als het geziene. (26-29) Door de omvorming van de ether kwam de aanraking, als de kwaliteit van de lucht, tot het volle van het geluid, met de kenmerken van het voorgaande element erin meegenomen, en kwam het zodoende eveneens tot een leven van onderscheid en het vermogen van het krachtige. Dienovereenkomstig transformerend naar die lucht bracht de tijd als reactie op het verleden op natuurlijke wijze het vuur-element voort, daarbij eveneens de nodige vorm, aanraking en geluid gevend. Van het water dat van vuur getransformeerd raakte waren er de sappen en de smaak hetgeen, zoals voorheen gezien, eveneens in opeenvolging geluid gaf [tranen, speeksel, zaad, bloed, melk]. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van water kwam weer daaropvolgend het geurrijke [van het aarde-element] van het sap dat de vorm aannam van de kwaliteiten van aanraking en geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwam [aldus] het denken van de goddelijken tot stand die handelen in goedheid, gekend in de tien van hen als de heerser der windrichtingen, de lucht, de zon, de wateren [Varuna], de langlevendheid [As'vinî-Kumâra's geassocieerd met de geur], het vuur, de hemelen [Indra], de beeltenis der transcendentie, het eindigen [Mitra, geassocieerd met de uitscheiding] en de geest [Brahmâ]. (31) Door de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie aangaande de macht der kennis en handeling naar de vijf zinnen plaats die de levende energie de intelligentie gaf van al haar horen, aanraken, ruiken, waarnemen en zich ontlasten. (32) Voor de tijd dat al deze elementen van de zinnen en het denken naar de geaardheden der natuur afgezonderd bleven, zolang kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o [Nârada] beste in de kennis. (33) Toen die [elementen] allemaal de één na de ander samengevoegd door de Opperste Energie hun toepassing vonden, kwamen duidelijk onderscheiden, in het aannemen van hun primaire en secundaire aard, de twee [geestelijke en materiële werkelijkheden] van dit universum tot stand.

(34) Talloze millennia bleef die universele werkelijkheid verzonken in de [causale] wateren totdat de individuele ziel [jîva of de Heer] door de actie van de Eeuwige Tijd naar de geaardheden der natuur het niet levende tot leven deed komen. (35) Hij Zelve als de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] kwam vanuit het universele ei tevoorschijn Zichzelf verdelend in indelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum zijn als de ledematen van het lichaam met zeven systemen onder en zeven aan de bovenzijde van wat kan worden gezien. (37) De brahmanen werpen zich op als de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse als Zijn armen, de handelaren representeren de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn [onder]benen. (38) De aardse [lagere] werelden zijn van Zijn benen zegt men, de etherische werelden zijn van Zijn buik, de hemelse werelden van het hart zijn van de borst terwijl de opperste werelden van de heiligen en wijzen van de grote Ziel zijn. (39) Terwijl men tot aan de nek de werelden van de menselijkheid vindt en daarop vanaf de borst de werelden der verzaking en de werelden der waarheid met het hoofd aantreft, zijn het de werelden van de geest die in het eeuwige worden gevonden. (40-41) Met onder Zijn gordel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, tot zijn knieën de derde, de vierde op zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of universele gedaante] vol van al de werelden. (42) Aldus stelt men zich [drievoudig] de aardse planeten gesitueerd op de benen, de etherische werelden gesitueerd in het gebied van de navel en de hemelse werelden vanaf de borst naar boven gesitueerd voor of anders de wereld zoals verschillend [in een vier- of veertien verdeling] voorgesteld.'   

 

Hoofdstuk 6

De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd

(1) De Schepper zei: 'Uitdrukking gevend aan het vuur is de mond het centrum dat de lofprijzingen voortbrengt waartoe er zeven lagen zijn [werelden ...] in het offeren van de nectar en allerlei soorten voedsel aan de tong in respect voor al het delicate. (2) Voor de neus is er de levensadem en de buitenlucht om de transcendentale ervaring voort te brengen van de langlevendheid [de As'vini halfgoden] met alle medicinale kruiden en het genieten van de geuren. (3) De ogen die allerlei vormen waarnemen alsook al het verlichte dat schittert voor het oog van de zon, begeleidt het horen van de oren uit alle richtingen van al de geluiden van eerbetoon die weerklinken in de ether. (4) Zijn oppervlak [van de Universele Gedaante] vormt de grond voor alle dingen en gunstige gelegenheden zowel als het veld van opbrengst terwijl Zijn huid van de luchtbewegingen de tastzin vormt waaruit zeker ook allerlei offerandes voortkomen. (5) Zijn lichaamsbeharing is de vegetatie van de koninkrijken, van welke in het bijzonder de offerplechtigheden worden voltrokken waartoe Zijn hoofdhaar, Zijn aangezichtshaar en Zijn nagels de stenen, het ijzererts en de wolken met hun electriciteit vormen. (6) Zijn armen, de besturende mensen van God, zijn hoofdzakelijk bezig met het voorzien en beschermen van de burgerbevolking. (7) Zijn vooruitgang met de lagere en middelste werelden zowel als in de hemel, in alle behoeften voorziend van wat nodig is aan onbevreesdheid en al de zegeningen, wordt precies gekend in de Heer Zijn toevlucht verschaffende lotusvoeten. (8) Van water, van het zaad en van het vruchtbare van de regens realiseert men zich de genitaliën van de Schepper, de Heer en eveneens de plek vanwaar het geluk ontspringt teweeggebracht door het [of de behoefte aan het] voortbrengen [van nageslacht of cultuurprodukten]. (9) O Nârada, de opening waar de uitscheiding van de Universele Gedaante plaatsvindt is van Mitra, de beheersende godheid van alles dat op zijn einde loopt en vormt het rectum waar afgunst, ongeluk, de dood en de hel wordt herinnerd (10) Van de frustratie, de immoraliteit en onwetendheid ontdekt men Zijn rugzijde, terwijl de rivieren en stromen [zoals gezegd] staan voor Zijn aderen en de bergen voor de verzameling van Zijn botten. (11) De ongeziene beweger [de tijd] van de zeeën en oceanen van de tot leven komende en ook weer vernietigde wezens wordt, gezien vanuit Zijn buik, [de middelste werelden, S'iva], door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele lichaam is gelokaliseerd.

(12) Van de Grote Persoonlijkheid is het bewuste behartigen door u, mij en mijn zoons [de Kumâra's] van de [religieuze] verplichtingen in de continuïteit [S'iva, de continuerende ziel die de vernietiging onder ogen ziet] en de bovenzinnelijke kennis is eveneens het essentiële bewustzijn [de ziel] van de waarheid aangaande de grote persoonlijkheid. (13-16) Ik, u, de aanhoudende Heer [S'iva], als zeker ook de grote wijzen voor u, de goddelijken, het duivelse, de menselijke wezens en de excellenten [de Nâga's], de vogels, de beesten, de reptielen en al de hemelse wezens alsook de planten en vele andere bestaansvormen op het land, in de wateren en in de lucht, tezamen met de astroïden, de stralende leidende sterren, de kometen, de donder en de bliksem - voorzeker als wat er ook was, is en zal worden geschapen, zijn allen tezamen van de Oorspronkelijke Persoon die allen omvat in het idee van een afmeting hebbend van niet meer dan 16 centimeter [zie ook 2.2: 8]. (17) Op dezelfde manier als de zon in het spreiden van zijn stralen er vanbuiten is, de levens kracht verschaft (vanbinnen) en zijn pad verlicht, is er overeenkomstig bij de expansie van de universele gedaante, de Hoogste Persoonlijkheid die het innerlijke en uiterlijke bestaan tot leven wekt. (18) Hij is de beheerser van het onsterfelijke en onbevreesde in de overstijging van de dood en de vruchten van iedereen en derhalve, o Nârada, worden de heerlijkheden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid gezien als zijnde onmetelijk.

(19) Weet dat al de levende wezens hun bestaan hebben in een kwart van de Hoogste Persoon die het onsterfelijke, vervullende en onbevreesde reservoir is van alle volheden voorbij de materiële omhullingen van de drie werelden. (20) Het drie vierde deel van Hem in het voorbije is waar zij verblijven die nimmer meer geboorte zullen nemen, maar binnen [de materiële wereld] zijn er de drie werelden [hemel, vagevuur en hel] voor de statusoriëntaties van hen die, niet strikt in het naleven van de gelofte van het celibaat, gehecht zijn aan het gezinsleven. (21) Zo keurig de bestemming van de levende wezens ordenend, heerst de Handhaver over de toewijding van zowel de onwetenden als van hen die met de feiten bekend zijn, en is Hij zodoende, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de meester van hen beide. (22) Van wie al de planeten en de gigantische Universele Gedaante ontstond, verschenen de elementen en de zinnen naar de materiële kwaliteiten van het universum, waarbij het overtreffende van die Universele Gedaante te vergelijken is met de manier waarop de zon zich verhoudt tot verspreide stralen en hitte.

(23) Toen ik geboorte nam uit de lotusbloem van de navel van deze grote persoon, wist ik, behalve van de persoonlijke ledematen van de Oorspronkelijke Persoon niet wat er nodig is voor het uitvoeren van offers. (24) Om offers te brengen is het geofferde zoals bloemen en groen met brandbaar materiaal [zoals stro] nodig tezamen met een altaar alsook het grote van de tijd [een kalender b.v.] in het volgen van de geaardheden van de natuur. (25) Hulpmiddelen, granen, brandstof [geklaarde boter], een zoetstof ['honing'], kapitaal ['goud'] en een vuurplaats ['aarde'], water, de geschriften ['Rig, Yajur en Sâma Veda'] en [ten minste] vier [voorgaande] personen zijn hierin vervat, o godvruchtige. (26) Ook omvat het aanroepen van heilige namen en mantra's alsook bijdragen en geloften betreffende de specifieke godheid in kwestie voor welke er voor ieder doel een speciaal geschrift is. (27) Voor de voortgang naar het uiteindelijke doel door middel van de aanbidding en zeker ook ter wille van de compensatie met de uiteindelijke offers aan de diverse delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon [de vertegenwoordigende halfgoden], regelde ik de benodigdheden. (28) Aldus goed toegerust aanbad ik, uitgevoerd door al die expansies van de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de oorspronkelijke genieter van alle offers. (29) Daarnaar praktizeerden uw [gods-] broeders, de negen meesters der levende wezens [scholen; de halfgoden naast Brahmâ; vergelijk 5: 30], ter wille van de geziene en ongeziene persoonlijkheden met gepast ritueel. (30) In het volgen van [die scholen of halfgoden] aanbaden ook de Manu's, de vaders der mensheid, na verloop van tijd, Hem behagend, zoals ook andere grote wijzen, voorvaderen, geleerden, toegewijden, en de mensheid als geheel dat deden.

(31) Terwille van Nârâyana, de Persoonlijkheid van God, kwamen al deze hoogst machtige manifestaties, die de materiële illusie met het universele van de vorm hadden aanvaard, tot stand in het bestaan van schepping, behoud en vernietiging alhoewel Hij aan zichzelf genoeg hebbend er boven staat. (32) Naar Zijn wil, schep ik terwijl onder Zijn beschikking S'iva vernietigt, met Hemzelf daartoe als de beheerser van de drie energieën die het hele universum behoudt als de Oorspronkelijke Persoon.

(33) Ik heb u aldus, mijn beste, daar u er om verzocht, dit alles uitgelegd wat betreft de kwestie het nooit iets anders hebben voorbij de Allerhoogste Heer in het denken over oorzaak en gevolg. (34) O Nârada, voorzeker is deze geestestoestand nimmer wanneer ook onjuist gebleken, noch was mijn gedachtengang ooit in onwaarheid, noch waren mijn zinnen verlaagd in het tijdelijke, omdat mijn hart met grote ijver vast wist te houden aan de Heer. (35) Geslaagd als ik was in de versoberingen der vedische wijsheid overeenkomstig de geestelijke erfopvolging, aanbiddelijk als de meester van alle voorvaderen en deskundig en zelfgerealiseerd in de praktijk van de yoga, kon ik Hem uit wie het zelf voortkwam niet volledig begrijpen. (36) Ik ben [derhalve] de alles begunstigende voeten van de Heer der overgegeven zielen toegewijd, die de herhaling van geboorten en dood stoppen en de visie van het geluk geven; voorzeker kan men zich geen voorstelling maken van het vermogen van Zijn Persoonlijke energieën - net zoals de hemel zijn eigen begrenzing niet kan zien, daarom: hoe kunnen anderen er dan van afweten? (37) Aangezien noch ik, noch wie van jullie zonen ook, noch de Vernietiger in feite [al] Zijn bewegingen kunnen overzien, wat zouden dan de andere godsbewusten? De intelligentie verbijsterd door de illusieverwekkende energie van wat geschapen is kan alleen zien voor zover het eigen vermogen reikt.

(38) Aan Hem, de Allerhoogste Heer, onze respectvolle eerbetuigingen, wiens incarnatie en activiteiten wij verheerlijken alhoewel we Hem niet volledig kennen. (39) Hij, de eigenlijke voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid schept in ieder millennium vanuit de ongeboren ziel naar het [materiële] zelf met behulp van Zichzelf Zijn eigen transcendentale aanwezigheid, Zichzelf handhavend [voor enige tijd] en [Zichzelf ook weer] terugwinnend. (40-41) Zonder een materiële smet, zuiver en volmaakt in de kennis en alles doordringend in Zijn volheid is Hij gevestigd in waarheid als het absolute zonder een begin en een einde, vrij van de natuurlijke geaardheden en in eeuwigheid zonder Zijns gelijke. O mijn wijze, de grote denkers kunnen dit alleen maar begrijpen met een tot vrede gebracht zelf en hun zinnen behartigd, anders zal het zeker uit het zicht verdwenen en verdraaid zijn door onhoudbare argumenten. (42) De eerste incarnatie van de Heer, de Oorspronkelijke Persoon [Mahâ-Vishnu of Kâranodakas'âyi Vishnu] is de tijdruimte [de oorspronkelijke aard van de tijd]; en oorzaak en effect, de elementen, de geaardheden, alsook het ego, met haar natuurlijke geaardheden en zintuigen, de Universele Gedaante [virâth-rûpa] uitmakend van het beweeglijke en onbeweeglijke van de Heer [Garbhodakas'âyî Vishnu genoemd]. (43-45) Ik zelf [Brahmâ], de Vernietiger en de Handhaver, al de vaderen van de levende wezens zoals Daksha [en Manu], jijzelf en de andere zonen [de Kumâra's], de leiders van de hogere werelden, de ruimtereizigers, de aarde en de lagere werelden, de leiders van de bewoners van de hemel [van de Gandharva, Vidyâdhara en Cârana werelden]; alsook de leiders van het demonische [de Yaksha's, Râkshasa's en Uraga's] en de onderwereld en eveneens de leiders van de wijzen, de voorvaderen, de atheïsten, de wonderbaarlijken, de onbeschaafden en ook de doden, de boze geesten, de Jinn en Kûshmânda's [andere boze geesten] en de grote waterdieren, beesten en vogels - in andere woorden alles en iedereen die in de wereld in een bepaalde mate machtig zijn of van een specifieke mentale of zintuiglijke begaafdheid of buitengewoon vermogen, vergevingsgezindheid, schoonheid, bescheidenheid, weelde, intelligentie of geslacht zijn alsof ze de vorm van Zijn bovenzinnelijke werkelijkheid zelve zijn, maar in feite vormen ze slechts een fragment. (46) O Nârada, waardeer nu de toewijding voor het spel en vermaak van al die incarnaties van de Oorspronkelijke Hoogste Persoonlijkheid dat de trage materie zal doen verdampen die zich in je oren heeft opgehoopt. Ik zal je ze, ieder voor zich een genoegen om naar te luisteren, de één na de ander vertellen, zoals ze zich in mijn hart bevinden.

 

Hoofdstuk 7

Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's.

(1) De schepper zei: 'Toen de Heer trachtte de aarde op te heffen uit de grote oceaan [-de Garbodhaka], nam Hij als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aan van het totaal van alle offers in confrontatie met de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de demon van het goud] die door Hem, als was Hij een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand [Hem beschouwd als de everzwijn-avatâra Varâha].

(2) Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van de Prajâpati, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie'] waardoor Hij het lijden van de drie werelden aanzienlijk verminderde en om reden waarvan de vader van de mensheid genaamd Svâyambhuva Manu, Hari [de Heer] werd genoemd.

(3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de tweemaal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de baarmoeder van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] begeleid door negen vrouwen. Zijn moeder onderrichtend als Heer Kapila ['de analytische'] in spirituele zelfverwerkelijking, werd zij in dat leven verlost van de ziel-overdekkende materiële geaardheden en bereikte ze de bevrijding.

(4) De wijze Atri die bad voor nageslacht, beloofde ik, tevreden over zijn overgave, dat de Opperheer geboorte zou nemen als Datta [Dattâtreya, hij die geschonken werd], van wie het stof van Zijn lotusvoeten het mystieke lichaam zuiverde van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.

(5) Omdat ik eerst sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor, was de spirituele waarheid verwoest in de onderdompeling van de wereld, maar werd ze volledig duidelijk met deze wijzen die een heldere visie op de ziel hadden.

(6) Uit Murti [de beeltenis], de vrouw van Dharma ['rechtschapenheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een Prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de weg van de mens']. Aldus [in die nederdaling] in het zien van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen zou de Allerhoogste Heer nimmer zijn geloften gebroken zien door de hemelse schoonheden die met Cupido [de god van de liefde] tot hem kwamen. (7) Grote voorvechters [als Heer S'iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Voor dat echter, met Hem vanbinnen, is de lust bang naar voren te treden. Hoe kan die feitelijk weer de aandacht vragen met Hem in de geest?

(8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen geuit door een bijvrouw, zelfs in de aanwezigheid van de koning, nam [Hij als] een jongen zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud en vestigde daarmee het doel van de realisatie van Dhruva ['de onverzettelijke'] met het voor Hem bidden naar de tevredenheid van de bewoners van de hemel zoals de grote wijzen dat sedertdien altijd doen opstijgend en weer nederdalend van die positie [zie ook het vierde Canto].

(9) Toen de tweemaal geboren, vervloekte koning Vena ['de bezorgde'], afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een blikseminslag en kwam hij met al zijn grote daden en weelde in de hel terecht. Nadat er voor Hem was gebeden bevrijdde Hij hem naar de aarde komend als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote'] zowel realiserend dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.

(10) Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî om te gaan voor de zekerheid van het uitgebalanceerd zijn in de aangelegenheid van de yoga, hetgeen door de geleerde wijzen wordt geaccepteerd als het hoogste stadium van volmaaktheid, waarin men het zelfverzonkene aanvaard in het terugdringen van de activiteiten van de zintuigen, volmaakt bevrijd zijnd van materiële invloeden.

(11) In een offerande van mij verscheen de Allerhoogste Heer [genaamd Hayagrîva], met een hoofd als dat van een paard en wordt Hij aldus beschouwd als de Persoonlijkheid van de Offers met een gouden glans door wiens ademen door Zijn neusgaten de geluiden van de vedische hymnen, persoonlijke offerandes en alles wat de [super-] ziel van het goddelijke aangaat kan worden gehoord.

(12) Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk dat Heer Matsya ['de vis'] de toevlucht is voor alle levende wezens tot aan de aardsen, vanwege waarvan uit de grote angst voor de wateren, de toevlucht tot mijn mond genomen hebbende, daarvan zeker al de Veda's konden worden genoten.

(13) Toen in de oceaan van melk [kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, groot] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma] dat het over Zijn rug schuurde en jeukte.

(14) Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degeen die de angst van de godsbewusten wegneemt in het fronsen van Zijn wenkbrauwen en tonen van de schrikwekkende tanden van Zijn mond, onverwijld op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorborend die hem uitdaagde met een strijdknots in zijn handen.

(15) De leider der olifanten die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem een lotus vasthoudend in grote nood op deze wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum en beroemd als een pelgrimsoord komt al het goede voort uit het enkel aanhoren van Uw naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], kliefde de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakra-wapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.

(17) Hoewel Hij in Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten de grootste is, overtrof Hij [als de jongste] van al de zonen van Aditi ['de oneindige'] in dit universum al de werelden en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd: voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij op die manier bedelend al het land [van Bali Mahârâja] als Heer Vâmana in zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten waar Hij nimmer van verstoken is. (18) O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit iets anders dan - zelfs ten koste van zijn eigen lichaam - vast te houden aan zijn belofte, daar hij de Heer in zijn eigen geest was toegedaan.

(19) Voor jou, Nârada, beschreef de Opperheer in genegenheid, tevreden over de ontwikkeling van uw goedheid middels uw bovenzinnelijke liefde, in detail het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel, welke allen die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva zo volmaakt weten te waarderen.

(20) Door Zijn cakra en niet aflatend in alle omstandigheden ['tien zijden'] heerste Hij in de verschillende incarnaties als de Manu-opvolger in de Manu-dynastie over de onverlaten en koningen van die aard, vanuit de wereld der waarheid zo Zijn roem vestigend in het onderwerpen van de drie systemen met de kenmerken van Zijn persoonlijke heerlijkheden.

(21) Met de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalde de Opperheer als de roem in eigen persoon neer in het universum om sturing te geven aan de kennis voor het verkrijgen van een lang leven door het brengen van de nectar uit het [Kurma karn-]offer dat snel de ziekten van alle levende wezens geneest.

(22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te brengen drong de grote ziel [als Heer Paras'urâma] drie maal zeven keer verschrikkelijk machtig met Zijn bovenzinnelijke bijl tewerkgaand, als de Opperste Geestelijke Waarheid al die doorns van de wereld terug die van het pad afdwaalden en op de hel uit waren.

(23) Bij machte van Zijn grondeloze alles omvattende genade, daalde de Heer Aller Tijden [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] Hij het woud introk met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed had veroorzaakt. (24) Voor Hem maakte de angstige indiase oceaan snel baan, die zag dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbrandden, toen Hij, vertoornd als Hij was over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ], op een afstand met bloedrode ogen mediteerde op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen]. (25) Toen de slurf van de olifant die Indra droeg met licht stralend in alle richtingen brak op de borst van Râvana was hij door vreugde overmoedig heen en weer aan het paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren werd hij gedood door het zingen van de boog [van Râma].

(26) Als de hele wereld in staat van ellende is door de last van de strijders der ongelovigen, zal Hij, met Zijn Volkomen Aspect, Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, wiens glorieuze daden zo moeilijk te herkennen zijn voor de mensen in het algemeen, onvermijdelijk verschijnen voor het heil van de decimering van die atheïsten. (27) Wie in God's naam, anders dan Hij kon, als kind nog maar, een levend wezen doden dat de vorm van een gigantische demone had aangenomen [Pûtanâ] of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen alsook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vrindâvana [waar Krishna opgroeide] bracht Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtig gif had Hij er in de rivier plezier in de slang streng te bestraffen die zich daar schuilhield met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden redde al de inwoners van Vraja [het koeiendorp], die die nacht zorgeloos sliepen, van verbranding in het vuur dat laaide in het droge woud. Op die manier bewees Hij hen [en later ook de koeherdersjongens] die er zeker van waren hun einde onder ogen te zien, samen met Balarâma Zijn onafzienbare vermogen [hen op dezelfde manier bevrijdend uit een andere bosbrand] door simpelweg ze hun ogen te laten sluiten. (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-] moeder [Yas'odâ] ook opnam om haar zoon vast te binden, telkens weer bleek het te kort te zijn en dat wat ze zag toen Hij Zijn mond opendeed voor de twijfelende koeherdersvrouw waren al de werelden, hetgeen haar aldus op een andere manier overtuigde. (31) Nanda Mahârâja Zijn [pleeg-] vader die Hij ook redde van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] en ook diegenen [in Vrindâvana] die overdag werken en 's nachts slapen van het harde werken, beloonde Hij voorzeker met de hoogste wereld van de geestelijke hemel. (32) Toen de koeherders werden tegengehouden in hun offers aan de koning van de Hemel die zware regenval veroorzaakte, hield Hij, nog maar zeven jaar oud, in Zijn grondeloze genade ernaar strevend de dieren te beschermen, de heuvel Govardhana alsof het een paraplu was, voor de duur van zeven dagen speels omhoog zonder vermoeid te raken. (33) Toen Hij in Zijn nachtelijke avonturen in het bos er naar uitzag bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, wekte Hij de liefdesverlangens op van de vrouwen van Vrajabhûmi en onthoofde Hij hun ontvoerder [een demon bekendstaande onder de naam S'ankhacûda] die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder]. (34-35) Allen die zo waren als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishthâ, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom],vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, alsook koningen zoals S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en allen die machtig en goed bewapend waren als Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], S'rîñjaya, en Kekaya, vonden hun dissociatie of zouden Zijn hemelse woning bereiken dankzij ofwel Hemzelf of door Zijn andere namen zoals Baladeva [Krishna's broer] Arjuna of Bhîma.

(36) Geboren uit Satyavatî zal [en zou] Hij [als Vyâsadeva], na de nodige tijd inziend wat de moeilijkheden van de minder intelligenten en kort levenden van de gehele mensheid zijn met Zijn verschijnen in de verzamelde exacte, gecompliceerde, vedische literatuur, voorzeker de wensboom van de Veda's in zijn takken verdelen overeenkomstig de omstandigheden van het tijdperk.

(37) Voor hen, goed op weg op het pad van de Veda's, die afgunstig op het goddelijke de werelden doorkruisen met uitvindingen van Maya [een demon] en met de verbijsterde geest destructief zijn, deed Hij zich aantrekkelijk voor [als de Boeddha] in hoofdzaak sprekend over morele richtlijnen.

(38) Als er zelfs met de beschaafde heren geen sprake is van de Heer en de tweemaal geborenen [de hogere klassen] en de regering zelve nooit of ooit met de lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoogste Heer, de bestraffer verschijnen.

(39) Ik handhaafde van boetedoening [als Brahmâ] vanaf het begin met de voortbrengende [negen] wijzen [Prajâpati's], voorzeker [halverwege] de plichten van het offeren [als Vishnu] met Manu, de goddelijken en de verschillende heersers, maar op het eind met het verzaken van de principes is het S'iva voor de atheïsten die onderworpen zijn aan de woede. Zij allen zijn de machtige vertegenwoordigers van die Ene Allerhoogste Macht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Nog niet de wetenschapper die wellicht de atomen geteld heeft. Allen waren groots bewogen door Hem die met Zijn eigen been het universum kon bestrijken [als Trivikrama] tot aan de bovenste wereld voorbij de werkende geaardheden. (41) Nimmer kunnen ik, noch al de wijzen vóór u geboren, het einde kennen van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon. Wat dan te verwachten van anderen geboren na ons die zelfs tot op de huidige dag door het bezingen van de kwaliteiten met de duizend gezichten van Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu] van de voorwereldlijke God, niet Zijn grens kunnen bereiken? (42) Hij, de Allerhoogste Heer, zal de genade van Zijn onbegrensde vermogen alleen schenken aan hen die hoe dan ook, zonder enige terughoudendheid en voorwendselen, zijn als de zielen die, overgegeven aan Zijn voeten, de onoverkomelijke oceaan van Zijn materiële Energieën doorkwamen, en niet aan hen die vasthouden aan het ik en mijn van het lichaam waarvan men weet dat het [op het eind] zal worden gegeten door honden en jakhalzen. (43-45) O Nârada, ken mij en jezelf als bestaande van het Allerhoogste boven het begoochelend materieel vermogen zoals ook de grote Heer S'iva dat is, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] die voortkwam uit de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena] en gelijk Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, etc. alsook anderen zoals Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanve, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en eersten als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva. (46) Ongetwijfeld weten ook die personen de illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen ondanks dat ze [voorheen] zondige zielen waren - mits ze leven naar de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden. Als zelfs zij die niet van het menselijke waren het lukt, wat dan te zeggen over hen die devoot luisterden [van het begin af aan]? (47) Eeuwig en onverstoord zijnd, vrij van angst en onbesmet in het er tegenover geplaatste bewustzijn zonder voorkeur in de werkelijkheid van de Superziel boven het ware en onware, is men [er doorheen gekomen] onbekommerd over de vruchten van het handelen in offerandes en ziet men de illusie vervliegen die vol van schaamte is [zie ook B.G. 2: 52]. Voorzeker is dat de uiteindelijke fase van de Allerhoogste Heer [bhagavân] die de Geest der Transcendentie is van de persoon welke aldus gekend wordt als zijnde van een onbeperkt geluk zonder treurnis. (48) In die staat van het luisteren worden de diverse praktijken van de mystici van het zoeken naar de waarheid in hun proces van geestelijke cultuur dan opgegeven, precies zoals Indra [de god van de regens] zich er niet om bekommert een put te graven. (49) Hij, alles begunstigend is ook de meester, de Allerhoogste Heer, omdat naar het natuurlijk levende wezen zijn eigen constitutie al het doen van het goede met het ultieme succes beloond wordt waarnaar, nadat het lichaam met de haar samenstellende elementen is overwonnen en opgegeven, men, ongeboren zijnd als de Oorspronkelijke Persoon, nooit het onderspit zal delven.

(50) Mijn beste, op deze wijze heb ik je in het kort een uiteenzetting gegeven wat betreft de Allerhoogste Heer als de schepper van de gekende werelden, zonder welke niets anders of wat dan ook dat moge bestaan in het fenomenale of noumenale van enige oorzakelijkheid kan zijn. (51) Dit verhaal van de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door Zijne Heiligheid en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God. (52) Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] tot de Allerhoogste Persoonlijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen. (53) Met de beschrijving van de uiterlijke aangelegenheden van Hem, de Heer, in regelmatig toegewijd waarderen en bijwonen, zal het levende wezen nooit door de uitwendige energie in staat van illusie geraken.  

 

Hoofdstuk 8

Vragen Gesteld door Koning Parîkchit

(1) De koning vroeg: 'Hoe gaf Nârada, geïnstrueerd als hij was door Heer Brahmâ, o brahmaan, uitleg over de geaardheden en hun transcendentie en aan wie gaf hij die uitleg? (2) Dit zou ik graag willen begrijpen o beste: wat is de werkelijkheid van hen die in het Absolute van de waarheid van de Heer verkeren die zo vol is van wonderbaarlijke vermogens en wiens vertellingen zo gunstig zijn voor al de werelden?  (3) Gaat u alstUblieft verder, u die van het grootste geluk bent, daar ik mij dienovereenkomstig aangaande het Allerhoogste van de ziel op Heer Krishna heb gericht, met mijn gedachten bevrijd van alle materiële associatie in het verzaken van mijn lichaam. (4) Zij die met geloof zich regelmatig tot deze zaak zetten en eveneens serieus volharden in die onderneming, zullen na een niet te lange tijd de Allerhoogste Heer in hun harten zien verschijnen. (5) Aldus middels hun oren het ontvangend uit de liefde van hun eigen bevrijding, wast deze lotus [het Bhâgavatam] van Krishna de onzuiverheden weg zoals het water van de herfst dat doet. (6) Eenmaal gelouterd zal de persoon, die zijn toevlucht nam tot Krishna's voeten, nooit die bevrijding opgeven, precies zoals een reiziger, die door de ellende van het leven heengaat, nooit zijn thuis zal opgeven [zie ook B.G. 5: 17; 8: 16; 8: 21-28; 9: 3; 15: 3-4; 15: 6].

(7) Daar het niet een kwestie is van materieel zijn, o brahmaan, kan u, zoals u dat kan weten van uw goede zelf, me dan zeggen of het levend wezen in de onderneming bij toeval tot een lichaam komt of door één of andere oorzaak? (8) Als Hij in het bezit is van de lotusbloem van deze wereld, die als het ware ontsproot uit Zijn buik, wat is dan het verschil tussen de Oorspronkelijke Persoon met deze bepaalde afmetingen [van de virâth-rûpa] en de situatie waarvan men spreekt met de vele verschillende belichamingen? (9) Hoe kon hij die zelf niet uit de materie was voortgekomen en het leven van alle geborenen met een lichaam tot stand bracht, door Zijn genade Zijn Gedaante zien geboren zijnde uit de lotusbloem van de navel?  (10) En ook [hoe kan het zijn] dat Hij als de Oorspronkelijke Persoon die de materiële werelden handhaaft, schept en vernietigt, onberoerd blijft door Zijn eigen uitwendig vermogen terwijl Hij als de Heer van alle energieën rust in het hart van een ieder? (11) Voorheen hoorde ik u spreken over de verschillende werelden met hun bestuurders als de verschillende delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon, wat dan [kan u vertellen] over die bestuurders die met de verschillende systemen Zijn onderscheiden delen uitmaken?

(12) En hoe zit het met een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's], en wat te zeggen van de tijd die de maat vormt voor wat we het verleden, het heden en de toekomst noemen - en hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten? (13) O zuiverste der tweemaal geborenen, wat zou het begin van de tijd kunnen zijn en wat te zeggen van hoe die, in de zin van het eigen karma, wordt ervaren als zijnde kort of lang? (14) En bovendien in welke mate wordt men bepaald door het zich ophopend karma naar de verschillende geaardheden der natuur in de verschillende levensvormen, welke zeker ook het resultaat zijn van iemands verlangen? (15) Beschrijf ons alstUblieft hoe het leven ondergronds, in de vier windstreken, in de lucht, op de planeten en rondom sterren, op de heuvels, in de rivieren, de zeeën en op eilanden tot stand komt en wat zijn dat voor een bewoners? (16) Hoe groot en wat zijn de proporties van de buitenruimte en de innerlijke ruimte, en wat zijn hun verdelingen? En wat is de aard en de bezigheid van de grote zielen en de roepingen en leeftijdsgroepen in de samenleving? (17) Wat zijn de verschillende tijdperken, hoe lang duren ze en wat is hun aard en welke incarnatie van de Heer spreidt welk soort van wonderbaarlijke handelingen tentoon in ieder van de tijdperken?

(18) Wat zijn de specifieke religieuze verenigingen van de menselijke samenleving in het algemeen en wat zijn de plichten van de drie klassen [arbeid, handel en intellect] en hun bestuur [de vierde klasse], en wat zouden ook de verplichtingen zijn jegens de mensen in nood? (19) En wat is het aantal van de elementen der schepping en wat zijn hun kenmerken en interactie? Wat zijn de regels en bepalingen van de toegewijde dienst aan de Oorspronkelijke Persoon in de cultivering van de yoga en wat zijn de verschillende spirituele methoden die daartoe leiden?  (20) Wat is de weelde van de yogameester, waar leidt die toe, hoe onthechten de yogi's zich van hun astrale lichamen en wat is de bovenzinnelijke kennis gevonden in de religiositeit rondom de historische verslagen en de vedische geschiedenissen? (21) Wat is de specifieke orde van al die tijdelijk levende wezens en hoe komt die tot een einde? Wat zijn de goede daden, rituelen alsook de regulerende beginselen wat betreft de religie, de middelen van bestaan en het behagen van de zintuigen? (22) Hoe komen al diegenen die ofwel verenigd zijn met de Heer dan wel tegen Hem ingaan tot stand en wat is de conditionering van diegenen die bevrijd zijn alsook van diegenen die een onbepaald leven leiden? 

(23) Zo zeker als de onafhankelijke Opperheer Zijn eigen spel en vermaak geniet vanuit Zijn eigen Innerlijk vermogen, geeft Hij, correct daarin, dat net zo makkelijk ook weer op, naar het externe van Zijn vermogen een getuige blijvend als de Almachtige. (24) Over dit alles en meer waar ik niet naar vroeg, o fortuinlijke, heb ik mij vanaf het begin verwonderd. Doe alstUblieft in overeenstemming met de waarheid, o grote wijze, verslag van wat u me, met allen hier aanwezig die u ten voeten zijn gevallen, wilt vertellen. (25) Zeker bent u in deze aangelegenheden van feitelijk weten zo goed als Brahmâ rechtstreeks voortkomend uit de Heer, terwijl anderen slechts volgen naar gebruik overeenkomstig wat er naar geleende kennis kan worden gezegd. (26) Ik wordt het nooit moe, o brahmaan, in de honger van mijn vasten, te drinken van de nectar van het onfeilbare dat voortvloeit uit de oceaan van uw spraak .' " 

(27) Sûta Gosvâmî zei: "Hij [S'ukadeva] aldus verzocht door de koning aangaande onderwerpen van de hoogste waarheid als deze, was, als instrument van de Schepper, zeer verheugd deze dienaar van Vishnu te ontmoeten. (28) Hij zei dat deze Purâna in navolging van de Veda's genaamd het Bhâgavatam, door de Allerhoogste Heer voor Heer Brahmâ werd in de geest geschonken door de Allerhoogste Heer precies aan het begin van het tijdperk waarin de Schepper zijn bestaan vond.' (29) Toen zette hij zich ertoe om een volledige beschrijving te geven van wat de koning, de beste van de Pându-dynastie, ook vroeg in zijn, van het begin tot het einde voortdurende, ondervragen."

 

Hoofdstuk 9

Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer

(1) S'uka zei: 'Zonder de sturing van de (Super-)ziel, o Koning, zal er nooit enig goed zijn in het bezielde bewustzijn van het voorbije in relatie tot het lichaam, dat dan voor de ziener volledig als in een droom is. (2) In de materie gedreven ervaren de vele gedaanten die tot stand blijken te zijn gekomen verschillende vormen van genoegen overeenkomstig de geaardheden van de materiële wereld en aldus denken ze over 'ik' en 'mijn'. (3) Wanneer ook maar daadwerkelijk, in zijn eigen glorie van overstijging aan de tijd van de materiële energie, hij [het levend wezen] geniet van het bevrijd zijn van misvattingen, dan, in die volheid, zal hij die twee opgeven. (4) 'De werkelijkheid van de ziel is het doel van de zuivering', is wat de Opperheer feitelijk de Schepper zei, hem Zijn gedaante tonende toen hij zich zonder wanbegrip in geloften en eerbetoon bevond. (5) Hij, de eerste goddelijke persoon in het universum, begon als de allerhoogste geestelijk leraar, vanuit zijn eigen goddelijke positie [op de lotus der schepping] na te denken over de aangelegenheid van waar die vandaan kwam en hij kon er niet achter komen wat de richtlijnen en manieren waren hoe alles materieel samengevoegd zou moeten worden.

(6) Toen hij op een keer verzonken was in het denken op deze manier, hoorde hij dat er twee lettergrepen werden gesproken welke de zestiende [ta] en de eenentwintigste [pa] van het spars'a-alfabet waren en, samengevoegd, bekend werden als de weelde van de wereldverzakende orde, o Koning [tapas betekent boete]. (7) Toen hij dat hoorde, keek hij overal om de spreker te zien, maar er was niemand te bekennen en vanwaar hij zat in zijn goddelijke positie bedacht hij toen dat het het beste was om aandacht te besteden aan het doen van boete zoals hem dat opgedragen was. (8) Met een smetteloze visie voor de tijd van een duizend godenjaren, verlichtte hij als de heerser over zowel het leven als het denken, al de werelden met het doen van een dergelijke boete in het verleden, waarin hij van al diegenen die boete doen degene was van de strengste praktijk.

(9) Voor hem manifesteerde de Allerhoogste Heer die tevreden was over zijn boete, Zijn eigen verblijfplaats [ookwel Vaikunthha genaamd, de plaats zonder vrees], waar voorbij geen andere wereld te vinden is en welke wordt aanbeden als de plaats waar de vijf vormen van ellende van het materiële leven [onwetendheid, zelfzucht, gehechtheid, afkeer en doodsangst] volledig zijn beëindigd met personen die zonder illusie en angst voor het bestaan van een volmaakte zelfverwerkelijking zijn. (10) Aldaar, voert de geaardheid goedheid de boventoon boven de andere twee van hartstocht en traagheid zonder dat ze er ooit mee vermengd zijn, noch is er daar de invloed van de tijd, de uitwendige energie - of wat te zeggen van [de invloed van] anderen; daar aanbidden zowel de verlichte als de onverlichte zielen de Heer als toegewijden. (11) Hemels blauw en gloeiend met lotusgelijke ogen, zeer aantrekkelijk en jeugdig met geelgekleurde kledij, hebben allen daar de vier armen en de luister van paarlen en pracht van verfijnde sieraden. (12) Sommigen stralen als koraal of diamanten, met hoofden vol oorbellen en bloemslingers bloeiend als een hemelse lotus. (13) Die plaats, stralend van de reeksen schitterende, hoog oprijzende, uitmuntende gebouwen en hemelse dames met lichtende teint van de grote toegewijden van de Heer, is zo mooi als een hemel gesierd met wolken en bliksemlicht. (14) De godin daar verricht toegewijde dienst aan de lotusvoeten van de Heer met behulp van de diverse parafernalia en een gevolg van de meest intieme metgezellen die, emotioneel bewogen door het gezelschap [van Apsara's] die hun toevlucht namen tot [het eeuwigdurende seizoen van] de lente, hun liederen zingen. (15) Daar omringt men de Heer van de gehele gemeenschap der toegewijden, van de godin, van het Universum en het offer - de Almachtige, die in bovenzinnelijke liefde gediend wordt door de meest vooraanstaande metgezellen zoals Sunanda, Nanda, Prabala en Arhana. (16) De dienaren vol genegenheid met hun gelaat naar Hem opgeheven zijn dronken door de zeer aangename aanblik van Zijn glimlach, rood doorlopen ogen, Zijn gezicht met Zijn helm en oorbellen, Zijn vier handen, gele kleding, Zijn borst met merkteken en de Godin van het Geluk aan Zijn zijde. (17) Gezeten op Zijn hoogst kostbare troon geniet Hij, begeleid door de weelde van Zijn vier [materie, oorspronkelijke persoon, intellect en ego] zestien [de vijf elementen, waarnemende en werkende zintuigen en de geest] en vijfvoudige energieën [de zinsobjecten van vorm, smaak, geluid, geur en aanraking] en andere persoonlijke vermogens die Hij soms tentoonspreidt [de acht siddhi's of mystieke vermogens], waarlijk van Zijn verblijfplaats als de Allerhoogste Heer.

(18) De Schepper van het Universum die overweldigd was door de aanblik van dat gehoor was in zijn hart vol van extase en met zijn lichaam vol van goddelijke liefde boog hij zich met tranen in zijn ogen neer voor de lotusvoeten van de Heer - een voorbeeld welk gevolgd wordt door de grote bevrijde zielen. (19) Toen Hij hem voor zich aanwezig zag achtte Hij de waardige, grote geleerde geschikt voor het scheppen van de levens van alle levende wezens naar Zijn heerschappij zelve en mild glimlachend richtte Hij zich met verlichtende woorden tot zijn partner in de Goddelijke liefde, hem zeer vergenoegd de hand schuddend. (20) De Allerhoogste Heer zei: 'In tegenstelling tot de boete van hen die valselijk verenigd zijn, ben Ik hoogst tevreden over de lang volgehouden boete waarvan, in uw verlangen te scheppen, zich de vedische kennis in u verzamelde.(21) Al Mijn zegen voor u, vraag Mij, de schenker van alle zegeningen, slechts welke gunst u ook maar van Me wenst, o Brahmâ, daar het uiterste van Mijn realisatie het ultieme succes is van een ieder zijn boetedoeningen. (22) Deze benijdenswaardige blik op Mijn verblijfplaatsen mag u feitelijk ervaren vanwege uw onderworpen luisteren in het doen van boete terwille van het voorbije. (23) Het werd door Mij afgeroepen daar u in raadselen verkeerde over uw plicht. Die boete grijpt Mij rechtstreeks in het hart en de ziel aan en is voor degene die erin verwikkeld is mijn feitelijke identiteit, o zondeloze . (24) Middels die boete schep Ik, voorzeker trek Ik me met die boete ook terug en wederom handhaaf Ik, middels die boete, de kosmos; Mijn macht wordt gevonden in strikte boetedoening'.

(25) Brahmâ zei: 'Allerhoogste Heer van alle levende wezens, U bent de regisseur gezeten in het hart die ongehinderd, met Uw superieure intelligentie, weet van alle ondernemingen. (26) Desondanks vraag ik U, o Heer, alstUblieft verlicht mij in mijn verlangen om kennis te nemen van Uw verblijf in het voorbije en nederdalen in Uw gedaante zoals we dat mogen kennen, hoewel U Zelf zonder vorm bent. (27) En hoe combineert en herschikt U door Uw eigen vermogen, vanuit Uw eigen Zelf, de verschillende krachten inzake de vernietiging, opwekking, aanvaarding en handhaving? (28) O Mâdhava [meester van alle enegieën], stel me alstUblieft in de juiste bewoordingen in kennis van al die [vormen] waaraan U feilloos gestalte geeft met de vastberadenheid van een spin die [over zijn eigen web] waakt. (29) Moge ik door U als de Opperheer die me dat onderricht middels Uw handelingen door uw genade daarom nimmer daadwerkelijk gevangen raken in de materie, hoewel zeker handelend als Uw instrument in het scheppen van de levens der schepselen. (30) O Heer, zoals een vriend dat doet met een vriend hebt U me aanvaard voor het scheppen van de verschillende levens van de levende wezens; o mijn Heer, mogen al diegenen die onverstoord in de dienst aan U het licht van de wereld zien, er nooit aanleiding toe geven dat ik gek wordt van verbeelding daarover, o Ongeborene.

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'De kennis over Mij verkregen is zeer vertrouwelijk en wordt gerealiseerd in combinatie met toegewijde dienst en haar noodzakelijke parafernalia; probeer er slechts mee aan te vangen zoals Ik het je uitleg. (32) Laat die feitelijke realisatie er zijn door Mijn grondeloze genade, zoals waargenomen in het transcendentale bestaan van Mijn eeuwige gedaante met haar diverse verschijningen en kwaliteiten. (33) Ik bestond daadwerkelijk hiervoor [vóór het scheppen van deze levens] en niets anders dan het Allerhoogste zou de oorzaak zijn van het effect van alles wat men ziet, terwijl ook Ik het ben die overblijft van al dit geschapene; dàt is wat Ik ben. (34) Dat wat zich als waardevol voordoet, is niet wat het schijnt te zijn als het niet met Mij in relatie staat - ken Mijn begoochelende energie als een afschaduwing, als duisternis. (35) Precies zoals de elementen van het universum zowel in het kleinste als in het gigantische verschijnen vóór ze in gang gezet zijn zowel als erna, ben ook Ik Zelf, zowel in hen als niet in hen. (36) Zonder twijfel moet de student van de ziel in deze mate een studie maken van de Werkelijkheid van het Principe, op zowel een directe als indirecte manier, in welke tijd, ruimte of omstandigheid dan ook. (37) Als de concentratie van je denken gefixeerd blijft op deze conclusie over het Allerhoogste hoef je niet bang te zijn voor zelfgenoegzaamheid, noch in het tijdelijk verloren gaan noch als je tijd teneinde is."

(38) S'uka zei: "Na aldus volledig onderricht te hebben gegeven, verdween de Ongeborene, Heer Hari, zoals Hij door de leider van de levende wezens [Brahmâ] gezien werd in Zijn bovenzinnelijke gedaante van het Absolute. (39) Op het verdwijnen begon Brahmâjî, met gevouwen handen voor de Heer, het doel van alle zinnen, de levens van alle levende wezens die het universum vullen gestalte te geven, precies zoals hij dat voorheen deed. (40) Zo gebeurde het op een keer dat hij, de vader van alle levende wezens en het religieuze leven, zich vol van geloften en respect zette aan de kwestie van het welzijn van de levende wezens, dat verlangende in het belang van hun eigen goede kwaliteiten. (41) Het is Hem aan wie Nârada, de meest dierbare van de ervende zoons, zeer gehoorzaam is en bereid is dienst te verlenen bij het goede gedrag van zijn zachtgeaardheid en zinsbeheersing. (42) Met zijn verlangen om te weten over Vishnu, de Heer van alle energieën, behaagde de grote wijze en eersteklas toegewijde, o Koning, zijn Vader [Heer Brahmâ] zeer. (43) Nadat hij de tevredenheid van de overgrootvader van het hele Universum zag, ondervroeg Nârada Muni hem, op dezelfde manier zoals u mij aan het ondervragen bent. (44) Daarop werd dit verhaal [samengevat in de vier verzen 33-36] van de Fortuinlijke met zijn tien eigenschappen [zie verder volgende hoofdstuk], met grote voldoening uiteengezet door de Allerhoogste Heer die het de zoon vertelde, de schepper van het universum. (45) Nârada onderrichtte dit Allerhoogste van de Geest, aan de grote wijze, de meditatieve Vyâsadeva met zijn immense capaciteit, aan de oever van de Sarasvatî, o Koning. (46) Al de dingen die u me vroeg wat betreft de wereld van de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon en andere aangelegenheden, zal ik u nu zeer gedetailleerd beschrijven."

 

Hoofdstuk 10

Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen

(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [Bhâgavatam] zijn er [tien soorten van] uitspraken over het volgende: de schepping van het universum, de secundaire schepping, de verschillende werelden, ondersteuning [door de Heer], de sturing van het creatieve, de wisselingen van de Manu's, het opvolgen van goddelijke aanwijzingen, de terugkeer naar God, het vinden van bevrijding en het Hoogste Goed [beschrijving van de handelingen van Heer Krishna]. (2) Met het doel het Hoogste Goed recht te doen worden de symptomen van de andere negen in dit [Bhâgavatam] beschreven middels vedische gevolgtrekking of meer rechtstreekse verklaringen of samenvattingen gegeven door de grote wijzen. (3) De vijf grofstoffelijke elementen, de objecten van de zinnen en de zintuigen zelve met inbegrip van het denken geven aanleiding tot de manifestatie welke het geschapen universum van de Schepper [sarga] wordt genoemd, terwijl de resulterende activiteiten van de interactie naar de geaardheden ervan de secundaire schepping [visarga] wordt genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden is de glorie van de Heer van Vaikunthha, Zijn ondersteuning is Zijn grondeloze genade, het bestuur van de Manu's regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting en de sturing van het creatieve gaat over de geneigdheid tot vruchtdragende activiteiten (karma). (5) Het zoals gezegd volgen naar goddelijk onderricht handelt over de verschillende vertellingen die de handelingen van de nederdalende Heer beschrijven en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God gaat over het rusten in de Oorspronkelijke Persoon van de zielen tezamen met de energieën, terwijl bevrijding het opgeven van andere vormen [van bestaan] betreft terwille van het permanente van de eigenlijke Oorspronkelijke.

(7) Hij is van zowel de kosmische manifestatie als de terugkeer ervan naar God, de bron van waaruit alles plaatsvindt en zodoende wordt Hij het reservoir van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd. (8) Van het zijn als de persoonlijkheid in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is Hij zowel de beheersende Godheid [adhidaivika] als de persoon daarvan onderscheiden als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (9) Degene die ziet dat een ieder van de drie niet begrepen is in de afwezigheid van één van de anderen, weet dat Hij de ziel is die in deze spirituele indeling zijn eigen toevlucht vormt. (10) Bij het scheiden van de Universa [expanderend in de tijdruimte] trad Hij als dezelfde Oorspronkelijke Persoon buiten Zichzelf om te rusten in de [oorzakelijke] wateren, daarbij het geschapene het meest zuivere van de transcendentie toewensend. (11) In dat in Zichzelf verblijven voor een duizendtal van Zijn goddelijke jaren, staat Hij wat betreft het Zichzelf scheppen bekend onder de naam Nârâyana [het pad, de leidraad van God in relatie tot de mensen], daar Hij rustend in de causale wateren voortkwam uit de Oorspronkelijke Persoon. (12) De elementen der materie, de activiteiten, de tijd en zeker ook de levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij verwaarlozing. (13) Op Zichzelf bestaand wenste Hij, vanuit Zijn mystieke sluimering, de variëteit en genereerde Hij aldus de gouden glans van de vruchtrijke halfgod voor de geschapen uitwendige energie volmaakt in haar drie kenmerken.

(14) Laat me u nu vertellen over hoe de Heer als enkel de Ene het vermogen van Zijn heerschappij verdeelde in drie godheden die heersen over de zintuiglijke, beheersende en belichaamde wezens. (15) Voortkomend uit de ether binnen het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich de energie van de zinnen, de geesteskracht en de lichaamskracht en toen de levensadem [de prâna] die heerst over een ieder. (16) De in al de levende wezens werkzame zinnen die op de vgerschillende tekenen van leven reageren, vinden hun vrede zoals de onderdanen van een koning ophouden te ondernemen als die ophoudt. (17) De levenskracht die geprikkeld is genereert vanuit het Allerhoogste innerlijk honger en dorst en als eerste, teneinde die dorst te lessen en die honger te stillen, opende zich de mond. (18) Van de mond openbaarde zich de tong waarna de verschillende smaken zich manifesteerden die ermee konden worden genoten. (19) Met de behoefte om te spreken kwam er van het Allerhoogste het vuur van zowel de geluidstrillingen als het spreken, maar omdat Hij in ruste was in de wateren, bleef dat voor een zeer lange tijd opgeschort. (20) In de neusgaten ontwikkelde zich de beweging van de ademhaling waarop door het verlangen van de neus te functioneren, de zin tot het ruiken van geuren tot stand kwam. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis manifesteerde, met het verlangen om al de komende manifestaties van Zijn bovenzinnelijk lichaam waar te nemen, zich voor Zijn zien de Zon om alle ogen het gezichtsvermogen te schenken. (22) Ernaar verlangend om van de wijzen hun inzicht dat te begrijpen wat Hij wilde weten, manifesteerden zowel de oren zich naar de sturing van het vermogen tot luisteren als de objecten ervan. (23) Door het verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, raakte de tastzin over de huid met de lichaamsbeharing verspreid en vanwege het door de aanraking van die huid vanbinnen en vanbuiten hebben waargenomen van de objecten der zintuigen, manifesteerden de drie heersende godheden zich eveneens.

(24) Naar de verschillende vormen van arbeid uitziend, manifesteerden door hen zich Zijn handen, maar om de manipulatie die van hen [de handen en de godheden] afhankelijk was kracht bij te zetten vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan. (25) Verlangend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu], die de verschillende levende wezens motiveert naar de plichten overeenkomstig hun vruchtdragende bezigheden [het karma], Zichzelf manifesteerde. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het gekoesterde van het lustmatige zijn bestaan dat de toevlucht voor hen beide vormt [beheerst door de Prajâpati]. (27) Er naar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, er kwam terwille van de toevlucht van hen beide. (28) Het wensend zich overal te verspreiden in verschillende lichamen, manifesteerde zich uit het ene lichaam de navel waarna die de plaats werd vanwaar afgezonderd het op een einde lopen van de vitaliteit en de dood werd gevonden. (29) In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de rivieren en de zeeën van de ingewanden en de aderen zijn oorsprong alsook de bron van de hen onderhoudende stofwisseling. (30) Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] en zodoende de werkelijkheid der vastberadenheid en het verlangen werd gevonden. (31) De zeven elementen van de nagels, huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem er is van de ether, het water en de lucht [zie ook kosha]. (32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie, welke zodoende de geest beïnvloeden waarna alle gevoel volgt dat vorm geeft aan de intelligentie en haar willen vanuit de ziel.

(33) Van dit alles wordt de vorm van de Allerhoogste Heer, zoals ik dat u heb uitgelegd, gekend in de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] van al de werelden en wat erbij hoort, die een onbeperkte materiële uitwendige bedekking vormen. (34) Daarom zijn er, voor het allerhoogste van dat wat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat wat zonder een begin, zonder een tussenstadium en zonder een einde en dus eeuwig is, de woorden van het denken naar het transcendentale. (35) Geen enkele van deze vormen aangaande de Allerhoogste Heer zoals ik het u beschreef worden, vanwege hun uitwendige manifestatie, ooit voor het ware aangezien door de geleerden van het bewustzijn. (36) Hij aanvaardt door Zijn incarnaties en activiteiten, Zijn transcendentale kwaliteiten en navolging, als de Opperheer van de Geest, in het spel en vermaak van Zijn vormen het werk van de transcendentie dat vrij is van materiële belangen. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen zoals ervaren door de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [voorvaderen] en Siddhaloka [volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [zangers van de hemel], Vidyâdhara's [wetendschappers], Asura's [onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen, de slang-achtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [plaats van de moeder], de demonen en Pis'âca's [gele vleesetende duivels], alsook de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, die van het goede en slechte gesternte, zowel als de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en stilstaande levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit warmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle anderen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden, er met hen allen is als gevolg van daden in het verleden [karma].

(41) Naar de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid hebben we dus de drie van het goddelijke, het menselijke en zij die lijden en zelfs anderen, o Koning, als men het verdeelt in het zich bewegen in gewoonten ontwikkeld in ieder van de drie in relatie tot de andere twee. (42) Zonder twijfel neemt Hij, de Handhaver van het gehele universum, in dezen de vorm aan van de principes der rechtschapenheid, teneinde na de schepping van de universa, de goddelozen, zij die menselijk zijn en de goddelijken weer voor zich op te eisen. (43) Op het eind van het tijdperk zal al dat met Hem is volledig worden vernietigd door vuur in de vorm van Rudra [S'iva de vernietiger], zoals de wind dat na verloop van tijd doet met wolken. (44) Met deze kenmerken betreffende de aangelegenheid van schepping en vernietiging wordt door de grote transcendentalisten de Allerhoogste Heer beschreven, maar de grote toegewijden verdienen meer te zien van de hoogste glorie van deze kenmerken alleen. (45) Nimmer wordt aangaande de kwestie van het scheppen enzovoorts, het Allerhoogste in het voorbije aanwezig beschreven als zijnde de doener, want dat [idee van het bekleden van een verheven postie] is er om tegenwicht te bieden aan wat door de materiële energie tentoon wordt gespreid. (46) Dit alles is slechts illustratief voor de regulerende beginselen waarmee de Schepper tewerk gaat voor de duur van zijn tijd [beschreven als een dag van Brahmâ] en de duur van de universa. Hierin wordt, samengevat, het genereren van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping gegeven.(47) Het precieze afmeten van de tijd naar zijn vorm en symptomen van een dag van Brahmâ [kalpa] zal ik u uitleggen na u allereerst in kennis te stellen van dit tijdperk van Zijn nederdalen [ookwel de Pâdma Kalpa genaamd].' "

(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde ons uit uw goede zelf over Vidura, die één van de besten der toegewijden is, zoals hij vertrok naar de pelgrimsoorden op deze aarde, de verwanten achterlatend die men zo moeilijk op kan geven. (49-50) O zachtgeaarde, alstUblieft vertel ons hier over de nieuwe dingen die Vidura besprak met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is en al wat hij nog meer Zijne genade vroeg en van hem beantwoord kreeg toendertijd. Waarom gaf Vidura eigenlijk zijn activiteiten en metgezellen op en waarom keerde hij nadien weer terug naar huis?"

(51) Sûta antwoordde: "Alstublieft luister terwijl ik u uitleg waar de grote wijze [S'uka] over sprak in zijn beantwoorden naar aanleiding van de vragen van koning Parîkchit."

 

Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam

 

CANTO 3: De Status Quo

 

Hoofdstuk 1

De vragen van Vidura

(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging na het verzaken van zijn leven in welstand: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'

(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals op prijs gesteld door de zoekers der waarheid.'

(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'uka deva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevredengesteld vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.

(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het voeden was had hij, zich nooit op het rechte pad bevindend, zijn gezichtsvermogen verloren met de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optredend als hun voogd. Hij deed hen het huis van schellak binnengaan welk hij aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel gegeven door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra]. (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna voor hen verscheen in de vergadering als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, van al de zinnige mannen door de koning niet serieus genomen in het wegkwijnen van het laatste restje van hun vroomheid.

(10) Toen [voorheen] Vidura naar het paleis werd geroepen ging hij daar binnen om raad te geven op verzoek van natuurlijk de oudere broer [Dhritarâshthra] en het advies dat hij toen gaf was precies geschikt voor wat de ministers van staat met zijn instructies wisten te waarderen: (11) 'Geeft nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, voor wie u waarlijk bevreesd zou moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ zijn nu opgenomen door de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de brahmanen en de goddelijken nu hier is tezamen met Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu-dynastie, die met Hem een ongekend aantal koningen overwon. (13) Hij [Duryodhana], deze overtreding in eigen persoon, met het idee van hem als uw zoon in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke, terwijl hij, verstoken van alle goedheid, gekant is tegen Krishna - dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo gauw mogelijk opgeven.'

(14) Nadat Vidura aldus sprak werd hij daar door Duryodhana aangesproken die, rood aangelopen van woede en met trillende lippen, in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten beledigde: (15) 'Wie heeft hem gevraagd hier te zijn, die doortrapte zoon van een bijslaap, die opgroeide levend op het onderhoud van hen met wie hij de positie inneemt van een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Consequent zette Vidura op zijn beurt zijn boog bij de deur en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door de uitwendige energie; maar ondanks deze voor het oor ernstige pijlen, treurde hij er niet over en voelde hij zich prima.

(17) Na de Kaurava's verlaten te hebben, bereikte hij van Hastinâpura vertrekkend, de vroomheid van de Allerhoogste Heer in het nemen van zijn toevlucht tot pelgrimages, enkel de hoogste graad van toewijding verlangend zoals gevestigd door al die duizenden beeltenissen. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding waar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de vormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich alleen voort over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde doorkruisend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding kon men hem niet herkennen in de uitdossing van een bedelaar tewerkgaand volgens de geloften de Heer te behagen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1-13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos verbrand door vlam te vatten door zijn eigen wrijving, waarop hij, stil voor zichzelf denkend, westwaarts ging naar de rivier de Sarasvatî. (22) Daar aan de oever van de rivier bezocht hij en naar behoren aanbad hij de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Er waren daar eveneens andere plaatsen gevestigd door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de belangrijkste ieder klein deel van de tempels markeerde - hetgeen reeds van een afstand bezien al deed denken aan Heer Krishna. (24)Vandaar komend door het welvarende koninkrijk van Surat, Sauvîra en Kurujâñgala (het westen van India), gebeurde het dat, toen hij na enige tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].

(25) Hij omhelsde de sobere en zachtgeaarde constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel ondervroeg hij hem over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna & Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En, o Uddhava, is onze grootste Kuru en zwager, Vasudeva [de vader van Heer Krishna], die waarlijk als een vader is voor zijn zusters en zo vrijgevig is in het naar hun genoegen voorzien van zijn vrouwen in alles wat ze verlangen, gelukkig? (28) Alsjeblieft, zeg me of de militaire hoofdaanvoerder van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is, o Uddhava - hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevredenstellen van de brahmanen, geboorte schonk als prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's van de Vrishni-familie van het Das'ârha geslacht in de Bhoja-dynastie? Hij is degene die van Heer Krishna de hoop op de troon terugkreeg nadat hij het had moeten opgeven op een afstand gezet te zijn [door oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde onder alle strijders, aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] zo rijk in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva? (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die leerde van Arjuna en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en eveneens voorzeker door het leveren van dienst tot de bestemming van het Transcendentale kwam die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is? (32) En de goed onderlegde foutloze zoon S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem - hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof, de symptomen vertonend van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja; zij [Devakî] die geboorte gaf aan Vishnu zoals de moeder der halfgoden [Aditi] dat deed die uit haar eigen baarmoeder de God voortbracht op de manier zoals de Veda's er kwamen voor het verspreiden van de bedoeling van het offeren. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God geheel gelukkig die van jullie allen de bron van alle verlangens is, Aniruddha, die van oudsher is aanvaard als het geboortekanaal van de Rig-Veda, de schepper van de geest en de transcendentale vierde volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [vishnu-tattva]? (35) En, o ootmoedige, zijn anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ, die het Goddelijke van hun eigen zelf als de ziel aanvaardden, in het navolgen met een absoluut geloof, ook allemaal goed in het doorbrengen van hun tijd?

(36) Handhaaft Yudhishthhira met de principes van het menszijn het religieuze respect onder de bescherming van de armen van Arjuna en de Onfeilbare; met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, wekte hij de afgunst van Duryodhana. (37) En liet de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede los op de zondaren? Het slagveld kon zijn tred op het pad van het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots niet verdragen. (38) Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters met zijn boog de Gândîva en die zo vele vijanden versloeg, gaat het goed met hem? Eens behaagde hij Heer S'ivadoor hem met pijlen te bestoken toen S'ivazich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En is het spel van de tweeling zoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] zorgeloos, beschermd als ze zijn door hun broers als oogleden die ogen beschermen met hun teruggrissen van hun eigendom in het gevecht met de vijand, zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra? (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven; zij wijdde haar leven aan de zorg voor de vaderloze kinderen, levend zonder koning Pându, die in z'n eentje als een bevel voerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.

(41) O zachtmoedige, ik beklaag slechts hem [Dhritarâshthra] die afglijdend nadat zijn broer [Pându] stierf in opstand kwam en mij, die hem het beste wenste, verdreef uit mijn eigen huis in het aannemen van dezelfde gedragslijn als zijn zoons. (42) Daarom reis ik zonder door de ogen van de gewone man herkend te worden door deze wereld van de Heer, welke voor anderen zo verbijsterend is om te beheersen, naar de genade van Zijn voeten, welke ikzelf nooit uit het oog verloor zonder twijfel zijnde in deze aangelegenheid. (43) Natuurlijk, wachtte Hij ermee, wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [door de hindernissen van het zelf, de anderen en de wereldse invloed] en die voortdurend de aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, als de Allerhoogste Heer van de Kuru's en eropuithet lijden van de overgegevenen weg te nemen, hen te doden ondanks hun overtredingen. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld is, is er om korte metten te maken met de parvenu's zodat allen tot begrip mogen komen; voor welk doel zou Hij anders een lichaam aanvaarden en allerlei soorten van karma? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden van de Heer van alle heilige plaatsen die voor het belang van het ongeborene geboorte nam in de familie van de Yadu's en aan wie alle heersers van het universum zich overgaven in de beheersing van Zijn eigen Zelf. 

 

Hoofdstuk 2

Terugdenken aan Krishna

(1) S'uka zei: 'De grote toegewijde [Uddhava] ondervraagd door Vidura over wat aangaande de meest dierbare kon worden gezegd, kon eerst, zo sterk als hij ernaar uitzag, niet antwoorden vanwege zijn grote bezorgdheid bij het terugdenken aan de Heer. (2) Hij was iemand die in zijn kindertijd op vijfjarige leeftijd, door zijn moeder aan het ontbijt geroepen, er niets van wilde weten omdat hij midden in het spel van het dienen [van Heer Krishna] was. (3) Uddhava groeide op die manier op in dienstbaarheid en dat was in de loop van de tijd nooit minder geworden; toen hem enkel werd gevraagd over Hem te vertellen, herinnerde hij zich alles van de Heer Zijn lotusvoeten. (4) Voor een ogenblik verviel hij in een dodelijke stilte door de nectar van de voeten van de Heer; sterk als hij was en goed gerijpt in de verbondenheid van de toewijding, raakte hij volledig geabsorbeerd door de liefde van de goedheid ervan. (5) Ieder deel van zijn lichaam vertoonde de tekenen van bovenzinnelijke extase en met het bedwingen van de tranen in zijn ogen omdat hij Hem miste, ontdekte Vidura dat hij Zijn uitgebreide liefde volledig in zich had opgenomen. (6) Langzaam keerde hij terug naar de aarde uit het verwijlen met de Heer en zijn tranen wegwissend sprak Uddhava vol gevoel tot Vidura vanuit al die herinneringen.'

(7) Uddhava zei: 'De zon van Krishna is ondergegaan verzwolgen door die grote slang die het verleden is. Wat kan ik anders zeggen over ons welzijn met het verdwijnen van het huis van mijn familie? (8) Hoe onfortuinlijk is deze wereld en in het bijzonder de Yadu-dynastie die samenlevend de Heer niet beter herkenden dan dat de vissen de maan herkennen. (9) Wel bekend met de kennis en hoogst ervaren, waren zijn eigen mannen Zijn toegewijden, die zich met Hem als het hoofd van de familie ontspanden en [alleen maar] over Hem konden denken als Hij die achter alles zat. (10) De uiterlijke illusie van de Godheid infecteerde hen allen en ook de anderen die hun toevlucht zochten tot het onware in de verbijstering van hun intelligentie - maar de woorden van hen werken nooit zo door in de zielen van diegenen in volledige overgave aan de Heer. (11) Door zich te vertonen aan personen die zonder boete en de vervulling van idealen leefden ging Hij over tot het feit van zijn verdwijnen, Zijn eigen vorm aan het gezicht van het publiek onttrekkend. (12) Zijn vergankelijkheid was precies gepast voor Zijn spel en vermaak waarin Hij de macht van Zijn magie vanbinnenuit toonde die leidde tot de ontdekking van Zijn wonderen, Zijn opperste weelde en het ultieme ornament der ornamenten van Zijn voeten.

(13) Het is de gedaante welke zeker van koning Yudhishthhira's koninklijke offerande [râjasûya] het gezicht werd dat het geheel van de drie werelden behaagde, waarmee Hij, daarbij de positie innemend van normale mensen in de materiële wereld, zodoende vandaag in de wereld de zich bezinnende intelligentie [Brahmâ] heeft voorbij gestreefd (14) Na het hebben verworven van de gehechtheid aan Hem, die werd aangewakkerd door lachen, grappige spelletjes en zijdelingse blikken, kwamen inderdaad de aangedane dames van Vraja die Hem hadden gevolgd met hun ogen, in stille overpeinzing neer te zitten zonder hun huishoudelijke taken af te maken. (15) Voor de toegewijden geplaagd door anderen die naar het materiële begrip leven, verscheen de Ongeborene, de al-barmhartige Heer en heerser over het spirituele en materiële, begeleid door het geheel van Zijn metgezellen, als de Allerhoogste Heer als was Hij vuur.

(16) Met Zijn verbijsterende geboorte uit het ongeborene ben ik er ontdaan over hoe Hij thuis bij Vasudeva in Vraja leefde alsof Hij bang was voor de vijand [oom Kamsa] en hoe Hij, de Onbegrensd Machtige, uit de stad Mathurâ vluchtte [de hoofdstad waar Krishna verbleef na Kamsa verslagen te hebben]. (17) Het doet me pijn te moeten denken aan dit wat Hij in Zijn respectbetoon aan de voeten van Zijn ouders zei: 'O moeder, o vader, in grote angst voor Kamsa hebben we gefaald in onze dienstverlening, wees alstUblieft tevreden over ons!' (18) Wie nu, die eenmaal het stof in zijn neus heeft van Zijn lotusvoeten, is in staat Hem te vergeten die slechts met het optrekken van Zijn wenkbrauwen de last van de wereld de genadeslag gaf ? (19) Natuurlijk kon u, vanuit uw eigen goede zelf zien hoe, gedurende Yudhishthhira's koninklijke offerande, de koning van Cedi [S'is'upâla] ondanks dat hij jaloers was op Krishna, de volmaaktheid bereikte welke ten volle waarlijk wordt verlangd door de yogi's die middels hun yoga het kunnen verdragen van Hem gescheiden te zijn. (20) En ook anderen die zeer zeker vechters waren in de menselijke samenleving en die Krishna's zeer aangenaam ogende lotusgezicht en ogen zagen op het slagveld dat door Arjuna's pijlen werd gezuiverd, hebben Zijn hemels verblijf bereikt. (21) Hij is niemand minder dan de unieke en hogere Heer van de drievoudige werkelijkheid door wiens onafhankelijkheid het opperste fortuin wordt bereikt en voor wiens voeten alle verlangens hun helmen neerbuigen in de aanbidding met alle toebehoren zoals aangevoerd door de eeuwige handhavers van de orde. (22) Derhalve doet het ons als dienaren in Zijn dienst pijn, o Vidura, om te zien hoe Hij voor Koning Ugrasena [hij die door Kamsa buiten spel werd gezet], die op zijn troon in afwachting neerzat, Zichzelf onderwierp zeggende: 'O mijn Heer, alstUblieft, bezie het op deze manier'.

(23) Helaas tot wiens beschutting moet ik anders mijn toevlucht nemen die mij verzekert van een grotere genade dan Hij die, ondanks het trouweloze van de demone [Pûtanâ] die uit afgunst haar borst dodelijk vergiftigde voor het voeden, haar de positie toekende van een moeder? (24) Ik denk dat de tegenstanders die vijandigheid koesteren jegens de Heer van het Drievoudige, grote toegewijden zijn verzonken als ze zijn in de gedachte aan het gevecht waarin ze Hem op Zijn drager konden zien aankomen met Zijn wiel. (25) Geboren uit Devakî in de gevangenis van de koning van Bhoja [Kamsa], kwam de Heer om welvaart te brengen op aarde zoals er voor werd gebeden [door de Schepper]. (26) Daarna werd Hij groot gebracht op de weidegronden van Zijn [pleeg-]vader Nanda, waar Hij uit angst voor Kamsa, tezamen met Baladeva [Balarâma] elf jaar lang werd gehouden zoals men een vlam beschut. (27) Omringd door koeherdersjongens en kalveren weidend trok de Almachtige rond langs de oevers van de Yamunâ door tuinen waarin het getjilp van hemelse vogels weerklonk in de vele bomen aldaar. (28) Met het vertoon van Zijn jeugd konden Zijn activiteiten alleen worden gewaardeerd door de inwoners van Vraja, het land van Vrindâvana, waar Hij net als andere kinderen huilde en lachte en met verwondering geslagen was eruitziende als een leeuwenwelpje. (29) Voorzeker als de liefde van de weelde aan koeien en de bron van schoonheid, verlevendigde Hij, terwijl Hij die schoonheden hoedde, de koeherdersjongens door op Zijn fluit te spelen. (30) De grote tovenaars die door de koning van Bhoja waren ingezet om iedere vorm aan te nemen die ze wilden werden in de loop van Zijn spel en vermaak gedood toen ze ten tonele verschenen, precies zoals een kind dat met poppen doet. (31) [Om de inwoners van Vrindâvana te helpen] van hun stuk zijnde door het drinken van vergif [van de slang Kâliya in de Yamunâ], onderwierp Hij de aanvoerder der reptielen en liet Hij, nadat Hij uit het water kwam, de koeien ervan van drinken om te bewijzen dat het weer in zijn natuurlijke staat verkeerde. (32) Verlangend de weelde van Nanda, de rijkdom van de koning der koeherders, naar behoren te gebruiken, liet Hij ze met de hulp van de brahmanen de koeien en het land aanbidden [in plaats van Indra]. (33) Indra boos over de belediging deed hoogst verstoord zware regen neerstromen op Vraja waartegen de koeherders door de genadevolle Heer werden beschermd met de [Govardhana] heuvel die in Zijn spel dienst deed als paraplu, o nuchtere Vidura. (34) In de herfst achtte Hij, in de nacht helder van het maanlicht, het ter vermaak van de vrouwen een genoegen om als de schoonheid in hun midden aangename liederen te zingen.

 

Hoofdstuk 3

Het spel en vermaak van de Heer buiten Vrindâvana

(1) Uddhava zei: 'Toen na die tijd de Heer naar de stad Mathurâ kwam, wenste Hij Zijn ouders al het beste toe [ze bevrijdend uit de gevangenschap], na samen met Baladeva de aanvoerder der publieke vijandschap [Kamsa] van de troon gesleurd en gedood te hebben door hem met grote kracht op de grond te trekken. (2) Hij leerde alle Veda's na er slechts één keer van gehoord te hebben, ze in detail bestuderend onder begeleiding van zijn leraar Sândîpani Muni, die hij met de zegen van zijn eigen zoon beloonde door deze van de dood terug te halen uit het rijk der verscheiden zielen [Yamaloka] dat vanbinnen is. (3) Uitgenodigd door de dochter van koning Bhîshmaka [Rukminî], nam Heer Krishna allen die overeenkomstig het gebruik kandidaat waren om met haar te trouwen en daartoe waren gekomen met de verwachting van dat fortuin, Zijn eigen deel weg door haar te ontvoeren zoals Garuda dat doet met de voeten van de Heer op zijn kop. (4) In een open wedstrijd voor de verkiezing van de bruidegom voor Prinses Nâgnajitî onderwierp Hij zeven wilde stieren en won Hij haar hand, maar de dwazen die niettemin haar wilden in hun teleurstelling, doodde en verwonde Hij zonder Zelf schade te lijden, goed uitgerust als Hij was met alle wapens. (5) Vanwege het feit dat Hij, als een gewoon levend wezen alleen maar Zijn geliefde echtgenote een plezier probeerde te doen, die wenste dat Hij de pârijâta heester [uit de hemel] bracht, ging Indra, de Koning van de Hemel, met alle macht tegen Hem in, in blinde woede, op de kop gezeten natuurlijk door zijn eigen vrouwen.

(6) De zoon van Narakâsura die fysiek de ether wilde beheersen werd door Zijn Sudars'ana Cakra [de werpschijf] gedood, maar daarom gebeden door moeder aarde gaf Hij aan zijn zoon terug wat van hem was weggenomen, waarop Hij het huis betrad. (7) Daar stonden al de prinsessen die waren gekidnapt door de demon, meteen voor Hem klaar en aanvaardden ze Hem met vreugde, verlegen in de gehechtheid van hun halsreikende blikken. (8) Hij accepteerde de hand van al de vrouwen tegelijkertijd, hoewel ze in verschillende appartementen woonden, met een volmaakt ritueel exact met hen overeenstemmende door Zijn intern vermogen. (9) Verlangend Zich uit te breiden verwekte Hij met een ieder van hen een tiental kinderen die allen in alle opzichten waren zoals Hijzelf.

(10) Kâlayavana, de koning van Magadha [Jarâsandha], Koning S'âlva en anderen die met hun soldaten Mathurâ hadden omsingeld, doodde Hij niet, persoonlijk de macht van Zijn soort bewijzend. (11) Van S'ambara, Dvivida, Bâna, Mura, Balvala en anderen als Dantavakra en soortgelijken, doodde Hij er enkele, terwijl Hij ervoor zorgde dat de anderen werden gedood [door Balarâma b.v.].

(12) Daarna werden van beide partijen van je neven in de slag van Kurukshetra de koningen gedood die de aarde deden schudden onder de kracht van hun heen en weer rijden. (13) Hij beleefde geen genoegen aan de aanblik Karna, Duhs'âsana en Saubala, die van hun geluk en levensduur waren beroofd door de slechte raad van Duryodhana, met hun gevolg en al hun macht met gebroken ledematen neer te zien liggen. (14) 'Wat is dit', zei de Heer toen met de hulp van Bhîshma, Drona, Arjuna en Bhîma en achttien akshauhinî's [een leger bestaande uit tien anikini's, ofwel 21.870 olifanten, 21.870 strijdwagens, 65.610 paarden, en 109.350 man voetvolk] Hij de enorme last van de aarde had teruggedrongen, 'Er is nog steeds het ondraaglijke van de grote macht van de Yadu-dynastie. (15) Ze zullen verdwijnen als onder invloed van drank een onderlinge strijd zal plaatsvinden welke hun ogen rood als koper zal maken; er is geen ander alternatief om Me hiervan op Mijn verdwijnen te verzekeren.' (16) Aldus voor Zichzelf denkend zette de Allerhoogste Heer Zelve Yudhishthhira op de troon van zijn eigen koninkrijk, Zijn vrienden blijmakend met het uitduiden van het pad der heiligen.

(17) De afstammeling van Pûru [Parîkchit] verwekt uit de baarmoeder van Uttarâ door de held Abhimanyu, zou zeker verbrand zijn door het wapen van de zoon van Drona als de Opperheer hem beschermend dat niet zou hebben afgewend [zie S.B. 1: 7 & 8]. (18) De Almachtige bewoog de zoon van Dharma [Yudhishthhira] ertoe om ook drie paardoffers te brengen en daarmee bijgestaan door zijn broers beschermde en genoot hij de aarde als een trouwe volgeling van Krishna.

(19) De Allerhoogste Heer en Superziel van het Universum naar gebruik het pad der vedische principes volgend, genoot van de lusten des levens in de stad Dvârakâ, zonder, in navolging van het analytische van de yoga [Sânkhya], gehecht te raken. (20) Zachtmoedig en met zoete glimlachen en woorden nectar gelijk, verbleef Hij daar, met Zijn smetteloze karakter, in het geluk van Zijn bovenzinnelijke lichaam. (21) Hij, de Yadu's behagend, genoot deze aarde en zeker ook de overige werelden, in de rust van de nacht met de vrouwen een vriend zijnd in de echtelijke liefde.(22) Op die manier, gedurende vele, vele jaren, genoot Hij het huishoudelijk bestaan van de [zinnelijke] eenheid op grond waarvan Zijn onthechting ontwaakte. (23) Zoals met Hemzelf, wordt het genieten van de zinnen van welk levend wezen dan ook beheerst door het goddelijke, waarin men vertrouwen kan stellen door zich te verbinden in de dienst aan de Heer van de Yoga.

(24) In de stad Dvârakâ hadden eens de prinselijke nazaten van Yadu en Bhoja een streek uitgehaald en zich zo de woede van de wijzen op de hals gehaald die hen vervloekten zoals de Heer dat gewenst had. (25) Een paar maanden later begaven de afstammelingen van Vrishni, Bhoja en anderen als de zonen van Andhaka, begoocheld door Krishna, zich opgetogen naar het pelgrimsoord genaamd Prabhâsa. (26) Daar namen ze een bad en betoonden ze ook zeker bij dat water hun voorvaderen, de goden en de grote wijzen hun respect. Toen schonken ze in koninklijke vrijgevigheid koeien aan de brahmanen. (27) Voor hun levensonderhoud verschaften ze hen ook goud, gouden munten, beddengoed, kleding, zetelbedekkingen, dekens, paarden, strijdwagens, olifanten, meisjes en land. (28) Na de brahmanen te voorzien van hoogst kostelijk voedsel dat eerst aan de Opperheer was geofferd, brachten de heldhaftige vertegenwoordigers, voor het heil van hun goede leven, de koeien en de brahmanen hun eerbetuigingen door de grond met hun hoofden te beroeren.'

 

Hoofdstuk 4

Vidura Wendt Zich tot Maitreya

(1) Uddhava zei: 'Na, met de permissie van de brahmanen, te hebben genomen van de offers dronken zij [de Yadu's] sterke drank waarmee ze hun geest bedierven en elkaar in het hart raakten met ruwe bewoordingen. (2) Tegen zonsondergang, zagen zij die hun evenwichtigheid van denken hadden verloren als gevolg van de missers door die bedwelming, hoe de vernietiging van de bamboestokken [waarmee ze elkaar begonnen te bevechten] plaats vond. (3) De Allerhoogste Heer, die vanuit Zijn innerlijk vermogen het einde had voorzien, ging naar de rivier de Sarasvatî en na te nippen van het water ging Hij onder een boom zitten. (4) De Heer der overgegevenen die alle leed wegneemt had me gezegd, dat ik inderdaad naar Badarikâs'rama moest gaan om jou te zien aangaande Hem die ernaar uitzag Zijn eigen familie te vernietigen. (5) Niettemin ging ik tegen Zijn wens in de Meester achterna, o onderwerper van de vijand [Vidura], niet in staat het te verdragen gescheiden te zijn van Zijn lotusvoeten . (6) Ik zag Hem, mijn Beschermheer en Meester, alleen neerzitten diep in gedachten, Zijn toevlucht zoekend bij de godin aan de oever van die rivier, terwijl Hij geen toevlucht hoeft te zoeken. (7) Prachtig met Zijn zwartachtige kleur, van zuivere goedheid en vreedzaam met Zijn rooduitziende ogen, kon Hij worden herkend als hebbende vier armen en gele zijden kledij [Vishnu]. (8) Met Zijn rechtervoet op Zijn dijbeen rustend tegen een jonge banyanboom zag Hij er heel opgewekt uit, Zijn huiselijke gemakken achter zich gelaten hebbend.

(9) Op dat moment kwam [Maitreya,] een grote toegewijde en volgeling van Krishna Dvaipâyana Vyâsa [Vyâsadeva], een weldoener en vriend die de drie werelden bereisde, op eigen gelegenheid daar [eveneens] op die plek aan. (10) Terwijl de wijze, die gehecht aan Hem voorover gebogen stond in een houding van eerbied, vol van aandacht toeluisterde, liet Hij, met vriendelijke blikken en glimlachen, me uitrusten en sprak Hij tot me. (11) De Opperheer zei: 'Ik weet vanbinnenuit wat je in de dagen van weleer verlangde toen de welvarenden die deze wereld opbouwden hun offers aan het brengen waren. Ik geef je dat wat door de anderen zo moeilijk te bereiken is, o welgestelde: de associatie met Mij waarnaar je verlangt als het uiteindelijke doel van het leven. (12) Dit leven nu is van al je incarnaties, o oprechte, de vervolmaking daar je Mijn genade hebt bereikt; omdat het vanwege Mij is dat je, in de afzondering van het verlaten van de werelden der mensen, te zien kreeg wat je in je niet aflatende toewijding zag [: Vaikunthha]. (13) Lang geleden, bij de aanvang van de Schepping, stelde ik Brahmâ op de lotus die uit Mijn navel kwam op de hoogte van de kennis van het allerhoogste van Mijn bovenzinnelijke heerlijkheden, verduidelijkend wat de godvruchtigen het Bhâgavatam noemen.'

(14) Op die manier begunstigd door het feit dat Hij zich tot mij richtte, zag ik, omdat ik voortdurend het object was van de genade van de Allerhoogste Persoon, in mijn emotie mijn haren recht overeind staan en zei ik met mijn ogen wazig van het wissen der tranen, met gevouwen handen: (15) 'O mijn Heer, voor hen die naar Uw voeten leven, welke zo moeilijk te verwerven zijn, is het in deze wereld allemaal een kwestie van die vier doelen van het leven [dharma, artha, kâma, moksha; religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en bevrijding], maar niettemin geef ik daar niet de voorkeur aan, o Grote, daar ik mij er alleen maar om bekommer Uw lotusvoeten te dienen. (16) Hoewel U zonder verlangens bent kent U allerlei soorten van activiteiten; hoewel U ongeboren bent neemt U niettemin geboorte; hoewel U de heerser over de eeuwige Tijd bent, zoekt U Uw toevlucht tot de vesting uit vrees voor Uw vijanden en hoewel U behagen schept in Uzelf leidt U een huiselijk bestaan in het gezelschap van vrouwen; dit verbijstert de intelligentie van hen die leerden in deze wereld. (17) Hoewel U nooit verdeeld bent onder de invloed van de tijd, wendt U, in Uw eeuwige intelligentie o Meester, zich tot mij voor advies, alsof U het niet meer weet terwijl dat nooit zo is; dat doet mij versteld staan, o Heer. (18) Als U mij er afdoende voor geschikt acht, onthul me dan, alstUblieft mijn Heer, tot in detail het geheel van de kennis, het mysterie en de opperste verlichting van Uw eigen Zelf, zoals U dat, als de Allerhoogste Heer om de oceaan van ellende over te steken, Brahmâjî hebt verteld.'

(19) Op die manier door mij aanbeden uit het diepst van mijn hart, instrueerde Hij, de lotusogige Opperheer van het voorbije, mij over Zijn bovenzinnelijke positie. (20) Aldus heb ik, onder de aanwijzingen van de Meester, de werkelijkheid van de ziel aanbeden en bestudeerd, het pad doorgrondend door Zijn Lotusvoeten te respecteren en bereikte ik, na Hem te hebben omlopen, deze plek met droefenis in mijn hart als gevolg van de gescheidenheid. (21) Derhalve, mijn beste [Vidura], doet het me zonder het genoegen Hem te zien nu pijn en zal ik zoals opgedragen door Hem naar Badarikâs'rama [in de Himalaya's] gaan terwille van de associatie. (22) Het is daar dat Nârâyana in de incarnatie van Zijn menselijkheid en Zijn Opperste Goddelijkheid [Nara en Nârâyana] als een wijze beminnelijk voor een ieder een lange tijd zware boete deed terwille van het welzijn van alle levende wezens.'

(23) S'rî S'uka zei: 'Van Uddhava horend over het ondraaglijke van de vernietiging van zijn vrienden en verwanten, bracht de geleerde Vidura, door middel van bovenzinnelijke kennis, zijn opkomende droefenis tot bedaren. (24) Bij het vertrek van de grote toegewijde van de Heer en beste onder de Kaurava's, legde Vidura in vertrouwen het volgende voor aan de belangrijkste in de toegewijde dienst van Krishna. (25) Vidura zei: 'De Heer van de Yoga lichtte je in over het mysterie van de transcendente kennis van de eigen ziel - vertel het me nu zelf uit je goedheid teneinde Vishnu en de dienaren die rondtrekken terwille van anderen waardig te kunnen zijn.' (26) Uddhava zei toen: 'Wendt je tot de aanbiddelijke wijze, de zoon van Kushâru [Maitreya] die hier in de buurt verblijft en die rechtstreeks door de Heer werd geïnstrueerd toen hij de sterfelijke wereld achter zich liet.'

(27) S'rî S'uka zei: ' Op die wijze de nectar besprekend van de Universele Persoon Zijn kwaliteiten, was Vidura er enorm door overweldigd daar aan de oever van de Sarasvatî rivier en na zo de nacht in een oogwenk doorgebracht te hebben, ging de zoon van Aupagava weg.'

(28) De koning [Parîkchit] vroeg: 'Hoe kon het zo zijn dat na de vernietiging die over de Vrishni en Bhoja dynastie kwam, de grote leider die vooropging onder hen, de prominente Uddhava de enige was die overbleef nadat de Heer Zijn spel en vermaak had afgerond als de Meester over de drie werelden?

(29) S'rî S'uka zei: 'De vervloeking [van de Yadu dynasty] door de brahmanen was slechts een verzoek, in feite was het de [Heer Zijn] trefzekere verlangen een eind te maken aan de overmaat van Zijn eigen familie waarna Hij Zijn Universele verschijning opgaf en bij Zichzelf dacht: (30) 'Na uit deze wereld te zijn verdwenen zal de kennis over Mij en Mijn toevlucht zeker rechtstreeks Uddhava ten deel vallen, die momenteel de meest vooraanstaande van de toegewijden is. (31) Uddhava is niet in het minst aan Mij ondergeschikt daar hij nooit is aangedaan door de materiële geaardheden en derhalve mag overblijven als de meester van de kennis over Mij om die in deze wereld te verspreiden'. (32) Na op die manier op volmaakte wijze door de geestelijk leraar en bron van alle vedische kennis onderricht te zijn bereikte hij [Uddhava] Badarikâs'rama en was hij gelukkig in zijn verzonkenheid in de Heer. (33) Vidura vernam eveneens van Uddhava over hoe Krishna, de Superziel, op buitengewone wijze een vorm had aangenomen terwille van de gang van zaken in de wereld en eveneens zeer zegerijk Zich er bovenuit werkte. (34) Het is voor de vasthoudende grote wijzen alsook voor de anderen zeker moeilijk Zijn binnengaan in het lichaam te begrijpen en voor de beestachtigen is het simpelweg een geestelijke stoornis. (35) Dit gold ook voor hemzelf, o beste onder de Kuru's, toen hij er aan terugdacht hoe Krishna aan hem had gedacht, en met de Fortuinlijke vertrokken, barstte hij in tranen uit overweldigd door de vreugde der extase.

(36) O beste onder de Bharata's, Vidura die op die manier zijn dagen had doorgebracht aan de oever van de Yamunâ [zie 3: 1.24], bereikte daarna de heilige wateren der Ganges alwaar hij, de zoon van Mitra [in de zin van een incarnatie zijn van Yamarâja als de zoon van een s'ûdra, zie 1.13: 15], de wijze Maitreya ontmoette. 

 

Hoofdstuk 5

Vidura spreekt met Maitreya

(1) S'rî S'uka zei: 'Aan de bron van de hemelse rivier [de Ganges], zat de beste van de Kuru's, Vidura die nader tot de Onfeilbare was gekomen, voor Maitreya Muni neer, wiens kennis peilloos was, en met een volmaakt respect stelde hij beleefd vragen vanuit zijn voldoening in de bovenzinnelijkheid. (2) Vidura zei: 'Terwille van het geluk is iedereen in deze wereld bezig met vruchtdragende activiteiten, maar door die activiteiten bereikt men nooit het geluk of een ander idee van tevredenheid, in tegendeel, op die manier vindt men zeker het ongeluk. Alstublieft, o grootste, wees zo goed ons in te lichten over wat de juiste benadering is onder welke omstandigheden. (3) Vanwege hun mededogen met de gewone man, die zijn gelaat afwendde van Heer Krishna en die onder de invloed van de materiële wereld altijd ongelukkig is met het verwaarlozen van zijn plichten jegens God, trekken de grote zielen van opoffering rond voor het heil van de Heer der drie werelden. (4) Derhalve, o grootste onder de heiligen, instrueer me alstUblieft over het pad ten gunste van het volmaakt dienen van de Allerhoogste Heer die, verblijvend in het hart van de levende wezens, de zuivere toegewijden beloont met de kennis van de primaire werkelijkheid waardoor men van de geschiedenis leert [de Veda]. (5) Hoe stelt de Allerhoogste Heer en heerser over de drie werelden die aan Zichzelf genoeg heeft, hoewel Hij zonder verlangens is, middels Zijn transcendentale activiteiten in het gecreëerde universum, de regulerende beginselen in terwille van de handhaving ervan? (6) Hoe kan Hij, terugkerend naar Zijn vorm in het universum, daarin neerliggen zonder Zich te bekommeren over Zijn bestaan als de Heer der Vereniging die de enige ware oorspronkelijke bezitter is naar wie talloze anderen dienovereenkomstig het bestaan binnen gaan? (7) Waarom is het zo dat, in het vertonen van Zijn spel en vermaak voor het welzijn van de tweemaal geborenen, de koeien en zij die toegewijd zijn, en met Zijn tewerk gaan in verschillende incarnaties, het denken nooit voldaan is ondanks het voortdurend horen over de onderliggende gunstige eigenschappen van de Heer? (8) Door de werkelijkheid van welke differentiatie plant de Koning aller koningen en werelden van de laagsten af aan met hen daarin voorzeker de existentie zoals die zich voordoet van de levende bestaansvormen in hun verschillende bezigheden? (9) En, beschrijf ons alstUblieft o leider onder de brahmanen, hoe de Heer van de mens, Nârâyana, maatregelen trof, terwille van hen die geboren zijn, voor de differentiatie van hun betrekkingen, de specifieke vormen ervan alsook hun verspreide culturen.

(10) O mijn Heer, ik hoorde bij monde van Vyâsadeva herhaaldelijk over het hogere en lagere van deze bezigheden, maar ik ben maar weinig tevreden over het geluk daaraan ontleend zonder te horen van de nectar van de verhalen over Krishna. (11) Wie kan er bevrediging vinden[zonder de nectar]; door de gesprekken die de oren bereiken over de reis naar de voeten, wordt, door Hem die in de samenleving als zodanig wordt aanbeden door de grote toegewijden, de gebondenheid van de mens in zijn genegenheid voor zijn familie doorsneden! (12) De wijze Krishna Dvaipâyana Vyâsa, die ook uw vriend is, heeft de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Opperheer in de Mahâbhârata beschreven die er alleen maar is om de aandacht van de mensen die behagen scheppen in het luisteren naar wereldse onderwerpen weg te trekken in de richting van de verhalen van de Heer. (13) Dat belang van geloof zal onverschilligheid teweegbrengen voor andere zaken; hij die zich voortdurend de voeten van de Heer heugt heeft de gelukzaligheid bereikt die zonder meer alle misère uitbant. (14) Ik heb het te doen met al de onwetende zieligheid van die zieligen die door hun zonden in verval verkeren van waakzaamheid jegens God en die de jaren van hun leven verspillen met nutteloze filosofische oefeningen, denkbeeldige doelen en een diversiteit aan rituelen. (15) Derhalve, o Maitreya, het goede fortuin behartigend van een ieder, beschrijf ons alstUblieft wat de essentie is van al de onderwerpen: de verhandelingen over de Heer die als de nectar van bloemen het glorieuze is van het pelgrimeren. (16) Alstublieft verhaal over alles wat betrekking heeft op de transcendentale bovenmenselijke handelingen die door de Heer zijn volbracht middels Zijn aanvaarden van incarnaties die zich toespitsen op het handhaven van het geschapene van Zijn universum.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus deed de grote wijze in de Heer, Maitreya, Vidura de grote eer dit voor hem uiteen te zetten met het oog op het uiteindelijke welzijn van allen. (18) S'rî Maitreya zei: 'Alle zegen voor u, o goedgeaarde, het feit dat u het me vraagt voor het heil van allen is bewijs van de goedheid van uw genade om de heerlijkheden van de ziel in het Transcendentale van de geest in deze wereld te verkondigen. (19) Het verbaast me niet u hier te vinden, zonder afwijkingen in uw denken, in het aanvaarden van de Allerhoogste Persoonlijkheid onze Heer, o Vidura, daar u werd geboren uit het zaad van Vyâsa. (20) U bent degene die geboren werd dankzij de vloek van de machtige wijze Mândavya Muni als de incarnatie van Yamarâja, de heerser over de dood, uit de dienstmaagd van de broeder [Vicitravîrya] en de zoon [Vyâsadeva] van Satyavatî [zie stamboom]. (21) U, uwe goedheid, wordt gerekend tot de eeuwige metgezellen van de Heer, die, op Zijn terugkeer naar Zijn woning, mij de kennis en opdracht heeft gegeven u te instrueren. (22) Derhalve zal ik u systematisch het spel en vermaak uit de doeken doen met betrekking tot de Allerhoogste Heer Zijn enorm uitgebreide uitwendige energie voor de handhaving, schepping en beëindiging van de kosmische werkelijkheid.

(23) De ene en Allerhoogste Heer was er voorafgaand aan de schepping als de ziel van de levende wezens in het beheersen van het zelf en opgegaan in het verlangen ervan wordt Hij gezien als zijnde verschillend met verschillende kenmerken. (24) Te dien tijde werd Hij met dit alles niet gezien als de onbetwiste eigenaar in de kosmische schepping en dacht men over Hem dat Hij niet bestond met Zijn volkomen deelaspecten ongemanifesteerd naar de macht van Zijn manifeste innerlijk vermogen. (25) De uitwendige energie wordt door de perfectie van de ziener, die de Heer is, gezien als de macht van de werking van oorzaak en gevolg en wordt de mâyâ [of de illusoire invloed der materie] genoemd, o fortuinlijke, waaruit de Almachtige deze wereld heeft opgebouwd. (26) Het Opperste Levende Wezen bezwangerde, door de incarnatie van de Oorspronkelijke Persoon, welke de volkomen expansie is van de oorspronkelijke ziel, door het zaad van de levende wezens, onder de invloed van de tijd, de uitwendige energie in het zijn van de Transcendentie naar de geaardheden van mâyâ. (27) Daaropvolgend kwam, door de interactie van de tijd, uit het ongemanifesteerde, het totaal van de zuivere goedheid tot stand dat kon wortelen in het belichaamde om het hoogste licht van volledige universa te manifesteren. (28) Dat eindtotaal - welk eveneens moet worden beschouwd als een volkomen expansie van de ziel naar de geaardheid en de tijd - differentieerde, als het vergaarbekken van de wezens in wording, zich in de vele verschillende vormen van het gezichtsbereik van de Persoonlijkheid van God en hiervan zag men het verlangen te scheppen tot stand komen.

(29) Het grote van de causale waarheid [mahat-tattva], getransformeerd in de materiële werkelijkheid van het valse ego, gaf aanleiding tot effecten, de materiële oorzaak en de doener en aldus ontsprongen aan de zintuigen van het zelf de materiële ingrediënten van de drie soorten van vals ego bekend als de geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid die men vindt op het mentale vlak. (30) Door omvorming van deze werkelijkheid, door interactie met de geaardheid goedheid, werd de geest gegenereerd en kwam ook door deze interactie het fenomeen van al de goddelijken tot stand die de bron vormen van de materiële kennis. (31) De zinnen zijn zeker van de geaardheid hartstocht en zo is dat dus ook in hoofdzaak waar voor de kennis van zaken en vruchtdragende activiteiten die erbij komen kijken. (32) Uit de traagheid werden de subtiele zinsobjecten [van het geluid] gerealiseerd en daarvan kan de ether worden gezien als de symbolische representatie van de Opperziel. (33) De Allerhoogste Heer die, als de [cyclische] tijd de uitwendige energie vermengend, met Zijn blik de ether bestrijkt, schiep van de aanraking van het in contact komen met de ether de lucht. (34) De lucht, eveneens getransformeerd door de uiterst machtige ether deed toen het bliksemen [de bio-electriciteit] der zintuiglijke gewaarwording ontstaan en dat gaf op die manier het licht van de wereld om te zien. (35) Het interacteren van de lucht en de blik van het Allerhoogste met die electriciteit schiep door de tijdmix van de materiële energie de smaak [voor het leven] in water. (36) Vervolgens kwam het geëlectrificeerde water, als gevolg van het omvormende overzien door het Allerhoogste van de aarde, tot de kwaliteit van de geur in het gedeeltelijk vermengen van de cyclische [eeuwige] tijd met de uitwendige materiële energie.

(37) Begrijp dat, te beginnen met de ether, alle materiële elementen, en o allervriendelijkste, het grote aantal van hun superieure en inferieure kwaliteiten, de laatst gelegde hand zijn van de Allerhoogste. (38) De goddelijken van al deze fysieke elementen zijn deel en geheel van Vishnu en worden belichaamd als deel en geheel van het cyclische van de tijd naar de uitwendige energie. Omdat ze vanwege hun verschillende verplichtingen niet in staat zijn [tot de volledigheid] spreken ze fascinerende gebeden uit voor de Heer. (39) De goddelijken zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan Uw lotusvoeten, o Heer, in nood gaven we ons aan hen over daar ze de beschermende paraplu zijn die beschutting biedt aan de grote wijzen die met alle macht al de grote vormen van ellende van het materiële leven in z'n geheel over boord zetten. (40) O Vader, vanwege het feit dat in deze materiële wereld, o Heer, de individuele zielen altijd in verlegenheid verkeren door de drie vormen van ellende [voortkomend uit jezelf, anderen en de natuur] zijn ze nooit gelukkig, maar in het winnen van Uw (Super-)ziel, o Allerhoogste, de schaduw van Uw lotusvoeten, zijn ze vol van de kennis en vinden ze beschutting. (41) Bij iedere stap hun toevlucht nemend tot de voeten der pelgrimage, vinden zij die speuren naar uw lotusgelijke gezicht er de bescherming die wordt gedragen op de vleugelen der vedische hymnen van de wijzen aan de beste der rivieren [de Ganges], wiens helderheid van geest bevrijdt van de terugslagen der zonde. (42) De meditatie die met geloof en door eenvoudig te luisteren alsook door toewijding het hart zuivert met de kracht van de kennis der onthechting, verplicht hen die tot vrede kwamen te gaan voor het heiligdom van Uw voeten. (43) Laten wij allen, terwille van de geboorte in, de standvastigheid met en het internaliseren met de pijnigende materiële werkelijkheid, de beschutting zoeken van de incarnaties van Uw lotusvoeten die de toevlucht zijn, o Heer, en die de moed van de toegewijden met heugenis beloont. (44) Vanwege het verstrikt raken en aldus verkeren van het materiële lichaam in de geest van 'ik' en 'mijn', zijn wij als personen verzonken in een ongewenste volijver en zien we U als ver van ons staand hoewel we in Uw [universele] lichaam aanwezig zijn; laat ons daarom Uw lotusvoeten aanbidden, o Heer. (45) Zij [Uw voeten] zijn er zeker voor diegenen onder de materiële invloed die door hun zintuiglijke waarneming vervreemd zijn van het innerlijke waarnemen, o Allerhoogste, en daarom nooit Uw grootheid kunnen zien, maar voor hen die Uw goddelijk handelen wel zien is er het genoegen van het transcendentale. (46) O Heer, zij die van een serieuze houding zijn komen eenvoudig door het drinken van de nectar van de verhalen tot verlichte toegewijde dienst, de volle strekking der verzaking en de intelligentie waarin zij snel de spirituele levenssfeer bereiken waar geen achteloosheid bestaat [Vaikunthha]. (47) Voor anderen van de bovenzinnelijke realisatie van het zich verenigen in de kracht van het machtig overwinnen van de materiële natuur, bent U ook die ene vredestichtende Oorspronkelijke Persoon waarin zij binnengaan, maar voor hen is het een hoop werk terwijl dat voor hen die U dienen niet zo is. (48) O Oorspronkelijke, daarom zijn we [nu] allen de Uwe; omdat voor het heil van de schepping der wereld wij de één na de ander geschapen werden en in het verleden gescheiden waren door onze eigen handelingen naar de drie geaardheden en zodoende, in het netwerk van onze eigen geneugten, niet in staat waren U te behagen. (49) O Ongeborene, leidt ons in ons pogen U op het juiste moment offers te brengen zodat we zowel de maaltijd kunnen delen alsook de voorzieningen voor U en zeker ook al degenen waar we mee leven, en dat we, met onze offerdiensten, daarmee het voedsel in vrede mogen genieten. (50) O Heer, U bent voor ons, de godsbewusten en onze orden, de ene en dezelfde oorspronkelijke grondlegger; U o Heer, hoewel U ongeboren bent, bent voor de energie, de oorzaak van de materiële geaardheden en de activiteiten werkelijk gelijk het ingebrachte zaad voor het verwekken van de variëteit. (51) O Allerhoogste Ziel, zeg ons wat wij, die allen werden geschapen van en voor de totaliteit van de kosmos, voor U zouden moeten doen, en gun ons in het bijzonder de visie van Uw persoonlijke plan en het vermogen, o Heer, te werken en te handelen overeenkomstig onze verschillende afdelingen [van statusoriëntaties en hun overstijging].

 

Hoofdstuk 6

Het genereren van de Universele Gedaante 

(1) De wijze [Maitreya] zei: 'Zo stond de Heer voor het feit dat in de vooruitgang van de universele scheppingen Zijn eigen vermogen in sluimering verkeerde als gevolg van het een gebrek aan orde. [zie 3.5.: 24] (2) Toen ging in één keer het oppermachtige vermogen de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: het denken, de intelligentie en het ego; vergelijk 2.4: 23] en stond bekend als Kâlî, de godin der vernietiging. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma. (4) Teweeggebracht door de combinatie van de drieëntwintig hoofdelementen wekte de wil van het Allerhoogste op die manier de activiteiten op middels Zijn persoonlijke volkomen expansie van de Universele Gedaante. (5) De Heer die met een volkomen deelaspect van Zijn eigen Zelf [Kâlî] al de elementen van de schepping binnenging, transformeerde Zich aldus tot de vormen waar Hij in combinatie toe kwam, waarin al het bewegende en niet-bewegende [der scheppingen] van de werelden zijn vrede vindt. (6) Hij, deze Vishnu Hiranmaya, de oorspronkelijke persoon, spreidde zichzelf zo voor een duizendtal hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] uit in de wereld in het water, daar verblijvend met alles wat er van Zijn goedheid was.

(7)Vanuit de actieve ziel vol van vermogen was die totaliteit van de levende energie van de gigantische vorm er zeker van het goddelijke zelf te verdelen ten opzichte van zichzelf als de eenheid die zich verhoudt tot het drie- en tienvoudige. (8) Dit voorzeker onbegrensde van de zielen van de levende wezens die deel uitmaken van de Superziel, is de eerste incarnatie waarop het geheel van al die levende wezens tezamen floreert. (9) De gigantische gedaante in drieën heeft betrekking op het fundament van het zelf [of de tijdruimte, âdhyâtma], het fundament van de goddelijkheid [van de lotus der schepping, de âdhidaiva], en het fundament van de wereld en haar schepselen [de âdhibhûta], het tienvoudige heeft betrekking op [de organen van] de levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6], en het één zijn heeft betrekking op het hart. (10) De heugenis van de begiftigde wezens van de Heer die voor Hem baden als de Transcendentie, had zo de schittering voor ogen van de gigantische vorm die er was voor hun begrip. (11) Luister nu naar hoe ik voor u beschrijf hoeveel belichamingen van halfgoden er daarom waren als de afgescheiden delen in deze contemplatie van Hem.

(12) Uit de mond van Zijn vuur [Agni] werden zo de lokale bestuurders van het materiële leven afgescheiden en in hun relatie met de ideeën van hun eigen afdeling ontstond de spraak waarmee ze zich uitdrukken. (13) Varuna, de godheid die de lucht beheerst scheidde zich van deze wereldse heersers af als het verhemelte en ging van de Heer [Zijn vermogen] het deel van de tong binnen en schonk het levend wezen de expressie in de smaak. (14) De twee As'vinî Kumâra's werden afgescheiden als de twee neusgaten van Vishnu en door het innemen van die positie kwam de desbetreffende ervaring van geuren tot stand [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Als Zijn ogen, de zon, ging de lokale heerser van het licht het gigantische binnen waarvan, naar de vormen, de ervaring van het deel van het zien tot stand kwam. (16) De huid onderscheidde zich van de Universele Gedaante, als de lokale heerser in de lucht [Anila, de Vasu van de wind] en ging zo als het ademende deel binnen, waarvan het levend wezen in staat is tot ervaren in aanraking. (17) Van de oren van de gigantische gedaante werden toen de heersers naar de oorspronkelijke richtingen afgescheiden die binnengingen met de principes van het horen waarmee de volmaaktheid van het geluid wordt ervaren. (18) Met de afzonderlijke manifestatie van de huid van de universele gedaante gingen de heersers van het gevoel en hun afdelingen binnen, waarvan met de haren op het lichaam [of de vegetatie] het levend wezen jeuk ervaart. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante werden afgescheiden kwam hij die de eerste is [Brahmâ, de Prajâpati] tot zijn positie en ging op die manier het deel van het zaad het bestaan binnen waarmee de wezens het genot [van de seks] ervaren. (20) De ontlastingsopening manifesteerde zich afzonderlijk waarmee de lokale heerser ervan met de naam Mitra met het deel van het uitscheidingsproces [de dood] binnenging en daarvan verricht het levend wezen zijn ontlastingstaken. (21) Naar de afzonderlijke manifestatie van de handen van de gigantische gedaante, vond Indra de heerser van het oorspronkelijke [de hemel] zijn bestaan met het deel van de handelsprincipes waarvan het levend wezen zijn zaken kan afhandelden. (22) Met de benen van de gedaante die toen afzonderlijk hun bestaan vonden, ging de plaatselijke orde van Vishnu binnen met zijn eigen deel van het vermogen tot beweging waarmee het levend wezen zich naar zijn bestemming verplaatst. (23) Met het zich onderscheiden van de intelligentie van het universele, vond de Heer van het gesproken woord [de Veda] zijn bestaan als de heersende macht die binnenging als dat deel van de intelligentie waarmee de ervaring van het begrijpen van dingen kon worden gerealiseerd. (24) Ook het hart van het Universele Wezen manifesteerde zich afzonderlijk als Candra, de orde van de maan, die binnenging als de heersende macht over de mentale activiteit waarmee het levend wezen beslissingen neemt en overeenkomsten sluit. (25) Het ego van het zich identificeren met de [materie van de] universele gedaante manifesteerde zich eveneens afzonderlijk, de positie innemend [als Rudra, Heer S'iva] met het deel van de activiteiten waarmee het levend wezen onderneemt in objectieve handelingen. (26) Toen ook de goedheid zich afzonderlijk manifesteerde van de universele gedaante, ging de beheersing over het geheel van de energie het bestaan binnen als het deel van Zijn bewustzijn waarmee het levend wezen specifieke kennis cultiveert.

(27) Van het hoofd van de Universele Gedaante met de hemelse werelden, de aardse werelden als Zijn benen en het belang van de ether van Zijn onderbuik, ontstonden de reacties op de drie geaardheden waarmee de halfgoden en anderen zich manifesteren. (28) In de overmaat van de geaardheid goedheid vonden de goddelijken hun plaats in de hogere posities terwijl al die menselijke wezens die leven naar de aard van hun hartstocht aan hen ondergeschikt zijn op aarde. (29) Al degenen die, in de overmaat van de derde geaardheid, van de aard [der traagheid] zich bevinden tussen die twee [van hemel en aarde] in, behoren bij de ether van Zijn navel tot de bevolking als de metgezellen van Rudra.

(30) De leiders van de vedische wijsheid, welke voortkwamen uit de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kurudynastie, werden, in hun toeneiging tot de orden in de samenleving [de roepingen], de zogeheten brahmanen, de erkende leraren of spirituele woordvoerders. (31) Zij die zich toen manifesteerden uit de armen [van de gigantische gedaante] waren de volgelingen [van de brahmanen] in relatie tot de macht der bescherming [de kshatriya's of bestuurders] die, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere beroepen bevrijden van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Uit Zijn dijen genereerde de Almachtige, voor de productie en distributie van de middelen van bestaan, de handelsgemeenschap [de vais'ya's] wiens beroep het is zorg te dragen voor de verschaffing voor een ieder. (33) Voor het vervolmaken van de plichten vanuit de benen van de Opperheer werd de dienst in het leven geroepen waarnaar het primaire belang van het beroep der arbeiders [s'ûdra's] werd gegenereerd waarmee de Heer wordt tevredengesteld. (34) Al deze orden van de samenleving naar de individuele plichtsbetrachtingen aanbidden met de leraren zelve de Heer door wie met geloof en toewijding een ziel tezamen met zijn beroepsmatige bezigheid zijn zuivering vindt.

(35) Wie, o Vidura, heeft een idee van de totaliteit van deze gedaante van het goddelijke werkzame Zelf van de Allerhoogste Heer, die zich manifesteerde door de kracht van de illusoire materiële eenheid [van Zijn innerlijk vermogen]? (36) Derhalve, o broeder, beschrijf ik, ondanks dit feit, de intelligentie voor zover begrepen uit het vernemen over de heerlijkheden van de Heer in lezingen van zuiverheid, anders zal het denken zich tot het onware wenden. (37) De Onvergelijkelijke wint men voor zich door besprekingen over de Allerhoogste Persoon Zijn fameuze handelingen, waarvan men in hun verheerlijking spreekt van nectargelijke transcendentie voor het oor en die, op schrift gesteld door de geschoolden, de ware bedoeling ten dienst staan van het nader tot elkaar komen. (38) De heerlijkheden van de Allerhoogste Ziel werden, mijn zoon, door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] na een duizendtal hemelse jaren gekend door een intelligentie gerijpt in meditatie. (39) Daarom wordt dat wat zelfs voor de manipulerenden een bekoorlijk goddelijk vermogen is, ook door de ziel die aan zichzelf genoeg heeft niet gekend; en wat dan te zeggen van anderen? (40) Van wie wij, niet in staat tot inschatting, ermee opgehouden zijn het te proberen met woorden en het denken, ego en al deze andere goden; Hem, de Allerhoogste Heer, bieden we onze respectvolle eerbetuigingen. 

 

Hoofdstuk 7

Verdere Vragen van Vidura.  

(1) S'rî S'uka zei: 'Op die manier met Maitreya Muni pratend, formuleerde de geleerde zoon van Dvaipâyana Vyâsa, Vidura, respectvol een verzoek. (2) Vidura zei: ' O brahmaan, hoe kan van de Opperheer, hoewel Hij van het volkomen geheel en het onveranderlijke is, het spel en vermaak plaatsvinden van handelen met de geaardheden der natuur terwijl Hij zich er Zelf buiten bevindt? (3) Jongens die met andere jongens willen spelen zijn geestdriftig wat betreft hun spel, maar in welk opzicht is dat anders met iemand die aan zichzelf genoeg heeft en te allen tijde onthecht is? (4) Ertoe aangezet het universum te scheppen met de drie natuurlijke geaardheden, handhaaft het Oorspronkelijke Zelf met het vermogen van de Allerhoogste Heer alles ervan en beëindigt het tegengesteld daaraan ook alles weer. (5) Hoe kan Hij, het Zuivere Zelf wiens bewustzijn, noch door Hemzelf, noch door anderen, noch door enige tijd, plaats of omstandigheid is versluiered, in de normale positie van een levend wezen verwikkeld zijn in onwetendheid? (6) De Ene Opperheer bevindt zich in alle levende wezens; door welke soort van activiteiten is er ofwel het ongeluk ofwel de belemmering van de levende wezens? (7) Hierover, o hooggeleerde, in onwetendheid lijdend, bezorgt mijn geest mij moeilijkheden en daarom, o allergrootste, neem de grote onzuiverheid van mijn denken weg.

(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, er op deze manier toe aangespoord door Vidura die zo bezorgd was over de realiteit, gedroeg zich als een grote wijze en deed alsof hij verbaasd was en gaf toen zonder aarzeling godsbewust antwoord. (9) Maitreya zei: 'Te beweren dat men van de Allerhoogste Heer in staat van illusie verkeert, dat van het eeuwig verloste van Zijn Heerlijkheid er onvolkomenheid zou zijn of het idee van gebondenheid, leidt tot een logische tegenspraak. (10) Van dat soort verwarring van het zich identificerende zelf van mensen is men op die manier beroofd van betekenis; alsof men van buienaf zichzelf ziet met het hoofd eraf gehakt. (11) Zoals vanwege de kwaliteit van water de erin gespiegelde maan rimpelt, vormt de kwaliteit van het lichaam een drogbeeld voor de getuige die ervan verschilt. (12) In dit bestaan neemt, in bhakti-yoga ten gunste van de Fortuinlijke, dat [begoocheld zijn] geleidelijk aan af, als men bij de genade van Vâsudeva tewerk gaat in onthechting. (13) Als de zinnen, van de waarnemende ziel die betrokken raakt in transcendentie tot de Heer, op die manier hun bevrediging vinden, is het volledig gedaan met de misère alsof men van een gezonde nachtrust heeft genoten. (14) Als men al een einde kan maken aan allerlei soorten van ellende door eenvoudig te luisteren naar de herhaalde verklaringen over de kwaliteiten van Murarî [Krishna als de vijand van Mura], wat kan men dan wel niet verwachten van het, zoals het hart het ingeeft, dienen van het stof van Zijn lotusvoeten?

(15) Vidura zei: 'O almachtige, u hebt mijn twijfels bestreden met het wapen van uw overtuigende bewoordingen o Heer, nu is mijn geest wat betreft beide [God en het levend wezen], o allerhoogste, tot een volmaakte eenheid gekomen. (16) O geleerde, u heb volkomen gelijk als u stelt dat [redeneren vanuit] de begoochelende energie van de Heer voor de ziel niet het juiste pad vormt; het bewijst zich als zijnde betekenisloos zonder de basis van de wortel van het Allerhoogste waarbuiten men het eenvoudig bij het verkeerde eind heeft. (17) In deze wereld genieten hij die het traagst van begrip is en hij die van een bovenzinnelijke intelligentie is het geluk, terwijl de personen die zich daartussen bevinden lijden. (18) Ingezien hebbend en overtuigd zijnd van dat wat niet essentieel is, van dat wat niet de ziel is, ben ik door de dienst van uw voeten, aldus in staat [de misvatting dat de Heer de oorzaak van de illusie zou vormen] op te geven. (19) In het dienen van de Persoonlijkheid van God die de onversaagde vijand van de demon Madhu is, ontwikkelt men, in verschillende relaties [râsa's] naar de voeten, het hoogst extatische dat het leed verdrijft. (20) Van hen die het er slecht van afbrengen qua versobering ziet men zelden dat ze zich op het pad van dienst bevinden naar het Koninkrijk Gods [Vaikunthha] waarin de Heer zonder ophouden door de goddelijken wordt verheerlijkt als de heerser over alle levende wezens.

(21) Na de schepping van eerst het volledige van de materiële energie, manifesteerde zich in een geleidelijk proces van differentiatie [evolutie] de universele gedaante tezamen met de zintuigen en organen waarin later de Almachtige binnenging [voor Zijn incarnaties]. (22) Hij die de Oorspronkelijke Persoon wordt genoemd heeft duizenden ledematen, benen en handen levend in al de werelden van het universum overeenkomstig de evolutie van ieder van hen. (23) U verklaarde hoe er drie verschillende soorten van leven zijn [naar de geaardheden] waarin men tien soorten van levenskracht met de [vijf] zinnen en hun [vijfvoudig] belang heeft; beschrijf me alstUblieft nu wat de specifieke capaciteiten zijn van de maatschappelijke onderverdelingen. (24) In dezen [in deze onderverdelingen] heeft, met de zonen en familieleden van de verschillende generaties, dat vermogen zich uitgespreid in verschillende vormen van bestaan. (25) Wie waren al de Manu's [hoofden van het tijdperk], en de navolgende generaties zeker ook, waartoe Hij was besloten als de eerste of de vader van de levende wezens [de Prajâpati, of Brahmâ] van de geslachten, en wie waren hun nakomelingen? (26) Welke werelden staan er aan het hoofd en welke aardse werelden bevinden zich daaronder, o zoon van Mitrâ; beschrijf alstUblieft wat hun situatie is en wat de uitgebreidheid van hun wereldse lokaties is. (27) Beschrijf me de generaties en onderafdelingen van het onmenselijke, menselijke en bovenmenselijke, zoals geboren uit reptielen [en vogels], uit baarmoeders, uit vocht, uit tweemaal geborenen en uit de aarde [de planten]. (28) Wees zo goed de incarnaties naar de geaardheden der materiële natuur te beschrijven voor de schepping, handhaving en vernietiging van het universum en de grootse activiteiten van de ene Persoonlijkheid van God die de uiteindelijke toevlucht vormt.

(29) Wat zijn naar de desbetreffende afdelingen van de statusoriëntaties van leeftijd en roeping in de samenleving de belichamingen, het karakter en de geboorten van de wijzen en hun activiteiten en de verdelingen van de Veda in categorieën? (30) En wat zijn de offers en methoden van de expansies van het yogavermogen, o meester, en wat is het pad van de toegewijde dienst, in het niet-materiële belang alsook in de analytische studie, in het zich verhouden tot de Persoonlijkheid van God met regulerende beginselen? (31) De wegen en onvolkomenheden der ongelovigen, zij die die zich tegendraads gedragen, en de situatie en bewegingen van de individuele zielen zoveel als die er zijn naar de geaardheden en de soorten van arbeid; wat zijn ze? (32) En wat zijn de, onderling niet strijdige, belangen van de religiositeit, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing, de middelen van bestaan, de regels van de wet, de schriftuurlijke voorschriften, en wat zijn de verschillende regulerende beginselen? (33) Hoe zijn de periodieke respectbetuigingen geregeld, o brahmaan, naar dat wat de voorvaderen tot stand hebben gebracht en hoe zijn de tijdsperioden ingesteld naar de planeten, de sterren en hemellichten? (34) Wat mag men verwachten van liefdadigheid, boetedoening en het aanleggen van vergaarbekkens en wat zijn de voorgeschreven plichten van iemand die van huis weg is of van een man die zich in gevaar bevindt? (35) Alstublieft beschrijf me, o zondeloze, hoe Hij als ofwel de Allerhoogste Persoon, de Vader van de Religie, de Heerser over Allen, of als al dezen tezamen, volledig kan worden tevredengesteld? (36) O beste onder de brahmanen, alstUblieft beschrijf de geestelijk leraren die zo genadig zijn voor de behoeftigen, en die hun volgelingen, hun leerlingen en zonen, zelfs dat vertellen waar ze niet om vroegen. (37) O allergrootste, hoeveel ontbindingen zijn er voor de elementen van de natuur, wie zijn zij die daarin vervolgens worden gered, en wie zijn zij die [van lof zijnde] zich bij Hem mogen voegen in Zijn sluimertoestand? (38) En wat is de wezensaard en identiteit van zowel de individuele persoon als het Allerhoogste, wat is het leidmotief van de vedische wijsheid en wat beweegt de goeroe en zijn leerlingen? (39) Hoe is, vanuit een persoon zijn toewijding alsook vanuit zijn onthechting, er op deze wereld de bron van de onafhankelijke spirituele kennis, zoals hooggehouden door de onberispelijke toegewijden?

(40) Ik stelde al deze vragen in het verlangen te weten van het spel en vermaak van de Heer; alstUblieft beantwoord ze voor mij als een vriend voor die onwetenden die hun visie verloren met de uitwendige energie. (41) Al de Veda's, offers, boetedoeningen en liefdadigheid, laten zich zeer zeker nog niet eens ten dele vergelijken met, o smetteloze, de geborgenheid die de individuele ziel wordt geboden door iemand die de kennis overdraagt [zoals u].

(42) S'rî S'uka zei: 'Hij [Maitreya], de eerste onder de wijzen zo goed bekend met de verhalen [Purâna's], was, aldus ondervraagd door de voornaamste onder de Kuru's afdoende tevredengesteld en geïnspireerd, en zo gestimuleerd over de onderwerpen betreffende de Heer, gaf hij Vidura glimlachend antwoord.'

 

Hoofdstuk 8

Manifestatie van Brahmâ uit Garbhodakas'âyî Vishnu.  

(1) S'rî Maitreya zei: 'De afstammelingen van Koning Pûru zijn zeker waardig het ware te dienen omdat hun koningen in hoofdzaak de Hoogste Persoonlijkheid zijn toegewijd; en ook met u die geboren bent in deze opeenvolging van toegewijde activiteit voor de Onoverwinnelijke, is er stap voor stap voortdurende vernieuwing. (2) Daartoe zal ik dit Bhâgavatam spreken, dit vedisch supplement welk rechtstreeks werd uitgesproken tot de wijzen door de Allerhoogste Heer ter verzachting van het grote lijden van de menselijke wezens die zo weinig geluk ervaren.

(3) De zoon van Brahmâ [Sanat-kumâra] deed, aan het hoofd van de grote wijzen [de vier kind-heiligen, de Kumâra's], net als u navraag over de waarheid aangaande de Oorspronkelijke Persoonlijkheid bij Heer Sankarshana [het eerste volkomen deelaspect en de eerste metgezel van de Heer] die onverschrokken van kennis verblijft aan de basis van het Universum. (4) Hij op die wijze gevestigd voor de meditatie van Hem die hogelijkst gewaardeerd wordt met de naam van Vâsudeva, had Zijn blik inwaarts gekeerd, maar voor de vooruitgang van de hoog geleerde wijzen opende Hij Zijn lotusgelijke ogen enigszins. (5) Met de haren op hun hoofden nat van het water van de Ganges beroerden ze de toevlucht van Zijn lotusvoeten die wordt aanbeden door de dochters van de slangenkoning met grote toewijding en verscheidene parafernalia in het verlangen naar een goede echtgenoot. (6) Met woorden en met veel gevoel in ritmische overeenstemming bij herhaling de activiteiten van de Heer verheerlijkend, verspreidde zich vanuit de duizenden van opgeheven kragen [van Ananta, de slangenkoning] de stralende gloed van de edelstenen van hun duizenden helmen. (7) Naar verluid sprak Hij vervolgens over de strekking van het Bhâgavatam met Sanat-kumâra die de gelofte van de yoga had afgelegd en werd het op verzoek ook verteld [op zijn beurt door hem], o Vidura, aan Sânkhyâyana die eveneens de eed had afgelegd. (8) Toen de grote wijze Sânkhyâyana als de belangrijkste der transcendentalisten die dit Bhâgavatam reciteren [daarna] uitleg gaf, werd hij gehoord door de geestelijk leraar Parâs'ara die ik volgde alsook door Brihaspati. (9) Hij [Parâs'ara] vertelde me vriendelijk van hart, op aanraden van de wijze Pulastya, de meest vooraanstaande der Purâna's welke ik ook voor U zal spreken, mijn beste zoon, daar u een immer gewetensvolle volgeling bent.

(10) Toen de drie werelden waren verzonken in het water lag Hij daarin met vrijwel gesloten ogen neer op het slangenbed Ananta en was Hij zonder enige interesse in het uiterlijke druk met het genoegen van Zijn innerlijk vermogen. (11) Hij, vanbinnenuit het lichaam der transcendentie, behield het subtiele van de materiële elementen als de ziel van de tijd [kâla], leven en energie gevend van Zijn eigen positie van verblijf in het water, op de manier waarop de macht van vuur is gelegen in het brandhout. (12) Voor een duizend keer vier yuga's [4.32 miljard jaar], lag Hij [hiervoor] met Zijn innerlijk vermogen ten ruste terwille van de verdere ontwikkeling - middels Zijn eigen kracht genaamd kâla [tijd] - van de hele wereld gebonden in vruchtdragende handelingen, hetgeen Hem in Zijn eigen lichaam er blauwkleurig deed uitzien [als de toevlucht van het levengevend water]. (13) Naar de bedoeling van Zijn innerlijke aandacht voor de subtiele kwestie, was er na de nodige tijd door de materiële activiteit van de geaardheden der natuur, het geagiteerde [van de oer-substantie] dat toen zeer subtiel [met organische vormen] het doorboren van Zijn buik [van de ether] genereerde. (14) Die knop van de lotusbloem, vanbinnen uit gegenereerd, verscheen mettertijd vrij plots, de vruchtdragende activiteiten opwekkend en, met zijn eigen uitstraling, de uitgestrekte wateren der vernietiging verlichtend gelijk de zon.

(15) Die lotusbloem die het universum is ging Vishnu in eigen persoon binnen als het reservoir van alle kwaliteiten waarvan, zo men zegt, Hij in het verleden de persoon der vedische wijsheid, de heerser van het universum of de uit zichzelf-geborene voortbracht. (16) En in dat water gezeten op de werveling van de lotus was [de Brahmâ van] de wereld niet in staat te zien en ging hij zo rond met ogen spiedend in de vier richtingen, op die manier tot zijn hoofden komend ['de vier hoofden' van Brahmâ]. (17) Vanaf daar aan het eind van de yuga kon, vanwege de lucht der vernietiging [donder en bliksem] uit de kolking van het water, het mysterie van de schepping gezeten op en behoed door de lotusbloem, door zijn verbazing zichzelf niet volkomen begrijpen als zijnde de eerste halfgod [Brahmâ]. (18) 'Wie ben ik, hij die bovenop deze lotus zit? Waar kwam deze lotus vandaan? Er zit zeker iets onder het water. Of hij nou uit zichzelf ontsproot of niet, hij moet toch tot iets anders behoren!' (19) Hij [Brahmâ], op deze wijze zich bezinnend op de steel van de lotus, kon, door dat kanaal in het water waar hij in binnenging, ondanks het feit dat hij zich naar binnen keerde en uitvoerig nadacht over dat ontsproten zijn uit de navel [van Vishnu], niet begrijpen hoe die uit zichzelf kon zijn geboren. (20) Omdat hij het in onwetendheid bezag, o Vidura, kwam het, met het zich aldus bezinnen op de oorzaak van de schepping, tot het overwicht van de driedimensionale [tri-kâlika] tijd welke voor de belichaamden het beangstigende en het bekorten van de levensduur tot een honderdtal jaren met zich meebrengt in relatie tot dat wat uitzichzelf voortkwam en het rad [de s'is'umâra cakra of het galactische] van de eeuwige tijd [vergelijk 2.2.: 24-25].

(21) Daarna zich terugtrekkend uit die onderneming zonder te hebben bereikt wat hij verlangde, kwam hij terug naar zijn eigen zitplaats [of materiële positie] waar hij als de halfgod terstond neerzat en zijn intelligentie terugtrok met het beheersen van de ademhaling, zelfverzekerd verzonken in yoga. (22) Na de nodige tijd, ontwikkelde hij, de zelfgeborene voor de duur van zijn leven [een 'honderd jaren van Brahmâ', vier yuga's of 4.32 miljard jaar], in zijn meditatie de intelligentie die zich uit zichzelf manifesteerde in het hart, waardoor hij zag wat voorheen niet kon worden gezien. (23) Op het bed van de volledig witte gigantische S'esha-nâga [slang] lotusbloem lag de Oorspronkelijke Persoon alleen neer onder de overkapping van de slangenkraag die was bedekt met de hoofdsieraden waarvan de stralen de duisternis in het water der vernietiging [de oersoep] verdreef. (24) Het panorama overtrof het groen en koraal van de avondschittering van de zon en het grote en gouden van de bergtoppen met hun juwelen aan watervallen en kruiden, en zo was het landschap van bloemen en bomen [slechts] de opsier van Zijn handen en benen. (25) De lengte en breedte van de afmeting van zijn bovenzinnelijke aanwezigheid dekte het totaal van de drie werelden in al hun diversiteit met de schoonheid van de goddelijke straling der ornamenten die Zijn lichaam sierden.

(26) Naar het verlangen van het menselijk wezen op het pad der toegewijde dienst in de aanbidding van Zijn lotusvoeten die belonen met alles waarnaar verlangd wordt, toonde Hij van die voeten in Zijn grondeloze genade de maangelijke glans van Zijn teen- en vingernagels die de prachtigste [bloemachtige] verdeling vertoont. (27) Van Zijn gelaatsuitdrukking beantwoordend aan ieder zijn verdienste, betovert Hij, die het leed van de wereld verdrijft, met Zijn glimlachen en opsmuk met oorsieraden, en met het licht gereflecteerd van Zijn lippen en fijne neus en wenkbrauwen. (28) Mijn beste Vidura, Zijn middel was mooi gesierd met een gordel en stof in de saffraankleur van kadambabloemen; er was een kostbare halsketting en op Zijn borst was er het aantrekkelijke S'rîvatsa teken [een paar witte haren]. (29) Zoals de bomen in de wereld op zich bestaan en met hun duizenden takken hun grote waarde [aan bloemen en vruchten] tentoonspreiden alsof gesierd met kostbare juwelen, zo ook is de Heer, de heerser van Ananta, [Garbhodakas'âyî Vishnu] bekleed met de kragen boven Zijn schouders. (30) De Opperheer als de bergketen vormt de leefplaats van wat zich rondbeweegt en zich niet beweegt met de vriendschap van Anantadeva die, vanuit het water bedekt met duizenden gouden helmen, als de top van die bergen het Kaustubha [onschatbare juweel] in de oceaan manifesteert. (31) Temidden daarvan met het zoete geluid van de schoonheid en de bloemenkransen van vedische wijsheid [zag Brahmâ dat] door Zijn eigen heerlijkheden de Heer van de zon, de maan, de lucht en het vuur zeer moeilijk te bereiken was, onbenaderbaar als Hij was in Zijn omzwervingen door de drie werelden, al vechtend voor de plicht. (32) Zo kon het zijn dat de godheid van het universum, de schepper van het lot, er zeker van was de navel van Hem te zien, het meer, the lotusbloem, de ziel zijn wateren der vernietiging, de droogmakende lucht en de hemel; maar hij kon zijn blik niet werpen voorbij het geschapene van de kosmische manifestatie. (33) Hij als het zaad van de wereldse activiteiten verlevendigd door de geaardheid der hartstocht bad met die blik aldus, met het [zinnelijk] vijfvoudige van de wezens begeertig naar voortplanting, om creatief te zijn naar het aanbiddelijk bovenzinnelijke op het pad van de standvastige ziel.

 

Hoofdstuk 9

Brahmâ's Gebeden voor het Creatief Vermogen.

(1) Brahmâ zei: 'Vandaag, na een lange tijd, mag ik het zo zien dat de belichaamde wezens die U niet kennen van Uw handelen als de Allerhoogste Heer, niet veilig zijn in dit leven. Voorbij aan U is er niemand te vinden, o mijn Heer, en alles wat wel zo schijnt te zijn kan nooit het absolute zijn; U bent de macht waardoor er een vermenging van de materiële energie is. (2) Die gedaante, welke altijd vrij is van materiële onwetendheid, vond zijn bestaan met de manifestatie van Uw innerlijk vermogen ter wille van de toegewijden als de oorspronkelijke incarnatie in honderden van vormen en is de bron van de lotusbloem waaruit ikzelf voortkwam. (3) O mijn Heer, voorbij aan U zie ik geen gedaante die superieur is aan Uw eeuwige gedaante van gelukzaligheid, die zonder veranderingen en verval van vermogen is; U bent de enige echte Schepper van de kosmische manifestatie en de onstoffelijke Allerhoogste Ziel Zelve; Ik die trots is in de identificatie met het lichaam en de zinnen ben aan U overgegeven. (4) Die gedaante, of hoe U Uw aanwezigheid dan ook vormt, is alleszins gunstig voor het gehele universum en bevorderlijk voor onze meditatie, en aan U, Allerhoogste Heer, die het gemanifesteerde bent voor ons toegewijden, biedt ik mijn eerbetuigingen; voor U volbreng ik dat wat verwaarloosd is door personen die recht op de hel afstevenen in hun begaan zijn met materiële onderwerpen. (5) Zij die vanbinnen slechts het aroma van Uw lotusvoeten ruiken en met hun oren de geluiden van de toegewijde dienst horen, verkeren in aanvaarding van de school der bovenzinnelijkheid en voor hen, Uw eigen toegewijden, is er nimmer de gescheidenheid van U van de lotus van hun harten, o Heer. (6) Tot dan zal er angst zijn vanwege de weelde, het lichaam en de verwanten, en zal het weeklagen en het verlangen, alsook de begeerte en de minachting zeer groot zijn; tot dan, zolang als de mensen van de wereld niet hun toevlucht zoeken tot de geborgenheid van Uw lotsusvoeten, zal men, ondernemend naar het vergankelijke idee van iets te bezitten, vol van zorgen zijn. (7) Hoe onfortuinlijk zijn zij die beroofd zijn van de heugenis van Uw onderwerpen; in beslag genomen door ongeluk en met hun zinnen ertegenin, handelen ze naar hun begeerten slechts voor een kort ogenblik geluk vindend: het zijn arme stakkers wiens geesten zijn overweldigd door bezitsdrang en wiens handelingen vol van stress zijn. (8) Hun altijd geplaagd zijn door [neurotische] honger, dorst en hun drie afscheidingen [slijm, gal en lucht], winter en zomer, wind en regen en vele andere verstoringen alsook door een sterke seksuele aandrang en een onvermijdelijke boosheid, zie ik alles bij elkaar als hoogst ondraaglijk, o grote acteur - en dat doet me veel verdriet. (9) Zolang als iemand, onder de invloed van de materiële illusie handelend terwille van de zinnen, zich geplaatst ziet voor het afgescheiden zijn in een lichaam, o Fortuinlijke, er niet toe in staat zijn het rad van herhaalde wedergeboorten in de materiële wereld te boven te komen; hoewel het werken voor resultaten geen feitelijke betekenis heeft [voor de ziel], zal het hem een eindeloze ellende bezorgen. (10) Gedurende de dag zijn ze bezig met stressvolle arbeid en 's nachts lijden ze onder slapeloosheid vanwege hun gepieker dat hun intelligentie en hun slaap voortdurend breekt; de goddelijke orde frustreert hun plannen en ook de wijzen, o mijn Heer, die zich tegen Uw vertoog keerden, blijven in deze wereld rondhangen. (11) Naar U voor honderd procent verenigd in toewijding, met U verblijvend op de lotus van hun harten, zien de toegewijden die zich op het pad van het luisteren bevinden, o mijn Heer, U, in het hier en nu, in Uw grondeloze genade Uw eigenlijke bovenzinnelijke gedaante manifesteren, overeenkomstig wat ieder van hen in zijn meditaties ook denkt van U die door zovelen wordt verheerlijkt. (12) U bent nooit zo zeer tevredengesteld met de grote vertoningen met alles erop en eraan van hooggeplaatste dienaren die van aanbidding zijn met harten vol van allerlei soorten van verlangens, daar U, de zo verschillend waargenomen Ene en Unieke Weldoener, de Superziel in het hart van de levende wezens, er bent om alle levende wezens Uw grondeloze genade te tonen en niet kan worden bereikt door hen die voor het tijdelijke gaan. (13) Daarom is het de aanbidding door de mensen die, met verschillende vruchtdragende handelingen, vormen van liefdadigheid, zware boetedoeningen en bovenzinnelijke diensten, wordt volbracht om enkel U, de Fortuinlijke, te behagen, die de juiste handelwijze vormt waar men op ieder willekeurig moment op gefixeerd is en die nimmer teloor zal gaan.

(14) Laat me U, die dit Allerhoogste bent die in het genieten van het spel en vermaak inzake de kosmische schepping, handhaving en vernietiging, voorzeker is onderscheiden door de heerlijkheden van de eeuwige oorspronkelijke gedaante, mijn eerbetuigingen brengen: alle glorie aan de intelligentie van de zelfkennis naar Uw transcendentie van het illusoire begrip. (15) Ik neem mijn toevlucht tot de Ongeborene wiens nederdalingen, bovenzinnelijke kwaliteiten en handelingen ondoorgrondelijk zijn; tot Hem wiens namen aangeroepen ten tijde van het verlaten van dit leven, al is het maar onbewust, onverwijld voorzeker alle verzamelde zonden tezamen van vele vele levens wegnemen en de weg naar onsterfelijkheid openen. (16) Degene die inderdaad met mij en S'iva als de Almachtige persoonlijkheid en de oorzaak van schepping, handhaving en voleinding wortelt in de ziel, doordringt [deze wereld] drie stammen groeiend als de enige ware voor de vele takken; aan Hem, de Persoonlijkheid van God, deze boom van het systeem der werelden, mijn eerbetuigingen. (17) Zolang als de mensen van de wereld bezig zijn met ongewenste activiteiten en in de vastgelegde handelingen van hun eigen zaken minachting hebben voor uw goedgunstige activiteiten, zal de strijd om het bestaan van deze mensen zeer hard zijn en door de Waakzame [van de Tijd] allemaal recht op een janboel uitlopen; moge er mijn eerbetuiging zijn voor Hem. (18) U die ook ik vrees, hoewel ik besta in een plaats die twee parârdha's lang voortduurt [2 x 50 jaar, waarvan één dag en nacht tweemaal 4.32 miljard aardse jaren duurt: 311.04 biljoen jaar], in al de werelden gerespecteerd ben en voor vele jaren zware boetedoeningen heb ondergaan voor de zelfrealisatie, biedt ik niettemin mijn respectvolle eerbetuigingen mijn Heer, Hoogste Persoonlijkheid en genieter van alle offers. (19) Bij machte van Uw eigen wil projecteert U Uzelf onder de lagere en de menselijke wezens, onder de gevolmachtigden en in de verschillende soorten, bovenzinnelijk spel en vermaak tentoonspreidend in het verlangen aan Uw verplichtingen te voldoen, waartoe U nooit onder de invloed van de materie verkeert maar welzeker Uw goddelijke gedaante aan het manifesteren bent; mijn eerbetuigingen aan die voorwereldlijke Heer, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (20) Ondanks dat U de vijfvoudige interactie van de zinnen hebt aanvaard blijft U onaangedaan en slaapt U, neerliggend op het slangenbed, er gelukkig mee in contact te staan vanuit de wateren der vernietiging met hun gewelddadige golven - en dat doet U voor de handhaving van de verschillende levensvormen in Uw buik waarbij U de reeks van intelligenten Uw geluk toont. (21) Aan Hem door wie ik, van het lotushuis dat ontspringt aan de navel, tot stand kwam om Hem, de Aanbiddelijke bij te staan in de schepping van de drie werelden; aan Hem die het universum in Zijn buik heeft en aan Hem wiens ogen bloesemen als lotussen na het einde van Zijn slaap, mijn eerbetuigingen.

(22) Moge Hij, de Heer van alle universa, die ene vriend en filosoof, de Superziel die door de geaardheid goedheid geluk schenkt als de Allerhoogste Heer van de zes vormen van weelde [schoonheid, intelligentie, boetvaardigheid, macht, roem en rijkdom], mij zo zeker de macht der introspectie schenken zodat ik in staat zal zijn dit universum te creëren als voorheen in overgave en liefde met Hem. (23) Tot deze begunstiger van de overgegeven ziel, die [als Râma] met de Godin van het Fortuin [Lakshmî] geniet in wat Hij ook moge tentoonspreiden vanuit Zijn innerlijk vermogen met het aanvaarden van incarnaties van goedheid, bidt ik dat ik mag scheppen begiftigd met Zijn omnipotentie en dat ondanks de materiële emoties van mijn hart verzonken in het werk, ik er ook toe in staat zal zijn er mee op te houden. (24) Ik bidt dat ik, die werd geboren uit het meer van de Allerhoogste Persoon Zijn navel als de energie van het totale universum naar de manifestatie van de verscheidenheid van het onbeperkt machtige van Hem, niet de geluidsvibraties van de vedische waarheid uit het oog zal verliezen. (25) En moge Hij, de Allerhoogste Heer die eindeloos genadevol is in Zijn opperste liefde en Zijn glimlachen bij het openen van Zijn lotusogen ter wille van de bloei en de heerlijkheid van de kosmische schepping, met Zijn zoete woorden als de oudste en Oorspronkelijke Persoon liefdevol onze neerslachtigheid wegnemen.'

(26) Maitreya zei: 'Na aldus de bron van Zijn verschijnen in boete, kennis en concentratie van geest te hebben overwogen, voor zover mogelijk aandacht bestedend aan de woorden van zijn gebed, viel hij stil alsof hij moe was. (27-28) Madhusûdana [Krishna als de doder van Madhu] zag de oprechtheid van Brahmâ en zijn verslagenheid van hart over de vernietigende wateren van het tijdperk. Ziende dat hij afdoende bezorgd was over Zijn wetenschap naar de toestand van de planeet, sprak Hij in diepe betekenisvolle bewoordingen tot hem, op die manier zijn zorgen wegnemend.

(29) De Opperheer zei: 'Jij die de diepgang hebt van alle vedische wijsheid, vertwijfel niet over de onderneming der schepping. Met waar je jezelf toe gezet hebt en voor bidt, heb Ik heel zeker reeds voorheen ingestemd. (30) Breng jezelf als van ouds ertoe boete te doen en de principes van de waarheid te behartigen om zeker te zijn van Mijn ondersteuning en van die kwaliteiten zal je de hele wereld in je hart geopenbaard zien, o brahmaan. (31) Dan, als je naar het universum toe volledig bent verzonken, verbonden in toewijding, zal je zien dat Ik Mij er overal in bevindt, o Brahmâ en dat jij, al de werelden en al de levensvormen, deel van Mij uitmaken. (32) Het moment dat je Me in alle levensvormen en het universum ziet op de manier zoals vuur aanwezig is in hout, zal je zonder twijfel in staat zijn de zwakheid achter je te laten. (33) Als je je ziel bevrijd hebt van de materiële gedachten van de zintuigen onder de invloed van de geaardheden, zal je met die visie het zuivere in de relatie met Mij vinden en het rijk van het spirituele genieten. (34) Met al de verscheidenheid van dienst en het verlangen de bevolking talloos uit te breiden, zal je ziel nooit bedroefd zijn; wat betreft jou zal Mijn grondeloze genade voor altijd bestaan. (35) Jij bent de oorspronkelijke wijze; de verraderlijke geaardheid der hartstocht zal je nooit bekruipen omdat, ondanks dat je nageslacht genereert, je denken altijd tot Mij beperkt is. (36) Alhoewel Ik voor de geconditioneerde ziel moeilijk te kennen ben, word Ik vandaag Zelf door jouw gekend omdat je Me begrijpt als zijnde niet opgebouwd uit materie, zinnen, geaardheden en de verbijstering van het zelf. (37) Aan jou, toen je over Mij probeerde te weten te komen in het overwegen van de bron van de lotus via zijn stengel in het water, toonde Ik Mezelf vanbinnen uit. (38) De gebeden die je voor Me deed, o Brahmâ, in Mijn woorden vervat, Mijn heerlijkheden opsommend of de boete en je geloof; beschouw deze allen als het resultaat van Mijn grondeloze genade. (39) Laat er met dit alles wat Mij behaagde, alle zegen rusten op jij, die in je verlangen bad voor de verovering van al de werelden door zo mooi Mijn kwaliteiten en Mijn erboven staan te beschrijven. (40) Moge welke persoon ook die in zijn eerbetoon regelmatig op deze manier met deze verzen bidt, zeer spoedig al zijn verlangens vervuld zien, daar Ik de Heer van alle zegening ben. (41) Door de goede werken, boetedoeningen, offers, liefdadigheid en verzonkenheid in yoga die worden volbracht in liefde voor Mij, zal het menselijk wezen zijn uiteindelijke succes vinden, zo luidt de mening van hen die de werkelijkheid kennen. (42) Ik ben de Superziel, de bepaler van alle andere zielen, de meest geliefde van alles wat dierbaar is en zeker zou men daarom al de gehechtheid waarin het eigen lichaam en denken zo dierbaar zijn, op Mij moeten worden gericht. (43) Breng nu, met de beheersing van uw kennis van de Veda en met uw lichaam welk rechtstreeks zijn leven vond vanuit de Ziel, als van ouds gebruikelijk de levens voort, welke eveneens in Mij liggen.

(44) Maitreya zei: 'Na hem, de schepper van het universum, aldus te hebben geïnstrueerd, verdween de voorwereldlijke oorspronkelijke Heer in Zijn persoonlijke gedaante van Nârâyana uit het zicht.'

 

Hoofdstuk 10

De Afdelingen van de Schepping.

(1) Vidura zei: 'Hoeveel verschillende soorten schiep de grootvader van alle schepselen op deze planeet naar het lichaam en de geest van de Almachtige, nadat de Hoogste Persoonlijkheid was verdwenen? (2) Met het oog op alles waar ik naar gevraagd heb, o machtige, wees zo goed ze me allemaal van het begin tot het eind te beschrijven, o hoogst geleerde persoon; wees zo genadig al mijn twijfels weg te nemen.' "

(3) Sûta zei [zie Canto 1]: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de grote wijze, de zoon van Kusâra [Maitreya] aldus gestimuleerd door Vidura, voelde zich tevredengesteld en gaf zodoende antwoord op de vragen vanuit de bodem van zijn hart.

(4) Maitreya zei: 'En zodoende verrichtte Brahmâ voor een honderdtal hemelse jaren boetedoeningen voor het heil van de ziel, tewerkgaand zoals hem dat gezegd was door de Ongeborene, de Allerhoogste Heer. (5) Daarin zag hij, die was geboren uit de lotus, dat door de inherente macht van de natuurkrachten [de eeuwige tijd] de wind de wateren scheidde waarop de lotus zich bevond. (6) Door zijn boete had hij zeker gewonnen aan bovenzinnelijke kennis en was hij gerijpt in zijn zelfbewustzijn en praktische kennis, en met dat vermogen nam hij de wind tezamen met het water in zich op. (7) Toen zag hij hoe uitgebreid de lotus was waarop hij zich bevond; door de actie was heel de wereld die voorheen verzonken was nu afgescheiden en lag ze open voor zijn schepping, was zijn bevinding. (8) Binnengaand in die werveling van de lotus, in zijn activiteiten aangemoedigd door de Opperheer, verdeelde hij de ene in de drie werelden en kon hij er daar veertien van in het leven roepen [zie ook 2.5.42]. (9) Wat betreft dezen had de hoogste persoon in het universum geen ander leidmotief dan het bepalen van de plichten in alle opzichten naar het volwassen stadium van het belang van de individuele lokaliteiten waar de zielen hun leven hadden.

(10) Vidura zei: 'U sprak aangaande de variëteit van de verschillende gedaanten van de Heer, de wonderbaarlijke acteur, van het eeuwige van de tijd, o brahmaan; kan u alstUblieft beschrijven hoe zich die feitelijk heeft voorgedaan, o Heer?'

(11) Maitreya zei: 'Hij is de bron van de verschillende interacties naar de natuurlijke geaardheden, hij is onverdeeld en onbegrensd en het instrument van de Oorspronkelijke Persoon die door Zijn spel en vermaak het materiële leven schiep van de ziel. (12) Het fenomenale welk er voorzeker is als dezelfde energie van Vishnu, scheidde Zichzelf van de geest af door de Allerhoogste Heer in de vorm van de tijd [kâla], welke beschouwd wordt als Zijn ongemanifesteerde [onpersoonlijke] aspect. (13) Zoals het in het heden is, zo was het in het begin en tot het einde toe zal het ook hetzelfde blijven.

(14) Er zijn negen soorten van scheppingen: de drie geaardheden van de materie [naar prakriti: hartstocht, goedheid en onwetendheid], de drie kwaliteiten naar deze geaardheden [naar vikriti: beweging, kennis en onbeweeglijkheid], en de drie soorten van voleinding welke dan de materiële verdelingen van de tijd vormen [naar kâla: het ten hemel varen van de mensen, het uitsterven van de diersoorten en het eindigen van de planten samen met het universum]. (15) De eerste [de mahat-tattva, van de goedheid] is niets anders dan het geheel van de schepping dat voortkwam uit de Heer met de interactie van de drie geaardheden. De tweede [van de passie] is enkel het valse ego van de ontwaakte activiteiten van de materiële ingrediënten en hun interrelaties. (16) Het geschapene van de materie zelf is de derde soort [die van onwetendheid] die enkel van de zintuiglijke waarneming is waarnaar als vierde er naar de materie van de zinnen de praktische basis is van de materiële kennis. (17) De interactie naar de geaardheid goedheid geeft het goddelijke [van de beweging] naar de materiële schepping welke met het geheel van de geest de vijfde soort vormt waarnaar ten zesde er de duisternis der schepping is [het inerte van de materie] dat van meesters dwazen maakt. (18) Naast de eerste zes scheppingen van de materiële energie [van de natuur of de Heer] zijn er de secundaire scheppingen [van plant, dier en mens]; verneem van mij wat hen betreft enkel over de zo machtige die de incarnatie is van de geaardheid hartstocht [Brahmâ] en over de wederwaardigheden van dat brein van de Allerhoogste Heer.

(19) Het zevende principe der schepping betreft de zes soorten van wezens die niet uit zichzelf bewegen: bomen die vruchten dragen zonder bloemen, planten en struiken die bestaan totdat de vrucht is gerijpt, de klimplanten, de gewassen met een holle stengel, planten die opklimmen zonder steun en de bloesemende vruchtbomen. (20) Die [onbeweeglijke] wezens zoeken hun voeding opwaarts, zijn vrijwel onbewust met enkel een gevoel vanbinnen en bestaan uit vele soorten. (21) De achtste schepping zijn de soorten van lagere dieren; er zijn achtentwintig verschillende soorten en ze worden beschouwd als zijnde zonder kennis van hun lot, van een buitengemene onwetendheid, van een onderscheid door middel van ruiken en van een slechte memorie van hart [geweten]. (22) O allerzuiverste, de koe, de geit, de buffel, de antiloop, het zwijn, de gavaya [een soort van os], het hert, het schaap en de kameel hebben allen gespleten hoeven. (23) De ezel, het paard en het muildier, de gaura, de s'arabha-bison en het wilde rund hebben zo enkel slechts één teen, o Vidura en laat je me nu enkel vertellen van de dieren met vijf nagels. (24) Dat zijn de hond, de jakhals, de vos, de tijger, de kat, het konijn, het sajâru-stekelvarken, de leeuw, de aap, de olifant, de schildpad, de iguana ['vier-benige slang'], de krokodil en anderen. (25) De reiger, de gier, de kraanvogel, de havik, de bhâsa [een ander soort aaseter], de bhallûka, de pauw, de zwaan, de sârasa [indiase kraanvogel], de cakravâka, de kraai, de uil en anderen zijn de vogels. (26) De negende soort die [ook] zijn buik vollaad, o Vidura, is slechts van één soort: de mensen; in hen treedt de geaardheid hartstocht zeer naar voren, ze zijn zeer actief tot hun misère maar denken altijd dat ze heel gelukkig zijn.

(27) Al deze drie scheppingen zowel als de halfgoden in hen veschijnend [als de tiende soort] zijn, mijn beste, in tegenstelling tot de voorgaande [van de geaardheden en de kwaliteiten] die ik voorheen beschreef, onderworpen aan aanpassingen [ofwel evolueren], maar de zonen van Brahmâ [de brahmanen, de Kumâra's] zijn van beide [d.w.z. ze passen zich ook aan, maar veranderen niet in kwaliteit]. (28-29) Van de schepping van de toegewijden zijn er acht soorten: (1) de halfgoden, (2) de voorvaderen, (3) de atheïsten, (4) de bovenzinnelijke wezens, engelen en de heiligen (5) de beschermers en de giganten (6) de hemelse zangers (7) de leidgeesten voor het goede en het kwade en zij die verblijven in de hemel en (8) de bovenmenselijke wezens en anderen. Al de tien soorten van scheppingen die ik je beschreef o Vidura, zijn geschapen door Brahmâ, de schepper van het universum. (30) Hierna zal ik de verschillende afstammelingen van de Manu's bespreken en op die manier hoe de Schepper, gedreven door de geaardheid hartstocht, in de verschillende tijdperken met een feilloze vastbeslotenheid creëert naar de Heer die, van Zich Zelve als Zichzelf, kwam door Zijn eigen energie.

 

Hoofdstuk 11 

De Indeling van de Tijd Zich Uitbreidend Vanuit het Atoom

(1) Maitreya zei: 'De uiteindelijke waarheid van wat zichzelf in het vele toont als het ondeelbare, is altijd het atomaire waardoor de eenheid van de mens verkeerd wordt begrepen. (2) Zeker wordt, van het ware der fysieke lichamen [der atomen] die dezelfde vorm behouden tot het einde der tijden, dat wat emancipeert naar het Allerhoogste steeds tot een onbeperkte hoeveelheid vormen samengesteld. (3) En zodoende, kan in relatie tot zowel de grove als de subtiele vormen, de tijd worden afgemeten, mijn beste, aan de beweging van de combinatie der atomen waarvan de Allerhoogste ongemanifesteerde Heer de grote kracht is die alle fysieke actie beheerst. (4) Van die eeuwige tijd van de atomen verzekert men zich m.b.v. de gehele ruimte die tezamen door de atomen in beslag wordt genomen in hun enkelvoudige bestaan [hun expansie], welke het opperste of grote is van de [kosmische] tijd.

(5) Drie keer het dubbele van twee atomen wordt een hexatoom waaraan men wordt herinnerd door dat wat men kan zien oplichten in het oogvocht [als een stofdeeltje] dat zich naar boven beweegt als men in de lucht kijkt. (6) De tijd gevormd door de combinatie van drie hexatomen [in hun uitbreiding naar de ruimte die ze in beslag nemen] wordt een truthi [berekend als 1/16.875 van een seconde] genoemd waarvan er honderd een vedha worden genoemd; drie van hen worden in geval enkel één lava genoemd. (7) De tijdsduur van drie ervan moet men zien als één nimesha [± 0.53 seconde] en de tijd van drie van hen wordt een kshana genoemd [± 1.6 seconde], vijf daarvan moet men kennen als een kâshthhâ [± 8 seconden] waarvan een laghu er uit vijftien bestaat [± 2 minuten]. (8) Precies vijftien van die laghus wordt een nâdikâ [of danda, ± 30 minuten] genoemd en twee van hen vormen één muhurta [ongeveer een uur] terwijl zes tot zeven van hen een yâma vormen [een kwart van een lichtdag of een nacht] afhankelijk van de menselijke rekening [het seizoen of de breedtegraad]. (9) Het meetvat [de waterklok] heeft een gewicht van zes pala's [± 4 ons] en een vier mâsha [17 karaats] gouden peilstift van vier vingers lang die een gat bedekt waardoor het zich vult met water tot de volgende zonsopgang. (10) Vier yâma's beslaan de duur van zowel de dag als de nacht van het menselijk wezen en vijftien dagen [van acht yâma's elk] vormen één pakshah [periode van twee weken] welke men gemeten kent als zijnde ofwel zwart ofwel wit [afhankelijk van het feit of er een volle maan dan wel een nieuwe maan in optreedt]. (11) Het samenstel van zo een 'dag' en 'nacht' wordt een voorouderlijke [traditionele of solaire] maand genoemd waarvan een tweetal een seizoen vormt waarvan er zes zijn [resp. 'koude' of hemanta, 'dauw' of s'is'ira, 'lente' of vasanta, 'warmte' of grîshma, 'regen' of varshâs en 'herfst' of s'arad, gerekend vanaf de 22-e dec.] overeenkomstig de beweging van de zon zoals die gaat door de noordelijke en zuidelijke hemel. (12) Deze beweging van de zon wordt gezegd één dag van de halfgoden te vormen en wordt een vatsara genoemd [een tropisch jaar] van twaalf maanden. De levensduur van het menselijk wezen wordt geschat op een groot aantal [een honderdtal] van dergelijke jaren [zie ook 'de volledige kalender van orde'].

(13) De planeten, de hemellichamen [zoals de maan] en de sterren draaien allemaal samen met de atomen rond in het universum hun omloopbanen voltooiend als een jaar in het Almachtige [of cyclische] van het eeuwige van de tijd. (14) De omwenteling rond de zon van de aarde alsook van de andere planeten, het ronddraaien van onze sterren [in ons sterrenstelsel rond Sagittarius A in de hemel] en ook de omloop van de maan, is o Vidura, aldus besproken als zijnde één [maar verschillend benoemd] jaar [resp. tropisch jaar, galactisch jaar, lunatie]. (15) De Ene [Heer van de Tijd] die zich los van alle verscheidenheid beweegt onder de naam van de Eeuwige Tijd [de cyclische en lineaire tijd gecombineerd] en middels Zijn eigen energie op verschillende manieren de zaden van de schepping tot leven wekt en gedurende de dag de duisternis verdrijft, moet aandacht worden geschonken met achting voor al Zijn vijf verschillende typen van [dynamische] jaren [het zonnejaar, het galactische jaar, het planetaire jaar, de lunatie of welk jaar van viering ook], zodat men aldus door offers te brengen kwaliteit voortbrengt in het materieel bestaan.

(16) Vidura zei: 'Gegeven het traditionele, goddelijke en menselijke van de uiteindelijke berekening in het meten van de tijdsperioden van de levens van al de verheven levende bestaansvormen, wat zou dan de berekening van de tijdsperioden zijn die meer dan een millennium beslaan, o hoogst geleerde? (17) O machtige van de Geest, bij genade van de ogen van uw yogavisie bent u degene die in uw zelfverwerkelijking van het eeuwige van de tijd de bewegingen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van het gehele universum ziet. '

(18) Maitreya zei: 'De vier yuga's [tijdperken of millennia] genaamd Satya, Tretâ, Dvâpara en Kali beslaan tezamen ongeveer [één mahâyuga van] 1.2000 halfgoden-jaren [welke ieder 360 vatsara's worden toegekend]. (19) De opeenvolgende yuga's beginnende met Satya-yuga zijn respectievelijk ieder vier, drie, twee en één maal 1.200 halfgodenjaren lang. (20) Experts zeggen dat de overgangsperioden aan het begin en einde van iedere yuga verschillende honderden halfgodenjaren beslaan en dat dat de millennia zijn [zoals de millennia waarin we nu leven] waarin allerlei soorten van religieuze activiteiten plaatsvinden. (21) Het volledige plichtsbesef van de mensheid in zijn vier principes der religie [die van satya, dayâ, tapas, s'auca; waarheid, mededogen, boete en reinheid] werd gedurende Satya-yuga naar behoren nageleefd, maar voorzeker in de andere yuga's namen de principes geleidelijk aan de één na de ander af met het naar verhouding meer en meer toestaan van het niet-religieuze. (22) Behalve het duizendtal [mahâ-]yuga's voor de drie werelden [de hemelse, svarga; aardse, martya en lagere, pâtâla werelden] in het bereik van het Absolute [Brahmaloka] die voorzeker één dag van Brahmâ vormt [van 4.32 miljard jaar], o mijn beste, is er ook een nacht die net zo lang is en waarin de Schepper van het universum zich ten ruste legt. (23) Volgend op het einde van de nacht met het begin van een andere dag van Heer Brahmâ neemt de schepping van de drie werelden weer opnieuw een aanvang, in zijn totaliteit de levens van veertien Manu's beslaand. (24) Iedere Manu geniet een tijd van leven van iets meer dan eenenzeventig [mahâ- d.w.z. een samenstel van vier] yuga's.

(25) Met het eindigen van iedere Manu, komt daarop de volgende met de bloei van zijn afstammelingen, de zeven wijzen, de godsbewusten en de halfgoden met allen die hen navolgen. (26) Al deze scheppingen van de lagere dieren, de menselijke wezens, de voorvaderen en de halfgoden die behoren tot de ene schepping van een dag van Brahmâ, bewegen zich rond door de drie werelden daarin optredend in de cycli van hun eigen vruchtdragende activiteiten. (27) Bij de wisseling van iedere Manu manifesteert de Allerhoogste Heer Zijn goedheid in Zijn verschillende incarnaties als de Manu Zelve die dit universum onderhoudt voor het zich ontvouwen van de goddelijke vermogens. (28) Op het einde van de dag [van Brahmâ] wordt door de Hoogmogende Tijd alle macht van manifestie ingetrokken en blijven, met de materiële wereld samengetrokken in de duisternis, alle levende wezens stil in hun opgegaan zijn. (29) Voorzeker moeten daarna al de werkelijkheden van de drie werelden die de nacht van Brahmâ binnengingen, precies zoals dat is met een gewone nacht, het stellen zonder het schijnsel van de zon en de maan. (30) Als de levenssferen van de drie werelden in vuur en vlam gezet zijn door de kracht van het vuur dat voortkomt uit de mond van Heer Sankarshana [zie 3-8: 3], dan bewegen zich de wijze Bhrigu en anderen die aangedaan zijn door de hitte zich van de wereld van de heiligen [Maharloka, de vierde wereld] naar de wereld van de mensen [Janaloka, de volgende wereld]. (31) Onmiddellijk volgend op het begin van de verwoesting van de drie werelden stromen al de zeeën over met de verstoring van gewelddadige winden en orkanen die de golven opblazen. (32) In het water wordt daar op de zetel van Ananta de Heer in Zijn mystieke sluimering met Zijn gesloten ogen verheerlijkt door de bewoners van de werelden der mensen.

(33) Op die manier is er in de loop van de tijd neergang door deze dagen en nachten van het eindigen van zijn [Brahmâ's] leven precies zoals dat is met onze levens, ook al duurt het een honderdtal jaren [voor hem: twee parârdha's of tweemaal 155.5 biljoen jaar, zie ook 3.9: 18] (34) De eerste helft van zijn tijd van leven genaamd één parârdha is nu voorbij en zeker zijn we in dit tijdperk begonnen met de tweede helft. (35)In het begin van de superieure eerste helft was er een millennium genaamd de Brâhma-kalpa waarin het grote zich manifesteerde waarop Heer Brahmâ en de bekende geluiden van de Veda verschenen. (36) En daarop aan het einde van het Brâhma-millennium kwam wat de Pâdma-kalpa genoemd wordt tot stand waarin uit de navel van de Heer de lotus van het universum ontsproot. (37) Dit huidige millennium aan het begin van de tweede helft wordt in feite gevierd, o afstammeling van Bharata, als die van Vârâha waarin de Heer verscheen in de gedaante die is als die van een zwijn [zie 1.3: 7] (38) Deze eeuwige tijd van de twee helften van Brahmâ's leven is slechts een seconde vergeleken bij de onveranderlijke, onbegrensde Ziel van het universum die zeker zonder een aanvang is. (39) Deze eeuwige tijd die, beginnend vanaf het atoom reikend tot aan de uiteindelijke tijdsduur van twee parârdha's, de heerser is over hen die van het lichamelijk bewustzijn zijn, is voorzeker nimmer in staat te heersen over het Allerhoogste. (40) Tezamen met de transformatie van de elementen expandeerden de vandaaruit verenigde manifestaties zich naar buiten met een universum van een half miljard. (41) Vergroot tot het tienvoudige kwamen deze eenheden [of de secundaire elementen] die er gelijk atomen in binnengingen klaarblijkelijk bijeen en groepeerden ze zich tezamen in enorme universa [of sterrenstelsels]. (42) Daarvan zegt men dat het de onfeilbare allerhoogste oorzaak aller oorzaken, de hemelse woning van de Handhaver en zonder twijfel de oorspronkelijke incarnatie van de persoon van de Universele Geest is [Mahâ-Vishnu].'

 

Hoofdstuk 12

De Schepping van de Kumâra's en Anderen

(1) Maitreya zei: 'Tot dusverre heb ik u de glorie van de Superziel onder de naam van kâla beschreven, o Vidura, probeer nu enkel van me te begrijpen hoe de bron der Veda's [Brahmâ] de dingen schiep zoals ze zijn.

(2) Allereerst ontstond er [als de vijf soorten van onwetendheid:] het idee dat men zou sterven [andhatâmisra], de verongelijktheid [tâmisra], de hunkering van de verzotheid [mahâmoha], de begoocheling met fouten [zoals het zich met het lichaam identificeren, etc., moha] alsmede het duister van de onwetendheid aangaande wat men zelf doet [tamas]. (3) Een dergelijke problematische schepping ziende voelde hij [Brahmâ] niet veel voor zichzelf; hij vond toen, gezuiverd door het mediteren op de Allerhoogste Heer, de geest voor een andere. (4) Daartoe vonden de grote uit het zelf geboren wijzen Sanaka, Sananda, Sanâtana en Sanat-kumâra hun bestaan, die vrij zijn van alle vruchtdragende handelingen en van het celibaat zijn ['wiens zaad opwaarts gaat']. (5) Aan hen, zijn zonen droeg hij vanbinnenuit op: 'O mijn zoons, plant je voort', maar ze zagen daar niet naar uit, met de trouw die ze gezworen hadden aan de principes der bevrijding in de toewijding voor de Persoonlijkheid van God. (6) Hij, op die manier niet gerespecteerd door de zoons die weigerden de opdracht na te leven, ontwikkelde een woede welke hij niet kon tonen en die hij naar zijn beste vermogen tot een einde trachtte te brengen. (7) Ondanks het door meditatie te beheersen, kwam terstond van tussen de wenkbrauwen van de oorspronkelijke vader zijn woede, een kind ter wereld met een gemengde kleur van rood [staande voor hartstocht] en blauw [staande voor onwetendheid]. (8) Dat kind riep luidkeels uit tot de vader van al de goden: 'O machtige, heerser van het lot, wijs me mijn namen en plaatsen van toewijding toe, o leraar van het universum.'

(9) Verzocht als de almachtige geboren uit de lotus, accepteerde hij het verzoek en bracht hij het zachtjes tot rust met de woorden: 'Schreeuw niet, ik zal doen wat je verlangt. (10) O jongen, belangrijkste der halfgoden, omdat je het zo angstig hardop uitschreeuwde, zullen de mensen je aanspreken met de naam Rudra. (11) Het hart, de zinnen, de levensadem, de ether, de lucht, vuur en water, aarde en de zon, de maan en ook de versobering zijn voorzeker allen de plaatsen die voor jou weggelegd zijn. (12) Al je namen zijn: Manyu, Manu, Mahinasa, Mahân, S'iva, Ritadhvaja, Ugraretâ, Bhava, Kâla, Vâmadeva en Dhritavrata. (13) Dhî, Dhriti, Rasalâ, Umâ, Niyut, Sarpi, Ilâ, Ambikâ, Irâvatî, Svadhâ en Dîkshâ zijn, o Rudra, je elf echtgenotes. (14) Aanvaard deze verschillende namen en plaatsen en de vrouwen die erbij horen; verwek nageslacht met hen op grote schaal, aangezien je de meester van de levende wezens bent.' (15) Aldus opgedragen door zijn eigen geestelijk leraar, bracht de machtigste van de vermenging van blauw en rood de generaties voort die gelijk hemzelf van dezelfde kracht, uiterlijkheid en furieuze natuur waren. (16) Toen hij van de activiteiten van de zonen die door Rudra waren voortgebracht zag dat het onbeperkte aantal van hen allen tezamen het gehele universum verslonden, werd de vader van de levende wezens bang: (17) O beste der halfgoden, [zei hij,] het is genoeg geweest, jouw voortbrengen van dit soort levende wezens; zij verschroeien, met het laaiend vuur van hun ogen, alle windrichtingen en mij eveneens. (18) Ga over tot boetedoening, dat is gunstig voor je. Door boete alleen zullen de levende wezens geluk vinden en zal je zoals dat voorheen was een wereld scheppen die je zint. (19) Alleen door boete kan een persoon volledig het Allerhoogste Licht kennen van respect voor de Opperheer voorbij de zinnen die in het hart van een ieder verblijft.'

(20) Maitreya zei: 'Aldus, op het verzoek van de uit zichzelf geborene omliep hij [Rudra] de meester der Veda's, op die wijze hem met mantra's bevestigend, en ging hij terwille van de boete het woud in. (21) Met de overweging om tot schepping over te gaan bracht, [Brahmâ] begiftigd met het vermogen van de Aanbiddelijke, toen tien zonen voort zodat de wereldbevolking tot stand kon worden gebracht. (22) Aldus werden Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, Daksha en de tiende zoon, Nârada, geboren. (23) Uitweidend over de bovenzinnelijkheid vond Nârada zijn bestaan, Daksha kwam uit de duim voort, uit de levensadem zag Vasishthha het licht, terwijl Bhrigu voortkwam uit zijn aanraking en de wijze Kratu uit zijn hand. (24) Pulaha kwam voort uit de navel, Pulastya uit de oren, de grote wijze Angirâ uit de mond, uit de ogen kwam de wijze Atri voort en de wijze Marîci verscheen uit het denken. (25) Van de rechter zijde van de borst, waar Nârâyana huist, manifesteerde zich de religie terwijl de ongelovigheid, waardoor de wereld de verschrikkingen van de dood vreest, uit zijn rug verscheen. (26) Uit het hart manifesteerde zich de lust, uit de wenkbrauwen de woede, van tussen zijn lippen de hebzucht, uit de mond kwam de aandrang tot spreken voort terwijl van zijn penis de vloed kwam en van de anus, het reservoir van alle ondeugd, de laagste activiteiten. (27) Uit zijn schaduw manifesteerde zich Kardama Muni, de echtgenoot van Devahuti. Aldus ontwikkelde zich deze meester van het lichaam en de geest van het universum die de kosmische manifestatie danst.

(28) O Vidura, we hebben vernomen dat de dochter Vâk die werd geboren uit zijn lichaam de geest van Brahmâ afleidde en hem verlangen bezorgde en alhoewel hij geen seksuele toeneiging had, ontwikkelde hij aldus een seksuele voorkeur. (29) De zonen, de wijzen met Marîci aan het hoofd, die op die manier zagen dat de geest op hem gericht zijn zin voor verplichtingen had verloren, dienden zich met het benodigde respect als volgt aan: (30) 'Nooit tevoren werd zoiets door u noch door wie ook gedaan wat u zich, zonder de seksuele aandrang te beheersen, veroorlooft naar uw dochter toe, o meester. (31) Zeker is een dergelijke houding niet gepast voor de meest machtige wiens goede gedrag en karakter, o meester van het universum, de wereld zeker navolgt in haar keuze van voorspoed. (32) Laten we onze eerbetuigingen aanbieden aan de Allerhoogste Heer die in Zichzelf verwijlend door zijn eigen uitstraling de goedheid heeft het gepaste plichtsbesef voor onze bescherming tentoon te spreiden.' (33) Op die manier al de zonen die zich tot hem richtten voor zich ziende, verliet de vader van alle vaders der mensheid, beschaamd het lichaam de schuld aanvaardend voor de mist die alom [nog steeds] bekend staat als de duisternis. (34) Toen er eenmaal de bezinning was over hoe hij zichzelf al deze werelden zou moeten creëren zoals ze in het verleden waren samengesteld, manifesteerde zich uit de vier monden van Brahmâ de vedische literatuur. (35) Zo ontstonden de vier functies van het handelen [het offer, de offeraar, het vuur en het offeren zelf] en de aanvullingen op de Veda met hun logische gevolgtrekkingen tezamen met de vier principes der religie [waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen] en daarbij aansluitend openbaarden zich eveneens de sociale orden en afdelingen der roepingen.'

(36) Vidura zei: 'Verklaart u mij alstUblieft, o weelde der verzaking, hoe en met behulp van welke goddelijkheid de Veda's, welke voortkwamen uit de mond, tot stand werden gebracht door hem die de heerser van het geschapen universum is.'

(37) Maitreya zei: 'De vier Veda's genaamd Rig, Yajur, Sâma en Atharva, kwamen van voren af uit de mond voort, de een na de ander de schriftuurlijke discussies tot stand brengend, de rituelen, het recitatie materiaal en de gebeden der bovenzinnelijke activiteit [met voor ieder van die vier een type priester, een ritvik]. (38) Ook werden zoals hiervoor van de voorkant van de monden de vedische wetenschap van de geneeskunde, de krijgskunst, de muziekwetenschap en de bouwkunst voortgebracht [genaamd de upaveda's]. (39) Ook werden de Itihâsa's, de aparte geschiedenissen, en de verzamelingen van klassieke verhalen genaamd de Purâna's allen bij elkaar als de z.g. vijfde Veda voortgebracht door de monden van hem die alles van de tijd rondom beziet. (40) De verschillende soorten van vuuroffers genaamd sodas'î, uktha, purîshi, agnishthoma, âptoryamâ, Atîrâtra, vâjapeya en gosava manifesteerden zich vanuit de oostelijke mond[en]. (41) Educatie (door zuiverheid), liefdadigheid (door mededogen), boete en waarheid als de vier pijlers van de religie, de levens-orden [de studenten, gehuwden, teruggetrokken mensen en de verzakers] en de roepingen [de arbeiders, de handelaren, de bestuurders en de intellectuelen] werden zo ook op die manier geschapen. (42) Toen was er de inwijding [de ceremonie van de heilige draad] voor de tweemaal geborenen, de regel der loyaliteit voor één jaar, de cultuur der seksuele onthouding en het onderhoud overeenkomstig de regels en plichten van het voorzien in de levensbehoeften door te nemen van wat er over is zonder verder te vragen zelfs al leidt men een huishoudelijk bestaan. (43) Zij die zich terugtrokken en bescheiden hun potje koken, zij die het opgaven zich te bevoorraden, zij die aanvaarden wat ze op hun weg vinden, en zij die zich afzijdig houdend leven van wat hun ten deel valt, zijn degenen die teruggetrokken leven, terwijl de wereldverzakende orde bestaat uit diegenen die van het begin af aan onthecht geleefd hebben binnen een familie, zij die alle materiële belangstelling hebben opgegeven en zich altijd met het bovenzinnelijke bezighouden, zij die volkomen zijn in hun verzonkenheid in bovenzinnelijke kennis en zij die het handelen in zijn geheel hebben opgegeven. (44) Uit zijn hart vonden zo ook de logica van de spirituele kennis, de drie levensdoelen [religie, economie, bevrijding en de regulatie der zinsbevrediging], de politieke wetenschap en de morele gedragscodes hun bestaan tezamen met de lofzangen op de aarde, de geest en de hemel als zeker ook de Pranava [de aum-mantra]. (45) Uit de haren op zijn lichaam werd ushnik [een bepaald metrum in de poëzie] voortgebracht, uit de huid van de machtige kwam de Gâyatrî [de drievoet en de grote zuiveringsmantra] voort, trishthup [een ander metrum] kwam voort uit zijn vlees, uit de aderen kwam anushthup voort en uit de beenderen van de vader der levende wezens werd jagatî gegenereerd [twee andere metrums]. (46) Uit zijn beenmerg manifesteerde zich pankti terwijl brihatî, voortkwam uit de levensadem [twee vers-soorten]. (47) De individuele ziel van de vader der levende wezens manifesteerde zich als de medeklinkers [van ka tot ma], zijn lichaam gaf uitdrukking aan de klinkers [a, â, i, î, u, û, ri, rî, l, e, ai, o, au], de dubbelklanken [sa-types en ha] worden zijn zinnen genoemd, zijn kracht manifesteerde zich als de tussenklanken [ya, ra, la en va] en de activiteiten van zijn zinnen als de zeven noten van de muziek. [*] (48) Het bovenzinnelijke geluid van Zijn Ziel, die zich voorbij het begrip van gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn bevindt, is de bron van waaruit het Absolute [of Brahmâ], dat is bekleed met vele verschillende energieën, zich volledig manifesteerde.

(49) Nadat hij een ander lichaam had aanvaard schonk hij daarop aandacht aan de zaak der voortplanting. (50) O zoon van de Kuru's, wetende dat ondanks het aardse vermogen van de grote wijzen de bevolking zich niet uitbreidde, begon hij opnieuw in zijn hart dit te overwegen: (51) 'Helaas, hoe verrassend is het voor mij om steeds zo druk bezig te zijn maar niettemin het nagslacht niet aan het voortplanten te hebben; in dezen moet er een bepaalde goddelijke voorbeschikking zijn die me tegenzit.' (52) Terwijl hij zich aldus op zijn goddelijkheid bezon en alles overzag, manifesteerden zich op dat ogenblik naar zijn evenbeeld twee anderen van wie men zegt dat ze zijn lichaam zijn. (53) Zijn vorm die met hen aldus was opgedeeld ging toen op volmaakte wijze over tot een seksuele relatie. (54) Degene van de twee die van het mannelijk geslacht was werd de volledig onafhankelijke vader der mensheid [de Manu] genaamd Svâyambhuva en degene die de vrouw was stond bekend als S'atarûpâ; zij was de koningin voor de grote ziel die hij was. (55) Vanaf die tijd, voltrok door de seksuele activiteit volgens de regels der religie, zich voorzeker de toename der geslachten. (56) Na verloop van tijd schonk S'atarûpâ hem vijf kinderen: Priyavrata en Uttânapâda en drie dochters, o zoon van Bharata, Âkûti, Devahûti en Prasûti, o beste van allen. (57) Zij die Âkûti werd genoemd vergaf hij aan de wijze Ruci, de wijze Kardama schonk hij de middelste [Devahûti] en Daksha werd Prasûti gegeven. Hiervan raakte de gehele wereld bevolkt.

* De zeven vedische muzieknoten zijn: sa, ri, gâ, ma, pa, dha en ni [resp. c, d, e, f, g, a, bes]. 

 

Hoofdstuk 13

Het Verschijnen van Heer Varâha

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij Maitreya Muni die sprak over het meest deugdzame had aangehoord, o Koning, stelde de beste der Kuru's van aanbidding voor de verhalen over Vâsudeva, nog meer vragen. (2) Vidura zei: 'O grote wijze, wat deed Svâyambhuva Manu, de koning aller koningen en beminde zoon van Brahmâ, nadat hij zijn liefdevolle echtgenote verkregen had? (3) Wees zo goed me te vertellen over het karakter van deze heilige, oorspronkelijke koning, o meest deugdzame, ik zou heel graag vernemen over die koning die zijn toevlucht gezocht moet hebben in de veilige haven van Vishnu. (4) Personen die standvastig en met inspanning luisteren naar dat wat zeer zeker uitvoerig wordt verklaard door zuivere toegewijden, zullen door hun uitspraken de kwaliteit van geest vinden van hen die de lotusvoeten van de Heer der Bevrijding in hun hart hebben geplaatst'.'

(5) S'rî S'uka zei: 'Aldus heel bescheiden sprekend vond hij de lotusvoeten van het wonder der energieën en intelligentie in zijn schoot en stonden zijn haren overeind in de realisatie ervan. Toen, geïnspireerd door de geest van de woorden in relatie tot de Heer, nam de wijze het woord. (6) Maitreya zei: 'Toen Svâyambhuva Manu tezamen met zijn vrouw was verschenen, richtte de vader van de mensheid met gevouwen handen en eerbetuigingen zich tot het reservoir der vedische wijsheid: (7) 'U bent de enige ware verwekker van alle levende wezens, de vader en bron van het bestaan, maar hoe kunnen wij, van allen die uit u geboren zijn, u eveneens van dienst zijn? (8) Geef ons, met alle respect, o aanbiddelijke, daarvoor aanwijzingen aangaande de verplichtingen naar u toe, naar gelang onze capaciteiten van het handelen in deze wereld zoals men dat behoort te doen voor de verspreiding van de roem alom en de vooruitgang naar de volgende wereld.'

(9) Brahmâ zei: 'Ik ben heel tevreden over jou, mijn zoon, moge al mijn zegen op jullie allebei rusten, o Heer van de wereld, omdat je zonder enige terughoudendheid van hart je ziel aan mij hebt overgegeven. (10) Precies op deze manier behoort nageslacht, o held, voorzeker respect te oefenen voor de leraren; zij die goed bij hun verstand zijn behoren naar hun beste kunnen, met grote vreugde en vrij van afgunst, lering te trekken. (11) Zorgt U daarom bij haar voor kinderen die gelijk uzelve van eigenschappen zijn, zodat ze eenmaal geboren over de wereld kunnen heersen met de principes der menselijkheid, offerend en respect tonend voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (12) De levende wezens in bescherming nemen moet u zien als de beste manier om mij van dienst te zijn, o heerser over de mensen; met u als de bewaker van hun levens is Hrishîkes'a, de Opperheer der Zinnen, het meest tevreden. (13) Het werk van diegenen die nooit de Allerhoogste Heer Janârdana [Krishna als Hij die de mens voortdrijft en], het voorwerp van alle offeranden tevredenstelden, is zeker nutteloos daar ze niet de Allerhoogste Ziel respecteerden als hun eigen zelf.'

(14) Manu zei: 'Ik zal me houden aan de opdracht van uw machtige zelf, o doder van alle zonde, alstUblieft zeg me wat mijn plaats is in deze wereld en wat de plaats is van diegenen die uit mij zijn geboren. (15) Laat, omdat deze wereld die is verzonken in de uitgestrekte wateren [van de Garbhodhaka ocean van het geschapen universum] de verblijfplaats is van alle wezens, o god van deze planeet, het alstUblieft zo zijn dat u probeert deze op te heffen.'

(16) Maitreya zei: 'Hij van het voorbije [Brahmâ] die eveneens zag dat de aarde zich in het water bevond dacht: 'Hoe zal ik haar opheffen?' en besteedde er zo aandacht aan er een lange tijd [als volgt] op mediterend: (17) 'Toen ik bezig was met haar schepping, is de aarde diep ondergedompeld geraakt tenondergaand in een vloed. Wat zou voor ons, die verwikkeld zijn in deze kwestie van de schepping, de juiste handelwijze zijn? Moge Hij uit wiens hart ik werd geboren de Heer zijn die me daarin leidt.' (18) Terwijl hij aldus nadacht kwam er opeens uit zijn neusgat, o zondeloze, een klein zwijntje [Varâha], tevoorschijn dat niet groter was dan het topje van een duim. (19) Toen hij Hem zo in de lucht zag breidde waarlijk die vorm zich in één keer uit, o zoon van Bharata, tot een wonderbaarlijke gigantische gedaante met de afmeting van een olifant. (20) De vorm van die zwijnachtige verschijning beziend, begon hij met Manu en al de geleerde zonen met Marîci aan het hoofd met zichzelf op verschillende manieren te argumenteren: (21) 'Wie is dit uitzonderlijke wezen dat zich voordoet als een zwijn? O hoe wonderbaarlijk is het feit dat Hij uit mijn neus tevoorschijn kwam! (22) Het ene moment is Hij slechts zo groot als de top van een duim en direct daarop is Hij zo groot als een monoliet! Zou dit de Opperheer der offers Vishnu zijn? Ik sta versteld!' (23) Terwijl Brahmâ zo met zijn zoons aan het uitweiden was, maakte de Allerhoogste Heer der Opoffering, de Oorspronkelijke Persoon, een enorm tumult. (24) Brahmâ en de rest der brahmanen opwekkend, liet de almachtige Heer een tot dusverre onbekend stemgeluid uit alle richtingen weerklinken. (25) Toen de grote wijzen en denkers als de inwoners van de werelden der mensen, heiligen en de waarheid het luide gebrul hoorden waarmee de al-genadige Heer als Zwijn al het geweeklaag vernietigde, zongen zij allen van de drie Veda's de alles begunstigende mantra's.

(26) Zichzelf heel goed kennend als de uitgebreide vorm van het vedisch geluid van al de kennis der groten van de waarheid, brulde Hij wederom in reactie op de bovenzinnelijke verheerlijkingen der wijzen en intelligenten en ging Hij, spelend als een olifant, het water in tot hun voordeel. (27) Met Zijn staart in de lucht zwiepend en huiverend met de scherpe en harde haren van Zijn vacht, verdreef Hij de wolken met Zijn hoeven en straalde Hij met Zijn blinkend witte slagtanden als de Opperheer en Handhaver van de wereld. (28) Naar de aarde snuffelend, was Hij die het transcendentale lichaam van een zwijn had aangenomen, op zoek en toonde Hij zijn schrikwekkende slagtanden, hoewel desondanks al de brahmanen die bezig waren met bidden onbevreesd waren toen ze zagen hoe Hij Zijn blik op hen wierp terwijl Hij het water inging. (29) Die enorme berg van een lichaam dreef door de kracht van de duik de oceaan uiteen twee hoge golven teweegbrengend waardoor die als met twee armen in nood het gebed uitriep: 'O meester van alle offers, alstUblieft bescherm me hiertegen!' (30) Als de Meester der Offers met Zijn hoeven scherp als pijlen het water binnendringend vond Hij de grens van het onbegrensde en zag Hij daar de aarde zoals in den beginne liggen, de weelde van de levende wezens, en hief Hij haar persoonlijk op. (31) Omhoog komend uit het water, de ondergedompelde aarde opheffend met Zijn slagtanden, verscheen Hij in Zijn volle glorie en hief Hij met een heftige woede daar Zijn cakra [Zijn werpschijf of wiel] op tegen de demon [Hiranyâksha - die met de gouden ogen] die zich met een strijdknots in Zijn richting spoedde. (32) Met Zijn onnavolgbare kunnen doodde Hij toen in het water met gemak de tegenstrevende vijand precies zoals een olifant dat doet met een leeuw en raakten Zijn kaken en mond met bloed besmeurd zoals een olifant er uitziet door het graven in de [roodgekleurde] aarde. (33) Blauwachtig als een tamâla-boom terwijl Hij de aarde omhoog hield op Zijn gekromde slagtanden zoals een spelende olifant dat doet, o Vidura, konden zij die geleid werden door Brahmâ Hem begrijpen als zijnde de Allerhoogste Heer en brachten ze Hem bijgevolg met gevouwen handen hun gebeden.

(34) De wijzen drukten zich uit: 'Alle glorie en victorie aan U, o Onoverwinnelijke, die door offers wordt bemind en de persoonlijke belichaming bent van de Veda's, alle eer voor Hem in wiens poriën van Zijn lichaam de verzonken oceanen zich roeren; onze eerbetuigingen aan Hem die zich geroepen voelde de gedaante van een Zwijn aan te nemen! (35) O Heer, voor de onverlaten is deze gedaante van U maar moeilijk te zien; dat wat door opoffering te aanbidden is, de Gâyatrî en andere mantra's, is Uw aanraking; de haren op Uw lichaam zijn het kus'agras [waarop men zit als men mediteert]; de geklaarde boter [gebruikt bij het offeren] is als Uw ogen en Uw vier poten zijn de vier functies van het offeren [zie 3.12: 35]. (36) Uw tong is het offerbord en Uw neusgaten vormen een ander bord, o Heer; in Uw buik zien we het offerbord voor het voedsel en de gaten van Uw oren zijn ook zo'n bord; Uw mond is het bord van het geestelijk offeren en Uw keel is het bord voor de soma [een rituele drank], maar dat wat van Uw kauwen is, o Allerhoogste Heer, is wat U tot zich neemt middels het offervuur [agni-hotra]. (37) Met Uw herhaalde incarnaties wijdt U in, Uw nek staat voor de drie verlangens [naar een relatie, activiteiten en het uiteindelijke doel] en Uw slagtanden zijn het begin van U en het einde van alle begeerte; Uw tong is de voorbereiding, Uw hoofd is het vuur met, zowel als het vuur zonder offerande en voorzeker herbergt Uw levensadem alle verlangens [of offers]. (38) Uw zaad is het soma van de offerande, Uw stadia van groei zijn de ochtendrituelen, o Heer, Uw vlees en beenderen zijn de zeven soorten van offers [zie 3.12: 40], de gewrichten van Uw lichaam zijn de verschillende offers die men in een tijd van twaalf dagen brengt; o Heer, U bent het voorwerp van alle verlangens en alle soma- en niet-soma-offeranden die binden. (39) Onze eerbetuigingen aan U, die te aanbidden bent middels de universele gebeden als de Allerhoogste Heer voor al de ingrediënten en soorten van offers; U kan worden gerealiseerd als het opperste der offers door de geest te overwinnen in toewijding. U als de geestelijk leraar van dergelijke kennis, brengen we keer op keer onze eerbetuigingen. (40) Met de aarde en zijn bergen zo prachtig zich bevindend op de toppen van Uw vooruitstekende tanden, o Opperheer der Verheffing, kwam U uit het water tevoorschijn als een verwoede olifant die met zijn slagtand een lotus met bladeren en al gegrepen heeft. (41) Deze gedaante van een zwijn en de Veda in eigen persoon, die nu de aarde omhoog houdt op Zijn slagtanden, schittert voorzeker als de toppen van grote bergen waarvan de schoonheid wordt verhoogd door de omlijsting van wolken. (42) Voor het verblijf van wat zich zowel beweegt als niet beweegt, heft U als de vader deze moeder aarde als Uw echtgenote op; zowel als naar U toe, betonen wij deze moeder aarde in wie U Uw vermogen heeft geïnvesteerd, zoals het offervuur ontstoken in arani-hout, ons respect. (43) Wie anders dan U, o meester, kon, de aarde uit het water bevrijden. Voor U zijn zulke daden niets wonderlijks daar het wonder van het wonderbaarlijke universum dat U schiep uit Uw vermogens alle andere overtreft. (44) Toen U als de verpersoonlijking van de Veda's Uw lichaam uitschudde, werden wij als de bewoners van de werelden der mensen, heiligen en de waarheid met de druppels die waren achtergebleven in het haar op Uw schouders besprenkeld en gezuiverd, o Allerhoogste Heer. (45) Hij die het verlangt de limiet te kennen van Uw handelingen is zeker onzinnig; de eenheid en het vermogen van Hem die van onbeperkte activiteiten is verbijstert met mystiek vermogen het gehele universum van de natuurlijke geaardheden; o Hoogste Persoonlijkheid van God, vergun ons enkel Uw grondeloze genade.'

(46) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de grote wijzen en transcendentalisten plaatste Heer Zwijn, de Handhaver, de aarde op het water dat Hij met Zijn hoeven had beroerd. (47) Hij, de Persoonlijkheid van God, Vishvaksena, de Meester van Alle Levende Wezens, bracht op deze wijze als de Allerhoogste Heer, de aarde en haar schepselen bij wijze van spel en vermaak van onder het water er boven op en keerde toen naar Zijn woning terug. (48) Met diegene die met een toegewijde houding anderen verteld van deze gunstige en waardevolle geschiedenis over Hem die het materiële motief vernietigt, is de Heer ofwel zeer tevreden of zal Hij zeer spoedig in het hart tevreden zijn. (49) De Heer, tevredengesteld, is van alle zegen jegens hem en zal hem, van wat zo moeilijk te bereiken is, alles schenken wat zich los staande van de toegewijde dienst toont als onbeduidend gewin; verblijvend in de harten van hen die van toewijding zijn verheft Hij persoonlijk tot de allerhoogste transcendentie van Zijn woning. (50) Inderdaad, wie anders dan, helaas, het niet-menselijke wezen, zou, in de wereld bekend met het levensdoel en de essentie van de klassieke geschiedenissen aangaande de Fortuinlijke, de nectar weigeren van deze vertellingen welke, ingedronken door de oren, een einde maken aan alle materiële pijnen?

 

Hoofdstuk 14

De Bevruchting van Diti in de Avond

(1) S'rî S'uka zei: 'Na van de wijze de beschrijving te hebben gehoord van het verhaal over de Allerhoogste Persoonlijkheid die voor het opheffen van de wereld als een zwijn verscheen, verzocht Vidura, gezworen als hij was, hem met gevouwen handen om meer, aangezien hij zich niet geheel voldaan voelde. (2) Vidura zei: 'O belangrijkste onder de wijzen, luisterend naar u hoorde ik dat de demon Hiranyâksha werd gedood door de Allerhoogste Persoon, het oorspronkelijke doel der offers. (3) Om welke redenen kwam het in Zijn spel en vermaak, toen Hij de aarde ophief op Zijn slagtanden, o brahmaan, tot een gevecht met de koning der demonen? (4) Alstublieft vertel deze trouwe persoon, deze toegewijde, tot in detail over Zijn verschijnen, o grote wijze, daar ik, met mijn nieuwsgierige geest, nog niet genoeg heb gehoord.

(5) Maitreya zei: 'Mijn beste toegewijde, grote held, dat wat u, uit uw goede zelf, me vraagt over de onderwerpen aangaande de Allerhoogste Persoonlijkheid vormt de bron der bevrijding van geboorte en dood voor degenen die gedoemd zijn te sterven. (6) Omdat hij als kind van Nârada over hen vernam, plaatste de zoon van koning Uttânapâda [Dhruva], toen hij [bij zijn dood] opsteeg naar het verblijf van de Heer, zijn voeten op het hoofd van de dood. (7) Lang geleden hoorde ik Brahmâ, de God der Goden, de geschiedenis van deze gebeurtenissen beschrijven naar aanleiding van vragen gesteld door de halfgoden.

(8) O Vidura, op een avond smeekte Diti, de dochter van Daksha, in seksuele nood haar echtgenoot Kas'yapa, de zoon van Marîci, om een kind te verwekken. (9) Na het aanbidden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid Aller Offers met uitgietingen op de tong van het offervuur, zat hij volledig verzonken in de tempelkamer terwijl de zon onderging.

(10) Diti zei: 'O geleerde, Cupido heeft naar mij toe voor jou al zijn pijlen opgevat, mijn arme zelf in verlegenheid opjagend als een dolle olifant die een bananenboom te lijf gaat. (11) Wees daarom zo goed voor me, ik ben van streek als ik zie hoe goed het je andere vrouwen gaat; schenk me volledige genoegdoening met al de welvaart voor jou. (12) De roem van de echtgenoot die van zijn vrouw houdt zal zich in de wereld verspreiden daar van de kinderen van een goede echtgenoot als jij, de samenleving zich zeker uitbreidt. (13) Lang geleden vroeg onze vader, de hoogst welvarende Daksha, vol genegenheid ieder van zijn dochters: 'Aan wie geef je de voorkeur als je echtgenoot, mijn kind?' (14) Hij, zijn kinderen het beste wensend, schonk, met achting voor hun wensen, ze alle dertien weg; ze zijn in hun gedrag je nu allemaal trouw. (15) Wees daarom zo aardig mijn wensen te vervullen, o lotusogige; de verzoeken van hen die in nood verkeren en een groot persoon benaderen zullen, o grote, toch zeker niet vergeefs zijn?'

(16) Aldus, o held, gaf de zoon van Marîci de arme en praatgrage in kalmerende bewoordingen antwoord, daar ze zeer ontdaan was besmet door de lust. (17) 'Ik zal doen wat je ook maar van me vraagt, mijn liefste zo gekweld. Door wie anders dan door jou zouden de drie perfecties der bevrijding [dharma, artha, kâma: het regelen van de religie, de economie en de zinsbevrediging] kunnen worden bereikt? (18) Levend met een echtgenote kan een persoon die alle levensstadia doorloopt en zijn eigen roeping naleeft, de gevaarlijke oceaan van het materiële bestaan oversteken zoals men een zee met zeewaardige schepen doorkruist. (19) De echtgenote wordt, met al [de perfecties met] wat zij verlangt, beschouwd als de betere helft van iemands lichaam. Met het aan haar, o respectabele, overlaten van alle [materiële] verantwoordelijkheden, zal een man zich zonder zorgen bewegen. (20) De zinnen zijn, voor andere levensorden dan die van de huishouders, moeilijk te overwinnen vijanden; wij die aldus onze toevlucht nemen kunnen ze gemakkelijk de baas zoals de bevelhebber van een veste dat kan met binnendringende plunderaars. (21) Nimmer zullen we in staat zijn te beantwoorden wat jij allemaal voor ons gedaan hebt, o koningin van het huis; ons gehele leven niet, noch in het volgende leven, noch zullen anderen die waardering hebben voor je kwaliteiten dat kunnen. (22) Laat mij, dat gezegd hebbende, er onverwijld zorg voor dragen dit belang van jou te behartigen; wacht enkel een paar seconden zodat men mij niets te verwijten heeft. (23) Dit ogenblik is hoogst ongeschikt, het is de verschrikkelijke tijd waarin de akelige geesten en hun meester daadwerkelijk iemands constante metgezel zijn. (24) Om deze tijd van de dag, o kuise, in de schemering, trekt [S'iva] de Heer en weldoener der spookachtigen die hem omringen, als hun koning rond op de rug van de stier [Nandî]. (25) Met de schoonheid van het smetteloze stralende lichaam van de halfgod besmeurd met het stof en de rook opgewaaid van het verbranden van de doden, en met zijn samengeklitte haar overdekt door as, ziet je [zuster's, d.w.z. Satî's] echtgenoot [allen] met zijn drievoudige blik [van zon, maan en vuur]. (26) Hij ziet niemand in deze wereld als zijn verwant noch staat men los van hem; hij ziet niemand als groter noch beschouwt hij wie dan ook evenmin als misdadig; gezworen eerbiedigen wij verplicht aan hem zijn voeten, ons verzekerend van de overblijfselen van wat hij afwees van het geofferde voedsel. (27) Hoewel er wat betreft zijn onberispelijke karakter, dat wordt nagevolgd door de wijzen in hun verlangen de onwetendheid van de massa te ontmantelen, niemand is van een gelijke grootheid, treedt hij niettemin, terwille van de realisatie der toegewijden, persoonlijk op als een antagonist [naakt en besmeurd met as]. (28) De onfortuinlijken die in hun activiteiten daadwerkelijk om hem lachen, niet wetend van zijn bedoeling van bezig zijn in het zelf, vertroetelen hun lichaam - dat uiteindelijk slechts hondenvoer is - als was het de ziel zelve, met luxe als kleding, bloemenslingers en smeersels. (29) Goden als Brahmâ zijn, als de beschermers van de riten, in hun optreden gelijkgericht met hem, de heerser over de materiële energie onder wiens gezag de schepping zijn bestaan vindt; het antagonistisch optreden van dit grootse karakter is, bij God, slechts een nabootsing [in het op zich nemen van het karma].

(30) Maitreya zei: 'Ondanks op die manier door haar echtgenoot te zijn geïnformeerd, greep ze, met haar zinnen gedreven door Cupido, de kleding van de grote brahmaanse wijze vast, als was ze een schaamteloze publieke vrouw. (31) Hij, de koppigheid van zijn vrouw over de verboden daad begrijpend, bracht het aanbiddelijke lot zijn eerbetuigingen en vleide zich in afzondering neer met zijn vrouw. (32) Daarna een bad nemend mediteerde hij, met behulp van de zuivere geest van het Absolute zijn adem en zijn stem beheersend in gebed, op het licht der eeuwigheid. (33) O zoon van Bharata, Diti, beschaamd over de foute daad, benaderde de geleerde wijze met haar gezicht naar beneden gewend en sprak beleefd tot hem. (34) Diti zei: 'Laat deze zwangerschap van mij, o brahmaan, edelste van allen, niet door Rudra een einde vinden, daar ik zeker een overtreding heb begaan tegenover de meester der schepselen. (35) Ik betuig Rudra de eer, de woeste grote halfgod die alle verlangens vervult, de al-gunstige en vergevingsgezinde, die onmiddellijk woedend terecht wijst. (36) Moge hij, de hoogste, grote en genadige persoon, de aangetrouwde broer die gehuwd is met Satî ['de kuise', de zuster van Diti] over ons tevreden zijn, hij die de God van alle vrouwen is en zelfs van genade is voor de slechten.'

(37) Maitreya zei: 'Voor haar eigen kinderen het welzijn in de wereld wensend en bevend door het zich hebben afgekeerd van de regels en voorschriften van de avond, werd de echtgenote toegesproken door deze vader van de mensheid. (38) Kas'yapa zei: 'Door je verontreinigde geest, het onteren van de heiligheid van het moment alsook door het al te onverschillig staan tegenover mijn aanwijzingen, was je te onachtzaam jegens de goden. (39) O ongelukkige, uit je noodlottige baarmoeder zullen twee zoons vol minachting geboorte nemen, die een voortdurende treurnis onder de bestuurders van al de drie werelden zullen veroorzaken, o hoogmoedige. (40) Ze zullen arme en onschuldige levende wezens doden, vrouwen kwellen en de grote zielen kwaad maken. (41) Als dat gebeurt zal de Hoogste Persoonlijkheid en Heer van het Universum in grote woede het welzijn van de mensen in het algemeen verlangend, hen doden, in eigen persoon nederdalend als was Hij de gesel der bergen met de bliksemschicht [Indra].'

(42) Diti zei: 'Ter plekke te worden gedood door de werpschijf in handen van de Fortuinlijke is het beste; ik wens dat mijn zonen nooit eindigen als gevolg van de woede der brahmanen, o echtgenoot. (43) Een persoon bestraft door de vloek van een brahmaan en hij die andere levende wezens in angst doet leven, wordt noch door hen die van de hel zijn, noch door welke vormen van leven dan ook die de overtreder bereikt, begunstigd.'

(44-45) Kas'yapa zei: 'Het betreurd hebbend en boetvaardig zijnde in een onmiddellijke, gepaste bekentenis en door je grote bewondering voor de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer S'ivaen je respect voor mij, zal er voorzeker uit een van de twee zoons [Hiranyakas'ipu] een zoon worden geboren [Prahlâda] die de goedkeuring van de toegewijden zal wegdragen; zijn bovenzinnelijke glorie zal als zijnde gelijk aan de glorie van de Allerhoogste Heer worden verkondigd. (46) Zoals goud van een inferieure kwaliteit door zuivering wordt veredeld, zullen heilige personen, die zuivering zoeken in het nastreven van het vrij zijn van vijandigheid, in het voetspoor van het karakter van deze ziel treden. (47) Hij, de Opperheer, door wiens genade dit universum zijn geluk vindt vanwege Zijn omnipotentie in de speciale zorg voor Zijn toegewijden, zal zeer tevreden zijn over zijn onwankelbare intelligentie. (48) Hij zal zeker de beste der toegewijden zijn, de grootste ziel met de grootste invloed en goed gerijpt door de toegewijde dienst [*]; met zijn geest in extatische liefde, zal hij ongetwijfeld Vaikunthha [de plaats zonder angst, de hemel] bereiken bij het verlaten van deze materiële wereld. (49) Hij zal een deugdzaam en gekwalificeerd vergaarbekken van goede kwaliteiten zijn; hij zal zich verheugen op het geluk van anderen en van streek zijn als anderen ongelukkig zijn; hij zal zonder vijanden zijn en een eind maken aan alle treurnis in de wereld zoals de maan dat doet na te hebben geleden onder de zomerzon. (50) Je kleinkind zal, in zich en buiten zich, de zuivere gedaante [van de Heer] met de lotusogen aanschouwen, die de vorm aanneemt die Zijn toegewijde zich wenst, die het sieraad is van de prachtige Godin van het Geluk en wiens gezicht is gesierd met schitterende oorhangers.

(51) Maitreya zei: 'In het horen dat haar kleinzoon een grote toegewijde zou zijn schiep Diti een groot behagen en eveneens wetend van het doden van haar twee zoons door Krishna raakte haar geest hoogst voldaan.

* Bij vers 49: Goed gerijpt betekend gerijpt in drie stadia: sthâyi-bhâva, een bepaalde emotionele relatie hebben met God; anubhâva, bepaalde emoties in die relaties ervaren, en mahâbhâva of het stadium waarin men extatische gevoelens van liefde voor God ervaart.

 

Hoofdstuk 15

Beschrijving van het Koninkrijk Gods

(1) Maitreya zei: 'Diti begreep dat door het krachtige zaad van de grote Prajâpati, anderen die de leiding hadden in moeilijkheden zouden verkeren en dus droeg ze het in twijfel over hoe het een eeuw lang zijn effect zou hebben op de goddelijken. (2) De wereld was erdoor verstoken van licht en de verscheidene lokale vormen van goddelijkheid die hun macht verminderd zagen, keerden zich tot God [Brahmâ] zich afvragend waar de duisternis die zich in alle richtingen uitbreidde vandaan kwam. (3) De godsbewusten zeiden: 'Door deze duisternis waar u weet van hebt, o machtige, zijn we erg bang omdat we niet ongemanifesteerd zijn zoals u dat bent; uw allerhoogste goddelijke weg is vrij van de invloed der tijd. (4) O god der goden, die het universum onderhoudt, u als kroonjuweel van de geestelijke en materiële werelden van alle lokale goddelijkheid, bent op de hoogte van de bedoelingen van alle levende wezens. (5) Al ons respect voor u, o oorspronkelijke bron van kracht en objectieve kennis. Op het verwerven van dit lichaam van uitwendige energie en met het aanvaarden van de differentiatie van uw geaardheid der hartstocht, bieden we u onze eerbetuigingen daar u de oorspronkelijke ongemanifesteerde bron bent. (6) Zij die van een niet aflatende toewijding zijn mediteren op u als de oorsprong aller schepselen; al de werelden zijn verbonden door uw zelf welk de allerhoogste veroorzaker is die tot oorzaak en gevolg leidt. (7) Voor hen die gerijpt zijn in de praktijk der yoga en uw genade bereikten in het beheersen van de zinnen en de geest middels de ademhaling, is er van geen enkele kant een nederlaag. (8) Hij door wiens aanwijzingen alle levende wezens worden geleid zoals een stier door het touw, hij wiens kracht van beheersing niet ongedaan kan worden gemaakt, aan hem die allerbelangrijkste, aan u, bieden we onze eerbetuigingen aan. (9) Hem, u, verzoeken wij te handelen tot ons goede geluk, o grote Heer, daar door de duisternis al onze voorgeschreven taken oponthoud ondervinden. Door de weldadige genade van uw blik, zijn wij, die zich hebben overgegeven, in staat om te zien. (10) O god, dit zaad van Kas'yapa uitgestort in de baarmoeder van Diti, is oorzaak van een complete verduistering in alle richtingen zoals een vuur dat is overladen met brandstof.

(11) Maitreya zei: 'Glimlachend gaf hij, de zelf-geborene, o machtig gearmde, die in de gebeden wordt begrepen als de oorspronkelijke eigenaar van alle weelde, de goddelijken antwoord hen tevredenstellend in zoete bewoordingen. (12) Brahmâ zei: 'Met Sanaka voorop werden zij [Sanâtana, Sanandana en Sanat-kumâra], vóór uw tijd, uit mijn geest geboren en reisden ze zonder enig verlangen rond langs de bewoners van de geestelijke en materiële werelden. (13) Op een dag gingen zij, vrij van alle materiële besmetting, Vaikunthha binnen, het hemelse verblijf van de Hoogste Persoonlijkheid Heer Vishnu; een bereik aanbeden in alle werelden. (14) Alle personen die daar leven hebben dezelfde gedaante als de Heer van Vaikunthha en leven zonder verlangens vanwege hun toegewijde dienst van onafgebroken eerbetoon aan de Hoogste Persoonlijkheid. (15) Aldaar is de Oorspronkelijke Persoon de Opperheer Zelve die middels de geschriften wordt begrepen in het aanvaarden, in de geaardheid goedheid, van het onbesmette van Zijn eigen metgezellen, hetgeen ons geluk doet toenemen over de personificatie der religieuze beginselen. (16) Te Vaikunthha, waar alles spiritueel en persoonlijk is, zijn er bossen in naam van het geluk die tegemoet komen aan alle verlangens met bomen die in alle seizoenen zijn overladen met bloemen en vruchten. (17) Hoog verheven bezingen ze daar samen met hun echtgenotes zonder ophouden, vrij van alle ongunstige kwaliteiten, de Allerhoogste Heer, daarbij zelfs de geestverruimende geur van de mâdhavî-bloemen vol van nectar overtreffend die temidden van het water bloeien. (18) Het tumult van duiven, koekoeken, kraanvogels, cakravâka's, en zwanen, andere watervogels, papegaaien, patrijzen en pauwen wordt slechts voor een enkel moment onderbroken door het luide gegons van de koning der hommels in zijn bezingen van de heerlijkheden van de Heer. (19) De geur van de mandâra, de kunda, de kurabaka, de utpala, de campaka, de arna, de punnâga, de nâgakes'ara, de bakula, de lelie en de pârijâtâ, vereerd in de goede geest van de verzaking van Vaikunthha, vindt er zijn volle glorie in een slinger van tulsî-blaadjes. (20) Eenvoudig door eerbetoon aan de Heer Zijn voeten realisee rdenen de toegewijden paleizen, gemaakt van lapis lazuli met smaragd en goud, waarvan de [vrouwelijke] bewoners brede heupen hebben en mooie glimlachende gezichten. Maar met hun geesten verzonken in Krishna geeft dit geen aanleiding tot enige lust met hun vriendelijke lachen en grappenmakerij. (21) In dat huis van de Heer wordt somtijds, weerspiegeld in de kristalheldere muren ingelegd met goud, de Godin van het Geluk vrij van alle fouten waargenomen, een prachtige gedaante aannemend met rinkelende [enkelbanden aan haar] voeten en spelend met een lotusbloem; [een visie] waarvoor de andere dames, teneinde haar genade te verwerven, zich vertonen als poetsvrouwen van de grootste zorg. (22) In de vijvers omlijst met koraal offeren ze, in hun tuinen omringd door hun dienaressen, de Heer tulsîblaadjes, daarbij hun gezichten, gezien in het kristalheldere water met de tilaka [heilige klei] hoog op hun neus, aldus gekust door de Heer beschouwend als een deel van Zijn schoonheid. (23) Helaas, hoe onfortuinlijk zijn degenen die zich nooit op de hoogte stellen van deze Vaikunthha-schepping van de Overwinnaar van Alle Zonde, maar liever vernemen over onderwerpen gevat in slechte bewoordingen die de intelligentie doden. Dergelijke personen, ver van de waarden van het leven, zijn, verstoken van alle toevlucht, teneer geworpen in de duisternis. (24) Zij, en ook wij, die het zo verlangden, bereikten de menselijke vorm van leven en kennis van wat het Absolute inhoudt dank zij de juiste gedragswijze [dharma]. Waar men niet in een dergelijk respect verkeert voor de Allerhoogste Heer, is men helaas bezig in de verbijstering van Zijn alles doordringende illusieverwekkende energie. (25) Hoewel men in gezelschap [te Vaikunthha] afziet van strikte soberheid en het volgen in de voetsporen van de belangrijke wijzen, verlangt men er daar zeker naar om, meer dan over ons, van Zijn metgezellen te vernemen over de goede kwaliteiten, waarbij, onder elkaar de heerlijkheden besprekend, ze in de vervoering van de aantrekking de tranen in hun ogen krijgen en de rillingen over hun lijf.'

(26) Toen de wijzen [met Sanaka voorop] die plaats bereikten bij de kracht van hun spiritueel vermogen, kwamen ze tot een onvergelijkelijk, allerhoogst geluk toen ze de verlichting zagen van het hoog verhevene van de besten der toegewijden en het vooropgaan van de Leraar van het Universum die van de hele wereld de enige is die de aanbidding waard is. (27) Na het daar passeren van zes poorten zonder zich bijzonder aangetrokken te voelen, troffen ze bij de zevende poort toen twee poortwachters van gelijke leeftijd aan die waren uitgerust met kostbare knotsen, armbanden, oorhangers, helmen en prachtige kledij. (28) Er waren bedwelmde bijen rond de slingers van verse bloemen die tussen hun armen om hun nekken hingen, en met hun opgetrokken wenkbrauwen, opengesperde neusvleugels en rood doorlopen ogen zagen ze er enigszins opgewonden uit. (29) Hen beide bij de poort zien staand passee rden de zonen van Brahmâ, zoals ze voorheen deden, zonder te vragen met een open geest de gouden en diamanten deuren; ze waren de grote wijzen die uit eigen beweging zich overal begaven zonder te worden gecontroleerd of betwijfeld. (30) Hen ziende, vier naakte jongens die al ouder waren en de waarheid van het zelf hadden gerealisee rd, maar er uitzagen alsof ze maar vijf jaar oud waren, hielden de twee poortwachters hen tegen met hun staf, met minachting voor de glorie en de etiquette in een weerbarstige houding jegens de Heer. (31) Toen voor ogen van de inwoners van Vaikunthha ze door de twee werden geweigerd, hoewel ze alleszins de meest geschikten waren van de Heer, werden hun ogen, op de geringe hindernis die de poortwachters vormden plots rood van woede in hun volijver hun meest geliefde te zien.

(32) De wijzen zeiden: 'Wie zijn jullie twee die door je deugdzame daden in het verleden het schopten tot de dienst van de Opperheer? Wie ook, die niet in overeenstemming met de mentaliteit van de toegewijden - die in Hem verkeren zonder angst en vijandschap -, is in staat om, zoals jullie twee dat doen, er een dergelijke dubbelhartigheid op na te houden die het vertrouwen niet waard is? (33) Zoals er harmonie is tussen het beetje lucht dat men vasthoudt en de lucht buiten het lichaam, is er van de ziel de harmonie gevat in de relatie van de Hoogste Persoonlijkheid met de levende wezens. Hoe kunnen zij die geleerd hebben jullie twee in de kleding van Vaikunthha beschouwen als zijnde ontwaakt en als het hebben ontwikkeld van een zeker onderscheid naar lichaam en ziel? Vanwaar, bij God, deze bevreesdheid? (34) Laat ons daarom in overweging nemen hoe, terwille van het afroepen van het voordeel van de genade van de Heer van Vaikunthha, we deze antipatieke overtreding moeten afhandelen. Mogen, vanwege het in de dualiteit trekken van de zaken, jullie van hieruit naar de materiële wereld vertrekken, alwaar men leeft met de drievoudige zonde die de vijand is [het verlangen, de lust en de woede].'

(35) De twee begrepen hoe verschrikkelijk het was wat er was gezegd en werden bang van de toegewijden, daar de vloek van een brahmaan niet kan worden tegengegaan. Meteen wierpen ze zich in grote angst ter aarde en grepen ze naar hun voeten: (36) 'Het mag zo zijn dat u ons vanwege onze zonden heeft gestraft. Een gebrek aan respect voor grote wijzen zoals u, moet worden teniet gedaan. Maar we bidden dat met de tijd, door uw mededogen en door ons berouw, we niet zullen lijden onder de illusie van het vergeten van de Allerhoogste Heer, als we meer en meer moeten afdalen tot het nivo van de gewone sterveling.'

(37) Op dat moment vernam de Allerhoogste Heer, uit wiens navel de lotus ontsproot, van de belediging jegens de rechtgeaarde wijzen en begaf Hij zich, begeleid door Zijn geluksgodin, in die richting met dezelfde voeten als aanbeden door de kluizenaars en wijzen. (38) Hem op zich af zien komend met alle toebehoren en Zijn toegewijden, vervielen de grote wijzen, die nu degene waar ze altijd naar hadden uitgezien zagen, in extase, ziende hoe als prachtige zwanen, de câmara's [wuifkwasten van yak-haar] een koele bries gaven en de parels van Zijn witte parasol bewogen, waardoor ze eruit kwamen te zien als druppels water op een gereflecteerde maan. (39) Allen zegenend met Zijn genadige gelaat als de verlangde toevlucht, bezag Hij hen vol genegenheid en ontroerde Hij hen zich in hun harten uitbreidend; met Zijn donkergekleurde huid en Zijn brede borst opgesierd door de geluksgodin, spreidde Hij het goede geluk tentoon als het hoogtepunt der geestelijke werelden en de verblijfplaats van de ziel. (40) Gekleed in gele stof had Hij een helder glanzende gordel rond Zijn heupen en zoemende bijen om Zijn bloemenslinger.. Om zijn polsen had Hij fraaie armbanden en één van Zijn handen rustte op de schouder van de zoon van Vinatâ [Garuda] terwijl een andere wuifde met een lotusbloem. (41) De bliksem overtreffend completeerde de versiering van Zijn krokodil-vormige oorhangers Zijn voorkomen gekend met Zijn kaken en rechte neus, een met juwelen versierde kroon, een bekoorlijk hoogst waardevol halssnoer tussen Zijn sterke armen en het Kaustubha-juweel dat Zijn hals opsierde. (42) Aldaar stelde Hij de glimlachen van de Godin der Schoonheid in de schaduw ter wille van de intelligentie van Zijn eigen mediterende toegewijden; de zeer mooie gedaante aanbiddelijk voor zowel mij als voor S'iva alsook voor jullie allen, gezien door de wijzen, kon hun ogen niet genoeg bevredigen en deed hen vreugdevol neerbuigen. (43) Toen de bries die het aroma van de tulsîblaadjes van de tenen van de lotusvoeten hun neusgaten binnendrong, sloeg hun opwinding om, ondanks dat ze zowel in lichaam als geest gehecht waren aan het onpersoonlijke. (44) Daarna opkijkend zagen ze Zijn gezicht dat leek op het hart van een blauwe lotus en zagen ze de zelfs nog mooiere jasmijnbloem van Zijn glimlachende lippen. Zo hun levensdoel bereikt hebbend keken ze wederom naar beneden naar de robijn-rode nagels van Zijn lotusvoeten en mediteerden ze op hun Toevlucht. (45) Voor hen die in deze wereld bevrijding zoeken met de wegen van de yoga is Hij het voorwerp van meditatie goedgekeurd door de groten; met de bevrediging die Hij de ogen schenkt met het tentoonspreiden van Zijn menselijke gedaante, eeuwig aanwezig als Hij die Verbindt, wordt Hij geprezen als de vervolmaking van de acht verworvenheden die voor anderen niet bereikbaar is [de zogeheten acht perfecties of siddhis zijn: animâ: klein zijn, mahimâ: groot zijn, garimâ: gewicht, laghimâ: lichtheid, prâpti: vrije toegang, prâkâmyam: op wens handelen, vas'itva, controle over de elementen en îs'itvam: heerschappij over alles].

(46) De Kumâra's zeiden: 'Hij die zich in het hart bevindt is niettemin niet zichtbaar voor hen die ver van de ziel staan. U, die Hem voorzeker van aangezicht tot aangezicht bent vandaag, o Onbegrensde, kan worden bereikt als men, alleen al via de oren, reikt tot de beschrijving door onze vader [Brahmâ] van het geheim van de mysteriën beschreven door Uw verschijning. (47) Hem, U, kennen we, o Opperheer, als de hoogste werkelijkheid van de ziel die van zuivere goedheid is. Nu kan U door ons wijzen worden begrepen als de genade en liefde van God die alles en iedereen gestalte geeft die standvastig is in de eenheid van de toewijding, vrij is van gebondenheid in het hart en geen belangs stelt in een materieel leven. (48) Zelfs om werelds succes of wat voor materieel geluk dan ook bekommert men zich niet [onder Uw invloed]; bevreesd voor het heffen van Uw wenkbrauwen nemen wij als toegewijden, O Allerhoogste, onze toevlucht tot Uw lotusvoeten en de verhalen over U waarvan de zuivere heerlijkheden het waard zijn bezongen te worden door de uiterst ter zake kundige kenners van Uw rasa's [individuele relaties met Hem]. (49) Zoals we dat door onze zonden hebben verdiend mogen we van lage geboorten zijn en geesten hebben die druk zijn als zoemende bijen; als we betrokken mogen zijn op Uw lotusvoeten en onze woorden mogen hebben als de tulsîblaadjes van Uw genade, zullen ze de schoonheid vinden met het vullen van onze oren met Uw transcendentale kwaliteiten. (50) Door deze eeuwige gedaante van U die U manifesteerde, o Hoogst Aanbedene, o Heer, raakten we zo voldaan in onze visie van U als de Allerhoogste Heer. Laat ons daarom U alleen onze eerbetuigingen brengen; U die door hen die vervreemd zijn niet kan worden gezien als de Allerhoogste Heer zoals wij U gezien hebben.

 

Hoofdstuk 16

De Twee Poortwachters van Vaikunthha, Vervloekt door de Wijzen

(1) Brahmâ zei: 'Na de vier wijzen van het yoga-geweten gecomplimenteerd te hebben met hun woorden van lof, richtte de Almachtige van de verblijfplaats Vaikunthha het woord tot hen. (2) De Opperheer zei: 'Deze twee dienaren van Mij genaamd Jaya en Vijaya begingen voorzeker, omdat ze Mij negeerden, een ernstige overtreding jegens u. (3) De straf die u, die van toewijding bent, hen bedeelde, keur Ik zeker goed, o grote wijzen, daar ze zich vijandig tegen u keerden. (4) Derhalve zoek Ik nu uw vergeving omdat die overtreding jegens u de brahmanen, die de hoogsten van God zijn, de Mijne is; Ik beschouw Mezelf als degene die hem beging daar zij, door wie u niet bent gerespecteerd, Mijn eigen dienaren zijn. (5) In het algemeen, als een dienaar iets verkeerd doet, geeft men degene in wiens naam de overtreding is begaan de schuld; het schaadt de reputatie van die persoon zoveel als lepra dat met de huid doet. (6) De nectar van de onbezoedelde glorie die iemand ter ore komt, zuivert het ganse universum op slag met inbegrip van de laagsten der lagen; Ik ben die persoon van de Vrijheid van Luiheid en Dwaasheid, van Vaikunthha, en voor u die de heerlijkheid van dat verheven pelgrimsoord heeft bereikt, zou Ik zelfs mijn arm afhakken als dat vijandig tegen u zou werken. (7) Door hen wiens zonden alle terstond zijn uitgewist door het dienen in het stof van Mijn heilige lotusvoeten, heb Ik een zodanige aard verworven dat zelfs al ben Ik niet gehecht aan de Godin van het Fortuin zij, voor wie anderen heilige geloften in acht nemen om de geringste gunst te verkrijgen, Me nimmer verlaat. (8) Anderzijds, geniet Ik niet zoveel van de uitgietingen in het vuur van de offeraar die de ghee, die overvloedig vermengd is met het voedsel, in die mond van Mij offert, als dat Ik geniet van de hoeveelheden voedsel die de monden van de optredende brahmanen tevredenstelden die de resultaten van hun handelen aan Mij opdroegen. (9) Als Ik, ongebroken en niet gehinderd in Mijn innerlijk vermogen, de zuivere weelde van het stof van hun voeten op Mijn hoofd kan dragen, welk wijs mens zou dan niet het Ganges-water dragen dat de voeten waste en terstond tezamen met Heer S'iva, de drie werelden heiligt? (10) Die personen die de besten der tweemaal geborenen, de koeien en de hulpeloze schepselen die Mijn lichaam vormen, als verschillend van Mij zien, omdat hun oordeelsvermogen door zonde is belemmerd, zullen, zelf zo kwaad zijnd als een slang, verscheurd worden door de kwade, gierachtige boodschappers van de meester der bestraffing [Yamarâja]. (11) Maar zij die met verheugde harten en de nectar van hun lotusgelijke, glimlachende gezichten intelligent de brahmanen die van ernstige bewoordingen zijn respecteren, met lieve woorden zoals een vredelievende zoon zou in zijn lof, zijn in Mij, daar Ik beheerst wordt door die brahmanen. (12) Laat het daarom zo zijn dat de verbanning van deze twee dienaren, die, niet wetend van de bedoeling van hun meester, in overtreding waren jegens u en het onmiddellijke gevolg onder ogen moeten zien, niet te lang moge zijn, zodat ze spoedig de gunst van Mijn nabijheid herkrijgen.'

(13) Heer Brahmâ zei: 'Alhoewel ze nu Zijn liefdevolle goddelijke toespraak hadden gehoord die als één doorlopende hymne van wijsheid was, waren hun zielen, die waren gebeten door de slang der woede, niet bevredigd. (14) Toen ze met hun oren wijd open vernamen van de uitnemendheid van de zorgvuldig gekozen woorden van monumentaal belang, konden zij, diep nadenkend over het gewicht ervan, zich geen voorstelling maken van de Heer Zijn bedoeling. (15) De grootse glorie die de Allerhoogste had geopenbaard vanuit Zijn innerlijk vermogen deed de vier brahmanen, in de hoogste verrukking en met gevouwen handen, spreken met hun haren overeind. (16) De wijzen zeiden: 'O Allerhoogste Heer, we hadden er geen idee van wat U, o God wilde dat we deden en niettemin sprak U ten gunste van ons; daarom, wat zegt U, als de Allerhoogste Heerser, ons nu? (17) U bent de allerhoogste leider van de geestelijke wereld en van de hoogste positie van de brahmanen die de anderen onderrichten; o Meester, als zodanig bent U de Opperheer en Ziel, de Godheid, voor de goddelijken en de geschoolden. (18) Van U is er de bescherming van de eeuwige roeping door al Uw manifestaties en het allerhoogste van de menselijke beginselen; naar onze mening bent U het onveranderlijke doel. (19) Omdat bij Uw genade de transcendentalisten zonder moeite de dood en geboorte te boven komen met het beëindigen van alle materiële verlangens, kan het nooit zo zijn dat U als zodanig door anderen kan worden begunstigd. (20) De Genade van het Fortuin [de godin Lakshmî], het goede waarvan anderen bij gelegenheid het stof van de voeten op hun hoofd aanvaarden, zit op U te wachten, er naar uitziend zich van een plaats te verzekeren gelijk die van de koning der hommels met het aroma van de krans van verse tulsîblaadjes die door de toegewijden wordt aangeboden. (21) U, als de Hoogste van het zuivere van haar toegewijde dienst, bent nimmer gehecht aan het dienen; hoe kan U dan, als de gehechtheid van de toegewijden, worden gezuiverd door het heilige stof op het pad of door het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren op Zijn borst] het reservoir van al het goede verwerven? (22) Van U, de verpersoonlijking der religie, de Allerhoogste Heer, zijn de voeten waarneembaar in al de drie yuga's [zie 3 -11] in dit universum van het levende en het levenloze. De tweemaal-geborenen en de goddelijken echter, beschermd door die voeten, zagen de hartstocht en de onwetendheid door hen vernietigd; alstUblieft, ban [het kwade] met Uw bovenzinnelijke gedaante uit, schenk ons al Uw zegeningen van zuivere goedheid. (23) Als U, als de beschermer der tweemaal-geborenen, de hoogste klasse, hen in feite niet waardig acht om als de besten te worden gerespecteerd en met milde woorden te worden aangesproken, dan zal voorzeker het goedgunstige pad, waarvan de mensen in het algemeen de autoriteit der wijsheid zouden aanvaarden, o God, verloren zijn. (24) En dat wordt door U niet gewenst - U, die als het vergaarbekken van alle goedheid het goede wenst te doen voor de mensen in het algemeen, vernietigde door Uw eigen vermogens de tegenstand; hierdoor o Heer, o Ene van de drievoud der natuur en handhaver van het universum, blijft Uw vermogen onverminderd en is die onderworpen houding slechts Uw genoegen. (25) Wat voor straf ook, o Heer, U denkt dat deze twee verdienen, die van een beter bestaan zijn, zullen we met heel ons hart aanvaarden; doe wat U ook maar denkt dat een gepaste sanctie zou zijn; we begrijpen dat we de zondeloze n hebben vervloekt.'

(26) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze twee zullen elders spoedig geboorte nemen uit een goddeloze moederschoot. Versterkt door woede en geconcentreerd van geest zullen ze hecht verenigd met Mij zijn en opnieuw Mijn aanwezigheid verkrijgen als ze snel weer terugkeren; weet dat die vervloeking van u door Mij alleen is afgeroepen, o wijzen.'

(27) Brâhma zei: 'De wijzen hadden nu het oogstrelende van het zelf-verlichte bereik van Vaikunthha, de verblijfplaats van de Heer der Onbevreesdheid, gezien. (28) Na de Allerhoogste Heer te hebben omlopen en hun respect te hebben getoond keerden ze terug, in de hoogste staat verkerend over het hebben ontdekt van de alleszins vreedzame heerlijkheid de vaishnava's [de dienaren van Heer Vishnu]. (29) De Opperheer zei toen tegen Zijn twee dienaren: 'Ga hier weg, weest onbevreesd, maar leef in saamhorigheid; hoewel Ik in staat ben een brahmaanse vloek teniet te doen, wens Ik dat niet en keur Ik hem zelfs goed. (30) Dit vertrek was voorzien door Lakshmî, die voorheen furieus was toen jullie haar beletten de poort binnen te gaan terwijl Ik lag te rusten. (31) Door in woede mystieke yoga te beoefenen zullen jullie worden bevrijd van het gevolg van het niet respecteren van de brahmanen en over een niet al te lange tijd in mijn nabijheid terugkeren.'

(32) Aldus de twee poortwachters te hebben toegesproken, keerde de Opperheer terug naar Zijn woning, Hij die altijd in het hoogste van de cultuur wordt gevonden omringd door al de weelde van de godin Lakshmî. (33) Maar de twee die niet in staat waren [de vloek van] de besten der wijsheid uit de weg te gaan, vielen uit Vaikunthha neer en verloren, vanwege de vloek der brahmanen, hun schoonheid en luister terwijl ze neerslachtig raakten. (34) Toen ze ten val kwamen, rees er in reactie daarop vanuit de verblijfplaats van de Heer der Onbevreesdheid, uit de paleizen van al de toegewijden een grote schreeuw van teleurstelling op. (35) Deze twee mannen, op deze manier aangesproken door de belangrijke metgezellen van de Heer, gingen de schoot van Diti binnen door het zeer krachtige zaad van Kas'yapa. (36) Het is door het vermogen van hen, die godverlaten tweeling, dat jullie goddelijken nu zo zijn aangedaan; voorzeker is dit de wil van de Allerhoogste Heer. Hij verlangde dat dit zou gebeuren. (37) Als de oorzaak van het handhaven, scheppen en vernietigen van het universum, kan de Alleroudste zelfs door de meesters der yoga niet gemakkelijk worden begrepen; Zijn begoochelende eenheid echter zal goed doen daar Hij onze Opperheer en Meester over de Geaardheden is; welk doel zou er dus mee gediend zijn als we hier nog verder over uitweiden?'

 

Hoofdstuk 17

De overwinning van Hiranyâksha over Alle Windstreken van het Universum

(1) Maitreya zei: 'Het aanhoren van de verklaring van Brahmâ over de oorzaak van de angst, bevrijdde hen die van het bovenzinnelijke waren. Vervolgens keerden ze allen terug naar het drievoudige van hun werelden. (2) Diti, de deugdzame vrouwe, in zorgen over de moeilijkheden voor de duur van een mensenleven waarover haar echtgenoot had gesproken met betrekking tot haar kinderen, kreeg een tweeling, twee zonen. (3) Toen ze werden geboren, deden zich vele natuurlijke verstoringen voor in het goddelijke, het aardse en in de buitenruimte, welke de wereld grote angst inboezemden. (4) De bergen en de aarde schudden van de aardbevingen en het leek alsof er uit alle richtingen vuur kwam met vallende meteoren, bliksemschichten, kometen en ongunstige gesternten. (5) Scherpe winden bliezen voortdurend huilende geluiden makend en legers van cyclonen ontwortelden de grootste bomen met stofwolken als hun vaandel. (6) Samenpakkende wolken verduisterden de hemellichten met de bliksem hardop lachend in de hemel; alles was gehuld in duisternis en men kon niets meer onderscheiden. (7) Getroffen door verdriet, huilde de oceaan met hoge golven en schepselen vol ontzetting en waren de drinkplaatsen en rivieren verstoord met de lotussen wegkwijnend. (8) Voortdurend verschenen er mistige halo's rondom de zon en de maan die verduisteringen vertoonden, men hoorde donderslagen en ratelende geluiden van strijdwagens uit de grotten in de bergen. (9) In de dorpen braakten angstaanjagende jakhalzen vuur uit hun muilen met schreeuwende uilen en het onheilspellende gehuil van jakhals-teven. (10) Dan weer alsof ze zongen en dan weer huilend hieven de honden hun koppen allerlei geluiden voortbrengend. (11) De ezels, o Vidura, raakten de aarde hard met hun hoeven, terwijl ze als gekken wild van hot naar haar in groepen rondrenden. (12) Krijsend van de commotie vlogen vogels opgeschrikt op van hun nesten en stond het vee zich te ontlasten en te urineren in de stallen en de bossen. (13) Vol angst gaven de koeien bloed en regende het pus uit de wolken; de beeltenissen huilden tranen en bomen vielen om zonder een zuchtje wind. (14) De gunstigste planeten en de andere hemellichten stonden in conjunctie, beschreven retrograde banen of namen conflicterende posities in. (15) Meer van dit alles ziende, niet op de hoogte van het geheim van al deze grote voortekenen van het kwade, waren alle mensen, behalve de zonen van Brahmâ, vol van angst en dachten ze dat de wereld op zijn einde liep. (16) De twee van God verlaten zielen, geboren uit de oorspronkelijke bron, groeiden snel, ongewone lichamen manifesterend die als van staal waren en zo groot als een berg. (17) Met hun schitterende armbanden om hun armen en de toppen van hun helmen die de hemel raakten blokkeerden ze het zicht in alle richtingen, en de aarde schudde bij iedere stap van hun voeten terwijl de schoonheid van de versierde gordels om hun middel de zon deed verbleken.

(18) Kas'yapa gaf de twee hun namen: de ene van de tweeling van zijn vlees en bloed die het eerst ter wereld kwam noemde hij Hiranyakas'ipu ['hij die op goud teert'] en degene die uit Diti ter wereld kwam die de eerste was die door de mensen gekend werd noemde hij Hiranyâksha ['hij met de geest voor goud']. (19) Door een zegen van Heer Brahmâ slaagde Hiranyakas'ipu erin de macht te verkrijgen over de drie werelden en hun beschermheren, opgeblazen zonder angst door wie dan ook te zullen sterven. (20) Hiranyâksha, zijn geliefde jongere broer die altijd voor hem klaar stond, doorkruiste, met een knots in zijn handen en klaar om te vechten, de hogere sferen gewapend verzet zoekend. (21) Hij had een moeilijk te weerstreven drift, rinkelende enkelbanden van goud en was versierd met een bijzonder grote bloemenkrans over zijn schouders waarop een gigantische strijdknots rustte. (22) Trots op zijn fysieke en mentale kracht en de gunst die hem verleend was, kon hij niet worden bedwongen, daar hij voor niemand bang was. De goddelijken verborgen zich vol vrees voor hem als waren ze slangen bevreesd voor Garuda. (23) Toen hij, het werktuig van de Diti-mensen [de Daitya's], ontdekte dat Indra en de machts-beluste schare der goddelijken waren verdwenen zo dat hij ze niet kon vinden, brulde hij het uit. (24) Zijn zoektocht opgevend dook het machtige wezen, enkel voor de sport dat verschrikkelijke geluid voortbrengend, de oceaan in, wraaklustig als een olifant.

(25) Toen hij de oceaan inging, raakten de verdedigers van Varuna, zij die onder water leefden, in de put van de angst en nog niet door hem te pakken genomen vluchtten ze, onder de indruk van zijn schittering, zo ver weg als ze maar konden. (26) Hij, de oceaan voor vele jaren doorkruisend, sloeg met zijn knots met grote kracht keer op keer op de machtige golven opgeworpen door de wind en bereikte aldus Vibhâvarî, o Vidura, de hoofdstad van Varuna. (27) Aldaar de regionen der onverlichte zielen bereikt hebbend, boog hij met een lach op zijn gezicht - alleen maar om de draak te steken - als een laag-geborene voor Varuna, de Heer en bewaarder van hen die onder water leven en zei: 'O grote Heer, lever strijd met Mij! (28) U bent de bewaarder van dit oord, een bekend heerser. Door uw macht, die de trots terugdrong van de ingebeelde helden en waardoor u al de Daitya's en Dânava's in de wereld hebt overwonnen [te weten de zoons van Diti en Daksha's dochter Danu, beschouwd als demonen], hebt u ooit een groot koningsoffer [râjasûya] weten te brengen, o meester.'

(29) Aldus op de hak genomen door een vijand behept met een grenzeloze ijdelheid, werd de respectabele heer der wateren kwaad, maar zich met gezond verstand vermannend gaf hij ten antwoord: 'O mijn beste, we hebben het pad der gewapende strijd achter ons gelaten. (30) Er schiet me niemand anders te binnen dan de Alleroudste Persoon die in het gevecht met u dermate vaardig zal zijn in de krijgstkunst dat het u een genoegen zal zijn, o koning van de wereld; benader Hem maar, die zelfs door helden als u wordt gewaardeerd. (31) Als u Hem bereikt, o grote held, zal u snel van uw trots genezen en op het slagveld tenondergaan om u bij de honden te voegen. Het is voor het uitroeien van het valse dat u bent en om de deugdzamen Zijn genade te tonen, dat Hij het verlangt Zijn gedaanten aan te nemen.'

 

Hoofdstuk 18

De strijd tussen Heer Zwijn en de Demon Hiranyâksha 

(1) Maitreya vervolgde: 'De trotse woorden van de Heer der zeeën aangehoord hebbend, trok de hoogmoedige zich er weinig van aan. Toen hij van Nârada had gehoord waar de Heer zich ophield, o mijn beste Vidura, haastte hij zich om aanwezig te zijn op de plaats der bestraffing. (2) Aldaar zag hij hoe de Glorieuze, de aarde op de toppen van Zijn slagtanden dragend, hem van zijn licht aan het beroven was met Zijn stralende roodachtige ogen. Hij lachte hardop: 'O beest van de wildernis!', (3) en zei de Heer: 'Kom en vecht o dwaas, laat de wereld aan ons, de bewoners van de lagere werelden, over; de schepper van het universum vertrouwde ons deze aarde toe - het feit dat ik Jou hier aantref zal Je niet goed bekomen, o toppunt van goddelijkheid die de vorm van een zwijn heeft aangenomen. (4) Jij bent het die misleidend Zichzelf handhaafde door, middels onze vijanden, ons een halt toe te roepen en hen die van de wereld zijn te doden, onderwijl Zelf buiten schot blijvend; van Jouw zinsbegoochelende macht zal weinig over blijven nadat ik Je gedood heb en de treurnis van mijn verwanten heb weggewist, o dwaas! (5) Als Jij gedood bent door mijn knots die je schedel verbrijzelt, zullen al die wijzen en goddelijken die voor Jou hun offers brachten, worden bevrijd en automatisch ophouden te bestaan zonder die wortel. '

(6) Toen Hij, gepijnigd door het offensieve misbaar van de vijand, zag dat de aarde die Hij op Zijn slagtanden droeg schrik werd aangejaagd, kwam Hij uit het water als een olifant in gezelschap van zijn wijfje onder de aanval van een krokodil. (7) Onderwijl jaagde hij, met zijn gouden haren, Hem, die uit het water kwam, op zoals de krokodil dat zou doen met de olifant, en met zijn angstwekkende tanden brullend als de donder zei hij: 'Wat een afgang inderdaad om Je zo schandalig voor de waarheid uit de voeten te maken!' (8) Met de vijand toekijkend plaatste Hij de aarde binnen Zijn gezichtsveld op het water en begiftigde Hij haar met de macht van Zijn eigen bestaan, waarvoor Hij geprezen werd door de Schepper van het universum en behaagd werd door de bloemen van hen die aan de macht stonden. (9) Hem op de hielen volgend met zijn weelde aan gouden sierselen, zijn enorme strijdknots en zijn prachtige gouden wapenrusting, doorboorde Hiranyâksha zonder aflaten het diepst van Zijn hart met verschrikkelijk kwade scheldpartijen. Maar Hij sprak lachend tot hem. (10) De Allerhoogste Heer zei: 'We zijn inderdaad schepselen van de jungle, daar ik er naar uitkijk om honden zoals jij, o kwaadaardige, af te maken. Helden die vrij zijn van de gebondenheid aan de dood slaan geen acht op de loze praat van iemand die gebonden is. (11) We zijn beiden schaamteloze dieven van wat de bewoners van de lagere wereld werd toevertrouwd. Schaamteloos rondwarend met de strijdknots, zullen we niettemin op een of andere manier op het slagveld moeten verwijlen - waar moeten we het anders zoeken als we een dusdanige vijandschap hebben opgeroepen met zo'n machtige vijand ? (12) Als de bevelhebber van de grondtroepen moet men stappen ondernemen om terstond de nederlaag toe te brengen, zonder blikken of blozen - en gedood hebbend, zijn Ons de tranen weggewist van vrienden en verwanten. Hij die zijn beloften niet nakomt verdient geen plaats in een vergadering '.'

(13) Maitreya zei: 'De aanvaller, op die manier beledigd en belachelijk gemaakt door de Allerhoogste der Toewijding raakte danig aangeslagen en werd nijdig als een uitgedaagde cobra. (14) Briesend van woede en buiten zijn zinnen van de wraaklust viel de demon Hem snel aan en wierp hij zijn strijdknots naar de Heer. (15) De Heer echter ontweek de klap van de geworpen knots en stapte opzij, als een volleerde yogi aan de dood ontsnappend. (16) Nadat hij zijn knots weer had opgepakt, stortte hij zich wederom op de Heer, er mee heen en weer zwaaiend en op zijn lip bijtend in het vuur van zijn woede. (17) Maar toen bracht de Heer de vijand een slag toe op zijn rechter zij, o zachtgeaarde [Vidura], en redde Hij als een expert met de knots aldus Zichzelf met Zijn wapen. (18) Op deze manier waren Hiranyâksha en de Heer, beiden op de overwinning uit, elkaar verwoed met hun enorme strijdknotsen aan het bewerken. (19) De twee vechtenden met hun lichamen verwond door de scherpgepunte knotsen, roken het gutsende bloed, hetgeen hun inzet verhoogde om verscheidene manoeuvres uit te voeren in de poging het te winnen. Het zag eruit als een confrontatie tussen twee stieren die elkaar de heerschappij betwisten.

(20) O nazaat van Kuru, Brahmâ, de zelfgeborene in het universum, zag er naar uit getuige te zijn van wat zich afspeelde voor het heil van de wereld en kwam, begeleid door de wijzen, af op de Daitya en de Grootste Ziel benaderd door offers die middels Zijn vermogen de gedaante van een zwijn had aangenomen. (21) Toen hij de macht die de Daitya had bereikt aanschouwde en zag hoe hij, zonder angst, stelling had genomen tegen dat waar men niet tegenin kan gaan, richtte de respectabele Heer Brahmâ, de leider van duizenden wijzen, zich tot de oorspronkelijke Heer Nârâyana in Zijn zwijnengedaante. (22-23) Brahmâ zei: 'Hij hier, o God, is voor de goddelijken die Uw voeten verwierven, en voor de brahmanen, de koeien, de normale levende wezens en de onschuldigen, een overtreder en bron van angst die kwaad doet met een gunst van mij verkregen; hij was als een duivel het gehele universum aan het doorvorsen een geschikte tegenstander missend, rondwarend tot overlast van iedereen. (24) Speel niet als een kind met hem, o God, hij zit vol trucs, is arrogant, verwaten, hoogst doortrapt en als een slang als hij eenmaal op gang is. (25) Voordat hij de kans krijgt in macht toe te nemen met de slechte tijd die hij zo formidabel tot stand bracht, doodt de zondaar alstUblieft ter plekke, o Onfeilbare, middels Uw eigen mystiek vermogen. (26) Deze donkerste avondstond die ons bekruipt vernietigt de wereld, o Ziel der zielen, breng de godsbewusten de overwinning. (27) Verlos ons, nu dit gunstige moment genaamd abhijit [de achtste muhurta, ongeveer 's middags] bijna is verstreken, voor het welzijn van ons, Uw vrienden, snel van deze formidable vijand. (28) Tot ons geluk is de dood van dit heerschap, die uit eigen beweging hier kwam, door U beschikt; toon hem Uw macht in het duel, doodt hem en vestig de vrede der werelden.'

 

Hoofdstuk 19

Het Doden van de Demon Hiranyâksha

(1) Maitreya zei: 'Het horen van de nectar -gelijke woorden vrij van zondige bedoelingen van Brahmâ, ontlokten een hartelijke lach aan de Heer die ze aanvaardde met een blik vol van liefde. (2) Toen, opspringend, bracht Hij de demonische vijand die onbevreesd voor Hem heen en weer sloop, een slag met Zijn strijdknots toe, zijwaarts op zijn kin. (3) Maar die klap werd door Hiranyâksha zijn knots gestopt, zodat de knots die aan de Heer Zijn handen ontglipte met een verrassend wonderbaarlijke gloed naar beneden wervelde. (4) Hoewel Hiranyâksha daardoor toen een uitstekende kans kreeg, viel hij niet aan, de gevechtscode respecterend dat in de strijd geen wapen hebben in acht moet worden genomen. Dit dreef de Heer verder. (5) Toen Zijn strijdknots viel, rees er een kreet van alarm op [van de toeschouwers] en moest de Almachtige Heer, toen Hij Hiranyâksha's rechtsgevoel zag, aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (6) Terwijl Hij Zijn werpschijf liet rondspinnen, werd Hij, spelend met de gemene zoon van Diti, die allerbelangrijkste van Zijn metgezellen, begroet met verschillende uitdrukkingen van ongeloof die de lucht vulden met: 'Alle geluk aan U, breng hem alstUblieft tot zijn einde.'

(7) Toen de Daitya Hem met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend met ogen gelijk de blaadjes van lotusbloemen, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij sissend als een slang op zijn lip in grote weerzin. (8) Met zijn angstwekkende enorme tanden en zijn beide starende vuurschietende ogen viel hij toen aan uitroepend: 'Zo wordt Je verslagen door Je eigen strijdknots!', en slingerde hem naar de Heer. (9) Die knots, o zoeker van de waarheid, werd, voor ogen van Zijn vijand, hoewel die de kracht had van een orkaan, speels door de rechtervoet van de Heer der offers die de vorm van een zwijn had aangenomen afgeweerd.

(10) Toen zei Hij: 'Raap hem maar op en probeer het nog eens, als je zo graag wilt winnen'. Op dat ogenblik, deed Hiranyâksha, aldus uitgedaagd, luid brullend opnieuw een uitval. (11) De strijdknots op zich af zien komend, ving de Heer hem, stevig op Zijn voeten staand, met gemak op, hem grijpend zoals Garuda dat zou met een slang. (12) De frustratie van zijn bravoure sloeg de trots van de grote demon aan diggelen en er geen zin meer in hebbend weigerde hij de knots weer terug te nemen die de Heer hem aanbood. (13) In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en laaiend als vuur stoof hij verwoed op de Heer der Offers in de gedaante van Varâha af, zoals iemand met kwaad in de zin dat zou tegen een brahmaan. (14) De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen werd in zijn vlucht met een lichtflits in stukken gehakt door de scherpe rand van de cakra, zoals Indra de vleugel van Garuda afsneed [toen hij ooit een pot nectar had weggegrist]. (15) Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, werd hij woedend en ging hij Hem brullend te lijf waarbij hij de brede met het S'rîvatsa-teken gemerkte borst van de Heer hard met zijn vuist trof, waarna de demon uit het gezicht verdween. (16) Zo door hem getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer in Zijn eerste incarnatie als een zwijn niet in het minst beroerd en niet meer aangedaan dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (17) De mensen eromheen echter zagen de Heer van de eenheid in de materie nu belaagd door een reeks van trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld was aangebroken. (18) Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich door het stof een duisternis terwijl het stenen regende alsof een heel leger bezig was. (19) De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (20) O zondeloze, bergen van allerlei soorten wapens die hun lading verschoten kwamen tevoorschijn en men zag naakte duivelinnen gewapend met drietanden en loshangende haren. (21) Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen, die wrede moorddadige woorden riepen. (22) Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon gebrand op de vernietiging, lanceerde de geliefde genieter van de drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem zie B.G. 4: 26-27] het wapen van Zijn meest uitnemende aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].

(23) Op dat moment doortrok een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] en zich de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa] herinnerend vloeide er bloed uit haar borsten. (24) Met zijn magische krachten verdreven kwam de demon opnieuw in het zicht van de Opperheer, en vol razernij omhelsde hij Hem om Hem te pletten, maar hij ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (25) Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja [betekent: voorbij de controle der zinnen] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een mep precies onder zijn oor, zoals de heer der Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (26) Hoewel door de onoverwinnelijke Heer slechts terloops geraakt, tolde het lichaam van de duivel in het rond; puilden zijn ogen uit hun kassen en viel hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, als een gigantische boom geveld door de wind ter aarde.

(27) De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarlijk wie is een dergelijke eindbestemming zo vergund?'. (28) Hij op wie de yogi's in afzondering mediteren verzonken in de eenheid, bevrijding zoekend uit het onwerkelijke van het lichaam - door een voet van Hem werd de zoon, het kroonjuweel van de Diti-mens, getroffen en wierp hij daadwerkelijk zijn lichaam af Hem in het gelaat starend. (29) Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt wederom voor enkele levens geboorte te nemen uit de goddelozen, waarna ze daadwerkelijk weer terug zullen keren.'

(30) De godsbewusten zeiden: 'Alle eer aan U, Genieter Aller Offers die terwille van de handhaving de gedaante van de zuivere goedheid heeft aangenomen; tot het grote geluk van de wereld hebt U deze hier, die zoveel onheil stichtte, tot zijn einde gebracht. Met de toewijding tot Uw voeten, zijn we nu op ons gemak.'

(31) S'rî Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, keerde de Heer, de oorsprong van de zwijn-incarnatie terug naar Zijn verblijf, in één ononderbroken viering geprezen door hem die op de lotus is gezeten en de anderen. (32) Ik heb voor U, zoals het mij werd verteld, beste vriend, uiteengezet hoe door de handelingen van de Opperheer in het op Zich nemen van Zijn zwijn-incarnatie, Hiranyâksha, die zo'n grote macht had, in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was.' "

(33) Sûta zei: "Toen Vidura, de grote toegewijde, van de zoon van Kushâru [Maitreya], aldus vernam van de vertelling over de Allerhoogste Heer, bereikte hij het opperste geluk, o brahmaan [S'aunaka]. (34) Wat moet ik zeggen van het horen over de Heer met het S'rîvatsa merkteken, als zelfs de bekendheid van anderen, toegewijden trouw aan de verzen, tot dat genoegen kan voeren? (35) Toen de koning der olifanten [Gajendra] die door een krokodil werd aangevallen, mediteerde op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes weeklaagden werd hij snel van het gevaar verlost. (36) Wie zou er niet z'n toevlucht nemen tot Hem die zo gemakkelijk te aanbidden is voor mensen zonder pretenties; welke dankbare ziel zou geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is door hen die geen echte zoekers zijn? (37) Hij die daadwerkelijk verneemt van, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd, zelfs als hij een brahmaan aan zijn eind hielp, o tweemaal geborene! (38) Deze vertelling brengt een grote verdienste, is zeer heilig en brengt weelde, roem en een lang leven en zal alles doen toekomen wat men nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal zijn levenskracht en zinnen erdoor gesterkt zien op het slagveld en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verkrijgen, o beste S'aunaka."

 

Hoofdstuk 20

De Wezens Geschapen uit Brahmâ

(1) S'aunaka zei: "Wat deed, na de aarde in haar positie te hebben teruggebracht, o Sûta, Svâyambhuva Manu (zie 2.7: 2, 3.12: 54, 3.13: 2) om hen die geboren zouden worden de weg te wijzen? (2) Vidura, de grote en zuivere toegewijde en intieme vriend van Heer Krishna, werd verbannen door zijn oudere broer [Dhritarâshthra] die aldus, tezamen met zijn honderd zoons, zwaar in overtreding was met Krishna. (3) Geboren uit het lichaam van Vyâsa en in geen enkel opzicht mindere groot dan hij, nam hij met zijn hele hart zijn toevlucht tot Heer Krishna en volgde hij hen na die Hem zijn toegewijd. (4) Wat vroeg deze held van de zuiverheid, toen hij de heilige plaatsen bezocht, aan Maitreya, de meest vooraanstaande kenner van het geestelijk leven die hij te Kus'âvarta [Hardwar], waar hij toen verbleef, had ontmoet? (5) Toen de twee hun conversatie hadden, o Sûta, kwamen waarlijk de vertellingen boven die gelijk de wateren van de Ganges alle zonden wegvagen als men eenmaal zijn toevlucht tot de Heer Zijn lotusvoeten heeft genomen. (6) Vertel ons over die gesprekken van grootheid die de moeite van het reciteren waard zijn en moge al het goede uw deel zijn! De nectar van de Heer Zijn spel en vermaak indrinkend zou een toegewijde die met Hem een relatie aangaat daadwerkelijk voldoening vinden."

(7) Sûta, aldus verzocht door de wijzen verzameld in het Naimishâranya-woud, zei toen, met zijn denken gewijd aan de Heer, tot hen: "Luister enkel hiernaar".

(8) Sûta zei: "Toen Vidura had vernomen over de Heer, die het lichaam van een Zwijn had aangenomen, middels Zijn eigen vermogen de aarde had opgeheven van de bodem van de oceaan en op sportieve wijze de achteloze Hiranyâksha had gedood, was hij vol vreugde en richtte hij zich tot de wijze. (9) Vidura zei: 'O heilige wijze, kenner van dat wat ons verstand te boven gaat, zeg ons alstUblieft hoe Brahmâ begon nadat hij de Prajâpati's, de stamvaders van de mensheid, voort had gebracht. (10) Hoe leefden de geleerden aangevoerd door Marîci, de brahmaanse orde na van Svâyambhuva Manu en hoe ontwikkelden ze deze wereld? (11) Gingen ze gehuwd te werk, behielden ze hun onafhankelijkheid of werkten ze allen samen toen ze dit alles tot stand brachten?'

(12) Vanuit de verheven positie van de Fortuinlijke [Mahâ-Vishnu] raakte - en dit is moeilijk uit te leggen - bij machte van de goddelijke voorzienigheid en de werking van de eeuwige tijd, het evenwicht van de drie geaardheden in de natuur verstoord zodat het geheel van de materiële elementen werd voortgebracht. (13) Vanuit het grootste van de kosmische intelligentie [de mahat-tattva], vond, zoals beschikt door de goddelijkheid, in groepen van vijf [vijf elementen, vijf zintuigen, vijf zinsobjecten, vijf zinsorganen], beginnend met [het ruimtelijk krachtveld van] de ether, de geboorte van de fundamentele werkelijkheid van de materiële elementen plaats, in de drievoudige natuur waarvan het onderdeel van de hartstocht [of de kwaliteit van de beweging] overheerst. (14) Die elementen, welke op zichzelf het materiële universum niet konden voortbrengen, gingen combinaties aan met de eenheid van het goddelijke en produceerden een bol die glansde als van goud. (15) Hij lag in de wateren van de Oceaan der Oorzaken als een ei in een onbewuste staat voor de duur van een regenseizoen van in feite nogal wat meer dan een duizendtal jaren voordat de Heer [als Garbhodakas'âyî Vishnu] daarin binnenging. (16) Uit de Heer Zijn navel ontsproot toen de lotus van een duizend en meer zonnen met een schitterende pracht [het sterrenstelsel, zie 2.2: 24-25], welk in zijn geheel een rustplaats was voor de geconditioneerde zielen waar hij zelf, de zelfgeborene [Heer Brahmâ, de Schepper] uit voortkwam. (17) Toen de Heer, die in de Oceaan der Oorzaken lag te slapen, Brahmâ's hart binnenging, werd door hem naar zijn eigen opzet het universum geschapen zoals het tevoren was geweest.

(18) Op de eerste plaats werd met zijn schaduw de onwetendheid geschapen in vijf soorten genaamd tâmisra [vergetelheid], andha tâmisra [de illusie van de dood], tama [het zichzelf niet kennen], moha [de illusie de materie te zijn] en mahâmoha [verzot zijn op de materie, de hunkering; vergelijk 3.12: 2]. (19) Ontevreden wierp Brahmâ dit lichaam van onwetendheid af, welk toen in bezit werd genomen door Yaksha's [boze geesten] en Râkshasa's [wildemannen, demonen] om de duisternis te vormen, de bron van honger en dorst. (20) Beheerst door die honger en dorst jaagden ze om hem op te eten en riepen in hun toestand uit: 'Spaar hem niet!' (21) De godheid zei toen vol zorg tot hen: 'Eet me niet op, maar bescherm me, daar, jullie Râkshasa's en Yaksha's, mijn zoons zijn!' 

(22) De halfgoden die uitblinken met de glorie der godvrezendheid en het eerst werden voortgebracht, namen bezit van de stralende gedaante van het daglicht dat als het voertuig van God was achtergebleven. (23) De god schonk toen van zijn achterkant het leven aan de goddelozen die, verzot op seks in hun lust te copuleren, toenadering zochten tot de Schepper. (24) Aanvankelijk maakte het de aanbiddelijke Heer aan het lachen om te worden gevolgd door de schaamtelozen der duisternis, maar toen haastte hij zich geïrriteerd, in verschrikking verzet, om weg te komen. (25) Hij keerde zich tot Hem wiens voeten worden gezocht en die alle gunsten verleent, de Heer die het leed verdrijft en die, om de toegewijden Zijn genade te tonen, zich manifesteert in een geschikte gedaante: (26) 'Bescherm Mij o Superziel, op Uw gezag schiep Ik al die zondige levende wezens die me benaderen om seks te hebben, o Meester. (27) Alleen U kan waarlijk de mensen verlossen die Zijn aangedaan door de misère van hun belemmeringen; alleen U kan hen die niet hun toevlucht tot Uw voeten zoeken een halt toeroepen.'

(28) Hij die feilloos in iedere ziel kan zien, zei, toen hij het leed van Heer Brahmâ zag tot hem: 'Werp uw onzuivere lichaam af' en aldus opgedragen wierp hij het af. (29) Dat lichaam [in de vorm van een vrouw] was betoverend met rinkelende enkelbelletjes, aanbiddelijke voeten, overweldigende ogen en een met goud versierde blinkende gordel om heupen gehuld in een fijne stof. (30) De borsten waren dicht op elkaar gedrukt, hoog opgeheven, de neus was welgevormd, de tanden prachtig, de glimlach lieflijk en de blik sportief. (31) Ze verborg zichzelf uit verlegenheid en, o Vidura, met hun oog op de tressen van haar zwarte haar, waren al de goddelozen door de vrouw in beslag genomen: (32) 'O wat een schoonheid, wat een gratie; o welk een bloeiende jeugd; dat zij zich onder ons begeeft, wij die zo naar haar verlangen; alsof ze vrij is van hartstocht!' (33) Zich verliezend in allerlei speculaties over de avondschemering [van hun hartstocht] die de vorm van een jonge vrouw had aangenomen, ondervroegen zij, met hun slechte gedachten verzot op haar, haar vol respect: (34) 'Wie ben jij? Wie behoor jij toe, o schoonheid? Waarom ben je naar hier gekomen, o hartstochtelijke dame? Je brengt ons, gelukkigen, het hoofd op hol met het onbetaalbare bezit van jouw schoonheid! (35) Wie je ook moge zijn, o mooi meisje, door het geluk jou te zien is die geest van ons, de toeschouwers die je van streek brengt, als een bal om mee te spelen. (36) Door het rondlopen van jouw lotusvoeten, o prachtige vrouw, stuiter je die bal met de palm van je hand; het gewicht van je volle borsten moet wel erg vermoeiend zijn bij die taille van je; je ziet er wat moe uit, maak je gebonden haar maar los!'

(37) Op deze manier werd de schemering van de avond door de goddelozen gezien in een verlokkende, begeerlijke vorm en vol illusie denkend dat het een vrouw was, grepen ze haar. (38) Met een glimlach vol van diepe betekenis, schiep de aanbiddelijke Heer toen, in zijn zoetheid voor Zichzelf middels Zichzelf, de geledingen der hemelse muzikanten en dansmeisjes [de Gandharva's en Apsara's]. (39) Die geliefde vorm van in feite het schijnsel van het maanlicht gaf hij op en de Gandharva's aangevoerd door Vis'vâvasu namen het verheugd in bezit. (40) Toen Heer Brahmâ, nadat hij de spoken en boze geesten uit de luiheid had geschapen, hen naakt en met hun haar in de war voor zich zag, sloot hij zijn beide ogen. (41) Het lichaam dat bekend staat als het gapen dat de meester der schepping afwierp en waarvan men de levende wezens in hun slaap ziet kwijlen in een onreine staat, is de verbijstering waarvan men spreekt als de krankzinnigheid. (42) Zichzelf herkennend als zijnde vol energie, schiep de aanbiddelijke Brahmâ, de meester aller schepselen, uit zijn ongeziene vorm de geledingen der Sâdhya's en Pitâ's [de onzichtbare halfgoden en verscheiden zielen]. (43) Zij, de Pitâ's, aanvaardden dat lichaam, de bron van hun bestaan, en het is door dat lichaam dat zij die goed thuis zijn in de rituelen, hun offerhandelingen [genaamd s'râddha] verrichten voor deze Sâdhya's en Pitâ's. (44) De Siddha's [zij die van speciale vermogens zijn] en ook de Vidyâdhara's [de met kennis begiftigde geesten] werden geschapen uit zijn eigenschap voor het gezicht verborgen te blijven. Hen schonk hij die wonderschone vorm van zichzelf die bekend staat als Antardhâna [van het aanwezig zijn maar ongezien blijven]. (45) Van het zichzelf bewonderen toen hij zijn spiegelbeeld zag in het water, schiep de meester vanuit zichzelf de Kinnara's en Kimpurusha's. (46) Zij namen bezit van de vorm van de schaduw die hij achter liet, om welke reden ze precies bij de dageraad met hun echtgenotes samen komen om zijn daden in gezang te prijzen. (47) Toen hij eens neerliggend zijn lichaam volledig uitstrekte zag hij met grote bezorgdheid dat het de schepping ontbrak aan vooruitgang, waarop hij uit woede toen ook dat lichaam opgaf. (48) Uit het haar dat uit zijn lichaam viel werden zij die geen poten hebben geschapen, o Vidura, die geboorte namen als slangen van wiens kruipende lichamen de grote kraag van de felle Cobra zijn nek kan worden waargenomen.

(49) Voldaan over zichzelf alsof hij het doel van zijn leven had bereikt, kwamen ten leste uit zijn geest de Manu's voort die staan voor het bevorderen van het welzijn van de wereld. (50) Hen schonk hij de gedaante van zijn eigen bezielde, persoonlijke lichaam bij het zicht waarvan zij die eerder waren geschapen, de Prajâpati [de vader der mensheid] verwelkomend bewierookten: (51) 'O schepper van het Universum, hoe goed hebt u alles tot stand gebracht; oh, hoe degelijk hebt u al de rituele gebruiken gevestigd waarmee we zullen delen in de offerhandelingen! (52) Door boetedoening, aanbidding, verbondenheid in de discipline van de yoga en in de fijnste verzonkenheid, bracht de eerste ziener, de beheerser der zinnen, de wijzen, zijn geliefde zoons tot ontwikkeling. (53) Ieder van hen schonk hij, de ongeborene, een deel van zijn eigen lichaam dat de diepe meditatie, eenheid van de yoga, het bovennatuurlijk vermogen, de boete, kennis en de verzaking in zich droeg.

 

Hoofdstuk 21

De Conversatie tussen Manu en Kardama

(1) Vidura zei: 'O Allerhoogste, wees zo goed de zo hoog geachte dynastie van Svâyambhuva Manu te beschrijven, waarvan de seksuele gemeenschap voor al het nageslacht zorgde. (2) Priyavrata en Uttânapâda, de twee zonen van Svâyambhuva Manu, regeerden de wereld bestaande uit de zeven continenten, waarlijk overeenkomstig de principes der religie. (3) Van die Manu stond alzo Devahûti bekend, o brahmaan, als de echtgenote van de vader der mensen waarover u sprak [zie 3.12: 27] als Kardama Muni, o zondeloze . (4) Kan u mij, ik die er zo naar uitzie, het verhaal vertellen over hoe het talrijke nageslacht van Kardama Muni, die in feite een grote mystieke yogi was begiftigd met de acht volmaaktheden [zie 3.15: 45], uit haar werd verwekt? (5) En hoe brachten de bewonderenswaardige Ruci, o brahmaan, en Daksha, de zoon van Brahmâ, nageslacht voort na het als hun echtgenotes veilig stellen van de andere twee dochters van Svâyambhuva Manu?'

(6) Maitreya zei: 'Heer Brahmâ droeg de allerhoogste Muni Kardama op kinderen te verwekken na een boete die hij zo'n tienduizend jaar had beoefend aan de oever van de rivier de Sarasvatî. (7) Verzonken in die verbondenheid diende Kardama door zijn yoga in toewijding Hem, de Heer die de overgegeven zielen alles vergunt. (8) Behaagd toonde de Allerhoogste Heer met de lotusogen hem toen door de cultuur van voorschriften en rituelen, o Vidura, zijn bovenzinnelijke gedaante. (9) Dat van Hem aanschouwde hij als zijnde zo stralend zuiver als de zon met een bloemenslinger van witte waterlelies en lotussen en een overvloed aan sluike blauw-zwarte haarlokken, een lotusgelijk gezicht en een smetteloos gewaad. (10) Opgesierd met een kroon en oorsieraden dragend hield Hij, het hart betoverend met Zijn glimlachende blikken, een schelphoorn vast, een werpschijf en een strijdknots, onderwijl met een witte lelie spelend. (11) Hij zag Hem in de lucht staande met Zijn lotusvoeten op de schouders van Garuda met op Zijn borst het beroemde Kaustubha juweel dat van Zijn nek neerhing. (12) Uitzinnig viel hij met zijn hoofd naar de grond na, met zijn gebeden en bevredigd met een hart dat altijd was vervuld van liefde, zijn verlangen gerealiseerd te hebben en vouwde hij zijn handen.

(13) De wijze zei: 'Oh, nu hebben we het volledige succes geboekt U, het Reservoir van Alle Goedheid, voor ogen te hebben; U te zien, o aanbiddelijke Heer, is waartoe alle yogi's, die de volmaaktheid van de yoga nastreven, door vele geboorten heen geleidelijk worden opgeheven. (14)  Zelfs van hen die door Uw begoochelende energie hun intelligentie kwijt raakten en die voor het verkrijgen van oppervlakkige genoegens - die ook in de hel te vinden zijn - Uw lotusvoeten aanbidden die de boot vormen om de oceaan van het werelds bestaan over te steken, vervult U iedere mogelijke wens, o Heer. (15) Ernaar verlangend een meisje te huwen van een gelijke gezindheid die in het huwelijksleven als een koe van overvloed is, heb ook ik met wellustige bedoelingen U benaderd, die de wortel en oorsprong van alles en de wensboom die alle wensen doet uitkomen bent. (16) Onder leiding van U als de vader van alle levende wezens, o mijn Heer, zijn al dezen die het slachtoffer van hun verlangens zijn, gebonden door het touw van hun omstandigheden en breng ik, geconditioneerd zoals zij dat zijn, U mijn offers, o Belichaming der Religie tewerkgaand als de eeuwige tijd. (17) Maar zij die het opgaven hun dierlijke, aardse belangen na te jagen en hun toevlucht zochten onder de paraplu van Uw lotusvoeten door Uw kwaliteiten met elkaar te bespreken, maken door die bedwelmende nectar aan het enkele dienen van hun fysieke lichamen een einde. (18) Het wiel van het universum dat met een ontzagwekkende snelheid ronddraait rond de spil van het onvergankelijke van U [brahman] met drie assen [zon, maan en sterren], [twaalf tot] dertien spaken [als de maanmaanden] driehonderdzestig verbindingen [als de dagen in een halfgodenjaar], zes randen, [als de seizoenen] en ontelbare blaadjes [momenten], draagt niet in het geringst bij tot de bekorting van de levens van de toegewijden. (19) Uzelf als het Universum bent de enig zaligmakende die ernaar verlangt om, vanuit het zelf, heersend middels Uw begoochelende eenheid in de materie, de universa in het leven te roepen die U schept, handhaaft en weer terugwint zoals een spin dat doet, o Allerhoogste Heer, door zijn eigen kracht. (20) Deze materiële wereld met haar grofstoffelijke en subtiele elementen, die U voor ons aangezicht manifesteert, is daadwerkelijk niet Uw verlangen; laat haar er zijn voor het ons Uw zegen vergunnen als U, door Uw grondeloze genade, wordt gezien als de Allerhoogste Heer die schittert met de tulsî [of de aanbidding]. (21) Teneinde de onthechting tot stand te brengen in het genieten van de vruchten, bracht U door Uw eigen energieën, de materiële werelden voort; zonder ophouden breng ik mijn eerbetuigingen aan de aanbiddelijke lotusvoeten die alle zegen doen neerdalen op de onbetekenenden.'

(22) De wijze [Maitreya] zei: 'Aldus oprecht geprezen beantwoordde Heer Vishnu Kardama Muni in bewoordingen zoet als nectar, terwijl Hij, stralend van genegenheid op de schouders van Garuda staande, met een glimlach toekeek vanonder Zijn expressieve wenkbrauwen. (23) De Allerhoogste Heer zei: 'Je geestestoestand kennende, heb ik reeds voorzien in datgene waarvoor je jezelf hebt getraind met Mij als de enige om te aanbidden. (24) Het is waarlijk nimmer vruchteloos daarvan zo zeker te zijn, o leider der levende wezens, daar de geesten van personen zoals u in de aanbidding van Mij, volledig geconcentreerd zijn. (25) De zoon van de vader der mensen, de keizer Svâyambhuva Manu, wiens rechtgeaarde handelingen wel bekend zijn, heeft zijn plaats in Brahmâvarta [de wereld als deel van Brahmâ's lotus] en heerst over de zeven zeeën en de aarde. (26) Hij, de heilige koning, o geleerde, zal overmorgen naar hier komen met zijn koningin, ernaar verlangend u als expert in religieuze handelingen te treffen. (27) Hij heeft een volwassen dochter met zwarte ogen en een karakter vol van goede kwaliteiten en is op zoek naar een echtgenoot; hij zal u haar hand schenken, o meester, daar u een geschikte kandidaat bent. (28) Zij is degene naar wie u in uw hart uitzag na al deze jaren; zij is uw prinses, o brahmaan, en zal u spoedig dienen zoals u dat wenste. (29) Zij zal, van het zaad dat door u in haar wordt gezaaid, negen dochters dragen en uit die dochters zullen de wijzen hun tal van kinderen verwekken. (30) Als u naar behoren op mijn gebod zal zijn getrouwd en volledig gezuiverd naar Mij toe in de verzaking van de vruchten van het handelen, zal u uiteindelijk Mij bereiken. (31) En als u mededogen hebt getoond en alle zielen zekerheid hebt verschaft, zal u zelfverwerkelijkt zijn en uzelf en het universum als zich in Mij bevindend zien en Mij als aanwezig in uzelf. (32) Door uw zaad zal ik als Mijn eigen volkomen expansie, o grote wijze, vanuit uw vrouw Devahûti, onderricht verschaffen in de leer van de uiteindelijke werkelijkheid.'

(33) Maitreya zei: 'Na aldus tot hem gesproken te hebben ging de Allerhoogste Heer die rechtstreeks door de zinnen wordt waargenomen, weg van het Bindu-sarovar-meer waar doorheen de rivier de Sarasvatî stroomt. (34) Terwijl Hij die door alle verloste zielen wordt geprezen onder zijn gadeslaan vertrok, hoorde hij in de vleugelslag van de drager van de Heer [Garuda] de hymnen van het pad der volmaaktheid weerklinken die de Sâma Veda vormen. (35) Toen, na Zijn vertrek, bleef Kardama, de grote en machtige wijze, achter op de oever van het Bindu-meer, in afwachting van wat komen zou.

(36) Svâyambhuva Manu die een met goud beslagen strijdwagen had beklommen, had zijn eigen dochter tezamen met zijn vrouw erop geplaatst en bereisde de gehele wereld. (37) Op die strijdwagen, o grote boogschutter, bereikte hij zoals de Heer dat had voorspeld, de hermitage van de wijze op de dag dat hij zijn geloften van verzaking had afgerond. (38-39) Dat heilige, gunstige water dat door de Sarasvatî rivier volstroomde, was de nectar die reeksen van grote heiligen had gediend. Het was waarlijk een meer van tranen, zoals het was vernoemd naar de tranen die neervielen uit de ogen van de Heer overweldigd door Zijn buitengemeen mededogen voor deze overgegeven ziel. (40) De plaats was heilig met groepjes bomen en struiken met de aangename schreeuwen van dieren en vogels en, omlijst door de schoonheid van het geboomte, was het rijk aan vruchten en bloemen gedurende alle seizoenen. (41) Het liep over van de vreugde van groepjes vogels, verzotte bijen die als gekken rondzoemden, trots dansende pauwen en vrolijke koekoeken die elkaar toeriepen. (42-43) Kadamba, campaka, as'oka, karañja en bakula bloemen; âsana, kunda, mandâra, kuthajabomen en jonge mangobomen luisterden het meer op waarin kârandava eenden, plava's, zwanen, visarenden, waterhoenen en kraanvogels waren te zien terwijl de cakravâka- en cakoravogels hun gelukkige geluiden lieten weerklinken. (44) Zo ook waren er eveneens massa's reeën, wilde zwijnen, stekelvarkens, gavaya's [wilde koeien], olifanten, bavianen, leeuwen, apen mongozen, en muskusherten.

(45-47) Toen de eerste monarch met zijn dochter die uitgelezen plek betrad zagen ze de wijze voor zijn hut zitten, offers brengend in het vuur. Zijn lichaam straalde schitterend door zijn langdurige verschrikkelijke boetedoening van yoga en was niet erg uitgemergeld, daar de Heer zijdelings zijn liefdevolle blik op Hem had geworpen en hem had doen luisteren naar Zijn maangelijke ambrozijnen woorden. Hij was lang met ogen als de bloembladen van een lotus, had samengeklitte haarlokken, gescheurde kleding en hem benaderend scheen hij vervuild toe als was hij een ongepolijste edelsteen. (48) Ziende dat de monarch zijn stulpje had benaderd, verboog hij zich voor hem, hem eervol ontvangend en heette hij hem welkom zoals dat voor een koning gepast is. (49) Na de ontvangst van zijn eerbetoon, hield deze zich stil terwijl hij neerzat en was hij verrukt te horen wat de wijze, die zich herinnerde wat de Heer hem had gezegd, toen in zoete bewoordingen zei:

(50) 'Voorzeker is uw rondtrekken, o goddelijke persoonlijkheid, er voor de bescherming van de deugdzamen en het frustreren van hen die van onwaarheid zijn, aangezien u de persoon bent van de Heer Zijn beschermende energie. (51) Indien nodig neemt u van de zon, de maan; van het vuur [Agni] en de Heer van de hemel [Indra]; de wind [Vâyu], de bestraffing [Yama] van de religie [Dharma] en van de wateren [Varuna] de verschillende gedaanten aan; jegens Hem, de Heer Vishnu die U bent, mijn eerbetuigingen. (52-54) Als u de strijdwagen der overwinning, overdekt met massa's edelstenen, niet had beklommen en uw boog niet zo schrikwekkend had laten zoeven, al de schurken angst aanjagend met uw aanwezigheid; als uw aanvoeren van een leger van marcherende soldaten te voet, niet de aarde had doen schudden, de aardbol bestrijkend als de schitterende zon, dan zouden zeker alle gedragsregels en verplichtingen van de roepingen [varna] en leeftijdsgroepen [âs'rama] door de Heer ingesteld, o Koning, op betreurenswaardige wijze zijn gebroken door de boeven. (55) Als u zou rusten, dan zou het onrecht zegevieren met het ontbreken van controle over de mensen die eenvoudig op het geld uit zijn; deze wereld zou dan door de onverlaten in bezit worden genomen en tenondergaan [zie ook B.G. 3.23]. (56) Dit alles daargelaten vraag ik u, o heldhaftige, wat u wenst met uw verschijnen hier, want dat zullen we, zonder aarzeling met hart en ziel ten uitvoer brengen.'

 

Hoofdstuk 22

Het Huwelijk van Kardama Muni en Devahûti

(1) Maitreya zei: 'Nadat de wijze op deze manier het grootse van de deugden en handelingen van Keizer Manu had beschreven viel hij stil. De keizer zich ietwat bescheiden voelend richtte zich tot hem. (2) Manu zei: 'Heer Brahmâ schiep jullie mensen, in jullie verbonden zijn in boete, kennis en yoga en het afgekeerd zijn van zinsbevrediging, naar zijn eigen evenbeeld, in zijn eigen belang zich expanderend in de vorm van de Veda's. (3) Om dat te beschermen schiep hij, de duizendbenige vader, ons als zijn duizenden armen; om reden waarvan de brahmanen zijn hart en de kshatriya's [de bestuurders] zijn armen worden genoemd. (4) Daarom beschermen de brahmanen en de kshatriya's feitelijk elkaar zowel als zichzelf, zoals ook de godheid, hij onvergankelijk die zowel oorzaak als gevolg is, dat doet. (5) Door enkel u te treffen zijn al mijn twijfels opgelost, op de manier waarop u, o allerhoogste, persoonlijk, liefdevol hebt uiteengezet wat de plicht van een vorst is jegens zijn onderdanen. (6) Het is mijn grote geluk o machtige, dat ik u kon treffen, die niet makkelijk te zien is er voor degenen die zich niet naar de ziel gedragen; het is mijn grote geluk dat mijn hoofd het stof van uw voeten, die alle zegen brengen, kon beroeren. (7) Ik heb het geluk dat mij de grote gunst van uw woorden is vergund; o hoe fortuinlijk is het om met open oren het zuivere van die woorden te hebben mogen ontvangen! (8) O wijze, hooggeëerde, wees nu zelf verheugd te luisteren naar de bede van deze bescheiden persoon, wiens geest vol zorgen is uit genegenheid voor zijn dochter. (9) Deze dochter van mij, de zuster van Priyavrata en Uttânapâda, is op zoek naar een echtgenoot geschikt qua leeftijd, karakter en goede kwaliteiten. (10) Vanaf het moment dat ze van Nârada Muni vernam over uw nobele karakter, geleerdheid, verschijning, jeugd en deugd, zette ze haar zinnen op u. (11) Aanvaard haar derhalve alstUblieft, o beste der tweemaal geborenen; ik biedt u haar aan in de overtuiging dat ze in alle opzichten geschikt is om voor u uw huishouding op zich te nemen. (12) Om af te slaan wat in feite uit zichzelf kwam is niet aan te raden, zelfs niet voor iemand die vrij is van gehechtheid aan zingenot, en wat te zeggen van iemand die verslaafd is. (13) Iemand die [zo] een aanbod afwijst en [liever] zijn heil zoekt bij een mindere, zal zijn reputatie onder de mensen geschaad zien en zijn eer in verwaarlozing te grabbel gegooid. (14) O wijze man, ik hoorde dat u zich voorbereidde om te trouwen en derhalve niet de eed van een ononderbroken celibaat hebt afgelegd; aanvaardt dan alstUblieft mijn aanbod [naishthhika-brahmacârî's leggen een eed af op een levenslang celibaat, upakurvâna-brahmacârî's doen dat slechts tot aan een zekere leeftijd].'

(15) De rishi gaf ten antwoord: 'Ik ben zeer wel bereid te trouwen en uw dochter heeft zichzelf aan niemand anders beloofd; gepast beantwoordend aan deze beide voorwaarden kunnen we de huwelijksrituelen voltrekken. (16) Laat dat verlangen van uw dochter, welk door het schriftuurlijk gezag wordt onderkend, in vervulling gaan, o Koning; wie, in feite, zou uw dochter, die door de luister van haar lichaam alleen al de schoonheid van haar sieraden overtreft, niet aanbidden? (17) Was het niet Vis'vâvasu [een Gandharva, een hemelbewoner], die, haar op het dak van het paleis zien spelend toen ze achter haar bal aanzat, verdwaasd uit zijn verheven positie ten val kwam met een ontregelde geest? (18) Welke wijze man zou niet haar verwelkomen die op eigen gelegenheid kwam als de geliefde dochter van Manu en zuster van Uttânapâda, dat sieraad van vrouwelijkheid dat niet wordt gevonden door hen die de voeten van de godin gemist hebben. (19) Daarom zal ik het kuise meisje aanvaarden zo lang als ze kinderen van mij mag dragen uit het zaad van mijn lichaam, op voorwaarde dat ik daarna de plichten van dienst op me neem zoals vervuld door de besten der volmaakten [de paramahamsa's] en alles wat ik, zonder afgunst, beschouw als zijnde naar het woord van de Heer. (20) Voor mij, is het hoogste gezag de Allerhoogste Onbegrensde, de Heer van de vaders der mensheid [de Prajâpati's], uit wie deze wonderbaarlijke schepping voortkwam, in wie zij weer zal opgaan en bij wiens genade ze op dit moment bestaat.'

(21) Maitreya zei: 'Hij, o grote strijder, zei niet meer dan dit en werd stil met zijn gedachten gericht op Vishnu's lotus, waarbij hij, met een mooie glimlach op zijn gelaat, de geest van een gefascineerde Devahûti wist te vangen. (22) Nadat Manu zich overtuigd had van het besluit genomen door de koningin en er eveneens zeker van was hoe zijn dochter over hem dacht, gaf hij, buitengewoon verheugd, haar weg die een gelijke was met evenzovele goede kwaliteiten. (23) S'atarûpâ, de keizerin, gaf de bruid en bruidegom liefdevol als bruidsschat waardevolle geschenken als sieraden, kleding en huishoudelijke artikelen mee. (24) De keizer bevrijd van zijn verantwoordelijkheid zijn dochter aan een geschikte persoon weg te geven omhelsde haar toen met zijn beide armen en een overbezorgde, gekwelde geest. (25) Niet in staat afscheid van haar te nemen bleef hij maar tranen plengen en met het water uit zijn ogen het haar van zijn dochter doordrenkend riep hij uit: 'O lieve moeder, mijn liefste dochter!' .

(26-27) Na het vragen en krijgen van de permissie hem, de beste der wijzen, te verlaten, beklom hij, de keizer met zijn echtgenote de strijdwagen en ging hij tezamen met zijn gevolg op weg naar zijn hoofdstad, onderweg van het rustgevende uitzicht genietend van de prachtige voor de kluizenaars zo aangename hermitages aan beide oevers van de rivier de Sarasvatî. (28) Extra verheugd, wetende wie er arriveerde, kwamen de bewoners van Brahmâvarta hem ter begroeting tegemoet met gezang, lofprijzingen en instrumentale muziek. (29-30) De stad, welke alle soorten van weelde kende, droeg de naam Barhishmatî, naar de haren van het schuddende lichaam van Heer Zwijn die daar waren neergevallen en veranderd in het eeuwig groene kus'a- en kâs'a gras [grassen gebruikt voor zitplaatsen en matten] waarmee de wijzen de verstoorders der offers aan de door hen aanbeden Vishnu versloegen. (31) Door dat kus'a- en kâs'a gras uit te spreiden, creëerde de hoogst fortuinlijke Manu een zitplaats in aanbidding van de Heer der Offers [Vishnu] van wie hij zijn positie op aarde had verkregen. (32) De stad Barhishmatî betredend waar hij tot dan toe had geleefd, ging de machtige zijn paleis, dat de drievoudige misère [van lichaam, geest en uiterlijke natuur] versloeg, binnen. (33) Tezamen met zijn echtgenote en onderdanen genoot hij, niet gestoord door anderen, van de geneugten des levens en werd hij geprezen vanwege zijn reputatie van zedelijkheid, daar het hem in zijn hart zeer aantrok met zijn vrouwen iedere ochtend te luisteren naar de hemelse muzikanten en de verhalen over de Heer. (34) Hoewel in beslag genomen door de begoochelende eenheid der materie, was Svâyambhuva Manu als een heilige; als sublieme toegewijde van de Heer konden zijn materiële genoegens hem niet op het verkeerde pad brengen. (35) Hij bracht zijn uren niet zinledig door; tot aan het einde van zijn dagen bracht hij zijn leven door met het luisteren naar en zich bezinnen op en het vastleggen en bespreken van de onderwerpen van Heer Vishnu. (36) Zodoende de drie levensbestemmingen [overeenkomstig de drie geaardheden, zie Gîtâ hfdstk 18] overstijgend in zijn verbondenheid met de onderwerpen van Vâsudeva, duurde zijn tijdperk daardoor eenenzeventig mahâyuga's lang. (37) Hoe kan de misère met betrekking tot het lichaam, de geest de [natuurlijke en bovennatuurlijke] machten en andere mensen en levende wezens, o Vidura, ooit iemand die leeft onder de hoede van de Heer, tot last zijn? (38) Hij [Manu], die altijd uit was op het welzijn van alle levende wezens, bracht, op verzoek van de wijzen, de vele soorten van plichten van de status-oriëntaties [de varna's en âs'rama's, de roepingen en leeftijdsgroepen] onder woorden, die goed zijn voor de menselijke samenleving. (39) Dit is wat ik u kon vertellen over het wonderbaarlijke karakter van Manu, de eerste keizer, wiens reputatie het beschrijven waard is. Luister nu alstUblieft naar hoe zijn dochter [Devahûti] opbloeide.

 

Hoofdstuk 23

Devahûti's Klacht

(1) Maitreya zei: 'Na het vertrek van de ouders diende de kuise vrouw, met begrip voor de verlangens van haar echtgenoot, haar man voortdurend met grote liefde, zoals Pârvatî dat deed met S'iva, haar Heer. (2) Intiem, met een zuivere ziel, groot respect en zinsbeheersing diende ze met liefde en lieve woorden, o Vidura. (3) Afziend van lust, trots, afgunst, hebzucht, zondige handelingen en ijdelheid behaagde ze haar machtige echtgenoot, altijd vlijtig en met gezond verstand. (4-5) Hij, voorzeker de meest vooraanstaande van alle rishi's van God, de man van wie zij, de dochter van Manu volledig toegewijd een grotere zegen verwachtte dan van de voorzienigheid, zag dat ze zwakker werd en uitgemergeld raakte van de lang volgehouden religieuze inachtnemingen en met een van liefde stokkende stem sprak hij tot haar, overmand door mededogen. (6) Kardama zei: 'Op het ogenblik ben ik tevreden over jou, o respectvolle dochter van Manu, vanwege je zeer uitnemende allerhoogste dienstbaarheid en toewijding. Dat lichaam, zo uitzonderlijk dierbaar voor deze belichaming, verzorg je echter niet naar behoren, het terwille van mij uitputtend. (7) De zegeningen van de Heer die ikzelf realiseerde in mijn religieuze leven van volledig opgaan in versoberingen, meditatie en het fixeren van mijn geest in het weten, kan evenzogoed door jou worden verworven in jouw toegewijde dienst aan mij; vergewis je enkel van de visie vrij van angst en weeklagen, die ik je nu vergun. (8) Wat is er buiten de genade van de Heer van waarde als alle materiële verworvenheden hun vernietiging vinden in één enkele beweging van een wenkbrauw; geslaagd door het grotere perspectief van Heer Vishnu is het aan jou de bovenzinnelijke gaven te genieten, verkregen door de principes van goed gedrag, welke zo moeilijk te verkrijgen zijn voor mensen die trots zijn op hun adellijke afkomst.' (9) Nadat hij op deze manier had gesproken, vond de vrouw, horende van zijn uitblinken in de speciale kennis van de yoga, voldoening en met een stem verstikt van nederigheid en liefde en een stralend, glimlachend gezicht met een ietwat verlegen blik, sprak ze tot hem.

(10) Devahûti zei: 'Het is inderdaad volbracht, o beste der brahmanen, dit meesterschap van onfeilbaarheid in jouw in de macht der yoga, o machtige, o echtgenoot, wat ik zeker weet is dat jij hebt beloofd dat als we er eenmaal zeer geslaagd in zijn één te zijn in het lichaam, dat er dan het nageslacht mocht zijn dat voor een kuise vrouw zulk een grote waarde is. (11) Doe hiervan dat, wat er moet worden gedaan overeenkomstig wat is voorgeschreven in de geschriften, waarmee dit, door een onvervulde passie uitgemergelde lichaam, voor u geschikt kan worden gemaakt. En ik, slachtoffer van emoties, ben maar arm, o Heer, denk daarom alsjeblieft aan een geschikte woning'.

(12) Maitreya zei: 'Uit op het genoegen van zijn liefste, zette Kardama zijn yoga-vermogen in en bracht hij daarna een hoog oprijzend paleis voort dat kwam zoals gewenst werd, o Vidura. (13) Het beantwoordde aan alle verlangens en was wonderschoon overdekt met allerlei juwelen, had alle soorten van luxe die mettertijd toenam en zuilen gehouwen uit het meest kostbare gesteente. (14-15) Het was uitgerust met een hemel aan gebruiksartikelen en was behaaglijk in alle jaargetijden, was versierd met wimpels en vlaggen en draperieën van uiteenlopende kleuren en stoffen, bekoorlijke zoete bloemen zoemend van de bijen, fijne linnen en zijden stoffen en was behangen met verschillende wandkleden. (16) In verdiepingen boven elkaar waren er afzonderlijke voorzieningen met bedden, comfortabele ligbanken en gekoelde zitplaatsen. (17) Hier en daar was verschillend kunstzinnig beeldhouwwerk tentoongesteld met de buitengewone schoonheid van een vloer met smaragden, toegerust met verhogingen van koraal. (18) De toegangen hadden drempels van koraal en deuren prachtig overdekt met diamanten. De koepels van saffier waren gekroond met gouden torentjes. (19) Op de diamanten muren was er een keur aan robijnen die ze ogen leken te geven. Er was voorzien in verschillende baldakijnen en hoogst kostbare poorten van goud. (20) De vele kunstige zwanen en groepen duiven her en der deden de echte denken dat ze gelijk henzelf waren, er herhaaldelijk overvliegend onder het weerklinken van hun geluiden. (21) De lusttuinen, zitkamers, slaapkamers, binnen- en buitenplaatsen ontworpen voor het comfort, deden inderdaad de wijze zelf versteld staan.

(22) Devahûti, een dergelijke woning beziend met een weinig vergenoegd hart, zette Kardama, die ieders hart kon doorvorsen ertoe aan haar in persoon aan te spreken. (23) 'Je bent zo bevreesd, neem een bad in het heilige meer dat uit Vishnu voortkwam [Bindu-sarovar], dat ieder verlangen van de mens in vervulling doet gaan, voordat je dit hoog oprijzend paleis binnengaat'. (24) Zij, de lotusogige met haar samengeklitte haar en vuile kleren aan, volgde toen de order van haar echtgenoot op. (25) Haar lichaam en borsten waren grauw, overdekt door vuil, toen ze het meer inging dat de heilige wateren van de Sarasvatî rivier bevatte. (26) In het meer zag ze, gelijk de geurige lotussen, een huis voor zich met een duizendtal meisjes in de bloei van hun jeugd. (27) Toen ze haar zagen stonden alle maagden plots voor haar op en zeiden ze met gevouwen handen: 'We zijn uw dienstmaagden, alstUblieft zeg ons wat we voor u kunnen doen'. (28) Na haar te hebben gebaad met de kostbaarste oliën, gaven de eerbiedige meisjes de deugdzame echtgenote fijne, nieuwe, smetteloze kleren te dragen. (29) Ze gaven haar ook waardevolle sieraden en zeer uitgelezen spijzen en bedwelmende dranken die al de goede nectargelijke kwaliteiten in zich hadden. (30) Toen, met het zicht op haar reflectie in een spiegel, met haar lichaam gezuiverd van alle vuil en in smetteloze kleren, werd ze opgesierd met een bloemenslinger en door de hoogst eerbiedige dienstmaagden versierd met gelukbrengende tekens. (31) Van top tot teen gebaad was ze gesierd met een gouden halsketting met hanger en armbanden en tinkelende enkelbelletjes gemaakt van goud. (32) Om haar heupen droeg ze een gordel gemaakt van goud ingelegd met talloze edelstenen en had ze een kostbare parelketting en gelukbrengende substanties [zoals saffraan, kunkuma - hetgeen geparfumeerd rood poeder voor de borsten is -, mosterdzaad olie en sandelhoutpulp]. (33) Met haar prachtige tanden, charmante wenkbrauwen, lieflijke, vochtige ogen die de schoonheid van lotusknoppen te boven ging en haar blauw-zwarte gekrulde haar, straalde ze van alle kanten. (34) Toen ze aan haar dierbare echtgenoot dacht, de meest vooraanstaande onder de wijzen, trof ze zichzelf tezamen met haar dienstmaagden daar aan waar hij, de stamvader, de Prajâpati, was. (35) Zich vervolgens in de aanwezigheid van haar man ziend, omringd door een duizendtal maagden, was ze vol verbazing over wat hij in zijn yoga bereikt had.

(36-37) De wijze, die haar schoongewassen zag, hem tegemoet stralend met een ziel van een schoonheid zonder weerga, omgord en met bekoorlijke borsten, opgewacht door een duizend hemelse meisjes en uitnemend gekleed, genoot van de aanblik en leidde haar die hemelse woning binnen, o vernietiger van de vijand. (38) Gehecht als hij was aan zijn geliefde verzorgd door de hemelse meisjes, verloor hij niet zijn glorie; tezamen met haar in zijn paleis straalde zijn persoon zo charmant als de maan in de hemel omringd door de sterren, die rijen van lelies doet opengaan in de nacht. (39) Erin levend reikte hij tot aan de lusthoven van de goden in de hemel en de bergen en de dalen van Koning Indra onder begeleiding van de schoonheid van de luwte der hartstocht; gelijk de schatbewaarder Kuvera omringd door maagden, genoot hij voor lange tijd van de neergang van de Ganges onder de vibrerende gunstige geluiden van de lofuitingen van hen die van de perfectie zijn. (40) Bevredigd door zijn vrouw genoot hij de tuinen van Vais'rambhaka, Surasana, Nandana, Pushpabhadraka en Caitrarathya, en het Mânasa-sarovara meer. (41) Met het paleis zo schitterend als men zich maar wensen kon, overtrof hij, als de lucht die tot overal reikt, de woonplaatsen van de grootste goden. (42) Wat zou er moeilijk zijn om te bereiken voor hen die vastberaden zijn, voor hen die hun toevlucht genomen hebben tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid die alle gevaar overwint?

(43) Na zijn vrouw de wegen van de wereld te hebben getoond met alles wat erbij hoort aan vele wonderen, keerde de grote yogi terug naar zijn eigen omgeving. (44) Zichzelf in negen verdeeld hebbend, om zijn vrouw, de dochter van Manu te behagen in het seksleven, genoot hij de vele jaren als in een ogenblik. (45) In het paleis liggend op een uitstekend bed gunstig voor de seks had zij geen notie van het verstrijken van de tijd in het gezelschap van haar zeer knappe echtgenoot. (46) Aldus gingen door de macht van de yoga voor het volijverig verlangend stel in hun seksuele genoegen een honderdtal herfsten voorbij, als in een korte spanne tijds. (47) De machtige Kardama, die de spirituele essentie en alle verlangens kende had, zijn eigen lichaam in negenen verdeeld hebbend, zijn zaad in haar geloosd, haar beschouwend als zijn wederhelft. (48) Zij, Devahûti, gaf toen bijgevolg geboorte aan een nageslacht van [negen] vrouwen die allen in ieder deel van hun lichaam even bekoorlijk waren als een geurige rode lotus. (49) Toen ze zag dat haar echtgenoot op het punt stond van huis te vertrekken, glimlachte ze vanbuiten, maar was ze van streek met een hart vol leed. (50) Haar tranen bedwingend, schraapte ze met de stralende juwelen nagels van haar voet over de vloer en met haar hoofd naar beneden gebogen, sprak ze langzaam in bekoorlijke bewoordingen.

(51) Devahûti zei: 'Al dat u me beloofd hebt mijn Heer is in vervulling gegaan, maar u moet me, als overgegeven ziel, ook de onbevreesdheid vergunnen. (52) Mijn beste brahmaan, het is aan je dochters om uit te vinden wat geschikte echtgenoten zijn; maar wie is er om mij te troosten, als jij naar het woud bent vertrokken? (53) Zonder acht te slaan op de kennis van de Allerhoogste Ziel, verstreek er zoveel tijd voor niets, mijn meester, ons uitputtend in het goed zijn voor onze zintuigen. (54) Aangetrokken door het bevredigen van onze zinnen ging mijn affiniteit voor jou niet samen met het erkennen van je bovenzinnelijk bestaan; moge het me niettemin bevrijden van alle vrees. (55) Omgang met hen die druk bezig zijn hun zinnen te behagen is de oorzaak van de kringloop van geboorte en dood, maar hetzelfde soort van handelen in onwetendheid leidt, in omgang met een heilige persoon, tot bevrijding. (56) Men is daadwerkelijk dood bij het leven als het werk dat hier verricht wordt er niet voor een meer rechtgeaard leven is, niet leidt tot onthechting en niet de voeten van het Heilige van dienst is. (57) Voorzeker ben ik degene die geheel misleid was door het materiële vermogen van de Heer; omdat ik, hoewel ik u die bevrijding geeft bereikt heb, er niet naar uitzag uit de materiële gebondenheid bevrijd te raken'.

 

Hoofdstuk 24

De Verzaking van Kardama Muni

(1) Maitreya zei: 'De genadige, lofwaardige wijze die aldus over verzaking sprak tot de dochter van Manu gaf dat ten antwoord waarvan hij zich herinnerde dat het gezegd was door Heer Vishnu. (2) De wijze zei: 'Wees niet teleurgesteld, o prinses; als je jezelf op deze manier richt op de Allerhoogste Heer, o prijzenswaardige, zal Hij onvermijdelijk zeer spoedig in je schoot verschijnen. (3) Moge God jou zegenen, die de heilige geloften heeft afgelegd voor de zinsbeteugeling, religieuze inachtneming en versoberingen, het schenken van geld in liefdadigheid en het met een vast geloof boven alles aanbidden van de Heer. (4) Hij, door jou aanbeden, zal mijn roem verbreiden; Hij, als je zoon, zal de knoop in je hart doorsnijden met het onderricht van de kennis van de al-doordringende geest [brahman]'.

(5) Maitreya zei: 'Devahûti trouw in haar grote respect voor de leiding van deze vader der mensheid, was van een volkomen geloof in de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en aanbad aldus de meest aanbiddelijke aanwezig in ieders hart. (6) Na vele, vele jaren ging de Opperheer, de doder van Madhu, het zaad van Kardama binnen en verscheen Hij zoals vuur dat doet in brandhout. (7) Te dien tijde weerklonken muziekinstrumenten vanuit de regenwolken in de hemel, bezongen de Gandharva's Hem, en dansten de Apsara's in vreugdevolle extase. (8) Prachtige bloemen werden door de goden vanuit de hemel gestrooid en in alle windstreken, over alle wateren en in ieders geest was er geluk. (9) De zelfgeborene [Brahmâ] tezamen met zijn wijzen, Marîci en de anderen, kwamen toen naar Kardama's plaats aan de Sarasvatî rivier. (10) De Allerhoogste Heer van de Geest van het zuivere bestaan was, middels een volkomen deelaspect, o doder van de vijand, verschenen om de waarheid van de Sânkhya [het analytische van de yoga] zo uiteen te zetten dat men te weten zou komen van de Onafhankelijke Ongeborene. (11) Met een zuiver hart in aanbidding van het Uiteindelijke en verheugd over Zijn voorgenomen optreden werd Kardama en Devahûti het volgende gezegd.

(12) Brahmâ zei: 'Door jou, Kardama, werd het volbracht Mij te aanbidden zonder dubbelhartigheid, o zoon; aangezien je mijn aanwijzingen ten volle hebt aanvaard, heb je, in je eren van anderen, mij geëerd. (13) Zonen behoren hun vader van dienst te zijn in navolging van precies deze strekking, daarbij met het verschuldigde respect de geboden van de geestelijk leraar opvolgend. (14) Deze volslanke kuise dochters van je, mijn beste zoon, zullen middels hun eigen nakomelingen op verschillende manieren bijdragen tot deze schepping. (15) Schenk derhalve alsjeblieft vandaag je dochters weg, in overeenstemming met hun temperament en smaak, aan de meest vooraanstaande wijzen, waarmee aldus je roem zich over de hele wereld zal verspreiden. (16) Ik weet dat de oorspronkelijke genieter, Hij die alle verlangens van de levende wezens vervuld, door Zijn eigen vermogen is geïncarneerd met het aannemen van het lichaam van Kapila Muni, o wijze. (17) Middels de schrift en de praktijk van de vereniging van het bewustzijn in de yoga zal Hij, die wordt gekend met Zijn gouden haar, lotusogen en de met de lotus gemerkte voeten, de wortels van de baatzuchtige arbeid blootleggen. (18) En Devahûti, de doder van de demon Kaithaba is je baarmoeder binnengegaan en de knoop der onwetendheid en twijfel doorsnijdend, zal Hij de gehele wereld bereizen. (19) Deze persoonlijkheid zal aan het hoofd staan van de volmaakten, de goedkeuring wegdragen van de leraren van het voorbeeld [de âcârya's] in de vedische analyse, en, tot uw meerdere glorie, in de wereld worden gevierd als Kapila'.

(20) Maitreya zei: 'Toen hij het stel had gerustgesteld ging Hamsa [een andere naam voor Brahmâ die vliegt met de transcendentale zwaan], de schepper van het universum, tezamen met de Kumâra's [zijn zoons] en Nârada [de spreekbuis] terug naar zijn verheven positie boven de drie werelden. (21) Na het vertrek van Brahmâ, o Vidura, gaf Kardama zoals gezegd, zijn dochters aan hen die van toen af aan verantwoordelijk waren voor de schepping van de wereldbevolking. (22-23) Kalâ gaf hij aan Marîci, Anasûyâ toen aan Atri, S'raddhâ gaf hij Angirâ en Havirbhû werd aan Pulastya geschonken. Gati gaf hij aan Pulaha en de deugdzame Kriyâ achtte hij geschikt voor Kratu; aan Bhrigu schonk hij Khyâti weg en ook Arundhatî werd weggegeven aan de wijze Vasishthha. (24) Atharvâ schonk hij aan S'ânti, door wie de offerrituelen worden gebracht. Aldus raakten de vooraanstaande brahmanen getrouwd met hun echtgenotes en werden ze door hem onderhouden. (25) Toen ze op deze manier in het huwelijk waren getreden, o Vidura, namen de wijzen afscheid van Kardama en gingen ze op weg naar hun hermitages, vertrekkend in vreugde over wat ze hadden verworven.

(26) En hij Kardama, die begrepen had dat Hij, die in al de drie yuga's verschijnt [Vishnu, die in de vierde, de laatste yuga enkel verschijnt als een 'channa' - of bedekte avatâra], hoogste intelligentie van al de wijzen, was nedergedaald, zocht Hem op in Zijn afzondering, waarbij hij Hem zijn eerbetuigingen bracht en als volgt tot hem sprak: (27) 'Oh, eindelijk, na zo een lange tijd is het goddelijke van genade voor hen die zo aangedaan zijn door de verstriktheid van hun eigen wandaden in deze wereld. (28) Na vele geboorten, proberen de gerijpte yogi's door hun verzonkenheid in de yoga Uw voeten in afzondering te aanschouwen. (29) Diezelfde Allerhoogste Heerlijkheid, Hij die de steun en toeverlaat is van Zijn hoogsteigen toegewijden, is heden, ongeacht de nalatigheid van ons gewone huishouders hoog en laag, verschenen in onze huizen. (30) Om Uw eigen woorden gestand te doen bent U in mijn huis nedergedaald, verlangend de kennis te verbreiden van de Hoogste Persoonlijkheid die er is voor de meerdere eer en glorie van de toegewijden. (31) Door welke van de waarlijk geschikte gedaanten ook van U, die Zelf geen materiële gedaante heeft, behaagt U hen die zich op het pad bevinden. (32) De plaats van Uw voeten is zeker altijd het respectvolle eerbetoon van de wijzen waard die ernaar verlangen de Absolute Waarheid te kennen. Aan U, die vol is van rijkdom, verzaking, roem, kennis, kracht en schoonheid [de zogenaamde zesvoudige weelde van de Heer] geef ik mezelf over. (33) Ik geef me over aan Heer Kapila, die de bovenzinnelijke Allerhoogste Persoonlijkheid is, de oorsprong van de wereld en het volle bewustzijn van de tijd en de drie geaardheden der natuur; de Handhaver van Alle Werelden, die in Zichzelf naar Zijn eigen vermogen Zijn manifestaties ontbindt en die de macht is van de onafhankelijkheid. (34) Op dit moment verzoek ik U, o vader van alle geschapen wezens, daar U me hebt bevrijd van mijn schulden en mijn verlangens hebt vervuld, dat ik het pad van een rondtrekkende bedelmonnik op me mag nemen zodat ik met U in mijn hart rond mag trekken, mezelf verre houdend van het weeklagen.

(35) De Allerhoogste Heer zei: 'Waarvan Ik bij de geschriften of bij normale uitspraken heb gesproken is in feite het gezag voor de mensen; derhalve nam Ik bij u geboorte om dat na te komen wat Ik u gezegd heb, o wijze. (36) Deze geboorte van Mij in deze wereld is er voor het verschaffen van uitleg, voor degenen die bevrijd willen raken van de moeilijkheden van de materiële positie, over de waarheden die men zo hoog acht in de zelfverwerkelijking. (37) Alstublieft, weet dat dit lichaam door Mij werd aangenomen, opdat Ik nu opnieuw dit pad van de ziel kan introduceren dat zo moeilijk te kennen is en in de loop van de tijd verloren is gegaan. (38) Ga nu, onder Mijn goedkeuren, heen zoals u dat verlangt, handelend naar de wereldverzakende orde; houdt u om de onoverkomelijke dood te boven te komen, voor het eeuwige van het leven bezig met de aan Mij gewijde dienst. (39) Met uw intellect altijd op Mij, de opperste zelfvervulde ziel van alle levende wezens, gericht, zal U me daadwerkelijk in Uw hart zien en de vrijheid van angst en weeklagen bereiken. (40) Mijn moeder zal Ik ook deze kennis schenken welke de deur van het geestelijk leven opent en een einde maakt aan alle vruchtdragende activiteiten, zodat ook zij de vrees zal overwinnen.'

(41) Maitreya zei: 'De stamvader van de menselijke samenleving aldus aangesproken door Kapila, omliep Hem en, waarlijk tot vrede gekomen, vertrok hij toen naar het woud. (42) Hij aanvaardde de gelofte der stilte en uitsluitend zijn toevlucht zoekend in de ziel, reisde de wijze vrij van gezelschap rond over de aarde zonder een vaste verblijfplaats te hebben of vuur te maken. (43) Hij concentreerde zijn denken in de geest van dat wat zich voorbij oorzaak en gevolg bevindt, dat wat zichzelf manifesteert als de drie geaardheden der natuur en er zelf vrij van is en dat wat alleen maar door toewijding wordt waargenomen. (44) Zich niet met het lichaam identificerend en zonder belangstelling voor de materie en de dualiteit, zag hij, met een gelijke blik, zich inwaarts gekeerd hebbend, met een volmaakt beheerste geest nuchter zijnd, zichzelf onverstoord en als een oceaan met haar golven in rust. (45) Jegens Vâsudeva, de Persoonlijkheid van God, de alwetende Superziel in iedereen, verzette hij zich in bovenzinnelijkheid door toegewijde dienst bevrijd van materiële gebondenheid. (46) Hij zag de Hoogste Persoonlijkheid van God als de ziel zich bevindend in alle levende wezens en, bovendien, dat alle levende wezens in de Hoogste Persoonlijkheid bestaan van die ziel. (47) Bevrijd van alle voorkeur en afkeer bereikte hij, met zijn geest in ieder opzicht bevrijd in de verbondenheid van de toewijding voor de Opperheer, het uiteindelijke doel van de toegewijde.

 

Hoofdstuk 25

De Heerlijkheden van de Toegewijde Dienst

(1) S'rî S'aunaka zei: "Hoewel Zelf ongeboren, nam de Allerhoogste Heer, persoonlijk door Zijn eigen vermogen geboorte als Heer Kapila, de analyticus van de uiteindelijke waarheid, teneinde voor de mensheid de bovenzinnelijke kennis te verspreiden. (2) Horend over Hem, wiens meerdere onder de mensen niet te vinden is, de meest vooraanstaande der yogi's en de godheid der Veda's, zijn daadwerkelijk mijn zinnen bevredigd. (3) Alstublieft, geef mij een getrouwe beschrijving van al wat het prijzenswaardige is dat de Opperheer, zo vol van de verrukking van de ziel, vanuit Zijn interne vermogen zo doet. "

(4) Sûta zei: ''Als een vriend van Vyâsadeva sprak de vererenswaardige Maitreya toen als volgt tot Vidura, daar het hem had behaagd ondervraagd te worden over de bovenzinnelijke kennis. (5) Maitreya zei: 'Toen de vader naar het woud vertrokken was, bleef Heer Kapila achter bij het Bindu-sarovarmeer met het verlangen Zijn moeder werkelijk een genoegen te doen. (6) Tot Hem, haar Zoon, comfortabel gezeten, die in staat was om haar het pad te tonen naar het doel van de uiteindelijke werkelijkheid, sprak Devahûti met de woorden van Brahmâ in gedachten.

(7) Devahûti zei: 'O mijn Heer, ik ben van afschuw vervuld over de heersende onwaarheid van de geprikkelde zinnen, welke mij deed neerstorten in de diepte der onwetendheid. (8) Tot slot van vele geboorten reikte ik door Jouw genade tot Je bovenzinnelijke oog, zodat ik nu de duisternis der onwetendheid te boven kan komen welke zo moeilijk te verslaan is. (9) Hij die de oorsprong is, de Allerhoogste Heer van alle schepselen en in feite de Meester van het Universum is, is met Jou, gelijk de zon, voor het oog verrezen dat verblind was door de duisternis van het onbenul. (10) Nu, mijn Heer, voel Je vrij om het wanbegrip uit te drijven, de misvatting van het Ik en Mijn in dezen, waarmee Jij, zoals Je weet, me hebt bezig gehouden. (11) Met het verlangen te weten over het materiële en het persoonlijke aspect, breng ik Jou, die de grootste bent van alle zieners van de ware natuur, mijn eerbetuigingen, mijn toevlucht gezocht hebbend bij Jouw voeten, daar Jij de persoon bent die het waard is; voor degenen die van Jouw afhankelijk zijn, ben Jij de bijl die de boom van het materiële bestaan velt.'

(12) Maitreya zei: 'Aldus van Zijn moeder vernemend over de zuivere wens van de mens aan zelfrealisatie te winnen op het pad der bevrijding, gaf Hij met een geest van dankbaarheid, met een lichte glimlach op Zijn prachtige gezicht, uitleg over de weg der transcendentalisten. (13) De Opperheer zei: 'De yogadiscipline van de mensen van het zich verhouden tot de ziel draagt Mijn goedkeuring weg voor het heil van de uiteindelijke onthechting van welke vorm van genot of leed dan ook. (14) Ik zal u nu precies datgene uiteenzetten wat Ik voorheen heb uitgelegd, o vrome moeder, aan de wijzen die er zo naar uitzagen te vernemen over alles wat samenhangt met het yogasysteem. (15) Het is zo dat het bewustzijn van hem, die in gebondenheid uit is op de vrijheid van het zelf, onder invloed staat van de geaardheden der materiële natuur, maar als men wordt bewogen in aantrekking van het geconditioneerd zijn aan wat de moeder van de deugd is, is men van de bevrijding. (16) Van de onzuiverheden van lust en het begeren en dergelijke, die resulteren uit de misvatting van het Ik en Mijn, is men bevrijd, als de geest zuiver is in gelijkmoedigheid, zonder leed en zonder plezier. (17) Dan ziet de persoon, zuiver en ontstegen aan de materiële natuur de materiële wereld en zichzelf als zijnde niet verschillend en als stralend in zichzelf zonder gebondenheid en verbrokkeling. (18) Door geestelijke kennis en verzaking, en verbonden in toewijding, staat men onverschillig tegenover het materiële bestaan dat men in kracht afgenomen ziet. (19) Naast het handelen in toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer is, naar de volledigheid van de Ziel, geen andere weg van yoga zo gunstig voor de volmaaktheid van de geest. (20) Een ieder die van kennis is weet dat sterke gehechtheid de verstriktheid van de ziel is, maar dat die zelfde gehechtheid in handen van toegewijden de deur naar de bevrijding opent. (21) Tolerant, mededogend, alle levende wezens welgezind en zonder vijandschap jegens wie ook, vredig en zich houdend aan de geschriften is de sâdhu [de deugdzame mens, de heilige, een ziener] gesierd met sublieme kwaliteiten. (22) Jegens Mij niet aflatend in het doen van hun toegewijde dienst zien zij die onwrikbaar zijn te Mijnentwille, er vanaf in begeerte te handelen, hun eigen familie en vrienden opgevend. (23) In verrukking over het aanhoren van de verhalen over Mij, zingen ze en concentreren ze hun gedachten op Mij, zonder wie dan ook moeilijkheden te bezorgen in hun uiteenlopende boetedoeningen. (24) Met diezelfde toegewijden, o deugdzame moeder, die zijn bevrijd van alle gehechtheden, moet u de gehechtheid zoeken, daar waarlijk zij diegenen zijn die de schadelijke effecten van de materiële verstriktheid tegenwicht bieden. (25) Middels de omgang met hen die van de waarheid zijn, in het bespreken van Mijn heldendom, worden de gecultiveerde verhalen een vreugde voor het oor en het hart en zal spoedig de toewijding vanzelf volgen op de vaste overtuiging en aantrekking op het pad der bevrijding. (26) Het door toegewijde dienst ontwikkeld hebben van afkeer van het sensuele van wat gezien en gehoord wordt, voortdurend denkend aan Mijn handelen en met de geest bezig in de beheersing van de verbondenheid der yoga, zal men gemak ervaren op het pad van het pogen het bewustzijn te verenigen. (27) Als men met zijn persoon niet de dienaar is van de geaardheden der natuur, bereikt men door spirituele kennis, met de versobering ontwikkeld in de yoga, op Mij geconcentreerd en Mij toegewijd, nog in ditzelfde leven het absolute van de Ziel.'

(28) Devahûti zei: 'Wat is jegens Jou het juiste idee van toewijding voor mij geschikt waardoor ik zonder omhaal, bevrijding aan Je voeten kan vinden? (29) Wat is, aansturend op de Allerhoogste, o belichaming van de hemel, de aard van die yoga waarover Je uitleg verschafte; in hoeveel verdelingen wordt de werkelijkheid daardoor begrepen? (30) Leg alsJeblieft datzelfde uit aan mij, wiens intelligentie maar traag van begrip is, o mijn Heer, zodat ik door Jouw genade met gemak kan bevatten wat voor een vrouw zo moeilijk te begrijpen is.'

(31) Maitreya zei: 'Kapila begrijpend waar Zijn moeder op uitwas vond, geboren uit haar lichaam, mededogen voor haar en beschreef de waarheden van het analytische van de yoga zoals ze waren doorgegeven en in feite reiken tot het devotionele van een verenigd bewustzijn. (32) Onze lieve Heer zei: 'Het goddelijke van het zich verhouden tot de materiële kwaliteiten werkt in overeenstemming met de geschriften; en zo is de eenheid van het denken van nature al geneigd tot een goedheid van onverdeelde toegewijde dienst aan de Allerhoogste, welke de enkele beheersing te boven gaat. (33) Het maakt snel een eind aan de subtiele innerlijke roerselen zoals voedsel wordt verbrand door het vuur van de spijsvertering. (34) De zuivere toegewijden die, bezig met de dienst aan Mijn lotusvoeten er naar streven Mij te bereiken, verlangen er in welk opzicht ook nooit naar één met Mij te zijn; ze komen tezamen om met elkaar van lof te zijn voor Mijn persoonlijke handelingen. (35) O moeder, ze zien Mijn glimlachende gezicht en Mijn ogen zo prachtig als de ochtendzon en spreken met Mij in gunstige termen over de zegening van de bovenzinnelijke gedaanten. (36) Door die gedaanten zo bekoorlijk in al hun ledematen, verheven spel en vermaak, glimlachende blikken en het behagen van hun verrukkelijke woorden, worden hun geesten en zinnen in beslag genomen en wordt in hun toewijding boven hun weerzin het subtiele veilig gesteld van Mijn verblijfplaats. (37) Ze verlangen dan niet naar Mijn weelde of het achtvoudige meesterschap van het heersen over de illusie [de siddhi's zie 3.15: 45] of volgen ze na voor de schittering van de Allerhoogste Goddelijkheid; vol van geluk over Mij als de Allerhoogste, genieten die toegewijden enkel hun eenvoudige levens. (38) O moeder, nimmer, bij welke tijd of welk wapen van vernietiging ook, zullen Mijn toegewijden Mij verliezen, Ik die werd uitverkozen als hun dierbaarste zelf, zoon, vriend, leraar, begunstiger en godheid. (39-40) Daarnaar verwijlend in zowel deze wereld als in die wereld van het subtiele lichaam, aanbidden zij die in relatie tot de belichaming in deze wereld rijkdom, vee, huizen en al het overige hebben opgegeven Mij, de alles-doordringende Heer der bevrijding, in onwankelbare toewijding, daar Ik hen meevoer naar gene zijde van geboorte en dood. (41) Door niemand anders dan door Mij, de Opperheer en heerser als de oorspronkelijke persoon, de Ziel aller zielen, kan de verschrikkelijke vrees [van geboorte en dood] worden losgelaten. (42) In vrees voor Mij waait de wind, en schijnt de zon; uit vrees voor Mij doet Indra de regens vallen en brandt het vuur, en voor Mij bevreesd waart de dood rond. (43) Verbonden in de kennis en verzaking, nemen yogi's middels bhakti-yoga hun toevlucht tot Mijn voeten voor het heil van het eeuwige. (44) Alleen voor zover iemands denken is geconcentreerd in een intensieve praktijk van toewijding tot Mij, zullen mensen die in deze wereld gaan voor de volmaaktheid van het leven, stabiel zijn.'

 

Hoofdstuk 26

Basisprincipes van de Materiële Natuur

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu voor u de verschillende categorieën van de werkelijkheid beschrijven, met de kennis waarvan een ieder bevrijding kan vinden van de geaardheden der materiële natuur. (2) Dat waarover men spreekt als de spirituele kennis, die voor een persoon de uiteindelijke volmaaktheid van de zelfverwerkelijking is, zal ik u nu uiteenzetten, daar het dat is waardoor de knopen in het hart worden doorsneden. (3) De Opperziel van de Oorspronkelijke Persoon is zonder een begin, transcendentaal aan de geaardheden der natuur in het voorbije en is overal waarneembaar als het zelf-verlichte van de gehele schepping door Hem gehandhaafd. (4) Diezelfde persoon, die grootste der groten, aanvaardde geheel uit eigen beweging de subtiele materiële energie in relatie tot het goddelijke als Zijn spel en vermaak en verwierf de bekleding met de drie geaardheden. (5) Door de geaardheden schiep de natuur de uiteenlopende vormen der materieel levende schepselen, die daarmee geconfronteerd terstond aldaar in illusie waren verzet met de overdekking van hun spirituele kennis. (6) Door identificatie met de materiële activiteiten die in feite worden teweeggebracht door de geaardheden der natuur, schrijft het levende wezen ze aldus foutief aan zichzelf toe. (7) Door de misvatting van zijn leven in materiële conditionering wordt het afhankelijk gemaakt, hoewel het door degene die niet handelt, die de natuurlijke vreugdevolle getuige is, onafhankelijk is. (8) De geschoolden begrijpen dat het lichaam en de zintuigen van respect onder de veroorzaking van het materiële van de natuur verkeren; wat betreft de waarneming van geluk en ongeluk is de geestelijke ziel boven de materie verantwoordelijk.'

(9) Devahûti zei: 'Wees zo goed me uit te leggen wat de kenmerken zijn van zowel de energieën als de Hoogste Persoonlijkheid, die beide oorzaak zijn van het manifeste en niet-manifeste waaruit deze schepping bestaat.

(10) De Allerhoogste Heer zei: 'Het ongedifferentieerde, dat in bezit is van de gedifferentieerde materiële natuur die bestaat uit de oorzaak en het effect van de combinatie van de drie geaardheden, wordt de primaire natuur [pradhâna] genoemd. (11) Die primaire natuur, weet men, vormt de basis waaruit de vijf grofstoffelijke en vijf subtiele elementen, het geestelijke van de vier interne zinnen en de tien zinnen van waarneming en arbeid ontstonden, die aldus tezamen uitkomen op een aantal van vierentwintig. (12) De vijf grofstoffelijke elementen zijn om precies te zijn: aarde, water, vuur, lucht en ether; van de subtiele elementen zijn er, zoals Ik het zie, een gelijk aantal, het zijn de reuk en dergelijke [smaak, kleur, aanraking en geluid]. (13) De tien zinnen zijn de organen voor het horen, aanraken, zien, proeven, en ruiken, [voor de waarneming], met [voor het handelen] de mond, de handen, de benen, de geslachtsorganen en de organen voor de uitscheiding als de tiende . (14) Het denken, de intelligentie, ego en bewustzijn zijn de vier aspecten van de interne subtiele zin die men heeft, met het acht slaan op de onderscheiden functies in de vorm van verschillende kenmerken. (15) Aldus zijn naar de geest de materiële kwaliteiten opgesomd zoals ze feitelijk door Mij zijn gerangschikt [en saguna brahman worden genoemd], waarbij wat betreft de tijd wordt gesproken van het vijfentwintigste element.

(16) De invloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wordt gezegd de tijdfactor te zijn waarvan sommigen vrees koesteren in het begoocheld zijn door het ego van het in contact staan met de materiële natuur van het individuele bestaan. (17) De beweging van de materiële natuur zonder haar interactie van de geaardheden en haar specifieke kwaliteiten, o dochter van Manu, is de tijd waarvan we alhier Hem kennen, de Opperheer. (18) Hij die vanbinnenuit bestaat, in de vorm van de Oorspronkelijke Persoon en vanbuiten in de vorm van de tijd, is Hij, de Allerhoogste Heer bij al Zijn vermogens naar alles [al de elementen] van het leven. (19) Door haar bestaan in beweging gebracht, bezwangert de Hoogste Persoon vanuit Zijn uitgebalanceerde vermogen de baarmoeder [van moeder natuur] en brengt zij het volledige van de waarheid van Brahmâ's stralende gouden werkelijkheid [hiranmaya] voort. (20) Het universum dat in zich deze onveranderlijke grondoorzaak herbergt, slokt door de eigen uitstraling de hechte duisternis op waarin zij verwikkeld was. (21) De geaardheid goedheid, welke de heldere en nuchtere manier is van het verstaan van de Allerhoogste Heer, staat bekend onder de naam Vâsudeva; dat bewustzijn vormt de aard van het intellect. (22) Helderheid, niet afgeleid zijn en sereniteit worden aldus de kenmerkende eigenschappen genoemd van het [Krishna- of natuurlijke tijd-]bewustzijn dat gelijk de natuurlijke staat van zuiver water is.

(23-24) Van de volledige werkelijkheid die de veranderingen ondergaat teweeggebracht door de Allerhoogste Heer Zijn energieën, ontsprong, behept met het actieve vermogen ervan, het materiële ego zich in drie soorten transformerend als zijnde van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid, waaruit zich eveneens het denken ontwikkelde, de verschillende zinnen van handelen en waarnemen en de elementen in vijf verdeeld. (25) Alles van het ego bestaande uit de elementen, de zinnen en de geest is direct de Hoogste Persoonlijkheid van Ananta met Zijn duizenden hoofden [Vishnu's slangenbed] bekend onder de naam Sankarshana [eveneens bekend als de Heer Zijn eerste volkomen expansie]. (26) Het ego geïdentificeerd met de materie kan aldus worden gekenschetst als degene die handelt, die het instrument en het effect is, zowel als zijnde sereen, actief en traag. (27) Uit de goedheid van de materiële identificatie ontwikkelde zich na transformatie het principe van het denken waarvan de gedachten en bespiegelingen aanleiding geven tot verlangens. (28) Die geest staat feitelijk bekend onder de naam Aniruddha, de heerser over de zinnen die blauwachtig is als een lotus in de herfst en alleen geleidelijk aan gerealiseerd wordt door de yogi's. (29) Door de transformatie van de materiële identificatie in de hartstocht deed zich het principe van de intelligentie voor, o deugdzame dame, om ondersteuning te verlenen in het naar de zinnen constateren van de voorwerpen die in zicht komen. (30) Twijfel, misverstaan, het juiste begrip, geheugen en slaap worden aldus beschouwd als zijnde de kenmerken van de intelligentie in haar verschillende functies.

(31) Uit de hartstocht van het ego hebben we eveneens de zinnen van handelen en kennis overeenkomstig respectievelijk de werkzame krachten van de vitale energie en het effect van de ervaring van de intelligentie. (32) Van de duisternis van het ego en haar transformatie, werd, daartoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Heer, het subtiele element van het geluid gemanifesteerd, waarvan het etherische toen de gehoorzin vormde die er is als de ontvankelijkheid voor de werking ervan. (33) Geleerde personen weten het te definiëren als dat wat een materieel object aanduidt; ze kennen geluid als het verraad van de aanwezigheid van een spreker en als dat wat kenmerkend is voor het subtiele element van de ether. (34) De activiteiten en kenmerken van het element van de ether voorzien in de buiten- en de binnenruimte, voor alle levende wezens het handelingsgebied zijnd van de levensadem, de zinnen en het denken. (35) Van het etherische zich ontwikkelend uit het subtiele van het geluid, vindt onder de transformerende impuls van de tijd de evolutie van het subtiele element der aanraking plaats en wordt aldus de lucht gevonden, het zinsorgaan ervoor en van die zin de waarneming. (36) Zachtheid en hardheid, koude en hitte eveneens, zijn van dit subtiele element van aanraking de onderscheiden eigenschappen in het zinnelijk ervaren van de lucht. (37) Door de onderscheiden kenmerken van de activiteiten van de lucht die beweegt en zich vermengd, maakt het [element van de aanraking] de toenadering [tot objecten] mogelijk, daarbij de deeltjes en golven van geluid meevoerend die de zinnen tot het juiste functioneren aanzetten. (38) Van de lucht gerealiseerd door de subtiele werkelijkheid der aanraking, ontwikkelden, zoals voorbeschikt, zich de vormen waaruit de waarneming van het vuur voortkwam in de zin van het zien van kleur en vorm.

(39) O deugdzame, de kenmerken van de vorm van een object zijn naar de werkelijkheid der zinnen, de afmetingen ervan, de kwaliteit, de bepaalde individualiteit en de stralende gloed. (40) De functies van het vuur zijn in werkelijkheid het verlichten, het verteren van wat men drinkt en eet, het verdrijven van de kou en het verdampen alsook het van dienst zijn met honger en dorst. (41) Vanuit de substantie van de vorm die de transformaties van het vuur ondergaat, manifesteerde zich naar goddelijke beschikking de zin voor de smaak, waardoor het water en de tong in relatie daarmee werden gevonden. (42) Hoewel de smaak één is, is zij door omvorming aldus naar de veelvoud van andere substanties verdeeld in de gewaarwording van het wrange, zoete, bittere, scherpe [zoute] en zure. (43) Het typische van water is dat het bevochtigt, coaguleert, de dorst lest, het leven in stand houdt, verfrist, zacht maakt, doet afkoelen en in overvloed beschikbaar is. (44) Door het element van de smaak, in het ondergaan van de transformaties door het water, deed zich van boven beschikt de maat der geur voor in het vinden van de aarde en het ruiken van aroma's. (45) Het ene van de geur is, verdeeld naar de verhoudingen van substanties in het afzonderlijke van vermengd zijn, opdringerig, welriekend, mild, sterk, zurig van geur zijn, enzovoorts. (46) De kenmerkende functie van de aarde is de plaats te zijn voor de manifestatie van de in de ruimte gescheiden aard van al het bestaande dat van de Hoogste Geest is gemodelleerd in vormen, verblijfplaatsen, opbergpotten etc. (47) De zin die het onderscheiden kenmerk van de lucht [geluid] als haar object heeft wordt de gehoorzin genoemd en die zin welke de onderscheiden kenmerken van de lucht [de aanraking] als haar object heeft staat bekend als de tastzin. (48) De zin die het afzonderlijke van het vuur [vorm] als haar object heeft wordt het gezichtsvermogen genoemd, de onderscheiden waarneming van de kenmerken van water staat bekend als de smaakzin en het afzonderlijke van de aarde in de waarneming wordt de reukzin genoemd.

(49) De kenmerken van de oorzaak worden waargenomen in het gevolg en bijgevolg worden naar die orde de onderscheiden kenmerken van alle elementen waargenomen in de aarde alleen [en in mindere mate in de voorgaande elementen]. (50) Toen dezen [in het begin] onvermengd waren, gingen al de zeven van de oorspronkelijke volledigheid [de vijf materiële elementen, de totale energie - de mahat-tattva - en het geïdentificeerde ego] vanaf het begin de schepping binnen; in feite vanuit de associatie met de tijd, het karma en de drie geaardheden der natuur. (51) Toen stap voor stap [met Hem als de tijd], werd vanuit deze zeven principes, tot activiteit aangezet, een eivorm verenigd zonder bewustzijn, waaruit het gevierde Kosmische Wezen [of de oorspronkelijke 'gigantische' persoon, de virâth purusha] zich opwierp. (52) Dit ei genaamd Vis'esha ['het actieve'], vond orde in de tienvoudige uitbreiding naar het grotere van het water en de andere elementen zoals ze zijn verwikkeld in de geaardheden van de primaire natuur aan de oppervlakte van de zich uitstrekkende planetenstelsels; dit is de [universele] gedaante die de Heer, het Opperwezen, aannam. (53) Uit het gouden [zonlicht] van het ei rees, vanuit de wateren die Hij doordrong en waarin Hij lag, het grote van het goddelijke op, in vele cellen verdeeld in het controleren van het licht. (54) Het eerste dat van Hem verscheen was een mond om in geluid een relatie aan te gaan [vânî] waarna, met dat orgaan, er de goddelijkheid van het [spijsverterings-]vuur was, toen vergezeld door de neusvleugels met de levensadem en de reukzin in hen. (55) Uit de reukzin werd het goddelijke van de lucht [Vâyu] gerealisee rd, de twee ogen van het gezichtsvermogen brachten de goddelijkheid van de zon [Sûrya] in het bewustzijn en door de gehoorzin van de twee oren straalde de goddelijkheid van de windrichtingen voort. (56) Van de gevierde vorm verscheen de huid met haar haargroei en dergelijke, waarna de geneeskrachtige kruiden werden gezien zowel als de geslachtsorganen. (57) Van dat zaad van seksuele voortplanting vond de goddelijkheid over de wateren zijn plaats en manifesteerde zich een anus met daaropvolgend het vermogen zich te ontlasten, waarna er de [god van de] dood kwam die in de gehele wereld in angst verzet. (58) Eveneens manifesteerden zich twee handen met naar hun macht het vermogen naar eigen goeddunken te handelen [Heer Indra]. Van de manifestatie van de twee voeten werd de voortgang gezien, waarnaar men toen tot het besef van de Heer [Vishnu] kwam. (59 - 60) Van het gevierde persoonlijke toonden zich de aderen en de bloedsomloop daarnaar. Naar hen worden de rivieren waargenomen. Vervolgens manifesteerde zich een maag waarvan zich honger en dorst voordeed. In navolging daarvan zag men de oceaan. Uit het verschijnen van een hart kwam toen het denken voort. (61) Uit het denken kwam toen naar de intelligentie de maan [Candra] in het zicht en van die intelligentie zag men de Heer van de spraak [Brahmâ] tegemoet. Het zich identificeren met de materie gaf toen de verschijning van Rudra [S'iva], de godheid heersend over het bewustzijn.

(62) Al deze vormen van goddelijkheid die hun bestaan vonden waren in het geheel niet in staat de Oorspronkelijke Persoon der viering in beweging te brengen en om die reden drongen ze door tot de bron van hun ontstaan teneinde Hem de een na de ander op te wekken. (63) De goddelijkheid van het vuur der spijsvertering vestigde zich voor de mond, maar mislukte erin de Gevierde op te wekken. Het goddelijke van de wind vestigde zich voor de reukzin van de neusgaten, maar kon toen niet de Oorspronkelijke naar voren roepen. (64) Het goddelijke van het licht voor Zijn twee ogen kon de Authentieke niet teweegbrengen en met het goddelijke van het zich oriënteren door middel van de hoorzin met Zijn twee oren werd het Grote van de Persoon ook niet tot leven gewekt. (65) Het goddelijke van de huid, met haar begroeiing en zegen aan kruiden, kon niet de gevierde Persoon naar boven brengen en de goddelijkheid van het water kon, met de voortplanting met behulp van de geslachtsorganen, de Grote Persoon ook niet in beweging krijgen. (66) Met het vermogen zich te ontlasten kon de god van de Dood bij Zijn anus de Kosmische Ene niet in gang krijgen en zelfs de twee handen van Heer Indra met hun macht van beheersen konden de manier niet vinden om de Meester van de Macht toen op te wekken. (67) Vishnu met de macht der voortgang was met zijn twee voeten niet in staat de Grote Volledigheid tot actie te bewegen en daadwerkelijk was het goddelijke van de stroom der rivieren naar Zijn bloedvaten met het bloed en de macht van de circulatie toen ook niet in staat de Gevierde Persoon te bewegen. (68) De oceaan volgend samen met de honger en de dorst kon naar Zijn buik de Grote persoon niet in gang zetten en het hart met de geest naar de goddelijkheid van de maan mislukte er toen ook in de Enige Ware op te wekken. (69) Ook Brahmâ ging Zijn hart binnen met intelligentie, maar wekte de Gevierde Persoon niet op, alsook Heer S'iva, die er niet toe in staat was het volledige van de purusha op te wekken met het ego naar Zijn hart. (70) Maar toen de goddelijkheid die met de rede heerst over het bewustzijn het hart binnenging als de kenner van het veld, rees op dat moment het Kosmisch Wezen op uit de causale wateren. (71) Het is als met een man die slaapt waarvan de levensadem, de werkende en kennende zinnen, zijn denken en zijn overwegen, uit eigen beweging niet zonder Hem in gang komen. (72) Daarom behoort degene die de yoga in de praktijk brengt, met behulp van spirituele kennis, onthechting en toewijding, zorgvuldig de gedachte aan Hem, de Superziel, aanwezig in hemzelf in overweging te nemen.

 

Hoofdstuk 27

Het Begrijpen van de Materiële Natuur

(1) De allerhoogste Heer [als Kapila] zei: 'Als men niet van verandering is, geen eigendomsrechten claimt, is het levend wezen, hoewel verblijvend in een materieel lichaam, niet aangedaan door de geaardheden van de materiële natuur; net als met de zon, die onberoerd blijft bij zijn weerspiegeling in water. (2) Als dit zelfde levende wezen in beslag wordt genomen door vals ego in de geaardheden der materiële natuur, is de individuele ziel begoocheld en denkt hij aldus: 'Ik ben degene die handelt'. (3) Vanwege verkeerde handelingen, volgend op deze associatie met de materiële natuur, ondergaat hij hierdoor hulpeloos de gang van herhaalde geboorte en dood in onvrede, ter wereld komend uit verschillende baarmoeders [of levensvormen], met het leiden van een goed of een slecht leven of een combinatie van dezen. (4) Alhoewel hij eigenlijk bij niets anders bestaat dan bij de genade van de ware oorzaak, houdt het - het zich bezinnen op het objectieve van het materiële bestaan van het levend wezen - niet op te bestaan en belandt hij aldus, zoals met een droom, in teleurstellingen. (5) Daarom moet het denken van gehechtheid aan materieel plezier geleidelijk aan onder controle worden gebracht door toegewijde dienst op het pad van stringente onthechting. (6) Beginnende met yama [hetgeen de grote gelofte van de yoga inhoudt van geweldloosheid, waarheid, niet-stelen, celibaat en een afwezigheid van bezitsdrang in de praktijk der onthechting], zal hij standvastig zijn door het yoga-systeem, met een groot geloof in de zuivere dienst aan Mij en met het luisteren naar de verhalen. (7) Met het gelijkmoedig, zonder vijandschap bezien van alle levende wezens zonder er intieme betrekkingen op na te houden, celibatair en in stilte levend, offert hij de resultaten van zijn arbeid. (8) Tevreden met wat zonder moeite komt, weinig etend en bedachtzaam levend in afzondering, is hij vredig, aardig, meedogend en zelfgerealiseerd. (9) Niet in navolging levend van het fysieke begrip van het leven in het zich verhouden tot anderen en in het omgaan met zijn eigen lichaam, ziet hij, door spirituele kennis, de feitelijke waarheid in van het materiële en het persoonlijke. (10) Met de intelligentie voor materiële zaken in vrede en met het zich verre houden van andere levensopvattingen, realiseert hij zich de ziel vanbinnen als had hij de zon zelve voor ogen. (11) Hij realiseert zich het gebonden zijn aan de waarheid, het oog voor het illusoire der materie, als iets dat transcendentaal is, dat zich openbaart als een weerspiegeling in het onware en als iets unieks dat in alles is binnengegaan. (12) Het is als de zon boven het water en in de lucht, die wordt gezien als een weerspiegeling op het water of op de muur. (13) Aldus wordt door de weerspiegeling van het ware in het drievoudige van het materieel geïdentificeerde ego dat bestaat uit het denken, het lichaam en de zinnen, het ware van het zelf ontdekt. (14) De elementen der materie, de objecten van het materieel genoegen, de materiële zinnen, de geest, de intelligentie enzovoorts, die hier als in de slaap zijn samengesmolten in het onware, zijn daar in de ontwaakte toestand bevrijd van het egoïstische. (15) Hoewel hij niet verloren is, denkt hij ten onrechte dat hij verloren is, omdat hij als getuige, net zoals iemand die zijn rijkdom kwijt is, van streek is door het verliezen van zijn zelfbewustzijn. (16) Tot begrip hiervan komend, realiseert die persoon zichzelf als iemand die zijn eigen individualiteit tentoonspreidt en ziet hij in wat hij accepteerde van de situatie onder het valse van het ego.'

(17) Devahûti zei: 'Beste brahmaan, is het niet zo dat de materiële natuur nooit de ziel zal laten gaan daar de twee voor altijd tot elkaar zijn aangetrokken, o Allerbeste? (18) Zoals we ook niet het afzonderlijk bestaan kennen van het aroma en de aarde of van water en smaak, zo ook is het met de intelligentie en het bewustzijn. (19) Hoe kan hiervan dan het vrij zijn van de materiële natuur van de ziel bestaan, die inactief zijnde met die geaardheden bestaand, is gebonden aan het karma veroorzaakt door het samengaan ermee? (20) De grote angst die in een bepaald geval wordt vermeden door na te denken over de werkelijkheid, treedt weer opnieuw naar voren, aangezien de oorzaak niet ophield te bestaan.'

(21) De Opperheer zei: '[De vrijheid zal worden gerealisee rd,] als met een zuivere geest serieus jegens Mij en voor een lange tijd over Mij vernemend, men in toegewijde dienst zijn plichten doet zonder te verlangen naar de vruchten ervan. (22) Middels de spirituele kennis met de visie van het Absolute van de Waarheid, is men, door de yoga onthecht en sterk verbonden in de boetedoening, hecht verankerd in het verzonken zijn in de ziel. (23) In zijn materiële bestaan wordt een levend wezen dag en nacht opgebrand, geleidelijk aan verdwijnend zoals houtjes dat doen met het optreden van vuur. (24) Het genoegen opgevend dat hij smaakte [in de materie] staat hij voor zijn eigen heerlijkheid, het verkeerde inziend van steeds te willen genieten en de schade te ondervinden in die afhankelijkheid. (25) Zoals daadwerkelijk met iemand die slaapt met een droom die vele kwade dingen met zich meebrengt, kan diezelfde droom echter zeker niet hem begoochelen die ontwaakt is. (26) Zodoende kan iemand die de Absolute Waarheid kent van de materiële natuur in het zich concentreren van zijn geest op Mij, als Hij die zich altijd verheugt in de ziel, geen schade worden berokkend. (27) Als hij aldus voor vele jaren en vele geboorten bezig is met zelfverwerkelijking, wordt hij in ieder opzicht, tot aan de hoogste geestelijke positie [van satyaloka], een onthecht en bedachtzaam persoon. (28-29) Mijn toegewijde, onder Mijn hoede, realiseert door Mijn onbegrensde genade, voor het goed van de intelligentie, het uiteindelijk doel van wat kaivalya [verlichting, emancipatie] wordt genoemd, in dit leven een waarlijk stabiele zelfkennis en vrijheid van vertwijfeling bereikend. Vertrokken naar die verblijfplaats keert de yogi, na afscheid te hebben genomen van de subtiele en grofstoffelijke lichamelijkheid, nooit weer terug. (30) Als de aandacht van de vervolmaakte yogi verder niet uitgaat naar de speciale verworvenheden van de yoga, mijn beste moeder, dan zal, geen ander doel voor ogen hebbend, zijn voortgang naar Mij nooit onderbroken worden, daar hij daarin niet de macht van de dood zal aantreffen.'

 

Hoofdstuk 28

Kapila's Instructies over de Uitvoeringspraktijk

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal u nu, o dochter van de koning, het oorspronkelijke van het yoga-systeem uiteenzetten, met de praktijk waarvan het denken voorzeker vervuld zal raken van vreugde en men het pad van de Absolute Waarheid zal bereiken. (2) Men behoort met het zo goed mogelijk naleven van de eigen verplichtingen en het vermijden van verplichtingen die zijn bedoeld voor anderen, zijn leven te richten naar de voeten van de geestelijk leraar [de zelf-verwerkelijkte ziel] in tevredenheid over dat wat bereikt is. (3) Met het ophouden met de gebruikelijke verplichtingen en in aantrekking tot de rechtgeaarde plichten der verlossing, weinig en zuiver etend, altijd in afzondering levend, is men dan op zijn gemak. (4) Geweldloos, waarheidlievend en vrij van onrechtmatige toeëigening, slechts in bezit van zoveel als men nodig heeft, in celibaat en verzaking, rein en met het bestuderen van de Veda's, behoort men de Oorspronkelijke Persoonlijkheid te eren. (5) In stilte met het goede van het standvastig zijn in de beheersing van yogahoudingen en de levensadem, zich geleidelijk terugtrekkend van de voorwerpen van de zintuigen, moet men zijn geest naar het hart richten. (6) Met de levensadem gefixeerd in het eigen centrum, met een eenpuntige geest zich concentrerend op het reilen en zeilen van [de Heer van] Vaikunthha, is men door de ziel aldus verzonken [in samâdhi]. (7) Bij deze en andere processen moet de besmette geest op het pad van het materieel genieten geleidelijk aan worden beheerst met intelligentie, daadwerkelijk alert zijnde in het fixeren van de ademhaling. (8) Dit moet men doen nadat men plaats heeft genomen op een gewijde plek met het beoefenen van de yogahoudingen, aldaar het lichaam op een makkelijke manier overeind houdend. (9) De instroom van de levensadem vrijmakend behoort men in te ademen, de adem vast te houden en weer uit te ademen of andersom, zodat het denken stabiel wordt en vrij van wisselingen. (10) De geest van de yogi in een dergelijke zelfbeheersing kan spoedig vrij zijn van verstoringen, precies zoals goud in het vuur met lucht aangewakkerd waarlijk snel gezuiverd raakt. (11) Door adembeheersing verdrijft men besmettingen, door zich naar binnen te keren neemt het nadenken over het materiële af, door het denken te concentreren komt men de zonde te boven en door meditatie rijst men uit boven de macht van de geaardheden der natuur.

(12) Als het eigen denken gezuiverd is en beheerst wordt door de yogapraktijk, behoort men te mediteren op de Allerhoogste Heer Zijn gedaante en tijdmaat [een mechanische of een waterklok gefixeerd op het hoogste punt van de zon met de verdeling van de tijd overeenkomstig het Bhâgavatam], kijkend naar de punt van de neus. (13) Zijn knots, schelphoorn en werpschijf dragend, met roodachtige ogen die eruitzien als de binnenkant van een lotus en een donkere huidskleur gelijk de bloembladen van een blauwe lotus, heeft Hij een opgewekte lotusgelijke gelaatsuitdrukking. (14) Met gele zijden kleding die eruitziet als de meeldraden van een lotus, draagt hij het S'rîvatsa-teken [een paar witte haren] op Zijn borst, en draagt Hij het schitterende Kaustubha-juweel om Zijn nek. (15-16) Er is een slinger van woudbloemen zoemend van de dronken hommels, een halsketting van onschatbare waarde, zowel als armbanden, een kroon, polsbanden, enkelbanden en een gordel van de fijnste kwaliteit om Zijn middel; Hij die zetelt in de lotus van het hart is hoogst bekoorlijk om te zien, sereen voor de geest en een lust voor het oog. (17) Voor de mensen van overal is Hij altijd zeer mooi en aanbiddelijk in de bloei van de jeugd van een jongen, begerig Zijn zegen uit te spreken over degene die offers brengt. (18) Men moet mediteren op alle delen van de Godheid, de glorie versterkend door de verzen van de toegewijden over Zijn grootheid te zingen, tot de geest het opgeeft af te dwalen. (19) Men behoort in zijn denken uit te zien naar de zuivere aard van de tijd dat men staat, zich rondbeweegt, neerzit en zich te ruste legt met de wonderschone Heer die verblijft in het hart. (20) Met het denken gefixeerd op de gedaante waarbij men zich heeft vergewist van al de ledematen in de concentratie, moet hij die zich zo bezint, acht slaan op ieder afzonderlijk onderdeel van de Heer. (21) Men moet aandacht besteden aan de lotusvoeten van de Heer die versierd zijn met de merktekens van de bliksemschicht, de drijfstok voor olifanten, de banier en de lotus en zich bewust zijn van de in het oog springende schittering van Zijn rode nagels die de pracht kennen van de sikkel van de maan welke de hechte duisternis van het hart verdreef. (22) Van het water van de Ganges dat van Zijn voeten wegstroomt, is het heilige geboren op het hoofd van S'iva, dat van de mediterende het gunstige werd dat als een bliksemschicht werd uitgeworpen naar zijn berg van zonde; voor een lange tijd behoort men zo te mediteren op de Heer Zijn voeten.

(23) Tot Zijn knieën moet men mediteren op de Godin van het Fortuin, Lakshmî, de lotusogige moeder van het gehele universum van Brahmâ die door alle goddelijken wordt aanbeden en die met haar zorgzame vingers de onderbenen masseert van de Almachtige Heer transcendentaal aan het materieel bestaan. (24) Eveneens moet men dan mediteren op Zijn twee benen, die op de schouders van Garuda staan, waar alle energie in huist en die zich naar beneden uitstrekken met de luister van de [blauw-witte] lijnzaadbloem, zowel als op de ronding van Zijn heupen in de uitgelezen gele stof, met de gordel daar omheen. (25) Dan mediteert men op de uitgestrektheid van Zijn navel, welke de bestaansgrond vormt van al de werelden zich bevindend in Zijn onderbuik, van waaruit de lotus ontsprong die de verblijfplaats is van de zelfgeborene [Brahmâ] die alle bestaande planetenstelsels omvat. Men moet mediteren op het meest delicate van de twee tepels van de Heer die als smaragden zijn in het witte licht van de paarlen van Zijn halssnoer. (26) De borst van de Heer der Wijsheid waar Mahâ-Lakshmî haar verblijf heeft, vergunt de geest en ogen der mensen al het bovenzinnelijk genoegen. Men moet in zijn denken ook mediteren op de hals van degene die door het hele universum wordt bewonderd, welke de schoonheid verhoogt van het Kaustubha juweel. (27) Op de armen met hun opsmuk die gepolijst is door het ronddraaien van de berg Mandara en waar de heersers van het universum hun oorsprong vinden, behoort men eveneens te mediteren alsook op de oogverblindende schittering van de Sudars'ana werpschijf [met zijn duizend spaken] en de zwaangelijke schelphoorn in de lotushand van de Heer. (28) Men moet zich de strijdknots van de Allerhoogste Heer heugen, die de naam Kaumodakî draagt en Hem zeer dierbaar is, besmeurd als Hij is met het bloed van de soldaten van de vijand; de bloemslinger die gonst van het gezoem van de hommels eromheen, en het halssnoer van parels om Zijn nek dat het principe vertegenwoordigt van het zuivere levende wezen [de toegewijde]. (29) Men moet mediteren op het lotusgelijke voorkomen van de Opperheer dat staat voor de verschillende gedaanten die Hij aannam in deze wereld uit mededogen voor de toegewijden en op de glinsterende krokodilvormige oorhangers die weerspiegelend Zijn vooruitstekende neus en Zijn wangen kristalhelder belichten. (30) Vervolgens mediteert men aandachtig met het geestesoog gericht op de gratie van Zijn gezicht dat opgesierd is met veel krullend haar, Zijn lotusogen en dansende wenkbrauwen, die een lotus omringd door bijen en een paar zwemmende vissen zouden beschamen. (31) Hij die van toewijding is, moet vanbinnenuit zijn hart een langere tijd, vol van devotie, mediteren op de veelvuldige blikken van medeleven van Zijn ogen, die het meest beangstigende van de drie vormen van ellende [door eigen toedoen, door anderen en door de materiële natuur veroorzaakt] verzachten en welke worden vergezeld door de overdaad van de volle genade van Zijn liefhebbende glimlachen. (32) De glimlach van de Heer doet de oceaan van tranen opdrogen van alle personen die zich voor Hem verbogen en de bogen van Zijn wenkbrauwen, hoogst begunstigend door Zijn innerlijk vermogen, zijn gemanifesteerd om, ter bescherming van alle wijzen, de bekoring van de God der Seksualiteit te zijn. (33) Gemakkelijk te mediteren is het overdadige lachen van Zijn lippen, die de pracht toont van Zijn kleine tanden die gelijk een rij jasmijnknoppen zijn. In het diepst van het hart moet men mediteren om de geest op Hem vast te leggen, vanwege de toewijding voor Vishnu verzonken in liefde voor Hem die daar verblijft, het niet wensend iets anders te zien.

(34) Van de zuivere liefde aldus door devotie ontwikkeld jegens Hari, de Allerhoogste Heer, is men in het smelten van zijn hart voortdurend aangedaan, waarbij de haren overeind staan van het extreme genoegen en er een stroom van tranen is uit intense liefde, op zo'n manier, dat met name het denken, alsof het aan de haak is geslagen, zich geleidelijk aan terugtrekt. (35) Vanaf het moment dat de geest zich in de bevrijde positie bevindt, wordt die terstond onverschillig en dooft hij uit in onthechting van de zinsobjecten; gelijk een vlam is de persoon met een dergelijke geest op dat ogenblik niet langer afgescheiden [van het 'grote vuur'] van de Superziel en geniet hij de verlossing vrij van de dynamiek van de geaardheden van de materiële natuur. (36) Zich bevindend in zijn uiteindelijke heerlijkheid door het stoppen van de op de materie reagerende geest, ziet hij hiertoe bovendien in het uitstijgen boven het geluk en het leed, dat zowaar de oorzaak van het plezier en de pijn ligt in de onwetendheid van het zich in ego valselijk identificeren, waarin hij aan zichzelf toeschreef wat nu wordt gerealiseerd als de vorm en de tijdmaat [de kâshthha] van de Superziel [het gelokaliseerd aspect van de Heer]. (37) En wat betreft het lichaam heeft de vervolmaakte ziel er geen notie van dat dat niet zou voortbestaan, er zou blijven of geboorte zou nemen omdat hij zijn voorbestemde ware identiteit bereikt heeft; zoals dat het geval is met iemand die beschonken verblind is en niet beseft of hij nu wel of geen kleren aan zijn lijf heeft. (38) Zo zijn er dan de activiteiten van het lichaam die, bestuurd door het Goddelijke, zich voortzetten voor de duur van hun geplande handelingen; omdat voorzeker dan het lichaam, tezamen met de zinnen en de bijproducten van de yoga, zich bevindt in de verzonkenheid waarvan hij, die ontwaakt is wat betreft zijn wezensstaat, dat lichaam als uit een droom voortgekomen niet als het zijne aanvaard. (39) Zo goed als een sterfelijk mens wordt begrepen als zijnde verschillend van de zoon en de weelde [die hij heeft] ondanks zijn natuurlijke voorliefde voor hen, verschilt dienovereenkomstig de persoon in zijn oorspronkelijke aard van zijn lichaam, zinnen, geest en dergelijke, ondanks zijn identificatie met hen. (40) Hoewel zowel door de vlammen, de vonken ervan of door de rook een vuur nauw met zichzelf is verbonden, verschilt het in de manier waarop het opvlamt. (41) De elementen, de zinnen, de geest en de primaire natuur [zie 3-26: 10] van de individuele ziel, verschillen zo ook van de waarnemer, die de Allerhoogste Heer is die wordt gekend als de spirituele volkomenheid [brahman]. (42) De ziel in al het gemanifesteerde en al het gemanifesteerde in de ziel ziend, behoort men met een gelijke blik alles wat zich gemanifesteerd heeft te beschouwen als zijnde van dezelfde aard. (43) Zoals het ene van het vuur zich verschillend manifesteert in verschillende soorten hout, zo ook heeft de geestelijke ziel verschillende geboorten onder verschillende natuurlijke omstandigheden met haar positie in de materiële natuur. (44) Na aldus de moeilijk te overwinnen werking van oorzaak en gevolg van de eigen materiële energie te hebben overwonnen, blijft men dan in de bovenzinnelijke positie.'

 

Hoofdstuk 29

De Uitleg van Kapila over Toegewijde Dienst

(1-2) Devahûti zei: 'De volledige werkelijkheid van de materiële en persoonlijke natuur is beschreven. Hun werkelijke aard werd in analytische termen uiteengezet. Alstublieft beste meester, verschaf me nu uitvoerig uitleg over het pad van bhakti-yoga, dat men ziet als de uiteindelijke bedoeling ervan. (3) Lieve Heer, geef, voor mij en de mensen in het algemeen, de beschrijving van de veelvormige herhaling van geboorte en dood, waarmee een persoon volledig onthecht kan raken. (4) En oh, wat over de Eeuwige Tijd, die gedaante die, de Allerhoogste Heerser vertegenwoordigend, van Uw natuur de leiding heeft over alle andere heersers en onder de invloed waarvan de mensen in het algemeen zich vroom gedragen? (5) Met de intelligentie aangaande de materiële handelingen, die de aangetrokken levende wezens begoochelt met vals ego en ze - voor lange tijd verblindend - zonder toevlucht vermoeid in het duister laat, bent U daadwerkelijk verschenen als de zon van het yogasysteem.'

(6) Maitreya zei: 'De woorden van Zijn moeder verwelkomend, o beste der Kuru's, zei de grote en vriendelijke wijze, verheugd en bewogen door mededogen, het volgende. (7) De Allerhoogste Heer zei: 'Toewijding in de yoga, zo verschillend in haar verschijningsvormen, kent vele wegen, o nobele dame, die de manier laten zien waarop mensen naar gelang hun natuurlijke kwaliteiten hun eigen weg volgen. (8) Wat uit liefde voor Mij hij ook moge doen, die van geweld, trots en afgunst is of in waarheid kwaad is als een zonderling, wordt beschouwd van de geaardheid onwetendheid te zijn. (9) Hij in aanbidding tot Mij die uit is op materiële zaken, roem en weelde, moge de beeltenissen aanbidden; hij in zijn voorkeur om er tegenin te gaan, verkeert in de geaardheid hartstocht. (10) Als men jegens het Allerhoogste handelt met de bedoeling zich los te maken van vruchtdragende handelingen of de resultaten te offeren, moge men aanbidden, als zodanig zijn aanbeden, of een andere overtuiging zijn toegedaan; zo een iemand verkeert in goedheid. (11-12) Enkel horend over Mijn bovenzinnelijke kwaliteiten, heeft men jegens Mij, die verblijft in ieders hart, de continuering op de weg van het hart, zoals het water van de Ganges dat naar de zee vloeit. De manifestatie van de onvermengde yoga van toewijding waarlijk tentoongespreid zonder zich af te scheiden en zonder nevenmotieven, is de toewijding die is gericht op de Allerhoogste Persoonlijkheid. (13) Zonder Mij van dienst te zijn, zullen zuivere toegewijden nog niet eens als hen dit wordt aangeboden, het aanvaarden om te leven op dezelfde planeet, dezelfde weelde te genieten, persoonlijke omgang te hebben, dezelfde lichaamskenmerken te hebben of in eenheid te verkeren [de vijf vormen van bevrijding genaamd sâlokya, sârshthi, sâmîpya, sârûpya en ekatva]. (14) Waarlijk wordt deze toewijding in de yoga, zoals Ik die uit heb gelegd, het hoogste platform genoemd, waarmee men, de drie geaardheden te boven komend, reikt tot Mijn bovenzinnelijke natuur. (15) De eigen plicht gedaan zonder gehechtheid aan de resultaten is zegerijk in het doen van yoga en goedgunstig van regelmatige uitoefening zijnd zonder onnodig geweld. (16) Met achting voor het zegenrijke van Mij, in contact met het ritueel wat betreft Mijn gedaante, in lofprijzing en met het bieden van eerbetuigingen en over Mij denkend als aanwezig in alle levende wezens, leeft men met de geaardheid goedheid en in onthechting. (17) Door zins-beheersing en de juiste regulering [yama en niyama, wat men niet en wel doet in de yoga] is men van het grootste respect voor de grote zielen, mededogend met de armen en voorzeker een vriend met zijns gelijken. (18) Van het vernemen over spirituele zaken en door het zingen van Mijn heilige namen is men, recht door zee en van beschaafd gezelschap, aldus zonder vals ego. (19) Van een persoon raakt, met deze kwaliteiten van de plichtsbetrachting jegens Mij, het bewustzijn volledig gezuiverd; zonder twijfel reikt hij, met het vernemen over Mijn uitnemendheid, terstond tot Mij. (20) Zoals de manier waarop de reukzin het aroma opvangt als het via de lucht wordt meegevoerd vanaf zijn oorsprong, zo ook krijgt het bewustzijn via de yoga lucht van de Opperziel die onveranderlijk is.

(21) Een sterfelijk mens die steeds zonder respect leeft voor Mij, de Superziel die zich bevindt in ieder levend wezen, is, met het aanbidden van de beeltenis, enkel aan het imiteren. (22) Iemand die de beeltenis aanbidt en Mij niet respecteert als de Hoogste Heerser en Superziel aanwezig in alle wezens, is uit onwetendheid alleen maar bezig met het brengen van offers in de as. (23) Hij die Mij zijn respect betoont in afgunst op de aanwezigheid van anderen, leeft vijandig in oppositie met anderen en zal nooit een geest bereiken die in vrede is. (24) O zondeloze, Ik ben er zeker niet mee behaagd als zij, die erin geslaagd zijn Mij in de vorm van Mijn beeltenis met alle toebehoren te aanbidden, geen respect hebben voor andere levende wezens. (25) Men behoort te beginnen met de aanbidding van de beeltenis van Mij, de Allerhoogste Heerser, voor zolang men zijn voorgeschreven plichten niet vervuld, totdat men inziet dat Ik verblijf in het eigen hart en in het hart van allen. (26) Bij hen die discrimineren tussen zichzelf en een ander, er een andere kijk op nahoudend wat betreft het lichaam, zal Ik, als de dood, grote angst veroorzaken. (27) Daarom moet men, door liefdadigheid en respect en in vriendschap elkaar beziend als gelijken, Mij als verblijvend in het Zelf van alle schepselen gunstig stemmen.

(28) Levende wezens zijn waarlijk beter dan levenloze voorwerpen, beter dan bestaansvormen met levenstekenen, o gezegende, zijn bestaansvormen met een ontwikkeld bewustzijn en beter dan hen zijn zij die ontwikkelde zintuigen hebben. (29) Daarenboven, zijn zij die ontvankelijk zijn voor smaak beter dan zij die op aanraking uit zijn en beter dan zij zijn degenen die ten gunste van de reuk zijn; daarvan zijn weer beter zij die ontvankelijk zijn voor geluid. (30) Beter dan zij zijn degenen die ontvankelijk zijn voor verschillende verschijningsvormen en beter dan zij zijn zij die tanden hebben in beide kaken. Van hen zijn zij die meerdere ledematen hebben de betere. Van hen zijn de vierbenigen de beteren en beter dan hen zijn de tweebenigen [de menselijke wezens]. (31) Onder hen is een samenleving met vier klassen de betere en daarvan is de brahmaan de beste. Daarenboven is onder de brahmanen voorzeker hij die kennis heeft van de Veda's de beste en beter dan hij is degene die van de bedoeling ervan op de hoogte is [het absolute van de waarheid te kennen in drie fasen: brahman, paramâtmâ en bhagavân]. (32) Beter dan degene die weet heeft van de bedoeling is degene die een einde maakt aan alle twijfels en beter dan hij is degene die de voor hem vastgestelde plichten doet. Van degenen die daarmee vrij zijn van wereldse gehechtheid is de rechtgeaarde die het niet voor zichzelf doet de beste. (33) Daarom ken ik geen persoon die groter is dan hij die met een toegewijde geest al zijn handelingen, rijkdom en leven zonder enige reserve aan Mij heeft opgedragen, tewerkgaand zonder ergens anders belang in te stellen en zonder zich af te scheiden. (34) Bedachtzaam betoont zo'n iemand respect voor al deze levende wezens, op die manier de Allerhoogste Heer, de Heerser over de individuele ziel, beschouwend als in hen binnengegaan middels Zijn expansie van de Superziel [het paramâtmâ]. (35) Door elk van de twee van toegewijde dienst en de yoga die Ik beschreef, o dochter van Manu, kan een persoon de Oorspronkelijke Persoon bereiken. (36) Deze gedaante van de Opperheer van brahman [de Allerhoogste Geest] en paramâtmâ [het gepersonaliseerde lokale aspect] is de transcendentale Oorspronkelijke Persoon van de primaire werkelijkheid [pradhâna], wiens handelingen allen van de geest zijn.

(37) De goddelijkheid van de tijd, als de oorzaak van de aldus bekende transformatie van de vormen van de levende wezens die hun oorsprong vinden in de Allerhoogste Geest, is de reden waarom al diegenen die zichzelf als afgescheiden beschouwen in angst leven. (38) Hij die vanbinnenuit al de levende wezens binnengaat, vernietigt met die levende wezens en ieders ondersteuning is; Hij is genaamd Vishnu, de genieter van alle offers die die tijdfactor, de meester aller meesters, is. (39) Er is niemand die Zijn voorkeur geniet, noch is Hij gebonden aan of afkerig van wie dan ook; Hij draagt zorg voor hen die aandachtig zijn en van onoplettende personen is Hij de vernietiger. (40-45) Voor wie bevreesd de wind waait, voor wie bevreesd deze zon schijnt, voor wie bevreesd de regens door de Godheid worden gezonden en uit vrees voor wie de hemellichamen aan de hemel stralen, vanwege wie de bomen en de klimplanten bevreesd zijn en de kruiden ieder op hun tijd bloemen dragen alsook de vruchten verschijnen, in vrees de rivieren stromen en de oceanen niet overstromen, vanwege wie het vuur brandt en de aarde met zijn bergen niet verzinkt uit vrees voor Hem, door wie de hemel lucht geeft aan hen die ademhalen en onder wiens heerschappij het geheel van het universum uitdijt tot de volledige werkelijkheid [mahat-tattva] met haar zeven lagen [de zeven kos'a's of ook dvîpa's met hun bewustzijnstoestanden op het niveau van het fysieke, fysiologische, psychologische, intellectuele, het gelukzalige, het gewaar zijn en het ware zelf], uit vrees voor wie de goden die zorg dragen voor de geaardheden der natuur van deze wereld wat betreft de aangelegenheden van de schepping hun functies uitoefenen naar gelang de yuga's [zie 3-11], onder wiens gezag al dit levende en levenloze staat; die oneindige uiteindelijke beheerser van de Tijd die zonder een begin is, is de onveranderlijke Schepper die mensen vormt uit mensen en de heerschappij van de dood beëindigt middels de dood.'

 

Hoofdstuk 30 

Heer Kapila Beschrijft de Nadelige Gevolgen van Vruchtdragende Handelingen

(1) Kapila zei: 'Ondanks de grote kracht ervan zijn de mensen niet bekend met de tijdfactor en worden ze erdoor meegevoerd, precies zoals een wolkenmassa door de wind. (2) Welke goederen men ook met moeite vergaarde voor zijn levensgeluk; het is precies dat wat door de Opperheer wordt vernietigd en daarover treurt de persoon. (3) Uit onwetendheid denkt hij verdwaasd dat het tijdelijke van het hebben van een thuis, een land en weelde in relatie tot het lichaam, iets van blijvende waarde zou zijn. (4) Zeker vindt het levend wezen bevrediging in dat wereldse bestaan, niet afkerig zijnd van wat dan ook van de soort waartoe hij moge behoren. (5) Zelfs in de hel verkerend wenst een persoon, die in waarheid begoocheld is over de Godheid, het waarachtig niet om afscheid te nemen van zijn helse genoegens. (6) Met dit lichaam, zijn vrouw, kinderen, thuis, dieren, weelde en vriendschappen diep geworteld in zijn hart, denkt hij van zichzelf groots gepresteerd te hebben. (7) Brandend van de zorgen over het onderhouden van al het familiale hem zo dierbaar, verkeert hij voortdurend in zonde en gedraagt hij zich met een slechte geest als een dwaas. (8) Hij verkeert in de illusie door de charme van het valse van het naar zijn zinnen zetten van zijn hart met het vertoon in privé van de vrouw en de lieve woorden van zijn kinderen. (9) Betrokken bij de huishoudelijke verplichtingen van het gezinsleven, dat aanleiding geeft tot allerlei soorten van ellende, heeft hij het er druk mee deze misère vol aandacht tegen te gaan en denkt hij dat dat hem als een huishouder gelukkig zal maken. (10) Met behulp van de weelde links en rechts met geweld vergaard, onderhoudt hij hen en daarvan etend, van het voedsel dat ze voor hem hebben overgehouden, gaat hij zelf tenonder. (11) Als hij, keer op keer dat betrachtend, het er moeilijk mee heeft om zijn beroep uit te oefenen, raakt hij die verlangde naar het welzijn van anderen, overweldigd door de begeerte, zelf geruïneerd. (12) Niet in staat zijn gezin te onderhouden treurt, verstoken van het geluk, de onfortuinlijke ellendig met zijn inspanningen vergeefs en verzucht hij met een geest vol van verbijstering.

(13) Er op die manier in mislukkend zijn vrouw enzovoorts te voeden, komt hij tot de ontdekking dat hij niet meer als weleer wordt gerespecteerd, zoals een oude os dat ervaart van zijn boer. (14) Terwijl er bij hem geen enkele tegenzin groeit hoewel hij zelf wordt onderhouden door hen die hij ooit onderhield, blijft hij, krom groeiend van de ouderdom, thuis om daar de dood af te wachten. (15) Aldaar verblijft hij als een troeteldier etend van wat hem achteloos wordt voorgezet, krijgt hij last van zijn spijsvertering, eet hij nog maar weinig en doet hij ook niet veel meer. (16) Door de druk vanbinnenuit puilen zijn ogen uit, hoest hij hard vanwege zijn met slijm verstopte luchtpijp en haalt hij met moeite adem, alleen nog maar 'ucha ucha' zeggend. (17) Neerliggend temidden van zijn treurende vrienden en verwanten is hij vertrokken, met de strop van de tijd om zijn nek, niet in staat tot spreken ook al is het er eigenlijk de tijd voor. (18) Zodoende heeft hij, door te vergroven in het onderhouden van zijn gezin, zijn denken en zijn zinnen niet onder controle en sterft hij in grote pijn, terwijl zijn familie erover staat te huilen dat hij zijn greep verliest. (19) Getuige van de komst van de boodschappers van de dood met hun verschrikkelijke ogen vol van wraak laat hij, met de schrik om het hart, zijn ontlasting en urine lopen. (20) Gelijk de soldaten van de koning leggen ze zijn lichaam lam als voor straf gebonden in touwen en verslepen ze hem met geweld als een misdadiger bij zijn nek over een grote afstand. (21) In zijn hart gebroken over hun bedreigende aanwezigheid, staat hij, overweldigd, te trillen op de weg, gebeten door de honden van het tot zijn ontzetting herinneren van zijn zonden. (22) Aangedaan door honger, dorst en de straling van verschroeiende bosbranden en winden op hete en zanderige wegen, voelt hij zich pijnlijk door een zweep op de rug geslagen, hoewel hij niet in staat is zich te bewegen en vindt hij geen toevlucht of water. (23) Langzaamaan uitgeput rakend, verliest hij zijn bewustzijn, schrikt hij weer wakker op de weg van zijn zonden en wordt hij weldra voor de eeuwige heerser over de dood geleid. (24) Binnen een uur of twee à drie ziet hij zijn hele leven aan zich voorbij trekken [hij legt een afstand van 'negenennegentigduizend yojana's' af], de vergelding vindend die hij verdient. (25) Dan bedolven onder brandhout wordt hij gecremeerd en ziet hij soms hoe hij wordt opgegeten alsof hij dat zelf doet of anders ziet hij hoe andere schepselen dat doen. (26) Hij er dan levendig getuige van hoe honden zijn ingewanden uit zijn lijf trekken op zijn laatste rustplaats alwaar slangen, schorpioenen en steekvliegen hem tot zijn afgrijzen belagen. (27) De een na de ander ziet hij zich van zijn ledematen gescheiden door grote en kleine dieren die hem uiteenscheuren, hem van grote hoogten neerwerpen of hem onder water of in holen sleuren. (28) De man of vrouw die werd bewogen door een losse omgang [illegitieme seks] ondergaat de vergelding in helse staten van woede, zelfvernietiging en begoocheling [tâmisra, andha tâmisra en raurava en dergelijke, zie 5.26].

(29) O moeder, omdat er alhier welzeker ook de helse straffen waar te nemen zijn, spreekt men van hemel en hel in deze wereld. (30) Hij die in het verloop van het onderhouden van zijn gezin enkel leefde voor zijn maag, zal, van hier vertrekkend, na de dood zichzelf zowel als zijn familie de gevolgen daarvan zien ondergaan. (31) Moederziel alleen zal hij de duisternis binnengaan na het achterlaten van dit voertuig van de tijd, de prijs betalend voor het leed dat hij anderen heeft berokkend in het onderhouden van zichzelf. (32) Door goddelijke voorbeschikking heeft de man die een gezin onderhoudt, net als iemand die al zijn fortuin heeft verloren, de helse conditie te ondergaan die hij verwerft als reactie op zijn slinkse daden. (33) Een persoon, volijverig in het onderhouden van zijn gezin, die dat doet door simpelweg goddeloos tewerk te gaan, gaat aldus naar de donkerste regionen van de zelfvernietiging. (34) Na vanaf de laagste positie in de juiste volgorde de vergelding en dergelijke te hebben doorlopen, mag hij, gezuiverd, opnieuw naar de wereld der mensen op deze planeet terugkeren.'

Hoofdstuk 31

Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Van het eigen karma en onder de leiding van het goddelijke gaat het levend wezen middels het deeltje van het zaad van een man de baarmoeder van een vrouw binnen om daar te verblijven voor het verkrijgen van een lichaam. (2) In de eerste nacht versmelt de zaadcel met de eicel, met de vijfde nacht is er een blaasje en in ongeveer tien dagen is het daarna als een pruim, een klompje vlees of een ei. (3) Binnen een maand verschijnt er een hoofd en na twee maanden vormen zich ledematen zoals de armen en de voeten; nagels, [het begin van] haar, beenderen, huid, voortplantingsorganen en de lichaamsopeningen maken hun opwachting binnen drie maanden. (4) In ongeveer vier maanden scheiden de zeven ingrediënten van het lichaam zich [de lichaamssappen en andere elementen], in vijf maanden doen zich gevoelens als honger en dorst voor en in zes maanden begint de foetus zich rechts rond te bewegen in het vruchtvlies [mannen rechts, vrouwen links zo wordt beweerd] (5) Van de voeding onttrokken aan de moeder, groeit het lichaam van de foetus daar in die onmogelijke holte blijvend, waar in de buurt ontlasting en urine een broedplaats voor bacteriën vormen. (6) Voortdurend smachtend naar voeding, wordt het, kwetsbaar als het is, geplaagd door onzuiverheden en heeft het zo over het hele lichaam in grote mate te lijden aldaar verblijvend, telkens weer het bewustzijn kwijtrakend. (7) Vanwege het bovenmatige bittere, hete, sterke, zoute, droge, zure etc. van het voedsel gegeten door de moeder, raakt het in alle ledematen aangedaan en lijdt het pijn. (8) Omsloten door het vruchtvlies, op die plaats omringd door de ingewanden, ligt het met het hoofd in de buik gebogen met een gekromde nek en rug. (9) Het is er als een vogel in een kooi die geen bewegingsvrijheid heeft en als het geluk heeft, herinnert het [de ziel] zich nog wat zich in al de honderden levens allemaal heeft voorgedaan, waarvan, zich een zo lange tijd heugend, het vermag te verzuchten, want welke vrede van geest kan het dan bereiken? (10) Vanaf de zevende maand begiftigd met bewustzijn wordt het door de druk van de baarmoeder echter naar beneden gedrongen, niet in staat daar nog langer te verblijven, precies als de worm die uit dezelfde buik afkomstig is.

(11) Het bange levend wezen gebonden aan zijn zeven ingrediënten [nagels, huid, bloed, vlees, vet, gebeente en merg], doet dan in zwakte, met gevouwen handen en woorden van gebed een beroep op de Heer die het in de baarmoeder plaatste. (12) De menselijke ziel zegt: 'Moge Hij me beschermen die het hele universum beschermt in het aannemen van verschillende gedaanten, deze aarde met Zijn Lotusvoeten betredend - laat mij mijn toevlucht zoeken bij die bescherming die mijn angsten zal wegnemen; bij Hem die vond dat het deze onware omstandigheid was wat ik verdiende. (13) Ik, de zuivere ziel, overdekt door het grofstoffelijke, bestaande uit de elementen, de zinnen en het denken, is in zijn gebondenheid aan zijn activiteiten in deze staat van begoocheling [mâyâ] vervallen. Laat me mijn eerbetuigingen brengen opdat ik vast moge houden aan de volledig zuivere Onveranderlijke van onbegrensde kennis die in het hart van de boetvaardige verblijft. (14) Ik, er niet voor geschikt, afgescheiden door de overdekking van dit materiële lichaam gevormd uit de vijf elementen met haar zinnen, materiële voorkeuren, zinsobjecten en ego, biedt U, de Allerhoogste Persoon transcendentaal aan de materiële natuur en haar levende wezens, wiens heerlijkheden niet verduisterd zijn door een materieel lichaam, mijn eerbetuigingen. (15) Door de begoochelende kwaliteit van Uw uiterlijke verschijning is dit lichaam, door de geaardheden en het karma, eraan gebonden in herhaaldelijke geboorte en dood rond te dolen op haar weg, aanzienlijk lijdend met een bedorven geheugen; moge wederom dit levend wezen Uw ware natuur inzien. Hoe zou men de goddelijke genade anders vinden? (16) Wie anders dan Uwe Goddelijkheid, die als een gedeeltelijke representatie verblijft in zowel het levende als het levenloze, zou de kennis van verleden, heden en toekomst verschaffen? Aan U, die door de levende wezens wordt gezocht op het pad der vruchtdragende activiteiten voor het zich bevrijden uit de drievoudige misère [veroorzaakt door jezelf, de natuur en de anderen], moeten wij ons overgeven. (17) Belichaamd vanbinnen de onderbuik van een ander lichaam; beland in een poel van bloed, ontlasting en urine en sterk geschroeid door het vuur der spijsvertering, verlangt dit lichaam er vanuit die plaats naar om naar buiten te komen, zijn maanden tellend van wanneer het als een persoon van slechts een miserabele intelligentie, zal worden bevrijd, o Heer. (18) Als iemand van slechts tien maanden oud werd ik door U, o Heer zo vol van genade, opgewekt. Wat kan ik anders doen dan te bidden met gevouwen handen om in wederkeer mijn dank te betuigen voor die onvergelijkelijke genade van daadwerkelijk U alleen die de toevlucht bent van hen die ten val kwamen? (19) Dit levend wezen kan alleen van zijn gebondenheid aan de zeven lagen van materie [23.29: 40-45]zien wat aangenaam en onaangenaam is, maar toegerust met een ander lichaam van zelfbeheersing binnen mezelf, ben ik werkelijk in staat om U, de oudste van het persoonlijke van mij, de leiding vanbinnenuit, te zien als verblijvend in het hart zowel als daarbuiten. (20) Hoewel ikzelf, o Almachtige, leven moetend met de vele ellende buiten deze buik, het niet wens afscheid te nemen om te belanden in die valkuil, zal ik hebben te leven overeenkomstig de valse vereenzelviging van deze voortdurende kringloop van geboorte en dood waarin degene die daar naar toegaat bevangen raakt door Uw mâyâ. (21) Derhalve zal ik daadwerkelijk nogmaals, niet langer van streek, mezelf snel uit de duisternis bevrijden, met mezelf als een vriend, door mijn geest te richten op de voeten der bescherming en me aldus te redden van dit lot zovele baarmoeders te moeten binnengaan.'

(22) Kapila zei: 'Aldus verlangend vanbinnenuit de baarmoeder, prijst het tien maanden oude levende wezen de Heer op het moment dat hij naar beneden wordt geperst onder de druk van de baarmoeder om geboorte te nemen. (23) Vanwege die druk is het hoofdje naar benden gekeerd en, plots lijdend onder de grootste moeilijkheden, komt het ademloos naar buiten, beroofd van alle herinnering. (24) Als een worm op de aarde belandend, besmeurd met bloed, beweegt het zijn ledematen en huilt het hardop, met het verliezen van de wijsheid in het bereiken van de tegenovergestelde positie. (25) Door anderen niet begrepen in wat hij wil is hij, zoals hij verzorgd wordt door de zijnen en niet in staat is tot afwijzen, in omstandigheden beland waar hij niet om gevraagd heeft. (26) Neerliggend in vervuild linnen [vuile luiers e.d.] wordt het kind geplaagd door ziektekiemen [lijdt het onder uitslag op het lichaam] dat het niet van zijn ledematen weg kan krabben, terwijl het niet in staat is om op te zitten, te staan of zich rond te bewegen. (27) Vliegen, muggen, insecten en andere schepselen bijten in het tere huidje van de baby en als ongedierte gebeten door ander ongedierte, zet het, verstoken van wijsheid, het op een huilen. (28) Op deze manier de babytijd ondergaand in lijden en zelfs in zijn kindertijd uit onwetendheid niet bereikend wat het wil, wordt zijn woede opgewekt en wordt het overmand door verdriet. (29) Met het valse van het zich ontwikkelende lichaam, ontwikkelt het, vanwege die woede, ten koste van de ziel vijandigheid, als een belust persoon destructief zijnde jegens andere beluste personen. (30) Voortdurend levend in het lichaam gevormd uit de vijf elementen aanvaardt het onwetende van het niet duurzame van het 'ik' en 'mijn' en is het aldus van een dwaze overtuiging. (31) Verwikkeld in handelingen in dienst van het lichaam, gaat de ziel, daaraan gebonden, bij herhaling voor een ander leven in de materiële omstandigheid en aldus het fysieke najagend, vormt zich, vanwege die gebondenheid aan de duistere motieven van vruchtdragende arbeid, een hindernis [de zogenaamde klesa's]. (32) Als, met het onrecht op zijn weg, hij in gezelschap uit is op het genoegen van zijn geslachtsorganen en zijn maag, gaat het levende wezen als voorheen de duisternis weer binnen. (33) Aldus geassocieerd verliest het zijn zin voor de waarheid, zijn zuiverheid, mededogen en ernst; zijn geestelijk inzicht, voorspoed, bescheidenheid en zijn goede naam; zijn genade, zijn beheersing van geest en zinnen en geluk. (34) Met vergroofde zotten verstoken van zelfverwerkelijking verkeert men in slecht gezelschap en men moet dan ook niet denken te kunnen slagen met medelijwekkende dames en hun dansende honden. (35) Geen omgang van een man geeft een zotheid en gebondenheid aan andere dingen als die van een man aangetrokken tot vrouwen of een genootschap van mannen aangetrokken tot vrouwen. (36) De vader der mensen [Brahmâ] begoocheld door de aanblik van zijn eigen dochter zat als een hert schaamteloos achter haar aan toen hij haar zag in de vorm van een hinde [vergelijk 3.12: 28]. (37) Behalve de wijze Nârâyana, is er werkelijk geen man te vinden onder de levende wezens geboren uit Brahmâ wiens intelligentie niet wordt afgeleid door mâyâ in de vorm van een vrouw.

(38) Aanschouw de kracht van Mijn mâyâ in de gedaante van een vrouw, die zelfs de veroveraars van de wereld haar hielen doet volgen bij het optrekken van een enkele wenkbrauw. (39) Iemand die ernaar streeft de vervolmaking van de yoga te bereiken behoort nooit samen te leven met een vrouw; men zegt dat voor de zelfverwerkelijking verkregen door Mij dienst te verlenen, het samenleven met een vrouw de poort naar de hel is voor zo iemand. (40) De vrouw geschapen door God vertegenwoordigt de zich langzaam opdringende mâyâ, welke moet worden beschouwd, gelijk een overwoekerde uitgedroogde put, als de dood voor de ziel. (41) Zij, die door gehechtheid aan vrouwen een vrouw werd, denkt, als gevolg van de illusie van Mijn mâyâ, dat te komen tot de gedaante van een man haar weelde, nageslacht en een huis zal brengen. (42) Zij zelf behoort [dienovereenkomstig] de mâyâ ervan bestaande uit haar man, kinderen en huis, te beschouwen als de dood teweeggebracht door Zijn gezag, die is als de lokroep van een jager [* vergelijk het vers in de Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2: 255 dat omgang van de seksen toestaat in een devotionele setting]. (43) Vanwege het lichaam waar het levende wezen van in bezit is, dwaalt het zo van de ene wereld naar de andere, zonder ophouden behagen scheppend in materiële activiteiten. (44) Zo realiseert het zich waarlijk een lichaam geschikt, gevormd uit de elementen, de zinnen en het denken; als dat op een einde loopt wordt het de dood genoemd maar als het zich manifesteert wordt het geboorte genoemd. (45-46) Zoals de waarneming van de vaste plaats van een voorwerp onmogelijk wordt met een starre blik, zo neemt men ook geboorte uit de misvatting het lichaam te beschouwen als zichzelf. Van zowel wat men ziet als het zien is de ziener dan daadwerkelijk niet in staat om waar te nemen, precies als de manier waarop de ogen niet in staat zijn al de verschillende delen van een voorwerp tegelijkertijd waar te nemen. (47) Wat betreft de dood moet men niet verschrikt zijn, in misère verkeren of begerig zijn naar materieel voordeel; de ware aard van het levende wezen inziend behoort men zich op deze planeet standvastig en vrij van gehechtheid rond te bewegen. (48) Met het aan de wereld opgebouwd uit mâyâ toevertrouwen van dit lichaam moet men, middels de rede begiftigd met de juiste visie, zich daar bewegen verbonden door onthechting in de wetenschap van de [drie vormen van] yoga.

Voetnoot:

* 'Man en vrouw behoren samen te leven als huishouders in relatie tot Krishna, enkel voor het doel zich van plichten te kwijten in dienst aan Krishna. Betrek de kinderen, betrek de vrouw, betrek de echtgenoot, allen in Krishna-bewuste activiteiten, en dan zullen al deze lichamelijke of materiële gehechtheden verdwijnen. Aangezien het bemiddelend medium Krishna is, is het bewustzijn zuiver, en bestaat er geen mogelijkheid van terugval wanneer dan ook.' (Rûpa Gosvâmî in: Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2: 255)

 

Hoofdstuk 32

De Verstriktheid in Vruchtdragende Bezigheden

(1) Kapila zei: 'Welnu, de persoon die in feite thuis leeft, de plichten doend van een huishouder, geniet keer op keer het voordeel van de zinsbevrediging, de economische opbrengst en de religieuze vertoningen. (2) Daarenboven, heeft hij, verdwaasd door de lust, zich afgekeerd van de toegewijde dienst aan de Allerhoogste Heer [genaamd nivritti-dharma] in zijn gewetensvol aanbidden van de goden en de voorvaderen met ceremonieel vertoon van offerandes [genaamd pravritti-dharma]. (3) Overmand door een gelovige geest zwerend bij de voorvaderen en de halfgoden, zal de persoon die op die manier vertrokken is weer terugkeren naar het ondermaanse ['de wereld van de maanorde'] door te drinken van de soma [een drank die wordt gedronken door de brahmanen die de offers brengen]. (4) Als Heer Hari zich neerlegt op het slangenbed Ananta S'esha, vinden diezelfde werelden, van hen die gehecht zijn aan hun huishouding, hun beëindiging. (5) Die intelligenten die in hun eigen plichtsbetrachting geen misbruik maakten terwille van de zinsbevrediging en materiële voordelen en die, vrij van materiële gehechtheid, hun vruchtdragende handelingen opgaven, zullen door een gezuiverd bewustzijn voldoening vinden. (6) In het voortdurend bezig zijn met de [nivritti-dharma] religieuze handelingen voor de onthechting in het opgeven van het claimen van eigendom en egoïsme, wordt men door de goedheid en het bewustzijn van handelen overeenkomstig de eigen plicht volledig gezuiverd. (7) Het pad der verlichting volgend benaderen ze de Oorspronkelijke Persoon van God die zich weerspiegelt in het gelaat van een ieder, die zowel heerst over de geest als over de materie en de oorzaak is van de manifestatie en beëindiging van de wereld. (8) Tot aan het einde van twee parârdha's, welk het einde is van Brahmâ zelve [zie 3-11], verblijven ze daadwerkelijk voor zo'n lange tijd op de planeet van het Allerhoogste, verzonken in gedachten over het voorbije. (9) Te dien tijde gaat hij, de leider, Heer Brahmâ, ernaar verlangend een einde te maken aan de overdekking door aarde, water, vuur, ether, het denken, de zinnen, voorwerpen, ego enzovoorts, de onveranderlijke geestelijke hemel binnen na de tijd der drie geaardheden te hebben ervaren. (10) Op die manier een dergelijk lange periode van Heer Brahmâ bestrijkend, gaan die yogi's, die de verantwoordelijkheid voor hun lichaam niet opgaven in het beheersen van de ademhaling en het denken in onthechting met hem, daadwerkelijk tezamen de Oorspronkelijke Persoon binnen, de belichaming der gelukzaligheid, de oudste van de primaire werkelijkheid van de geest. (11) Derhalve, Mijn beste moeder, zoek middels toegewijde dienst uw toevlucht in de beschutting van Hem waarover u nu hebt vernomen, die verblijft in de lotusharten van iedereen. (12-15) De schepper van het levende en levenloze, die de bewaarder van de Veda's is, tezamen met de wijzen en de meesters van de yoga, de Kumâra's en de andere volmaakten en oorspronkelijke denkers van de yoga, waren, ondanks het feit dat ze er andere ideeën op nahielden in hun onafhankelijkheid als degene die handelt, niet uit op materiële resultaten in hun handelingen en hadden de kwaliteiten van de Oorspronkelijke Persoon van brahman, de eerste incarnatie. Hij die te dien tijde wederom mettertijd de positie van Meesterschap heeft bereikt, wordt als voorheen geboren als de interactie naar de geaardheden zich opnieuw voordoet. Wederom genoten hebbend van [de ware nectar van de hereniging na de voleinding] keren al de wijzen door hun zedig handelen, alsook de koninklijke weelde die daaruit voortkomt, allen tezamen weer terug, als die interactie naar de geaardheden plaats vindt.

(16) Zij die in hun denken in deze wereld als een slaaf zijn van het vruchtdragend handelen, doen voorzeker met geloof hun voorgeschreven plichten in gehechtheid aan het resultaat en doen dat zo telkens weer opnieuw. (17) Gedreven door de hartstocht, zijn hun geesten, uit op bevrediging, vol van zorgen, hebben ze hun zinnen niet onder controle en houden ze zich thuis dagelijks bezig met de aanbidding van hun voorvaderen. (18) Die [trai-vargika] personen die uit zijn op de drie vormen van voordeel [van economie, zinsbevrediging en religieuze dienstverlening] zijn niet geïnteresseerd in het spel en vermaak van Heer Hari, de doder van de demon Mâdhu, wiens bovenzinnelijke excellentie het bezingen waard is. (19) Het opgegeven hebbend met de nectar van de verhalen over de Onfeilbare, vinden ze dat de goddelijke orde ook verstorend werkt en luisteren ze [in plaats daarvan] naar de verhalen van het materialisme in welk opzicht ze precies als ontlasting etende zwijnen zijn.

 (20) Als de zon door het zuiden gaat, nemen ze samen met hun families na hun crematie opnieuw geboorte in de wereld van hun voorvaderen, hun vruchtdragende handelingen tot het eind toe verrichtend [vergelijk B.G. 8: 25]. (21) Als ze de resultaten van hun zedig handelen hebben uitgeput, keren ze terug naar deze planeet, o deugdzame, door goddelijke beschikking, tegen hun verwachtingen in hulpeloos aldus terugvallend, omdat ze door hun welvaart verbijsterd zijn [vergelijk B.G. 9: 21].

(22) Daarom moet u, met al uw liefde, de Allerhoogste Toevlucht aanbidden door wiens voeten de toegewijde dienst verbonden is met de goede kwaliteiten. (23) Het verrichten van toegewijde dienst voor Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid van God, zal zeer snel resulteren in de onthechting en spirituele kennis der zelfverwerkelijking. (24) Als de geest van de toegewijde gericht op materiële resultaten van gelijkheid is naar de activiteiten van de zinnen, wordt aldus uiteindelijk geen verschil ervaren met wat aangenaam en onaangenaam is. (25) Dan is hij voorzeker, door de onthechting van zijn ziel gelijkmoedig in zijn visie, vrij van afkeer en voorkeuren en ziet hij zichzelf verheven tot de transcendentale positie. (26) Wat betreft de verschillende ideeën van het Spiritueel Absolute, de Superziel en de Persoon van Beheersing in filosofisch onderzoek en andere processen van begrijpen, is de Opperheer de enige maat voor de bovenzinnelijke kennis. (27) Bij het precieze van die maat wordt met al de soorten van yoga in deze wereld het verlangde doel van de yogi bereikt, dat inderdaad het volledige van de onthechting is. (28) Voor degene die door de kennis der zinnen afkerig is van het Allerhoogste van het absolute voorbij de materiële geaardheden, schijnt het bij vergissing van de aard van geluiden enzovoorts te zijn naar de vormen van de verschillende voorwerpen [als iets relatiefs]. (29) Als het grote principe hebben we het valse ego, de drie geaardheden en de vijf elementen, het eigen bewustzijn en de elf zinnen [de vijf zinnen van handelen en waarnemen m.i.v. de geest] als het materiële lichaam dat tevoorschijn kwam uit het ei dat het universum is. (30) In waarheid, met geloof, toewijding en het immer standvastig zijn in de yoga is diegene van begrip wiens geest gefixeerd is in de onthechting van het afstand nemen tot de materiële betrokkenheid.

(31) Aldus, Mijn achtenswaardige moeder, heb Ik deze spirituele kennis beschreven die de Absolute Waarheid onthult waarmee de werkelijkheid van het materiële en het persoonlijke wordt begrepen. (32) Door zowel de jñâna-yoga [de yoga van de spirituele kennis] als door de vrijheid van de geaardheden op Mij gericht genaamd bhakti, wordt, meer dan door ieder van hen afzonderlijk, voorzeker het doel bereikt omschreven door het woord Bhagavân. (33) De manier waarop middels de zinnen het ene van een voorwerp dat vele kwaliteiten heeft verschillend wordt waargenomen, is dienovereenkomstig de Allerhoogste Heer, Bhagavân, één maar wordt Hij verschillend waargenomen overeenkomstig de verschillende in de geschriften beschreven wegen. (34-36) Door materiële handelingen, opofferingen, liefdadigheid, ontzeggingen, studie van de geschriften, filosofisch onderzoek, het onderwerpen van het denken en de zinnen, alsook door de wereldverzakende orde en vruchtdragend handelen, neemt men, de verschillende vormen van yoga beoefenend - van toegewijde dienst zijnd en voorzeker daadwerkelijk de eigen plicht doend die men kent als pravritti en nivrtti dharma - door de wetenschap van de zelfrealisatie te begrijpen en door sterke onthechting, de Allerhoogste Heer waar zoals Hij werkelijk is in zowel de materiële wereld als in bovenzinnelijkheid. (37) Ik gaf uitleg over de vier afdelingen [met de geaardheden en de transcendentie daarboven *] van identiteit [svarûpa] in toegewijde dienst alsook het niet waarneembare van de beweging der tijd [de conditionering] die de levende wezens voortdrijft. (38) Voor het levend wezen zijn er vele wijzen van materieel handelen in onwetendheid, die voortkomen uit het werken voor een materieel resultaat [karma] Mijn beste moeder, waarvan de ziel die dat bestaan binnengaat zijn eigen manier van doen niet begrijpt.

(39) Dit is niet bedoeld als uitleg voor hen die slecht zijn, zij die zich slecht gedragen of moet nooit worden overgedragen aan de opstandigen of zij die in overtreding zijn en zeker ook nooit aan hen gezegd die enkel in naam hun plicht doen. (40) Men moet dit niet tegen hen die al te begerig destructief zijn gaan zeggen noch uitleggen aan hen die overmatig gehecht zijn aan hun gezinsleven en ook niet aan niet-toegewijden alsook nimmer diegenen uitleggen die jaloers zijn op Mij of Mijn toegewijden. (41) Het is bedoeld voor hen die trouwhartig zijn, de toegewijden, zij die respect hebben, zij die niet op anderen afgeven, zij die vriendelijk zijn en volijverig gewetensvol van dienst zijn. (42) Laat deze instructie er zijn voor hen die met een geest van vrede onthechting ontwikkelden voor dat wat zich erbuiten bevindt, die niet afgunstig zijn en rein zijn en voor wie Ik de meest beminnelijke der beminnelijken ben. (43) O moeder, die persoon die eenmaal met geloof hiervan mag horen of zijn denken herhaalt in zijn gefixeerd zijn op Mij [japa doet], zal voorzeker Mijn verblijf bereiken.

 

 Voetnoot

* De vier identiteiten met de geaardheden en de transcendentie staan bekend als het Spel van de Orde dat de mens speelt in zijn identiteit van het naar de vier klassen [varna], de vier vormen van status [âs'rama], de drie geaardheden [guna] en de acht niveaus van transcendentie [ashthânga] functioneren met een zekere ervaring.  

 

Hoofdstuk 33

De activiteiten van Kapila Muni

(1) Maitreya zei: 'Nadat de beminde echtgenote van Kardama, de moeder genaamd Devahûti, aldus had vernomen van de woorden van Heer Kapila, droeg zij, bevrijd van de lagen van illusie en na Hem haar eerbetuigingen gebracht te hebben, gebeden op aan de auteur in de aangelegenheid van de basisprincipes die de achtergrond vormen van de bevrijding. (2) Devahûti zei: 'Men zegt dat het zo is dat de Ongeborene [Brahmâ] die voortkwam uit de lotusbloem uit Jouw onderbuik, zelf op Jouw in het water neerliggende lichaam mediteerde, de bron van de stroom van de natuurlijke geaardheden, dat het beginsel is van al het gemanifesteerde in het doordringen van de materiële elementen, de zinnen, de zinsobjecten en het denken. (3) Als daadwerkelijk diezelfde persoon van het universum ga Je door met Je heldenmoed in verhouding tot dat wat verdeeld is door de interactie van de geaardheden met de schepping en alles, daartoe als degene die niet handelt het verschil vormend van Jouw onderscheid als de Heer van alle levende wezens wiens duizenden energieën het bevattingsvermogen te boven gaan. (4) Als diezelfde persoon nam Je geboorte uit Mijn onderbuik, mijn Heer; Jij wiens vermogens ondoorgrondelijk zijn, waarvan dan dit universum rustte in de buik, hebt, aan het eind van het millennium, Jezelf alleen neergevlijd op het blad van een Banyanboom, als een baby die zijn voetje likt. (5) Jij hebt dit lichaam aangenomen om de zondige activiteit terug te dringen en instructies te verschaffen over de toewijding; o mijn Heer, voor de meerdere glorie van Jouw Avatâra's, de zwijn-incarnatie en anderen, kwam Je daadwerkelijk met de bedoeling het pad der zelfverwerkelijking te openbaren. (6) En wat moet ik er niet van zeggen om Jou, o Fortuinlijke, van aangezicht tot aangezicht te zien, van wie het horen van het zingen van de naam, het brengen van eerbetuigingen en de heugenis, op welk moment ook zelfs de laagst geborene terstond ervoor in aanmerking doet komen de vedische rituelen te voltrekken. (7) O hoe zalig en derhalve aanbiddelijk is degene die de heilige naam voor op zijn tong heeft, ook al kookt hij alleen maar voor zichzelf; terwille van Jouw deden de beschaafden, die de Veda's bestudeerden en Jouw heilige naam hebben aanvaard, hun boete, brachten zij vuuroffers en dompelden ze zich onder in de heilige rivieren. (8) Hem, Jou, de Hoogste Geest, de Hoogste Persoonlijkheid, Heer Vishnu die de naam van Kapila draagt die de bewaarplaats van de Veda's is, naar wie ik mij inwaarts keerde, die ik voor de geest had en waarop ik mediteerde en door wiens vermogen de invloed van de geaardheden verdween, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(9) Maitreya zei: 'De Allerhoogste Heer genaamd Kapila, aldus geprezen, gaf, vol van genegenheid voor Zijn moeder, haar antwoord met woorden van gewicht. (10) Heer Kapila zei: 'Te handelen naar het pad van dit wat Ik u nu heb uiteengezet, Mijn beste moeder, is zeer eenvoudig; zeer spoedig zal u het hoogste doel bereiken. (11) U kan erop vertrouwen dat wat betreft deze instructie van Mij die door de transcendentalisten wordt nageleefd, u de vrijheid van angst zult bereiken terwijl het de [kringloop van geboorte en] dood is die wordt bereikt door degenen die hier niet mee vertrouwd zijn.

(12) Maitreya zei: 'Na aldus uitleg verschaft te hebben nam die eerbiedwaardige Allerhoogste Heer van het pad der zelfverwerkelijking, de zelfgerealiseerde Kapila, met permissie afscheid van Zijn moeder en vertrok Hij. (13) Zoals haar zoon haar had gezegd in Zijn uitleg over de yoga, fixeerde ze zichzelf eveneens in samâdhi om in die woonplaats, de bloemenkroon van de Sarasvatî rivier [Kardama's paleis], verbonden te zijn in de yoga. (14) Regelmatig badend, werd haar krullende samengeklitte haar grijs en werd haar, in oude kleren gehulde, lichaam mager van de zware boetedoeningen. (15) Door de verzaking van de yoga had Kardama Muni, een stamvader van de mensheid, het ongeëvenaarde van zijn huis met alle toebehoren ontwikkeld, dat zelfs door de bewoners van de hemel werd beneden. (16) De ivoren bedden wit als melkschuim hadden goud bestikte spreien en de stoelen en banken waren van goud gemaakt en hadden kussens zacht om op te zitten. (17) De wanden waren van puur marmer ingelegd met kostbare smaragden en lampen die straalden van de juwelen waarmee ook de dames zich opsierden. (18) De tuin van de huishouding was prachtig met bloemen en vruchten, vele bomen met paartjes zangvogels en het gezoem van dronken bijen. (19) Over de grote zorg van Kardama, zongen aldaar de hemelse metgezellen voor haar als ze een bad nam in de naar lotussen geurende vijver.

(20) Het opgevend met de meest begerenswaardige van alle huishoudens, een huishouden waar zelfs de vrouwen van Indra afgunstig op waren, had ze een treurige uitdrukking op haar gezicht, aangedaan als ze was door het van haar zoon gescheiden zijn. (21) Met haar echtgenoot die naar het woud was vertrokken en de afstand tot haar zoon, werd ze, ondanks dat ze van de waarheid op de hoogte was, heel triest, zoals een sentimentele koe die haar kalf kwijt is. (22) Op Hem mediterend, haar goddelijke zoon Kapiladev, raakte ze zeer spoedig, o beste Vidura, onthecht van haar fijne woning. (23) Mediterend op de gedaante van de Allerhoogste Heer, zoals Hij dat had geïnstrueerd, hield zij, als haar voorwerp, het geheel en de delen van het lachende gezicht van haar zoon in gedachten. (24-25) Voortdurend bezig in toegewijde dienst en zeer sterk door het juiste ten uitvoer brengen van de plichten in verzaking dat resulteerde uit de kennis van de Absolute Waarheid, zag ze toen, door de zuivering van haar geest naar de Grote Ziel wiens gelaat overal wordt waargenomen, door zelfrealisatie de onderscheidingen van de geaardheden der natuur verdwijnen. (26) Met haar geest gevestigd in brahman en bevrijd in de Opperheer die in alle levende wezens verblijft, verdween, met het bereiken van de bovenzinnelijke verrukking, de materiële pijn van de onfortuinlijke omstandigheid van haar individuele ziel. (27) Door haar vervoering verblijvend in het eeuwige en bevrijd van de verbijstering door de geaardheden van de materiële natuur, vergat ze toen haar materiële lichaam precies zoals iemand die opgestaan is vergeet wat word gezien in een droom. (28) Haar lichaam raakte, hoewel onderhouden door anderen, echter niet uitgemergeld daar zorgen haar niet kwelden; ze straalde als een vuur dat verhuld is door een rookgordijn. (29) Verzonken in gedachten over Vâsudeva, was ze, onder goddelijke bescherming, er zich met haar lichaam in het volle van de verzaking van haar yogabeoefening, niet van bewust of haar haar los hing of dat haar kleding in het ongerede was. (30) Aldus bereikte ze geïnstrueerd door Kapila, met het pad zonder mankeren spoedig het voorbije van de Superziel, de beëindiging van het materiële bestaan vindend in de Geest van de Absolute Waarheid van de Allerhoogste Heer.

(31) Dat paleis waar ze de volmaaktheid bereikte, o dappere, was een hoogst heilige plaats en staat in de drie werelden bekend onder de naam Siddhapada [de toevlucht der volmaaktheid]. (32) De materiële elementen van haar lichaam opgegeven met de praktijk van de yoga werden een rivier die de meest vooraanstaande van alle rivieren is, o zachtgeaarde, waartoe allen die de volmaaktheid verlangen hun toevlucht nemen daar ze die volmaaktheid overdraagt. (33) Heer Kapila, de grote yogi en Opperheer, begaf zich, toen Hij Zelf vandaar vertrok nadat Hij afscheid nam van Zijn moeder, in noordoostelijke richting. (34) Door de Siddha's, de Cânara's, de Gandharva's, de muni's en de Apsara's verheerlijkt, bood de oceaan Hem offergaven en een verblijfplaats [heden ten dage nog steeds bekend en aanbeden als Gangâ-sâgara-tirtha, de plaats waar de Ganges de oceaan vindt]. (35) Daar blijft Hij in samâdhi, om de verlossing te verzekeren van de drie werelden, aanbeden door de leraren van het voorbeeld die het Sânkhya-yogasysteem beoefenden. (36) Mijn beste zondeloze, dit wat ik u op uw navraag vertelde over Kapila en Zijn conversatie met Devahûti, is van het zuiverste. (37) Wie ook maar hoort of wie ook maar uitweidt over deze vertrouwelijke leringen van Kapila Muni over de eenheid van de ziel en aldus zijn geest heeft gericht op de Fortuinlijke onder de vlag van Garuda, zal de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer bereiken.

 

Aldus eindigt het derde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam

 

CANTO 4: De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer

 

Hoofdstuk 1

Stamboom van de Dochters van Manu

(1) S'rî Maitreya zei: Svâyambhuva Manu verwekte bij zijn vrouw S'atarûpâ zowel [als twee zoons] drie dochters genaamd Âkûti, Devahûti en Prasûti, zoals u weet [zie 3.12: 56]. (2) Hoewel Âkûti broers had, werd ze aan de grote wijze Ruci uitgehuwelijkt op voorwaarde dat de koning, die ondersteund werd door de religieuze riten en de instemming van zijn vrouw, de daaruit resulterende zoon zou krijgen. (3) Hij, de allermachtigste, grote wijze Ruci, werd de voortplanting toevertrouwd en verwekte in haar een stel kinderen van de grootste spirituele en brahmaanse kracht. (4) Het mannelijk kind van de twee, Yajña ['Hij van het Offer'], was een rechtstreekse verpersoonlijking van Vishnu terwijl het andere vrouwelijke kind Dakshinâ Zijn onafscheidelijke volkomen deelaspect, de Godin van het Geluk [Lakshmî] was. (5) De zeer machtige zoon die door de dochter ter wereld werd gebracht werd naar het huis van de overgelukkige Svâyambhuva Manu gebracht, terwijl Ruci Dakshinâ bij zichzelf hield. (6) De Heer en meester van alle offers die altijd naar haar verlangde, trouwde en Zijn vrouw [Lakshmî] die zeer verguld was Hem als haar echtgenoot te hebben, bracht twaalf zoons ter wereld. (7) De twaalf waren: Tosha, Pratosha, Santosha, Bhadra, S'ânti, Idaspati, Idhma, Kavi, Vibhu, Svahna, Sudeva en Rocana. (8) In het tijdperk van Svâyambhuva stonden ze bekend als de Tushita halfgoden, met Marîci aan het hoofd van de wijzen en Yajña als de Koning der Verlichte Zielen. (9) De twee zoons van Manu, Priyavrata en Uttânapâda, waren in die periode van het grootste en hun zonen en kleinzonen verspreidden zich alom. (10) Mijn beste, aangaande Svâyambhuva die zijn dochter aan Kardama overhandigde, hebt u me uitgebreid horen spreken [zie 3.12: 57]. (11) De grote persoonlijkheid Svâyambhuva gaf Prasûti aan Daksha, de zoon van Brahmâ, wiens nageslacht zich enorm over de drie werelden verspreidde. (12) Ik vertelde u reeds over de negen dochters van Kardama die de echtgenotes werden van negen grote wijzen van geestelijke kennis [zie 3.24: 21-25]. Luister nu naar mijn beschrijving van de geslachten die uit hen voortkwamen. (13) De dochter van Kardama, de vrouw van Marîci ook wel Kalâ genaamd, bracht Kas'yapa en Pûrnimâ ter wereld wiens kinderen zich over de aarde verspreidden. (14) Pûrnimâ kreeg zoons met de namen Virajâ, Vis'vaga, o overwinnaar, en een dochter genaamd Devakulyâ. Door het water dat van de Heer Zijn lotusvoeten afspoelde werd zij het heilige van de Ganges. (15) De vrouw van Atri Muni, genaamd Anasûyâ, baarde drie zeer beroemde zoons: Dattâtreya, Durvâsâ en Soma [de maangod], welke [gedeeltelijke] incarnaties zijn van respectievelijk de Superziel [Vishnu], Heer S'iva en Heer Brahmâ.'

(16) Vidura zei: 'O geestelijk leraar, vertel me hoe in het huis van Atri de belangrijkste goden aangaande de aangelegenheden van de handhaving, schepping en vernietiging met een bepaald doel konden verschijnen.'

(17) Maitreya zei: 'Er toe aangezet door Heer Brahmâ om zich voort te planten ging Atri, de belangrijkste van de geleerden in de spirituele kennis, tezamen met zijn vrouw naar de grote berg met de naam Riksha om daar te verblijven voor boetedoeningen. (18) Op die plaats in de tuin van het woud waren er vele bloemen, as'oka-bomen die overal groeiden en was er het geluid van het vallende water van de Nirvindhyâ-rivier. (19) Het denken beheersend door de ademhaling te reguleren, verbleef de wijze daar, een honderdtal jaren de lucht etend terwijl hij op het ene been van de non-dualiteit stond. (20) Hij dacht: 'Mijn toevlucht zoekend geef ik me aan Hem over, moge Hij die voorzeker de meester van het universum is, mij een zoon schenken die gelijk Hemzelve is.' (21) Door het vuur dat uit het hoofd van de wijze voortkwam en gevoed werd door zijn adembeheersing, werd hij, met de beoefening van zijn boete over de drie werelden, opgemerkt door de drie belangrijkste goden. (22) Met het zich verspreiden van de roem van zijn eer, gingen de Apsara's, de muni's, de Gandharva's, de Siddha's, de Vidyâdhara's en de Nâga's, op weg naar de plaats van zijn meditatie. (23) Toen hij het gelijktijdige verschijnen van al deze halfgoden en grote persoonlijkheden zag klaarde de geest van de wijze op, die op zijn ene been tot bewustzijn was gekomen. (24) De symbolen van hun persoonlijke toebehoren herkennend [trommel, kus'agras en werpschijf] en de stier, de zwaan en Garuda waarop ze waren gezeten, wierp hij met gevouwen handen zich rechtuit voor hen neer, hen zijn eerbetuigingen brengend. (25) Verblind door de stralende gloed van hun glimlachende gezichten en de zichtbare voldoening van hun genadevolle blikken, sloot de wijze zijn ogen. (26-27) Zijn hart op hen vestigend prevelde hij de extatische woorden van de gebeden die hij met gevouwen handen aan de eerbiedwaardige heersende halfgoden opdroeg. Atri zei: 'Ik buig me neer voor u, de Heer Brahmâ, Heer S'iva en Heer Vishnu die, zoals steeds in de verschillende tijdperken, uw lichamen hebt aangenomen in het verdeeld zijn naar de geaardheden der natuur in de schepping, handhaving en vernietiging van het universum. Wie van u is het die in werkelijkheid door mij werd aangeroepen? (28) Wees zo genadig, leg mij die zo hevig twijfelt uit, hoe het zo kan zijn dat, hoewel me ver boven de geesten der belichaamden bevindend, u allen hier bent verschenen terwijl ik, om een kind te krijgen, mijn denken concentreerde op de Ene Grote Heer van Al het Geluk?

(29) Maitreya zei: 'O machtige, na aldus kennis te hebben genomen van de woorden van de grote wijze, gaven alle drie de hoofdgoden hem glimlachend en in vriendelijke bewoordingen antwoord. (30) De halfgoden zeiden: 'Zoals u het hebt besloten, zo zal het geschieden en niet anders; voor u, wiens vastbeslotenheid nimmer week o beste brahmaan, zijn wij allen van de Ene waar u zo waarachtig op mediteerde. (31) Daarom zullen onze volkomen deelaspecten, de zoons die uit u zullen worden geboren, zeer vermaard in de wereld zijn, beste wijze, en tot uw grote geluk zullen ze ook uw goede naam verspreiden.'

(32) Terwijl de echtelieden toekeken keerden de leidende halfgoden, die op die manier, volmaakt aanbeden als ze waren, hun zegeningen hadden uitgesproken, van daar terug. (33) Soma verscheen als een gedeeltelijke expansie van Heer Brahmâ, Dattâtreya als een oppermachtige yogi van Heer Vishnu en Durvâsâ als een partiële incarnatie van S'ankara [S'iva]. Verneem nu over de generaties die voortkwamen uit Angirâ. (34) S'raddhâ, de vrouw van Angirâ, bracht de dochters Sinîvâlî, Kuhû en Râkâ ter wereld met Anumati als de vierde. (35) Benevens hen werden de zoons uit hem geboren zeer beroemd in het tijdperk van Svârocisha Manu [de tweede Manu na Svâyambhuva]: de machtige Utathya en Brihaspati, die het volle van het brahmaanse in eigen persoon was. (36) Pulastya verwekte bij zijn vrouw Havirbhû, Âgastya, die in zijn volgende leven Dahrâgni [die van het vuur van de spijsvertering] zou zijn, en Vis'ravâ, de grote der verzaking. (37) Uit Vis'ravâ kwam de halfgod Kuvera, de koning der Yaksha's [zijn bovennatuurlijke bedienden] ter wereld, geboren uit Idavidâ terwijl de zoons Râvana, Kumbhakarna en Vibhîshana werden geboren uit een andere vrouw [genaamd Kes'inî]. (38) Gati, de echtgenote van Pulaha, o toegewijde, bracht drie kuise zonen ter wereld [Karmas'reshthha, Varîyân en Sahishnu] die alles van karma afwisten en eveneens zeer respectvol en tolerant waren. (39) Kriyâ, de vrouw van de wijze Kratu, bracht van haar kant zestigduizend wijzen voort levend naar de Vâlakhilya [een aantal Rig Veda verzen over het teruggetrokken bestaan], die uitblonken met de brille van het brahmaanse [ze stonden ook bekend als de kleinen door Brahmâ voortgebracht, die de wagen van de zon omringen]. (40) Van Ûrjâ [ook Arundhatî genoemd], uit de wijze Vasishthha, o grote, kwam Citraketu voort als de belangrijkste van zeven zoons die allen grote en zuivere wijzen waren van de Absolute Waarheid. (41) Dat waren Citraketu, Suroci, Virajâ, Mitra, Ulbana, Vasubhridyâna en Dyumân. Ook werden er S'akti en andere zoons geboren uit een andere vrouw van hem. (42) Ook Citti [eveneens bekend als S'ânti], de vrouw van Atharvâ, kreeg in volkomen toewijding tot de Dadhyañca gelofte [de gelofte der meditatie] een zoon genaamd As'vas'irâ. Verneem nu over het geslacht van Bhrigu. (43) Bhrigu, zeer fortuinlijk, verwekte bij zijn vrouw Khyâti, de zoons Dhâtâ en Vidhâtâ en een dochter genaamd S'rî, die van grote toewijding voor de Heer was. (44) Âyati en Niyati, twee dochters van de wijze Meru, werden uitgehuwelijkt aan hen beide waaruit Mrikanda en ook Prâna voortkwamen. (45) Mârkandeya Muni werd geboren uit Mrikanda en uit Prâna kwam de grote wijze Vedas'irâ voort wiens hoogst machtige zoon genaamd Kavi Bhârgava ook bekend stond als Us'anâ [ofwel S'ukrâcârya]. (46-47) O Vidura, ik heb voor u gesproken over hoe zij, al de grote wijzen, met hun afstammelingen de drie werelden bevolkten met hun kleinzoons geboren uit het nageslacht van de wijze Kardama. Het met geloof hierover vernemen zal terstond de overmaat aan terugslagen van de zonde terugdringen.

Prasûti, een dochter van Manu, trouwde met de ware zoon van Brahmâ, Daksha. (48) Bij haar verwekte hij zestien lotusogige dochters waarvan er dertien werden uitgehuwelijkt aan Dharma en er een aan Agni werd gegeven. (49-52) Ééndochter schonk hij aan de voorvaderen tezamen en één gaf hij er aan Heer S'iva de verlosser der zondaars. S'raddhâ, Maitrî, Dayâ, S'ânti, Tushthi, Pushthi, Kriyâ, Unnati, Buddhi, Medhâ, Titikshâ, Hrî en Mûrti zijn de namen van Daksha's dochters die aan Dharma werden geschonken, van wie S'raddhâ S'ubha kreeg, Maitrî Prasâda, Dayâ Abhaya, S'ânti Sukha, Tushthi Muda, Pushthi Smaya, Kriyâ Yoga, Unnati Darpa, Buddhi Artha, Medhâ Smriti, Titikshâ Kshema en Hrî Pras'raya kreeg. Mûrti, een vergaarbekken van alle goede kwaliteiten, bracht de wijzen Nara en Nârâyana ter wereld. (53) Het verschijnen van Hen beide verheugde het ganse universum en vulde ieders geest van blijdschap; in alle richtingen over de rivieren en de bergen werd de atmosfeer aangenaam. (54-55) Uit de hemelen weerklonken muziekinstrumenten en er werden bloemen uit de lucht naar beneden gestrooid, de tevreden wijzen hieven vedische hymnen aan en de Gandharva's en Kinnara's begonnen te zingen. De prachtige maagden uit de hemel dansten, daar alle goede voortekenen te zien waren en de halfgoden, Brahmâ en de anderen droegen allen hun gebeden van respect op. (56) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoonlijkheid, die door Zijn eigen uitwendige energie de variëteit van al het bestaande schiep dat zich in Hem bevindt zoals de wolkenmassa's in de lucht worden gevonden, en die vandaag verschenen is in de gedaante van deze wijzen in het huis van Dharma. (57) Moge Hij die door de Veda's wordt begrepen en die, teneinde een einde te maken aan het onfortuinlijke van de geschapen wereld, ons, de halfgoden, schiep met de geaardheid goedheid, ons Zijn genadevolle blik vergunnen welke de smetteloze lotus waarin de Godin van het Geluk huist overtreft'.

(58) O Vidura, de Allerhoogste Heer, aldus geprezen door de verzamelde halfgoden die de genade van Zijn blik vonden, vertrok na die aanbidding naar de Gandhamâdana-heuvel. (59) Deze twee partiële [ams'a-]incarnaties van de Allerhoogste Heer Hari, zijn hier nu verschenen om de last te verlichten van de wereld als de twee van Krishna die de besten zijn die de Kuru- en Yadu-dynastie voortbrachten. (60) Svâhâ [dochter van Daksha], de vrouw van Agni, de leidende godheid van het vuur, bracht drie zonen voort: Pâvaka, Pavamâna en S'uci die zich voeden met de offergaven. (61) Uit hen werden vijfenveertig vuurgoden voortgebracht, zodat tezamen in werkelijkheid er negenenveertig van hen zijn, de vaders en grootvader meegerekend. (62) Door de namen van de negenenveertig vuurgoden laten de kenners van Brahmân zich leiden in hun vuuroffers. (63) Hun voorvaderen zijn deze Agnishvâtta's, Barhishada's, Saumya's en Âjyapa's; ze gaan dan wel met, dan wel zonder vuur tewerk en Svadhâ, Daksha's dochter is hun feitelijke echtgenote. (64) Uit hen kwamen twee dochters voort, Vayunâ en Dhârinî, die beide expert waren in zowel de kennis als de overstijging met de onpersoonlijke weg van Brahmân. (65) De vrouw van Bhava [een naam van S'iva], genaamd Satî, hield zich gewetensvol bezig met het dienen van Bhava de halfgod, maar was zelf, ondanks haar kwaliteiten en karakter, er niet toe in staat een soortgelijke zoon te krijgen. (66) Haar eigen vader had zich namelijk ten ongunste woedend opgesteld tegenover de foutloze [S'iva], zodat ze zelfs nog voordat ze de volwassenheid had bereikt, in yoga verbonden haar lichaam moest opgeven.

 

Hoofdstuk 2

Daksha Vervloekt Heer S'iva

(1) Vidura zei: 'Waarom toonde Daksha zich vijandig jegens Heer S'iva, de beste onder de zachtmoedigen, terwijl hij zijn eigen dochter Satî, waar hij zoveel om gaf, verwaarloosde? (2) Hoe kon hij hem haten die de geestelijk leraar is van de hele wereld en die, met een vredelievende persoonlijkheid en vanbinnenuit tevreden zonder vijandschap, de grootste halfgod van het universum is? (3) Zeg me daarom, o brahmaan, wat de reden is waardoor de schoonvader en schoonzoon ruzieden en waardoor Satî het leven opgaf dat onmogelijk op te geven is.'

(4) Maitreya zei: 'Voorheen, hadden de leiders, grote wijzen en onsterfelijken van de schepping tezamen met hun volgelingen en de filosofen zich verzameld ter gelegenheid van een offerplechtigheid. (5) Toen hij [Daksha] die grote vergadering binnenkwam gaf dat de wijzen een kijk op hem, die vrij van duisternis was, als zijnde stralend met de luister gelijk die van de zon. (6) Zij, de leden van de vergadering, tezamen met hen die voor het vuur zorgden, stonden, onder de indruk van zijn luister, uitgezonderd Heer Brahmâ en Heer S'iva, allen van hun zitplaatsen op. (7) Daksha, hij van alle weelde, die gepast werd verwelkomd door de leiders van de bijeenkomst, bracht de ongeborene, de meester van de wereld, zijn eerbetuigingen en ging op zijn aanwijzing zitten. (8) Door de zittende Heer S'iva die hem geen respect toonde voelde hij zich echter beledigd en zijn beheersing verliezend sprak hij tot hem met een kwade blik in zijn ogen. (9) 'Luistert naar me, o wijzen onder de brahmanen, o goddelijken, o vuurgoden, hoe ik tot u spreek over de manieren van de zachtmoedigen, en ik doe dit niet uit onwetendheid of uit jaloezie. (10) Hij, die behoort tot de heersers van het universum, heeft, met een gebrek aan manieren en schaamteloos, de faam bezoedeld en bedorven van hen die het pad van de zachtmoedigen volgen. (11) Hij heeft het aanvaard van een ondergeschikte positie te zijn, zich als een eerlijk mens opstellend in het nemen van de hand van mijn dochter, in de aanwezigheid van vuur en brahmanen. (12) De hand van haar nemend die ogen heeft gelijk die van een hertje, heeft hij, met zelf de ogen van een aap, mij, die zo'n verwelkoming toekomt, niet geëerd door van zijn zitplaats op te staan. (13) Zonder acht te slaan op de regels en voorschriften, heeft hij, onzuiver en trots, gebroken met de beleefdheidscode; hoewel ik het niet wilde, heb ik mijn dochter weggegeven alsof de boodschap van de Veda's aan een s'ûdra werd gegeven. (14-15) In het gezelschap van geesten en demonen dwaalt hij rond op begraafplaatsen waar lichamen worden gecremeerd, lachend en huilend als een waanzinnige, met zijn haar in de war zich besmeurend met de as van de brandstapel. Hij heeft een slinger van schedels en is versierd met dodemansbeenderen; alleen in naam is hij S'iva of goedgunstig. In feite is hij ongunstig, waanzinnig en geliefd bij de waanzinnigen, hun leider en hun Heer, vergroofd in de geaardheid onwetendheid. (16) Aan hem, de Heer der Spoken, die verstoken is van alle reinheid, die er met zijn hart zo ver vandaan is, heb ik helaas, zoals de hoogste meester het verlangde, Satî gegeven.'

(17) Maitreya zei: 'Aldus S'iva beledigend die zich van vijandigheden weerhield, ging Daksha woedend daarop zijn handen en mond wassen met water en begon hij zijn vervloeking: (18) 'Dat aandeel van het offer aan de goden dat de halfgoden hebben tezamen met Indra, Upendra [de jongere broer van Indra] en de anderen, is er niet voor de laagste der halfgoden.' (19) Hoewel gevraagd door de leden van de vergadering het niet te doen, vertrok hij, Daksha, na S'iva te hebben vervloekt, vandaar huiswaarts, o Vidura, daar hij zeer kwaad geworden was. (20) Begrijpend dat Heer S'iva was vervloekt, liep Nandîs'vara, een van zijn volgelingen, rood aan en blind van woede vervloekte hij scherp Daksha en de brahmanen die het hadden toegestaan dat de vervloeking plaats vond.

(21) 'Moge hij die in betrekking tot de lichamelijkheid van hem hier er afgunst op nahoudt jegens de niet-afgunstige Heer S'iva en dus met stomheid is geslagen in een dualistische visie, zijn zin voor de werkelijkheid verliezen. (22) Hij die zich aangetrokken voelt tot het bestaan van pretentieuze religiositeit van huishouders en volgens de voorschriften van de Veda's tewerk gaat in een verlangen naar materieel geluk en vruchtdragende bezigheden, zal zijn intelligentie verloren zien gaan. (23) Laat hij die met de intelligentie waarmee men het lichaam aanziet voor het zelf, de kennis van Vishnu heeft vergeten en als een dier gehecht is aan het seksleven, die uitzinnige Daksha, gauw de kop van een geit krijgen. (24) Mogen zij die Daksha navolgen in zijn beledigingen en die in de onwetendheid van hun vruchtdragende handelingen versuft zijn geraakt in hun materialistische opvoeding en intelligentie, telkens weer hier in de oceaan van materieel lijden belanden. (25) Laten zij die zo afgunstig zijn op Heer S'iva en wiens geesten zo traag zijn geworden van de bekoorlijke, bloemrijke taal der Veda's die zo doortrokken is van de geur van honing, gehecht blijven. (26) Laten die brahmanen, die het zochten in scholing, verzaking en geloften om er financieel op vooruit te gaan en hun fysieke zinnen te bevredigen, maar van deur tot deur als bedelaars rondzwerven, wat dan ook etend!'

(27) De woorden aanhorend van deze vloek aldus tegen de klasse der tweemaal geborenen, formuleerde Bhrigu in reactie daarop een onoverkomelijke vervloeking in overeenstemming met de brahmaanse manier van afstraffen: (28) 'Moge een ieder die er een gelofte op aflegt Heer S'iva te behagen en dergelijke principes navolgt, een atheïst worden die afdwaalt van de schriftuurlijke bepalingen. (29) Laten zij, die de reinheid hebben afgezworen, dwaas hun haren lang hebben, beenderen dragen en bedekt zijn met as, zich maar overgeven aan de leiding van S'iva van wie men het spirituele heeft van het vinden van verlichting in bedwelming. (30) Aangezien u in waarheid de brahmanen en de trouw aan de Veda's belastert, hebt u derhalve uw toevlucht gezocht in de zwakheid van het atheïsme. (31) In de Veda's die voorzeker het goedgunstig pad van alle mensen zijn en welke in het verleden altijd strikt werden nageleefd, vindt men het bewijs van Janârdana [de Heer als degene die iedereen het beste wenst]. (32) Met het belasteren van die opperste en zuiverste geest, welke de eeuwige weg der waarachtigen is, bent u gedoemd in het atheïsme te belanden waarin u uw godheid, de Heer der materie en de dood [S'iva als Bhûtapati] heeft!'

(33) Maitreya zei: 'Aldus ter sprake gekomen in de vloek van Bhrigu, ging S'iva, de Allerhoogste, lichtelijk terneergeslagen, vandaar met zijn volgelingen weg. (34) Daarvan, o grote meester, verkeren zelfs de vaderen der wereld voor een duizendtal jaren in aanbidding, daar dat de manier is waarop de Hoogste Persoonlijkheid, de leider aller wijzen, behoort te worden gerespecteerd. (35) Hun harten zuiverend, met het aldaar, waar de Ganges samenkomt met de Yamunâ, nemen van hun ceremonieel afsluitend bad, gingen ze allen heen, terug naar hun eigen verblijfplaatsen.'

 

Hoofdstuk 3

Het gesprek tussen Heer S'iva en Satî

(1) Maitreya zei: 'Met het op deze manier aanhouden van de hartgrondige vijandschap die bestond tussen de schoonvader en de schoonzoon, was zelfs een zeer lange tijd gemoeid. (2) Toen Daksha door Brahmâ, de allerhoogste leraar, werd aangewezen als de belangrijkste van alle stamvaders van de mensheid, raakte hij zeer opgeblazen. (3) S'iva en zijn volgelingen negerend begon hij, na eerst een Vâjapeya-offer [het offer van 'de beker van de kracht of de veldslag'] te hebben gebracht, aan de beste van alle offers genaamd het Brihaspati-offer [het offer van de belangrijkste offeraar der gebeden en gaven].(4) Daartoe verzamelden zich alle goddelijken en geleerden der wijsheid, de voorvaderen en de halfgoden en de fraai opgesierde echtgenotes die hun mannen begeleidden. (5-7) Satî, de dochter van Daksha en vrouw van S'iva, hoorde de hemelbewoners het hebben over het grote festival dat door haar vader werd gehouden, en toen ze bij haar in de buurt de mooie vrouwen van de godsbewusten, met glinsterende ogen en oorbellen van alle kanten in mooie jurken en volledig opgesierd, rond zag vliegen met hun echtgenoten om daar naar toe te gaan, richtte ze zich verontrust tot haar echtgenoot, de Heer en meester der Bhûta's [zij die van de materie en de doden zijn]. (8) Satî zei: 'Je schoonvader, Daksha, is van plan een groot offer te brengen waar al de godsbewusten naar toe gaan en waar wij ook zeker dus naar toe kunnen gaan, mijn liefste, als je dat wilt tenminste. (9) Zeker zullen mijn zussen met hun echtgenoten er ook naar toe gaan er naar uitziend hun verwanten te treffen; zou je alsjeblieft er mee in willen stemmen die bijeenkomst bij te wonen samen met mij en al de sieraden die me gegeven zijn? (10) Ik zal daar dan zeker mijn zusters en hun echtgenoten, mijn liefhebbende tantes en mijn moeder ontmoeten; ik heb er reeds lang naar uitgezien hen te treffen alsook de offervanen te zien gehesen door de grote wijzen, o genadige. (11) Door jou, als zijnde de ongeborene, schijnt deze uiterlijke manifestatie vanuit de ziel geschapen als een interactie naar de drie geaardheden, zo wonderbaarlijk toe; niettemin beschouw ik mezelf, als een vrouw naar jouw genoegen, als niet bekend met de waarheid, en als jouw armzalige, zou ik graag mijn geboorteplaats weer eens zien, o Bhava [S'iva als de Heer van het bestaan]. (12) O onstoffelijke, met je blauwe keel, voorzeker vliegen alle vrouwen, opgesierd en met hun echtgenoten en vrienden, daar in grote getale naar toe, prachtig in de lucht met hun witte zwanen die hen hoog dragen. (13) Hoe kan ik fysiek onaangedaan zijn, o beste der halfgoden, als dochter vernemend van het festival dat plaatsvindt in het huis van mijn vader; ook al is men niet uitgenodigd kan men toch nog wel naar het huis van zijn vriend, van zijn echtgenoot, zijn vader of zijn geestelijk leraar gaan, is het niet? (14) Wees daarom zo aardig voor me, o onsterfelijke en vervul mijn verlangen, o eerbare, o meedogende Heer, in het volle van mij te beschouwen als je fysieke wederhelft, wees alsjeblieft zo genadig gehoor te geven aan mijn verzoek.

(15) De wijze zei: 'De bevrijder van de berg Kailâsa [Heer S'iva], aldus aangesproken door zijn liefste, gaf, beminnelijk als hij was voor zijn verwanten, glimlachend antwoord, zich onderwijl de hartverscheurende boosaardige woorden herinnerend die Daksha had gesproken in de aanwezigheid van de bewakers van de schepping. (16) De grote Heer zei: 'Wat je zei, mijn liefste schoonheid, is zeker waar; men kan, zelfs ongenood, naar vrienden gaan, mits ze er niet op uit zijn fouten te vinden en belangrijker, ze niet van de woede zijn in hun trots over hun identificaties. (17) Door de zes kwaliteiten van de deugd van scholing, verzaking, weelde, schoonheid, jeugd en een goede afkomst zijn zij die arrogant zijn verblind; zonder achting voor de grote zielen verliezen ze hun juiste zin en raken ze vervreemd in onwaarheid. (18) Men behoort niet naar het huis van verwanten en vrienden te gaan die, afhankelijk daarin, op die manier gestoord zijn in hun geesten en hun gasten koeltjes onthalen, ze met geheven wenkbrauwen en met woede in hun ogen tegemoet tredend. (19) De pijlen van een vijand zijn nog niet zo kwetsend als de pijn die men, in een deel van zijn hart, ondervindt vanwege de begoochelende, barse woorden van verwanten, onder wie degene die gekwetst is dag en nacht moet lijden. (20) Het is duidelijk dat jij, die je met je knappe gezicht zo goed gedraagt, wordt gezien als de lieveling van de dochters van de Prajâpati [Daksha]; niettemin zal je door je verbondenheid met mij, die door je vader niet geëerd wordt, door hem pijn ondervinden. (21) Iemand die van streek is met een brandend hart is, wat betreft de vrome roep van hen die in hun geesten altijd uitzien naar de oorspronkelijke persoon, niet direct in staat om zelfs maar te tippen aan hun standaard, net zo min als demonen er niet toe in staat zijn in afgunst op de Heer. (22) O liefste jonge vrouw van me, de opzet wederzijds voor elkaar op te staan en elkaar te verwelkomen met eerbetoon is gepast, maar zeer zeker richten zij, die van de wijsheid zijn met de intelligentie jegens het Allerhoogste, zich naar de Oorspronkelijke Persoon die zich in het lichaam bevindt, en zeker niet naar degene die zich vereenzelvigt met het lichaam. (23) Het zuivere bewustzijn dat bekend staat als Vâsudeva wordt daarin onthuld omdat de persoon dan in de goedheid is en niet overdekt [door duisternis]; de Allerhoogste Heer wordt door mij daarin altijd met de naam van Vâsudeva [de 'God van de ziel'] gerespecteerd, omdat Hij het transcendentale is. (24) Derhalve moet je hem, Daksha en zijn Vis'vasrik volgelingen aanwezig bij de offerplechtigheid, niet ontmoeten, hoewel hij je jouw lichaam schonk, o Satî, daar hij afgunstig mij, die onschuldig was, met wrede bewoordingen heeft beledigd. (25) Als je ertoe besluit erheen te gaan mijn woorden in de wind slaand, dan zullen de zaken zich niet voor jou ten goede keren; als je door je familielid beledigd bent, zal die belediging rechtstreeks gelijk staan aan de dood.

 

Hoofdstuk 4

Satî Verlaat Haar Lichaam

(1) S'rî Maitreya zei: 'Na dit gezegd te hebben over het einde van het lichaam van zijn vrouw was Heer S'iva stil. Daar zij door S'iva het van de twee kanten te zien kreeg van zowel bezorgd zijn over als bang zijn voor het bezoeken van haar verwanten, wist ze in dubio niet hoe ze zich moest opstellen. (2) Niet gehonoreerd in haar verlangen haar familieleden te treffen was ze daar zeer spijtig over en liet ze uit genegenheid haar tranen de loop; trillend keek ze naar haar Bhava, de ongeëvenaarde, met woede alsof ze hem wilde vermoorden. (3) Toen verliet ze zwaar ademend hem, de heilige haar zo dierbaar die zij haar helft van het lichaam had gegeven; emotioneel door haar treurnis en woede ging ze, met haar hart gezet naar haar vader, naar haar familiehuis uit liefde voor zijn belichaming, in haar intelligentie begoocheld door haar vrouwelijke aard. (4) Zo vlotjes alleen vertrekkend werd Satî, die geen angst kende, snel gevolgd door Manimân en Mada met de stier Nandî in het gezelschap van de duizenden van metgezellen en Yaksha's van de drieogige [Heer S'iva]. (5) Op de uitgedoste stier gezet, werden haar lievelingsvogel, bal, spiegel, lotusbloem, witte parasol, muskietennet, bloemenslingers en andere zaken met haar meegevoerd onder de begeleiding van de muziek van trommels, schelphoorns en fluiten. (6) Ze arriveerde toen daar waar de offerplechtigheid, opgeluisterd door de geluiden van vedische hymnen, werd gehouden in de aanwezigheid van de grote wijzen en grote geesten van overal samengekomen terwille van het offeren met al de offerdieren, potten, klei, hout, ijzer, goud en het gras en de huiden om op te zitten. (7) Toen ze daar aankwam werd ze niet in respect ontvangen uit angst voor degene die het offer bracht [Daksha], behalve dan natuurlijk door haar eigen zussen en moeder, die haar met eerbied omhelsden met verheugde gezichten en kelen verstikt door tranen van genegenheid. (8) Maar Satî, niet verwelkomd door haar vader, kon het niet aanvaarden te worden geëerd door de begroetingen van haar zusters, moeder en tantes die met gepast respect naar behoren haar op de hoogte stelden en haar geschenken en een zitplaats boden. (9) Ziend dat haar vader geen offergaven had voor S'iva en dat het offerperk zonder achting voor de godheid was, de Heer niet in de offerbijeenkomst ontvangend, werd Satî zeer kwaad en keek ze laaiend alsof ze de veertien werelden met haar blikken wilde verzengen. (10) De godin begon, goed te horen in het bijzijn van allen, met woorden vol van woede, S'iva's tegenstanders te vervloeken die zo trots waren op hun moeizame offers, onderwijl zijn Bhûta's, die bereid waren tot de aanval over te gaan, gebiedend zich terug te houden. (11) De gezegende zei: 'Niemand in deze wereld is zijn rivaal, er is niemand belichaamd die hem dierbaar is of zijn vijand is; jegens S'iva, het meest geliefde wezen van het universum, die vrij is van vijandigheid is er, behalve u, niemand die reden heeft afgunstig op hem te zijn. (12) In tegenstelling tot u, o tweemaal geborene, zoekt hij geen fouten in de kwaliteiten van de zoekers der waarheid, met anderen vergroot hij zo veel mogelijk ieder beetje goed uit dat hij aantreft en met hem, de grootste van alle personen, bent u het die aan het foutvinden is. (13) Dit denigreren van hen die van de glorie zijn door degenen die het vergankelijke lichaam aanzien voor het ware zelf, is een lelijk kwaad, dat een afgunst inhoudt op grote persoonlijkheden die waarlijk zeer nuttig is in het, bij het stof van die voeten der heiligheid, neerhalen van henzelf. (14) Personen die slechts maar een enkele keer vanuit het hart de twee lettergrepen van zijn naam uitspreken, zien hun zondige handelen onmiddellijk verslagen; die S'iva wiens gebod nooit wordt geminacht en die van een onberispelijke reputatie is - daar bent u vreemd genoeg afgunstig op. (15) Bezig aan zijn lotusvoeten oefenen de hogere persoonlijkheden die de bovenzinnelijke verrukking nastreven hun denken en voor de gewone man is hij de nectar die gezocht wordt die alle wensen in vervulling doet gaan; jegens hem, de vriend van alle levende wezens van al de drie werelden, is het van alle mensen u die zo is. (16) Denkt u nu werkelijk dat anderen dan u zoals Heer Brahmâ en zijn brahmanen er geen weet van hebben dat hij die als ongunstig wordt geassocieerd met de demonen, die met zijn loshangende samengeklitte haren van de begraafplaats is omhangen met schedels en besmeurd is met as, door hen goedgunstig oftewel S'iva wordt genoemd, op hun hoofden de bloemen nemend die van zijn voeten afvielen? (17) Men zou zijn oren moeten dichtstoppen en weg moeten gaan als er niets anders kan worden gedaan als men wordt geconfronteerd met mensen die onverantwoordelijk de heerser der religie belasteren; en àls men er toe in staat is, zou men met geweld de tong van dergelijke kwaadsprekende godslasteraars moeten uitsnijden en vervolgens zijn eigen leven moeten opgeven. Dat is de manier om dat soort zaken aan te pakken! (18) Daarom zal ik niet langer dit lichaam met me meezeulen dat ik van u, die God belastert, heb ontvangen; om je te zuiveren van het abusievelijk gegeten hebben van giftig voedsel kan men het beste gaan overgeven. (19) De wegen van de mensen en de goden scheiden zich als het denken, in feite van de grote wijzen zich in zichzelf verheugend, niet in staat is de geboden van de Veda na te volgen; en op de eigen plichtsvervulling teruggeworpen moet men dan niet die van een ander gaan kritiseren. (20) Naar waarheid wordt er in de Veda's onderscheid gemaakt tussen handelingen in gehechtheid en handelingen in onthechting [pravritti- en nivritti-dharma], zodat van de beide kenmerken er twee keuzen zijn; om van beide te zijn is een tegenstrijdigheid en zo is het dan dat geen van deze activiteiten naar de zin zijn van hij die van de transcendentie is [S'iva]. (21) O vader, werd niet al de welvaart die we van u hebben, verworven langs de weg der offers? In het genoegen vinden in het voedsel en de geofferde benodigdheden werd het lofprijzen van hem die zijn oorzaak vindt in het ongemanifesteerde bereikt door de zelfgerealisee rden! (22) Met dit lichaam van u dat niet Heer S'iva toebehoort in het begaan hebben van deze overtredingen, moet genoeg genoeg zijn met zo een verwerpelijke geboorte; ik schaam me er diep voor om verwant te zijn met zo een slechte persoon door die geboorte; het is zo beschamend bij iemand te horen die grote persoonlijkheden beledigt. (23) Met het hebben van deze familieband met u wordt ik er zeer triestig onder zo gauw ik mijn grote Heer S'iva mij 'dochter van Daksha' hoor noemen, al mijn vreugde en glimlachen verdwijnen dan onmiddellijk; derhalve zal ik deze zak met beenderen uit uw lichaam voortgebracht opgeven! '

(24) Maitreya zei: 'Aldus tot Daksha sprekend in het offerperk, zette ze zich in stilte neer op de grond met het gezicht naar het noorden en na water te hebben beroerd, sloot ze, gehuld in saffraankleurige kleding, haar ogen, de verzonkenheid vindend in het proces van de yoga. (25) De inwaarts en uitwaarts gaande adem in evenwicht brengend in de beheersing van de yogahouding stuurde zij, die geen blaam treft, haar levensadem naar boven, met intelligentie geleidelijk aan hem opheffend van de navel naar het hart in de richting van de luchtpijp en de keel en vandaar naar tussen haar wenkbrauwen. (26) Zodoende concentreerde zij, die keer op keer vol van respect op de schoot van de meest aanbiddelijke van alle heiligen had gezeten, uit eigen beweging zich op de lucht en het vuur binnenin haar lichaam in haar wens het op te geven als gevolg van haar woede jegens Daksha. (27) Daar zag men toen dat, door het enkel maar te denken aan niets anders dan de nectar van de lotusvoeten van haar echtgenoot, de hoogste geestelijk leraar van het universum, het lichaam van Satî, gezuiverd door de handeling, spoedig in lichterlaaie stond van het vuur dat voortkwam uit haar verzonkenheid.

(28) Van hen die er aldaar getuige van waren, deed er zich in de lucht en de aarde, een luidruchtig en wonderbaarlijk groots brullend ohhh voor: 'Helaas, Satî de geliefde godin van de meest respectabele halfgod, heeft haar leven opgegeven uit woede over Daksha. (29) Oh, zie toch hoe enorm zielloos hij is, de Prajâpati uit wie alle generaties zijn ontsproten; met zijn gebrek aan respect heeft zij vrijwillig haar lichaam opgegeven; zijn eigen dochter Satî, ons herhaaldelijk respect zo waardig. (30) Zo hard van hart en het brahmaanse onwaardig zal hij wijd en zijd een slechte roep verwerven in de wereld, omdat hij met zijn overtredingen als een vijand van Heer S'iva niet heeft verhinderd dat zijn eigen dochter zich voorbereidde op de dood!' (31) Terwijl de mensen zo onderling in gesprek verkeerden na getuige te zijn geweest van de wonderbaarlijke dood van Satî, stonden de dienaren van S'iva met geheven wapens op met de bedoeling Daksha te doden. (32) Met dat hij hen er toen zo zag aankomen offerde Bhrigu echter snel offergaven in het zuidelijke deel van het vuur, onder het reciteren van hymnen uit de Yajur Veda tegen de vernietigers van een offer. (33) Door de gaven die werden geofferd door Bhrigu manifesteerden zich bij duizenden de halfgoden genaamd de Ribhu's die door de maan [Soma] en boetedoeningen grote kracht hadden verworven. (34) De geesten en Guhyaka's [bewakers] door hen aangevallen met de stukken brandhout uit het vuur, vluchtten aldus, door de gloed van enkel de brahmaanse macht, in alle richtingen.

 

Hoofdstuk 5

Het verhinderen van Daksha's offerplechtigheid

(1) Maitreya zei: 'Toen Heer S'iva van Nârada vernam over de dood van Satî vanwege het beledigd zijn door Daksha en dat de soldaten van zijn metgezellen verdreven waren door de Ribhu's die waren voortgebracht uit Daksha's offervuur, gaf hij blijk van een ongekende woede. (2) Zeer kwaad zijn lippen met zijn tanden op elkaar persend greep hij uit de bos haar op zijn hoofd één haar die verschrikkelijk laaide alsof hij van electriciteit was of van vuur, en direct opstaand lachte Rudra met een diep geluid en smeet hij de haar op de grond. (3) Toen verscheen er een grote zwarte man met een huizenhoog lichaam dat straalde als drie zonnen in één en dat een duizendtal armen had die verschillende wapens omhoog hielden. Hij had schrikwekkende tanden, een rij van schedels om zijn nek en haar op zijn hoofd dat eruit zag als een brandend vuur. (4) Op zijn vraag aan de grote Heer, met gevouwen handen: 'Wat kan ik voor u doen, o Heer der Geesten?', werd hem gezegd: 'Jij als de aanvoerder van mijn metgezellen, o Rudra, o expert in de krijgskunst die voortkwam uit mijn lichaam, ga heen en maak een einde aan Daksha en zijn offerplechtigheid!'

(5) Aldus opgedragen, woedend door de verpersoonlijking van de woede zelve die door de goddelijken wordt aanbeden, omliep hij hem, de machtige, zich, met zijn niet te weerstane macht begiftigd, beschouwend als zijnde van het grootste vermogen, mijn beste Vidura, in staat om welke macht tegen hem dan ook het hoofd te bieden. (6) Gevolgd door de soldaten van S'iva die brulden met een enorm rumoer, haastte hij zich derwaarts een drietand met zich meedragend schrikwekkend genoeg om zelfs de dood uit het leven te helpen en banden om zijn enkels die een hard geluid maakten. (7) Op dat moment zagen de priesters, Daksha de leider van de Yajña en al de personen verzameld, dat er vanuit het noorden, de duisternis van een zandstorm aankwam, waarop de brahmanen en hun vrouwen begonnen te speculeren over waar dat stof vandaan kwam: (8) 'Het waait niet, het kunnen geen plunderaars zijn aangezien Koning Barhi nog steeds in leven is om hen te bestraffen, de koeien worden niet opgedreven; dus waar komt dit stof vandaan? Betekent dit dat de wereld op het punt staat te vergaan?'

(9) De vrouwen van Daksha met Prasûti aan het hoofd zeiden vol angst: 'Dit is nou het gevaar dat resulteert uit de zonde van het, als haar Heer en schepper, beledigd hebben van zijn volmaakt onschuldige dochter Satî in de aanwezigheid van haar zusters. (10) Maar hij die ten tijde van de voleinding danst met zijn bos haar loshangend, doorboort de heersers van alle windstreken met zijn drietand en lacht luidkeels, al die windrichtingen uiteendrijvend met het geluid van de donder onder het als vlaggen heffen van de wapens in zijn handen. (11) Hoe kan er ook goed geluk bestaan met het, vanuit Brahmâ, de woede hebben afgeroepen van hem die nu met een ondraaglijke uitstraling vol van woede het zwerk verduistert met de afgrijselijke aanblik van zijn schrikwekkende tanden en de beweging van zijn wenkbrauwen?'

(12) Terwijl de mensen verzameld bij Daksha's offerplechtigheid allen op deze manier aan het spreken waren, nerveus om zich heen kijkend, konden overal en bij herhaling van de grote ziel talloze beangstigende voortekenen worden waargenomen in de lucht en op de aarde. (13) Snel, o Vidura, werd het offerperk omsingeld door de volgelingen van Rudra met zijn keur aan wapens en renden ze rond met hun gedrongen, geel- en zwartkleurige, aan haaien gelijke lichamen en gezichten.

(14) Sommigen trokken de zuilen van de baldakijn omver terwijl anderen de verblijven van de vrouwen, het offerperk, de verblijfplaats van de priesters en de plaats waar gekookt werd binnendrongen. (15) Sommigen sloegen de potten stuk die voor het offeren werden gebruikt, anderen blusten de vuren die terwille van de offerplechtigheid brandden, sommigen urineerden en sommigen trokken de afscheiding omlaag die het offerperk markeerde. (16) Anderen blokkeerden de wijzen de doorgang en sommigen bedreigden de vrouwen en hielden de godsbewusten tegen die ze in hun vluchtpogingen te pakken konden krijgen. (17) Manimân greep Bhrigu Muni vast, Virabhâdra [de grote] ving Prajâpati Daksha, Candes'a hield Pûshâ aan en Nandîs'vara bracht de halfgod Bhaga op. (18) Gebukt onder een regen van stenen verkeerden de priesters, de goddelijken en andere deelnemers aan het offer die dit alles zagen gebeuren, werkelijk in alle staten en waren ze bezig zich in alle richtingen te verspreiden. (19) Van muni Bhrigu, die de lepel vasthield waarmee de uitgietingen werden gedaan, werd door de heer van S'iva [Vîrabhadra] temidden van de bijeenkomst de snor er af getrokken daar hij het had gewaagd hen uit te lachen. (20) Bhaga werden door de grote krijgsheer, die hem met grote woede ter aarde had geworpen, toen in het bijzijn van de Vis'vasriks de ogen uitgestoken, daar hij met het bewegen van zijn wenkbrauwen de vervloeking van heer S'iva had aangemoedigd. (21) Zoals Baladeva dat deed met de koning van Kalinga [tijdens het gokspel bij de huwelijksplechtigheid van Aniruddha], sloeg hij Pûshâ, die lachend zijn tanden had laten zien tijdens de vervloeking van S'iva, de tanden uit de mond. (22) Hoewel gezeten op de borst van Daksha met een scherpe bijl teneinde zijn hoofd van zijn romp te scheiden, was de drieogige reus er niet toe in staat dat te volbrengen. (23) Noch met wapens, noch met behulp van mantra's nog niet in staat om enkel maar een schrammetje toe te brengen, was hij met stomheid geslagen en aldus moest Vîrabhadra er de nodige aandacht aan schenken. (24) Toen zag hij het instrument dat werd gebruikt om de offerdieren te doden en met behulp daarvan scheidde hij het hoofd van het lichaam van de heer die over het offer heerste en nu zelf een offerdier was.

(25) Toen op dat ogenblik ze hem dat zagen doen begonnen allen, de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's van S'iva, te juichen van vreugde terwijl de volgelingen van Daksha het tegengestelde ondergingen. (26) Vîrabhadra gooide, uit zijn grote woede met Daksha, het hoofd bij wijze van offerande in het zuidelijk deel van het offervuur en stak al de voorzieningen van de brahmanen voor de offerplechtigheid in brand. Toen vertrokken ze in de richting van Kailâsa ['daar waar de Guhyaka's verblijven'], de verblijfplaats van hun meester.

 

Hoofdstuk 6

Brahmâ Stelt Heer S'iva Tevreden

(1-2) Maitreya zei: 'Nadat al de halfgoden door de soldaten van Rudra waren verslagen met drietanden, speren, zwaarden, knuppels en hamers, brachten ze tezamen met al de priesters en de andere leden van de bijeenkomst in grote angst verslag uit van de gebeurtenissen aan Heer Brahmâ, hem hun eerbetuigingen brengend. (3) Op voorhand wetend van de onafwendbaarheid van deze gebeurtenissen woonden de Heer geboren uit de lotusbloem [Brahmâ] en Nârâyana, de Superziel van het ganse universum [Vishnu], de offerplechtigheid van Daksha niet bij. (4) Vernemend over wat zich had voorgedaan zei Heer Brahmâ: 'Er is een grote persoonlijkheid geweld aangedaan en dat is, met het oogmerk aldus voort te bestaan, over het algemeen niet bevorderlijk voor uw geluk. (5) Met het begaan hebben van deze overtredingen, Heer S'iva zijn aandeel van de offergaven ontkennend, moet u allen nog steeds, zonder enige terughoudendheid, hem tevredenstellen en snel genade vinden in het zoeken van de beschutting van zijn lotusvoeten. (6) U kan niet verwachten door te gaan met de offerplechtigheid als u niet terstond de god van alle werelden en hun heersers, die u kwaad gemaakt heeft, uw verontschuldigingen aan biedt; verstoken van zijn echtgenote was hij in zijn hart zeer aangedaan door de onaardige woorden. (7) Noch ik, noch Indra, noch wie van u en de anderen ook die een materieel lichaam hebben, of zelfs de wijzen die de waarheid van de reikwijdte van zijn kracht en macht kennen, hebben er ook maar enig idee van wat het betekent om iets dergelijks uit te halen met hem, die zich enkel op de ziel verlaat.'

(8) Nadat hij aldus de godsbewusten had geïnstrueerd ging Heer Brahmâ weg, gevolgd door de voorvaderen en de leiders van het volk, om hen vanaf zijn eigen plaats te leiden naar de verblijfplaats van Heer S'iva, Kailâsa, de beste van alle bergen zo geliefd bij de meester. (9) Daar leeft men met de kruiderij en de verzaking van de vedische hymnen van de yoga, is men tezamen met hen die volmaakt zijn en door andere mensen worden aanbeden en is men altijd vol van de Kinnara's, Gandharva's en Apsara's [de bewoners en zangers van de hemel en hun vrouwen]. (10) De bergketen is vol van allerlei soorten van kostbare juwelen en wordt, begroeid zijnde met bomen, klimplanten en een verscheidenheid aan andere planten, bevolkt door verschillende soorten herten. (11) De toppen met hun kristalheldere watervallen hebben verscheidene grotten die de mystici huisvesten die zich daar vermaken met hun liefhebbende echtgenotes. (12) Met het weerklinken van de schreeuwen van pauwen en het gezoem van bijen blind van dronkenschap, is er de nimmer aflatende zang van de koekoeken en het tjilpen van andere vogels. (13) Met het er rondbewegen van de olifanten en het geluid van de watervallen is het alsof de bomen, beantwoordend aan de wensen van allen, zelf in beweging hun armen uitstrekken en roepen om de vogels. (14-15) De berg wordt verder opgesierd door mandâra, pârijâta, sarala (pijnbomen) en tamâla bomen, s'âla en tâla, kovidâra, âsana en arjuna bomen, cûta's (mango), kadamba's, dhûli-kadamba's en Nâga's, Punnâga's en campaka's en men ziet er ook bomen als pâthala's, as'oka's, bakula's, kunda's en kurabaka's. (16) Hij is goud gekleurd van de lotus en de kaneelboom en prachtig met de mâlatî, de kubja, de mallikâ en de mâdhavî bloemen. (17) Met kata, broodvruchtbomen, julara en banyan bomen, plaksa's, nyagrodha's en bomen die asafoetida voortbrengen zijn er ook betelnoot bomen, pûga's, râjapûga's en jambu's [zwarte bessen en soortgelijk groen]. (18) Met de verscheidenheid aan bomen als kharjûra's, âmrâtaka's, âmra's en dergelijke en anderen als de priyâla's, madhuka's en inguda's, is hij eveneens rijk aan venu-kîcakaih en kîcaka [verschillende soorten bamboe]. (19-20) Kumuda-, utpala-, kahlâra- en s'atapatra-lotussen bedekken de meren van de wouden die, vol van het zachte gefluister van groepen vogels, daarnaast herten, s'alyaka's, bergkoeien en ezels, tijgers, kleinere herten en buffels en dergelijke herbergen. (21) De verschillende soorten herten zoals de karnântra's, ekapada's, as'vâsyas, vrika's en kastûrî's, genieten daar hun leven met de eveneens aanwezige groepjes bananenbomen en de prachtigste lotusmeertjes met zandige oevers. (22) De toegewijden zagen de bijzondere wateren van het Alakanandâ-meer waar Satî had gebaad en ze waren met verwondering geslagen over die berg van de Heer der Geesten. (23) Daar in Alakâ ['ongewoon mooi'] aanschouwden ze daadwerkelijk de verblijfplaats van het woud genaamd Saugandhika ['vol van geuren'], dat zo werd genoemd vanwege het soort van lotusbloemen daar aangetroffen. (24) En zelfs nog meer geheiligd door het stof van de lotusvoeten waren de twee rivieren de Nandâ en de Alakanandâ, die in de buurt van de verblijfplaats van de voeten van de meester stroomden. (25) Beste bestuurder, in die twee rivieren begaven zich de hemelse schoonheden vanuit hun woningen om na hun liefdesspel te spelen met hun echtgenoten, elkaar daarbij natspetterend in het water. (26) De beide stromen geel van het kunkuma poeder deden, met het bad dat ze hen boden, de olifanten en hun wijfjes van het water drinken, zelfs als ze niet dorstig waren. (27) De hemelse verblijven genoten door de vrouwen van de deugdzamen waren overdekt met talloze waardevolle edelstenen, paarlen en goud welke ze er deed uitzien als wolken oplichtend door de flitsen van bliksem.

(28) Door het Saugandhika woud trekkend, zo aantrekkelijk met zijn variëteit aan bomen, dat met bloemen, vruchten en groen aan alle wensen tegemoet kwam, bereikten ze de verblijfplaats van de Heer der Yaksha's. (29) Daar zagen ze de schoonheid van vele roodhalzige vogels waarvan de geluiden zich mengden met het gezoem van de bijen, en zagen ze ook meertjes met groepen zwanen en de zeldzaamste lotusbloemen. (30) De bries van de sandelhoutbomen deden de wilde olifanten samendrommen en prikkelde de geesten van de vrouwen der deugdzamen keer op keer. (31) De traptreden gezien hebbend naar de baadplaatsen vol van lotussen, gebruikt door de getrouwen van de goddelijke persoonlijkheid [de Kimpurusha's], ontdekten ze niet ver daar vandaan een banyan-boom. (32) Op een hoogte van duizenden meters spreidde die zijn takken uit over een kwart van de voet van de berg, een fijne verkoelende schaduw werpend, terwijl er geen vogels in nestelden. (33) Daaronder zagen de goddelijken Heer S'iva, de toevlucht van menig een grote wijze verlangend naar de bevrijding, daar gezeten zo ernstig als de eeuwige tijd zelve in het hebben opgegeven van zijn gramschap. (34) Heilige, bevrijde zielen als de Kumâra's met Sânandana aan het hoofd en Kuvera, de meester der Guhyaka's en Râkshasa's zaten daar in eerbied rondom de statige en serene Heer. (35) Aldaar zagen ze hem als de meester der zinnen, de kennis der verzaking en het pad van de yoga; de vriend van de hele wereld, die uit zijn volle genegenheid de zegen voor allen is. (36) Hij kon worden herkend zoals hij graag wordt gezien door de asceten: met as, een staf, samengeklit haar, gezeten op een antilopenhuid, met een roze oplichtend lichaam en met de sikkel van een halve maan op zijn hoofd. (37) Gezeten op een strooien mat was hij, voor alle wijzen te horen, in gesprek met Nârada over het eeuwige en de Absolute Waarheid. (38) Met zijn linkervoet geplaatst op zijn rechterdij en met zijn rechterhand rustend op zijn knie zijn gebedssnoer vasthoudend, maakte hij een handgebaar om zijn argument kracht bij te zetten. (39) Hij, leunend met zijn knie aldus vastgezet en verzonken in de trance van spirituele gelukzaligheid als de eerste denker der wijzen, ontving aldaar het eerbetoon van al de andere wijzen aanwezig met hun handen gevouwen. (40) Maar toen Heer S'iva zag dat de zelfgeborene, Heer Brahmâ, wiens voeten worden aanbeden, was aangekomen vergezeld door de besten der verlichten en niet-verlichten, stond op en boog vol respect zijn hoofd precies zoals Vishnu dat deed toen Hij als Vâmanadeva Kas'yapa verwelkomde. (41) En zo ook deden dat de andere vervolmaakten en grote rishi's, die van alle zijden het voorbeeld van hun Heer volgden in het brengen van eerbetuigingen. Na dat vertoon van respect begon Heer Brahmâ glimlachend tot Heer S'iva te spreken.

(42)  Brahmâ zei: 'U ken ik als de beheerser, als het vermogen van zowel de vader als de moeder van de ganse kosmische manifestatie en als hij die goedgunstig en verheven is, onveranderlijk en immaterieel. (43) U welzeker vanuit het gunstige van uw energie, schept, handhaaft en vernietigt middels uw persoonlijke expansie, o fortuinlijke, dit universum dat werkt als het web van een spin. (44) Aan u ontlenen waarlijk de getrouwe en gezworen brahmanen de voordelen van de religie en de economie zoals ingesteld met de persoon van Daksha in het bereiden van de offers voor u in deze wereld en het reguleren van het nodige maatschappelijke respect. (45) O meest gunstige van het gunstige, naar uw heerlijkheid leiden de voorgeschreven plichten van de offeraar tot hogere werelden, de hemelen en het bovenzinnelijke en vraagt men zich af waarom er voor iemand ook het tegengestelde en het onfortuinlijke is van een afschuwelijke hel. (46) Maar bij de toegewijden in volle overgave aan uw voeten, die het uwe volmaakt zien in allerlei soorten van levende wezens en vanuit het Allerhoogste geen verschil maken tussen de levende wezens, is er praktisch nimmer de woede aan te treffen, zoals men die aantreft bij de dierlijke mens. (47) Zij die denken dat alles van elkaar verschilt, zien uit naar resultaten en kunnen het niet hebben als het anderen goed gaat; zij die het met het hart hebben opgegeven zijn steeds maar boos op anderen en kwetsen met barse woorden. Zij behoeven niet gedood te worden door u daar ze reeds door de voorzienigheid zijn gedood. (48) Als op sommige plaatsen personen, begoocheld door de onoverkomelijke illusiewekkende energie van de Grote Blauwe [de Heer als Pushkaranâbha], er een ander idee op na houden, zullen heilige personen uit mededogen nooit hun krachten mobiliseren maar in plaats daarvan genade tonen, daar alles door de voorzienigheid is geregeld. (49) Maar, Heer onzer, door het grote vermogen van de Allerhoogste Persoon Zijn materiële energie is de intelligentie die ziet en weet, door diezelfde energie onaangedaan en daarom moet u, in dit geval o Heer, genade hebben met hen die uit hun eigen slaafsheid in hun hart begoocheld zijn. (50) O Heer S'iva, u deed wat u moest doen, een einde makend aan het geheel van de offerplechtigheid van de slechte priesters van Daksha die de opbrengst zouden krijgen van het nu onvoltooide offer dat hij hield; van dat offer hebt u, niet uw deel gegund zijnd, het recht om te nemen wat het uwe is. (51) Laat de offeraar Daksha zijn leven terugkrijgen, Bhagadeva zijn ogen terugkrijgen, Bhrigu zijn snor weer teruggroeien en laat Pûshâ als voorheen zijn rij tanden weer hebben. (52) Laat de godsbewusten wiens ledematen werden gebroken en de priesters die leden onder de wapens en stenen, nu, en wel direct, bij uw gunst, o vertoornde, herstellen van hun verwondingen. (53) O Rudra, laat het deel van wat er ook over is van dit offer het uwe zijn, o beminde Heer, zodat die offerplechtigheid vandaag zijn voltooiing mag vinden, o vernietiger van de yajña.

 

Hoofdstuk 7

Het offer ten uitvoer gebracht door Daksha

(1) Maitreya zei: 'Heer S'iva aldus door Heer Brahmâ tevredengesteld was geheel voldaan, o machtige; luister naar wat hij toen glimlachend zei. (2) Mahâdeva zei: 'O heer van het geschapene, ik neem geen aanstoot aan diegenen die ik beschouw als zijnde kinderen, ik hanteerde de roede daar alleen maar voor hen die begoocheld waren door de uiterlijkheid van God. (3) Laat er de kop van een geit zijn voor de Prajâpati wiens hoofd tot as werd verbrand en laat Bhaga zijn eigen deel van het offer bekijken door de ogen van Mitra. (4) Pûshâ die de ceremonie leidde zal deeg van kikkererwten moeten eten of voedsel dat voor hem is gekauwd, maar de goddelijken die mij wel een deel van het offer vergunden zullen zich volledig herstellen. (5) De twee armen van de As'vins [de tweeling beschermers van de medische wetenschap] en de handen van Pûshâ zijn er voor hen die deze ledematen moeten missen en Bhrigu en de andere priesters mogen de baard van de geit hebben. '

(6) Maitreya zei: 'Allen die op dat moment hoorden wat de beste der begunstigers had gezegd waren in hun hart en ziel voldaan, o mijn beste, en gaven derhalve, zoals wij dat doen, blijk van hun waardering. (7) Daarop werd Heer S'iva door de goddelijken en de wijzen, opnieuw aangevoerd door Bhrigu, uitgenodigd de offerplechtigheid ter wille van de goddelijkheid bij te wonen en tezamen met de vrijzinnige [S'iva] en hij die van de Veda is [Brahmâ] gingen ze daarheen op weg. (8) Ze deden het toen allemaal, zoals Heer Bhava het gezegd had, met het lichaam van de levende [Daksha] en de kop van het offerdier. (9) Zo tewerkgaand werd aldus met die kop koning Daksha, onder toezicht van Rudra, opgewekt uit zijn klaarblijkelijke staat van bewusteloosheid, waarop hij toen de mededogende voor zich zag staan. (10) Op dat moment werd het verontreinigde hart van de Prajâpati door hem te zien, de Heer die de stier berijdt, zo rein als een [zojuist door de regens gevuld] meer in de herfst. (11) Hoewel voornemens tot Bhava te bidden, wou dat, met ogen vol tranen, niet lukken vanwege de heftige stroom van emoties bij de herinnering aan de overleden dochter. (12) Met grote moeite zo ook zijn geest, die verbijsterd was door zijn liefde en genegenheid, tot rust brengend, bad de Prajâpati die weer bij zinnen was gekomen tot hem met lof en welgemeende gevoelens. (13) Daksha zei: 'Hoe groot is de gunst mij ten deel gevallen in de bestraffing door u voor al het verkeerde dat ik deed; hoewel u verslaat, ontkent u zelfs niet een ongekwalificeerde brahmaan. Noch van u noch van Vishnu, mijn Heer, is er sprake van enige verwaarlozing en is er aldus zekerheid voor diegene die offers brengt. (14) O Grote der Groten, als hij die als eerste werd geschapen uit de mond van Brahmâ met de bedoeling de leringen der zelfrealisatie, de geloften en de verzaking te verkondigen, beschermt u met een stok in uw hand als iemand die zijn kudde beschermt, al de brahmanen. (15) U die door mij, me niet bewust van uw werkelijkheid, door de pijlen van onaardige bewoordingen werd beledigd in de bijeenkomst, slaat daar niet werkelijk acht op; toen u mij in de hel zag afglijden door het belasteren van de meest respectabele, hebt u mij uit mededogen gered en over datgene wat u uit uw eigen genade deed, o Heer, wens ik dat u tevreden bent.

(16) Maitreya zei: 'Aldus vergiffenis vindend en door Heer S'iva en Heer Brahmâ toegestaan het offer te brengen, begon hij er opnieuw weer mee samen met de priesters, de geschoolden en de anderen. (17) Voor het brengen van het offer dat bedoeld was voor Vishnu, bereidden de brahmanen zich voor op de drie soorten van offerandes en voerden ze de offerplechtigheid genaamd purodâs'a uit teneinde gezuiverd te raken van het in contact zijn geweest met Vîrabhadra en zijn mannen. (18) O Vidura, vanaf het ogenblik dat de leider van de Yajña er aldus in slaagde met behulp van geklaarde boter en hymnen uit de Yajur Veda het offer te brengen en in meditatie zijn heiliging vond, verscheen Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid. (19) Op dat ogenblik zagen allen de gloed der tien windrichtingen overschaduwd door de helderheid van de uitstraling van Hem Zelve, die werd gebracht door Garuda [of Stotra] op zijn enorme vleugels. (20) Met een donkere huidskleur, kleding als van goud, een helm met de schittering van de zon, krullend haar zo zwart als zwarte bijen, een gelaat opgesierd met oorhangers, een schelphoorn, een lotusbloem, een schijf en pijlen, een boog, een knots, een zwaard en schild en vele gouden sieraden, zag Hij, met alles wat Hij in Zijn handen had, er uit als een boom in de bloei. (21) Omhangen met woudbloemen had Hij de vrouw [Lakshmî] op Zijn borst en slechts een klein deel van Zijn verheven glimlachende blik volstond om de gehele wereld te plezieren; aan Zijn zijde bevonden zich witte wuifkwasten en boven Hem kon men een koninklijke baldakijn zien die zo wit was als de maan. (22) Nadat ze Hem zagen arriveren, toonden al de halfgoden en de anderen onder leiding van Brahmâ, Indra en de drieogige S'iva, onmiddellijk hun respect door van hun zitplaatsen op te staan. (23) Overstraald door de luister van de gloed van Zijn uitstraling vielen ze allen stil en vol ontzag beroerden ze hun hoofden neerbuigend om te bidden voor Adhokshaja, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (24) Hoewel Zijn heerlijkheid het bevattingsvermogen te boven gaat van zelfs de machtigen der ziel in hun verschillende capaciteiten, konden ze nu door Zijn genade hun gebeden brengen met het aanschouwen van Zijn bovenzinnelijke gedaante. (25) Daksha, die, zijn toevlucht zoekend, werd aanvaard met zijn gerechte offerandes in opoffering voor de meester aller offers, de allerhoogste leraar van alle stamvaders der mensheid die door Nanda en Sunanda [de belangrijkste dienaren van Nârâyana in Vaikunthha] wordt bijgestaan, bracht Hem toen met het grootste genoegen, een onderworpen geest en gevouwen handen zijn gebeden. (26) Daksha zei: 'Uwe Heerlijkheid hier nu aanwezig, uit de zuiverheid van Uw eigen verblijfplaats volledig hier teruggekeerd in volmaakte transcendentie boven alle mentale gissingen, bent die ene zonder weerga, de beheerser zonder angst van alle materie, die, met haar [Mâyâ] ingegaan in het onzuivere, voor zeker degene is van het overzicht die in Zichzelf volkomen is. '

(27) De priesters zeiden: 'Wij allen, niet bekend met de waarheid van Uwe Heerlijkheid die vrij is van de invloed van de materiële wereld en van een intelligentie zijnde van een te grote gehechtheid aan vruchtdragende bezigheden door de vloek van S'iva, o Heer, weten nu van de naam [Yajña] van het symbolische van deze regeling van religieus offeren dat zich in drie afdelingen beweegt en ter wille waarvan we in de aanbidding van halfgoden verkeren.'

(28) De leden van de bijeenkomst zeiden: 'Op het pad van herhaalde geboorte en dood hebben we geen plaats om te schuilen; we hebben er hevig onder te lijden gebonden te zijn aan dit machtige bolwerk van de tijd, dat vol is van lelijke slangen en waarin de luchtspiegeling van het materieel geluk van een huis en een lichaam een zware last vormt. Als we moeten leven met de dubbele valkuil van verdriet en zogenaamd geluk, de angst voor wilde dieren, de bosbrand van het weeklagen over het belang van de onwetendheid en het geplaagd zijn door allerlei soorten van verlangens, genieten wij, met U die beschutting biedt, de bescherming van Uw lotusvoeten.'

(29) Rudra zei: 'O allerhoogste begunstiger, als ik, verlangend naar bevrediging in de materiële wereld, mijn geest heb gefixeerd op Uw beminde lotusvoeten die voorzeker worden verzorgd en aanbeden door de bevrijde wijzen, hecht ik er, met een mededogen gelijk aan dat van U, geen waarde aan, als onwetende mensen klagen over een gebrek aan orde. '

(30) Bhrigu zei: 'Van Heer Brahmâ tot aan alle andere belichaamde wezens toe zijn zij, die onder de invloed van de onoverkomelijke materiële energie verkeren en verstoken zijn van de kennis van hun oorspronkelijke zelf, gehuld in de duisternis der illusie en bevinden ze zich niet in de ene ziel; ze kunnen Uw situatie als het absolute van de werkelijkheid niet begrijpen. O Heer, U, als de vriend van de overgegeven ziel, wees ons genadig.'

(31) Brahmâ zei: 'In het proberen Uw persoon te zien, kan deze eeuwige gedaante van U niet worden gekend door de verschillende deugden van respect om kennis te verwerven, daar het objectieve van de werktuigen der kennis en hun materiële basis verschilt in het acht slaan op U.'

(32) Indra zei: 'Voorzeker is deze transcendentale gedaante, o Onfeilbare, er voor het welzijn van het universum en is ze een bron van genoegen voor de geest en het oog daar U, in het bezit van de acht wapens omhooggehouden door Uw armen, hen straft die afgunstig zijn op Uw toegewijden.'

(33) De vrouwen van hen die de offerplechtigheid bijwoonden zeiden: 'Dit met offers aanbidden zoals ingesteld door Brahmâ werd verwoest door Heer S'iva; moge vandaag de schoonheid van Uw lotusgelijke blik, o Heer van het offer, heiligen wat door de woede jegens Daksha de stilte werd, die gelijk is aan die van de dode lichamen van de offerdieren.'

(34) De wijzen zeiden: 'Hoe wonderbaarlijk o Opperheer, zijn Uw handelingen waarvan in de uitvoering van het werk ervoor U voorzeker nimmer gehecht bent; noch is Uwe Heerlijkheid dat met de genade van Uw welwillende dienares, de Godin van het Fortuin Lakshmî, waarvoor men in aanbidding verkeert.'

(35) De volmaakten zeiden: 'Ondergedompeld in de rivier van de geest van de zuivere nectar van Uw tijdverdrijf herinneren we ons als een olifant, dorstig van de hitte van een bosbrand, niet langer die misère van het aangedaan zijn en wensen we, verenigd in het Absolute ervan, het nimmer achter ons te laten.'

(36) Daksha's vrouw zei: 'Wees behaagd mijn Heer met mijn eerbetoon voor uw goedgunstig verschijnen, o toevlucht van de Godin; met Lakshmî als Uw echtgenote, beschermt u ons. Ons offerperk kent geen schoonheid zonder Uw armen, o beheerser, precies zoals een onthoofde persoon geen weet heeft met enkel een lichaam.'

(37) De plaatselijke bestuurders zeiden: 'Erover in twijfel of we U nu gezien hebben met onze materiële zinnen, wordt U, met het onthullen van Uw eeuwige gedaante, zeker gezien als de innerlijke getuige aan wie de gehele wereld van illusie haar zekerheid in het bestaan ontleend, o eigenaar van alles, daar U met de elementen verschijnt als de zesde van de vijf der zinnen.'

(38) De groten van de yoga zeiden: 'Zij die, door niemand anders dan U zo dierbaar te achten, zichzelf zien als bestaande in U en niet als los bestaand van U, de Superziel van alle wezens, o meester, zijn U zeer dierbaar; en hoeveel meer begunstigt U niet feilloos die zielen, o Heer, die daarmee met toewijding in aanbidding verkeren, o liefdevolle ouder. (39) Aan Hem in Zijn persoonlijke gedaante, die uit Zijn materiële energie in de levende wezens de bestemming voortbracht van hun verschillende toeneigingen, gevarieerd in de vele materiële kwaliteiten in de materiële wereld naar schepping, handhaving en vernietiging en die door Zijn innerlijk vermogen er voor zorgde dat de interactie van de geaardheden tot een einde kwam, dragen wij onze gebeden op.'

(40) De Veda's in eigen persoon verklaarden: 'Ons respect voor U die de beschutting bent van de kwaliteit der goedheid en de bron bent van de verzaking en boete in alle religies, ontstegen aan de geaardheden der natuur; Ik noch iemand anders kent werkelijk U of Uw situatie.'

(41) Agni, de vuurgod zei: 'Door Uw gloed ben ik lichtend als het grootste vuur en mag ik in opoffering de vijf soorten van offerandes vermengd met boter aanvaarden; ik biedt Yajña, de beschermer der offerandes, die wordt aanbeden middels de vijf soorten van hymnen uit de Veda, mijn eerbetuigingen.'

(42) De goddelijken zeiden: 'Voorheen bij de verwoesting van het tijdperk [kalpa] mediteerden de bevrijde zielen in hun harten in filosofische speculaties en hen behoudend, ze in Uw buik terugtrekkend, was U in werking voorzeker de Oorspronkelijke Persoonlijkheid rustend in het water neerliggend op het slangenbed Ananta S'esha; en nu zien we met onze beide ogen dat U zich beweegt op de weg van het beschermen van ons Uw dienaren. '

(43) De bewoners van de hemel zeiden: 'Marîci en de grote wijzen onder de leiding van Brahmâ en Indra en de goddelijkheid geleid door S'iva, moet worden gezien als deel en geheel van Uw lichaam, o God; mogen we jegens de Allerhoogste Almachtige voor wie deze hele schepping slechts iets is om mee te spelen, o Heer, altijd in eerbied verkeren en U onze eerbetuigingen aanbieden.'

(44) De Vidyâdhara's [zij die van de kennis houden] zeiden: 'Na, door Uw extern vermogen het lichaam te hebben verkregen en zich er foutief mee geïdentificeerd te hebben, aanwezig in het lichaam denkend in termen van 'ik' en 'mijn', ziet de onwetende persoon het lichaam aan voor zichzelf en volgt hij zelfs, zijn geluk zoekend in zinsobjecten, de verkeerde wegen afgeleid als hij is door materiële bezittingen; maar zich lavend aan de nectar van Uw onderwerpen kan hij, zelfs al is hij daar ver van afgedwaald, verlossing vinden.'

(45) De brahmanen zeiden: 'U bent het offer, het uitgieten van de geklaarde boter, het vuur in eigen persoon; U bent de mantra's, de brandstof, het kus'a gras [om op te zitten] en de potten; U bent de leden van de bijeenkomst, de priesters, de leider van de yajña en zijn vrouw, de halfgoden en de heilige plechtigheid voor het vuur, de offers gebracht aan de voorvaderen, de soma-plant, de gezuiverde boter zelf en het offerdier [zie ook B.G. 4: 24]. (46) In het verleden was U het die vanuit de wateren, als een olifant die een lotus oppakt, de wereld ophief op Uw slagtanden als de grote zwijn-incarnatie [zie 3.13]; spelenderwijs werd de vibratie opgepikt door grote wijzen als Sanaka als een offerande van gebeden in de vorm van een plechtigheid, o kennis van de Veda's in eigen persoon. (47) U als diezelfde persoon, vragen we tevreden te zijn over ons die in afwachting van Uw aanwezigheid verkeren, in nalatigheid van het brengen van het offer. Door het zingen van Uw heilige namen bereiken personen, o Heer van het offer, het tenietdoen van hindernissen; aan U onze respectvolle eerbetuigingen.'

(48) Maitreya zei: 'O gezegende, met Hrishîkes'a [Vishnu als de Heer der zinnen], de beschermer der offers, aldus verheerlijkt, trof Daksha, gezuiverd, maatregelen om de offerplechtigheid die door Vîrabhadra was verwoest te hervatten. (49) O zondeloze, Heer Vishnu, de Superziel van alle wezens en genieter van alle offers, was met het hebben verkregen van Zijn deel, tevredengesteld en richtte zich tot Daksha. (50) Heer Vishnu zei: 'Ik, Brahmâ en Heer S'iva eveneens, verschillen niet in het zijn van de allerhoogste oorzaak en Superziel, de getuige en de in zichzelf tevredene van de materiële manifestatie. (51) Ikzelf, binnengegaan in Mijn eigen uiterlijke energie samengesteld uit de geaardheden der natuur, o tweemaal geborene, schep, handhaaf en vernietig de kosmische manifestatie en, overeenkomstig de activiteit, draag Ik een naam naar gelang de zaak waarvoor Ik Mij manifesteer. (52) Hem, het opperste Brahmân, dat zijns gelijke niet kent, is als één Superziel met zowel Brahmâ als S'iva, maar de levenden die hier niet van op de hoogte zijn, denken van hen dat ze gescheiden bestaan. (53) De manier waarop een persoon somtijds geen verschil maakt tussen het hoofd, de handen en andere delen van zijn lichaam, zo ziet ook Mijn toegewijde geen verschil tussen de levende wezens. (54) Hij die van de drie die van een enkele natuur zijn, waarlijk, van de Superziel in alle levende wezens, niet de gescheidenheid ziet, o brahmaan, realiseert de vrede.'

(55) Maitreya zei: 'De meest vooraanstaande der stamvaders aldus toegesproken door de Allerhoogste Heer Hari aanbad toen, nadat hij het Zijne had aanbeden met het nodige ceremonieel, afzonderlijk de halfgoden. (56) Aangezien hij met een geconcentreerde geest Heer S'iva naar zijn aandeel had aanbeden en door die wijze van optreden tezamen met de priesters het zowel had volbracht voor de goddelijken en de anderen die zich hadden verzameld, nam hij het afsluitende [avabhritha] bad. (57) Door zowel de Allerhoogste Zijn deel toe te kennen was aldus voorzeker de volmaaktheid van de religieuze plicht bereikt en vertrokken deze drie van de godendienst, die aldus de intelligentie hadden geschonken, naar hun verblijfplaatsen. (58) Satî, de dochter van Daksha, nadat ze voordien haar lichaam had opgegeven, werd geboren uit de echtgenote van Menâ [of Menakâ] die in de Himalaya's leeft, zo heb ik vernomen. (59) Als zijn geliefde was Ambikâ [Durgâ of Satî], daar ze tot geen ander was aangetrokken, er zeker van wederom hem [S'iva] als haar echtgenoot te aanvaarden, als het ene doel, het oorspronkelijk mannelijke van de persoon dat sluimert in de uiterlijke vrouwelijke energie. (60) Dit verhaal over S'ambhu [Heer S'iva als de ene van alle wezens] die Daksha's offer vernietigde, vernam ik van een grote toegewijde en discipel van Brihaspati: Uddhava. (61) De persoon die na het horen van deze zuivere wederwaardigheid over de weg van het Allerhoogste, steeds met geloof en toewijding tracht er verslag van te doen, zal roem vinden, lang leven en de vernietiging van zijn zonden bereiken in het bevrijd zijn van alle materiële smetten, o afstammeling van Kuru.

 

Hoofdstuk 8

Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

(1) Maitreya zei: 'Geen van hen aangevoerd door Sanaka of de andere zonen van Brahmâ Nârada, Ribhu, Hams'a, Aruni en Yati, bleven thuis; ze leidden voorzeker een celibatair bestaan [ûrdhva retasah, hun zaad opwaarts zendend]. (2) O vernietiger der vijanden, Mrishâ, de vrouw [en zuster] van [een andere zoon van Brahmâ met de naam] Goddeloosheid bracht de twee [zoons] voort die Bluf en Bedrog heetten, maar ze werden meegevoerd door [een demon genaamd] Nirriti die kinderloos was. (3) Uit hen twee werden Hebzucht en Listigheid geboren en, o grote ziel, uit die twee waren er Woede en Wandaad. Op hun beurt waren er van hen beide Kali en de zus genaamd Barse Woorden. (4) O beste der waarachtigen, uit Barse Woorden bracht Kali de Angst voort en de Dood en van de combinatie van die twee werden Kwellende Pijn zowel als de Hel verwekt. (5) In het kort heb ik u aldus uiteengezet wat de oorzaak der verslagenheid is; de besmetting van uw ziel zal worden weggewassen als u, als een kuis iemand, drie maal deze beschrijving hoort, o zuivere.

(6) Vervolgens, zal ik nu de dynastie beschrijven vermaard om zijn deugdzaam handelen, o beste der Kuru's, die ontstond uit de Manu genaamd Svâyambhuva, die een deel was van een volkomen aspect [te weten Brahmâ] van de Persoonlijkheid van God. (7) Uttânapâda en Priyavrata, de twee zoons van koningin S'atârûpa en haar echtgenoot, waren, deel uitmakend van een volkomen deelaspect [Brahmâ] van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, er voor de bescherming en handhaving van de wereld. (8) Van de twee vrouwen van Uttânapâda, Sunîti ['van goed gedrag'] en Suruci ['zij die behagen schept'], was Suruci de echtgenoot veel dierbaarder dan de andere die een zoon had die Dhruva ['de onverzettelijke']heette. (9) Toen eens de koning de zoon van Suruci genaamd Uttama ['hij die excelleert'], die hij op zijn schoot had gezet, aan het liefkozen was, toonde hij zich niet ontvankelijk voor Dhruva die ook op zijn schoot probeerde te kruipen. (10) Koningin Suruci die, al te trots, jaloers was, deed het kind van de bij-vrouw, Dhruva, die op hem probeerde te klimmen, naar haar luisteren, zo sprekend dat de koning het kon horen. (11) 'Mijn beste kind, je verdient het niet te gaan zitten waar de koning zit, die plaats behoort mij toe omdat, hoewel je werd geboren als een zoon van de koning, je niet uit mijn schoot werd geboren. (12) O kind, probeer voor jezelf te begrijpen dat, omdat je niet de mijne bent maar uit de buik komt van een andere vrouw, dat wat je verlangt buiten je bereikt ligt. (13) Je kan jezelf op de troon van de koning plaatsen als je dat zo wenst, maar dat kan alleen maar als je, door boete te doen, de persoon van God tevreden hebt gesteld en jezelf hebt verzekert van een plaatsje in mijn schoot.'  

(14) Maitreya zei: 'Pijnlijk getroffen door de harde woorden van zijn stiefmoeder, brieste hij van woede, als een slang met een stok geslagen, en toen hij zag hoe zijn vader zwijgzaam toekeek, begon hij te huilen en ging hij weg naar waar zijn moeder zich ophield. (15) Van de anderen gehoord hebbend wat er was gebeurd tilde Sunîti haar briesende zoon, van wie de lippen trilden, op haar schoot en treurde ze over wat was gezegd door haar mede-echtgenote. (16) Haar beheersing verliezend weeklaagde ze met een vuur van treurnis dat brandde als droge bladeren, toen ze terugdacht aan de dingen gezegd door de andere vrouw, en sprak ze door het waas van de tranen die van haar mooie lotusgezicht vielen. (17) Kort van adem zag de dame niet hoe ze het gevaar af moest wenden en zei ze tegen haar zoon: 'Wens anderen niet ook maar iets ongunstigs toe, mijn liefste zoon, een persoon zal zelf moeten lijden onder het kwaad dat hij anderen toewenst. (18) De waarheid van wat moeder Suruci je heeft gezegd over dat je uit de buik van mij, de onfortuinlijke, geboren bent en dat je opgegroeid bent met de melk uit die borst, is dat de koning zich is gaan schamen of in andere woorden, dat hij er spijt van heeft mij als zijn vrouw te hebben aanvaard. (19) Als je er naar verlangt op de troon te zitten zoals Uttama dat doet, hou je dan enkel bezig met het aanbidden van de lotusvoeten van Adhokshaja, de Bovenzinnelijke Heer, mijn liefste zoon, zonder jaloers te zijn, daar alles wat je stiefmoeder je gezegd heeft getrouw de feiten is. (20) De Ongeborene [je overgrootvader, Brahmâ] verwierf zonder twijfel zijn verheven positie in het universum met de geschiktheid te scheppen, door het aanbidden van de Ene van wie we de lotusvoeten kennen en die kan worden benaderd door degenen die in zelfregulatie het denken overwonnen. (21) Zo ook vond de Manu, je achtenswaardige grootvader, daarnaar zijn bevrijding; hij in aanbidding met een onwankelbare toewijding en met grote liefdadigheid in het brengen van offers, het goddelijke bereikend in het aardse geluk, dat moeilijk op een andere manier te bereiken is. (22) Zoek jij ook bij Hem, de Zachtmoedige die zorg draagt, mijn lieve jongen, je toevlucht, zoals alle mensen die bevrijd willen raken de weg van de lotusvoeten moeten zien te vinden; houdt vastberaden, vanuit je eigen oorspronkelijke aard, je geest gevestigd op het toegewijd dienen van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God. (23) Uitkijkend naar anderen die je moeilijkheden zouden kunnen wegnemen weet ik niemand anders waarop je je zou kunnen richten behalve Hem, Hij met de lotusogen, mijn liefste, die, van al de anderen, degene is die gezocht wordt door de Godin van het Geluk, met een lotusbloem in haar hand, zelve.'

(24) Maitreya zei: 'Na zich de bezielende woorden van de moeder ter harte te hebben genomen verliet hij, zichzelf bedachtzaam beheersend, het huis van zijn vader.(25) Nârada die erover vernam en wist wat hij van plan was te gaan doen, was verrast en met de hand, die alle zonde kon verdrijven, zijn hoofd beroerend, riep hij uit: (26) 'Oh die macht van de heersers! Niet in staat ook maar enige inbreuk op hun prestige te verdragen, heeft deze hier die nog maar een kind is, zich de onaangename woorden die van zijn stiefmoeder afkomstig zijn aangetrokken.' (27) Nârada zei toen: 'Waarom is het zo, mijn beste jongen, dat met jou, momenteel geen respect vindend beledigd als je bent, ik niets zie van de gehechtheid aan sport en spel normaal voor jongens als jij? (28) Ook al zie je geen andere mogelijkheid, welke redenen, anders dan het begoocheld zijn, zouden er voor de mensen bestaan om ontevreden te zijn in deze wereld waarin men door zijn karma gescheiden is van elkaar? (29) Daarom zou je tevreden moeten zijn, mijn beste; wat het ook moge zijn waartoe het lot een persoon voorbestemt, het wordt door een intelligente persoon gezien als een weg naar het Allerhoogste. (30) Is het daarom niet zo, zoals ik er van overtuigd ben, dat de yoga die je moeder je zei te doen om jezelf tot Zijn genade te verheffen, te moeilijk is voor iemand als jij? (31) De grootste wijzen die zich vele levens lang op het pad der onthechting bevonden, konden er niet achter komen waar ze naar op zoek waren, ondanks dat ze zich bezighielden met de zwaarste ontzeggingen. (32) Zo, nu dan, hou op met dit besluit van je, daar bereik je niets mee. Bewaar dat maar voor de toekomst, je zal zien dat er zich dan voor jezelf ruim voldoende mogelijkheden voordoen. (33) Een ieder die tevreden is met welk geluk of ongeluk ook dat hem door het lot wordt toebedeeld, kan met zijn belichaamde ziel gene zijde van het duister bereiken. (34) Over dat wat beter is moet men verheugd zijn, voor dat wat van een mindere kwaliteit is moet men meedogen koesteren en voor dat wat gelijk is moet men vriendelijk zijn; er aldus geen begeerten op nahoudend raakt men door beproevingen nooit van slag.'

(35) Dhruva zei: 'Deze evenwichtigheid van geest waar u het over heeft o Heer, is van hen die vol van genade zijn voor diegenen die zijn aangedaan, maar voor personen als wij is het zeer lastig het te zien zoals u het ziet. (36) Omdat ik mijn geboorte nam als een bestuurder is het zo dat ik niet zo verdraagzaam ben; pijnlijk getroffen door de harde woorden van moeder Suruci kan ik mijn hart er niet bijhouden [bij wat u zei]. (37) Vertel me alstublieft wat een eerlijke manier is om mijn verlangen te vervullen naar zo een verheven positie over de drie werelden, o brahmaan, als zelfs niet door anderen als mijn vader, grootvader en voorvaderen was te verkrijgen. (38) Weledele, uit Brahmâ als een waar deel geboren trekt u, de vîna bespelend, gelijk de zon rond over de hele wereld ter wille van haar welzijn.'

(39) Maitreya zei: 'Zo horend wat hij hem had gezegd, was Nârada zeer verheugd, waarop hij vol mededogen antwoord gaf om de jongen van advies te dienen. (40) Nârada zei hem: 'Dat pad waar je moeder het over had is zeer zeker je eindbestemming; verleen de Allerhoogste Heer Vâsudeva dienst door Hem volledig in je denken op te nemen. (41) Iemand die uit naam van plicht, deugd, bevrediging en bevrijding het doel van het leven van de ziel nastreeft, moet wat dat betreft enkel en alleen maar eropuit zijn Zijn voeten te dienen. (42) Begeef je daartoe, met mijn zegen mijn beste, naar de oever van de Yamunâ en wees gezuiverd door de heiligheid van het Madhuvana-woud waar de Heer steeds aanwezig is. (43) Als je een bad genomen hebt in die rivier daar, de Kâlindî [de naam van de berg waar de Yamunâ ontspringt], drie maal daags, hetgeen op de juiste wijze gedaan zeer gunstig is, moet je gaan neerzitten op een daartoe geschikt gemaakte zitplaats. (44) Middels het drievoudige van de adembeheersing [prânâyâma: het beheersen van de in-, de uitgaande en de uitgebalanceerde adem] geleidelijk opgeven van de onzuiverheden van het denken in relatie tot de levensadem en de zinnen, moet men met een onverstoorde geest mediteren op de Allerhoogste Geestelijk Leraar. (45) Altijd bereid tot de genade, met Zijn aangename mond en Zijn manier van kijken, Zijn rechte neus, hoge wenkbrauwen en intelligente voorhoofd, is Hij de schoonheid van de halfgoden. (46) Jeugdig, aantrekkelijk in al Zijn leden en met lippen zo rood als de rijzende zon, is Hij de toevlucht van hen die zich overgeven en bovenzinnelijk in ieder opzicht; de waardige die welwillend is als de oceaan. (47) Gekenmerkt door de S'rîvatsa [een paar witte haren op Zijn borst] en van een diepe blauwachtige kleur, is Hij de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, omhangen met bloemen, die de schelphoorn, de knots, de werpschijf en de lotusbloem in Zijn vier handen laat zien. (48) Zijn helm, oorhangers van paarlemoer, halsketting, armbanden en het Kausthuba juweel, draagt Hij bij kleding van gele zijde. (49) Hij heeft kleine gouden belletjes om Zijn middel en Zijn enkels en is van een superieure kalmte, vrede en rust, die zowel aangenaam is voor het oog als voor de geest. (50) Hij vindt Zijn plaats op de werveling van de lotus van de harten van hen die in eerbetoon zich verenigen in het licht van de glinstering van de nagels van Zijn lotusvoeten. (51) Men moet op deze manier regelmatig het glimlachen voor zich zien van de Heer, zo vol van genegenheid voor de toegewijden en aldus met volle aandacht in de geest mediteren op de grootste aller weldoeners. (52) Het denken aldus mediterend op de zeer gunstige gedaante van de Opperheer is, dan bovenzinnelijk verrijkt, zeer spoedig bevrijd van alle materiële invloeden en zal nimmer naar elders voeren

(53) Alsjeblieft, hoor van mij nu de zeer, zeer vertrouwelijke mantra om te zingen, o prins, waarvan, als men dat zeven nachten lang doet, een persoon de schoonheid der hemelen mag aanschouwen. (54) 'Om namo bhagavate vâsudevâya' [alle eer aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer]; met deze mantra [genaamd de dvâdas'âkshara-mantra] moet hij die onderlegd is respect oefenen voor het fysieke van de Heer, op de manier zoals het hoort, met de verscheidene toebehoren en als iemand op de hoogte van de verschillen naar gelang de plaats en tijd [des'a-kâla-vibhâgavit]'. (55) Men zuivert met behulp van water, slingers van bloemen uit de natuur, wortels, de verschillende vruchten en groenten, vers gras, knoppen, schors en met respect voor de tulasî-blaadjes, welke de Heer, uw meester zeer dierbaar zijn. (56) Men kan ermee beginnen zich een godheid te verschaffen gemaakt van stoffelijke elementen als aarde en water [klei], of, als een grote persoonlijkheid, van volledige zelfbeheersing zijn en in vrede de spraak onder controle houden en karig eten van wat het woud ook maar te bieden heeft. (57) Daartoe moet je mediteren op de fascinerende activiteiten waar de Allerhoogste Heer der Wijsheid van te kennen geeft, op de manier zoals Hij, door Zijn eigen vermogen, uit eigen beweging zo ondoorgrondelijk incarneert. (58) In dienst zijn van de Allerhoogste Heer zoals ik het je heb gezegd, is de aanbeveling van de voorgaande leraren van het voorbeeld die men, vanbinnen het hart, voorzeker met de mantra's moet eerbiedigen, daar zij er de belichaming van zijn. (59-60) Aldus eenvoudig met het lichaam, de geest en de woorden denkend aan de Heer, wordt, bezig met het verlenen van diensten, de Opperheer naar de regels van de bhakti aanbeden. De toegewijden die oprecht en serieus bezig zijn, beloont de Heer, die de liefde brengt, met wat ze verlangen met betrekking tot het geestelijk leven en de voordelen [de zogenaamde purushârtha's] der gebonden zielen. (61) In volledige onthechting van alle zinsbevrediging moet men, het in bhakti-yoga ernstig menend met de bevrijding, zonder aflaten een respect oefenen dat doordrenkt is van de liefde voor Hem rechtstreeks.'

(62) Aldus door hem aangesproken, omliep de zoon van de koning hem, zijn eerbetuigingen brengend en ging hij naar het Madhuvana-woud dat, met de voetafdrukken van de lotusvoeten van de Heer, er de juiste plaats voor was. (63) Toen hij zich aldus had teruggetrokken door het bos in te gaan, dacht de gerespecteerde wijze er goed aan te doen de koning te bezoeken in zijn paleis en aldaar comfortabel gezeten sprak hij tot hem. (64) Nârada zei: 'Beste Koning, waar zit u zo diep over na te denken met een triest gezicht - hebt u uw greep op de bevrediging, de religie of de economie verloren?'

(65) De koning gaf ten antwoord: 'O brahmaan, mijn lieve jongen, mijn zoon, alhoewel hij nog maar vijf jaar oud en feitelijk een grote persoonlijkheid en toegewijde is, heb ik, al te gehecht aan mijn vrouw en te hard van hart, tezamen met zijn moeder van hier verdreven. (66) Ik maak me er zorgen over of, zonder door wie ook in het woud beschermd te zijn, o brahmaan, de hulpeloze jongen wiens gezicht is als dat van een lotus, niet door de wolven is verslonden, in zijn, uitgeput door de honger, vermoeide neerliggen. (67) Helaas, hoe wreed was ik, overwonnen door een vrouw; denkt u zich in hoe allerhardst van hart ik hem de genegenheid geweigerd heb toen hij uit liefde probeerde op mijn schoot te klimmen.'

(68) Nârada zei: 'Wees niet, zeg ik u, wees niet bedroefd over uw zoon. Hij wordt goed beschermd door de Godheid, o meester der mensen, u weet niet hoe wijdverspreid Zijn invloed is over de gehele wereld. (69) De jongen is heel capabel; nadat hij gedaan heeft wat zelfs voor de grootsten die er zijn onmogelijk is, zal hij, ten gunste van uw reputatie, meteen weer naar u terug komen, beste Koning.'

(70) Maitreya Muni zei: 'De koning, vernemend wat Nârada hem zei, begon over hem na te denken en verviel in nalatigheid wat betreft zijn welvarende koninkrijk. (71) Ondertussen werd, na het nemen van een bad, die nacht vastend, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid [door Dhruva] aanbeden met een volmaakte aandacht zoals Nârada dat had aangeraden. (72) De eerste maand dat hij de Heer aanbad, at hij alleen maar, voor het hoogst noodzakelijke onderhoud van zijn lichaam, vruchten en bessen 's ochtends na iedere derde nacht. (73) De volgende maand zette de onschuldige jongen zijn respect voor de Almachtige voort, door iedere zesde dag te eten zoals beschreven, dagelijks voedsel tot zich nemend bereid uit grassen en bladeren die verdroogd waren. (74) Met het verstrijken van de derde maand dronk hij iedere negende dag alleen maar water, volledig verzonken in zijn respect voor de Heer der Wijsheid, Uttama S'loka. (75) Op die manier doorgaand tot in de vierde maand, at hij iedere twaalfde dag enkel nog lucht, met het beheersen van zijn adem, mediterend in het aanbidden van God. (76) Met de vijfde maand nog steeds zijn adem beheersend, stond de zoon van de koning, mediterend op de Schepper, als een pilaar op één been zonder te bewegen. (77) In alle opzichten de geest concentrerend in het hart en mediterend op de rustplaats van de zinnen en hun objecten, zag hij naar niets anders uit dan naar de gedaante van de Opperheer. (78) Zijn aandacht gevestigd houdend op de grondslag, de kosmische intelligentie van de werkelijkheid, de meester van de primaire ether [pradhâna] en de persoon, de Allerhoogste Geest, begonnen de drie werelden te beven. (79) Zoals hij daar bleef staan op één been, drukte het kind van de koning, met de ene helft [van zijn lichaam] zijn grote teen gekromd in de aarde, precies zoals de koning der olifanten dat doet die als een boot links en rechts balanceert met iedere stap. (80) In het volle van zijn meditatie zijn ademhaling gestopt en alle lichaamsopeningen afgesloten hebbend, verstikte hij, met het binnenhouden van de levensadem, al de werelden, zodat spoedig al de groten van overal hun toevlucht zochten bij de Heer.

(81) De goddelijken zeiden: 'Zoiets hebben we nog nooit meegemaakt, o Allerhoogste Heer, de gang van de universele adem is geheel geblokkeerd; daarom benaderen wij allen U, het vergaarbekken van al het bestaande die zo goed is voor de behoeftigen, voor onze toevlucht o Achtenswaardige, om ons van deze calamiteit te redden.'

(82) De Allerhoogste Heer antwoordde: 'Vrees niet, dit verstikken van de levensadem vindt plaats vanwege de zoon van koning Uttânapâda die diep in gedachten over Mij is verzonken; ik zal de jongen, zo sterk in zijn vastbeslotenheid van boete, vragen hiermee te stoppen. Keert u alstUblieft weer terug naar uw woonplaatsen.'  

 

Hoofdstuk 9

Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

(1) Maitreya zei: 'Zij [de halfgoden], aldus bevrijd van alle angst, brachten de Heer van het buitengewone hun eerbetuigingen, waarop ze terugkeerden naar hun drie werelden. De Heer met de duizend gezichten [Sahasras'îrshâ, de oorspronkelijke Vishnu] begaf zich toen vandaar naar het Madhuvana woud er naar uitziend hem, Zijn dienaar te zien [Dhruva]. (2) Hij die van de rijpheid van zijn meditatie Hem gadesloeg, schitterend als de bliksem gemanifesteerd op de lotus van zijn hart, merkte opeens dat Hij was verdwenen, maar om zich heen kijkend zag hij Hem recht voor zich staan in dezelfde gedaante. (3) Met Hem voor zich aanwezig, wierp hij, in verwarring gebracht, zich ter aarde; met zijn lichaam languit als een stok Hem zijn eerbetuigingen brengend en Hem aankijkend, was het alsof de jongen Hem indronk, alsof hij Hem kuste met zijn mond en omhelsde met zijn armen. (4) Ziend dat hij Hem wilde verheerlijken, maar dat het hem aan de nodige ervaring ontbrak om dat te volbrengen, beroerde de Heer, die het gebed is in overeenstemming met de geschriften in het hart van een ieder, de jongen begrijpend, genadevol zijn voorhoofd met Zijn schelphoorn. (5) Daarmee de inspiratie ontvangend om in staat te zijn precies dat te zeggen wat hij wilde, kon hij, zijn gebeden doend in de liefde van zijn toewijding, begrijpen waar het met het opperste van de ziel allemaal om ging en dat hij, langs de wegen der geleidelijkheid, de bekende en beroemde Dhruva zou zijn die men zijn eigen wereld niet kon ontzeggen.

(6) Dhruva zei: 'Laat me mijn eerbetuigingen brengen aan U, de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon die als de Ene vanbinnen, vanuit Zijn innerlijk vermogen de universele energie dirigeert en mijn woorden en adem binnengaande, mijn passieve zinnen alsook mijn ledematen, handen, benen en huid tot leven heeft gebracht. (7) U bent voorzeker de Ene, Allerhoogste Heer, die, na middels Zijn eigen vermogen deze immense buitenwereld genaamd mâyâ geschapen te hebben - dat onbegrensd complete van de werkelijkheid met zijn geaardheden - als de Oorspronkelijke Persoonlijk erin is binnengegaan, in de tijdelijke kwaliteiten op verschillende manieren verschijnend zoals vuur dat doet in brandhout. (8) Zoals een man ontwakend uit zijn slaap, kon de Ene van overgave aan U [Brahmâ], dit hele universum overzien door de kennis door U geschonken, o mijn Heer; hoe kan, in relatie tot U als de beschutting van een ieder die de bevrijding verlangt, wie dan ook die geleerd heeft Uw Lotusvoeten buiten beschouwing laten, o vriend van hen die lijden? (9) Het lijdt geen twijfel dat U voor hen, die het onder de invloed van de buitenwereld ontbreekt aan de juiste opvatting en U aanbidden met andere bedoelingen, er als de oorzaak van de bevrijding van geboorte en dood bent als een wensboom; en U bent dat zelfs voor personen in de hel die uitzien naar een bevrediging die hen alleen aanspreekt op hun zinnen. (10) Dat wat de verrukking van de belichaamden is, ontleend aan de onpersoonlijke geest, kan de vergelijking niet doorstaan met de gelukzaligheid ontleend aan het mediteren op wat U eigen is, U zo magnifiek, Uw lotusvoeten en het luisteren naar de uiteenzettingen van diegenen die U lief hebben. En wat te zeggen het vergelijkend met de verrukking van hen die vanuit hun verheven posities ten val moeten komen vernietigd door het zwaard van de dood? (11) Ik bidt de intieme omgang te mogen genieten met hen die voortdurend bezig zijn in Uw toegewijde dienst, o Onbegrensde, met die grote toegewijden door wiens gezuiverde harten men met gemak de verschrikkelijke en enorme oceaan van gevaren die het materieel bestaan vormt kan oversteken; Ik bidt dat ik gek wordt van het drinken van de nectar van de verhalen over Uw kwaliteiten. (12) Zij, zo hoogstaand, mijn lieve Heer, denken nooit aan hun materiële lichaam, hun zich verhouden tot hun zoons, vrienden, thuis, weelde en vrouw; zij, o Heer van de Lotus Navel, hebben de omgang bereikt met hen die in hun harten altijd uit zijn op de geur van Uw lotusvoeten. (13) De dieren, de bomen, de vogels, reptielen, goden, demonen en mensen voortgedreven door de materiële energie treft men in het ganse universum aan in allerlei manieren van voortbestaan en worden om verschillende redenen dan weer wel en dan weer niet gezien, o Ongeborene, dat is wat ik weet, maar hier had ik geen idee van; van deze bovenzinnelijke gedaante, o Allerhoogste, weet ik niets anders dan het einde van mijn argument. (14) Aan het einde van ieder tijdperk wordt alles van dit Universum teruggetrokken in de buik van de Allerhoogste Persoon die terugziend neerligt in het gezelschap van Ananta S'esha die zijn bed vormt; uit de oceaan van Zijn navel ontsprong de gouden globe, met Brahmâ op de werveling van de lotus. Hem, die Allerhoogste Heer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (15) U bent het eeuwige van de bevrijding, de smetteloze, de Allerhoogste Ziel vol van kennis, de onveranderlijke, de eigenlijke Oorspronkelijke Persoon, de Opperheer en heerser van de drie geaardheden, de voortdurende intelligentie dwars door alle handelingen van het intellect heen, de bovenzinnelijke visie en getuige, de handhaver, genieter en Hij die verschilt van alle anderen. (16) U, in wiens tegengestelde natuur de verschillende energieën van kennis en onwetendheid altijd worden aangetroffen en die dat continuerende Brahmân is, de oorzaak van de materiële manifestatie, de Oorspronkelijke en Onbeperkte die eenvoudigweg gelukzalig is, betoon ik mijn respect. (17) Vergeleken met andere zegeningen zijn Uw lotusvoeten voorzeker de ware, o mijn Heer, en hoewel U als zodanig aldus de verpersoonlijking bent van het levensdoel van ieder mens, o geliefde Fortuinlijke, handhaaft U, volijverig Uw genade te doen nederdalen, hen die arm zijn van hart als ik, zoals een koe dat met een kalf doet.'

(18) Maitreya zei: 'Toen, aldus ten volle aanbeden door de fijne intelligentie van enkel zijn goede bedoelingen, sprak de Opperheer die altijd ten gunste is van Zijn toegewijden, nadat Hij hem eerst had gefeliciteerd. (19) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik weet waar je in je hart toe besloten bent, o zoon van de koning. Aangezien je zweert bij het vrome, zal Ik, hoewel het moeilijk is te vervullen, je al dat goede geluk schenken. (20-21) Nimmer, Mijn beste jongen, kende men zo'n helder stralende plaats als de planeet van Dhruva, waaromheen alle andere planeten en sterrenbeelden draaien zoals een groep stieren dat doet die vastzitten aan een paal in het midden [voor het pletten van graan]. Het is de planeet waaromheen draaiend, hem aan hun rechterzijde houdend, tezamen met de sterren, al de grote wijzen van het woud, wiens levens zich uitstrekken voorbij een millennium, zoals Dharma, Agni, Kas'yapa en S'ukra, zich bewegen. (22) Zo gauw je vader vertrokken is naar het woud, zal je worden beloond met de hele wereld. Zij zal voor zesendertigduizend jaar onder de vrome heerschappij van jouw regering staan zonder verval in de volle zin der macht. (23) Als je broer Uttama, gedood tijdens de jacht, in het woud wordt gezocht door de al te aangedane moeder, zal ze in een bosbrand terecht komen. (24) Na voor Mij, het hart van ieder offer, grote offers te hebben gebracht en vele gulle giften te hebben uitgedeeld, zal jij eveneens, nadat je de zegeningen van deze wereld hebt genoten, aan het eind van jouw leven in staat zijn Mij te herinneren. (25) Daarna zal je je op weg begeven naar Mijn verblijfplaats die op alle planeten wordt aanbeden en die zich bevindt boven die van de rishi's en daarnaar vertrokken, zal je nooit weer terugkeren.'

(26) Maitreya zei: 'Aldus, na de jongen te hebben verzekerd van zijn persoonlijke bescherming, keerde Hij, de geëerde en aanbeden Opperheer die Garuda in Zijn vlag voert, terwijl hij toekeek, naar Zijn eigen plaats terug. (27) Hoewel Dhruva met het resultaat van zijn dienst door zijn overtuiging de voeten van Vishnu had bereikt, was hij niet erg blij met de bevrediging die hij daaruit verkreeg en keerde hij huiswaarts.'

(28) Vidura zei: 'Waarom is het zo dat hij, met de zeer toegenegen aanbidding van Zijn lotusvoeten het in één enkel leven hebben verworven van de zelden bereikte allerhoogste positie van de Heer, het zo ver gebracht hebbend en zo wijs zijnd, zich niet in zijn hart voldaan voelde?'

(29) Maitreya antwoordde: 'Door de harde woorden van zijn stiefmoeder was hij in zijn hart diep geraakt en ze zich nog alle herinnerend en geen bevrijding verlangend van de Heer der Verlossing, had hij bijgevolg te kampen met verdriet. (30) Dhruva zei tot zichzelf: 'Wat door hun vervoering de vier Kumâra's, die onfeilbare celibatairen, nimmer met één enkele geboorte konden bereiken, heb ik binnen zes maanden begrepen, maar met het verwerven van de beschutting van Zijn lotusvoeten kwam ik ten val omdat ik mijn zinnen had gezet op andere zaken dan op Hem. (31) Oh helaas, bezie toch het onfortuinlijke er vanwege mijn lichamelijk bewustzijn; de lotusvoeten benaderd hebbend van Hem die alle banden kan doorbreken, heb ik gebeden voor dat wat vergankelijk is. (32) Mijn intelligentie was besmet door die intolerante lieden van God die gedoemd zijn ten val te komen en zo kon ik alleronwetendst de waarheid niet aanvaarden van wat Nârada me had gezegd. (33) Alsof ik droomde in mijn slaap zocht ik mijn toevlucht bij de begoochelende energie van het goddelijke, me in mijn hart beklagend; het in tegenstelling ziend, onder de invloed van de wereld buiten, weeklaagde ik dat mijn broeder mijn vijand was, hoewel hij alleen maar tot het tijdelijke behoort. (34) Dit, waar ik voor heb gebeden, is zo nutteloos als iemand een behandeling geven wiens leven reeds beëindigd is; na de Ziel van het Universum tevreden te hebben gesteld middels ontzeggingen, iets wat zeer moeilijk te doen is, bad ik met Hem waarmee men met de wereld kapt, voor een herhaling van geboorte en dood en moet ik het daarom zonder het fortuinlijke stellen. (35) Van Hem, bereid me Zijn volledige onafhankelijkheid te bieden, vroeg ik helaas, uit materiële dwaasheid, om materiële voorspoed; het is als een arme man die een grote keizer die onder de indruk is van zijn deugd, vraagt om een paar gebroken korrels gepelde rijst.'

(36) Maitreya zei verder: 'Mijn beste Vidura, vanzelf zijn personen, zoals jijzelf, die volijverig zijn het stof te smaken van de voeten van de Heer der Bevrijding, in het dienen van Hem, niet van enige interesse voor zichzelf uit op dat wat er automatisch mee wordt bereikt; ze beschouwen zichzelf als heel rijk. (37) Ervan gehoord hebbend dat zijn zoon was terug gekomen als was hij van de dood teruggekeerd, kon koning Uttânapâda, niet geloven waarom een zondaar als hij zulk een groot geluk ten deel zou vallen. (38) Geloof houdend in de woorden van devarishi Nârada, was hij overweldigd door de tijding die de boodschapper bracht en er zeer tevreden over, bood hij hem een kostbaar parelsnoer aan. (39-40) Zeer begerig zijn zoon te zien, beklom hij in grote haast een met goud beslagen wagen getrokken door de fijnste paarden en vertliet hij, begeleid door het geluid van schelphoorns, pauken, fluiten en het gezang van hymnen, de stad tezamen met brahmanen, de ouderen en zijn officieren, bewindslieden en vrienden. (41) Zijn beide koninginnen Sunîci en Suruci bestegen, behangen met hun goud, samen met Uttama een draagstoel en voegden zich bij de optocht. (42-43) Toen ze hem zagen nabij een in de buurt gelegen klein bos, spoedde de koning zich van zijn wagen en was hij terstond overmand door liefde op het moment dat hij in zijn buurt kwam. Emotioneel vanwege zijn grote bezorgdheid omhelsde hij met zijn beide armen langdurig zijn zoon, wiens gebondenheid van eindeloze materiële besmetting was vernietigd door de Heer Zijn lotusvoeten. (44) Daarop zijn hoofd keer op keer beruikend, baadde hij, zijn grootste wens in vervulling gegaan ziend, zijn zoon met het water koel van zijn ogen. (45) Na het respecteren van zijn vaders voeten en zijn zegen te hebben ontvangen, boog hij zijn hoofd naar zijn twee moeders en werd hij geëerd door de meest vooraanstaande der edelen. (46) Suruci, die, toen de onschuldige jongen aan haar voeten neerviel, hem optilde, omhelsde hem en sprak, verstikt van de tranen, tot hem de woorden: 'Moge je lang leven'. (47) Een ieder over wiens kwaliteiten en vriendschap de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer Hari, tevreden is; jegens hem betonen alle levende wezens, zoals water dat uit zich zelf naar de laagste plaats stroomt, hun respect. (48) Uttama en Dhruva beiden overmand door hun emoties omhelsden elkaar keer op keer, met hun haren overeind, terwijl ze hun tranen de vrije loop lieten. (49) Sunîti, zijn moeder, omhelsde haar zoon die haar dierbaarder was dan haar eigen levensadem en gaf, er tevreden over zijn lichaam aan te raken, alle verdriet op. (50) Daar en toen, o heldhaftige, werd hij nat van de niet te stuiten tranen van de ogen en de melk die uit de beide borsten van de moeder van deze held begon te vloeien. (51) De mensen om haar heen uitten voor haar, de Koningin, hun lof: 'Het geluk van uw zoon zal al uw pijn verdrijven nu hij teruggekeerd is om het aangezicht van de aarde te beschermen nadat hij zo'n lange tijd verloren was. (52) De Allerhoogste Heer, die je kan vrijwaren van het grootste gevaar, moet door u geëerd zijn, met het verslaan van de dood die zo moeilijk is te overwinnen, zoals de grote heiligen dat doen in voortdurende meditatie op Hem.'

(53) Dhruva, aldus geprezen door de omstanders, werd door de koning tezamen met zijn broer geplaatst op de rug van een vrouwtjes-olifant en op die manier behaagd en gevierd keerde hij terug naar zijn hoofdstad. (54) Hier en daar waren van rijen bananenbomen en jonge betelnootbomen prachtige feestbogen opgezet die er haaientand-achtig uitzagen met hun trossen bloemen en vruchten. (55) Bij iedere poort was er de versiering van hangende mangobladeren, stoffen, bloemenslingers en parelkettingen tezamen met potten gevuld met water en brandende lampen. (56) Met de omringende muren, stadspoorten en huizen waren de koepels van het paleis van alle kanten schitterend om te zien, prachtig versierd als ze waren met gouden ornamenten. (57) De pleinen, lanen en daken waren grondig gereinigd en besprenkeld met sandelhoutwater en voorzien van gelukbrengende uitstallingen van gebakken rijst, gerst, bloemen en vruchten. (58-59) Toen ze Dhruva op straat zagen strooiden hier en daar de huisvrouwen, onder de uitroep van liefdevolle zegeningen, wit mosterdzaad, gerst, yoghurt, water, vers gras, bloemen en vruchten over hem uit en aldus hun zeer aangename liederen horend betrad hij het paleis van zijn vader. (60) In die fijne woning, die overdekt was met mozaïeken van kostbaar gesteente leefde hij, onder de voortdurende zorg van zijn vader tot het goddelijke opgeheven, als een god zelve. (61) Het had stoelen en meubels van goud met zeer kostbare ivoren bedden met gouden versieringen en beddengoed zo wit als het schuim van melk. (62) In de muren gemaakt van marmer, waren kostbare edelstenen verwerkt en ook de lampen die straalden van de juwelen werden omhooggehouden door vrouwelijke figuren die eveneens van kostbaar gesteente waren vervaardigd. (63) Ook de tuinen waren zeer mooi met verscheidene hemelse bomen, paartjes zangvogels en het gezoem van doldwaze hommels. (64) Smaragden traptreden leidden naar vijvers vol met lelies en blauwe lotussen, zwanen en eenden en groepjes ganzen, en kraanvogels die in de buurt verbleven.

(65) De rechtschapen koning Uttânapâda voelde zich onder de invloed van het horen en zien van zijn totaal verwonderlijke zoon, zeer gelukkig over het opperste van zijn pracht. (66) Toen hij zag dat Dhruva volwassen genoeg was qua leeftijd maakte de koning hem, met de goedkeuring van zijn liefhebbende onderdanen en ministers, heer en meester over de wereld. (67) Hij, deze koning van Vishnu, in overweging van de verlossing van zijn eigen ziel, beschouwde zichzelf eveneens oud genoeg en ging onthecht het woud in.

 

Hoofdstuk 10

Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

(1) Maitreya zei: 'Dhruva ['de onverzettelijke'] trouwde met Bhrami [wat 'omwentelen' betekent], dochter van de Prajâpatî S'is'umâra ['de dolfijn', 'de melkweg'] en gaf haar zoons de naam Kalpa ['tijdperk'] en Vatsara ['tropisch jaar']. (2) Bij een andere vrouw genaamd Ilâ ['de troostrijke'], een dochter van Vayu [de halfgod van de lucht], verwekte de machtige een zoon genaamd Utkala ['hij die de last draagt'] en een juweel van een meisje. (3) Maar Uttama ['de uitnemende'], Dhruva's broer die niet trouwde, werd tijdens de jacht in het Himâlaya gebied gedood door een zeer krachtige Yaksha [een boze geest]; zijn moeder [Suruci] volgde daarna. (14) Dhruva vernemend over de dood van zijn broer zwoer, vol van verdriet, in woede ontstoken wraak en besteeg zijn wagen van overwinning om zich naar de stad der Yaksha's te begeven.

(5) Reizend in de noordelijke richting zag de koning in een vallei van de Himalaya's bewoond door volgelingen van Heer S'iva, een stad vol van spookachtige geesten. (6) Aldaar blies de machtig-gearmde op zijn schelphoorn dat het in alle richtingen angstwekkend in de lucht weerklonk, o bestuurder en daarvan raakten de echtgenotes van de Yaksha's zeer bevreesd. (7) Daarop kwamen de zeer machtige soldaten van Kuvera, die het geluid van de schelphoorn niet konden verdragen, naar buiten en vielen ze aan met allerlei soorten wapens. (8) Hij, de held en de machtige boogschutter, kon, met hen allen over hem heenvallend, vele tegenstanders tegelijk aan en doodde hen de één na de ander, met drie tegelijk zijn pijlen wegschietend. (9) Door die pijlen op hun vege lijf afgeschoten, prezen ze, met de gedachte dat ze allen zonder mankeren voorzeker zouden worden verslagen, hem voor dat optreden. (10) Het niet kunnen hebbend als adderengebroed door hem onder de voet te worden gelopen, probeerden ze weerstand te bieden, terugslaand met twee keer zo veel pijlen tegelijkertijd. (11-12) Volijverig om zijn optreden en dat van zijn wagenmenner tegen te gaan, deden zij, 130.000 man sterk, zeer kwaad daarop een regen van allerlei soorten gevederde pijlen, knuppels, zwaarden, drietanden, scherp gepunte lansen, speren en vuurwapens op hem neerkomen. (13) Achter die aanhoudende uitstorting van wapens verdween de krijgsheer, als een berg aan het zicht onttrokken door een stortbui, volledig uit het zicht.

(14) In de lucht weerklonk een rumoer van teleurstelling van de kant der volmaakten, getuige van het gevecht, die dachten dat deze kleinzoon van Manu, die als de zon was ondergegaan in de zee van Yaksha's, gedood was. (15) De Yaksha's riepen juichend de overwinning uit, maar toen verscheen uit het strijdgewoel zijn wagen zoals de zon uit de mist tevoorschijn komt. (16) Zijn zingende goddelijke boog deed zijn vijanden in treurnis verzinken, met pijlen de verschillende wapens uiteen slaand, precies zoals de wind een massa wolken uiteendrijft. (17) De scherpe pijlen van zijn boog afgeschoten hadden de schilden doorboord en waren de lichamen binnengedrongen van de demonen, precies zoals blikseminslagen dat doen boven bergen. (18-19) Het slagveld, zoals dat de geest der helden op hol brengt, begon te glinsteren van de hoofden met bloemslingers en tulbanden, prachtig met oorhangers en helmen die door de pijlen waren afgeschoten en de afgesneden benen en armen die met prachtige pols- en armbanden er uitzagen als gouden palmbomen. (20) De resterende soldaten van wie de meesten gewond waren door de pijlen van de grootste der krijgers, vluchtten in alle richtingen, zoals olifanten verslagen door een leeuw.

(21) Toen hij op dat ogenblik zag dat geen van de soldaten van de tegenpartij nog overeind stond, wenste de beste aller mensen het hun stad te aanschouwen, maar hij ging er niet in binnen daar men niet zeker kan zijn van de voornemens van een mystieke vijand. (22) Terwijl hij die de beste strijdwagen had in gesprek was met zijn wagenmenner beducht op een tegenaanval van zijn vijanden, was er een luid geluid te horen als van de oceaan dat kon worden thuisgebracht als de wind van een stofstorm die van alle kanten naderde. (23) In een mum van tijd was de hemel verduisterd door een massa dichte wolken die overal oplichtten van het weerlichten van een dreigend gedonder van alle kanten. (24) O onberispelijke, er was een stortvloed van bloed, slijm, pus, uitwerpselen, urine en beendermerg en rompen van lichamen die uit de lucht voor zijn voeten neervielen. (25) Toen kon men in de hemel uit alle richtingen een berg van stokken, knuppels, zwaarden, en strijdknotsen zien neerkomen met een regen van grote stenen. (26) Slangen ademend als de donder spuwden vuur met venijnige ogen en groepen van kwaaie olifanten, leeuwen en tijgers drongen zich naar voren. (27) Alsof de dag des oordeels was aangebroken kwam de zee die van alle kanten de aarde overspoelde met wilde golven op hem af, een geweldig geluid makend.

(28) Dit soort van verschijnselen wordt in het leven geroepen door demonen die door en door slecht in hun duivelse aard, eropuit zijn de minder intelligenten angst aan te jagen. (29) De grote wijzen zich bewust van de hoogst gevaarlijke mystieke macht die door de demonen tegen Dhruva werd ingezet, schaarden zich toen aaneen om hem te ondersteunen en bij te staan. (30) Ze zeiden: 'O zoon van Uttânapâda, moge de Allerhoogste Heer die de boog draagt met de naam S'ârnga de Godheid zijn die al de vijanden der overgegeven zielen doodt zodat er een eind aan hun lijden komt; want het is het horen over en zingen van Zijn heilige naam wat de mens onmiddellijk volledig over de onoverkomelijke dood heen helpt, o Dhruva.'

 

Hoofdstuk 11 

Svâyambuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

(1) Maitreya zei: 'Nadat hij de woorden van de wijzen gehoord had, beroerde Dhruva water en legde hij een pijl gemaakt door Nârâyana op zijn boog. (2) Zo gauw hij, met dit wapen van Nârâyana op zijn boog, had aangelegd, werden snel de illusies, geschapen door de Yaksha's, verdreven, o Vidura, precies zoals plezier en pijn dat zijn met dagende kennis. (3) Met het hem geschonken wapen op zijn boog, sprongen daaruit gouden pijlen met veren als die van zwanen voort die, met het luide geluid van pauwen die een bos binnengaan, bij de vijandelijke soldaten binnendrongen. (4) Over die scherpgepunte pijlen waren de Yaksha's, verspreid op het slagveld, verschrikkelijk opgewonden en spoedden ze zich woedend in zijn richting, met opgeheven wapens, zoals slangen met uitstaande halzen dat doen tegen Garuda. (5) Met zijn pijlen doorsneed hij de armen, benen, nekken en buiken van al de Yaksha's die in de slag op hem afkwamen en zond hij ze naar de plaats boven de zon waarheen van oudsher zij die hun zaad opwaarts sturen [de celibatairen] gaan. (6) Toen hij zag hoe de Yaksha's, die feitelijk niks misdaan hadden, werden gedood door hem die de beste strijdwagen had, was de grootvader, de Manu, tezamen met de grote wijzen, zo genadig de zoon van Uttânapâda te benaderen om hem te instrueren. (7) Manu zei: 'Genoeg mijn zoon, met het doden van deze Yaksha's die je niets hebben misdaan, bevindt je je met een dergelijke escalatie van geweld op het pad der onwetendheid en zonde. (8) O mijn beste, deze onderneming de Yaksha's te doden die niet zondigden, is niet gepast voor onze familie en is, om de waarheid te spreken, verboden. (9) Natuurlijk, mijn beste, ben je bedroefd over de dood van de broeder waar je om geeft, maar nu heeft de overtreding van één Yaksha geleid tot het doden van de velen van zijn metgezellen. (10) Zeer zeker is dit doden van levende wezens nimmer de aangewezen weg voor hen die eerlijk zijn in het volgen van de weg van de Heer der Zinnen; het lichaam voor het zelf houdend is men als de dieren. (11) Met meditatie op de Superziel aanwezig in alle levende wezens, heb je de verblijfplaats bereikt van Heer Hari, die zo moeilijk gunstig te stemmen is, en heb je de allerhoogste positie van Vishnu bereikt. (12) Als je zo'n persoon bent, die door Hem altijd in heugenis verkeert van wat het Zijne is, en eveneens geacht wordt door hen die toegewijd zijn, hoe dan, zwerend bij het heilige een voorbeeld vormend, kan je dan een dergelijk abominabel iets ondernemen?

(13) Met een houding van universele tolerantie, vriendschap en genade jegens alle levende wezens, is men ook in evenwicht en daarmee is de Ziel van Allen, de Allerhoogste Heer zeer ingenomen. (14) De Allerhoogste Heer behagend is een persoon bevrijd van de geaardheden der materiële natuur en vrij van de zorgen over zijn individuele bestaan; hij bereikt de geestelijke gelukzaligheid van het Onbegrensde [brahma nirvânam]. (15) Uit de vijf elementen der materie ontwikkelden zich de man en de vrouw en door hun seksualiteit kwamen zelfs nog meer mannen en vrouwen op deze wereld. (16) Aldus, o Koning, vindt, door de bedrieglijke energie van het Allerhoogste Zelf, de schepping, handhaving en vernietiging, en de interactie van de geaardheden plaats. (17) Zoals ijzer dat wordt bewogen door een magneet moet dan deze wereld worden beschouwd als bewogen door de achterliggende oorzaak van de ongemanifesteerde, onaangedane, Oorspronkelijke Persoon der Wijsheid. (18) Verdeeld door de kracht van de Tijd, die de Allerhoogste Heer is, die, hoewel Zijn vermogen zich betrekt op de drie geaardheden, niet degene is die handelt, noch de doder is hoewel Hij doodt, vindt zonder twijfel echter dit alles plaats door het onpeilbare vermogen van de Almachtige. (19) Hij, de oneindige Tijd, maakt overal een eind aan; zonder een aanvang is Hij het begin van alles; zonder af te nemen is Hij er de oorzaak van dat het levend wezen wordt geboren en dat het eindige door de dood wordt gedood. (20) Niemand is werkelijk Zijn bondgenoot of Zijn definitieve vijand; van het Allerhoogste in de vorm van de Tijd, die gelijkelijk ingang heeft bij alle levende wezens, zijn degenen met karma, alsmede de andere materiële elementen, aan Zijn bewegen ondergeschikt, zoals stofdeeltjes bewogen door de wind. (21) Vrij van een korte of een lange levensduur zoals die geldt voor de wezens die geboren worden, bevindt de Almachtige zich immer in Zijn eigen bovenzinnelijke positie en beloont Hij de levende wezens die onderworpen zijn aan de wetten van karma. (22) Sommigen verklaren dat karma [of het verdeeld zijn in vruchtdragende handelingen] als ontspringend aan de eigen bijzondere aard of als teweeggebracht door de anderen, o beschermer der mensen; sommigen zeggen dat het aan de tijd te wijten is, anderen verwijzen naar het lot, terwijl nog weer anderen het toeschrijven aan de begeerte van het levend wezen. (23) O mijn beste, derhalve kan voorzeker niemand ooit het grote ontwerp kennen van de Oorspronkelijke Oorzaak, het Ongemanifesteerde van de Bovenzinnelijkheid van Hem die de verscheidene energieën opwekt.

(24) Nimmer, mijn zoon, zijn ook al dezen die de volgelingen van Kuvera [de hemelse schatbewaarder] zijn de doders van je broeder; de oorzaak van geboorte en dood van een levend wezen, mijn beste, ligt ontwijfelbaar bij God. (25) Het is Hij die het universum schept en ook zeker handhaaft en vernietigt; daarenboven raakt Hij, omdat Hij zonder ego is, niet verstrikt door het optreden van de natuurlijke geaardheden. (26) Deze Superziel, beheerser en handhaver van alle vormen van leven, brengt voort, verslindt en koestert, gebruikmakend van de kracht van Zijn eigen uitwendige energie.(27) Aan Hem, zo zeker het Allerhoogste van de dood en de onsterfelijkheid, mijn beminde, dat in alle opzichten het uiteindelijk doel van overgave is van de wereld, dragen allen die toegewijd zijn hun offergaven op, zonder mankeren daarin beheerst als stieren door een touw door hun neus. (28) Als iemand van slechts vijf jaar oud verliet je je moeder, in je hart bedroefd door de woorden van je stiefmoeder, en ging je naar het bos om de Heer met ontzeggingen te aanbidden en aldus heb je een toppositie over de drie werelden bereikt. (29) Indachtig dat van Hem, mijn dierbare, wendt jezelf vrij van woede tot het ene onfeilbare, spirituele zelf [het brahman] dat zich in het transcendentale bevindt en probeer het onbesmette te ontdekken van waaruit al deze verdeeldheid zich als onwaarheid toont. (30) Door te dien tijde dienst te verlenen aan de Superziel van de Allerhoogste Heer, die het onbegrensde reservoir van alle genoegen is behept met alle vermogens, zal je zeer spoedig de knoop der illusie van het 'ik' en 'mijn' ontwarren en aldus stevig verankerd zijn.

(31) Beheers enkel je woede - het is de vijand van alle goedheid - en al het goede fortuin zal je deelachtig zijn; het steeds hierover vernemen mijn beste Koning, zal uitwerken als een medicinale behandeling op een ziekte. (32) Nooit behoort een geleerd persoon die de ziel zijn vrijheid van angst verlangt, onder de controle van woede te staan, daar een ieder zich hoedt voor de persoon die er door overmand is. (33) Je bevond je in overtreding jegens Kuvera, de broeder van S'iva, woedend de Yaksha's dodend van wie je dacht dat ze je broer hadden gedood. (34) Breng hem onverwijld tot vrede, mijn zoon, door hem in vriendelijke bewoordingen respectvol je eerbetuigingen te bieden, vooraleer de wrake der groten onze familie zal aantasten.'

(35) Nadat Manu Svâyambhuva zijn kleinzoon had geïnstrueerd ontving hij van hem zijn eerbetuigingen en ging hij tezamen met de wijzen naar zijn verblijfplaats.

 

Hoofdstuk 12

Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

(1) Maitreya zei: 'Nadat hij gehoord had dat Dhruva, met zijn woede getemperd, ervan af had gezien te doden, verscheen Kuvera, de meester-schatbewaarder, aanbeden door de Cârana's, Kinnara's [zangers en bewoners van de hemel] en de Yaksha's, toen aldaar en sprak hij tot Dhruva die met gevouwen handen voor hem stond. (2) De schatbewaarder zei: 'O zoon van de heerser, ik ben zeer blij met u, o zondeloze, omdat u naar de instructie van uw grootvader de vijandschap hebt opgegeven die zo moeilijk te vermijden is. (3) Noch hebt u de Yaksha's gedood, noch hebben de Yaksha's uw broer gedood; daar het de Tijd is die in werkelijkheid de meester der vernietiging en het opwekken van al de levenden is. (4) Met de misvattingen van 'ik' en 'jij' doet het zich, uit onwetendheid, aan de intelligentie van een persoon die het lichamelijk begrip volgt, precies zo voor als in een droom; dàt is de oorzaak van de gebondenheid en de misére. (5) Derhalve Dhruva kom - alle geluk zij u toegewenst - tot het respect voor de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen van alle levende wezens en denk over Hem als de vorm van de ene Superziel in al wat leeft. (6) Wees Hem toegewijd wiens lotusvoeten het waard zijn aanbeden te worden, daar zij verlossen uit het materieel bestaan en de knoop der materiële verstriktheid doorsnijden; hoewel Hij naar Zijn vermogen van de geaardheden ermee is verbonden, staat Hij er door Zijn ondoorgrondelijk vermogen toch los van. (7) O Koning, vraag alstUblieft zonder aarzelen van me wat u ook maar wenst, o zoon van Uttânapâda, daar mijn beste, gehoord hebbend over uw standhouden aan de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, u de zegening waard bent.'

(8) Maitreya zei: 'Hij, door de koning der Yaksha's een zegen vergund, vroeg, als een eerste klas intelligente en bedachtzame toegewijde van de Heer, om de voortdurende heugenis waarmee men zonder moeite de onoverkomelijke oceaan der onwetendheid oversteekt. (9) Kuvera, de zoon van Idavidâ, die zeer ingenomen was met Dhruva's mentaliteit, verleende hem die heugenis en verdween daarna uit zijn ogen, waarop ook Dhruva naar zijn hoofdstad terugkeerde. (10) Daaropvolgend aanbad hij, met offerplechtigheden en grote liefdadigheid, met alles wat hij had, kon doen en ter ondersteuning kon vinden, de Heerser aller Offers, het doel dat alle resultaten waarborgt. (11) Niet aflatend dienst verlenend aan de ene onfeilbare Ziel boven alles verheven, zag hij enkel maar Hem, de Almachtige, de Hoogste Geest zich bevindend in alle levende wezens. (12) Hij aldus toegerust met alle goddelijke eigenschappen, van respect voor de brahmanen en de armen en als de goedgezinde beschermer van de beginselen der religie, werd als de vader van het volk beschouwd. (13) Voor de zesendertigduizend jaren van zijn heerschappij over de planeet Aarde, deed hij door genietingen de effecten van goede daden afnemen en drong hij door versobering de gevolgen van het ongunstige terug. (14) Aldus bracht de grote ziel na een tijdspanne van vele, vele jaren, vrij van zinneprikkeling, in goede zin de drie vormen van werelds handelen ten uitvoer [de regulatie der religie, economie en de bevrediging] en gaf toen de troon door aan zijn zoon. (15) Hij zag in dat dit universum bestaande uit de uitwendige energie, voor het levend wezen was als een waanvoorstelling door onwetendheid teweeggebracht gelijk in een droom. (16) Hij beschouwde al het geschapene, van zichzelf, zijn echtgenotes, kinderen, vrienden, zijn invloed, rijkdom, de lusthoven en de toerusting voor de vrouwen en het geheel van de schoonheid van de aarde met haar oceanen, als iets dat is gebonden aan de tijd en dus vertrok hij naar Badarikâs'rama [de wouden van de Himalaya's]. (17) Daar zuiverde hij zijn lichaam, baadde hij in zuiver water en beheerste hij, gefixeerd in yogahoudingen, het proces van de ademhaling door zijn geest terug te trekken van zijn fysieke zinnen. Zich concentrerend op de precieze vorm van de Heer raakte hij aldus mediterend, Hem voortdurend in gedachten houdend, volledig verzonken (18) Bezig in onafgebroken toewijding tot Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid Gods, bevond hij zich in een eeuwigdurende verrukking en raakte hij telkens weer overweldigd door een stroom van tranen die zijn hart deed smelten en de haren van zijn lichaam overeind deed staan; hij herinnerde zich niet langer dat hij in het bezit was van een lichaam en raakte zo bevrijd uit [eveneens] de [subtiele] materiële gebondenheid [mukta-linga].

(19) Dhruva zag hoe een zeer mooie wagen uit de hemel nederdaalde die hem en de tien windrichtingen verlichtte alsof de maan zelve ten tonele verscheen. (20) Van waar hij stond zag hij daarin twee prachtige halfgoden met ieder vier armen, een donkere huid, een nogal jong voorkomen en met ogen zo roodgekleurd als een lotusbloem, met strijdknotsen en aantrekkelijk gesierd met helmen, armbanden, halssnoeren en oorhangers. (21) Begrijpend dat ze de twee dienaren van de Ene der Vermaardheid waren, stond hij op, maar in verwarring gebracht vergat hij hoe hij zich moest gedragen en dus bracht hij vol respect zijn handen bij elkaar zijn eer betuigend door de namen te zingen van de leider van deze metgezellen, de Vijand van Madhu. (22) Hij wiens hart altijd was verzonken in gedachten over de voeten van Heer Krishna, boog zeer nederig met het vouwen van zijn handen zijn hoofd terwijl zij, Nanda en Sunanda, de twee vertrouwelijke dienaren van de Ene van de Lotusnavel, glimlachend naderden en hem aanspraken. (23) Nanda en Sunanda zeiden: 'O beste der koningen! Alle geluk zij u toegewenst. Luister aandachtig naar onze woorden. U bent degene die, als vijfjarige, God enorm tevredenstelde door boete te doen. (24) Als de metgezellen van de schepper van dit ganse universum, van de Godheid die de boog genaamd S'ârnga draagt, hebben we u benaderd om u met ons mee te nemen naar waar de Heer verblijft. (25) De positie van Vishnu die zo moeilijk te bereiken is dat zelfs niet de grootsten der verlichting hem kunnen verwerven, is door u veroverd. Kom en zie eenvoudig het allerhoogste waar de maan, de zon, de andere planeten en de sterren rechts omheen draaien. (26) Nimmer werd dit ooit bereikt door uw voorvaderen of zelfs door anderen, o allerbeste; kom en leef aldaar in die allerhoogste positie van Heer Vishnu die zo aanbiddelijk is voor de bewoners van het universum. (27) O onsterfelijke ziel, u bent het waard deze unieke hemelse wagen te bestijgen die u werd gezonden door de Geprezene, het hoofd van alle levende wezens. '

(28) De wijze Maitreya zei: 'Na het aanhoren van het gesprokene dat als honing vloeide van de belangrijkste metgezellen van de Heer, nam hij die Hem zo dierbaar was, de wijzen zijn eerbetuigingen biedend en hun zegeningen in ontvangst nemend, een zuiverend bad en beantwoordde hij aan zijn dagelijkse verplichtingen. (29) Na in aanbidding die beste aller posities omlopen te hebben en na eveneens de twee zijn eerbetuigingen gebracht te hebben, was hij met zijn gedaante oplichtend als was hij van goud, klaar om aan boord te gaan van het hemelse voertuig. (30) Toen kon de zoon van Uttânapâda de dood in eigen persoon op hem af zien komen en zijn voeten op zijn hoofd plaatsend, besteeg hij dat wonder zo groot als een huis. (31) Op dat ogenblik weerklonken pauken en mridanga's [trommels gebruikt voor de eredienst] en kleinere trommels en dergelijke terwijl de zangers der bevrijding zongen en er een regen van bloemen neerdaalde. (32) Toen hij op het punt stond naar het hemelse verblijf te vertrekken, moest Dhruva meteen aan Sunîti terugdenken en zei hij tot zichzelf: 'Hoe kan ik naar de wereld boven de werelden vertrekken met het achterlaten van mijn moeder?' (33) Begrijpend waar Dhruva zich zorgen over maakte, toonden de twee opperwezens der verlichting hem hoe zij, hem voorgaand, zich op het pad bevond om haar goddelijkheid te bereiken. (34) Op zijn weg de ene na de andere hemelse sferen alom doorkruisend, werd hij overladen met nog meer bloemen die her en der door de verlichte zielen vanuit hun eigen verheven posities over hem werden uitgestort. (35) Boven de drie werelden uitstijgend terwijl hij met God reisde, kwam hij zelfs boven de grote wijzen uit, waarna de succesvolle Dhruva toen de toevlucht van Vishnu bereikte. (36) Voorzeker zijn het bijgevolg alleen zij die zich voortdurend bezighouden met welzijns-activiteiten die stralen, die plaats bereikend die door zijn eigen uitstraling al de drie werelden overal verlicht; niet zij die het niet zover gebracht hebben dat ze van genade voor andere levende wezens zijn. (37) Vreedzaam, gelijkgezind, zuiver en tot genoegen van alle levende wezens bereiken ze met gemak, bevriend met Zijn toegewijden, het verblijf van de Onfeilbare. (38) Aldus werd Dhruva, de zoon van Uttânapâda, zich op het allerhoogste pad van Krishna bevindend, zo zuiver als het kroonjuweel van de drie werelden. (39) Met grote kracht en snelheid onophoudelijk verbonden draait de sfeer der hemellichten [het sterrenstelsel] om die plaats heen, o Kaurava [Vidura's familie naam], zoals een kudde stieren rondom een centrale as.

(40) Toen hem de heerlijkheid van Dhruva onder ogen kwam hief de heilige en grote heer Nârada, spelend op zijn besnaarde instrument, een gezang in verzen aan in het offerperk van de Pracetâ's. (41) Nârada zong: 'Dankzij met name de verzaking van deze zoon van Sunîti, die haar echtgenoot zo toegewijd is, zijn wij ons bewust van de weg naar die positie, terwijl van wat men de volgelingen der Veda's noemt men er nimmer zeker van is uitverkoren te zijn, om nog maar te zwijgen van de normale beschermers der mensen. (42) Hij die op vijfjarige leeftijd, bedroefd over de harde woorden van de vrouw van zijn vader, indachtig mijn raadgevingen, zo zeer vol van pijn in zijn hart het woud inging, won de Allerhoogste Meester voor zich, het winnend met de kwaliteiten van Zijn toegewijden. (43) Binnen de kortste keren, na de Heer van Vaikunthha te hebben behaagd, bereikte hij die beschutting nog maar vijf of zes jaar oud zijnde, terwijl een ieder ander zelfs nog niet na vele, vele van dat soort jaren de verheven positie van die zoon van een kshatriya, Dhruva, op aarde kan verwachten.'

(44) Maitreya zei: 'Al wat u me hier gevraagd hebt over het grootse, allerverhevendste karakter van Dhruva, wiens reputatie wordt hooggehouden door de grote toegewijden, heb ik u uiteengezet. (45) Het brengt weelde en een goede naam, verlengt de levensduur en is zo heilig en goedgunstig dat men er zelfs Dhruva's hemel mee kan bereiken, aangenaam als het is voor de geest en zegerijk in het tegengaan van allerlei vormen van zonde. (46) Bij herhaling hiernaar met geloof luisterend, ontwikkelt men toegewijde activiteiten die de Onfeilbare dierbaar zijn en waardoor er onherroepelijk de volkomen overwinning zal zijn op alle hindernissen. (47)Voor de toehoorders die uitzien naar grootheid, een verheven karakter en de kwaliteiten is dit het proces waarin men het vermogen vindt alsook de aanbidding die zo verlangd wordt door de bedachtzamen. (48) Men moet zorgvuldig in de ochtend en de avond in het gezelschap van bekeerlingen, de heilige roem en het grootse karakter van Dhruva bezingen. (49-50) Ten tijde van een volle of een nieuwe maan, op de dag na Ekâdas'î [de twaalfde dag van een maanmaand], als de S'ravana-ster verschijnt, aan het einde van de tithi [de vijftiende dag], op een dag genaamd Vyatîpâta, aan het einde van de maand of op een rustdag, moet men het reciteren voor een ontvankelijke schare toehoorders, zijn toevlucht zoekend tot de Lotusvoeten van de Beschutting der Zoekers, zonder er een vergoeding voor te verwachten; dan zal men zijn geest door de ziel tot vrede gebracht zien en zal men aldus volmaakt worden. (51) Hij die deze kennis overdraagt aan hen die zich niet bewust zijn van de werkelijkheid, bevindt zich op het pad der waarheid en de onsterfelijkheid en zal, als de goedgezinde beschermer van de zoekers, gezegend zijn door de goden. (52) O grote der Kuru's, aldus mijn beschrijving van de activiteiten, de faam en het hoogst zuivere van Dhruva, die als kind, zijn speelgoed en zijn moeder opgevend, van huis weg ging en de beschutting van Heer Vishnu vond.' "

 

Hoofdstuk 13

Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

(1) Sûta zei [tot de rishi's in Naimishâranya]: "Het aanhoren van de beschrijving van Maitreya van Dhruva's opklimmen naar de verblijfplaats Vaikunthha, deed Vidura's liefde voor de Allerhoogste Heer, die men met normale ogen niet kan waarnemen, groeien en wederom deed hij moeite Maitreya Muni vragen te stellen.

(2) Vidura vroeg: 'Wie waren zij, die u de Pracetâ's noemde? Waarom stond hun familie bekend en wie, o beste onder de gezworenen, waren hun zonen en wat voor offer brachten zij? (3) Ik denk dat Nârada de grootste van alle toegewijden is; hij zag God in het gelaat en hij sprak over de gang van zaken van het leveren van dienst in toewijding tot de Heer [kriyâ-yoga of de pâñcarâtrika-methode]. (4) Toen deze mannen hun plichten vervulden in het aanbidden van de Allerhoogste Heer, werd Hij vol van toewijding beschreven door Nârada. (5) O brahmaan, wees zo goed me alles te vertellen van de verhalen over de Heer toen door de devarishi verteld.'

(6) Maitreya zei: 'Utkala, de zoon van Dhruva, verlangde niet, nadat zijn vader naar het woud was vertrokken, de positie van de troon van zijn vader met alle land en weelde. (7) Vanaf de dag dat hij geboren werd, was hij een tevreden, onthechte ziel, die gelijkgestemd, alomtegenwoordig in de wereld de Superziel waarnam en de hele wereld zag rusten in de Superziel. (8-9) Het zich betrekken op de heilige geest had, voor zijn geestelijke ziel, het afgescheiden zijn van de hemel beëindigd [nirvâna] en door een niet aflatende yogapraktijk had hij zijn gelukzaligheid vergroot, die als een vuur al de onzuiverheden van zijn karma uit zijn geest had weggebrand; op die manier zijn eigenlijke positie inziend zag hij niets anders meer dan de Superziel. (10) Op straat onder de mensen deed hij zich aan de minder intelligenten voor als een dwaas, blind, doof, stom en gek, maar in feite was zijn intelligentie meer als een vuur waarvan de vlammen getemperd zijn. (11) Er van uitgaande dat Utkala verstoken was van intelligentie en gek was, stelden de ouderen van de familie en de ministers van staat Vatsara, de jongere zoon van Bhrami, tot heerser aan over de wereld. (12) Svarvîthi, koning Vatsara's beminde echtgenote, liet zes zonen het leven zien: Pushpârna, Tigmaketu, Isha, Ûrja, Vasu en Jaya. (13) Pushpârna had twee vrouwen Doshâ en Prabhâ en van Prabhâ genoot men het geluk de zonen Prâtar, Madhyandinam en Sâyam te mogen zien. (14) Pradosha, Nis'itha en Vyushtha waren zoo ook de drie zoons van Doshâ. Vyushtha verwekte bij zijn vrouw Pushkarinî een zoon genaamd Sarvatejâ [de almachtige]. (15-16) Zijn vrouw, Âkûti geheten, schonk het leven aan Câkshusha Manu die inderdaad de [zesde] Manu was. Vrij van hartstocht schonk hij, van zijn koningin Nadvalâ, de wereld de zonen Puru, Kutsa, Trita, Dyumna, Satyavân, Rita, Vrata, Agnishthoma, Atîrâtra, Pradyumna, S'ibi en Ulmuka. (17) In Pushkarinî verwekte Ulmuka zes uitnemende zonen: Anga, Sumanâ, Khyâti, Kratu, Angirâ en Gaya. (18) De vrouw van Anga, Sunîthâ gaf geboorte aan Vena die zeer boosaardig was en vanwege zijn slechte karakter verliet de zedige koning Anga uit teleurstelling de stad. (19-20) Hij [Vena] werd vervloekt door de grote wijzen, wiens vertoornde woorden hem troffen als een donderslag; daarop verliet hij toen het leven en verstoken van een koning, hadden al de bewoners van de wereld het toen te stellen met dieven en schurken. Ze karnden zijn rechter hand, waarop een deelincarnatie [ams'a-avatâra] van Nârâyana genaamd Prithu nederdaalde, die de oorspronkelijk Heer van de Aarde werd.

(21) Vidura zei: 'Als koning Anga zo'n toonbeeld van goed karakter was en een heilige persoon, een aanhanger van de brahmaanse cultuur en een grote ziel, hoe kon zijn zoon dan zó slecht zijn dat hij zijn belangstelling verloor en vertrok? (22) Waarom koesterden de wijzen bekend met de beginselen der religie, fouten opmerkend, het verlangden over Vena de brahmaanse vloek uit te spreken terwijl hij het zelf was die de roede der kastijding gegeven was? (23) De koning moet nooit door de bevolking worden beledigd hoe zondig hij ook mag zijn, omdat hij van al de plaatselijke vertegenwoordigers, middels zijn persoonlijke invloed, de macht handhaaft. (24) Alstublieft beschrijf mij, uw trouwe dienaar, al dit over de activiteiten van de zoon van Sunîthâ, o brahmaan, daar u goed op de hoogte bent met de zaken van hierboven en beneden.

(25) Maitreya gaf ten antwoord: 'Koning Anga bracht eens een groot as'vamedha offer, maar voor die grootse plechtigheid kwamen de goddelijken, hoewel genodigd door de voorgaande brahmanen, nimmer opdagen. (26) Daarover peinzend zeiden ze toen tot hem die de aanzet voor het offer had gegeven: 'De goddelijken accepteren de priesters hun uitgietingen in het vuur niet. (27) O Koning, er is niets onzuivers met de offergaven die u met grote zorg hebt ingezameld, noch is er ook maar iets mis met de juiste uitvoering van de mantra's door de gekwalificeerde brahmanen. (28) In dit verband kunnen wij niet de geringste belediging of nalatigheid constateren jegens de goddelijken, waardoor zij die van de goddelijkheid zijn en de offerplechtigheid moeten bijwonen, niet hun eigen deel zouden accepteren.'

(29) Maitreya zei: 'Koning Anga, die het offer bracht, was, nadat hij hoorde wat de tweemaal geborenen zeiden, er zeer over terneergeslagen en richtte zich toen, met hun permissie, tot hen, om nader te worden geïnformeerd: (30) 'Ertoe uitgenodigd komen zij die van God zijn niet opdagen om hun deel van het offer in ontvangst te nemen; mijn beste priesters, alstUblieft zeg me wat de aard van de overtreding is die ik heb begaan?'

(31) De leidende priesters zeiden: 'O God der Mensen, in dit leven hebt u ook niet maar de geringste zonde begaan, maar in uw vorige leven was er een zonde waardoor in dit leven u navenant zonder een zoon zit. (32) Derhalve - alle geluk aan u - breng het offer ten uitvoer om een goede zoon te krijgen, o Koning; de Heer, de genieter van het offer, aanbeden in het verlangen naar een zoon, zal u er een schenken. (33) Daarop zullen alle mannen van God hun deel van het offer aanvaarden, omdat voor het doel van een zoon dan rechtstreeks de Hoogste Persoonlijkheid is uitgenodigd. (34) De Heer die is aanbeden zal de persoon met wat er ook verlangd werd belonen, als het zeker is dat daarmee in overeenstemming Hij voor de mensen het verlangde resultaat is.

(35) Aldus besloten gingen de geleerden met hun middelen van offeren over tot de offerande voor Vishnu, de Heer der Vlammen, met de bedoeling dat de koning een zoon zou krijgen. (36) Uit het offervuur verscheen een persoon gekleed in het wit met een gouden krans en een gouden pot waarin hij rijst gekookt in melk met zich meevoerde. (37) Hij, de koning, verankerd in de geest der adel, nam met de instemming van de geleerden de in melk gekookte rijst in zijn bijeen gebrachte handpalmen en bood het, er met groot genoegen aan gesnoven hebbend, aan zijn vrouw aan. (38) Zij, de koningin, van het voedsel etend dat haar een kind zou schenken, werd inderdaad door de echtgenoot bevrucht en raakte zwanger en gaf aldus na de nodige tijd geboorte aan de zoon die, er geen hebbend, node moest verschijnen. (39) Dat kind, voorwaar een zoon, verscheen ten dele in navolging van het op de dood begrepen areligieuze van de grootvader van moeders kant en daarvan groeide hij uit tot een schender van de heilige plicht. (40) Hij had de gewoonte zijn boog op te pakken als een jager en het bos in te gaan om onschuldige herten te doden en om die reden riepen alle mensen uit: 'Daar heb je hem, de wrede Vena!' (41) Als hij buiten speelde met jongens van zijn leeftijd bracht hij ze zeer wreed met geweld ter dood alsof hij dieren afslachtte. (42) Ziend hoe wreed zijn zoon was, was de koning met verschillende strafmaatregelen niet in staat hem onder controle te krijgen en zodoende raakte hij zeer bedroefd denkend: (43) 'Zij die het zonder een zoon moeten stellen moeten God de eer bewezen hebben; zij hebben niet te lijden onder dit ondraaglijk leed thuis te moeten leven met een dermate slechte zoon. (44) Van de kwade roep en het onrechtgeaarde van een slechte zoon zal er grote onenigheid onder de mannen zijn en een eindeloze bezorgdheid onder de mensen in het algemeen. (45) Wie wil er nu een dergelijke zogenaamde zoon? Zonder twijfel betekent hij voor de ziel gebondenheid aan illusie; welk intelligent mens zou waarde hechten aan iemand die zijn huis ellende bezorgt? (46) Ik denk dat het beter is een slechte zoon te hebben dan een goede, daar men door het verdriet onthecht raakt van zijn thuis, dat als de bron van alle treurnis, het leven van een sterfelijk man in een hoop ellende verandert.'

(47) Aldus onverschillig geraakt stond hij, de koning, niet in staat te slapen, in het holst van de nacht van zijn bed op om zijn, van de zegeningen der grote zielen zo welvarende, woning op te geven en verliet hij, niet gezien door wie dan ook, Vena's moeder die diep in slaap was. (48) Toen ze doorkregen dat de koning, zich niet langer bekommerend, vertrokken was, zochten al de burgers, priesters en ministers, vrienden en de rest van de mensen, de aarde af in grote droefenis, precies zoals onervaren yogi's uitkijken naar wat er allemaal in de persoon verborgen zit. (49) Niet ook maar een spoor van hun vader des vaderlands vindend, o Kaurava, keerden de burgers teleurgesteld naar hun stad terug en stelden ze, na hun eerbetuigingen te hebben gebracht, met tranen in de ogen de wijzen op de hoogte van de afwezigheid van de koning.'

 

Hoofdstuk 14

Het Verhaal van Koning Vena

(1) Maitreya zei: 'De wijzen met Bhrigu aan het hoofd, die altijd het welzijn van de mensen voor ogen hadden, hadden van de burgers begrepen dat de koning afwezig was; ook wisten ze dat ze dan zeker op het niveau van de dieren zouden leven. (2) De wijze mannen, riepen toen Vena's moeder, Sunîthâ, bij zich, en kroonden hem [Vena] toen tot de heerser over de wereld, ook al waren de ministers het er niet mee eens. (3) Horend dat Koning Vena de troon had bestegen verborgen de dieven, wetend dat hij een strenge bestraffer was, zich terstond gelijk ratten bang voor een slang. (4) Koning Vena die het zover als tot de koninklijke zetel had gebracht was zeer trots met de acht vormen van weelde [zoals ontleend aan de acht perfecties van de yoga, de siddhi's] en begon, met minachting, de grote persoonlijkheden te beledigen, zichzelf als de grootste beschouwend. (5) Aldus, verblind door de macht, besteeg hij, trots en onbeheerst als een olifant, een wagen en reisde hij rond hemel en aarde schrik aanjagend. (6) Niet toestaand dat er enig offer werd gebracht, aan liefdadigheid werd gedaan of dat er ook maar een grammetje boter in het vuur werd geofferd, o tweemaal geborene, stopte hij aldus, met zijn paukengeroffel overal, de rituelen der religie. (7) Al de wijzen, nadat ze getuige waren van al de handelingen van de grote schurk die Vena was, beschouwden het als gevaarlijk voor de mensen in het algemeen en kwamen er uit mededogen over te spreken daar zij het altijd geweest waren die de offers ten uitvoer brachten: (8) 'Zoals een blok hout dat aan twee kanten in brand staat, verkeert de gewone man helaas van de beide zijden van zowel de koning als van de dieven en schurken in groot gevaar. (9) Uit angst zonder een koning te zitten werd Vena, hoewel hij er niet voor geschikt was, gekroond en nu is er ook van hem het gevaar; hoe kunnen de gewone mensen dan gelukkig zijn? (10) Zoals een slang in leven gehouden met melk zelfs hem aanvalt die hem in leven houdt, heeft Vena, geboren uit de schoot van Sunîthâ, zich ontwikkeld tot een uiterst kwalijk karakter. (11) Benoemd tot Koning lijdt het geen twijfel dat hij eropuitis de burgers schade te berokkenen, maar niettemin zullen we proberen hem tot vrede te bewegen, opdat we niet door de gevolgen van zijn zonden zullen worden aangetast. (12) Bekend met Vena's ondeugd hebben we hem niettemin tot koning uitgeroepen; als wij hem met onze woorden niet tot vrede kunnen bewegen, zal hij, voor zijn onrechtgeaard handelen, door het publiek worden verdoemd te branden en zullen wij, naar ons eigen vermogen, ons best doen hem het vuur aan de schenen te leggen.' (13) Aldus besloten benaderden de wijzen Vena, hun woede verbergend en spraken ze tot hem na hem diplomatisch gunstig te hebben gestemd.

(14) De wijzen zeiden: 'O beste der edelen! Probeert u alstUblieft dat te begrijpen wat we u nu gaan zeggen, o Koning, en dat uw levensduur zal verlengen, kracht zal vergroten en reputatie ten goede zal komen, o allerbeste. (15) Aan die personen, vrij van gehechtheid, die in woord, gedachte, lichaam en intelligentie handelen in overeenstemming met de religieuze beginselen, zullen de werelden zijn vergund die vrij zijn van ellende; zij zullen bevrijding en duurzaam geluk vinden. (16) Laat dat geestelijk leven niet door u gemist worden, o held der mensen; de koning die dat mist wat de oorzaak der voorspoed is, zal zijn positie verspelen. (17) O Koning, het adellijk bestuur dat de mensen beschermt tegen doortrapte regenten, dieven en schurken kan op grond daarvan belastingen innen en zowel deze wereld als de wereld erna genieten. (18) Het is in die koninkrijken waarin in de steden voorzeker de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers, wordt aanbeden, dat de mensen zullen handelen in overeenstemming met hun eigen beroep in navolging van het varnâs'rama-systeem [van roepingen en leeftijdsgroepen]. (19) De Fortuinlijke, de oorspronkelijke oorzaak van de kosmische manifestatie, zal tevreden zijn met die koning, o nobele ziel, die in zijn positie als heerser van de ziel is die de hele wereld bij elkaar houdt. (20) Met hem, de Heerser der Heersers, behaagd, kan men het onmogelijke bereiken; om die reden zijn de mensen overal met de beeltenissen van hun voorkeur naar hun volle vermogen met grote voldoening allen offers terwille van Hem aan het bereiden. (21) Het is Hij die met al de beeltenissen in de aanbidding de ontvanger is. Hij is de slotsom van de Veda's, de eigenaar van alle middelen van aanbidding, het doel van alle verzaking; derhalve zou u, o Koning, terwille van de meerdere eer en glorie van u zelve, uw landslieden moeten opdragen tot de dienst aan God over te gaan middels de verschillende vormen van offeren. (22) Als de brahmanen in het koninkrijk overgaan tot de eredienst, zijn alle verlichte zielen die deel uitmaken van de Heer, naar behoren gerespecteerd en zullen zij, zeer tevreden, het verlangde resultaat verzekeren; o held, u moet ze niet minachten.'

(23) Vena gaf ten antwoord: 'O hoe kinderachtig bent u allen in werkelijkheid, met het voor religieus houden van irreligieuze beginselen; in feite verzaakt u allen de vader in aanbidding van een achterhaalde notie van hem. (24) Zij met een gebrek aan respect zijn zich er niet van bewust dat de Heer er is in de vorm van de koning; ze kunnen geen geluk vinden in deze wereld noch na de dood! (25) Wat is de naam van die genieter van het offer op wie u uw zo grote toewijding richt? Net als een onkuise vrouw met haar geheime minnaar schiet u tekort in uw genegenheid voor uw echtgenoot! (26-27) De schepper, de handhaver, de vernietiger, de koning van de hemel, de god van de wind en de god van de dood; de god van de zon, de regens, de schatkist en de maan; de god van de aarde, het vuur en de wateren; al dezen en ook andere machten van zegen en vloek, houden zich op in het lichaam van de koning; de koning omvat al de goden. (28) Om die reden, mijn beste geleerden, behoort u mij te aanbidden in uw rituelen en niet jaloers te zijn; zet al die middelen in ter wille van mij, er is niemand anders als hoogste genieter van wat geofferd is.'

(29) Maitreya zei: 'Met al het respect geboden niet ingaand op het verzoek van de wijzen, was aldus hij wiens intelligentie was bedorven en zo heel zondig was afgedwaald van het rechte pad, verstoken van alle fortuin. (30) Op die manier waren al de brahmanen beledigd door hem, die zich zelf zeer onderlegd achtte; gefrustreerd met hun beleefde verzoek, o Vidura, werden ze zeer kwaad op hem: (31) 'Ter dood, ter dood, deze koning, deze zondaar, deze verschikkelijke kerel, die zeker de hele wereld spoedig in de as legt als we hem z'n gang laten gaan. (32) Deze man, zo vol van ondeugd, verdient nooit de verheven troon als de god der mensen; schaamteloos beledigt hij Heer Vishnu, de meester aller offers! (33) Wie ook anders dan Vena, geboren onder zo'n slecht gesternte, zou op die manier Hem belasteren, door wiens genade men alle fortuin geniet.' (34) Aldus besloten hem ter dood te brengen hielpen ze, met het tentoonspreiden van hun woede, met enkel hun woedende toon, Vena, die dood was in zijn belasteren van de Onfeilbare, de wereld uit. (35) Nadat de wijzen waren teruggekeerd naar hun hermitages, behield Sunîthâ, in haar jammerklacht, het lichaam van haar zoon met behulp van het zingen van mantra's.

(36) Eens, toen de wijzen een bad namen in de wateren van de Sarasvatî met offergaven gebracht in het vuur, begonnen ze, zittend aan de oever van de rivier, de zaken aangaande de waarheid te bespreken. (37) Ze vertelden elkaar dat ze te dien tijde hadden waargenomen dat er zich verstoringen ontwikkelden die de mensen in angst verzetten; zouden ze niet, zonder een heerser, lijden onder het ongeluk van het hebben van een wereld vol van dieven en schurken? (38) Klaarblijkelijk, toen de wijzen dit in overweging namen, kon overal waar men keek, men de hemel verduisterd zien door stofwolken opgeworpen door het zich uit de voeten maken van criminelen bezig met plunderen. (39-40) Ze begrepen toen dat de verstoringen waar de gewone man onder te lijden had met het plunderen van hun rijkdom, te wijten was aan de dood van hem die hun beschermer was; en met het land vol dieven en moordenaars en het zonder een koning stellend, waren ze, ook al hadden ze al die misdaad heel goed in de gaten, niet in staat de boevenbende eronder te krijgen. (41) Een brahmaan gelijkgezind en vreedzaam, die de armen schromelijk verwaarloosd, is zeker van de neergang van zijn geest, precies zoals het water van een gebroken pot. (42) De familielijn van de heilige koning Anga zou niet moeten worden gebroken, want zondeloos zijnd had hun zaad het vermogen waarmee de koningen van deze familie de bescherming zouden genieten van Kes'ava [Hij met de mooie krullen]. (43) Aldus besloten de wijze mannen met hun speciale macht de benen van de dode koning te karnen, waarop een persoon genaamd Bâhuka [de dwerg] werd geboren. (44) Hij was zo zwart als een kraai, in ieder opzicht zeer kort van stuk met zeer korte benen en armen, had grote kaken, een platte neus, rooddoorlopen ogen en haar zo rood als koper. (45) Onderworpen verboog hij zich toen voor de wijzen vragend: 'Wat kan ik voor u betekenen?'. 'Zet u slechts hier neer' gaven ze ten antwoord, en dus, mijn beste, stond hij sedertdien bekend als Nishâda. (46) Zijn nakomelingen werden toen de Naishâda's genoemd; ze bewoonden de heuvels en bossen, omdat, geboren uit Vena met Nishâda die al de zonden op zich nam, ze gevreesd waren.

 

Hoofdstuk 15

Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

(1) Maitreya zei: 'Aldus karnden de brahmanen, andermaal, de armen van de koning die geen zoon had en daaruit kwam een paar ter wereld. (2) Van de geboorte van dat paar zeiden de wijzen, bekend met de Veda's, dat ze er zeer gelukkig mee waren, wetende dat het een ['âves'a'-]expansie van de Allerhoogste Heer betrof. (3) De wijzen zeiden: 'Deze man is een expansie van de Allerhoogste Heer, Vishnu, die de wereld in stand houdt en deze vrouw is Lakshmî, de godin van het geluk, die een onafscheidelijk deel van het geheel van de Oorspronkelijke Persoon is. (4) Deze man zal voorts de eerste onder de koningen zijn en zal zijn faam verbreiden onder de naam Prithu ['die van de aarde'], wijd en zijd geroemd als de grote koning. (5) Dit vrouwelijk kind zal de schoonheid van haar sieraden verhogen met de pracht van haar tanden als een godin van alle goede kwaliteiten; ze zal Arci worden genoemd en zal Prithu met haar schoonheid bekoren. (6) Hij, als een gedeeltelijke, rechtstreekse vertegenwoordiger van de Heer, kwam op aarde met het verlangen de ganse wereld te beschermen en zij nam geboorte als de onafscheidelijke godin die zich zeer tot hem voelt aangetrokken.'

(7) Maitreya zei: 'Al de geleerden prezen hem, de zangers van de hemel bezongen hem, de volmaakten strooiden bloemen en de hemelse maagden dansten. (8) De lucht vullend met de trillingen van hoornschelpen, trompetten, trommels en pauken en dergelijke, kwamen aldaar al de goddelijken, de wijzen en de ouderen uit alle delen van de samenleving bijeen. (9-10) Brahmâ, de meester van het universum, die tezamen met al de leiders van de verlichte wereld aankwam begeleid door de goddelijken, ontwaarden op de rechter hand van die zoon van Vena, het merkteken van Vishnu met de strijdknots. Zijn twee voeten vertoonden ook de lotusbloem en aldus was hij er zeker van dat hij te maken had met het deel van de Heer dat zijn onoverwinnelijke werpschijf is; daarmee zou hij het Allerhoogste Belang vertegenwoordigen. (11) De brahmanen gehecht aan de rituelen bereidden zich voor op zijn kroning en dus brachten de mensen, om zijnentwille, van alle kanten de verschillende middelen bijeen om de ceremonie ten uitvoer te brengen. (12) De rivieren, de zeeën, de bergen, de slangen, de koeien, de vogels en de beesten; de hemel, de aarde en alle levende wezens, werden bijeen gebracht in hun verschillende representaties. (13) Hij werd zo tot Mahârâja gekroond; verfijnd gekleed en volledig opgesierd zag hij er tezamen met zijn met juwelen behangen echtgenote Arci uit als een vuur zonder weerga. (14) De bewaarder der weelde, Kuvera, bood hem een koninklijke troon gemaakt van goud, o held, en Varuna gaf hem een parasol schitterend als de maan die voortdurend een mist van waterdruppeltjes liet neerdalen. (15) Vâyu eveneens gaf hem twee camâra's [wuifkwasten] gemaakt van haar, Dharma een krans die bijdroeg tot zijn naam en faam, Indra schonk een zeer kostbare helm en Yama gaf hem een scepter om over de wereld te heersen. (16) Brahmâ wapende hem met geestelijke kennis, zijn vrouw Bhâratî, de godin van het leren [Sarasvatî] gaf een transcendentaal halssnoer, de Allerhoogste Persoonlijkheid [Hari, Vishnu] gaf hem de Sudars'ana-schijf en Zijn vrouw Lakshmî schonk hem onvergankelijke schoonheid en weelde. (17) Heer S'iva kwam met een zwaard versierd met tien manen en Durgâ gaf een soortgelijk schild dat een honderdtal manen vertoonde. De maangod schonk paarden van de beste soort en de halfgod Vis'vakarmâ schonk een zeer mooie wagen. (18) Agni gaf een boog gemaakt van hoorn, Sûrya pijlen schitterend als het zonlicht, Bhûmi [de godin van de Aarde] schonk slippers die hem begiftigden met de macht der mystieke eenheid en de goden uit de hemel strooiden dag na dag bloemen over hem uit. (19) De kunst van het toneel, het zingen van de fijnste liederen, het bespelen van muziekinstrumenten alsook het vermogen om dingen te laten verdwijnen en verschijnen, werd hem gegeven door de goden van boven; de grote wijzen zegenden hem met de onfeilbaarheid en de god van de oceaan bracht hem een schelphoorn. (20) De zeeën, bergen en rivieren verschaften hem doorgang voor zijn wagen en de beroepsmatige hofzangers en voorgangers in gebed en lofprijzing presenteerden zichzelf voor hem, hem aanroepend in verzen. (21) Toen hij hen in hun offerandes zo bezig zag, sprak de hoogst machtige zoon van Vena als volgt, glimlachend en met een stem gewichtig als de donder van wolken.

(22) Koning Prithu zei: 'O beste barden, mannen van gebed en lof, uw woorden jegens mij zijn misplaatst; zoals ik hier nu in de wereld ben, vertoon ik niet al deze mogelijke kwaliteiten. Dus waarom dan het prijzen van mij als de toevlucht? Deze woorden zouden nooit op mij gericht moeten worden. (23) Breng daarom die gebeden als, ergens in de toekomst, die kwaliteiten van mij waarover u sprak, in afdoende mate kunnen worden gewaardeerd, mijn beste reciteerders. Zij die van eer zijn en naar behoren de kwaliteiten van de Allerhoogste, verheerlijkt in de geschriften, bespreken, brengen die gebeden nooit aan een verwerpelijk menselijk wezen. (24) Een competent iemand die zich door volgelingen laat prijzen voor talenten die hij aan de dag legt maar die, als mogelijkheden slechts, nog niet echt als werkelijkheden bestaan, houdt zichzelf daarmee voor de gek en is een dwaas die niet door heeft dat zoiets behoort tot de manier waarop mensen elkaar beledigen. (25) De machtigen houden er zeker niet van zelf te worden geprezen. Hoewel zeer beroemd zijn ze bescheiden; zo groots van grote daden als ze zijn, zijn ze evenzogoed abominabel. (26) O mensen geleid door de lof, als we dan nu op dit moment niet van enige faam in de wereld zijn of prijzenswaardig in ons handelen, hoe zou ik dan u, als was u kinderen, kunnen betrekken in gebeden gericht op mijn persoon?'

 

Hoofdstuk 16

Koning Prithu Geprezen

(1) Maitreya zei: 'Met het aanhoren van de nectargelijke woorden van de aldus sprekende koning, waren de voordrachtskunstenaars ingenomen en dus prezen ze hem naar de instructies van de wijzen: (2) 'We zijn niet in staat ten volle de heerlijkheden van hem te beschrijven die als de belangrijkste godheid uit eigen genade nederdaalde. Hoewel hij verscheen uit het lichaam van Vena, verbijstert zijn glorie de geesten van de meest vooraanstaande sprekers. (3) Niettemin zullen we proberen, in overeenstemming met wat de wijzen ons gezegd hebben te doen, de naam van Koning Prithu, geroemd als een gedeeltelijke incarnatie van Heer Vishnu, in de zoetste bewoordingen te vervatten; aangemoedigd door de vrijzinnigheid en het prijzenswaardige van zijn handelingen, zullen we trachten het nieuws ervan te verspreiden. (4) Deze koning, als de beste verdediger van het geloof, zal de hele wereld ertoe aanzetten plichtsgetrouw te volgen; behalve dat hij de beschermer van de principes van de menselijke natuur is, is hij ook de bestraffer van allen die tegen ze zijn. (5) Hij is zonder twijfel degene die alleen, in zichzelf, al de gedaanten van alle plaatselijke beeltenissen draagt en naar die rechtzinnigheid zal een ieder, zowel hoog als laag, na de nodige tijd zijn aandeel genieten en het goed gaan. (6) Al de schatten die hij vergaart, zal deze koning bijtijds gelijkelijk retourneren aan alle levende wezens, precies zoals de almachtige zonnegod dat doet in zijn stralen. (7) Hij zal de plicht van de aarde op zich nemen altijd goed te zijn voor de verdrietigen en tolerant te zijn met de mensen die hem, de koning, met voeten treden. (8) Met hetzelfde gemak als waarmee Indra regen verschaft als er een tekort aan is en de levende wezens te lijden hebben, zal die hemelse man van God, deze belichaming van de Heer, zeker de burgers in bescherming nemen. (9) Door de blikken en heldere glimlach van zijn prachtige maangelijke aangezicht vol genegenheid zal de hele wereld beter af zijn. (10) De tactieken van de koning onttrekken zich aan het zicht, zijn handelingen zijn geheim, wat hij bereikt is verborgen, zijn schatkist kent geen bodem; zijn ziel, als het enige reservoir van alle goede eigenschappen zal bedekt zijn, zoals dat is met Varuna, de koning der zeeën. (11) Uit Vena geboren zoals vuur uit brandhout, is hij moeilijk te benaderen en [voor zijn vijanden] ondraaglijk; ook al heeft men hem benaderd, hij blijft op een afstand; er zal niemand zijn die hem de baas is. (12) Zowel vanbinnen als vanbuiten bespiedt hij de activiteiten van al de levende wezens, hen beziend als de neutrale getuige, precies zoals de in- en uitgaande lucht dat doet met de levenskracht van al de belichaamden. (13) Onwankelbaar op het pad der vroomheid, zal hij er niet over peinzen de zoon van zijn vijand te bestraffen als die niet moet worden bestraft, maar zijn eigen zoon zal hij evenzogoed bestraffen als die dat verdient. (14) Zoals de zonnegod die zijn licht overal laat schijnen, zal de lange arm van de invloed van Prithu onverminderd de meest machtige blijven tot aan de berg Mânasa [het poolgebied] toe. (15) De hele wereld behaagd door zijn persoonlijk handelen zal hem daarom 'de Koning Aangenaam voor de Geest der Burgerij' noemen. (16) Standvastig in zijn besluit en altijd van de waarheid, ten gunste van het brahmaanse en de ouderen van dienst zijnd, is hij het die van respect is en bij wie al de levende wezens hun beschutting zoeken; de zorgzame ouder voor hen die te lijden hebben. (17) Jegens andere vrouwen is hij zo respectvol als voor zijn moeder, voor zijn eigen vrouw is hij als de andere helft van het lichaam, jegens de burgers is hij gelijk een liefdevolle vader en is hij een dienaar voor hen die in God geloven. (18) Een ieder, belichaamd zoals hij, is hem dierbaar, hij draagt bij tot de vreugde van zijn vrienden, hij onderhoudt intieme betrekkingen met hen die vrij zijn van gehechtheid; deze koning vormt de harde hand voor de verdorvenen. (19) Hij die direct de onveranderlijke Allerhoogste Heer over de drie werelden is, daalde neder als een gedeeltelijke [s'aktyâves'a-]expansie van de Superziel; hij ziet de zekerheid van het vertrouwen stellen in de veelvormigheid van de materie als zijnde zonder betekenis, daar die zijn oorsprong vindt in de onwetendheid. (20) Van het vroegste daglicht over de heuvels af aan, zal hij als de Koning van de Wereld, op unieke wijze heldhaftig, de aardbol beschermen als de meester van al de goden der mensen; vanaf zijn zegerijke wagen de boog hooghoudend, zal hij overal aanwezig zijn zoals de zon die langs het zuiden voorbij trekt. (21) Voorzeker zullen de koningen van overal zich voor hem presenteren; met de lokale beeltenissen zullen de echtgenotes van deze koningen hem zien als de Oorspronkelijke Koning die het wapen van zijn schijf draagt met het hooghouden van zijn [Zijn] reputatie. (22) Hij zal de aarde in de gedaante van een koe melken; als een buitengewone koning en stamvader [de Prajâpati] zal hij voorzien in de faciliteiten voor het leven van de bevolking; en als tijdverdrijf zal hij eenvoudigweg door het scherpe van zijn boog de berg van regenwolken vereffenen, ze uiteendrijvend in het geschikt maken van de aarde gelijk Indra, de koning van de hemel. (23) Met het trillen van zijn hoornen boog, zal hij, als hij in eigen persoon over de aarde reist, onverslaanbaar in de strijd, dan alle oorlogszuchtigen dwingen onder te duiken, zijn staart omhoog houdend als een leeuw. (24) Deze koning zal een honderdtal as'vamedha[paard-]offers brengen aan de bron van de rivier de Sarasvatî, alwaar zijn paard gedurende de laatste van de honderd offers zal worden gestolen door Heer Indra. (25) Hij, in de tuin van zijn paleis, zal daar een treffen onder vier ogen hebben met de aanbiddelijke Sanat-kumâra en zal, in zijn aanbidding van toewijding zijnd, die smetteloze, transcendentale kennis bereiken waarmee de geest van de Absolute Waarheid wordt genoten. (26) Van de roem van zijn ridderlijkheid aldus vervat in vele bewoordingen, zal hij over zichzelf in liederen en vertellingen vernemen als Prithu, de koning van de allerhoogste macht. (27) Overal de overwinning behalend met niemand die hem de baas is zal hij, bij de genade van zijn eigen vermogen, al de stekende doorns van het leven verwijderen; hij zal worden verheerlijkt, door de leiders van de godsbewusten en de goddelozen, als de grote ziel en zal de heer van de wereld worden.'

 

Hoofdstuk 17

Mahârâja Prithu Wordt Kwaad op de Aarde

(1) Maitreya zei: 'De zoon van koning Vena aldus in zijn kwaliteiten en handelingen verheerlijkt als een gedaante van de Allerhoogste Heer, behaagde diegenen die hadden gesproken met gaven, zelf ook met alle respect en gebed zijn offers brengend. (2) De leiders der brahmanen, de andere kasten, de dienaren, ministers, priesters, de burgers, al zijn onderdanen, de verschillende gemeenschappen en zijn vereerders respecteerde hij allen naar behoren.

(3) Vidura zei: 'Waarom nam de aarde die zoveel gedaanten heeft, de gedaante van een koe aan - en met koning Prithu die haar molk, wie was er dan als het kalf alsook: wat was de melkemmer? (4) Hoe bracht hij eenvormigheid in de aanbidding tot stand die van nature zo uiteenloopt en om welke reden stal de godheid (Indra) het paard van het offer? (5) O brahmaan, wat was na de kennis over de praktijk te hebben ontvangen van de machtige Sanat-kumâra * die zo goed thuis is in de traditionele kennis, het doel dat de heilige koning bereikte? (6-7) Alstublieft, uit uw goedheid voor de Allerhoogste Persoon van Krishna, vertel van de Heer die ook gekend wordt als Adhokshaja [Hij die voorbij de zinnen is] deze zo heel aandachtige toegewijde over het melken van die koe door de zoon van Vena; het moet zonder twijfel een genoegen zijn over te gaan tot het aanhoren van de verhalen over hem die uit de deugdzaamheid van zijn voorgaande incarnatie kwam tot zulke machtige en glorieuze daden.'

(8) Sûta zei: "Daarop prees de heilige Maitreya hem, zeer verheugd met de door de vertellingen over Vâsudeva geïnspireerde Vidura en gaf hij hem antwoord. (9) Maitreya zei: 'Toen koning Prithu door de brahmanen op de troon werd gezet, mijn beste, en verklaard werd dat hij ook de beschermer der mensen was, leden de burgers onder een voedseltekort en benaderden ze met hun lichamen uitgemergeld van de honger hem om hem, de Beschermer van het Aardoppervlak, ervan op de hoogte te stellen.

(10-11) 'Wij, o Koning, lijdend onder een honger die brandt gelijk een vuur in de holte van een boom, zijn als zulke bomen vandaag tot u gekomen om bij u beschutting te zoeken daar u de aangewezen meester bent die het raadplegen waard is ons in de arbeid te betrekken. Derhalve, alstUblieft Uwe Majesteit, probeer ons, die onder honger te lijden hebben, het voedsel te verschaffen, o meester over alle heersers der mensen; als u niet optreedt als de beschermer van de mensen ons allen in distributie van het voedsel aan het werk zettend, zullen we omkomen!'

(12) Maitreya zei: 'Prithu die de burgers hun beklag over hun deerniswekkende toestand aanhoorde, bezon zich daar een lange tijd op, o beste der Kuru's, en ontdekte wat de oorzaak was. (13) Met die slotsom nam hij met wijsheid zijn pijl en boog op als de woedende Heer der drie Steden [Heer S'iva die ooit drie forten doorboorde met één pijl] en mikte een pijl richting aarde. (14) Toen de aarde zag dat hij zijn pijlen en boog had opgevat, sloeg ze bevend, veranderd in een koe, op de vlucht zo angstig als een hert opgejaagd door een jager. (15) Er toen jacht op makend had de zoon van Vena, met verschrikkelijke rode ogen van de woede, een pijl op zijn boog aangelegd waarheen ze ook maar vluchtte. (16) Ziend hoe de koning haar achtervolgde met het heffen van zijn wapens, rende ze willekeurig in alle vier de windrichtingen, her en der in de ruimte tussen hemel en aarde wegvluchtend. (17) Nergens op aarde in staat te ontsnappen aan de hand van de zoon van Vena, precies zoals de mens niet in staat is te ontsnappen aan de dood, keerde ze tenslotte, zeer bevreesd en droef van hart, toen terug.

(18) Ze zei: 'Aangezien u nu de grootheid, de fortuinlijke bent, o kenner der religie, o toevlucht van hen die te lijden hebben, redt me altublieft; Uwe Majesteit bent er immers voor de bescherming van de levenden. (19) Waarom is het zo dat u nu juist die persoon wilt doden die zonder zonde is; hoe kan het zijn dat u een vrouw als ik naar het leven staat - u, die gezien wordt als de kenner der principes? (20) Als het zo is dat zeker niemand ooit een vrouw zou moeten slaan zelfs al is ze zondig, hoezeer moet dat dan niet gelden voor een persoonlijkheid als u, o Koning, een mens zo vol van genade en genegenheid voor de armen? (21) Als u mij in stukken breekt, hoe moet dan deze zo sterke boot met alles van de wereld erin geladen, u zowel als al de mensen drijvende houden?'

(22) Koning Prithu antwoordde: 'O mijn beste bron der welvaart, geen gehoorgevend aan mijn regels zal ik u ter dood moeten brengen; daar u, uw aandeel van de offers aanvaardend, ons niet in de overvloed voorziet. (23) U eet dagelijks het groenste gras, maar we zijn nooit zeker van de melk verschaft door uw uier; is het dan niet aangewezen een koe die aldus ongetwijfeld in overtreding is te straffen? (24) Mij niet gehoorzamend, van een mindere intelligentie, geeft u ons zeker niet de zaden voor de gewassen, de kruiden en het graan die voorheen door de Schepper werden gevormd maar nu door u in uzelf verborgen worden gehouden. (25) Om aan de treurnis van al de getroffenen lijdend onder de honger een einde te maken zal ik nu uw vlees in stukken snijden met mijn pijlen. (26) Of het nu een man, een vrouw of een eunuch betreft, de heersers die hem doden die als de laagste zonder mededogen voor zijn medeschepselen uit is op zijn eigenbelang, zijn niet werkelijk aan het doden. (27) U, krankzinnig en ingebeeld, geeft blijk van uzelf als een koe van begoocheling; met mijn pijlen zal ik u in stukken snijden zo klein als korreltjes graan; door de macht van mijn yoga zal ik persoonlijk al deze burgers in stand houden.'

(28) Dermate kwaad had hij de gedaante aangenomen van de dood in eigen persoon. De planeet aarde in overgave, die over haar hele lijf was begonnen te beven, sprak toen met gevouwen handen. (29) De aarde zei: 'Mijn respect voor de Transcendentie, de Persoon die met de materiële energie expandeerde in de veelheid van vormen; die bron der kwaliteiten biedt ik mijn eerbetuigingen, voor de ware gedaante die, naar Zijn liefde en Zijn handelen, is als iemand die Zelf handelt maar Zelf niet is aangedaan door de verbijstering als gevolg van de golven van de oceaan der materie. (30) Hij, waarin al de levende wezens hun rust vinden, aan wie deze aarde als een combinatie van de verschillende geaardheden en elementen en ik zelf ons bestaan te danken hebben; Hij in Zijn eigen recht, klaar met Zijn wapens voor me staand, mag me zeker ter dood brengen - bij wie anders zou ik mijn toevlucht moeten zoeken dan bij Hem? (31) Als degene die al deze bewegende en niet bewegende bestaansvormen in den beginne vanuit Zijn eigen vermogen schiep, daarbij de bescherming van uw beschutting biedend; U, die naar waarheid ondoorgrondelijk bent en middels diezelfde mâyâ zichzelf nu als hem, deze koning vertoont; hoe kan U, bereid tot het bieden van bescherming als iemand die zich strikt aan de principes houdt, het verlangen mij te doden? (32) Zeker is zonder twijfel, vanwege Zijn onoverwinnelijk vermogen, het plan van de Allerhoogste Meester nimmer duidelijk voor mensen die weinig ervaring hebben; Hij die dan schiep en aanzet tot schepping, is door Zijn ondoorgrondelijke vermogens en Heerschappij, de Ene in de veelheid. (33) De Ene die door Zijn eigen vermogen de oorzaak is van de schepping, het ontbinden en de handhaving van deze wereld, van de stoffelijke elementen, zinnen en heersende halfgoden, de intelligentie en de identificatie met de materie; Hij die Zijn vermogen tentoonspreidt met al deze energieën, die Bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid en oorzaak der oorzaken, biedt ik mijn eerbetuigingen. (34) U was het die feitelijk deze wereld schiep die bestaat uit de elementen, de zinnen, de geest en het hart, o Almachtige, o Ongeborene, als het Oorspronkelijke Zwijn mij in stand houdend, mij uit het water halend vanuit de lagere regionen [Varâha]. (35) Mij bovenop het water geplaatst hebbend, met de levende wezens boven op mij staand als in een boot, bent U, daadwerkelijk eropuit zijnd te beschermen, in de gedaante van een held de behoeder der aarde geworden - desalniettemin wilt U mij nu met scherpe pijlen doden vanwege het gemis van de melk. (36) Inderdaad worden, zoals dat met mij zo is, door het gewone volk, door hen wiens geesten zijn verbijsterd omdat ze door de geaardheden een product van Uw energie zijn, de wegen en handelingen van Uw heersers nimmer volledig begrepen; mijn respect voor hen allen en voor U die de helden zelf de bekendheid verleent.

*Vandaag de dag zijn er vier belangrijke geestelijke erfopvolgingen in India: de Kumâra-, Brahmâ-, Lakshmî- en S'iva- sampradâyas. Deze onderhavige vertaling komt voort uit de Brahmâ-sampradâya.

 

Hoofdstuk 18

Mahârâja Prithu Melkt de Aarde

(1) Maitreya zei: 'Na aldus aan Koning Prithu gebeden te hebben opgedragen, trilden zijn lippen nog steeds van woede. Zij, de planeet aarde, in angst, wist toen tot bezinning te komen en opnieuw begon ze te spreken: (2) 'Alstublieft geef uw woede op o Koning, probeer te begrijpen dat wat ik gezegd heb, ik zei als iemand die als een intelligent persoon de essentie overal vandaan haalt zoals een hommel dat doet. (3) Voor de duur van dit leven zowel als het volgende werden door de grote wijzen, de zieners der waarheid, de voorgeschreven methoden toegepast, zodat de mensen in het algemeen er eveneens hun voordeel mee zouden kunnen doen. (4) Voor een ieder die ten volle de principes navolgt als van ouds onderricht aan hen die het aan de nodige ervaring ontbreekt en bij het geloof leven, is het zeer makkelijk de vruchten van het handelen te genieten. (5) Hij die in nalatigheid, als een speculeerder, afgaat op zijn eigen persoonlijke idee zal zichzelf keer op keer zien mislukken in het nastreven van zijn doelen. (6) Al de kruiden en zaden die voorheen door Heer Brahmâ waren geschapen, o Koning, en die door mij worden gekoesterd, ziet men nu in handen van de ontuchtigen zonder respect voor de heilige praktijk. (7) Niet verzorgd en verwaarloosd door plaatselijke bestuurders zoals uwe goedheid, heb ik, voor deze wereld die is vervallen in dieverij, al de kruiden en zaden verborgen die nodig zijn voor de offers. (8) Omdat ze voor zo'n lange tijd in mij verkeerd hebben, hebben die kruiden en zaden hun kracht verloren en daarom behoort uwe Majesteit ze naar boven te halen op de voorgeschreven manier. (9-10) O held, zorg voor een kalf van mij; uit mijn genegenheid ervoor zal ik, als u eveneens zorgt voor een melkemmer en een melkman, al uw verlangens vervullen naar melk voor een ieder van u, zowel als, o machtig gearmde, o beschermheer der levende wezens, het voedsel dat u voor het voeden van uzelf verlangde, als u dat zo wilt. (11) Ook zal u zich ermee moeten bezighouden mij, de aarde, er op voor te bereiden, o Koning; zodat het water, dat neervalt bij genade van de godheid, voor mij bewaard, u ook van nut zal zijn nadat het regenseizoen is afgelopen, o machtige.'

(12) In overweging van de bevredigende en goede woorden van de aarde, ging de koning wijs met een kalf aan de slag en kreeg hij, aldus aan het melken geslagen, al het graan en de kruiden in handen. (13) Zo ook deden alle anderen met intelligentie begiftigd elders dat dienovereenkomstig zorg dragend, met het naar hun behoefte uitmelken van Prithu's planeet de aarde. (14) O goedheid, de wijzen melkend voor de zinnen [als de emmer], leverden, middels de wijze Brihaspati als het kalf, melk in de zuivere vorm der vedische hymnen. (15) Met Indra, de koning van de hemel als het kalf van productie zijnd, molken de godsbewusten in een gouden emmer de nectar van de melk van de geestkracht en de kracht van het lichaam en de zinnen. (16) De zonen van Diti, de vijanden van God, produceerden van Prahlâda, de belangrijkste [toegewijde] onder de goddelozen, als het kalf, de melk van gefermenteerde en gedistilleerde drank in een ijzeren vat. (17) De zangers en bewoners van de hemel produceerden van hem die Vis'vâvasu werd genoemd als het kalf, in een emmer in de vorm van een lotus, de melk van mooie muziek en schoonheid. (18) Zij die van het grote geluk waren, de halfgoden van geloof, brachten, vanuit het bereik der voorvaderen, vanuit Aryamâ, de melk van de offerandes van voedsel voort in een vat van ongebakken aarde. (19) Naar Kapila als het kalf zoals geregeld door de volmaakten en de geleerden en dergelijken [Vidyâdhara's], kwam de kennis van het naar eigen inzicht tewerk gaan naar de mystieke verworvenheden van de yoga met de ether [als melkemmer]. (20) Anderen van magische en mystieke vermogens [de Kimpurusha's] produceerden van Maya [de astronoom en poeet of de soortgelijke asura architect der Daitya's] als het kalf, met concentratie de melk van het wonderbaarlijke vermogen het lichaam onzichtbaar te maken. (21) De nazaten van Kuvera, de demonen, geesten en heksen [respectievelijk de Yaksha's, Râkshasa's, Bhûta's en Pis'âca's] die allen gewoon waren vlees te eten, molken met de Rudra-incarnatie van Heer S'iva [Bhûtanâtha] als het kalf, een brouwsel bereid uit bloed in een vat van schedels gemaakt. (22) Dienovereenkomstig brachten de slangen met en zonder een kraag, de schorpioenen en de wurgslangen, van Takshaka, hun leider, als het kalf, de melk op van het vergif in de emmer van de slangenkuil. (23-24) Het vee bracht met de draagstier van Heer S'iva [Nandi] als het kalf, in het vat van de wildernis de melk voort uit de groene grassen, met de leeuw als het kalf namen de andere beesten met scherpe tanden, de roofdieren, het vlees tot zich van andere levensvormen en naar het kalf van Garuda namen de vogels in de emmer van hun eigen lichaam de bewegende alsook de niet bewegende levende wezens tot zich als de melk. (25) van opbrengst met de Banyan als het kalf leverden de verschillende bomen melk in de vorm van sappen, terwijl de bergen en heuvels met de Himalaya's als het kalf de verschillende mineralen in hun pieken opleverden. (26) Op die manier werd, met hun leiders als de kalveren, naar gelang hun eigen verschillende melkemmers alles wat men nodig had verschaft als de melk verkregen van de planeet aarde die door koning Prithu bestuurd werd.

(27) O leider der Kuru's, de aarde melkend met de verschillende kalveren, emmers en melkers, werd aldus door Prithu en de anderen die zijn voorbeeld volgden, de melk verkregen van al de verschillende soorten voedsel waar de behoeftige levende wezens naar verlangden. (28) Daaropvolgend behandelde de koning, Prithu, die zeer ingenomen was met al het verlangde dat als melk was geproduceerd, de planeet aarde, in volle genegenheid voor haar, alsof zij zijn eigen dochter was. (29) Bij de macht van zijn boog had de keizer al de bergtoppen van de hele wereld opengebroken en op die manier had de machtige zoon van Vena haar vrijwel geheel in cultuur gebracht. (30) Zo was de Opperheer op deze aarde aanwezig als de zoon van Vena als een vader voor de burgers, hen aan het werk zettend en her en der voorziend in tal van geschikte woonplaatsen naar gelang de behoefte: (31) allerlei soorten van dorpen, nederzettingen en vestingen, alsook onderkomens voor de melkers, hokken voor de levende have, kampementen, mijnen en boerendorpen en gehuchten in de bergen. (32) Vóór Prithu was er op deze aarde voorzeker nimmer dit soort van planning van steden en dorpen; men was gewoon overal onbeperkt naar eigen goeddunken te leven.

 

Hoofdstuk 19

Koning Prithu's Honderd Paardoffers

(1) De wijze Maitreya zei: 'Daarna begon hij, de koning, in het land van Manu dat bekend staat als Brahmâvarta, waar de Sarasvatî naar het oosten stroomt, toen met het uitvoeren van een honderdtal paardoffers. (2) Geconfronteerd met deze hoogste machtige uitnemendheid in het vruchtdragend handelen kon koning Indra, die zelf een honderd offers had gebracht, niet het groot ceremonieel vertoon van de offers van koning Prithu verdragen. (3) Het was waarin rechtstreeks de genieter van alle offers, de Allerhoogste Heer Vishnu, de bovenzinnelijke beheerser, zichzelf zou vertonen, daar hij de bezitter, de leraar van de gehele wereld en van ieders ziel was. (4) In het gezelschap verkerend van Brahmâ en S'iva en al de lokale grootheden met hun volgelingen, wordt Hij geprezen door de bewoners en zangers van de hemel en de wijzen. (5) De volmaakten en zij die zich verlaten op de geleerdheid, de nazaten van Diti, zij die voor het resultaat werken en de bewakers van de weelde, maakten daar aangevoerd door Nanda en Sunanda, de meest eerbiedwaardige metgezellen van de Heer, hun opwachting. (6) De meesters van de yoga aangevoerd met Sanaka aan het hoofd: Kapila, Nârada en Dattâtreya en al de grote toegewijden steeds vol ijver de Heer te dienen, volgden Hem daar. (7) Beste zoon van Bharata, het was vandaar dat het land alle wensen vervulde als de koe al de melk producerend, ieder verlangd voorwerp voortbrengend dat de offeraar nodig had. (8) De rivieren gaven al het water dat nodig was, er was melk, yoghurt en het voedsel van andere melkproducten en de bomen met hun grote lichamen droegen vruchten en lieten de honing druipen. (9) De mensen van overal tezamen met hun bestuurders presenteerden zich met een aanbod van de vier soorten voedsel [dat wat wordt gekauwd, gelikt, wordt opgezogen en gedronken] en bergen juwelen uit de heuvels en oceanen. (10) Zodoende was koning Prithu, die zwoer bij de Heer voorbij de Zinnen, de meest ontwikkelde in rijkdom, maar de grote Heer Indra, die afgunstig was, vormde een obstakel. (11) Vol van afgunst, stal hij, ongezien, het offerdier toen de zoon van Vena bezig was met het laatste paardoffer bedoeld om de Heer aller Offers te behagen. (12) Zich voordoend als een bevrijd iemand en alzo religie en goddeloosheid met elkaard verwarrend, werd hij, terwijl hij de hemel in wegvluchtte, door Atri gezien. (13) De zoon van koning Prithu, een grote held, aangemoedigd door Atri, de wijze, om hem te doden, werd zeer kwaad en riep: 'Wacht je, wacht!' (14) Maar toen hij zag dat hij de kleding droeg die men als religieus beschouwt, zijn haar bijeengebonden had en een lichaam had geheel besmeurd met as, was hij niet in staat een pijl op hem af te vuren. (15) De zoon van Prithu die afgezien had van het doden werd door de wijze Atri opnieuw aangespoord om het toch te doen aangezien, mijn beste, de grote Indra de laagste van allen was geworden, in het verhinderen van het uitvoeren van een yajña. (16) Met die opdracht begon de zoon van Prithu, die zo kwaad als de Koning der Gieren was op Râvana, Indra na te jagen die in de verte wegvluchtte. (17) Het paard zowel als zijn valse kledij achter zich latend met hem achter zich aan, verdween Indra uit het zicht. Met het terugbrengen van het dier van zijn vader naar het offerperk keerde hij, de grote held, toen weerom.

(18) Beste Vidura, toen men de werkelijkheid van zijn wonderbaarlijk handelen zag, bedachten de grote wijzen hem dienovereenkomstig met de naam Vijitâs'va [hij die het paard terugwon]. (19) Niet gezien, onder de dekking van hechte duisternis, stal de machtige koning Indra echter opnieuw het paard weg van het offerblok waar het in gouden ketenen was geslagen. (20) Toen Atri erop wees dat hij buiten wegsnelde, kon de held hem deze keer ziend met een staf in zijn hand waar bovenaan een schedel hing, er eveneens niet toe komen hem te doden. (21) Door Atri ertoe aangespoord hem te achtervolgen, had hij, kwaad geworden, een pijl op zijn boog aangelegd, maar de onafhankelijke Indra die wederom het paard en zijn uitdossing opgaf, hield zichzelf buiten schot. (22) De held die het paard zo te pakken kreeg ging toen weer terug naar het offerperk van zijn vader; sedertdien is het zo dat degene die tekort schiet in de kennis zich presenteert met dat valse vertoon van de heer van de hemel. (23) Die gedaanten die Indra aannam met het verlangen het paard te ontvreemden, vormen allen taal en teken van zondige activiteiten; hiervoor heeft men de term gebrekkig gereserveerd [met khanda, wat stuk of gebroken is, heet het pâkhanda of pâshanda, ofwel valse prediker of ketter]. (24-25) Met Indra op die manier het paard wegstelend van de zoon van Vena in het verlangen het offer een halt toe te roepen, raakte de gewone man op die manier aangetrokken tot het zich valselijk uitdossen dat werd opgepakt en weer nagelaten door hem wat betreft de geloofsovertuiging. Men voelt zich gek genoeg tot deze valsheid van geloof in rode gewaden, naakt erbij lopen etc. aangetrokken, omdat het over het algemeen zeer bedreven wordt aangepakt met een goede taalbeheersing. (26) De incarnatie van de Heer, de als almachtig gevierde koning Prithu, hierover op Indra zeer vertoornd, nam een pijl op en hief zijn boog.

(27) De priesters die zagen dat Prithu zich aldus opmaakte om de koning van de hemel te doden, konden dat vertoon van zijn verschrikkelijk motief niet verdragen en brachten er tegenin: 'O grote ziel, zoals het staat vermeld in de geschriften, heeft het geen pas anderen naar het leven te staan in dit soort aangelegenheden. (28) We zullen Indra, die in feite reeds zijn macht kwijt is als de vernietiger van uw belang, aanroepen met nog nooit eerder gebruikte mantra's en zullen met alle macht uw vijand terstond in het vuur offeren, o Koning.'

(29) Na aldus degene die aan de macht was op de hoogte te hebben gesteld, o Vidura, stonden de priesters, geheel zuur, klaar met de offerlepel in hun hand om het offer te brengen, maar toen ze ermee begonnen vroeg Heer Brahmâ hen te stoppen: (30) 'U allen tezamen, u zou Indra niet uit de wereld moeten helpen, omdat hij, die u wenst te doden, door zijn offeren, deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer - en ook zijn zij die van God zijn, die u met het offeren wenst te behagen, allen deel van Indra zelf! (31) Tevens, o tweemaal geborenen, behoed u voor deze grote schending van de religie begaan door Indra in zijn verlangen om de voortgang in dezen van de koning te dwarsbomen. (32) Koning Prithu staat over de gehele wereld bekend, laat het derhalve zo zijn dat er voor hem die negenennegentig offers heeft gebracht er weinig meer te bereiken valt; en u uzelf o Koning, als de kenner van het pad der bevrijding - werden niet al de offers op de juiste wijze gebracht? (33) Zeker is dat u niet uit woede tegen Heer Indra op moet staan; het lijdt geen twijfel dat dat beter voor het welzijn en geluk van u beiden is, die samen staan voor het veelvormige van de Heer Gevierd in de Geschriften. (34) O grote Vorst, alstUblieft, neem in overweging wat ik u met het grootste respect zeg: laat u niet zoals u deed, gaan in de geest van het kwade vanwege een wending van het lot, daar men van hem die dat overweegt in de donkerste regionen belandt. (35) Laat er een einde komen aan dit offeren, het was door het zich voordoen naar het voorbeeld van Indra dat zo vele principes van de religie werden geschonden en slechte gewoonten konden post vatten onder hen die van God zijn. (36) Zie toch hoe al deze misleiding, die door Indra werd geïntroduceerd als degene die uw offerplechtigheid doorkruisend het paard wegstal, zo verlokkelijk is voor de gewone man dat hij zich erdoor laat meeslepen. (37) Uwe Majesteit, enkel ter verlossing, incarneerde u naar tijd en omstandigheid in deze wereld ter wille van de geloofsovertuiging die door de misdaden van koning Vena bijna was verdwenen - en nu bent u er als deel en geheel van het lichaam van Vishnu, o zoon van Vena. (38) Derhalve in overweging van het heil van de wereld, o heer der mensen, geef gevolg aan het verlangen van de stamvaders [dat u een expansie van de Allerhoogste zou zijn]en steek een stokje voor de illusie geschapen door Indra in de vorm van het gemoraliseer zonder dienstbaarheid (de pseudoreligie, de hypocisie) dat de moeder vormt van het gevaarlijke pad der ketterij.'

(39) Maitreya vervolgde: 'Aldus van advies gediend door de leraar van iedereen sloot Prithu, de koning en meester, in navolging van wat gezegd was en naar zijn beste kunnen, vrede met zelfs Indra. (40) Na dat gedaan te hebben nam hij naar gebruik een bad en zag hij de zegeningen voor de roem van zijn deugd tegemoet van de God-bewusten, daar ze allen zeer verheugd waren over het brengen van dat offer. (41) Al degenen die werkelijk geleerd hadden, waren, toen ze de oorspronkelijke koning hun zegen hadden gegeven, zeer gelukkig met het grote respect en de beloningen die ze van hem in ontvangst mochten nemen, o edelman: (42) 'O machtig gearmde, op uw uitnodiging verzamelden we ons hier allen: de voorvaderen, de goden, de wijzen en de gewone man, en u hebt ons allen geëerd met giften en eerbewijzen.'

 

Hoofdstuk 20

Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Mahârâja Prithu

(1) Maitreya zei: 'De Opperheer, de Heer van Vaikunthha, tezamen met de machtige Indra tevreden over de offers gebracht aan Hem, de Heer van het Offer, sprak als de genieter aller offers, tot koning Prithu. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze Heer Indra, die inderdaad het u moeilijk maakte met het honderdste paardoffer dat u bracht, richt zich tot uw ziel met zijn excuses; u zou hem moeten vergeven. (3) Zij die van de grootste intelligentie zijn ten gunste van anderen in deze wereld, o god der mensen, behoren tot de beste mensen; ze gaan nooit over tot kwalijke handelingen in relatie tot andere levende wezens, daar ze nimmer de ziel vergeten in dit vehikel van de tijd. (4) Als mensen zoals u, voor langere tijd in dienst van hoger geplaatsten, verbijsterd raken door de uitwendige energie van God, is zeker het enige resultaat dat men boekt het er ziek van zijn. (5) Daarom wordt hij die verkeert in het volle van de kennis, die weet dat men dit lichaam te danken heeft aan onwetendheid, verlangens en karma, zeker er nimmer de slaaf van. (6) Met andere woorden, welke persoon met ervaring zou, onthecht, voorkeur koesteren voor de weelde, het huis en de kinderen die ontspruiten aan een dergelijk lichamelijk begrip? (7) In eenheid, zuiver, in het eigen licht en niet materieel is dat allesdoordringende reservoir van goede eigenschappen, onbewogen door de materiële wereld, de onzelfzuchtige getuige, ontstegen aan het lichaam en het denken. (8) Een ieder die aldus op de hoogte is van de ziel die zich in dit lichaam ophoudt, is, hoewel hij zich midden in de materiële natuur bevindt, als persoon nimmer aangedaan door de geaardheden ervan; zo'n persoon bevindt zich in Mij. (9) Hij die zijn plicht steeds nakomend Mij aanbidt, met geloof en toewijding zonder enig nevenmotief, zal, o Koning, ontdekken dat hij in zijn denken geleidelijk aan de hoogste voldoening vindt (10) Vrij van de geaardheden der natuur en met een gelijke blik zal hij, die vanbinnen onbesmet en van de vrede is, de gelijkheid van Mijn geest van emancipatie bereiken. (11) Welke persoon ook die deze gefixeerde ziel kent als zijnde eenvoudigweg de onbekommerde toezichthouder van de fysieke elementen, de kennende en werkende zintuigen en het denken, zal al het goede geluk vinden. (12) Zij aan Mij gebonden in vriendschap en verlichting zullen nooit verstoord raken in de ervaring van geluk of ongeluk naar de verschillende kwaliteiten en de voortdurende verandering van het materiële lichaam dat bestaat uit de fysieke elementen, de actieve zinnen, de motieven ervan en het denken. (13) Gelijkmoedig in geluk en ongeluk, gelijk naar allen die groter zijn, lager zijn of er tussenin zitten en met de zinnen en het denken onder controle: weest, o held, de beschermer van alle burgers; in het gezelschap verkerend van alle mensen is het zoals Ik het beschikt heb. (14) In goedheid de bevolking besturend staat het voor een koning vast dat hij in zijn volgende leven een zesde van de resultaten van alle zedige activiteiten tegemoet kan zien, anders zal hij het zonder hen moeten stellen daar, enkel belastingen innend, hij onder de zonden van de burgers die hij niet beschermt zal lijden. (15) Aldus de beschermer van de aarde zijnd als iemand wiens hoofddoel het is onthecht te zijn in navolging van de principes zoals bevestigd en doorgegeven door de meest vooraanstaanden der tweemaal geborenen, zal u in korte tijd uzelf geliefd zien bij de burgerij en de volmaakten in eigen persoon bij u thuis zien komen. (16) Alstublieft vraag me, daar Ik geheel in beslag genomen ben door uw uitzonderlijke kwaliteiten*, welke zegen u ook maar van Mij verlangt, o belangrijkste onder de mensen; men kan Mij zeker niet eenvoudig winnen door enkel offers te brengen, te verzaken of het enkel beoefenen van yoga - Ik ben aanwezig in degene die evenwichtig van geest is.'

(17) Maitreya zei: 'De veroveraar van de wereld aldus geleid door de hoogste meester van allen, de Persoonlijkheid van Vishnu, boog zijn hoofd voor de instructies van de Heer. (18) Koning Indra, beschaamd over zijn eigen daden beroerde toen vol liefde zijn voeten; hem omhelzend gaf hij [Prithu] vanzelfsprekend zijn woede op. (19) De Allerhoogste Heer, de Superziel, nam van Prithu het eerbetoon met alles wat erbij hoort in ontvangst en met zijn zinnen gezet op de lotusvoeten nam zijn toewijding geleidelijk steeds meer toe. (20) Hoewel klaar hem te verlaten was de Heer met de lotusogen, de begunstiger aller toegewijden, opgehouden door genegenheid, niet in staat te vertrekken. (21) Hij, de ideale koning, met samengevouwen handen voor de Heer, was, met zijn ogen vol tranen niet in staat Hem aan te kijken, noch kon hij spreken, zijn stem was verstikt en Hem in zijn hart omhelzend bleef hij daar voor Hem staan. (22) Daarop de tranen van zijn ogen wissend en niet tevreden met het Hem met eigen ogen voor zich zien, richtte hij zich tot de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die met Zijn lotusvoeten amper de grond beroerde en met Zijn opgeheven hand rustte op de schouder van Garuda, de vijand der slangen.

(23) Prithu zei: 'Hoe kan een geleerd man U vragen om zegeningen, o Almachtige die er de Allerhoogste Heerser over is, die er ook zijn voor al die belichaamde levende wezens die verbijsterd zijn door de geaardheden der natuur, zelfs als ze in de hel verkeren? Noch vraag ik om U als de verlichting, o Allerhoogste. (24) Zelfs daar zie ik niet naar uit, o Meester, als het dan zo is dat ik het altijd zonder de nectar zou moeten stellen die uit de kern van het hart vrijkomt bij monde van de toegewijden aan Uw lotusvoeten; vergun me enkel deze miljoenen oren, dat is voor mij de zegening. (25) Die verzachtende bries van de nectargelijke [saffraan-]deeltjes van Uw Lotusvoeten o Heer, U die wordt verheerlijkt in de geschriften zoals doorgegeven in mondelinge overlevering door de groten, herstelt van hen die afdwaalden van het pad der toegewijde dienst, de herinnering aan de vergeten waarheid en maakt andere zegeningen overbodig. (26) Als iemand op de een of andere manier zelfs maar één enkele keer, in het gezelschap van hen die gevorderd zijn, luistert naar de alleszins gunstige verheerlijking van U, o Vereerde, hoe kan men dan, ten gunste van de kwaliteiten, tenzij men een beest is, ooit afzien van dat wat de Godin van het Geluk met haar verlangen te ontvangen heeft aanvaard als Uw kwaliteit? (27) Daarom zal ik me bezighouden met de dienst aan U, die de allesomvattende Allerhoogste en Oorspronkelijke Persoonlijkheid [Pûrusottama] en het reservoir van alle goede eigenschappen bent; laat er, met ons tweeën in wedijver jegens de Meester, inderdaad zo vol van verlangen zijnd als de godin met de lotus in haar hand, er geen enkele twist bestaan in die ene aandacht van tewerk gaan in respect aan Uw voeten. (28) De moeder van het universum, o Heerser der Kosmische Werkelijkheid, vermag boos te zijn over mijn zekere verlangen wat betreft haar activiteiten; maar waarom zou dat met haar jegens U, die zelfs de meest onbetekenende dienst als iets zeer groots beschouwt en met Uw toeneiging als een liefhebbende ouder, zo zijn, naar de ongetwijfeld volledige voldoening in Uw eigen weelde? (29) Derhalve zijn zij die U aanbidden aldus allen heiligen die de misvattingen verdrijven die hun oorsprong vinden in de heersende geaardheden der natuur; ik zie niet in waarom andere personen dan de heiligen, o Allerhoogste Heer, er reden toe zouden hebben zich Uw lotusvoeten steeds te herinneren! (30) Ik beschouw Uw woorden als een verstandsverbijsterende zegening voor de materiële wereld; als men enkel dat aanvaardt waarover U op deze manier sprak tot Uw toegewijden, hoe kunnen dan de mensen in het algemeen, omdat ze zeker niet gebonden zijn door de touwen van Uw uitspraken in de Veda's, niet in beslag worden genomen door het bij herhaling overgaan tot vruchtdragende activiteiten? (31) De mensen in het algemeen, o Heer, zijn opstandig door Uw illusiewekkende energie vanwege het onwetend verlangen naar alles wat anders is dan het ware van het zelf; alstUblieft, zoals een vader dat persoonlijk voor het welzijn van een kind zou doen, vergun dat waarvan U denkt dat het wenselijk is.'

(32) Maitreya zei: 'Aldus aanbeden door de oorspronkelijke koning zei Hij, de ziener van het gehele universum, tot hem: 'Mijn beste koning, laat er uw toewijding jegens Mij zijn; bij het goede geluk van een intelligentie van zoals dit gehandeld hebben te Mijnentwille, zal u zeker Mijn illusiewekkende energie, die zo moeilijk op te geven is, te boven komen. (33) Doe derhalve wat Ik u heb opgedragen te doen zonder u te vergissen, o beschermer van burgers; wie dan ook die waar dan ook handelt in overeenstemming met Mijn geboden zal alle voorspoed ten deel vallen.'

(34) Maitreya zei: 'Aldus de betekenisvolle woorden van de wijze koning, de zoon van Vena, waarderend besloot Hij, de Onfeilbare, na aanbeden te zijn en hem afdoende gezegend te hebben, van daar te vertrekken. (35-36) De goddelijken, de wijzen, de voorvaderen, de kunstenaars, de volmaakten, de hemelse zangers, zij die met de slangen leven, de bovenmenselijke wezens, de nymphen, en zij die van de aarde zijn, de vogels en al de vele levende wezens [vergelijk 3-10: 28-29], werden door de koning, met de verworvenheid van een intelligentie van een volmaakt offeren aan de Heer, met gevouwen handen in de geest der toegewijde dienst naar behoren gerespecteerd, waarop al de volgelingen van de Heer van Vaikunthha vertrokken. (37) De beschermer der levende schepping, de onfeilbare Allerhoogste Heer, daadwerkelijk erin geslaagd de aandacht te vangen van de heilige koning en al zijn priesters, keerde terug naar Zijn verblijf. (38) Hoewel Hij niet materieel zichtbaar voor hem was ontving de koning, met het bieden van zijn eerbetuigingen aan de God der Goden, aan de Superziel voorbij het gemanifesteerde, Zijn visie en keerde ook hij naar huis terug.

 

Hoofdstuk 21

Het Onderricht van Mahârâja Prithu

(1) Maitreya zei [over toen hij, Prithu terugkeerde naar zijn stad]: 'Bij de gouden poorten en overal elders was er de opsier van paarlen, bloemenkransen, stoffen en zeer welriekende wierook. (2) De rijbaan voor zijn wagen, de parken en de lanen waren besprenkeld met reukwater geparfumeerd met sandelhout en aguru [een geurig kruid] en waren versierd met bloemen, vruchten nog in hun schil, kostbare gesteenten, geweekte granen en lampen. (3) Alles schoongemaakt, met jong vee, olifanten voor de optocht en jonge planten en mango-bladeren, bloemenslingers en vruchten die neerhingen van staken van bananenbomen, zag het er allemaal heel mooi uit. (4) De burgers en een menig stralende maagd met rinkelende oorbellen, kwamen hem ter verwelkoming tegemoet, uitgerust met lampen en talloze artikelen van aanbidding. (5) Hoewel de koning toen die zijn paleis binnenging werd vereerd met paukengeroffel, schelphoorns en vedische gezangen van de priesters, ontleende hij daar geen trots aan. (6) Tegen de achtergrond van het grote eerbetoon overal en op die manier behaagd door de edelen en de gewone man, wenste ook hij hen al het beste. (7) Hij was vanaf het begin zo geweest: grootmoedig in al zijn handelingen, regelmatig grootse daden verrichtend, was hij uitgegroeid tot de grootste der groten en zo heersend met de realisatie van een vermaardheid die zich had verspreid over de gehele aarde, was hij opgestegen naar het Allerhoogste van de lotusvoeten.' "

(8) Sûta zei: "O grootste der toegewijden, leider der wijzen [S'aunaka], nadat Maitreya zo treffend uitleg had verschaft over de hoge roem van die ideale koning zo geschikt door zijn talloze kwaliteiten, richtte Vidura, zijn grote respect voor hem betonend, zich tot hem. (9) Vidura zei: 'Toen hij, Prithu, op de troon was gezet door de groten der geleerdheid, verwierf hij zich de ondersteuning van de verlichte gemeenschap en kon hij zijn heerschappij uitbouwen bij de genade van Vishnu tot de kracht van een wet waarmee hij erin slaagde de gehele aarde tot bloei te brengen. (10) Wie was er niet die er behagen in schiep te vernemen over zijn heerlijkheden, over zijn intelligentie en zijn ridderlijkheid naar het voorbeeld waarvan zo vele koningen en hun lokale autoriteiten tewerk gingen in het vergaren van wat ze verlangden voor hun levensonderhoud; alstUblieft, spreek tot mij [opnieuw] over die goede daden.'

(11) Maitreya vervolgde: 'Wonend in de landstreek tussen de Ganges en de Yamunâ, ging het erop lijken dat het genieten van het geluk van zijn goede daden gedoemd was er ten koste van te gaan. (12) Voor een ieder in de zeven continenten, met uitzondering van de brahmanen van cultuur en de geslachten van hen die de Onfeilbare waren toegewijd, heerste zijn onherroepelijk gezag als de ene leider die de scepter zwaaide. (13) Zodoende, kwam het eens zover, dat hij de eed afleggend, met een grote offerplechtigheid begon en dat in die functie een grote bijeenkomst plaatsvond van de gezagsdragers der goddelijkheid, de brahmaanse wijzen, de wijze koningen en de grootsten onder de toegewijden. (14) In die grote bijeenkomst bracht hij zijn eerbetuigingen aan al die respectabele lieden die het verdienden overeenkomstig de posities die ze bekleedden, in hun midden staande zoals de maan dat doet temidden van de sterren. (15) Hij was een rijzige man, goed gebouwd met sterke armen en een lotusgelijke blanke huid, ogen helder als een zonsopkomst, een rechte neus en een prachtig gezicht met een ernstige uitdrukking, hoekige schouders en tanden die blonken op de glimlach, (16) een brede borst, een stevig middel met prachtige huidplooien in zijn buik gelijk het blad van een bananenboom, een diepe navel, dijen met een gouden glans en een hoge wreef. (17) Hij had fijn, krullend, glanzend zwart haar op zijn hoofd, een nek als een schelphoorn en was gekleed in een zeer kostbare dhotî met over zijn bovenlichaam een omslagdoek die hij droeg als een heilige draad. (18) Met al de schoonheid van zijn voorkomen was hij de aangewezen persoon om overeenkomstig de reglementen zijn kleding op te geven; geplaatst op een zwart hertenvel, met een ring van kus'agras om zijn vinger, ging hij toen tewerk zoals vereist was. (19) Met glinsterende ogen vochtig als de dauw, overzag hij al degenen om hem heen en begon hij voor hen staand de volgende verheven toespraak ter bevrediging van hun hoog gespannen verwachtingen. (20) Dat wat hij hen toen in herinnering bracht was van een enorme schoonheid, bloemrijk en allerduidelijkst, van een groot gewicht en werd zonder de geringste twijfel uitgesproken voor het goed van allen.

(21) De koning, zich tot de aanwezigen richtend zei: 'Wees zo goed, om voor het heil van al u grote zielen hier aanwezig, te vernemen over hoe als een man van onderzoek, ik, zoals men zou mogen verwachten jegens u o edelen, de principes der religie naar voren moet brengen. (22) Ik, die als de koning van alle burgers de scepter draag, ben bij deze wereld betrokken als de beschermer en werkgever van een ieder geboren in De context van zijn eigen vastgestelde, afzonderlijke maatschappelijke groepering. (23) Door datgene van Hem, de Ziener van ieders lotsbestemming, ten uitvoer te brengen waar de deskundigen in de vedische kennis van spreken, verwacht ik het tegemoet te kunnen komen aan al de doelen nagestreefd door een ieder waar dan ook. (24) Wie dan ook die als een koning belastingen van zijn burgers int, zonder hen te herinneren aan hun respectievelijke [varna-âs'rama] verplichtingen - diegene zal tevens, naar de ondeugd van zijn burgers, het genieten van zijn eigen fortuin op moeten geven. (25) Derhalve mijn beste onderdanen, in het belang van uw eigen welzijn alsook dat van uw meester na zijn dood, lijdt het geen twijfel dat al wat u ook doet zonder morren indachtig Hem die zich bevindt voorbij de zinnen, u doet in dienstbaarheid aan mij. (26) Alstublieft, u allen hier aanwezig, als mensen in navolging van de voorvaderen, de goden, de wijzen en de zondeloze n, neemt dit ter harte: in het hiernamaals deelt hij die handelt, in de resultaten die hij bereikte met hen die ertoe hebben opgedragen zowel als met hen die dat ondersteunden. (27) O eerbare lieden, in deze materiële wereld moet er wel, zoals men zegt, de genade van de Heer van het Offer zijn, daar men overduidelijk de macht en schoonheid die daarnaar gestalte neemt ook kan waarnemen. (28-29) Manu, Uttânapâda [Dhruva's vader], Dhruva, en zonder twijfel de grote koning Priyavrata en mijn grootvader Anga; deze grote en heilige persoonlijkheden, alsook anderen van het Allerhoogste Onsterfelijke, zoals Prahlâda en Bali Mahârâja, onderkenden het bestaan van de Ene die de Strijdknots hooghoudt. (30) Behalve dan bij uitzonderingen als mijn vader, die abominabel als de dood in eigen persoon verbijsterd was op het pad der religie, schrijft men zo goed als altijd het opstijgen naar hogere werelden en klasse [van economisch handelen, naar het ervaren van plezier en met de bevrijding] toe aan de Ene Allerhoogste Ziel. (31) Met de toeneiging tot dienst aan de lotusvoeten vernietigen boetvaardige personen onverwijld het vuil van de geest vergaard in talloze geboorten; zoals met het [Ganges] water dat ontspruit aan Zijn tenen zien ze, dag na dag, hun winst groeien. (32) Het zich zuiveren van het eindeloze speculeren zelf, zal de persoon die daar genoeg van heeft, met name vinden in het, telkens weer opnieuw verzamelen van kracht door op wetenschappelijke wijze toevlucht te zoeken bij Zijn Lotusvoeten, nimmer in de hang naar het materiële bestaan dat vol van hindernissen is. (33) U allen burgers, om tevreden te zijn, wees zeker van toewijding voor Zijn lotusvoeten overeenkomstig uw eigen plicht, in gedachten, woorden en in het lichaam, naar gelang de bijzondere kwaliteiten van uw eigen soort van arbeid, met een open geest om tegemoet te komen aan al wat gewenst is, voor zover uw vermogen reikt in het volle van uw overtuiging. (34) Hij wordt in deze wereld aanbeden vanwege Zijn uiteenlopende kwaliteiten en bovenzinnelijke aard met verschillende soorten van offers, gebracht met de fysieke ingrediënten van het vertoon van het zingen van de verschillende mantra's, maar voor het doel van dat belang zijn er de namen en vormen waarop men zich concentreert in de wetenschap van het vrij zijn van smetten in relatie tot Zijn gedaante. (35) Wat betreft de primaire natuur [zie ook 3-26-10], van de tijd, de verlangens en de verplichtingen manifesteert dit lichaam zich in relatie tot de Almachtige in het aanvaarden van een [vorm van] bewustzijn als een resultaat van handelen, net zo goed als vuur dat doet in hout, naar gelang de vorm en de kwaliteit. (36) O u allen die samen met mij het houden op de Heer, u die de genade geniet toegekend door de Allerhoogste Geestelijke leermeester, en die bij genade van de halfgoden van het offeren, de Allerhoogste Heerser Zelve en de beroepsmatige verplichtingen, zich op het oppervlak van deze aardbol zonder ophouden en met een vaste overtuiging bezighouden met eerbetoon, bevindt zich op die manier in relatie tot mij. (37) Nimmer, wanneer ook behoren zij die groot zijn in de welvaart macht uit te oefen over die zaligen die van toewijding tot God zijn, noch over hen die tolerantie beoefenen, boete doen en hoger opgeleid zijn; zij, de tweemaal geborenen, zijn persoonlijk groter in de samenleving dan de edelen van bestuur. (38) De Oorspronkelijke Persoon, de oudste en eeuwige ene God der brahmaanse cultuur, de Heer bij wiens lotusvoeten en verworvenheden door onafgebroken aanbidding de reputatie van het zuiveren van het ganse universum werd verworven, zuiverde eveneens hen die groot zijn en vooropgaan in het Allerhoogste. (39) Hij, de Onbegrensde en Zelfvervulde in ieders hart, is hen die geleerd hebben zeer dierbaar en voorzeker is het in alle opzichten onderworpen navolgen in Zijn voetsporen van die brahmaanse leerschool naar de tevredenheid van de Beheerser. (40) Dankzij de regelmaat van zijn dienst kan iemand, als van nature, persoonlijk, onverwijld de voldoening bereiken van de grootste vrede van z'n ziel door zich tot Hem te verhouden, het superieure geluk volgend dat men indrinkt met de offerandes in het vuur. (41) Hoewel Ananta, de Heer van het Slangenbed, eet door de monden van hen die in kennis van het Absolute met geloof offeren in het vuur, schept hij daar zeker niet zoveel behagen in als men Hem de levenskracht onthoudt van offers gebracht aan de toegewijden, aangezien hij wat hen betreft nimmer zal terugwijken. (42) Wat de brahmaanse cultuur van het eeuwige, onbesmet en zonder begin uitlicht met geloof, verzaking, het goedgunstige en met stilte, in verzonkenheid het denken en de zinnen beheersend, wordt gedaan ter weerspiegeling van deze vedische deugd, zo helder als alles wat zich in een spiegel vertoont. (43) O mensen van cultuur, ik zal het stof van de lotusvoeten van hen allen op mijn helm behouden tot aan het eind van mijn leven; van hen allen die altijd op die manier zo doorgaan zal, verheerlijkend met alle kwaliteiten, zeer spoedig alle zonde zijn overwonnen. (44) Hij die alle brahmaanse kwaliteiten verwierf, hij wiens weelde bestaat uit goed gedrag, hij die dankbaar is, hij die zijn toevlucht zoekt bij de geleerden, zal feilloos al de weelde van God bereiken; moge de Handhaver der drie werelden tezamen met Zijn toegewijde tevreden zijn met de klasse der brahmanen, de koeien en met mij.'

(45) Maitreya zei: 'De koning aldus sprekend werd gefeliciteerd door al de heilige personen aanwezig: de ouderen, de goddelijken en tweemaal geborenen, daar ze geestelijk voldaan en verheugd waren. Tezamen met de woorden 'sâdhu, sâdhu!' zeiden ze: (46) 'Door zijn zoon behaalt men de overwinning in al de werelden en aldus worden de leringen bewaarheid in het feit dat, naar de afstraffing der brahmanen die een einde maakte aan het leven van de hoogst zondige vader van Prithu, Vena, hij nu groots is bevrijd uit die duisternis. (47) Hiranyakas'ipu, die bij herhaling de Allerhoogste Heer beledigde en belandde in het diepste duister, werd eveneens bevrijd door wat zijn zoon Prahlâda deed. (48) Moge het eeuwig leven hem deelachtig zijn, de beste der strijders, de vader der aarde, wiens toewijding tot de Onfeilbare, de ene handhaver van al de werelden, zo voorbeeldig is. (49) O, zonder twijfel zijn we vandaag, o Hoogste der Zuiverheid, vanwege u, zeker van de Heer der bevrijding Mukunda, Hij die, uitgedrukt in de woorden van Vishnu, in de geschriften wordt verheerlijkt als de aanbiddelijke Heer der brahmanen. (50) Het is niet zo'n groot wonder o Heer, om voor een inkomen te heersen over de burgers; het is de aard van uw genegenheid en genade met de levenden wat zo groots is. (51) Vandaag, is het vanwege u meer waarschijnlijk voor ons, die bij de wil van God ronddolen en hun levensdoel uit het oog hebben verloren vanwege onze daden in het verleden, om gene zijde van de duisternis van het materieel bestaan te bereiken. (52) Onze dankzegging geldt het bestaan van hem, de persoon hoog verheven, hij die zo verheerlijkt is, die, met het aanvaarden van zijn plichten als heerser, deze brahmaanse cultuur eigenmachtig in stand houdt.'

 

Hoofdstuk 22

Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

(1) Maitreya zei: 'Toen de burgerij aldus tot de hoge en machtige Koning Prithu aan het bidden was, arriveerden aldaar vier wijzen zo helder als de zon. (2) Maar met het uit het etherische nederdalen van de meesters der volmaaktheid in de yoga, konden de koning en zijn gezelschap hen, door hun lichtende uitstraling die van een alomvattende zondenloosheid was, herkennen [als de vier Kumâra's]. (3) Toen hij het zo hevig verlangde leven van een vreedzame gedragswijze zo voor zich zag, sprongen Koning Prithu en zijn volgelingen op alsof ze mensen waren die, onder de invloed van de geaardheden der natuur, worden beheerst door hun zinnen. (4) Nadat zij [de wijzen] dat [eerbewijs] in ontvangst hadden genomen en hun zitplaatsen hadden ingenomen, verboog hij, nederig in het aangezicht van het hoogste beschaafde van hun volle glorie, zich voor hen en bracht hij hun het eerbetoon, met alles wat erbij hoort, zoals dat is voorgeschreven. (5) Het water van het wassen van hun voeten sprenkelde hij op zijn haardos en aldus gedroeg hij zich zoals men van een respectvol man verwacht dat hij zich gedraagt. (6) De gebroeders ouder dan S'iva [zie 3.12: 4-7], gezeten op de gouden troon, waren gelijk het vuur op het altaar en verheugd met hen, richtte hij zich ingetogen en vol respect tot hen. (7) Prithu zei: 'Wat heb ik gedaan dat de genade mogelijk maakt van de aandacht van u, het geluk in eigen persoon; een ontmoeten dat zelfs voor de grootste yogi's moeilijk te bereiken is. (8) Hij met wie de geleerden [de brahmanen en de vaishnava's] ingenomen zijn, kan alles bereiken wat moeilijk te bereiken is in deze wereld of in de wereld hierna, alsook de alleszins zegenrijke Heer S'iva en Heer Vishnu die erbij inbegrepen zijn. (9) Alhoewel u al de werelden bereist, kunnen de mensen u niet ontwaren, zoals ze ook niet de Alwetende getuige kunnen aanschouwen die zich binnenin een ieder bevindt, net zo min als zij die aan de schepping ten grondslag liggen [S'iva en Brahmâ, vergelijk 1.1: 1] dat kunnen. (10) Zelfs al is men niet zo rijk, dan nog zijn zij, die zich tot het gezinsleven voelen aangetrokken, zegerijk, van wie de woning, haar meester, dienaren en land met water en een plek om te zitten zeker zijn van het buitengemene van heilige personen. (11) Niet meer dan een boom vol giftige slangen zijn zonder twijfel die woningen met een overdaad aan weelde, die zijn zonder het water dat wegspoelde van de voeten der grote heiligen. (12) Ik heet u welkom, o besten der tweemaal geborenen; met een groot geloof bent u, die zich ook nog als jongens gedragen, standvastig in uw geloften als mensen uit op de bevrijding. (13) O meesters, is het, voor personen beland in dit materiële bestaan met de ziekte van het leven naar de wil van hun zinnen, mogelijk om op eigen gelegenheid ook maar enig geluk te vinden? (14) Wat u betreft, die altijd in spirituele gelukzaligheid verkeert, is het niet nodig uw grote fortuin ter sprake te brengen daar, wat dat betreft, er geen sprake is van het ongunstige of van hersenspinsels. (15) Derhalve zou ik, er volledig van overtuigd dat u onze vriend bent in ons lijden onder de pijnen der materie, graag willen weten door middel waarvan men rechtstreeks de Uiteindelijke Werkelijkheid in deze materiële wereld kan bereiken. (16) Het altijd wensend de levende wezens op een hoger plan te brengen en duidelijk over het levensdoel der transcendentalisten, is de Allerhoogste Heer, de Ongeborene, enkel om Zijn genade te tonen, terwille van Zijn eigen zaak, belichaamd door de volmaakten in de wereld aan het rondreizen.'

(17) Maitreya zei: 'Die zo hoogst betekenisvolle, toepasselijke, bondige en zoete slotsom van Prithu aanhorend gaf de Kumâra, de celibatair, glimlachend, als volgt antwoord. (18) Sanat-kumâra zei: 'Hoe heilig de vraag die u stelt, mijn beste Koning! Bij u, met uw verlangen van het beste voor allen en zo goed onderlegd, bestaat er niettemin deze vraagstelling; het bewijst dat uw intelligentie wortelt in die der heiligen. (19) Een gezelschap van toegewijden waarin gediscussieerd wordt, vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven, is zonder twijfel van doorslaggevend belang voor beide partijen, en werkelijk geluk voor allen zal eruit voortkomen. (20) Klaarblijkelijk, o Koning, bent u aan de Hoge Heerlijkheid van de Heer Zijn lotusvoeten gehecht; zo moeilijk als dat is, wast het, in een niet aflatende praktijk, het vuil van de wellustige hartstocht weg uit de kern van het hart. (21) Voor het uiteindelijk welzijn van de menselijke samenleving, kan men enkel volmaakt tot een positieve conclusie komen in de volle overweging van de, zoals in de geschriften beschreven, oorzaak der onthechting van het lichamelijk begrip van het leven en een sterke gehechtheid aan de Opperziel die zich boven de geaardheden bevindt. (22) Men doet dat met geloof en toewijding als een plichtsgetrouwe toegewijde, middels besprekingen en navraag, spiritueel en verenigd in het begrip, met respect voor de Heer der Yoga en door de regelmatige samenkomst van het luisteren naar de verhalen der godvruchtigen. (23) Terughoudend wat betreft het gezelschap van de rijken en zij die uit zijn op zinsbevrediging, en van een soortgelijke houding wat betreft het vergaren van goederen door hen voorgestaan, bevrijdt men zich van de bijsmaak van het geluk dat het moet stellen zonder het drinken van de nectar van de kwaliteiten van het Zelf van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (24) Met geweldloosheid [als een vegetariër], volgend in de voetsporen van de leraren van het voorbeeld, door zich de Heer der Bevrijding te herinneren, door te getuigen van Zijn handelingen, door de nectar van het volgen van de principes zonder een materieel motief [yama] en door het naar voorschrift praktisch uitvoeren [niyama] zal men zo zijn, zonder overtredingen, een eenvoudig leven levend in het verdragen van de dualiteit. (25) Met voortdurend een oor naar de besprekingen met betrekking tot de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer, zal men met toewijding zonder twijfel groeien in zijn bewustzijn zonder smetten aanwezig te zijn in de wereld die staat tegenover het spiritueel begrijpen, daar het dan, in de Geest der Transcendentie, makkelijk moet zijn van de aantrekking te wezen. (26) Als de persoon in navolging van de voorbeeldigen is gefixeerd in zijn gehechtheid aan het Spirituele, zal door de kracht van de onthechting en de kennis de krachteloosheid van het hart [gekenmerkt door de vijf kles'a's of hindernissen: onwetendheid, egoïsme, gehechtheid, afkeer, angst voor de dood], binnen het omhulsel van de individuele ziel dat bestaat uit de vijf elementen, worden verbrand, zoals vuur dat doet met zijn eigen brandstof. (27) Met dat wat voor eigen ogen verbrandde, bevrijd zijnde van al de kwaliteiten der materie, bestaat er niet langer zekerheid over wat de innerlijke actie van de Superziel is of de uitwendige actie van het zelf; voor zo'n persoon is dat verschil tot een einde gekomen zoals het is met het ontwaken uit een droom. (28) Zolang als de persoon, die als een ziel zowel van de zinsbevrediging is als van het bovenzinnelijke, dingen op het oog heeft, ziet hij zichzelf zonder twijfel geplaatst voor een geest vol van aanduidingen, maar zonder hen is dat niet het geval. (29) Van de goddelijke oorzaak die zich overal in de wateren en overal elders weerspiegelt, bestaat er voor de [oorspronkelijke] persoon geen reden zichzelf als iemand die van anderen verschilt te zien. (30) Omdat het denken van streek is in het altijd volgen van de zinnen die geprikkeld worden door de zinsobjecten, gaat het bewustzijn van de intelligentie makkelijk verloren, zoals waterplanten een meertje overdekken. (31) Geleerden vanuit hun ervaring stellen in het overwegen van de ziel, dat in het destructief verstikken van de heugenis en een constante aandacht, het bewustzijn beroofd is van ware kennis, zodat dat wat van de ziel is teniet wordt gedaan. (32) Naar dit belang van de levende wezens in deze wereld, bestaat er geen groter obstakel voor het eigenbelang van de ziel dan de hindernis van het hoger achten van andere zaken. (33) Het voortdurend denken terwille van rijkdom en zinsbevrediging is vernietigend voor de vier deugden der menselijke samenleving; door dat alles verstoken van de kennis en van toegewijde dienst, vervalt men in de traagheid der materie. (34) Personen die snel die oceaan willen oversteken, behoren nimmer in te gaan op dat wat behoort tot de omgang der onwetendheid, daar dat veeleer het struikelblok is voor de rechtszin, de economische ontwikkeling, het genoegen en de bevrijding [dharma, artha, kâma, moksha; de purushârtha's]. (35) Het op deze manier beziend is het dienaangaande voorzeker de bevrijding, die het meest naar voren treedt als de belangrijkste, daar in het belang van de andere drie wegen men zich regelmatig gevangen ziet in de eindigheid der dingen en in de angst. (36) Al die ideeën van een hogere en een lagere status van leven volgen de wisselwerking van de materiële geaardheden; nimmer bestaat er daarvan, van dat wat vernietigd wordt door de zegeningen van de Heer, enige zekerheid. (37) Daarom, o beste der koningen, probeer te begrijpen dat, jegens Hem, de Allerhoogste Heer, die door te heersen als de Beheerser van het Veld vanbinnen het hart overal zichzelf manifesterend straalt in ieder haarzakje, ik iemand ben die, van al diegenen die bewegend dan wel niet-bewegend overdekt zijn door een lichaam met zintuigen en een levensadem, bestaat bij de overweging der zelfrealisatie. (38) Geeft uzelf aan Hem over, die Zich manifesteert als de waarheid vanbinnen het onware, de grondoorzaak; door die moedwillige overweging raakt men bevrijd van de illusies der intelligentie die zich afvraagt of hij te maken heeft met een stuk touw of met een slang en raakt men gevestigd in de eeuwige bevrijding van de smetteloze, zuivere waarheid van het spirituele dat ontstegen is aan de onzuiverheden van vruchtdragende handelingen. (39) Wees net als de toegewijden van toewijding; jegens Hem,Vâsudeva, waardig om er uw toevlucht te zoeken en van wie de lotustenen het genoegen verschaffen, wordt door toegewijde dienst de harde knoop van het karmische verlangen teniet gedaan, terwijl dat nooit zo is met mensen die verstoken zijn van dat respect, hoe hard ze ook proberen de golven van zingenot te stuiten. (40) Groot is de last der niet-toegewijden in deze materiële oceaan met de haaien der zes zintuigen; omdat zij alleen maar met grote moeite die oceaan kunnen oversteken, zou u, ter doorkruising van die onoverwinnelijke uitgestrektheid, daarom de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God tot uw boot moeten maken.'

(41) Maitreya zei: 'Hij, de koning, aldus door de zoon van Brahmâ, de Kumâra zo goed onderlegd in de geestelijke kennis, volledig voorgelicht over wat de realisatie van de ziel allemaal inhoudt, sprak tot hem.' (42) De koning zei: 'Naar wat de Heer, die uit Zijn grondeloze genade zo mededogend is voor hen die in nood verkeren, zei dat Hij zou doen, bent u allen, ter bevestiging daarvan, o brahmanen, o machtigen, naar hier gekomen. (43) Zoalsook u deed wat men zou verwachten van de meest genadevolle vertegenwoordigers van de Heer, is alles wat ik van mijn kant te bieden heb, de resten van het voedsel geofferd aan de heiligen! Wat, in hemels naam, zal ik u schenken? (44) Mijn leven, vrouw [of weelde] en kinderen o brahmanen, mijn thuis met alles wat erbij hoort, mijn koninkrijk, macht, land en schatten, biedt ik u aldus aan. (45) De post als opperbevelhebber en heerser over het koninkrijk, de scepter van gezag en de volledige heerschappij over de planeet, verdienen zonder twijfel enkel diegenen die bekend zijn met de strekking der Veda's. (46) Bij de genade van hun eigen verrukking, kleding en schenken in liefdadigheid, eten ongetwijfeld de andere afdelingen van de samenleving onder leiding van de kshatriya's [de bestuurders] hun voedsel. (47) Er is niemand die, anders dan door zijn eigen daad van offeren van water in zijn samengevouwen handen, in alle eeuwigheid in staat is hen terug te betalen voor de oneindige genade van een dergelijke soort van vooruitgang van zich verhouden tot de Allerhoogste Heer in het volledig begrip van de spirituele realisatie die afgerond in het vedisch bewijs is vastgelegd.'

(48) Maitreya zei: 'Maitreya zei: 'Nadat zij, de meesters der zelfverwerkelijking, het karakter hadden geprezen van de oorspronkelijke koning die hen vereerd had, stegen zij, getuige allen aanwezig, ten hemel. (49) De zoon van Vena, de leider van de grote persoonlijkheden, beschouwde zichzelf, naar de leringen verzonken in de vervulling van de ziel, als iemand die had bereikt waar hij naar verlangde.(50) In zijn handelingen zo goed als mogelijk in overeenstemming verkerend met de tijd, plaats, omstandigheden en de capaciteit, deed hij zo ver als zijn middelen reikten voor de Absolute Waarheid, wat hij maar kon doen. (51) In de Absolute Waarheid de vruchten verzakend, dacht hij, onbesmet in zijn handelen en volledig toegewijd aan de Ene Opzichter van alles, altijd aan de Superziel transcendentaal aan de materiële natuur. (52) Hoewel hij thuis leefde, liet hij zich nooit meeslepen door al de weelde van het grote rijk als een verleiding tot zinsgenoegen, precies zoals de zon ook niet van enige zelfoverweging is. (53) Door aldus alles te doen in de yoga der toewijding verwekte hij vijf zonen bij zijn echtgenote Atri, op de manier zoals hij dat wenste. (54) Met hen genaamd Vijitâs'va, Dhûmrakes'a, Haryaksha, Dravina en Vrika slaagde Prithu als één enkele persoon erin alle kwaliteiten te omvatten van al de plaatselijke godheden. (55) Ter bescherming van de geschapen wereld behaagde hij steeds, in zijn eigen overgave aan de Onfeilbare, de burgerij met de kwalitieiten van zijn zachtaardige woorden en handelingen. (56) De koning raakte aldus zo gevierd als de Koning van de Maan terwijl anderzijds hij gelijk de God van de Zon was in zijn distribueren, innen en heersen over de rijkdommen van de wereld. (57) Hij was onoverwinnelijk als vuur in zijn macht, niet te overtreffen gelijk de Koning van de Hemel, zo tolerant als de aarde zelve en gelijk de hemel in het vervullen van alle wensen in de menselijke samenleving. (58) Gelijk de regen die zoveel neerregent als men maar zou willen was hij gewoon te behagen, gelijk de zee zo ondoorgrondelijk was hij en gelijk de Koning der Heuvels [de berg Meru] was hij in het innemen van zijn positie. (59) Gelijk de Koning der Gerechtigheid [Yamarâja] was hij in zijn onderricht, in zijn weelde was hij als de Himalaya's [voor hun mineralen en edelstenen], gelijk Kuvera was hij in het behouden van de welvaart en gelijk Varuna [der wateren] was hij in geheimhouding. (60) Gelijk de alomtegenwoordige wind was hij in zijn fysieke kracht van moed en macht en gelijk het goddelijke van de allermachtigste Rudra was hij onverbiddelijk. (61) Qua schoonheid was hij als Cupido, in zijn consideratie was hij als de Koning der Dieren, de leeuw, qua genegenheid was hij gelijk Svâyambhuva Manu en in het bespelen van de mensen evenaarde hij de Ongeboren Heer, Brahmâ. (62) Geestelijke zaken verstond hij gelijk Brihaspati, in zijn persoonlijke zelfbeheersing was hij gelijk de Hoogste Persoonlijkheid, in toewijding tot de koeien, de geestelijk leraar en de brahmanen was hij als de vaishnava's, de volgelingen van Vishnu, in zijn verlegenheid de vriendelijkste en in filantropische aangelegenheden was hij als voor zichzelf. (63) Het volk riep luidkeels uit over alle drie de werelden - en het was zeker dat allen die van de waarheid waren alsook de vrouwen van overal er over kwamen te horen - dat zijn reputatie zo verheven was als die van Râmacandra [de Vishnu avatâra].

 

Hoofdstuk 23

Mahârâja Prithu Keert Terug naar Huis

(1-3) Maitreya zei: 'Koning Prithu, die met alles van de ziel op de hoogte, als de beschermer van de mensen, van een eindeloze toename was geweest in alles wat hij tot stand had gebracht, zag op een dag dat hij in fysiek opzicht oud aan het worden was. Geheel naar het belang handelend van wat de Allerhoogste Heerser had opgedragen, had hij in deze wereld, in naleving van de principes der toegewijden, voorzien in het levensonderhoud van al de bewegende en niet-bewegende levende wezens. Hij liet de aarde aan zijn zoons over en met spijt jegens de bedroefde burgers, ging hij alleen samen met zijn vrouw het woud in voor zijn verzaking. (4) Daar zag hij volmaakt in, zo goed als hij voorheen van inzicht was geweest in het veroveren van de aarde, dat hij, overeenkomstig de regels en voorschriften van een teruggetrokken bestaan, ernst moest maken met een leven van gestrenge verzaking. (5) In het begin at hij zo nu en dan de bollen, wortels, vruchten en het groen dat voorhanden was, toen dronk hij voor een paar halve maanden lang water, waarna hij enkel nog lucht inademde. (6) Zoals de grote wijzen aanvaardde de held de vijf verzakingen van de zomerhitte [van de zon hierboven en van de vuren in de vier windrichtingen], de stortvloed van regens in het regenseizoen, het tot zijn nek onder het water zitten in de winter en het slapen op de kale grond. (7) Het verdragend om controle te krijgen over zijn woorden en zijn zinnen, niet zijn zaad te verliezen en zijn levensadem te kunnen volgen, verlangde hij eenvoudig naar Heer Krishna, van alle praktijken er aldus de beste verzaking op na houdend. (8) Zodoende stap voor stap, zonder aflaten van de volmaaktheid, ontdeed hij zich van alle vuil en de verlangens van zijn werklast, zijn karma, en brak hij, met het beoefenen van zijn ademhaling volledig zijn denken en zinnen stilleggend, met alles wat hem bond. (9) Naar wat de fortuinlijke Sanat-kumâra had gezegd over het uiteindelijke doel van de yoga van het zich verhouden tot de ziel, was hij, als de beste van alle levende wezens, er zeker van van aanbidding te zijn voor de Allerhoogste Persoon. (10) Met geloof ondernemend op het pad der devotie van de toegewijde, raakte hij, altijd dienstbaar aan de Allerhoogste Heer, de oorsprong van de Geest van het Absolute, stevig verankerd zonder enige afwijking. (11) Middels deze devotionele activiteiten gewijd aan de Allerhoogste Heer kreeg hij, volmaakt oplettend in de voortdurende heugenis van de geest der zuivere goedheid, de spirituele kennis onder de knie zowel als het niet gehecht zijn aan wat men dan ook zijn bezit zou kunnen noemen, en raakte hij aldus bevrijd van twijfel en de materiële opvatting die zijn ziel verhulde. (12) Vrij van alle overige levensopvattingen, zonder verlangens en vast overtuigd van het uiteindelijke doel van de ziel, had hij dat alles opgegeven, ermee kappend met behulp van die kennis waarin men, voor een lange tijd een beoefenaar van het yogasysteem zijnd, niet vrij van illusies is zolang men niet van de aantrekking is voor de verhalen over de oudere broer van Gada, Krishna [Gada was een andere zoon van Vasudeva jonger dan Krishna]. (13) Als de beste der helden zijn denken richtend naar de Superziel, gaf hij, door en door spiritueel gezuiverd, na de nodige tijd zijn voertuig van de tijd op. (14) Zijn anus blokkerend met zijn enkel stuwde hij zijn levensadem geleidelijk van de navel naar het hart en de keel naar boven om zich tussen zijn wenkbrauwen te fixeren. (15) Zodoende, bevrijd van alle materiële verlangens, stap voor stap zijn vitaliteit nergens anders vestigend dan in het hoofd, verenigde hij zijn levensadem met het totaal ervan, zijn lichaam met het volle van de aarde en het vuur vanbinnen met dat van het geheel. (16) De verschillende lichaamsopeningen samensmeltend met de lucht en zijn sappen met het water, werd aldus, naar gelang iedere afdeling, de aarde met het water, het water met het vuur, het vuur met de lucht en de lucht met de hemel verenigd [vergelijk 2.5: 25-29]. (17) Hij verenigde de geest met de zinnen, de zintuigen met hun voorwerpen en vandaar de voorwerpen samenpakkend met de vijf elementen, bracht hij het materiële ego naar buiten in de mahat-tattva, het totaal van de materiële energie. (18) Naar Hem toe, het reservoir van alle goede eigenschappen, plaatste hij zijn individualiteit en de aanduidingen die erbij horen in het reservoir van alle vermogen en keerde hij aldus als de prabhu of meester, de beheerser der zinnen, het levend wezen en de genieter, terug naar huis bij machte van zijn eigen inzicht in die spirituele kennis der zelfverwerkelijking en verzaking.

(19) De koningin genaamd Arci, zijn echtgenote, volgde hem te voet het bos in, ook al had ze, met haar tere gestel, het niet verdiend dat haar voeten zo met de aarde in aanraking kwamen. (20) Alhoewel haar lichaam mager en dun zou worden zag ze, zeer vastbesloten in haar gelofte haar echtgenoot te dienen, er geen bezwaar in te leven onder omstandigheden gelijk die van de grote heiligen en deed ze met plezier met hem mee, blij in contact te staan. (21) Toen ze zag dat het lichaam van haar man, zo vol van genade voor de wereld en voor haar, geen levensteken meer gaf, cremeerde de kuise vrouw, na een beetje gehuild te hebben, hem boven op de top van een heuvel. (22) Na de begrafenisplechtigheden afgewikkeld te hebben nam ze een bad in de rivier, water uitgietend in aanbidding van haar zo vrijzinnige echtgenoot die nu in de hemel was bij de dertig miljoen halfgoden. Toen drie keer het vuur omlopend, ging ze denkend aan de voeten van haar echtgenoot, erin binnen.

(23) Het haar tot in de dood volgen van haar echtgeoot gadeslaand, brachten de goddelijken en hun vrouwen bij duizenden hun gebeden aan de kuise vrouw van de grote krijgsheer koning Prithu. (24) Bloemen uitstrooiend op de top van de Mandara-heuvel spraken ze daartoe, begeleid door de vibraties van de trommels der toewijding, onder elkaar als volgt. (25) De vrouwen zeiden: 'Helaas, wat is er gebeurd met deze zo glorieuze echtgenote, die met heel haar ziel van aanbidding was voor haar echtgenoot, de koning aller koningen der wereld, gelijk de Godin dat is jegens de Heer van het Offer [Vishnu]. (26) Zie toch hoe ze daadwerkelijk de zedige echtgenoot, de zoon van Vena, navolgt in zijn hemelgang en hoe aldus zij, Arci genaamd, ons voorbijstreeft met de grootsheid van haar handelen. (27) Van allen die slechts een kort moment leven in de menselijke wereld, is er voor hen die op het pad der bevrijding hun best doen voor het Koninkrijk Gods, niets te moeilijk om te bereiken. (28) Hij, die, bij het bereiken van de menselijke levensvorm, het pad der bevrijding, verwikkeld raakt in de grote moeilijkheden van al het handelen aangaande de zinsbevrediging in deze wereld, komt in afgunst op de waarheid zonder twijfel bedrogen uit.'

(29) Maitreya zei: 'Terwijl de vrouwen van de ingezetenen der hemel aldus vol lofprijzing waren, bereikte de vrouw de plaats waar haar echtgenoot naar was vertrokken; het was de allerhoogste positie der zelfgerealisee rden die de zoon van Vena onder de bescherming van de Onfeilbare had verworven. (30) Aldus heb ik voor u over hem, Prithu, de beste der heren, die zo hoog en almachtig was, uitleg verschaft wat betreft zijn karakter als zijnde het allerbeste van alle kwaliteiten. (31) Een ieder die met geloof en grote aandacht leest en uitleg verschaft of verneemt over die zo grote en godvruchtige persoon Koning Prithu, zal reiken tot waar hij reikte. (32) De brahmaan zal de macht van het spiritueel succes bereiken, de edelman zal de koning van de wereld zijn, de handelaar zal, naar het pad, de specialist op zijn gebied worden en de arbeider zal zich ontwikkelen tot een grote toegewijde. (33) Als een man drie keer hiernaar luistert met groot respect zal hij, of hij nu een man of een vrouw is, als hij zonder kinderen is door de besten van hen omringd worden en als hij zonder een cent is de rijkste zijn. (34) Niet erkend zal hij roem verwerven, ongeletterd zal hij geleerd worden; dit verhaal zo zegenrijk zal al het ongeluk van de mens verdrijven. (35) Door hen die uitzien naar welvaart, een goede naam, een langer leven, het succes van de hemel, het tenietdoen van de invloed van het Tijdperk van de Redetwist en zij die uit zijn op de hogere zaak van de volledige volmaaktheid van de vier der religie, de economie, het genoegen van de zinnen en de bevrijding, moet deze vertelling met het grootste respect worden aangehoord. (36) Aan die koning, op de strijdwagen eropuit trekkend zijn overwinning te behalen, die hiervan verneemt, zullen de andere koningen belastingen afdragen zoals men dat deed aan koning Prithu. (37) Bevrijd van alle materiële betrokkenheid, met het uitvoeren van onvermengde toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer, moet men luisteren, er anderen naar doen luisteren en doorgaan met lezen over het vrome karakter van de zoon van Vena. (38) O zoon van Vicitravîrya [Vidura], ik gaf uitleg over tot welke mate van grootheid men kan ontwaken en behoort vooruit te streven als men, in relatie tot het buitengewone van deze tekst, op die manier betrokken is. (39) Hij die bij herhaling verneemt van deze vertelling over Prithu met de grootste eerbied en er ook verslag van doet bevrijd in de omgang aangaande de Allerhoogste Heer - die persoon zal ten volle de gehechtheid realiseren aan Zijn voeten die de boot zijn voor de oceaan der onwetendheid.

 

Hoofdstuk 24

Het Lied Gezongen door Heer S'iva

(1) Maitreya zei: 'De zoon van Prithu die onder de naam Vijitâs'va bekend raakte vanwege zijn grote daden, bood, omdat hij veel gaf om zijn jongere broers, hen de de verschillende windstreken van de wereld. (2) Hij, de meester, bood Haryaksha het oostelijk deel, het zuiden gaf hij Dhûmrakes'a, het westelijk deel kende hij zijn broer genaamd Vrika toe en het noordelijk gedeelte gaf hij aan Dravina. (3) Om wat hij gedaan had met het verdwijnen [van het offerpaard - hij viel Indra toen niet aan], was hij bedacht met de naam Antardhâna [wat verdwijning betekent, zie 4.19: 18] en was hij vereerd met de titel Antardhâna [wat verdwijning betekent]. In S'ikhandinî, zijn vrouw verwekte hij drie kinderen die de goedkeuring van een ieder wegdroegen. (4) Ze werden Pâvaka, Pavamâna en S'uci genoemd en waren, terwijl ze de goden van het vuur waren, zo geworden omdat ze in het verleden vervloekt waren door de wijze Vasishthha; nu als zodanig herboren bereikten ze opnieuw het doel van de yoga. (5) Hij die Antardhâna werd genoemd verwekte in zijn vrouw genaamd Nabhasvatî een zoon met de naam Havirdhâna ['de gewonnen offergave'] daar de vader Indra niet gedood ondanks het feit dat hij wist dat hij het paard gestolen had. (6) Het instellen van belastingen, straffen en boetes en dergelijke, waarmee de koningen in hun levensonderhoud voorzien, hield hij steeds voor iets heel gestrengs, zodat hij ze afschafte ten gunste van offerplechtigheden die in het verleden waren opgegeven. (7) Ookal had hij zich gewijd aan de taak een einde te maken aan het leed [van anderen], bereikte hij, als een verwerkelijkte ziel, middels de aanbidding van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de zo geliefde Superziel, de werkelijkheid van Zijn verblijfplaats met gemak door steeds aan zijn vervoering vast te houden. (8) Havirdhânî, de naam van de vrouw van Havirdhâna, o Vidura, bracht zes zonen ter wereld genaamd Barhishat, Gaya, S'ukla, Krishna, Satya en Jitavrata. (9) Hij die van Havirdhâna de naam Barhishat kreeg was dermate fortuinlijk in zijn vruchtdragend handelen en verzaking in de yoga dat men hem als de Prajâpati [de stamvader] beschouwde, o beste der Kuru's. (10) Met deze praktijk van het voortdurend, en verspreid over de gehele wereld, behagen van de goden van het offer, hield hij het kus'agras [van de zitplaatsen bij het offeren] op het oosten gericht. (11) Op het advies van de god der goden [Brahmâ] huwde hij de dochter van de oceaan genaamd S'atadruti tot wie hij [de vuur-god...] zo sterk was aangetrokken als Agni was tot S'ukî, op het moment dat hij haar, bekoorlijk in al haar leden, jeugdig en rijkelijk opgesmukt, in een cirkel rond zag lopen gedurende de huwelijksplechtigheid. (12) De geleerden, zij die van verlangen waren, zij die de hemel bevolken, de wijzen en de volmaakten, die van de aarde en van de slangen, waren allen gefascineerd door enkel het rinkelen van de enkelbelletjes van de nieuwe bruid wat men overal kon horen. (13) Van [Prâcîna]Barhi verschenen tien zonen in de baarmoeder van S'atadruti, die, allen gezworen volgelingen van het dharma, tezamen de Pracetâ's werden genoemd [van prâcîna: het op het oosten gericht zijn]. (14) Door hun vader opgedragen voor nageslacht te zorgen vestigden ze zich, met het doel ascese te beoefenen, nabij een groot meer om voor tienduizend jaar met hun boetedoeningen de Meester der Boete te aanbidden. (15) Op die weg kwamen ze Heer S'iva tegen, die heel erg tevreden over de grote beheersing van hun meditatie, mantrapraktijk en de aanbidding, tot hen sprak.'

(16) Vidura vroeg: 'O brahmaan zeg ons, hoe het zich zo voordeed dat de Pracetâ's Heer S'iva ontmoetten op hun weg, alsook wat de zo tevreden Godheid hen zei. (17) O beste onder de geleerden, in deze wereld gevangen in een materieel lichaam doet het zich zeker zelden voor dat wijzen volledig onthecht, verlangend naar hem bezig met mediteren, omgang met Heer S'iva vinden. (18) Hoewel hij in zichzelf tevreden is, is hij, de grote Heer S'iva, als hij zich in deze wereld heeft gemanifesteerd en terwille van haar bestaan bezig is met de haar beheersende krachten, verschrikkelijk om te ervaren in zijn handelen [middels Kâlî of Durgâ of Virabâdhra, zie 4: 5].'

(19) Maitreya zei: 'De zonen van vader Prâcînabarhi hadden de woorden van hun vader allen vroom op hun hoofd aanvaard [in volle overgave], toen ze in westelijke richting vertrokken waren, het in hun hart ernstig menend met de verzakingen. (20) Ze kwamen aan bij een zeer grote watervlakte zo uitgestrekt als de nabij gelegen oceaan, die een grote ziel en geest herbergde zo helder en vreugdevol als het water ervan. (21) Het water herbergde rode en blauwe lotussen, Kahlâra's en Indîvara's, en de lucht was er vol van de geluiden van zwanen, kraanvogels, eenden [cakravâkas] en andere vogels [kârandava]. (22) Doldwaze hommels zoemden vreugdevol luid met hun harige kleine lichaampjes; het was een feest van klimplanten, bomen en lotussen die hun saffraan in alle windrichtingen in de lucht verspreidden. (23) Al de zonen van de koning stonden versteld over de harmonieuze geluiden van de muziek van al de hemelse trommels en pauken tezamen die men daar onophoudelijk kon horen.

 

(24-25) Te dien tijde trof hen het geluk dat ze het hoofd van alle halfgoden [S'iva], in gezelschap van een verzameling van grote zielen die zijn lof prezen, uit het water zagen komen. Met het zien van de gouden glans, zijn trekken, zijn blauwe keel, drie ogen en genadige, prachtige gelaat boden ze, helemaal opgewonden in hun verbazing, hun eerbetuigingen. (26) Hij die alle gevaar verdrijft, de Grote Heer en zorgdrager der religie sprak toen tot hen, tevreden als hij was over hun in acht nemen van de principes en hun goede en zachtaardige manieren. (27) Rudra zei: 'O zonen van Barhi, op de hoogte van jullie handelingen en verlangens heb ik, jullie allen het grootste geluk toewensend, om jullie mijn genade te tonen, jullie aldus mijn gezelschap gegund. (28) Welke levende wezens ook, die men kent als individuele zielen en die zich overgeven aan Vâsudeva de Allerhoogste Heer, rechtstreeks aan het bovenzinnelijke van Zijn controle over de drie geaardheden, zijn mij ongetwijfeld zeer dierbaar. (29) Een persoon die voor de duur van een duizendtal levens zich vastlegt op zijn plicht, verkrijgt de positie van Brahmâ [Brahmaloka] en als men het bovendien niet af laat weten met de Allerhoogste Heer, kan men erop rekenen daaropvolgend mij [S'ivaloka] te bereiken. Toegewijden van Heer Vishnu Vishnu bereiken een post [Vaikunthhaloka] gelijk die van mij en de andere halfgoden, als de tijd van de wereld teneinde loopt. (30) Dat is de reden waarom jullie toegewijden mij zo dierbaar zijn als de Allerhoogste Heer Zelve; en daarom is er ook nooit iemand die zo geliefd is bij de toegewijden als Ik. (31) In het bijzonder moeten jullie bidden en goed luisteren naar dit wat ik je nu ga vertellen, daar het zeer zuiver is, goedgunstig, bovenzinnelijk en zegenend is.'

(32) Maitreya zei: 'Aldus luidden de woorden die de vriendelijk gezinde Heer tot hen sprak, de zonen van de koning, die met gevouwen handen voor Heer S'iva stonden, de grootste toegewijde van Nârâyana. (33) Rudra zei: 'Alle eer aan U die van de Zelfrealisatie is, de beste, de gunstigste der gunstigen. Moge er met U, de geheel volmaakte en aanbiddelijke ziel van allen, de Superziel, van mij, er mijn eerbetuigingen zijn. (34) Al mijn respect voor U Vâsudeva, uit wiens navel de lotus ontsproot, die de oorsprong van de zinnen en de zinsobjecten bent en de allerhoogste en constante verlichting van de eeuwige vrede. (35) Mijn eerbetuigingen voor Sankarshana [de meester van het ego en de integratie], de oorsprong van het subtiele ongemanifesteerde en de onoverkomelijke meester van [ook] de desintegratie; alsmede voor de meester der evolutie, voor Pradyumna [de meester der intelligentie en] de ziel in het voorbije. (36) Alle eer aan U, wederom mijn respect voor U als Aniruddha [Heer van het denken, van wie de zonnegod een expansie is, zie ook 3.1-34], de meester en bestuurder der zinnen; mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste der volmaaktheid en het volledige, die buiten deze materiële schepping staat*; (37) aan de hemelse verblijfplaats, het pad der bevrijding, de toegangspoort van het eeuwige, het zuiverste van het zuivere - mijn eerbetuigingen voor U. Al mijn respect voor Hem die het goud van het zaad is, de vedische offerplechtigheden is [câtur-hotra] en die van de expansie is. (38) Alle lof voor Hem die de voorouderen en de halfgoden onderhoudt, de meester van de drie Veda's en de offers is en de leidende godheid van de maan die een ieder behaagt; al mijn respect voor de Superziel die alle levende wezens doorvaart. (39) Voor de kracht en macht van al het bestaande, het lichaam en het zelf van de diversiteit van de materiële wereld [de virâth-rûpa] en de instandhouder van de drie werelden, mijn eerbetuigingen. (40) Alle eer aan de hemel die de betekenis onthult, het binnen en buiten van de ziel, de allerhoogste gloed; mijn eerbetuigingen voor het voorbije van de dood en het doel van al het vrome handelen. (41) De toegenegen alsook zich afzijdig houdende God der voorvaderen, het uiteindelijke resultaat van alle vruchtdragend handelen en U als de dood zelve, de oorzaak van alle soorten van ellende resulterend uit de goddeloosheid, biedt ik mijn respect. (42) Omdat U de allerhoogste begunstiger der zegening bent, het meesterbrein [van alle mantra's], het oorzakelijke zelf, biedt ik U mijn eerbetoon; alle glorie aan U als de grootste van alle religieuze beginselen, aan U Krishna, wiens oordeel volledig onafhankelijk is, U bent de oudste der ouden, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en de meester van de yoga-analyse [sânkya-yoga]. (43) Het reservoir van de drie energieën [van degene die handelt, de zinsactiviteiten en de resulterende werklast, zie B.G. 18a: 18], voor de reden van de materiële vereenzelviging van de ziel [egotisme] genaamd Rudra en voor de belichaming van de kennis en de volijver en stem van alle machten, mijn eerbetuigingen. (44) AlstUblieft toon ons, die verlangen naar Uw aanwezigheid, de vorm die als de meest dierbare wordt aanbeden door de toegewijden, en welke de gedaante is die hen in alle opzichten behaagt in ieder respect van hun zintuigen. (45-46) Zo glinsterend als de regen uit het dichte wolkendek gedurende het regenseizoen bent U het toppunt van alle schoonheid: prachtig zijn de lichaamskenmerken van Uw vierhandige vorm, allermooist is Uw aangename gezicht, Uw ogen zijn zo schoon als de bloemblaadjes in de werveling van de lotus en hoe mooi zijn Uw wenkbrauwen, rechte neus, schitterende tanden, hoge voorhoofd en de volledige omlijsting van Uw gezicht en volmaakte oren. (47-48) De pracht van Uw genadevolle glimlach en zijdelingse blikken, Uw krullende haar en de kleding met de saffraankleur van de lotus, wordt ondersteund door de glanzende oorbellen en de blinkende helm, de armbanden, het halssnoer, de enkelbellen, de band, de schelphoorn, werpschijf, knots en de lotusbloem, de bloemenslinger en de beste der paarlen, die U er zelfs nog mooier doen uitzien.(49) De schouders onder Uw haarlokken zijn als die van een leeuw en Uw nek, fortuinlijk van het dragen van het juweel genaamd Kaustubha dat schittert op Uw borst, geeft een nimmer afnemende schoonheid die iedere toets doorstaat. (50) Uw in- en uitademen brengt prachtig in beweging de plooien in uw buik die eruitziet als het blad van een bananenboom, en het diep wervelen van uw navel is als de spiraalwerveling van het sterrenstelsel. (51) Het donkere van Uw huid onder Uw middel is extra aantrekkelijk met zowel de pracht van Uw kleding en symmetrische gouden gordel als lager, met Uw lotusvoeten, kuiten en dijen die van een grote schoonheid zijn. (52) Door de zo aangename lotusvoeten die zijn als de blaadjes van een lotusbloem in de herfst, door de glans van Uw nagels, verdrijft U alles wat tijdelijk is; toon ons enkel het pad van die twee lotusvoeten [eveneens begrepen als de eerste twee Canto's van dit Bhâgavatam] die de moeilijkheden van de materiële wereld reduceren, o leraar, o geestelijk leidsman van allen die lijden onder het duister. (53) Uw gedaante is de degene waar men op moet mediteren; het zuivert het zelf van een ieder die van de toegewijde dienst de feitelijke onbevreesdheid verlangt die er is in het naleven van de eigen plichten. (54) Uw goede Zelf bereikbaar voor de toegewijden is zeer moeilijk te bereiken voor alle overige belichaamde zielen, zelfs voor hen die horen bij de koning der hemel Indra of voor de zelfgerealisee rden voor wie het doel der eenheid het uiteindelijke is dat moet worden bereikt. (55)Wat, erbuiten staand, zou men anders begeren dan Uw lotusvoeten, als men door zuivere toegewijde dienst van de aanbidding voor U is geweest die zelfs voor de meest deugdzamen moeilijk te bereiken is!   (56) Daarin vormt de onoverwinnelijke tijd geen bedreiging voor een ziel van volkomen overgave, terwijl Hij in Zijn vermogen en majesteit, met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen het hele universum vernietigt. (57) Hij, die in het gezelschap van de Allerhoogste Heer, slechts maar voor de kortste tijd omgang heeft, geniet het voordeel dat niet te vergelijken is met de leidraad van het licht of met dat wat geen onderscheid maakt in de liefde; wat zou nou de zegening van de materieel geconditioneerden zijn? (58) Laat er derhalve voor ons, die zich onderdompelen in de Ganges en er weer uitstappen om het gepieker van de zonde weg te wassen, de genade en de gratie zijn van deze omgang die Uw Voeten der Overwinning verheerlijkt die voor de normale levende wezens de zegening betekenen met de volste goedheid. (59) Van hem wiens hart, dat door de invloed vanbuiten verbijsterd raakte in de put der duisternis, werd gezuiverd door die gunst van de bhakti-yoga te aanvaarden, durf ik te beweren dat hij zo gelukkig zal zijn om daarin de bedachtzaamheid van Uw weg te vinden. (60) Dat onpersoonlijke van de Transcendentie vanbinnen en vanbuiten, dat gelijk het licht in de hemel, zich overal uitspreidt, manifesteerde zich als het zichtbare van het universum van Uw kosmische schepping - dàt is de manifestatie van U Uzelf. (61) Ik kan begrijpen dat een bestaan als dat van U, U als degene die met deze manifestatie van de veelvoud aan energieën [intern, extern en marginaal], schept, handhaaft en opnieuw weer in zich opneemt, U als die onveranderlijke zin voor de diversiteit die het eeuwige is, het iemand moeilijk maakt zich tot U te verhouden, U die zo onafhankelijk bent, o mijn lieve Heer. (62) Die transcendentalisten zijn deskundigen op het bgebied van de Veda's en de erbij behorende literatuur die, voor hun vervolmaking, met geloof en overtuiging, middels een scala aan uiteenlopende handelingen, van het verschuldigde eerbetoon zijn voor U die gekend wordt in feitelijke gebeurtenissen, in zintuiglijke waarnemingen en in het hart. (63) U bent de Ene Oorspronkelijke Persoon, van wie aan de sluimerende energie het volledige is ontsprongen waarmee hartstocht, goedheid en onwetendheid zich hebben onderscheiden en het totaal wordt gevonden van de materiële energie, het ego, de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, en de deugdzamen, de wijzen en al de levende wezens. (64) In deze schepping, vanuit Uw eigen vermogen, gaat U nadien binnen in de vorm van de vier soorten van lichamen [zoals geboren uit embryo's, eieren, zweet en zaad, zie ook 2.10: 40], aldus middels Uw eigen delen en gehelen hem kennend, de persoon, die vanbinnen bestaat genietend door zijn zinnen, als iemand die zich tegoed doet aan de zoetheid van honing. (65) Echter, Uwe Heerlijkheid, ziend hoe na de nodige tijd die zo heel grote kracht al de planetenstelsels vernietigt en hoe alle levende wezens hun einde vinden door anderen, kan men slechts raden naar de Absolute Werkelijkheid die als de wind is die de wolken in de lucht uiteendrijft. (66) De gekken schreeuwen hardop wat er allemaal zou moeten gedaan worden, maar de begeerte zwaar ontwikkeld van een dergelijk verlangen in het snakken naar materieel plezier is bij het volledige van Uw Bovenzinnelijkheid als de Vernietiger, in een oogwenk verzwolgen zoals een verzwolgen zoals een muis is door de honger begeertige tong van een slang. (67) Welke man van wijsheid zou U bespottend Uw lotusvoeten uit de weg gaan ? Zonder twijfel zou hij enkel zijn leven vergooien; was het niet onze geestelijk leraar en vader [Brahmâ] die zonder twijfel U aanbad in het verleden precies zoals de veertien Manu's dat deden [na hem, zie Canto 2: 3: 9, 6: 30, 10: 4]? (68) Daarom bent U voor ons, zij die geleerd hebben, het Allerhoogste Brahman, de Ziel van de ziel, de Superziel, de bestemming van hen die ongetwijfeld zonder vrees zijn voor de Vernietiger Rudra die wordt gevreesd door het ganse universum.'

(69) 'Op deze manier biddend, zal er voor allen van u het geluk zijn, o gezuiverde zonen van de koningvan verzaking in respect voor de Allerhoogste Heer, als u van uw taken kwijt met alle geloof dat in u is. (70) Jegens Hem, zeker van de Allerhoogste Ziel die zich bevind in uw harten alsook in de harten van alle andere levende wezens, wees enkel van aanbidding altijd vol lof zijnd voor en mediterend op de Heer. (71) Allen van u, lees keer op keer deze instructie van de yoga en sluit hem in uw hart; houdt u aan de gelofte van stilte van het altijd met intelligentie innerlijk verzonken zijn, met het grootste respect tewerkgaand. (72) Dit werd voor het eerst uitgeproken door de grote Heer [Brahmâ], de meester der scheppers van het universum en de grote wijzen aangevoerd door Bhrigu, die als zijn zonen belast met de verantwoordelijkheid voor de wereld het verlangden te scheppen [vergelijk 4.1: 12-15]. (73) Wij allen, heersers van de mens, raakten, toen de bevolking werd geschapen, naar Zijn opdracht op deze manier bevrijd van alle soorten van onwetendheid en aldus brachten we de verschillende vormen van leven voort. (74) Dit aldus regelmatig voor zichzelf herhalend met grote aandacht, bereikt een persoon hierin verzonken onverwijld het goedgunstige van het Vâsudeva toegewijd zijn [Krishna als de Heer van het bewustzijn]. (75) Van alle zegeningen in deze wereld is kennis de allerhoogste bovenzinnelijke verdienste van geluk van iedere persoon, daar het de boot der kennis is waarmee men de onoverkomelijke oceaan van gevaar oversteekt. (76) Een ieder die devoot gehecht en met geloof regelmatig dit lied van mij bestudeert, dit gebed gericht op de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die zo moeilijk te respecteren is, zo een persoon zal in staat zijn tot aanbidding. (77) Een persoon kan door de Ziel van de Macht alles bereiken wat hij verlangt als hij gefixeerd is op het lied zoals door mij gezongen; op die manier behaagd is Hij van alle zegeningen de meest geliefde. (78) Hij die in de vroege ochtend, nadat hij opgestaan is dit doet, zijn handen vouwend in geloof, en aldus verzonken persoonlijk zingt en hoort en anderen doet luisteren, zo een menselijk wezen zal bevrijd raken van alle soorten van karmische terugslagen. (79) O zoons van de koning, met de intelligentie van het éénpuntig bidden en zingen van dit lied van de Allerhoogste Persoon, de Superziel, dat door mij werd gezongen, zal u, tot besluit van die praktijk, die gelijk staat aan de grootste verzakingen, de resultaten bereiken die u verlangde.'

* Heer Krishna, door zijn viervoudige expansie van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha, is de heer van de psychische actie -- namelijk denken, voelen, willen en handelen.

 

Hoofdstuk 25

Over het Karakter van Koning Purañjana

(1) Maitreya zei: 'De grote Heer, aldus onderricht verschaffend, door de zoons van Barhishat aanbeden, verdween vandaar recht voor ogen van de prinsen. (2) Bij dat water deden al de Pracetâ's, de verzaking beoefenend, dat gebed gezongen door Heer S'iva, voor de duur van tienduizend jaar. (3) O Vidura, koning Prâcînabarhi, met een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen, ontving [ondertussen] onderricht van een mededogende Nârada goed thuis in de spirituele waarheid: (4) 'O Koning, wat is die allerhoogste zegening voor de ziel die u verwacht van het handelen terwille van de opbrengst? Die zegen van het verdwijnen van alle leed en het bereiken van het geluk, kan u in dit verband nooit verwerven.'

(5) De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten, vertel me alstUblieft van de smetteloze spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden. (6) In de oppervlakkige verplichtingen van het gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde wordt de transcendentie niet beschouwt als zijnde het levensdoel, en zo komt men tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.'

(7) Nârada zei: 'Wacht eens even, o Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u attenderen op het totaal van al de duizenden van dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden? (8) Ze staan allen, indachtig het leed dat u hen hebt aangedaan, kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven. (9) Daartoe wil ik u het zeer oude verhaal vertellen van Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']; probeer enkel dit karakter te doorgronden terwijl ik erover spreek. (10) Er was er eens een koning van een grote bekendheid Purañjana geheten, o Heerser, die een vriend had genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed. (11) Hij reisde rusteloos rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan, maar toen hij zichzelf op die manier nooit kon vinden, raakte hij in de put. (12) Niemand op deze aarde zag ook maar iets in hem, waar die koning ook verbleef en wat hij ook voor zijn doeleinden wenste te genieten. (13) Toen hij eens ten zuiden van de Himalaya's verkeerde ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten [vergelijk B.G. 5: 13] die hem alle gemakken bood. (14) Omgeven door hoge muren en volgepakt met huizen had hij torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud en zilver. (15) De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen en waren in hun schoonheid zo luisterrijk als de hemelse stad genaamd Bhogavatî. (16) Er waren vergaderplaatsen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen. (17) De buitenwijken van die stad hadden heel mooie bomen met klimplanten en een meer, waar het weerklonk van de geluiden van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen. (18) Van de koele waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen aan de oever van de vijver vol met lotussen een lentemist aan water op de takken. (19) De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er uitgenodigd voelde. (20) Toen hij daar aankwam, zag hij plots een zeer mooie vrouw op zich afkomen omgeven door een tiental bedienden die ieder van hen gevolgd werden door een honderdtal anderen. (21) Ze was aan alle kanten beschermd door een vijfkoppige slang en helemaal niet zo oud het verlangen van iedere man opwekkend, leek het erop dat ze uitkeek naar een echtgenoot.. (22) Met een prachtige neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en, gelijkmatig in verhouding tot haar gezicht, prachtige oren met schitterende oorbellen. (23) Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep; ze zag er precies uit als een hemelbewoonster. (24) Met het uiteinde van haar sârî probeerde ze verlegen, haar jeugdige, even ronde en volle borsten te bedekken, terwijl ze statig als een olifant voortschreed. (25) Getroffen door de seksuele aantrekking van de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.

(26) 'Wie ben jij, jij met je mooie lotusblaadjes van ogen; ben je van hier uit de buurt van deze stad, o kuise dame - alsjeblieft wees zo aardig me te zeggen waar je naar op zoek bent, o verlegen meisje. (27) Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen, jij met je mooie ogen en wie is deze slang van jou die de weg voor je vrijmaakt? (28) In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ] of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]. Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, alleen in dit bos, op die voeten waarvan men alle dingen krijgt die men verlangt? (29) En als je geen van dezen bent, o fortuinlijke, aangezien je voeten de grond beroeren, dan verdien jij, die zo veel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de genieter van alle offers, het om voor de meerdere eer en glorie van deze stad op te trekken met deze grote held, die van de grootste glorie is in de wereld! (30) Met je verlegen blikken, toegenegen glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht, de meest machtige Cupido in mij naar boven halend; weest me derhalve genadig, mijn liefste schoonheid. (31) Je gezicht, met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens opgeheven om mij te laten zien en de liefste woorden uit te spreken, o dame met je lieflijke glimlach.'

(32) Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige: (33) 'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, noch wat de bloedlijn of naam zou zijn van de anderen. (34) Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn; meer, o grote held, weet ik niet over wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben. (35) Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect en de slang waakt over me als ik slaap, om de stad te beschermen. (36) Gelukkig genoeg voor me, en al het goede ook u toegewenst, bent u hier gekomen - allen van ons, ik en mijn vrienden, o doder der vijand, zullen u al het genoegen voor uw zinnen verschaffen wat u maar verlangt. (37) Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, die ik voor u heb ingericht om u voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen te laten genieten. (38) Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten! Zonder de zekerheid van uw wijsheid erover en uw kennis, zou het van de dwaasheid zijn van dieren die niet vooraf kunnen zien wat komen gaat, om uit te zien naar een leven hierna. (39) Hier kan men met religieuze riten, economische ontwikkeling en geregelde genoegens genieten van een leven met nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en een wereld zonder weeklagen en ziekte waar de transcendentalisten geen idee van hebben. (40) De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zijn er zeker van hoog te houden dat dit huiselijk bestaan dat is wat de gezegende toevlucht is in de materiële wereld. (41) Wie zou er ook werkelijk, mijn grote held, niet een dergelijke grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen die evenzo gretig klaar staat als ik? (42) Welke vrouwengeest in deze wereld zou niet aangetrokken zijn tot uw lenige lichaam met zijn sterke armen, o machtige, die enkel rondreist om zich tot het uiterste inspannend en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'

(43) Nârada vervolgde: 'Op die manier verliefd op elkaar geraakt, gingen ze als man en vrouw die plaats binnen en leefden ze in de stad, o Koning, om voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten. (44)Als het te heet was begaf hij zich omringd door vrouwen in de rivier om er te spelen en de zangers zongen er her en der alleraardigst over.(45) De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die leidden tot verschillende plaatsen en ze werden allen gebruikt door de bestuurder. (46) Vijf van de deuren zagen uit op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en dienovereenkomstig waren er ook twee op het westen; ik zal u nu hun namen beschrijven o Koning. (47) De twee poorten die uitzagen op het oosten werden Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] genoemd; ze waren op dezelfde plaats aangebracht en de koning was het gewoon er doorheen te gaan op weg naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] met zijn vriend Dyumân ['van de zon']. (48) Eveneens gericht op het oosten waren er de poorten genaamd Nalinî en Nâlinî [mystieke benamingen voor de neusgaten] en door die poorten ging hij doorgaans met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats genaamd Saurabha ['de geur']. (49) De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['de belangrijkste'] bracht de koning van de stad, begeleid door Rasajña ['de proever'] en Vipana ['de commerciële'], naar twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt']. (50) Door de stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorouderlijke'] op het zuiden, o Koning, bezocht Purañjana de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcalâ ['het vijfvoudige van het zuiden'], tezamen met zijn vriend S'rutadhara ['de luisteraar']. (51) De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden']. (52) De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een groot aantal'] te gaan in het gezelschap van Durmada ['hij die er gek op is']. (53) De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om naar de plaats genaamd Vais'asa ['zonder het slapende'] te gaan onder begeleiding van zijn vriend Lubdhaka ['de begeertige']. (54) Van alle bewoners die ogen in hun hoofd hadden was de koning het gewoon uit te gaan en dingen te doen met twee blinde mannen genaamd Nirvâk ['de sprakeloze'] en Pes'askrit ['de verpletterende']. (55) Als hij, zoals hij dat gewend was, naar zijn privé-verblijven ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['die van het denken'] en dan genoot hij met de liefde van zijn vrouw en kinderen ofwel van de illusie, de bevrediging dan wel van het geluk. (56) Aldus bovenmatig gehecht in zijn bezigheden ter wille van de opbrengst kwam hij, lustig en minder intelligent, bedrogen uit in het gehoor geven aan alles wat zij, de koningin, ook maar wenste dat hij zou doen. (57-61) Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at, dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden instortte, stortte ook hij in. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg en wanneer zij zich ten ruste legde, ging hij in navolging van haar ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er ook gewoontegetrouw aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij zich beklaagde volgde hij als een arme kerel haar daarin na. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, zo was hij dat ook naar haar voorbeeld. (62) Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, zo zwak als een huisdier.

   

Hoofdstuk 26

Koning Purañjana Gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan.

(1-3) Nârada zei: 'Op een dag ging hij [koning Purañjana] naar het woud genaamd Pañcha Prastha ['de vijf bestemmingen'] met zijn boog, gouden rusting en onuitputtelijke pijlenkoker, zich snel daarheen voortbewegend op de twee wielen en de ene as van een gouden strijdwagen getrokken door vijf paarden, twee speciale pijlen en drie vanen met zich meevoerend. Tezamen met zijn elf bevelhebbers en zijn ene wagenmenner met één stel teugels in de hand, ontmoette hij, vanaf zijn ene zitplaats en twee haken voor zijn wapenrustingen, vijf obstakels op zijn weg met in zijn hand de vijf wapens houdend, met zeven lagen en vijf benaderingswijzen. (4) Maar geïnspireerd door de kwade gedachte van de jacht, ging hij met het oppakken van zijn boog en pijlen derwaarts om dieren te doden, er zeer trots op zijn vrouw achtergelaten te hebben, hetgeen vrijwel onmogelijk voor hem was. (5) Met het duister van het onverlichte in zijn hart was hij overgegaan tot de schrikwekkende praktijk van het genadeloos met scherpgepunte pijlen doden van de dieren in het nabije bos. (6) Zich naar het woud begevend kan een koning, gedreven door hebzucht, zoals dat is geregeld, in overeenstemming met de aanwijzingen van de Veda's, zoveel dieren doden als maar nodig is voor de offerplechtigheden in de heilige plaatsen en niet meer dan dat. (7) Welke welopgevoede man dan ook die zijn werk doet zoals dat is geregeld [in de niyama van de yoga] zal, in navolging van de kennis van het spirituele, nimmer betrokken zijn bij dergelijke handelingen. (8) Anders zal men, bezig met vruchtdragend handelen, verstrikt raken onder de invloed van vals prestige en, gevallen onder de invloed van de geaardheden der natuur en verstoken van alle kennis, aldus tenondergaan.

(9) Door de vernietiging van de dierenlijven doorboord met de pijlen die voorzien waren van verschillende soorten veren, was er een grote droefenis, een leed dat onverdraaglijk was voor meedogende zielen. (10) Van het doden van prooidieren als konijnen, buffels, bizons, zwarte herten, stekelvarkens en verschillende anderen raakte hij zeer vermoeid. (11) Nadat hij ermee was opgehouden keerde hij zeer dorstig en uitgeput terug naar huis om een bad te nemen, van een goede maaltijd te genieten en uit te rusten om zijn vrede te herwinnen. (12) Toen hij zich zoals het hoort had geparfumeerd en zijn lichaam had ingesmeerd met sandelhoutpasta, wilde hij, allerheiligst omhangen met bloemen en alleszins prachtig versierd, aandacht besteden aan zijn koningin. (13) Voldaan, vreugdevol alsook zeer trots was hij vol van Cupido en taalde hij niet naar een hoger bewustzijn met de echtgenote die hem in haar huishouding hield. (14) O mijn beste Koning, de dienstmaagden van de huishouding vroeg hij ietwat bezorgd: 'O mijn schoonheden, is alles normaal met jullie en jullie vrouwe? (15) De dingen thuis komen me niet zo aantrekkelijk voor als ze voorheen waren. Geen moeder of echtgenote thuis te hebben die haar echtgenoot tegemoet treedt als haar god is als het hebben van een wagen zonder wielen; welke man van scholing zou daadwerkelijk op zo'n armzalig ding rondrijden? (16) Welnu, waar is ze dan, die vrouw van een goede intelligentie, die je bijstaat bij iedere stap die je zet en die me zou redden van het verdrinken in die oceaan van gevaar?'

(17) De vrouwen gaven ten antwoord: 'O Koning we hebben er geen idee van waarom ze zich heeft overgegeven aan deze manier van doen, ga maar kijken en zie hoe uw geliefde op de vloer ligt zonder beddegoed, o doder der vijanden!'

(18) Nârada zei: 'Nadat hij zag hoe zijn vrouw als een bedelares op de grond lag, raakte Purañjana, die zijn hersens pijnigde naar aanleiding van de scène, hogelijkst verbijsterd. (19) Haar met lieve woorden en een hart vol spijt gunstig stemmend, slaagde hij er met zijn genegenheid niet in ook maar een enkel teken van woede op te roepen van de kant van zijn geliefde. (20) Langzaam aan, als expert in de vleierij, begon de held haar complimenten te maken, haar beide voeten beroerend en sprak hij tot haar, haar op zijn schoot omhelzend. (21) Purañjana zei: 'Het is ongetwijfeld zo dat meesters, jegens hun dienaren die over de schreef gingen met een overtreding, o brengster van geluk, van geen enkele instructie zijn als ze hen niet terecht wijzen. (22) De straf uitgedeeld door de meester aan de dienaren is de grootste gunst die hij kan verlenen; dwaas zijnd ziet men niet in, o ranke vrouwe, dat vertoornd zijn een vriendendienst is! (23) Dat gezicht van je met die mooie tanden en wenkbrauwen, dat me vervuld van aanhankelijkheid en dat je nu zo mistroostig laat hangen, zou je, als een bij, naar me op moeten heffen, stralend, lachend en oogluikend van onder het blauwglanzende haar zo prachtig bij je rechte neus; ik ben helemaal de jouwe, alsjeblieft, o bedachtzame, vergun me je liefste woord. (24) Tenzij hij behoort tot de leerschool der verlichten op deze aarde, ben ik bereid hem af te straffen die jou kwaad heeft gedaan, o vrouw van deze held; hij zal, als het aan mij ligt, niet zonder angst en vrees in de drie werelden of waar dan ook kunnen leven, zo zeker als ik de dienaar van Murâri ben! [Krishna als de vijand van Mura] (25) Nimmer was je gelaat zonder sieraden en heb ik je zo neerslachtig gezien, vervuld van woede en zonder je luister en genegenheid; noch zag ik ooit je fraaie borsten nat van de tranen en je lippen zonder het rood van de kunkuma. (26) Derhalve mijn meest intieme vriendin, wees aardig voor deze zondaar die er op eigen houtje op uitging om te jagen; welke vrouw met de controle van haar grote schoonheid over de lustige verlangens van haar echtgenoot verloren in ongeduld en getroffen door de pijlen van Cupido, zou hem niet plichtsgetrouw omhelzen?

 

Hoofdstuk 27

De Aanval door Candavega op de Stad van Koning Purañjana; het Karakter van Kâlakanyâ.

(1) Nârada zei: 'Op die manier raakte Koning Purañjana volledig in de ban van de charmes van zijn vrouw, o Koning, en genoot hij van alle bevrediging die zij haar echtgenoot schonk. (2) Hij, de koning heette de koningin welkom, o Koning, volmaakt tevreden over haar toenadering tot hem met haar aantrekkelijke gezicht, nadat ze fijn had gebaad en zich volledig uitgedost en opgesmukt had. (3) Zij omhelsde hem en hij omarmde haar, in beslotenheid, grappen makend, en op die manier in beslag genomen door de vrouw qua bewustzijn aan kwaliteit inboetend, was hij zich niet bewust van het dag en nacht verstrijken van de onoverkomelijke tijd. (4) Neerliggend op het zo kostbare bed van de koningin, raakte de held, ook al was hij van nog zo'n hoog gehalte, met de armen van zijn vrouw als hoofdkussen voorzeker in toenemende mate bevangen door illusie en zag hij, overmand door onwetendheid het als het hoogste beschouwend, niet in wat zelfrealisatie en het Allerhoogste werkelijk betekent. (5) O beste der Koningen, op deze wijze met haar een onzuiver seksleven genietend, verstreek zijn nieuw gewonnen leven in een oogwenk. (6) Purañjana, o Koning, die zijn halve leven op die manier doorbracht, verwekte bij zijn vrouw elf zoons en honderden kleinzoons. (7) Hij had eveneens meer dan tien dochters en een honderdtal kleindochters, en al die dochters van Purañjana, o stamvader, waren net zo vermaard als hun ouders vanwege hun goede gedrag, grootmoedigheid en kwaliteiten. (8) Hij, de koning van Pañcâla ['de vijf zinsobjecten'], huwde om zijn lijn voort te zetten zijn zoons met de beste echtgenotes die er waren en zijn dochters met evenzo geschikte echtgenoten. (9) Ook de honderden zonen van de zonen brachten allen weer honderden en honderden andere nakomelingen voort, waardoor zonder twijfel Purañjana's familie enorm groeide in het land Pañcâla. (10) Zij en hun gevolg vormden een zware aanslag op zijn huis en schatkist en door zijn diep gewortelde gehechtheid aan hen raakte hij volledig gebonden aan de objecten van zijn zinnen. (11) Hij, zo vol van verlangens, hield net als u offerplechtigheden uit respect voor de voorvaderen, de goden en de groten der samenleving; en ze waren allemaal even weerzinwekkend geïnspireerd als ze waren door het doden van arme dieren. (12) Aldus onoplettend erbij betrokken, gehecht aan huis en haard, landde zijn bewustzijn op een goede dag op dat punt aan dat niet zeer geliefd is bij hen die verzot zijn op vrouwen.

(13) O Koning, Candavega ['de zeer snel verstrijkende'] de koning behorend tot de hemelse woning, aldus gevierd, heeft driehonderdzestig [als dagen in een jaar] zeer machtige andere mannen van de hemel onder zich. (14) Dienovereenkomstig waren er van Candavega evenzovele zwarte en witte vrouwelijke bewoners der hemel [slaand op de witte en zwarte perioden van de maand zie 3-11: 10] die hem omringden en die voor hun zingenot al de begeerlijke zaken die waren voortgebracht uitputten. (15) Al die volgelingen van Candavega, kwamen toen ze de stad van Purañjana begonnen te plunderen, de grote slang tegen die er was ter haar verdediging [de vijf koppen staan voor de vijf soorten levensadem: prâna, apâna, vyâna, udâna en samâna zie 4.25: 35 en lijst]. (16) Geheel op zichzelf bevocht hij gedreven de zevenhonderdtwintig bewoners van de hemel gedurende de honderd jaren die Koning Purañjana had als de bewindvoerder van de stad. (17) Verzwakkend in het alleen bevechten van zovele strijders raakte zijn intieme vriend de koning van het koninkrijk tezamen met al de vrienden en verwanten in de stad, zeer bezorgd en bedroefd. (18) Hij kon zich in de stad Pañcâla verheugen in het tezamen met zijn volgelingen genieten van de zoetheid, de middelen daartoe inzamelend, maar hij begreep de angst niet zich overgegeven hebbend aan de controle van de vrouw.

(19) Te dien tijde bereisde de dochter van de Almachtige Tijd [genaamd Kâlakanyâ, verwijzend naar Jarâ of de ouderdom] de drie werelden naar iemand uitziend die haar echtgenoot kon zijn, o Koning Prâcînabarhi, maar er was nooit iemand die op haar aanzoek inging. (20) Aldus ongelukkig stond ze in de wereld bekend als Durbhagâ ['slecht getroffen'], maar na ooit een wijze koning [genaamd Jayâti die was vervloekt met een vroegtijdige ouderdom door S'ukrâcârya] behaagd te hebben en door hem geaccepteerd te zijn, had ze Pûru [de getrouwe onder zijn zoons] een gunst verleend [het koninkrijk te beërven]. (21) Toen ik ooit eens rondreisde daalde ze uit het hoogste verblijf neer naar de aarde en deed ze mij een aanzoek, begoocheld door de lust, terwijl ik een gezworen celibatair was. (22) Zeggend: 'Nadat u mijn aanzoek hebt afgewezen gij Wijze, zult u er nimmer toe in staat zijn op één plaats te verblijven', vervloekte ze, zeer kwaad op mij geworden, uit begoocheling mij. (23) Daaropvolgend teleurgesteld in haar vastbeslotenheid, benaderde ze op mijn voorspraak de heerser der Yavana's [de onaanraakbaren of ookwel de mleccha's of vleeseters genoemd] genaamd Bhaya [vrees] om hem als haar echtgenoot te aanvaarden. (24) Ze zei hem: 'U als de beste der Onaanraakbaren aanvaard ik, o grote held, als de man van mijn dromen; al diegenen die in hun plannen zeker zijn jegens u zullen nooit bedrogen uitkomen. (25) Het zijn deze twee soorten van mensen die van de treurnis zijn: het zijn de dwazen die het pad der gebruiken volgen die niet in de geschriften zijn terug te vinden en de onwetenden die leven naar hun verlangens en ze eveneens nooit navolgen. (26) Aanvaard me daarom, o zachtgeaarde, ik ben bereid om te dienen, wees me genadig; om tot zoiets alsmededogen voor de lijdenden te komen is voor iedere echte heer een kwestie van principe.'

(27) Toen de koning der Yavana's de dochter van de Tijd zich in deze woorden hoorde uitdrukken, sprak hij, bereid naar de wil van God zijn plicht te doen, haar glimlachend toe: (28) 'Ik heb een keuze gemaakt voor een echtgenoot voor jou, daar je bij de bedachtzame ziel nimmer welkom bent; voor de mensen hier is het ongunstige van jou onaanvaardbaar. (29) Jij, als degene wiens bewegingen niet kunnen worden waargenomen, mag, verzekerd van de hulp van mijn soldaten, van deze wereld genieten die is gebouwd op vruchtdragend handelen; ongehinderd mag je alle wezens tot hun einde brengen. (30) Ik schenk je deze broer Prajvâra ['de koorts van Vishnu'] van mij en wordt aldus mijn zuster; door jullie beiden zal ik, met mijn vervaarlijke soldaten, ongezien in deze wereld rondwaren.'

 

Hoofdstuk 28 

Purañjana Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven

(1) Nârada zei: 'O Koning Prâcînabarhishat, allen van hen, de soldaten, de uitvoerders van de dood van Bhaya [die zijn als de moeilijkheden der ouderdom] en Prajvâra en Kâlakanyâ, trokken tezamen rond over deze aarde. (2) Toen ze eens ook de stad van Purañjana belegerden die, o Koning, zo vol van zinnelijk genot was, ontdekten ze dat die beschermd werd door de oude slang. (3) Ook de dochter van Kâla nam toen bezit van de stad van Purañjana die met geweld werd ingenomen, en met haar ontdekt een persoon meteen zijn nutteloosheid. (4) Met haar inname en de Yavana's die van alle kanten door de poorten naar binnen kwamen, ontstonden er in de gehele stad grote problemen. (5) De stad in allerlei soorten van moeilijkheden gebracht deed hem, Purañjana, die als een al te ijverige huisvader bovenmatig gehecht was, belanden in allerlei soorten van ellende. (6) Omhelsd door de dochter van de Tijd was hij beroofd van de schoonheid; door zijn verslaving aan plezier een ellendeling geworden die tekort schoot in intelligentie, werd hij gewelddadig van zijn weelde beroofd door de Gandharva's en Yavana's [de bewoners van de hemel en de vleeseters]. (7) Hij zag dat zijn eigen stad uiteenviel in strijdende partijen, met zoons en kleinzoons, bedienden en ministers zonder respect en dat zijn vrouw onverschillig was geworden. (8) Met hemzelf gegrepen door Kâlakanyâ en met Pañcâla vol van onoverkomelijke vijanden, raakte hij zeer bevreesd en aldus was het voor hem niet mogelijk om tegenmaatregelen van welke aard dan ook te nemen. (9) De dingen waar hij altijd op uit was hadden allen hun smaak verloren voor de arme man, die mede door Kâlakanyâ de ware zin van het leven uit het oog had verloren in de geëmotioneerde verdediging van zijn gehechtheid aan zijn zoons en echtgenote. (10) De koning, die de stad moest opgeven die geteisterd werd door de Dochter van de Tijd en onder de voet was gelopen door de Gandharva's en Yavana's, werd er tegen zijn wil uit verdreven. (11) Prajvâra, de oudere broer van Bhaya ter plekke aanwezig, zette de stad in brand [als koorts voor het lichaam] enkel met het doel zijn broer [genaamd de angst] te behagen. (12) Toen de stad met al de burgers, bedienden en volgelingen in lichterlaaie stond hadden hij, Purañjana, het hoofd van de grote familie tezamen met zijn vrouw en nakomelingen, te lijden onder haar hitte.

(13) In zijn verblijfplaats aangevallen door de Yavana's, gepakt door Kâlakanyâ en nu ook nog benaderd door Prajvâra, raakte ook de bewaker van de stad [de slang] zeer bedroefd. (14) Hij was niet in staat veel uit te richten ter haar verdediging en had het zwaar in zijn verlangen vandaar te ontsnappen; het was alsof hij moest ontsnappen uit een holle boom die in de vlammen werd geworpen. (15) In haar leden verzwakt met het door de Gandharva's en de vijandige Yavana's verslaan van zijn lichaamskracht, o Koning, schreeuwde hij gefrustreerd [met de stem van Purañjana] het waarlijk hardop uit: (16) 'O mijn dochters, zoons, kleinzoons, schoondochters en schoonzoons, o mijn metgezellen, welk lot is mijn eigendom en thuis met alle weelde en goed beschoren?'

(17) Met zijn scheiden wendde de huishouder zijn aandacht naar het 'ik' en 'mijn' van zijn thuis en zo gebeurde het dat hij, met een geest vol van strijdige gedachten, het met zijn vrouw te kwaad had. (18) 'Als ik ben vertrokken voor een ander leven, hoe dan moet deze vrouw, verstoken van een echtgenoot, in tranen met al de kinderen van de familie om haar heen, haar bestaan vinden? (19) Nimmer at ik als zij niet at, nimmer miste ik een bad als zij een bad nam; zij bleef altijd trouw, angstvallig zich stil houdend als ik boos was, hoe bang ze ook was als ik haar terecht wees. (20) Ze gaf me goede raad als ik dwaas was, ze was bedroefd en terneergeslagen als ik weg was. Zal ze, ondanks dat ze de moeder is van zulke grote helden, er toe in staat zijn vast te houden aan het pad der huishoudelijke verplichtingen? (21) Hoe moeten nu feitelijk mijn arme zoons en dochters, nu die niemand anders hebben om zich op te verlaten, leven als ik van deze wereld verdwenen ben als een kapotte boot midden op zee?'

(22) Aldus met zijn armzalige intelligentie weeklagend over wat men niet moet betreuren, kwam de meester der vertoning genaamd Angst op hem af om hem zonder pardon in te rekenen. (23) Gebonden als een dier werd Purañjana door de Yavana's naar hun eigen verblijf meegesleept, gevolgd door de stroom van zijn getrouwen die zeer van streek in tranen verzet waren. (24) Zo gauw de slang, die het had moeten opgeven was vertrokken en hem achterna komend werd ingerekend, kon de stad niet meer anders dan uiteenvallen. (25) Met alle macht meegezeuld door de Yavana die zo machtig was, slaagde hij, overdekt door de duisternis van zijn onwetendheid, er niet in zich zijn vriend en weldoener te herinneren die vanaf het begin met hem was geweest. (26) Al de offerdieren die door hem zo alleronvriendelijkst waren gedood met bijlen en toen aan stukken waren gesneden, herinnerden vol woede zich die zondige activiteit van hem. (27) Onder de invloed van de gehechtheid aan vrouwen, zonder uitzicht levend temidden van de duisternis en verstoken van alle intelligentie, heeft men voor vele jaren, als het niet een eeuwigheid is, de pijn te verduren. (28) Door haar constant in zijn geest te houden werd hij, na zijn dood, een welgestelde dame [een dochter] in het huis van de hoogst machtige koning Vidarbha. (29) Als de beloning der moed werd die dochter van Vidarbha uitgehuwelijkt aan Malayadhvaja ['zo stevig als de berg Malaya'] die als de beste der geschoolden in het gevecht, na vele andere prinsen te hebben verslagen, de veroveraar van de stad der steden was. (30) Van haar kreeg hij een dochter met donkere ogen en zeven jongere machtige zoons * die de koningen werden van de zeven provincies in het zuiden van India [Dravida]. (31) Van ieder van hen, o Koning, waren er miljoenen en miljoenen van nazaten door wie de wereld tot aan de tijd van één Manu en langer werd geregeerd [zie 3.11: 24]. (32) Âgastya [de wijze; 'hij die uit een aarden pot werd geboren'] huwde de gezworen eerste dochter en uit haar werd een zoon geboren genaamd Dridhacyuta ['de onneembare vesting'] die op zijn beurt de grote wijze Idhmavâha ['hij die het offerhout draagt'] als zoon kreeg.

(33) Nadat hij de gehele wereld onder zijn zoons had verdeeld, ging de zedige koning genaamd Malayadhvaja naar Kulâcala ernaar verlangend Heer Krishna te aanbidden. (34) Met het opgeven van zijn thuis, kinderen en materiële geluk volgde de dochter van Vidarbha met de bekoorlijke ogen, haar heer van wijsheid zoals de maneschijn de maan vergezeld. (35-36) Daar aan de rivieren genaamd de Candravasâ, de Tâmraparnî en de Vathodakâ reinigde hij zichzelf dagelijks zowel vanbinnen als vanbuiten met de heilige wateren en zich voedend met bollen, zaden, wortels en vruchten, bloemen, bladeren, grassen en water, werd zijn lichaam geleidelijk aan mager met het ondergaan van de verzaking. (37) Gelijkmoedig overwon hij zo de dualiteiten van kou en hitte, wind en regen, honger en dorst, het aangename en het onaangename en geluk en leed. (38) Door verzaking en discipline brandden alle onzuiverheden op; door de regulerende beginselen [niyama] en zelfbeheersing [yama] fixeerde hij zichzelf, in spirituele verwerkelijking, in de volledige beheersing van zijn zinnen, zijn leven en zijn bewustzijn [vergelijk: 4.22: 24, 3.29: 17]. (39) Zo onbeweeglijk blijvend als het hebben van dezelfde plaats voor de duur van een honderd godenjaren [zie 3.11: 12] wist hij, stabiel in relatie tot Vâsudeva, de Opperheer, van niets anders dan van die aantrekking. (40) Hij kon, bij het alles doorvarende van de Superziel, zichzelf in volmaakte kennis onderscheiden alsof hij in een droom verkeerde: als de welbewuste getuige die zeker was van zijn onverschilligheid ['de verheugde held']. (41) Onder de rechtstreekse influistering van de Allerhoogste Heer, van de geestelijk leraar Hari [de zogenaamde caitya guru of de goeroe vanbinnen], o Koning, vond hij het zuivere licht van de spirituele kennis dat alle gezichtspunten verlicht. (42) Zichzelf aldus in het bovenzinnelijk Absolute en de Superziel van het Absolute ook binnenin zichzelf waarnemend, gaf hij, met dit proces, zijn voorbehoud op en trok hij zich vastbesloten terug.

(43) Haar echtgenoot als haar God, de allerhoogste kenner der principes, aanvaardend diende Vaidarbhî, de dochter van Vidarbha, haar man Malayadhvaja met liefde en toewijding en gaf ze haar zinsgenoegens op. (44) In oude vodden, mager en dun en met haar haar samengeklit, straalde ze naast haar echtgenoot zo vredig als een vlam van een vuur. (45) Zij, zoals ze dat gewoon was, ging door met hem te dienen, die daar gefixeerd in zijn meditatiehouding zat, totdat ze niet langer met zijn heengaan nog enig levensteken van haar geliefde echtgenoot kon bekennen. (46) Toen ze, hem dienend, niet langer de warmte van zijn voeten voelde, sloeg het haar zo angstig om het hart als een hert gescheiden van haar partner. (47) Voor zichzelf weeklagend over hoe wreed het is om het zonder een vriend te moeten stellen, begon ze verscheurd in haar hart hardop te huilen, haar borsten met haar tranen nat makend. (48) 'Sta op, alsjeblieft, sta op!, o heilige Koning. Deze wereld zo bang temidden van een oceaan vol schurken en heersers vol van gehechtheid, zou je beschermen!' (49) Aldus weeklagend viel de onschuldige vrouw op die eenzame plek neer aan de voeten van haar echtgenoot, al weeklagend tranen plengend. (50) Bovenop het lichaam van haar man stapelde ze toen een brandstapel op van hout en na die te hebben aangestoken stierf ze [saha-marana], met haar geest gefixeerd in het verdriet, samen met hem.

(51) Voordat zich dat daar afspeelde bracht een soort van vriend, een brahmaan, een zeer geleerd persoon, haar heel vriendelijk tot rust met troostende woorden, tot haar sprekend over haar meester toen ze aan het huilen was. (52) De brahmaan zei: 'Wie ben je? Bij wie hoor je en wie is deze man die hier neerligt en over wie je aan het huilen bent? Herken je Me niet als de vriend die je in het verleden hebt geraadpleegd? (53) Weet je nog hoe, o vriend, je, onbekend zijnde met de Superziel, je Me als je vriend op hebt gegeven, in gehechtheid aan een positie van verlangen naar materieel plezier? (54) Jij en Ik, o grote ziel, zijn twee zwanen, twee vrienden die, voor duizenden jaren aan één stuk samen levend in het Mânasa meer [een heilig bergmeer in de Himalaya's dat staat voor de zuivere geest], gescheiden raakten van hun eigenlijke thuis. (55) Jij als die zwaan die me hebt verlaten, o vriend, bewoog zich als iemand met een materieel bewustzijn richting aarde, waar je jezelf aantrof in posities die waren voortgebracht door een of andere vrouw. (56) Met vijf tuinen, negen poorten, één beschermer, drie kamers, zes families, vijf opslagplaatsen en vijf materiële elementen heeft het [die positie van het hebben van een materieel lichaam] één vrouw als meester. (57) De tuinen zijn de vijf objecten van de zinnen, de poorten, o beschermer, zijn de negen openingen van de zintuigen, de levenskracht [het vuur], water en voedsel [de aarde] zijn de drie kamers en de families zijn de vijf zinnen zelve en de geest. (58) De vijf opslagplaatsen vormen de macht van het handelen [de vijf werkende zinnen] waarbij de mens de [vrouwelijke] beheerser der energie is van het eeuwige van de vijf elementen der grove materie, tegenover waarvan men, na dat domein te zijn binnengegaan, verstoken is van kennis. (59) Jij in die situatie in contact staand met de schittering ervan moet het, ervan genietend in haar gezelschap, dan stellen zonder de heugenis van het onuitputtelijke [van je geestelijk bestaan], en op deze manier heb je een staat bereikt die vol van zonde is, mijn beste. (60) In feite ben je Vidarbha's dochter niet, noch is deze held van je [Malayadhvaja] je alle heil toewensende echtgenoot, noch was je Purañjana de echtgenoot; je was al die tijd in het lichaam met zijn negen poorten eenvoudigweg in beslag genomen door de materiële energie. (61) Bezie enkel onze feitelijke positie; door deze illusoire energie van Mij vond je ongetwijfeld een bestaan waarin je jezelf dan hield voor een man was, een vrouw of een niet-seksueel iemand, maar ons beiden vergat je als zijnde verenigd in het zuivere van het spiritueel zwaangelijke. (62) Jij en Ik zijn niet verschillend [in kwaliteit] daar jij, zoals je bent, voor zeker bent zoals Ik ben Mijn vriend; het denkbeeldig onderscheid tussen ons tweeën wordt door de meer gevorderde geleerden dan ook nooit en te nimmer onderkend. (63) Wij twee verschillen niet meer van elkaar dan het beeld dat iemand van zichzelf ziet, in een spiegel of door de ogen van een ander, verschilt van hemzelf [vergelijk 3.28: 40]. (64) De individuele ziel aldus gelijk een zwaan samenlevend in het hart verkeert, onderricht door de andere zwaan, in zelfverwerkelijking, omdat dan de ware heugenis wordt hervonden die verloren was gegaan in het afgescheiden zijn van het oorspronkelijke zelf. '

(65)  'O Prâcînabarhi, ik gaf u deze analogie van de zelfverwerkelijking, om uw interesse op te wekken in de Allerhoogste Heer, onze God, de oorzaak aller oorzaken, op een indirecte manier.'

 * Deze zeven zoons zouden staan voor de in de aanvang zeven processen van de vidhi marga toegewijde dienst van horen, zingen, heugen, aanbidden, bidden, liefdevolle toegewijde dienst leveren en dienen van de voeten van de Heer. Later werd daar aan toegevoegd de raga marga processen van de evenwicht-vriendschap en het overgeven van alles.  

 

Hoofdstuk 29

De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

(1) Koning Prâcînabarhi zei: 'O mijn Heer, uw woorden doemen nooit perfect op voor ons geestesoog; zij die bedreven zijn kunnen doorgronden wat ze werkelijk betekenen, maar wij die bekoord zijn door vruchtdragende handelingen komen nooit tot het volle begrip van hen.'

(2) Nârada zei: 'De persoon van Purañjana ['hij die de stad geniet die het lichaam is'] moet worden gezien als de schepper van zijn eigen situatie van het zich ophouden in een één- [een geest], een twee-, een drie- [als met het hebben van een stok] of vierbenig lichaam ofwel een lichaam met vele benen of helemaal geen benen. (3) De eeuwige vriend en meester van de persoon is Hij, die ik beschreef als zijnde onbekend omdat Hij door de levende wezens nooit [geheel] wordt begrepen met namen of handelingen en kwaliteiten [vergelijk Adhokshaja]. (4) Met het verlangen van de persoon, te genieten van het geheel van de geaardheden der natuur, bedacht hij dat het hebben van negen poorten, twee benen en twee handen aldus zeer goed uit zou komen. (5) De intelligentie moet men dan zien als de jonge vrouw [pramadâ of Purañjanî] die verantwoordelijk is voor het 'ik' en 'mijn' van haar werking in het beschutting zoeken in het lichaam, waarmee dit levend wezen, met de zinnen naar de geaardheden der natuur, lijdt en geniet. (6) Haar vrienden zijn dat wat wordt gedaan door de zintuigen van kennis en handelen, de vriendinnen zijn dat waar de zintuigen mee bezig zijn [vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], terwijl de levensadem in zijn vijf vormen [de opgaande (udana), de neergaande (apâna), de expanderende (vyâna), de balancerende (samâna) en de hooggehouden adem (prânavâyu)] is als de slang. (7) De geest moet men zien als de o zo machtige leider van de twee groepen van de zinnen en het koninkrijk Pañcâla als de vijf bereiken van de zinnen temidden waarvan de stad met de negen openingen wordt aangetroffen. (8) De twee ogen, twee neusgaten, twee oren, de mond, de geslachtsorganen en het rectum zijn alzo de paarsgewijze poorten die naar buiten voeren en waar men onder begeleiding van de zinnen doorheen gaat. (9) De twee ogen, de neusgaten en de mond worden aldus begrepen als de vijf poorten aan de voorkant [het oosten], met het rechter oor als de poort op het zuiden en het linker oor als de poort op het noorden, terwijl beneden in het westen de twee poorten van het rectum en het geslachtsdeel worden verondersteld zich te bevinden. (10) Zij die Khadyotâ en Âvirmukhî worden genoemd en op één plaats waren aangebracht, zijn de ogen waarmee de meester met zijn gezichtsvermogen de vorm genaamd Vibhrâjita kan waarnemen ['dat wat duidelijk wordt gezien', zie 4.25: 47]. (11) Zij die Nalinî en Nâlinî worden genoemd vertegenwoordigen de twee neusgaten naar het aroma van wat Saurabha werd genoemd. De Avadhûta was de reukzin. Mukhyâ was de mond, met het spraakvermogen genaamd Vipana en de smaakzin die Rasajña heette [zie 4.25: 48-49]. (12) Âpana betrof de zaken van de tong en Bahûdana de verscheidenheid aan voedingsmiddelen, met het rechteroor genaamd Pitrihû en het linker dat Devahû genoemd werd [zie 4.25: 49-51]. (13) Met het zich begeven naar [het zuiden en noorden van] Pañcâla met de metgezel van het horen genaamd S'rutadhara, kan men worden verheven naar Pitriloka en naar Devaloka door [respectievelijk] het proces van het genieten der zinnen en de onthechting overeenkomstig de geschriften. (14) Met de opening van het rectum genaamd Nirriti is het geslachtsdeel, genaamd Âsurî, er als de poort voor de onzin en de wellustige gewone man [in Grâmaka levend] die, met hem die Durmada wordt genoemd, zich aangetrokken voelt tot de geslachtsdaad [zie 4.25: 52-53]. (15) Vais'asa betekent de hel met hem die Lubdhaka werd genoemd en de blinden, waar je toen ook over vernam van mij, zijn de benen en handen waarmee de mensen zich naar hun werk begeven en zich met hun werk bezighouden [zie 4.25: 53-54]. (16) Zo is, daaropvolgend, het privéverblijf het hart en is de dienaar genaamd Vishûcîna het denken waarmee er, zoals men dat zegt, naar het materiële van de natuur, de illusie, bevrediging of viering is die erbij hoort. (17) Op het moment dat het denken wordt geprikkeld, handelend in verband met de geaardheden, imiteert het [zoals Purañjana die zijn koningin navolgde, zie 4.25: 56] teneinde eraan gelijk te zijn, de bezigheden van de intelligentie van de ziel die de waarnemer is.

(18-20) Het lichaam is enkel de strijdwagen, de zinnen zijn voor de jaren van iemands leven de paarden die in feite niet vooruit komen, de twee wielen zijn de activiteiten van baat en vroomheid, de vanen de drie geaardheden der natuur en de vijf van de adem zijn de gebondenheid. De teugel is de geest, de intelligentie de wagenmenner, de zitplaats is het hart, de dualiteit wordt gevormd door de posten voor de harnassen, de vijf zinsobjecten zijn de wapens en de zeven bedekkingen zijn de fysieke elementen [van nagels, huid, vet, vlees, bloed, been, en merg]. De vijf bedoelingen zijn de uitwendige processen waarnaar de elf soldaten van de zinnen [de geest en de vijf organen van handelen en de waarneming] zich schikken in het valse streven en de afgunst van het gaan voor het genoeglijke [zie nogmaals: 4.26: 1-3]. (21) De tijd van een jaar werd Candavega genoemd, waartoe het voorbijgaan van de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel de dagen en de nachten symbolisee rden die de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13]. (22) De oude dag van alle levende wezens stond model voor de dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aangenomen als zijn schoonzus [zie 4.7: 19-30]. (23-25) Zijn volgelingen, de Yavana soldaten vertegenwoordigen de verstoringen van de geest en het lichaam die ten tijde van het lijden van de levende wezens zeer snel aan de macht komen met Prajvâra in de vorm van de twee soorten van koorts [heet en koud, fysiek en mentaal conflict]. Aldus is hij die verblijft in het lichaam dat wordt bewogen door de materiële wereld, voor een honderdtal jaren onderworpen aan verschillende soorten van beproevingen veroorzaakt door de natuur, andere levende wezens en hemzelf. Foutief de kenmerken van de levenskracht, de zinnen en de geest toeschrijvend aan de ziel, houdt hij, hoewel bovenzinnelijk van aard, zich op met fragmentarische zinsgenoegens, mediterend op het 'ik' en 'mijn' van zichzelf als zijnde degene die handelt. (26-27) Als de persoon de Allerhoogste Ziel vergeet, de Almachtige Heer die de hoogste leraar is, geeft hij zich vervolgens over aan de geaardheden der natuur om daarin zijn welzijn te vinden. Voortgedreven door de geaardheden is hij, daarop zich begevend in levens overeenkomstig zijn karma, daarbij van nature in beslag genomen door het verrichten van zijn vruchtdragende handelingen die van een witte [a-karma of dienst in goedheid], zwarte [vi-karma of slechte daden in onwetendheid] of rode aard zijn [regulier karma of werk met hartstocht voor het profijt; vergelijk B.G. 13: 22 en 4: 17]. (28) Somtijds gekenmerkt door het licht der goedheid bereikt men betere werelden, somtijds belandt men in de ellende met de hartstocht voor het werk en somtijds zich te buiten gaand in duisternis treft men zichzelf in de treurnis aan [zie B.G. 18a: 37-39]. (29) Soms een man en soms een vrouw en soms geen van beide; dan weer verblind qua intelligentie, een menselijk wezen, dan weer een God en dan weer een dier, existeert men door zijn handelen naar de geaardheden der natuur, geboren al naar gelang het karma. (30-31) Als een zielige hond geplaagd door de honger die van huis tot huis rondzwerft om dan weer beloond en dan weer te worden gestraft naar gelang zijn lot, reikt dienovereenkomstig het levend wezen in het najagen van verschillende soorten van hogere en lagere verlangens tot het hoge en lage, of bewandelt hij de middenweg, overeenkomstig zijn lotsbestemming dat bereikend wat aangenaam is of niet zo aangenaam. (32) Hoewel tegenmaatregelen nemend, geconfronteerd met de verschillende soorten van misère zoals veroorzaakt door de natuur, door anderen of door hemzelf, is het voor het levend wezen niet mogelijk hen een halt toe te roepen. (33-34) Zoals men dat kan zien bij een man, die een zware last op zijn hoofd draagt en die last naar zijn schouder verplaatst, is dat alles wat hij in werkelijkheid doet omdat hij, o zondeloze, in illusie een droom tegenover een droom denkt te kunnen plaatsen. Er bestaat niet een enkelvoudige oplossing in het tegengaan van de ene handeling met de andere, alleen in het tegenwicht bieden aan hen beiden. (35) Zoals wat in een droom door het subtiele zelf voor de geest in scène wordt gezet niet werkelijk bestaat, is ook het spel zonder einde dat men speelt in de materiële wereld een notie waar men zich van moet afkeren. (36-37) Daarom is het zo dat het ware belang van de ziel eruit bestaat om van een zuivere toewijding te zijn voor datgene wat van de geestelijk leraar is, er komt anders geen einde aan de aaneenschakeling van ongewenste zaken in het materiële leven; het is in het beoefenen van bhakti-yoga jegens de Allerhoogste Heer Vâsudeva dat het resultaat wordt gevonden van het volledige van de kennis en de onthechting. (38) Dat, o beste der koningen, zal tot stand komen afhankelijk van de cultivering van iemands constante en gewetensvolle luisteren naar de vertellingen van de Onfeilbare.

(39-40) Op die plaats waar men de grote toegewijden aantreft, de heilige mensen breed van opvattingen wiens bewustzijn uit is op het regelmatig reciteren van en vernemen over de kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, o Koning, daar vloeien in alle richtingen eromheen, ontspringend aan de monden van de groten, de talrijke stromen van nectar aangaande de handelingen van de doder van Madhu waaraan men zich lavend nimmer zat wordt. Met de aandacht van hun luisteren wordt men nooit geplaagd door honger, dorst, angst, weeklagen of illusie [vergelijk 3.25: 25]. (41) De ziel verstoord door die zaken in de conditionering naar haar plaats in de wereld, raakt in deze oceaan niet gehecht aan de nectar gelijke woorden van de Heer. (42-44) De vader der vaderen Brahmâ en direct hen zoals Heer S'iva, Manu, en de bestuurders der mensheid met Daksha aan het hoofd, de gestrenge celibatairen zoals Sanaka, Marîci, Atri en Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu en Vasishthha, met mij die hun rijen sluit, worden zo allen geleid door de kennis van het Absolute. Hoewel we tot op de dag van vandaag door meditatie meesters zijn in het vertoog, met het inachtnemen van de versoberingen en de kennis, zien we niet de Ziener Zelve, de Beheerser in het voorbije. (45) Bezig met het luisteren naar het oneindige van de geestelijke kennis en met het in mantra's bezingen van de heerlijkheden van het enorm uitgebreide van de deelvermogens [de halfgoden], kent men niet het Allerhoogste. (1a, 1b) [zie voetnoot 1] Wat dan zou het verschil zijn tussen dieren en menselijke wezens als de intelligentie van allen zo zeker berust op de dierlijke handhaving van het lichaam? Na zovele geboorten hier een menselijk leven bereikt te hebben, zal, na het opgeven van de onjuiste waarneming een grofstoffelijk of subtiel lichaam te zijn, op het pad van de geestelijke kennis dat fysieke verzaakt hebbend, dan de individuele ziel naar voren treden. (46) Als Hij die genadevol gunsten verleent, de Allerhoogste Heer, door een ziel wordt gerealiseerd geeft zo iemand, aldus eveneens gefixeerd op het vedische, zijn bedoelingen in de richting van de wereld op.

(47) O mijn beste Prâcînabarhishat, geef derhalve nimmer onwetend toe aan het schadelijke voordeel van vruchtdragend handelen denkend dat dat het doel van het leven is en probeer nooit enkel het oor te behagen zonder het ware belang te raken [vergelijk B.G. 2: 42-43]. (48) Niet in contact met de Werkelijkheid spreken de minder intelligenten over de vier Veda's zo vol van ritueel en ceremonieel; dergelijke mensen zijn er nimmer zeker van waar hun thuis, God, Janârdana [Vishnu, Krishna als de overwinnaar van de weelde] is. (49) Met uw [u en uw zonen de Pracetâ's] gezamenlijk het aangezicht van de aarde bedekt hebben met het kus'agras wijzend naar het oosten [zie 24: 10], ontleent u grote trots aan al het doden [van de offerdieren] en denkt u van uzelf dat u zeer belangrijk bent, maar u weet niet welk werk u te doen staat, welke arbeid die Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de werkelijkheid waarmee men de begeleiding vindt die gezond verstand geeft, tevreden zou stellen. (50) De Allerhoogste Persoonlijkheid is Zelf de Superziel van allen die een materieel lichaam hebben aangenomen; Hij is de Beheerser van de materiële natuur; Zijn voeten vormen de toevlucht waarvan alle mensen in deze wereld hun geluk vinden. (51) Hij voor wie de Allerhoogste Ziel het meest dierbaar is, voor wie Hij door wie men niet de geringste angst kent op de eerste plaats komt, is aldus iemand die gegarandeerd geschoold is; hij die aldus gevormd is is een geestelijk leraar zo goed als de Heer.'

(52) Nârada zei: 'Alzo ben ik er zeker van al uw vragen beantwoord te hebben, o man van wijsheid, luister nu naar de volmaakte realisatie die ik u nu ga toevertrouwen. (53) Stelt u zich een hert voor dat veilig zijn gras staat te grazen in een veld vol bloemen. Het is gehecht in het zich verenigd weten met zijn wijfje. In zijn oren heeft hij de bekoring van het lied van hommels, maar hij is zich er niet van bewust dat voor hem tijgers leven die leven ten koste van anderen en dat er van achter een jager is die het hert met pijlen dreigt te doorboren. (54) De bloemen zijn precies als de vrouw in het algemeen waarbij het zoete aroma van de bloemen is als de beschutting van het huishoudelijk leven dat zich nog het meest kenmerkt door het fragmentarische van zijn zinsbevrediging. Men heeft aldus, te beginnen bij de echtgenote en altijd verzonken in de gedachten van de hang naar seks, zijn verlangens vervuld. De prettige geluiden van het aantal hommels dat zo aangenaam is voor de oren om te horen, zijn gelijk de praatjes die men te horen krijgt van anderen te beginnen wederom met de echtgenote. De groep tijgers van voren zijn als al de momenten van de dagen en nachten die, onopgemerkt in het genieten van het huishouden, iemands levensduur bekorten. En van achteren, er zich van verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager naderbij, de opzichter van de dood door wiens pijl in deze wereld iemands hart wordt doorboord. U moet zichzelf in dezen zien als degene wiens hart wordt doorboord, o Koning. (55) Verplaats u in het bewustzijn van dat hert in actie en geef het op gefixeerd te zijn in dat wat u in uw hart koestert. Geef dat idee van een huishoudelijk leven op dat zo abominabel vol is van seksuele beslommeringen en wees enkel uit op de zwaangelijke beschutting [van de zelf-gerealisee rden], geleidelijk aan onthecht rakend.'

(56) De koning zei: 'O grootste der brahmanen, in overweging van dat waarover ik u hoorde spreken, moet ik zeggen dat ik daar geen weet van had; waarom is het zo dat mijn leraren, als ze het begrepen hadden, me er niet over hebben verteld? (57) Maar mijn twijfels hierover, o brahmaan, hebt u al doende weggenomen. Zelfs zij die ervaren zijn zijn inderdaad begoocheld over dingen die niet de activiteiten van de zinnen betreffen. (58) Iemand die zijn lichaam opgeeft om een ander in een volgend leven te genieten, moet de gevolgen onder ogen zien van de baatzuchtige arbeid die hij in dit leven in gang heeft gezet. (59) Aldus verneemt men van de bewering der geleerden die luidt dat, van alles wat men zich zo vast heeft voorgenomen in het leven, men niet meteen de consequentie inziet of kent.'

(60) Nârada zei: 'Van het karma dat een persoon op zich neemt moet het gevolg in een leven erna onder ogen worden gezien, omdat er aan dat wat het zijne is, aan zijn bewijs van leven [het subtiele lichaam of de linga] en de geest die erbij hoort, niets veranderd is. (61) Zoals een persoon in bed liggend en ademhalend, loslatend in de geest [dromend] de handelingen ondergaat waar hij zich mee inliet, zo ook vergaat het hem in een ander soortgelijk lichaam of in een andere soort van belichaming [als hond of varken gereïncarneerd zijnde wellicht]. (62) Wat dit 'Mijn' van de geest ook allemaal moge zijn in de aanname van een 'Ik', neemt het wezen met zich mee terwille van de werklast die werd bereikt en waarmee het wederom het materiële bestaan binnengaat. (63) Zoals men een geestesstaat ontleent aan wat men zintuiglijk ervaart en wat men er in reactie op doet, is men overeenkomstig geestelijk gekenmerkt door toeneigingen als gevolg van de handelingen van een lichaam in een voorgaand leven. (64) Soms kunnen zich voor het geestesoog gedaanten van welke soort ook voordoen; dat kan ieder willekeurig moment gebeuren zonder dat die beelden ooit eerder zijn gehoord, gezien of ervaren. (65) Daarom o Koning geloof me als ik u zeg dat voor een levend wezen, met het bewijs van leven voortgebracht in een vorig lichaam, geen enkel ding in staat is zich in de geest op te werpen dat niet al eens eerder werd geprobeerd, ervaren of begrepen. (66) De geest van een mens geeft aan welke gedaanten hij had in het verleden zowel als, al het beste zij u toegewenst, welke geboorte hij vervolgens zal nemen en aldus met zekerheid ook waarin hij niet zal worden geboren. (67) Overeenkomstig de visie die men bij tijden heeft in de geest, van dingen die men nooit heeft gehoord of gezien in dit leven, kan iemands handelen naar gelang de tijd en plaats [in het verleden en de toekomst] worden begrepen. (68) Ieder ding dat door alle belichaamde wezens begiftigd met een geest wordt waargenomen via de zinnen, kan zich op verschillende manieren van opeenvolgend ordenen [of in diverse soorten van logica of individuele gezichtspunten] opwerpen [in de geest] en weer verwijnen.. (69) Standvastig in een geest van goedheid in toewijding tot de Fortuinlijke, staat men voortdurend aan Zijn kant [echter], zoals men nog steeds een maan heeft ook al is die verduisterd, en openbaart, aldus verbonden zijnd [in relatie tot het duistere van de materie], zich de schittering van deze wereld. (70) Dit alzo niet 'ik' en 'mijn' van het bewustzijn is van de persoon gescheiden zolang als de eeuwige inwoner [in de vorm van het subtiele lichaam] een afzonderlijke structuur van materiële kwaliteiten vormt van intelligentie, geest, zinnen en zinsobjecten. (71) In diepe slaap, als men flauw valt of als men in een shocktoestand verkeert, denkt men, met het stilvallen van de ademhaling, niet aan een 'ik'; en ook heeft men ook niet een dergelijke notie als men hoge koorts heeft of als men dood gaat. (72) Ook in de baarmoeder en tijdens iemands kindertijd wordt, vanwege onvolwassenheid, het ego [het subtiele lichaam] in de vorm van de tien zinnen en de geest niet waargenomen door die jongere, precies zoals de maan niet wordt gezien als die nieuw is. (73) Zeker is dat, met de zinsobjecten niet aanwezig voor de geest, het materiële universum niet ophoudt te bestaan als een levend wezen op hen mediteert in een droom als een vertoning van ongewenste zaken. (74) De geconditioneerde [individuele] ziel wordt begrepen als de combinatie van de levenskracht met het in zestien geëxpandeerde bewijs van leven [de linga] van de vijf vormen [de vijf objecten van de zinnen, de vijf werkende en kennende zinnen en de geest] die onder de invloed verkeren van de drie geaardheden. (75) Zo zijnd, komt de persoon, met het verwerven van materiële lichamen en het ze weer opgeven, bij het grove van de vorm, zowel tot plezier, weeklagen, angst, misère als geluk [vergelijk B.G. 2: 13]. (76-77) Zoals met een rups, die niet vertrekt met het vinden van zijn einde als het zelfs de identificatie met zijn lichaam moet opgeven [om een vlinder te worden], krijgt een mens niet een andere geest met het beëindigen van zijn vruchtdragende handelingen, daar de geest de heerser over de mens is, de oorzaak van het materiële bestaan van alle levende wezens. (78) Als men denkt aan de genoegens beleefd door de zintuigen, zijn, met de voortzetting van materiële zaken, de handelingen volbracht altijd onderhevig aan de illusie van het gebonden zijn aan het karma van het materiële lichaam [zie B.G. 3: 9]. (79) Ga dat daarom tegen door u bezig te houden met het toegewijd dienen van de Heer met alles wat u in u hebt, de kosmische manifestatie beschouwend als staande onder controle van de Ene van wie men handhaving, schepping en vernietiging heeft. [zie voetnoot 2] (1a) In toewijding tot Krishna, van genade jegens anderen en in volmaakte kennis van het Ware Zelf, zal het zo zijn dat er dan de bevrijding ontstaat uit de gebondenheid van het materiële leven. (1b) Het grote mysterie van dit alles is dat, met wat rechtstreeks wordt waargenomen en met wat nog valt te bezien, het materiële bestaan wordt weggevaagd als tijdens iemands slaap; met andere woorden, dat wat zich heeft afgespeeld, het heden en de toekomst is zelf een droom.'

(80) Maitreya zei: 'Nadat de machtigste, belangrijkste toegewijde Nârada had uitgeweid over de positie van het Zuivere en het leven daaromtrent, liet hij hem [de koning] achter, vertrekkend naar de wereld van de volmaakten [Siddhaloka]. (81) Prâcînabarhi, de wijze koning, na instructies te hebben achtergelaten dat zijn zoons de zorg voor de gewone man op zich moesten nemen, vertrok toen naar de geestelijke verblijfplaats van Kapila voor zijn verzakingen [te Gangâ-sâgara, daar waar de Ganges uitloopt in de baai van Bengalen, zie voor Kapila Canto 3.24-33]. (82) Aldaar, met een eenpuntige geest sober levend aan de lotusvoeten van Govinda, bevrijdde hij, onophoudelijk zingend, zichzelf van zijn gehechtheden daarbij door zijn toewijding de gelijkheid in de Werkelijkheid bereikend. (83) O smetteloze, een ieder die verneemt van of deze gezaghebbende geestelijke lering zoals verteld door Nârada vermag te beschrijven, zal verlossing vinden van het lichamelijk begrip van het leven. (84) Zij, genomen van de mond van de belangrijkste godheid der wijsheid, zal, eenmaal geuit, het hart van een ieder zuiveren, daar zij deze wereld heiligt met de faam van de Heer der Bevrijding Mukunda. Hij die het zingt zal terugkeren naar de geestelijke wereld en, bevrijd van alle gebondenheid, als bevrijde ziel niet langer rondwaren in deze materiële wereld. (85) Het wonderbaarlijke en bovenzinnelijke van dit mysterie waarover u hier van mij hebt vernomen, en dat gaat over een persoon [Purañjana] die bij zijn vrouw zijn toevlucht zocht, maakt een einde aan alle twijfels over een leven na de dood.'

* Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, die behoort tot de Madhvâcârya-sampradâya, behoren de twee volgende verzen te verschijnen na vers45 van dit hoofdstuk

* * Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, die behoort tot de Madhvâcârya-sampradâya verschijnen de twee volgende verzen na vers 79.  

 

Hoofdstuk 30

De activiteiten van de Pracetâ's

(1) Vidura zei: 'De zoons van Prâcînabarhi waar u voorheen over sprak, o brahmaan, stelden allen met succes de Heer tevreden door het lied van Heer S'iva te zingen [zie 4: 24]; wat bereikten ze daarmee? (2) Wat, o discipel van Brihaspati, was het dat door de Pracetâ's, de Schenker der Genade dierbaar, behalve het bereiken van het Allerhoogste, daardoor bij de voorzienigheid her en der hier tot stand werd gebracht nadat ze de god van de berg Kailâsa hadden ontmoet?' 

(3) Maitreya zei: 'De Pracetâ's die bij het meer dat naleefden wat hun vader hen had opgedragen, stelden met het zingen van mantra's met hun verzaking Hij die vanbinnen leeft [de Allerhoogste Heer] tevreden. (4) Na de tienduizend jaren van hun gestrenge verzaking [zie ook 24: 14] verscheen toen de Oorspronkelijke Persoon der Eeuwigheid voor hen, ze geruststellend en belonend met Zijn schoonheid. (5) Zich bevindend op de rug van de vogel waarmee Hij rondreist [Garuda], zag Hij eruit als een wolk rond de top van de berg Meru, alle duisternis in de omtrek verdrijvend, met een geel gewaad aan en met het juweel om Zijn nek.  (6) Glanzend van de gouden sieraden straalde Hij met Zijn helm op met Zijn hoofd en Zijn verbijsterend mooie gelaat, Zijn acht wapens en het gevolg van wijzen en halfgoden terwijl Garuda Hem diende door als een supermenselijk wezen [een Kinnara] Zijn Heerlijkheden te bezingen. (7) Met temidden van Zijn acht stoere armen een bloemenslinger, zo mooi bijna als de Godin van het Geluk, richtte de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zich tot de overgegeven zonen van Prâcînabarhi met een stem diep als de donder, terwijl Zijn genadevolle blik op hen rustte. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer verheugd over de vriendschap van een ieder van jullie, die zo plichtsgetrouw zijn in dezelfde vriendelijkheid, o Zoons van de Koning; derhalve, tot jullie grote geluk, mag je Mij om een gunst vragen. (9) Die persoon die consequent iedere avond aan jullie terugdenkt zal met zijn broeders vriendschap vinden alsmede gelijkheid met alle levende wezens. (10) Van die personen, die jegens Mij, in de ochtend en in de avond met behulp van het lied van Heer S'iva aandachtig zijn in het opzenden van gebeden, zal Ik alle verzoeken inwilligen in wat ze verlangden voor het heil van de goddelijkheid van hun intelligentie. (11) Het fijne van jullie heerlijkheid zal bekend zijn over de hele wereld, omdat jullie zo van harte de opdracht van jullie vader hebben aanvaard. (12) Er zal een zeer beroemde zoon zijn [genaamd Visruta], die in zijn kwaliteiten geenszins onderdoet voor Heer Brahmâ en die de drie werelden zal bevolken met zijn nakomelingen. (13) De lotusogige dochter die de wijze Kandu kreeg van het hemelse meisje genaamd Pramlocâ, werd overgedragen aan de zorg van de [godheid der] bomen, o zoons van Prâcînabarhi. (14) Toen zij honger leed en huilde goot Soma, de Koning van de Maan, met behulp van zijn wijsvinger meedogend de nectar in haar mond. (15) Verwek, op Mijn gezag, nageslacht in navolging van wat door uw vader werd opgedragen en trouw onverwijld met haar, die dochter met de vele kwaliteiten en grote schoonheid. (16) Moge deze echtgenote, dit keurige meisje zo rank, volledig in haar overgave zijn; qua karakter en plichtsopvatting verschilt ze niet van jullie allen; haar manieren zijn hetzelfde. (17) Bij Mijn genade, zal jullie macht miljoenen van hemelse jaren [één jaar op aarde is één dag in de hemel, zie 3: 11] ononderbroken op deze aarde bestaan en zullen jullie voorzeker al de hemelse geneugten genieten. (18) Weest derhalve standvastig jegens Mij middels toegewijde dienst; met jullie geest vrij van de smet der geaardheden, zullen jullie Mijn woning bereiken en, bevrijd uit het materieel bestaan, aldus niet langer zorgen hebben. (19) Zelfs voor personen die een huishoudelijk bestaan hebben opgebouwd wordt een dergelijk familieleven niet gezien als een oorzaak van gebondenheid, als men ieder moment van zijn tijd besteed aan goede werken en aan verhalen die Mij betreffen.(20) Deze [zalving] wordt door hen die bekend zijn met de Absolute Waarheid gekend als de Alwetende Geest die immer nieuw is in het hart; zij, nimmer weeklagend en nimmer uitbundig, zijn op hun welslagen nooit verbijsterd.' 

(21) Maitreya zei: 'Toen ze Hem, de Heer, Hij die alle obstakels uit de weg ruimt, aldus hoorden spreken over het hoogste levensdoel, werd de duisternis van de besmetting der hartstocht van de Pracetâ's verdreven en brachten ze, met haperende stemmen en gevouwen handen, gebeden voor de grootste van alle vrienden. (22) De Pracetâ's zeiden: 'Onze eerbetuigingen, keer op keer aan de vernietiger van alle leed die Zijn naam vestigde als de grootheid der kwaliteiten sneller dan de snelste geest en spraak; alle eer aan Hem wiens wegen met behulp van de zinnen niet kunnen worden gekend. (23) De Eenduidige, de Meest Vreedzame bieden we ons respect; de wereld van de dualiteit doet zich als betekenisloos voor als men zijn geest heeft gevestigd op dat wat het Zijne is; onze eerbetuigingen aan Hem die, naar de geaardheden der materie, de vormen aannam voor de handhaving, schepping en vernietiging van het universum. (24) Onze eerbied geldt U, wiens bestaan vrij is van de materiële invloed, die de misère wegneemt, die altijd uit is op de bevrijding van de geconditioneerde zielen en die de alles-doordringende Heer van het bewustzijn, Vâsudeva, Krishna, de pleitbezorger van alle toegewijden is. (25) Ons eerbetoon voor Hem met de lotusnavel, Hem met de lotus-slinger, Hem met de lotusvoeten en voor Hem met de lotusogen. (26) Laat ons onze eerbetuigingen aanbieden aan Hem wiens gewaad smetteloos is met de kleur van de gele saffraan van een lotusbloem, aan de Allerhoogste Getuige, de toevlucht van alle levende wezens. (27) De gedaante die U aan ons, die onder de materie te lijden hebben, onthulde, o Heer, maakt aan talloze problemen een einde; wat kunnen we nog meer van U verlangen? (28) U die in Uw mededogen door Uw expansies zichtbaar bent voor de bescheiden toegewijden, wordt, met het nodige respect voor de tijd, steeds herinnerd middels iemands toegewijde dienst, o vernietiger van alle onheil. (29) Daarmee komen alle verlangens van de levende wezens tot rust, hoe diep ze ook mogen zijn gevallen in hun verlangen naar zovele zaken; en waarom zou U, verborgen in onze harten, ook geen weet hebben van alles waar wij naar verlangen? (30) Dat is voorzeker de gunst die wij verlangen; dat U, o Vader van het Universum, tevreden bent, U als de Allerhoogste Heer en geestelijk leraar met wie men op het pad der bevrijding het uiteindelijke doel bereikt. (31) Daarom bidden we voor die zegen van U, o Heer van de bovenzinnelijkheid boven alles; Uw glorie is onafzienbaar en aldus wordt U gevierd als zijnde Ananta [de Onbegrensde]. (32) Een bij compleet in het bereiken van de pârijâta [de van honing druipende hemelse wensboom of kalpa-vriksha] zoekt zijn heil niet bij een andere; om wat, o wat, zouden wij met het bereiken van Uw lotusvoeten, de grondslag van alles, nog meer vragen? (33) Zolang we besmet zijn door Uw illusieverwekkende energie [mâyâ], moeten we ronddolen in deze wereld al naar gelang onze werklast [ons karma], vergun ons voor de duur van die tijd het gezelschap van Uw liefhebbende toegewijden, welk leven we ook mogen vinden. (34) Slechts een enkel ogenblik in het gezelschap te mogen verkeren van hen die gehecht zijn aan de Allerhoogste Heer is niet te vergelijken met het bereiken van de hemel, noch met de liefde van het niet meer opnieuw geboren zijn; bestaat er een grotere zegen voor een sterfelijk wezen? (35) Waar het zuivere van Uw woorden wordt gevonden in aanbidding en bespreking, wordt alle materiële hunkering tot vrede gebracht en bestaat er geen afgunst onder de levende wezens, noch enige vrees. (36) Daar waar de aanbidding van Heer Nârâyana, het uiteindelijk doel van hen die verzaken, gevonden wordt, is de Allerhoogste Heer persoonlijk aanwezig door de steeds weer herhaalde gesprekken over de waarheid gevoerd door degenen die vrij zijn van gehechtheid. (37) Waarom zou het treffen met die toegewijden, die, met de zuivering voor ogen, hun voeten bewegen in de richting van heilige plaatsen, niet tot het genoegen gaan behoren van hen die in angst leven? (38) Wij die voor een ogenblik in het gezelschap van Heer S'iva verkeerden, Uw beminde vriend o Heer, zijn er vandaag zeker van de bestemming die U bent bereikt te hebben, de specialist om ons middels de omgang te genezen van de dood, de ziekte van het materieel bestaan die het moeilijkst te genezen is. (39-40) Wij, die de geschriften bestudeerden die de leraren, de brahmanen en de ouderen behaagden en goed waren voor de mensen van beschaving [de gevorderden, de Âryans] en die zonder enige afgunst hun vrienden, broeders en alle levende wezens eerden, wat anders zouden wij ons wensen? Wij, die in dezen om de meest verheven Oorspronkelijke Persoon tevreden te stellen van al die zware boetedoening waren, o Heer en zo lang bij het water ons onthielden van voedsel, welke andere gunst zouden wij van U verlangen? (41) Manu, Brahmâ, de machtige Heer S'iva alsook anderen die met verzaking en kennis hun bestaan zuiverden konden, op het laatst echter, U niet zien, gebeden in Uw eer opzendend, maar niettemin hebben we naar ons eigen vermogen voor U onze gebeden gedaan. (42) Onze eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Bovenzinnelijke Persoon die gelijk is voor iedereen en altijd zuiver is, de Allerhoogste alomtegenwoordige Heer der eeuwige goedheid.' 

(43) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de Pracetâ's gaf de Heer, op die manier behaagd, blijk van Zijn genegenheid en zorg voor de overgegeven zielen, maar met Hem vertrekkend naar Zijn verblijf wensten ze het niet om afscheid van Hem te nemen, daar ze nog niet genoeg van Hem, de macht van het immateriële, hadden gezien. (44) Daarna lieten de Pracetâ's het water van het meer achter zich, maar toen ze zagen dat de wereld was overdekt door bomen die zeer hoog gegroeid waren alsof ze de weg naar de hemel wilden blokkeren, gingen ze verwoed te keer. (45) Als met het vuur aan het Einde der Tijden, staken ze, geholpen door de wind, in hun verbittering, o Koning [Vidura als een heerser over de zinnen], alle uithoeken in brand teneinde de aarde boomloos te maken.  (46) Toen Hij zag dat ze alle bomen in de as hadden gelegd, kwam de Grote Vader [Brahmâ] om de zoons van Barhismân tot vrede te bewegen met behulp van de rede. (47) De resterende bomen, die zeer bevreesd waren [zij of hun godheid], leverden te dien tijde, op het advies van Brahmâ, hun dochter uit aan de Pracetâ's [zie tekst 13]. (48) Opgedragen door Brahmâ, trouwden ze toen allen met haar, Mârisâ, van wie, vanwege het niet hebben gerespecteerd van de Grootheid [S'iva zie 4: 2], de zoon der Aanstichter [de zoon van Brahmâ] wederom geboorte nam. (49) Hij was niemand anders dan Daksha, degene die geïnspireerd door God al het gewenste leven voortbracht en die in zijn vorige bestaan het in zijn tijd zag gebeuren dat hij tenonderging ten tijde van de manvantara [periode of Manu] genaamd Sâksusa [de huidige wordt Vaivasvata* genoemd]. (50-51) Omdat hij iemand was die direct na zijn geboorte met de schittering van zijn luister de schittering van allen overtrof, werd hij, met zijn bedrevenheid in de vruchtdragende arbeid, Daksha genoemd ['de bedrevene']. Hij, aangesteld door de Eerste, Brahmâ, om al het leven voort te brengen zodat de mensheid was bewaard, overtuigde zich er ook van alle andere stamvaders erbij te betrekken.

* De verschillende Manus die bestaan gedurende één dag van Heer Brahmâ zijn de volgende: (1) Svâyambhuva, (2) Svârocisa, (3) Uttama, (4) Tâmasa, (5) Raivata, (6) Câksusa, (7) Vaivasvata, (8) Sâvarni, (9) Dakshasâvarni, (10) Brahma-sâvarni, (11) Dharma-sâvarni, (12) Rudrasâvarni, (13) Deva-sâvarni en (14) Indra-sâvarni [zie ook 3: 11].

 

Hoofdstuk 31

Nârada Onderricht de Pracetâ's

(1) Maitreya zei: 'Met in gedachten wat de Heer in het Voorbije had opgedragen, bereikten ze daaropvolgend [op het huwelijk met Mârisâ], hun thuis overlatend aan hun vrouw en zoon, de volmaakte wijsheid. (2) Zich in westelijke richting op weg begevend naar de kust waar de wijze Jâlali verbleef, beschouwden ze, vastbesloten in het cultiveren van spirituele kennis, alle levende wezens als zichzelf en vonden ze de volmaaktheid. (3) Zij, zich de zithoudingen eigen makend, bereikten allen de volledige beheersing over hun ademhaling, geest, woorden en visie en, in vrede met het rechtop houden van hun lichamen met hun geesten, actief in het bovenzinnelijke, bevrijd van onzuiverheden, zagen ze Nârada die altijd was aanbeden door zowel de verlichten als de onverlichten. (4) Op zijn verschijnen kwamen ze allen overeind en brachten ze hun eerbetuigingen ter verwelkoming hem respecterend zoals voorgeschreven was en nadat ze hem een comfortabele zitplaats hadden geboden richtten ze zich tot hem. (5) De Pracetâ's zeiden: 'Welkom, o wijze der verlichten! Vandaag kennen we het grote geluk van uw aanwezigheid; uw komst is als de beweging van de zon, o grote brahmaan, ze verdrijft alle angst. (6) Door onze overmatige gehechtheid aan familieaangelegenheden waren we bijna vergeten, o meester, wat ons was geleerd door de Hoogste Heer S'iva en Hem die in het Voorbije wordt gevonden [Vishnu]. (7) Daarom, terwille van uw visie, wees zo goed in ons de bovenzinnelijke kennis van de Absolute Waarheid op te wekken waarmee we met gemak de enorme oceaan van onwetendheid kunnen oversteken'.

(8) Maitreya zei: 'Aldus verzocht door de Pracetâ's kregen de koningen antwoord van de grote Nârada, die in de geest altijd verzonken in gedachten over de Allerhoogste Heer het wijst was. (9) Nârada zei: 'Van die geboorte van de mens waarmee in iemands vruchtdragende arbeid, iemands tijd van leven, iemands geest en woorden, de Superziel is gediend, is de Heer voorzeker de Beheerser. (10) Van wat voor nut zijn de drie geboorten in deze wereld van de geboorte uit het zaad, door inwijding of door de arbeid van het offeren; of men nu handelt in overeenstemming met wat menselijk is of wat de Veda's zeggen of dat men zo lang leeft als een halfgod? (11) Wat hebben de verzakingen naar de leringen voor zin, of de betekenis van de woorden van bewustzijn waarmee men zo intelligent bezig is, of de kunde van fysieke kracht of zinsbeteugeling? (12) Wat baat de yogapraktijk, de analytische studie, het aanvaarden van de wereldverzakende orde, het lezen van de geschriften of al de andere gunstige activiteiten, als er nimmer de tevredenheid van de ziel is die de Heer is? (13) Zonder twijfel is de ziel feitelijk de zekere bestemming van alle gunstige activiteiten en is de Heer de Superziel die ons onze gekoesterde oorspronkelijke identiteit geeft. (14) Zoals met het bewateren van de wortels van een boom haar stam, takken en twijgen voldaan zijn en door de voeding van de levensadem dienovereenkomstig het sensorische wordt onderhouden, zo ook worden allen [de anderen, de halfgoden] geëerd door de aanbidding van de Onfeilbare. (15) Zoals voorzeker door de zon het water voortgebracht weer opnieuw mettertijd verdampt en alle levende, bewegende en niet bewegende, wezens weer terugkeren naar de aarde, zo ook is het onmiskenbaar zo met de voortgebrachte materiële natuur in relatie tot de Heer. (16) De werkelijkheid van de bovenzinnelijke ziel, is [onlosmakelijk verbonden met] de Heer die het universum is waarin wij ons bevinden, precies zoals de zonneschijn dat is die bij tijden zich van de zon laat zien, de zinnen dat zijn die zich manifesteerden naar de krachten van de inerte materie en de spirituele kennis dat is die verschijnt op het terugwijken van de geschillen van wanbegrip. (17) Zoals er het opeenvolgende bestaan en afwezig zijn van de wolken, de duisternis en het oplichten van de hemel is, o Koningen, zo is er aldus in het Allerhoogste Absolute dienovereenkomstig het verschijnen van de energieën van de hartstocht, de onwetendheid en de goedheid. (18) Omdat de Ene Allerhoogste Ziel van het onbeperkte aantal individuele zielen, als de materiële oorzaak van de tijd, de oorspronkelijke Persoon zelve is, de bovenzinnelijke beheerser *, die bij genade van Zijn spirituele vermogen losstaat van alles wat voortkomt uit het zelf, behoort u, alles aanvaardend als één in kwaliteit, uzelf rechtstreeks bezig te houden met toegewijde dienst. (19) Op deze of gene manier tevreden zijnd met alle zinnen onder controle zal, van genade voor al wat bestaat, ook zeer spoedig Janârdana, de Heer van alle wezens [een naam van Heer Krishna], tevreden zijn gesteld. (20) Smetteloos met alle verlangens overwonnen, in de geest altijd bezig en met een intensivering van de gevoelens, is de Onveranderlijke, geroepen door Zijn toegewijden, er naar hun behoefte; Zijn weten zal nimmer falen of hen verlaten daar, voor de toegewijde, Hij zo vanzelfsprekend als de hemel is. (21) Nimmer aanvaardt Hij de eenheid van personen die een verontreinigd hart hebben, terwijl zij die zich niet verlaten op weelde maar vertrouwen op de ziel Hem dierbaar zijn; een ieder die met valse trots zich probeert te verhouden tot God en daarin poogt van een goede opvoeding, weelde, edelmoedigheid en vruchtdragende arbeid te zijn, is in feite van ongenade voor de toegewijden die er geen bezit op na houden. (22) Over de godin van het geluk van respect voor Hem en zij die uit zijn op haar gunsten, zowel als over de heersers over de mensen en de halfgoden, maakt Hij zich geen zorgen omdat Hij er is voor de Zijnen; hoe [dan] kan een dankbaar persoon Hem opgeven, wiens hoofdbelang samenvalt met dat van de dienaren op Zijn pad?'

(23) Maitreya zei: 'O Koning, de grote wijze, de zoon van Brahmâ die aldus de Pracetâ's op de hoogte stelde van de onderwerpen betreffende de omgang met de Heer, keerde toen terug naar de verblijfplaats van het Absolute [Brahmâ-loka]. (24) Ook zij, die uit de mond van Nârada hadden vernomen over de verheerlijking van de Heer die de zonden der wereld vernietigt, boekten in meditatie op Zijn voeten vooruitgang op weg naar hun uiteindelijke bestemming. (25) O Vidura, dit, wat betreft de conversatie tussen Nârada en de Pracetâ's, is in reactie op wat u me gevraagd hebt, alles wat ik u in het beschrijven van de heerlijkheden van de Allerhoogste Persoon, had te vertellen'.

(26) S'rî S'ukadeva zei: 'O beste der koningen [Parîkchit], probeer nu ook, na de getrouwe beschrijving van deze dynastie van de zoon van Svâyambhuva Manu, Uttânapada, de dynastie van Priyavrata [de andere zoon van Svâyambhuva, zie 3.12: 56, 4.1 en 4.8: 7] te begrijpen. (27) Als iemand die van Nârada had vernomen over de kennis van de ziel, bereikte hij, na opnieuw te hebben genoten [van een rechtgeaard besturen], de bovenzinnelijke positie, nadat hij de aarde onder zijn zoons had verdeeld. (28) Dit alles dan beschreven door Maitreya verhevigde bij Vidura, toen hij vernam over de wegen gevolgd met de Onoverwinnelijke, zijn extase dat hij er de tranen van in de ogen kreeg; overweldigd met de Heer in zijn hart neigde hij zijn hoofd en greep hij de voeten van de wijze beet. (29) Vidura zei: 'Door wat u mij vandaag zo genadevol hebt getoond van de andere zijde der duisternis, o grote meester van de yoga, kunnen zij die vrij zijn van het materiële motief, toenadering vinden tot de Heer.'

(30) S'uka zei: 'Aldus hem eerbiedigend vroeg Vidura, verlangend zijn eigen familie te zien, permissie te mogen vertrekken naar de stad Hastinâpura, waarop hij die plaats achter zich liet met zijn denken in vrede. (31) O Koning, hij die luistert naar dit verhaal over koningen die hun ziel en zaligheid aan de Heer geven, zullen het goede geluk bereiken van een lang leven, weelde, materieel vermogen en een goede naam, alsmede het uiteindelijke levensdoel.'

* De Tijd, het ingrediënt en de Schepper gecombineerd, worden tritayâtmaka genoemd, de drie oorzaken waardoor alles in deze materiële wereld is geschapen.

 

Aldus eindigt het vierde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam.

 

CANTO 5: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1

De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

(1) De Koning zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde van tevredenheid met de ziel, zo gelukkig in het thuis verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid in karma en het verraad aan de transcendentie? (2) Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste der tweemaal geborenen, is voorzeker niet mogelijk met personen die vrij zijn van gehechtheden. (3) Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen dat verzadigd raakt door de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen, er nimmer is in gehechtheid aan huis en haard. (4) Dit betwijfel ik ten sterkste, o brahmaan: hoe kan er op grond van de krachten van de echtgenote, het huis, de kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna zijn bestaan vinden?

(5) S'rî S'uka zei: 'Wat u zei over de nectargelijke honing van de verheerlijking van de lotusvoeten van de Heer der geschriften, het behagen waarin de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden zijn verzonken, is volkomen juist; hoewel soms belemmerd door beperkingen geven ze zo goed als nooit hun zo hoog verheven positie op. (6) Omdat, inderdaad, o Koning, prins Priyavrata een allerverhevenste toegewijde was werd hij, Nârada's voeten dienstbaar, zich zeer snel bewust van de volledige waarheid van de zaken aangaande het bovenzinnelijke, aanhoudend het spirituele besprekend in toegewijd enthousiasme, zonder af te wijken van de som der hoogste kwaliteiten zoals uitgeduid in de geschriften. Hij werd door zijn vader verzocht over de oppervlakte van de aarde te heersen, maar omdat hij er een zo grote liefde op nahield voor het met al zijn zinnen en handelen in de yoga verzonken zijn in het alles doordringende van de Allerhoogste Heer, was hij er niet blij mee, hoewel het aanvaarden van die post om geen enkele reden door hem kon worden geweigerd daar zeker verval kon worden voorzien als hij op enige andere wijze zou optreden tegen het onware. (7) Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn verblijf; hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping van de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het Universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel van waaruit hij zelf zijn bestaan vond. (8) Toen hij in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was] was hij, onder het hemeldak, gelijk de maan verlicht door de sterren, links en rechts geflankeerd door de leiders der halfgoden, die vanaf hun hemelse voertuigen hem de hele weg aanbaden zoals ook de één na de ander de volmaakten dat deden, de hemelbewoners, de verfijnden, de zangers en de wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's]. (9) Daar herkende de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg en stond hij tezamen met Priyavrata en zijn vader onmiddellijk op om hem de eer te bewijzen, met gevouwen handen en alles wat er bij hoort. (10) O zoon van Bhârata, met de Heer geconfronteerd met behulp van alle zaken van aanbidding overeenkomstig de gebruiken en met zijn kwaliteiten geprezen in verheven taal uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdalen, richtte hij, de oorspronkelijke persoon van het universum, met een glimlach naar Priyavrata kijkend, zich meedogend tot hem.

(11) De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat; wij, Heer S'iva uw vader en deze grote Rishi [Nârada], voeren allen, er niet toe in staat om af te wijken, Zijn opdrachten uit. (12) Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontsnappen aan Zijn opdracht; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga, noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde verworven, de deugd der plichtsbetrachting, door een macht van buitenaf of door welk persoonlijk ijveren ook. (13) Gestuurd door het ongeziene, aanvaarden de levende wezens het om met een materieel lichaam gebonden te zijn aan geboorte, dood, hun droefenis, illusie, voortdurend vrezen, geluk en leed en aan alles wat hen te doen staat met hun karma. (14) In ons gebonden zijn aan de geaardheden en de vruchtdragende arbeid die zo moeilijk uit de weg te gaan is [binnen het varnâs'rama-systeem], mijn zoon, zijn wij, zoals de vierbenigen [de stieren] door de neus gebonden zijn aan de tweebenige [de voerman], aangelijnd aan het lange touw van de vedische instructie en allen bezig de opdrachten uit te voeren bedoeld om de Beheerser te behagen. (15) Als blindemannen geleid door iemand met ogen moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk het leed of geluk aanvaarden dat hoort bij de kwaliteiten en het werk meegebracht door de toestand waarin we ons bevinden met het lichaam dat onze Beschermheer ons schonk. (16) Zelfs een bevrijde persoon moet ziin leven lang zijn lichaam handhaven dat werd verkregen als gevolg van het verleden, zonder misverstaan wat werd meegemaakt aanvaardend als iemand die uit de slaap is ontwaakt; maar voor een ander materieel lichaam [een herhaalde geboorte] zou hij nooit toegeven aan de materiële kwaliteiten. (17) Als er zelfs als men in het woud verblijft de angst moet zijn verbijsterd te raken vanwege het leven met de zes bijvrouwen [van het denken en de vijf zinnen], wat voor schade zou dan het huishoudelijk leven zo een in zich tevreden en geleerd iemand berokkenen, die zijn zinnen de baas is? (18) Een ieder die is begonnen aan een huishoudelijk bestaan moet allereerst volijverig trachten de zes tegenstanders te overwinnen zodat, zo gauw hij - als vanbinnen een versterkte vesting - de o zo sterke vijanden van de lustige verlangens heeft weten terug te dringen, hij als een man van ervaring kan gaan en staan waar hij maar wil. (19) U dan, met het uw toevlucht nemen tot de veilige haven van de ruimte geboden door de lotusvoeten van Hem wiens navel lijkt op een lotus, en met het overwinnen van de zes vijanden, geniet in deze wereld van alles wat er te genieten valt, het uwe vindend in het bevrijd zijn van gehechtheden in uw positie, door deze speciale instructies van de Oorspronkelijk Persoon.'

(20) S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig geïnformeerd, boog, geplaatst voor zijn opdracht, als ondergeschikte ziel zijn hoofd en zei: 'Ja mijn Heer, zo zal het, met alle respect, ten uitvoer worden gebracht'. (21) De grote Heer, eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd zoals hij dat verdient, met Priyavrata en Nârada in vrede er notie van nemend, keerde toen naar zijn verblijf terug, vertrekkend naar die bovengeschikte plaats die beschrijving en verstand te boven gaat. (22) Manu aldus, eveneens met zijn ondersteuning, ten uitvoer brengend wat hij in gedachten had en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon de handhaving vestigend van de bescherming van al de werelden in het ganse universum, vond zich persoonlijk verlost van de verlangens van de zo hoogst gevaarlijke oceaan van materiële kommernis. (23) Zo, daadwerkelijk, zoals opgedragen door de Beheerser, volledig begaan met materiële aangelegenheden als de keizer van het universum, raakte hij [Manu's zoon, Priyavrata] door constant te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde hij de materiële wereld enkel om de groten te eren. (24) Nadien trouwde hij ook met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders en verwekte hij glorieus in haar een dochter die als de jongste van allen de naam Ûrjasvatî droeg, zowel als tien zoons, die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, manier van doen, schoonheid en kunnen. (25) De zoons kregen allen de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (26) Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibatairen vanbinnen aangedreven, die meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden in de bovenzinnelijke kennis en goed op de hoogte waren van de hoogste geestelijke volmaaktheid, waarvan zij vrij van twijfels de orde handhaafden [de paramahamsa-âs'rama]. (27) In die zo zeker aangehouden wereldverzakende orde (*) verkeert het geheel van de grote wijzen die er zijn voor de individuele zielen die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, die de enige toevlucht is. In de voortdurende heugenis zagen ze, bij genade van het opperste van de yoga der toewijding, gezuiverd vrij van besmettingen, in hun harten de Allerhoogste Heer van alle schepselen als Zich bevindend in henzelve, daarbij rechtstreeks hun zielen als zijnde gelijk in kwaliteit waarnemend, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. van de Heer van de Superziel. (28) Het was bij een andere vrouw dat hij drie zoons verwekte die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten en die zo de bestuurders van het Manu-tijdperk werden [dat 71 mahâyuga's duurt]. (29) Toegerust met machtige armen van gezag en kunnen, die tezamen de snaar van de boog spanden die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen de heerschappij van het recht opstonden, werden zij allen, al zijn hoogst gekwalificeerde zoons, meesters van het universum en aldus was er zonder onderbreking voor de duur van 110 miljoen jaar de expansie van Priyavrata's heerschappij als een grote ziel, een ziel die van zijn vrouw Barhishmatî haar beminnelijkheid, vrouwelijkheid, verlegenheid, bedeesdheid, lachen en blikken en wederkerigheid in de liefde [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had; maar in zijn ware kennis was hij erdoor verslagen als iemand die minder intelligent was. (30) Er geen waardering voor op kunnende brengen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovenmenselijke invloed was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed, als was hij een tweede zon. (31) Het op die manier tewerk gaan met de wielen van zijn wagen was, groeven makend met het loopvlak, er verantwoordelijk voor dat de zeven oceanen werden voortgebracht die de hemelsfeer rondom de aarde [Bhû-mandala] verdeelde in de zeven eilanden [de bereiken van planetair belang]. (32) Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara had ieder van hen de afmeting van tweemaal die van de voorgaande en was, overal eromheen buiten hen gelegen, er dat wat zij voortbrachten. (33) De zeven oceanen die als de groeven rondom de zeven eilanden waren gevuld met zout water, suikerrietsap, sterke drank, gesmolten boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water, waren van dezelfde grootte als de eilanden die ze aan de buitenkant omsloten, de afzonderlijke eilanden die de een na de andere op een rij tot het aantal van zeven zich om hen heen bevonden. Voor ieder van de eilanden stelde de echtgenoot van Barhishmatî als hun heersers een van zijn getrouwe zoons aan waarvan er eveneens zeven waren: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi and Vîtihotra.

(34) Wat hij ook deed was de dochter die Ûrjasvatî heette aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya] schenken uit wie een dochter genaamd Devayânî werd geboren. (35) Voor de toegewijden wekt de persoonlijke invloed van Hem van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 20]door wiens lotusvoeten de zesvoudige materiële gesel [van de honger, de dorst, het weeklagen, de illusie, de ouderdom en de dood], wordt verslagen, geen verwondering, als een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] die slechts één enkele keer Zijn naam uit, meteen zijn materiële gebondenheid opgeeft. (36) Hij [Priyavrata] aldus ongeëvenaard in kracht en invloed, die zich ooit overgaf aan de voeten van de devarishi [Nârada] maar daarna ten val kwam vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1-5: 17], zei toen, over zichzelf nadenkend, in een geest van verzaking dit: (37) 'Helaas, ik heb fout gehandeld want ik was volledig in beslag genomen door de onwetendheid van een zinnelijk leven; de duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en toonde me als een dansende aap, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw; zowaar, veroordeeld en verdoemd ben ik!', aldus kritiseerde hij zichzelf. (38) Door de zelfverwerkelijking verworven door de genade van de God Hierboven, met het aan zijn gewetensvol navolgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap waarvan hij op zovele manieren had genoten, met het met de koningin en de grote weelde eraan geven van de doodsheid van zijn lichaam en met het met zichzelf in zijn hart in volmaakte overgave zijn overgegaan tot de verzaking, was hij er met die houding zeker van zichzelf op het goede spoor te hebben gezet in combinatie met de verhalen van de Heer aan de voeten van die grootste der heiligen Nârada. (39) Op hem zijn al deze uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, behalve dan door de Allerhoogste Beheerser, door niemand anders worden gedaan', 'Door de indrukken van de wielen van zijn wagen verdreef hij de duisternis, waarmee hij de zeven zeeën schiep'. (40) 'Om het vechten van de verschillende naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die in de wereld de situatie in het leven riep van de afscheiding door middel van rivieren, bergketens en wouden [vergelijk 4-14: 45-46] en dergelijke.' (41) 'Hij was degene het meest geliefd op het pad in navolging van de Oorspronkelijke Persoon; hij was het voor wie alle weelde van de lagere werelden, de hemelen of de aarde, zoals verworven door vruchtdragende arbeid en de macht van de yoga, te vergelijken was met de hel'.

 * Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde: 1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis 2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis: in plaats daarvan vergaart men, mâdhukarî, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen 3) Parivrâjakâcârya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vâsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen 4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven.    

 

Hoofdstuk 2  

De activitieiten van Mahârâja Âgnîdhra

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra, zoals hij had opgedragen, zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (2) Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, verzonken in de geest der boetvaardigen, en gaf hij zich over aan verzakingen en was hij van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ].

(3) Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden. (4) Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het klanken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (5) De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, opkijkend met zijn half open ogen, die de vorm hadden van lotusknoppen, ontwaarde hij haar. (6) Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig onder de controle van de almachtige Cupido gebracht, greep hij toen de kans haar aan te spreken.

(7) 'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de gekke beesten in dit bos? (8) Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen die maar traag in hun denken dit niet begrijpen! (9) Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda. (10) Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen. (11) En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert? (12) Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends. (13) En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visvormige oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (14) Mijn ogen kennen geen rust in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusvormige handpalm. Maal je niet om al je loshangende krullende haar? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (15) O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben. Je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij. (16) Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de god der geestelijke wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gevestigd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook de fijnste van je vriendinnen je volgen mogen.

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus slaagde hij, zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen, er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst. (18) Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend. (19) Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadras'va en Ketumâla droegen. (20) Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verliet Pûrvacitti haar huis om er zeker van te zijn dat ze weer zou terugkeren naar de ongeboren god. (21) Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en verdeelde de vader, naar gelang ieder zijn naam, naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd. (22) Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Veda's zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadra en Devavîti.

 

Hoofdstuk 3  

Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi.

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra, er naar verlangend zoons te krijgen van Merudevî die kinderloos was, bracht met veel zorg gebeden in aanbidding van de Allerhoogste Heer Vishnu, de genieter van alle offers. (2) Toen hij zelfzeker met een groot geloof en devotie en een zuivere geest met de aanbidding bezig was, manifesteerde de Allerhoogste Heer vanuit Zijn liefde aan de verlangens van Zijn toegewijden tegemoet te komen, Zichzelf in Zijn mooiste, niet te overtreffen gedaante die met Zijn betoverend schone ledematen zo'n genoegen is voor het oog en de geest, alhoewel dat niet kon worden verkregen met de inleidende pravargya ceremonie zoals begonnen, en wat er bij hoorde, de juiste plaats en tijd, de hymnen, de priesters, de giften aan de priesters, en door middel van de regulerende beginselen zelf. (3) Nadat Hij Zichzelf allerduidelijkst in Zijn vierhandige gedaante zeer helder, als de bovenste beste van alle levende wezens had gemanifesteerd, met een geel zijden gewaad en de schoonheid van het S'rîvatsa merkteken dat Hij op Zijn borst heeft, met Zijn schelphoorn, lotusbloem, schijf, bloemenkrans, het Kaustubha-juweel en Zijn knots en dergelijke zaken kenmerkend voor Hem, en schitterend stralend met de helm, oorhangers, armbanden, gordel, halssnoer, armversieringen en de enkelbelletjes etc. die Zijn lichaam sierden, voelde koning Nâbhi en de priesters en de anderen zich als arme mensen die een grote schat verworven hadden en met grote achting en alles van de aanbidding bogen ze eerbiedig hun hoofden. (4-5) De priesters zeiden: 'AlstUblieft aanvaard keer op keer, o meest verhevene, het ons in aanbidding aanbieden van ons respect, de eerbetuigingen van ons, Uw dienaren. Alzo zijn wij in staat te handelen voor zover geïnstrueerd door hen die boven ons staan; welke mens, wiens geest niet in het minst in staat in beslag wordt genomen door de gedaantewisselingen van de materiële natuur, vermag het zich te verzekeren, met de Allerhoogste Beheerser die Zich bevindt voorbij de zeggenschap van de materiële natuur, van de namen, gedaanten en kwaliteiten behorend bij Zijn positie alhier! Door het allergunstigst in woorden uitdrukken van de uitnemendheid van Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, welke alle zondig handelen van de mensheid wegvagen, kunnen we U slechts ten dele kennen. (6) Het is werkelijk door de aanbidding van Uw dienaren, die in hevige vervoering met haperende stemmen hun gebeden doen, daarbij tewerkgaand met water, verse twijgjes groen, tulasî-blaadjes en verse grassprieten, dat U tevredengesteld raakt. (7) Alle overige bezorgdheid alhier over de gebruiksartikelen in dezen benodigd, is, zo onderkennen wij, dankzij Uw grootheid zelfs niet nodig. (8) Al de geestelijke deugden - Uw eigenlijke identiteit - nemen, in zichzelf genoeg, ongetwijfeld op ieder moment, rechtstreeks en zonder ooit te stoppen, eindeloos toe; maar, o Heer, het immer door ons verlangen in dezen naar de zegeningen van het materieel plezier, kan er alleen maar zijn met het doel Uw genade te verwerven. (9) Hoewel U, persoonlijk, met de overmaat van Uw grondeloze genade en heerlijkheid ernaar verlangend het spirituele pad [genaamd apavarga] open te leggen, naar hier bent gekomen en aanwezig bent en te zien bent zoals men elke gewone persoon kan zien, schieten we tekort in ons eerbetoon aan U daar we, o Heer der Heerscharen, zijn als dwazen onbekend met dat uiteindelijke welzijn van U. (10) Dit dan, het in dit offer van de deugdzame koning Nâbhi, o Heer, o Beste der Begunstigers, zijn geworden tot een voorwerp van onze aanschouwing, van ons Uw toegewijden, is zonder twijfel werkelijk de grootste zegening, o meest aanbiddelijke. (11) U bent voor hen, van wie de eindeloze onzuiverheid, Uw kwaliteiten bereikt hebbend, is weggenomen door de kracht der onthechting en het vuur der kennis, U bent voor die wijzen die in zichzelf vergenoegd, onophoudelijk verslag deden van al het goede van U in het vertellen van Uw verhalen, de allerhoogste verrukking voortgebracht.  (12) Niettemin strompelen we op de een of andere manier verder, hongerig ten val komend en geeuwend omdat we ons niet op onze plaats voelen enzovoorts, en ook zijn we er uit onszelf niet toe in staat U te herinneren in de koorts van onze doodstrijd; laat het mogelijk zijn dat we in staat zijn Uw namen te uiten en dat we van Uw handelingen en eigenschappen kunnen spreken, daar zij het vermogen hebben al onze zonden te verdrijven. (13) Daarenboven, hoopt deze vrome koning door U gezegend te worden met nageslacht, een zoon waarvan hij hoopt dat hij precies als U is: een allerhoogste beheerser van de zegeningen van de hemel en het pad dat daarnaar leidt; ook al gedraagt deze koning zich met U, de grote liefde van het eerbetoon, met het idee van kinderen als het uiteindelijk levensdoel, maar als een arme man die van een persoon van liefdadigheid en rijkdom slechts een greintje vraagt.  (14) Wie o wie zonder respect voor de voeten van de groten in deze wereld van U is niet overmeesterd door de onoverkomelijke illusoire energie waarvan men het pad niet kan vinden; wie is in zijn intelligentie niet verbijsterd door het materiële genoegen dat als een vergif is; wie is in zijn aard niet belemmerd door die stroom? (15) Vanwege het inderdaad U weer uitgenodigd zijn in dit offerperk als degeen der wonderbaarlijkheden - alstUblieft tolereer vanuit Uw gelijkgezindheid jegens allen en alles derhalve ons, de onwetenden, die, niet bijster intelligent in minachting voor de goddelijkheid van U als de God der Goden, een materiële uitkomst op het oog hebben.' 

(16) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de leidsman der wijzen, aldus verheerlijkt met de ongebonden recitatie door hen voor wiens voeten zelfs de keizer van Bhâratavarsha [India] boog, sprak toen tot hen. (17) De Allerhoogste Heer zei: 'Helaas, tevreden als Ik ben over u wijzen wiens woorden allen waar zijn, is die zegening waar u om vroeg - dat er een zoon van Nâbhi mag zijn die is zoals Ik - alzo zeer moeilijk te bereiken; als de Ene zonder weerga is er enkel dat Ik van Mij dat zo gelijk is, niettemin met het bramaanse van wat u zei niet onwaar zijnde, behoort dat van Mij voorzeker zo tot stand te komen, zoals het is verwoord door de goddelijkheid van de klasse der tweemaal geborenen. (18) Daar er niemand aan MIj gelijk te vinden is, zal ik daarom door persoonlijke expansie in een volkomen deel van Mijzelf, verschijnen in de echtgenote van Âgnîdhra's zoon.'

(19) S'rî S'uka zei: 'Na aldus gesproken te hebben tot de echtgenoot in de aanwezigheid van Merudevî, verdween de Allerhoogste Heer. (20) O genade van Vishnu [Parîkchit], teneinde koning Nâbhi tevreden te stellen verscheen de Allerhoogste Heer, op deze manier gunstig gestemd door de besten der wijzen, in de oorspronkelijke gedaante van zuivere goedheid van een avatâra in zijn vrouw Merudevî, in een verlangen de groten der verzaking, zij die zich teruggetrokken hebben en zij die van studie zijn [de sannyâsî's, de vânaprastha's en de brahmacârî's] de manier te tonen waarop men met de principes van dharma [rechtschapenheid, de religie, de ware natuur] tewerk gaat.

 

Hoofdstuk 4

 De Eigenschappen van Rishabhadeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Vanaf de aanvang van Zijn verschijnen onderscheidde Hij [als de zoon van koning Nâbhi, zie voorgaand hoofdstuk en 2.7: 10] zich in het hebben van al de eigenschappen van de Opperheer zoals gelijkgezindheid jegens allen, het van een volmaakte vrede en verzaking zijn en het hebben van alle macht en de grote kenmerken, daarbij dag na dag in Zijn effectiviteit toenemend in een groot verlangen te heersen over ministers, burgers, de brahmanen, de goddelijken en de gehele oppervlakte van de aarde. (2) Aldus voorzeker allerverhevendst in zowel de gestalte van zijn lichaam als in het hebben van al de kwaliteiten door de poëten beschreven, gaf de vader Hem vanwege Zijn kunnen, kracht, schoonheid, roem, invloed en heldhaftigheid, de naam Rishabha, de Allerbeste. (3) Koning Indra die zeer afgunstig op Zijn grootsheid bleek te zijn stond het niet toe dat er ook maar enige regen viel op het land beneden de Himalaya's; de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die daar weet van had, glimlachte als de meester der yoga daarover en deed door de macht van Zijn spirituele zelf het water naar beneden stromen over Zijn plaats die Ajanâbha werd genoemd. (4) Door Zijn onafhankelijke wil had Hij, de Allerhoogste Heer en de oudste, Oorspronkelijke Persoon, middels Zijn begoochelend vermogen de geest verbijsterd van koning Nâbhi, die naar zijn zin zonder twijfel de mooiste zoon had gekregen die hij zich maar wensen kon, en dat deed hem, overweldigd door een overmaat aan een groot enthousiasme, door zijn extase met een haperende stem in zijn grote genegenheid dingen zeggen als: 'mijn liefste zoon, mijn lieveling', met het in zijn opvoeden bereiken van een bovenzinnelijke verrukking. (5) Wel bekend met de populariteit van Zijn dienstbaarheid aan de burgers en de staat, zette koning Nâbhi, in zijn verlangen de burgerij strikt volgens de principes te beschermen, zijn zoon op de troon, hem toevertrouwend aan de brahmanen. Met Merudevî volbracht hij in Badarikâs'rama met grote voldoening en vaardigheid boetedoeningen, volledig opgegaan in de yoga met de aanbidding van Nara-Nârâyana, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, waarmee hij in de loop van de tijd Zijn zegerijke verblijf bereikte.

(6) O zoon van Pându [Parîkchit, zie stamboom], van hem doen er twee uitspraken de ronde: 'Welke mens die het voorbeeld van de zedige koning Nâbhi volgt is in staat tot wat hij deed en door de zuiverheid van zijn optreden de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als zijn zoon te krijgen?' en (7) 'Is er behalve Nâbhi ook maar één toegewijde van de brahmanen die in eerbetoon hen tevredenstellend in het offerperk, bij de genade van hun toegewijde dienst de opwachting werd vergund van de Allerhoogste Genieter van alle offers?'.

(8) De Allerhoogste Heer Rishabha vormde toen, met het aanvaarden van Zijn koninkrijk als Zijn werkterrein, een voorbeeld door te verblijven bij de geestelijk leraar, schenkingen te doen bij het afronden van Zijn studie en, zoals dat door de goeroe werd verlangd, de plichten van een huishouder op zich te nemen. Aldus, getrouwd met Jayantî die Hem door Indra was geschonken, gaf Hij door het voorbeeld te geven onderricht in het verrichten van de twee vormen van arbeid zoals vermeld in de geschriften [het hooghouden van de religie en het bestrijden van onrecht], daarbij een honderdtal zoons [bij haar en bij bijvrouwen of via zijn zonen bij schoondochters] verwekkend die precies als Hij waren. (9) Van hen was daadwerkelijk de oudste, Bharata, een grote beoefenaar van de yoga; hij had de beste kwaliteiten en het was door hem dat de mensen dit land Bhârata-varsha noemden. (10) Na hem volgden Kus'âvarta, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha die de oudere zoons waren van de negenennegentig anderen. (11-12) Van de laatstgenoemden waren Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana negen zeer gevorderde toegewijden die de waarheid van dit Bhâgavatam verdedigden; van hun goede karakters die blijk gaven van de heerlijkheden van de Heer, zal ik op latere datum [in Canto 11] een kleurrijk verslag doen in het bespreken van de conversatie tussen Vâsudeva en Nârada die de geest de volste bevrediging schenkt. (13) De eenentachtig jongere zoons van Jayantî waren, in navolging van wat hun vader had opgedragen, van een goede ontwikkeling met een uitstekende beheersing van de heilige schrift en een grote vaardigheid in het brengen van offers; zeer zuiver in hun handelingen, werden ze grote brahmanen.

(14) De Allerhoogste Heer genaamd Rishabha was daadwerkelijk een onafhankelijk Heerser vol van bovenzinnelijke verrukking die persoonlijk altijd vrij van alle ondeugd was; door strikt in overeenstemming met de tradities tewerk te gaan, bracht Hij, met het onderricht aan de onwetenden van wie in de loop van de tijd enkel het tegenovergestelde in het verwaarlozen van de religie wordt gevonden, gelijkmoedig en onverstoorbaar, vriendelijk en genadig, het tot het instellen van het eeuwige van de rechtschapenheid en de economie, zodat zij een goede naam konden genieten, nageslacht konden verwekken en genoegen konden ondervinden in het huishoudelijk bestaan [vergelijk B.G. 4: 13]. (15) Wat ook gedaan door leidende persoonlijkheden wordt door de gewone man nagevolgd [zie ook B.G 3: 21]. (16) Hoewel Hij weet had van de strekking van de verschillende vedische plichten op het pad van de brahmanen, regeerde Hij [als een kshatriya] over de mensen middels gecontroleerde zinnen, een beheerste geest en tolerantie. (17) Tezamen met het nodige in overeenstemming met de plaats en de tijd verzekerde Hij, geholpen door de goede [jeugdige] leeftijd en de geloofsijver van de priesters die de verschillende goden voor verschillende doeleinden aanbaden, zoals is voorgeschreven, Zich een honderdtal keren van allerlei soorten van ceremoniële offerdiensten. (18) Beschermd door de Allerhoogste Heer Rishabha koesterde niemand op de planeet, zelfs niet de gewoonste man, ook maar enige behoefte om wat dan ook, waneer dan ook, voor zichzelf te hebben of van een ander te bezittien, net zo min als men zich ook niets voorstelt van wat niet bestaat; men bekommerde zich enkel om een vanbinnen immer toenemende, grote genegenheid jegens degene die de last torste. (19) Toen Hij, de Allerhoogste, eens rondtoerde en het heilige land van Brahmâvarta bereikte [tussen de rivieren de Sarasvatî en de Drishadvatî ten N. W. van Hastinâpura] zei Hij, in het bijzijn van de burgers in een bijeenkomst van de besten der brahmanen, het volgende tegen zijn oplettende en welgemanierde zoons, tot hen predikend ondanks het feit dat zij uitmuntten in zelfbeheersing en toewijding.

 

Hoofdstuk 5

Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons.

(1) Heer Rishabha zei: 'Mijn beste zoons; dit lichaam dat jullie met je meedragen in deze materiële wereld verdient het moeizame niet van de zinsbevrediging eigen aan honden en zwijnen, maar verdient de moeite van de verzakingen en boetedoeningen ter wille van het goddelijke waardoor het hart gezuiverd raakt en dan een oneindig spiritueel geluk wordt gevonden. (2) Het dienen van de groten, zegt men, is de weg der bevrijding en het opzoeken van het gezelschap van degenen die aan vrouwen gehecht zijn is de weg van de kerker, de duisternis; de vergevorderden zijn mensen die in het spirituele een gelijke achting hebben voor allen, ze verwijlen in vrede, voelen zich niet tekort gedaan, wensen allen het beste en weten hoe ze zich moeten gedragen. (3) Zij die in het zich verhouden tot Mij, hun Heer, volijverig zijn liefde te ontwikkelen*, en die aan mensen, die geïnteresseerd in het onderhoud van hun lichaam verzot zijn op hun thuis, hun vrouw, kinderen, weelde en vrienden, niet zo gehecht zijn, zij vergaren van en houden zich bezig met de wereld alleen voor zover dat nodig is. (4) Inderdaad, Ik denk dat het doldwaas opgegaan zijn in het begaan van ongewenste daden gekoppeld aan de bevrediging die, hoewel het misère met zich meebrengt, dit tijdelijke bestaan van het lichaam mogelijk maakte, de ziel niet past. (5) Zo lang als er de verslagenheid is die resulteert uit onwetendheid, zolang men geen navraag doet over de werkelijkheid van de ziel, zolang de geest vol is van vruchtdragende handelingen, is men in feite bevangen door zijn karma waarvan er de gebondenheid aan dit materiële lichaam is. (6) Als de ziel zodoende overdekt is door onwetendheid gedraagt de geest zich in onderwerping aan vruchtdragende handelingen voor zolang er jegens Mij, Vâsudeva, geen liefde is; zolang dat het geval is, is men niet verlost van het vastzitten aan een fysiek lichaam. (7) Zelfs als men als een opgeleid iemand niet inziet hoe zinloos de onderneming van het bevredigen van de zinnen is, zal men er zeer snel, onnadenkend zijnd in het eigenbelang, gek van worden en een dwaas zijn die niets anders ontdekt dan materiële narigheden in een leven thuis dat gebaseerd is op geslachtsgemeenschap. (8) Van de seksuele aantrekking tussen man en vrouw zijn hun beider harten aan elkaar gebonden en naar gelang daarvan roepen ze om een thuis, privacy, kinderen, welvaart en verwanten; dit is de illusie van het levende wezen die bekend staat als 'ik' en 'mijn'. (9) Als het denken, de hechte knoop in het hart van zo'n persoon die gebonden is door de resultaten van het handelen in het verleden, ontward wordt, keert de geconditioneerde zich te dien tijde af van de misvatting van het 'ik', en gaat hij, het opgevend, bevrijd naar de bovenzinnelijke wereld die de oorspronkelijke oorzaak is. (10-13) Door het volgen van een spiritueel gevorderde persoon, een goeroe; in toegewijde dienst jegens Mij, door niet te begeren, met tolerantie voor de wereld der tegenstellingen en door eveneens navraag te doen en door realisatie van de waarheid van al de ellende van het levend wezen overal; door verzakingen te beoefenen en boete te doen en zinnelijke genoegens op te geven; door voor Mij te werken, te luisteren naar verhalen over Mij alsook door altijd vast te houden aan het gezelschap der toegewijden; door te zingen over Mijn kwaliteiten; door geen vijandschap te koesteren, allen gelijkgezind te zijn, door de emoties te beteugelen, o zonen; door er naar te verlangen de vereenzelviging met je thuis en het lichaam op te geven, door het bestuderen van de yogageschriften; door in afzondering te leven, door een volledige controle over de ademhaling, de zinnen en de geest; door geloof te ontwikkelen, door altijd het celibaat in acht te nemen, door immer waakzaam te zijn, door zich te beperken in het spreken; door aan Mij te denken, Mij overal te herkennen; door kennis te ontwikkelen, door wijsheid en door verlicht te zijn door de yogapraktijk; door geduld, enthousiasme en behept te zijn met goedheid en liefdadigheid, kan men de valse identificatie met de materiële wereld, de oorzaak van de materiële gebondenheid, opgeven. (14) Volledig bevrijd rakend van de hang naar profijt, en door middel van deze yogapraktijk, zoals ik jullie dat zei, de knoop van de gebondenheid in het hart die werd teweeggebracht door onwetendheid, behoort men [verder] afstand te doen van de middelen der bevrijding. (15) De koning of goeroe voor zijn zoons of discipelen die, in zijn verlangen naar Mijn verblijf, ervan uitgaat dat Mij bereiken het levensdoel is, behoort op deze wijze, vrij van woede, instructie te verschaffen; als men de geestelijke kennis ontbeert behoort men niet tot vruchtdragende handelingen aan te zetten - want wat kan een man simpelweg zedig of onzedig voor het profijt werkend bereiken? In feite zal hij er de oorzaak van zijn dat degenen wiens visie vertroebeld is, in de put zullen raken [vergelijk B.G. 3: 26]. (16) Mensen die persoonlijk het zicht verloren hebben op het pad der goedgunstigheid en die geobsedeerd zijn in hun verlangen naar de goederen, belanden jaloers op elkaar voor het heil van tijdelijk geluk in talloze vormen van lijden en hebben als dwazen geen idee [zie ook B.G. 7: 25]. (17) Welke man van studie die persoonlijk welbekend is met de spirituele kennis zou in zijn genade iemand anders er toe aanzetten uit te zien naar nogmaals dat, waarop gericht die persoon, in onwetendheid als een blindeman levend verslaafd aan materiële slimmigheid, de verkeerde weg aan het bewandelen is? (18) Een dergelijke persoon vermag niet een verwant te zijn, een vader, een moeder, een huwelijkspartner, noch kan hij de werkelijkheid vormen, de geestelijk leraar of de godheid van aanbidding zijn of degene die de verlost brengt uit de herhaling van geboorte en dood. (19) Het is in deze belichaming van Mij, die ondoorgrondelijk van het eeuwige is, dat daadwerkelijk Mijn hart is ingesteld op het dharma, het devotionele, en Mijn rug is weggekeerd naar het adharma, het niet-devotionele; derhalve noemen de beschaafden mij naar waarheid De Beste, Rishabha. (20) Daarom, jullie allen, geboren uit Mijn hart, probeer met een zuivere intelligentie de meest verhevene van dienst te zijn, die broeder Bharata van jullie die over de mensen regeert.

(21-22) Van de levenden en niet-levenden, zijn in verre superieur aan de planten die wezens die zich rondbewegen; van hen zijn zij die intelligentie ontwikkelden beter en beter dan zij zijn de menselijke wezens van wie degenen van de geest, de mediteerders van S'iva, de besten zijn. Beter dan zij zijn de zangers van de hemel [de Gandharva's] en superieur aan hen zijn de volmaakten [de Siddha's], boven wie men de bovenmenselijke wezens [de Kinnara's] aantreft. De goddelijken zijn beter dan de onverlichten en van de directe zonen van Brahmâ, zoals Daksha, geleid door Indra, is Heer S'iva de beste; boven hem vinden we hij die ontsprong aan Heer Brahmâ, Mijn toegewijde [de brahmaan], naar wiens goddelijkheid van tweemaal geboren zijn, Ik er ben als de Heer. (23) Geen andere bestaansvorm doorstaat de vergelijking met de brahmaan noch ken ik, weledelgeleerden, ook maar iemand die boven hem staat. Door hem eet Ik met meer voldoening van het voedsel dat door de mensen met geloof en liefde werd geofferd in gepast eerbetoon [voor de mond van Mij en de mijnen], dan van het voedsel dat aldus in [de mond van] het vuur werd geofferd. (24) Van het lichaam [van de Veda] gevoed door het eeuwige van Mijn geest die vrij is van materiële smetten, heeft men in deze wereld de [acht brahmaanse kwaliteiten van de] aard der opperste goedheid [sattva], de zuivering [pavitra], de beheersing over de geest [s'ama] en de zinnen [dama], de waarheidlievendheid [satya], de genade [anugraha], de boete [tapasya] en de tolerantie [titikshâ], waarin de verwezenlijking van God wordt gevonden. (25) Oh, aan wie anders zouden jullie [Mijn zoons] behoefte hebben dan aan diegenen die, zonder verlangens en bezittingen in toegewijde dienst jegens Mij, in staat zijn de hemel, de bevrijding en het plezier van Mij af te roepen, en zelfs het onbeperkte van een kracht en weelde hoger dan het hoogste? (26) Mijn beste zoons, indachtig de heldere visie dat Ik in hen allen verblijf, behoor je te allen tijde van respect te zijn voor een ieder en voor alles, wetend dat met het respecteren van hen je indirect van respect bent voor Mij. (27) Betrek al je denken, al je woorden en al wat je ziet van je actieve en ontvankelijke zinnen, rechtstreeks bij Mijn aanbidding, omdat een persoon anders nimmer in staat zal zijn zichzelf te bevrijden van de grote illusie die Yama's val van de dood is.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Na voor het heil van de mensen persoonlijk op deze manier Zijn zoons instructie te hebben verschaft ondanks dat ze hoogst ontwikkeld waren, plaatste de grote persoonlijkheid, de begunstiger en Opperheer van allen die werd gevierd als De Beste, Rishabha, Bharata, de oudste van Zijn honderd zoons en allerhoogste toegewijde en navolger van de goddelijke orde, op de troon om over de planeet te regeren. Dit is de instructie wat betreft de plichten van de grote wijze, die de beste is van al die menselijke wezens die vrij van verlangen niet langer voor het profijt werken en die gekenmerkt zijn door toegewijde dienst, spirituele kennis en onthechting. Alhoewel hij achterbleef met wat hij thuis was, aanvaardde Hij, enkel lichamelijk, als een halve gek met Zijn haar in wanorde, de hemel als zijn kleed en zwierf Hij rond, het vedish vuur vanbinnen brandend houdend, wijd en zijd buiten Brahmâvarta. (29) Hoewel Hij, ledig, blind, doof, stom, als een geest en als een halve gek, de mensen toescheen als iemand die zich niet bekommert om de wereld [een avadhûta], hield Hij zich met de gelofte der zwijgzaamheid stil. (30) Her en der door steden komend, dorpen, delfplaatsen, landerijen, tuinen, leefgemeenschappen gelegen in valleien, militaire kampementen, veeschuren, boerderijen, rustoorden voor pelgrims, heuvels en wouden, toevluchtsoorden enzovoorts, was Hij omringd door slechte mensen en vliegen en werd Hij, als een olifant die uit het bos komt, weggejaagd en bedreigd, bewaterd en bespuugd, in het stof geworpen tussen de stenen en de ontlasting, weggescheten en uitgescholden; maar Hij gaf er niet om omdat Hij, vanuit Zijn begrip over hoe het lichaam zich verhoudt tot de ziel, wist dat de verblijfplaats die dit lichaam is en die men voor echt houdt, niet een levensomstandigheid was die geschikt is voor een man van eer; in plaats daarvan verwijlde Hij in Zijn persoonlijke glorie in ontkenning van het "ik' en "mijn" en zwierf Hij onverstoord moederziel alleen over de aarde rond. (31) Met Zijn zeer delicate handen, voeten, borst, lange armen, schouders, nek en gelaat etc.; met de prachtige aard van Zijn goed geproportioneerde ledematen, Zijn natuurlijke glimlach, mooie lotusblaadjesgelijke gracieuze mond, het wonder van Zijn roodachtige wijdopen ogen en de grote schoonheid van Zijn voorhoofd, oren, halslijn, neus en expressieve lip, waarvan Zijn gezicht als een feest was voor al de huisvrouwen in het alom opwekken van Cupido in het hart, zag Hij, met het hebben van Zijn overvloed aan krullend bruin haar, dat samengeklit, smerig en verwaarloosd was, er in het lichaam uit als iemand die door de duivel was bezeten. (32) Toen Hij, de Allerhoogste Heer, zag dat de mensen zich over het algemeen tegen Zijn yoga waren gekant, ging Hij, om dat karma tegen te gaan, er toe over zich op de grond liggend als een python te gedragen, waarbij hij met het kauwen van Zijn voedsel en drinken van Zijn drinken, het unrineren en Zich ontlasten, Zijn lichaam besmeurde door zich in de uitwerpselen te wentelen. (33) Zijn ruiken naar de ontlasting was van een dermate prettige geur dat de lucht van de landstreek in een omtrek van tien yojana's doortrokken raakte van een aangenaam aroma. (34) Aldus in Zijn handelingen zich bewegend, staand, zittend en neerliggend met de koeien, de kraaien en de herten at Hij, dronk Hij, en urineerde Hij ook zoals de koeien, de kraaien en de herten dat doen. (35) Met het op die manier bewandelen van de verschillende wegen van de mystieke yoga genoot de Opperheer, de Meester der Verlichting, Rishabha, onophoudelijk in grote gelukzaligheid van het Allerhoogste. Door Zijn fundamentele onverschilligheid bereikte Hij in het Hoogste Zelf, de volkomen perfectie van het onbegrensde van het geheel van de weelde en de symptomen van liefdevolle emoties jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Vâsudeva die zich ophoudt in het hart van alle levende wezens; maar het volle van de mystieke vermogens, zoals het reizen door de lucht, zich met de snelheid van de bliksem bewegen, het vermogen ongezien te blijven, het vermogen in het lichaam van anderen binnen te gaan, de macht om zonder moeite dingen op afstand waar te nemen en andere perfecties [siddhis, zie eveneens 2.2: 22; 2.9: 17; 3.15: 45; 3.25: 37] die hij aldus bereikte, o Koning Parîkchit, aanvaardde Hij nimmer rechtstreeks in Zijn hart.

* De vijf belangrijkste relaties van liefde of rasa's waarin met de Heer alle hogere emoties worden ervaren, zijn de neutrale (santa), de relatie tussen meester en dienaar (dâsya), de vriendschapsrelatie (sakhya), de ouder-kind relatie (vâtsalya) en de liefdesrelatie (sringâra).

  

Hoofdstuk 6

Heer Rishabhadeva's activiteiten

(1) De koning zei: 'O Allerhoogste, door die in zichzelf tevreden zielen van wie het zaad van het baatzuchtig handelen is verbrand door de spirituele kennis verkregen door de praktijk van de yoga, worden de mystieke vermogens automatisch verworven; hoe is het mogelijk dat die enige belemmering vormen? '

(2) De wijze zei: 'U hebt volkomen gelijk, maar in deze wereld stelt men, precies als een slimme jager, ook geen direct vertrouwen in de geest die [net als wild] er altijd vandoor gaat. (3) En daarom, zo zegt men, behoort men nooit en te nimmer vriendschap te sluiten met de zo onrustige geest; van de praktijk van het voor een langere tijd stellen van te veel vertrouwen erin werd de verzaking van zelfs de grootsten [zoals Heer S'iva of de wijze Saubhari] verstoord. (4) Zoals een man met een echtgenote die gecharmeerd is van mededingers, zullen aspiranten van de yoga die vertrouwen op het denken dat steeds voor het lustmotief openstaat, de weg aan het vrijmaken zijn voor de vijanden die haar op de voet volgen. (5) Waarom, zou dan welke man ook die zijn lesje geleerd heeft, daadwerkelijk vertrouwen stellen in het [ongestuurde] denken dat ten grondslag ligt aan de lust, de woede, de trots, de hebzucht, het weeklagen, de illusie, en de angst die allen tezamen iemand aan zijn karma binden? (6) Hoewel Hij [Rishabha] aan het hoofd stond van alle koningen en bestuurders van dit universum, handelde hij naar deze manier van denken in de uitdossing, taal en het karakter van een avadhûta [5.5: 29] alsof Hij dom was, het allerhoogste van Zijn heerlijkheid verbergend door het yogagewijs verzaken te onderrichten middels Zijn eigen persoonlijke voertuig van de tijd; alsof Hij een normale sterveling was die het probeert op te geven met het fysieke, hield hij voor Zichzelf naar het Allerhoogste gebod van de Ziel, ongehinderd door het illusoire der materie, altijd de visie vanbinnenuit de liefde die boven alle ondeugd is verheven en maakte Hij een einde aan Zijn koninklijke spel en vermaak. (7) Van Hem zagen we aldus de ogenschijnlijk fysieke aanwezigheid, het gedreven optreden in deze illusoire wereld, van het lichaam van Hem als de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die Zelve vrij was van ieder belang in het vitale. Hij bereisde geheel op zichzelf de landen van Zuid-India: Konka, Venka en Kuthaka in de provincie Karnâta, en bereikte een bos in die omgeving genaamd Kuthakâcala. Aldaar met een handvol stenen in Zijn mond, zwierf Hij gelijk een waanzinnige naakt rond met verwarde haren. (8) Bij een felle, van alle kanten oplaaiende bosbrand die werd veroorzaakt door de wrijving van bamboestaken tegen elkaar gedrukt door de kracht van de wind, werd Zijn lichaam toen in dat bos verbrand tot as.

(9) Horend van Zijn wederwaardigheden van het vrij zijn van alle ritueel en gebruik, ging de koning van Konka, Venka en Kuthaka die de naam Arhat [de Jain, de eerbiedwaardige] droeg over tot een imitatie van Hem; verbijsterd door een toename van ongelovig leven dat een aankondiging vormde voor de komst van het Kali-yuga Tijdperk van de Redetwist, gaf hij het veilige pad van de religie op dat alle vrees zou afwenden en nam hij een verkeerd ketters standpunt in in weerwil van de vedische voorschriften met het hoogst dwaas introduceren van een eigen bedenksel. (10) Door dergelijke praktijken zullen de meest deerniswekkende onder de mensen in het Kali-tijdperk, verbijsterd door de uitwendige energie van God, verstoken van karakter, reinheid en de regels en voorschriften van de persoonlijke plicht, zwerend bij hun zedeloosheid en in minachting voor de goddelijkheid, vasthouden aan hun verlangens, met denkbeeldige principes van verzaking zoals het onrein blijven, het niet spoelen van hun mond en het uitplukken van hun haar. Van de Kali-yuga overmaat aan goddeloosheid zullen degenen wiens zuivere bewustzijn is vernietigd zo goed als volkomen godslasterlijk worden jegens de strikte brahmaan en zijn vedische cultuur, de ceremoniën van het offeren en de Allerhoogste Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden. (11) Zij die er zeker in zijn af te wijken van eeuwige principes van de religie met een praktijk gebaseerd op hun eigen speculaties, voelen zich aangemoedigd door verblinde voorlopers en zijn er zeker van zelf verblind te belanden in de duisternis der onwetendheid [vergelijk B.G. 16: 16, 16: 23]. (12) Deze nederdaling van de Heer was er om hen die overweldigd zijn door de hartstocht te onderrichten in de zaak der verlichting. (13) Over Hem worden door hen die uit zijn op de bevrijding de volgende verzen aangehaald: 'O, van deze aarde met zijn zeven zeeën en vele landen op haar continenten, is dit land [Bhârata-varsha, India] het meest verdienstelijk; hun bevolking bezingt de algunstige kwaliteiten van Murâri [Hij als de vijand van de verdwaasde, van Mura] in Zijn vele incarnaties.' (14) 'O wat te zeggen over de dynastie van koning Priyavrata waarin de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, nederdaalde als een incarnatie; Hij, de Ongeëvenaarde, vervulde de religieuze plicht welke de oorzaak is van het einde der baatzuchtige arbeid.' (15) 'O, welke andere yogi is er te vinden die, zelfs maar in de geest, in staat is het voorbeeld te volgen van Hem, de Ongeborene, en die, als zijnde niet-essentieel, alle verlangen verzaakte naar de perfecties van de yoga, welke worden nagestreefd door de mystieke yogi's zo vol van ijver om te dienen.'

(16) Aldus heb ik uitleg verschaft over de zuivere handelingen van de Opperheer genaamd Rishabha, de hoogste geestelijk leraar voor de mensen in het algemeen, de goddelijken, de brahmanen en de koeien; hij die in navolging van de groten, met een groeiend geloof en toewijding aandachtig luistert naar, of voor anderen spreekt over deze meest vooraanstaande en grootste toevlucht van de heilzaamheid die alle zonden van ieder levend wezen vernietigt, zal zonder twijfel ten gunste van Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, feitelijk in de beide vormen van het luisteren en spreken een begin hebben gemaakt met een standvastige toewijding. (17) In die toewijding baadt de ziel die van vooruitgang is zich onophoudelijk teneinde steeds bevrijd te zijn van het lijden onder de zorgwekkende omstandigheden in het materieel bestaan; hoewel op zichzelf die zo zeker door geluk verkregen ononderbroken bevrijding, de grootste van alle wapenfeiten, zeker niet dat is waar men op uit is, omdat men in het zich verhouden tot de Allerhoogste Heer volkomen is in alles waar men naar gestreefd heeft. (18) Mijn beste Koning, Hij, de aanbiddelijke godheid van de Yadu's, is zonder twijfel, uw meest dierbare vriend en meester van de geslachtslijn; om het duidelijk te stellen, hij trad soms zelfs op als uw dienaar en aldus mijn beste vraag ik u: is Hij dan niet daadwerkelijk de Allerhoogste Heer Mukunda van de Yoga der toewijding die te allen tijde verlossing schenkt door allen te bevrijden die van dienst zijn? (19) Altijd gericht op Zijn werkelijke identiteit en in Zichzelf volkomen zonder verdere verlangens, werd door Zijn genade van het uitbreiden van Zijn activiteiten op het materiële vlak, de ware betekenis van een leven van onbevreesdheid met het ware zelf overgedragen aan de intelligentie van de mens die zo lang had gesluimerd; alle respect voor Hem, die Allerhoogste Heer Rishabhadeva.

 

Hoofdstuk 7

De activiteiten van Koning Bharata

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Bharata ['hij die in stand wordt gehouden'], als hoogst ontwikkelde toegewijde, op aanwijzing van zijn vader het besluit had genomen over het oppervlak van de aarde te regeren, trouwde hij, toen hij de troon overnam, met de dochter van Vis'varûpa, Pañcajanî. (2) Daadwerkelijk, zoals iemand, geïdentificeerd met het lichaam de vijf objecten van de zintuigen op zijn weg vindt, verwekte hij in haar vijf zoons, Sumati, Râshthrabhrita, Sudars'ana, Âvarana en Dhûmraketu, die precies zoals hijzelf waren. (3) Dit deel van de wereld genaamd Ajanâbha [slaand op koning Nâbhi, zie 5: 3] werd vanaf het begin van zijn heerschappij door hen alzo gevierd als Bhârata-varsha [het land van Bharata, nu India]. (4) Hij, die zeer ver gevorderd was in de kennis, was, regerend met een zorgzaam hart, een heerser zo groot als zijn vader en grootvader waren; hij hield de burgers en zichzelf aan ieders eigen plicht. (5) Hij aanbad de Allerhoogste Heer eveneens met grote en kleine offerandes met en zonder offerdieren; met veel geloof werden volledig of ten dele agni-hotra-, dars'a-, pûrnamâsa-, câturmâsya-, pas'u- en soma-rasa-yajña's uitgevoerd, die overeenkomstig de regulerende beginselen praktisch altijd onder leiding stonden van vier priesters (*). (6) Altijd denkend aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, zag hij, als de ter zake kundige priesters met alle bijkomende riten begonnen met het uitvoeren van de verschillende offers, door de vedische hymnen in die geest bevrijd van lust en woede, al de verschillende halfgoden, zij die de resultaten in ontvangst namen, de toebehoren van de offerplechtigheden en zichzelf als de offeraar, als allen deel uitmakend van de Oorspronkelijke Persoon, die hun Beheerser is, Degene die Handelt en de Oorsprong is; en dat ongeacht wat op de lange duur ook het resultaat zou zijn van dergelijke offers die in naam van de religie werden gebracht aan de Allerhoogste Geest in het voorbije, de Genieter van alle offers die verantwoordelijk is voor de hele goddelijkheid. (7) Zodoende in het zuiverste van de dienstverlening was hij van de zuiverste goedheid jegens de Superziel in het hart van het lichaam, jegens de onpersoonlijke geest van het brahman en jegens Bhagavân, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoon wiens gedaante men herkent aan het S'rîvatsa teken op de borst, het Kaustubha juweel, de bloemenkrans, de werpschijf, de schelphoorn, de knots en andere symbolen. Op het hoogste nivo gekend door Zijn stralende persoonlijke gedaante is Hij, als Hij eenmaal als een onuitwisbaar beeld in het hart van de toegewijde is verschenen, zo machtig dat hij dag na dag de toewijding doet toenemen. (8) Aldus voor de duur van talloze millennia werd de weelde genoten die hij, die ontvangen hebbend van zijn voorvaderen, aan het eind van zijn bestuur overeenkomstig de wetten van Manu, zijn zonen had verzekerd; na persoonlijk de uiteenlopende rijkdommen onder hen verdeeld te hebben, verliet hij die verblijfplaats van het voorouderlijk huis en vertrok hij naar de Pulaha-âs'rama in Hardwar. (9) Het is daar dat zelfs vandaag nog men er zeker van kan zijn dat de Opperheer Hari in die plaats verblijvend, door Zijn bovenzinnelijke genegenheid voor Zijn eigen toegewijden zichtbaar wordt zoals dat wordt verlangd vanuit iemands toewijding. (10) Op die plek worden alle hermitages alom geheiligd door de rivier die de Cakra-nadî wordt genoemd (de Gandakî) waarvan men de concentrische cirkels vind die als een navel kunnen worden waargenomen op en onder [de zwarte ovale kiezelstenen die dienen als voorwerp van toewijding, de zogenaamde S'âlagrâma-s'ilâ's]. (11) Geheel alleen in de velden van dat meditatieoord aanbad hij door offerandes van wortelen, bollen en vruchten met water, twijgen, tulasî-blaadjes en allerhande bloemen, de Allerhoogste Heer en raakte hij bevrijd van alle verlangen naar materieel genot met een gestage toename van de bovenzinnelijke rust en bevrediging die hij verwierf. (12) Door die constante praktijk van dienst aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Allerhoogste Heer, smolt door het gewicht van de zonder ophouden toenemende gehechtheid aan Hem, de slapte weg van zijn hart; door de kracht van de bovenzinnelijke verrukking stonden de haren van zijn lichaam overeind en sprongen van het intense verlangen tranen van liefde in zijn ogen die zijn blik vertroebelden. Aldus op de roodkleurige voeten van de Heer mediterend was er bij de genade van zijn bhakti-yoga, een toename die zich overal verspreidde van de hoogste en diepste spirituele bevlogenheid in het hart, het meer waarin verzonken - alhoewel zijn intelligentie werkte voor de Heer - hij zich niet langer het geregelde dienstbetoon kon herinneren. (13) Op deze manier gezworen aan de Allerhoogste Heer, bracht hij, gekleed in een hertenvel en met zijn massa bruin, krullend en samengeklit haar, nat van het drie maal daags baden, zo prachtig in aanbidding van de godheid van de zon (**), zijn eerbetoon aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, door bij zonsopkomst zijn respect te betuigen met het reciteren van het volgende: (14) 'Indachtig dit geschapen universum, voorbij de hartstocht, is er daar, de hele wereld verlichtend, de eigen gloed, de genade der goddelijkheid die de verlangens van alle toegewijden vervuld; telkens weer erin binnengaand [als de zon, als de avatâra] waakt Hij over het levend wezen dat hunkert naar materieel plezier - al dit [mijn respect] voor de intelligentie die alles beweegt!'  

  

Hoofdstuk 8

 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij eens een bad had genomen in de grote Gandakî, zijn dagelijkse rituelen had verricht en zijn mantra's had gezongen, ging hij [Bharata] voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten. (2) O Koning, daar zag hij een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven. (3) Precies op het moment dat het met grote voldoening van het water dronk, rees van heel dichtbij het luide gebrul op van de koning der dieren die alle levende wezens zoveel schrik aanjaagt. (4) Met het horen van dat luide rumoer was de hinde, welke doorlopend schichtig om zich heen keek, zeer bevangen door de verstoring door de leeuw, en van streek met rusteloze ogen zonder dat ze afdoende haar dorst had weten te lessen, nam ze in angst verzet opeens een grote sprong over de rivier. (5) Omdat ze zwanger was, slipte door de angst en het krachtige opspringen, haar baby uit haar baarmoeder en viel het in het stromende water. (6) Door de miskraam van de angst en het springen, viel het zwarte hert, van de kudde gescheiden en geplaagd door uitputting ergens in een spelonk, waardoor het kwam te sterven. (7) Toen hij zag dat dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de golven, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het als een vriend mee naar zijn ashram. (8) Het als zijn eigen kind aannemend, het iedere dag te eten gevend, het beschermend, opvoedend en koesterend, raakte hij aan dit hertje zeer gehecht. Binnen enkele dagen was daadwerkelijk, met het opgeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en aanbidding van de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting in het ongerede. (9) 'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], is door de Heerser die het rad van de tijd beweegt, deze hier verstoken van zijn soort, zijn vrienden en verwanten en heeft het in het vinden van mij als zijn toevlucht, mij alleen als vader, moeder, broeder en soortgenoot behorend bij de kudde. Vanzelfsprekend stelt het, niemand anders hebbend, een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden; ik behoor niet weg te kijken maar moet inzien wat de fout is van het verwaarlozen van iemand die zijn toevlucht heeft genomen en daarnaar moet ik dan ook handelen. (10) Inderdaad is het zeker van het grootste belang dat de gecivilisee rden, zij die van de heiligheid zijn, ook al zijn ze nog zo volkomen in hun verzaking, als vrienden van de hulpelozen de principes zijn toegedaan, zelfs als dat ten koste gaat van hun eigenbelang.'

(11) Zodoende gehecht geraakt zat hij, rustte hij, lag hij, liep hij, baadde hij en dergelijke, met het jonge dier en raakte hij in zijn hart volledig door de genegenheid in beslag genomen. (12) Als hij het bos inging voor bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten en wortels en water ging halen, nam hij, bedacht op wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (13) Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vervuld van liefde, het hier en daar op zijn schouders mee, gesteld als hij was op zo'n kleintje, en hield hij, aan dat alles het grootste genoegen belevend, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep. (14) Tijdens het gebed, was hij gewoon bij tijden op te staan hoewel hij nog helemaal niet klaar was, alleen maar om te zien hoe het met het hertenjong gesteld was en schonk het hem veel voldoening het al het beste toe te wensen met de woorden: 'O mijn lieve jong, moge er voor jou steeds het beste zijn'. (15) Soms was hij dermate bezorgd dat hij van streek raakte als een zielige, ellendige man die zijn rijkdom kwijt is; met een grote bezorgdheid van hart, aangedaan gescheiden van het hertenjong, bevond hij zich in een toestand waarin hij voortdurend enkel en alleen maar daaraan dacht en was hij er alzo zeker van te belanden in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (16) 'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren; het zal weer naar me terugkeren, geloof in mij stellend als zijnde een volmaakt zachtaardige persoon en als iemand van zijn eigen soort - het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n barbaar met een geest die maar niet wil deugen. (17) Zal ik het weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen in mijn ashram en het onder de hoede der goden weer van het gras zien eten? (18) Of zou het arme schepsel een van de vele wolven of honden tegen het lijf zijn gelopen, of een troep zwijnen of een ronddwalende tijger? (19) Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de vedische drievoud voor de voorspoed van allen, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (20) Zou dat prinselijke hertje van mij werkelijk weerom keren en genoegen schenken aan mij die de oefening der zeden eraan gaf; het was zo schattig om te zien - het te behagen zoals dat zijn soort past, verdreef alle ongeluk! (21) Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met toppen van hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (22) Als ik het verwenste omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had bevuild, stopte het meteen doodsbenauwd met spelen, precies zoals de zoon van een heilige dat doet, neerzittend in het volledige inperken van zijn zinnen. (23) Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel dat lijdt in verdoling! Voor mij wijzen ze me de weg om de weelde tot stand te brengen van haar landen die, van alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd in plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel! (24) Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen voor de angst van het jong voor het machtige roofdier, nu dit moederloze hertenkind beschermt dat wegdwaalde van haar beschuttende toevlucht? (25) Of mag hij, door zijn stralen, zo vredig en koel, uit liefde, uit zijn mond water sprenkelend zo goed als nectar, mijn hart, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich zo had overgegeven, vertroosten, daar het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand.'

(26) Op deze manier was hij, wiens hart bedroefd was met een geest die beruste op slecht karma, in de ban van de onmogelijkheid van het hebben van een zoon die er als een hertje uitzag en was hij van zijn yoga-oefeningen, van de boetedoening van de yoga en de toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer gevallen. Op welke manier kon hij, zo gehecht aan het lichaam van een andere soort, een hertenkalfje, rechtstreeks het levensdoel bereiken met een dergelijke hindernis - hij die voorheen de zoons geboren uit zijn hart had opgegeven, ook al was dat dan moeilijk op te brengen. Door dat obstakel van hem aldus gedwarsboomd in de beoefening van zijn yoga, was koning Bharata, alzo in beslag genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, zijn eigen ziel aan het verwaarlozen en zag hij dat met rasse schreden het onvermijdelijke van zijn tijd was aangebroken dat zich aandiende als een slang die een muizenholletje binnendringt. (27) Toen hij daarop deze wereld opgaf zag hij inderdaad aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje waarin zijn geest was verzonken; met zijn lichaam stervend met het hertje erbij aanwezig, verkreeg hij daarna het lichaam van een hert, maar tegen de verwachting zoals dat was met andere geboorten, was de heugenis aan wat voorheen had plaats gevonden met zijn sterven niet verloren gegaan. (28) In die wedergeboorte, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het gekregen hebben van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (29) 'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealisee rden gevallen, hoewel ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand volmaakt naar de ziel die zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en hoewel ik voortdurend luisterde naar en nadacht over Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, met het zingen, aanbidden en mij heugen verzonken, al mijn uren doorbrengend; mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest volledig verankerd in het eeuwige, maar alweer, gevallen in genegenheid voor een hertenjong, ben ik een grote dwaas verre van dat!'

(30) Aldus op deze manier in stilte verkerend voor zichzelf gaf [hij als] het hert ongemotiveerd de moeder op en keerde het van de berg Kâlañjara waar het was geboren, weer terug naar de plaats, naar de ashram van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leefden zo dierbaar is. (31) Op die plaats, etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij zijn tijd af in het eeuwige gezelschap van de Superziel en bestond hij, voortdurend bedacht op een slechte omgang, slechts in overweging van het einde van de oorzaak van zijn hertenlichaam, het lichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf.

 

Hoofdstuk 9

Het Verheven Karakter van Jada Bharata

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem. (3) Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd]. (4) Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij, als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, ook al had hij er geen oren naar, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij opnieuw, tot het einde van zijn schooljaren, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de S'âstra's. (5) Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's alsook in de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen. (6) Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat, in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd, hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon. (7) Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].

(8) Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten. (9-10) Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat vanzelf tot hem kwam. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend van hen noemde ['brahma-bandu']. (11) Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - een karwei waarin hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nectar voor hem.

(12) Daaropvolgend, na een zekere tijd, dook er een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse op die uitzag naar een mensenzoon die, niet beter zijnd dan een dier, hij kon gebruiken om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî. (13) Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (14) Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin. (15) Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâlî, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst. (16) Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de godheid Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's. (17) Door een hartstochtelijke en onwetende aard werden deze verwerpelijke types, die het materialistisch verbijsterd mis hadden, voortgedreven door geesten vol van verbeelding, zodat, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht werd. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (18) Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Door haar grote woede vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal als ze wilden gebruiken de hoofden van al de zondige overtreders eraf en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar.

(19) Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten. (20) Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door dit soort van stemmingen van de Goddelijkheid.

    

Hoofdstuk 10

Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo viel het voor dat Rahûgana ['hij die helderder straalt dan de zon'], de heerser van Sindhu en Sauvîra, toen hij op pad was, aan de oever van de rivier de Ikshumatî een andere drager voor zijn draagstoel nodig had en hun aanvoerder eropuitstuurde om te zoeken naar een geschikte persoon. Zijn zoektocht leidde bij toeval naar de tweemaal geboren zoon Jada Bharata die, omdat hij zo'n stoere jongeman leek die ferm van leden zo sterk als een ezel was, hij uitkoos, hem in staat achtend de last te dragen. Hoewel hij niet geschikt was voor het karwei, droeg hij, de grote ziel, de draagstoel, er toe gedwongen zoals de gewoonte was. (2) Toen hij hiermee bezig was liep de tweemaal geboren zoon, voortdurend drie stappen voor zich uit kijkend [om niet op mieren te trappen], steeds uit de pas met de anderen en schudde daardoor de draagstoel heen en weer. Rahûgana, die dit in de gaten kreeg zei tot de mannen die hem droegen: 'O dragers, loop alsjeblieft in de pas! Waarom wordt deze draagstoel zo ongelijkmatig gedragen?'

(3) Zij, die hun meester zo berispend hoorden spreken, stelden hem angstvallig ervan op de hoogte dat dat te wijten was aan de vierde drager: (4) 'O, het is niet, o God der Mensen, dat wij, altijd trouw aan uw orders, het laten afweten. We doen welzeker wat we maar kunnen, maar het is deze nieuwe man die recentelijk is aangetrokken om met ons te werken met wie wij niet in staat zijn om ons werk als dragers te doen; hij is nogal langzaam namelijk!'

(5) Hoewel hij er door die ontboezemingen zeker van was dat het inderdaad zo ver was gekomen als gevolg van een fout van één van hen, gaf koning Rahûgana, de angstige woorden van zijn dienaren horend, in weerwil van zijn politieke ervaring, vanuit zijn kshatriya-aard enigermate toe aan het geweld der woede. Tot hem wiens spirituele gloed, als een vedisch vuur overdekt door as, niet duidelijk kon worden onderscheiden, zei hij met een geest vol hartstocht: (6) 'Wat een moeite is het helaas mijn broeder! Zo helemaal alleen op zo'n lange reis ben je zeker heel moe geworden. Noch is je gewillige, stevige lichaam erg sterk; je hebt zeker zelf last van de ouderdom mijn vriend! En natuurlijk zijn deze andere medewerkers van geen enkel nut voor je'.

Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar geen valse overtuiging van 'ik' en 'mijn' kwam bij hem op die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel; als iemand op het spirituele vlak was hij van die bijzondere instelling wat betreft fysieke zaken als het hebben van een bepaald zichzelf besturend lichaam dat is voortgekomen uit een mix van de kwaliteiten en de werklast van de onwetende materie. (7) Daaropvolgend wederom door elkaar geschud door het ongelijkmatig dragen van zijn draagstoel zei Rahûgana zeer kwaad wordend: 'O dwaas, wat is dit voor een onzin! Jij, levend lijk, negeert gewoon mijn berispingen ze in de wind slaand! Ben je je verstand kwijt? Zoals Yamarâja met het gewone volk, zal ik je eens een lesje leren zodat je erachter komt wat je plaats is in dezen!'

(8) Hoewel hij zo'n lading onzin over zich uitgestort kreeg door hem die, uit hartstocht en onwetendheid berispend, dacht dat hij kon heersen als een god der mensen, een meest geliefd voorvechter van de Heer en een wijze geleerde, glimlachte de zelfgerealiseerde brahmaan flauwtjes die, met een houding van een meester in de yoga, de vriend van alle levende wezens was, alsof een last van hem afviel en sprak hij als volgt tot de niet zo wijze heerser. (9) De brahmaan zei: 'Wat u zo duidelijk stelde is innerlijk niet strijdig als ik mijn zou kunnen zeggen tegen dat lichaam, o grote held, en tegen die drager van de last; als het dat zou zijn wat men sterk en onversaagd moet verwerven op het pad, dan moet ik u zeggen dat dat, voor de persoon van zelfverwerkelijking die zich bevindt in het lichaam, geen onderwerp van discussie is. (10) Sterk en stoer zijn, mager en zwak, pijn ondervinden met het fysieke of de geest, hongerig, dorstig, van de angst, van mening verschillend, verlangend, van hoge leeftijd en zinnelijk gemotiveerd; van het kwade, de valsheid, de illusie en het weeklagen zijn, zijn in dit lichaam zaken van hem die geboren is, maar voor wat ik ben vormen ze zeker niet de realiteit. (11) Een levende ziel te zijn gebonden aan de dood [een 'levend lijk' te zijn] is iets dat is geregeld door de natuur o Koning, alles heeft een begin en een eind; maar, hoog vereerde, als men het onveranderlijke ziet in de dingen die voorbijgaan - waarvan we spreken van meesters en dienaren - dan zegt men dat men van het juiste handelen in de yoga is. (12) Onderscheid maken naar de persoon getuigt van een vernauwde blik en, behalve dan voor wat gebruikelijk is, zie ik niet in van wat voor nut het verder zou zijn; wie is die meester en wie is hij die moet worden overheerst? Desalniettemin, o Koning, wat kan ik voor u betekenen? (13) Van zoals ik mezelf ben, o Koning, leidde u af dat ik een chaotisch, gek stuk onbenul zou zijn; wat zou het dan voor nut hebben door u te worden bestraft; hoe kan men een waanzinnige, stupide persoon iets bijbrengen - het is alsof je meel probeert te malen!'

(14) S'rî S'uka zei: 'Consequent zo op ieder woord dat was gevallen ingaand, hield de grote wijze kalm en vredig het voor gezien - wat betreft de zaak van dingen die vreemd zijn aan de ziel aanvaardde hij alles wat zich voordeed als een gevolg van wat hij voorheen genoten had, en zo ging hij, teneinde zijn verworven karma tot een goed einde te brengen, weer verder met het dragen van de draagstoel van de koning zoals hij dat gedaan had. (15) O beste van de Pându-dynastie, hij, de heerser van Sindhu en Sauvîra, was in feite eveneens van een groot geloof aangaande de controlekwestie in relatie tot de Absolute Waarheid; aldus ter zake kundig zijnde vernemend wat de tweemaal geborene zei over dat wat de valsheid uitroeit in het hart en wat de goedkeuring wegdraagt van alles van de yoga en de cultuur eromheen, kwam hij haastig naar beneden en viel hij met zijn hoofd naar voren plat ter aarde voor de lotusvoeten om zich te excuseren voor zijn overtreding. Het zo opgevend met zijn valse claim de te respecteren koning te zijn zei hij: (16) 'Wie van al de tweemaal geborenen bent u, zich verholen rondbewegend in deze wereld? Ik zie dat u een heilige draad draagt. Van welke verzaker van de wereld bent u de discipel? Vanwaar en met welke bedoeling bent u hier gekomen? Bent u, als iemand van de zuivere goedheid, hier voor ons heil of niet misschien? (17) Ik ben niet bang voor Indra's bliksemschicht noch vrees ik S'iva's drietand of de straf van Yamarâja, noch schuw ik de hitte van de zonnestralen, de maan, de wind of de wapens van Kuvera; waar ik het meest beducht voor ben is in overtreding te verkeren met de klasse der brahmanen. (18) Derhalve, als een volledig onthecht persoon die de macht der wijsheid verhult, als iemand die zich rondbeweegt terwijl hij in het voorbije verblijft, spreek tot ons, daar niemand van ons, o heilige, in staat is ook maar in enige mate te bevatten wat de woorden vol van yogabetekenis inhouden die u te berde bracht. (19) Daartoe waag ik het u zowaar te vragen, meester van de yoga, o allerbeste leraar der heilige geleerden van de werkelijkheid van de ziel, wat in deze wereld de beste bezigheid is, de veiligste toevlucht, o rechtstreekse incarnatie van de Heer der geestelijke kennis [zie Kapila: 3.25]. (20) Als zijnde Hem in eigen persoon trekt uwe goedheid rond over deze aardkloot, u bekommerend om de motieven van de mensen alhier en dat zonder uw ware identiteit te tonen; mag ik weten hoe wij, die gebonden aan familiezaken de intelligentie moeten missen, niettemin zich kunnen richten op de eindbestemming van de meesters in de yoga? (21) Men kent de vermoeidheid als men op een bepaalde manier in relatie tot de ziel tewerk gaat, zoals de manier waarop u zich beweegt met het dragen van de draagstoel; ik veronderstel dat, in navolging van het respect voor de uiterlijkheid, het evenzogoed een bewijs is van iets dat materieel niet bestaat, als het hebben van iets dat water kan bevatten als er helemaal geen water is. (22) Vanwege de hitte onder een kookpan, wordt de melk erin gedaan heet en vanwege de verhitte melk wordt de harde kern van de rijst erin gekookt; zo ook is er van het gebonden zijn aan de zintuigen de ervaring van vermoeidheid en dergelijke door de ziel die zich moet schikken naar de materie. (23) De bestuurder die goed is voor zijn onderdanen is, als een menselijk heerser over de burgerij, iemand die daadwerkelijk opdrachten ten uitvoer brengt; niet vermalend wat reeds vermalen is, is men in de plichtsvervulling van zijn eigen beroep van aanbidding voor de Onfeilbare, voor wie men handelend, verlost wordt van allerlei vormen van zonde. (24) Wees derhalve vanuit uw goede zelf waarachtig in boete, jegens mij, deze gek geworden en trotse god der mensen, zo goed uw grondeloze genade te tonen als een vriend, een vriend van mensen in nood, zodat ik bevrijding kan vinden van de zonde van het in minachting verkeren met een zo grote persoonlijkheid als u. (25) U, vriend van de Vriend van Allen, bent, als iemand ver van het lichamelijk begrip van het leven, niet uit evenwicht gebracht; maar zelfs als men zo machtig is als Heer S'iva [S'ûlapâni], zal een persoon als ik, met mijn praktijk van hooghartigheid in relatie tot de groten, zeker spoedig zijn vernietiging vinden.'

 

Hoofdstuk 11

Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

(1) De brahmaan [Jada Bharata] zei: 'Door een gebrek aan ervaring spreekt u niet over het belangrijkste gebruikmakend van de termen van hen die de ervaring hebben; deze zaken van werelds en sociaal gedrag behoort men in feite te bespreken met de intelligenten die wèl behept zijn met zo'n verfijnde zin voor de waarheid. (2) Om deze reden, o Koning, wordt inderdaad onder hen, die met name met de Veda's [veda-vâdî] belangstellen in de eindeloos toenemende zorg voor de rituelen van een materiële huishouding, zo goed als nooit de eigenlijke spirituele wetenschap [tattva-vâda] gevonden die zichzelf zo duidelijk openbaart bij hen die gevorderd zijn in de zuiverheid. (3) Hoewel afdoende bekend met de woorden, is de zeer verheven kijk op de ware bedoeling van de Veda niet direct de hunne, daar het geluk van een werelds leven te vergelijken is met een droom waarvan men zich vanzelf later pas realiseert dat die onwerkelijk is. (4) Zolang als iemands geest onder de controle staat van de geaardheid hartstocht, goedheid of duisternis, zijn handelingen, gunstig of anderszins, op het gezag van de zinnen van waarnemen en handelen, automatisch het gevolg, net als bij een olifant die zich vrij mag rondbewegen. (5) Die geest begaan met zo vele verlangens is, voortgedreven door de geaardheden der natuur, gehecht aan materieel geluk; als de belangrijkste van de zestien elementen eigen aan een materieel bestaan [de fysieke, de handelende en de waarnemende plus de geest] doolt de geest, vervreemd, rond in benamingen [in upâdhi's - voorstellingen] en doet hij zich in verschillende gedaanten voor in lichamen van een hogere en lagere kwaliteit [vergelijk B.G. 3: 27]. (6) Met het geluk, het ongeluk en de ernstige onmatigheid die in de loop van de tijd als resultaat werd verworven, creëert de inwonende geest, waarmee het eigenlijke levende wezen de geschapen natuur omarmt, zich het vicieuze van materiële handelingen en terugslagen. (7) Om die reden spreken de geleerden van het denken als zijnde de oorzaak van het, in hogere dan wel lagere toestanden, opgaan in de materiële geaardheden waarbij men dan de kwaliteiten ontbeert, en daarvan vormen de voor die tijd gemanifesteerde uiterlijke kenmerken van het levend wezen - van bijvoorbeeld gezet of slank zijn - het bewijs. (8) De aantrekking tot de geaardheden resulteert in de conditioneringen aan de materiële wereld, maar als de geest van het levend wezen er is voor het uiteindelijke goed van het ze ontstijgen is hij als een lamp; een pit die de geklaarde boter geniet leidt verkeerd brandend ongetwijfeld tot een walmende vlam, maar naar behoren brandend in contact met de brandstof van het karma vormt de vlammende, rusteloze geest daarentegen het bewijs van de klare werkelijkheid.

(9) Voorzeker heeft men er de elf van de geest van de vijf zinnen van het handelen, de vijf zintuigen van het waarnemen en de verraderlijkheid [of de valsheid van het ego, het zich met hen identificeren]; van de verschillende handelingen, de verschillende zinsobjecten en de verschillende plaatsen in de stad waar ze zich voordoen - van die elf functies zeggen de geleerden, o held, dat ze de velden van handelen vormen [zie B.G. 13: 1-4]. (10) De reuk, de vorm, de tast, de smaak, en het gehoor [de kennende zinnen]; de uitscheiding, de geslachtsgemeenschap, het zich bewegen, de spraak en de handigheid [de zinnen van handelen] met het elfde element van het aanvaarden van het idee van 'mijn', kent aldus het 'ik' aan dit lichaam toe waarvan sommigen beweerden dat dat het twaalfde element is. (11) Door de elementen, door de natuur zelf, door de cultuur, door het karma en door de tijd, worden al deze elf van de geest omgevormd in de honderden, duizenden en miljoenen van hen, die niet uit elkaar volgen noch uit zichzelf ontstaan, maar van de kenner van het veld afkomstig zijn. (12) De kenner van het veld ziet gezuiverd al deze verschillende activiteiten van de geest van het ongezuiverde individuele wezen in actie, die vanaf de vroegste tijden worden gecreëerd door de uitwendige energie; somtijds gemanifesteerd [als tijdens het waken] en somtijds niet gemanifesteerd [als in dromen]. (13-14) De kenner van het veld is [dan] de alles doorvarende, alomtegenwoordige, authentieke persoon; de Oorspronkelijke, die wordt gezien en waarvan men hoort als bestaand bij Zijn eigen licht; Hij die nimmer geboren is, die de bovenzinnelijke is, de Ene Nârâyana waarin alle wezens rusten, de Allerhoogste Heer, de Ene Vâsudeva haven van bewustzijn; Hij die bij Zijn eigen vermogen in de ziel bestaat als de beheerser, van evenzogoed de lucht als de bewegende en niet bewegende wezens; Hij is de Superziel der expansie die binnenging en dus heerst als de Fortuinlijke in het voorbije en de toevlucht en kenner is van iedereen in ieder bereik; Hij, het vitale zelve dat in deze materiële wereld verscheen [zie ook B.G 9: 10 & 15: 15].

(15) Zolang als de belichaamde, o Koning, niet vrij is van deze invloed van de materiële wereld, door, in vrijheid van gehechtheden, ontwaakt te zijn tot de orde van het kennen van de spirituele waarheid en het overwinnen van de zes vijanden [het denken en de waarnemende zinnen], zal hij tot die tijd rondwaren in deze materiële wereld. (16) Zolang men deze geest heeft, die, als symptoom van de fixatie van de ziel, voor het levend wezen de ontstaansgrond is van al de wereldse misère van het weeklagen, de illusie, de ziekte, de gehechtheid, de hebzucht en de vijandigheid, heeft men de consequentie van het egotisme. (17) Deze geest, die formidabele vijand, is zeer machtig, zich zo ontwikkelend door nalatigheid; hij, die vrij van illusie, het wapen inzet van het eerbetoon aan de voeten van de geestelijk leraar en de Heer, zal het vervalste van het persoonlijke overwinnen dat de ziel heeft overdekt. '

  

Hoofdstuk 12

Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) Rahûgana zei: 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor u als iemand die voortkwam uit de belichaming [van Rishabhadeva, zie 5.4] van de Oorspronkelijke Oorzaak, als iemand die vanuit zijn ware zelf zich afkeert van alle gescheidenheid; mijn respect voor u die als een verzaker van de wereld, in de gedaante van een vriend van de tweemaal geborenen, zijn realisatie van het eeuwige heeft verhuld. (2) U bent als het geneesmiddel voor een door koorts geteisterde zieke, u bent als het koele water voor iemand geplaagd door de zon, voor iemand als ik, wiens zienswijze in dit lichaam is gebeten door de slang van de trots, bent u het elixer van de nectar . (3) Alstublieft, daar ik brand van nieuwsgierigheid, zet het nu mij opnieuw uiteen in eenvoudige bewoordingen, zodat ik een helder beeld kan krijgen van de yoga der zelfrealisatie; dingen van mezelf die daarin niet duidelijk zijn zal ik later aan u voorleggen. (4) Dat wat u gezegd heeft, o Meester van de Yoga, aangaande dat wat duidelijk kan worden onderscheiden als een resultaat van baatzuchtige arbeid [de 'vermoeidheid', zie 5.10: 21], ligt in waarheid besloten in iemands tewerk gaan; het volstaat in feite geheel niet voor een onderzoek naar de uiteindelijke werkelijkheid - uwe goedheid heeft in dezen toelichting verschaffend mijn geest in de war gebracht.'

(5-6) De brahmaan zei: 'Deze persoon, die men ziet als zich rondbewegend over de aarde en die zelf een omvorming is van die aarde, o aardse persoon - om welke reden zou uwe Heerlijkheid, met deze voeten en daarboven deze enkels, kuiten, knieën, dijen, middel, nek, schouders en op die schouders de houten draagstoel waarop degene zit die aldus gekend wordt als de koning van Sauvîra, zo hooghartig staan op een afdwingen met 'ik, de koning van Sindhu' en aldus een gevangene van de valsheid zijn? (7) Hoe beklagenswaardig zijn al deze arme en lijdende mensen die u met geweld oppakte zonder genade te tonen; opsnijdend zeggend 'Ik ben de beschermheer' treedt u op een slechte manier naar voren in het gezelschap der geleerden, door eenvoudigweg grof zijn! (8) Omdat we zonder twijfel verschillend belichaamd zijn als bewegende en niet-bewegende levensvormen, weten we van vernietiging, verschijnen en het reguliere van de natuur, met het ons eenvoudig bewegen in verschillende namen; laten we, uitgaand van een feitelijke omgang hiermee, ons ervan overtuigen wat het is dat de materiële activiteiten teweegbrengt. (9) Vanuit dat gezichtspunt is door de woorden voor rassen en naties het bestaan foutief beschreven; wat men zich in zijn denken voorstelt van de beëindiging, het gezamenlijke en de bijzonderheden van alles wat samengesteld is uit atomaire deeltjes, dekt maar enkel een mindere intelligentie van dat bestaan. (10) Aldus mager zijn, dik, klein of groot, bestaand als individuele levensvormen, levenloze materie of wat voor ander natuurlijk fenomeen nog meer van belang zou zijn, is allemaal onbestendigheid in naam van een zekere rangschikking, tijd en activiteit, een onbestendigheid welke u zou moeten verstaan als zijnde inherent aan de werking van de dualiteit der natuur. (11) Het gekende zoals dat zuiver in zichzelf bestaat vormt het uiteindelijk doel als de Eenheid zonder een binnen of een buiten, als de Absolute Waarheid van het Allerhoogste [brahman], de innerlijke vrede die in een hogere zin wordt gekend als Bhagavân, de Allerhoogste Heer, welke door de geletterden Vâsudeva wordt genoemd [de Ziel van de God vanbinnen, Vishnu, of Heer Krishna als de zoon van Vasudeva].

(12) Beste koning Rahûgana, door boetedoening, door het vereren van beeltenissen of door je materiële activiteiten af te ronden; door iemands huishoudelijk leven, door celibaat en studie of door het zich in verzaking beperken tot het water of het vuur, wordt dit niet geopenbaard - men zal het niet realiseren zonder zich van top tot teen in te wrijven met het stof van de lotusvoeten van de groten! (13) Daar waar men de kwaliteiten van de Ene geprezen in de geschriften opvoert, wordt aan wereldse zorgen een einde gemaakt; dag na dag in volle ernst de aandacht richtend op hen die uit zijn op de bevrijding, raakt de meditatie zuiver en eenvoudig gericht op Vâsudeva. (14) In een voorgaande geboorte stond ik bekend als een koning genaamd Bharata die door persoonlijk inzicht en omgang in aanbidding van de Allerhoogste Heer bevrijding vond; aldus steeds tewerkgaand, werd ik een hert omdat ik, met één intieme omgang hebbend, mijn plichten verwaarloosde. (15) Ondanks dat ik een hert was, o grote held, liet de herinnering aan mijn activiteiten van eerbetoon aan Krishna [de Heer zoals die bekend staat om zijn donkere huid], mij niet in de steek; om die reden houd ik mij uit angst verre van de omgang met het gewone volk en trek ik onopgemerkt rond. (16) Daarvan kan iedere persoon, met behulp van het zwaard van de kennis zich onthechtend en in omgang met goed gezelschap, zelfs in deze wereld, kappen met de illusie; door het luisteren naar en zingen over de verhalen van de handelingen van de Heer, wordt het verloren bewustzijn herwonnen en bereikt men het uiteindelijke doel van het allerhoogste verblijf.'

  

Hoofdstuk 13  

Vervolg van het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) De brahmaan zei: 'Proberend vooruit te komen in het leven, hetgeen moeilijk is in beslag genomen door de illusie, doolt de volijverige, verdeeld in het zorgdragen met de werklast van zijn hartstocht, onwetendheid en goedheid, rond in dit werelds bestaan en is hij, uit op de baten, niet in staat geluk te vinden. (2) O God der mensen, aldaar worden de geconditioneerde zielen die het valse najagen geteisterd door deze zes plunderaars [van het zien, ruiken, proeven, aanraken, horen en overdenken]; met alle macht beroven ze als vossen de verzotte strever van zijn hart, precies zoals tijgers lammeren pakken. (3) In de tuinen vol van klimplanten, grassen en struikgewas wordt hij wreed verstoord door stekende muggen, somtijds zichzelf inbeeldend dat hij bij de Gandharva's verwijlt en dan weer in mum van tijd bezeten rakend. (4) Zich van hot naar haar haastend terwille van hun thuis, water en weelde, o Koning, zien ze dàt als hun ziel en zaligheid, en zijn ze, verblind in hun zotheid, bij tijden het spoor bijster vanwege het rokerige stof [van de lust] opgeworpen door een wervelstorm [van een zekere uiterlijkheid]. (5) Geplaagd door het gerucht van onzichtbare krekels in zijn oor, door de geluiden van uilen van streek in zijn geest en hart, en honger lijdend met het zich beroepen op bomen die geen vruchten dragen, jaagt hij soms het water van een luchtspiegeling na. (6) De ene keer afgaand op droogevallen rivieren en voedsel vragend van anderen die ook door hun voorraad heen zijn, lijden ze de andere keer onder de bosbrand van het materieel bestaan en maken ze zich zorgen over wat er terecht kwam van de gekoesterde weelde die door de boeven van de staat werd ingepikt. (7) Bij tijden ervaren ze allen, belast door hun besturende bovengeschikten, droefenis in hun harten en raken ze, weeklagend, verbijsterd buiten zinnen; en zo nu en dan dromen ze er een tijdje van hemelse oorden te zijn binnengegaan waar men geniet als was men gelukkig. (8) Soms rondzwervend worden de voeten van iemand die de heuvels wil beklimmen gepijnigd door doornen en steentjes en is zo iemand neerslachtig met iedere stap die hij doet; en soms ziet iemand met een hongerige maag in het gezin het niet meer zitten en wordt hij kwaad op zijn eigen gezinsleden. (9) Bij tijden aan zijn lot overgelaten in het [materiële] woud [des levens] wordt de geconditioneerde ziel verzwolgen door de python en begrijpt hij er niets meer van; aangevallen door gifslangen en gebeten, gaat hij er soms, gevallen in een ongeziene put, zowaar bij liggen, blind als hij dan is in de diepe duisternis. (10) Soms uitziend naar een beetje seksueel plezier wordt hij door de verontruste bijenkorf van de familie van de dame in kwestie beledigd; of, wat dit soort zaken betreft met veel moeite geld uitgevend om aan zijn gerief te komen, wordt daarna met geweld het voorwerp van zijn begeerte voor zijn neus weggekaapt door iemand anders. (11) Soms ook niet in staat de kou, de hitte, de wind of de regen tegen te gaan, ziet hij het niet meer zitten; en dan weer samen met anderen allerlei kleingoed verkopend, belandt hij in een wederzijdse vijandigheid zo zegt men, vanwege het bedrog voor het profijt. (12) Nu en dan berooid moet hij het daarmee stellen zonder beddegoed, een zitplaats, een huis en de gemakken van een gezin, en klopt hij noodlijdend bij anderen aan; niet krijgend wat hij nodig heeft is hij dan uit op het bezit van anderen en belandt hij zo in oneer. (13) Vanwege financiële transacties met elkaar is er haat en nijd, en met elkaar getrouwd zijnd er materieel op vooruit proberend te gaan, kan dat grote moeilijkheden met zich meebrengen, omdat men, in geldnood de verkeerde aanpak volgend, volledig in verlegenheid komt.

(14) Al degenen die aldus op uiteenlopende wijze in verlegenheid kwamen, moeten op gezette tijden de levenden die hen nabij staan opgeven en dan weer uit zijn op nieuwe geboorten; het eigenbelang behartigend doolt men hier in deze wereld rond en tot op de dag van vandaag is geen van hen die in deze positie verkeren, o held, in staat om het tot het uiteindelijke doel van de yoga [de toegewijde dienst] te brengen. (15) Zij die zonder er veel bij na te denken erin slaagden reuzen van andere helden te overwinnen, zijn allen bevangen in deze wereld door het idee van 'mijn' laten hun leven in de slag met de in het leven geroepen vijandschap - maar ze bereiken niet de werkelijkheid van de staf der verzaking welke, als men vrij van vijandigheid is, wèl leidt tot vervolmaking. (16) Meer en meer gehecht zingen zij die genieten in de armen van hun vrouwen, hun klimplant, soms een vreemd liedje in het verlangen het gezang te horen van een andere vogel; en zo nu en dan ergens het gebrul van de leeuw horend zoeken ze vriendschap met de kraanvogels, de reigers en de gieren. (17) Door hen bedrogen maar geen bevrediging vindend in het contact met de toegewijden, benaderen ze in hun gedrag de apen met wie geassocieerd ze zich nogal op hun gemak voelen met hun zinnen, en elkaar in het gezicht starend naderen ze in vergetelheid de dood. (18) Het er in hun boom van nemend zijn ze, gehecht aan vrouw en kinders en kleinzielig, niet in staat om los te laten vast als ze zitten aan de gevolgen van hun eigen handelingen, daarbij somtijds, in angst verzet voor de olifant van de dood, in een grot in de bergen vallend, en zo daar opgesloten rakend. (19) Op de één of andere manier aan dit gevaar ontsnappend pakken ze wederom, o doder der vijanden, het oude leventje dan weer op, dat pad van genot dat de geconditioneerde ziel onder de invloed van mâyâ begaat, waarin hij er tot aan zijn dood geen zier van begrijpt. (20) Koning Rahûgana, u, zeker eveneens op dit pad van het materiële bestaan, zal, als u eenmaal de roede der bestraffing hebt opgegeven en u zich vriendelijk gedraagt jegens alle wezens, door middel van dienst aan de Heer iemand zijn die zich in zijn geest niet langer voelt aangetrokken tot het onware; maak nu, met het gewette zwaard der kennis in de hand de oversteek naar het allerhoogste van gene zijde!'

(21) De koning zei: 'Helaas, o beste onder de geborenen, wat heeft het voor nut om, geboren in de menselijke gedaante, om enkel van een hogere geboorte te zijn? Er is inderdaad niets superieurs aan als we in een nieuw bestaan niet de weelde kunnen genieten van omgang hebben met de waarlijk groten wiens harten zijn gezuiverd in de glorie van Hrishîkes'a [de Heer en meester der zinnen]. (22) Is het in feite niet wonderlijk volledig bevrijd te zijn door het stof van uw lotusvoeten van liefde en toewijding jegens Adhokshaja [de Heer in het Voorbije], door wiens gezelschap men in een oogwenk bevrijd raakt van alle materiële smetten en eveneens de wortel van het gebrek aan onderscheid dat men heeft met valse argumenten volledig wordt overwonnen? (23) Laat er mijn respectvol eerbetoon zijn jegens de grote persoonlijkheden, of ze nu ten tonele verschijnen als jongens, als jonge mannen of als wereldverzakers; laat, van al die zelfgerealiseerde zielen der bovenzinnelijkheid die deze aarde bewandelen in verschillende gedaanten, er het heil van het geluk zijn voor al de dynastieën!'

(24) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier, o zoon van Uttarâ [Parîkchit], wijdde hij, die zoon der brahmaanse wijsheid, hoewel beledigd, door de kwaliteit van zijn eigen zachtgeaardheid en de superioriteit van zijn spirituele realisatie, voor de heerser van Sindhu uit over de feitelijke werkelijkheid van de ziel; met Rahûgana zo spijtig, was hij wiens lotusvoeten werden aanbeden, van een hart waarin, zoals in een volle oceaan, al de golven van het zinnelijke volledig tot rust werden gebracht terwijl hij zijn rondtrekken over deze aarde vervolgde [vergelijk 3.25: 21]. (25) De koning van Sauvîra zeker van een verheven positie, kwam tot een volledig begrip van de waarheid van de opperziel; in zichzelf slaagde hij er volledig in het begrip op te geven van een lichamelijk zelf dat hij foutief in onwetendheid aan zijn persoon had toegeschreven, en aldus, o Koning, volgde hij trouw het pad der geestelijke erfopvolging vanaf de Heer. '

(26) De Koning [Parîkchit] zei: 'Dat wat u hier zo terzake kundig beschreef, o grootste der wijsheid, in beeldspraken over de individuele ziel zijn pad in het materieel bestaan, is vervat in woorden begrijpelijk voor de geesten der geschoolden, niet zo zeer direct voor de gewone man met minder ervaring; derhalve, voor het heil van een volledig begrip van deze zo moeilijk te bevatten materie, zou u het alstUblieft kunnen beschrijven door ons de exacte betekenis te vertellen?'

  

Hoofdstuk 14  

De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot.

(1) De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan, met name redenerend naar de geaardheden der goedheid en dergelijke, uit van het verkeerde standpunt; soms krijgen ze het gunstige, soms het ongunstige en soms hebben ze een combinatie van beide. Op basis van de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing dat zich kenmerkt door het telkens opnieuw opgeven van het ene lichaam en het weer oppakken van een nieuw lichaam. Op dat moeizame pad zich door het dichte woud van het materiële bestaan bewegend kan het zo gebeuren dat van Vishnu, de Opperheer die de Beheerser is, de gebonden ziel die handelt onder invloed van mâyâ, het illusoire van de materie, in dezen precies als een koopman is met een verlangd object die uit is op het geld. Met zijn lichaam optredend terwille van de baten, ervaart hij de materiële wereld waarin hij is beland als was het een begraafplaats, daar hij tot op dat moment niet succesvol is geweest en allerlei moeilijkheden ondervond in het niet vorderen op de weg van het navolgen der toegewijden, de hommels, aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers die aan de ervaren ellende een einde zouden maken. (2) Op basis van de gegarandeerde activiteit van de zinnen lijdt het geen twijfel dat dezen, met welk klein beetje welvaart ook dat een persoon zich zo plichtsgetrouw verwierf na zo veel zware arbeid, zijn plunderaars zouden kunnen worden genoemd. Zonder pardon plunderen ze de begeertige ziel die de controle kwijt is en op het verkeerde pad is geraakt, met de manier waarop hij het vanuit zijn thuissituatie houdt op zinsbevrediging in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken van al het goed verworven; een kwestie waarvan de wijzen uitroepen dat het, religieus de praktijk der principes aanhoudend, alleen maar leidt tot een beter leven in het hiernamaals als men, met het brengen van offers, trouw is in het aanbidden van de Heer. (3) In dezen doen de leden van zijn familie, beginnend bij zijn vrouw en kinderen, zich voor als tijgers en jakhalzen daar voorzeker, temidden van het gezin dat hij boven alles tracht te beschermen, hij ellendig pogend zijn weelde niet te vergooien, zich als een lam voelt dat gewelddadig wordt gegrepen. (4) Zo zeker als een akker die jaarlijks wordt omgeploegd nog steeds de zaden van de struiken, grassen en het onkruid bevat dat opnieuw, net als in welke tuin ook, opschiet met de ingezaaide planten, zal zich dit zeer zeker ook voordoen in het handelingsgebied van het gezinsleven, als men er niet zeker van is dat alle karma is overwonnen; daarom wordt deze wereld de bewaarplaats van het baatzuchtig verlangen genoemd. (5) Verloren in dat bestaan, zich somtijds op deze materiële weg door het bestaan rondbewegend in de sferen der weelde, wordt hij [die het valse volgt] verstoord door karakters van een laag allooi gelijk aan horzels en muggen en door dieven gelijk aan ratten, sprinkhanen en roofvogels. Vanwege een beluste geest onwetend in haar baatzuchtige motieven, heeft hij op deze menselijke wereld, waarin men nooit zijn doel bereikt, een verkeerde kijk: hij ziet luchtkastelen. (6) Daar [in die menselijke wereld] is hij dan ook, soms alsof hij een fata morgana najaagt in zijn volijver te eten en te drinken en seks te hebben en dergelijke, een libertijn die verslaafd is aan zijn zinnen. (7) Somtijds, als iemand geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel dat eveneens een eindeloze bron van fouten is, probeert hij zich goud toe te eigenen, precies als iemand die op zoek naar een vuur een oplichtend dwaallicht aan het volgen is. (8) Op deze manier wordt een persoon in dit materiële woud bij tijden volledig in beslag genomen in het zich van hot naar haar spoeden terwille van de verschillende zaken van een plaats om te leven, water en weelde, die voor het levensonderhoud noodzakelijk worden geacht. (9) Soms beklimt hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, een verleidelijke vrouw; in een totaal veronachtzamen van een hogere kijk verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid van de zon en de maan, iedere notie in zijn overmand zijn door een geest vol lust. (10) Zo nu en dan, voor een ogenblik, ontwaakt hij voor de werkelijkheid van de betekenisloosheid van het lichamelijk begrip van zichzelf dat zijn heugenis vernietigde en waarvan hij zeker op de voorwerpen van zijn zinnen uitwas als betrof het het water van een luchtspiegeling. (11) Soms, precies als met de doordringende, herhaalde, typische, geluiden van uilen en krekels, is er direct of indirect de irritatie opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden het oor en het hart verdriet bezorgen. (12) Als de geconditioneerde ziel [dat wat hij verkreeg door] zijn goede daden in zijn voorgaande leven(s) heeft uitgeput en te dien tijde de rijken benadert met hun dode zielen, dan is hij zelve vanbinnen net zo dood, daar ze gelijk de kâraskara, kâkatunda en dergelijke [niet vruchtdragende bomen] zijn; net als bedorven putten, zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken. (13) Zo gauw hij, in minachting voor het gezag, uit is op de omgang met het onware, gedraagt hij zich alsof hij in ondiepe wateren duikt en begeeft hij, vanaf welke kant hij de prong ook waagt, zich op het pad der goddeloosheid, ondanks het leed dat dat met zich meebrengt. (14) Als hij, andere plannen ten spijt armlastig zijnde, blind voor zichzelf van zijn vader en zijn zoons niet zijn deel kan krijgen, zal hij dan zeker met zijn familie en verwanten moeilijk doen over zaken zo onbeduidend als een grasspriet. (15) Bij tijden het leven thuis ervarend als een bosbrand die niets goeds oplevert en alleen maar meer en meer verdriet bezorgt, belandt hij, verteerd door het vuur van verdriet, in de diepste ontgoocheling. (16) Soms door een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, wordt de gekoesterde weelde weggekaapt en blijft hij, verstoken van heel zijn goede leventje, achter als een lijk dat zijn laatste levensadem uitblies. (17) Het doet zich ook voor dat hij zich inbeeldt dat het niet langer bestaande van zijn overleden vader en grootvader weer bestaat, en zo denkend vindt hij die de materie najaagt dan het geluk van schijnwerelden. (18) Soms, als een huishouder de gedragsregels volgend voor het baatzuchtig handelen, wil hij de steilste berg beklimmen en weeklaagt hij, heetgebakerd met een geest uit op de materie, alsof hij beland is in een veld vol van doornen en scherpe stenen. (19) Nu en dan niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, raakt zijn geduld op en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden. (20) Hij die zo zeker bij herhaling is verzwolgen door de python van de slaap is, in beslag genomen door onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat, eenzaam in het woud achtergelaten, daar ligt zonder nog langer ook maar iets te weten. (21) Zo nu en dan met zijn tanden gebroken op de afgunst van zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de blinde put der illusie met een bewustzijn dat in verval raakt als gevolg van een uitputtend gepieker. (22) En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete druppels van verlangen van een andere vrouw of de rijkdom van iemand anders, hij zich die toeëigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en aldus beland in een onvergelijkelijk hels bestaan.

(23) Welnu, om deze reden is het zo dat de vedische autoriteit beweert dat het geen twijfel lijdt dat het baatzuchtig handelen van een levend wezen er de reden van is dat hij vastzit in deze oceaan der materie. (24) Daarvan vrijgekomen, als hij erin slaagt aan de bestraffing te ontkomen, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt op zijn beurt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] dat hem weer afhandig, en aldus gaat de rijkdom van de een over naar de ander. (25) Het doet zich ook voor dat men door de verschillende oorzaken der natuur, zoals hitte en kou, van andere levende wezens en van het eigen lichaam en de eigen geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8] men niet in staat is de ellendige omstandigheden het hoofd te bieden, zodat men zwaar gehinderd blijft zitten met angsten en depressies. (26) Soms, handel drijvend met elkaar, ontstaat er, om het kleinste beetje geld of kleinigheidje zich toegeëigend, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege het bedrog. (27) Op die weg van het materieel bestaan treft men al deze eindeloze moeilijkheden aan die men zo heeft met geluk, ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood enzovoorts. (28) Ergens, onder de invloed van de bedrieglijke energie, mâyâ, raakt hij, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgaan van alle intelligentie en wijsheid; in de wens haar te behagen en voor haar een geschikte woning te regelen, vergrooft zijn hart in die zorg en wordt zijn bewustzijn in beslag genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoons en dochters onder de hoede van moeder de vrouw. De controle over zichzelf kwijt wordt hij in de eindeloze duisternis van een leven in onwetendheid geworpen.

(29) Zo gebeurt het dat van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn cakra of schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van het ronddraaien ervan, waarmee na de nodige tijd, gezwind voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Direct voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men zeker bang van hart ['de leeuw']. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt hij voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zijn zelfverzonnen goden die door de geschriften der beschaving worden ontkend en die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien. (30) Als de geconditioneerde ziel door de atheïsten die zelf bedrogen zijn zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt hij zijn heil bij de school der brahmanen, maar met hen als moeilijke mensen geen bevrediging vindend in het goede karakter van het tewerk gaan met de heilige draad naar principe en de Schrift, noch dat vindend in de zekere cultuur van het aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering met het vervullen van de plichten, wendt hij zich tot het gezelschap van werknemers die niet gezuiverd zijn in het zich gedragen naar de vedische voorschriften, en van hen in een materialistisch seksleven de familie in stand houdend, treft hij zichzelf dan aan in het gezelschap van die lieden die denken dat ze zich hebben ontwikkeld uit de apen. (31) In die omstandigheid zonder de geringste twijfel naar eigen gezag genietend als apen traag van begrip, vergeten ze hoe kortstondig het bestaan is in hun, enkel voor het fraaie uiterlijk van elkaar, smachten naar bevrediging en materieel voordeel. (32) Verrukt in hun huizen waarin als in bomen, ze precies als apen naar een groter gemak uitzien, brengen ze hun tijd door met het zorgen voor en plezier maken met hun vrouw en kinderen. (33) Aldus is geconditioneerde ziel gevangen op het pad der zinnelijkheid en verwijlt hij, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis zo diep als die van een berggrot. (34-35) Soms raakt hij [zoals gezegd] door zijn onvermogen het onoverkomelijke van de vele ellende van de hitte en kou der natuur, andere wezens en zijn eigen bestaan, bevangen door droefenis vanwege de zinsbevrediging - ongeacht wat voor beetje weelde hij ook in transacties, soms met bedrog, verworven moge hebben. (36) Nu en dan zonder geld zittend en verstoken van voorzieningen om te slapen, te zitten, en te eten, heeft hij, zo lang als hij niet succesvol is, als gevolg van wat hij in zijn vastbeslotenheid op een oneerlijke manier verwierf, in zijn verlangen, de beledigingen en bestraffingen van de mensen te verduren als gevolg daarvan. (37) Hoewel men zich door financieel bepaalde betrekkingen meer en meer verhoudt in vijandigheid, gaat men niettemin huwelijken aan die daaropvolgend, op die basis van de valse noties, consequent weer in scheidingen eindigen. (38) Op dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd door de ellende van het bestaan, waarbij de geconditioneerde ziel zelf of iemand anders soms denkt gewonnen te hebben en soms denkt het verloren te hebben, verwanten opgevend en nieuw geborenen aanvaardend. Daarin vindt men een hoop verdriet, illusie en vrees, waarover men hardop huilt bij tijden en somtijds in vreugde aan het zingen is. Met uitzondering van de heilige zielen keert die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang, tot op de dag van vandaag zelfs niet terug naar de ene [plaats van God] van waaruit deze materiële levensgang zijn bestaan vond en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt. (39) Niet de instructies van de yoga opvolgend noch dit pad wordt [door hen] dit verblijf nooit verworven, dat door de wijzen, die deemoedig in vrede levend de geest en de zinnen onder controle hebben, met gemak wordt bereikt. (40) Hoe zegerijk ook op allerlei gebied, hoe deskundig ze ook waren in alle offers; allen die waarlijk de wijste koningen waren, waren slechts van de aarde in het laten van hun levens, ze opgevend in de strijd, in het inderdaad gedood worden door de gecreëerde vijandigheid met anderen en door het zeggen van 'mijn' tegen dingen. [vergelijk 1.2: 13]. (41) De toevlucht zoekend van de omhelzing der baatzuchtige arbeid belandt men, met die riskante positie op de een of andere manier gevrijwaard van een hels bestaan, op die wijze zich bevindend op het pad der materiële behartiging, opnieuw in de wereld van het menselijke eigenbelang, ook al schopte men het tot een hoger bestaan.

(42) Er is niet één koning in staat het pad te volgen van dit wat hier is bezongen van die grote ziel Jada Bharata die de zoon is van Rishabhadeva, de grote heilige koning; net zoals een vlieg er niet toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen. (43) Het was hij die de weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf; verzot op Uttamas'loka, de Heer geprezen, verzaakte hij, alsof het uitwerpselen betrof, nog maar in zijn jonge jaren dat wat in de kern van het hart ligt besloten . (44) Voor hen wiens geesten worden aangetrokken tot de liefdevolle dienst aan de doder van Madhu [Krishna] opgebracht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op te geven is, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de Godin van het Geluk kan verlangen en het beste van de genadige blikken van de halfgoden, van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning. (45) 'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de heerser over de Schepping, Nârâyana de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad, zelfs toen hij verkeerde in het lichaam van een hert. (46) Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal langer leven, fortuinlijker zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken of het pad van de bevrijding vinden; het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal voorzeker iemand alle mogelijke zegen brengen en hem in relatie tot anderen niets meer te verlangen overlaten.

 

Hoofdstuk 15  

De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Bharata, die de naam Sumati droeg, zal, door sommige ketters die het pad van Rishabha volgen en wie het ontbreekt aan de nodige beschaving, in dit Kalitijdperk, naar een eigengereid ondeugdelijk idee haaks op de Veda, als een godheid worden voorgesteld [zie ook 5.6: 9]. (2) Door Sumati kwam uit de baarmoeder van zijn vrouw Vriddhasenâ een zoon ter wereld genaamd Devatâjit. (3) Daarna werd uit Âsurî een zoon van Devatâjit geboren met de naam Devadyumna. Van hem was er van Dhenumatî de zoon Parameshthhî van wie uit Suvarcalâ de zoon Pratîha verscheen. (4) Hij, tijdens zijn leven velen onderrichtend in de wetenschap der zelfverwerkelijking, was persoonlijk ver gevorderd in een volmaakt begrip van de grote Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (5) Uit Pratîha's vrouw Suvarcalâ vonden de drie zoons Pratihartâ, Prastotâ en Udgâtâ hun bestaan, die allen bedreven waren in het vedisch ritueel, en van Pratihartâ bracht Stutî de twee zoons Aja en Bhûmâ ter wereld. (6) Van Bhûmâ zijn vrouw Rishikulyâ was er Udgîtha, van hem werd uit Devakulyâ Prastâva geboren, en in Prastâva zijn vrouw Niyutsâ werd de zoon Vibhu verwekt. Uit Vibhu zijn echtgenote Ratî werd eveneens Prithushena geboren uit wie Nakta uit Âkûti werd geboren. Van Nakta was er een zoon uit Druti: Gaya. Hij was een hoogst verheven wijze koning vermaard om zijn zedelijkheid daar hij rechtstreeks zijn geboorte vond uit de Allerhoogste Heer Vishnu met als doel de hele wereld te beschermen. Hij, verwekt uit zuivere goedheid, werd herkend als onlosmakelijk deel uitmakend [kalâ] van de Allerhoogste Ziel en bereikte het de leidende persoonlijkheid [de mahâpurusha] te zijn in de samenleving. (7) Waarheidlievend in zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn onderdanen ze onderhoudend [poshana]; hij maakte hen in alle opzichten gelukkig [prînana] ze behandelend als zijn kinderen [upalâlana], bij tijden ze terechtwijzend als hun koning [anus'âsana]. Hij voerde in ieder opzicht al de voorgeschreven religieuze ceremoniën uit voor de Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en levensbron van alle wezens, het Allerhoogste Brahman. Door zijn overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten, en door zijn dienst aan de lotusvoeten der zelfgerealisee rden, bracht hij het tot de toegewijde dienst aan de Opperheer daar hij, eveneens in het zuiverste bewustzijn voortdurend in zichzelf verzonken zijnd, persoonlijk de beëindiging had gerealiseerd van alle identificatie met zijn materiële zelf. Ondanks dat hij zich de verhevenheid van zijn spirituele positie bewust was, bleef hij zonder enig vals prestige in zijn op deze manier strikt naar de vedische beginselen heersen over de gehele wereld.'

(8) 'O zoon van Pându, voor het aanprijzen van Gaya zijn het deze poëtische verzen die worden gezongen door hen die thuis zijn in de waarheid van de Purâna: (9) 'Het was koning Gaya die door zijn opvoeren van de rituelen de weg terug naar alle offers wees; door de gehele wereld gerespecteerd vanwege de alomvattendheid van zijn vedisch bewustzijn is hij, als de verdediger der rechtschapenheid met alle soorten van weelde, de voorganger in de vergadering der waarachtigen, en is hij, behalve dat hij integraal deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer, de dienaar der toegewijden en allen daaraan verwant. (10) Alle vrouwen kuis en toegewijd baadden hem, in gewijd water, met grote voldoening als de ware die de zegeningen van de dochters van Daksha verdient; zoals uit de koe van moeder aarde spontaan de melk druppelt, vervulde hij onzelfzuchtig, al de wensen van de mensen op deze planeet. (11) Het zonder eigen verlangens in respect verkeren voor ieder onderdeel van de Veda's, bracht hen alles wat verlangd werd en de gehele royalty, tevreden over de positie die hij had ingenomen ter verdediging van de principes, betoonde hem navenant de eer, precies zoals de brahmanen dat deden met het wijden van één-zesde van hun zegeningen aan zijn leven na zijn dood. (12) Door hem raakte, door zijn werkwijze ten dienste van de Allerhoogste Heer, de Ziel van het Offer, koning Indra zwaar onder invloed van het drinken van alle soma; het resultaat van zijn offeren in aanbidding werd [door Vishnu] persoonlijk aanvaard vanwege zijn zuiverheid in devotie en standvastigheid in toegewijde dienst. (13) Zoals hij, als de handhaver van allen, door de tevredenheid die hij schonk in het offerperk, van Heer Brahmâ af aan al de goden en lagere schepselen, het geheel van de menselijke samenleving en de planten en de grassen zonder omhaal wist te bevredigen, ontleende Hij daadwerkelijk, ook al is Hij in zichzelf volkomen tevreden van aard, grote voldoening aan Gaya.'

(14-15) Uit zijn vrouw Gayantî werden drie zoons Citraratha, Sugati en Avarodhana geboren, uit Citraratha zijn vrouw Ûrnâ werd Samrâth geboren en van hem was er uit Utkalâ Marîci. Uit Marîci's vrouw Bindumatî was er een kind genaamd Bindu en van Bindu zijn vrouw Saraghâ was er een kind genaamd Madhu, waarop van Madhu zijn vrouw Sumanâ er een zoon kwam Vîravrata geheten. Uit Vîravrata's echtgenote Bhojâ werden twee zoons geboren met de namen Manthu en Pramanthu en van Manthu's vrouw Satyâ was er Bhauvana. Van hem werd er uit Dûshanâ een zoon genaamd Tvashthâ geboren, en uit Tvashthâ zijn vrouw Virocanâ was er een zoon genaamd Viraja. Uit Viraja zijn echtgenote Vishûcî namen, met S'atajit aan het hoofd, een honderdtal zonen zowel als een dochter hun geboorte.

(16) Van deze dynastie afstammend van Priyavrata [zie 5.1] is er het volgende vers: 'In zijn vermaardheid is Viraja, die een honderdtal zonen had, een zinnebeeld zo groot als Heer Vishnu dat is voor de halfgoden.'

 

Hoofdstuk 16  

Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

(1) De koning [Parîkchit] zei: 'U heeft het [in 5.1: 31-33] al gehad over de sfeer van de zeven toevluchtsoorden [Bhû-mandala]: dat die zich uitstrekt zo ver als de zon reikt en zover als de maan en de talloze sterren zijn te zien. (2) Omdat Priyavrata in zijn wagen rondging [zie 5.1: 30-31] waren door de zeven groeven de oceanen geschapen die de zeven afzonderlijke eilanden scheidden; dit hebt u duidelijk beschreven o allergrootste en wat betreft dit onderwerp van studie zou ik graag alles willen weten van de afmetingen en de kenmerken in kwestie. (3) Naar de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer in Zijn aanvaarden van de stoffelijke vorm [van het universum] treffen we, ondanks inderdaad de geest daarover, binnenin het hart [als de paramâtmâ] Zijn kleinere gestalte aan als het licht in de ziel, als de allerhoogste geestelijke bestaansvorm; o beste leraar, alstUblieft vertel me hoe Hij, bekend als de Grote Heer Vâsudeva, aldus als een feitelijk iets kan worden verstaan.

(4) De rishi zei: 'O grote Koning, er is geen einde aan de transformaties van de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer; hoewel zelfs niet een persoon zo lang levend als Brahmâ in staat is het in woorden uit te drukken of het zelfs maar te begrijpen, zal ik niettemin trachten uit te leggen wat in het bijzonder van de plaatsen van bestaan in het materiële universum in één [Bhûloka] kan worden gezegd in termen van namen, vormen en verhoudingen. (5) Wat ook [men zou kunnen zeggen van de afmeting] van dit afgezonderde gebied ['eiland' of dvîpa], deze innerlijke werveling van de zich in de nacht ontvouwende lotusbloem die net zo rond is als een lotusblad, zou van een schrikwekkend aantal yojana's zijn [als maat voor de afstand, lichtjaren zoals we dat dezer dagen zeggen in relatie tot het sterrenstelsel]. (6) Daarin treft men negen onderverdelingen aan ['jaren' of 'gebieden gescheiden door bergen'; varsha's] van negen keer duizend yojana's die keurig zijn afgescheiden door acht afgrenzingen van steen ['bergketens', 'spiraalarmen' of giri]. (7) Onder dezen bevindt zich een afdeling in de middelste navel genaamd Ilâvrita die er geheel goud uitziet en bekend staat als de beroemdste aller bergen, de berg Meru, die zich zo ver naar boven uitstrekt als die, als een gebied, breed is en welke van dit lotusachtig ontvouwen universum het zaadbeginsel is dat een tweeëndertigduizend yojana's aan de basis beslaat met zo'n zestienduizend yojana's reikend naar de top en naar beneden[volgens de moderne astronomie is ons sterrenstelsel ongeveer zevenduizend lichtjaren dik]. (8) Zich meer en meer ten noorden van Ilâvrita uitstrekkend [geprojecteerd op de aardbol] treft men drie berggebieden aan genaamd Nîla, S'veta en S'ringavân, die ieder ééntiende kleiner zijn in hun afbakenen van de varsha's Ramyaka, Hiranmaya en Kuru, die, [naar verhouding] elk tweeduizend yojana's breed, ten oosten en ten westen zich uitstrekkend de Kshâroda oceaan hebben [de 'zoute']. (9) Dienovereenkomstig zijn er ten zuiden van Ilâvrita de Nishadha, Hemakûtha en Himâlaya berggebieden die zich met een massa van duizenden yojana's naar het oosten uitstrekken en daarbij eenzelfde aantal varsha's afbakenen die Hari, Kimpurusha en Bhârata worden genoemd. (10) Net zo zijn er ten westen van Ilâvrita zowel als aan de oostelijke kant de afscheidingen van de westelijke Mâlyavân en de oostelijke Gandhamâdana berggebieden die voor een [verhoudingsgewijze] tweeduizend yojana's zich naar het noorden uitstrekken tot aan de berg Nîla en naar het zuiden tot aan de berg Nishadha en zo de begrenzing vormen van de varsha's genaamd Ketumâla en Bhadras'va. (11) De bergen genaamd de Mandara, Merumandara, Supârs'va en de Kumuda vormen aan vier kanten een gordel rondom Meru die zich massief voor vele vele yojana's uitstrekt.

(12) Op deze vier bergen treft men er staand als vlaggenmasten, verspreid over wel duizend yojana's, vier soorten van de beste der bomen aan: de mango, de roosappel, de kadamba en de banyan, die met hun takken honderden van yojana's bedekken. (13-14) Er zijn daar vier meren van het zuiverste water, melk, honing, en suikerrietsap alsook de vier tuinen Nandâna, Caitraratha, Vaibhrâjaka en Sarvatobhadra - de goddelijken die daar verblijven met het genieten van dit alles, hebben een natuurlijke beheersing van de yoga, o beste der Bharata dynastie. (15) Daar houden de betoverde en betoverende echtgenotes van de besten van hen, van inderdaad de echtgenoten die door de mindere goden worden verheerlijkt in lofzangen, zich bezig met hun spel en vermaak. (16) Op de hellingen van de Mandara vallen, op elfhonderd [virtuele] yojana's van de top, van de mangoboom genaamd de Devacûta vruchten naar beneden zoet als nectar die zo groot zijn als bergtoppen. (17) Van al de opengebarsten mango's vloeit in grote hoeveelheden het roodkleurig sap dat zeer zoet is en geurig, vermengd als het is met andere aroma's; het komt aan de oostelijke kant van de top van de berg Mandara naar beneden in een rivier genaamd de Arunodâ. (18) Van Bhavânî [de vrouw van S'iva], haar dienstmaagden en de kuise vrouwen der Yaksha's [S'iva's volgelingen] die dit water gebruiken, wordt de wind in aanraking met hun ledematen geurig voor wel tien yojana's in de wijde omtrek. (19) Dienovereenkomstig vloeit van de roosappelvruchten die met hun kleine zaden in stukken zijn gebarsten door van een hoogte van zo'n tienduizend yojana's vanaf de top van de Merumandara op de grond te vallen, het sap naar beneden in een rivier de Jambû-nadî genaamd die stroomt door het gehele zuidelijke gebied van Ilâvrita zelf. (20-21) De modder van de beide oevers, die volledig doordrenkt is met dat sap, levert, opgedroogd onder de invloed van de wind en de zon, zonder ophouden een soort van goud op genaamd Jâmbû-nada, dat, door de bewoners van de hemel gebruikt, daadwerkelijk de halfgoden met hun eeuwig jeugdige echtgenotes het bezit van allerlei soorten van sieraden verschaft in de vorm van gordels, helmen, armbanden en zo meer. (22) Maar van de mahâkadamba die aan de kant van de Supârs'va berg staat vloeien uit de holten meters brede stromen van honing [vijf vyâma's van ongeveer anderhalve meter breed] die van de top van die bergen naar beneden komen om de gehele westelijke kant van Ilâvrita te verzadigen met hun geur. (23) Die stroom parfumeert zodoende, door de adem uit de monden van hen die ervan dronken, de lucht zoet voor zo'n honderd yojana's in de omtrek. (24) Zo ook stromen van de top van de berg de Kumuda, waarop een banyanboom groeit die met zijn dikke stammen de S'atavals'a ['honderdstam'] wordt genoemd, grote rivieren naar de noordelijke zijde van Ilâvrita, die gelukkig maken in het vervullen van alle verlangens door een overvloed aan melk, yoghurt, honing, geklaarde boter, stroop, graan enzovoorts met zich mee te brengen, zowel als een zekere weelde aan kledij, beddengoed, zitplaatsen, sieraden en meer van dat alles. (25) Van deze geneugten hebben de bewoners in het volle gebruik van hen voorzeker nooit te lijden onder rimpels, grijs haar, vermoeidheid, slecht ruikende transpiratie, ouderdom, ziekten, een vroegtijdige dood, kou of hitte, een afnemende luister of welke soort van ellende en lijden dan ook; zolang ze leven zijn ze enkel van een onbeperkt geluk.

(26) Als de bloemdelen van een lotus wervelt zich rondom de voet van de berg Meru een schikking van twintig of meer pieken die namen dragen als de Kuranga, Kurara, Kusumbha, Vaikanka, Trikûtha, S'is'ira, Patanga, Rucaka, Nishadha, Sinîvâsa, Kapila, S'ankha, Vaidûrya, Jârudhi, Hamsa, Rishabha, Nâga, Kâlañjara en de Nârada. (27) De berg Meru met zijn gouden schittering als vuur, is omgeven door acht bergen waarvan de twee in het oosten de Jathhara en de Devakûtha worden genoemd, de twee in het westen de Pavana en de Pâriyâtra, de twee in het zuiden de Kailâsa en de Karavîra en de twee in het noorden de Tris'ringa en de Makara. Een ieder hebben ze een omvang van [een hemelse] tweeduizend yojana's, waarbij ze samen zo'n achttienduizend vierkante yojana's bestrijken. (28) Op de top van de berg Meru bevindt zich in het midden de thuishaven, de stad van de meest machtige die uit zichzelf ontstond [Heer Brahmâ], die zich naar alle zijden voor vele duizenden yojana's uitstrekt [onze melkweg doet dat voor zo'n zesentwintigduizend lichtjaren naar de centrale vorm en 40 tot 60 duizend lichtjaren in diameter, vergelijk vers 7] en waarvan de wijzen zeggen dat ze geheel en al goud is. (29) Rondom die kern worden in iedere richting de acht steden van de heersers over de planetaire systemen aangetroffen (*) die vier keer zo klein zijnde een gelijksoortige vorm hebben.

* De plaats van Brahmâ wordt Manovatî genoemd, en die van zijn assistenten zoals Indra en Agni staan bekend als Âmarâvatî, Tejovatî, Samyamanî, Krishnânganâ, S'raddhâvatî, Gandhavatî, Mahodayâ en Yas'ovatî.

 

Hoofdstuk 17  

Hoe de Ganges naar Beneden Komt

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de incarnatie van Heer Vishnu, die rechtstreeks de genieter van alle offers is, Zijn tweede stap nam [als Heer Vâmana, zie 2.7: 17], stootte Hij met de nagel van de grote teen van Zijn linker voet door het hemeldak van het universum. De stroom water die vanbuiten door het gat naar binnen kwam vernietigt, roze gekleurd door het wegwassen van het rode poeder van Zijn lotusvoeten, de zonden van de hele wereld die er mee in aanraking komt; omdat het rechtstreeks van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer komt, wordt het omschreven als volkomen zuiver en krijgt het aldus die naam [de Ganges als de Vishnupadî], na een lange tijd, uit de hemel te zijn neergedaald op het hoofd van dat wat ze de toevlucht van Vishnu noemen. (2) Daar, op dat punt, baadt zowaar onze meest verheven, vast overtuigde toegewijde, de beroemde zoon [Dhruva, zie 4: 8] van Uttânapâda, zich in het water van de lotusvoeten van de familie-godheid, waarbij de beide bloemgelijke geloken ogen tranen vertonen als teken van de extase in zijn lichaam. Met de grote angst in zijn hart goeddeels verzacht en zijn spontane toegewijde dienst aan de Heer steeds meer toenemend, draagt hij met het water vrij van smetten dat vrijkomt, het zelfs nu nog met grote eerbied op zijn hoofd. (3) Daarna dragen ook de zeven wijzen [Marîci, Vasishthha, Atri en zo verder, zie 3-12: 22], wel bekend met de zegening, het zelfs op dit moment met de grootste eer op hun samengeklitte haar; ze beschouwen inderdaad, van alle boetedoeningen, het als de allerhoogste vervolmaking om dermate van een ononderbroken toegewijde dienst te zijn in de bhakti-yoga met de Allerhoogste Heer, de alles doorvarende Vâsudeva. Door eenvoudig het tot deze hoogte te brengen waren ze zeer zeker zonder enige interesse voor welke andere vorm van realisatie van de perfectie ook, zoals een [nirvis'esha-vâdi, of onpersoonlijke] bevrijding, of voor dat wat door personen wordt verkregen door andere manieren om de bevrijding te vinden [zoals economische ontwikkeling, zinsbevrediging of religie]. (4) Daarna valt het neer op de verblijfplaats van Brahmâ, in haar nederdalen de sfeer van de maan overspoelend waar de duizenden en miljoenen van de soorten van goddelijke paleizen [vimâna's, of: 'vliegtuigen' genaamd] van de goden in hun verheven leven zich samenpakken. (5) Daar wordt het verdeeld in vier takken die ieder overvloedig in de vier windrichtingen stromen op weg naar hun grote vergaarbekken de oceaan, daarin uitkomend met de namen Sîtâ en Alakanandâ, Cakshu en Bhadra. (6) De Sîtâ die haar oorsprong vindt in de stad van Brahmâ, stroomt van de toppen van de Kesarâcala en van andere grote bergen naar beneden. Gevallen op de top van de berg Gandhamâdana mondt ze in de provincie Bhadrâs'va in westelijke richting bewegend uit in de zoute oceaan. (7) Ook op deze manier naar beneden vallend van de top van de Mâlyavân stroomt het water daarna ongehinderd in de westelijke richting door het land van Ketumâla om aldaar in de oceaan uit te komen. (8) De Bhadrâ, die van de berg Meru naar beneden komt vanaf de top van de berg Kumuda, stroomt in het noorden door de bergen Nîla en S'ringavân om van die pieken in noordelijke richting naar beneden te stromen door het gehele gebied van Kuru om zo de oceaan in het noorden binnen te gaan. (9) Dienovereenkomstig gaat de Alakanandâ vanaf de zuidelijke kant van de Brahmâpuri over vele bergtoppen en stroomt de Ganges met een groter, heftiger geweld, van de Hemakûtha en de Himakûtha naar beneden om Bhârata-varsha van alle kanten te doorsnijden, het zich zuidwaarts bewegen naar de oceaan. Voor degene die in haar stapte om zich te baden is zo het resultaat van grote offers als de As'vamedha en de Râjasûya, bij iedere stap niet moeilijk te verkrijgen.  (10) Vele soorten van andere rivieren en stromen bewegen zich door iedere landstreek en de vele honderden van hen behoort men allen te beschouwen als dochters van de berg Meru. 

(11)Van al deze varsha's is voorzeker het land bekend als Bhârata-varsha [India] het veld waar men aan zijn karma werkt, terwijl de overige andere acht varsha's voor de verdienstelijke lieden van goede daden aangewezen zijn als de hemelse oorden op aarde om van de geneugten des levens te genieten. (12) Daar genieten allen voor duizend jaren hun levens, allen die, net als de goden, zo sterk zijn als duizend olifanten met lichamen als bliksemstralen. Jeugdig en in opwinding over een grote mate aan seksueel genoegen, gaan ze als man en vrouw verbintenissen aan, aan het eind van hun periode van liefde bedrijven een kind verwekkend; ze kennen daar tijden van harmonieus leven, die gelijk zijn aan die men had in Tretâ-Yuga [de periode waarin de mensen vroom leefden]. (13) In ieder van die landen schort het de godgelijke leiders naar hun eigen deugd van dienst nimmer aan kostbaarheden en hebben ze gedurende alle seizoenen bossen bloemen zowel als vruchten waarvan de takken zwaar doorbuigen. De tuinen bij hun vele goddelijke verblijven staan vol met de prachtigste bomen en klimplanten met vele meren van kristalhelder water in de dalen van de berggebieden die hun landen afbakenen. In die meren treft men allerhande geurige, frisse lelies aan met zoemende hommels, gretige grote zwanen, eenden, kraanvogels, en andere watervogels. Ze genieten daar van allerlei watersporten, lustig glimlachend met hun speelse blikken de aantrekkelijke godgelijke vrouwen het hof makend, die zich vrijelijk vermaken met de grootste vreugde, een gretig oog en een bekoorde geest.  (14) Zeker toont de Allerhoogste Heer Narâyâna, de grote persoonlijkheid, genade voor Zijn toegewijden in al deze negen varsha's, door persoonlijk de werkelijkheid van de ziel op te wekken [middels zijn viervoudige gedaante van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zie 4.24: 35-36]; tot op de dag van vandaag verblijft Hij aldus in de nabijheid van Zijn toegewijden om hun dienst te aanvaarden (*). 

(15) In Ilâvrita-varsha is zeker Heer S'iva de enige opperheer; zeker zal iedere andere man behalve Hij, die daar met geweld binnendringt, te weten komen wat tot de vloek van Bhavânî [Zijn echtgenote] leidt, en in een vrouw veranderen; daarover zal ik later uitweiden [zie 9.1]. (16) In het gezelschap van Bhavânî bevinden zich tien biljoen vrouwen door wie de in vieren geëxpandeerde Opperheer altijd wordt gediend. De vierde expansie van de Allerhoogste Heer, die bekend staat als Sankarshana, is voor de gedaante van Zichzelf in de geaardheid duisternis de bron; hij, Heer S'iva, in trance mediterend op Hem, brengt Hem nabij in aanbidding duidelijk het volgende chantend. (17) Het machtige Heerschap zegt: 'Ik buig me voor U o Allerhoogste Heer, o grootste Oorspronkelijke Persoonlijkheid en reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten; U bent de onbegrensde en ongeziene Ene binnen deze wereld die ik aanbid. (18) O aanbiddelijke wiens voeten alle gevaar afwenden; U van wie we al de verschillende vormen van weelde hebben, bent de beste, de uiteindelijke toevlucht onschatbaar voor de toegewijden tot wiens tevredenheid U zich manifesteert in verschillende gedaanten; ik bezing Uw heerlijkheid, U die een einde maakt aan de herhaling van geboorte en dood, U, de Allerhoogste Beheerser, die de oorsprong van de schepping zijt.  (19) Wie van ons die niet de beheersing heeft over het geweld van de woede, maar de ambitie heeft de zinnen te beheersen en controle uit te oefenen, zou niet van aanbidding zijn voor U, wiens visie, Uw blik werpend, nimmer, niet in de geringste mate, is aangedaan door de rusteloze geest naar de kwaliteiten van mâyâ?  (20) Voor iemand met een oog voor het onware doet U zich voor als hebbende koperrode ogen, alsof U beschonken zou zijn onder de invloed van mâyâ, met het gedronken hebben van de honingzoete likeur; het was echter niet vanwege hun verlegenheid dat zij die in de echt verbonden zijn met de duivel van de slang niet in staat waren om door te gaan met het beroeren van Uw voeten - dat was omdat hun zinnen van streek waren. (21) Door U, zo zeggen al de wijzen, wordt de wereld in stand gehouden, geschapen en vernietigd, terwijl U Zelve bestaat zonder deze drie; als de Onbegrensde, tilt U niet zwaarder aan de universa, die zich bevinden op de honderden en duizenden van Uw kragen, dan aan een mosterdzaadje. (22-23) Uit U, van wie er de meest machtige Heer Brahmâ, het begin, de totale energie van de incarnatie van de materiële kwaliteiten is, werd ik geboren die, uitgerust met het drievoudige, vanuit mijn materiële vermogen de zaak kon regelen van al de zinnen, het godgelijke en de materiële elementen. Van U, die grotere werkelijkheid, onder wiens controle alles en wij, de grote persoonlijkheden, staan in een positie als die van een gier die aan een touw vastzit, roepen ik en de verlosten, wij allen, bij Uw genade, de orde uit over de materie en de zinnen in deze materiële wereld. (24) Door de begoochelende energie door U teweeggebracht, die op ieder gegeven moment de knopen van het karma legt, weet een persoon, verbijsterd door de kwaliteiten van de schepping, niet hoe te ontkomen aan de gevangenschap erin; aan die Allerhoogste [waar wij aldus niet buiten kunnen], aan U in wie alles zijn einde en zijn aanvang vindt, mijn respectvolle eerbetoon.'

* In sommige van de sâtvata-tantra's, is er een beschrijving van de negen varsha's en hun heersende Godheid aanbeden in ieder van hen: (1) Vâsudeva, (2) Sankarshana, (3) Pradyumna, (4) Aniruddha, (5) Narâyâna, (6) Nrisimha, (7) Hayagrîva, (8) Mahâvarâha, en (9) Brahmâ.

 

Hoofdstuk 18  

Gebeden tot de Verschillende Avatâra's

(1) S'rî S'uka zei: 'Op dezelfde manier [als Heer S'iva] is de zoon van Dharmarâja, die bekend staat als Bhadras'ravâ, en met hem de leidende edelen en al de mensen van het land van Bhadras'va-varsha, rechtstreeks van aanbidding voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva, in zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie, de incarnatie van Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend heffen zij allen, gefixeerd op het hoogste, deze zang aan. (2) Bhadrasravâ, de heerser spreekt uit: 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer die de bron is van alle religieuze beginselen en die ons van alle materiële smetten zuivert; aan Hem dus ons respectvolle eerbetoon. (3) Helaas! Hoe wonderlijk de wegen van de Heer. Er zeker van dat hij voor de dood komt te staan ziet een persoon dit niettemin niet in en denkt hij aan materieel geluk; hoe onterecht is het dat hij het zo verlangt te genieten van een leven voor zichzelf, terwijl hij zijn vader en zijn zoons cremeert! (4) De grote wijzen houden vast aan hun standpunt dat het geheel van de schepping zonder twijfel vergankelijk is en zo stellen dat ook de filosofen en de geleerden; niettemin raken ze bevangen door illusie, o ongeborene, door Uw uitwendige energie, Uw wonderbaarlijke wegen; voor U als die ongeboren Ene, mijn respect. (5) In de Veda's aangenomen als Zich waarlijk bevindend buiten Uw activiteiten van de schepping, de handhaving en het tot staan brengen van het gehele universum, wekt U, hoewel door hen niet beroerd, bij ons geen verbazing, daar we zijn verbonden in U, de oorspronkelijke oorzaak aller oorzaken en de oorspronkelijke substantie die er in alle opzichten los van staat. (6) Aan het eind van de yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon en van de laagste werelden werden ze door U, de gedaante aannemend van half een paard, half een mens, weer teruggebracht naar de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg; mijn eerbetuigingen voor Hem, voor U wiens besluit nimmer faalt.'

(7) In Hari-varsha, bevindt zich eveneens de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer als God in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die hoogst bevredigende gedaante aannam voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende Canto]. Prahlâda, deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, niet aflatende toegewijde dienst en zij aanbidden Hem onder aanhef van deze lofprijzing: (8) 'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U neer, mijn eerbetuigingen aan de macht aller macht die U bent; alstUblieft manifesteer U volledig - o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn, neemt U alstUblieft het verlangen het onware te genieten weg, o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen; moge er met mijn offerande er de vrijheid van alle angst zijn, ik bidt U o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen. (9) Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, laat allen die aan het aardse zijn gebonden de vrede vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en de geest rust vinden - laat hen de Heer in het voorbije ervaren, geef onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven. (10) Laat er niet de gehechtheid zijn aan thuis, de echtgenote, de kinderen, een banksaldo en vrienden en verwanten; laat ons verkeren met personen die de Heer liefhebben, personen tevreden met de noodzakelijkheden des levens die - in tegenstelling tot hen voor wie de zinnen dierbaar zijn - in het levend voor de ziel, zeer snel van succes zijn. (11) Door het hebben bereikt van de herhaalde omgang met hen wiens invloed van een ongewone aard is en door het in aanraking komen met de heilige plaatsen, worden voorzeker de onzuiverheden van de geest overwonnen; de ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging, zou inderdaad onzuivere zaken niet van dienst zijn - zo gaat het met Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (12) In hen die, met alle goede kwaliteiten, van een onvermengde toegewijde dienst zijn voor de Fortuinlijke, vind men alle halfgoden terug die van respect zijn voor de Heer - maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die niet toegewijd is, die met zijn mentale speculeren zich druk maakt in de richting van het tijdelijke van de wereld? (13) Zo noodzakelijk als water is voor waterdieren is de Heer, de Allerhoogste, het leven en de ziel voor alle belichaamde wezens; als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht blijven aan het huishoudelijk leven dat dan, voor een echtpaar op leeftijd, een vorm van hoogmoed inhoudt. (14) Het huishoudelijk leven is de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood, en moet om deze redenen worden opgegeven middels het eerbetoon aan de voeten van Heer Nrisimhadev, die de toevlucht is om vrij te kunnen zijn van angst in deze wereld.'

(15) In de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] verblijft de Allerhoogste Heer in Ketumâla ter bevrediging van de Godin van het geluk, alsook van de over het land heersende zonen [de dagen] en de dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar] - waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten in een mensenleven zijn. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, belanden, afgedreven, aan het einde van een jaar uit [de baarmoeder] gebannen, erdoor in het werelds ongeluk. (16) Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken en lichtelijk geheven aantrekkelijke wenkbrauwen; goedgunstig met Zijn lotusgelijke gezicht is Hij de Godin van het Geluk en alle zinnen een genoegen. (17) Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin der Schittering in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de echtgenoten, van aanbidding zijnde voor Hem, het volgende gebed aan: (18) 'O Heer, o wijzenlied gezongen, mijn eerbetoon aan U als de Allerhoogste Heer der zinnen, U met achting voor al Uw kwaliteiten en al Uw verscheidenheid, U als de ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie, de Ene bekend als het zestienvoudige (van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest); voor U als de genieter van alle rituelen, de Handhaver en Onderhouder van allen, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Alles-doordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen, de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, mijn respectvolle eerbetuigingen - moge er altijd Uw goede geluk zijn! (19) Voor alle vrouwen van Uw overeenkomst naar de gelofte, bent U de Beheerser van de zinnen die om een echtgenoot wordt gevraagd om voor te zorgen in deze wereld. Als iemand anders voor hen zijn die echtgenoten inderdaad niet in staat de zo geliefde kinderen, weelde en levensduur te beschermen, omdat ze zelf afhankelijk zijn. (20) U zou inderdaad de echtgenoot zijn, vrij van angst en zelfvoorzienend, die ten volle de angstige persoon beschut. Derhalve, omdat U anders van de angst voor elkaar zou zijn, bent U de enige ware; er is waarlijk niets dat men hoger moet achten dan het bereiken van U. (21) Een vrouw die met dat beeld van U vol van verlangen is in de aanbidding van Uw lotusvoeten, wordt door U, ongeacht al die gekoesterde verlangens, beloond in enkel dat verlangen; ziet ze uit naar een andere gunst, dan zal, o mijn Heer, ze breken, pijnlijk getroffen in dat soort van aanbidden met nevenmotieven. (22) De ongeborene [Brahmâ], de beheerser [S'iva] en de andere goden, zowel als de onverlichten, ondergaan zware boete om mijn genade te verwerven; maar omdat ik mijn hart altijd in U heb, zal niemand met een geest die is ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven, tenzij die persoon met zijn ziel en zaligheid van dienst is aan Uw voeten, o Onoverwinnelijke. (23) Ik bidt dat U, o Onfeilbare, de aanbeden lotushand die U legde op de hoofden van de toegewijden ook op mijn hoofd legt; U hebt mijn merkteken op Uw borst o aanbiddelijke, maar dat is misleidend - wie zou met redeneren en argumenteren in staat zijn te doorgronden wat U als de Allerhoogste Beheerser allemaal van ons wilt?'

(24) In Ramyaka werd voorheen door [Vaivasvata] Manu [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] Matsya, de vis-incarnatie, als de Allerhoogste, meest belangrijke Persoon aanbeden; hij, de heerser van dat land is zelfs vandaag de dag nog door zijn toegewijde dienst van aanbidding in dezen met het volgende bidden: (25) 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer in Zijn verschijnen als de eerste incarnatie; mijn respectvolle eerbetoon voor het zuivere der goedheid, de oorsprong van het leven, de bron aller zinnigheid, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht; aan Hem als de grote vis mijn eerbewijzen. (26) Zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig bent U, buiten het zicht van de leiders van al de verschillende werelden, er steeds; door de grootsheid van Uw geluiden wordt de mens, zo uiteenlopend benoemd, als een ledenpop onder Uw controle gebracht, o Allerhoogste Beheerser. (27) De wereldleiders in de politiek lijden onder de koorts der afgunst, zij, los van U ondernemend, of het nu afzonderlijk is of tezamen, trachten ook te beschermen, maar ze zijn er niet toe in staat, welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft. (28) O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten van medicinale kruiden, zich aan het einde van de yuga in de onstuimige golven van het water der vernietiging bevond, behoedde U haar en mij, waarbij U met al Uw macht hoogst grondig tewerk ging, o Ongeborene; U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum biedt ik hier mijn respectvolle eerbetuigingen.'

(29) In Hiranmaya toont de Allerhoogste Heer zich verder in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Van Hem, die meest geliefde belichaming, is Aryamâ, de leider der voorvaderen, tezamen met de mensen van die landstreek, van aanbidding met het zingen van de volgende lofzang (30) 'Mijn Heer, ons respect voor U, als de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, U bent het bovenzinnelijk goede van allen; aan U wiens positie niet te bepalen is, onze hulde. Hoewel U de oudste bent, wordt U door de werking van de tijd niet aangetast; mijn eerbied voor U als de Grote die overal reikt; keer op keer verbuig ik me voor de toevlucht van allen - onze eerbetuigingen gelden U! (31) Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw eigen vermogen en dat gekend wordt in zo vele goddelijke verschijningsvormen, gaat iedere inschatting te boven; en van de poging dat geheel in te schatten als zijnde iets zichtbaars, hebben we het valse - voor U, wiens ware gedaante niet waar te nemen is, buig ik mij. (32) Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; dat wat bestaat als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen; de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten moet aldus, in al zijn verscheidenheid, als één worden gekend. (33) In U, die ontelbaar zijt in het bijzondere van namen en vormen, van verschillende lichaamskenmerken, hebben de geschoolden dit idee van getallen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie; jegens Hem, U die zich aldus onthult in analyse, mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].

(34) Zo ook, bestaat voor eeuwig in het noordelijk gebied genaamd Kuru er de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, in Zijn zwijnen-gedaante [Varâha, zie 3.13], telkens weer opnieuw aanbeden door de godin en deze planeet aarde tezamen met de inwoners van [Uttara-]Kuru, volijverig in toegewijde dienst jegens Hem. Daarbij worden deze Upanishad versregels herhaald: (35) 'Ons respect voor de Allerhoogste Heer wiens ledematen en functies in waarheid worden begrepen door middel van de verschillende mantra's, door de offerandes, door de rituelen en de grote plechtigheden; aan die grote persoonlijkheid, die uitzuiveraar van het karma, mijn eerbetoon; aan Hem, bekend uit de drie voorgaande yuga's ['tri-yuga'], mijn eerbetuigingen. (36) Voor de grote geleerden van scholing is de materiële natuur met haar geaardheden Uw gedaante; precies als met vuur dat zich manifesteert in hout door met een stok rond te draaien, vinden zij op onderzoek uit met hun denken het verborgene van U in hun speurtocht naar de oorzaak; U, die zich manifesterende Ziel, bied, bied ik mijn respect. (37) Van de mâyâ van Uw gedaante opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden heersend over de zinnen, het lichaam, de geldende tijd, door het vals ego en de geaardheden der natuur waargenomen als feitelijkheid, raken zij wiens intelligentie zich stabiliseerde door het zorgvuldig overwegen van al de verschillende onderdelen van het yogasysteem, volledig bevrijd; jegens die Sublieme Ziel mijn respectvolle eerbetoon. (38) U, die in het handhaven, weer terugwinnen en scheppen van het universum er geen verlangens op na houdt; U van wiens overzien van het begeerde, de geaardheden en het illusoire van de materie zich bewegen als ijzer in de buurt van een magnetische steen, gelden mijn eerbetuigingen; U als de getuige van de handelingen en de terugslagen. (39) Voor Hem, die speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele Daitya tegenstander [Hiranyâksha zie 3.19] in het gevecht, uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met mij, de aarde, op de toppen van Zijn slagtanden - voor die Almachtige, verbuig ik mij.'

 

Hoofdstuk 19

De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

(1) S'rî S'uka zei: 'In het land Kimpurusha is de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de oudere broer van Lakshmana, Râmacandra, die Sîtâ zo tevreden stemt; hij die met het volk van Kimpurusha in de toewijding van aanbidding altijd bezig is met de dienst aan Zijn voeten is de verheven en grootste toegewijde Hanumân. (2) Samen met Ârshthishena [de leider van Kimpurusha] aandachtig luisterend naar het loflied op zijn meest goedgunstige Heer en meester zoals gezongen door een gezelschap van Gandharva's, bidt hij [Hanumân] zelf het volgende: (3) 'O mijn Heer, mijn eerbetuigingen aan U als de Lieve Heer waarvan men spreekt in de geschriften, al mijn respect voor U, behept met alle goede kwaliteiten die men aantreft bij de gevorderden, mijn trouw geldt U als de Ene die Zijn zinnen onder controle heeft en Hij die altijd herdacht en aanbeden wordt door de mensen uit alle windstreken; mijn respectbetuiging aan U als de toetssteen der kwaliteit voor iedere zoeker naar de waarheid, ik verbuig me voor U, de grote persoonlijkheid en godheid der brahmanen; aan die Koning der Koningen mijn eerbetoon. (4) Laat mij Hem aanbidden, die transcendentale zuivere, allerhoogste waarheid, die wordt ervaren als het ene lichaam van spiritueel vermogen waarmee de invloed van de geaardheden der natuur teniet wordt gedaan; Hij niet zichtbaar anders dan bij bovenzinnelijkheid, in Zijn natuur onverstoord en voorbij naam en vorm waarlijk vrij van ego, wordt middels een zuiver [natuurlijk, Krishna-]bewustzijn bereikt. (5) Geïncarneerd als een menselijk wezen was Hij voorzeker er niet enkel als de Almachtige om de demon Râvana te doden, maar was Hij er ook om de sterfelijken van deze materiële wereld te onderrichten; om welke andere reden dan het dienen van de tevredenheid van Hem als de geestelijke ziel in eigen persoon, zou er anders al de ellende zijn van Sîtâ's gescheiden zijn van Hem, de Beheerser? (6) Naar waarheid is Hij, de Opperziel en beste vriend der zelfgerealisee rden, nimmer gehecht aan wat dan ook in de drie werelden; Hij is de Allerhoogste Heer, Vâsudeva die in feite nimmer leed onder het gescheiden zijn van Zijn vrouw Sîtâ - noch geldt dat voor Lakshmana, die zeker ook van dat vermogen tot loslaten is. (7) Noch is men door geboorte van het Grootste, noch is men dat door zijn kapitaal, noch is men dat door welsprekendheid, noch door eigen slimmigheid, noch is men dat door zijn lichaamsbouw; alhoewel we helaas maar bosbewoners zijn, aanvaardde Lakshmana's oudere broer ons in vriendschap en werd de oorzaak van het plezier in Hem middels al die andere methoden afgewezen. (8) Derhalve, verlicht of niet, beest of menselijk wezen, een ieder die van de ziel is behoort Râma te aanbidden, de allerbeste die zo makkelijk te behagen is, de Heer die als een menselijk wezen verscheen en zodoende de bewoners van Kosala [Ayodhyâ], noordelijk India, terug naar God leidde.'

(9) Ook in het land Bhârata kent men de Allerhoogste Heer tot aan het einde van het millennium als Nara-Nârâyana; Hij, wiens heerlijkheden ondoorgrondelijk zijn, bewijst Zijn grondeloze genade aan de kandidaten van de zelfverwerkelijking die de verzaking beoefenen die zo bevorderlijk is voor de religie, de kennis der spiritualiteit, de onthechting, het meesterschap van de yoga, de controle over de zinnen en de vrijheid van vals ego. (10) De praktijk van de analytische yoga over hoe men zich God behoort te realiseren, zoals geformuleerd door de Heer [Kapila, zie 3.28 & 29], werd Sâvarni Manu onderwezen door de meest machtige Nârada, die tezamen met de in Bhârata [India] levende navolgers van het systeem van statusoriëntaties [het varnâs'rama-systeem, zie B.G. 4: 13], met grote liefde in vervoering de Heer dient terwijl hij uitroept: (11) 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor U o Heer, meester der zinnen en verpersoonlijking van de vrijheid van gehechtheid, alle eerbewijs aan U die het enige bent wat een man van armoede bezit. U, Nara-Nârâyana, bent de meest verhevene van alle wijzen, de allerhoogste geestelijk leraar van al de paramahamsa's [de zwaan-gelijke gerealiseerde meesters] en de oorspronkelijke onder de zelfverwerkelijkten; keer op keer betoon ik U aldus de eer.' (12) En hij zingt daarbij: 'U bent degene van overzicht werkzaam in deze kosmische schepping; de Ene die er niet aan is gehecht de meester te zijn, noch hebt U, alhoewel U als een menselijk wezen ten tonele verschijnt, te lijden onder honger, dorst en vermoeidheid; noch raakt de visie van U, die alles en allen overziet, ooit onzuiver door de kwaliteiten der materie; jegens U als de onthechte en zuivere getuige die boven alle emotie staat, mijn betoon van respect. (13) O Heer van de Yoga, van dit, wat zo trefzeker werd uitgesproken door de almachtige Heer Brahmâ over hoe volmaakt te volgen naar de beginselen van de yoga, weten we dat iemand die de identificatie met het lichaam heeft opgegeven, ten tijde van zijn dood, met een houding van toewijding, zijn geest moet richten op U als de transcendentie. (14) Een persoon gedreven door verlangen denkt in angst over zijn kinderen, echtgenote en weelde; maar iedere persoon die bekend is met het triviale van zijn aan de tijd gebonden lichaam, beschouwt, vanwege het feit dat het lichaam verloren gaat, dergelijke ondernemingen slechts als tijdverspilling. (15) Derhalve, o meester van ons, o Bovenzinnelijkheid over de zintuigen, bidt ik dat wij, met het illusoire van U, zeer spoedig dit gefixeerde idee van 'ik' en 'mijn' mogen opgeven, dat in verband met de banaliteit van ons materiële voertuig zo moeilijk te overwinnen is; alstUblieft vergun ons de yogawetenschap in relatie tot U, zodat we onze natuur vinden.'

(16) Ook zijn er in dit land Bhârata vele rivieren en bergen als de Malaya, Mangala-prastha, Mainâka, Trikûtha, Rishabha, Kûthaka, Kollaka, Sahya, Devagiri, Rishyamûka, S'rî-s'aila, Venkatha, Mahendra, Vâridhâra, Vindhya, S'uktimân, Rikshagiri, Pâriyâtra, Drona, Citrakûtha, Govardhana, Raivataka, Kakubha, Nîla, Gokâmukha, Indrakîla en Kâmagiri, zowel als honderden en duizenden andere bergpieken; en de grote en kleine rivieren die hun ontstaan vinden op hun hellingen zijn niet te tellen. (17-18) Door al deze wateren van Bhârata vinden de bewoners zuivering van geest, door alleen al hun naam alsook door ze te beroeren. De grote rivieren zijn de Candravasâ, Tâmraparnî, Avathodâ, Kritamâlâ, Vaihâyasî, Kâverî, Venî, Payasvinî, S'arkarâvartâ, TungaBhadra, Krishnâvenyâ, Bhîmarathî, Godâvarî, Nirvindhyâ, Payoshnî, Tâpî, Revâ, Surasâ, Narmadâ, Carmanvatî, Sindhu [de huidige Indus], de twee hoofdrivieren de Andha en de Sona, de Mahânadî, Vedasmriti, Rishikulyâ, Trisâmâ, Kaus'ikî, Mandâkinî, Yamunâ, Sarasvatî, Drishadvatî, Gomatî, Sarayû, Rodhasvatî, Saptavatî, Sushomâ, S'atadrû, Candrabhâgâ, Marudvridhâ, Vitastâ, Asiknî en de Vis'vâ. (19) In deze landstreek leiden de mensen, die daar uit de goedheid, het rode [de hartstocht] en uit de duisternis zijn geboren in een klasse die overeenstemt met hun verworven karma, levens die goddelijk zijn, menselijk of hels; en zo ook zijn er, overeenkomstig wat men in het verleden deed, afgegrensd in de zin van kasten, naar het pad van de bevrijding vele doelen met iedere ziel mogelijk. (20) In relatie tot de Opperheer, die de ziel van gelijkheid in alle levende wezens is en de onafhankelijke, de Superziel Vâsudeva is van de vrijheid boven het denken en de spraak, kan in dezen een ieder, door middel van de verschillende wegen en doelen van de bhakti-yoga, breken met de oorzaak van het gebonden zijn in onwetendheid. Er wordt immers met deze wegen en doelen daadwerkelijk een nauwe betrekking gevonden tussen de persoon en de Allerhoogste Persoonlijkheid, buiten wie er in werkelijkheid geen andere oorzaak te vinden is.'

(21) Het volgende is wat voorzeker door al de halfgoden wordt gezegd: 'Men zegt dat het vanwege al de vrome daden die deze mensen volbrachten is dat de Heer zelve over hen verheugd is en dat ze de maatschappij van het land Bhârata-varsha verwierven. Het is die Heer Mukunda die in feite onze ambitie is; door Hem verwerven wij de dienstbaarheid. (22) Wat loont al die moeite van je bezighouden met rituelen, verzakingen, geloften en liefdadigheden volbracht, of een hemels koninkrijk; het is allemaal van nul en generlei belang als men zich daarbij, als gevolg van zinnelijke onmatigheid, niet de lotusvoeten van Heer Nârâyana herinnert. (23) Van grotere waarde dan het bereiken van een positie van een leven dat eindeloos duurt en vatbaar is voor herhaling [zoals van Brahmâ], is het geboren te zijn in het land Bhârata voor slechts honderd jaren, daar, in een dergelijk kort leven als een sterfelijk mens, het werk gedaan wordt door degenen die daadwerkelijk het leven zelf op zijn waarde weten te schatten; in volledige onthechting, verwerven zij, bevrijd van angst, de Heer Zijn verblijf. (24) Daar waar de zoete stroom van de gesprekken over Vaikunthha niet wordt aangetroffen, noch de toegewijden worden gevonden die, altijd bezig in Zijn dienst, bij Hem hun beschutting vinden, noch de uitvoering plaatsvindt van die offerplechtigheden voor de Heer die ware festiviteiten zijn, dan is, hoewel het een plaats kon zijn bewoond door hemellieden, dat zeker niet een plaats om regelmatig te bezoeken. (25) Als zij die hier een menselijke geboorte verwierven, en alsook zij onder de [elders] levenden die volledig zijn toegerust met alles van de kennis en het handelen, zich ondanks deze verworvenheden niet inzetten voor de positie van het eeuwige, treden dergelijke personen, net als vogels die waren weggetrokken, de gebondenheid weer tegemoet. (26) Met hun geloof zijn ze in de uitvoering van de rituelen verdeeld; met de offerandes gebracht aan de heersende godheid en met het reciteren van de mantra's volgens de geijkte methode, wordt de Ene God afzonderlijk met verschillende namen aangeroepen. Hij, volkomen in Zichzelf, aanvaardt dat allergelukkigst daar Hij de verlener van alle gunsten is in eigen persoon. (27) Hoewel Hij naar waarheid precies dat vergunt waarvoor de mens tot Hem bad, is Hij niet de verlener van gunsten waar men telkens weer opnieuw om vraagt; Hij schenkt persoonlijk, zelfs ongevraagd, aan hen die bezig zijn in Zijn dienst al het gewenste dat zonder ophouden ontspruit aan Zijn lotusvoeten. (28) Als er van ons hier enige verdienste rest van ons volmaakte offeren, grondige bestuderen en goede handelen, laat dat dan leiden tot een geboorte in het land van Bhârata dat ons inspireert de Heer in gedachten te houden heersend over die plaats waar, vanuit de toegewijden, alle geluk zich uitbreidt.'

(29-30) S'rî S'uka vervolgde: 'Wat betreft het continent dat bekend staat als Jambûdvîpa [het euraziatische continent, zie 5-1: 32], o Koning, is er ook, zoals sommige geleerden die op de hoogte zijn dat beweren, sprake van een onderverdeling in acht deelgebieden ['eilanden' in de zin van provincies] van het land welke zich vormde door het rondwroeten van de zoons van Mahârâja Sagara [het indiase deel ofwel Bhârata-varsha], die probeerden het verloren gegane offerpaard weer terug te vinden [zie 9.8]. Ze dragen de volgende namen: Svarnaprastha, Candras'ukla, Âvartana, Ramanaka, Mandara-harina, Pâñcajanya, Simhala en Lankâ. (31) Aldus heb ik u uitgelegd wat de verdelingen van het land Jambûdvîpa zijn, o beste van de nakomelingen van Bharata, zoals over hen aan mij uitleg werd verschaft.

 

Hoofdstuk 20

De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

(1) S'rî S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvîpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5.1: 32]. (2) Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt zij zelf [gezien vanbinnenuit] omringd door een zilte oceaan die evenzo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvîpa Plaksha welke, vernoemd naar de plaksha-boom die zo groot is als een jambû, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvîpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie. (3-4) S'iva, Yavasa, Subhadrâ, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort, waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang: (5) 'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van brahman, van de nectar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sûrya, de God van de Zon.'

(6) Vanaf Plaksha worden op de vijf dvîpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid. (7) Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa die bekend staat als S'âlmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ, zie voetnoot]. (8) Die dvîpa ontleent haar naam aan de s'âlmali-boom zo groot als een plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf. (9) De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta. (10) De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ. (11) De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]: (12) 'Door Zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en Krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.'

(13) Daaropvolgend is er buiten die oceaan van drank even breed en tweemaal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvîpa ervoor, Kus'advîpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvîpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht. (14) De meester van dat eiland, Hiranyaretâ, de zoon van Mahârâja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvîpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva. (15) De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakûtha, Devânîka, Ûrdhvaromâ en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ. (16) Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jâtaveda ['Hij die het Loon toekent']: (17) 'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstUblieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'

(18) Zo wordt, net zoals Kus'advîpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauñcadvîpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauñca wordt aangetroffen die die dvîpa zijn naam gaf. (19) Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kârttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën]. (20) Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, heerser van die dvîpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen evenzo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als de heerser over de varsha. Daarna nam hij zelf toen zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harî, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn. (21) Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ. (22) Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravinas en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water: (23) 'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs; moge het beroeren van dat wat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'

(24) Logisch daaropvolgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvîpa S'âka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yojana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvîpa bezwangert. (25) De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi verdeelde de dvîpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij daar aanstelde als hun leiders. Daarna betrad hij het woud der boete, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer. (26) De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de bergen genaamd Îs'âna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapâla en de Mahânasa, en de rivieren genaamd de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (27) De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dânavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vâyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met: (28) 'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel vanbinnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de lucht in ons handhaaft; alstUblieft leidt ons; daar U over de gehele kosmos heerst.'

(29) Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en vanbuiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ]. (30) Binnen diedvîpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mânasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara]. (31) De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen. (32) De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden dit: (33) 'De gedaante die het allerhoogste brahman onthult, dat wordt verworven door bewust met de illusie om te gaan [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die, vol van geloof, onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.'

(34) Daarbuiten is er een berg genaamd Lokâloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiële en immateriële plaatsen. (35) De aarde van al het land, dat zich bevindt tussen Meru en de Mânasottara keten, is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (36) Door de berg Lokâloka, die de buitenste schil is, worden op deze manier de toeschrijvingen van de werelden gevestigd waar materiële wezens leven en de werelden waar dergelijke wezens niet bestaan. (37) Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4.12: 12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken. (38) De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten, wat betreft hun afmetingen en verschijningsvormen zowel als wat hun situaties betreft, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat, waarvan deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart vormt [van het volledige van alle bestaande materie; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'donkere materie'].

(39) Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmâ], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita gevestigd, die aldus zorgdragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum. (40) Van al zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoere armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, op die grootste van alle bergen Zijn gedaante die overal er omheen bestaat. (41) Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven. (42) De onbewoonde, niet-materiële varsha strekt zich zover buiten Lokâloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft, en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is.

(43) In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (44) Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hiranyagarbha ['het goud vanbinnen' ofwel Brahmâ] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving. (45) Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing alsook helse plaatsen als Atala. (46) De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en het oog van de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en parasiteert.

* Volgens een bepaalde moderne interpretatie hebben deze zeeën betrekking op de lichaamssappen, met de dvîpa's als secties, in de virâth-rûpa universele lichaam van de Heer: Lavana of de zilte zee (urine), suikerrietsap (transpiratie), Surâ of de oceaan van wijn (zinnen), Sarpi of de oceaan van ghee (zaad), Dadhi of karnemelk [wei, yoghurt] (slijm), de oceaan van melk (speeksel), en de zee van zuiver water (tranen).

 

Hoofdstuk 21

De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

(1) S'rî S'uka zei: 'Tot zover slaagde ik erin om duidelijkheid te verschaffen over de schattingen van de afmeting en de kenmerken van de schikking van het gehele universum. (2) De deskundigen zijn in staat een idee te krijgen en uitleg te verschaffen over de vorm van de bol van het uitspansel, die, net als met de twee helften van een tarwekorrel, is verdeeld in de twee aaneensluitende delen van de buitenruimte aan beide zijden. (3) In het midden bevindt zich daar de meest machtige meester van alle heersende hemellichamen, de brandende zon, die met zijn hitte de drie werelden verwarmt en ze met zijn stralen verlicht. De zonneschijf, trekkend door het noorden, door het zuiden of de evenaar passerend, wordt verschillend gekend afhankelijk van zijn traagheid, snelheid of gelijkmatigheid van bewegen. In zijn rijzen, ondergaan of aan de hemel staan in verschillende posities, vormt hij, zoals het is beschikt zich bewegend door de verschillende tekens van de dierenriem, daarbij lange dagen, korte dagen of dagen van gelijke lengte. (4) Als de zon in het eerste teken staat en in het teken in tegenwicht [Mesha en Tulâ, of op de equinoxen], zijn te dien tijde de dagen en nachten van een gelijke lengte, en als hij gaat door de eerste vijf met Stier en Tweelingen op kop lengen [aanvankelijk] voorzeker de dagen zich en bekorten zich de nachten met een half uur per maand [afhankelijk van de breedtegraad]. (5) Als hij zich bevindt in de vijf van Schorpioen zijn de dagen en nachten van het tegengestelde. (6) Totdat de zon door het zuiden gaat zijn de dagen langer en totdat hij door het noorden gaat zijn de nachten langer. (7) Aldus ronddraaiend met een omloop om de Mânasottara bergen van vijfennegentig miljoen honderdduizend yojana's lang, zo stellen de geleerden [zie voetnoot], treft men ten oosten van Meru Devadhânî, de stad van koning Indra aan, ten zuiden ervan die van Yamarâja genaamd Samyamanî, in het westen Nimlocanî van Varuna, en in het noorden die van de maan genaamd Vibhâvarî. Aan alle vier zijden van Meru aldus de zonsopkomst, de zonsondergang, de middag of middernacht uitmakend, geeft hij aanleiding tot de verschillende tijden der levende wezens van actief zijn of het staken van activiteit. (8-9) Zij die daar leven worden, met het zich geplaatst zien in de positie van het midden van de dag, altijd door de zon verwarmd; links van de onbeweeglijke [de berg] en aan de rechterzijde is waar hij zich beweegt van het punt van opkomst naar die positie daar recht tegenover waar hij ongetwijfeld ondergaat. Daar waar men de zon niet langer ziet omdat hij onder is gegaan geeft hij er aanleiding toe dat de mensen gaan slapen terwijl recht tegenover die positie hij er zeker van is de mensen te doen zweten door ze te verhitten. (10) Als hij in vijftien ghathikâ's [zes uur] zich beweegt van de verblijfplaats van Indra naar die van Yamarâja legt hij een afstand af van 23.775.000 yojana's [een kwart van de omtrek]. (11) Vandaar gaat hij op deze manier van waar Varuna verblijft naar het bereik van de maan en dan weer naar de plaats van Indra, waarmede eveneens de andere planeten en sterren met de maan voorop als rijzend en ondergaand in de hemel worden waargenomen. (12) Aldus beweegt het voertuig van de zonnegod, gekend door de drie van de hemel, de aarde en het vitale bereik, in 3.400.800 yojana's per muhûrta [moderne wetenschap: 39.163 miljoen km/uur] zich door de vier verblijfplaatsen. (13) Het heeft slechts één wiel met twaalf spaken [de maanden], zes segmenten [de seizoenen] en de drie gedeelten van de naaf [de kwartalen], die in hun geheel bekend staan als een tropisch jaar [samvatsara]; de as zit vast aan de top van de berg Meru met Mânasottara aan de andere kant. Het wiel van de wagen van de zonnegod zit daar vast ronddraaiend op de bergketen Mânasottara als het wiel van een oliepers. (14) Aan die as, die daar aan zijn basis is verankerd, zit een tweede vast die, net als met de as van een oliepers, een kwart zo lang is. De bovenkant daarvan zit vast aan Dhruvaloka [het midden van de sterrenhemel].

(15) De binnenkant van het voertuig bemeet 3.6 miljoen yojana's in de lengte maar is slechts een kwart zo breed; hij wordt getrokken door zeven paarden vernoemd naar de vedische verzen [Gâyatrî, Brihati, Ushnik, Jagatî, Trishthup, Anushthup en Pankti] die er door Arunadeva voor zijn gespannen met een dissel zo breed als het voertuig, opdat de zonnegod kan worden vervoerd [de eigenlijke diameter van de zon zelf bedraagt 1.392 miljoen kilometer]. (16) Alhoewel Aruna, zeker zich te kwijten van zijn taak als wagenmenner, vóór de zonnegod zit, kijkt hij naar achteren. (17) Daar, tegenover de zonnegod, zijn de zestigduizend duimgrote wijzen van formaat genaamd de Vâlikhilya's, bezig welbespraakt hun gebeden te brengen [zie ook 4.1: 39]. (18) Zo ook aanbidden, met een keur aan namen, veertien anderen, te weten de heiligen, de Gandharva's, Apsara's, Nâga's, Yaksha's, Râkshasa's en de halfgoden, aldus één voor één in zeven groepjes van twee, iedere maand de oppermachtige zonnegod Sûrya, het leven van het universum, die verschillende namen draagt afhankelijk van de verschillende ceremoniën (**). (19) Aldus legt de zonnegod de 95.1 miljoen yojana's van de omtrek van de sfeer der aarde af met een snelheid van tweeduizend en een halve yojana in ongeveer een kshana [± 1,6 sec; zie ook vers 12].

 

Hoofdstuk 22

De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

(1) De koning zei: 'Uwe goddelijkheid beschreef hoe de meest machtige god van de zon de berg Meru en Dhruvaloka rechts van zich latend, beweegt door de verschillende tekens en eveneens, met hen recht voor zich, ze links van zich laat; hoe moeten we dat in alle redelijkheid aannemen?

(2) Daartoe zei hij [S'uka] in heldere bewoordingen: 'Net zoals het, met de bewegingen van kleine mieren op een ronddraaiende pottenbakkersschijf, zeker is dat als gevolg van hun veranderende posities er een verschillende ervaring is, kan men ook rekenen op een dergelijk verschil in het bewegen in verhouding tot Meru en Dhruvaloka [de centrale sterrenhoop en het middelpunt van het sterrenstelsel]: met de sterren, die rondbewegen met het grote wiel van de tijd, bevinden ze zich aan de rechter kant, maar van de individuele bewegingen van de planeten onder leiding van de zon óp dat ronddraaiende wiel van de tijd, wordt de beweging ten opzichte van de sterren en sterrentekens voorzeker anders waargenomen.

(3) Die oorzaak, deze hoogst machtige oorspronkelijke persoon, rechtstreeks waargenomen als Nârâyana de Superziel van de drie Veda's, die er is voor het heil en de karmische zuivering van al de werelden, is de oorzaak waar alle heiligheid en alle vedisch weten navraag naar doet; Hij beschikt de twaalf verdelingen van het jaar en, in overeenstemming met wat voorheen werd genoten, de verschillende kwaliteiten naar het zesvoudige van de seizoenen beginnende met de lente. (4) Alle mensen alhier die, van het drievoudige van de vedische kennis en de hogere of meer aardse gedragingen van de statusoriëntaties, dit van hem navolgen, bereiken moeiteloos het uiteindelijke levensgoed, met het overeenkomstig hun karma van aanbidding zijn en naar hun geloof groeien in de yoga. (5) Om die reden is Hij deze levende kracht van al de drie werelden die, tussen het hogere en het lagere van het universum, zich bevinden in de buitenruimte op het wiel van de tijd; in twaalf maanden gaand door de sterrentekens die dienovereenkomstig het jaar verdelen, is er een maand met twee vijftiendaagse perioden die als de dag en de nacht zijn en inderdaad dat deel van het jaar waaraan men denkt als een seizoen dat een zesde van de omloopbaan beslaat of twee en een kwart constellatie, berekend naar de sterren [zo is er dus sprake van twaalf of meer sterrenbeelden, zie ook 3.21: 18]. (6) Zo wordt ook de tijdspanne dat de zon zich door de helft van de buitenruimte beweegt een ayana genoemd. (7) Nu wordt ook van de tijd die de zon, aldus zich langzaam, snel of met gemiddelde snelheid bewegend, er voor nodig heeft om zich in zijn geheel door de hemelsfeer boven en beneden te bewegen, in de praktijk met haar verloop, zoals de geleerden dat zeggen, gesproken van een samvatsara [tropisch jaar], een parivatsara [volledig jaar], een idâvatsara [een lopend jaar] een anuvatsara [een herhaald jaar] en een vatsara [een afzonderlijk jaar].

(8) Door de zonverlichte maan, die zich boven [de aarde] bevindt op zo'n honderdduizend yojana's [de astronomie: ± 385.000 km] en zich veel sneller beweegt [dan de zon], wordt zo het gaan door een jaar van de zon gedekt door het verstrijken van twee vijftiendaagse perioden, wordt in twee en een kwart dag één maand van de zon [of een twaalfde van de hemel] doorlopen en wordt in slechts één enkele dag [het deel van] een vijftiental zonnedagen doorlopen. (9) Zo ook wast de maan, in zijn veranderen van fasen, naar dat deel van de maan dat van de halfgoden is en neemt hij af naar dat deel van de maan dat van de voorvaderen is. Zo verdeelt hij de dagen en nachten van het totaal van alle levende wezens en wordt hij beschouwd als de Jîva of de essentie van hun leven door, de één na de ander, in [ongeveer] dertig muhûrta's [een volledige dag] door een sterrenbeeld te bewegen. (10) Deze maan in al zijn aspecten wordt door de geleerden omschreven als de Allerhoogste Persoon, de godheid heersend over de geest, de krachtbron voor alle voedsel en alle verrukking van het leven en voorzeker als de verfrissende, alles-doordringende levensadem van al de goden, de voorvaderen, alle menselijke wezens en alle levende wezens zoals de zoogdieren, de vogels, de reptielen en de planten.

(11) [Meer dan] tweehonderdduizend yojana's daarachter [achter de maan], Meru rechts latend zijn er, tezamen met de vele sterren die door de Beheerser vastgeklonken zijn aan het wiel van de tijd, de achtentwintig sterren met voorop Abhijit.

(12) Tweehonderdduizend yojana's daaromheen [om het sterrencentrum of de zon, de astronomie: op een afstand van 107 miljoen km] is er Venus, die daadwerkelijk als voor, achter en met de zon meebewegend wordt ervaren en die in zijn bewegingen net als de zon snel, langzaam of met een gemiddelde snelheid ronddraait. Van al de planeten wordt hij geacht zo goed als altijd gunstige omstandigheden te bieden in het veroorzaken van regenval door de manier waarop hij rondtrekt en door zijn neutraliseren van de invloed van de planeten die de regenval tegengaat.

(13) Nog eens tweehonderdduizend yojana's achter Venus [de astronomie: op 57.9 miljoen km van de zon], zo wordt uitgelegd, bevindt zich daar Mercurius, de zoon van de maan; hij werkt vrijwel altijd ten gunste, maar voor de tijd dat hij van de zon afstaat is er bijna altijd een toename van angstwekkende voorvallen als droogten, een gesloten wolkendek en stormachtig weer.

(14) Tweehonderdduizend yojana's buiten onze omloopbaan is er ook Mars [de astronomie: op ongeveer 228 miljoen km van de zon]; met telkens drie vijftiendaagse perioden op een rij gaat hij, als hij geen boog beschrijft, de één na de ander door de twaalf sterrentekens en is hij bij benadering zo goed als altijd een ongunstige planeet die moeilijkheden geeft.

(15) Tweehonderdduizend yojana's voorbij Mars [de astronomie: op 778.3 miljoen km van de zon] is er daar de machtige planeet Jupiter die, als hij geen boog beschrijft, er een jaar voor nodig heeft [parivatsara] om slechts een sterrenteken te doorlopen; voor de brahmanen in het universum blijkt hij altijd zeer gunstig te zijn.

(16) Tweehonderdduizend yojana's achter hem bevindt zich Saturnus [astronomie: op 1.43 biljoen km van de zon], die er een periode van dertig maanden over doet om ieder afzonderlijk sterrenbeeld te passeren en daarbij zo langzaam is dat hij er een gelijk aantal jaren [anuvatsara's] over doet om ze allen te doorlopen; hij inderdaad vrijwel altijd voor iedereen veel moeilijkheden in.

(17) Zo'n 1.1 miljoen yojana's achter die planeet bevinden zich de grote wijzen die waarlijk altijd het goede geluk van de bewoners van alle werelden op het oog hebben; hem rechts van zich latend omtrekken ze de bovenzinnelijke woning van de Allerhoogste Heer Vishnu [het centrum van de sterren].

 

Hoofdstuk 23

Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel.

(1) S'rî S'uka zei: 'Voorbij aan hen [de wijzen] treft men 1.3 miljoen yojana's verderop [astronomie: op 26 duizend lichtjaren van de aarde] dat allerhoogste verblijf, geprezen in de Rig Veda mantra's aan, dat van Vishnu is, de bron van het leven van alle levensvormen die vanaf nu tot aan het einde van de schepping voortleven. Daar inderdaad verwijlt de grote toegewijde Dhruva, de zoon van Uttânapâda wiens grootheid van toegewijd navolgen ik reeds beschreef [zie 4.9]; en eromheen, het rechts van zich latend, houden Agni, de vuurgod, Indra de koning van de hemel, de stamvader de Prajâpati en Kas'yapa zowel als Dharmarâja, in hun zorg over de tijd altijd vol respect vast aan hun imago. (2) Voor al de rusteloze hemellichten zoals daar zijn de planeten en de sterren, is die plaats daar daadwerkelijk als het, door de Beheerser gevestigde, eeuwig oplichtende en stralende draaipunt waarvan de ondoorgrondelijke, alles omvattende macht bij de factor van de tijd wordt gekend als de oorzaak van hun ronddraaien. (3) Net als drie stieren die voor het pletten van rijst zijn vastgemaakt aan een paal in het midden, behouden de hemellichten hun eigen posities in hun omloopbanen gefixeerd op de binnenste en buitenste cirkels van het wiel van de tijd zich rondbewegend, op dezelfde manier zoals de planeten rondom de zon hun posities behouden. Vasthoudend aan Dhruvaloka tot het einde der schepping, draaien ze in de hemel rond als voortgedreven door de wind, net als zware wolken en grote vogels die beheerst door de lucht hun lichamen rondbewegen overeenkomstig hun voorgaande posities. Zo gedragen de hemellichten zich consequent, door de gecombineerde inzet van de materiële natuur en de Oorspronkelijke Persoon, naar hun voorgaande bestaan en komen ze nooit in botsing met de aarde.

(4) Sommigen stellen zich dit grote wiel van planeten en sterren voor in de vorm van een s'is'umâra [een dolfijn] en beschrijven het, geconcentreerd in de yoga, als [het zichtbare van] de Allerhoogste Heer Vâsudeva [zie ook een afbeelding van de sterrenhemel zoals men die feitelijk door een telescoop ziet]. (5) Met Dhruvaloka zich bevindend aan het einde van de staart en met zijn kop naar beneden gebogen, heeft hij zijn lijf in een spiraal gekromd. De Prajâpati, Agni, Indra en Dharma worden op de staart aangetroffen met ook Dhâtâ en Vidhâtâ aan de basis ervan; de zeven wijzen bevinden zich op zijn heup; naar rechts krommend zijn er als zijn afzonderlijke lichaamsdelen de constellaties van de veertien sterren [van Abhijit tot Punarvasu] die de noordgang uitmaken en ter linkerzijde in het noorden zijn er een zelfde aantal van dergelijke sterren [van Pushyâ tot Uttarashâdhâ], die het er tezamen voorzeker uit laten zien als het gekromde lichaam van een dolfijn. Op zijn rug ziet men natuurlijk de eerste drie sterren [Mûlâ, Pûrvasâdhâ en Uttarashâdhâ] en op de buik ziet men de Ganges van de hemel [de band van sterren van het volledige lichaam van de S'is'umâra sterrenhoop die we kennen als de Melkweg]. (6) Punarvasu en Pushyâ maken de lendenen uit rechts en links, Ârdrâ en As'leshâ eveneens ter rechter en linker zijde van zijn vinnen, Abhijit en Uttarashâdhâ zijn het rechter en linker neusgat met als achtereen volgend in de rij S'ravanâ en Pûrvâshâdhâ als de ogen links en rechts; Dhanishthhâ en Mûlâ maken het rechter en het linker oor uit en de acht sterren zoals Maghâ geven de zuidgang aan die moet worden gezien als de ribben links terwijl hetzelfde aantal sterren zoals Mrigas'îrshâ die de noordgang aanduiden er zijn als de ribben die zich bevinden in omgekeerde volgorde rechts. S'atabhishâ en Jyeshthhâ moeten worden gezien in de positie van de rechter en linker schouder. (7) Op de bovenkaak is er Agasti en op de onderkaak is er Yamarâja. Voor de mond is er Mars, voor de genitaliën is er Saturnus, Jupiter is er voor de nek, de zon is er voor de borst, binnenin het hart wordt Heer Nârâyana gevonden en in de geest de maan. Op de navel is er Venus, aan de twee kanten van de borst verblijven de As'vins, Mercurius is er voor de in- en uitgaande adem, Râhu is de hals en de kometen treft men over het gehele lijf aan met de talloze sterren als de poriën.

(8) Deze [vorm van S'is'umâra] is inderdaad voorzeker de gedaante van de Allerhoogste Heer, van Heer Vishnu, die bestaat uit al de halfgoden; het iedere ochtend, middag en avond in acht nemend, moet men in aanbidding mediteren zijn woorden als volgt beheersend: 'Onze eerbetuigingen aan deze rustplaats van al de lichtende werelden, aan de meester der halfgoden, de Grote Persoonlijkheid in de vorm van de Tijd, op wie wij mediteren' [namo jyotih-lokâya kâlâyanâya animishâm pataye mahâ-purushâya abhidhîmahîti, zie ook 2.2: 24] (9) Diegenen die, van die leider der halfgoden die bestaat uit alle planeten en sterren, van die vernietiger van de zonde, de mantra hierboven doen, drie maal hun respect betonend en drie keer mediterend, zullen zeer snel al de zonden beëindigd zien waar ze op dat moment mee zitten.  

N.B: Zie ook de pagina's over galactische tijd (http: //theorderoftime.com/ned/wetenschap/galactisch.html) verder uitweidend over dit onderwerp.  

 

Hoofdstuk 24

De Lagere Werelden

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo is daar ook hij [de maan] die voor de zon schuift [en dan 'Râhu' wordt genoemd] die net als de zon voorbij komt en waarvan sommige geleerden zeggen dat hij, talloze yojana's ['tienduizend'] beneden de zon, voor de tijd van leven van de halfgoden een positie bekleed als een leidende planeet. Over de geboorte en handelingen van de laagste der onwetenden, de zoon van Simhikâ, die persoonlijk de genade verwierf van de Allerhoogste Heer, maar inderdaad niet gekwalificeerd is voor de positie [van leider over deze 'planeet'], zal ik later uitleg verschaffen. (2) Ze schatten in dat de zon tienduizend yojana's breed is, dat de maan twintigduizend yojana's bemeet en dat Râhu dertigduizend yojana's groot is [vergelijk 5.21: 15] en dat hij bij gelegenheid, met kwade bedoelingen de invloed van de zon- en de maangod verdringend, de stralen van het maan- en het zonlicht blokkeert. (3) De Allerhoogste Heer die er is voor beider bescherming gaat tewerk met de allerhoogste aanwezigheid van het wiel van de tijd [de Sudars'ana Cakra] dat men acht als het meest gekoesterde, toegewijde en geliefde wapen dat door zijn macht en ondraaglijke hitte er voor zorgt dat Râhu, met zijn bange geest en bevreesde hart, van die positie wegvlucht waarin hij voor bijna een uur tijds aanwezig is en waarvan de mensen aldus spreken van een zonsverduistering.

(4) Op een evenzo grote afstand bevinden zich daar beneden [vergelijk 5.22: 8] de woonplaatsen van de volmaakten, de vererenswaardigen van de Veda en zij die zich baseren op kennis [de Siddha's, Cârana's en Vidyâdhara's]. (5) In een lagere positie zijn er de plaatsen van zinsbevrediging van de gekken, de bezetenen, de duivelse en soortgelijke types [de Yaksha's, Râkshasa's en Pis'âca's], die zich uitstrekken zover als de wind de wolken wegblaast die men kan zien in de atmosfeer. (6) Onder die atmosfeer die een honderdtal yojana's dik is en dus zo hoog reikt als zwanen, gieren, adelaars en andere vogels van formaat kunnen vliegen, is er daar deze aarde [naar moderne metingen reikt de normale, uniforme atmosfeer tot zo'n 80 km boven de aarde].

(7) Zoals voorheen gezegd [zie 2.1: 26-27] bestaat er voor de planeet aarde, overeenkomstig de schikking van haar verschillende gebieden, een lager bereik van zeven andere sferen van haar lengte en breedte, die de één na de ander zijn gerangschikt met onderliggende afstanden van talloze [meer overdrachtelijke] yojana's. (8) In deze werelden die voorzeker hol zijn ten opzichte van de hemelse werelden bestaat er zelfs een grotere lustervaring en vervoering in weelde; onder de invloed van de dingen der welvaart bieden hun huizen en tuinen de demonen, geesten en slangen der zinsbevrediging beter de gelegenheid. Immer oververheugd uit gehechtheid aan de vrouwen, kinderen, familie, vrienden en volgelingen, zijn de hoofden van de huishoudens, levend in een denkbeeldige hemel, zelfs beter dan zij die van beheersing zijn, de goddelijken, in staat tot een ongehinderde bevrediging van hun verlangens. (9) Aldaar, mijn beste Koning, zijn door mâyâ [de asura architect van de Daitya's] met een ongelovige bedrieglijkheid en een schat aan rijke versieringen, ommuurde steden met poorten gebouwd, welke prima gebouwde prachtige huizen hebben, kantoren, evenementenhallen, scholen en publieke voorzieningen. De land bezittende leiders van dat uiterlijk vertoon daar bewonen de beste huizen die helder glanzen van de sier en die bevolkt zijn door slangengelijke, goddeloze mensen en paartjes duiven, papegaaien en beo's. (10) De tuinen en parken oefenen een grote aantrekkingskracht uit op de geest en de zinnen, genoegen verschaffend met hun massa's bloemen en vruchten waarvan de door klimplanten omhelsde takken van de bomen fraai in aantrekking zwaar naar beneden doorbuigen. Door de pracht van de schakering aan vogels die in paren de vijvers bezoeken vol van sprankelend helder water onrustig van de opspringende vissen, door de lotusbloemen in die wateren, de lelies, de kuvalaya en kahlâra bloemen, de blauwe en rode lotussen en de grootsten van hen met duizenden kelkblaadjes, en door de ononderbroken vreugde van de vele soorten van lieflijk zingende vogels die hun nesten in de bossen bouwden wordt, de schoonheid van de woonplaatsen van de goddelijken overtreffend, het zingenot uitgelokt. (11) Voorzeker maakt men zich er daar geen zorgen over hoe men de tijd indeelt naar de werking van de dag en de nacht. (12) Alle duisternis wordt er verdreven door inderdaad de meest uitgelezen edelstenen op de uitstaande kragen van het grote serpent. (13) Noch maken degenen die daar verblijven, etend, drinkend en zich badend in een hemel aan kruiden, sappen en elixers, zich zorgen over ziekten, geestelijke moeilijkheden, op leeftijd zijn, het hebben van rimpels, grijs haar, etc., of over de ellende van het inboeten aan levenskracht met een afnemende luister, slecht ruikend zweet, vermoeidheid of een gebrek aan energie. (14) Op geen enkele manier is wie ook van de deugdzamen, of zelfs maar de dood zelf, ertoe in staat hen te beïnvloeden, behalve natuurlijk het wapen van de Heer: Zijn machtige wiel van de Tijd. (15) Het is vrijwel altijd uit vrees voor de Heer Zijn cakra-orde dat de echtgenotes van de goddelozen hun foetussen verliezen in miskramen.

(16) Nu dan, in de wereld Atala verblijft Bala de goddeloze zoon van mâyâ en door hem inderdaad worden de negenenzestig soorten van illusie gepropageerd waarvan sommige karakters handig met het illusoire zelfs vandaag nog gebruik maken. Ook werden uit zijn gapende mond de svairinî [klassegetrouwe], kâminî [lustig klasse-ontrouwe] en pums'calî [promiscue] vrouwen gegenereerd die, aldus zo zeker de lagere werelden binnengeleid, voor hun persoonlijke genoegen met oogwenken, glimlachen, praatjes en omhelzingen, de mannen in de stemming brengen om zich naar hun eigen zin uit te leven in seksueel plezier met behulp van een kruid genaamd hâthaka [cannabis indica]. Het wordt gezegd dat een man onder de invloed ervan over zichzelf vol van trots en verbeelding denkt als 'Ik ben de heerser' en 'Ik ben zo sterk als duizend olifanten'.

(17) Daaronder te Vitala, omringd door zijn spookachtige metgezellen, verblijft de meester van het goud, Heer S'iva met zijn vrouw Bhavânî in seksuele vereniging teneinde de bevolking van de schepping van de stamvader te doen toenemen. Van die wereld gaat aldus van de sappen van die vereniging de grote rivier genaamd de Hâthakî uit, waarvan de vuurgod, door de wind helder en zeer krachtig aangewakkerd, ervan drinkend, sissend het goud genaamd Hâthaka uitspuwt, dat er is voor de sieraden die worden gedragen door de mannen en de vrouwen van de huizen van de grote Asura's.

(18) Daaronder die wereld is er op Sutala de zeer gevierde, hoogst zedige en spiritueel gevorderde zoon van Virocana, Bali Mahârâja. Ernaar verlangend de welvaart van koning Indra te realiseren, nam de Allerhoogste Heer van Aditi een lichaam aan, verschijnend in de gedaante van een vâmana, een dwerg. Het was dankzij de grondeloze genade van de Allerhoogste Heer die hem de drie werelden ontfutselde, dat hij zelfs vandaag de dag nog, zeker in de aanbidding door zijn eigen religieuze plicht, onbevreesd blijft jegens de meest vererenswaardige Allerhoogste Persoonlijkheid; hij werd gezegend met het goede geluk van het herwinnen van een zelfs voor de goden van Indra's hemel onvergelijkelijke weelde. (19) Dit was waarlijk niet het rechtstreeks gevolg van het schenken van landerijen; dat wat werd gegeven met het grootste respect, een aandachtige geest en met geloof, in het benaderen van de hoogst geplaatste, de allerhoogste Heer die de meest waardige ontvanger is en de beste offerplaats, het leven en de ziel en hoogste regulator de Heer Vâsudeva van de talloze levensvormen, was rechtstreeks de toegangspoort welke verlossing gaf naar de weelde van de lagere nabootsing der hemel. (20) Hij, van wie een persoon, hulpeloos in uithongering, neergevallen of struikelend en dergelijke, slechts één enkele keer de heilige naam beoefent, wast iemand de gebondenheid van het karma weg, dat anderszins voor personen die verlossing trachten te vinden zo zeer een onvermijdelijk groot struikelblok is. (21) Van al de grote toegewijden en de zelfgerealisee rden van het ware zelf die zichzelf zonder voorbehoud geven, is Hij die Allerhoogste Ziel, het Paramâtmâ. (22) Het is naar waarheid niet vanwege de materiële weelde die aldus zich zeker ontvouwt, dat de Allerhoogste Persoonlijkheid speciaal hem wederom Zijn gunst toonde, daar het beroofd zijn van de heugenis van de ziel een kenmerk is van het in illusie verkeren met de materie, mâyâ. (23) Naar aanleiding van dat wat gedaan werd door de Allerhoogste Heer die langs geen andere weg kan worden waargenomen, namelijk het wegnemen van de drie werelden met behulp van de truc van het bedelen [om drie stappen land] zodat hem niets bleef behalve zijn eigen lichaam - dat toen volledig met de touwen van Varuna werd gebonden en vastgehouden werd in een berggrot - zei hij aldus: (24) 'Hoe betreurenswaardig is het inderdaad dat ik zelf, deze zeer geleerde en naar zijn eigenbelang zeer ervaren Indra van de Hemel, die als zijn eerste minister en ene voorganger Brihaspati verkoos, persoonlijk de Heer in de gedaante van Upendra [Heer Vâmana] negerend, met minachting voor de zekerheid van de eigenlijke zegeningen van het dienen van Zijn Werkelijkheid die voor eeuwig voortduurt, voor zichzelf verzocht om de drie werelden waarvan de waarde zal veranderen na het verloop van een manvantara [een tijdperk van Manu]! (25) Voorzeker werd de dienst aan Hem van onze grootvader [Prahlâda] gretig aanvaard, maar niet het aanbod van de eigendommen van zijn vader [het koninkrijk van Hiranyakas'ipu]; het was niemand anders dan de Allerhoogste Persoonlijkheid die hij aldus wilde, toen die zo zekere toevlucht van het vrij zijn van angst hem werd geboden nadat zijn vader werd gedood door de Allerhoogste Heer [Heer Nrisimhadev]. (26) In andere woorden: wat, naar het verlangen te volgen, is een materieel besmet persoon, die zoals wij verstoken is van de Heer Zijn genade, vergeleken bij die grote navolger op het pad van de toewijding?' (27) Later in de vertelling over hem [zie Canto acht] zal ik uitleggen hoe de Opperheer [Vâmanadeva] als de meester van de drie werelden, Nârâyana in persoon, met een altijd genadevol hart jegens Zijn toegewijden aan de poort staand met de knots in Zijn hand, middels de grote teen van Zijn voet de tien-koppige duivel [bekend als Râvana] die hem wilde overwinnen, op de verst mogelijke afstand van een talloos aantal yojana's plaatste.

(28) Onder Sutala in de wereld Talâtala heerst de Dânava [demonische] koning genaamd mâyâ; door de almachtige Tripurâri [S'iva], de heer der drie steden, werden, het goede geluk van de drie werelden verlangend, zijn steden verbrand; maar op voorspraak van Zijn genade verkreeg hij een koninkrijk als de meester van alle tovenarij en aldus beschermd door Mahâdeva [de grote god die S'iva is], denkt hij dat hij niets te vrezen heeft van de Sudars'ana Cakra [de acute aanwezigheid van de Heer in de vorm van de Tijd] die wordt aanbeden.

(29) Beneden die wereld is er de wereld van Mahâtala die van de afstammelingen van Kadrû is, die een naam genieten als zijnde een stelletje immer kwaaie, veelkragige, wrede slangentypes, zoals daar zijn Kuhaka, Takshaka, Kâlya, en Sushena. Hoogst zinnelijk verkeren ze voortdurend in angst voor de koning van alle vogels [Garuda], de drager van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die ze soms kwaad maakt als ze zich vermaken in het gezelschap van hun vrouwen, kinderen, vrienden en verwanten.

(30) Beneden die wereld gelegen is er Rasâtala die van de Daitya's en Dânava's is [de slechtgeaarde zonen van Diti en Danu] genaamd de Pani's, de Nivâta-kavaca's, de Kâleya's en de Hiranya-puravâsî's; ze zijn zo gezegd van geboorte af aan de zeer wrede en hoogst machtige vijanden van de halfgoden en worden onvermijdelijk verslagen door de macht van de Allerhoogste Heer Hari zo van genade voor al de werelden. Levend gelijk de slangen zijn ze in werkelijkheid bang voor de Koning van de Hemel door de woorden van een mantra van Saramayâ, een vrouwelijke voorstander van Indra.

(31) Onder die wereld is er Pâtâla, de wereld van de meesterslangen; met Vâsuki aan het hoofd zijn er daar S'ankha, Kulika, Mahâs'ankha, S'veta, Dhanañjaya, Dhritarâshthra, S'ankhacûda, Kambala, As'vatara en Devadatta enzovoorts. Allerkortst aangebonden leven ze allen zeer verslingerd aan materieel geluk en hebben ze waarlijk inderdaad vijf, zeven, tien, een honderdtal of duizend kragen, met op hun koppen gefixeerd de kostbaarste edelstenen waarvan de gloed de hechte duisternis van de holen van Pâtâla verdrijft.  

 

Hoofdstuk 25

De Heerlijkheid van Heer Ananta

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een afstand van achtendertigduizend yojana's beneden de basis gevormd door Pâtâla [zie voetnoot *] verblijft Hij die inderdaad het deel van de Allerhoogste Heer is dat betrekking heeft op de duisternis en Ananta [de eeuwige] wordt genoemd; de waarheidlievenden van visie en begrip ontlenen het idee van het zelf-concept van het hebben van een ik, een ego, als een symptoom [van die duisternis] aldus, aan Hem, Sankarshana, zo verklaren de geleerden [zie ook 3.26: 25 en 4.24: 35]. (2) Dit universum is, zoals gezien opgehouden op slechts één van de vele duizenden slangenkragen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van Anantadeva, precies als een wit mosterdzaadje [als een enkel sterrenstelsel onder de vele andere in de diepe ruimte]. (3) Van Zijn verlangen om, na de nodige tijd, met woede deze zo allerprachtigste ronddraaiende wereld te vernietigen, wordt daadwerkelijk van tussen Zijn wenkbrauwen een Rudra [een incarnatie van Heer S'iva] Sânkarshana genaamd [geboren uit Sankarshana] vanwaar uit elf drie-ogige expansies oprezen die puntige drietanden omhooghouden. (4) In de ronde oppervlakten van de schitterende roze edelsteenachtige teennagels van Zijn lotusvoeten zien de leiders van de slang-achtigen, die met de besten der toegewijden in onvermengde toewijding hun gebeden opzenden, bij het schijnsel van de glinsterende oorhangers die hun kaken opsieren, hun eigen gezichten prachtig weerspiegeld en zijn hun geesten waarlijk opgefrist. (5) De huwbare prinsessen van de slangenkoningen die hun hoop op Hem gevestigd hebben, smeren met een zalf van saffraan, aloë en sandelhoutpasta de glanzende rondingen van Zijn goedgunstige mooie, witte, smetteloze armen in die gelijk zuilen van zilver zijn; door het contact slaan als gevolg van de binnenkomst van Cupido hun harten sneller en zien zij, zo bedeesd als lotusbloemen, Zijn goedkeurende, zeer aantrekkelijke delicate, prachtige glimlachen die hen onder de invloed brengen gek van verrukking over zijn rollende, rooddoorlopen en vriendelijk kijkende ogen en gezicht. (6) Die Ananta is voorzeker de Allerhoogste Heer, het reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten en de oorspronkelijke Godheid die met het bedwingen van de kracht van Zijn intolerantie en wrake verblijft terwille van het welzijn van de mensen van alle werelden. (7) Terwijl op Hem voortdurend wordt gemediteerd door de scharen van de verlichten en onverlichten, de semi-goddelijke slang-gelijken, de volmaakten, de zangers der hemel en zij die zich baseren op de kennis en de wijzen, beweegt hij, verrukt onder de invloed, Zijn ogen heen en weer. Met de nectar van een fijne keuze aan woorden en lieflijke zang zijn Zijn metgezellen, de leiders van de verschillende groepen van intelligenten, Hem aan het behagen wiens luister nimmer afneemt, die immer fris is met de geur van de tulasîbloesems die met hun honing de bijen gek maken rondom Zijn aldus nog mooiere Vaijayantî bloemenslinger. Gekleed in het blauw met slechts één oorhanger en de schoonheid van Zijn gelukbrengende handen geplaatst op het handvat van Zijn ploeg houdt Hij, met een gouden gordel om en zo onoverwinnelijk als de olifant van Indra, zich bezig met bovenzinnelijk spel en vermaak als de Allerhoogste Heer in eigen persoon. (8) Zij die uit zijn op de bevrijding en die bij monde van de traditie vernemen over de heerlijkheid van deze ene Heer, vinden de knoop die sedert mensenheugenis door de illusoire energie, bestaande uit hartstocht, goedheid en traagheid, in het onbewuste van het vruchtdragende handelen was gelegd in de kern van hun harten, zeer spoedig doorsneden.

De allermachtigste zoon van Brahmâ, Nârada, samen met zijn instrument de Tumburu, beschrijft Hem in de samenkomst der brahmanen in uitgelezen verzen: (9) 'Door wiens onbegrensde gedaante zonder een begin en door wiens blik, met de goedheid voorop, de geaardheden der materiële natuur in staat werden gesteld op te treden als de primaire oorzaken van schepping, handhaving en vernietiging; Hij die één is van Ziel en divers is in manifestatie, hoe kan Zijn pad met zekerheid worden begrepen? (10) Vanuit Zijn genade voor ons spreidde Hij Zijn bestaan tentoon in verschillende gedaanten als zijnde volledig ontstegen aan deze manifestatie van oorzaak en gevolg; Hij die in Zijn avonturen, voor het geestesoog van Zijn toegewijden, schittert als de meest vrijzinnige en machtige meester aller wezens, leerde ons vrij van materiële zorgen te overwinnen. (11) Welke persoon van lijden ook die er toevallig over hoorde, of welke gevallen ziel ook die enkel maar als tijdverdrijf Zijn naam zong of herhaalde, zal onverwijld het eindeloos zondige van de menselijke samenleving teniet gedaan zien; bij wie anders dan Heer Ananta S'esha zou welke zoeker naar verlossing dan ook zijn toevlucht moeten nemen? (12) Dit universum met zijn bergen, bomen, oceanen en wezens is gelijk een atoom gefixeerd op de kop van Ananta, Hij met de duizenden koppen; wie ook, hoeveel tongen hij ook heeft, is, als gevolg van Zijn ondoorgrondelijke macht, in staat Zijn vermogens op te sommen? (13) Volledig zelfvoorzienend bestaand aan de basis van de lagere werelden is Ananta de zo zeer machtige Allerhoogste Heer van een onoverkomelijke zeggingskracht en is Hij de grote van alle bovenzinnelijke kwaliteiten en heerlijkheid, die op speelse wijze terwille van haar handhaving de aarde voor de val behoed.'

(14) Al de bestemmingen die zij die verlangen naar materiële genoegens, overeenkomstig hun karma, in dit daarnaar gevormde universum kunnen bereiken, zijn aldus naar waarheid zoals het werd doorgegeven beschreven. (15) Zoals u ernaar vroeg, heb ik u getoond, o Koning, wat, naar de mensen hun toeneigingen en aard, de onvermijdelijk resulterende verschillende hogere en lagere soorten van bestemmingen zijn; over wat moet ik u nog meer vertellen?'

* Het vermelden van een afstand in samenhang met de transcendentale werkelijkheid van Ananta suggereert een fysiek correlaat in het universum dat te vergelijken is met de duisternis van de intergalactische ruimte die als een organische bestaansvorm van eeuwigheid, zuiverheid en goddelijkheid of vrijheid van een zelf, al de sterrenstelsels in de kosmos omsluit, een ieder zijn eigen 'slangen'-basis gevend in de duisternis van een ik-besef. De feitelijke, kortste, afstand tussen het centrum van ons sterrenstelsel en de buitenruimte bedraagt ongeveer 3500 lichtjaren.

 

Hoofdstuk 26

De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

(1) De koning zei: 'O grote heilige, van waaruit ontstonden de verscheidene manieren van leven in de verschillende werelden?'

(2) De wijze zei: 'Vanwege de verschillende graden van geloof van hen die bezig zijn met de drie geaardheden der materiële natuur, werd zo het volledige van de resulterende verscheidenheid van bestemmingen mogelijk. (3) Welnu, van de onzedigheid van wat we kennen als verboden handelingen zal er dienovereenkomstig zonder twijfel, afhankelijk van het verschil van geloof van de uitvoerder, er een verschillend gevolg bestaan van het karmisch handelen; laat me u uitleg verschaffen over de omvang van de duizenden helse omstandigheden typisch voor de begeertigen die sedert mensenheugenis uit onwetendheid inderdaad op zoveel verschillende manieren op hun voordeel uit waren.'

(4) De koning zei: 'Wat men alhier de hel noemt, mijn heer, is dat een of andere plaats op aarde of bevindt dat zich buiten de ons bekende werelden, of ergens er tussenin?'

(5) De rishi zei: 'Het wordt aangetroffen tussen de drie werelden in de richting van het lagere bereik, beneden de aarde; ergens boven de causale wateren leven zij, de voorvaderen met Agnishvâttâ aan het hoofd, die in het sturen van hun eigen families in grote verzonkenheid in de waarheid vol verlangen uitzien naar de zegeningen. (6) Aldaar heeft hun heerser, de zoon van de Zonnegod [Yamarâja] zijn koninkrijk; de doden daarheen gebracht door zijn mensen worden overeenkomstig de zwaarte van hun karmische fouten onderworpen aan bestraffingen die door hem ten uitvoer wordt gebracht die met zijn volgelingen nimmer in overtreding is met de Allerhoogste Heer. (7) Sommigen zijn er zeker van daar eenentwintig hellen te tellen, o Koning, waarvan de namen, de vorm en de kenmerken, ik aldus, ze de één na de ander omschrijvend, aan u uiteen zal zetten. Zo zijn er daar: Tâmisra, Andhatâmisra, Raurava, Mahâraurava, Kumbhîpâka, Kâlasûtra, Asipatrâvana, Sûkaramukha, Andhakûpa, Krimibhojana, Sandams'a, Taptasûrmi, Vajrakanthaka-s'âlmalî, Vaitaranî, Pûyoda, Prânarodha, Vis'asana, Lâlâbhaksha, Sârameyâdana, Avîci, Ayahpâna en nog enkelen zoals Kshârakardama, Rakshogana-bhojana, S'ûlaprota, Dandas'ûka, Avatha-nirodhana, Paryâvartana en Sûcîmukha. Deze achtentwintig hellen vormen de verschillende plaatsen van vergelding.

(8) Er is de persoon die, enkel het geld, de vrouw of de kinderen van iemand anders weggenomen hebbend, er van op aan kan, door de angstaanjagende mannen van de dood te worden gebonden met de touwen der tijd en met geweld te worden geworpen in de hel van Tâmisra ['de duisternis'] waar hij moet hongeren, smachten naar water, met stokken wordt geslagen en wordt uitgescholden; het levend wezen verliest, na beland te zijn in die meest duistere omstandigheid, door de zware bestraffingen aldaar ontvangen, bij tijden zijn bewustzijn. (9) Zo is er daar zeker ook Andhatâmisra waar hij, die enkel maar een andere man bedriegt om van zijn vrouw en kinderen te genieten, bij het leven met geweld in wordt geworpen; door almaar in de opperste ellende te verkeren is hij, verloren zijnde in het verliezen van zijn zinnen en inzicht, verworden tot zoiets als een boom die aan de wortel gekapt is; om reden waarvan men spreekt van Andhatâmisra [het 'blinde der duisternis']. (10) Hij die bij zijn leven alhier zijn lichaam ofwel beschouwt als zijn zelf ofwel als zijn eigendom en die zo, afgunstig op anderen zelfzuchtig, dag na dag werkt om enkel zijn eigen gezin te onderhouden, een dergelijke persoon zal, deze wereld eraan gegeven hebbend, voorzeker van die zonde zichzelf zien belanden in Raurava. (11) De wezens die in dit leven door hem kwaad werden aangedaan die in het leven hierna onderworpen is aan de narigheid der inperking, veranderen daadwerkelijk in wilde creaturen die in dezelfde mate hem schade berokkenen; vanwege deze wilde creaturen [genaamd ruru's], die venijniger zijn dan slangen, spreken de geleerden aldus van de naam Raurava [die eveneens betrekking heeft op het angstwekkende, het onstabiele en het onoprechte]. (12) Zo is er de zekerheid van Mahâraurava [het 'grote beest'] waarin een persoon, die alleen maar uit is op het in stand houden van zijn lichaam, wordt geworpen om te worden gedood en opgegeten door de ruru-beesten genaamd kravyâda. (13) Maar een persoon die in dit leven dan wel zeer wreed is jegens dieren of ze levend kookt, wordt, veroordeeld door zelfs de meest wreedaardige menseneters, in zijn volgende leven door de dienaren van Yamarâja geworpen in Kumbhîpâka ['de hel van de kookpot'] om zelf in de kokende olie te worden gesmoord. (14) Maar iedereen alhier die een brahmaan doodt, een dergelijke persoon, zal een hel ingedwongen worden genaamd Kâlasûtra ['de lange spanne tijds'] die met een omtrek van tienduizend yojana's en een oppervlakte van koper, van boven en van onderen door de zon en door vuur wordt verhit. Inwendig geplaagd door honger en dorst en uitwendig verschroeid gaat zijn lichaam er somtijds bij liggen, met dan weer de ledematen bewegend; somtijds staand en dan weer van hot naar haar rennend, voor de duur van evenzovele duizenden jaren als er haren zijn op het lichaam van een beest. (15) En een ieder die, zijn toevlucht nemend tot een systeem van eigen makelij, in dit leven zonder aanwijsbare reden afwijkt van het pad voor hem uitgestippeld in de Veda's, wordt Asi-patravana ingedwongen ['het messcherpe woud']. Aldaar wordt hij geslagen met een zweep zodat hij, met dat in gedachten van hot naar haar hollend, zijn lichaam aan beide zijden snijdt aan de messcherpe randen van palmbladeren; hij die zijn eigen religieuze principes om zeep hielp zal aldus onder het resultaat lijden van het volgen van een atheïstisch pad en in de grootste pijn bij iedere stap struikelen, terwijl hij met zijn verstand kwijt dan denkt: 'O hoe verloren ben ik!' (16) Maar een ieder die in dit leven als een koning of als dienaar van de koning straffen toebedeelt aan een onschuldig man of een brahmaan op zijn lichaam slaat, die allergrootste zondaar zal in zijn leven hierna belanden in de hel van Sûkaramukha ['de zwijnenbek']. Aldaar zullen de verschillende delen van zijn lichaam door de sterke assistenten worden geplet alsof het suikerriet betrof; net als iemand die onschuldig werd ingerekend om te worden bestraft, zal hij, het dan jammerlijk uitschreeuwend, in de waan geraakt, bij tijden het bezwijmen. (17) Een ieder echter die, zoals sommige schepselen die door de Schepper zijn ontworpen om op anderen te parasiteren zonder zich bewust te zijn dat ze pijn veroorzaken, in dit leven zelf pijn veroorzaakt terwijl hij in zijn overlevingsdrang heel goed weet wat hij anderen van God aandoet, belandt in zijn leven hierna in Andhakûpa ['de overwoekerde put']. Daarin zal die persoon inderdaad neervallen overeenkomstig het kwaad dat hij hen, de desbetreffende wezens, de dieren, het wild, de vogels, de slangen, de muggen, de luizen, de wormen en vliegen en wat dies meer zij aandeed; precies als degenen met een inferieur lichaam zal hij in de duisternis overal worden achtervolgd, gekweld en verstoord door hen en ronddolen zonder er in te slagen een rustplaats te vinden. (18) Of een ieder die in zijn leven, zonder het te delen, van alles wat hij bij de genade van God verwierf eet zonder de vijf vormen van offeren [aan de goden, de wijzen, de voorvaderen, de behoeftigen en de dieren], wordt beschouwd als zijnde gelijk aan een kraai; zo iemand zal in het hiernamaals neervallen in de meest abominabele hel van Krimibhojana ['zich met wormen voedend'] alwaar, belandend in een honderdduizend yojana's groot meer vol met wormen, hij als een worm zelf er zeker van kan zijn als voedsel te dienen en zelf te moeten teren op andere wormen voor evenzovele jaren als dat meer groot is. Dàt is de pijn zichzelf bezorgd door hem die zonder boetedoening voedsel eet dat niet wordt gedeeld en geofferd. (19) Een ieder die zonder aanwijsbare redenen in dit leven van diefstal of van geweld is, goud, edelstenen enzovoorts, rovend van een brahmaan of van anderen, die persoon zijn huid, o Koning, zal in zijn leven hierna door de mannen van Yamarâja met roodgloeiende ijzeren ballen en tangen aan stukken worden gescheurd [vanwege de tangen wordt die hel Sandams'a genoemd]. (20) Of een ieder, zowel een man als een vrouw, die in dit leven een ongeschikt iemand van begeerte voor seksuele gemeenschap benadert, zal in zijn leven erna met zwepen worden geslagen en gedwongen worden een zeer heet ijzeren beeld te omhelzen in de vorm van een man als vrouw zijnde en in de vorm van een vrouw als man zijnde [: Taptasûrmi, de hel van 'het roodgloeiende ijzeren beeld']. (21) Een ieder die in dit leven zonder onderscheid seksuele gemeenschap heeft; hij zal in zijn leven hierna in de hel van Vajrakanthaka-s'âlmalî verkeren ['bliksem-scherpe katoenboom doorns'] alwaar opgehangen [aan de doorns] hij dan naar beneden zal worden getrokken. (22) Of personen die in dit leven waarlijk van adel waren of van de overheid, maar ondanks een hoge geboorte de grenzen overschreden van het dharma, zij, gestorven, belanden in Vaitaranî ['de rivier der onbeheerste hartstocht']; gebroken hebbend met de principes van regeren lijden ze in die geul rondom de hel onder bloeddorstige dieren die hen hier en daar in die stroom aanvreten. Niet in staat zich van het lichaam los te maken en gedragen door de vitaliteit van de zonde worden ze dan herinnerd aan hun slechte daden, gepijnigd in de rivier van ontlasting, urine, pus, bloed, haar, nagels, beenderen, merg, vlees en vet. (23) Maar personen die in dit leven inderdaad als echtgenoten van vrouwen van de lagere klasse hun reinheid hebben verloren, hun goede gedrag en geregelde leven, schaamteloos zich als dieren gedragend, zij ook zullen, na gestorven te zijn, in een oceaan vol pus, ontlasting, urine, slijm en speeksel vallen, alleen maar al dat etend wat zo buitengewoon weerzinwekkend is [: de Pûyoda hel der 'stinkende wateren']. (24) Zij echter gelieerd aan het brahmaanse die, in dit leven er honden of ezels op na houdend, er genoegen in scheppen om met ze te gaan jagen om daarbij in overtreding van de regels dieren te doden, zullen na hun dood zelf het doelwit worden van de mannen van Yamarâja die hen zullen doorboren met pijlen [de hel Prânarodha, 'het verstikken van de adem']. (25) En mensen die in dit leven, zo trots op hun weelde en positie, voor hun prestige in offers dieren doden, zij zullen in de volgende wereld neervallen in de hel van Vis'asana ['de slapeloosheid'], waar de helpers van Yamarâja hen zullen doen lijden en hen zullen doden. (26) Maar hij die in dit leven als een persoon van de hogere klasse, begoocheld door zijn lusten de echtgenote van dezelfde kaste zijn zaad doet drinken, zal van die zonde in zijn volgende leven, in een rivier van sperma worden geworpen en er zelf toe worden gedwongen het te drinken [dit is de hel van Lâlâbhaksha, 'sperma als voedsel']. (27) En personen die alhier als ware dieven van brandstichting en gif dorpen plunderden, zowel als zij behorend tot de handelsklasse, de adel en de regeringdie die als zodanig tot hen gerekend moeten worden, zullen voorzeker na te zijn gestorven, worden verslonden door de vraatzuchtige zevenhonderdtwintig machtig gebekte honden van de Yamadûta's [: de hel van Sârameyâdana, 'het hondenmaal']. (28) Hij ook die in dit leven een leugen bezigt of van valse getuigenis is in ruil voor goederen, in het schenken in liefdadigheid of op een andere manier, die persoon inderdaad zal na zijn sterven, met zijn hoofd naar beneden, in vrije val van de top van een honderd yojana hoge berg neer worden gesmeten in de hel van Avîcimat ['verstoken zijn van water']. Daar, waar het kukdroge land van steen is dat golft als water, stert hij, met het lichaam in stukken gebroken, niet, maar wordt hij naar de top gebracht om weer opnieuw naar beneden te vallen. (29) Of als een brahmaan of zijn echtgenote, of wie ook die een gelofte heeft afgelegd, in dit leven sterke drank drinkt; of als iemand van wijsheid, van bestuur of van de handel, bedwelmende dranken gebruikt [soma-rasa], zullen zij allen, naar de hel gevoerd, met de voet op hun borst geplaatst witheet gesmolten ijzer in hun monden gegoten krijgen [: de hel van Ayahpâna, 'de ijzer-drank'].

(30) Daarenboven, is een ieder die ook maar in dit leven met valse trots en zonder veel respect te tonen zichzelf onwaardig betoonde jegens een meer eerbaar iemand van goede geboorte, verzaking, kennis, goed gedrag en trouw aan de principes, iemand die dood is bij het leven die na zijn heengaan, met zijn hoofd eerst, de hel wordt ingegooid van Kshârakardama [de 'poel van bijtende modder'], om daar te lijden onder de meest pijnlijke omstandigheden. (31) En personen die in dit leven als mannen en vrouwen andere mensen offerden in aanbidding [van Kâlî] om ze daarna op te eten, dergelijke moordenaars zullen als beesten worden afgeslacht in het verblijf van Yamarâja, door hen afstraffende Râkshasa's die zijn zoals zij en die ze met zwaarden aan stukken snijden, hun bloed drinken, en daarbij dansen en zingen in verrukking precies zoals zij dat als menseneters zelf deden in de wereld [de hel genaamd Rakshogana-bhojana, 'voer van de duivel zijn']. (32) Personen echter die alhier onschuldige schepselen naar zich toelokten die een onderkomen zochten in het bos of in het dorp, en ze deden geloven dat ze in veiligheid verkeren, maar ze daarentegen pijn bezorgden door ze vast te pinnen als een speeltje op een spies of vast te leggen aan een leiband, dergelijke lieden kunnen er na hun dood op rekenen dat ze hun lichamen op gelijksoortige manier vastgepind zien en dat ze, overmand door honger en dorst en dergelijke, worden gepijnigd door de scherpe bekken van vogels als gieren en reigers, zodat ze zich dan de zonden kunnen heugen die ze begingen [de hel van S'ûlaprota, 'opgespietst zijn']. (33) Die mannen met een kwade inborst, die in dit leven werkelijk onnodig anderen pijn bezorgden, zij ook zullen na hun sterven belanden in een hel genaamd Dandas'ûka ['de knuppel als antwoord'] waar, o Koning, vijf- en zevenkoppige, gekraagde slangen zich heffen om hen te eten alsof ze muizen waren. (34) Of, mensen die in dit leven dan wel in een blinde put, in graanschuren of in grotten, levende wezens opsluiten, zullen net zo in het leven hierna worden gedwongen dezelfde plaatsen binnen te gaan om daar te worden ingesloten met giftige dampen, vuur en rook [de hel genaamd Avatha-nirodhana, 'in het duister geworpen zijn']. (35) Maar een persoon die in dit leven als huishouder herhaaldelijk gasten of bezoekers ontvangend, hen een zondige blik van woede gunde alsof hij ze met zijn ogen wilde verzengen, zal zeer zekerin de hel belanden van hen met een zondige zienswijze waar iemands ogen door de machtige bekken van kraaien, gieren en reigers worden uitgepikt [de hel van Paryâvartana, 'de ogen uitgepikt']. (36) De egoïsten met een verkeerde kijk op de zaak, die vol van achterdocht zijn jegens allen en wiens hart en gezicht bij de gedachte aan uitgaven en verlies opgedroogd zijn, en gelijk geesten de weelde beschermend nimmer het geluk vinden, ook zij, zullen na de dood, van de zondige handelingen om die rijkdom te beschermen en hun inkomsten te doen groeien, neervallen in een hel genaamd Sûcîmukha ['pinnig op de eerste plaats'], waar dan de aanvoerders van Yamarâja als de beste wevers met draad en naald de ledematen van het naar geld graaiende spook en de grote zondaar doorstikken.

(37) Voor allen waarover ik sprak die tekort schieten in dharma en ook voor hen die ik niet ter sprake bracht, zijn er, naar gelang de mate van zondigheid, al deze soorten van hellen om in te belanden. Er bestaan er vele honderden, duizenden in het bereik van Yamarâja, o Koning; en evenzo zijn er elders in deze wereld voor hen die van principe en deugd zijn nieuwe geboorten te aanvaarden als de resultaten van hun deugd of zonde zijn uitgeput [vergelijk B.G. 4: 9]. (38) Het pad der bevrijding beschreef ik voor u in het begin [Canto's twee en drie]; daarin liet ik zien hoe de Allerhoogste Heer Nârâyana in de Purâna zeker zo veel kon zijn als het universum dat als een ei is verdeeld in veertien delen; ik beschreef de grofstoffelijke vorm van Hem, bestaande uit Zijn eigen energie en kwaliteiten, als zijnde rechtstreeks de Grote Persoon [de virâth-rûpa]. Dat individu dat vererend verneemt en leest of uitleg verschaft over dat lied van de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Superziel zal, hoewel het moeilijk te begrijpen is, bij zijn geloof en toewijding zijn intelligentie gezuiverd krijgen zodat hij tot begrip kan komen. (39) Horend over de grofstoffelijke alswel over de fijnstoffelijke gedaante van de Allerhoogste Heer, behoort de aanhanger der bovenzinnelijkheid de geest die in beslag is genomen door de grofstoffelijke gedaante, aldus in contemplatie stap voor stap te leiden naar de subtiele, de spirituele gedaante. (40) Van deze planeet de aarde, werden de verschillende bereiken en gebieden, de rivieren, de bergen, de hemel, de oceanen en de richting en de ligging van de lagere werelden, de helse werelden en de hogere werelden erboven voor u door mij beschreven, o Koning; hoe wonderbaarlijk dit grofstoffelijk lichaam van de Allerhoogste Heerser is waar de gehele massa van levensvormen in rust!'

 

Aldus eindigt het vijfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam. 

 

CANTO 6: Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid

   

Hoofdstuk 1

Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila

(1) S'rî Parîkchit zei: 'Door het pad der bevrijding te volgen in het begin door uwe Heiligheid beschreven, is naar de orde ervan, door middel van het yogaproces en met Heer Brahmâ, geleerd hoe men niet aan een nieuw leven moet beginnen. (2) Getekend door het lot en inderdaad gericht op de drie geaardheden, raakt men telkens weer gevangen in de materiële wereld waar sprake is van een voortdurende vernieuwing van vormen, o wijze. (3) De hellen typisch voor de verschillende soorten van zedeloosheid hebt u beschreven alsook de periode van Manu, de manvantara waarin we de oorspronkelijke Svâyambhuva, de zoon van Brahmâ, aantreffen. (4-5) Van Priyavrata en van Uttânapâda beschreef u het karakter en de dynastieën en ook gaf u een beschrijving van de verschillende bereiken, regionen, oceanen, gebergten, rivieren, tuinen en bomen van de aardse levenssfeer en haar situatie in de zin van de verdelingen, kenmerken en afmetingen van al de hogere en lagere werelden die de Almachtige schiep. (6) Alstublieft verklaar me hier en nu wat het menselijke wezen alhier te doen staat zodat ze niet al de soorten van verschrikkelijke omstandigheden moet ondergaan van een waarlijk lijden in de hel.'

(7) S'rî S'uka zei: 'Als in dit leven niet de nodige tegenmaatregelen worden genomen, het juiste afdoen wordt beoefend, zal, na het zich verkeerd hebben gedragen in het denken, met de uitlatinmgen en met de zinnelijkheid, ongetwijfeld die persoon inderdaad na de dood eindigen in de verschillende soorten van hellen van verschrikkelijk lijden, welke ik u reeds heb beschreven. (8) Daarom, voordat men dood gaat en voordat je lichaam te oud en te gebrekkig is, behoort men alhier zo gauw men er de kans toe ziet zich te wijden aan het tenietdoen van de overtredingen met een juiste inschatting van hun ernst, precies zoals een dokter goed in het stellen van diagnosen zou doen met het behandelen van een ziekte.'

(9) De koning zei: 'Wat is dat afdoen nu voor een waarde als men, ondanks erover te vernemen en er getuige van te zijn, en te weten hoe schadelijk voor zichzelf men handelt in het begaan van overtredingen, men niet werkelijk zichzelf in de hand kan krijgen met het steeds maar in herhaling ten val komen? (10) Somtijds een einde makend aan de zonde, somtijds er weer opnieuw aan beginnend, bezie ik het proces van afdoen als nogal zinloos; het is precies als met een olifant die een stofbad neemt nadat hij uit het water komt.'

(11) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het tenietdoen van karma wordt inderdaad, door het ontbreken van de nodige kennis, niet haar einde gerealisee rd; wil men er waarlijk mee hebben afgedaan dan moet men er echt genoeg van hebben. (12) Zij die het juiste voedsel eten worden werkelijk niet geplaagd door allerhande ziekten, zo ook heeft hij die tewerk gaat met een ordentelijk in acht nemen o Koning, een toenemende kans op welbevinden. (13-14) Dit doet men middels gelofte en regulatie [yama en niyama]; vrijwillige boetedoening, celibaat, het beheersen van de geest [in dhyâna en met japa b.v.] en inperking van het zinnelijke alsook met het schenken aan goede doelen, met waarachtigheid en met inwendige en uitwendige reinheid. Met het lichaam, de stem en met de intelligentie maken zij die nuchter zijn, volledig op de hoogte van de feitelijke plicht van het dharma, met geloof een eind aan allerlei overtredingen, hoe groot en abominabel ook, zoals vuur droge bladeren verteert. (15) Sommigen slagen erin, met een vertrouwen op niets anders gebaseerd dan op een onvermengde toewijding [*] jegens Vâsudeva, al hun slechtheid te vernietigen zonder een kans op wederopleven, zoals de zon dat met mist doet. (16) Een mens vol van zonde, o Koning raakt voorzeker lang niet zo gezuiverd door boetedoening en dergelijke als de toegewijde die zijn leven overgaf aan Krishna in toegewijde dienst aan de Oorspronkelijke Persoon van God [of de âcârya, zie ook 5.5: 10-13]. (17) In deze wereld is de weg die werkelijk geschikt is hij die wordt gevolgd door zich goed gedragende, onbevreesde en zegenrijke, heilige personen in overgave aan Nârâyana. (18) Het leeuwendeel van de inlossing, oplettend door een niet-toegewijde opgebracht, zal niet zuiveren, o Koning, precies zoals alle rivieren dat niet kunnen met het uitwassen van een drankvat. (19) Als de geest eenmaal vol is van de overgave aan de twee lotusvoeten van Heer Krishna, zal men alhier, vol verlangen uitziend naar Zijn kwaliteiten, nimmer Yamarâja en zijn opzichters op zijn weg vinden, of zelfs maar in zijn dromen zijn dienaren, met de touwen voor het vastbinden onder hun armen, tegenkomen, aangezien men dan wel van het juiste afdoen is [vergelijk B.G. 18: 66]. (20) In verband hiermee wordt ook wel het voorbeeld gegeven van de zeer oude geschiedenis van de discussie tussen de gezagdragers van Vishnu en Yamarâja. Alstublieft, verneem hierover nu van mij.

(21) In de stad Kânyakubja was er eens een brahmaan, die de naam Ajâmila droeg, die als de man van een vrouw uit de lagere klasse besmet was geraakt in zijn omgang met haar diensten en al zijn waarheidlievende gedrag had verloren. (22) Doordat hij zijn toevlucht had genomen tot verwerpelijke praktijken als het doen van aanhoudingen zonder noodzaak, bedrog in het gokspel en diefstal, hield hij zijn gezin op een hoogst zondige wijze in leven, waarbij hij anderen veel leed berokkende. (23) Op deze manier zijn leven doorbrengend met het onderhouden van zijn gezin dat uit vele zoons bestond, o Koning, verstreek de enorme tijdspanne van achtentachtig van zijn levensjaren. (24) Hij, als een oude man, had tien zonen en de jongste van hen was een klein kind dat door de vader en de moeder zeer werd gekoesterd en werd aangesproken met de naam Nârâyana. (25) Het kleintje lag hem na aan het hart; getuige te zijn van de kinderpraat en het spelen deed de oude man veel plezier. (26) Als hij at en dronk en kauwde gaf hij uit grote genegenheid voor het kind het ook iets te eten en te drinken, maar dwaas als hij was had hij niet door dat zijn einde nabij was. (27) Toen zijn stervensuur was aangebroken had hij, levend als een onbenullig iemand, aldus een geest die zich had gefixeerd op het jongetje dat de naam Nârâyana droeg. (28-29) Op korte afstand zag hij dat drie types waren gearriveerd die, met touwen in hun handen en angstwekkende gelaatstrekken, verwrongen gezichten en hun haren rechtop op hun lichaam staand, klaar stonden om hem met zich mee te nemen. Verschrikt en met tranen in zijn ogen riep hij luid om zijn in de buurt spelende kind dat dus de naam Nârâyana droeg. (30) Toen ze de naam van hun meester de Heer hoorden uit de mond van de stervende man, o Koning, kwamen Zijn dienaren er meteen aan. (31) Op het ogenblik dat de boodschappers van Yâma de echtgenoot van de meid vanbinnenuit het hart aan het wegsnaaien waren, riepen de Vishnudûta's met welluidende stem dat een halt toe. (32) Zij, verhinderd, antwoordden hen: 'Wie zijn jullie allemaal, die ingaan tegen de autoriteit van de Koning van het Dharma? (33) Vanwaar of van wie zijn jullie afkomstig of waar horen jullie thuis, waarom zijn jullie naar hier gekomen en waarom weerhouden jullie ons ervan onze gang te gaan? Wie zijn jullie wel niet, de besten der volmaakten, goden of godgelijken of zoiets? (34-36) Jullie allen, met jullie lotusgelijke ogen, gele kledij, helmen, glinsterende oorhangers en kransen van lotusbloemen; jullie allen, die er zo jong uitzien en allemaal even mooi zijn met vier armen, een boog, een pijlenkoker en de opsier van een zwaard, een strijdknots, een hoornschelp, een werpschijf en een lotusbloem, in alle richtingen verdrijven jullie de duisternis met de straling van het licht dat van jullie uitgaat; wat is er de bedoeling van ons te dwarsbomen, de dienaren van de handhaver van het Dharma?'

(37) S'uka zei: 'Aldus aangesproken door de Yamadûta's gaven ze hen, altijd bereid Vâsudeva te dienen, glimlachend het volgende ten antwoord met stemmen die weerklonken als de rollende donder. (38) De achtenswaardige Vishnudûta's zeiden: 'Als jullie bij elkaar daadwerkelijk de gezagdragers van de Koning van het Dharma zijn, leg ons dan maar eens uit wat de waarheid is van dharma alsook hoe adharma moet worden herkend. (39) Op welke manier zouden straffen moeten worden uitgedeeld of wat zou de geschikte plaats daarvoor zijn, en zijn alle of slechts enkele van de mensen die uit zijn op hun voordeel strafbaar?

(40) De Yamadûta's zeiden: 'In de Veda's inderdaad staat het dharma voorgeschreven, adharma is het tegengestelde daarvan; de Veda's moeten worden gezien als voortgekomen uit Hemzelve, uit Nârâyana, zo hebben we vernomen. (41) Door Hem, vanuit Zijn eigen positie, worden onder het gezag van de geaardheden der hartstocht, goedheid en traagheid al deze manifestaties geschapen en hebben ze de bij hen horende verschillen in kwaliteiten, namen, activiteiten en gedaanten. (42) De goddelijkheid van de zon, het vuur, de hemel, de lucht, de goden, de maan, de avond, de dag en de nacht, de richtingen, het water en het land; al dezen verpersoonlijken het dharma, waarlijk aldus de getuigen vormend voor het belichaamde levende wezen. (43) Door al dezen wordt de afwijking in adharma gekend en worden al de geschikte plaatsen van bestraffing onderkend met achting voor het karma in kwestie van de overtreders die de bestraffing verdienen. (44) Met de karmî's die, besmet door de geaardheden, een materiële gedaante hebben aangenomen, zijn er inderdaad goedgunstige, vrome daden zowel als handelingen die daar lijnrecht tegenover staan, o zondeloze n, aangezien vrijwel niemand zijn werk volledig vrij van materiële motieven verricht. (45) De mate waarin iemand in dit leven zich bezig houdt met een zeker dharma of adharma, verzekert hem van het genieten of lijden onder een bepaald resultaat in overeenstemming ermee in zijn volgende leven [vergelijk B.G. 14: 18]. (46) Zoals in dit leven onder de levenden, o beste der goddelijken, van de verschillende effecten der natuurlijke geaardheden, de drie soorten van eigenschappen worden verworven [van vreedzaam, rusteloos en zot zijn; of van gelukkig, ongelukkig, of iets er tussenin zijn; of van religieus, onkerkelijk of semi-kerkelijk zijn], mag men verwachten dat het net zo gaat als men ergens anders terecht komt [een leven hierna]. (47) Net zoals de huidige tijd bewijs vormt van het verleden en een aanwijzing vormt voor de toekomst, is net zo deze geboorte aanduiding voor het dharma en adharma van iemands geboorten in het verleden en in de toekomst. (48) In zijn verblijf neemt de godheid [die Yamarâja is] in zijn geestesoog de in het verleden aangenomen gedaante waar en overweegt hij de mogelijke toekomst ervan; aangaande de geest is hij een Heer zo goed en groot als Brahmâ. (49) Zoals iemand in zijn slaap bezig is met handelingen met betrekking tot een bepaalde gedaante, is men op dezelfde manier zich niet bewust van het verleden en van wat komen gaat, bij geboorte de heugenis verloren hebbend. (50) Met de zeventien der werkende en waarnemende zinnen en hun vijf objecten, gaat hij te werk, weet hij en heeft hij zijn belangen, maar met deze vijftien elementen en de geest daartoe, is hij [de ziel] het zelf die het zeventiende element vormt dat het drievoudige geniet. (51) Aangezien dat zestiendelige subtiele lichaam het effect is van de drie krachten van de grotere natuur, is het levend wezen onderworpen aan een [moeilijk te boven te komen] herhaalde transmigratie [samsriti] die het in vreugde, weeklagen, angst en ellende verzet. (52) De belichaamde die het bewustzijn mist met het niet onder controle hebben van de zinnen en de geest, wordt tegen zijn wil tot het doen van handelingen terwille van zijn eigen materiële voordeel aangezet; zoals een zijderups weeft hij aldus verdwaasd rakend zich in in zijn eigen karma. (53) Er is waarlijk niemand die het ook maar voor een ogenblik zonder iets te doen kan stellen; door de drie geaardheden wordt iemand er automatisch toe gedwongen vruchtdragende handelingen te verrichten die het resultaat zijn van de eigen natuurlijke neigingen. (54) Met de o zo machtige, aangeboren aard vindt, zonder twijfel, als een kopie van het vlees van de moeder en het zaad van de vader, het grove en subtiele van het lichaam zijn bestaan voortgedreven door de, voor de persoon niet waarneembare, oorzaak [zie ook B.G. 8: 6]. (55) De positie van een levend wezen is vanwege deze omgang met het materiële van de natuur verworden tot een akelige vol vergetelheid, maar als men maar kort de omgang van de Beheerser mag genieten, is dat probleem al overwonnen.

(56-57) Deze hier [Ajâmila] was altijd goed in de Veda, van een goede inborst, van goed gedrag en was een reservoir van goede eigenschappen; gewetensvol volgde hij de aanwijzingen op, was hij zachtgeaard, beheerst, waarheidlievend, deed hij zijn mantra's, was hij netjes en schoon, van de hoogste achting in dienst aan de goeroe, de vuurgod, zijn gasten en de leden van de huishouding en was hij vrij van vals prestige, vriendelijk jegens allen, zonder fouten, niet afgunstig en van de beste bewoordingen. (58-60) Ooit ging deze brahmaan, in opdracht van zijn vader, naar het bos om aldaar vruchten en bloemen te verzamelen en samit en kus'a [grassoorten]. Terugkerend, zag hij een of andere s'ûdra zeer lustig bezig samen met een publieke vrouw die dronken van de maireya nectar [een drank gemaakt van de soma-bloem] met haar ogen heen en weer rolde van de bedwelming. Onder invloed was haar kleed los gaan zitten en, onbeschaamd in wangedrag vervallen, stond hij lachend en zingend dicht tegen haar aan, zich met haar vermakend. (61) Haar ziend met zijn wellustige met turmeric versierde arm om haar heen, was hij er dus plots, van zijn jagende hart, zowaar zeker van ten prooi te vallen aan de verbijstering. (62) vanbinnenuit trachtend zichzelf onder controle te krijgen, zichzelf herinnerend aan wat onderwezen was, slaagde hij er niet in zijn geest te bedwingen, van streek als die was door Cupido. (63) Als gevolg van de aanblik was hij, in de begoocheling van zijn geest zijn ware positie vergetend, als een verduisterde planeet en gaf hij, met zijn geest op haar gevestigd steeds weer aan haar denkend, zijn dharma er volledig aan. (64) Haar, had hij zich voorgenomen, zou hij behagen, voor zover het geld dat hij had van zijn vader hem dat toestond en, tegemoetkomend aan haar verlangens, bood hij haar materiële zekerheid, zodat ze tevreden zou zijn. (65) Zijn jonge vrouw, een brahmanendochter van goede huize, waarmee hij was getrouwd, gaf hij in zijn zonde op vanaf het moment dat zijn gefascineerd raakte door de blikken van de publieke vrouw. (66) Met alle macht en zoveel als mogelijk nam hij, deze persoon, verstoken van alle intelligentie, door dan wel behoorlijk dan wel onbehoorlijk het geld ervoor bijeen te zamelen, de zorg voor haar en de vele kinderen die deel uitmaakten van het gezin dat ze vormde. (67) Omdat, deze hier, brak met alle regels van de S'âstra, zich onverantwoordelijk gedragend, werd zijn leven van het voor zo'n lange tijd verwijlen in foute handelingen, vanwege de onzuiverheid ten strengste veroordeeld als zijnde onrein. (68) Aangezien hij van geen ophouden wist met zijn herhaalde overtredingen, zullen we derhalve hem meevoeren naar de aanwezigheid van de Heer der Bestraffing alwaar gekastijd hij zuivering zal vinden.'

* In samenhang hiermee geeft S'rîla Jîva Gosvâmî het commentaar dat bhakti kan worden verdeeld in twee afdelingen: (1) santatâ, toegewijde dienst die zonder ophouden voortduurt met geloof en liefde, en (2) kâdâcitkî, toegewijde dienst die niet onophoudelijk voortduurt maar somtijds opleeft. Een onophoudelijk stromende toegewijde dienst (santatâ) kan ook in twee afdelingen worden verdeeld: (1) dienst verricht met een lichte gehechtheid en (2) spontane toegewijde dienst. Onderbroken toegewijde dienst (kâdâcitkî) kan worden verdeeld in drie afdelingen: (1) râgâbhâsamayî, toegewijde dienst waarin men vrijwel gehecht is, (2) râgâbhâsa-s'ûnya-svarûpa-bhûtâ, toegewijde dienst waarin er geen spontane liefde is maar men sympathie koestert voor de uitgangspositie van het dienen, en (3) âbhâsa-rûpâ, iets wat in de verte doet denken aan toegewijde dienst.  

 

Hoofdstuk 2  

Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'O Koning, toen de dienaren van de Allerhoogste Heer hadden vernomen wat de Yamadûta's zeiden gaven ze hen, goed als ze waren in argumenteren en de logica, antwoord in gepaste termen. (2) De Vishnudûta's zeiden: 'Helaas, hoe pijnlijk is het om te zien hoe goddeloosheid de dharmische gemeenschap aantast; hoe door hen, die de taak is toegewezen, zondeloze mensen niet noodzakelijk straf moeten ondergaan. (3) Tot de toevlucht van wie moeten de burgers zich keren als het verkeerde gedaan wordt door hen die, als de beschermers der bevolking, toegerust met alle goede kwaliteiten en allen gelijkgezind, aanwijzingen behoren te geven? (4) Wat de betere man ook in de praktijk brengt, wordt door de rest gedaan daar wat hij ook doet, door de mensen in het algemeen die van navolging zijn, wordt aanvaard als het juiste [zie ook B.G. 3: 21]. (5-6) De grote massa die werkelijk niet weet wat nu precies dharma of adharma zou zijn, heeft zijn hoofd gelegd in de schoot van de betere om in vrede te rusten. Hoe kan een dergelijke persoon, die met een welwillend hart het vertrouwen geniet van de levende wezens, de onbewusten nu pijn bezorgen die zich overgaven in goed vertrouwen en in vriendschap? (7) Hij hier heeft inderdaad reeds afgedaan met de zonden van miljoenen geboorten omdat hij, hulpeloos, van de Heer de naam uitsprak, die het middel van de bevrijding vormt. (8) Toen hij 'O Nârâyana, kom alsjeblieft' zei realiseerde hij, omdat hij aldus de vier lettergrepen [nâ-râ-ya-na] uitsprak, het volledige afdoen van alle ondeugd die hij als zondaar op z'n geweten had. (9-10) Ongeacht de ernst van de zonde die men begaan heeft als een dief, een alcoholist, als iemand van minachting, iemand die een brahmaan ter dood bracht, iemand die de vrouw van zijn goeroe begeerde of als iemand die een vrouw, een koning, koeien of zijn vader van het leven beroofde, zal Vishnu Zijn aandacht schenken aan een ieder die van een dergelijk respect voor Zijn naam is, omdat Hij het zingen van de heilige naam als de perfectie van het afdoen beschouwt. (*) (11) Een zondig man is niet in die mate gezuiverd door het afdoen in de gehoorzaamheid van geloften voorgeschreven door het brahmaanse als hij is met het uiten van de lettergrepen van de Heer Zijn naam die iemand zich de kwaliteiten van Hem die in de geschriften wordt geprezen helpt herinneren [vergelijk: 6.1: 16]. (12) Alhoewel men van afdoen was, zal de geest zich opnieuw uitputten op de weg van het onware, omdat het hart niet volledig gezuiverd was geraakt; derhalve zuiveren zij die oprecht geïnteresseerd zijn een einde te maken aan hun karma [zie B.G. 4: 16], hun bestaan door hun monden te zetten naar de heerlijkheid van de Heer [vergelijk: 1.2: 17]. (13) Probeer hem daarom niet met jullie mee te voeren; hij heeft reeds het oneindige gevonden voor het afrekenen met zijn zonden omdat hij op zijn doodsbed de naam van de Allerhoogste Heer uitsprak [zie ook B.G. 7: 27 en 8: 5]. (14) Met andere bedoelingen, voor de lol, bij wijze van vermaak of terloops gedaan heeft laten klinken van de naam [van de Heer] van Vaikunthha, een onbeperkt vermogen om de zonde te neutraliseren, zo weten de gevorderden. (15) Als men ten val kwam, uitgleed, zijn botten brak, werd gebeten of geplaagd werd door ziekte of gewond raakte, is een persoon is een persoon, aldus verzeild in relatie tot de Heer, er zeker van niet tot een hels leven te worden veroordeeld [zie ook B.G. 8: 6]. (16) Door de heiligen die goed op de hoogte zijn is het zware en lichte van het afdoen voorgeschreven voor het zware en lichte van de zonden. (17) Maar al het zondige dat volgens hen zijn einde vindt in verzaking, liefdadigheid, geloften en dergelijke, ontwart niet de knoop van adharma in het hart; dàt bereikt men in dienst aan wat de Beheerser toebehoort. (18) Dat wat, zoals vuur dat doet met droog gras, de zonden van een persoon tot as verbrand, is het bewust of onbewust uitspreken van de heilige namen van Hem die in de geschriften wordt geprezen. (19) Een uitgesproken mantra manifesteert zijn vermogen precies zoals een krachtig medicijn dat doet als het op deze of gene manier zelfs door een onwetende persoon op de juiste manier werd ingenomen.'

(20) S'rî S'uka zei: 'Zij, volmaakt duidelijk makend wat dharma is in de zin van dienstbaarheid aan de Heer, o Koning, redden, hem van de dood verlossend, hem aldus van de strop van Yamarâja. (21) O onderwerper der vijanden, de Yamadûta's aldus van repliek gediend gingen naar het verblijf van Yamarâja om hem de verschuldigde verantwoording af te leggen waarbij ze tot in detail informatie verschaften over alles wat zich had voorgedaan. (22) De tweemaal geborene bevrijd van de strop, nu vrij van angst, kwam bij zinnen en betoonde zijn respect door het hoofd te buigen voor de dienaren van Vishnu, blij als hij was ze te zien. (23) De dienaren van de Hoogste Persoonlijkheid echter die begrepen, o zondeloze, dat hij iets wilde zeggen, verdwenen onder zijn ogen plots vandaar. (24-25) Ajâmila die vanwege de gesprekken over Heer Hari aldus van de dienaren van Vishnu en Yamarâja beter op de hoogte was geraakt van wat het zuivere van dharma inhoudt in relatie tot de Heer, hoe het beschreven wordt in de Veda's en hoe onder de geaardheden der natuur in toewijding voor de Allerhoogste Heer de verheerlijking van de naam onmiddellijk zuivert, had grote spijt van al het slechte wat hij zich herinnerde gedaan te hebben: (26) 'Helaas, omdat ik de beheersing over mezelf verloor met deze vrouw van laag allooi kinderen verwekkend, vernietigde ik al het brahmaanse in me en eindigde ik in de opperste misère. (27) Hij wordt veroordeeld door de oprechten die zijn kuise jonge vrouw in de steek liet en, vervallen in zonde, zijn familie te schande maakte; verdoemd ben ik, ik, die seks had met een onkuise wijndrinkende meid. (28) Mijn vader en moeder, oud, met niemand anders, met geen andere vriend om voor ze te zorgen, hadden zwaar te lijden vanaf het ogenblik dat ze door mij, ondankbaar als de laagste, in de steek werden gelaten. (29) Het moge duidelijk zijn dat ik als zodanig, een waarlijk miserabele persoon die al te lustig brak met het dharma, in de hel behoor te belanden om aldaar de pijn der vergelding te ondergaan. (30) Heb ik het gedroomd of ben ik getuige van een wonder hier? Waar zijn zij allen nu gebleven die me met touwen in hun handen aan het wegslepen waren? (31) En waar zijn die volmaakte persoonlijkheden van uitzonderlijke schoonheid naar toe die me bevrijdden toen ik in de richting van de hel werd meegevoerd opgebracht in touwen? (32) Het was vanwege de aanblik van deze verheven toegewijden, dankzij wie het goedgunstige zich wel moest voltrekken, dat ik, ondanks mijn kwade lot, mezelf werkelijk gelukkig kon zien worden! (33) Hoe zou het ook zonder kunnen dat een man die de dood tegemoet treedt, alleronreinst als een getrouwe van een prostituée, in die hoedanigheid in staat is zijn tong het woord van de heilige naam van de Heer van Vaikunthha te laten spreken? (34) Waar blijf ik nou als een bedrieger, zondaar in eigen persoon en schaamteloze vernietiger van zijn eigen cultuur; waar zou Nârâyana, de al-gunstige van de heilige naam van de Allerhoogste Heer dan zijn? (35) Als zo'n toegewijde zal ik op die manier mijn weg vervolgen, zodat met het beheersen van de zinnen, de geest en de adem, mijn ziel niet nogmaals door onwetendheid in de duisternis zal worden getrokken. (36-37) Bevrijd van deze gebondenheid in karmische acties van onwetendheid en lust zal ik de zelfgerealisee rde, alleraardigste, genadige en vredige vriend zijn van alle levende wezens. Ik zal me losmaken van de kluister van mijn ziel, de gevangenschap in mâyâ in de vorm van een vrouw, welke voorzeker, zo gevallen, met mij speelde alsof ik een huisdier was. (38) Het aldus opgevend met het 'ik' en 'mijn' van het lichaam en de zaken die ermee verband houden, zal ik mijn geest, me concentrerend en me gedragend volgens de regels, bezighouden met het zuivere van de Allerhoogste Heer Zijn naam in gezang en met alles wat erbij hoort.'

(39) Aldus gaf hij het idee op van een materieel leven en ging hij naar Hardvar [van de Ganges 'de poort naar Hari'] bevrijd zijnde van alle gebondenheid door enkel maar voor een ogenblik omgang te hebben met het heilige. (40) Aldaar op een plek van geestelijke discipline [een ashram of tempel] fixeerde hij met de yoga als leidraad zich [aldus] inwaarts afkerend van zijn zintuigen, zijn geest op het ware van het zelf. (41) Daartoe innerlijk verzonken, de geest losmakend van de sturing der geaardheden, hield hij zich bezig met de Superziel als de gedaante van de Heer wiens Zelf stap voor stap gerealiseerd wordt. (42) Zo gauw hij zijn geest en intelligentie vastgelegd had, kreeg hij de [vier goddelijke] personen voor zich te zien die hij voorheen had gezien, waarop de brahmaan toen zijn hoofd eerbiedig voorover boog. (43) Hen op die heilige plaats aan de Ganges ziend, gaf hij direct zijn voertuig van de tijd op, om zijn oorspronkelijke geestelijke gedaante [svarûpa] aan te nemen geschikt voor hem als metgezel van de Heer. (44) Op weg naar de hemel waar de echtgenoot van de Geluksgodin [Vishnu] verblijft, klom de man van kennis tezamen met de dienaren van Vishnu aan boord van een hemelvoertuig [vimâna] gemaakt van goud. (45) Op deze manier vond hij die alle dharma eraan had gegeven, die was getrouwd met een laaggeboren meid, was vervallen in abominabele handelingen en, gebroken hebbend met al zijn geloften, in een hels leven was beland, direct de bevrijding toen hij zich bediende van de naam van de Allerhoogste Heer. (46) Derhalve, teneinde niet opnieuw gehecht te raken aan baatzuchtig handelen met een geest besmet door hartstocht en onwetendheid, bestaat er voor personen verlangend te ontsnappen aan de materiële gebondenheid geen betere methode om te breken met de karmische gevolgen dan het herhaaldelijk zingen van de naam van de Toevlucht aller Heilige Plaatsen. (47-48) Welke persoon ook die met geloof verneemt over of met grote toewijding deze vertrouwelijke geschiedenis die je van alle zonde bevrijdt navertelt, zal inderdaad niet, onder het gezag van de dienaren van Yamarâja, naar de hel gaan, maar worden verwelkomt in de geestelijke wereld van Vishnu, welke misstap hij ook beging in zijn materieel bestaan. (49) Als ten tijde van zijn dood Ajâmila door de naam van de Heer aan te grijpen al naar de hemel ging, ook al bedoelde hij maar zijn zoon, wat zou dat dan niet inhouden voor degene die met geloof en liefde vasthoudt aan de naam?

* Het is dit vers dat âcârya's als S'rîla Visvanâtha Cakravartî Thhâkura van de erfopvolging aanhalen om het argument dat het zingen van de heilige naam iemand onmiddellijk zal zuiveren van alle zonden schriftuurlijk te onderbouwen: het is de manier waarop men de Heer Zijn bescherming aanroept. Het is Zijn dharma daaraan gevolg te geven; Hij zal er zelfs voor incarneren als dat nodig is zoals hij uitlegt in de Gîtâ (4.7). Hij daalde om deze reden ook als Heer Caitanya neder daartoe aangeroepen door S'rî Advaita en op die manier stelde hij opnieuw de noodzaak van dit Bhâgavatam voor de religieuze hervoming van de mensen van onze moderne tijd aan de orde om de heilige namen te zingen.

 

Hoofdstuk 3  

Yamarâja Instrueert zijn Boodschappers

(1) De koning zei: 'Wat gaf de godheid, de Koning van het Dharma wiens opdracht was gedwarsboomd, ten antwoord nadat hij had gehoord wat zijn dienaren, verslagen door de gezagdragers van de Doder van Mura [Krishna], die heerst over alle mensen van de wereld, hadden te zeggen? (2) O wijze, dit breken van de opdracht van een godheid als Yamarâja was iets waarvan nog nooit iemand eerder had gehoord; o wijsgeer, dienaangaande ben ik ervan overtuigd dat waarlijk niemand meer geschikt is dan u om de twijfels van de mensen weg te nemen.'

(3) S'rî S'uka zei: 'De dienaren van de Dood, o Koning, wiens plannen waren verijdeld door de mannen van de Allerhoogste Heer, stelden hun meester Yamarâja, de heerser over de stad Samyamanî, op de hoogte. (4) De Yamadûtas zeiden: 'Hoeveel heersers zijn er eigenlijk in deze materiële wereld naar de zaak der baatzuchtige handelingen tentoongespreid onder de invloed van de manifestatie die in drieën wordt gekend, o meester? (5) Als er zo vele autoriteiten in deze wereld bestaan om de zondaar wel of niet te bestraffen, hoe kan er dan van hen enige zekerheid bestaan over het ongeluk dan wel het geluk? (6) Zou er niet, met de verscheidenheid aan bestuurders over de vele karmî's in deze wereld, één bestuurlijk hoofd moeten zijn zoals men dat heeft met de verschillende leiders van de departementen der staat? (7) Als zodanig zou u de ene allerhoogste heer en meester over alle levenden zijn met inbegrip van de andere heersers; u zou de meester der bestraffing zijn die het verschil tussen goed en kwaad uitmaakt in de menselijke samenleving. (8) Niets daarvan kan men, met de straf die u toebedeelde, terugvinden in deze wereld, nu dat uw opdracht werd overtroffen door vier van de meest schitterende en volmaakte wezens. (9) Met alle macht doorsneden ze de touwen, deze zondaar bevrijdend die door ons in uw opdracht werd meegevoerd naar de plaatsen der vergelding. (10) Over hen die zo snel ter plekke arriveerden zeggende 'Vreest niet' toen 'Nârâyana' werd uitgesproken, zouden we graag van u willen vernemen, als u ons waardig acht.'

(11) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Hij, Heer Yamarâja de heerser over alle levenden, aldus verzocht, gaf zijn dienaren antwoord, blij te zijn herinnerd aan de lotusvoeten van de Heer. (12) Yamarâja zei: 'Verheven boven mij is er een ander die als de schering en inslag van stof is voor alles wat rondbeweegt of niet beweegt; in Hem treft men de ganse kosmos aan en van Hem zijn er de gedeeltelijke manifestaties der handhaving [Vishnu], schepping [Brahmâ] en vernietiging [S'iva] van dit universum - de gehele schepping staat onder Zijn controle zoals een stier wordt beheerst met een touw door zijn neus. (13) Door Hem die, met de verschillende namen van een vedisch begrip van de taal, de mensen die uit Hem zijn voortgekomen aan zich bindt zoals men stieren beheerst middels een touw, worden zij allen beoordeeld en belast, gebonden als zij zijn door de verplichtingen aan hun titels en karma die hen in angst verzetten. (14-15) Dat geldt zelfs voor mijzelf, degene van de dood, voor Indra van de hemel, Nirriti van de chaos, Varuna van het water, Candra van de maan, Agni van het vuur, voor Heer S'iva van vernietiging, Pavana van de lucht, Brahmâ van de schepping, Sûrya van de zon, Vis'vâsu van de schoonheid [zie 4.18: 17], de acht Vasu's der goedheid, de Sâdhya's van het goddelijke, de Maruts van de wind, de Rudra's der woede, de Siddha's der volkomenheid, Marîci en de anderen die de orde instellen, onsterfelijke bestuurders als Brihaspati en wijzen als Bhrigu; als het zo is met hen die niet besmet zijn door de hartstocht en de onwetendheid, en die zichzelf niet kennen als zijnde aangedaan door mâyâ en die overwegend van de goedheid zijn, wat dan te zeggen van anderen buiten hen? (16) Hij, de Superziel aanwezig in het hart van alle wezens, kan in feite door allen die ademen, middels de zinnen, de geest, de adem of door middel van bedenkingen en bewoordingen niet worden gezien of gekend, precies zoals de verschillende delen van het lichaam niet de ogen kunnen zien die hen overschouwen [vergelijk B.G 7: 26]. (17) Van Hem, die de volledig in zichzelf berustende Heer is die over alles heerst, de Bovenzinnelijke, de Meester over de illusiewekkende energie mâyâ, de Grote van de Ziel, zijn Zijn gezagdragers alhier op dezelfde manier naar waarheid geluk aan het creëren met hun verschijnen, naar Zijn aard en met Zijn kwaliteiten zich rondbewegend in een lichaam gelijk het Zijne. (18) Zij die van Vishnu zijn en door de verlichte zielen worden aanbeden, hebben gedaanten die men zelden aantreft en hoogst wonderlijk zijn om te aanschouwen; zij beschermen de Heer Zijn toegewijden tegen vijandig gezinden onder de gewone stervelingen en onder hen die tot mij behoren, en aldus zijn ze vrijwel tegen alles beschermd. (19) Het volle van het dharma dat rechtstreeks door de Allerhoogste Heer alleen is ingesteld, wordt waarlijk niet gekend door de grote rishi's, noch door de goddelijken, noch door de besten der perfectie, noch door hen die van de duisternis zijn en ook niet door de mensen onder wie men hen die zich verlaten op kennis [de Vidhyâdhara's] en hen die van muziek en zang zijn [de Cârana's] rekent en dergelijken. (20-21) Heer Brahmâ, Nârada, Heer S'iva, de vier Kumâra's, Kapila, Manu, Prahlâda, Janaka, Bhîshma, Bali, hij die van Vyâsa is [zoals S'uka] en ik zelve; wij, deze twaalf [mahâjana's], hebben weet van het dharma van overgave aan de Heer mijn beste dienaren, hetgeen zeer vertrouwelijk is, van het zuiverste en moeilijk te doorgronden; hij die het begrijpt bereikt het eeuwige leven [vergelijk 3: 32: 2 en B.G. 18: 66]. (22) Zo veel is zeker dat voor de mensen levend in deze materiële wereld de yoga van toewijding voor de Allerhoogste Heer beginnende met het zingen van de heilige naam, het aangewezen dharma is van transcenderen. (23) Bezie enkel het verheven uitspreken van de heilige naam van de Heer mijn beste zonen, zie hoe het op zich de bevrijding verzekert van de gebondenheid aan de dood. (24) Zoveel volstaat voor het verdrijven van de zonden van de mens: het gezamenlijk bezingen van de kwaliteiten en namen naar Zijn handelingen, aangezien deze zondaar ten tijde van zijn dood enkel onschuldig met 'Nârâyana' om zijn zoon roepend aldus de bevrijding bereikte. (25) Weet dat dit van de mahâjana's, dit van het goddelijke, vrijwel altijd wordt gemist door inderdaad hen wiens geesten verbijsterd raakten door mâyâ, wiens intelligentie in grote mate zijn scherpte verloor door de zoetheid van de bloemrijke taal naar de opvoeringen vermeld in de drie Veda's en het gewicht van de preoccupatie met baatzuchtige handelingen [zie ook B.G. 2: 42-43]. (26) Met dit in overweging gaan de scherpzinnigen inderdaad over tot de yoga van liefde voor de Allerhoogste en Onbegrensde Heer; dergelijke personen verdienen daarom mijn straf niet; en als er al sprake zou zijn van een val met hen, dan zal dat ook teniet worden gedaan door de hoge lof waar ze uiting aan geven. (27) Vervolg nooit hen, de goddelijken en volmaakten naar wiens zuivere vertellingen de toegewijden zingen die met een gelijkgezinde blik van overgave zijn aan de Allerhoogste Heer; omdat ze volledig worden beschermd door de knots van de Heer is het ons, net als de tijd zelve, niet gegeven hen te bestraffen. (28) Zij die niet gehecht zijn, die ongebonden zwaangelijken der zelfrealisatie [de paramahamsa's], genieten zonder ophouden de honing van de lotusvoeten; zij die een huishoudelijk bestaan genieten in verlangens van gebondenheid bevinden zich op het pad dat naar de hel voert. Leidt mij hen voor die van het onware zijn en zich keerden tegen Mukunda, de Heer der Bevrijding [vergelijk 2.1: 4]. (29) Allen die voor de waarheid op de vlucht zijn, wiens tongen zich nimmer roeren over de Allerhoogste Heer Zijn kwaliteiten en namen, allen die Hem niet in hun hart dragen, noch Zijn lotusvoeten herinneren, die nog niet één enkele keer hun hoofden bogen voor datgene wat van Krishna is [zie B.G. 4: 4-6]; zij allen die tekort schieten in hun plichten jegens Heer Vishnu, leidt hen allen aan mij voor. (30) Ik bidt dat Hij, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke persoon, de oudste, Heer Nârâyana, mij excuseert voor de grove overtreding van de minachting getoond door mijn dienaren; wij, ik en mijn mannen, verkeerden in onwetendheid en derhalve smeken wij, met gevouwen handen, in de heerlijkheid van het respect voor de alles doorvarende Oorspronkelijke Persoonlijkheid, om vergeving.'

(31) (S'uka:) ''Begrijp daarom o afstammeling van Kuru, dat de hoogste vorm van afdoen, het gunstigste in de wereld om de zonde, hoe groot die ook is, de baas te worden, het gezamenlijk bezingen van Heer Vishnu is. (32) Zij die altijd luisteren en zingen over het heldhaftige van de Heer dat in staat is alle zonde weg te vagen, mogen door toegewijde dienst zeer eenvoudig gezuiverd raken, terwijl dat niet zo gemakkelijk tot stand wordt gebracht als men met hart en ziel gebrand is op de ceremoniën en dergelijke. (33) Degene die vasthoudt aan de honing van Krishna's lotusvoeten vervalt niet nogmaals in zonde omdat hij reeds het verlangen verzaakte om het illusoire naar de geaardheden der natuur te genieten dat leed veroorzaakt; een ander echter, betoverd door de lust, die probeert iets te doen om de hartstocht uit zijn ziel te wassen, is er zeker van dat de hartstocht weer zal terugkeren. (34) Na te zijn herinnerd aan de macht, de grootheid van de Heer, zoals die hen werd uitgelegd door hun meester, waren al de dienaren van Yamarâja door verwondering getroffen; van toen af aan, o Koning, was het in hun geheugen gegrift zich te hoeden bij het zien van de persoon die nimmer van enige vrees is onder de vleugels van de Onfeilbare. (35) Deze zeer vertrouwelijke geschiedenis werd mij uiteengezet door de allermachtigste wijze, de zoon van Kumbha [Âgastya Muni] die verblijvend in de Malaya heuvels de Heer aanbidt.'

  

Hoofdstuk 4

De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha opgedragen aan de Heer

(1-2) De koning zei: 'Alhoewel u in het kort mij uitleg hebt verschaft over de schepping der goddelijken, zij die van het duister zijn en de menselijke wezens; de slangachtigen, de beesten en de vogels onder de heerschappij van Svâyambhuva Manu [zie Canto 3], zou ik graag meer in detail hierover van u willen vernemen mijn Heer, zowel als een uiteenzetting krijgen over de schepping die zich daarna vanuit het vermogen van de Bovenzinnelijke Allerhoogste Heer voordeed'.

(3) S'rî Sûta zei: "O beste der wijzen [bijeengekomen te Naimishâranya zie Canto 1.1], aldus horend van het verzoek van de koning prees de grote yogi, de zoon van Vyâsa hem en gaf hij antwoord. (4) S'rî S'uka zei: 'Toen de Pracetâ's, de tien zonen van koning Prâcînabarhi terugkeerden van [hun meditaties] nabij de oceaan zagen ze dat de ganse planeet overwoekerd was door geboomte [zie 4.24, 4.30, 4.31]. (5) Verstoord over de bomen hadden ze, na zo lang boete gedaan te hebben, met hun monden een vuur aangewakkerd met de bedoeling alle bossen af te branden. (6) Toen hij, de koning van het woud, de grote Soma, zag dat alle bomen werden verbrand door het laaiende vuur sprak, o zoon van Kuru, teneinde hun woede tot bedaren te brengen, hij als volgt.

(7) 'Verbrand de arme bomen niet tot as, o fortuinlijke zielen, het is aan u om te streven naar een toename van alle levende wezens die jullie kennen als hun beschermers. (8) Het moge jullie spijten; de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer, de oorspronkelijke, onveranderlijke Vader en almachtige beschermer, schiep al de bomen, de planten en de gewassen om tot voedsel te dienen. (9) Waarlijk dienen de niet-bewegenden zij die vleugels hebben tot voedsel en dienen zij die geen ledematen hebben [zoals grassen] als voedsel voor degenen met benen die geen handen of klauwen hebben; de vierbenigen op hun beurt zijn er voor de dieren met klauwen en voor de tweebenigen [om respectievelijk met hun vlees en hun melk van dienst te zijn]. (10) U bent, naar de opdracht van uw vader en de God der Goden, o zondeloze n, er tevens om de bevolking voort te brengen; hoe dan in God's naam kunnen jullie de bomen in de as leggen? (11) Volg enkel, zoals jullie vader, grootvader en overgrootvader het deed, het pad der heiligen en bedwing de woede die zich in u opwierp! (12) Wees zoals de ouders die, zoals de oogleden zijn voor hun ogen, als vrienden zijn voor hun kinderen; wees zoals de echtgenoot zijn vrouw beschermt en zoals de huishouder zorg draagt voor hen die van liefdadigheid afhankelijk zijn, of gelijk de geschoolden die als vrienden zijn voor de onwetenden. (13) De Superziel verblijvend in de lichamen van alle levende wezens is Heer en Meester over allen; probeer hen te bezien als Zijn verblijfplaats en moge Hij aldus tevreden over u zijn. (14) Een ieder die door onderzoek in zelfverwerkelijking de zo machtige woede onderwerpt die, als uit de hemel gevallen, plots ontwaakte, zal de geaardheden der natuur overstijgen. (15) Genoeg met dat afbranden van de bomen, laat er al het goede geluk zijn voor hen die nog resten en aanvaard de dochter [genaamd Mârishâ], die door hen werd opgevoed, als uw echtegnote.'

(16) O Koning, na hen aldus te hebben toegesproken, bracht hij, koning Soma, hen die waren teruggekeerd het Apsarameisje met de mooie heupen en huwden zij haar overeenkomstig de religie. (17) In haar werd uit hen allen Daksha voortgebracht, de zoon van de Pracetâ's, door wiens voortplantingsdrift vervolgens de drie werelden gezegd werden te overstroomd met nageslacht. (18) Luister nu aandachtig naar mij hoe Daksha, zo vol genegenheid voor zijn dochters, middels zijn zaad als zeker ook middels zijn geest, al dat leven voortbracht. (19) Met inderdaad zijn geest zette de Prajâpati in het begin de toon voor die levende wezens die van het goddelijke en het goddeloze zijn, met inbegrip van allen levend in de lucht, op het land of in het water, die onder hen ressorteerden. (20) Maar toen hij zag dat zijn schepping van levende wezens niet in aantal toenam, ging Daksha naar de voet van het Vindhyagebergte alwaar hij de moeilijkste boetedoeningen deed. (21) Daar op de gunstigste plaats om aan alle terugslagen van de zonde een einde te maken, de heilige plaats genaamd Aghamarshana, stelde hij de Heer tevreden door met ascese en regelmaat de ceremoniën op te voeren. (22) Ik zal u nu uiteen zetten hoe hij met de Hamsa-guhya ['het geheim van de zwaan']-gebeden de Heer tevredenstelde door Hem te behagen als de Allerhoogste Persoonlijkheid voorbij de zinnen. (23) Daksha zei: 'Mijn eerbetuigingen biedt ik Hem, van wie wij de juiste weg mogen inzien om de geaardheden en de materiële energie, waaraan allen die leven gebonden zijn, te transcenderen; Mijn lof voor Hem, de uit zichzelf geboren Beheerser boven iedere maat en berekening verheven, die in Zijn verblijfplaats niet waarneembaar is voor de materieel gestuurde intelligentie. (24) De vriend van wiens vriendschap de persoon geen weet heeft, precies zoals de zinsobjecten geen weet hebben van het zintuig dat hen waarneemt; die vriend waarmee men in dit lichaam samenleeft, Hem bied ik mijn eerbetuigingen. (25) Dit lichaam met zijn soorten van adem, zijn zinnen, zijn begrip, zijn elementen en zinsobjecten, zij voor zichzelf, naar elkaar toe en naar alles toe daarbuiten, worden gekend door het levend wezen; maar met al die kwaliteiten bekend, kent hij niet de Onbegrensde die allen kent; Hem aanbid ik. (26) Als het denken tot staan is gebracht en alle ideeën en namen van vorm van een materiële zienswijze en heugenis hun einde hebben gevonden, zal als gevolg van dat beëindigen Hij worden waargenomen in Zijn eigen unieke spirituele volkomenheid; jegens die zwaangelijke [zwaan genoemd vanwege het uitziften van ware van het onware, van de melk uit het water], jegens Hem die men zich realiseert in de zuiverste staat, mijn respect. (27-28) Precies als met vuur dat opgesloten in het hout tevoorschijn wordt getoverd met het zingen van de vijftien hymnen [de Sâmidhenîmantra's], toveren de grote brahmanen van het offeren dat tevoorschijn wat met Zijn krachten bij de geaardheden der natuur zich bevindt in het hart van de gevierde en de overige elementen [zie b.v. 3.26: 11]; Hij, die men zich realiseert met de verrukking, de negatie van het zich bevrijden van het illusoire van de hele verscheidenheid; Hij van alle namen, Hij, de gigantische gedaante van het universum; moge Hij, dat ondoorgrondelijke reservoir van alle kwaliteiten mij genadig zijn. (29) Wat dan ook uitgedrukt in woorden of vastgesteld in bezinning, in zintuiglijke waarneming of in gedachten, moge van iets, dat bestaat als een uitdrukking van de drie geaardheden, daadwerkelijk niet de eigenlijke vorm zijn; de eigenlijke vorm doet zich in waarheid voor als dat [vormhebbende van de Allerhoogste Heer] wat de oorzaak is die een einde maakt aan alles wat van de geaardheden in de schepping is. (30) In wie, van wie en door wie alsook tot wie behoort en op wie is gericht; Hij, ofwel optredend ofwel daartoe aanleiding gevend, is van zowel het materiële als het spirituele van het bestaan de Allerhoogste Oorzaak een ieder welbekend, die het brahman is, de Oorzaak Aller Oorzaken, de onvergelijkelijke Ene buiten wie er geen andere oorzaak te vinden is. (31) Van wiens vele energieën de sprekers der verschillende filosofieën met het bespreken van de oorzaken van tegenwerping en instemming zijn en van wie zij voortdurend, verbijsterd over de ziel, creatief zijn; jegens Hem, die onbegrensde alles doordringende Ene van alle bovenzinnelijke kenmerken, mijn eerbetoon. (32) Zij die de kennis voorstaan van de uiteindelijke oorzaak en spreken over wat zou zijn [het absolute heeft vorm: sâkâra] en wat niet zou zijn [het absolute is vormloos: nirâkâra], betrekken zich op één en hetzelfde onderwerp van studie maar leggen verschillende en tegengestelde karakters aan de dag zoals men dat kan opmaken uit dat wat van de mystieke eenheid en van analyse is; daadwerkelijk is die transcendentale verblijfplaats, die uiteindelijke oorzaak, één en dezelfde [vergelijk 5.26: 39]. (33) Teneinde Zijn grondeloze genade te tonen aan de toegewijden aan Zijn lotusvoeten, manifesteert Hij, de eeuwige, Allerhoogste Persoonlijkheid die niet aan enige naam of vorm gebonden is, Zich met de gedaanten en heilige namen waarmee Hij geboorte neemt en optreedt; moge Hij, de Transcendentie, genade met me hebben. (34) Hij die met de lagere ontwikkelingsgraden der aanbidding Zich naar gelang de verlangens van ieder levend wezen manifesteert vanuit de kern van het hart, wint, net als de wind waaiend over de aarde, aan kleur en aroma [aldus de gedaante van halfgoden aannemend]; moge Hij, mijn Heerser, aandacht hebben voor mijn overwegingen.'

(35-39) S'rî S'uka zei: 'Na aldus te zijn geprezen door de opgedragen gebeden verscheen Hij, de Allerhoogste Heer, de zorgdrager der toegewijden, aldaar in Aghamarshana, o beste onder de Kuru's. Met Zijn voeten op Garuda's schouders hield Hij met Zijn acht lange en machtige armen, de werpschijf, de schelphoorn, het zwaard, het schild, de pijl, de boog, het touw en de knots omhoog. Zijn intens blauw-zwarte gedaante was gehuld in gele kledij, Zijn gezicht en blik waren zeer opgewekt en Zijn hele lichaam was van top tot teen opgesierd; versierd met het stralende Kaustubha juweel, het S'rîvatsa merkteken, een grote geronde helm, glitterende haaien-oorhangers, een gordel, ringen om Zijn vingers, armbanden om Zijn polsen en bovenarmen en met Zijn enkelbelletjes, betoverde Zijn verschijning de drie werelden. Als de schittering van de lagere, de hogere en de tussenwerelden werd de Beheerser omringd door Nârada, Nanda en andere eeuwige metgezellen zowel als door de leiders der goddelijken, en werd Hij verheerlijkt door de volmaakten, de hemelse zangers, en de eerbiedwaardigen van de Veda's die voor hem zongen. (40) Met het zien van die hoogst wonderbaarlijke gedaante was de Prajâpati aanvankelijk bevreesd, maar toen, naar lichaam, geest en ziel verheugd, wierp hij zich languit voorover ter aarde. (41) Door het grote geluk dat zijn zinnen vulde als rivieren volstromend van bergstroompjes, was hij niet in staat een woord uit te brengen. (42) Met het zien van een grote toegewijde als hij, vol van verlangen naar nageslacht, voor Hem uitgestrekt, sprak Hij, Janârdana die allen tot vrede beweegt en die op de hoogte is van ieders hartewens, als volgt. (43) De Allerhoogste Heer zei: 'O zoon van de Pracetâ's, u, zo hoogst fortuinlijk, vervolmaakte in groot geloof door uw boetedoeningen uw goede zelf en bereikte met Mij als uw voorwerp het allerhoogste van de liefde. (44) Ik ben zeer verheugd over u, o heerser der mensen; vanwege uw boete is het aantal van de levende wezens alhier toegenomen. Moge er van dit verlangen vooruitgang zijn op ieder gebied. (45) Brahmâ, S'iva, u allen stamvaders, de Manu's en alle heersers van macht [zoals de goddelijkheid van de zon en de maan], al dezen zijn inderdaad expansies van Mijn energieën en vormen de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens. (46) Boete is Mijn hart, o brahmaan, de vedische kennis is Mijn lichaam, de spirituele activiteiten zijn Mijn gedaante, de rituelen volgens voorschrift uitgevoerd zijn Mijn ledematen en de verlevendiging door de goddelijken [het ongeziene goede geluk der devotionele activiteiten] is het ware van Mijn geest en ziel. (47) In den beginne, vóór de schepping, was Ik zeker de enige die er bestond, buiten Mij was er niets te vinden; het uitwendige van een materieel bewustzijn was niet gemanifesteerd alsof in slaap verzonken. (48) Toen in Mij, vanuit Mijn onbegrensd vermogen, het onbegrensde der kwaliteiten in de gedaante van het universum zijn bestaan vond, werd inderdaad daarin het eerste levende wezen, Heer Brahmâ, geboren afkomstig uit niemand anders dan zichzelf. (49-50) Toen hij, Svayambhû, de waarlijk grote God, in het tot stand proberen te brengen van de schepping over zichzelf, in het verlengde van Mijn macht, nadacht als zijnde incapabel, werd de god die hij was te dien tijde door mij aangeraden de zwaarste boetedoening te volbrengen; aldus waren er van hem in het begin de negen grote persoonlijkheden der schepping waaruit u allen bent voortgekomen [zie 3.24: 21 en ook 3.8]. (51) O Prajâpati, neemt deze dochter genaamd Asiknî van een andere Prajâpati genaamd Pañcajana tot uw echtgenote, mijn beste zoon. (52) U, gehuwd met haar, zal in seksuele gemeenschap overeenkomstig de beginselen der religie wederom [zie 4.2] de oorzaak zijn van de velen van dezen die overeenkomstig het dharma echtelijk verbonden geboorte zullen geven aan alle levenden [zie ook B.G. 7: 11]. (53) Alle levenden die, vanwege Mijn begoochelende energie, na u overgaan tot seksuele gemeenschap, zullen er dan eveneens toe komen hun best te doen in het brengen van offers aan Mij.'

(54) S'rî S'uka zei: 'Met het Hem aldus sprekend voor ogen hebben, verdween de Allerhoogste Heer, de schepper van het hele universum, vandaar alsof Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, een droombeeld was geweest. '

 

Hoofdstuk 5  

Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha

(1) S'rî S'uka zei: 'Er toe aangezet door Heer Vishnu Zijn uitwendig vermogen [mâyâ] verwekte hij [Daksha] in zijn vrouw genaamd Pâñcajanî [Asiknî] een groot aantal hoogst machtige zoons die de Haryas'va's werden genoemd. (2) Met hen allen van een soortgelijk karakter en manier van doen, begaven de zonen van Daksha, o Koning, zich in de richting van het westen, gehoorzamend aan de opdracht van hun vader te zorgen voor nageslacht. (3) Het water aldaar genaamd Nârâyana-saras, is een zeer grote heilige plaats waar de Sindhu [de huidige Indus] de oceaan instroomt; hij wordt bezocht door de wijzen en de volmaakten. (4-5) Hoewel het in aanraking verkeren met dat water afdoende was om hen volledig te zuiveren van hun fixaties op het onware, voelden zij zich innerlijk hoogst aangetrokken tot de praktijken van de verheven zielen en volbrachten zij met overtuiging de zwaarste boetedoeningen. Toen ze er klaar voor waren voor het doel bij te dragen tot de groei van de bevolking zoals hun vader hen dat had opgedragen, werden ze bezocht door devarishi [Nârada]. (6-8) Hij sprak tot hen als volgt: 'O Haryas'va's, hoewel jullie de prinsen zijn die het voor het zeggen hebben, schieten jullie, helaas, tekort in ervaring; als jullie tezamen niet gezien hebben wat de uitwassen zijn van deze aarde, hoe kan je dan ten dienste van de waarheid nageslacht verwekken? Bezie het als met een man wiens koninkrijk bestaat uit een gat in de grond vanwaaruit geen ontsnappen mogelijk is. Aan zijn zijde is er een vrouw die zich in allerlei bochten wringt, met enkel de bedoeling om haar eigen man in een slaaf van de liefde te veranderen waarvoor hij moet betalen. Er is daar een rivier die twee kanten op stroomt bij een prachtig huis van vijfentwintig materialen waar een zwaan mooie verhalen vertelt terwijl er een messcherpe schijf aan het ronddraaien is. (9) Hoe kunnen jullie, hier niet van op de hoogte, de orders opvolgen van jullie vader die er alles van weet, en niettemin van plan zijn een hele wereld naar je hand te zetten?'

(10) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Haryas'va's die raadselachtige woorden van de devarishi hadden gehoord, namen ze hen in overweging met de volle inzet van hun intelligentie en ontwaakte hun onderscheidingsvermogen. (11) De aarde was het veld van handelen, de bestemming van het levend wezen welke, sedert mensenheugenis bestaand, de oorzaak is van zijn gebondenheid; wat zou tijdgebonden arbeid nu voor nut hebben als men niet haar eindigheid inziet? (12) Met inderdaad één enkele heerser, één Allerhoogste Heer aanwezig die niet kan worden waargenomen, die niet geschapen is en die onafhankelijk, als Zijn eigen toevlucht in het voorbije er als de vierde dimensie is, waartoe leidt dan de hang naar baatzuchtig handelen? (13) Als inderdaad onwetend alhier [in het gat] iemand vertrokken is naar de lagere regionen zonder een kans op terugkeer naar de spirituele verblijfplaats vanwaar men ook niet terugkeert, wat kan dan het nut van het tijdelijke van vruchtdragende activiteiten zijn [vergelijk B.G. 9.4 en 8.15]? (14) De verschillende dingen die het levend wezen met zijn intelligentie probeert, bezeten zijnd van de hartstocht enzovoorts, doen hem lijken op iemand die van de betaalde liefde leeft; wat heeft het voor zin zich in te spannen voor resultaten, als men daar het einde niet van ziet in deze wereld? (15) In die context onderworpen aan de materiële gang van zaken verliest men zijn status als een zelfstandige autoriteit en beweegt de intelligentie zich precies zoals een seksverslaafde persoon verstoken van inzicht zich beweegt; wat heeft in deze wereld al die liefde voor het gebonden zijn aan je karma voor nut? (16) Het illusoire van de materie geeft aanleiding tot schepping en vernietiging, hetgeen een rivier is die [zo dus twee kanten opstroomt en] voor de verzotte geest [te] snel stroomt aan zijn oevers [om eruit te komen]; als men daar geen weet van heeft, wat voor nut heeft het dan te werken voor een tijdelijk voordeel? (17) Als men in dit bestaan niet op de hoogte is van de vijfentwintig manieren [de elementen zie 3.26: 11-15] om tegen de werkelijkheid van de Oorspronkelijke Persoon aan te kijken, de wonderlijke spiegel voor de individuele persoonlijkheid, welk voordeel behaalt men dan met het valse van het zich bekommeren om materieel gewin? (18) Als men [gelijk een zwaan] niet in staat is onderscheid te maken wat betreft de toevlucht, het opgevend aangaande de Heer Zijn geschriften [de S'âstra's] die informeren over de wegen der gebondenheid en bevrijding, wat is dan de zin van de worsteling in gehechtheid aan tijdelijke resultaten? (19) Het o zo scherpgerande, ronddraaiende rad van de tijd bestiert de hele wereld naar eigen maat en orde; wat voor nut heeft het te ondernemen in winstverlangen als men hier in deze wereld er niet van op de hoogte is [van deze orde van de tijd]? (20) Hoe kan men verstrikt in de geaardheden [zie B.G. 18: 19-29] ook maar iets op touw zetten, als men niet de aanwijzingen van de geschriften van de Vader begrijpt om volgens het boek te leven dat uitlegt hoe men een punt moet zetten achter de materiële manier van leven?'

(21) Aldus overtuigd, o Koning, deelden de Haryas'va's allen dezelfde mening; hem [Nârada] omlopend vertrokken ze om het pad te betreden waarvan men niet weer terugkeert [zie ook B.G. 8: 16]. (22) Terwijl hij in spirituele klanken de Heer der Zinnen in gedachten hield en zo, innerlijk onverdeeld, het bewustzijn betrok op de lotusvoeten, bereisde de muni al de werelden [zie de bhajan Nârada Muni]. (23) Van Nârada vernemend over het verlies van zijn zoons die qua gedrag tot de besten der besten behoorden, had hij, Daksha, vol weeklagen te lijden; te zien wat er van zijn fijne zoons terecht was gekomen raakte hem diep. (24) Tot vrede gebracht door de Ongeborene verwekte hij wederom in Pâñcajanî een duizendtal zoons die de Savalâs'va's werden genoemd. (25) Zij op hun beurt gingen, door hun vader opgedragen het universum te bevolken, terwille van hun geloften naar de volmaakten aan de Nârâyana-saras, de plaats waar hun oudere broers voorheen ook naar toe waren vertrokken. (26) Daar regelmatig badend, japa doend en mantra's reciterend voor de Transcendentie, volbrachten ze grote boetedoeningen welke hen inderdaad zuiverden van alle vuil dat in hen was. (27-28) Maandenlang enkel water drinkend en lucht etend gingen ze tewerk met deze mantra om de Meester aller Mantra's te aanbidden: 'Onze eerbetuigingen aan Heer Nârâyana, de Grote Ziel die eeuwig verwijlt in het zuiverste der goedheid, de grote zwaangelijke persoonlijkheid waarop wij mediteren.' [om namo nârâyanâya purushâya mahâtmane vis'uddha-sattva-dhishnyâya mahâ-hamsâya dhîmahi']. (29) Zij, erop mediterend het universum te bevolken, werden evenzo benaderd, o Koning, door de wijze Nârada, die net als toen sprak in woorden die diep gingen: (30) 'O zoons van Daksha, luister alstUblieft aandachtig naar mijn aanwijzingen. Volgt allen het pad van uw broers waar u zo veel om geeft. (31) Een broeder trouw aan het pad van een oudere broeder bekend met het dharma [zie 6.1], is een vroom iemand die mag genieten met de Maruts [de windgoden].'

(32) Na zoveel gezegd te hebben vertrok Nârada met zijn algunstige visie vandaar, en zo kwamen ze ertoe het pad van hun broers vóór hen te volgen, mijn waarde vriend. (33) Op de juiste manier naar binnen gekeerd zich toen zo op het bovenzinnelijk pad begevend zijn ze, net als de nachten die afscheid namen in het westen, tot op de dag van vandaag er niet van teruggekeerd. (34) Op datzelfde ogenblik nam de Prajâpati vele ongunstige tekenen waar en vernam hij hoe, als voorheen, door Nârada er van zijn zoons weer niets terecht was gekomen. (35) Hij, overweldigd in zijn treurnis over zijn kinderen, werd zeer kwaad op Nârada en richtte zich, toen hij de devarishi ontmoette, woedend tot hem met trillende lippen. (36) S'rî Daksha zei: 'Jij valse prediker uitgedost als een heilige! Wat voor een dwaalleer houdt u ons nu voor; arme jongens die tekortschieten in ervaring hebt u het pad van bedelaars gewezen! (37) Met hen in het geheel niet vrij van de drie schulden [aan de heiligen, de goden en de vader middels celibaat, ceremoniën en nageslacht], heb je, met minachting voor hun werklast, hen de weg geblokkeerd van het goede geluk in zowel de hemel als op aarde, jij zondaar! (38) Op die manier heb je harteloos het verstand van die jongens bedorven, en heb jij, die rondreist in het gezelschap van de Heer, Hem te schande gemaakt, jij dilettant! (39) Besef goed dat de besten van de Heer altijd vol van ijver zijn om de gevallenen te zegenen, maar niet jij, jij hebt werkelijk de band verbroken en tweedracht gezaaid onder mensen die van harmonie zijn [vergelijk B.G. 18: 68-69]. (40) In de waan van jouw prediking denk je dat de verzaking wordt bereikt door de banden der genegenheid te verbreken, maar zo werkt verzaking niet bij mensen. (41) Als men niet de moeilijke tijd heeft ervaren die volgt op het plezier ontwikkelt zich bij een persoon niet de kennis; op het laatst ziet men er vanzelf vanaf, en niet vanwege een hersenspoeling door anderen. (42) Met vrouw en kinders nemen zij die eerlijk zijn de last der vedische verplichtingen op zich; het onverdraaglijke onrecht dat u ons hebt aangedaan kan ik [éénmaal] vergeven. (43) Maar, jij intrigant, voor het kwaad dat je voor de tweede keer hebt aangericht mag er, derhalve, o zotheid, nergens in de wereld een plek voor je zijn in je omzwervingen.'

(44) S'rî S'uka zei: 'Nârada Muni, zoals het een volleerd heilige past [zie ook 3.25: 21-27 en B.G. 12: 13-20], zei, het allemaal verdragend, enkel: 'Geaccepteerd, laat het zo zijn', hoewel hij zelf de man was met de touwtjes in handen.'  

  

Hoofdstuk 6

Het Nageslacht van de Dochters van Daksha

(1) S'rî S'uka zei: 'Daarna [nadat hij Nârada had vervloekt] verwekte de zoon van de Prâceta's, tot vrede gekomen door Heer Brahmâ, bij zijn vrouw Asiknî zestig dochters die allen zeer op hun vader gesteld waren. (2) Tien van hen gaf hij aan koning Dharma [Yamarâja], Kas'yapa gaf hij er dertien, zevenentwintig werden er aan de maangod geschonken en Bhûta, Angirâ en Kris'âs'va gaf hij er ieder twee. De vier resterende dochters gaf hij ook aan Kas'yapa. (3) Verneem alstUblieft van mij wat de verschillende namen zijn van hen allen die met hun vele kinderen en afstammelingen de drie werelden bevolkten en van wie u en ik afstammen.

(4) De vrouwen van Yamarâja waren Bhânu, Lambâ, Kakud, Yâmi, Vis'vâ, Sâdhyâ, Marutvatî, Vasu, Muhûrtâ en Sankalpâ. Verneem nu over hun zonen. (5) Uit Bhânu werd Deva-rishabha geboren en van hem kwam Indrasena ter wereld, o Koning. Vidyota verscheen uit Lambâ en hij schiep vele wolken [van baby's]. (6) Uit Kakud kwam Sankatha voort en van hem was er de zoon genaamd Kîkatha van wie er vele beschermers van de aarde waren. Yâmi bracht Svarga voort van wie Nandi het licht zag. (7) De Vis'vadeva's verschenen uit Vis'vâ, maar men zegt dat er van hen geen nageslacht was. De Sâdhya's die geboorte namen uit Sâdhyâ, hadden één zoon: Arthasiddhi. (8) Marutvân en Jayanta namen geboorte uit Marutvatî. Jayanta was een expansie van Vâsudeva, die alzo bekend stond als Upendra. (9) De Mauhûrtika's waren de goddelijken geboren uit Muhûrtâ en zij tezamen namen feitelijk geboorte om de levende wezens de vruchten van hun eigen tijdgebonden handelen te geven. (10-11) Van Sankalpâ kwam er Sankalpa en van hem werd Kâma [de lust] geboren. Vasu gaf geboorte aan de acht Vasu's en verneem nu de namen van hun zoons: Drona, Prâna, Dhruva, Arka, Agni, Dosha, Vâstu en Vibhâvasu. Van Drona's toegewijde echtgenote Abhimati waren er zoons als Harsha, S'oka, Bhaya en zo meer. (12) Van de vrouw van Prâna, Ûrjasvatî waren er Saha, Âyus en Purojava. De geboorten uit Dhruva's vrouw Dharani leidden tot de verschillende steden en nederzettingen. (13) Van de vrouw van Arka, Vâsanâ waren er de gedenkwaardige zoons Tarsha en anderen en van Dhârâ de vrouw van de Vasu Agni waren er de zoons bekend als Dravinaka en zo anderen. (14) Van Skanda geboren uit Krittikâ, een andere vrouw van Agni, werden allen [zoals Skanda en Kârttikeya] met Vis'âkha voorop geboren en uit Dosha's vrouw S'arvarî kwam de zoon S'is'umâra ter wereld, een expansie van de Heer van de Tijd [zie 5.23]. (15) Uit Vâstu's echtgenote Ângirasî was er de zoon Vis'vakarmâ [de grote architect] de echtgenoot van Âkritî. Van hem werd de Manu geboren die men Câkshusha noemt uit wie de zoons van Vis'vâ en Sâdhyâ ter wereld kwamen [zie vers 7]. (16) Ûshâ van Vibhâvasu gaf geboorte aan Vyushtha, Rocisha en Âtapa, degene uit wie daarna Pañcayâma ['de lengte van de dag'] werd geboren die de levende wezens opwekt tot materieel handelen. (17-18) Sarûpâ, de vrouw van Bhûta, gaf geboorte aan de miljoenen Rudra's en zo zijn er van de Rudra's Raivata, Aja, Bhava, Bhîma, Vâma, Ugra, Vrishâkapi, Ajaikapât, Ahirbradhna, Bahurûpa, Mahân en anderen [of van andere vrouwen van Bhûta], hun metgezellen de nare geesten en Vinâyaka's [een soort van demonen, kwaaie dwergen]. (19) Prajâpati Angirâ zijn vrouw Svadhâ verwelkomde de Pitâ's als haar zoons waarna als de zoon van zijn andere vrouw Satî de zoon Atharvângirasa werd ontvangen, die de Veda's in eigen persoon was. (20) De vrouw van Kris'âs'va, Arcis gaf geboorte aan Dhûmaketu die in Dhishanâ Vedas'irâ, Devala, Vayuna en Manu verwekte. (21-22) Kas'yapa [ofwel Târkshya] had vier echtgenotes: Vinatâ [Suparnâ], Kadrû, Patangî en Yâminî. Uit Patangî ontsprongen de verschillende soorten vogels, uit Yâminî kwamen de sprinkhanen voort en daaropvolgend bracht Vinatâ Garuda voort, hij die men beschouwt als de drager van Yajña [Vishnu] en Anûru de wagenmenner van de god van de zon Sûrya. Van Kadrû waren er de serpenten in hun verscheidenheid. (23) De sterrenbeelden met Krittikâ op kop waren er van de vrouwen van de maangod, maar o zoon van Bharata, vanwege een vloek van Daksha, had hij, geplaagd door een afmattende ziekte, geen kinderen bij hen. (24-26) Hem opnieuw tot vrede bewegend was Soma er met respect voor de tijdfactor in geslaagd het verval een halt toe te roepen [in de donkere helft van de maand]. Hoor nu wat al de namen zijn van de moeders, de vrouwen van Kas'yapa, van wiens plaatsen aldus recht gedaan, dit hele universum zijn bestaan vond: Aditi, Diti, Danu, Kâshthhâ, Arishthâ, Surasâ, Ilâ, Muni, Krodhavas'â, Tâmrâ, Surabhi, Saramâ en Timi. Uit Timi verschenen de waterdieren terwijl de wilde dieren er waren als de kinderen van Saramâ. (27) Van Surabhi de buffel kwamen er de koeien zowel als anderen met gespleten hoeven, o Koning, uit Tâmrâ kwamen de adelaars en gieren en dergelijke voort en van Muni waren er de groepen engelen. (28) Uit de ziel van Krodhavas'â werden de reptielen geboren aangevoerd door de dandas'ûka-slangen, uit Ilâ kwamen de klimplanten en de bomen voort en alle kwaadwilligen waren er van Surasâ. (29-31) Van Arishtha waren er enkel Gandharva's en van Kâshthhâ waren er de dieren wiens hoeven niet gespleten zijn. Uit Danu werden er eenenzestig zoons geboren; verneem over de belangrijksten onder hen: Dvimûrdhâ, S'ambara, Arishthâ, Hayagrîva, Vibhâvasu, Ayomukha, S'ankus'irâ, Svarbhânu, Kapila, Aruna, Pulomâ en Vrishaparvâ zowel als Ekacakra, Anutâpana, Dhûmrakes'a, Virûpâksha, Vipracitti en Durjaya. (32) Suprabhâ, de dochter van Svarbhânu huwde Namuci zo zegt men, maar S'armishthhâ van Vrishaparvâ ging naar Yajâti de machtige zoon van Nahusha. (33-36) Er waren vier zeer mooie dochters van Vais'vânara: Upadânavî, Hayas'irâ, Pulomâ en Kâlakâ. Hiranyâksha trouwde met Upadânavî en Kratu met Hayas'irâ, o Koning, maar toen op verzoek van Heer Brahmâ de twee dochters Pulomâ en Kâlakâ van Vais'vânara trouwden met de o zo machtige Prajâpati Kas'yapa, werden uit hen de Pauloma en Kâlakeya demonen geboren die zeer op het gevecht uit waren. Zestigduizend van hen [aangevoerd door Nivâtakavaca] die een grote hindernis vormden voor de offers gebracht in de hemelse plaatsen, werden door uw grootvader [Arjuna] gedood, o Koning, enkel om Indra te behagen. (37) Uit Vipracitti's vrouw Simhikâ werden honderd-en-één zoons geboren die allen een planeet voor zichzelf verwierven: Râhu was de oudste en de honderd anderen waren de Ketu's. (38-39) Laat nu in chronologische volgorde gezegd zijn hoe daarna de dynastie voortkwam uit Aditi, waarin Nârâyana, de Heer, middels zijn eigen volkomen deelaspect nederdaalde als de Almachtige: Vivasvân, Aryamâ, Pûshâ, en Tvashthâ met vervolgens Savitâ, Bhaga, Dhâtâ, Vidhâtâ, Varuna, Mitra, S'atru en Urukrama. (40) Van Vivasvân gaf de fortuinlijke Samjñâ geboorte aan de Manu genaamd S'râddhadeva zowel als aan de halfgod Yamarâja en zijn zuster Yamî [de rivier de Yamunâ]. Ook zij, toen ze veranderde in een merrie, gaf op deze aarde geboorte, en wel aan de As'vinî-Kumâra's. (41) Châyâ [een andere echtgenote van de zonnegod] kreeg de zoons S'anais'cara [Saturnus] alsook Sâvarni de Manu en een dochter van hem genaamd Tapatî die Samvarana als haar echtgenoot had. (42) Van de verbintenis van Aryamâ met zijn vrouw Mâtrikâ kwamen vele hooggeleerde zoons ter wereld van wie Heer Brahmâ een soort van mens de wereld in hielp die daadwerkelijk gelijk hen was. (43) Pûshâ bleef kinderloos levend op enkel deeg daar zijn tanden gebroken waren vanwege het voorheen zijn tanden getoond hebben met het lachen over de woede van Daksha [toen hij Heer S'iva beledigde, zie 4.5: 21, 4.7: 4]. (44) Uit het koppel Tvashthâ, en de meid genaamd Racanâ, die een Daitya dochter was, werden de fysiek zeer krachtige zoons Sannives'a en Vis'varûpa geboren. (45) Om goed te zitten [met Brahmâ] werd Vis'varûpa door de goddelijken, die in minachting voor Brihaspati door hun geestelijk leraar waren verstoten, aanvaard als priester, alhoewel hij de zoon was van een dochter geboren uit vijandschap.

 

Hoofdstuk 7

Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati

(1) De koning zei: 'Alstublieft, o grote wijze, beschrijf om welke reden de godsbewusten door hun leraar van het voorbeeld [Brihaspati] werden afgewezen; aan welke overtreding hadden de leerlingen zich jegens de geestelijk leraar schuldig gemaakt?'

(2-8) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Koning Indra genietend van de weelde der drie werelden was door de trots afgedwaald van het pad der waarheid. Omringd, o Koning, door de Maruts [van de glans], de Vasu's [der uitnemendheid], de Rudra's [van de woede], de Âditya's [van het onware], de Rihbu's [der inventiviteit, zie ook 4.4: 33], de Vis'vadeva's [van de koninklijke weelde], de Sâdhya's [der verfijning], de As'vinî-Kumâra's [der hulpvaardigheid] en de Kumâra's [van het celibaat] en gediend door de Siddha's [der perfectie], de Câranas [van het theater], Gandharva's [van de zang], de Muni's [der wijsheid], de Brahmavâdi's [der geleerdheid], de Vidyâdhara's [der wetenschap], Apsara's [van de hemel] en Kinnara's [van het bovenmenselijke], de Pataga's [van de vogels] en de Uraga's [der slangen], werd koning Indra in fraaie gezangen aanbeden o zoon van Bharata [vergelijk 2.3: 2-7]. In zijn ontvangstzaal zat hij op zijn troon en genoot hij de koninklijke weelde van een witte parasol zo mooi als de schijf van de maan en andere koninklijke zaken als yakstaarten om hem koelte toe te wuiven en meer van dat soort gemakken. Stralend met zijn vrouw S'acî die met hem de troon deelde, achtte hij zichzelf de hoogste en werd de verheven leraar van het voorbeeld, de geestelijk leidsman van al de goddelijken, toen hij in de bijeenkomst verscheen, niet door hem verwelkomt; hij stond niet op van zijn troon, bood hem geen zitplaats aan, noch groette hij de priester der godsbewusten, de beste der wijzen, die in gelijke mate door zowel de verlichte als onverlichte zielen werd hooggehouden. Alhoewel Indra hem binnen zag komen, toonde hij geen enkel respect.

(9) Brihaspati, de geleerde wijze en meester, die daarop meteen vertrok, keerde in stilte huiswaarts wel bekend als hij was met de vervreemding van het zich te veel verbeelden met de weelde. (10) Meteen zag Indra in dat hij zijn eigen goeroe had geminacht en oefende hij publiekelijk zelfkritiek: (11) 'O welk een ramp, hoe onbeschoft inderdaad was het wat ik gedaan heb; ik lijk wel gek geworden. Nu heb ik, vol van verbeelding over mijn welstand, temidden van deze vergadering de geestelijk leider onterecht behandeld!(12) Welke man van kennis zou ook van de weelde zijn; hoewel ik de koning verheven boven allen ben, heb ik, de heerser die van de goedheid zou zijn, me daardoor nu laten leiden door een demonische mentaliteit. (13) Hij die beweert dat op de koningstroon zitten inhoudt dat men niet voor enig ander hoeft op te staan, heeft geen idee van de hogere betekenis van het dharma [vergelijk 4.2]. (14) Zij die voorgaan op de verkeerde weg belanden zelf in het duister, en een ieder die geloof hecht aan hun woorden, zal inderdaad tenondergaan als een boot van steen in het water. (15) Derhalve zal ik me bemoeien de geestelijk leider der smetteloze tweemaal geborenen, wiens kennis zo diep gaat, gunstig te stemmen en zal ik zonder dubbelhartigheid zijn lotusvoeten met mijn hoofd beroeren.'

(16) Terwijl hij, Indra de machtigste van allen, zich aldus zorgen maakte, werd Brihaspati onzichtbaar voor hem als gevolg van de kracht van zijn hoogst verheven staat. (17) Verwoed overal op zoek nergens een spoor van zijn goeroe bekennend, kon de machtige Indra, vertrouwend op zijn eigen wijsheid en met de hulp van allen die bij hem betrokken waren, geestelijk geen rust vinden. (18) Toen dat de massa der onverlichten, die vasthielden aan de voorschriften van S'ukrâcârya, duidelijk werd namen ze, niet al te slim, hun wapens op en verklaarden ze de godsbewusten de oorlog. (19) Met hun rompen, armen en benen getroffen door de scherpe pijlen die ze afschoten, namen de goddelijken tezamen met Indra hun toevlucht tot Heer Brahmâ, en bogen ze voor hem het hoofd. (20) Toen die zag hoezeer ze werden geplaagd door de aanval op hen, sprak de god, de allerhoogste ongeborene die Brahmâ was, uit zijn grondeloze en onbegrensde genade tot hen om hun leed te verzachten. (21) Heer Brahmâ zei: 'Helaas, welk een onaangename verrassing, o besten der verlichting, jullie hebben daadwerkelijk een trouwe dienaar van de Absolute Waarheid, een brahmaan van volmaakte beheersing, een groot onrecht aangedaan; vanwege jullie goede doen hebben jullie gefaald hem naar behoren welkom te heten. (22) Het was vanwege deze minachting van jullie die zo succesvol zijn, dat de anderen, de vijanden door wie jullie zijn verslagen, er toe werden aangezet ondanks hun klaarblijkelijke zwakheid zich tegen jullie te keren, o getrouwen van God. (23) En u Indra Maghavan, Eer der Weelde, kijk nu eens hoe uw vijanden, voorheen zo zwak door het veronachtzamen van hun geestelijk leider, nu hun macht hebben herwonnen door met grote toewijding hun wijze de zoon van Bhrigu [S'ukrâcârya] te vereren, en wel in die mate dat ze zelfs mij naar de kroon steken in mijn eeuwige woning der waarheid! (24) In hun besluit de aanwijzingen op te volgen van de Bhrigumeesters [als S'ukrâcârya] zijn ze onverdeeld in hun plannen en valt het ze makkelijk de scepter te zwaaien over dat waar al de goden zich om bezorgen; noch zij, noch de menselijke heersers, noch een ander die van zorg en respect is voor de koeien, de brahmanen en voor Govinda, zullen, dit principe volgend, ook maar enige tegenslag ondervinden. (25) Weest derhalve zonder omhaal de zoon van Tvashthâ, Vis'varûpa toegewijd, die een onafhankelijke ['ongehuwde'] ziel van scholing, verzaking en boete is; op voorwaarde van uw tolerantie voor zijn werklast [van het ondersteunen van de Daitya's] zal hij uw belangen behartigen als u hem de eer gunt.'

(26) S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus geadviseerd door Heer Brahmâ, o Koning, gingen bevrijd van hun zorgen heenwaarts om de grote rishi, de zoon van Tvashthâ, in hun armen te sluiten en hem het volgende mede te delen. (27) De godsbewusten zeiden: 'Wij, hier bij uw verblijfplaats gearriveerd als uw gasten, wensen u alle geluk en voorspoed en zouden graag het verlangen onder woorden willen brengen, o beminde heer, dat, conform het gezag van onze voorvaderen, wat betreft de huidige situatie het een en ander recht wordt gezet. (28) Het is inderdaad de hoogste plicht van zonen naar hun beste vermogen hun ouders, en zelfs de ouden die zonder nageslacht zijn, te dienen, o brahmaan, om nog maar te zwijgen van de celibatairen [de brahmacârî's]. (29-30) In de leraar van het voorbeeld verpersoonlijkt de vedische kennis, de vader staat voor de Oorspronkelijke Vader die God is, de broer is de representant van de heerser der goddelijken en de moeder is de directe belichaming van de aarde. De zus is de personificatie van de genade, de gast is er als het ware zelf van het dharma, de genodigde is er als de vertegenwoordiger van het offervuur en alle levende wezens zijn er naar het model van de Allerhoogste van de Ziel. (31) Neem derhalve, bij machte van de verzaking in u, o allerbeste, vanwege van het bedreigde voorouderlijke belang, onze treurnis weg over de nederlaag die de vijanden ons bezorgden, wij die met wat we aan u hebben voorgelegd daar zo naar smachten. (32) Wij hebben u gekozen als onze leidsman van volmaaktheid aangaande het Allerhoogste Brahman, als onze brahmaan en onze geestelijk leraar, zodat bij machte van uw schittering we gemakkelijk onze rivalen mogen verslaan. (33) We weten dat het niet verboden is er belang aan te hechten om de voeten te respecteren van iemand die jonger is zoals u; het is van belang om vol van lof te zijn, o brahmaan, of men nu ouder is of niet telt niet echt mee in dit soort aangelegenheden [*].'

(34) De geachte rishi [S'uka] zei: 'Aldus op verzoek van de verlichten het priesterschap aanvaardend als de grote der verzaking, richtte hij, Vis'varûpa, verheugd over hun woorden van lof, het woord tot hen. (35) Vis'varûpa zei: 'Hoewel het door hen die zweren bij het dharma wordt veroordeeld als afbreuk doend aan iemands geesteskracht, kan nu op dit moment, o heren, o heersers over allen, een persoon als ik, wiens ware belang het in feite is om uw leerling te zijn, een dergelijk verzoek niet afwijzen. (36) Personen die zich uit de wereld terugtrekken mogen rekenen op de weelde der granen die zijn overgebleven in het veld en op de marktplaats [mogen van de 'sociale zekerheid' leven; s'iloñchana]; op die manier bereiken de sâdhu's, de waarheidzoekers, in alle vroomheid in deze wereld handelend, hun doel. Maar hoe afkeurenswaardig is het inderdaad voor mij, o heersers der werelden, om van de plicht van het priesterschap te zijn, een plicht die ervoor is ingesteld om de verstandsverbijsterden te laten jubelen. (37) Niettemin, kan ik het verzoek van jullie tezamen, als personen zo goed als de goeroe zelf, niet naast me neerleggen; omdat het verlangen naar mijn eigen leven en have er weinig toe doet, zal ik er mee instemmen.'

(38) De zoon van Vyâsa zei: 'Vis'varûpa, de grote der boetedoening die hen aldus zijn priesterschap beloofde, bracht in hun midden met grote aandacht toen het allerhoogste ten uitvoer. (39) Hoewel door de talenten van S'ukrâcârya de weelde van de vijanden der godsbewusten werd beschermd, slaagde de machtige wijze, middels een gebed voor Heer Vishnu [genaamd Nârâyana-kavaca], erin de weelde bijeen te brengen en te overhandigen aan de grote Indra [vergelijk B.G. 9: 31]. (40) Met deze lofzang die de ruimdenkende Vis'varûpa voor Mahendra ['de grote Indra'] onder woorden bracht was hij, de god met de duizend ogen, beschermd en was de militaire macht van degenen der duisternis, die tot een grote dreiging was uitgegroeid, verslagen.

* S'rî Caitanya Mahâprabhu, de voorstander van dit Bhâgavatam, gaf uitdrukking aan zijn instemming in dezen toen hij zijn mening onder woorden bracht voor Râmânanda Râya (Cc. Madhya 8.128): kiba vipra, kiba nyasi, s'ûdra kene naya yei Krishna-tattva-vetta, sei 'guru' haya': 'Het doet niet ter zake of men een brâhmana, s'ûdra, grihastha of een sannyâsî is. Dit zijn allemaal materiële aanduidingen. Een spiritueel gevorderd persoon heeft niets van doen met dergelijke aanduidingen. Derhalve, als men gevorderd is in de wetenschap van het Krishna-bewustzijn, kan men, ongeacht zijn positie in de samenleving, een geestelijk leraar worden. ' 

 

Hoofdstuk 8

De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde

(1-2) De koning zei: 'Welke bescherming genoot de koning met de duizend ogen [Indra] toen hij de strijdkrachten van de vijand en hun rijdieren tegenspel bood; de drie werelden veroverend genoot hij de weelde, o wijze - leg me alstUblieft uit op welke manier de afweer van Heer Nârâyana's genade hem beschermde met het in de strijd verslaan van hen die hem wilden doden. '

(3) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Luister nu aandachtig naar dat wat de zoon van Tvashthâ, gekozen als priester, desgevraagd de grote Indra mededeelde als zijnde de beschermende afweer in mantra's van Nârâyana. (4-6) Vis'varûpa zei: 'Nadat men zijn handen en voeten heeft gewassen, behoort men met de nodige mantra's van het water nippend [âcamana], neerzittend met het juiste respect ['met kus'agras'] met het gezicht naar het noorden gewend, zich mentaal in te stellen mantra's toekennend [zoals 'om namo bhagavate vâsudevâya' en 'om namo nârâyanâya'] aan de verschillende delen van het lichaam. In stilte gezuiverd en gewijd aan de heerlijkheid van Nârâyana behoort men, in geval van een opkomende angst, de verdediging op te nemen [genaamd Nârâyana-kavaca] van het brengen van eerbetuigingen aan Nârâyana met het de één na de ander beroeren van de eigen onderbenen, de knieën, de dijen, de buik, het hart, de borst, de mond en het hoofd beginnende met 'om', of zelfs dit nog een keer te doen in omgekeerde volgorde [dit noemt men utpatti-nyâsa en samhâra-nyâsa]. (*) (7) Vervolgens behoort men de [12] lettergrepen van de mantra beginnende met 'om' en eindigend met 'ya' [: om na-mo bha-ga-va-te vâ-su-de-vâ-ya] aan de vingers toe te wijzen, beginnende met de wijsvinger en eindigend met de vier gewrichten van de duimen. (8-10) Het hart moet men 'om' toekennen, 'vi' hoort vervolgens bij de bovenkant van het hoofd, 'sha' komt tussen de wenkbrauwen, 'na' op de s'ikhâ [het toefje haar op het achterhoofd bij vaishnava-monniken], 've' komt tussen de ogen, de lettergreep 'na' moet worden gereserveerd voor al de gewrichten van het lichaam, en 'ma' moet worden gezien als een wapen in de vorm van een mantra. Aldus behoort een intelligent persoon, de mantra beginnend met 'visarga' en eindigend op 'phat' in alle richtingen uit te spreken ['visarga mah astrâya phath' ofwel: 'met dit wapen bevrijd ik mezelf van de wereld'], zich zo op 'Om Vishnave Namah' concentrerend ['Alle eer aan Heer Vishnu']. (11) Men moet de volgende mantra's reciteren die het Allerhoogste Zelf verpersoonlijken zo waardig om op te mediteren, dat toegerust is met de zes volheden van het leren, de macht en de verzaking [alsook de rijkdom, de schoonheid en de roem]:

(12) 'Ik bidt dat de Heer, Hij van de acht perfecties [zie 3.15: 45] wiens voeten rusten op de rug van Garuda met het omhooghouden van de schelphoorn, de werpschijf, het schild, het zwaard, de knots, de pijlen en de boog, en de touwen in zijn acht armen, me Zijn bescherming zal vergunnen. (13) Moge Matsya [de vis-incarnatie van Heer Vishnu] me in het water beschermen tegen de roofdieren van Varuna, moge Hij me op het land beschermen met de touwen van Vâmana, de dwerg-incarnatie van Trivikrama [Heer Vishnu als de veroveraar der drie werelden] en moge Hij me in de lucht beschermen als Vis'varûpa [Hem in de gedaante van het universum]. (14) Moge de Allerhoogste Meester me beschermen in mijn gezwoeg in de wildernis en aan het front in de strijd; moge Heer Nrisimhadev, door wiens beangstigende lach, weerklinkend in alle richtingen, de vijand van de leider der demonen en zijn nageslacht in wording ten val komt, me bevrijden. (15) Moge er op straat de bescherming zijn van de Ene Heerlijkheid gerespecteerd in de rituelen, Heer Varâha, die met Zijn eigen slagtanden de planeet aarde ophief; moge er voor ons op de toppen der bergen de bescherming zijn van Heer [Paras'u-]Râma en in den vreemde er de bescherming zijn van de oudere broer [Heer Râmacandra] van Bharata, en Zijn broeder Lakshmana. (16) Moge Heer Nârâyana me behoeden voor religieus fanatisme en me weerhouden van handelen in waanzin; moge Nara me van de arrogantie weerhouden, moge Dattâtreya me verre houden van vereniging in ontrouw [non-yoga] en moge de meester van alle Yoga, de beheerser van alle kwaliteiten, Heer Kapila mijn garantie zijn tegen de gebondenheid van het karma. (17) Moge Sanat-kumâra [de volmaakte celibatair] me uit de handen van Cupido houden, moge Hayagrîva [de paard-incarnatie] me op het pad houden weg van het niet respecteren van de goddelijkheid, moge de beste der wijzen devarishi Nârada me behoeden voor overtredingen in het eerbetoon en moge de Heer als Kûrma [de schildpad-incarnatie] me uit de nimmer eindigende hel houden. (18) Moge Bhagavân Dhanvantari [de arts-avatâra] me beschermen tegen dingen die de gezondheid schaden, moge Rishabhadeva, de volledige controle over de geest en het zelf [zie 5.4: 6], me buiten de dualiteit en de angst houden, moge Yajña [Vishnu als de Heer der offers] me behoeden voor schande en een benarde sociale positie, en moge Heer Balarâma in de gedaante van Ananta S'esha [de Heer van het ego, zie 5.25] me weghouden van de nijdige serpenten. (19) Moge Bhagavân Dvaipâyana [Vyâsadeva] me behoeden voor incompetentie, moge eveneens Heer Boeddha, die leiding geeft aan hen die in de illusie zijn gevangen, me van het wanbegrip weerhouden en moge Kalki, de Heer van dit tijdperk van de twist incarnerend als de allergrootste in het verdedigen van het dharma [als de channa- of bedekte avatâra's], me beschermen tegen de onzuiverheden van de tijd [bedwelming, promiscuïteit, gokken en vlees eten; zie ook 1.17: 24]. (20) Moge Kes'ava met Zijn knots me in de ochtend beschermen, moge Govinda met Zijn fluit in handen dat doen in de voormiddag, moge Nârâyana me beschermen in de namiddag en moge voor het vierde dagdeel Heer Vishnu, de heerser met de schijf, de beheerser van alle krachten zijn [zie tevens 5.21: 10]. (21) Moge Heer Madhusûdana met de ontzagwekkende boog S'ârnga me in de vroege avond beschermen. Moge Mâdhava, de Heer van Brahmâ, Vishnu en S'iva, me laat op de avond beschermen en moge Heer Hrishîkes'a me vroeg in de nacht beschermen. Moge rond middernacht Heer Padmanâbha [de Heer uit wiens navel het universum ontsproot] mijn enige beschermer zijn. (22) Moge de Heer met het S'rîvatsa-teken de Heerser zijn na middernacht, moge Janârdana, de Heer met het zwaard in Zijn hand de Heerser zijn gedurende de nacht, moge Heer Dâmodara [zie Dâmodarâshthaka] me beschermen bij het ochtendgloren en moge de Heerser over het Universum, de Allerhoogste Heer die de tijd in eigen persoon is over de vroege ochtend heersen [**]. (23) Laat alstUblieft de scherpgerande schijf die door de Heer wordt aangewend [Zijn orde van de tijd, het cyclische van de natuurlijke tijd], die aan het einde der tijden is als het vuur der vernietiging, met het rondbewegen van het geheel der werelden, de vijandelijke troepen in de as leggen precies zoals een laaiend vuur dat tezamen met zijn vriend de wind in een oogwenk zou doen met droog gras. (24) Moge U, o knots, de onoverwinnelijke Heer zo dierbaar, wiens aanraking als de bliksem vonkt van vuur, aan gruzelementen slaan en in stukken meppen, vernietigen en verpulveren, mijn vijanden, de ondeugden [Kushmânda's], de illusionisten [Vainâyaka's], de boze geesten [Yaksha's], de demonen [Râkshasa's], de spoken [Bhûta's] en de gifmengers [Graha's]. (25) O schelphoorn, moge u met uw schrikwekkende geluid er de oorzaak van zijn dat de harten van de vijandige beulen [Pramatha's], de levende doden [Preta's], de dubbelhartigen [Mâtâ's], de gekken [Pis'âca's] en de ketters [Vipra-graha's] met hun kwade blikken, tot in het diepst mogen sidderen. (26) U, o scherpste der zwaarden, moge u in de handen van de Heer de vijandige soldaten aan mootjes, in stukken hakken. O schild opgesierd met een honderd stralende manen, verblindt de ogen van de afgunstigen zo vol van kwaad en pluk hun zondige ogen uit. (27-28) Moge bij de glorie van Uw naam, gedaante en attributen al de vijandigheid, al de zonde, al de afgunst, de slangen, de schorpioenen en de roofdieren, de aardse geesten, zowel als de vreeswekkende gifmengers van onze geesten en lichamen welken ons welzijn in de weg stonden, naar hun verdoemenis geholpen worden. (29) Garuda, de majesteit des Heren verheerlijkt in de verzen, de verpersoonlijking van de Veda; moge die meester ons met al de namen van Vishvaksena Zelve [de Heer wiens machten door het gehele universum heen worden aangetroffen] beschermen tegen een eindeloos lijden. (30) Moge de omlijsting van Zijn gevolg, van Zijn heilige naam, gedaante, rijdieren en wapens, onze intelligentie, geest en levensadem behouden en beschermen tegen alle vormen van gevaar.

(31) Zo zeker als het feit dat met de Allerhoogste Heer er geen twijfel bestaat over het uiteindelijke dat verheven is boven het manifeste en niet-manifeste, zijn we er zeker van dat bij deze waarheid alles wat ook maar voor ons verstorend werkt zijn einde zal vinden. (32-33) Met hen die bedacht zijn op een afwezigheid van verschillen wordt de eenheid gekend in contrast met de diversiteit. In navolging daarvan, wordt Hij Zelve door Zijn zich uitbreidende spirituele energie met Zijn opsmuk, wapens, kenmerken en behept zijn met zo vele vermogens en verschillende namen, waarlijk begrepen als de alwetende Allerhoogste Heer die de illusie verslaat; moge Hij, de alles-doordringende Ene, met al Zijn gedaanten, ons altijd en overal beschermen. (34) Moge de Allerhoogste Heer in alle uithoeken, in alle windrichtingen, er boven en er onder, van alle kanten, vanbinnen en vanbuiten, in de gedaante van Nrisimhadev de wereldse angsten vernietigen met Zijn machtige gebrul [of lied, zie de S'rî Nrisimha Pranâma]; moge Hij met Zijn uitstraling alle andere invloeden overschaduwen.

(35) O Koning Indra, onder de bescherming van deze door mij beschreven mystieke wapening met betrekking tot Heer Nârâyana, zal u zeer gemakkelijk de aanvoerders der demonische horden verslaan. (36) Welke persoon ook maar die zijn geest hiertoe heeft gezet, of hij het nu onder ogen kreeg, het aan zijn voeten aantrof of er tegenop liep, zal terstond zijn bevrijd van alle angsten. (37) Hij die dit mystieke gebed aanwendt heeft niets te vrezen, niet van de regering, niet van schurken, niet van de gifmengers en dergelijken, noch van ziekten wanneer dan ook. (38) Dit gebed werd voorheen aangewend door een man genaamd Kaus'ika, een brahmaan, een yoga-aanhanger die zijn lichaam prijs gaf in de woestijn. (39) Zijn dode lichaam werd van bovenaf in zijn hemelse voertuig opgemerkt door de Koning der Gandharva's, Citraratha toen hij eens, omringd door talrijke schoonheden, zich in de richting begaf waar de tweemaal geborene was gestorven. (40) Opeens kwam hij niet te vermijden, met zijn hoofd naar beneden, uit de hemel gevallen met zijn vliegende wagen. Geslagen door verwondering ontving hij, in ruggespraak met de Vâlikhilya's [de wijzen van de zonnegod], instructie om al de beenderen te verzamelen en ze in de oostwaarts stromende Sarasvatî te werpen. Na een bad te hebben genomen in die rivier kon hij toen naar huis terugkeren.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Een ieder die hiervan kennis mag nemen in moeilijke tijden of een ieder die dit volijverig toepast, Hem de eer bewijzend, wordt bevrijd van al het angstwekkende van welk levend schepsel dan ook. (42) Middels dit gebed ontvangen van Vis'varûpa genoot Indra als het vat der verlichting, de rijkdom van al de drie werelden en behaalde hij in de strijd de overwinning op allen der duisternis [zie ook B.G. 4: 34].

* Dit is een werkelijke praktijk van vaishnava monniken die in de tempel leven. Iedere ochtend brengen ze tilaka, heilige klei, op de verschillende delen van hun lichaam aan Heer Nârâyana aanroepend met verschillende mantra's, aldus de angst bezwerend en het gevaar afwendend van het tegemoet treden van de materiële wereld met al zijn tegenstanders van de leer.

** In het algemeen wordt iedere dag en nacht verdeeld in zes delen van vijf ghathikâ's of 24 minuten ieder. Voor ieder dagdeel is er een andere naam van de Heer of activiteit voor God om te respecteren overeenkomstig deze verzen.

 

Hoofdstuk 9

Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura.

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Vis'varûpa [zie vorige hoofdstuk], o zoon van Bharata, zijn er de drie hoofden voor het drinken van de soma [het brengen van offers], het drinken van de wijn [het bezetten van de zetel der verlichting] en het eten van het voedsel [de materiële zaak]. (2) Hij, o heerser, bood in de praktijk de goden, met wie hij verwant was van zijn vaders zijde, dat wat hen toekwam, publiekelijk hardop de mantra's reciterend. (3) Ertoe aangezet door de genegenheid voor zijn moeder echter bood hij, offers brengend voor de goddelijken, zonder hun medeweten de onverlichte zielen eveneens een deel in opoffering. (4) De koning der verlichte zielen [Indra] die zag hoe door die overtreding jegens de goddelijken hij het dharma verraadde, sloeg in angst, bovenmatig kwaad geworden, snel Vis'varûpa's hoofden eraf. (5) Het hoofd van hem dat hij gebruikte om de soma te drinken werd een kapiñjala [een berghazelhoen], het hoofd om wijn mee te drinken veranderde in een kalavinka [een spreeuw] en het derde hoofd dat hij gebruikte om voedsel tot zich te nemen veranderde in een tittiri [een gewone patrijs]. (6) Hoe machtig Indra ook was, voor de terugslag van het doden van een brahmaan moest hij met gevouwen handen voor de duur van een jaar de verantwoordelijkheid dragen en daarom verdeelde hij de last over de vier afdelingen van de aarde, de wateren, de bomen en de vrouwen, teneinde zich met betrekking tot deze elementen van de zonde te zuiveren. (7) De aarde die een vierde van de last van het doden van een brahmaan voor haar rekening nam, had, vanwege de zegening van het hebben van water in haar uitsparingen, inderdaad de woestijnen als het zichtbare teken ervan op haar oppervlak. (8) De bomen die een vierde op zich namen van de schuld van het doden van de brahmaan hadden, met hun gezegend zijn met het vermogen om hun takken en twijgen weer terug te groeien indien afgesneden, het zichtbare gevolg van het sap dat van hen vloeide. (9) Met de vrouwen die een vierde op zich namen van de last der zonde, kon van hun zegening van een nimmer aflatende zin in seks, als reactie de vorm van de maandelijkse periode worden waargenomen. (10) Water nam een vierde van de zonde op zich en had, van haar zegening van het vermogen om de omvang te doen toenemen van het materiaal dat het doorweekt, de zichtbare reactie van het bubbelen en schuimen, een resultaat waarvan men moet afzien als men water haalt. (11) Tvashthâ [zie 5.15: 14-15], die zijn zoon had verloren, bracht daarna een offer om een vijand in het leven te roepen met de woorden: 'O vijand van Indra, gedij zodat na een niet al te lange tijd u uw tegenstander kan doden.'

(12) Daarop verscheen uit het anvâhârya vuur [het zuidelijke vuur] een hoogst angstwekkende figuur die eruitzag als de vernietiger aan het einde van de yuga. (13-17) Dag na dag in afmetingen toenemend leek hij op een berg die in brand had gestaan of wolken die zich in de avond samenpakken met de zon van achteren naar alle kanten schijnend als pijlen. Bij zijn haren, snor en baard, die rood waren als gesmolten koper, had hij ogen laaiend als de middagzon. Zich rond bewegend, dansend en de hele wereld bij elkaar schreeuwend, schopte hij met zijn gloeiende drietand zwaaiend het stof hoog op. Met zijn mond diep als een grot de drie werelden verslindend, dronk hij de hemel en likte hij met zijn tong de sterren op. Keer op keer het op een geeuwen zettend met zijn massieve vervaarlijke tanden, vluchtten de mensen die hem zagen in angst weg in al de tien windrichtingen. (18) Hij, die hoogst angstwekkende verpersoonlijking van de zonde was in werkelijkheid de gedaante die de zoon van Tvashthâ had aangenomen. Hij overschaduwde nu, bij de kracht van de verzaking in zijn voorgaande leven, al de drie werelden, en werd aldus Vritra ['hij die alles omsluit'] werd genoemd.(19) Indra, en de soldaten van al de voorvechters der wijsheid, vielen hem aan met het gehele goddelijke arsenaal aan bogen, pijlen en andere wapens dat hen ter beschikking stond, maar Vritra slokte ze allemaal in één keer op. (20) Daarvoor geplaatst, stonden ze versteld en verzamelden ze zich verslagen, met hun moed in de schoenen gezonken, om tot de Superziel te bidden, de Oorspronkelijke Persoon van God.

(21) De godsbewusten zeiden: 'Wij, samen met de goden, die vanaf het begin met Heer Brahmâ de drie werelden tot stand brachten die zijn samengesteld uit lucht, vuur, ether, water en aarde, bewijzen allen, bevend van de angst, de heer van de dood de eer; maar omdat hij zelf weer bang is voor Hem [de Oorspronkelijke Persoonlijkheid], zouden we Hem als onze toevlucht moeten onderkennen. (22) Men is een dwaas, als men de oceaan wil oversteken zich vastklampend aan de staart van een hond; een dwaas als men probeert iemand anders dan Hem te benaderen die zich nergens over verbaast, altijd voldaan is over inderdaad Zijn eigen prestaties, gelijkmoedig en zeer stabiel is, en boven iedere materiële beschrijving staat. (23) Net als Manu [hier: koning Satyavrata] die zijn boot vastbond aan de stevige hoorn van Matsya [de vis-avatâra] om de vloed te overleven, kunnen wij, afhankelijk als we zijn, er zeker van zijn te worden gered van de eindeloze angst voor de zoon van Tvashthâ, hoewel Hij er in feite slechts in de gedaante van een vis is. (24) Voorheen was de Onafhankelijke [Svayambhû of Heer Brahmâ], geheel alleen op de lotus, zeer bevreesd, er dankzij Hem in geslaagd zijnd te nauwer nood te ontsnappen aan een val in de zo hoge golven van de wateren van de vloed opgewaaid door de razende wind [zie 3.8]; moge die verlossing er ook voor ons zijn. (25) Hij, de ene Heerser die door Zijn bovenzinnelijk vermogen ons schiep en door wiens genade wij ons ook een wereld van materie mogen scheppen, kan, hoewel Hij als de acteur recht tegenover ons staat, niet in Zijn gedaante worden herkend door ons omdat we onszelf zien als afzonderlijke heersers. (26-27) Hij onder ons, die altijd geplaagd zijn door onze vijanden, en onder de goddelijken, de dieren en de mensen er altijd zeker van is middels Zijn eigen innerlijk vermogen te verschijnen als een incarnatie in verschillende gedaanten, beschermt in ieder millennium een ieder die Hem lief is en nabij staat. Hem inderdaad, de God en Heer over ons allen en ieder ander levend wezen, is het transcendentale, oorspronkelijke primaire principe van de natuur, de Hoogste Genieter wiens energie men kent in de vorm van het universum waar Hij Zelve los van staat; Hij is de toevlucht die door ons allen wordt gezocht; moge Hij, de Grootste van de Ziel, ons, Zijn toegewijden die zelve geschikt zijn als toevlucht, zegenen met al het goede geluk.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Door dat gebed der verlichte zielen, o Koning, werd, aangestuurd vanbinnenuit, Hij zichtbaar met Zijn schelphoorn, werpschijf en knots. (29-30) Van alle kanten werd Hij, met ogen bloeiend als lotussen in de herfst opgewacht door zestien dienaren die precies waren zoals Hij met uitzondering van het Kaustubha-juweel en het S'rîvatsa-teken. Hem ziend, o Koning, wierpen ze zich allen uitgestrekt voor Hem op de grond neer overweldigd door het geluk Hem rechtstreeks te kunnen zien. Toen stonden ze langzaam op en brachten ze Hem hun gebeden. (31) De goddelijken zeiden: 'U, o Heer van het Offer, brengen we, hoewel U degene bent die aan alles een einde maakt, onze eerbetuigingen daar U daadwerkelijk degene bent die zich bedient van de cakra [de schijf, het cyclische, de orde van de tijd] als wapen; al ons respect geldt U die bekend staat met zo veel transcendentale namen. (32) Van U als de Beheerser der drie bestemmingen [van het naar de hel, de hemel of het vagevuur gaan] is er het allerhoogste verblijf [van Vaikunthha]; na U te zijn verschenen in de schepping, o heerser, is men niet in staat het te bevatten. (33) O Heer, laat er onze eerbetuigingen zijn jegens U, o Bhagavân Nârâyana, o Vâsudeva, o Oorspronkelijke Persoon, o Hoogste Persoonlijkheid, o Allerhoogste van alle weelde, O Allergunstigste, o Bovenzinnelijke Zegening, o Grootheid der Genade, o Onveranderlijk Ondersteuner van het Universum en Enige Aanspraak op alle werelden, Heerser over Allen en Echtgenoot van Lakshmî Devî; door de bovenzinnelijke verzonkenheid in devotionele yoga zijn de besten der volkomen verzaking die overal rondzwerven, volledig gezuiverd en duwen ze met hun plichtsgetrouwe respect als paramahamsa's ['zwanen van het allerhoogste'] de deur open van het illusoire bestaan die toegang biedt tot het bewustzijn dat vrij is van smetten in de geestelijke wereld; U o Heer persoonlijk ervarend, vindt een ieder van hen aldus Uw verrukking. (34) Deze bezigheid van U in avonturen met betrekking tot de eenheid waarin U, zich niet verlatend op iets anders - noch op deze noch op die belichaming - nimmer onze medewerking afwacht, is nogal moeilijk te begrijpen; alhoewel U ontstegen bent aan de geaardheden der materie bent U, middels Uw eigen zelf vrij van transformaties, niettemin van schepping, vernietiging en behoud. (35) In dat opzicht vragen we ons derhalve af of U als de Heer er bent als een normaal mens die gebonden is aan handelingen in de materiële wereld, en die onder de invloed is geraakt van de geaardheden in een afhankelijk zijn van tijd, ruimte, activiteiten en de natuur, en daarbij is gedwongen de goede en slechte gevolgen te dragen van wat hij zelf doet; dan wel of U, volledig in Uzelf tevreden en zelfbeheerst van aard, de qua spiritueel vermogen nimmer tekortschietende en immer neutrale getuige bent. Wat dit betreft zijn we er zeker van U niet te begrijpen. (36) Zeker bestaat er met U geen tegenstrijdigheid in het door iemand zowel zijn van de hoogste, onbegrensde en Opperste Beheerser behept met alle kwaliteiten die onpeilbaar is in Zijn vermogen en heerlijkheid, als in het zijn van een werkelijk dubbelzinnige, opponerende, veroordelende, voorbarige, disputerende, door de geschriften opgejaagde geest wiens toevlucht wordt genoten door doortrapte tegenstrevers en controversiële filosofen die hun boekje te buiten gaan. Met U teruggetrokken van al het illusieverwekkende van de materie, met het ongeëvenaarde van U, vormt U met ziel en wereld de ondoorgrondelijke tussenweg waarvan het inderdaad onmogelijk is een idee te krijgen van hoever die reikt als gevolg van de afwezigheid van een dubbelhartige aard in U. (37) Zoals men met het zien van een stuk touw een slang ziet of niet, zo ook concludeert men als men intelligent is tot Uw persoon of anders niet. (38) Met U die bij nadere beschouwing de substantie bent, de heerser over allen in alles wat spiritueel en materieel is, die er bent als de oorzaak aller oorzaken van het ganse universum en die, tot in het kleinste atoom, alomtegenwoordig bent met alle kwaliteit, bent U, van al de manifestaties, daadwerkelijk de enige die overblijft. (39) Daarom zijn daadwerkelijk zij die zich verhouden tot U, en die slechts een enkele keer een druppel van de nectar van Uw heerlijkheden geproefd hebben, in hun geesten van de niet aflatende stroom van gelukzaligheid en zijn zij, met het vergeten van het vage en beperkte aandeel van het aanzien en de weerklank van materieel geluk, als verheven toegewijden, enkel van geloof in U, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de enige vriend en meest geliefde van alle levende wezens. Hoe kunnen die toegewijden wiens geesten van een volkomen en onafgebroken geluk zijn, o Doder van Madhu, of zij die, zoals gezegd, ware experts zijn in de aangelegenheden van het leven in het aanvaard hebben van U als de meest geliefde minnaar en vriend, in het dienen van Uw lotusvoeten, dan ooit dit leven opgeven waarin er nooit meer sprake is van een herhaaldelijk geboren worden en sterven? (40) O lieve Ziel en beschutting der drie werelden, o macht en weelde der drie werelden, o handhaver en ziener der drie werelden, o allermooiste der aantrekking in de drie werelden, van Uw expansies in de materiële energie zijn we er zeker van dat door Uw eigen Zelf gemanifesteerd in de verschillende gedaanten der verlichten [Vâmana], der mensen [Râmacandra en Krishna], der dieren [Varâha], van een mengvorm van hen [Nrisimhadeva] en van de waterdieren [Matsya en Kûrma], ten tijde van hun samenspannen al de zoons van Diti en Danu en dergelijken de gerechte straf wordt toegekend al naar gelang ieder zijn overtreding, o Allerhoogste Bestraffer; en moge U evenzo een einde maken aan het leven van deze zoon van Tvashthâ, als U dat noodzakelijk acht. (41) Met het in volledige overgave ons geheel verlaten op U, o Vader der Vaderen, o Heer Hari, zijn onze harten geketend in liefde door meditatie op Uw beide voeten die gelijk twee blauwe lotussen zijn; door de manifestatie van Uw eigen gedaante, door Uw meedogende glimlach, kleurrijke helderheid en hoogste behagen, door Uw perfectie, smelten zij, die door U werden aanvaard als de Uwe, vol van meegevoel met de druppels van de nectar van de zeer lieve woorden die uit Uw mond voortkomen, en achten we U verkiesbaar als degene die de grote pijn in ons kan verhelpen, o Allerzuiverste. (42) Daarom o Allerhoogste Heer, wat is voor ons, als vonken ten opzichte van het oorspronkelijke vuur, de strekking of de speciale noodzaak van het feit dat U, die rechtstreeks de Allerhoogste Absolute Waarheid bent, door ons op de hoogte wordt gesteld? U als de oorzaak van al de schepping, de handhaving, en de vernietiging van de materiële wereld bent, in Uw zich vermaken met de geestelijke energie, zowel aanwezig in de kern van de harten van al de horden van levende wezens als buiten hen, alsook aanwezig als de Superziel voorbij aan hen. Bij de uiterlijke elementen van Uw gedaanten en de bijzonderheden naar gelang de omstandigheid, de tijd, het soort van lichaam en de materiële positie, is er dankzij U, als Hij die al de materiële oorzaken tentoon spreidt, als de getuige van alles wat er gaande is, als de getuigenis zelf, het eeuwigdurende geheugen van het hele universum [het âkâsha geheugen]. (43) Voorzie, om die reden als onze Opperheer en Meester der Transcendentie, alstUblieft bij de duizendbladige lotusbloemen die uw voeten zijn, in een positie in hun schaduw teneinde de pijn te verhelpen die resulteert uit de gevaren en verlangens van dit geconditioneerde leven welke ons er toe hebben gedreven U te benaderen. (44) Daarom o Beheerser, maak een einde aan deze zoon van Tvashthâ, die de drie werelden verslindt en, o Krishna [zie B.G. 4: 4-6], al onze kracht en ons vermogen, al onze pijlen en andere middelen ter verdediging, heeft opgeslokt. (45) Aan U als de Zuiverste die Zijn verblijf heeft in de kern van het hart alwaar U de handelingen van het individu overschouwt, aan die manifestatie van Krishna wiens reputatie als verlosser zo helder straalt, aan Hem zonder een begin die enkel door de zuivere toegewijden wordt begrepen, aan dat uiteindelijke doel van het vinden van een veilige haven in deze materiële wereld, aan die uiteindelijke vervulling en dat allerhoogste succes in het leven, aan die Heer, dragen wij onze gebeden op.'

(46) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij door al de dienaren van de drie werelden op deze wijze met het verschuldigde respect was aanbeden o Koning, gaf de Heer, erover verheugd hun lof voor Hem aan te horen, hen antwoord. (47) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer tevreden over u, o beste der goddelijken, door uw weloverwogen gebeden tot Mij als het Oorspronkelijke Zelf en de Heerser over de heugenis der mensen, hebt u mij een grote dienst bewezen in uw toewijding. (48) Als Ik tevreden ben gesteld kan men wat dan ook verkrijgen dat moeilijk te verwerven is; niettemin o beste der intelligenten, koestert hij die de waarheid kent, als hij eenmaal op Mij alleen de aandacht gevestigd heeft, geen verlangen naar enig ander iets buiten Mij. (49) Een miserabele persoon [kripana] heeft, onder de aantrekking van het vormende van de natuur, geen weet van het uiteindelijk doel van de ziel, en hij die het verlangen naar dat soort zaken aanwakkert, is geen haar beter. (50) Iemand die persoonlijk weet heeft van het hoogste levensdoel zal een onwetende er niet in onderrichten karma op te bouwen, precies zoals een arts met ervaring een patiënt niet het verkeerde voedsel zal voorschrijven, zelfs al zou die patiënt ernaar verlangen. (51) O beschermheer van het offer [Maghavan; Indra], al het goede geluk zij u toegewenst, ga heen en vraag zonder dralen Dadhyañca [Dadhîci], de meest verhevene aller heiligen in de opvoeding, boete en de essentie, naar de fysieke middelen. (52) Dadhyañca is zonder twijfel degene die het zuiver spirituele, nadat hij het zich eigen had gemaakt, overdroeg aan de As'vins; bij de lering die 'het hoofd van het paard' [As'vas'ira] wordt genoemd is er van hen het loon der onsterfelijkheid [*]. (53) Dadhyañca, de zoon van Atharvâ, zijn onoverwinnelijke bescherming [in mantra's] bestaande uit Mijzelf [zie vorig hoofdstuk] werd doorgegeven aan Tvashthâ, die het doorgaf aan Vis'varûpa en dat wat Tvashthâ doorgaf hebt u dan op uw beurt van hem ontvangen. (54) De ledematen van die kenner van het dharma [Dhadyañca], waar, terwille van u allen, de As'vins naar vroegen, zullen u worden gegeven. Met behulp van hen zal door Vis'vakarmâ het machtigste van alle wapens worden vervaardigd. Met behulp van dat wapen, begiftigd met Mijn macht, kan het hoofd van Vritrâsura worden afgeslagen. (55) Als hij gedood is zullen jullie allen je weelde, macht, pijlen en andere middelen ter verdediging terugkrijgen; alle geluk is er voor jullie omdat je, als je Mijn toegewijde bent, geen kwaad kan geschieden.'

* Hierbij wordt door de âcârya's het volgende verhaal verteld: 'De grote heilige Dadhîci had volmaakte kennis over hoe vruchtdragend te handelen, en ook was hij ver gevorderd in de geestelijke kennis. Dit wetend benaderden eens de As'vinî-Kumâra's hem en smeekten hem hen te instrueren in de geesteswetenschap (brahma-vidyâ). Dadhîci Muni gaf ten antwoord, "Ik ben nu bezig met het treffen van regelingen voor vruchtdragende activiteiten, kom later nog maar eens terug." Toen de As'vinî-Kumâra's vertrokken, benaderde Indra, de Koning van de Hemel, Dadhîci en zei, "Mijn beste Muni, de As'vinî-Kumâra's zijn maar dokters. Wijdt ze alsjeblieft niet in in de geesteswetenschappen, als je de geesteswetenschap aan hen doorgeeft ondanks mijn waarschuwing, zal ik je straffen door je hoofd af te hakken." Na Dadhîci zo te hebben gewaarschuwd, keerde Indra terug naar de hemel. De As'vinî-Kumâra's, die Indra's verlangens begrepen, keerden terug en smeekten Dadhîci om brahma-vidyâ. Toen de grote heilige Dadhîci hen op de hoogte stelde van Indra's bedreiging, gaven de As'vinî-Kumâra's ten antwoord, "Laat eerst ons u uw hoofd afhakken en het vervangen door het hoofd van een paard. U kan dan brahma-vidyâ onderrichten met behulp van dat paardenhoofd, en als Indra dan terugkeert en dat hoofd afhakt, zullen we u belonen en u uw oorspronkelijke hoofd weer in orde brengen." Aangezien Dadhîci had beloofd de brahma-vidyâ door te geven aan de As'vinî-Kumâra's, ging hij in op hun voorstel. Daarom, omdat Dadhîci de brahma-vidyâ doorgaf middels de mond van het hoofd van een paard, staat deze brahma-vidyâ ook wel bekend als As'vas'ira.'

 

Hoofdstuk 10

De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Na aldus Indra te hebben geïnstrueerd verdween de Allerhoogste Heer Hari, de Oorspronkelijke Oorzaak van de kosmische manifestatie, vandaar voor de ogen van de toegewijden. (2) Toen de zoon van Atharvâ [Dadhîci], de heilige, als gezegd werd verzocht door de goddelijken, zei de grote persoonlijkheid lichtelijk geamuseerd met een glimlach het volgende, o zoon van Bharata. (3) 'Jullie allen, weten jullie niet, o zielen van God, dat alle belichaamde wezens als ze dood gaan moeten lijden onder een ondraaglijke kwelling die ze van hun bewustzijn berooft? (4) Alle zielen worstelen om in leven te blijven waarbij ze de lichamen die ze verlangden in dit leven zeer koesteren; wie zou er bereid zijn dat lichaam op te geven, zelfs als Heer Vishnu daarom zou vragen?'

(5) De goddelijken zeiden: 'Wat zou er zo moeilijk zijn om op te geven, o brahmaan, voor personen van formaat als uwe heiligheid, door allen geprezen en voor een ieder vol van genade? (6) Behoeftige mensen zullen zeker niets van anderen vragen als ze weten dat ze in moeilijkheden verkeren, noch zullen mensen die in staat zijn om te geven behoeftigen ook maar iets ontzeggen als ze op de hoogte zouden zijn van hun problemen.'

(7) De grote heilige zei: 'Indachtig mijn wens van u te vernemen wat overeenkomstig de tegenwerping, die is vervat in uw weerwoord, het dharma zou zijn, moet ik voor u dit gekoesterde lichaam opgeven dat me vroeg of laat toch in de steek zou laten. (8) Een ieder die met de tijdelijkheid van het lichaam, mijne heren, niet van het dharma volijverig van genade is voor allen, is een infame persoonlijkheid, een beklagenswaardige persoon zelfs tegenover de schepselen die zich niet kunnen bewegen! [zie eveneens de S'rî SadgoSvâmî-ashtaka]. (9) Door zij die geroemd worden om hun verdienste wordt het volgende onderkent als zijnde het onvergankelijke dharma: dat die ziel dharmisch is die treurt over het leed van andere levende wezens en zich gelukkig voelt als zij gelukkig zijn. (10) Weg met de misère, weg met de beproeving; omdat een fysiek lichaam ieder moment ten onder kan gaan en worden opgegeten door de jakhalzen zal het niet helpen je eraan vast te klampen, het is er niet voor mezelf - voor dat wat hem eigen is en voor hen die hij kent is een sterveling er met zijn lichaam om zijn leven te geven [zie ook S.B. 10.22: 35].'

(11) De zoon van Vyâsa zei: 'Aldus besloten tot de juiste manier van handelen gaf Dadhîci, de zoon van Atharvâ zijn lichaam op in opoffering voor het Allerhoogste, het Hoogste Brahman, de Allerhoogste Persoonlijkheid [vergelijk: 1.13: 55]. (12) Met de zinnen, de levensadem, de geest en de intelligentie onder controle als iemand die bekend is met de werkelijkheid, raakte hij, verzonken in trance, bevrijd van de gebondenheid en vertrok hij, zich in het Allerhoogste bevindend, vandaar zonder nog langer acht te slaan op zijn materiële lichaam [zie ook B.G. 8: 5]. (13-14) Daarna nam koning Indra de bliksemschicht op die Vis'vakarmâ bij de genade van de grote wijze [Dadhîci] had weten te vervaardigen. Vol van de geesteskracht des Heren en gewapend met de ondersteuning van al de andere goden, reed hij vol glans uit op de rug van Gajendra [zijn olifant], waarbij de muni's gebeden aan hem opdroegen tot het klaarblijkelijke genoegen van al de drie werelden. (15) Vritrâsura omringd door de asura leiders en commandanten werd met veel geweld als de vijand aangevallen, o Koning, zoals een kwade Rudra dat deed met Antaka [Yamarâja]. (16) Wat volgde was een grote en hoogst gewelddadige veldslag tussen de sura, de goddelijke, en de asura, de demonische horden die plaatsvond op de oever van de [hemelse] Narmadâ rivier aan het begin van het eerste millennium [de Vaivasvata-manvantara] van Tretâ-yuga. (17-18) O Koning, toen allen die van de duivel waren, aangevoerd door Vritrâsura zich geplaatst zagen tegenover de glanzende weelde van Indra de Hemelse Koning met de bliksemschicht, de Rudra's, de Vasu's, de Âditya's, de Asvins, de Pitâ's, de Vahni's, de Maruts, de Ribhu's, de Sâdhya's en de Vis'vadeva's, konden ze de aanblik ervan niet verdragen. (19-22) Namuci, S'ambara, Anarvâ, Dvimûrdhâ, Rishabha, Asura, Hayagrîva, S'ankus'irâ, Vipracitti, Ayomukha, Pulomâ, Vrishaparvâ, Praheti, Heti en Utkala en de honderden en duizenden overige Daitya's, Dânava's, Yaksha's, Râkshasa's en anderen aangevoerd door Sumâli en Mâli, die allen behangen waren met gouden sierselen en dreven de voorhoede terug van Indra's leger, dat zelfs voor de dood zelve moeilijk te benaderen was. Onbevreesd vielen ze fanatiek brullend als leeuwen hen aan met hun knuppels, met ijzer beslagen knotsen, pijlen, getande lansen, strijdhamers en speren. (23) Met hun uitrusting aan speren, bijlen, zwaarden, s'ataghnî's [katapulten] en bhus'undi's [gevleugelde projectielen] dreven ze met hun pijlen al de aanvoerders van de goddelijke strijdkrachten uiteen. (24) Als sterren aan de hemel overdekt door wolken, kon men ze niet meer zien, volledig bedolven als ze waren onder de stortvloed aan pijlen die van alle kanten over hen heen vielen. (25) De regen van pijlen en andere wapens bereikte echter de legers der verlichte zielen niet daar de halfgoden ze snel in hun vlucht in duizenden stukken hakten. (26) Toen daaropvolgend hun pijlen en wapens opraakten lieten ze een regen van bergpieken, bomen en stenen neerdalen die als voorheen door de strijdmacht der Sura's aan stukken werden geslagen. (27) Ziend dat ze zonder ook maar een schrammetje ongedeerd bleven onder de massa's wapens en mantra's en dat ze ook niet verwond werden door de bomen, de stenen of de verschillende bergpieken, werden de troepen aangevoerd door Vritrâsura zeer bang voor Indra's soldaten. (28) Al hun pogingen, telkens weer opnieuw uitvallend tegen de halfgoden die de bescherming van Krishna genoten, liepen op niets uit precies zoals de ruige woorden niks te betekenen hebben die kleine lieden gebruiken als ze schelden op de groten. (29) Zij, zonder toewijding tot de Heer, verlieten, al hun pogen vruchteloos ziend en verslagen in hun trots als strijders, direct vanaf het begin van de strijd het slagveld, de hen aansporende aanvoerder in de steek latend van wie alle macht tot nul was gereduceerd.

(30) Vritra die zag hoe zijn volgelingen de demonen op de vlucht waren geslagen en hoe zijn leger afgeschrikt uiteenviel, sprak als ruimdenkende held met een brede grijns de volgende woorden. (31) Gepast voor het moment en de omstandigheid formuleerde de held der helden woorden die de grootste der geesten aanspraken: 'O Vipracitti! O Namuci! O Pulomâ! O Maya, Anarvâ en S'ambara! Luister alsjeblieft naar mij. (32) Allen die worden geboren moeten onvermijdelijk de dood tegemoet zien, waar ze ook mogen bestaan in het universum; er bestaat geen remedie om dat tegen te gaan in deze wereld waarin men de kans krijgt om een betere wereld te bereiken en zegerijk te zijn. Ervan uitgaande dat dit inderdaad het geval is, wie zou er dan niet een geschikte gelegenheid om te sterven aangrijpen? (33) Er zijn twee beproefde wegen om in deze wereld eervol te sterven, en ze zijn beide erg zeldzaam. De ene bestaat eruit dat het je gegeven wordt het lichaam achter te laten door met yogabeoefening in concentratie op het brahman de geest en de zinnen te beheersen en de andere bestaat eruit de leiding te nemen op het veld van eer en nimmer je rug toe te keren.'

*10.22: 35 Het is de plicht van ieder levend wezen om met zijn leven, welvaart, intelligentie en woorden goede daden te verrichten voor het heil van anderen.  

 

Hoofdstuk 11

De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura

(1) S'rî S'uka zei: 'Bang en van zins te vluchten in innerlijke verdeeldheid, o Koning, sloegen ze [de aanvoerders van Vritrâsura] geen acht op de woorden van hun meester die aldus het dharma benadrukte. (2-3) Toen de beste der Asura's zag dat het asura leger, opgejaagd door de halfgoden die hun kans grepen, uiteen geslagen werd alsof niemand hen beschermde, was hij, de vijand van Indra, pijnlijk getroffen. Niet in staat dat te verdragen, wees hij, ze met geweld tegenhoudend, hen boos terecht, o Koning, er zeker van het volgende te zeggen, terwijl hij zei: (4) 'Wat voor belang stelt u in deze lafhartige zoons? Er is echt geen eer te behalen aan het van achteren doden van iemand die angstig op de vlucht slaat, noch voert dat hen, die zo de held denken uit te kunnen hangen, naar een betere wereld. (5) Als u in uw strijd gelooft, geduld in uw hart hebt en vrij van verlangen bent naar zinsgenot, o kleintjes, sta dan maar eens eventjes rustig voor me stil.'

(6) Op die manier allerkwaadst waren de halfgoden, zijn vijanden, doodsbang voor het opdringige gebrul van die grote mond die iedereen de stuipen op het lijf joeg. (7) Van dat tumult van Vritra bezwijmden inderdaad al de goddelijken het zodat ze op de grond vielen alsof ze door de bliksem getroffen waren. (8) Het Suraleger dat uit angst de ogen gesloten had werd onder de voet gelopen toen hij arrogant, als een kwaaie olifant die over een bos holle bamboestaken rent, met zijn drietand hoog opgeheven dermate gewelddadig rondbeende over het veld dat het de aarde deed schudden. (9) Toen hij hem in een dergelijke woede verzet tegen de zijnen te keer zag gaan, rende de drager van de bliksemschicht [Indra] op zijn vijand af en wierp hij de machtigste strijdknots naar hem. Maar de demon ving het moeilijk te weerstane wapen dat op hem afvloog met het grootste gemak met zijn linker hand op. (10) Dat vertoornde Vritrâsura nog meer en met de strijdknots sloeg hij toen, luid brullend in de strijd, Indra's olifant zo vermaard om zijn kracht op de kop. Dat wapenfeit werd geprezen door al de soldaten op het veld, o heerser der mensen. (11) Airâvata, getroffen door de knots in Vritra's hand schudde als een berg getroffen door een donderslag en werd, in grote pijn en bloed opgevend met een gebroken bek, tezamen met Indra zo'n dertien meter teruggeworpen.

(12) De grote ziel echter zag ervan af om nogmaals de knots tegen hem te gebruiken toen Indra, aldus van zijn kracht beroofd en innerlijk verscheurd over wat er was gebeurd met zijn draagdier, het dier van alle pijn en verwondingen bevrijdde door het met zijn nectargelijke hand te beroeren en hij daarna weer voor hem opstond. (13) Toen hij hem zo zag herinnerde hij zich dat Indra, zijn vijand die het verlangde met hem de strijd aan te binden met een bliksemschicht vervaardigd uit Dadhîci, o Koning Parîkchit, ooit zijn broeder had gedood. Waanzinnig van het verdriet over die grote en wrede zonde, richtte hij zich sarcastisch lachend tot hem. (14) S'rî Vritra zei: 'Hoe fortuinlijk is het om uwe heerlijkheid als mijn vijand tegemoet te mogen treden, u die de moordenaar bent van een brahmaan die zijn eigen goeroe heeft gedood en de slachter is van mijn eigen broeder; wat een geluk heb ik vandaag te worden verlost van mijn schuld aan mijn broeder, o complete valsheid, nu ik u zo spoedig met mijn drietand recht door uw hart van steen kan steken! (15) Alsof hij een beest was hebt u, begeertig naar de hemel, met uw zwaard genadeloos hem, onze oudere broeder, zijn drie hoofden afgehouwen - hij die een volledig gekwalificeerde en zelfverwerkelijkte brahmaan was en uw geestelijk leraar vrij van alle zonde die de leiding over de offers was toevertrouwd. (16) U, verstoken van alle schaamte, genade, schoonheid en glorie bent door uw optreden zelfs verwerpelijk voor een onmens; u zult langzaam moeten creperen als ik met mijn drietand uw lichaam doorboor, dat ten leste niet zal worden verbrand, maar zal worden opgegeten door de gieren.

(17) Als u in dezen zo wreed tezamen met de anderen, die er geen idee van hebben wie ze tegenover zich hebben, mij aanvallen met geheven zwaarden, zal ik, met hun afgehouwen koppen op mijn puntige drietand, een offer van ze bereiden voor de leider der geesten en zijn horden. (18) Anderzijds, o heerschap, als u met uw bliksemschicht, o held, er in deze strijd in slaagt mijn hoofd van de romp te scheiden en mijn leger te vernietigen zal ik, in dat geval bevrijd van alle schuld, ten prooi vallen aan de lijkenpikkers en het stof van de voeten der grote wijzen verwerven. (19) O meester der halfgoden, waarom smijt u uw bliksemschicht niet naar mij, uw vijand die voor u staat; twijfel niet aan zijn trefzekerheid, in tegenstelling tot de strijdknots die net als het verzoek om geld bij een armoedzaaier geen effect had, vermag die schicht erin te slagen. (20) Voorzeker zal door deze bliksemschicht van u o Indra, gezegend met zowel de vermogens van Vishnu als met de kracht der boete van Dadhîci, zonder mankeren uw vijand ter dood worden gebracht; wat dan ook verordend door Heer Vishnu zal waar dan ook de overwinning des Heren afroepen en precies daar zal al Zijn weelde en kwaliteit worden aangetroffen. (21) Ik, mijn geest stevig verankerend zal, precies zoals is gezegd bij onze Heer Sankarshana Zijn lotusvoeten [zie 5.25], door de kracht van uw bliksemschicht het koord van de materiële gehechtheid doorsneden zien en de bestemming bereiken van de muni's in het eraan gegeven hebben van deze materiële wereld. (22) Hij zal personen gevorderd in het spirituele die hij rekent tot de Zijnen niet toerusten met de soorten van weelde gevonden in de goddelijke, de aardse of de helse sferen omdat er als gevolg van hen de afgunst, zorgen, agitatie, trots, twist, het leed en de oorlogszucht zijn. (23) O Indra, de plannen van een zelfrealiserende persoon terwille van de drie levensdoelen [der religie, de economie en de bevrediging] worden door de Heer der toegewijden teruggedrongen, en daaruit kan men de speciale genade afleiden van de Fortuinlijke die, zo nabij voor de toegewijden, zo heel moeilijk te verwerven is voor anderen. (24) [En dus bidt ik:] 'Zal ik, o mijn Heer, wiens enige toevlucht het verblijf aan Uw lotusvoeten is, wederom de dienaar van Uw dienaar worden; mag mijn geest zich de bovenzinnelijke eigenschappen blijven herinneren van U, o Heer van mijn leven, mogen mijn woorden van de zang zijn en mag mijn lichaam zich inzetten in het werken voor U? (25) Niet de hemelse planeten noch de allerhoogste verblijfplaats, niet de heerschappij over de wereld noch de zeggenschap over de lagere werelden is wat ik verlang; ik geef niet om de volmaaktheden van de yoga [de siddhi's] of bevrijd te raken van wedergeboorte, o bron van alle kansen, al wat ik verlang is niet van U gescheiden te zijn! (26) Zoals kleine vogeltjes nog niet in staat te vliegen uitzien naar hun moeder, precies als een kalf geplaagd is door honger naar de uier, precies zoals een geliefde terneergeslagen is over de beminde die is weggegaan, net zo begerig is mijn geest U te aanschouwen, o Lotusogige. (27) Als iemand die U kent als degene geprezen in de geschriften, als iemand die rondwaart in deze herhaling van geboorte en dood, zoek ik Uw vriendschap; moge er, o Heer, een einde komen aan mij als iemand wiens geest door Uw uitwendige manifestatie is gebonden aan zijn eigen vruchtdragende activiteiten, lichaam, kinderen en thuis.' 

  

Hoofdstuk 12

Vritrâsura's Glorieuze Heengaan

(1) De achtenswaardige rishi zei: 'Aldus gemotiveerd zijn lichaam op te geven, o heerser der mensen, de dood in de strijd beter achtend dan een overwinning in gedachten, nam hij [Vritrâsura] zijn drietand op en viel hij Indra de Koning der Verlichten aan precies zoals de Hoogste Persoon werd aangevallen door Kaitabha ten tijde van de vloed. (2) Als het vuur aan het einde van de yuga slingerde de Koning der Demonen met grote kracht de scherp gepunte drietand rondtollend op de grote Indra af, in grote woede verzet als held luid naar hem brullend: 'Dood ben je, jij grote zondaar!'

(3) De rondtollende drietand die op hem afvloog als een ster die uit de hemel viel, jaagde echter, hoewel de aanblik moeilijk was te verdragen, Indra geen schrik aan en met zijn bliksemschicht sneed hij hem, zowel als de arm van Vritra die leek op het lijf van de slangenkoning, in honderd stukken. (4) Met een arm missend mikte hij woedend met een knots van ijzer op hem het opnemend tegen de bliksemschicht en trof hij Indra zowel als zijn olifant op de kaak zodat de bliksemschicht uit de hand van de edelmoedige gleed. (5) Die zo grote prestatie van Vritra werd geprezen door Sura en Asura en verheerlijkt door de zangers der hemel en de associatie der volmaakten, maar zich het gevaar bewust waarin Indra verkeerde lamenteerden ze er oprecht 'Helaas, o helaas' over. (6) Tot Indra, zijn vijand tegenover hem die zich erover schaamde dat zijn bliksemschicht hem uit de handen was geglipt, zei Vritrâsura: 'O heer, neem uw bliksemschicht op en doodt uw vijand, het is er nu niet de tijd voor om te treuren. (7) Behalve dan Hij van de schepping, vernietiging en handhaving, de Beheerser die alles weet, de Oorspronkelijke en Eeuwige Persoon zijn de oorlogszuchtigen, die zelve onderworpen zielen zijn, uitgerust met wapens niet altijd verzekerd van een overwinning ter plaatse. (8) De werelden met al hun heersers, onder wiens controle al diegenen staan die in afhankelijkheid leven, zijn, net als vogels gevangen in een net, gebonden aan de tijdfactor [de Heer] die de oorzaak in dezen is. (9) Zonder dat men Hem kent, de kracht van onze zinnen, geest, lichaam, vitaliteit, onsterfelijkheid en ook zeker onze sterfelijkheid, denkt een mens dat zijn onverschillige lijf de oorzaak is. (10) O heer, begrijp alstUblieft dat alle dingen aldus, o edelmoedige, precies als een houten pop of een opgezet dier, afhangen van de Sterke [Îs'a, de Beheerser, de Heer van de Tijd]. (11) De persoon der opwekking [de purusha], de materiële energie, de principes van de schepping, het ego, de elementen, de zinnen [van kennis en waarnemen] en wat bij hen hoort [de geest, de intelligentie en het bewustzijn] zijn zonder Zijn genade niet in staat tot ook maar enig iets in de schepping van dit universum. (12) Een onwetende beschouwt zichzelf aldus, alhoewel hij volledig afhankelijk is, als degene die de touwtjes in handen heeft, maar het is Hij die de wezens schept door andere levende wezens en het is Hij die ze Zelve via anderen verslindt. (13) Langlevendheid, weelde, roem, macht en de zegeningen van een levend wezen doen zich voorzeker voor als de tijd er werkelijk rijp voor is, precies zoals ook de tegengestelde omstandigheden zich voordoen zonder dat men er om gevraagd heeft. (14) Derhalve behoort men in eer en schande, overwinning of nederlaag, gelijkmoedig en onveranderlijk te zijn met het lijden en het geluk van het sterven of het leven eveneens. (15) Goedheid, hartstocht en traagheid vindt men met het materiële van de natuur, het zijn niet de kwaliteiten van de geestelijke ziel die waarneemt wat hun werkelijkheid is; een ieder die het als zodanig ziet is een persoon vrij van gebondenheid [vergelijk B.G. 18: 54]. (16) Kijk naar mij, met mijn wapen en mijn arm eraf ben ik reeds verslagen, o vijand, en niettemin doe ik mijn best u strijd te leveren u naar het leven staand. (17) Het leven is de inzet van deze strijd, de pijlen zijn de dobbelstenen, onze draagdieren zijn het spelbord en in dit spel is niet bekend aan wie de overwinning is en aan wie de nederlaag.'

(18) S'rî S'uka zei: 'Koning Indra die de welgemeende respectvolle woorden van Vritra aanhoorde nam de bliksemschicht ter hand en richtte zich, het opgevend zich nog langer over die woorden te verwonderen, met een glimlach tot hem. (19) Indra zei: 'Hoe verbazingwekkend o Dânava, nu je zo volmaakt in je bewustzijn bent op deze manier, nu je zo'n toegewijde bent die één en al ziel is met de Superziel die de grootste vriend is en de Heerser van het Universum [zie B.G. 6: 20-23]. (20) Je goede zelf is er inderdaad in geslaagd de begoochelende energie van Heer Vishnu te boven te komen die de normale man een rad voor ogen draait; met het eraan gegeven hebben van de asura mentaliteit, heb je de positie verworven van de verheven toegewijde [zie 2.4: 18]. (21) Dit is waarlijk een groot wonder: van jou, wiens natuur het is te worden gedreven door de hartstocht, is er nu, verkerend in Vâsudeva, de Opperheer der zuivere goedheid, een sterk bewustzijn! [zie Vritra's gebed 6.11: 25] (22) Wat is het nut van water in kleine uitsparingen voor iemand die zwemt in een oceaan van nectar met zijn toegewijd zijn tot de Allerhoogste Heer Hari die de Beheerser is van de volmaaktheid des levens?'

(23) S'rî S'uka zei: 'Aldus converserend over wat het dharma al zo met zich meebrengt, o Koning, vochten zij, de grote legeraanvoerders Indra en Vritra die allebei even machtig waren, met elkaar. (24) Vervaarlijk ermee zwaaiend wierp Vritra, in staat een nederlaag toe te brengen, met zijn linker hand de knots van ijzer naar Indra, o beste der koningen. (25) Maar met de S'ataparvanâ [honderdhakige] bliksemschicht sneed hij, de halfgod, tegelijkertijd de knots en de hand zo sterk als de slurf van een olifant in stukken. (26) Geraakt door de drager van de schicht viel hij, hevig bloedend met de vleugels van zijn armen vanaf de wortel afgesneden, als een berg uit de lucht naar beneden. (27-29) Vanuit zijn levenskracht en ongewone talenten en zijn overeenkomst met de grootste slang en olifant, plantte de demon zijn onderkaak in de grond en stak hij zijn bovenkaak in de lucht zodat zijn mond enorm groot werd. Met een tong en tanden als die van een angstwekkende slang verslond hij als ware hij de tijde zelve de drie werelden met zijn groteske lichaam. Alsof ze de Himalaya's waren bewoog hij zijn voeten naar beneden trappend waarbij hij de aarde deed schudden en verzwolg hij, toen hij tot hem reikte, Bliksemschicht Indra, tezamen met zijn olifant. (30) Toen ze hem door Vritra verzwolgen zagen weeklaagden de halfgoden met de stamvaders en de grote wijzen: 'Och arme, welk een beproeving', en waren ze op die manier zeer terneergeslagen.

(31) Hoewel hij opgeslokt was door de koning der demonen ging hij niet dood in zijn buik, omdat hij daar aanlandend werd beschermd door zowel de Hoogste Persoonlijkheid als door zijn eigen macht van yoga over de illusie [zie S.B. 6.8]. (32) Met zijn bliksemschicht doorboorde de slachter van Bala, de machtige, de onderbuik en kwam hij naar buiten om met grote kracht het hoofd van de vijand, die gelijk een bergtop was, af te snijden. (33) Maar, hoewel de schicht er in zijn geheel omheen draaiend om het hoofd eraf te krijgen heel rap de nek doorsneed, nam het een einde maken aan zijn tijd van leven zoveel dagen in beslag als de hemellichten erover doen om zich over beide zijden van de evenaar te bewegen. (34) Toen het dan zover was kon vanuit de hemel het paukengeroffel worden gehoord van de hemelbewoners en de volmaakten die in de vergadering der heiligen de almacht van de overwinnaar vierden, verheugd hem prijzend met verschillende mantra's en een regen van bloemen. (35) Uit Vritrâsura's lichaam kwam het licht van zijn ziel tevoorschijn, o onderwerper der vijanden, en voor het oog van al de goden bereikte het de allerhoogste verblijfplaats.

  

Hoofdstuk 13  

Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde

(1) S'rî S'uka zei: 'Met Vritra gedood raakten, behalve Indra zelf, de leiders en alle anderen in de drie werelden, o liefdadige, zeer spoedig bevrijd van alle angsten en fysieke onrust. (2) Daarop gingen naar hun eigen goeddunken [zonder afscheid te nemen van Indra] de goddelijken, Brahmâ, S'iva en zij die tot Indra behoorden terug naar huis, en zo ook deden dat alle andere navolgers van het goddelijke, samen met de heiligen, de voorvaderen, de andere levende wezens en de demonen.'

(3) De koning vroeg: 'O mijn Heer, grote wijze, ik zou graag vernemen wat er de reden van was dat Indra het moeilijk had; waar kwam zijn neerslachtigheid vandaan terwijl al de goddelijken van Indra zo gelukkig waren?'

(4) S'rî S'uka zei: 'Door het machtsvertoon van Vritrâsura waren al de goddelijken en de wijzen in angst verzet, maar er beducht voor een brahmaan te doden had Indra hun verzoek hem te doden afgewezen. (5) Indra had gezegd: 'Door de vrouwen, de aarde, de bomen en het water die mij hun gunst verleenden werd de terugslag van de zonde van het doden van Vis'varûpa samen gedragen [zie 6.9: 6-10], maar hoe maak ik me vrij van het doden van Vritra?'

(6) S'uka vervolgde: 'De wijzen die dat hoorden zeiden dit tot de grote Indra: 'We zullen een groot as'vamedha offer [paardoffer] brengen terwille van uw goede geluk, wees niet bang. (7) Het as'vamedha offer van aanbidding voor de Oorspronkelijke Persoon, de Superziel, de Beheerser die Heer Nârâyana onze God is, bevrijdt zelfs van het doden van de hele wereld! (8-9) Iemand die een brahmaan ter dood gebracht heeft, zijn vader, een koe, zijn moeder of zijn geestelijk leraar, een dergelijke zondaar of een klasseloze hondeneter zelfs kan zuivering vinden met het zingen van Zijn heilige naam. Als u met ons, als we met geloof het as'vamedha offer, het hoogst aangeschreven offer, volbrengen, zelfs niet besmet raakt door het doden van alle schepselen van Brahmâ met inbegrip van hen die respect voor Hem oefenen, wat zou dan het gedood hebben van een demonische lastpak te betekenen hebben?'

(10) S'rî S'uka zei: 'Aldus bemoedigd door de geleerden doodde Indra zijn vijand, en werd eveneens de terugslag ongedaan gemaakt van het doden van een brahmaan toen Vritrâsura op Vrishâkapi, de mytische Indra, afkwam. (11) Door de reactie leed Indra eerst onder een diepe ellende waarin hij geen geluk maar schande en schaamte vond met het missen van de kwaliteiten, ook al had hij anderen dan een genoegen gedaan. (12-13) Het zat hem achterna in de gedaante van een klasseloze oude en in haar leden bevende vrouw wiens kleren waren overdekt met bloed omdat ze tuberculose had. Met haar verwarde grijze haar riep ze uit 'Wacht, wacht', waarbij ze met haar adem een kwalijke geur van rotte vis verspreidde die in de hele straat hing. (14) De duizend-ogige Indra, begaf zich overal in alle richtingen van de hemel en spoedde zich toen in de noordoostelijke richting om daar, o Koning het Mânasa-sarovara meer binnen te gaan. (15) Aan het zicht onttrokken van de dienaar van het offervuur leefde hij daar, verstoken van alle onderhoud, wel duizend jaar in het netwerk van de fijne vezels van de steel van een lotus, terwijl hij er in zijn hart steeds over peinsde hoe hij bevrijding kon vinden van het hebben gedood van een brahmaan. (16) Voor de tijd dat hij afwezig was werd de hemel bestuurd door Nahusha die, gezegend met een goede opvoeding, verzaking, yoga en kracht, gek werd met zijn intelligentie verblind door de overmaat aan weelde; uit op de echtgenote van Indra was hem [door haar vervloekt] het lot van een slang beschoren. (17) Hij wiens overtredingen bij genade van de goddelijkheid van Rudra in zijn mediteren op de Handhaver der waarheid tot nul waren gereduceerd, werd van weggeweest weer teruggevraagd door de brahmanen. Met de zonde die aan macht had ingeboet, was hij niet meer uit het veld te slaan, beschermd als hij was door de echtgenote van Vishnu, de godin van het geluk. (18) Opnieuw verwelkomd door de wijzen van Brahmâ werd hij, om daadwerkelijk de Allerhoogste Heer Hari te behagen, naar behoren, overeenkomstig de regels, ingezegend via het as'vamedha offer, o zoon van Bharata. (19-20) Van dat as'vamedha uitgevoerd door de ter zake kundige brahmanen in aanbidding van de Oorspronkelijke Persoon, de Superziel en Handhaver van alle goddelijkheid, kon feitelijk de berg van zonde van het spijtige gedood hebben van de zoon van Tvashthâ, o Koning, als sneew voor de zon tot nul worden gereduceerd. (21) Hij, de aanbiddelijke Indra, raakte, begunstigd door dat as'vamedha offer dat zoals voorgeschreven werd uitgevoerd door de priesters aangevoerd door Marîci, in de aanbidding van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het offer volledig gezuiverd van de misstap.

(22-23) Deze grootse historische gebeurtenis die de verheerlijking beschrijft van de Heer der Heilige Plaatsen, het zich ontwikkelen in toewijding en de victorie en bevrijding van Indra de Koning van de Hemel, zuivert iemand van talloze zonden. Deze vertelling moet door hen die van de intelligentie zijn telkens weer worden lezen en aangehoord, en moet opnieuw aan de orde worden gesteld ter gelegenheid van grote festiviteiten; het scherpt de zinnen, brengt welvaart en roem en maakt iemand vrij van alle mislukkingen; het doet zegevieren over vijanden en het schenkt iedereen een gelukkig en lang leven.'

  

Hoofdstuk 14  

Koning Citraketu's Weeklagen

(1) S'rî Parîkchit zei: 'Hoe kon Vritrâsura met een aard van hartstocht en onwetendheid, o brahmaan, en met een geest zo vol van zonde van zo een krachtig bewustzijn zijn in Nârâyana, de Allerhoogste Persoon? (2) De grote heiligen die hun geesten hebben gericht op het goede en waarachtige van de goden en onbevlekte zielen hebben, ontwikkelen slechts zelden toewijding tot de lotusvoeten van Mukunda, de Heer der Bevrijding. (3) Er zijn evenzoveel levende wezens als er atomen zijn in deze materiële wereld; en van hen zijn er feitelijk maar enkele menselijk en soortgelijk en van hen zijn er maar een paar die handelen om goed te doen. (4) O beste der tweemaal geborenen, men zal altijd zien dat van hen die trouw zijn aan de bevrijding er maar een paar zijn die de bevrijding verlangen en dat uit de duizenden van hen er maar een paar zijn die werkelijk bevrijd zijn, werkelijk volmaakt zijn. (5) Onder hen die bevrijding en vervolmaking vonden, o grote Wijze, wordt er onder de miljoenen en miljarden maar hoogst zelden een aangetroffen die tot Nârâyana concludeerde en een geest heeft die volkomen in vrede is [vergelijk B.G. 7: 3 & 7: 26]. (6) Hoe kon, met de waarheid hiervan, Vritra dan, die zo zondig was en de oorzaak van een dergelijk lijden in heel de wereld, in het vuur van de strijd een intelligentie aan de dag leggen dermate gefixeerd op Krishna? (7) Hierover verkeer ik in grote twijfel en ik zie er zeer naar uit, o meester, te vernemen over hoe hij erin slaagde de Duizendogige in de strijd te behagen met zijn bravoure en zijn kracht.' " 

(8) S'rî Sûta zei: "De almachtige zoon van Vyâsa die aldus de volmaakte vraag van de trouwe Parîkchit aanhoorde gaf blijk van zijn waardering en legde het aan hem uit. (9) S'rî S'uka zei: 'Luister alstUblieft goed, o Koning, naar wat ik u kan zeggen van wat ik vernam uit de monden van Vyâsa, Nârada Muni en Devala Rishi. (10) Er was er eens een koning, een keizer voor allen, levend in S'ûrasena, die, o Koning, Citraketu heette ['het licht der uitnemendheid'] en met die naam geëerd was er van hem van de aarde alles wat men zich maar wensen kon. (11) Van de tienduizenden en nog eens duizenden van vrouwen die hij had kreeg de koning, hoewel ze heel wel tot baren in staat waren, niet ook maar één zoon. (12) Met al zijn schoonheid, grootmoedigheid, jeugd, goede geboorte, scholing, weelde, welzijn en alle andere goede kwaliteiten die hem eigen waren, was hij, in de rol van de echtgenoot van zo vele in gebreke blijvende vrouwen, vol van zorgen. (13) Noch zijn grote weelde, noch al zijn koninginnen met hun prachtige ogen, noch alle landen van het rijk konden hem bevrediging schenken. (14) Maar Angirâ, de zeer machtige wijze die overal door zijn landstreken trok, kwam op een dag onverwacht naar het paleis. (15) Hem zijn respect betonend overeenkomstig de gebruiken stond hij van zijn troon op en bewees hij hem de eer. En nadat hij aldus zijn gastvrijheid betoond had in het aanbieden van een zitplaats nam hij toen met de gepaste ingetogenheid plaats aan zijn zijde. (16) De grote rishi, o Mahârâja, maakte toen zelf een buiging voor hem die in alle nederigheid vlak naast hem zat, en richtte zich toen tot hem met de volgende woorden.

(17) Angirâ zei: 'Is alles in orde met uw gezondheid en de materiële orde van de staat; de orde van de koning [in priesters, ministers, territoria, onderdanen, vestingen, de schatkist, de politie en het leger] die zoveel lijkt op de zeven materiële lagen die het levende wezen beschermen [welke bestaan uit de totaliteit, het ego en de vijf zinsobjecten; mahat-tattva, ahankâra en tanmâtra's]? (18) De koning die zich schikt naar deze elementen van het nobele bestuur mag al het goede ten deel vallen en dat geldt ook voor alles en iedereen die, van hem afhankelijk, welvaart schenkt en dienst levert, o god der mensen. (19) En uw vrouwen, burgers, secretarissen, dienaren en kooplieden zowel als uw ministers, uw getrouwen, bestuurders, landeigenaars en nakomelingen, zijn ze allen onder controle? (20) Als men zijn denken onder controle heeft zullen alle onderdanen zich schikken en dan zal iedereen, samen met al de bestuurders niet langer nalatig zijnd, zijn bijdrage leveren. (21) Van de bezorgdheid afgelezen van uw bleke gezicht kan ik afleiden dat u in uw denken niet helemaal gelukkig bent om de een of andere reden, ofwel dat u in feite gefrustreerd bent in uw plannen.' 

(22) Nadat hem door de filosoof, ook al was die geleerder, aldus deze vraag was voorgelegd o Koning, verboog hij [Citraketu] zich, in zijn verlangen naar nageslacht, diep voor de wijze in alle nederigheid wijze verboog om hem antwoordte geven. (23) Koning Citraketu zei: 'O grote meester, wat kan er nu zijn dat u, in uw verzaking, spirituele kennis en verzonkenheid en in uw omgang met andere grote zondeloze yogi's, niet zou begrijpen van al het uiterlijke en innerlijke van de belichaamde zielen? (24) Desalniettemin vraagt u, o brahmaan, hoewel u alles weet, waar ik me zorgen over maak. Laat me dan nu, met uw permissie, uitweiden over dat wat u me vroeg.  (25) Met een groot keizerrijk dat zelfs voor de halfgoden te benijden is geeft al de welvaart en het bezit me geen enkel plezier omdat ik geen zoon heb; wat mij betreft is het allemaal alsof men zijn honger en dorst probeert te stillen met alles behalve voedsel en drinken.  (26) Redt om die reden mij en mijn voorvaderen van de teloorgang in de duisternis, o grote wijze; regel het voor ons dat we een zoon krijgen zodat we dat de baas kunnen zijn wat zo moeilijk te overwinnen is.' 

(27) S'rî S'uka zei: 'Na die smeekbede liet hij, die hoogst machtige en genadige zoon van Brahmâ, hem een gerecht van zoete rijst klaarmaken voor Tvashthâ [de halfgod die de vader van Vis'varûpa was, zie 6.8], dat hij toen te zijner ere offerde. (28) De eerste en meest volmaakte koningin van al de koninginnen van de koning, o beste der Bhârata's, die de naam Kritadyuti droeg, werd uit handen van de wijze het geofferde voedsel aangeboden. (28)  Vervolgens zei hij tegen de koning: 'O Vorst, er zal één enkele zoon zijn die voor u een bron van vreugde en verdriet zal vormen', en daarna vertrok de zoon van Brahmâ. (30) Na van het voedsel van het offer gegeten te hebben bleek zij toen zwanger van Citraketu zodat Kritadyuti een zoon kreeg zoals de godin Krittikâ er een kreeg [Skanda] van Agni. (31) Haar vrucht groeide dag na dag zich stap voor stap ontwikkelend uit het zaad van de koning van S'ûrasena zoals de maan dat doet in de heldere helft van de maand. (32) Toen nam na de nodige tijd de zoon zijn geboorte die de inwoners van S'ûrasena in de grootste vreugde verzette zo gauw ze erover vernamen. (33) De koning zeer gelukkig met zijn pas geboren zoon, nam een bad, doste zich uit met sieraden en liet toen de brahmanen de geboorteplechtigheid opvoeren met vele zegenrijke woorden. (34) De brahmanen schonk hij in liefdadigheid goud, zilver, kleding, sieraden alsook dorpen, paarden, olifanten en zestig croren koeien. (35) Als een regenwolk deed de liefdadige koning alles neerregenen wat men zich maar kon wensen teneinde de weelde, de reputatie en de levensduur van zijn pasgeborene te vergroten. (36) Net zoals een arme sloeber steeds meer voelt voor de rijkdom die hij met grote moeite wist te vergaren, koesterde de vrome koning, als vader, een van dag tot dag groeiende genegenheid voor de zoon die hij met zoveel moeite had gekregen. (37) Ook de moeder koesterde een overmatige genegenheid voor de zoon, hetgeen bij al de bijvrouwen van Kritadyuti, vanuit hun onwetendheid, leidde tot een koortsig verlangen eveneens zoons te krijgen. (38) Net als met de onophoudelijke aandacht voor de zoon, raakte koning Citraketu ook buitensporig aangetrokken tot de echtgenote die hem de zoon had geschonken en niet zo zeer tot de anderen.  (39) Omdat zij geen zoons hadden en er ongelukkig over waren te worden verwaarloosd door de koning, zetten ze het op een klagen waarbij ze zichzelf vervloekten uit jaloezie. (40) Een vrouw die het zonder een zoon moet stellen wordt door de echtgenoot en de bijvrouwen die wel zoons hebben thuis niet geëerd en krijgt de schuld van de zonde aangewreven; zij, slecht gerespecteerd, is dan precies als een dienstmaagd. (41) En wat valt er nu werkelijk te klagen voor dienstmaagden die hun eer ontlenen aan het voortdurend dienen van hun echtgenoten - maar als men dan als een dienstmaagd dient voor de dienstmaagden heeft men het zeer slecht getroffen. (42) Aldus was er van de kant van de koninginnen, die uit de gunst gevallen brandden van droefenis met de koning die de rijkdom van een zoon van de bijvrouw Kritadyuti genoot, een zeer sterk groeiende jaloezie. (43) Met hun verstand kwijt door de jaloezie en niet in staat de koning zijn manier van doen te verdragen, raakten de koninginnen uiterst verbeten en dienden ze de jongen gif toe. (44) Kritadyuti die door het huis liep was zich niet bewust van de zonde begaan door de bijvrouwen en dacht, kijkend naar haar zoon, dat hij diep in slaap was. (45) Toen de jongen een lange tijd in bed had gelegen gaf zij, als een dame der intelligentie, alzo de kindermeid de opdracht: 'Alsjeblieft, beste vriendin, breng me mijn zoon'. (46) Naar hem omkijkend zag ze hem neerliggen met zijn ogen naar boven gedraaid en zijn levenskracht, geest en zinnen vertrokken, en zo riep ze neervallend op de grond uit: 'O verdoemd ben ik!' (47) Toen ze haar met een gekwelde stem luid jammerend zichzelf met beide handen op de borst hoorde slaan, spoedde ook de koningin zich haastig derwaarts en zag ze bij haar zoon aangekomen dat haar kind plots van haar was heengegaan. (48) In zwijm zakte ze overmand door verdriet bewusteloos op de grond met haar haren en kleding in de war. (49) Daarop, o heerser der mensen, kwamen al de inwoners van het paleis en alle mensen, mannen en vrouwen die het luide huilen hadden gehoord erop af en zetten ze allen even bedroefd het op een groots huilen, zoals ook zij die de misdaad hadden begaan dat valselijk deden.  (50-51) Horend dat zijn zoon om onbekende redenen was gestorven, kon de koning niet langer nog naar behoren uit zijn ogen toen hij, voortdurend struikelend en vallend, er heen ging, gevolgd door een gezelschap aan ministers en tweemaal geborenen.Vanwege zijn genegenheid en zijn aanzwellend gehuil viel hij buiten bewustzijn neer aan de voeten van de dode zoon met zijn haar en kleding in de war en was hij zwaar ademend [weer bijkomend] vanwege de tranen van zijn huilen met een verstikte stem niet in staat een woord uit te brengen. (52) De koningin die haar echtgenoot zwaar zag lamenteren in zijn treurnis over de dood van het kind, de enige zoon van de familie, huilde het helemaal uit, en droeg daarmee bij tot de smart in het hart van allen daar bijeengekomen, met inbegrip van de officieren en ministers.  (53) Haar twee met kumkum bepoederde borsten werden nat van de tranen die, vermengd met de make-up die haar ogen sierde, naar beneden drupten, en uit haar verwarde haren vielen de bloemen terwijl ze in alle toonaarden treurde om haar zoon met een geluid dat deed denken aan de fraaie kreten van een kurari vogel.  

(54) 'Helaas, o Voorzienigheid, hoezeer schiet U niet tekort in wijsheid in Uw handelen als iemand die in werkelijkheid recht ingaat tegen wat hij zelf voortbracht; met de vader nog in leven is er, met de dood van hem die later verscheen, er met U een tegenstrijdigheid in het licht waarvan men U aantreft als een constante bedreiging.(55) Niet van de vertrouwde gang van zaken zijnd alhier wat betreft het leven en de dood van de belichaamden, staat U het toe dat, als gevolg van iemands karma, dat wat er van de liefdesband is, dat wat persoonlijk door U in het leven is geroepen te Uwer eer en glorie, is weggevaagd. Dat is wat U aan het doen bent! (56) En jij mijn dierbare zoon, zou het niet op moeten geven met mij, ik die zo slecht af ben zonder jou als beschermer. Je zou meer aandacht moeten besteden aan je vader die zoveel verdriet heeft; met jou kunnen we makkelijk het rijk der duisternis doorkomen dat men zo moeilijk de baas is zonder een zoon; alsjeblieft laat ons niet in de steek. Leg je niet neer bij het genadeloze van de Heer van de Dood. (57) Mijn lieve zoon, sta op, alle kinderen, je speelkameraadjes roepen om je om met ze te komen spelen, o mijn prinsje; je hebt zo lang geslapen, je moet nu wel erge honger hebben, pak alsjeblieft mijn borst beet en drink, al is het alleen maar om de smart van je verwanten te verdrijven. (58) Hoe slecht heb ik het getroffen niet langer de bekoorlijke glimlachen te zien van jou, geboren uit mijn vlees, nu je de ogen van je lotusgezichtje hebt gesloten; heb je me nu echt verlaten voor een andere wereld, weg om niet terug te keren; ben je echt meegevoerd door de wrede Heer van de Dood? Ik kan je lief gebrabbel niet meer horen...' 

(59) S'rî S'uka zei: 'Met de vrouw op deze manier in uiteenlopende jammerklachten huilend over de dood van haar zoon was Citraketu zeer bedroefd en huilde hij hardop met haar mee. (60) Met het weeklagen van de koning en zijn echtgenote huilden al de onderdanen evenzo hard mee en aldus waren alle mannen en vrouwen van het koninkrijk buiten hun zinnen van verdriet. (61) De heilige die Angirâ was wist dat, door de misère die hen ten deel was gevallen, ze buiten zinnen waren en hulpeloos overgeleverd, en nam toen het besluit er met Nârada Muni naar toe te gaan.

  

Hoofdstuk 15  

De Heiligen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu

(1)  S'rî S'uka zei: 'Teneinde hem instructie te verschaffen over de feitelijkheid die aan de orde moest worden gesteld, spraken zij [de wijzen Nârada en Angirâ] tot de koning, die voor dood neerlag bij het lijk en zo zeer bedroefd was. (2)  O beste der koningen, wie is dit nu voor u o heer, de persoon over wie u zo'n verdriet hebt; en wie zou dit geweest zijn die uit u werd geboren; wie zou hij nu dan zijn en wie in de toekomst? (3)  Net als korrels zand die samenkomen op de kust en weer uit elkaar gaan door de kracht van de golven van de zee, worden zij, de belichaamde zielen, overeenkomstig verenigd en gescheiden [vergelijk B.G. 2: 13]. (4)  Net als van zaad gezaaid soms het graan groeit en soms ook niet, leiden evenzo de levende wezens tot andere levende wezens daartoe aangezet door het vermogen van de Allerhoogste Beheerser. (5)  Wij en u ook o Koning, en ook andere schepselen die zich rondbewegen dan wel een vaste plaats hebben, zijn, zoals ze allen tezamen zowel van geboorte als van de dood zijn, als het ware dus niet werkelijk aanwezig voordien noch achteraf, alhoewel men in het heden wel aanwezig is. (6) Middels sommige levende wezens schept de Beheerser van Allen andere levende wezens en handhaaft Hij ze en vernietigt Hij ze eveneens; ze bestaan niet onafhankelijk van Hem, hoewel Hijzelf zo onverschillig is als een jongen over het feit dat Hij ze het levenslicht heeft laten zien [vergelijk B.G. 3: 27]. (7)  Door het lichaam van de belichaamde wordt vanuit het ene lichaam een ander lichaam geschapen; net zoals inderdaad uit één zaadje een ander zaadje wordt geboren, is hij die ermee belichaamd is eeuwig, zoals ook de samenstellende elementen der materie dat zijn [zie B.G. 8: 17-22]. (8)  Deze scheiding tussen het lichaam en zijn bewoner is er als gevolg van het niet begrijpen dat men een bestaan heeft van sedert mensenheugenis er als een geschapen wezen te zijn, net zoals het leiden van een afzonderlijk bestaan in verhouding tot de oorspronkelijke substantie zo denkbeeldig is als het hebben van een individueel element los van de categorie waar het toe behoort.'

(9)  S'rî S'uka zei: 'Koning Citraketu, aldus gesteund door wat de tweemaal geborenen hem hadden gezegd, veegde zijn hangende gezicht af met zijn hand en sprak intelligent. (10)  De achtenswaardige koning zei: 'Jullie tweeën die naar hier zijn gekomen vermomd in de kledij van iemand die alles heeft opgegeven, zijn, gezien het volle van jullie kennis, de grootsten der groten. (11)  Zoals dat verlangd wordt trekken jullie brahmanen, die de Heer zo dierbaar zijn, inderdaad rond gekleed als een stel gekken met de bedoeling hen te doen ontwaken die, zoals ik, een verstand hebben dat ingesteld is op het familiale. (12-15)  Sanat-kumâra, Nârada, Ribhu, Angirâ, Devala, Asita, Apântaratamâ [een oude naam van Vyâsadeva], Mârkandeya en Gautama; Vasishthha, Bhagavân Paras'urâma, Kapila, S'ukadeva, Durvâsâ, Yâjñavalkya en Jâtukarna zowel als Aruni, Romas'a, Cyavana, Dattâtreya, Âsuri, Patañjali, de wijze Dhaumya hoofd van de Veda's, en de wijze Pañcas'ikha, Hiranyanâbha, Kaus'alya, S'rutadeva en Ritadhvaja; al dezen en andere meesters der volmaaktheid zijn de rondtrekkende spirituele opvoeders. (16)  Laat derhalve door jullie het licht van de toorts der spirituele kennis ontstoken zijn, daar ik slechts een dorpshond met een verdwaasde kijk op het leven ben, blind temidden van de duisternis' [*].

(17)  S'rî Angirâ zei: 'Ik ben die Angirâ die u de zoon vergunde die u verlangde o Koning en deze zoon van Brahmâ hier is de grote Nârada in eigen persoon. (18-19)  Het op deze manier verzonken zijn in een moeilijk door te komen duisternis uit treurnis over uw zoon past niet u die verondersteld wordt zich de Allerhoogste Persoonlijkheid te heugen. Enkel voor uw heil zijn de geleerden middels ons tweeën hier aangekomen op deze plaats, o Koning, en tot u als iemand verankerd in het brahman en toegewijd aan de Heer moeten we zeggen dat u het niet verdient om zo hulpeloos verloren te zijn. (20) De eerste keer dat ik u thuis opzocht, had ik u de spirituele kennis der transcendentie kunnen geven, maar, aangezien u in beslag werd genomen door iets anders, kon ik u enkel een zoon gunnen. (21-23) En momenteel ervaart u inderdaad de beproeving van iemand met kinderen die in die hoedanigheid een aardige vrouw heeft, een thuis, rijkdom, allerlei bezittingen en luxe. Al de voorwerpen van de zinnen die daarbij van betekenis voor u zijn, zoals een koninkrijk, vormen van weelde, land en adel, kracht en een schatkist met dienaren, ministers en bondgenoten, behoren alle tot de tijdelijkheid. Inderdaad is dit alles, o Heerser over S'ûrasena, een beklagenswaardige illusie die aanleiding geeft tot angsten en leed; ze bestaat uit drogbeelden door de geest zelf opgeroepen, uit preoccupaties in de vorm van luchtkastelen. (24)  Waar u naar uitkijkt is verstoken van inhoud, het zijn zelfverzonnen zaken geboren uit baatzuchtig handelen waarop u mediteert; het is vanuit de geest dat allerlei soorten van karmisch handelen hun bestaan vinden. (25)  Zonder twijfel bestaat dit lichaam van het levend wezen uit materiële elementen en zinnen van handelen en waarnemen. Dezen worden verklaard oorzaak te zijn van de verschillende vormen van lijden en pijn van het levende wezen [zie ook B.G 15: 7-11]. (26) Pas daarom op voor wat er zich in de geest afspeelt en overweeg wat uw werkelijke positie is, geef uw geloof in de dualiteit als een duurzaam iets op; hou het op de toestand van vrede.'

(27)  S'rî Nârada zei: 'Luister goed en aanvaard deze mantra der filosofie van mij, welke, als u zich er een zevental nachten op concentreert, u de visie zal geven van de alles doordringende Heer Sankarshana ['Hij met de ploeg' zie 5.25]. (28)  Van het vinden van beschutting aan Zijn lotusvoeten o Koning bereikten voorheen al de goddelijken die deze illusie der dualiteit opgaven, onverwijld Zijn onvergelijkelijke, onovertroffen heerlijkheden en ook u zal na een niet te lange tijd de Bovenzinnelijkheid deelachtig zijn.

* Voorafgaande aan lezingen bidden vaishnava's een gebed waarin ze de rol van de goeroe als volgt beschrijven:

'om ajñâna-timirândhasya
jñânâñjana-s'alâkayâ
cakshur unmîlitam yena
tasmai s´rî-gurave namah'

"Ik werd geboren in het duister der onwetendheid en mijn geestelijk leraar opende mijn ogen met de toorts der kennis. Hem biedt ik mijn respectvolle eerbetuigingen."  

 

Hoofdstuk 16  

Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen bracht de devarishi, o Koning, de gestorven zoon van de koning [die Harshas'oka werd genoemd, ofwel 'vreugde en verdriet'] in het gezicht van de treurende verwanten aldaar en sprak hij. (2) S'rî Nârada zei: 'O levende ziel, alle goeds u toegewenst, bezie uw moeder, vader, vrienden en verwanten die het treurend over u erg moeilijk hebben. (3) Om uw leven af te maken mag u naar uw lichaam terugkeren en temidden van uw getrouwen alle geneugten smaken en van uw vader de beloning van de koningstroon in ontvangst nemen.'

(4) De persoonlijke ziel zei: 'In welke van al die geboorten, waarin ik door mijn karma heb rondgedoold onder de goddelijken, de dieren en de mensen, waren dezen mijn vaders en moeders? (5) In de loop van de tijd behoort een ieder tot de vrienden, familieleden, vijanden, onpartijdigen, weldoeners, onverschilligen of afgunstigen van ieder ander [vergelijk B.G. 3: 27]. (6) Net zoals ruilmiddelen, zoals goud, van de ene persoon overgaan naar de andere, doorleeft op dezelfde manier het levend wezen dankzij verschillende vaders verschillende levensvormen [zie ook B.G. 2: 22]. (7) Vanuit wat men gewoon is kan men dan het tijdelijke constateren van relaties in de menselijke samenleving voor zolang er in die omgang sprake is van gehechtheden in de zin van 'ik' en 'mijn'. (8) Aldus van een bepaalde geboorte is het levend wezen eeuwig, zolang hij zichzelf niet identificeert met het lichaam waarin hij zo lang mag te verblijven en door de werkelijkheid waarvan hij een zelfgevoel heeft. (9) Het is eeuwig, onpersoonlijk en van het fijnstoffelijke; het is het zelfbewuste van de verschillende belichamingen verworven door de verschillende geaardheden van de goddelijkheid der natuur, optredend als zijn eigen heer en meester in deze wereld [zie ook 4.29: 29]. (10) Voor het levend wezen is er in werkelijkheid niemand dierbaar of niet dierbaar, noch is er ook maar iets het zijne of van iemand anders; met andere woorden: het is de ene getuige van de verschillende soorten van intelligentie en uitvoerders van goede en slechte daden [zie ook B.G. 9: 29]. (11) Voor de Ziel is noch geluk noch verdriet aanvaardbaar, noch de vrucht der arbeid; als een volmaakt neutraal iemand verblijft de Heer vanbinnen als de beheerser die oorzaak en gevolg overziet [B.G. 2: 47].'

(12) De zoon van Vyâsa vervolgde: 'Zo gesproken hebbend ging het levend wezen weg tot de stomme verbazing van zijn verwanten, die hun weeklagen opgaven nadat de ketenen van de band der genegenheid waren doorbroken. (13) Toen de familieleden van de zoon, met het uitvoeren van de gepaste rituelen, het lichaam aflegden, gaven ze daarmee de vastgehouden genegenheid, het weeklagen en de illusie die de angst en het leed veroorzaakten op. (14) Zij die het kind hadden gedood volbrachten, vol schaamte over het hebben vermoord van de jongen en beroofd van de luister van hun lichamen, zoals de brahmanen het wilden, bij de rivier de Yamunâ de boetedoening voor het hebben gedood van de baby, o Parîkchit, met in gedachten wat de tweemaal geborene [Angirâ] had gezegd. (15) Citraketu, zich volledig bewust van de geestelijke strekking van de uitspraken van de beide tweemaal geboren zielen, geraakte aldus uit de duistere put van zijn familiegehechtheid zoals een olifant tevoorschijn komt uit een modderpoel. (16) Met het nemen van een bad in de Yamunâ als was voorgeschreven en het vroom uitvoeren van uitgietingen van water waarbij hij ernstig zijn geest en zinnen intoomde, bracht hij de twee zoons van Brahmâ zijn eerbetuigingen.

(17) Vervolgens deed Bhagavân Nârada die er zeer over verheugd was dat hij zo'n overgegeven toegewijde was in de beheersing van zichzelf, deze kennis [deze mantra, dit gebed] uit de doeken zoals hij had beloofd. (18-19) 'O mijn Heer mijn eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Heer Vâsudeva. Laat mij mediteren op Pradyumna [de Heer der intelligentie], Aniruddha [de Heer van de geest] en Sankarshana [de Heer van het Ego, zie ook 4.24: 35-37]. Al mijn respect voor de volledige manifestatie der wijsheid, de belichaming van het opperste geluk die het zelfvervulde Ware van het Zelf der vrede is met Zijn blik afgewend van de dualiteit. (20) Door de realisatie van Uw persoonlijke verrukking geraakt men over de golven van de oceaan der materie. Mijn eerbetoon jegens die Beheerser der Zinnen zo verheven; mijn respect voor U wiens expansies onbegrensd zijn. (21) Als woorden tekortschieten is Hij, de Ene zonder Zijns gelijke, met de geest van geen benaming of gedaante en volledig spiritueel; moge Hij, Hij die boven waarheid en onwaarheid staat, ons genadevol beschermen. (22) In wie dit alles en van wie dit alles standhoudt, oplost en wordt geboren zoals met dingen die gemaakt zijn van aarde; voor Hem, de Allerhoogste Oorzaak, mijn respectvolle eerbetoon. (23) Hij die door de geest, de intelligentie, de zinnen en de vormen van de levensadem niet kan worden beroerd, noch kan worden gekend vanbinnen of vanbuiten, Hij die zich zo weids als de hemel heeft uitgebreid, voor Hem ben ik voorover gebogen. (24) Het lichaam, de zinnen, de levensadem, de geest en de intelligentie kunnen slechts in actie komen door de ondersteuning van het Heersende Principe [Brahman]; zij, net als ijzer dat niet is verhit door vuur [niet kan buigen], kunnen zonder die ondersteuning niet de status van een zelfbewust subject verwerven. (25) Mijn eerbetuigingen jegens U mijn Heer, o Allerhoogste Persoonlijkheid, meest Volmaakte Superziel en Meester van Alle Mystieke Vermogen wiens voeten worden gediend door de talloze lotusknophanden van al de beste toegewijden; aan U, verblijvend in het hoogste, al mijn respect.'

(26) S'rî S'uka zei: 'Nadat Nârada aan deze toegewijde vol van overgave de kennis had overgedragen, vertrok hij samen met Angirâ naar het verblijf van Brahmâ, o grote Heer. (27) Citraketu wijdde zich daarop, enkel water drinkend, met grote concentratie van geest ononderbroken voor de duur van een week aan de kennis zoals die was doorgegeven door Nârada. (28) Niet afwijkend van de aanwijzingen bereikte hij, door zorgvuldig deze gebeden in de praktijk te brengen, aan het eind van zeven dagen en nachten het meesterschap der Vidyâdhara's ['zij die zich baseren op kennis'], o Heerser der Mensen. (29) Aldus in slechts een paar dagen tijds door die spirituele oefening voor zijn geest de weg der verlichting gevonden hebbend, begaf hij zich naar de toevlucht van de lotusvoeten van de God aller goden, Heer S'esha [Anantadeva of Sankarshana, zie 5.25]. (30) Hij zag Hem, zijn Meester en Beheerser, met Zijn glimlachende lotusgezicht en rood doorlopen ogen, zo wit als het kelkblad van een lotus, blauwe zijde dragend, een glinsterende helm, armbanden, een gordel en polsbanden, zich bevindend temidden van Zijn meest volmaakte toegewijden. (31) De aanblik van Hem deed al zijn zonden teniet zodat hij, gezond en zuiver van hart, als een heilige Hem tegemoet kon treden in een devotionele stemming, waarin hij met tranen in zijn ogen en met zijn haren overeind, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zijn eerbetuigingen bracht. (32) Hij aan de lotusvoeten van de Heer der Verzen, bevochtigde bij herhaling met de druppels van zijn tranen die rustplaats en was hij, vanwege een van de liefde verstikte stem, voor een lange tijd niet in staat ook maar een enkele letter van het alfabet uit te spreken om Hem zijn gebeden te brengen. (33) Daarop zijn spraakvermogen herwinnend door het met intelligentie beheersen van zijn geest, richtte deze ene koning zich tot de verpersoonlijking van de toegewijde dienst en de geschriften, tot de leraar van een ieder die de naar de uiterlijke wereld afdwalende zinnen reguleert.

(34) Citraketu zei: 'O Onoverwinnelijke gewonnen door mensen van heugenis; aan die toegewijden die U met hun overgegeven zielen voor U innam en die altijd Uw heerlijkheden bezingen met geesten vrij van verlangens, geeft U Uzelf in ultiem mededogen. (35) In relatie tot Uw vormen van weelde die waarlijk, o Allerhoogste, van de schepping, de handhaving en de voleinding van deze kosmische manifestatie zijn, wedijveren de scheppers van deze schepping, die deel uitmaken van een deel van U, in dezen vergeefs met elkaar, bewogen als ze zijn door valse begrippen van gescheidenheid. (36) Van het kleinste atoom tot het grootste van de manifestatie hebt U Uw bestaan in het begin, aan het einde en daar tussenin; niettemin bent U er permanent buiten deze drie zonder zelf een begin en een einde te hebben en zonder zelf te zijn wat ertussen allemaal bestaat.(37) Deze materiële wereld, dit eivormige universum bestaande uit de zeven lagen waarvan een ieder het tienvoudige bedraagt van de voorgaande laag [zie 3.26: 52], zinkt in het niet bij de miljoenen van dergelijke universa in de kosmos, en om deze reden bent U onbegrensd. (38) Begeertig te genieten als de dieren aanbidt de mens enkel gedeelten [halfgoden] maar niet het Allerhoogste van U, o Beheerser; de zegeningen van hen zijn afgelopen als ze hun einde vinden, precies zoals dat is met politici [B.G. 7: 20-23 S.B. 2.3: 10]. (39) Zij die bevrediging verlangen floreren, net als geroosterd zaad, niet in U o Allerhoogste; maar in het volle van Uw spirituele kennis is een persoon onberoerd door het netwerk van de geaardheden en de dualiteit van hun materiële kwaliteiten [vergelijk: B.G. 4: 9]. (40) Ze werden door U o Heer, o Onoverwinnelijke, overwonnen toen U zich tot hen richtte omtrent het dharma van U toegewijd zijn. De foutlozen die niet hunkeren naar materieel geluk, zij die grote wijzen zijn vanbinnen gelukkig, zijn degenen van aanbidding op het pad der bevrijding [zie ook 1.2: 6]. (41) Niet gelijk schiet men tekort qua bewustzijn en heeft men onder de mensen aldus het 'ik' en 'mijn' en het 'mij' en 'jou'; in benaderingen anders dan de Uwe is men als gevolg van de visie der ongelijkwaardigheid in zijn manier van doen inderdaad onzuiver, tijdgebonden en vol van onrecht [vergelijk B.G. 18: 66]. (42) In welk opzicht doet het iemand zelf en anderen goed, of wat zou ermee gediend zijn, als men met een [op zich] rechtschapen procedure jaloers is op anderen en op het Allerhoogste? Een dergelijke praktijk van menselijk zelfverraad roept Uw wrake op en bezorgt anderen pijn, en goddeloos is het ook [zie B.G. 16: 17 en S.B. 1.2: 8]. (43) Van Uw zienswijze in relatie tot het dharma dat Uw aanwijzingen en handelingen omvat zegt men dat die onfeilbaar is; in navolging daarvan geen onderscheid makend tussen de niet-bewegende en bewegende levende wezens is men zeker van het beschaafde [de Âryan of Ariër]. (44) Is het niet, o mijn Heer, zo geworden dat door de aanblik van U al de zonden van al de mensenkinderen zijn vernietigd en dat door het horen van Uw naam terstond zelfs de laagsten der mensen bevrijding vinden uit de verstriktheid van het materiële bestaan? (45) Aldus o Allerhoogste Heer, zijn op het ogenblik U met eigen ogen aanschouwend de smetten weggewassen, hoe zou het ook anders kunnen met wat werd verklaard door de grote rishi der verlichting [Nârada], Uw toegewijde? (46) U bent, o Onbegrensde, als de superziel van de wereld, bekend met alles wat door allen gedaan wordt die hier leven. Wat valt er in te zien bij het licht van vuurvliegjes als men een zon heeft gelijk U als de leraar der transcendentie? (47) Alle eer aan U, o Heer van het bestaan, het eindigen en het scheppen van het universum; Uw positie gaat het begrip te boven van hen die in materieel opzicht verenigd zijn middels valse begrippen van het hebben van een afzonderlijk bestaan in relatie tot het zuivere der bovenzinnelijkheid. (48) Het is in navolging van Uw ondernemen dat inderdaad zij die de schepping bestieren eveneens ondernemen; het is naar Uw waarnemen dat al de zintuigen die kennis nemen waarnemen; het is het door U op Uw kraag blijven dragen van het gigantische universum dat het gelijk een mosterdzaadje wordt; moge er voor U al het respect zijn dat er maar mogelijk is, U de Allerhoogste Heer met de Duizenden Kragen.'

(49) S'rî S'ukadeva zei: 'O beste der Kuru's, de Allerhoogste Heer Ananta Deva, op deze manier aanbeden gaf hem, Citraketu, toen antwoord, zeer verheugd als Hij was over de Koning der Vidyâdhara's. (50) De Opperheer zei: 'Door het rechtstreeks aanschouwen van Mij en door het eerbetoon met het gebed waar Nârada en Angirâ u van op de hoogte stelden, hebt u nu de volmaaktheid gevonden, o Koning. (51) Ik als de Superziel van allen, als de oorzaak der manifestatie, heb Me inderdaad uitgebreid in verschillende gedaanten en besta in de beide vormen van de spirituele klankvibraties en het Allerhoogste Brahman [vergelijk B.G. 7: 4-5]. (52) Het levende wezen breidde zich uit in de wereld en ook breidde de wereld zich uit in het levende wezen; evenzo zijn beiden, als vormen van de schepping, van Mij doordrongen alsook in Mij aanwezig. (53-54) Zoals een persoon die in slaap dromend de hele wereld ziet binnenin zichzelf maar bij zijn ontwaken zichzelf ergens neer ziet liggen, zijn dienovereenkomstig de levende wezens hun verschillende staten van bewustzijn en levensomstandigheden uitingen van het illusieverwekkend vermogen van het Zelf, waarmee bekend men zich altijd hun Allerhoogste Schepper en Getuige moet herinneren [zie ook bhajan Râdhâ Krishna Bol Bol]. (55) Ken Mij enkel als Hem, Hij die alles doordringt, de Allerhoogste Geest los van de materiële staat van wie een persoon die slaapt in staat is onderscheid te maken tussen wat van de droom is en wat zijn geluk zou zijn. (56) Als de persoon zich beide staten van bewustzijn herinnert van dromen en slapen kan hij, in het voorbije, de spirituele kennis van het Brahman bereiken die transcendentaal is. (57) Het levend wezen vergeetachtig wat betreft deze spirituele aard van Mijn positie, leidt daarvan een materieel geconditioneerd leven in afgescheidenheid van de Superziel, waardoor het doolt van het ene lichaam naar het volgende, van de ene naar de andere dood. (58) Met het hier op aarde verwerven van een menselijke geboorte krijgt men door de spirituele kennis en wijsheid de gelegenheid tot zelfrealisatie te komen, maar zij die die kennis niet oppakken zullen er nooit in slagen in het leven. (59) Van het zich herinneren wat een probleem het is alhier rond te ploeteren en dan het tegendeel te bereiken van wat men beoogde, en ook van het zich herinneren hoe men vrij van angst is inderdaad als men niet meer verlangt naar materiële zaken, behoort men, het beter wetend, er een punt achter te zetten. (60) Terwille van hun geluk en om vrij te zijn van ellende leggen man en vrouw activiteiten aan de dag welke op zichzelf niet volstaan om er een eind aan te maken, omdat die handelingen de bron vormen van zowel geluk als verdriet. (61-62) Mensen die zichzelf heel slim vinden maar op deze manier met het tegenovergestelde opgezadeld raken, vinden het buitengewoon moeilijk te begrijpen wat het betekent om van de vooruitgang te zijn met de ziel en los te staan van de drie staten [van bewusteloosheid, slapen en waken]. Het persoonlijk ervaren hebbend of het hebben begrepen door erover te vernemen, moet een persoon die zich door zijn eigen oordeelsvermogen in de genoten spirituele kennis en wijsheid bevrijdde van zijn materialisme, met de gevonden volle bevrediging, Mijn toegewijde worden. (63) Dit is wat over het geheel genomen de capabele en intelligente mens zich dient te realiseren wat betreft het begrijpen van de eenheid, de transcendentie en de ziel van de yoga als het uiteindelijke doel. (64) Als u met geloof, zonder in andere conclusies te vervallen, deze woorden van Mij aanneemt, o Koning, zal u in het volle van de genoten spirituele kennis en de wijsheid spoedig uw vervolmaking vinden.'

(65) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer, de Leraar van het Universum, aldus Citraketu een hart onder de riem had gestoken, verdween Hij, Heer Hari, de Ziel van Allen, uit het gezicht.'  

  

Hoofdstuk 17  

Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu

(1)  S'rî S'uka zei: 'Na het brengen van zijn eerbetuigingen in de richting waarin Heer Ananta was verdwenen begon Citraketu, de Koning der Vidyâdhara's te reizen, over de gehele wereld rondtrekkend. (2-3) Zonder enig obstakel op zijn weg bezocht hij honderdduizenden mensen in duizenden plaatsen en werd hij in zijn kracht en zinsbeheersing door de wijzen, de volmaakten en de monniken geprezen als een grote yogi. Zijn hart ophalend temidden van de hoogten van Kulâcalendra [de berg Meru] alwaar men zich beoefent in de perfectie, schiep hij er genoegen in om met de vrouwen van de Vidyâdhara's de lof in het leven te roepen van Heer Hari, de Beheerser. (4-5) Toen hij eens rondtrok in zijn schitterend glanzende, hemelse voertuig dat hij van Heer Vishnu gekregen had, trof hij Heer S'iva temidden van al de heiligen. Omringd door de volmaakten en de zangers van de hemel, had hij zijn arm geslagen om de godin die bij hem op schoot zat. Citraketu moest er hard om lachen en sprak toen aldaar in de aanwezigheid van de moeder zodat ze het duidelijk kon horen. (6) Citraketu zei: 'Deze geestelijk leraar van heel de wereld, die voor al de belichaamden de rechtstreekse vertegenwoordiger is van het dharma, zit zowaar midden in een bijeenkomst zijn vrouw te omhelzen! (7) Met zijn haar samengeklit, verheven, van de boete, strikt in het spirituele en de vergadering voorzittend, omarmt hij een dame, er onbeschaamd bijzittend als de eerste de beste materieel gemotiveerde persoon. (8) Normaal gesproken omhelzen zelfs de geconditioneerde zielen hun vrouwen in het privé... en deze ene meester der geloften en verzaking geniet van zijn vrouw in een bijeenkomst!'

(9) S'rî S'uka zei: 'Toen de grote Heer der onpeilbare intelligentie dat hoorde o Koning, glimlachte hij enkel en hield hij zich stil, en zo deed iedereen dat in navolging. (10) Toen hij, zich niet bewust van de macht, zich tegen alle etiquette in zo uitliet, sprak de godin vertoornd tot de overmoedige die dacht dat hij zichzelf zo goed beheerste. (11) S'rî Pârvatî zei: 'En nu zou hij hier opeens de Allerhoogste Beheerser zijn, hij die de straf uitdeelt en die de meester der ingetogenheid is voor mensen als wij, die de criminelen en de schaamtelozen zijn? (12) Het is zeker zo dat hij die op de lotus zit geen flauw benul heeft van het dharma. En ook hebben Brahmâ's zonen, Bhrigu of Nârada, noch zeker ook de vier Kumâra's, Heer Kapila en Manu zelf er geen idee van, anders zouden ze onze S'iva er wel van weerhouden hebben de regels te breken! (13) Hij hier is de laagste der kshatriya's. Hij die door hem, met het overtreffen van de goden, zo respectloos werd terechtgewezen, is de ene die met zijn lotusvoeten de leraar van de hele wereld is en de goedgunstige der goedgunstigheid zelve om op te mediteren. Om die reden verdient deze man het te worden bestraft. (14) Deze onbeschofte, hooghartige kerel verdient het niet om de toevlucht der lotusvoeten van Vaikunthha, die door al de heiligen wordt aanbeden, te mogen benaderen [vergelijk: de S'rî S'rî S'ikshâshthaka]. (15) Daarom, o grootste onder de zondaars, ga heen en neem geboorte onder de demonen, o dwaas, zodat deze wereld weer de groten toebehoort en jij, mijn zoon, niet nog langer van enige overtreding zal zijn.'

(16) S'rî S'uka zei: 'Aldus vervloekt kwam Citraketu van zijn hemelse wagen naar beneden om zich, met een diepe buiging van zijn hoofd voor Pârvatî, van zijn beste kant te laten zien, o zoon van Bharata. (17) Citraketu zei: 'Met mijn handen voor u gevouwen o Moeder, aanvaard ik uw vloek; dat wat de goden een sterveling opleggen wordt wordt geheel bepaald door zijn daden in het verleden. (18) In de vicieuze cirkel van dit materiële bestaan is het levend wezen verbijsterd in zijn onwetendheid en doolt hij overal rond, steeds maar geluk en ongeluk ervarend. (19) Een persoon zich niet bewust beschouwt zichzelf, en voorzeker ook anderen, in dezen als degene die handelt, maar noch kan werkelijk de individuele ziel, noch iemand anders, degene zijn die het geluk en het leed afroept. (20) Wat is, in deze maalstroom van de geaardheden der natuur, nu eigenlijk een vloek of een gunst, wat is nu een promotie naar de hemel of een neergang in de hel of wat zou geluk of leed daarin zijn? (21) Hij is de ene Allerhoogste Heer, die middels Zijn vermogens het geconditioneerde leven van al de wezens schept alsook het leven der bevrijding; het geluk en het leed enerzijds en de positie boven de tijd verheven anderzijds. (22) Voor Hem is niemand dierbaar of niet dierbaar, een familielid of een vriend, en ook hoort men niet bij anderen of bij Hem; Hij is gelijkgezind, alomtegenwoordig, onberoerd door de wereld en onthecht in dat geluk waarover men, in de gehechte staat, zich kwaad maakt. (23) Niettemin is er vanwege Zijn krachten met de belichaamden de schepping van het bij herhaling voorbestemd zijn voor geluk en leed, winst en verlies, gebondenheid en bevrijding en dood en geboorte. (24) Om die reden smeek ik u niet om van uw vloek bevrijd te raken o vertoornde. Ik wil alleen maar dat u mijn excuses aanvaardt voor alles wat in uw ogen, o kuise, voor mij iets verkeerds is geweest om te zeggen.'

(25) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de verheven persoonlijkheden zijn respect getoond te hebben, o standvastige overwinnaar der vijanden, ging Citraketu in zijn eigen hemelvoertuig weg terwijl de twee hem gadegesloegen en toelachten. (26) Daarna zei toen de grote Heer tot zijn vrouw het volgende terwijl Nârada, de Daitya's, de Siddha's en zijn persoonlijke metgezellen allen luisterden. (27) S'rî Rudra zei: 'Heb je gezien, o schone, hoe grootmoedig de dienaren der dienaren zijn, de grote zielen die met het sensuele van verzaking in hun relatie met de Allerhoogste Persoonlijkheid wiens werken zo wonderbaarlijk zijn? (28) De zuivere zielen van Nârâyana zijn allen in geen enkele omstandigheid bevreesd, of het nu de hemel betreft, de bevrijding of het in de hel verkeren; in hun ogen maakt het niet uit waar men zich bevindt. (29) De belichaamden zijn, vanwege hun contact met het fysieke, met de Heer Zijn spel en vermaak zonder twijfel van de dualiteit van het geluk en het ongeluk, van de dood en van het geboren worden en van de vloek en de gunst. (30) Als men zonder de zaken op de juiste manier van elkaar te onderscheiden een verschil maakt, vindt men navenant binnenin de persoon zelf de kwaliteiten en de fouten die men maakt als gevolg van het zich iets verbeelden met het verschil van, bijvoorbeeld, er zeker van te zijn of men wel of niet een bloemenslinger heeft verdiend. (31) Mensen die in hun harten liefde en geloof koesteren jegens de Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn van ware kennis en onthechting, zij zoeken hun heil niet in deze of gene materiële zegening [zie ook 1.2: 7]. (32) Noch ik, noch Heer Brahmâ, noch de As'vinî-Kumâra's, noch Nârada, de zonen van Brahmâ, de heiligen noch al de grote halfgoden kennen de ware aard van Hem van wie wij, die onszelf zo graag zien als onafhankelijke heersers, allen maar gedeelten van delen zijn. (33) Inderdaad geniet niemand Zijn bijzondere voorkeur of afkeer noch behoort zelfs ook maar iemand Hem toe of aan iemand anders; als de Ziel van de ziel van alle wezens is de Heer de meest geliefde voor alle levende wezens. (34-35) Deze zo allerfortuinlijkste koning Citraketu is een alom geliefde, gehoorzame dienaar van Hem. Hij is een vreedzaam en gelijkgezind iemand die, net als ik, de liefde van de Onfeilbare is. Weest derhalve niet verbaasd over de manier van doen van die personen die de grote zielen en persoonlijkheden van de toewijding zijn vol van vrede en gelijkheid jegens allen.'

(36) S'rî S'uka zei: 'Aldus vernemend wat de grote heer S'iva haar te zeggen had vond Pârvatî haar gemoedsrust weer terug o Koning en raakte de godin verlost van haar ontsteltenis. (37) Toen hij, die als een grote toegewijde die in ieder opzicht in staat was een tegenvloek tegen de godin te formuleren, de veroordeling over zijn hoofd uitgestort aanvaardde, kenmerkte hem dat als een ware toegewijde. (38) Geboren uit de brahmaan genaamd Tvashthâ schakelde hij bij het Dakshina vuuroffer over op de afdeling van de demonische levensvormen, en werd hij aldus met al zijn kennis en wijsheid gevierd als Vritrâsura [zie 6.9 en vergelijk met 1.5: 19]. (39) Dit is alles [mijn beste Parîkchit] wat ik u uit had te leggen op wat u me vroeg over Vritrâsura, degene van een verheven intelligentie die werd geboren in de duisternis. (40) Deze geschiedenis van de vrome Citraketu die zo'n grote ziel was, omvat alle heerlijkheid, en hij die het van de toegewijden van Vishnu te horen krijgt, raakt bevrijd van de gebondenheid. (41) Een ieder die met de Heer steeds in gedachten vroeg opstaat in de ochtend en met geloof zijn woorden beheersend dit verhaal opleest, zal de hoogste bestemming bereiken.'

  

Hoofdstuk 18  

Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Pris'ni, de vrouw van Savitâ [de vijfde van de twaalf zoons van Aditi] waren er toen [de drie dochters] Sâvitrî, Vyâhriti en Trayî en [uit hen werden geboren de zoons] Agnihotra, Pas'u, Soma, Câturmâsya en de vijf Mahâyajñas. (2) Siddhi, de echtgenote van Bhaga [de zesde zoon van de twaalf zoons van Aditi], mijn beste Koning, gaf geboorte aan [de zoons] Mahimâ, Vibhu en Prabhu en aan Âs'î, een zeer mooie en deugdzame dochter. (3-4) Uit Dhâtâ [de zevende zoon van Aditi] zijn vrouwen Kuhû, Sinîvâlî, Râkâ en Anumati kwamen respectievelijk [de zoons] Sâyam, Dars'a, Prâtah en Pûrnamâsa ter wereld. De vuurgoden genaamd de Purîshya's werden uit Kriyâ verwekt door de volgende zoon [van Aditi: Vidhâtâ] en Carsanî van Varuna [de negende zoon van Aditi] was degene uit wie Bhrigu opnieuw geboorte nam. (5) Vâlmîki, de grote yogi werd [uit het zaad van Varuna] geboren uit een mierenheuvel [vandaar zijn naam] en inderdaad waren de twee wijzen Âgastya en Vasishthha [als hun gemeenschappelijke zoons] er ook uit Mitra [de tiende zoon] en Varuna. (6) Van het verkeren in de aanwezigheid van Urvas'î werd [door Mitra en Varuna] zaad geloosd in een aarden pot [en uit dat zaad werden de twee wijzen als gemeenschappelijke zoons geboren]. In Revatî verwekte Mitra [de drie zoons] Utsarga, Arishtha en Pippala. (7) In Paulomî [of S'acîdevî] naar wij vernomen mijn beste, verwekte heer Indra drie zoons Jayanta, Rishabha en Mîdhusha als de derde. (8) Van [de twaalfde zoon] Urukrama [of Vâmana], de Heer die vanuit Zijn innerlijk vermogen in de vorm van een dwerg was verschenen, werd uit Zijn vrouw Kîrti de zoon Brihats'loka geboren uit wie er met Saubhaga voorop nog vele anderen waren. (9) De handelingen, kwaliteiten en het vermogen van deze grote ziel en hoe Hij uit Aditi daadwerkelijk nederdaalde als de zoon van Kas'yapa, zal ik later beschrijven.

(10) Nu zal ik u vertellen over hoe uit Diti er de [demonische] zoons geboren uit het zaad van Kas'yapa [zie 3.14] waren alsook de [latere familieleden, de] grote en rijk gezegende toegewijde Prahlâda en ook Bali Mahârâja [die door Vâmana werd verslagen]. (11) De twee zoons van Diti die konden rekenen op de aanbidding van de Daitya's en de Dânava's stonden bekend onder de namen Hiranyakas'ipu en Hiranyâksha. (12-13) De vrouw van Hiranyakas'ipu genaamd Kayâdhu, was een dochter geboren uit Jambha en een nazaat van Danu. Zij schonk vier zoons het leven met Samhlâda als de eerste waarna Anuhlâda, Hlâda en Prahlâda er kwamen en een zuster genaamd Simhikâ die van Vipracit Râhu kreeg. (14) Zijn [Râhu's] hoofd werd door Heer Hari met de werpschijf van de romp gescheiden toen hij [met de halfgoden] dronk van de nectar. Kriti, de echtgenote van Samhlâda, gaf van hem geboorte aan [de zoon] Pañcajana. (15) Dhamani, de vrouw van Hlâda, bracht [de zoons] Vâtâpi en Ilvala ter wereld. De laatstgenoemde werd [in de gedaante van een ram] door Vâtâpi gekookt toen Âgastya als haar gast bij haar op bezoek kwam. (16) Van Anuhlâda's vrouw Sûryâ waren er [de twee zoons] Bâshkala en Mahisha. Virocana was ontwijfelbaar [de zoon] van Prahlâda en van zijn echtgenote was er Bali. (17) Met Bâna als zijn oudste verwekte hij [Bali] bij As'anâ een honderdtal zoons; ik ben van zins het loffelijke van zijn karakter op een later tijdstip te bespreken. (18) Bâna die Heer S'iva vereerde werd door hem bevorderd tot het niveau van zijn belangrijkste naaste metgezellen, en om die reden beschermt de grote Heer tot op de dag van vandaag nog zijn hoofdstad. (19) De negenenveertig Maruts, eveneens zonen van Diti, hadden zelf geen zoons en werden door Indra allen verheven tot de positie van halfgoden.'

(20) De koning zei: 'Waarom o goeroe, gaven zij de atheïstische mentaliteit op waarmee ze werden geboren; gingen ze dermate heilig tewerk dat ze door Indra daarvan werden veranderd in halfgoden? (21) O brahmaan, deze wijzen met mij tezamen verlangen er allen naar erachter te komen hoe het hiermee zit o grootheid, leg het alstUblieft daarom aan ons uit.' "

(22) S'rî Sûta zei: "Die woorden van respect horend van de dienaar van Vishnu prees hij, de zoon van Vyâsa, zeer verheugd over de waarde ervan hem kort en gaf hij antwoord, o S'aunaka. (23) S'rî S'uka zei: 'Diti, wiens zoons werden gedood door Heer Vishnu in het bijstaan van Indra, was overmand door woede en dacht, verduisterd door het leed: (24) 'Wanneer zal ik, met de harteloze, wrede en zondige doder van deze op plezier beluste zoons, die [Vishnu] er toe aanzetten een einde te maken aan hun levens, genoegdoening krijgen? (25) Als iemand, aangewezen als de koning, met zijn lichaam, dat onvermijdelijk zal eindigen met de wormen, als uitwerpselen of als as, desalniettemin anderen leed berokkent in het najagen van het eigen geluk, is men dan wel van ware kennis? Wacht zo iemand niet de straf van de hel?   (26) Hij, die denkt dat dit [materiële omhulsel] het eeuwige leven heeft, is zijn verstand kwijt; kan ik rekenen op een zoon van mezelf die deze waanzin van Indra zal bestrijden?' (27-28) Zij [Diti] was toen, vol van dat voornemen, voortdurend met allerlei soorten van gepaai vol liefde en nederigheid, zelfbeperking en grote toewijding, o Koning, haar echtgenoot [Kas'yapa] van dienst, wiens geest zij, wel bekend met zijn aard, met bekoorlijke lieve woorden, glimlachen en steelse blikken in haar macht wist te krijgen. (29) Hoewel een zeer bedreven en geleerd deskundige raakte hij aldus door de vrouw bekoord en gaf hij, in haar greep verkerend, derhalve toe aan haar verlangens; iets wat in het geheel niet verrassend is in relatie tot een vrouw. (30) Toen God de Vader in het begin van de schepping de levende wezens onthecht zag, schiep hij de vrouw als de andere helft van zijn lichaam en door haar wordt de mannelijke geest op hol gebracht. (31) Aldus op zijn wenken bediend, o mijn beste, was de machtige Kas'yapa zeer tevreden met de glimlachende vrouw waarop hij vol waardering tot Diti sprak.

(32) Kas'yapa zei: 'Vraag me om welke gunst dan ook, o mijn schoonheid, daar ik, o onberispelijke dame, zeer tevreden over je ben; wat zou er voor een vrouw vol verlangen moeilijk voor elkaar te krijgen zijn als haar echtgenoot het naar de zin heeft? (33-34) De echtgenoot wordt beschouwd als zijnde de verheven godheid waar de vrouw op kan rekenen omdat, in het hart van allen, zich Vâsudeva als de echtgenoot van de Godin van het Geluk ophoudt. Hij, begrepen middels de verschillende gedaanten en namen van de verschillende godheden, wordt als zijnde de Allerhoogste Heer door de mannen aanbeden, alsook door de vrouwen in de vorm van hun echtgenoot [zie ook B.G. 9: 23]. (35) Om die reden hebben gewetensvolle vrouwen achting voor hun echtgenoten, o volslanke dame; en als de echtgenoot van aanbidding en toewijding is wordt hij een man van beheersing die de Superziel vertegenwoordigt. (36) Ik, aanbeden door jou met zoveel toewijding mijn liefste, zal als zijnde zo iemand tegemoet komen aan die verlangens die voor de leugenachtigen niet realistisch zijn.'

(37) Diti zei: 'Als jij voor mij degene bent die de gunsten verleent, o brahmaan, vraag ik jou in dat geval, met mijn twee zoons dood, om een onsterfelijke zoon die in staat is Indra te doden, daar hij degene is die er verantwoordelijk voor is dat de twee ter dood werden gebracht.'

(38) Haar woorden aanhorend was de brahmaan diep bedroefd en weeklaagde hij voor zichzelf: 'Och arme, welk een grote zedeloosheid is mij vandaag ten deel gevallen! (39) Jammer genoeg, ben ik te veel gehecht geraakt aan zinnelijk genot in de gedaante van de vrouw hier aanwezig voor me; met mijn geest corrupt als die in beslag is genomen door mâyâ zal ik voorzeker in de hel belanden. (40) Wat een overtreding is het om in deze wereld naar de pijpen van de vrouw te dansen; omdat ik op die manier de controle over mijn zinnen kwijt ben, ben ik helaas gedoemd niet te weten wat goed voor me is. (41) Haar gezicht is als een bloeiende lotusbloem in de herfst en haar woorden zijn zo aangenaam voor het oor, maar het gekonkel van de vrouw snijdt als een scheermes door het hart van hem die weet. (42) Het feitelijk belang van de vrouwen in relatie tot hun teerbeminde echtgenoot, zoon en broer, bestaat eruit niemand zoveel lief te hebben als de wensen die ze voor zichzelf koesteren; ze zouden zelfs in dat belang een moord plegen of laten plegen.(43) Wat beloofd is is beloofd echter, dat mag geen valse voorstelling van zaken zijn, maar het ter dood brengen van Indra in dat verband kan niet de juiste gang van zaken zijn, daarvoor weet ik iets toepasselijks.'

(44) De machtige Muni aldus in gedachten o afstammeling van Kuru, werd lichtelijk kwaad in het vervloeken van zichzelf en sprak toen. (45) S'rî Kas'yapa zei: 'Je zoon zal, als een vriend van de goddelozen, Indra nazitten o zachtmoedige, mits je terwille daarvan voor de duur van een jaar een gelofte in acht neemt.'

(46) Diti zei: 'Zo'n gelofte neem ik van je aan beste brahmaan, alsjeblieft zeg me wat me te doen staat en wat verboden is en ook wat ik moet doen om niet met de gelofte te breken.'

(47) S'rî Kas'yapa zei: 'Doe geen levend wezen kwaad, vloek noch lieg, knip je nagels en haar niet en raak geen onreine zaken aan. (48) Ga niet het water in om een bad te nemen, maak je niet kwaad en spreek niet met slechte mensen en draag geen vuile kleren of draag ooit een bloemenslinger reeds gedragen. (49) Eet geen kliekjes, noch voedsel waar vlees in zit geofferd aan Kâlî, noch moet je voedsel nuttigen gebracht door een s'ûdra of voedsel waar een vrouw die menstrueert voor heeft gezorgd en drink geen water uit je handen. (50) Ga 's avonds, na het eten, niet uit zonder je gewassen te hebben, met je haren los, zonder sieraden, zonder dat je ernstig bent of zonder je te bedekken. (51) Ga niet naar bed zonder dat je je vuile voeten gewassen hebt noch met je voeten nat, met je hoofd naar het noorden of naar het westen en leg je niet ten ruste met andere vrouwen, naakt of tijdens zonsopkomst of zonsondergang. (52) In schone kleding, altijd gewassen en opgesierd met al wat gunstig is, moet je vóór het ontbijt de koeien en de brahmanen, de Godin van het Geluk en de Onfeilbare de eer bewijzen. (53) Vrouwen met een echtgenoot en zoon moet je eren met het aanbieden van bloemenslingers, sandelhoutpasta en versieringen, en in aanbidding voor je echtgenoot moet je gebeden brengen en mediteren en met hem in je [tijdens de geslachtsgemeenschap of de zwangerschap] moet je dat ook doen. (54) Als je zonder overtredingen vasthoudt aan deze pumsavana gelofte ['van de persoon in het bos'] voor de duur van een jaar, zal er voor jou een zoon zijn om Indra ter dood te brengen.'

(55) Ermee instemmend ontving Diti aldus, o Koning, vol vreugde het zaad van Kas'yapa en leefde ze strikt de gelofte na. (56) O beste koning van respect voor allen, Indra die de voornemens van de zus van zijn moeder door had, ondersteunde, met het oog op zijn eigenbelang, toen Diti door haar van dienst te zijn in de tijd dat ze zich ophield in een âs'rama. (57) Dagelijks bracht hij op de juiste tijd voor haar uit het woud bloemen, vruchten, wortels en hout voor het offervuur alsook bladeren, kus'agras, jonge spruiten, aarde en water. (58) Aldus, o heerser der mensen, met haar gewetensvolle plichtsbetrachting proberend een fout op te merken in haar trouw aan de gelofte, diende Indra haar met bedrog als was hij een jager die zich voordoet als een hert. (59) Maar hij kon geen enkele misser opmerken in haar praktijk en daarop gebrand, o meester van de wereld, vroeg hij toen zich in grote bezorgdheid af: 'Hoe kan het mij nu in deze wereld goed vergaan?' (60) Op een keer echter, beroerde ze, verzwakt door de gelofte, na te hebben gegeten, geen water en waste ze ook haar voeten niet en ging ze, in de war over de regels, naar bed toen de avond viel. (61) Nadat hij de fout opmerkte ging Indra als een meester in de yoga met de macht van zijn mystiek vermogen de baarmoeder binnen van Diti, die zich van niets bewust lag te slapen. (62) Hij sneed de foetus, die er als van goud uitzag, in zeven stukken met zijn bliksemschicht, en sneed ieder huilend stuk in nog weer zeven stukken, ze zeggend dat ze niet moesten huilen. (63) Gepijnigd zeiden ze hem met gevouwen handen: 'O heerser, waarom wilt u ons doden, o Indra, we zijn uw broeders!'

(64) Hij zei toen zijn toegewijde volgelingen, de Maruts: 'Jullie moeten hier niet bang voor zijn mijn broeders.'

(65) Bij de genade van S'rînivâsa [Vishnu als de toevlucht van Lakshmî] ging de vrucht van Diti, die in vele stukken was gesneden door de bliksemschicht, niet dood, net zoals u [mijn beste Parîkchit] niet doodging van het wapen van As'vatthâmâ [zie 1.8]. (66-67) Als een persoon eenmaal de Oorspronkelijke Persoon heeft aanbeden, reikt tot Zijn hoogsteigen natuur, en zo verging het ook Diti na voor bijna een jaar de Heer te hebben aanbeden [zie 5.18: 12]. Door wat Indra deed waren de Maruts er om de fouten van hun moeder ongedaan te maken, en door de Heer werden ze veranderd in soma-drinkers [priesters]. (68) Diti, toen ze wakker werd, zag de kinderen tezamen met Indra stralen zo helder als de god van het vuur. Het was een aanblik die de godin, gezuiverd [door de boete], zeer verheugde. (69) Ze zei daarop tegen Indra: 'Om terreur af te roepen over de Âditya's leefde ik, een zoon verlangend, deze gelofte na die zo moeilijk na te komen is. (70) Ik bad slechts voor één zoon maar het werden er negenenveertig; hoe kon dat zo komen? Zeg het me als je het weet, mijn beste zoon, en lieg me niet voor.'

(71) Indra zei: 'O moeder, toen ik begreep wat uw gelofte was merkte ik, me in uw nabijheid begeven hebbend, een fout op waarop ik, in mijn eigenbelang het zicht verloren hebbend op het dharma, de foetus aan stukken sneed. (72) De vrucht werd in zeven stukken gesneden door mij en toen werden het zeven kindjes; en hoewel ik ieder van hen ook weer in zeven stukken sneed, stierf er geen een. (73) Van dat grote wonder getuige kwam ik toen tot de slotsom dat het een neveneffect moest zijn van uw aanbidden van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (74) Zij die zonder begeerte te koesteren belangstellen in de aanbidding van de Allerhoogste Heer en daarbij nog niet eens de bovenzinnelijke positie verlangen, mag men beschouwen als experts in het verlichte eigenbelang [vergelijk 2.3: 10 en B.G. 9: 22]. (75) Zou een intelligent iemand ook nog maar enige vorm van materiële bevrediging op het oog hebben die men zelfs in de hel kan vinden, nadat hij van het eerbetoon is geweest waarmee Hij, de Heer van het Universum en de meest vertrouwde godheid, Zichzelf aan hem heeft gegeven? [zie ook de S'rî S'rî S'ikshâshthaka] (76) O beste der vrouwen, excuseert u mij alstUblieft een dergelijke dwaas te zijn geweest met deze slechte daad van mij; o moeder, door uw goede geluk kwam het kind in u dat ik ter dood bracht weer tot leven.'

(77) S'rî S'uka zei: 'Met haar tevreden over zijn goede manieren vertrok toen, nadat hij de Maruts en haar de eer bewezen had, Indra met haar permissie naar de werelden van de Heer. (78) Aldus heb ik u alles verteld waar u mij om vroeg wat betreft de goedgunstige geboorte van de Maruts, wat moet ik u nog meer vertellen?'

  

Hoofdstuk 19

De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel

(1) De koning zei: 'O brahmaan ik zou graag vernemen over de door u besproken gelofte genaamd pumsavana waar Heer Vishnu mee wordt behaagd.

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Vanaf de eerste dag gedurende de lichte helft van de maand Agrahâyana [november-december], behoort een vrouw met de toestemming van haar man een begin te maken met deze gelofte die alle verlangens in vervulling zal doen gaan. Voor het ontbijt vernemend over de geboorte van de Maruts en de leringen van de brahmanen aanvaardend, moet ze een bad nemen en haar tanden wit poetsen, haar sieraden opdoen, zich kleden en als volgt de Allerhoogste Heer aanbidden die samen is met de Godin van het Geluk: (4) 'Mogen er al de eerbetuigingen zijn jegens U, o ongenaakbare Heer, wiens wil altijd geschiedt; U, de echtgenoot van Lakshmî Devî, de Meester aller Volmaaktheid, geldt al mijn respect. (5) Als Hij, die van alle genade, weelde, vermogen, heerlijkheid en kracht is o mijn Heer, bent U derhalve van al de goddelijke kwaliteiten de Ene Allerhoogste Meester. (6) O Lakshmî, echtgenote van Heer Vishnu, u bent Zijn energie en hebt al de kwaliteiten van de Allerhoogste Persoonlijkheid, weest alstUblieft tevreden over mij o Godin van het Geluk, o Moeder van de Wereld, moge er alle respectvolle eerbetoon voor u zijn. (7) Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer en Persoonlijkheid van alle Macht, de echtgenoot van die Grootheid aller Weelde met Zijn metgezellen; Hem bied ik mijn offergaven'.

Bij het aldus iedere dag aanroepen van Heer Vishnu met deze mantra moet zij dan met de grootste aandacht offergaven aanbieden bestaande uit giften, lampen, wierook, bloemen, geuren, sieraden, kleding, een heilige draad, water om te baden en water om de handen, voeten en mond te wassen. (8) Vervolgens moet wat overgebleven is van de offerande in het vuur worden geofferd met twaalf uitgietingen Hem als volgt aanroepend: 'O Mijn Heer al mijn respect geldt U als de Ene Allerhoogste, de Grootste Genieter die de echtgenoot van de Godin van het Fortuin is'.

(9) Heer Vishnu en de godin verlenen alle gunsten en vormen tezamen de bron van alle zegeningen; als men al de weelde verlangt behoort men met toewijding dagelijks van aanbidding te zijn. (10) Languit uitgestrekt op de grond [dandavat] moet men in toewijding van het offeren zijn met een geest van overgave tien maal deze mantra opzeggend en dan het volgende gebed zingen: (11) 'Jullie twee zijn inderdaad degenen die het universum in bezit hebben, de Allerhoogste Oorzaak. Deze uitwendige wereld van U is zeker moeilijk te doorgronden en het is moeilijk het innerlijk vermogen te boven te komen. (12) U als de Allerhoogste Persoonlijkheid, U bent haar rechtstreekse Meester, Hij die van alle offers is; deze godin die heerst over al wat ik doe en deze Genieter der Vruchten die U bent aanbidt ik. (13) Voor deze devî als het reservoir van alle eigenschappen bent U daadwerkelijk Hij die vertoont en geniet, de Superziel van al de belichaamden; U bent ondersteuning en de oorzaak van de manifestatie van de naam, de vorm het lichaam, de zinnen en de geest van haar als Lakshmî, de Godin van het Geluk. (14) Mogen, aangezien Jullie beiden de begunstigers en hoogste heersers van de drie werelden zijn, daarom, o Uttamas'loka, o Heer geprezen in de Verzen, mijn grote ambities in vervulling gaan.'

(15) Aldus behoort men tot Vishnu te bidden die met Lakshmî de verblijfplaats is van de godin en alle zegening brengt. Vervolgens moet men na het offeren en het eerbetoon alle dingen van de plechtigheid opbergen en de handen en mond wassen. (16) Dan moet men met toewijding en een geest vol eerbied, de geur van wat overgebleven is van het offer opsnuiven en wederom van aanbidding zijn voor Heer Vishnu. (17) Met die offerandes moet de vrouw, met liefde voor de echtgenoot die dan zelf ook alle gewone en verheven plichten vervult, devoot de geliefde echtgenoot aanvaarden als was hij de Hoogste Persoonlijkheid zelve. (18) Als de echtgenote er niet toe in staat is dat te volbrengen moet de echtgenoot dit met alle aandacht ten uitvoer brengen, daar als zelfs maar één van hen het uitvoert niettemin zowel de man als de vrouw het resultaat zullen genieten. (19-20) Men moet niet met het naleven van deze gelofte aan Heer Vishnu breken om welke reden dan ook; dagelijks moet men op een georganiseerde manier de brahmanen en de vrouwen met hun kinderen de offers met bloemenslingers, sandelhout, voedsel en sierselen van de Godheid vergunnen. Als gevolg van het voor Hem plaatsen vindt men met het laten rusten van de Godheid, etend van wat werd geofferd en zoals het hoort het onder anderen verdelend, zuivering van de eigen ziel en de vervulling van alle wensen. (21) Met de aldus geregelde pûjâ moet na een periode van twaalf maanden, een jaar, de vrouw dan vasten op de laatste dag [de volle maan] van Kârttika [oktober-november]. (22) De volgende ochtend water beroerend behoort in aanbidding van Heer Krishna overeenkomstig de voorschriften van het koken van eten voor een offerande [zoals vastgelegd in de Grihya-sûtra's] als voorheen zoete rijst met ghee gekookt in melk te worden geofferd, waarbij de echtgenoot twaalf keer uitgietingen moet doen in het vuur. (23) Met de toestemming der brahmanen, van wie hij de zegen op zijn hoofd aanvaardde na hen te hebben behaagd met eerbetoon, behoort hij dan in toewijding te eten. (24) Met vrienden en verwanten de spraak beheersend, behoort hij allereerst de leraar van het voorbeeld naar behoren welkom te heten en moet hij vervolgens de echtgenote geven wat er over is gebleven van het offer. Dat zal hem verzekeren van nageslacht en weelde. (25) Deze gelofte volgens de aanwijzing ten uitvoer brengend verwerft een man in dit leven alle zaken die hij verlangde van de Almachtige en is een vrouw dit ten uitvoer brengend in staat alle geluk, weelde, nageslacht, een lang levende man en een goede reputatie en woning te krijgen. (26-28) Ongetrouwd kan ze [naar deze vrata] een echtgenoot vrij van fouten met alle goede eigenschappen krijgen, zonder een echtgenoot of zoon bereikt ze het hemelverblijf; met een overleden kind kan ze er een krijgen die lang leeft, onfortuinlijk zal ze het geluk vinden en welvarend zijn, en lelijk zal ze schoonheid en uitmuntendheid vinden. Een zieke man wordt verlost van zijn ziekte en zal weer een capabel lichaam terug krijgen; dit in eerbetoon reciteren voor de voorvaderen en de goden zal hen beiden zowel als de Heer, de genieter van alle offers, ten zeerste behagen, zodat tevredengesteld zij, na het afronden van de offerplechtigheid, al iemands verlangens in vervulling zullen doen gaan. O Koning, aldus heb ik u uitgebreid verslag gedaan van de grote geboorte der Maruts en de vroomheid van Diti die de gelofte aflegde.  

 

Aldus eindigt het zesde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam.

 

CANTO 7: De Wetenschap van God

 

 

Hoofdstuk 1

De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

(1) De koning zei: 'Hoe kon de Opperheer die geliefd is als een vriend die alle levende wezens gelijkgezind is, o brahmaan, in het ondersteunen van Indra de demonen doden alsof Hijzelf partijdig zou zijn [zie ook B.G. 9: 29]? (2) Van de hoogste verrukking zijnd bestaat er voor Hem voorzeker niet de noodzaak om persoonlijk voorkeur te koesteren voor de verlichte gemeenschap en niet van enige materiële geaardheid, ligt het welzeker niet in Zijn aard om te vrezen voor of te wedijveren met hen die van de duisternis zijn. (3) Zo groot, o heerlijkheid, is in overweging van de kwaliteiten van Nârâyana, de mate van de twijfel die bij ons is ontstaan; zou u deze kunnen wegnemen?'

(4-5) De achtenswaardige rishi zei: 'Wat een uitstekende vraag o grote Koning! Van de wonderbaarlijke handelingen van de Heer, bezongen door hen die voorop gaan in de zeden, de wijzen aangevoerd door Nârada, treft men meer en meer de heerlijkheid en de toewijding aan van Zijn toegewijden. Ik zal al de betreffende onderwerpen aangaande de Heer voor u ter sprake brengen, maar laat me allereerst de grote wijze van Krishna de eer bewijzen [Vyâsa]. (6) Hoewel boven de geaardheden verheven, voorzeker ongeboren en niet gemanifesteerd, gaat de Allerhoogste Heer transcendentaal aan de materiële wereld middels Zijn eigen vermogen binnen in de materiële kwaliteiten en neemt Hij verplichtingen en verantwoordelijkheden op Zich [vergelijk B.G. 9: 11]. (7) De sattva, rajas en tamas daarbij behoren tot het materiële van de natuur en niet tot de kwaliteit van de geestelijke ziel, o Koning, voor het spirituele zelf bestaat er niet het af en aan [dat men normaal gesproken met materiële zaken heeft]. (8) Al naar gelang hun bepaalde tijd vindt men als sattva [goedheid] domineert de deva's en de rishi's [de goden en de wijzen], met het voorop staan van rajas [hartstocht] heeft men de Asura's [de onverlichte zielen] en met tamas [de traagheid] treft men de Yaksha's en Râkshasa's aan [de geesten en de demonen, zie ook B.G. 14: 11-13]. (9) Naar de elementen van het licht en dergelijke die zich voordoen met de verschillend belichaamden kunnen zij die van de kennis zijn vanuit de Superziel vanbinnen onderscheiden wie van hen van onderscheidingsvermogen zijn en wie niet [zie B.G. 10: 10]. (10) Als Hij het zo verlangt om materiële lichamen te scheppen voor de levende wezens manifesteert de Allerhoogste, Hij overwegend in Zijn eigen schepping, de geaardheid hartstocht; verlangend op te treden in verschillende gedaanten is Hij in de geaardheid goedheid en als de Beheerser er aan toe is de zaak af te ronden geeft Hij als zodanig aanzet tot de geaardheid der onwetendheid [zie B.G. 9: 10]. (11) O heerser der mensen, de ware Schepper, Beheerser in Eigen Persoon van de materie en de Toevlucht voor de wezens is de Tijd die door zijn bewegingen conditioneert [zie ook B.G 11: 32]. (12) Het is door enkel deze Tijd dat de Allerhoogste Heer Zijn heerlijkheden wijdverspreid zijn, o Koning, waarbij naar sattva de zekerheid van het aantal der goden wordt beijverd en bijgevolg met hen die overdekt zijn door rajas en tamas zich de vijandigheid voordoet waartoe Hij, als de vriend der verlichte zielen, een eind maakt aan de onverlichten. (13) Dit aangaande werd voorheen met grote vreugde bij de grote offerande van Yudhishthhira op zijn verzoek door de Rishi der Verlichting [Nârada] het volgende verhaal verteld. (14-15) De koning, de zoon van Pându, toen hij gezien had hoe bij de grote offerplechtigheid genaamd Râjasûya de Koning van Cedi [S'is'upâla] zo wonderbaarlijk in de Hoogste Persoonlijkheid Vâsudeva was opgegaan, had als de heerser, met verwondering geslagen, tijdens de plechtigheid het volgende aan Nârada gevraagd die daar met de wijzen luisterend neerzat. (16) Yudhishthhira had gezegd: 'O hoe wonderbaarlijk en voorzeker moeilijk te bereiken voor zelfs de transcendentalisten is die realisatie van S'is'upâla die zich zo schaamteloos gedroeg tegenover Vâsudeva, de Allerhoogste Absolute Waarheid. (17) We willen allen graag weten hoe dit kon gebeuren, o wijze, hoe van het beledigen van de Heer [hij in Hem op kon gaan terwijl] Vena [voor iets dergelijks] de hel in werd gestuurd door de brahmanen [zie 4.14]. (18) Die zondige zoon van Damaghosha koesterde vanaf zijn eerste kindergebrabbel woede jegens Govinda precies zoals ook de kwaadwillige Dantavakra [zijn broer] dat deed. (19) Van de herhaalde overtredingen tegen Heer Vishnu, de hoogste Persoonlijkheid van het brahman [vergelijk B.G. 10: 12], was er bij hen op hun tongen geen witte lepra te bespeuren noch belandden ze in de duisternis van de hel. (20) Hoe konden zij voor ogen van iedereen, zo makkelijk de verzonkenheid [sâyujya-mukti] in de Opperheer vinden wiens natuur zo moeilijk te bereiken is? (21) Wat dit betreft is mijn intelligentie zo wisselvallig als een kaarsvlam flakkerend in de wind; alstublieft, o man van kennis, vertel me meer over de specifieke oorzaak van dit grote wonder.'

(22) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de woorden hoorde van de koning die hem temidden van de vergadering vragen stelde over die geschiedenis, richtte Nârada de grootste der wijzen, erover voldaan, het woord tot hem. (23) S'rî Nârada zei: 'Met de bedoeling beledigingen, lofprijzingen, eer en oneer zonder onderscheid te ondergaan heeft de Allerhoogste van de Primaire Natuur [pradhâna] dit voertuig van de tijd geschapen, o Koning [zie ook B.G. 2: 14, 12: 18-19]. (24) Lijdend onder het verkeerde idee dit lichaam te zijn is er aldus het 'ik' en 'mijn' waarvoor er de roede der bestraffing bestaat, o aardse heerser. (25) Gebonden aan deze valse voorstelling doet de vernietiging van lichamen zich voor als zijnde gelijk aan de vernietiging van levende wezens; als men niet van Hem als de ene die Zijns gelijke niet kent is, is men van de foutieve opvatting, maar hoe kan er ook maar enige schade worden berokkend door Hem, de Ziel van allen, de Verhevene en de Hoogste Beheersing? (26) Derhalve, of men nu van een voortdurende vijandigheid is, van toewijding, bevreesd, vol genegenheid of lustige verlangens is, behoort men, met welke manier van doen ook, zich te concentreren [op de Heer] en naar niets anders om te zien. (27) Een persoon zal met [enkel] een voortdurende vijandigheid niet dat verzonken zijn bereiken dat men aantreft in het verenigd zijn in toewijding, dat is mijn definitieve oordeel. (28-29) Een larve die door een bij in een raat wordt verzorgd mag vervuld zijn van angst en weerzin, maar dankzij die bij bereikt hij dezelfde vorm; zo ook kan men met Krishna, die als de Allerhoogste Heer uit Zichzelf verscheen, als een mens vol zijn van opstandigheid jegens de Allerhoogste, maar als men eenmaal zuivering vond van de zonde, heeft men dat te danken aan het voortdurend aan Hem denken. (30) Van het in lust, weerzin, angst, genegenheid en toewijding hebben van een geest verzonken in het Allerhoogste, hebben velen de zonde opgegeven en daardoor het pad der bevrijding bereikt. (31) De gopî's met hun lustige verlangens, Kamsa uit angst, S'is'upâla en anderen in hun hatelijkheid, vele Koningen door hun verwantschap, Krishna's familie uit genegenheid en u en wij middels de bhakti deden dat ook o Koning. (32) Wie dan ook behalve dan Vena zal op één van deze vijf manieren in respect voor de Oorspronkelijke Persoon, en Tenzij men iemand wil zijn als Vena, die niet op een van deze vijf manieren van respect kon zijn voor de Oorspronkelijke Persoon, moet men dan zijn geest op welke van deze manieren ook richten op Krishna. (33) De zonen van de zuster van uw moeder, S'is'upâla en Dantavakra, o Pândava, waren de twee verheven dienaren van Vishnu [Jaya en Vijaya, zie 3.15-16] die vanwege een vloek van de brahmanen van de voeten wegvielen.'

(34) S'rî Yudhishthhira zei: 'Wie deed dat en wat voor een vloek werd er aangewend; een dienaar van de Heer op die manier overmand klinkt me ongeloofwaardig in de oren, hoe kunnen zij die zo intiem toegewijd tot Hem zijn nu weer opnieuw geboorte nemen [zie B.G. 4: 9 en 8: 16]? (35) Zij die verblijven in Vaikunthha hebben niets te maken met een materieel lichaam, materiële zinnen of een materieel leven, beschrijf alstublieft hoe zij dan gekoppeld konden raken aan een fysiek lichaam.'

(36) S'rî Nârada zei: 'Zo gebeurde het eens dat de zonen van Brahmâ, Sanandana en de anderen, die rondtrokken door de drie werelden, daar op die plaats aankwamen. (37) Er aankomend als jongens van een jaar of vijf, zes, hoewel ze al geboren waren voordat de ouden van het universum er waren [zie 1.3: 6], ontzegden de twee wachters hen de toegang denkend dat ze naakte kinderen waren. (38) En zo werden ze vol van woede door hen vervloekt: 'O, jullie twee onwaardigen, aan de voeten van de Slachter van Madhu is het hoogst zondig niet vrij te zijn van hartstocht en onwetendheid en derhalve, o dwazen, zullen jullie hierna spoedig geboren worden uit de baarmoeder van een onverlichte ziel [zie 3.17]. (39) Aldus vervloekt ten val te komen uit hun verblijfplaats kregen ze van de genadevolle wijzen te horen: 'Moge het zo zijn dat jullie na drie geboorten weer terugkeren naar jullie verblijf'.

(40) Daaropvolgend kwamen de twee als de zonen van Diti ter wereld aanbeden door al de Daitya's en Dânavas als Hiranyakas'ipu de oudste en Hiranyâksha de jongere broer. (41) Hiranyakas'ipu werd door de Heer in de gedaante van een leeuw gedood [Heer Nrisimhadeva] en Hiranyâksha door Hem toen Hij in de gedaante van een everzwijn was verschenen om de wereld op te heffen [Heer Varâha, zie 3.18-19]. (42) Hiranyakas'ipu die het verlangde zijn zoon Prahlâda te doden, de geliefde toegewijde van Kes'ava, wendde verschillende vormen van marteling aan om zijn dood af te roepen. (43) Aangezien zijn zoon beschermd werd door de macht van de Allerhoogste Heer, de Ziel van genade en gelijkheid jegens allen, slaagde hij, met alle machtsvertoon die hij aan de dag legde, er echter niet in hem ter dood te brengen. (44) Vervolgens werden de twee demonen als Râvana en Kumbhakarna geboren uit Kes'inî als de zoons van Vis'ravâ, en waren ze de bron van een hoop ellende voor alle mensen. (45) Om de twee van de vloek te bevrijden manifesteerde daarop Heer Râmacandra zich om hen te doden, maar het is beter om over de avonturen van Râma [zie 9: 10 & 11] te vernemen uit de mond van Mârkandeya, mijn beste. (46) In hun derde geboorte werden de twee [als S'is'upâla en Dantavakra] hier geboren als kshatriya zoons uit de zuster van uw moeder en zijn ze nu bevrijd van de vloek met het vernietigen van hun zonden door de cakra van Krishna. (47) Door in meditatie in een band van acute haat in Zijn nabijheid te komen slaagden de poortwachters van Vishnu er opnieuw in om op te gaan in de essentie van de onfeilbare Heer.'

(48) S'rî Yudhishthhira zei: 'Hoe kon er [bij Hiranyakas'ipu] voor zijn eigen zoon, die grote ziel, nu zo'n haat bestaan; vertel me alstublieft o verhevene hoe Prahlâda zo dicht bij Acyuta [de onfeilbare Heer] kwam te staan.

 

Hoofdstuk 2  

Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

(1) S'rî Nârada zei: 'Toen de broeder [Hiranyâksha] aldus door de Heer in de gedaante van een Everzwijn was gedood [zie 3.18-19] was Hiranyakas'ipu door woede en verdriet zeer van streek, o Koning. (2) Woedend erover op zijn lippen bijtend, staarde hij voor zich uit in de lucht die zwart zag van de laaiende woede van zijn ogen en sprak hij. (3) Met zijn schrikwekkende tanden en verbeten blik vreselijk om te zien hief hij, temidden van een vergadering van de Dânava's, zijn drietand op om met een grimas op zijn gezicht het volgende te zeggen. (4-5) 'O O Dânava's en Daitya's, Dvimûrdha ['tweehoofdige'], Tryaksha ['met drie ogen'] S'ambara en S'atabâhu ['met honderd armen']; Hayagrîva ['met het hoofd van een paard'], Namuci. Pâka, Ilvala en Vipracitti! Pulomâ, S'akuna en alle overigen, luister naar de woorden die ik jullie te zeggen heb en mogen jullie vervolgens allen daarmee in overeenstemming direct, zonder uit te stellen, tot handelen overgaan. (6) Mijn zo zeer geliefde broer en begunstiger werd met die kleinzieligen, de goddelijken, die achter zijn rug samenzwerend van aanbidding waren, gedood door Hari die ons allen gelijkgezind zou zijn. (7-8) Hij heeft Zijn eigen liefde voor ons opgegeven en gedraagt zich nu, abominabel in mâyâ, als een wild beest door als een kind van de ene naar de andere gedaante over te springen zoals Zijn eerbetuigende toegewijden dat maar wensen. Ik zal Hem mijn drietand in de nek steken en Hem in Zijn bloed doen zwemmen ter ere van inderdaad degene [Hiranyâksha] die er zo dol op was het te drinken. Zo zal ik mijn broer behagen en mijn vrede vinden. (9) Als Hij, die meest verraderlijke vijand van allen een kopje kleiner is gemaakt, zal zoals met het uitdrogen van de takken en bladeren van een boom die bij de wortels gekapt is, hetzelfde die gasten van God overkomen wiens leven Vishnu toebehoort. (10) Gaan jullie allen ondertussen naar die wereld zo netjes op orde geharkt door de bestuurders van Brahmâ en zie er op toe dat al die spijtoptanten en opofferingsgezinde boekenwurmen worden vernietigd die naar gelofte schenkingen doen in liefdadigheid. (11) Vishnu die door de tweemaal geborenen zo uitputtend wordt aanbeden, is het offer in eigen persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid perfect volgens het boekje; Hij is die ene toevlucht van religie voor al die goden en wijzen, voorvaderen en al de anderen. (12) Sticht brand waar dan ook de tweemaal geborenen hun koeien houden, hun Veda's bestuderen en zo druk zijn met hun varnâs'rama gedoe; in de hens met al die steden of hak al de bomen ter plaatse om.'

(13) Hem de eer bewijzend namen ze de aanwijzingen van hun meester aan op hun hoofden en terrorisee rden zij, de experts der vernietiging, al de mensen. (14) De steden en dorpen, weidegronden, boomgaarden en tuinen, velden, bossen en mijnen, boerderijen en plaatsen in de bergen, de plaatsen van de koeien zowel als de hoofdsteden, brandschatten zij alle. (15) Terwijl sommigen met toortsen de woonplaatsen in lichterlaaie zetten vernielden anderen met pikhouwelen de bruggen, de omringende muren en de stadspoorten en namen weer anderen voor de vernietiging van het levensonderhoud bijlen ter hand om de vruchtbomen om te hakken. (16) Toen keer op keer de mensen aldus werden verstoord door de volgelingen van de koning der Daitya's, gaven de godsbewusten hun vaste verblijfplaats op en trokken ze, niet meer te zien voor de demonen, rond over gans de aarde. (17) Hiranyakas'ipu, die het kwaad had met het verlies van zijn broer voerde de begrafenisriten uit en maande zijn neven tot kalmte. (18-19) S'akuni, S'ambara, Dhrishthi, Bhûtasantâpana, Vrika, Kâlanâbha, Mahânâbha, Haris'mas'ru en Utkaca alsook hun moeder Rushâbhânu en Diti, zijn eigen moeder, sprak hij toe in beleefde termen, o heerser der mensen, als een goed aangepast persoon het volgende zeggend.

(20) Hiranyakas'ipu zei: 'O moeder, moeder, o schoonzus, o neven, jullie verdienen het niet te moeten weeklagen over onze held der verlichting die de vijand tegemoet tredend de meest glorieuze dood verkoos. (21) Van al de levende wezens die in deze wereld bijeen leven gelijk reizigers die zich verdringen rondom een pleisterplaats, o mijn lieve moeder, worden zij die door goddelijke voorbeschikking zijn samengebracht op één plaats naar gelang hun karma ieder een eigen kant opgestuurd. (22) De eeuwige, onuitputtelijke ziel, vrij van de smet der materie, is in staat zich naar overal te begeven; alles wetend en transcendentaal neemt die ziel het zelf op van een lichaam dat hem onder de invloed van de materiële wereld een verscheidenheid aan kwaliteiten bezorgt [zie B.G. 13: 22]. (23) Net zoals gereflecteerd in het water zich de bomen bewegen, lijkt het ook in geval van een optische illusie zo te zijn [zoals met hitte b.v.] dat de grond beweegt. (24) Dienovereenkomstig brengt de aanhangende geest, die in de war is door de geaardheden der materie, op dezelfde manier het onveranderlijke levende wezen van streek, o moeder van mij, er voor zorgend dat het wezen ondanks zijn vormeloosheid er in gaat geloven dat hij bij die lichaamsvorm hoort. (25-26) Deze ziel, die in de praktijk zo in de war is over het vormeloze van zijn bestaan, raakt verliefd op het lichaam en heeft geliefden en vijanden, bondgenoten en vreemdelingen in zijn karma met de materiële aangelegenheid. geconfronteerd met geboren worden en dood gaan, zich op verschillende manieren beklagend en behept zijnd met een gebrek aan onderscheid over wat de geschriften zeggen, is hij vol van zorgen en met name vergeetachtig wat betreft het juiste onderscheid. (27) In dit verband haalt men vaak een oude geschiedenis aan van Yamarâja in discussie met de vrienden van een overledene. Luister goed. (28) Er was er eens een koning in Us'înara die bekend stond als Suyajña en door zijn vijanden in de strijd was gedood. Zijn verwanten zaten om hem heen. (29-31) Met zijn kostbare wapenrusting her en der en zijn sierselen en bloemenslingers op de grond gevallen, lag hij daar in zijn eigen bloed doorboord door de pijlen door zijn hart. Met zijn loshangende haar en zijn vertroebelde ogen had hij van woede doorbeten lippen, zat zijn lotusgezicht onder het stof en lagen zijn armen en wapens afgehakt op het slagveld. Toen de koninginnen zich ervan overtuigden dat de meester van Us'înara aldus door de voorzienigheid aan stukken dood was, waren ze in tranen en sloegen ze met hun handen zich onophoudelijk op de borst, telkens weer jammerend 'O, echtgenoot', neervallend aan zijn voeten. (32) Hardop huilend over hun geliefde man bevochtigden ze de lotusvoeten met de tranen rood van de kunkuma van hun borsten en met hun sieraden en haar losgeraakt weeklaagden ze hartverscheurend, zielig huilend:

(33) 'Helaas, door de genadeloze voorzienigheid bent u o Heer van ons, o geliefde, aan ons gezicht onttrokken; de staat en de bewoners van Us'înara voorzag u voorheen in hun levensonderhoud, maar nu het met u is afgelopen bent u de oorzaak van een toename van hun weeklagen. (34) U was voor ons allen zo'n dankbare echtgenoot o Koning, hoe kunnen wij en uw gevolg nu zonder u leven; u die onze beste vriend bent, zeg ons waar zij, die van dienst waren aan uw lotusvoeten, u naartoe moeten volgen nu u ons verlaten hebt.' (35) De koninginnen aldus weeklagend, hadden de overleden echtgenoot op hun schoot genomen, het niet wensend dat het lijk zou worden begraven. Ondertussen ging de zon onder in het westen. (36) Yamarâja die de nabestaanden van de heerser zo luidkeels hoorde weeklagen kwam toen in eigen persoon in de gedaante van een jongen naar hen toe om tot hen te spreken.

(37) S'rî Yamarâja zei: 'Hoe jammer om deze oudere mensen zo verbijsterd te zien. Zien ze de wet van de natuur niet iedere dag heersen? Naar dezelfde natuur als waar deze man naar terugkeerde zullen zij ook zelf terugkeren. Niettemin huilen ze er maar wat op los! [vergelijk B.G. 2: 28]. (38) Helaas gaan we ervan uit dat, omdat we op het moment het zonder de bescherming van onze ouders moeten stellen, we ons, zwak als we zijn, geen zorgen hoeven te maken dat we door de roofdieren worden verslonden, ervan uitgaande dat Hij die ons beschermde in de baarmoeder ons zeker ook daarna zou beschermen. (39) O arme dames, de Allerhoogste Beheerser schept naar eigen wilsbesluit dit alles waarbij Hij hetzelfde blijft, en het is Hij die zonder twijfel eveneens handhaaft en vernietigt; alles wat beweegt en niet beweegt is, zo zegt men, als speelgoed voor de Heer die te allen tijde er toe in staat is iets te behouden of er een eind aan te maken. (40) Iets op straat verloren kan, door het lot beschermd, worden behouden ook al blijft men thuis, en kan, zo God het wil, voor hetzelfde geld verloren gaan; ondanks dat men niet beschermd is kan men onder Zijn bescherming in leven blijven of men nu thuis is of in het woud verblijft, maar deze die hier geveld ligt heeft het, goed beschermd, niet overleefd. (41) Allen die belichaamd zijn hebben hun eigen soort van geboorte overeenkomstig hun karma en verdwijnen in de loop van de tijd ook weer als gevolg van hun karma; maar dit alles gaat niet op voor de ziel ook al is die dan, zich bevindend in deze materiële wereld, in uiteenlopende gedaanten gebonden aan haar verschillende geaardheden. (42) Dit lichaam van de persoon geboren uit onwetendheid bestaat net zo afzonderlijk van hem als de materie van een huis afzonderlijk bestaat ten opzichte van zijn bewoner; op de zelfde manier staat de mens ook los van het lichaam waarin hij met water, aarde en vuur zijn geboorte nam en dat, van vorm veranderend met de tijd, ook weer teloor gaat. (43) Net als vuur in hout afzonderlijk kan worden waargenomen, net zoals de lucht binnenin het lichaam zijn afzonderlijke positie inneemt, net zoals de alles doordringende ether bij zichzelf blijft, zo staat ook het levend wezen los van zijn materiële omhulsel met zijn geaardheden. (44) [Het lichaam van] hem hier [genaamd] Suyajña ziet u recht voor u en over hem, o dwaze mensen, zit u te huilen, maar hij die ermee luisterde en sprak in deze wereld hebt u nooit kunnen waarnemen! (45) Alhoewel zich bevindend in dit lichaam is de grote heerser van het lichaam, de levensadem, niet de toehoorder, noch de spreker; de ziel staat los van hem, de levensadem, die is opgesloten in dit lichaam met al zijn zinsorganen. (46) De ziel van beheersing reikt tot, en geeft ook weer op, hoogwaardige en lager geklasseerde lichamen die zich gekenmerken door de vijf elementen, de zinnen en de geest, en in die bezigheid verschilt hij [als de z.g. linga, als het subtiele lichaam], bij de genade van zijn eigen geestelijke vermogen, inderdaad van dat wat hij aanneemt [zie tevens 4.29]. (47) Zolang men van baatzuchtig handelen is wordt men overdekt door het subtiele lichaam [de linga bestaande uit de geest, de intelligentie en het valse ego]; van die gebondenheid is er de omkering [van de controle van de ziel naar die van het lichaam] en de misère volgend op het zich vereenzelvigen met het illusoire van de materie [B.G. 8: 6]. (48) Net zoals met het waarnemen en praten in een dagdroom is het vasthouden aan het feitelijke van de geaardheden der natuur zinloos: alles wat de zintuigen in een droom produceren is vals. (49) Het is om die reden dat het hebben van zowel het eeuwige als het tijdelijke in deze wereld niet iets is waarover zij die van de kennis zijn zich beklagen, want anders, zoals u wel begrijpt, zou het niet mogelijk zijn iets te beginnen met hen die hier wel over treuren [zie ook B.G. 2: 11]. (50) Een jager in het bos die was opgedragen de vogelstand uit te dunnen, spreidde een net en lokkend met voedsel hier en daar ving hij ze dan. (51) Hij zag daar toen een paartje kulinga vogels voedsel zoeken en toen de jager het vrouwtje lokte werd ze bij verrassing gedood. (52) O koninginnen, het mannetje dat zag hoe ze in de touwen van het net gevangen van het leven werd beroofd, was zeer verdrietig en uit genegenheid, niet in staat ook maar iets te doen, begon het arme beestje te weeklagen over zijn wijfje: (53) 'Och arme, hoe wreed is het lot, de Almachtige van Genade, voor mijn wijfje, hoe akelig, wat anders dan gejammer kan ik opbrengen voor mijn arme liefje? (54) Naar Zijn believen mag Hij ook mijn leven nemen, wat, voor God, heeft mijn helft van het lichaam nu werkelijk voor een zin, wat een ellendig bestaan om voor de rest van je leven onder die pijn te moeten lijden! (55) Hoe onfortuinlijk zijn mijn kindjes er aan toe, wachtend op hun moeder in hun nest? Hoe kan ik de jongen nu in leven houden die nog niet kunnen vliegen, nu ze beroofd zijn van hun moeder?' (56) Met de vogel die met zijn ogen nat aldus op een afstand zeer verdrietig zat te jammeren over het verlies van zijn geliefde, slaagde de onversaagde jager erin hem te besluipen en uit het leven te helpen door hem met een pijl te doorboren.

(57) Zo, o onwetenden, is het met u ook gesteld als u niet de eindigheid van uw bestaan inziet; weeklagen over uw echtgenoot zal hem in nog geen honderd jaar terugbezorgen.'

(58) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'De jongen aldus filosofisch uitleg gevend deed de harten van al de familieleden versteld staan en ze hielden alles wat het oog ook maar kan ontwaren voor slechts tijdelijk [zie ook B.G. 2: 18]. (59) Yamarâja, nadat hij in deze gedaante uitleg had verschaft, verdween hij toen vandaar, waarop de verwanten van Koning Suyajña toen deden wat moest worden gedaan voor de begrafenis. (60) Dus, wat valt er nu voor u te klagen? Of het u nu toebehoort of aan iemand anders, of het nu uzelf betreft of anderen, in deze materiële wereld is het idee dat men heeft van zichzelf en van anderen het resultaat van de preoccupatie met het lichaam in combinatie met een gebrek aan kennis over dat wat belichaamd is.'

(61) S'rî Nârada zei: 'Diti en [Rushâbhânu,] de vrouw van de overleden broer, die de toespraak van de koning der Daityas hadden gehoord, gaven prompt hun grote droefenis op en zetten hun harten naar de ware filosofie van het leven.'

 

Hoofdstuk 3  

Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

(1) S'rî Nârada zei: 'Hiranyakas'ipu, o Koning, verlangde het onoverwinnelijk te worden, vrij van ouderdom en zelf onsterfelijk, de ene koning zonder rivalen of tegenstanders. (2) In een vallei bij de Mandara Heuvel volbracht hij een uiterst moeilijke boetedoening waarbij hij zijn armen ten hemel ophief naar boven starend in de hemel en hij met de grote tenen van zijn voeten op de grond stond. (3) Voortkomend uit het haar op zijn hoofd was er een licht helder als een supernova en door de straling ervan werden al de goden in hun boetepraktijken teruggedreven naar hun eigen plaatsen. (4) Teweeggebracht door zijn zware boete, met rook zich zijwaarts, naar boven en naar beneden verspreidend, verhitte het al de werelden. (5) De rivieren en oceanen waren in beroering, de eilanden en bergen en de aarde schudden en de sterren met hun planeten vielen met het in lichterlaaie staan van al de tien windrichtingen. (6) Daardoor geschroeid gaven de halfgoden hun verblijfplaatsen op en begaven ze zich naar de plaats van Heer Brahmâ om hun leider te melden: 'O Meester van het Universum door de boetedoening van de Daitya koning zijn we allen aangetast en niet langer in staat onze posities in de hemel te behouden. (7) Alstublieft, als u het goed dunkt, zouden we hier graag een eind aan gemaakt zien, o Grootheid, of anders zijn allen gehoorzaam aan uw aanbidding verloren. (8) Sla acht op dit voornemen van hem in zijn uitvoer van de zo moeilijke boete-oefening; wat zou u ook niet bekend zijn - maar niettemin zouden we dit graag aan u voorleggen: (9-10) 'Heer Brahmâ, die door verzaking verzonken in de yoga de bewegende en niet-bewegende wezens schiep [zie 3.8], heeft zijn troon in al de werelden hoog en laag en daarom zal ik dankzij een zelfs nog ernstiger boetedoening verzonken in de yoga, vanuit het eeuwige van de tijd en de ziel, voor mezelf evenzoveel bereiken. (11) Ik zal met mijn kracht deze wereld op zijn kop zetten en opnieuw instellen wat men nu onbehoorlijk noemt; wat is het nut van al die andere praktijken van de volgelingen van Vishnu, per slot van rekening gaan ze allemaal ten onder.' (12) Van deze aard, zo ontdekten wij, is zijn overtuiging vanuit zijn buitensporige boete; onderneem alstublieft, in uw eigen belang, de nodige stappen, o meester van de drie werelden. (13) Het is uw positie om de allerhoogste meester in het universum te zijn ter wille van het betere en verhevene van de tweemaal geborenen en de koeien, de verlossing en de weelde, het welzijn en de overwinning.

(14) Aldus op de hoogte gesteld door de goddelijken begaf de meest machtige, geboren van de lotus, o Koning, in het gezelschap van Bhrigu, Daksha en anderen zich naar de plaats van boete van de heer der Daityas. (15-16) Overdekt door een mierenheuvel, gras en bamboe, met zijn vet, huid, vlees en bloed weggevreten door de mieren, kon hij niet worden opgemerkt, maar hij die de zwaan bereed lachte met verwondering toen hij zag hoe door zijn boete het verhitten van al de werelden versluierd was zoals de zon versluierd wordt door wolken. (17) Heer Brahmâ zei: 'Alstublieft kom tevoorschijn, kom tevoorschijn, o zoon van Kas'yapa, al het goede zij u toegewenst die zo volmaakt bent in uw boete, ik, de toekenner van gunsten ben gekomen, laat wat u van me verlangt mijn zegen zijn. (18) Ik heb persoonlijk gezien hoe groot uw volharding is en hoe verwonderlijk het is dat iemand wiens lichaam is weggevreten door de wormen en de mieren er in geslaagd is zijn levensadem binnen zijn gebeente te behouden. (19) Er is nog nooit zoiets volbracht door de wijzen vóór u, noch zal er ook maar iemand na u in slagen; wie o wie zou zonder water te drinken zijn levensadem in stand kunnen houden voor meer dan honderd hemelse jaren [36.000 jaar]? (20) O zoon van Diti, door uw besluit een vorm van boete te doen die zelfs voor de grootste heiligen zeer moeilijk is, hebt u mij voor u gewonnen. (21) Daarvoor zal ik u alle zegeningen vergunnen, o beste der Asura's, de opwachting van iemand voorbestemd te sterven zoals u bij een onsterfelijk iemand als ik zal zeker niet vruchteloos blijken.'

(22) S'rî Nârada zei: 'Aldus sprekend sprenkelde de oorspronkelijke godheid en het eerste levende wezen van het universum, goddelijk, alvermogend en onfeilbaar water vanuit zijn kamandalu [waterpot] over het door de mieren opgegeten lichaam. (23) Daarvan herstelde hij, vanuit zijn mierenheuvel en zijn bamboe, zich volledig qua geest, zinnen en kracht in al zijn leden; hij verhief zich, als vuur tevoorschijn springend uit brandhout, met een jong lichaam zo sterk als een bliksemstraal dat een luister had van gesmolten goud. (24) Toen hij de god recht voor zich zag in de hemel op de zwaan die hem droeg, bracht hij, zeer verheugd Heer Brahmâ te ontmoeten, hem met zijn hoofd naar de grond zijn eerbetuigingen [vergelijk B.G. 9: 23-24 en 2.3: 10]. (25) Toen hij weer overeind komend met zijn eigen ogen de Almachtige aanschouwde begon hij, overweldigd door een jubelstemming, met tranen in zijn ogen en zijn haren overeind met gevouwen handen en een haperende stem, nederig te bidden. (26-27) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Aan het einde van zijn dag als hij onder de invloed van de tijd is overdekt door de hechte duisternis der onwetendheid, wordt door de eigen gloed van de stralen van zijn lichaam deze kosmische schepping gemanifesteerd. Deze wereld wordt door hemzelf èn gestuurd door de drie geaardheden van rajas, sattva en tamas [hartstocht, goedheid en onwetendheid], geschapen, gehandhaafd en vernietigd. Mijn respectvolle eerbetuigingen aan die bovenzinnelijke en allerhoogste Heer. (28) Mijn respectvolle eerbetoon voor het oorspronkelijke levende wezen, het zaadbeginsel van de schepping, de kennis en de wijsheid; voor de godheid van de levenskracht, de zinnen, de geest en de intelligentie, die door zijn werken de schepping tot stand bracht. (29) Aan u is de feitelijke heerschappij over de bewegende en de niet-bewegende wezens; met de levenskracht bent u de bron van alles wat er gebeurt en de oorspronkelijke bedenker en bron van inzicht voor allen die in leven zijn; de grote meester van de zintuigen van waarnemen en handelen bent u, de beheerser van alle verlangen, de materiële elementen en hun kwaliteiten [vergelijk B.G. 7: 7]. (30) Door uw lichaam van de drie Veda's verspreidt u de zeven soorten van plechtigheden [beginnend met de agnishthoma-yajña] van de vier soorten van priesters [bekend als hotâ, adhvaryu, brahma en udgâtâ] en de benodigde kennis; u bent die ene ziel van alle vormen van leven zonder een aanvang en zonder een eind; de allerhoogste inspirator en het Ware Zelf vanbinnen. (31) Zonder er zelf door aangedaan te zijn, bent u waarlijk de Tijd die eeuwig waakzaam is en de levensduur bekort van alle wezens met ieder van zijn segmenten; van deze materiële wereld bent u het Grote Zelf en de ongeboren Allerhoogste Beheerser zowel als de essentiële oorzaak van het leven. (32) Er is niets wat onafhankelijk van u bestaat, of het nu hoger ontwikkeld is of zelfs maar lager, beweegt of niet beweegt, terwijl de kennis in al zijn geledingen het verschil uitmaakt van de uiteenlopende kenmerken van uw lichaam; u bent die Ene groter dan de grootste, verheven boven de drie geaardheden, die het universum in zijn buik houdt. (33) Zich bevindend in uw verblijf geniet u ongezien, als de Allerhoogste, de Ziel en de oudste persoon het gemanifesteerde, o Almachtige, deze kosmische manifestatie die het uitwendige van u vormt waarvan we de zinnen, de levensadem en de kwaliteiten hebben. (34) Door deze onbegrensde, onvoorstelbare, gedaante van u is er dit geheel van alles bij elkaar wat zich uitbreidde met zijn materiële en spirituele vermogen; hem aldus toegerust, hem die Allerhoogste Meester van God, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(35) Als u bereid bent mij de gunst die ik verlang te verlenen, o schenker van alle genade, laat het dan, o mijn Heer, zo zijn dat ik door geen van de wezens door u geschapen de dood zal vinden. (36) Noch thuis noch daarbuiten, niet gedurende de dag noch gedurende de nacht, noch van enige andere god zelfs of door enig bekend wapen, noch op de grond noch in de hemel mag ik sterven. (37-38) Levenloze dingen noch levensvormen, halfgod noch demon en ook de grote serpenten mogen me niet doden; ik moet geen rivalen hebben, het overwicht hebben in de strijd en de heerschappij hebben over alle belichaamden met inbegrip van de goden van alle leefwerelden; aan mij de glorie gelijk die van u en nimmer mogen de verworvenheden verkregen door de boete in yoga worden verslagen.'

 

Hoofdstuk 4

Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

(1) S'rî Nârada zei: 'Heer Brahmâ die zijn ogen overal heeft, aldus verzocht, verleende verheugd over Hiranyakas'ipu's boetedoeningen, hem de gunsten die zo zelden worden verworven. (2) Heer Brahmâ zei: 'Mijn zoon, al de gunsten waar je om vroeg worden door mensen zelden van mij verkregen, maar niettegenstaande het feit dat deze zegeningen normaal niet beschikbaar zijn, zal ik ze jou toekennen, mijn beste.'

(3) Aanbeden door de meest verheven asura als de Almachtige, geprezen door alle heersers over de mensheid, vertrok daarop de machtige Heer, wiens genade geen fouten kent,  (4) De Daitya die aldus zijn felbegeerde wens toegekend zag en een lichaam had gekregen dat straalde als goud, hield er een niet aflatende geest van haat op na tegen de Heer die zijn broer had gedood. (5-7) Hij, de grootste asura, die alle plaatsen hoog, laag en ertussen in alle windrichtingen veroverde, bracht de meesters over alle werelden onder zijn controle: god, demon en mens, de koningen, de hemelbewoners, de reciteerders der verzen en de slangachtigen, die van de volmaaktheid, van cultuur en van de kennis, de heiligen, de leidende voorvaderen, de stamvaders, de boze geesten, de wildemannen en de gekken, de doden en de geesten en hun leiders; als de veroveraar van de wereld eigende hij zich de macht toe van alle autoriteiten waar dan ook. (8) In het paradijs der goden verkerend in de rijkdom van alle weelde, leefde hij in de hoogste wereld, in het paleis van de koning der hemelen zoals voorzien door Vis'vakarmâ de grote asura architect zelve, in de hemel van Lakshmî, macht uitoefenend over alle welvaart van de wereld. (9-12) Aldaar waren de traptreden van koraal, de vloeren van smaragd, de muren van kristal en de rijen pilaren vervaardigd uit vaidûrya. Er waren daar ook de mooiste banken en zitplaatsen overdekt met robijnen en het beddengoed was zo wit als melkschuim met parels op hun kanten. In de vertrekken, links en rechts, behangen met juwelen en edelstenen, maakten de hemelse dames lieve geluidjes met het getinkel van hun enkelbelletjes en lieten ze hun fraaie gebitten zien met hun prachtige gezichten. In dat koninklijk verblijf met de grootste macht en geest heersend met een verschikkelijke repressie, genoot de alleenheerser die iedereen in zijn greep had, van de aanbidding van de godvrezende hofhouding aan zijn voeten. (13) Hij, o mijn beste, die alle verzaking, yoga, kracht en zin in zich besloten had, en die, behalve dan van de drie belangrijkste godheden, eerbewijzen ontving uit handen van alle belangrijke persoonlijkheden, was in werkelijkheid bedwelmd door sterk geurende wijnen, waarbij zijn ogen rood als koper in hun kassen rolden.(14) Op de zetel van Indra verheerlijkt door Vis'vâvasu, Tumburu [de grootste Gandharva's] en ook door mij, werden keer op keer gebeden opgedragen door al de zangers en de meisjes van de hemel, de volmaakten, de heiligen en zij die van de kennis zijn, o zoon van Pându. (15) En hij, feitelijk met giften in overvloed vereerd door alle klassen en leeftijdsgroepen, reserveerde in zijn machtsuitoefening ieder deel van de gebrachte offers voor zichzelf. (16) Alsof ze de koe van overvloed zelve was, bracht onder zijn bewind moeder aarde in alle werelddelen spontaan overvloedige oogsten op, terwijl in de hemel alle wonderen van het universum konden worden waargenomen. (17) De zeeën en oceanen van zout en zoet water, wijn, ghee, suikerrietsap, yoghurt en melk, en hun echtgenotes de rivieren eveneens, voerden allerlei soorten van kostbare gesteenten mee in hun golven. (18) De valleien tussen de bergen en heuvels waren zijn lustoorden die gedurende alle seizoenen al het goede van plant en boom te bieden hadden; hij in zijn eentje stond voor al de verschillende kwaliteiten van al de verschillende goden. (19) Aldus in alle windstreken alles en iedereen aan zich onderworpen hebbend en als de enige echte heerser genietend van alle denkbare geneugten, was hij met het verlies over de beheersing zijner zinnen echter niet ingenomen. (20) Bedwelmd in grote trots over zijn verworvenheden verstreek aldus een lange periode van leven in overtreding met de geschriften en kon de vloek der brahmanen tegemoet worden gezien [zie ook B.G. 16: 23-24].

(21) Door zijn pijnlijke reprimandes verstoord was er voor al de werelden en hun leiders geen plaats waar ze nog veilig waren en aldus benaderden ze de Onfeilbare om bij Hem hun toevlucht te zoeken [vergelijk B.G. 5.: 29]. (22-23) Daartoe baden ze: 'Mogen er onze eerbetuigingen zijn in die richting waarin de Superziel van Hari, de Hoogste Beheerser wordt gevonden en vanwaar, Hem benaderend, de vreedzamen, de verzakers en de zuiveren nimmer terugkeren.' Met hun geesten op die manier beheerst bestendigden en zuiverden ze hun intelligentie, waarbij ze, slechts van de lucht levend in hun eerbetoon voor de Meester der Zinnen, zich geen slaap gunden.

(24) Voor hen allen verscheen toen een luid weerklinkende stem zonder een gedaante die, hun angst verdrijvend, de deugdzamen beroerde tot in hun diepste wezen: (25-26) 'Vreest niet, o besten der wijsheid, u zij alle goede geluk toegewenst. Ik ben er inderdaad opdat alle levende wezens het goede mogen bereiken. De kwalijke handelingen van deze grote duivel zijn Me bekend en Ik zal ze een halt toeroepen, daar kan u op rekenen. (27) Als men zich keert tegen de goden, de Veda's, de koeien, de brahmanen, de heiligen, de regulerende beginselen en tegen Mij, zal men zeer spoedig het onderspit delven. (28) Zo gauw hij gewelddadig optreedt jegens zijn vredelievende zoon die geen vijanden heeft, die grote ziel, Prahlâda, zal Ik hem ter dood brengen, welke zegeningen hij ook ontvangen moge hebben [zie ook 3.25: 21].'

(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus toegesproken door de geestelijk leraar van allen, gingen de goddelijken, Hem hun eerbetuigingen brengend, bevrijd van al hun angsten terug en beschouwden ze de asura zo goed als gedood [2.3: 10]. (30) Van hem, de Daityakoning waren er vier hoogst gekwalificeerde zoons van wie degene die de naam Prahlâda droeg de grootste was met al de kwaliteiten van een grote toegewijde [zie 5.18: 12]. (31-32) Als een goede brahmaan met zijn zinnen en geest in bedwang had hij al het talent het Absolute van de Waarheid te doorgronden. Net als de Superziel was hij de meest geliefde, beste vriend van alle levende wezens, als een onbeduidend dienaar was hij altijd horig aan de voeten van de groten, gelijk een vader was hij de armen toegenegen, gelijk een broeder was hij voor zijns gelijken, vol van liefde was hij voor de geestelijk leraren die hij zo hooghield als de Allerhoogste Beheerser Zelve; hij was van scholing, zingeving, schoonheid, edelmoedigheid en volledig vrij van hoogmoed en aanmatiging [vergelijk B.G. 12: 13.19 en B.G. 18: 42]. (33) Hoewel geboren uit een asura had hij in gevaarlijke situaties steeds een onverstoord bewustzijn en was hij verstoken van enig verlangen met wat gehoord en gezien wordt [met de Vedische kennis]; zaken behorende tot de geaardheden der materiële natuur beschouwde hij als niet-essentieel en de zinnen en de levenskracht beheersend, had hij de lusten van zijn lichaam en geest steeds onder controle; hij was volledig vrij van de demonische aard. (34) De eigenschappen die hij heeft worden, net zoals die men aantreft in de Allerhoogste Heer onze Beheerser, door de gevorderden altijd verheerlijkt als zijnde de grootste, o Koning, en niet zozeer de kwaliteiten waar men heden ten dage zo over in de war is [in Kali-yuga]. (35) In bijeenkomsten ter ere van de heiligheid zouden zelfs de goddelijken van vijandschap [jegens het asurische], o heerser der mensen, hem tot voorbeeld nemen; waarom dan niet u of anderen? (36) Het grootse van de talloze kwaliteiten van hem die bekend staat om zijn natuurlijke gehechtheid aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, gaat alle beschrijving te boven. (37) Als kleine jongen alle kinderspel opgegeven hebbend leek het of hij lusteloos was, zoals hij met zijn geest volledig verzonken was in de wereld van Krishna; geheel van die aantrekking zijnd had hij geen belangstelling voor wereldse zaken. (38) Zoals hij neerzat en rondliep, at en rustte, dronk en sprak, drong, gekoesterd door Govinda, alles wat zich daarbuiten afspeelde niet tot hem door. (39) Soms huilde hij denkend aan Vaikunthha, soms lachte hij over de gekkigheid van het denken en bij tijden was hij blij met Hem in gedachten zeer luid aan het zingen. (40) Soms riep hij het vol van bezorgdheid uit, dan weer danste hij zonder schaamte en soms, verloren in gedachten over Hem, deed hij Hem na in het idee Hem te zijn. (41) Bij tijden met zijn haren overeind en met zijn half gesloten ogen gevuld met tranen, viel hij volledig stil, overmand door vreugde gevangen in Zijn liefdevolle associatie van bovenzinnelijke verrukking. (42) Hij, door zijn voortdurende dienst aan de lotusvoeten zoals verheerlijkt in de hymnen, verkreeg door het uitbouwen van zijn associatie in de bevrijde staat de hoogste extase, waarbij hij zonder ophouden vanuit de geestelijke ziel vrede schonk aan hen die het ontbrak aan geest en omgang. (43) Jegens hem, die verheven en meest fortuinlijke ruimhartige toegewijde, o Koning, die zijn eigen zoon was, beging Hiranyakas'ipu de grootste zonde.'

(44) S'rî Yudhishthhira zei: 'O heilige van God die bij het beste zweert, we zouden graag het volgende van u willen weten: hoe kon de vader zijn eigen zoon, zo een heilige van zuiverheid en goedheid, het zo moeilijk maken? (45) Zoons die tegen de wil van hun vaders ingaan worden uit liefde terecht gewezen. Terwille van hun onderricht, kunnen ze toch niet als een vijand worden afgestraft, is het wel? (46) Alstublieft o brahmaan, verdrijf de twijfels die we hebben wat betreft deze vader die zo ongemeen op de dood af hatelijk was jegens zijn eigen zo gehoorzame zoon, een grote toegewijde van het soort dat zijn vader eert als zijn goeroe, o meester.'

 

Hoofdstuk 5  

Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

(1) S'rî Nârada zei: 'Om als hun priester op te treden werd door de Asura's de machtigste die er was, S'ukrâcârya ['de belangrijkste leraar'], gekozen. Zijn twee zoons Shanda en Amarka leefden in de buurt van waar de Daitya koning zijn verblijf had. (2) De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed op de hoogte was van de morele richtlijnen, naar hen toe om tezamen met andere asura kinderen zich de leerstof van de boeken der materiële kennis eigen te maken. (3) Luisterend en herhalend wat de leraren onderwezen over wat allemaal moest beschouwd worden als zijnde het goed en kwaad van jezelf en van anderen, vond hij dat het een slecht staaltje filosofie betrof. (4) Toen eens de asura despoot zijn zoon op zijn schoot zette, o zoon van Pându, vroeg hij: 'Vertel me mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?'

(5) S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'O heiligste excellentie der Asura's, ik denk dat allen die een lichaam hebben, vanwege het feit dat ze het tijdelijke voor het ware aanzien, een intelligentie hebben die altijd vol van zorgen is; met het opgeven van die versluiering van de ziel, dat huishoudelijk belang wat niets anders is dan een overwoekerde put, kan men er beter zeker van zijn het bos in te gaan en zijn toevlucht te zoeken bij de Heer.' 

(6) S'rî Nârada zei: 'De Daitya die hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte over de intelligentie van de kleine jongen en hield het erop dat hij door een verkeerde mentaliteit was beïnvloed:  (7) 'Laat deze jongen maar beter beschermd zijn op school zodat zijn intelligentie vrij blijft van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich anders voordoen dan ze zijn.' 

(8) Teruggebracht naar die plek [de guru-kula], riepen de Daitya priesters Prahlâda bij zich en ondervroegen ze hem, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden. (9) 'Lief kind, Prahlâda, het beste zij je toegewenst, vertel ons de waarheid en lieg niet, welke van de andere kinderen hebben je deze verkeerde manier van denken bijgebracht? (10) Zeg ons, kwam deze tegendraadse zienswijze van kwaadwilligen of was het iets van jezelf; wij, al je leraren branden van verlangen hier achter te komen, o beste van de familie.' 

(11) S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van goed en kwaad is iets dat hoort bij mensen die van een materiële levensovertuiging zijn; denkend over wat men ziet is men eenvoudigweg begoocheld door het uiterlijke dat door Hem geschapen is, de Allerhoogste Heer die ik mijn respect betoon [zie ook B.G. 5: 18]. (12) Als Hij tevreden is over de persoon is het dierlijk begrip van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van iemand anders en het 'ik' van jezelf teniet gedaan. (13) Van Hem, deze Superziel kunnen zij, wiens intelligentie en dienstverlening is bedorven door de 'Ik' en 'gij' manier van denken, zich zeer moeilijk verzekeren; zij, die van Brahmâ [hier: de valse leraren], van wie de navolgers op het vedisch pad in de war zijn, hebben inderdaad mijn intelligentie tegenover zich geplaatst. (14) O brahmanen, net zoals ijzer uit zichzelf beweegt in de nabijheid van een magneet is dienovereenkomstig mijn intelligentie simpelweg bepaald door de wil van de cakra in Zijn hand [zie b.v. 5.14: 29].' 

(15) S'rî Nârada zei: 'Na dit alles de brahmanen gezegd te hebben viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het allemaal niks vonden en zeer boos op hem waren:  (16) 'O haal me een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die met zijn corrupte denkwijze ons naar beneden haalt; voor hem is de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede], de geëigende oplossing [volgend op dâna, wettelijk bepaalde liefdadigheid; sâma, gunstig stemmen en bheda, het verdelen van posten]. (17) In het sandelhoutbos van de Daitya's is deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl die Vishnu is die ons bij de wortel omhakt!' 

(18) Op deze wijze op verschillende manieren hem in woord en daad bedreigend, onderrichten zij Prahlâda in wat de geschriften te bieden hadden over de [eerste] drie doelen in het leven [de purushârtha's van dharma, artha en kâma]. (19) Nadat zijn leraren hem alles hadden bijgebracht wat er maar te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, door zijn moeder gebaad en opgesierd, naar de Daitya heerser gebracht. (20) De jongen hem ten voeten gevallen werd door de Asura bemoedigd met zegeningen en aan een langdurige omhelzing met beide armen van zijn kant, ontleende hij een grote vreugde. (21) Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij hem met het vocht van zijn tranen, en met een lach op zijn gezicht zei hij het volgende, o Yudhishthhira. 

(22) Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, nu je zo goed onderricht bent, zeg me eens iets aardigs van wat jij, o liefde van mijn leven, al die tijd zo hebt geleerd van je leraren.' 

(23-24) S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, aandacht besteden aan de voeten, het brengen van offers en gebeden, een dienaar worden, een vriend zijn en je ziel en zaligheid overgeven zijn voor alle mensen van opoffering de negen verschillende handelwijzen waaruit de bhakti bestaat die men moet opbrengen voor de Allerhoogste Heer Vishnu; dat alles bij elkaar beschouw ik als het toppunt van wat men kan leren.'

(25) Toen hij zijn zoon dit hoorde zeggen zei Hiranyakas'ipu, met lippen trillend van woede, daarop tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was] het volgende:  (26) 'Jij ontaarde brahmaan! Wat krijgen we nou, kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je te bekommeren om mijn jongen zoals het hoort, dwaas die je bent! (27) Werkelijk, wat zijn er toch een hoop oneerlijke mensen in de wereld die, in het belazeren van hun vrienden, zich maar voor het vertoon uitdossen; in de loop van de tijd kan men van hen zich de zonde zien manifesteren zoals een ziekte dat doet bij mensen die verkeerd leven.' 

(28) De zoon van de goeroe zei: 'Dit wat uw zoon zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd, o vijand van Indra; dit is zijn eigen natuurlijke toeneiging, o Koning, wees niet vertoornd jegens ons over die klaarblijkelijke misser van hem.' 

(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus van de leraar een antwoord gekregen hebbend richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, vanwaar dan stamt deze kwalijke voorkeur van je, o mislukkeling?'

(30) S'rî Prahlâda zei: 'Personen gehecht aan hun materiële leven ontwikkelen vanwege een gebrek aan controle over hun zinnen, in hun telkens weer opnieuw herkauwen van het gekauwde, een leven dat tot de hel voert; nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4: 4-5] toegenegen omdat anderen het zeggen of omdat ze het zelf inzien, noch zullen ze dat zijn door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44]. (31) Zij die uit zijn op de waarde van het uiterlijke hebben er in hun ambities geen idee van wat het doel van hun leven, Vishnu, is; hoewel ze worden geleid zijn ze, als blindemannen geleid door een blinde, zwaar in touwen gebonden aan de dictaten van de materiële natuur. (32) Zo lang als het bewustzijn van deze mensen niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang als ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die vrij van de gebondenheid zijn, ligt de verdwijning van het ongewenste, wat de opzet is van al de groten, buiten hun bereik.' 

(33) Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu in zijn woede blind voor de zelfverwerkelijking, wierp hem van zijn schoot op de grond. (34) Overmand door verontwaardiging zei hij woedend met bloed doorlopen ogen: 'Mannen, maak meteen een eind aan zijn leven, breng hem weg naar zijn dood! (35) Hij hier is de moordenaar van mijn broer, hij, die zo laag zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten Vishnu, dezelfde die zijn oom heeft gedood. (36) En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren dat hij oud is en met zijn zo onbetrouwbaar het eraan gegeven hebben van de slecht te verzaken liefde van zijn vader en zijn moeder. (37) Zelfs afkomstig van anderen is een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid dat van elders stamt; maar een zoon geboren uit jezelf die van slechte wil is behoort net als met een verziekte arm of been worden afgezet, schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam dat op zijn verwijdering nog een gelukkig leven kan hebben. (38) Alleszins moet hij worden gedood, hij die etend, neerliggend en zittend met ons, zich voordoend als een vriend evenzogoed een vijand is als de onbeheersbare zinnen zijn voor een wijze.' 

(39-40) De handlangers die ter harte hadden genomen wat hun leider allemaal had te zeggen brulden toen schrikwekkend met de scherpste drietanden in hun handen, met angstaanjagende tanden en gezichten en hun rode haren en snorren: 'Laten we hem in stukken hakken', en vielen toen Prahlâda, die daar stilletjes zat, met hun spiesen aan op zijn weke delen. (41) Maar met hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is, sorteerden ze geen effect precies zoals goede daden dat niet doen met een onwaardig iemand. (42) O Yudhishthhira, de Daitya despoot onder de indruk toen hij zag hoe al de pogingen ijdel bleken, voorzag toen vastberaden in tal van manieren om hem ter dood te brengen. (43-44) Hem pletten met een olifant, met de gifslangen van de koning aanvallen, met toverspreuken de verdoemenis afroepen, hem van grote hoogten werpend, trucs verzinnen, hem opsluiten, gif toedienen en onderwerpen aan uithongering, koude, wind, vuur en water en met het uitstorten van rotsblokken, was de demon niet in staat zijn zoon, de zondeloze, ter dood te brengen en met het in dat lang volgehouden pogen mislukt zijn verkeerde hij in grote zorgen:  

(45) 'Van de overmaat aan deze onheilige uitingen en de verschillende manieren uitgedacht om hem te doden, van al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht! (46) Mij zo nabij en enkel maar een kind is hij niettemin onwankelbaar nergens bang voor; net zoals een geslagen hond altijd zijn staart zal krom houden, zal hij nooit mijn wandaden vergeten. (47) Ongetwijfeld zal deze grenzenloze heerlijkheid en onvergankelijkheid van zijn, van welke kant belaagd ook, voor niets en niemand bang zijn, vroeg of laat de reden van mijn dood zijn.'

(48) Aldus liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van de leraar der voorschriften, spraken toen in verholen bewoordingen tot hem. (49) 'Door u alleen overwonnen beven al de leiders van de drie werelden vol van angst voor het heffen van uw wenkbrauwen; u hebt van hem niets te vrezen o meester, noch zien we in waarom u zich eigenlijk zorgen zou moeten maken over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind.  (50) Houd hem, totdat onze goeroe S'ukrâcârya er weer is, vastgebonden met de touwen van Varuna zodat hij, bang, er niet vandoor gaat; geholpen door de meer ervarenen zal de intelligentie wel komen als zijn persoon wat ouder is.' 

(51) Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en aldus werd Prahlâda praktisch onderricht over wat de burgerdeugden waren van koningen.  (52) De formele plicht, de economie en het reguleren van het verlangen werden keer op keer systematisch aan Prahlâda uiteengezet o Koning, die evenzo nederig was als onderworpen [vergelijk B.G. 14: 20 & 26]. (53) Wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen - de opvoeding die hij kreeg van mensen die putten uit een opgelegde dualiteit, beschouwde hij niet als een werkelijk goede instructie [vergelijk 6.3: 20-25]. (54) Als de leraren druk waren met hun eigen burgerplichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om op hem een beroep te doen. (55) Hij, de grote intelligentie, sprak dan tot hen, hen in aangename bewoordingen glimlachend en geleerd uitleggend hoe genadevol het is om bij God te blijven. (56-57) Zij, de jongens die hun speelgoed opgaven, raakten dan allen, oprecht vol van bewondering voor zijn woorden, geestelijk bevrijd van de aanwijzingen en de vorming door hen [de leraren] die er genoegen in schiepen in termen van tegenstellingen te spreken. Ze zaten om hem heen o Koning van de macht, met hun harten en ogen vrijgemaakt op hem gevestigd die vol van medeleven sprak als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol van toewijding.

 

Hoofdstuk 6

Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

(1) S'rî Prahlâda zei: 'Vanaf zijn kindertijd behoort een persoon die van intelligentie is het dharma te beoefenen van toegewijde dienst aan de Heer [zoals beschreven in 7.5: 23-24]; geboorte nemen in dit menselijk bestaan is een tijdgebonden iets wat zelden wordt bereikt en wat doortrokken is van betekenis. (2) Die weg [van betekenis] is van een levend wezen hier inderdaad het benaderen van de voeten van Vishnu omdat dit de meest geliefde en beste van alle levenden, de Meester van de Ziel aangaat [zie ook 3.25: 38 en B.G. 5.: 29]. (3) Door goddelijke beschikking is gelukkig zijn met het sensuele, o Daityas, overal beschikbaar voor alle wezens verenigd met een materieel lichaam, net zoals er het ongelukkig zijn is zonder dat men er om vraagt. (4) Daarvoor bestaat er geen noodzaak je in te spannen, men zou slechts zijn leven verspillen, en het is ook niet nodig je erover te verlustigen; het uiteindelijk levensdoel zijn de lotusvoeten van Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (5) Derhalve moet een nadenkend persoon zolang als hij [van ouderdom] nog niet verstek laat gaan, nog steeds ferm en krachtig is, uit zijn op het ware voordeel van [Mukunda in] het hebben van een materieel leven in een lichaam. (6) Van de honderd jaar die iedere persoon voor zijn leven heeft is een persoon in dienst van zijn zintuigen daadwerkelijk de helft van zijn tijd aan het verspillen daar men de halve dag gehuld in duisternis slaapt in onwetendheid. (7) In zijn jeugd is men onnozel, als een jongen is men met spelen bezig en aldus verstrijken een twintigtal jaren en nog eens twintig jaren verstrijken waarin men niet meer in staat is tot als men fysiek onvermogend is van ouderdom. (8) En verbijsterd door enorme materiële lusten die nimmer kunnen worden bevredigd is hij die overmatig gehecht is aan familiezaken als een dwaas de rest van zijn leven aan het verspillen. (9) Welke man is in staat om zichzelf te bevrijden die, gehecht aan huis en haard, met handen en voeten is gebonden door de touwen der genegenheid, en zo zijn zinnen niet meer in bedwang heeft [zie 1.2: 6-7]? (10) Wie, die er daadwerkelijk van uitgaat dat geld verdienen belangrijker is dan te leven [in toewijding en dankbaarheid], zou ertoe in staat zijn dat vergaren op te geven waarvoor de handelaar, de dief en de wetsdienaar hun leven in de waagschaal leggen? (11-13) Hoe kan men er mee ophouden in het privé omgang te hebben met de zo liefhebbende echtgenote die zoveel plezier geeft; hoe kan men niet met wijze woorden de gezinsleden ondersteunen die gebonden zijn aan hun genegenheid of welke persoon zou zich niet aangetrokken voelen tot het gebrabbel van zijn kinderen? Met je zonen en getrouwde dochters, broers, zussen en afhankelijke ouders vooropgesteld in het hart, met al de zaken van de huishouding van mooie meubeltjes, een goed inkomen en alle huisdieren en de groepen van bedienden en helpsters in de huishouding die verbonden zijn met de familie, hoe kan men het daarmee opgeven; als een zijderups is men begeertig druk met allerlei soorten van activiteiten in verlangens die nooit te bevredigen zijn met het vooropstellen van de geslachtsdelen en de tong als het belangrijkste; hoe kan men van zo een gigantische illusie afzien? (14) Zijn hele leven denkt hij met geen haar op zijn hoofd eraan om zich te weerhouden van het onderhouden van zijn gezin; verdwaasd de ware bedoeling bedervend en op alle fronten op de drievoudige manier [zie 2.10: 8] in moeilijkheden, heeft hij er geen spijt van eenvoudigweg van zijn gezin te genieten. (15) Met een geest gericht op weelde en bekend met de fout van het bedriegen ter wille van de centen in deze wereld is hij niettemin na gestorven te zijn gebonden aan deze materiële wereld [door Yamarâja opnieuw geboorte nemend] daar hij, al te verzot op zijn geliefden, nimmer in vrede met zijn verlangen, zich op een rooftocht bevond zonder zijn zinnen te beheersen. (16) Hoewel men er weet van heeft, o zoons van Danu, is men er druk mee bezig de familie in ruimere zin te onderhouden terwijl men tegelijkertijd er niet in slaagt het ware zelf te begrijpen met het de mist ingaan met een, net als bij de dieren, vervreemd zijn in een "mijn" en '"dijn" begrip van het leven. (17-18) Omdat nooit, niemand, waar of wanneer dan ook met een gebrek aan kennis ook maar enigszins zal uitmunten in de kunst zichzelf te bevrijden van het als een seksueel troeteldier uitzijn op de lust en van het zijn van iemand uit wiens gehechtheid hele families tot stand komen, moeten jullie, mijn daitya vrienden in dezen je verre houden van het schuilen met de demon die al te verslaafd is aan zinsgenoegens; in plaats daarvan moet men tot Heer Nârâyana reiken, de oorspronkelijke godheid, die middels de omgang met bevrijde zielen de verlangde weg der bevrijding uitstippelt. (19) Het heeft werkelijk niet veel om het lijf om de Onfeilbare tevreden te stellen, o asura zonen, omdat in deze wereld van alle wezens die zo dicht bij de ziel leven alle wegen al gebaand zijn [vergelijk B.G. 14: 3-4]. (20-23) Vanbinnen de wezens hoog en laag, beginnend bij het eenvoudigste plantenleven tot aan Brahmâ het meest vooraanstaande wezen; vanbinnen de enkele transformaties van de elementen zowel als met het totaal van de materiële energie; met de geaardheden der natuur in een staat van evenwicht alsook in een staat van beroering, is Hij, de Enige Echte der bovenzinnelijkheid, inderdaad de oorspronkelijke bron die de Allerhoogste Heer, de Beheerser is die zelf geen verval kent. Met het oorspronkelijke van Zijn positie vanbinnen en met Zijn persoonlijke manifestaties is Hij het doorvarene dat moet worden beschreven en het ongedifferentieerde allesdoordringende dat iedere beschrijving tart. Hij is het geheel, zuiver en volkomen, wiens gedaante vol van verrukking en kennis is, de Allerhoogste Heerser overdekt door de begoochelende energie op wiens onbegrensde weelde men zich verkijkt met de geaardheden der natuur. (24) Toon derhalve genade voor alle levende wezens; met een vriendelijke houding zullen zij die van de oppositie zijn, de Asura's, het opgevend op die manier te leven, de Heer voorbij de Zinnen tevreden stemmen [zie ook B.G. 12: 13-20]. (25) Als Hij, de Eeuwige en Oorspronkelijke, voldaan is is er niets dat men niet kan bereiken; welke noodzaak zou er bestaan voor hen die aldus van dienst zijn in deze wereld geregeerd door de geaardheden, om te werken voor een plichtsbesef [met het reguleren van de lusten, de economie en de religie] dat als vanzelf [op de toewijding] volgt. Waarom zouden wij, van boven de geaardheden, van verlangen zijn als we ten faveure van Zijn kwaliteiten het genoegen smaken van de essentie van de Heer Zijn voeten? (26) De drie voorgeschreven wegen van dharma, kâma en artha die zo gedekt zijn, maken de zelfverwerkelijking, de ceremoniën, de logica, de orde en het gezag en de verschillende soorten van beroepen uit die ik alle beschouw als de waarheid [aan de oppervlakte] die iemands lesje vormt; het is iemands volledige overgave aan de Allerhoogste Vriend wat voert tot de uiteindelijke persoonlijkheid [vergelijk 1.2: 8]. (27) Deze kennis die vrij is van materiële smetten is hoogst lastig te doorgronden. Ze werd door Heer Nârâyana uitgelegd aan de zekere vriend van alle mensen Nârada terwille van al degenen die [via hem] uitsluitend van overgave zijn aan Hem, de Allerhoogste Heer; geen materieel bezit claimend, kan dat begrip worden bereikt, daar hun lichamen baadden in het stof van de lotusvoeten. (28) Deze spirituele kennis betreffende het bhâgavata dharma [de negen van toegewijde dienst aan de Heer] werd tezamen met haar praktisch gebruik in al zijn zuiverheid voorheen aan mij uitgelegd door Nârada die de Heer altijd voor ogen heeft.'

(29-30) De Daitya zonen zeiden: 'Prahlâda, een kind als jij zowel kinderen als wij kennen geen andere leraren die de controle over hen hebben dan de twee zonen van S'ukrâcârya. In het paleis verblijvend moet het moeilijk zijn een dergelijke superieure associatie te vinden; alsjeblieft neem de twijfel weg, o zachtgeaarde, over hoe we daar geloof aan kunnen hechten.'

 

Hoofdstuk 7

Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

(1)  Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira, zie 7.1: 13]: 'Aldus verzocht door de Daitya zonen sprak hij, de Asura die zo'n grote toegewijde van de Heer was, lachend tot hen, zich herinnerend wat ik hem had gezegd. (2) S'rî Prahlâda zei: 'Toen onze vader vertrok naar Mandarâcala voor zijn boetedoeningen, spanden de goddelijken zich buitengewoon in met een oorlog tegen de Dânavâ's. (3) 'God zij dank wordt vanwege zijn eigen zonden de zondaar, die voortdurend iedereen onderdrukte, nu als een slang door de mieren aangevreten [zie 7.3: 15-16]', zo zeiden zij die van Indra waren. (4-5) Horende hoe door hun buitengemeen vertoon van geweld de een na de ander door hen werd gedood, vluchtten de asura leiders in angst in alle richtingen. In hun grote haast en verlangen om in leven te blijven vergaten ze hun vrouwen, kinderen en weelde, huizen, verwanten, dieren en de zaken van hun huishouding. (6) In de roes der overwinning plunderden de Sura's het paleis van de koning, terwijl Indra bij die gelegenheid de koningin, mijn moeder, te pakken kreeg.

(7) De devarishi die daar toevallig ter plekke arriveerde zag hoe ze op straat weggevoerd in grote angst het uitschreeuwde als een kurari [een havik]. (8) Hij zei: 'O Koning der Sura's, je moet deze hier niet met je meeslepen, ze is onschuldig, laat haar nu meteen gaan, o grootste van het geluk, ze is de kuise echtgenote van iemand anders!'

(9) Indra zei: 'Ze draagt het zaad van de sura vijand in haar baarmoeder, laat haar in onze hechtenis totdat ze baart. Als dat doel bereikt is zal ik haar vrijlaten.'

(10) Nârada zei: 'Er schuilt geen kwaad in dit kind, u moet hem zien als een toegewijde, de allerbeste zelfs; hij, zo'n doorgewinterde toegewijde, zal niet door uw hand de dood vinden.'

(11) Aldus tot hem sprekend, liet Indra uit respect voor de devarishi zijn woorden, uit respect voor iemand geliefd bij de Eeuwige, haar vrij. In toewijding omliepen ze haar en keerden toen terug naar hun hemel. (12) Daarna nam de rishi mijn moeder mee naar zijn âs'rama haar toevertrouwend: 'Blijf hier mijn kind, totdat je echtgenoot er weer is.' (13) Zoals hij had gezegd leefde ze aldus met de devarishi waarbij ze niets uit welke richting ook maar te vrezen had voor zolang als de boetedoening van de Daitya leider nog niet was afgerond. (14) Voor het welzijn van het kind, waarvan ze in verwachting was, was de trouwe vrouw in haar verlangen het ter wereld te brengen, aldaar Nârada van dienst met grote toewijding. (15) De rishi als de man die het voor het zeggen had gaf mededogend haar, in feite ons beiden, onderricht over de waarheid van het dharma en de spirituele kennis, het met name voor mij uiteenzettend zonder ook maar een spoortje van materieel belang [vergelijk 1.2: 7]. (16) Dat alles werd inderdaad omdat het zo lang geleden plaatsgreep en vanwege mijn moeder's vrouwelijke dispositie door haar vergeten, maar ik, gezegend door de wijze, deed dat niet en tot op de dag van vandaag heeft de herinnering eraan me niet verlaten [zie ook B.G. 9: 32]. (17) Jullie zelf ook kunnen dat van mij meekrijgen als je geloof hecht aan mijn woorden; gegeven een vast geloof is de intelligentie van de allerbesten er net zo goed voor vrouwen en kleine kinderen als ze er voor mij is [zie ook B.G. 18: 55]. (18) Zoals in de loop van de tijd door de Beheerser aller Bestaansvormen met bloemen en vruchten de gedaante van een boom kan worden waargenomen, kunnen met iemands lichaam de zes bestaanstoestanden worden waargenomen [van geboren zijn, bestaan als een persoon, groeien, transformeren, wegkwijnen en dood gaan] die men vanaf zijn geboorte ondergaat, maar dat is niet van toepassing op de ziel [zie ook B.G. 2: 20]. (19-20) De ziel is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, het individuele, de kenner van het veld, het oorspronkelijke vertrekpunt, het onveranderlijke, zelf-verlichtte, de eigenlijke oorzaak, de alles doorvarende, onafhankelijke en onbeweeglijke. Door deze twaalf levenstekenen van de ziel wordt een bewust persoon er toe aangezet het valse begrip van 'ik' en 'mijn' op te geven dat zijn oorsprong heeft in de illusie van alles wat hoort bij het hebben van een lichaam [zie ook 6.4: 24]. (21) Net zoals goud opgesloten in allerlei gesteente, dat door de gouddelvers op verschillende manieren gewonnen wordt in de goudmijnen, door deskundigen er met gemak wordt uitgehaald, kunnen vanuit de velden der organische lichamen [zie ook B.G. 13: 1-4] dienovereenkomstig door spirituele methoden de experts in het onderscheid tussen geest en materie het brahmaanse doel naar boven halen. (22) De leraren van het voorbeeld spreken van acht soorten materiële energie [B.G. 7: 4] waarbij er sprake is van precies drie geaardheden en welgeteld zestien modificaties [bewustzijn, zinnen van waarnemen en handelen en de elementen, zie tevens 1.3: 1]; het is het individuele levende wezen, de persoon, die ze allen met elkaar verbindt. (23) Het lichaam dat, zich rondbewegend en op zichzelf bestaand, enkel een combinatie is van hen allen tezamen is aldus van deze tweevoudigheid en in die aangelegenheid is het [het oorspronkelijke van] de persoon waar men naar uit moet zien met het zeggen van 'noch dit, noch dat' [neti neti], wat de manier is om het op te geven met wat niet de ziel is. (24) In contact met de materie en er los van staand, als ze met de bedachtzaamheid met de ziel gezuiverd zijn door gerijpt onderscheid, zijn alzo zij die het ernstig menen terughoudend met het analyseren van de schepping, de vernietiging en het behoud. (25) Van de intelligentie zijn er de toestand van het waken, het dromen en de diepe slaap; Hij door wie deze verschillende modaliteiten worden waargenomen, Hij die losstaat van alles, is de Oorspronkelijke Persoon der Transcendentie. (26) Men moet de uitgangspositie van de ziel begrijpen in het uit intelligentie [neti neti] weerleggen van de verdeeldheid voortkomend uit de uiteenlopende werking van de drie geaardheden der natuur, die zijn als geuren die worden meegevoerd door de lucht [zie tevens B.G. 3: 42]. (27) Deze oceaan van materie wortelend in onwetendheid die zonder een eigen betekenis is, is van het levende wezen de deur waarachter hij in beslag is genomen door de werkzame geaardheden der natuur, net zoals men gevangen is in een droom.

(28) Daarom uit de grond van je hart moeten jullie de zaden van al het karma van het geconditioneerd zijn door de geaardheden der natuur zien te verbranden, in de yoga het stopzetten realiserend van de stroom van het bewustzijn. (29) Daartoe is van de duizenden processen dit hier, zoals geboden door het hoogste der toewijding [middels de Heer en de toegewijde] in relatie tot de Allerhoogste Beheerser, het ene proces dat, eenmaal gevolgd, de kalmte snel teweegbrengt [zie ook B.G. 18: 66, en de voetnoot]. (30-31) Besteed op de goede manier met geloof en toewijding aandacht aan een goeroe, draag alles op wat je hebt verworven, wees van omgang met het heilige en het toegewijde en van aanbidding voor de Beheerser, sla acht op de lezingen van belang, zing over Zijn kwaliteiten en handelingen, mediteer op de voeten en leef de regels na met het oefenen van respect voor de beeltenissen. (32) Hari, de Allerhoogste Heer bevindt zich in alle levende wezens; het van de grootste achting zijn voor al die schepselen en voor wat hen beweegt maakt dat men de Allerhoogste Beheerser begrijpt. (33) Aldus de zes symptomen [der sensuele zwakheid: lust, woede, begeerte, illusie, waanzin en jaloezie] eronder gekregen hebbend, levert men toegewijde dienst aan de Beheerser, Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, waarmee men de vrede en liefde verwerft. (34) Als men verneemt over de ongebruikelijke handelingen en macht van Zijn optreden en Zijn kwaliteiten zoals aan de dag gelegd in het spel en vermaak van Zijn verschillende verschijningen, zullen van de grote vreugde de haren overeind staan en zijn er tranen, een haperende stem en hardop, luidkeels zingen, roepen en dansen. (35) Zoals wanneer men door een geest is bezeten, is er soms lachen, zijn er kreten, meditatieve stemmingen, respectbetoon jegens andere levende wezens, lang volgehouden zwaar ademen en zijn er uitingen in de trant van: 'O Heer, Meester van de Wereld, Nârâyana!'; aldus is men vrij van schaamte verzonken in gedachten over het Ware Zelf. (36) Als men zo bezig is raakt men, aldus denkend in liefde over het uiteindelijke, bevrijd van alle obstakels op zijn weg en komt men naar lichaam en geest in harmonie; het o zo krachtige zaad van het verlangen is dan opgebrand door het beoefenen van de bhakti waardoor men de Ene Boven Alles bereikt. [**]. (37) Voortdurend in contact staand met Hem, Adhokshaja, wordt de besmette geest van een belichaamd wezen in deze wereld en de kringloop van zijn materiële bestaan een halt toegeroepen; zij die gevorderd zijn hebben weet van die geestelijke hemel van gelukzaligheid en daarom, uit het diepst van je hart, zing in toewijding voor de Ware Beheerser van je hart [zie tevens B.G. 18: 54].

(38) En wat zou daarvan het probleem zijn, o asura zoons; wat zou in iemands eigen beoefenen van het altijd een plaats voor Hem in het hart hebben, met Hem altijd daar als de Ziel voor je ziel en de Onbegrensde Vriend, er nou helemaal de noodzaak van zijn om te voorzien in alles wat het zingenot zoal vereist [vergelijk 7.6: 19 en B.G. 9: 26]? (39) Weelde, vrouwen, je dieren, kinderen en dat alles, huizen, land, olifanten, een schatkist, al de luxe, al die economie en zinsbevrediging gaat voor hem wiens leven maar kort is, hij die onvermijdelijk komt te overlijden, in een ogenblik verloren; hoeveel plezier kan zo een tijdelijk iets nu brengen? (40) Evenzo zijn de hogere bestemmingen die door grote offers worden bereikt, allen vergankelijk, hoeveel meer comfortabel ze ook mogen wezen; ze zijn niet vrij van verstoringen en daarom is Hij, van wie men nog nooit van enige fout of misser heeft gehoord, met de bhakti zoals uiteengezet, de Allerhoogste Heerser om te aanbidden voor de zelfverwerkelijking [zie ook B.G. 8: 16]. (41) Van een materieel weten dat er is voor het doel van de vele activiteiten in deze wereld, denkt men van zichzelf dat men zeer hoog ontwikkeld is, maar keer op keer bestaat het onvermijdelijke resultaat van een mens die zo tewerk gaat eruit dat hij uitkomt op het tegenovergestelde. (42) De vastbeslotenheid van de karmi [de persoon zwetend voor resultaten] om gelukkig te zijn, om hier bevrijd te raken van de ellende, is een ambitie die altijd leidt tot het ongeluk dat het [duurzame] geluk verhult dat volgt op het niet najagen van het geld. (43) De dingen die het leven gemakkelijk maken en waar men op zint in de geplande handelingen terwille waarvan het levend wezen de wereld betrad, resulteren inderdaad in het fysieke lijf dat men heeft, maar vergankelijk als het is, is het iemands vijand als men het wil laten voor wat het is als men de geest wenst te huldigen. (44) Wat valt daar nog aan toe te voegen; uiteindelijk is men gescheiden van de kinderen, de vrouw, het huis, de weelde en dat alles, het territorium, de vergaarde rijkdom, de olifant, de staatslieden en de bedienden en verwanten, die allen tezamen de zetel vormden van de eigenwaarde. (45) Wat voor waarde heeft dit alles voor de ziel? Triviaal als ze zijn doen deze zaken zich met het vergankelijke lichaam voor als zijnde noodzakelijk, maar voor de oceaan vol van de nectar van het eeuwige geluk hebben ze geen nut.

(46) Het moge duidelijk zijn dat al wat iemand in een materieel lichaam in deze wereld doet terwille van zijn persoonlijke voordeel, o asura zonen, beginnend met het zich verlustigen over de seks, met het tijdelijke leidt tot het zware lijden dat het resultaat is van de werklast van iemands karma. (47) Het karma voor iemand die belichaamd is begint met het lichaam dat men verwierf als gevolg van de manier waarop men tewerk ging; als gevolg van dat karma verwerft men dan een volgend lichaam, en die herhaling heeft men dan inderdaad te danken aan de eigen onwetendheid. (48) Daarom hangt al het reguleren van iemands inkomen en verlangen naar zinsbevrediging zowel als de religie die erbij komt kijken af van de verheerlijking van de Ziel die boven de ziel staat, de Heer der goddelijke onverschilligheid die de Beheerser is [van de Tijd en het karma]. (49) Van alle levende wezens is Hij de Heer, de oerbron, Hij die de touwtjes in handen heeft, de Geliefde, die door Zijn verschillende energieën hen geschapen heeft in Zijn bestaan als de Individuele Ziel van alle individuele bestaansvormen tezamen. (50) Of men nu een god of een duivel is, een mens of een geest, of een zanger van de hemel, met het leveren van dienst aan de voeten van Mukunda raken we allen gelijkelijk vervuld van al het Zijne! (51-52) Een perfecte brahmaan te zijn, een fijnbesnaarde godsbewuste persoon, of een heilige, o asura nazaten, zal niet afdoende zijn om Mukunda te behagen, en ook niet goed gedrag en veel geleerdheid. Noch volstaan liefdadigheid of verzakingen, aanbidding, reinheid of geloften; de Heer wordt tevredengesteld door ondubbelzinnige, toegewijde dienst, de rest is maar uiterlijk vertoon [zie ook B.G. 9: 30 en 1.2: 8]. (53) Hou je daarom in relatie tot Hari, de Opperheer, bezig met de bhakti o dânavâ zonen, daar Hij, alomtegenwoordig als de Ziel en Beheerser van alle levende wezens, gelijk je eigen zelf is. (54) O Daityas, de geesten en demonen, de vrouwen en de arbeiders, de koeherders, de vogels, de dieren en alle zondaren, kunnen zonder twijfel allen komen tot en deel uitmaken van de kwaliteiten van de Onfeilbare, van Acyuta [zie ook B.G. 4: 9]. (55) Van het levend wezen in deze wereld beschouwt men zoveel als zijnde het ware bovenzinnelijke eigen-belang: om op een ondubbelzinnige wijze Govinda van dienst te zijn [Hij als de zegen der koeien] die men in allen en alles herkent [zie ook bhajan 1 en 2].

* Bij dit vers bestaat een ander belangwekkend vers uit de S'vetâs'vatara Upanishad 6.23:

yasya deve parâ bhaktir
yathâ deve tathâ gurau
tasyaite kathitâ hy arthâh
prakâs'ante mahâtmanah

"Jegens die grote zielen die er een impliciet geloof op na houden in zowel de Heer als de geestelijk leraar, wordt de gehele strekking van de Veda's automatisch onthuld. "

* * S'rîla Madhvâcârya schrijft als volgt:

tad-bhâva-bhâvah tad yathâ svarûpam bhaktih
kecid bhaktâ vinrityanti gâyanti ca yathepsitam
kecit tushnîm japanty eva kecit s'obhaya-kârinah

'De extatische conditie van de toegewijde dienst werd in zijn geheel door S'rî Caitanya Mahâprabhu vertoond, die somtijds danste, soms huilde, dan weer zong, zich soms stil hield, en dan weer de heilige namen van de Heer zong. Dat is het volmaakt spiritueel bestaan.'

 

Hoofdstuk 8

Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord accepteerde het gehoor van de daitya zonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen onderwezen. (2) Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie zich had gevestigd op dat ene onderwerp van aandacht, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was. (3-4) Trillend van woede over zijn hele lichaam en met een geest vastbesloten zijn zoon te doden wees hij Prahlâda terecht, die helemaal niet beschuldigd zou moeten worden, waarbij hij met de wreedste bewoordingen hem furieus met een kwaaie blik bejegende omtrent zijn overtredingen. Hij, zo zachtgeaard en ingetogen, had zijn handen voor zich gevouwen met hem voor zich die aan het sissen was als een gifslang waar men op had getrapt.

(5) Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze, allerdomste, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat van mijn gezag afwijkt, vandaag zal ik je naar Yamarâja sturen. (6) Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders in angst voor mij; met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij idioot?' [vergelijk B.G. 9: 31].

(7) Prahlâda zei: 'Voorwaar is Hij, de Sterke der Sterken niet enkel de mijne of de uwe, o Koning; Hij is eveneens het verhevene van alle andere onderworpenen die zich rondbewegen of zich niet bewegen, en die Hij, te beginnen bij Heer Brahmâ, onder Zijn controle heeft gebracht. (8) Hij de beheerser, de tijdfactor, is de unieke Heer die die ene kracht van de geest en het leven is, het stabiele van iemands fysiek vermogen en de zinnen; Hij, de Ware van het zelf, is met al Zijn vermogens waarlijk de Allerhoogste Ene Meester der natuurlijke geaardheden die schept, handhaaft en het hele universum weer terugroept. (9) Geef enkel de asura manier van doen op. U, voor uzelf, weest gelijkgezind, op het pad der vergissingen bestaat er geen andere vijand dan de onbeheerste geest, een probleem waarvoor de onbegrensde Heer de beste remedie is. (10) Vroeger waren er plunderaars die niet van beheersing met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Ze zagen zichzelf als mensen die al de tien windrichtingen hadden weten te veroveren, maar waar zijn dan die vijanden geschapen in de eigen begoocheling met een heilige die alle levende wezens gelijkgezind is?'

(11) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk zoek je, zo onbeperkt opsnijdend, de dood; het is duidelijk dat de woorden van mensen die op het punt staan te sterven onzinnig zijn, stomme ezel die je bent. (12) O ongelukkige, Hij die je naast mij beschreef als de heerser van het universum, waar is die nu te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier voor mij? [zie tevens B.G. 7: 25] (13) Laat Hem, die Heer die je verkoos als je beschermer, je maar eens beschermen als ik dadelijk het hoofd van de romp zal scheiden van iemand als jij, die een dergelijke onzin uitkraamt.'

(14) Aldus met een stroom van scheldwoorden zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn harde vuist tegen een pilaar. (15)  Op datzelfde moment was er vanbinnenuit een hoogst beangstigend geluid te horen alsof de schaal van het universum openbarstte. Dat geluid, dat zover reikte als tot waar de goddelijken van Heer Brahmâ zich ophielden, mijn beste, deed hen geloven dat de vernietiging van hun woonsteden op handen was. (16) Hij, die het in zijn machtsvertoon verlangde zijn zoon te doden, hoorde het luide gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond met de aanwezige vergadering stomverbaasd over het feit dat men niet kon uitmaken waar het vandaan kwam, en zo raakten allen die aan de macht waren zeer door angst bevangen. (17) Om de waarheid gestand te doen van de woorden uitgesproken ter verdediging van Zijn alomtegenwoordigheid die alles en iedereen doorvaart, kon men zien hoe zich van Hem in een pilaar in het midden van de vergaderzaal een hoogst wonderbaarlijke gedaante manifesteerde, die noch dierlijk noch menselijk was. (18) Hij, het van alle kanten bekijkend, zag hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam, en niet in staat uit te maken of het een dier dan wel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een gedaante half een mens en half de koning der dieren?'

(19-22) Terwijl hij het wonder dat recht voor zijn ogen plaatsgreep overdacht, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had lichtende ogen als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Hij zwaaide met Zijn tong scherp als een scheermes, starend met een afschuwelijke grimas. Zijn oren stonden recht overeind en Zijn wijd open mond en neusgaten verbazingwekkend opengesperd als een berggrot, besloeg de hemel. Zijn lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Gelijk de stralen van de maan was Zijn lichaam overdekt met witte haren en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, trefzekere nagels als wapens in combinatie met Zijn overige persoonlijke wapens. Voor die uitnemendheid geplaatst sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht. (23) 'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat gedoe nu voor een nut?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf, en zijn wapen oppakkend wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen. (24) Net als een insect dat men in het vuur gevallen niet meer kan zien, verdween hij, de Asura, in de gloed van Nrisimha; iets wat op dat moment werkelijk niet zo verwonderlijk was daar Hij vanuit de gloed van Zijn eigen goedheid voorheen reeds de duisternis van de schepping had opgeslokt. (25) Daarna tot de aanval overgegaan sloeg de grootste der demonen verwoed met zijn knots in op Nrisimhadev, zijn macht bewijzend door Hem met geweld van z'n plaats te bewegen, maar de Heer die eveneens van een knots was voorzien, greep hem precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] dat zou doen met het vangen van een grote slang. (26) Toen de Asura Hem uit Zijn handen glipte met het spelletje dat Hij, zoals Garuda met een slang, met hem aan het spelen was, dachten de goddelijken en de heersers van de hemel die hij van hun plaats had verdrongen, vanachter de wolken dat het verkeerd afliep, o zoon van Bharata. (27) Denkend dat Hij, omdat Hij hem had laten gaan, bang was voor zijn vertoon van mannelijkheid, viel de machtigste der demonen, die na een pauze in de strijd zijn zwaard en schild weer oppakte, met veel geweld Nrisimhadeva opnieuw aan. (28) Toen hij snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het maneuvreren was om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, die toen ie z'n ogen even dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen. (29) In protest met zijn ledematen tegenstribbelend om weg te komen plaatste de Heer hem, wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, als een slang of muis over de rand van Zijn dijbeen en doorboorde Hij hem met Zijn nagels met het gemak van Garuda die een adder te pakken neemt. (30) Hij met Zijn beangstigende, woedende blik was moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek als was Hij een leeuw die zojuist een olifant gedood had. (31) Het hart had Hij met Zijn gepunte nagels er geheel uitgerukt en terzijde geworpen, en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze armen. (32) Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken; de wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit. (33) Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelwagens die in de lucht samendromden van hun plaatsen, de aarde schudde onder het zware gewicht van Zijn voeten, Zijn niet te weerstane kracht bracht de bergen en heuvels in beweging en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

(34) Daarna had Hij, in de vergaderzaal gezeten op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, niemand meer tegenover zich, noch iemand om Hem de eer te bewijzen. (35)  Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de koppijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en lieten de vrouwen van de halfgoden onophoudelijk een regen van bloemen neerdalen. (36)  Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn en werden trommels en pauken geslagen en werd er gezongen en gedanst door de grootste zangers en engelen van de hemel. (37-39) Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts der wetenschap en de grote slangen [ego's]; de stamvaders kwamen allen, de leiders der mensheid, de ingezetenen van de hemel en de besten der engelen alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaakten en de aapachtigen, o mijn beste. Zo kwamen er ook de spotgeesten [de komedianten, de barden], de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderden zij ieder Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

(40) Brahmâ zei: 'Ik buig me voor U neer, o Ondoorgrondelijke, Onbegrensde; met al Uw macht en vermogen en het Zuivere van Uw handelingen bent U van het Universum de schepping, de handhaving en de vernietiging die met de geaardheden speels tewerk gaat zonder zelf ooit te veranderen.'

(41) Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.'

(43) De achtenswaardige heiligen zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld ter lering van onze verzakingen. Bij de macht van Uw zelf wordt deze wereld, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, geschapen, gehandhaafd en weer in U opgenomen. Dat alles werd door deze onwijze ziel weggekaapt maar is nu, o Toevlucht der Behoeftigen, door de bescherming van Uw belichaming met Uw zegen naar ons teruggebracht. '

(44) De eerbare voorouders zeiden: 'De duivel die met geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, hij die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, bereikten deze offers hun juiste bestemming; Hem brengen wij onze eerbetuigingen die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens.'

(45)  De vervolmaakten zeiden: 'Die persoon hoogst onbeschoft en oneerlijk die het doel van onze vervolmaking in de yoga in de weg stond en die bij machte van zijn verzaking en boete zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten; voor Hem, voor U, verbuigen wij ons, o Nrisimha.'

(46) De specialisten van de wetenschap zeiden: 'Onze formules die men ieder met een verschillende manier van concentreren bereikt, werden gedwarsboomd door deze dwaas zo opgeblazen over zijn kracht en kunnen; Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven, voorzeker voor altijd verplicht.'

(47) De slangenmensen zeiden: 'Die grootste der zondaren die onze juwelen en vrouwen wegkaapte; door zijn borst te doorboren bent U voor al onze vrouwen de Bron van al het Genoegen; moge er voor U ons eerbetoon zijn.'

(48) De achtenswaardige stamvaders zeiden: 'Wij, die de mensheid inspireren zijn de gezagdragers van Uwe Heerlijkheid die, wat betreft de morele richtlijnen en de klasse, werden geminacht, o Heer, door deze zoon van Diti; met het door U doden van deze schoft o meester, vertel alstUblieft ons, Uw eeuwige dienaren, wat we voor U kunnen betekenen.'

(49) De leiders van de mensheid zeiden: 'Wij, die de generaties voortbrachten stammen allen van U af, o Allerhoogste Beheerser, en niet van hem; de levende wezens die we op deze wereld gezet hebben werden door hem een leven ontzegd en hij die hier nu verslagen neerligt, heeft U de borst geklieft ter wille van het welzijn van de wereld middels de incarnatie van de gedaante Uwer Goedheid.'

(50) De muzikanten van de hemel zeiden: 'Wij, o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten, die onder het gezag werden geplaatst van het vuur en de kracht van zijn invloed. Hij, deze hier, is tot niets gereduceerd door U; wie zou er ook, voor Uw aanschijn, zo'n parvenu kunnen zijn?'

(51) De beroemdheden zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor de bevrijding, wij zoeken ons heil daar omdat deze Asura, deze doorn in het oog van alle mensen, door U aan zijn einde werd geholpen.''

(52) De bewakers van de weelde zeiden: 'Wij, de meest vooraanstaanden onder Uw dienaren zullen hier en nu proberen U met onze dienst te behagen; door de zoon van Diti werden we gedwongen zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van de armoe van alles en iedereen; daarom betuigen we U de eer, omdat U degene bent die hem aan zijn einde geholpen heeft, o vijfentwintigste principe [dat de tijd is, zie 3.26: 10-15].'

(53) De aapachtigen zeiden: 'We zijn maar onbeduidende Kimpurusha's o Heer van ons, echter, dit monster der zonde is door U afgeslacht nadat hij door de zoekers was vervloekt, o Allerhoogste Persoonlijkheid, Heerser over ons.' [zie ook B.G. 4: 7-8]

(54) De barden van de koning zeiden: 'In grote bijeenkomsten en in de offerperken in zuiverheid de roem van Uw glorie bezingend hebben we de hoogste positie van respect verworven; dat slechte karakter die ons in zijn macht kreeg werd tot ons grote geluk door U ter dood gebracht, o Allerhoogste Heer, alsof hij een ziekte was.'

(55) De supermachtigen zeiden: 'O Heerser over ons, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren; door die zoon van Diti moesten we optreden zonder vergoeding, maar door U, o Heer, werd hij zondig als hij was om zeep geholpen, o Nrisimha, o Meester, alstUblieft wees er voor ons, voor het heil van ons geluk en ons welzijn.'

(56) De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderbaarlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de eeuwige toevlucht en het goede geluk van al de werelden en deze dienaar van de staat, o Beheerser, is, vervloekt zijnde door de geleerden [zie 7.1: 36-39], om die reden ter dood gebracht; wij verstaan dat als zijnde Uw bijzondere genade.'

 

Hoofdstuk 9

Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

(1) Nârada Muni zei [nog steeds tot Yudhishthhira]: 'Al de Sura's aldus vertegenwoordigd door Brahmâ en S'iva waagden het niet naar voren te treden daar Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was. (2) De Godin van het Geluk die op verzoek van de goden ermee werd geconfronteerd, kon, nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk zag, zoals nog nooit iemand voordien Hem had gehoord of gezien, ook niet in Zijn nabijheid komen daar ze zelf zeer bang was. (3) Prahlâda naar Heer Brahmâ toegebracht werd verzocht: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan en Hem gunstig stemmen daar hij zeer kwaad is over wat je vader heeft gedaan.'

(4) 'Zo zij het' zei hij en heel langzaam, o Koning, kwam de grote toegewijde, hoewel hij maar een kleine jongen was, stapje voor stapje in Zijn buurt en wierp hij zich languit voor Hem op de grond, gebeden brengend met gevouwen handen. (5) Met hem, zo'n kleine jongen, aan Zijn lotusvoeten neergevallen was de godheid zo genadevol hoogst ontroerd en met het heffen van Zijn lotushand die Hij op zijn hoofd plaatste, verdreef Hij uit alle geesten de angst over de slang van de tijd [naar zijn vier fysieke noodzakelijkheden van âhâra, nidrâ, bhaya en maithuna; eten, slapen, vrezen of verdedigen en paren]. (6) Hij vanwege die aanraking schoongewassen van alle onzuiverheden, vertoonde, in de omgang met de Superziel ofwel de werkelijkheid van Zijn lotusvoeten, vanuit een hart overweldigd en gegrepen door geestelijke verrukking, de symptomen der extase over heel zijn lichaam met tranen opwellend in zijn ogen. (7) Met zijn geest eenpuntig in grote concentratie en met een van liefde haperende stem, begon hij in de volle toewijding van zijn hart en geest gebeden voor de Heer op te zeggen.

(8) S'rî Prahlâda zei: 'Al de Sura's met Brahmâ aan het hoofd, al de heiligen zowel als de volmaakten van het spirituele leven eenpuntig in hun opzet, waren met hun woordenstromen tot dusverre niet in staat U te behagen, hoe gekwalificeerd ze ook zijn; hoe kan het zo zijn dat Hij, deze Heer, met mijn woorden dat wel is, terwijl ik slechts van een asura geboorte ben? (9) Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen in het geheel niet bevredigen; zoals de Allerhoogste Heer met Gajendra [de olifant], is the Persoon der Bovenzinnelijkheid tevredengesteld met bhakti. (10) Een geschoold iemand met de twaalf eigenschappen [als vermeld, zie ook *] die zich niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn leven wijdt aan het Uiteindelijke, daar hij met zijn geest en woorden en alles wat hij doet, zijn welvaart en leven en familie zuivert, terwijl dat niet zo is met degene die denkt vanuit vals prestige. (11) Wat iemand in zijn onwetendheid ook maar offert wordt vriendelijk aanvaard door de Allerhoogste Heer, en dat is voorzeker, met Hem die altijd gelukkig is van binnen, niet iets waar Hij persoonlijk op uit is; die aanbidding dient het belang van de toegewijde zelf, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht. (12) Het is om deze reden dat ik mezelf niet als ongeschikt moet beschouwen; in volle overgave aan de Heer zal ik naar mijn beste kunnen en inzicht op Zijn Heerlijkheid uitzijn, hoe laaggeboren ik ook ben; want met het onwetend betreden hebben van deze wereld is het beschrijven en bezingen van die heerlijkheid de manier voor een persoon om gezuiverd te raken [zie ook B.G. 18: 55]. (13) Ik ben er zeker van dat, in tegenstelling tot ons [Asura's], al deze volgelingen, zoals Brahmâ en zo meer, trouw en godvrezend zijn naar het principe van U die altijd van de goedheid bent o Heer, maar men stelt dat het voor de meerdere eer en glorie van Uw bescherming en verschaffing en het geluk van de ziel is dat U de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld manifesteerde. (14) Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde, zelfs de heiligen zijn gelukkig als een schorpioen of slang gedood wordt; de waarheid is dat al de werelden het genoegen gesmaakt hebben en dat zij allen, ernaar uitziend U te gedenken, afwachten hoe deze gedaante van U hun angsten zal bezweren. (15) Ikzelf ben niet bang, o Onoverwinnelijke, voor Uw angstwekkende mond, tong, schietende ogen en vertrokken gezicht, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden. (16) Maar ik ben wel bang, o genadevolle Zorgzame Vader, voor die onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor het feit van de ellendige omstandigheid van het leven tussen roofdiermensen te belanden, voor het feit gebonden te zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma, o Onoverkomelijke; wanneer zal ik, met U tevreden over mij aan Uw voetzolen, die de toevlucht in deze oceaan der materie zijn, naar U worden teruggeroepen? (17) Vanwege het door iemands aangename of niet zo aangename geboorte afgescheiden zijn van U en samengevoegd zijn met de wereld, wordt men, verblijvend in wat voor een lichaam ook, verteerd door het vuur van het weeklagen en heeft men evenzogoed te lijden onder de remedies ertegen waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt; ik, o Allergrootst Wezen, ben dolende; alstUblieft wijdt me in in het dienen van U in yoga. (18) Op die manier zal ik, door het steeds weer luisteren naar de vertellingen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid, o Nrisimha, zoals doorgegeven in erfopvolging, met gemak de oversteek maken en vrij zijn van de geaardheden, en zal ik, in wijsheid en omgang met de toegewijden, met de bevrijde zielen van alle ellende bevrijd zijn in het volledig in beslag genomen zijn door Uw lotusvoeten. (19) Van een klein kind in deze wereld niet de toevlucht van het ouderschap vormend, o Nrisimha, noch van een patiënt het medicijn zijnd, noch van een persoon verdrinkend in de oceaan de boot zijnd of van een persoon die lijdt de verlosser wezend, vormen al de dingen die in deze wereld gekoesterd worden door degenen die in een lichaam zijn opgesloten slechts de schijn van een remedie, o Almachtige, waarin ze van U verstoken zijn. (20) Naar welke omstandigheid ook, om welke reden dan ook, wat het tijdstip ook moge wezen, wat de verplichting of de relatie ook is, door wie of jegens wie dan ook, op welke manier of van welke aard ook, zeker is dat ieder van deze zaken slechts andere vormen zijn van hetzelfde Allerhoogste; met andere woorden: in de natuur is er als gevolg van allerlei veranderingen het afgescheiden zijn in een bepaalde bestaansvorm, maar welke vorm het ook betreft, het is steeds een manifestatie van de energie van Uwe heerlijkheid. (21) Het illusoire van de materie is een creatie van de geest [als een fixatie beleefd] die de bron vormt van eindeloze begeertige handelingen; handelingen die door de Tijd, die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt, zijn geconditioneerd. En zo gevangen worden je dan als persoon, onder het toeziend oog van God met wat er in de Veda's [in het karma-kânda gedeelte] is geregeld, minder glorieus de zestien spaken geboden [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte, o Ongeborene. Wie o wie, die het moet stellen zonder het beste dat U voorstelt, kan hier op eigen houtje uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]? (22) U bent inderdaad dat ene element van de Tijd, waaraan men in zijn intelligentie, middels Uw persoonlijke energie, voor altijd en eeuwig is overgeleverd; aanwezig als een vorm van materiële energie in alle gevolgen en oorzaken onder Uw cyclische controle gebracht, sta ik machteloos, o Heer en Meester, en ben ik geplet onder het wiel met de zestien spaken; alstUblieft redt me hieruit, o Machtigste, ik heb me geheel aan U overgegeven. (23) Ik was er getuige van o Almachtige, hoe in dit opzicht al de hoger geplaatste staatslieden in hun begeerte naar een lang leven, weelde en glorie, allen door onze vader met zijn sarcastische lach in een oogwenk werden verslagen, desalniettemin werd hij door U volledig weggevaagd. (24) Daarom, wetende waar al de zinsbevrediging van al die langlevendheid, weelde en beschaving van al de belichaamden, van Brahmâ tot aan de kleinste mier, toe leidt, heb ik er geen behoefte aan door U te moeten worden onderworpen, U die zo machtig zijt als de Meester van de Tijd; alstUblieft wees zo goed me in de richting te leiden van de omgang met Uw gewetensvolle dienaren. (25) In welk opzicht is men nu gezegend met het gelukkig zijn in horigheid [aan verlangens]? Wat betekent voor dit lichaam, dat plaats biedt aan zovele ziekten, nu het geluk dat niet meer is dan een luchtspiegeling in de woestijn? Ookal heeft de gewone man er nimmer genoeg van, toch pogen de geschoolden dat vuur te blussen met kleine druppeltjes honing, proberende dat onder controle te krijgen wat alleen maar met de grootste moeite kan worden bereikt. (26) In welke positie verkeer ik nu? Hoe kan ik nu uitstijgen boven het feit dat ik geboren ben in de duisternis van een lichaam van hartstocht, in een familie ver verwijderd van de verlichting? De lotushand van Uwe grondeloze genade die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van genade, zou er zelfs voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of zelfs de Godin van het Geluk niet zijn! (27) In dezen kan er feitelijk met Uwe Heerlijkheid als zijnde de vriend van de ganse wereld geen onderscheid bestaan tussen hogere en lagere levende wezens, maar niettemin is er van U, afhankelijk van de geleverde dienst, net als met een wensboom die geeft wat men maar wenst, de manifestatie van de zegening die gereserveerd is voor de toewijding, ongeacht of men nu van een hoger of lager nivo is [zie ook 2.3: 10 en B G. 4: 33, 9: 25]. (28) De gewone man die in zijn materiële bestaan in die zin in een overwoekerde put vol van slangen viel, jaagt het voorwerp van zijn begeerte na; ik die persoonlijk vanwege slecht gezelschap eveneens in die toestand ben beland werd door de sura wijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen; hoe kan ik nu ooit de dienst van Uw zuivere toegewijde loslaten? (29) Mijn leven reddend o Onbegrensde, met U die me gered hebt van de dood door de hand van mijn vader, beschouw ik de woorden van Uw dienaar, dat wat de rishi zei, als waar daar U ze bewaarheid hebt jegens hem die kwaadwillend met het zwaard in de hand tegen me zei: 'Laat die heerser buiten mij je maar van mij verlossen nu ik je je hoofd zal afslaan.'

(30) 'Dit universum overal om ons heen is die Ene die U alleen bent, vanwege U waren in den beginne en op het eind zowel als halverwege er afzonderlijk zij die U geschapen hebt middels de drie geaardheden die Uw uitwendig vermogen gestalte geven, zij, de velen van al de verscheidenheid die hun ervaring aan U te danken hebben die erin is binnengegaan [zie ook B.G 9: 4]. (31) U dan wel als de oorzaak, dan wel als het gevolg van dit geheel, o Mijn Heer, blijft Zelf losstaan van de materie die Uw illusoir vermogen vormt, en waarvan we weten dat die zich manifesteert als de substantie waarvan we de schepping, de vernietiging en het behoud hebben; en daarvan is er het feitelijk inhoudsloze idee van het hebben van een verschillend zelf of, anders gesteld, dat het aardse bestaan en het subtiele ervan te vergelijken is met wat men heeft met een boom en een zaadje [vanwaaruit het allemaal ontspruit enerzijds en dat het resultaat van Uw manifesteren erin is anderzijds]. (32) Met het met deze schepping van U teruggeworpen zijn [met mijn vader b.v. in zijn vernietiging] in het zelf van Uw causale oceaan schijnt U er geen activiteit op na te houden en te slapen als U binnenin Uzelf het gelukzalig persoonlijke ervaart met het hebben gesloten van Uw ogen in de yoga; maar het is niet een materieel sluimeren in de duisternis der geaardheden waar U zich in bevindt, het feit in aanmerking nemend dat U, middels een manifestatie van Uzelf [deze Nrisimha-gedaante], dat soort van slapen bent tegengegaan in het behouden van de bovenzinnelijkheid. (33) Uit Uw sluimering op het bed van Ananta in de causale wateren ontwaakt, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad, en dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, toont Uw manier van reageren [in de vorm en godheden van de geaardheden] op de materie. (34) De ene van de kennis [Brahmâ] voortgebracht uit die lotus kon niemand anders ontwaren daar Uwe Heerlijkheid, als het zaadje, zich tot hemzelf had uitgebreid; hij dook in het water voor een honderdtal halfgodenjaren niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd, o mijn Heer, nog steeds kan worden waargenomen [zie 3.8]. (35) Hij enkel maar uit zichzelf geboren was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen gezuiverd vond hij dan U, o Beheerser, zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreid door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van begeerten is. (36) Op deze manier de Grote Persoon ziend met Zijn duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen, en uitgerust met allerlei sieraden en wapens, die tezamen, zich voordoend in verschillende tekenen, een bewijs vormden van Zijn vermogen, bereikte Heer Brahmâ de bovenzinnelijke gelukzaligheid. (37) Terwille van het zijne zowaar het hoofd van een paard aanvaardend in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die tegen de Veda ingingen en die de hartstocht en de onwetendheid vertegenwoordigden, en bracht U de s'ruti [de vier Veda's] waarvoor men Uw meest geliefde gedaante [van Hayagrîva] eert als het zuivere van de transcendentale goedheid [zie ook 5.18 en B.G. 4: 7]. (38) Op deze manier overeenkomstig de yuga in kwestie verschijnend in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden, daarbij soms de lastpakken van de wereld dodend ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid; in Kali-yuga bent u verhuld [channa] en derhalve wordt U, als zijnde één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege het herkenbaar zijn in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32]. (39) Zeker is dat de geest die niet is gericht op Uw bovenzinnelijke verhalen, ver verwijderd als hij is van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen is door de zonden waarmee hij dan sympatisee rt; vol van verlangens en lusten is hij van hoogten en diepten, angsten en leed vanwege de aandrang; hoe kan ik met zo een armzalige en gevallen geest de bedoeling van het Allerhoogste van U doorgronden? (40) De tong leidt me af in deze richting, o Onfeilbare, en de geslachtsdelen trekken me onbevredigd in die richting, zo doen de huid, de maag en het oor dat terwille van het ene en gaat voor het andere de neus die kant op en de ogen daar weer heen; de drukte van de actieve zintuigen haalt je naar beneden zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden kunnen halen. (41) Op deze manier door m'n karma beland in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood] lijdt ik helaas, de ene na de andere geboorte van alles en nog wat etend, eronder steeds maar banger te zijn om te zien hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, vijandig of van vriendschap is; o U, die zich aan gene zijde bevindt, redt me van dit gevaar daar we vandaag hier allen een stel dwazen zijn. (42) Wat inderdaad zou Uw grote mededogen in de weg staan jegens ons vriendelijke mensen, die altijd zo begerig zijn in dezen van dienst te zijn o Meester van Allen, o Allerhoogste Heer, om ervoor de zorgen dat wij materialistische dwazen worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer maken, vasthouden en verliezen, o Vriend der Behoeftigen? (43) Zeer zeker ben ik, o Allerhoogste, van het verdiept zijn in het verkondigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî die deze wereld is; ik treur eerder, hoewel ze een stel zotten zijn, over degenen die de bevrijding missen en die voor het heil hunner zinnen plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28]. (44) Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uitzijnde op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden, zonder erg geïnteresseerd in een leven ter wille van het heil van anderen; maar ik wil niet, zoals zij dat doen, de anderen links laten liggen die tekort schieten, ik wil niet in mijn eentje terugkeren naar God, ik zou graag willen dat anderen, gevangen in de vicieuze cirkel, er beter in slagen deze toevlucht van U te vinden. (45) Het je druk maken over seks is inderdaad zo triviaal als de jeuk waarvan men verlost raakt door z'n handen te wrijven; zij die hiermee tekort schieten vinden, gebukt gaand onder allerlei soorten van ellende, de verschillende gevoelens van verdriet er nimmer mee beëindigd, maar als men daarvan leert, het herkennend als een drogbeeld, is men een nuchtere persoon die in staat is de jeuk te verdragen [zie ook B.G. 7: 14]. (46) Stilte, geloften, vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak vormen deze zaken [deze tien methoden om geëmancipeerd te raken] met hen die hun zinnen niet echt de baas zijn de belangrijkste manier om in hun levensonderhoud te voorzien, o mijn Heer, en is er dan in dit verband sprake van niets dan hypocrisie [zie ook 6.1: 16]. (47) Over de twee van het ware en onware van U, die zelf zonder een vorm bent en buiten wie er verder niets te vinden is, spreken de Veda's in termen van het zaadje en de spruit; die twee, die als het hout zijn en het vuur erin aanwezig, zijn voor de ogen van hen die met U in verbinding staan, dankzij Uw bewustzijnsvereniging, duidelijk te herkennen [in het spirituele verzaken en het materieel concreet van dienst zijn], en op een andere manier is dat niet mogelijk. (48) U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en alle goddelijkheid die erbij hoort; U bent dat alles, de enige natuur der geaardheden zowel als degene voorbij aan alles, o Mijn Heer; wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, is niemand anders dan U. (49) Noch alle geaardheden der natuur, noch de hun overheersende goden; noch het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten; noch zij die zo nadenkend zijn samen met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen, o Heer verheerlijkt door al de heiligen, is het gegeven dat wat allemaal het Uwe is te omvatten, en zodoende denken de zuiveren erover een punt te zetten achter hun studies [en een begin te maken met hun toegewijde dienst, zie ook B.G. 2: 52].'

(50) 'Daarom biedt ik U, o Beste der Aanbeden en, met gebeden mijn eerbetuigingen en volbreng ik de aanbidding, span ik me voor U in, herinner ik mij U, houdt ik het bij Uw toevlucht en luister ik altijd naar de verhalen over U; hoe kan zonder een dergelijketoegewijde dienst jegens U in al deze zes vormen een persoon [werkelijk] de bhakti genieten die gereserveerd is voor de besten der transcendentie [de paramahamsa's, vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

(51) S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer boven de geaardheden die was behaagd en de woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven. (52) De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben verheugd over jou, o beste der Asura's, je mag om welke gunst vragen die je ook maar van Mij verlangt, want Ik ben de vervulling van alle wensen van een ieder. (53) Geniet een lang leven! Mij niet behagend, zelden Mijn aanwezigheid opzoekend, Mij niet gezien hebbend, is het lot van het levend wezen om keer op keer zich over zichzelf te beklagen. (54) Wees er inderdaad op uit Me te behagen, daar daarvan ieder nuchter mens in ieder opzicht, als een goed gevormd mens, het beste wat het leven te bieden heeft mag verwachten, o fortuinlijke; ik ben immers de Meester aller Zegeningen.'

(55) S'rî Nârada zei: 'Hoewel hij aldus met wereldse zegeningen ertoe verlokt werd, wilde de beste der Asura's niets van de zaken waar hij om mocht vragen, omdat hij er alleen maar in geïnteresseerd was van overgave te zijn aan de Allerhoogste Heer [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers vier].'  

* De kwaliteiten van de brahmaan worden in de Sanat-sujâta als volgt beschreven:

jñânam ca satyam ca damah srutam ca
hy amâtsaryam hrîs titiksânasûyâ
yajñas ca dânam ca dhrtih samas ca
mahâ-vratâ dvâdasa brâhmanasya  

'Geestelijke kennis, waarheidsliefde, trouw aan de Schrift, zonder afgunst, verdraagzaamheid, van opoffering, liefdadigheid, gelijkgezind, en leven naar de grote gelofte [van yama die naast het waarachtige reeds vermeld de vier met zich meebrengt van het celibaat, de geweldloosheid, de vrijheid van bezitsdrang en het niet-stelen] zijn de twaalf kwaliteiten van de brahmaan.' Zie ook 5.5: 24 en B.G. 18: 42.

 

Hoofdstuk 10

Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

(1) Nârada Muni zei: 'Hoewel nog maar klein beschouwde hij [Prahlâda] ieder van de zegeningen die de bhakti-yoga met zich meebracht als belemmeringen op het pad en was hij er zeker van dat de Heer der Zinnen met een glimlach duidelijk te maken.

(2) S'rî Prahlâda zei: 'Brengt U me alstUblieft niet in de verleiding, vanwege mijn asura geboorte ben ik geneigd me te verlustigen over al die materiële zegeningen. Het was uit angst voor een dergelijke materiële betrokkenheid dat ik, uitziend naar de bevrijding, terwille van de volledige onthechting mijn beschutting bij U gezocht heb. (3) Opdat ik me moge gedragen als een zuivere toegewijde heeft Uwe Heerlijkheid mij deze wereld van de lust ingestuurd, de lust die als de grondoorzaak van het aanwezig zijn alhier wordt aangetroffen in het hart van een ieder, o Meester. (4) Anders zou zoiets van Uwentwege niet plaats kunnen vinden, o goeroe van iedereen; een ieder die van U, de Ziel aller Vriendelijkheid, enig materieel voordeel verlangt, is zo een persoon niet in werkelijkheid een koopman in plaats van een dienende persoon [zie ook B.G. 17: 20]? (5) Een persoon die voor zichzelf materiële voordelen verlangt van zijn geestelijk leraar is niet werkelijk een dienaar noch is de meester werkelijk van dienst die voor zijn eigen prestige het verlangt zijn dienaar materiële voordelen te verschaffen [zie ook 10.88: 8-10]. (6) Wat mij betreft is er, U volledig toegewijd, zeker geen sprake van enig verlangen en ook houdt U, in onze omgang met elkaar, als de ware meester, er geen verdere motieven op na zoals men die wel aantreft bij een koning in relatie tot zijn onderdaan. (7) En als U me iets van mijn verlangens wil vergunnen, dan bidt ik in dat geval om de zegen van U, o Heer Aller Zegeningen, dat geen verlangen naar welk materieel geluk ook zich zal ontwikkelen in mijn hart [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers vier]. (8) Van iemands geboorte af aan worden de zinnen, de geest, de levensadem, het lichaam, de religie, iemands geduld, intelligentie, verlegenheid, weelde, kracht, geheugen en waarachtigheid overspoeld door lustige verlangens. (9) Inderdaad alleen als men al de verlangens opgeeft die men door de menselijke omgang in zijn geest aantreft is men geschikt voor een weelde gelijk aan die van U, o lotusogige Heer. (10) Laat me U mijn respectvolle eerbetuigingen brengen, o Allerhoogste, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid; al mijn respect voor U als de Grote Ziel, de Heer in de gedaante van Nrisimha, het brahman, de Superziel.'

(11) De Allerhoogste Heer zei: 'Onvermengd dankzij Mij jegens Mij, niet uit op enige gunst van Mij in deze wereld noch in de volgende, is het al de toegewijden zoals jij niettemin tot aan het einde van Manu's heerschappij gegeven om van al de materiële welvaart der Daitya-heerschappij alhier te genieten [zie ook 2.3: 10]. (12) Denk altijd na over Mijn verhalen; het verzonken zijn in Mij als bestaande binnen in jou als de Ene aanwezig in een ieder, zal je het grootste genoegen verschaffen; aanbidt met bhakti-yoga de Heer die de genieter van alle offers is en geef je baatzuchtig handelen op. (13) Wees vroom met de welvaart, door een dergelijk toegewijd optreden is men allerlei soorten van terugslagen de baas. Door de Tijd gedwongen je voertuig van de tijd op te geven zal je reputatie van bovenzinnelijkheid zich over het ganse universum verspreiden, bezongen worden in de hoogste sferen en zal je, bevrijd van alle gebondenheid, naar Mij terugkeren. (14) Een ieder die deze gebeden reciteert door jou aan Mij opgedragen, welke mens dan ook die zich Mij zowel als jou herinnert, zal na verloop van tijd vrijkomen van de gebondenheid aan zijn karma [zie B.G. 4: 9, 6: 7, 9: 27-28, 12: 3-4 en zie ook 11.14: 21].'

(15-17) S'rî Prahlâda zei: 'Ik bidt voor deze zegen van U, o Heer der Zegeningen, o Allerhoogste Beheerser; mijn vader, niet bekend met Uw kracht en superioriteit, had met een hart vervuild door woede daarmee een verkeerd begrip van U, o meester en goeroe van al de werelden, als zijnde degene die zijn broer had gedood en was hij zo van de grootste zonde jegens mij, Uw toegewijde. Moge mijn vader gezuiverd worden van die allergrootste en hoogst moeilijk te overwinnen zonde, alhoewel hij in feite reeds gezuiverd was toen U Uw blik op hem wierp, o Genadevolle Vader voor de Materialisten.'

(18) De Allerhoogste Heer zei: 'Met de zuivering van jouw vader zijn alles bij elkaar eenentwintig van je voorvaderen gezuiverd, o zondeloze, omdat, o deugdzame jongen, jouw persoon geboorte nam in de dynastie. Jij inderdaad bent de zuiveraar van de dynastie. (19) Waar en wanneer er ook maar mijn toegewijden zijn die vol vrede en gelijkmoedigheid, met de beste kwaliteiten van een gelijke genade zijn jegens een ieder, raken zelfs de slechtste samenlevingen gezuiverd. (20) Zij zijn in geen enkel opzicht ooit van enig geweld jegens al de hogere of lagere wezens, o Koning van de Daitya's, omdat zij vanuit hun liefde voor Mij al hun materiële strevingen hebben opgegeven. (21) Personen die in deze wereld in jouw voetspoor treden worden Mijn zuivere toegewijden; van al Mijn toegewijden ben jij daadwerkelijk het beste voorbeeld van al de verschillende vormen van rijping [zie ook 6.3: 20-21]. (22) Je moet nu de begrafenisplechtigheden uitvoeren voor je vader, die door Mijn lichamelijke aanraking reeds in alle opzichten werd gezuiverd, Mijn kind, zodat hij zal worden bevorderd naar de werelden van de betere mens. (23) Bestijg tevens de troon van je vader zoals dat door de Veda's is voorgeschreven; wees met je geest van volledige verzonkenheid in Mij, Mijn beste, en doe je plicht enkel om Mijnentwille.'

(24) S'rî Nârada zei: 'Prahlâda zoals hem was opgedragen door de Allerhoogste Heer volbracht al de riten die noodzakelijk waren in verband met de dood van zijn vader, o Koning [Yudhishthhira], en werd door de aanwezige brahmanen gekroond. (25) Met zijn gezicht opgeklaard over de genade van de Heer bracht Heer Brahmâ, die getuige was geweest van wat zich had voorgedaan, in bovenzinnelijke termen de zuiverste der gebeden voor Heer Nrisimha, waarbij hij zich tot Hem richtte in de aanwezigheid van al de goddelijken. (26) S'rî Brahmâ zei: 'O God der goden, o eigenaar van het ganse universum, o liefde van alle wezens, o eerste onder de levenden, door Uw besluit is de hoogst zondige asura die iedereen zo veel tot last was gedood. (27) Hem heb ik nog de zeldzame gunst verleend niet te zullen worden gedood door enig schepsel door mij geschapen noch door enige verzaking, mystiek vermogen of fysieke macht; aldus zeer trots overtrad hij alle bepalingen. (28) Door Uw besluit werd zijn zoon, die op jonge leeftijd al een grote heilige en verheven toegewijde was, bevrijd uit de greep van de dood en geniet hij, zoals U dat wenste, nu Uw bescherming. (29) Voor hen die geconfronteerd met een tegenstander mediteren op deze fysieke aanwezigheid van Uw Superziel, o Almachtige Heer overal aanwezig, bent U de beschermer tegen alle soorten van angst, zelfs tegen de angst voor de dood.'

(30) De Allerhoogste Heer gaf ten antwoord: 'Verleen, zoals u dat deed, geen gunsten aan de demonen, o Mediteerder van de lotus, het zegenen van mensen met een kwade inborst is als het geven van melk aan slangen.'

(31) S'rî Nârada zei: 'Dit is wat de Allerhoogste Heer zei, o Koning, en nadat Hari was aanbeden door hem in het voorbije, verdween hij voor ogen van al de levende wezens uit het zicht. (32)  Prahlâda betoonde met zijn hoofd gebogen daarna met gebeden Hem de eer, en zo deden dat ook de Ene in het Voorbije alsook Heer S'iva, de stamvaders en de halfgoden, die allen deel uitmaken van de Allerhoogste Heer. (33) Vervolgens kroonden S'ukrâcârya en de anderen, samen met al de wijzen en Hij van de Lotus, hem koning van alle Daityas en Dânavas. (34) O Koning, met Brahmâ en alle overigen naar behoren door hem geëerd, feliciteerden vervolgens al de godsbewusten hem, hem al het beste toewensend en keerden zij ieder naar hun eigen verblijfplaatsen terug. (35) Op deze manier werden de twee metgezellen van Vishnu, die vol vergetelheid als de zonen van Diti zichzelf als vijanden zagen, beiden gedood door de Heer die zich ophoudt in de kern van het hart [zie 7.1: 36-39]. (36) Opnieuw vervloekt door de brahmanen werden de twee duivels herboren als Kumbhakarna en de tienkoppige Râvana en werden ze beiden gedood dankzij de speciale vermogens van Heer Râmacandra. (37) Afgeslacht neerliggend op het slagveld met hun harten doorboord door de pijlen van Râma, gaven ze hun lichamen op met hun geesten gefixeerd op Hem, precies zoals ze dat deden in hun vorige geboorte. (38) De twee op deze manier opnieuw alhier verschijnend, namen wederom met de Heer verbonden in vijandschap hun geboorte als S'is'upâla en Dantavakra en gingen in Hem op in uw aanwezigheid. (39) Al de koningen die vijandschap koesterden jegens Krishna werden, toen ze stierven, bevrijdt van waar ze schuldig aan waren in hun levens; zoals larven die hetzelfde lichaam krijgen als de dar die ze bewaakte, werden ze net zo zuiver als Hij. (40) In hun toewijding onverdeeld jegens de Allerhoogste keerden koningen als S'is'upâla, met dezelfde gedaante als de Allerhoogste Heer, terug naar God omdat ze voortdurend aan Hem hadden gedacht [zie ook B.G. 4: 9]. (41) Dit alles beschreef ik u in reactie op uw vraag naar hoe, zelfs haatdragend, de zoon van Damaghosha [S'is'upâla] en anderen, van een zelfde soort van lichaam konden zijn [zie 7.1: 34-35]. (42) In dit over de Superziel en de Godheid aller brahmanen, Krishna, verhaalde ik over Zijn incarnaties van zuivering, waarin Hij van het begin af aan de Daitya's versloeg. (43-44) Ze beschrijven van die hoogst verheven toegewijde Prahlâda de eigenschappen van zijn toewijding, zijn spirituele kennis en zijn verzaking; probeer ieder van hen te doorgronden en hiermee daadwerkelijk te weten wat van de Heer is, de Meester van het behoud, de schepping en de vernietiging; wat Zijn kwaliteiten en handelingen zijn, Zijn doorgegeven wijsheid en hoe Hij, met de Tijd, een einde maakt aan alle hogere en lagere levende wezens en hun culturen, hoe groots ze ook mogen wezen. (45) Door deze vertelling, waarin zonder voorbehoud de bovenzinnelijkheid volmaakt wordt beschreven, is men in staat het bhâgavata dharma [zie 7.6: 28] en Bhagavân Zelve te begrijpen. (46) Een ieder die na het horen van deze stichtelijke vertelling die de Superieure Macht van Vishnu uit de doeken doet, haar met geloof herhaalt, zal worden verlost van de verstriktheid in zijn baatzuchtig handelen. (47) Een ieder die met grote aandacht leest en luistert naar dit verhaal over de handelingen van de beste van al de waarachtigen, deze Daitya zoon, en hoe de Oorspronkelijke Persoonlijkheid voor koning leeuw spelend de koning der demonen doodde die zo sterk was als een olifant, zal de geestelijke wereld bereiken waar nimmer enige angst bestaat. (48) Jullie Pândava's mogen je in je mensenwereld buitengewoon gelukkig prijzen dat in jullie huis de menselijke verschijning van de Allerhoogste van de Absolute Waarheid verblijft die al de werelden kan zuiveren en waar de grote heiligen altijd naar op zoek zijn (49) Het Onpersoonlijke Brahman waar de groten naar op zoek zijn is Hij. Hij, die feitelijk de zoon van uw oom aan moeders zijde is, is uw meest geliefde weldoener, is de eenheid van het bovenzinnelijk geluk en de bron van al het leven. Hij die er voor u als de goeroe is die leiding geeft in het principe, is de Ene die aanbiddelijk is in het geheel van Zijn lichaam en ziel. (50) Zelfs niet door te mediteren konden Heer S'iva, Heer Brahmâ en anderen Hem direct voor zich zien of een beschrijving geven van Zijn werkelijke gedaante; moge Hij, deze grote beschermer van al Zijn toegewijden behaagd zijn met de stilte die wij in acht nemen, met onze devotie, ons verzaken terwille van het goede en ons eerbetoon. (51) Diezelfde Allerhoogste Heer, o Koning, herstelde lang geleden de verloren gegane reputatie van de goddelijkheid van S'iva die ondergraven was door een demon genaamd Maya die, bedreven op technisch gebied, een ongekende macht genoot.'

(52) De Koning [Yudhishthhira] zei: 'Alstublieft beschrijf om welke reden en op welke manier Heer S'iva, hij die het hele universum beheerst, werd overtroffen door Maya en hoe hij met Krishna weer zijn reputatie herwon?'

(53) Nârada zei: 'De Asura's die door de godsbewusten bij machte van de Heer waren verslagen in de strijd, zochten toen gezamenlijk hun toevlucht bij de grootste en beste van hen allen, Maya Dânava. (54-55) Die demon bouwde drie grote, machtige steden van goud, zilver en ijzer. Ze bezaten het ongewone vermogen van plaats te veranderen en waren daardoor moeilijk te onderscheiden. Aldus aan het zicht onttrokken begonnen de Asura's, met in gedachten hun vroegere vijandschap met al de drie werelden en hun leiders, o heerser over de mensen, de orde in de wereld te verstoren. (56) Daaropvolgend benaderden al de werelden met hun leiders Îs'vara S'iva, hem ten voeten vallend zeggend: 'Red alstublieft ons die u zo nabij staan, daar we vol van angst zijn, o Godheid, we zijn waarlijk nergens meer dankzij de tripura [drie-steden] mensen. (57) Om hen zijn genade te tonen zei de Almachtige Heer tot de Sura's: 'Vreest niet', en legde hij een pijl aan op zijn boog om zijn wapens op de steden los te laten. (58) De pijlen straalden, nadat ze waren afgevuurd, als bundels licht zo helder als de zon, waardoor men de steden niet langer kon ontwaren. (59) Door die aanval vielen zij die zich normaal daar in de huizen van de stad ophielden, allen levenloos neer, maar zij werden allemaal dankzij de grote mystieke talenten van Maya de een na de ander in een bron ondergedompeld vol van [leven-gevende] nectar [genaamd mrita-sanjîvayitari]. (60) Aldus uit de dood weer opgewekt door die vloeistof van de alvermogende nectar, herrezen zij weer, sterk als bliksemstralen die de hemel fel als weerlichten splijten. (61) Toen Hij zag hoe teleurgesteld en ongelukkig het Toonbeeld van de Heer [S'iva] op dat moment was, overwoog de Almachtige Heer Vishnu gepaste maatregelen. (62) Brahmâ nam toen de gedaante aan van een kalf en met Heer Vishnu Zelve als de koe gingen ze bij klaarlichte dag Tripura binnen en dronken ze al de nectar op uit de bron. (63) Hoewel de Asura's ze zeker in de gaten hadden, waren ze er door hun verbijstering niet toe in staat ze ervan te weerhouden. En zo richtte de mysticus Maya die, zich er volledig van bewust, het erop hield dat het goddelijk zo beschikt was, het woord tot hen die de wacht hielden en, ooit zo in hun nopjes met hun illusie, nu hevig ontsteld waren: (64) 'Halfgoden, demonen, menselijke wezens noch wie dan ook, kunnen terugdraaien wat bij God op deze wereld van iemand zelf, iemand anders of van allen tezamen het lot zou zijn.' (65-66) Daarna rustte Hij [Heer Vishnu] vanuit Zijn persoonlijke vermogens aangaande al de ingrediënten van het leven gevormd door de religie, de geestelijke kennis, de verzaking, de weelde, de loutering, de opvoeding, de handelingen en dat alles, Heer S'iva uit met al die zaken die maar nodig waren, zoals een strijdwagen en wagenmenner, een vlag, paarden en olifanten, een boog met een schild en pijlen enzovoorts. Gezeten op zijn wagen legde hij toen een pijl aan op zijn boog. (67) O heerser der mensen, met behulp van de pijlen aangelegd op zijn boog zette S'iva als de Heer en Meester op deze manier, toen de zon op zijn hoogste punt stond, de zo moeilijk te treffen steden in lichterlaaie. (68) Vanaf hun strijdwagens in de hemel lieten, ondersteund door talloze pauken, de goden en de heiligen, de voorvaderen, de volmaakten en de groten, een luid 'Jaya, Jaya' weerklinken, terwijl ze een regen van bloemen lieten neerdalen op zijn hoofd en ze in grote vreugde zongen en dansten met de schoonheden van de hemel. (69) O Koning, de machtige Heer S'iva die aldus onder de aanmoediging van Brahmâ en de anderen Tripura in de as had gelegd, keerde toen naar zijn eigen verblijf terug. (70) Zo gaat het met waar de Heer allemaal toe in staat is: optredend als een gewoon mens in de menselijke samenleving zijn er van Hem, de leraar van het universum, de vertellingen over Zijn bovenzinnelijke activiteiten die, overgedragen door de mensen der heiligheid, al de werelden zuiveren; wat moet ik u nog meer vertellen?'

* (10.88: 8-10) "De persoonlijkheid van God zei: Als ik iemand een bijzondere gunst verleen, ontzeg ik hem stap voor stap zijn rijkdommen. Dan zullen de verwanten en vrienden van zo een armlastig mens hem in de steek laten. Op die manier heeft men het een na het ander het zwaar te verduren. Als de toegewijde gefrustreerd raakt in zijn pogen geld te verdienen en in plaats daarvan vriendschap sluit met Mijn toegewijden, verleen Ik hem mijn speciale genade. Een persoon die aldus volkomen ontnuchterd is realiseert zich ten volle het Absolute als de hoogste waarheid, het meest subtiele en de volkomen manifestatie van de geest, het bovenzinnelijk bestaan dat geen einde kent. Op deze wijze inziend dat de allerhoogste waarheid de grond van zijn bestaan vormt, raakt hij bevrijd uit de herhaling van het materieel bestaan."

 

Hoofdstuk 11

De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij de vertelling had aangehoord die in de samenkomsten van de heiligen wordt besproken, deed Yudhishthhira, de grootste van leiding na hem [Prahlâda], de meester der Daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hoogst verheugd opnieuw navraag bij die zoon van Brahmâ [Nârada]. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over het sanâtana dharma [de gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving dat behoort tot de ordening van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarvan de mensen in het algemeen in vrede het betere leven mogen genieten. (3) U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]; van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie. (4) Als de wijste van hen die Nârâyana toegewijd zijn weet u van het meest vertrouwelijke en allerhoogste van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, zo verheven en vreedzaam als u bent.'

(5) S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer die in het hele universum het dharma verdedigt mijn eerbetuigingen; ik zal uitweiden over het sanâtana dharma op de manier zoals ik dat vernam uit de mond van Nârâyana. (6) Hij die, verwekt door Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter [Mûrti], [als Nârâyana] nederdaalde samen met een deel van Zichzelf [Nara], volbrengt voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's]. (7) De wortel van alle dharma, de essentie van alle vedische kennis is inderdaad Bhagavân, het Allerhoogste Wezen, die aan de hand van de geschriften wordt herdacht [met de s'ruti of de Veda's en de smrti of de geschriften in navolging] door al de kenners van de Werkelijkheid, o Koning, en door dit principe raken de geest en de ziel volledig bevredigd. (8-12) Waarheidsliefde, mededogen, verzaking, reinheid, tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte, zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid, studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid, dienst aan de heiligen, het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke en het kritisch zijn over de verspilling in het menselijk tegenstreven; ernst, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens, het iedereen op de eerste plaats beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava, met de naaste te luisteren en te zingen zowel als het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is; van dienst te zijn, te vereren en gunstig te stemmen, een dienaar te zijn, een vriend te zijn en overgegeven te zijn; voor alle mensenkinderen is dit het hoogste principe: al deze dertig eigenschappen, die de Ziel van Allen behagen, te bezitten, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20]. (13) Zij die door gedurige herbezinning [met de z.g. samskâra's], met het aanvaarden van een goeroe en met de ondersteuning van de Ongeborene [Brahmâ], van aanbidding zijn, van studie zijn en van liefdadigheid, en die in hun handelwijze gezuiverd raakten door de geboorte die ze namen en door de daden die ze verrichtten, zijn de tweemaal geborenen [de dvija's] die het wordt aangeraden zich te gedragen overeenkomstig de status van hun [aan de leeftijd relateerde] geestelijke afdeling [of âs'rama]. (14) Voor de brahmanen zijn er de zes van de Veda's [te studeren en te onderrichten, te vereren en het voor te doen en te geven en te ontvangen in liefdadigheid] en voor de rest [de overige beroepsgroepen] zijn er diezelfde zes minus het aanvaarden van liefdadigheid; de middelen van bestaan voor de bestuurders die de mensen onderhouden komen uit het heffen van belastingen en dergelijke bij diegenen die niet behoren tot hen die inwaarts gemotiveerd zijn [de brahmanen]. (15) De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met landbouwen en met handel drijven en behoren altijd op te volgen wat de brahmanen onderwijzen, terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud als hun baas van instructie de drie typen van tweemaal geborenen boven hen te aanvaarden hebben. (16) Van de vier verschillende middelen van bestaan voor de geschoolde brahmaan, van een levensonderhoud verworven zonder moeite [s'âlîna], wat men krijgt als een bedelmonnik [yâyâvara], wat men aantreft aan oogstresten in het veld [s'ila], of van wat in de winkels niet door anderen wordt gewenst [uñchana], zijn in dezen de laatstgenoemde middelen beter dan de eerstgenoemde. (17) Met uitzondering van noodgevallen, mag een lager iemand voor zijn levensonderhoud, als men overal op kan rekenen, zich niet wagen aan het hogere van alle status of een zekere roeping. (18-20) Met rita of amrita kan men leven, met mrita of met pramrita of zelfs met satyânrita, maar nooit met een bestaan als een hond. Rita zo zegt men is het leven van wat er overbleef, van amrita is wat werd verkregen zonder te bedelen, van mrita is het bedelen als een bedelmonnik terwijl men zich pramrita herinnert als het eten van je eigen grond. Van satyânrita zijn betekent handel drijven maar het van dienst zijn aan de lageren is voor de brahmanen en de kshatriya's wel bekend met de Veda het verwerpelijke gedoe van honden [s'va-vrittih] dat men op moet geven; de wijzen en de leiders van de staat belichamen al de goden [zie ook B.G. 4: 13]. (21) De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van geest en zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, vreedzaamheid, vergevingsgezindheid, zijn recht-door-zee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, zijn dienst aan het Absolute van de Heer en zijn waarheidsliefde. (22) Een kshatriya onderscheidt zich door vaardigheid in het vechten, heldhaftigheid, vastberadenheid, krachtdadigheid, liefdadigheid, ingetogenheid, vergevingsgezindheid, trouw aan het brahmaanse, een goede stemming en liefde voor het ware. (23) Een vais'ya staat bekend om zijn toewijding tot de godsbewusten, de goeroe en de Godheid, de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn navolgen van voorschriften en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid. (24) Van de s'ûdra is er gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas, ondubbelzinnigheid, opoffering zonder verdere gebeden, waarheidsliefde, bescherming van koeien en brahmanen en voorzeker geen diefstal.

(25) Hem navolgen in zijn geloften, regelmaat kennen, haar echtgenoot alsook zijn vrienden en verwanten gunstig gezind zijn en bereidwillig zijn, treft men aan bij een vrouw met een heilig respect voor haar echtgenoot [zie ook B.G. 1: 40]. (26-27) Zij is van het schoonmaken, aandweilen en inrichten van het huis als een huisvrouw en persoonlijk goed gekleed met haar kleren en huishoudelijke zaken altijd schoon; wat betreft de grote en kleine verlangens van haar man is ze een kuise en bescheiden vrouw van zinsbeheersing zowel als van een beheerste tong en is ze waarachtig, behagend, liefdevol en van respect voor haar echtgenoot op het moment dat dat gewenst is. (28) Van tevredenheid, niet begeertig, kundig in het dienen, wetende wat dharma is, aardig, de waarheid sprekend, attent, zuiver en toegenegen, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij haar niet bedriegt. (29) Iedere vrouw die haar echtgenoot aanvaardt als de Hoogste Persoonlijkheid is op precies dezelfde manier van dienst als de Godin van het Geluk; toegewijd geniet ze zelf, naar de geest van Hari met haar echtgenoot in de geestelijke wereld van Vaikunthha, precies als Lakshmî het eeuwige. (30) Van hen die werden geboren uit een vermenging van klassen [pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] is er overeenkomstig de familietraditie de plicht niet van het stelen en de zonde te zijn van de lagere uitgestotenen.

(31) Over het algemeen wordt het dharma overeenkomstig de eigen materiële positie in de samenleving in ieder tijdperk [yuga] door de brahmaan onderkend, o Koning, als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als het leven hierna [zie ook B.G. 3: 25]. (32) Ieder naar de eigen geaardheid van handelen levend van zijn beroep is het gegeven, met het behartigen van zijn eigen zaken, in het opgeven van het karma dat hoort bij die bijzondere manier, geleidelijk aan de bovenzinnelijke positie te bereiken. (33-34) Een veld telkens weer bebouwd komt braak te liggen, niet geschikt voor verder oogsten van gezaaide zaden daar het uitgeput is; op dezelfde manier kan men, met een geest vol van lustige verlangens keer op keer [in zijn positie] van de voorwerpen der begeerte genietend, zijn interesse verliezen precies zoals, o Koning, kleine druppels geklaarde boter verloren gaan in het vuur. (35) En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon ook te respecteren conform die waarneming [m.a.w. hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden].

 

Hoofdstuk 12

De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

(1) S'rî Nârada zei: 'Een student [brahmacârî] levend bij de goeroe, behoort voor het heil van zijn goeroe zelfbeperking, bescheidenheid en gehoorzaamheid te beoefenen en standvastig te zijn in vriendschap met die geestelijk leraar. (2) 's Avonds zowel als 's ochtends behoort hij de goeroe, het vuur, de zon en de Beste der Verlichting [Heer Vishnu]; te vereren, stilletjes [de Gâyatrî] mompelend verzonken in gebed. (3) Door de geestelijk leraar geroepen, moet hij ordentelijk de mantra's oefenen en in het begin zowel als op het eind, zich goed gedragend, zijn eerbetuigingen brengen met zijn hoofd aan de lotusvoeten. (4) Uitgerust met een strooien touw om zijn middel, kleren van hertenvel, samengeklit haar, een staf, een waterpot en een heilige draad, behoort hij het kus'agras [om te zitten] op te pakken zoals voorgeschreven. (5) In de ochtend en de avond behoort hij eropuit te gaan om aalmoezen te bedelen en alles wat hij inzamelt moet hij aan de goeroe aanbieden. Hij behoort te eten als hem dat wordt opgedragen of anders bij tijden te vasten. (6) Zeer beleefd, enkel het noodzakelijke etend behoort hij, met inzet en vol van geloof, zich naar noodzaak verhoudend met het uiterlijke leven met de vrouwen en de mannen die door hen worden beheerst, zijn zinnen onder controle te hebben [vergelijk 3.3: 5]. (7) Hij, niet behorend tot het huishoudelijk leven, moet, voor de zo goed als onoverwinnelijke zinnen die zelfs de geest van een verzaakte persoon meevoeren, het opgeven vrouwen aan te spreken met het inachtnemen van de grote gelofte van het celibaat [de yama van de ashthânga-yoga]. (8) Het haar borstelen, het lichaam masseren, het te baden en in te wrijven met olie is iets wat de nog jonge vrouw van de goeroe nimmer moet worden toegestaan als dienstverlening als de volgeling nog jong is [zie ook 1.11: 29]. (9) Met name de verstandsverbijsterde aanbidding [van haar] is als vuur voor het vat met boter dat een man is; met andere vrouwen, zelfs met zijn eigen dochter, behoort hij, levend in afzondering, niet meer omgang te hebben dan nodig is. (10) Zolang als men zich in zijn innerlijke overwegen hier positief in zelfverwerkelijking van verzekert, bestaat er voor die tijd vrijheid van illusie met de dualiteit, maar zich niet onthechtend met die dualiteit komt men met de persoon uit op het tegenovergestelde [zie ook B.G. 5: 18]. (11) De noodzaak van het opvolgen van de aanwijzingen van de goeroe geldt evenzogoed voor een huishouder als voor een verzaakt iemand, zij het dat de huishouder voor een bepaalde periode seks kan hebben [ook: B.G. 7: 11]. (12) Zij die de gelofte van het celibaat hebben afgelegd moeten er mee ophouden hun ogen op te maken, het hoofd en het lichaam te masseren, het beeld van de vrouw te koesteren, vlees te eten, zich te bedwelmen, geuren of geparfumeerde smeersels te gebruiken en zichzelf op te sieren met juwelen en bloemen.  (13-14) Op deze manier onder de hoede van een goeroe verkerend komen zij die met een nieuw leven begonnen studerend, naar gelang hun talent, voor zover mogelijk, tot het juiste begrip van de Veda's en hun s'astrische supplementen en aanhangende upanishadische filosofieën. Wetende wat de goeroe wil, komen ze, voor zover ze dat kunnen, aan zijn wensen tegemoet en beginnen ze aan een huishoudelijk leven [grihastha] of gaan ze het bos in [vânaprastha of een teruggetrokken positie in de gemeenschap] als ze eenmaal zijn gezelschap verlaten, of blijven ze bij hem [zijn ze als hem, als een sannyâsî]. (15) In het vuur, in de goeroe, in iemand zelf en in iedere bestaansvorm bevindt zich Adhokshaja, Hij Voorbij aan Alles, en Hem moet men beschouwen als zowel de levende wezens en alles wat bij Hem hoort te zijn binnengegaan alsook niet erin te zijn binnengegaan [pravistah/apravistah vergelijk B.G. 9: 4]. (16) Of men op deze manier nu een student is, teruggetrokken, verzaakt of een huishouder, kan men, als men door zijn zelfverwerkelijking volledig vertrouwd is geraakt met de wijsheid, het Allerhoogste van het Spirituele, de Absolute Waarheid doorgronden. 

(17) Laat me nu uitleg verschaffen over de regels en reglementen van het teruggetrokken leven [vânaprastha] zoals onderkend door de heiligen, waardoor een heilig man die zich daarmee bezighoudt zonder moeite wordt bevorderd tot de wereld der wijzen [Maharloka]. (18) Hij behoort geen granen te eten van gecultiveerde gronden noch wat niet rijp is van niet in cultuur gebrachte velden en ook geen granen of rijpe zaken die werden toebereid; het staat zo voorgeschreven dat de vânaprastha behoort te eten wat op een natuurlijke manier door de zon gerijpt is. (19) Van de natuurlijk gegroeide granen en vruchten die het bos verschaft behoort hij koeken klaar te maken en met het verkrijgen van nieuwe vruchten moet hij de oude voorraad opgeven. (20) Persoonlijk de sneeuw, de wind, het vuur, de regen en de zonneschijn verdragend, behoort hij slechts de beschutting van een grashut of een grot te zoeken om een vuur gaande te houden. (21) Eveneens onbekommerd over het haar op zijn hoofd, het haar op zijn lichaam, zijn nagels, zijn baardgroei, zijn vuil en het samenklitten van zijn lokken, hoort hij er een waterpot en een hertenvel, een staf en boomschors [om zich te bedekken] en kleding met de kleur van vuur op na te houden. (22) Hij behoort voor de duur van ofwel twaalf jaar, acht jaren of vier jaren in het bos te verblijven als een heilige, bedachtzame man of anders voor twee jaar of één jaar ook dat te doen, in zijn intelligentie niet verdwaald over de ontberingen. (23) Als hij te ziek dan wel te oud is om zijn plichten na te komen in zijn vorderen in de kennis en het geestelijk leven, moet hij er van afzien nog voedsel tot zich te nemen. (24) Zoals het hoort het vuur-element binnenin zichzelf plaatsend behoort hij het valse zelf op te geven van het geïdentificeerd zijn met het lichaam en volledig op te gaan in enkel, zoals het is, het geheel van de vijf elementen. (25) Een persoon met kennis van het zelf vindt de oorsprong van zijn lichaamsopeningen in de ether; de verschillende vormen van lucht in hem bewegend vindt hij in de lucht; de oorzaak van de lichaamswarmte vindt hij in het vuur; het bloed, het slijm en de urine vinden met hem hun oorzaak in het water en de oorzaak van het overige [de harde delen] wordt gevonden in de aarde [vergelijk met 1.15: 41-42 en 3.6: 12]. (26-28) De spraak en het orgaan ervoor behoren de God van het Vuur toe, de handen en hun handigheid horen bij Indra, de benen en hun macht zich voort te bewegen vinden in Vishnu hun oorsprong en de geslachtsdelen met hun seksuele verlangen behoren de Prajâpati toe. Het rectum en de ontlastingsactiviteiten zijn van Mrityu [de Dood] en ook behoort de gehoorzin naar de geluiden te worden thuisgebracht bij de [godheden van de] windrichtingen en moet de tastzin en het orgaan ervoor de windgod [Vâyu] worden toegekend. Het zien met haar vormen, o Koning, moet men de Zon toewijzen en tot het water en haar heerser behoort de tong, terwijl de reuk en de geuren erbij de aarde moet worden toegerekend. (29-30) De geest en haar verlangens horen Candra toe, de intelligentie en haar voorwerp van studie hoort tot de Allerhoogste der Educatie, het valse ego van het 'ik' en 'mijn'- handelen met haar karma komt Rudra [S'iva] toe, het bewustzijn met haar idee van existeren hoort bij de Kenner van het Veld [zie B.G. 13: 1-4] en de geaardheden en hun bestaansvormen horen bij het Voorbije. Met de aarde tot het water, het water tot het licht der hemellichten, de helderheid tot de lucht, de lucht tot de ether, de ether tot het materialistisch begrip, het valse ego tot dat: de materiële energie, dat weer opgaand in het volledige van de werkelijkheid [de mahat-tattva], en de werkelijkheid in de primaire natuur [met het ongemanifesteerde de pradhâna, zie 3.26: 10], behoort dat dan tezamen tot de Superziel. (31) Aldus is men van het Allerhoogste van zijn ziel, van dezelfde kwaliteit zijnd in het verstaan van het resterend evenwicht, volledig spiritueel en behoort men aldus zijn bestaan te beëindigen zoals het gaat met vlammen waarvan de bron is opgebrand.' 

 

Hoofdstuk 13  

Het Gedrag van een Heilige Persoon

(1) S'rî Nârada zei: 'Een persoon die door zelfrealisatie klaar is voor wat ik tevoren beschreef, behoort over de aarde rond te trekken en daarbij, niet meer dan zijn lijfsbehoud wensend, niet van enig iets afhankelijk zijn en in geen dorp langer te blijven dan een dag [zie ook het verhaal van Rishabha 5.5: 28]. (2) De verzaker [sannyâsî] moet niet meer kleding dragen dan een schamele bedekking van zijn lendenen en, als het hem niet tegenzit, in zijn verzaking aan niets anders vasthouden dan aan zijn staf [danda] en dergelijke. (3) Zijn heil bij Nârâyana zoekend, levend van enkel aalmoezen en volledig tevreden zijnd in zichzelf, beweegt hij zich rond geheel op zichzelf, volledig onafhankelijk, ieder levend wezen het beste wensend in volmaakte vrede. (4) Zo een iemand moet dan dit universum van oorzaak en gevolg zien als bestaande binnenin het onvergankelijke Zelf in het voorbije en zichzelf zien als [een deel van] het Opperste Absolute dat overal de wereld van oorzaak en gevolg doordringt. (5) Van het slapen, waken en het dromen ertussenin waar men zo mee bezig is [zie ook 6.16: 53-54] moet hij die het zelf werkelijk ziet begrijpen dat de staten van gebondenheid en bevrijd zijn in feite niets anders dan een spel van de verbeelding vormen. (6) Met moet zich niet zozeer verheugen in het zekere - of het onzekere - van de dood van dit lichaam en zijn levensduur, maar zich meer de Hoogmogende Tijd voorhouden die heerst over het verschijnen en verdwijnen van de levende wezens. (7) Men moet niet zwelgen in fixaties op het onware noch daarin een loopbaan proberen op te bouwen; doelloos argumenteren moet worden opgegeven en ook moet men niet zijn toevlucht zoeken in partijen [politieke partijen]. (8) Geen volgelingen voor het een of ander, noch voorzeker het lezen en schrijven van vele boeken, noch moet men voor zijn brood proberen lezingen te organiseren of het ooit proberen de zeggenschap uit te breiden [met het bouwen van tempels b.v.]. (9) Hij die gevorderd is, van vrede en een gelijkgezinde geest, kan, hoewel als verzaker ze nimmer nodig hebbend, de symbolen van zijn geestelijke positie uitdragen [zijn âs'rama*] of ze evenzogoed eraan geven. (10) Hoewel hij uiterlijk misschien niet direct als een wereldverzaker is te herkennen, is zijn opzet toch duidelijk; zo iemand kan zich als heilige voor de samenleving voordoen als een opgewonden jochie of, als hij een groot redenaar was, zich voordoen als iemand die niet in staat is te spreken.

(11) De geschoolden halen in dit verband als een voorbeeld van deze verhulde identiteit een zeer oud historisch voorval aan van een gesprek tussen Prahlâda en een heilige man die leefde als een python. (12-13) Hij was getuige van het zuiverste, hoogst ernstige, geestelijk vermogen van die man daar aan de oever van de Kâverî rivier op een helling van de berg Sahya, met hem op de grond liggend met zijn gehele lichaam overdekt met vuil en stof. Prahlâda, de lieveling van de Allerhoogste Heer, kwam hem tegen toen hij in het gezelschap van een stel van zijn koninklijke vrienden de wereld bereisde in een poging te begrijpen wat het was wat de mensen beheerste. (14) Uit wat hij deed, hoe hij eruit zag, naar wat hij zei en naar zijn leeftijd en bezigheid en andere identiteitskenmerken konden de mensen niet opmaken of die man nu wel of niet dezelfde persoon was die ze ooit zo goed gekend hadden. (15) Na hem zijn respect getoond te hebben en hem volgens de regels te hebben vereerd en zijn lotusvoeten met zijn hoofd te hebben beroerd, stelde de grote asura toegewijde van de Heer, benieuwd hem te leren kennen, de volgende vraag. (16-17) 'Ik zie dat u er een nogal dik lijf op nahoudt als iemand die belust is op geld; mensen die zich altijd zorgen maken om een inkomen zijn zeker van de zinsbevrediging en zij die het zo breed hebben als genieters van deze wereld en zich met niets anders bezighouden, worden bijgevolg zo dik als inderdaad dit lichaam van u. (18) Het moge duidelijk zijn dat met u die hier neerligt zonder iets te doen, o man van de geest, ook geen geld kan hebben om uw zinnen te genieten; hoe kan, niet uit op het plezier, uw lichaam nu in deze staat verkeren, o geleerde, alstublieft zeg ons dat als ik zo onbeleefd mag zijn. (19) Ondanks het feit dat u zo geleerd bent, bedreven en intelligent, en in staat bent u goed uit te drukken en gelijkmoedig te blijven, gaat u, terwijl u ziet hoezeer de mensen druk zijn met baatzuchtige handelingen, er maar bij liggen!'

(20) S'rî Nârada zei: 'Op deze manier overspoeld door de woorden van de Daitya koning glimlachte de grote muni naar hem en was hij, gecharmeerd door de nectar van zijn woorden, ertoe bereid antwoord te geven. (21) De achtenswaardige brahmaan zei: 'O beste der Asura's geprezen door de âryan's, vanuit uw bovenzinnelijke visie bent u wel bekend met inderdaad al de zaken waartoe de mensen geneigd zijn en waarvan ze zich afkeren al naar gelang hun verschillende posities. (22) Hij die Nârâyana onze God en Nârâyana onze Heer altijd in zijn hart heeft, kan door enkel zijn toewijding de onwetendheid uitbannen zoals de zon de duisternis verdrijft. (23) Niettemin zal ik al uw vragen proberen te beantwoorden o Koning, in overeenstemming met de Veda's, daar u daadwerkelijk, voor iemand die zijn zelf gezuiverd wenst, het waard bent te worden aangesproken. (24) Vanwege materiële verlangens was ik onder de invloed van de wereld bezig mijn lustige verlangens bot te vieren en worstelde ik, voortgedreven van de ene handeling naar de andere en geboren in verschillende levensvormen, om mijn voortbestaan. (25) Deze menselijke gedaante, meegevoerd op de golven van de oceaan der materie, bereikte, door zijn karma zich her en der begevend, de hemelpoort der bevrijding, de lagere vormen van leven en weerom een menselijk leven [zie ook B.G. 8: 16 en **]. (26) En in dat leven treft men de gemeenschap van man en vrouw aan terwille van het plezier. Maar ziende hoe, altijd bezig met vruchtdragende handelingen, men het tegendeel [van dat plezier] bereikt, ben ik er nu mee opgehouden teneinde te kunnen ontkomen aan die ellende. (27) Gelukkig zijn is de natuurlijke staat van het levend wezen, en aldus, definitief een punt zettend achter alles hier met het gezien hebben hoezeer de eisen van de wereld zijn gekoppeld aan de zinsbevrediging, ben ik, me bezinnend op deze zaken, tot de stilte overgegaan. (28) Het zich bevinden in deze wereld doet iemand, door de valse aantrekking van die materiële wereld zeer beangstigend verstrikt geraakt in materiële aangelegenheden die hem vreemd zijn, daadwerkelijk het belang van het levende wezen in zichzelf vergeten. (29) Precies als water dat overwoekert door gras over het hoofd wordt gezien door een dorstig iemand het onwetend elders zoekt, is dienovereenkomstig iemand in zijn materiële eigenbelang een luchtspiegeling [van materieel geluk] aan het najagen. (30) Iemand met zijn lichaam en alles onder de zo machtige controle der materie verkerend, zoekt het geluk dat eigen is aan het zelf door te trachten zijn ellende te verminderen en wordt, volledig geconditioneerd, keer op keer teleurgesteld in zijn plannen en ondernemingen. (31) Door het drievoudige van de ellende geschapen door hemzelf, door anderen en door de natuur, is de sterveling, soms van enig succes in het zich verweren tegen de onvermijdelijke tegenslagen, maar desalniettemin komt hij er niet van af; wat is dan de waarde van zulk een geluk, waar lopen dat soort verlangens nu op uit? (32) Denk maar eens aan de ellende van de rijken die zo druk zijn met hun bezit: als het slachtoffer van hun zintuigen hebben ze uit angst slapeloze nachten waarin ze het gevaar van alle kanten op zich af zien komen. (33) Voor de regering, voor dieven, voor vijanden, verwanten, dieren en vogels, voor bedelaars, voor de Tijd zelve, zowel als voor zichzelf, is hij die voor het geld leeft altijd bevreesd. (34) Wat een intelligente persoon op moet geven is de eigenlijke oorzaak die leidt tot alle jammerklachten, illusies, angst, woede, gehechtheid, armoede, zwoegen enzovoorts van het menselijk wezen: het verlangen naar status en geld [***].

(35) De bijen aan het werk en de grote slangen in deze wereld zijn in dezen onze eerste klas goeroes: van wat zij ons leren vinden wij de bevrediging [in het niet meer nemen dan noodzakelijk is] en de verzaking [van het nergens anders te zoeken]. (36) De bijen hebben me geleerd te onthechten van alle verlangens daar van het geld, dat met moeite wordt verkregen als de honing, men zelfs bereid is elkaar van het leven te beroven met het bestelen van de eigenaar. (37) Niet méér verlangend ben ikzelf tevreden met wat ik vrij van ondernemen kan verwerven, en lukt dat niet, dan lig ik hier maar wat, vele dagen het uithoudend als een python. (38) Soms eet ik weinig, soms eet ik veel voedsel, of het nu vers is of oud, prima smaakt of smakeloos is; soms wordt het me met alle respect gebracht en soms wordt het respectloos aangeboden; aldus dan weer 's nachts etend en dan weer overdag, eet ik wat er maar voor handen is. (39) Van linnen gemaakt, zijde of katoen, een hertenvel, met een lendendoek, of wat voor materiaal het ook moge zijn; met een gelukkige geest trek ik aan wat het lot me maar biedt. (40) Soms ga ik liggen op de grond, op gras, bladeren, op steen of op een hoop as maar soms ook, al naar gelang wat anderen me toewensen, kan ik me in een paleis neervleien op een eersteklas bed met kussens [zie ook B.G. 18: 61]. (41) Soms neem ik een fijn bad met smeersels van sandelhout voor mijn lichaam en kleed ik me netjes aan, gesierd met bloemenslingers en sieraden, en zit ik op een wagen, een olifant of op de rug van een paard; en soms zwerf ik geheel naakt rond als door een geest bezeten, o machtige. (42) Ik vervloek niet, noch steek ik de loftrompet over de mensen die verschillend van aard zijn; ik bidt voor het uiteindelijk voordeel van hen allen, dat in waarheid de Eenheid van de Grotere Ziel is. (43) Het idee van onderscheid moet, als een offergave, worden geofferd in het vuur van het bewustzijn, dat bewustzijn dan in het vuur van het denken dat de wortel van alle verwarring is, dat denken moet dan vervolgens worden geofferd in het vuur van het valse zelf en dit ego van materiële identificatie moet, dit principe volgend, worden geofferd in het geheel van de materiële energie. (44) Het valse van het materieel bestaan wordt, door een bedachtzaam persoon die in zijn zelfverwerkelijking de uiteindelijke waarheid realisee rt, geofferd als een offergave en daarvan bevindt hij, vrij van begeerten, zich aldus in de trouw aan de essentie van zijn eigen levende zelf. (45) Dit relaas over mijzelf leg ik nu op deze manier aan u voor in de grootste vertrouwelijkheid; het kan zijn dat u, vanuit uw goede zelf als een man van overstijging met de Allerhoogste Heer, de gebruikelijke [schriftuurlijke] uitleg mist.'

(46) S'rî Nârada zei: 'Aldus vernemend van de heilige man wat waarlijk het dharma van de paramahamsa's is [zie ook 6.3: 20-21] excuseerde zeer behaagd de asura heer zich om, nadat hij hem het verschuldigde respect betoond had, weer naar huis terug te keren.'

* De vier stadia van sannyâs zijn: kuthîcaka, bahûdaka, parivrâjakâcârya en paramahamsa [zie verder voetnoot 5.1].

** Svâmî Prabhupâda commentarieert: het materiële leven wordt pavarga genoemd omdat we hier onderworpen zijn aan vijf verschillende toestanden van lijden, gerepresenteerd door de letters pa, pha, ba, bha en ma. Pa betekent parisrama, zeer zwaar werk. Pha betekent phena, of schuim om de mond. Bijvoorbeeld, we zien soms een paard met schuim om de mond als het zware arbeid verricht. Ba betekent byarthatâ, teleurstelling. Ondanks veel hard werken, vinden we tenslotte teleurstelling. Bha betekent bhaya, of angst. In het materieel bestaan, bevindt men zich altijd in het laaiend vuur van de angst, omdat niemand weet wat hem te wachten staat. Tenslotte, betekent ma mrtyu, of de dood. Als men probeert deze vijf zijnstoestanden --pa, pha, ba, bha en ma-- van het leven tot nul terug te brengen bereikt men apavarga, of bevrijding van de straf van het materieel bestaan.

*** S'rîla Rûpa Gosvâmî schrijft in zijn 'Nectar van Instructie' (2):

atyâhârah prayâsas' ca
prajalpo niyamâgrahah
jana-sangas' ca laulyam ca
shadbhir bhaktir vinas'yati

"Iemands toegewijde dienst raakt bedorven als hij te veel verstrikt raakt in de volgende zes activiteiten: (1) meer eten dan noodzakelijk of meer geld inzamelen dan nodig is; (2) zich overmatig inspannen voor wereldse zaken die zeer moeilijk te verwerven zijn; (3) niet noodzakelijk praten over wereldse aangelegenheden; (4) het naleven van schriftuurlijke regels en bepalingen enkel ter wille van de horigheid eraan en niet voor het heil van de spirituele ontwikkeling, of het verwerpen van de regels en voorschriften van de geschriften en het op eigen houtje werken of met luimen; (5) omgang hebben met werelds-gezinde personen die niet in het Krishna-bewustzijn geïnteresseerd zijn; en (6) begeertig zijn naar wereld succes." 

 

Hoofdstuk 14  

Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

(1) S'rî Yudhishthhira zei: 'Alstublieft leg me uit hoe huishouders [grihastha's], zoals ik in onwetendheid over het doel van het leven, net zo zonder moeilijkheden deze positie van bevrijding in overeenstemming met de geschriften kunnen bereiken, o devarishi.'

(2) Nârada Muni antwoordde: 'O Koning, iemand die thuis verblijft moet, de grote toegewijden van dienst zijnd, de voor hem [door goeroe en S'âstra] voorgeschreven plichten vervullen met achting voor Vâsudeva Zijn zichtbare vorm. (3-4) Altijd temidden van zijn medemens en vrij van alle materiële bezigheden gewetensvol op de juiste tijd de nectar van de vertellingen aanhorend over de avatâra's van de Heer, moet men aldus in goed gezelschap verkerend geleidelijk aan zichzelf bevrijden van zijn gehechtheid aan zijn vrouw en kinderen en aldus, van hen loskomend, ontwaken als uit een droom [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54]. (5) Iemand van een dergelijke scholing, hij die met het op die manier van leven in de menselijke samenleving zich voor het lichaam en het gezin niet meer inspant voor de kostwinning dan strikt noodzakelijk is, dient te worden aangemerkt als zijnde niet zo gehecht als hij lijkt te zijn. (6) Met wat de verwanten, de ouders, de kinderen, de broers en vrienden of wie nog meer ook suggereren te doen, met wat ze ook mogen verlangen, moet hij instemmen zonder het al te ernstig te menen. (7) Hiervoor moet de intelligente persoon van alles gebruikmaken wat vanzelf wordt verkregen: al de zaken die door God worden gegeven [zoals vruchten], alles wat men uit de aarde wint [zoals mineralen] en alles wat men toevallig zo binnenhaalt [aan donaties of afdankertjes]; ze zijn allen evenzeer voortgebracht door de Onfeilbare. (8) De maag mag men vullen voor zover nodig en niet meer, daar meer te claimen dan dat je als iemand van een dergelijke toeëigening tot een dief zou maken die het verdient te worden bestraft. (9) Herten, kamelen, ezels, apen, muizen, slangen, vogels en vliegen moet men [in dezen] beschouwen als zijn eigen kinderen; hoe weinig verschil bestaat er niet tussen die dieren en kinderen? (10) Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] niet overmatig van inspanning [ugra-karma] zijnd behoort een persoon, alhoewel vol zorg over zijn huishouding, alleen zoveel binnen te halen als de genade van God naar gelang de tijd en omstandigheid zou verschaffen [zie ook 4.8: 54]. (11) Tot aan de hond, de gevallen ziel en uitgestotene toe, behoort het noodzakelijke naar behoefte te worden verdeeld; zelfs de eigen echtgenote, die zo na aan het hart ligt, behoort men te delen opdat zij er kan zijn [als een moeder] voor al de mensen [b.v. de gasten in huis en dergelijke]. (12) Men mag die claim haar te bezitten opgeven waarvoor men bereid was zichzelf of anderen van het leven te beroven of zijn ouders en geestelijk leraar in de steek te laten, zodat men daadwerkelijk Hem voor zich kan winnen die niet kan worden overwonnen [anders dan door opoffering]. (13) Voor de insecten, tot ontlasting en tot as vergaat het ten leste met deze gehechtheid, dit onbeduidende materiële voertuig; van welke waarde is die aantrekking voor het lichaam van de echtgenote in verhouding tot de ziel die alles net als de ether doordringt? (14) Wat de Heer geeft, dat wat offers iemand brengen, behoort men uiteindelijk te beschouwen als de middelen van bestaan. Alle eigendomsrechten worden opgegeven door hen die wijs zijn; het is de positie van de groten in dezen die men moet zien te verwerven. (15) In respect voor de goden, de wijzen, voor de mensheid en de levende wezens, de voorvaderen en voor zichzelf afzonderlijk behoort men, met het met het zich in leven houden met wat vanzelf wordt verkregen, dagelijks de Oorspronkelijke Persoon te eren. (16) Op het moment dat men [als een huishouder] alles onder controle heeft - niet alleen de benodigdheden maar ook zichzelf - behoort men met offers in het vuur overeenkomstig de voorschriften zoals die zijn vastgelegd in de geschriften van aanbidding te zijn met alles wat ter beschikking staat om de Heer te behagen [zie B.G. 4: 24-29]. (17) O Koning, de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers is minder aanbeden door het offeren van ghee in de mond van het vuur dan door offerandes gebracht voor de monden van de geleerden [zie ook 3.16: 8]. (18) Wees daarom van eerbetoon, met de brahmanen vooropgesteld, via al de brahmanen en de halfgoden, al de stervelingen en de andere levende wezens, en offer op deze manier naar uw vermogen alles wat verlangd wordt aan de kenner van het veld [de Heer, zie B.G. 13: 3].

(19) Gedurende [bijvoorbeeld] de donkere helft van de maand Âs'vina (oktober-november) en de maand Bhâdra (augustus-september) moeten de tweemaal geborenen offers brengen aan de voorvaderen voorzover ze het zich veroorloven kunnen en ook aan hun verwanten, gegeven de noodzakelijke middelen. (20-23) Ook bij de zonnewenden als de zon zich naar het noorden en zuiden beweegt of Ram en Steenbok binnengaat, in de yoga [12.3 booggraden] genaamd Vyatîpâta, op de dagen die drie maankalender-dagen bestrijken [tithi's] en op dagen van zonsverduisteringen en de nieuwe maan, alsook op de twaalfde dag van de maanmaand en met het sterrenbeeld [nakshatra] S'ravana; eveneens op de dag Akshaya-tritîyâ, op de negende dag van de heldere maandhelft van de maand Kârtika, op de vier ashthakâ's [het achtdaagse] in het winterseizoen en het koele seizoen, op de zevende dag van de heldere maandhelft van de maand Mâgha, tijdens de conjunctie van de Maghâ-nakshatra en de wassende maan, op dagen van de volle maan of als die nog wassende is als deze dagen samenvallen met de nakshatra's waarvan de namen van sommige maanden zijn afgeleid, op iedere twaalfde dag van de maankalender in conjunctie met ieder van de nakshatra's genaamd Anurâdhâ, S'ravana, Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ en de zevende maankalenderdag die samenvalt met Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ alsook op dagen die in conjunctie verkeren met de ster van iemands eigen geboorte [janma-nakshatra] of de S'ravana-nakshatra, wordt het aangeraden zijn plechtigheden te houden. (24) Het is op deze gunstige tijden [van het regelmatig zijn naar natuurlijke gebeurtenissen] dat het lot der mensen ten goede keert; op die dagen behoort men allerlei soorten van plechtigheden te houden en aldus door alle seizoenen heen voor het menselijk wezen goedgunstigheid, succes en langlevendheid te hebben [zie de volledige kalender van orde voor het instellen van dagen naar natuurlijke gebeurtenissen]. (25) Op deze heilige tijden een heilig bad nemend, japa doend [de vedische rozenkrans], offers brengend in het vuur en zich aan geloften houdend, is wat men ook offert aan de Allerhoogste Heer, de tweemaal geborenen die zorg dragen voor de beeltenissen, de voorvaderen, de goddelijken, de menselijke wezens in het algemeen en andere levende wezens daadwerkelijk een vaststaande goede daad. (26) O Koning, de tijden van de zuiveringS'rîtuelen dienen het belang van de echtgenote, de kinderen en uzelf alsook het houden van begrafenissen, herdenkingsdagen en [het afgrenzen van dagen voor] het verrichten van baatzuchtige arbeid.

(27-28) Laat me naar aanleiding hiervan u op de hoogte stellen wat de waarlijk meest heilige plaats is geschikt om zich ermee bezig te houden: daar waar een navolger der waarheid beschikbaar is [een heilige, een Vaishnava, een goeroe], in een tempel; daar waar het Allerhoogste van de Heer en het gezelschap van brahmanen wordt gevonden die vol zijn van verzaking en scholing en genade hebben voor ieder afzonderlijke, zich bewegende en niet-bewegende levensvorm in het ganse universum. (29) Waar ook maar de gedaante van de Allerhoogste Heer wordt aangetroffen, die plaats is de alleszins gunstige toevlucht, waar die ook moge zijn, zoals de Ganges of de andere rivieren ook vermeld in de Purâna's. (30-33) Meren als Pushkara en gevierde plaatsen die de heiligen plaats bieden als Kurukshetra, Gayâ, Prayâg [Allahabad] en Pulaha-âs'rama; Naimishâranya [nabij Lucknow], Phâlgunam, Setubhanda [naar Lankâ], Prabhâsa, Dvârakâ, Benares, Mathurâ, te Pampâ, Bindu-sarovara, in Badarikâs'rama, Nandâ, de plaatsen waar Sîtâ Devî en Heer Râma verbleven zoals Citrakûtha en o Koning, al die heuvelruggen zoals Mahendra en Malaya - zij allen zijn van het heiligste; zij en al de plaatsen waar de Heer en Zijn beeltenissen worden vereerd [dus ook buiten India] moeten inderdaad telkens weer worden bezocht door degene die het goedgunstige verlangt, aangezien het aldaar is waar van de personen de religieuze handelingen volbracht duizend keer effectiever zijn.

(34) O heerser der aarde, door de geleerden met inzicht in de ontvanger is het besloten dat de enige die het respect waard is in de wereld inderdaad de Heer is, in Hem rust waarlijk alles wat beweegt en niet beweegt [zie tevens 4.31: 14]. (35) Kiezend uit de meest aanbiddelijke heilige persoonlijkheden van God besloten de zonen van Brahmâ alsook de andere getrouwen der waarheid aanwezig [bij Yudhishthhira's râjasûya offerplechtigheid], o Koning, dat als de eerste van hen allen die voor aanbidding in aanmerking zou komen, Krishna moest worden aangewezen als de beste. (36) De talloze zielen die dit universum bevolken zijn als een gigantische boom en omdat Hij de wortel van die boom is bevredigt de aanbidding van de Onfeilbare alle levende wezens. (37) Hij inderdaad is de Oorspronkelijke Persoon die rustend bij de individuele zielen woont in hun stoffelijk omhulsel; de lichamen van al die geschapen wezens, de mensen, de niet-menselijke wezens, de heiligen en de goddelijken, vormen Zijn verblijfplaats [zie ook B.G. 18: 61]. (38) Voor hen is Hij inderdaad, afhankelijk van hun nivo van begrip en daadwerkelijke boetedoening, de Allerhoogste Heer die meer of minder duidelijk aanwezig is, o Koning, en om die reden is Hij de eerste en belangrijkste persoon van ontvangst [vergelijk B.G. 15: 15]. (39) Toen ze zagen dat, vanaf het begin van Tretâ-yuga, het onderlinge respect in de menselijke samenleving in het negatieve aan het omslaan was, o Koning, introduceerden de geleerden de verering van beeltenissen [zie ook 12.3: 52]. (40) Sedertdien aanbidt men met groot geloof en alle benodigdheden de beeltenis van de Heer, alhoewel die regelmatige aandacht [voor de uiterlijkheid van God] niet bijzonder van nut is voor de negatief ingestelde mensen [daar het werkelijk voordeel wordt gevonden in de wijsheid waar de beeltenissen toegang toe verschaffen, zie ook 3.29: 25, B.G. 18: 68 & 69]. (41) O beste der koningen, men moet zich realiseren dat de beste persoon onder de mensen inderdaad de brahmaan is omdat hij vanuit zijn verzaking, scholing en voldoening de vedische kennis belichaamt van de Allerhoogste Persoon Hari. (42) Het is namelijk door Hem, door Heer Krishna, het leven en de ziel van het universum, o Koning, dat de brahmanen geheiligd worden; bij het stof van hun aanbiddelijke voeten is er het hoogst verhevene in de drie werelden.

 

Hoofdstuk 15  

Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

(1) S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen wijden zich aan baatzuchtige activiteiten, sommigen houden zich bezig met ontzeggingen, o heerser der mensen, sommigen zijn van vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen zich ook verenigen [in het bewustzijn] in de geestelijke kennis [in bhakti- en jñâna-yoga]. (2) Een persoon die de bevrijding verlangt behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan degenen die de geestelijke kennis zijn toegewijd en behoort ook, los van dat wat geofferd wordt aan de godsbewusten, te doneren aan anderen, zij het dan met onderscheid. (3) Offerend aan de halfgoden moet men er twee [brahmanen bij] te eten geven, offerend aan de voorvaderen behoort men er drie te eten te geven, of men moet tenminste in beide gevallen er één voeden; ook al is men nog zo rijk, men moet met wat men aanbied niet al te breed uitpakken. (4) Wat betreft een geëigende plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die aanbeden wordt en de methode aangewend, zal het met het offeren in geloof [met de s'râddha-ceremonie] niet allemaal even perfect lukken met een grote groep genodigden. (5) Het voedsel voor de personen van de heiligheid moet, voor zover beschikbaar, op de juiste tijd en plaats met liefde en toewijding worden geofferd aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God overeenkomstig de regulerende beginselen en de woorden van de geestelijk leraar; wat men op deze manier offert aan degene die aanbeden wordt zal een onuitputtelijke bron van voorspoed worden. (6) Als men voedsel offert voor de goddelijken, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, de verwanten en voor de eigen familieleden, moet men hen allen beschouwen als een deel van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God. (7) Hij die weet heeft van de principes van het dharma moet nooit vlees offeren [noch vis en eieren] tijdens de ceremoniën van geloof, noch los daarvan zelf een vleeseter zijn; met degenen die aanbeden worden is er de hoogste voldoening met het [vegetarisch] voedsel van de wijzen en niet zozeer met voedsel dat berust op nodeloos geweld jegens dieren. (8) Voor personen die naar ware rechtschapenheid verlangen bestaat er geen hogere religie dan dit: het in geest, woorden en handelingen opgeven van alle geweld jegens andere levende wezens.

(9) Personen die vrij van materiële verlangens heel goed weten wat de bedoeling is van het brengen van offers, zijn, verlicht in de jñâna, van het offeren door hun aandacht gevestigd te houden op het ware zelf [in samyama]; zij, gevorderd in de kennis der spiritualiteit, weten dat sommige offers, [het offeren van dieren] karmische gevolgen hebben. (10) De dieren die de offeraar bezig zien met zijn materiële zaken raken bevangen door angst denkend: 'Deze persoon heeft het vast niet goed voor met ons, hij, het niet echt goed wetend, zal zeker snel een resultaat willen zien door ons ter dood te brengen!' (11) Om die reden moet dan ook hij die werkelijk van het dharma is [zie ook B.G. 18: 66], dag in dag uit, met de grootste voldoening, zijn reguliere en gelegenheidsplichten nakomen met het voedsel dat door God schonken wordt, het [vegetarische] voedsel der wijzen. (12) Vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma zijn de vijf verschillende vormen van goddeloosheid die door hen die zich trouw aan de schrift houden worden beschouwd als het adharma, het onrechtschapen bezig zijn, dat moet worden opgegeven.  (13) Wat de oorspronkelijke bedoeling van de eigen plichtsvervulling in de weg staat is vidharma, verkeerd begrepen of vreemd aan het eigene is het paradharma, aanwijzingen die haaks staan op iemands levensbestemming zijn upadharma en men spreekt van chala als door een tegenstander de woorden van de geschriften worden verdraaid met een valse voorstelling van zaken. (14)  Dat wat personen naar eigen nukken als een slap aftreksel doen in weerwil van de bedoeling van de eigen levensorde [de âs'rama] is âbhâsa; [men moet zich met dit alles afvragen:] in welk opzicht zou dat wat naar de eigen aard als zijnde het geëigende dharma is geregeld nou niet de vrede brengen? (15) Zo moet men als men het niet breed heeft, niet proberen meer geld te krijgen; met de religie en de economie moet men niet voorbijstreven wat noodzakelijk is om lichaam en ziel bij elkaar te houden. De begeerteloosheid van iemand die vrij is van dat ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning. (16) Waar vindt hij, die gedreven door lust en hebzucht voor de rijkdom ronddoolt van hot naar haar, nu het geluk van de tevreden persoon die niet ondernemend voor zijn onderhoud gelukkig is van binnenuit? (17) Voor een geest immer van de vrede is iedere weg bewandeld even gunstig, precies zoals dat het geval is met een persoon die met schoenen aan zijn voeten niets te vrezen heeft van steentjes en doorns.  (18) Of, o Koning, waarom zou een persoon van vrede niet gelukkig leven op een beetje water, als hij van het moeilijke gedoe met zijn geslachtsdelen en zijn tong een mens wordt die niet beter is dan een huishond? (19) Voorzeker zal van een ontevreden iemand die geschoold is, vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan de kracht wegkwijnen van zijn zinnen, zijn geleerdheid, verzaking en faam en zal zijn spirituele inzicht verdwijnen. (20) Voor iemand die hongerig en dorstig is komen de lusten teneinde, van geventileerde woede is er opluchting, maar een persoon kan niet van zijn begeerte afkomen als hij eropuit is alle uithoeken van de aarde te veroveren [zie ook B.G. 16: 21]. (21) O Koning, vele geleerden, vele personen van een uiteenlopende ervaring, menige deskundigen in het juridisch advies, of vele kandidaten voor het leiderschap zelfs, zijn in de hel beland omdat het hen eenvoudigweg ontbrak aan tevredenheid.

(22) Met vastbeslotenheid moet de lust worden overwonnen, woede door middel van het verzaken van het object der begeerte, wat betreft de hebzucht moet men denken aan het ophopen van de weelde dat de problemen veroorzaakt, en de angst wordt overwonnen door zich te bezinnen op de waarheid. (23) Het uitweiden over spirituele aangelegenheden is de genezing voor weeklagen en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en niet langer malen om je zinsbevrediging verhelpt de vijandigheid [zie ook B.G. 4: 10]. (24) Heb medelijden met het leed dat door andere levende wezens en door de natuur wordt veroorzaakt, geef met systematische meditatie in yoga datgene op waaronder je lijdt als gevolg van je eigen daden en overwin de slaap door goedheid te beoefenen. (25) Met de geaardheid goedheid kan een persoon, in toegewijde dienst jegens de geestelijk leraar, gemakkelijk al deze hartstocht, onwetendheid en de goedheid zelf overwinnen die men ook moet opgeven. (26) De goeroe die het licht op het pad vormt moet rechtstreeks worden gezien als de Allerhoogste Persoon; hij die hem en alles wat tot de Veda behoort beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die een stofbad neemt. (27) Deze Opperheer die evident de oorspronkelijke natuur van de persoon is, de Beheerser is wiens voeten worden gezocht door de meesters van de yoga, wordt door de gewone man voor een normaal menselijk wezen aangezien! [zie ook B.G. 9: 11] (28) Als al de handelingen en regelingen zoals ze horen te zijn, voor het doel van het voor eens en altijd onderwerpen van de zes der zinnen en de geest, er niet toe leiden dat men in het bewustzijn verenigd raakt, heeft men alleen maar zijn tijd

(29) Aangezien beroepsmatige bezigheden gericht op het verwerven van een inkomen niet het belang van de yoga dienen, zijn ze te allen tijde van weinig nut en waarde, net zoals de rituele vedische plechtigheden uitgevoerd door een persoon die werelds verstrikt is [vergelijk B.G. 2: 42-44]. (30) Hij die bezig is met het overwinnen van zijn denken moet alleen zijn op een afgezonderde plaats, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin] en als een verzaakt persoon van de bedeling leven en karig eten. (31) Op een schone vereffende plaats, o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en stabiel, comfortabel en gelijkmoedig neerzitten, zijn lichaam rechtop houden en op die manier de Pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6: 11-12]. (32-33) Hij behoort de ingaande en uitgaande lucht stil te zetten met het vasthouden van zijn in- en uitademen en voor die tijd alle verlangens die zijn geest bezighouden op te geven terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus. Met de geest die vanhier naar daar dwaalt afgewend van wat dan ook is de lust verslagen en behoort een volleerd yogi stap voor stap vanuit het hart aan het denken een einde te maken. (34) Standvastig op deze manier zal de consequente beoefenaar na de nodige tijd er snel in slagen zo zuiver te zijn als een vuur zonder rook. (35) Niet meegevoerd door de verschillende verlangens is men kalm en vreedzaam in al zijn handelingen met een bewustzijn dat zich bevindt in de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform waarvan men zich in feite niet kan scheiden [zie ook B.G. 5: 17].  

(36) Als iemand die eerst zijn huis en haard verliet om rond te zwerven dan weer terugkeert naar het veld van de drievoudige praktijk van het materieel georiënteerde [economische, religieuze en op de zinnen ingestelde] handelen waar hij voorheen mee bezig was, is zo'n schaamteloze bedelmonnik te vergelijken met iemand die zijn eigen kots opeet [een vântâs'î]. (37) Zij die hun lichaam beschouwen als iets dat losstaat van de ziel, als iets dat sterfelijk bestemd is voor uitwerpselen, wormen en as, en dan dat lichaam weer opnieuw verheerlijken en zich ermee identificeren, zijn werkelijk de ergste sukkelaars van de grote leugen. (38-39) Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokkenen om zich in dienst van de gewone burger te stellen, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen - voor al deze âs'rama's is het werkelijk hoogst abominabel om zich op deze manier te gedragen in een verraad aan de geestelijke orde; men moet hen, verdwaasd als ze zijn door het uitwendige van God, in twijfel trekken en medelijden met ze hebben. (40) Als men eenmaal doorheeft wat de ziel allemaal inhoudt, als men eenmaal vanuit de bovenzinnelijke positie zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, hoe kan men dan nog verlangen naar comfort, waarom zou men dan nog een slaaf blijven van de eisen die het lichaam stelt? (41) Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, de zinnen de paarden zijn, de geest, de meester der zinnen, de teugel is, de zinsobjecten de wegen vormen die men bewandelt, de intelligentie de wagenmenner is en het bewustzijn er van de grootste gebondenheid is, de conditionering geschapen door de Heer. (42) De spaken van het wiel [zie ook 7.9.21] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krikala, devadatta en dhanañjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is de individuele ziel die zich valselijk identificeert, de Pranava is de boog en het levend wezen is de pijl, maar het doelwit is voorzeker het Allerhoogste. (43-44) Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, foutvinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn inderdaad iemands vijanden; dezen en nog meer komen soms voort uit hartstocht en onwetendheid en soms ontspruiten ze aan de geaardheid goedheid. (45) Zolang als men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhangt van de eigen beheersing, moet men in dienst aan de lotusvoeten van de meest vererenswaardige zielen vasthouden aan het door de kracht van de Onfeilbare aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen, zodat men voldaan over z'n bovenzinnelijk geluk dit lichaam op kan geven terwille van het zuivere, onbesmette wezen. (46) Dat niet doend zonder op te letten en zonder het ware, zullen de zinnen optredend als de paarden de wagenmenner meevoeren op het pad der begeerte. Daar valt hij in handen van plunderaars, de zinsobjecten [die die heersen met vishaya, eten, slapen en paren] en zal de wagenmenner door hen, tezamen met de paarden en de rest, in de duistere, blinde put belanden van het materieel bestaan en de grote angst voor de dood. (47) Het materiële genoegen te zijn toegenegen dan wel er van afgewend te zijn [pravritti en nivritti], zijn de twee opties van tewerk gaan volgens de Veda's [4.4: 20]; aan het materiële de voorkeur gevend is men doelloos, maar als men van de verzaking is geniet men de nectar van het eeuwige [zie ook B.G. 16: 7]. 

(48-49) Het systematisch van geweld zijn [in het offeren van dieren] met allerlei soorten van vuuroffers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen; de bedoeling van al de dars'a, pûrnamâsa, câturmâsya, pas'uh, soma en andere rituele plechtigheden moet men zien als een vorm van gehechtheid. Evenzo moet men de offergave en het offer [huta, prahuta] alsook voor het heil van het publiek construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en het voorzien in voedsel en water, als symptomen daarvan zien. (50-51) Alles wat men in het vuur offert verandert in de rook die eigen is aan de goddelijkheid van de donkere helft van de maan, de zon die door het zuiden gaat, en de maan die nieuw is [vergelijk B.G. 8: 25]; op die manier zijn er van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde, de granen om ons te voeden, is er het zaad aldus, o heerser der aarde, dat op deze manier geprojecteerd door de vader [van de Tijd] leidt tot het telkens weer, de ene na de andere keer, opeenvolgen van het opnieuw weer geboren worden om te bestaan naar de victorie der materie [zie ook B.G. 9: 21]. (52) Een tweemaal geborene van verlichting die in ware kennis verkeert raakt [door het pad van afzien] door de zuiveringsprocessen aan het begin van het leven en het einde ervan bij de dood, gezuiverd [hij verliest zijn interesse in materiële resultaten] daar hij zijn handelingen offert in [het bemediteren van] zijn zinnelijkheid. (53) De zinnen in de geest opgenomen die besmet is met woorden die zich bewegen in golven van materiële voorkeur, de woorden dan beperkt tot het volledige van haar afzonderlijke elementen, de letters, die dan weer ingeperkt zijn tot het AUM van de Pranava dat weerklinkt en die uiteindelijke geluidsklank vervolgens opgegeven tot op het punt erin vervat [de 'echo'], resulteert er dan feitelijk in dat de levensadem wordt geofferd in het Allerhoogste van het levende wezen [het brahman]. (54) De individuele ziel die de aard van het vuur en de zon volgt, de aard van de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang door het noorden en het Allerhoogste van Brahmâ reikt dan, zich bewegend in de natuurlijke verbinding van de grove bestemming met de subtiele, tot de bovenzinnelijke staat [turya] der intelligentie.  (55) Op deze weg naar God, zoals dat heet, herhaaldelijk opnieuw geboren [zie ook B.G. 8: 16], keert hij die ijvert voor de zelfverwerkelijking en daadwerkelijk uit is op de vrede, niet weer terug met de positie die hij inneemt in het ware zelf. (56) Hij die deze weg volgend trouw is aan de voorvaderen en de goden, zal, met de regelmatige studie van de geschriften zoals dat in de Veda's is voorgeschreven, ondanks dat hij een materiële persoon is, met een verlichte visie nimmer verdwaasd zijn. 

(57) Er altijd voor alle levende wezens zowel innerlijk als uiterlijk zijnd van het begin tot het einde, is deze Heer er in eigen persoon, ontstegen aan het grove, als de kennis en de kenner, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als het duister en het licht. (58) Alhoewel zeker een enkele reflectie wordt afgewezen als zijnde een werkelijke gedaante, wordt die niettemin aanvaard; dienovereenkomstig accepteert men ook de zaak der bedoeling alhoewel het moeilijk is die te bewijzen vanuit speculaties op de zintuiglijke informatie. (59) In deze wereld van de vijf elementen is men van hen noch de tegenhanger, de reflectie, die men lijkt te zijn, noch bestaat men uit een combinatie of transformatie van hen; men moet er geen geloof aan hechten dat men als een ziel een afzonderlijk bestaan heeft, noch dat men met de elementen in eenheid verkeert [zie ook B.G. 18: 16]. (60) De vijf elementen als de oorzaak van het lichamelijk begrip en de zinsobjecten hebben geen bestaan zonder hun subtiele [tegen-]delen; het onware is gelegen in de gefixeerde vorm van een lichaam, die, net zoals dat wat er deel van uitmaakt [het zinsobject], uiteindelijk maar een tijdverschijnsel blijkt te zijn. (61) Men kan het vergelijken met wat men in een droom heeft: men is wakker terwijl men slaapt, men kan [het slapen als] een deel van de werkelijkheid niet loszien van het geheel [van de droom] zonder zich te vergissen, en zo ook kan men wat er schriftuurlijk verboden is [yama] niet loszien van wat er voorgeschreven staat [niyama]. (62) Een wijze ziel werpt door zijn zelfrealisatie in het leven in overweging van het eenzijn in de materie, het eenzijn in het handelen en het eenzijn in gedachten, dezen alle drie van zich af als zijnde drie verschillende vormen van slaap [vergelijk 1.18: 26 en B.G. 6: 16]. (63) Naar de constatering dat, zoals met de substantie van de draden van een doek, het effect en de oorzaak [van zijn bestaan] één zijn omdat uiteindelijk ze los van elkaar plaatsen het onware vormt, spreekt men van een begrip van eenheid [bhâvâdvaita, zie ook B.G. 18: 16]. (64) In alle activiteiten van de geest, de woorden en het lichaam rechtstreeks van toewijding zijn voor het Allerhoogste van het Bovenzinnelijk Absolute, o Yudhishthhira, wordt eenheid in handelingen genoemd [kriyâdvaita, vergelijk B.G. 9.27]. (65) Als het uiteindelijk doel en het eigenbelang, de vrouw en de kinderen, de anderen of welke levende wezens ook, één is, wordt die eenheid genoemd de eenheid van het belang [dravyâdvaita]. (66) Een persoon behoort, met wat er ook toelaatbaar is wat betreft de tijd, de plaats en de middelen, tewerk te gaan overeenkomstig zijn voorgeschreven plichten, o Koning; iemand die aldus tewerk gaat moet, als alles verder in orde is, het niet op een andere manier gaan proberen. (67) Op deze en op andere manieren zoals uitgedrukt in de vedische literatuur het houdend op zijn beroepsmatige bezigheden, kan ieder mensenkind dat met achting daarvoor toegewijde dienst verleent, zelfs thuisblijvend de bestemming van Hem bereiken, o Koning [zie ook B.G. 9: 32]. (68) Het is precies zoals jullie allen [Pândava's], o heer der koningen, ontsnapten aan al het onoverkomelijke gevaar; door de voeten te dienen van jullie eigen Meester [Krishna] slaagden jullie erin de offers met succes te volbrengen in het verslaan van de sterkste olifanten [de last der ongerechte koningen]. 

(69) Lang, heel lang geleden, bestond ikzelf, in een voorgaande mahâkalpa [in een ander tijdperk van Brahmâ], als een ingezetene van de hemel genaamd Upabarhana en was ik zeer gerespecteerd onder de Gandharva's. (70) Ik had een prachtig lichaam en was, hoogst aantrekkelijk, lekker ruikend en opgesierd, betoverend om te zien; trots als een gek in zijn eigen stad was ik, dag na dag onder de invloed van de natuurlijke aantrekking van vrouwen, zeer bevangen door de begeerte. (71) Toen er eens een bijeenkomst was van de goddelijken werden voor de gelegenheid van het verheerlijken van de Heer in gezang en in dans, door hen die over het universum heersten [Prajâpati's] al de Gandharva's en Apsara's uitgenodigd. (72) Ik ook, als een expert in het bezingen van de heerlijkheden van het goddelijk bestaan, ging erheen omringd door vrouwen en, bekend met mijn houding, vervloekten de goddelijke heersers van het universum me toen uit alle macht vanwege mijn gebrek aan respect voor de goede zeden: 'O jij, in overtreding met de gedragsregels, wees vanaf heden maar een s'ûdra, die het moet stellen zonder de schoonheid!' (73) Om die reden nam ik geboorte uit een dienstmaagd, maar ondanks dat verkreeg ik, dienst verlenend aan uitgesproken spirituele mensen, tegelijkertijd een leven als een zoon van Brahmâ [zie ook 1.5: 23-31]. (74) Aan u, een gehechte huishouder, heb ik dat proces uiteengezet waarmee een grihastha de zonde kan overwinnen en heel makkelijk de positie der verzakers kan bereiken. (75) Jullie zijn van zo'n groot geluk in de wereld dat al de heiligen die zuivering kunnen geven jullie komen bezoeken omdat bij jullie thuis rechtstreeks de Meest Vertrouwelijke van het Allerhoogste Brahman te vinden is in de gedaante van een normale persoon. (76) Hij aldus spiritueel gekend, gezocht door de groten voor de realisatie der bevrijding en de gelukzaligheid van de hemel, is de meest dierbare begunstiger van jullie allen, jullie beroemde neef [Heer Krishna], de naar hart en ziel meest aanbiddelijke persoon en goeroe van instructie aangaande de principes [de vidhi; zie ook 7.10: 48 & 49]. (77) Deze gedaante, die het bevattingsvermogen van Heer S'iva, Heer Brahmâ en de anderen tebovengaat [zie ook B.G. 7: 26], kan feitelijk worden begrepen door meditatie, door stilte, door bhakti en door een einde te maken aan alle materiële betrekkingen; moge die Ene, deze zelfde persoonlijkheid, deze Meester der Toegewijden zo aanbeden, tevreden over ons zijn.' 

(78) S'rî S'uka zei: 'De beste der Bhârata-dynastie, in opperste vreugde over het aanhoren van de beschrijvingen van de devarishi, vereerde, gegrepen door de extase der liefde, hem zowel als Heer Krishna. (79) Met het eerbetoon dat hij had ontvangen van Heer Krishna en van Yudhishthhira, die zich als de zoon van Prithâ [zie stamboom] zich er zeer over verbaasde dat Krishna het Parabrahman, het Allerhoogste van het Spirituele was, nam de muni afscheid van hen en vertrok hij. (80) Aldus heb ik u beschreven hoe van de afzonderlijke dynastieën van de dochters van Daksha er de goden, de demonen en de menselijke wezens en dergelijken waren, alsmede al de werelden met hun bewegende en niet-bewegende levende wezens.'

 

Aldus eindigt het zevende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam.

 

CANTO 8: De Aanzet tot de Schepping

 

Hoofdstuk 1

De Manu's, de Bestuurders van het Universum

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Tot nu toe, o goeroe, heb ik uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers over het universum van schepping waren; beschrijf voor ons alstublieft ook de andere Manu's [zie ook 3.11: 23-28]. (2) O brahmaan, vertel alstublieft ons, die er zo graag over horen, alles over de, door de geleerden verheerlijkte en beschreven, verschijningen en handelingen van de Allerhoogste Heer gedurende de wisselingen van de manvantara's [de perioden van de Manu's *, zie ook 2.1: 36, 2.3: 9, 2.7: 2, 2.10: 4]. (3) En wat betreft het verleden, het heden en de toekomst, wat is het dat de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, in een bepaald tijdperk, o brahmaan, dan wel deed, aan het doen is en nog zal doen? [vergelijk B.G. 2: 12 en **] 

(4) De grote rishi zei: 'In deze dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds de zes van Svâyambhuva en andere Manu's gehad. Ik heb de eerste al voor u beschreven alsook het verschijnen van al de goddelijken met hem [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6]. (5) Uit Âkûti en Devahûti, de twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden, terwille van het onderrichten van het dharma en de jñâna, de zoons geboren die werden aanvaard als zijnde de Allerhoogste Heer. (6) Voorheen beschreef ik u uitgebreid Kapila [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen wat Yajña[-mûrti of -pati] allemaal heeft gedaan, o beste der Kuru's. (7) De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na volledig te hebben afgezien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie 3.22: 31]. (8) Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaren lang de meest zware boetedoeningen, waarbij hij op één been staand met de aarde in contact stond [zie ook 4.8: 78-79] terwijl hij het volgende prevelde, o telg van Bhârata. 

(9) Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht wordt Zelf niet bewogen door het universum, Hij die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem, Hij die weet, heeft het levend wezen geen weet [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Van wat door Hem, de Superziel overal aanwezig, met alles wat leeft en niet leeft in dit en in andere universa, wordt toegewezen mag men genieten; op wat een ander bezit mag men geen inbreuk plegen. (11) Hij wordt niet waargenomen door het levende wezen hoewel Zijn oog altijd ziet, Hij als de oorspronkelijke bron van alle wezens neemt nooit af, Hij is de godheid en de metgezel [zie 6.4: 24] die door iedereen zou moeten worden aanbeden. (12) Ook is er van Hem geen begin, een einde noch een midden, Hij behoort nergens toe en is van niemand, Hij is de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping; al deze inzichten over Zijn gedaante en over Hem als de oorzaak van het gehele universum vormen tezamen de Grootste Waarheid [zie ook 2.1: 24]. (13) Dat volledige van het universum bekend onder zo vele namen [als purusha, virâth-rûpa] is de Allerhoogste Beheerser, de Uiteindelijke Waarheid van Hem persoonlijk, zelf-verlicht, zonder een begin en de oudste; Hij brengt door Zijn uitwendige energie geboorte, dood en handhaving teweeg, door het vermogen van Zijn Zelf en Geest blijft Hij afzijdig, inactief en onberoerd [vergelijk 1.7: 23]. (14) Het is daarom dat al de geheiligde mensen, met de bedoeling van karma bevrijd te raken, aanvankelijk van vruchtdragende bezigheden zijn [karma yoga], daar een persoon aldus tewerkgaand zo goed als altijd de bevrijding bereikt [zie ook 1.5: 12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6]. (15) Vanwege Zijn eigen aanwas voldaan vanbinnenuit, raakt de Allerhoogste Heer, de Beheerser, met wat Hij ook doet nimmer verstrikt ermee en daarom raken personen die Hem volgen ook nimmer ontmoedigd. (16) Tot Hem die onzelfzuchtig handelt ter wille van ons heil, die volkomen in de kennis is, die het niet verlangt te genieten, die geheel vervuld is en zich niet door anderen laat leiden, tot Hem die er is om de hele mensheid te onderrichten en Zijn weg te tonen, tot die meester van alle beginselen en plichten bid ik dat een ieder zich moge overgeven.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Met filosofische mantra's aldus gepreveld concentreerde zich de geest, maar de Asura's die daarvan getuige waren jaagden hun voorkeur na in hun verlangend daarmee te zwelgen. (18) Toen Yajña [Vishnu], de Heer in ieders hart, hen aldus overtuigd zag, bestuurde de Allerhoogste Persoonlijkheid, na ze gedood te hebben, met de Yâma's [de gezworenen, Zijn zoons] en omringd door de goddelijken de hemelse werelden. 

(19) Svârocisha werd daarna de tweede Manu, de zoon van Agni, en van hem waren er ook de zoons met voorop Dyumat, Sushena en Rocishmat. (20) In die periode werd, allen tezamen trouw aan de Absolute Waarheid, Rocana de hemelkoning [de Indra] en waren Tushita en nog anderen er als de goddelijken, terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven heiligen waren. (21) Van de heilige Vedas'irâ, die de vrouw Tushitâ bezwangerde, werd de Heer geboren die men bij naam kende als zijnde Vibhu. (22) Achtentachtigduizend heilige personen verankerd in de gelofte ontvingen initiatie en instructie van Hem die een celibataire brahmacârî bleef. 

(23) De derde die de Manu werd droeg de naam Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1], en van hem waren er de zoons genaamd Pavana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen. (24) De zeven wijzen waren de zonen van Vasishthha met Pramada aan het hoofd, zij die tot Satya, Vedas'ruta en Bhadra behoorden waren de goddelijken en Satyajit was de Indra. (25) Van de halfgod Dharma werd uit de schoot van Sunritâ, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God gevierd als Satyasena geboren, verschijnend tezamen met de Satyavrata's. (26) Hij samen met zijn vriend Satyajit doodde al de yaksha en râkshasa gezworen leugenaars en kwade geesten van wangedrag die steeds de levende wezens belagen. 

(27) De vierde Manu daarop was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa, en alzo waren er zijn tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu. (28) De Satyaka's, de Hari's en de Vîra's waren de goddelijken, Tris'ikha was de hemelkoning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa waren zij die werden aangevoerd door Jyotirdhâma. (29) De goddelijken genaamd de Vaidhriti's waren de zoons, o Koning, die op eigen kracht erin slaagden de Veda's te beschermen die in de loop der tijd verloren waren gegaan. (30) In die periode verscheen de Allerhoogste Heer verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî en Hij werd Hari genoemd; door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil.' 

(31) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, dit is wat we graag van u zouden horen: op welke manier verloste de Heer de koning der olifanten die werd aangevallen door een krokodil? (32) Wanneer en waar er ook maar de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, vindt men grote vroomheid, geluk, voorspoed en al het goede.' "

(33) S'rî Sûta zei: "De zoon van Vyâsa, aldus aangespoord door de woorden van Parîkchit, de zoon van Arjuna die zijn ophanden zijnde dood afwachtte, o beste brahmanen, sprak, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen in de bijeenkomst van de wijzen die er inderdaad reikhalzend naar uitzagen het van hem te vernemen."

* Er zijn veertien Manu's gedurende een dag van Brahmâ, en het tijdperk van iedere Manu duurt eenenzeventig yuga's lang. (zie afbeelding) Aldus zijn er duizenden Manu's tijdens het leven van Brahmâ. De zes hier vermeld zijn: Svâyambhuva, Svârocisha, Uttama, Tâmasa, Raivata en Câkshusha. Een manvantara is een periode in de grootorde van één omwenteling van onze zon rondom de kern van ons sterrenselsel [zie de Galactische Orde].

** Vaak vermeld in deze samenhang is de spreuk: 'Nityo nityânâm cetanas cetanânâm'. Zowel de Heer als de levende wezens zijn eeuwig en zintuiglijk.    

 

Hoofdstuk 2  

De Nood van de Olifant Gajendra

(1) S'rî S'uka zei: 'Er was een zeer grote berg talloze kilometers hoog, o Koning, die bekend stond als Trikûtha ['drie pieken'] omringd door een oceaan van melk [of plantensap zie 5.20: 18]. (2-3) Met zijn drie toppen in zijn omvang zo breed als hij hoog was, tekende hij als een eiland, weelderig met bomen, klimplanten en struiken en het geluid van watervallen aan alle kanten, zich prachtig af tegen de hemel. Hij was samengesteld uit zilver, ijzer en goud, met aan alle kanten meer pieken vol van kostbaar gesteente en mineralen. (4) Aan zijn voet, die immer groen omspoeld werd door de golven van de zee overal eromheen, was de aarde groen van de smaragd. (5) De vervolmaakten, de aanbiddelijken, de zangers van de hemel, zij die van de kennis waren en de groten van de wereld der slangen, die van de bovennatuurlijke macht, de dansmeisjes en de sportlieden genoten daar in de valleien. (6) De dalen weerklonken van de geluiden der zangers hetgeen de stoere leeuwen jaloers deed brullen om een soortgenoot. (7) De laagten huisvestten grote aantallen van alle denkbare dieren van de jungle en de tuinen onderhouden door de verlichte zielen aldaar waren prachtig opgesierd met alle soorten bomen en tjilpende vogels. (8) In de rivieren en meren vol van kristalhelder water, waren vanaf de van de edelstenen glinsterende zandstranden de schonen der goddelijken aan het baden, waarbij ze met de geur van hun lichamen het water verrijkten. (9-13) In een vallei was er daar van de grote ziel, de machtige persoonlijkheid Varuna, een tuin met de naam Ritumat die als lustoord diende voor de sura dames. Hij was overal ter ere van het goddelijke allerprachtigst aangekleed met bloemen- en vruchten- en mandâra- en pârijâta-, pâthala-, as'oka- en campakabomen. Er waren vruchten te vinden als cûta's, piyâla's, panasa's, mango's, âmrâtaka's, kramuka's en granaatappels alsook kokos- en dadelbomen. Er stonden madhuka's, palmbomen, tamâla's, asana's, arjuna's, arishtha's, udumbara's, plaksha's, banyan's, kims'uka's en sandelhoutbomen. Ook trof men er picumardabloemen, kovidâra vruchten, sarala- en sura-dâru bomen, druiven, suikerriet, bananen, en jambu-, badarî-, akhsa-, abhaya- en âmalakîvruchten aan. (14-19) In die tuin bevond zich een zeer groot meer vol van glanzende gouden lotussen omringd door bilva-, kapittha-, jambîra-, bhallâtaka- en andere bomen en van de grote pracht van de kumuda-, kahlâra-, utpala- en s'atapatrabloemen waren de bijen geheel bedwelmd aan het rondzoemen onder begeleiding van de mooist klinkende vogelzang. Het was drukbevolkt met zwanen en kârandava's, cakravâka's, groepjes waterhoenders, koyashthi's en dâtyûha's die allen hun eigen geluiden voortbrachten. Het water, omzoomd door kadamba-, vetasa-, nala-, nîpa- en vañjulakabloemen, bracht, verstoord door de bewegingen van de vissen en de schildpadden, de lotussen in beweging waardoor het stuifmeel dat uit hen viel het oppervlak bedekte. De kunda's, kurubaka's, as'oka's, s'irîsha's, kûthaja's, inguda's, kubjaka's, svarna-yûthî's, Nâga's, Punnâga's, jâtî's, mallikâ's, s'atapatra's en de mâdhavî-latâ's en jâlakâ's en andere bomen die weelderig groeiden op de oevers, sierden het op in alle seizoenen.

(20) Op een dag zwierf daar op die berg de leider van de olifanten die in het bos leefde, rond in gezelschap van zijn wijfjes, waarmee hij door het dichte struikgewas brak dat vol was van doorns, klimplanten en alle soorten van bomen en planten. (21) Alleen zijn geur al deed de leeuwen en andere roofdieren en bloeddorstige beesten, de andere olifanten, de neushoorns en de grote slangen alsook de witte en zwarte camarî herten, allen in angst op de vlucht slaan. (22) Vanwege zijn genade konden de vossen, de zwijnen, de buffels, stekelvarkens, de gopuccha's en andere herten, de wolven, de apen en andere kleine dieren als konijnen en anderen, zich ongehinderd rondbewegen. (23-24) Hij zwetend, met druipend speeksel en omringd door nectar drinkende bijen, deed, gevolgd door de andere mannetjes- en vrouwtjesolifanten en de jongen in hun midden, daar in de gehele omgeving de aarde schudden. Van een afstand het stof van de lotusbloemen ruikend dat door de bries werd meegevoerd haastte hij, met zijn gezelschap dorstig in zijn visie vertroebeld, zich in de richting van de oever van dat meer. (25) Het heldere frisse water ingaand, zoog hij zich vol met het nectargelijke mengsel van het lotusstuifmeel en viel alle vermoeienis van hem af toen hij er een goed bad in nam. (26) Met het opzuigen van het water met zijn slurf en het dan over zich heen sproeien zette hij ook zijn vrouwen en kinderen er toe aan een bad te nemen. Zo druk bezig sloeg hij, gelijk een bezorgde huisvader die al te zeer gehecht is aan zijn gezin, onder de invloed van de uitwendige energie geen acht op enig mogelijk dreigend gevaar (27) Net als ieder ander die zich maar moet schikken naar de wil van God, viel het lot hem ten deel dat zijn poot, o Koning, daar toen werd gegrepen door een vervaarlijke, kwaaie krokodil [- van mâyâ], waarop volgend de olifant uit alle macht die in hem was zich verwoed probeerde te bevrijden uit de gevaarlijke positie waarin hij beland was. (28) De wijfjes, ziende hoe hun leider werd aangevallen en gegrepen door dat geweld, zetten het, geïntimideerd onder de dreiging, op een huilen, terwijl de andere olifanten die hem van achteren probeerden te bevrijden ook niet bij machte waren iets uit te richten. (29) Met de olifant en de krokodil die op deze manier vechtend elkaar in en uit het water trokken, verstreek een duizendtal jaren waarin ze beiden in leven bleven, o Koning, hetgeen door de onsterfelijken als hoogst wonderbaarlijk werd gezien. (30) In de tijd die daarop volgde verloor Gajendra, de koning der olifanten, door de uitputting van het jarenlang volgehouden vechten om niet in het water te worden gesleurd [naar elders dus], meer en meer zijn kracht terwijl daarentegen de krokodil die thuis was in het water juist fanatieker, krachtiger en machtiger werd.

(31) Toen hij, Gajendra, in zijn leven, op deze manier bij voorbeschikking op deze vorm van gevaar was gestuit en hij merkte dat hij niet in staat was zichzelf te redden uit een zo hopeloze positie, moest hij er lang over nadenken en kwam hij daarop tot het volgende besluit: (32) 'Als al mijn verwanten er niet toe in staat zijn mij als olifant te bevrijden uit mijn lijden, en ik ook van mijn wijfjes niet kan verwachten dat ze me verlossen uit de knellende greep van de krokodil [der hartstocht], moet zelfs [een stoere olifant als] ik die, zoals het lot dat beschikte werd gegrepen, nu net zo goed als ieder ander mijn toevlucht zoeken bij dat [Allerhoogste van de Heer] wat de bovenzinnelijkheid is en de toevlucht vormt van al de verheven zielen [vergelijk 7.9: 18]. (33) Tegen de zo heel sterke wurgslang van de dood [de tijd, zie B.G. 11: 32] die met zijn angstwekkende kracht je tot in het oneindige najaagt, zal Hij die iemands Beheerser is, hem beschermen die, bang voor de dood, van overgave is; ik zal mijn toevlucht zoeken bij Hem die de feitelijke beschutting is van een ieder en voor wie zelfs de dood zelve op de vlucht slaat.'

 

Hoofdstuk 3  

Gajendra's Gebeden van Overgave

(1) De zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Aldus er verstandelijk toe besloten zich in zijn geest te concentreren op het hart, reciteerde hij [Gajendra] een allerverhevenst gebed dat hij in een voorgaande geboorte had beoefend [zie ook B.G. 6: 43-44]. (2) S'rî Gajendra zei: 'Mijn eerbetuigingen aan de Oorspronkelijke, de Allerhoogste Godheid door wie dit materieel bestaan zich beweegt in bewustzijn, laat me mediteren op Hem, die persoonlijkheid die de grondoorzaak is, de Allerhoogste Beheerser. (3) Op Hem rust het universum, van Hem zijn er al de elementen en door Hem is er de werkzaamheid ervan, aan Hem die Zelf de materiële wereld is qua gevolg zowel als wat betreft de bovenzinnelijke oorzaak, aan die Allerhoogste die in Zichzelf voorziet geef ik mezelf over. (4) Hij die vanuit Zichzelf, door Zijn eigen energie, deze kosmische manifestatie tentoon spreidde, die dan weer manifest en dan weer niet zichtbaar is, overziet in beide gevallen als de getuige alles en allen; die Ziel zonder voorgaande oorzaak, dat Allerhoogste van alle Bovenzinnelijkheid, smeek ik, alstUblieft bescherm mij! (5) Als na de nodige tijd alles, alle transformaties, alles wat is gedaan, al de werelden en al hun handhavers en bestuurders, tot niets is teruggebracht, is er de hechte en diepe duisternis waarachter en waarboven de Almachtige straalt. (6) Zoals met het uiterlijke van een uitvoerend kunstenaar die zelf dan niet kan worden doorgrond, kunnen Zijn bewegingen noch door de goden, de wijzen of de gewone schepselen worden begrepen of in woorden worden uitgedrukt; Hij zo moeilijk te bevatten, moge Hij me Zijn bescherming geven. (7) De Heer van hen die het verlangen Zijn algunstige lotusvoeten te zien, van hen die bevrijd zijn van alle gehechtheid, van die grote wijzen, zonder fouten in het woud, hoog verheven de geloften in praktijk brengend al naar gelang de verschillende posities [de âs'rama's], de Heer van hen die gelijk en vriendelijk voor allen zijn, Hij is mijn bestemming. (8-9) Van Hem is er geen geboorte, geen karma, geen naam of vorm, geen geaardheden en fouten zeker ook niet; niettemin komt Hij, die de vernietiging en schepping van deze kosmische manifestatie is, middels Zijn eigen vermogen keer op keer in actie [als een avatâra]. Hem, de Bovenzinnelijke die de Beheerser is, het Allerhoogste Brahman van een onbegrensd vermogen, die zonder een gedaante gedaanten heeft aangenomen, die van zo vele wonderbaarlijke daden is, biedt ik mijn respect. (10) Mijn eerbetoon voor Hem, de verlichting van de ziel, de getuige in allen, het Allerhoogste van het Zelf; Hij die alle beschrijving, de geest en zelfs het bewustzijn te boven gaat, geldt mijn eerbewijs. (11) Hij, het voorwerp der toewijding die door de geschoolden in transcendentale handelingen recht wordt gedaan, voor Hem, de meester der menswording, de verlener der genade, Hij die helemaal vrij is, mijn eerbiedwaardige respectbetoon. (12) Al mijn eerbetuigingen gelden die Ene der Vrede volledig geconcentreerd op het spirituele in gedaanten van geweld en het dierlijke [zoals Nrisimha en Varâha] naar de verschillende kwaliteiten van de materiële natuur; aan Hem die eveneens de kennis van het brahman is, draag ik mijn gebed op. (13) Voor de kenner van het veld [zie B.G. 13: 1-5] mijn respect, U de baas over allen, de getuige en de Oorspronkelijke Persoon die de oerbron bent, aan U, de beweger van de materiële schepping, U als de primaire werkelijkheid, biedt ik mijn eerbetuigingen. (14) U bent het die ik respecteer, daar U overziet waar al de zinnen op uit zijn. U bent het einde van alle twijfel met het onware dat, omdat het er is als een afspiegeling van U, de werkelijkheid wordt genoemd; naar die reflectie, mijn eerbetoon aan U. (15) Mijn eerbetuigingen nogmaals gelden U, van al het bestaande de allerhoogste oorzaak zonder een oorzaak, de oorzaak van al het wonderbaarlijke, de bron van wat geleerd wordt in opeenvolging, de oceaan in ontvangst van al de rivieren van kennis; U eer ik, die de bevrijding schenkt en de toevlucht vormt van de transcendentalist. (16) Ik draag mijn handelingen op aan Hem wiens vuur van de kennis door de geaardheden van de natuur is overdekt zoals vuur dat is in hout, aan Hem die zich bevindt buiten de door de beroering der natuur aangedane geest, aan Hem die persoonlijk aanwezig is voor hen die vanuit hun stadium van spiritueel verstaan de formele benadering eraan gaven. (17) U betoon ik als een dier mijn respect in overgave aan Hem, de Onberispelijke van oneindige genade die bevrijdt uit de verstriktheid; door een enkel deel van Uw zelf [het Paramâtmâ, zie ook B.G. 10: 42] bent U immer aandachtig voor allen die belichaamd zijn, die Allerhoogste Heer zonder grenzen, in de geest gevierd als de directe waarnemer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (18) Voor allen zo zeer gehecht aan hun denken en lichaam, zoons en dochters, weelde en helpers, bent U moeilijk te bereiken, maar voor personen die, vrij van de invloed van de geaardheden der natuur, in het hart zijn vrijgemaakt bent U er reeds [zie B.G. 6: 47]; Hem op wie altijd wordt gemediteerd, het reservoir van alle spirituele kennis, die Allerhoogste Heer en Beheerser, geldt al mijn respect. (19) Door Hem te eerbiedigen kan dat worden bereikt waar men naar op zoek is met al het begeren overeenkomstig de religie, de economie, de bevrediging, en de bevrijding, om nog maar te zwijgen van de andere zegeningen die Hij eveneens verleent zoals het bovendien hebben van een geestelijk lichaam; moge Hij, oneindig van genade, mij de bevrijding van mijn ziel vergunnen [zie ook 2.3: 10 en 7.9: 27]. (20-21) Zij die niets anders dan Hem op het oog hebben verlangen niet naar deze of gene zegening - zij die het feitelijk brachten tot de toevlucht van de Allerhoogste Heer zijn verzonken in een oceaan van bovenzinnelijke gelukzaligheid door het bespreken van en vernemen over de alleszins gunstige, wonderbaarlijke handelingen van Hem. Hij, de eeuwige transcendentale, Allerhoogste Meester van alle grote persoonlijkheden, de ongeziene Ziel boven alles die in yoga kan worden bereikt door toewijding is, zo subtiel en ongrijpbaar buiten het bereik van de zinnen als Hij is, de onbegrensde, in alle opzichten volkomen, oorsprong die ik aanbid. (22-24) Van Hem zijn door Zijn delen - de verschillende bewegende en niet-bewegende levensvormen, de vedische kennis, de goden en allen die bij Brahmâ horen - de minder belangrijke onderverdelingen van namen en vormen in het leven geroepen. Dit niet aflatende vertoon van de geaardheden der natuur, dit verstand en deze geest, deze zinnen en verdelingen van het grove en subtiele van het lichaam, zijn, zoals vonken in verhouding tot het vuur dat de zon is, de stralende deeltjes die keer op keer voortkomen uit en opgaan in Hem als delen en gehelen. Dat vuur, inderdaad geen halfgod of demon, een menselijk wezen, beest of vogel, vrouw, onzijdig of de maan evenmin en ook niet een levend schepsel, is niet het vruchtdragend handelen noch de manifestatie, noch het niet-gemanifesteerde; Hij is de slotsom van het uitsluiten van dit en dat [neti neti zie ook 7.7: 23]; aan Hem, de Onbegrensde, alle glorie! (25) Ik wens het niet mijn leven hier of in een wereld hierna voort te zetten; wat heeft het voor nut als men vanbinnen en vanbuiten opgesloten zit; in deze geboorte als een olifant verlang ik te ontkomen aan de gebondenheid aan de tijd die alleen maar tot vernietiging leidt. Ik wil worden bevrijdt uit die onterende begrenzing van mijn zelf [zie ook 1.2: 3, 6.15: 16]. (26) Daartoe draag ik aan Hem, de gemanifesteerde hoewel niet gemanifesteerd, die ongeboren ziel en kenner van het universum en bovenzinnelijke toevlucht van het Allerhoogste, mijn leven en ziel op. (27) Zij van de vereniging van het bewustzijn jegens Hem, die door [die bhakti-]yoga al het karma verbrandden en een verenigd en gelouterd hart hebben, nemen Hem, de Heer van de Yoga die ik toegewijd ben, rechtstreeks waar. (28) Mijn respectbetoon keer op keer voor U, het gigantische van de krachten van het drievoudig vermogen van [het vormgeven, afwikkelen en in stand houden van] het volledige, voor Hem die, voor de intelligentie zich voordoend als een zinsobject, de toevlucht verschaft en die, met Zijn moeilijk te boven te komen energieën [zie B.G. 16: 21], onbereikbaar is voor hen die op het pad hun zinnen niet weten te beheersen. (29) Ik zoek mijn toevlucht bij Hem wiens heerlijkheden zo onpeilbaar zijn, wiens identiteit bij de mensen in het algemeen niet bekend is en onder wiens invloed en intelligentie ik als een op zichzelfstaande ziel ben verslagen.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Toen, vanwege deze beschrijving die niet was gericht op enige persoon in het bijzonder, geen van de opzichzelf staande goddelijken van Brahmâ met hun verschillende verschijningsvormen, Gajendra benaderde, verscheen aldaar van de keur aan goden de Heer in eigen persoon omdat Hij het volledige van hen allen tezamen is [vergelijk B.G. 7: 20-23 en 9: 23; 4.31: 14]. (31) Zijn gebed horend kwam de Heer van alle werelden die begreep in wat voor benarde positie hij verkeerde, tezamen met de bewoners van de hemel die hun gebeden opdroegen, zo snel als Hij maar kon, gedragen door Garuda en uitgerust met de werpschijf en Zijn andere wapens, naar de plek waar Gajendra zich bevond. (32) Op het moment dat hij, die in het water zo gewelddadig was gegrepen en te lijden had, de Heer zag die op de rug van Garuda Zijn werpschijf in de lucht stak, hief hij zijn slurf omhoog met daarin een lotusbloem en bracht hij met moeite uit: 'O Nârâyana, Leraar der Volkomenheid, o Allerhoogste Heer, U biedt ik mijn eerbetuigingen.' (33) Toen Hij hem zo zag lijden kwam de Ongeborene meteen naar beneden en redde Hij, voor ogen van al de goddelijken aanwezig met Zijn werpschijf de krokodil zijn bek eraf snijdend, koning Gajendra en trok Hij hem uit het water.

 

Hoofdstuk 4

Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld

(1) S'rî S'uka zei: 'Daarna [toen Gajendra was bevrijd] strooiden de goddelijken, de rishi's en de zangers van de hemel onder aanvoering van Brahmâ en S'iva, bloemen uit in lofprijzing over dat wapenfeit van de Heer. (2) In de lucht weerklonken de pauken, de Gandharva's zongen en dansten en de heiligen, de aanbiddelijken en de vervolmaakten brachten hun gebeden voor de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (3-4) Hij, Hûhû, een zanger van de hemel die door een vloek van de wijze Devala die krokodil was geworden, verscheen op datzelfde ogenblik zowaar als een hoogst wonderbaarlijk schone Gandharva, die, zijn eerbetuigingen brengend met zijn hoofd naar de Allerhoogste Eeuwige Meester Geprezen in de Verzen, de heerlijkheden van Zijn bovenzinnelijke avonturen en kwaliteiten begon te bezingen. (5) Hij door de Heer begunstigd omliep Hem, Hem zijn respect betonend, en terwijl iedereen toekeek ging hij, verlost van alle zonde, terug naar zijn eigen verblijfplaats. (6) Gajendra werd door de aanraking van de Allerhoogste Heer terstond bevrijd van de onwetendheid van zijn gebonden zijn en had precies dezelfde gedaante verworven met vier armen en gele kleding [sârûpya-mukti, zie ook 3.29: 13]. (7) Hij was in feite voorheen, geboren als de beste van Dravida-des'a, de koning van Pândya geweest en stond, gezworen aan Vishnu zich altijd op het bovenzinnelijk pad bevindend, aldus bekend als Indradyumna. (8) Hij had, toen de tijd voor zijn boete was aangebroken, met de grootste zorg de gelofte der stilte afgelegd en was, met samengeklitte lokken zijn verzakingen volbrengend in Kulâcala [de Malaya heuvels] waar hij zijn âs'rama had, op een dag de Onfeilbare Heer aan het vereren, verzonken in liefde voor de Allerhoogste Beheerser. (9) Op eigen gelegenheid arriveerde daar ter plekke de vermaarde Âgastya omringd door zijn discipelen en toen hij hem daar stil alleen zag zitten mediteren zonder hem een behoorlijke ontvangst te bereiden, gebeurde het zo dat hij zeer kwaad werd. (10) Hij verwenste hem toen met deze vloek: 'Deze diep gezonken ziel zo onvriendelijk en onverschillig van geest hier voor me als een belediging van het brahmaanse, laat hij de duisternis binnengaan als een olifant inderdaad traag van begrip.'

(11-12) S'rî S'uka zei: 'Na hem aldus te verdoemen vertrok de zo machtige Âgastya van daar met zijn metgezellen, o Koning, Indradyumna achterlatend met de gedachte dat de vloek in weerwil van zijn verheven positie het gevolg was van zijn daden in het verleden. Toen hij als een olifant werd geboren was de herinnering aan zijn identiteit teniet gedaan, maar omdat hij de Heer vereerde met gebeden, kreeg hij ondanks dat olifantenlijf de gelegenheid zich zijn verleden te herinneren. (13) Toen de Heer van de Lotusnavel aldus de koning der olifanten had bevrijd, keerde Hij begeleid door hem, die de positie van een metgezel van Hem was verleend, samen met de Gandharva's, de vervolmaakten en de wijzen - die Hem allen prezen om Zijn wonderbaarlijke daden - naar Zijn eigen verblijfplaats terug gezeten op de rug van Garuda. (14) Dit wat ik u beschreef, o Koning, over het onbegrensde vermogen van Heer Krishna in het verlossen van de toegewijde Gajendra, bevordert hen die er van horen naar de hemelse sferen en vergroot hun reputatie als toegewijden; het neemt de smetten van Kali-yuga weg [zie 1.17: 24-25] en verjaagt de boze dromen, o beste der Kuru's. (15) Om de moeilijkheden van een slechte nacht gehad te hebben tegen te gaan, reciteren de mensen, met name de zuiveren onder de tweemaal geborenen, trouw dit verhaal als ze opstaan in de ochtend. (16) Dit is wat de allesdoorvarende Grote Heer tevredengesteld in het bijzijn van iedereen tegen Gajendra heeft gezegd, o beste van de Kurudynastie. (17-24) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die aan het einde van de nacht opstaan en zorgvuldig geconcentreerd zich Mijn gedaanten herinneren - die van Mij en van jou; die van het meer, deze heuvel, deze grotten en tuinen; het riet en de bamboes, de groepjes bomen, deze pieken en de verblijfplaatsen van Mij en die van Heer Brahmâ en Heer S'iva; alsook deze oceaan van melk en dit witte eiland met zijn schitterende luister Mij zo dierbaar; Mijn S'rîvatsa-teken, Kaustubha-juweel, [Vaijayantî] bloemenslinger, Kaumodakî knots, Sudars'ana-schijf en Pâñcajanya schelphoorn; Garuda, Ananta S'esha, Mijn subtiele volkomen aspect de Godin van het Geluk; allen die van Mij afhankelijk zijn, Heer Brahmâ, Nârada rishi, S'iva en Prahlâda; Mijn Matsya incarnatie, Kûrma, Varâha en de andere avatâra's; al de ontelbare goedgunstige daden van Mij; de godheden van de zon, de maan en het vuur; de Omkâra mantra, de Absolute Waarheid en het geheel van de materiële energie; de koeien, de brahmanen en het eeuwige dharma; de dochters van Daksha, de plichtsgetrouwe echtgenotes van de maangod, Kas'yapa en de Ganges, de Sarasvatî, de Nandâ en de Yamunâ; Airâvata [Indra's olifant], Dhruva, de zeven o zo vrome wijzen en de menselijke wezens - raken verlost van hun zorgen. (25) Zij, mijn beste, die Mij op deze manier hun gebeden brengen als ze opstaan als de nacht teneinde loopt zal Ik, ook op het moment dat ze sterven, het hogere bereik vergunnen.'

(26) S'rî S'uka zei: 'Hrshîkes'a, die aldus zijn toespraak had geleverd, besteeg de rug van Garuda en blies toen op de beste der zee [Zijn schelphoorn] de schare der godsbewuste heren ermee behagend.'

 

Hoofdstuk 5

De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's.

(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, ik heb u het - voor de toehoorder - bevrijdende optreden van de Heer beschreven in verband met de verlossing van de vrome Gajendra. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu. (2) De vijfde Manu bekend als Raivata was de broer van Tâmasa, en Bali, Vindhya en de anderen met Arjuna aan het hoofd waren zijn zoons. (3) Vibhu heerste over de hemelen, o Koning, en de godvrezenden werden geleid door de Bhûtaraya's: de tweemaal geborenen Hiranyaromâ, Vedas'irâ, Ûrdhvabâhu en anderen. (4) Van S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhâ, verscheen met de godsbewuste nalevers van de Waarheid als Zijn eigen expansies, de Heer van Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon. (5) Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid [een tweede Vaikunthha] gesticht. (6) Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden op te sommen zou zo een persoon net zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als men atomaire deeltjes kan tellen.

(7) De zesde Manu was Câkshusha, de zoon van Cakshu en met Pûru, Pûrusha en Sudyumna voorop waren er de zonen van Câkshusha. (8) Mantradruma was toen de koning van de hemel en van de goddelijken van de Âpya's en anderen waren er de wijzen, o Koning, die men kende als Havishmân, Vîraka en anderen. (9) Van Vairâja zijn echtgenote Devasambhûti was er een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie was [ams'a-avatâra] van de Heer, de Alvermogende Meester van het Universum. (10) Zijn karnen van de oceaan [van melk], als Kûrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met de berg Mandara van links naar rechts bewegend, bracht de nectar van de Sura's voort.'

(11-12) S'rî Parîkchit zei: 'O brahmaan met welke bedoeling werd de oceaan van melk gekarnd met de berg en om welke reden verbleef Hij in het water als een schildpad? En wat kwam er met de nectar mee die de goddelijken ermee verkregen? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven. (13) Mijn hart zo lang gekweld door de ontbering is nog niet helemaal vervuld met uw beschrijven van de heerlijkheden van de Meester Aller Toegewijden.' "

(14) S'rî Sûta Gosvâmî zei: "De grote zoon van Vyâsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven. (15-16) S'rî S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherpgeslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen in de strijd en niet in staat weer op te staan. Met de wijze Durvâsâ die Indra met zijn drie werelden had vervloekt [*], o Koning, vervielen ze allen in armoede omdat ze toen niet meer in staat waren de rituelen en het eerbetoon op te brengen. (17-18) De Sura's, de grote Indra, Varuna en alle anderen, in onderling overleg met elkaar hierover bijeengekomen, konden op zichzelf niet tot een bevredigende slotsom komen. Zij begaven zich toen naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmâ op de top van de berg Meru en stelden hem van dat alles op de hoogte onder het brengen van hun eerbetuigingen. (19-20) Toen Heer Brahmâ, de Almachtige, zag hoe al de goddelijken met Indra voorop waren verstoken van alle vermogen en licht en hoe de drie werelden waren verzonken in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, vestigde hij zijn geest op een zich voortdurend heugen van de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije en sprak hij, de machtigste van hen allen, met een oplichtend gelaat tot de godsbewusten: (21) 'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte der onverlichten, de menselijke wezens, de dieren, de bomen en planten en de insecten en microben, kwamen allen uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [Brahmâ hier of de guna-avatâra] en uit al degenen die deel van Hem uitmaken voort; laten we ons nu allen begeven in de richting van de beschutting geboden door de Onuitputtelijke. (22) Voor Hem hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden aanbeden, niettemin neemt Hij voor het heil van de schepping, de handhaving en de voleinding, naar wat er aan de orde is, de rol op Zich van [Zijn incarnatie als een avatâra van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8]. (23) Nu is het er de tijd voor om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid der goedheid te vestigen; laten we ons derhalve keren tot de toevlucht van de Leraar van het Universum - moge Hij, ons Sura's, Zijn eigen volk, zo welgenegen, ons het goede geluk brengen dat we nodig hebben [zie B.G. hoofdstukken 14 & 18].'

(24) S'rî S'uka zei: 'De heer van de Veda aldus tot de goddelijken sprekend, o onderwerper der vijanden, begaf zich rechtstreeks naar de verblijfplaats van de Onoverwinnelijke voorbij de wereld der duisternis. (25) Aldaar, jegens Hem die in Zijn ware gedaante niet kan worden waargenomen, maar over wie de ganse Veda spreekt, sprak de meester der goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de geest vestigden. (26) S'rî Brahmâ zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onvergelijkelijke God hoogst wenselijk, bieden wij, de goden, ons eerbetoon [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4]. (27) Bij de Alwetende, de levenskracht voor de geest en het verstand van alle levende wezens; de Immer Waakzame met al het objectieve, de zinnen en de kennis; de onberispelijke, onpartijdige Toevlucht van allen in de duisternis; bij Hem de onfeilbare, alles doordringende Heer der drie yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde], zoek ik mijn heil. (28) Het rad van de tijd dat met zijn gezwinde vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie electrificerende naven [de geaardheden] en zijn acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] door Zijn uitwendige energie met grote kracht draait rondom de as waarvan ze zeggen dat Hij het is, is er voor het levende wezen als een zelfgeschapen orde; laten we voor die feitelijke werkelijkheid van Hem het grootste respect koesteren [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61]. (29) Hij van één bekentenis [die der goedheid], transcendentaal aan het materiële duister; die ongemanifesteerde, niet te lokaliseren, Onbegrensde die iedere maat te boven gaat en wordt gedragen op de rug van Garuda [de vedische verzen]; Hij wordt door de onverstoorde en nuchtere mens, aanbeden door middel van yoga [zie ook 4.3: 23]. (30) Zijn illusiewekkende energie die door niemand te overwinnen is, door die energie zijn de mensen in het algemeen verbijsterd en begrijpen ze niet de ware rijkdom van het leven; Hem van volledige beheersing over het levende wezen en de geaardheden der uitwendige energie, die bovenzinnelijke beheerser allen gelijkgezind, die heerst over de levende wezens, bewijzen we de eer. (31) Voor ons, wij die bogen op een lichaam gevormd uit goedheid, verschijnt U zo dierbaar en nabij als voor de heiligen in dezelfde positie; niettemin zijn we ons niet volledig bewust van de bestemming zo subtiel. Als dat zo is met ons, hoe moet dat dan zijn met de onverlichte zielen en atheïsten zo misplaatst ondanks hun primaire belang? (32) Voor deze aarde waarlijk door Hem geschapen, voor deze materiële schepping waarin men de vier soorten van levende wezens aan Zijn voeten aantreft [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40], is Hij in feite de Allerhoogste, de Oorspronkelijke Persoon; moge Hij, de Grootste van een onbeperkt vermogen, ons genadig zijn. (33) De massa's water zijn enkel Zijn zaad zo krachtig in het voortbrengen van al het leven dat, met inbegrip van al de goddelijken in het ganse universum, waar dan ook er inderdaad mee gedijt; moge Hij, Hij die van de grootste macht is, tevreden met ons zijn. (34) Soma, de maan, Zijn geest zo zegt men, is de kracht van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en de levensduur; die Allerhoogste Heer die de bomen alsook al de andere levende wezens doet groeien, moge Hij, die bron van alle weelde, voldaan zijn over ons [zie ook 2.10: 30 en 6.6: 24-26]. (35) Vanuit Zijn mond van vuur, zoals ook aanwezig in de diepten der oceaan waar het al de elementen verteert [zoals het vuur van de spijsvertering in de maag], brengt Hij, door de aanwezigheid ervan tijdens de erediensten, alle weelde voort; moge Hij, de Almachtige, tevreden zijn over ons. (36) Dat wat Zijn oog werd, de godheid van de zon welke de leiding vormt voor de goddelijken in hun materieel ondernemen; dit brandpunt en deze toegangspoort voor de realisatie van het eeuwige pad, de absolute Waarheid en iemands bevrijding, deze godheid welke zowel de oorzaak is van iemands dood, moge die Alomvattende Macht ons Zijn goedkeuring verlenen [zie ook 2.1: 30 B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19]. (37) Van Zijn levenskracht, Zijn adem, in alle levende wezens, van die prâna als het basisprincipe, van het volgen van die lucht zoals onderdanen die een keizer volgen, is er al de kracht en vitaliteit; moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons. (38) Van Zijn horen zijn er de verschillende windrichtingen, van Zijn hart kennen we het lichaam met zijn openingen en van de Oorspronkelijke Persoon Zijn navel [de ruimte] is er de ether als de [spirituele] toevlucht van de levenskracht, de zinnen, de geest, de vitaliteit en ons fysieke lichaam; moge de Allerhoogste macht die Hij is, tevreden over ons zijn [2.1: 27 & 29]. (39) De grote Indra is er van Zijn kracht en de dienaren [van Hem] in de drie werelden zijn er van Zijn tevredenheid; van Zijn Woede is er de Beheerser op de Berg [Heer S'iva] en van Zijn nuchtere verstand is er Viriñca [Heer Brahmâ]; uit Zijn openingen komen de mantra's voort terwijl de heiligen en de stamvaders er zijn van Zijn genitaliën; mogen wij van die Ene zo machtig de goedkeuring wegdragen. (40) De godin is er van Zijn borst, het voorouderlijke is er van Zijn schaduw, de religie was mogelijk van Zijn voorkant, en de goddeloosheid kon er zijn door Zijn achterkant; de hogere plaatsen vormen Zijn schedeldak en de dansmeisjes van de hemel zijn er van Zijn zingenot; moge Hij, de Grootste van Al het Kunnen, tevreden over ons zijn. (41) De geleerden [de brahmanen] zijn er van Zijn mond, net als de vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis; de bestuurders [kshatriya's] en de fysieke kracht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'ya's zie ook 2.1: 37] en hun vakkennis van verschaffen en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ûdra's] die zich geen zorgen maken over de Veda; moge Hij zo Allermachtigst verheugd zijn met ons. (42) Begeerte is Zijn onderlip en genegenheid is Zijn bovenlip; de luister van het lichaam kon er zijn van Zijn neus en door Zijn aanraking kon er de dierlijke lust zijn; van Zijn wenkbrauwen was er de Heer van de Dood [Yamarâja] maar van Zijn wimpers kon er de eeuwige Tijd zijn; moge Hij, de Ene Almachtige, ons Zijn goedkeuring verlenen. (43) De elementen der materie, hun wever [kâla, de tijd], de baatzuchtige arbeid, de geaardheden der natuur en de verscheidenheid aan geschapen vormen is dat wat het volledige van Zijn scheppend vermogen [yogamâyâ] uitmaakt, waarvan al de geleerden zeggen dat die moeilijk te doorgronden is - het is de moeilijkheid waarvan zij die tot inzicht kwamen zich afwenden; moge Hij de Beheerser van Allen en Alles tevreden zijn met ons. (44) Laat er onze eerbied zijn voor Hem die de vrede is vrij van ondernemen, de zichzelf onderhoudende en volledig voldane van alle presteren; onze eerbetuigingen voor Hem, de Ziel voor de wereld welke zich beweegt in de geaardheden, Hem, de meester van het spel die gelijk de lucht zich afzijdig houdt van alle zorgen over materiële zaken. (45) Overgegeven aan U, wensen we het niettemin Uw glimlachende lotusgelijke gezicht te zien. Mogen we Hem aanschouwen, U mijn Heer, in Uw oorspronkelijke gedaante, rechtstreeks te zien voor onze ogen? (46) Met het één en het ander, in feitelijke gedaanten keer op keer verschijnend vanuit Uw persoonlijke wil, verricht U in eigen persoon, o Machtige, ongewone daden zodat U voor ons er waarlijk bent als de Allerhoogste Heer die de macht heeft [B.G. 4: 7]. (47) Voor mensen die eropuitzijn te genieten zijn er vele obstakels en weinig resultaten, waarbij men met zijn projecten eindigt in frustratie; als men zo is is men werkelijk niet van toewijding voor Hem. (48) Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Beheerser [die de Tijd is] men U realiseert als de oorspronkelijke Ziel die voorzeker warmhartig en goedgunstig is voor iedere persoon. (49) Zoals inderdaad met het water geven aan de wortels van een boom men eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon voor Vishnu, de ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14]. (50) Al mijn eerbetuigingen voor U, mijn Heer der Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Beheerser Aller Geaardheden die nu verwijlt in goedheid.'

 *  Het verhaal luidt: 'Toen Durvâsâ Muni eens op weg was, zag hij Indra op de rug van zijn olifant en bood hij in zijn vreugde Indra een bloemenkrans van zijn nek. Indra, echter, al te opgeblazen, nam de bloemenkrans, en hing die zonder respect voor Durvâsâ Muni, aan de slurf van zijn draagolifant. De olifant, als een dier, kon de waarde van de krans niet begrijpen, en aldus gooide de olifant de bloemenkrans tussen zijn poten en verpletterde die daar. Deze beledigende gang van zaken ziend, vervloekte Durvâsâ Muni terstond Indra tot de bedelstaf, door verstoken te zijn van alle weelde. Aldus verloren de halfgoden, van de ene kant in het nauw gedreven door de vechtende demonen en van de andere kant door de vloek van Durvâsâ Muni, alle materiële weelde in de drie werelden.'

 

Hoofdstuk 6

De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Hari, de Hoogste Beheerser, aldus aanbeden door de goddelijken verscheen toen voor hen, o Koning, met een gloed van duizenden opgaande zonnen. (2) Om die reden was op dat moment het gezichtsvermogen van de goddelijken geblokkeerd; ze zagen niets in welke richting ook, noch in de hemel, noch op het land, noch zagen ze zichzelf, en waar was de Almachtige nu te zien? (3-7) Maar zo gauw ze Zijn gestalte ontwaarden, zo zuiver met de gloed van een blauwe diamant, Zijn oogwit zo roze als een lotushart, Zijn glans van gesmolten goud, Zijn geelzijden kleding, de grote schoonheid en gratie van al Zijn ledematen, Zijn glimlach, Zijn fraaie wenkbrauwen, Zijn helm vol edelstenen, de opsmuk van al Zijn sierselen, het licht van Zijn oorhangers, de kaaklijn van Zijn prachtige gezicht, Zijn gordel en banden, Zijn halssnoer en enkelbelletjes alles prachtig geschikt, het Kaustubha-juweel op Zijn borst, S'rî Lakshmî die zich met Hem meebewoog, Zijn bloemenslingers en Zijn cakra en Zijn andere wapens, wierpen al de onsterfelijke zielen tezamen met Heer S'iva, die voor hen allen de enige goddelijkheid vormde, zich met lijf en leden ter aarde en verheerlijkte de o zo machtige Heer Brahmâ, de aanvoerder van de goden, de Allerhoogste Persoonlijkheid.

(8) S'rî Brahmâ zei: 'Jegens Hem die nimmer geboorte nam maar altijd ten tonele verschijnt, Hij die vrij is van de geaardheden, die oceaan van gelukzaligheid voorbij alle bestaan, die kleinste van alle atomen zo ondoorgrondelijk in al Zijn trekken, jegens U, de Ondoorgrondelijke, ons herhaaldelijk eerbetoon [zie ook B.G. 4: 6]. (9) Deze gedaante van U, o Beste van alle Personen, is zo aanbiddelijk en goedgunstig voor allen die verlangen overeenkomstig de vedische aanwijzingen zoals verstaan vanuit de tantra's [speciale vedische verhandelingen] in het praktizeren van de yoga; o bestuurder die met ons de drie werelden regeert, o, in U zien we rechtstreeks het Universum compleet. (10) Jegens U in het begin was er, jegens U in het midden was er, jegens U op het eind zal dit alles er zijn; de aanvang, het einde en het midden van deze kosmische schepping beheerst U in zijn geheel: zoals de aarde staat tot de pot ervan gemaakt, bent U de leiding der transcendentie. (11) U, door Uw eeuwig energetish vermogen, met Uw Ziel als de toevlucht, gaat, uit Uzelf voor het heil van de schepping dit universum zo immens binnen en zij die verbonden zijn, zij die vol van de sastra zijn, zien, als hooggestemde personen met een gevorderd bewustzijn, U, in de transformatie van de geaardheden hoewel U door de kwaliteiten der natuur onberoerd blijft. (12) Zoals met vuur uit het hout, zoals met de nectar uit de koeien, zoals met de granen en het water die men vindt op deze aarde en ook zoals met het levensonderhoud verkregen uit eigen ondernemen, bereikt het levend wezen door de praktijk van de yoga, intelligent naar de geaardheden, inderdaad U, zo bevestigen het de grootsten. (13) O Heer van ons allen, o Meester in Uw volheid hier aanwezig voor ons, met de lotus uit Uw navel, hebben we zolang gewacht verlangend naar het doel en nu vandaag mogen we allen de visie van het geluk dan koesteren, gelijk olifanten, die in nood in een bosbrand, het water van de Ganges zouden koesteren. (14) O Ziel, die voor een ieder het voorbije is, over de bedoeling waarvoor we kwamen tot Uw voeten hoeven we U, de getuige van allen, niet te informeren; moge U zo goed zijn aan onze verlangens tegemoet te komen voor de leniging van de behoeften van deze zielen overeenkomstig de plaatsen door hen bestuurd. (15) Ik en Hij die verblijft op de berg [S'iva], de verlichten en allen zo geleid door stamvaders als Daksha, zijn als vonken in verhouding tot het vuur dat U bent mijn Heer - hoe kunnen wij als losse deeltjes nu tot begrip komen, o mijn Heer? Schenk ons alstUblieft het goede geluk, de mantra's, van de tweemaal geborenen en de brahmaan.'

(16) S'rî S'uka zei: 'Aldus aanbeden door Viriñca [Brahmâ] en allen, begrijpend wat ze in hun harten verlangden, antwoordde Hij met woorden rollend als de donder hen die in gebed hun zinnen beheersten. (17) Hoewel de Beheerser alleen op zichzelf aankon wat de goddelijken te doen stond, wilde Hij als hun Heer Zijn spel gaan genieten van het karnen van de oceaan en sprak Hij tot hen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Luister o Brahmâ en S'iva, o goden, naar wat Ik te zeggen heb; luistert nu allen aandachtig omdat dat jullie Sura's al het goede geluk zal brengen. (19) In afwachting van je eigen voorspoed, stel je in op een wapenstilstand met de Daitya's en Dânava's hun zegeningen van een gunstige tijd. (20) Als het van belang is voor de eigen plichten moet men zelfs met zijn vijanden tot een vergelijk willen komen, zoals een slang dat zou doen met een muis o goden, naar het belang van zijn eigen positie [*]. (21) Aarzel niet je in te spannen voor de nectar waarvan welk levend wezen ook dat in doodsgevaar verkeert onsterfelijk kan worden als ervan gedronken wordt. (22-33) Met het in de oceaan van melk geworpen hebben van allerlei klimplanten, grassen, groenten en kruiden en het met Mijn hulp gebruiken van Vâsuki [de slang] als het touw voor de karnstok die de berg Mandara is, ga zorgvuldig tewerk met het karnen; het zal de samenzweerders der belemmering bezighouden maar jullie allen, zullen er de vruchten van plukken. (24) Jullie moeten allen tezamen accepteren wat de Asura's ook maar van je verlangen o Sura's, wordt er niet kwaad over, daar tewerkgaand in vrede alle doelen zullen worden bereikt met het grootste succes. (25) Wees niet bevreesd voor het kâlakûtha ['valse tijd'] gif dat uit de oceaan van melk zal verschijnen en laat je nooit leiden door begeerte, lust en woede met dat wat wordt voorgebracht.'

(26) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer aldus de goddelijken van advies had gediend, verdween het Hoogste Voorbeeld vandaar, o Koning, daar Hij de Beheerser is die zich vrij beweegt. (27) Toen ze Hem, hun Allerhoogste Heer, hun eerbetuigingen hadden gebracht, keerde de Grote Vader met de Heer der Wording [Bhava, S'iva] terug naar hun verblijfplaatsen en werd koning Bali door de Sura's benaderd. (28) De achtenswaardige leider van de Daitya's [Bali] zag heel goed dat, hoewel zijn kapiteins in staat van paraatheid verkeerden, de vijanden niet van zins waren te vechten en dus hield hij ze terug, zich wel bewust van wat de tijd om te vechten en de tijd om te onderhandelen was. (29) Ze kwamen allen tot de zoon van Virocana [Bali] en gingen met hem zitten, die, goed beschermd door de asura bevelhebbers, als de veroveraar van al de werelden was gezegend met een grote weelde. (30) De grote Indra in zachte bewoordingen hem behagend zo goed als hij kon, legde als de grootste intelligentie alles aan hem voor wat ze hadden vernomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (31) Het was allemaal heel goed te aanvaarden voor de Daitya heerser alsook voor de andere asura aanvoerders S'ambara, Arishthanemi en de rest van de inwoners van Tripura. (32) direct daarop besluitend tot een wapenstilstand tussen hen, begonnen zij, deva en Asura, met de verheven onderneming van het karnen voor de nectar, o bestraffer der vijanden. (33) Daartoe rukten ze allen uit alle macht, met grote kracht onder luid geschreeuw de Mandara Berg van zijn plaats en namen ze die mee naar de oceaan met hun sterke en stoere armen. (34) Over een grote afstand die lading meetorsend konden Indra en de zoon van Virocana vermoeid geraakt de last niet nog langer dragen zodat ze hem halverwege achterlieten. (35) De enorme berg van goud die ter plekke naar beneden kwam verpletterde met zijn grote gewicht vele van de verlichte en de onverlichte zielen. (36) Gedragen door Garuda verscheen de Allerhoogste Heer daarna voor hen allen die zowel hun armen en benen als hun harten hadden gebroken. (37) Middels een enkele blik geworpen op de onsterfelijken en de sterfelijken die waren verpletterd door de vallende berg, wekte hij hen weer tot leven zonder een schrammetje en vrij van verdriet. (38) Met het grootste gemak plaatste Hij met één hand de berg op Garuda, besteeg Hij zijn rug en ging Hij omringd door de Asura's en de Sura's naar de oceaan. (39) Aldaar de berg van zijn schouder ladend ging Garuda, de grootste aller vogels, ermee naar de waterkant en zette hij hem daar neer, waarna hij door de Heer werd heengezonden [zodat hij Vâsuki niet zou opeten].'

 * Het idee hier is dat van een muis en een slang: de muis, met de slang gevangen in een mand maakt een gat en de slang profiteert van beide als de slang de muis niet meteen opeet.

 

Hoofdstuk 7

Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara

(1) S'rî S'uka zei: 'De Sura's nodigden allen de koning der slangen, Vâsuki, uit, hem een aandeel belovende en wonden hem om de berg als het touw om te karnen. Daarop begonnen ze opgetogen met het karwei om zich voor de nectar in te spannen, o beste van de Kuru's. (2) Heer Hari nam hem als eerste bij de kop en de rest van de goddelijken volgde Zijn voorbeeld. (3) De daitya leiders zagen die regeling echter niet zitten en dachten naar de rijpheid en ontwikkelde kennis van hun studie, hun geboorte en ervaring: 'Geen van ons zal het proberen met de staart van het serpent daar dat het minderwaardige deel is'. (4) Ziende hoe daaropvolgend de Daitya's het zwijgen ertoe deden, glimlachte de Allerhoogste Persoonlijkheid. Hij gaf het voorste gedeelte op en greep met de halfgoden de achterkant vast. (5) Aldus uitmakend waar er moest worden vastgehouden, sloegen zij, de zonen van Kas'yapa [goddelijk en demonisch], met veel enthousiasme aan het karnen om de nectar uit de oceaan van melk te verkrijgen. (6) Terwijl ze aan het karnen waren zonk door zijn gewicht, omdat niets hem ondersteunde, die berg toen in het water naar beneden ondanks dat hij werd vastgehouden door de sterken, o zoon van Pându. (7) Zwaar teleurgesteld, verliet al de schoonheid hun gezichten toen ze zagen hoe hun inspanning door de sterkere wil van God buiten spel werd gezet. (8) Toen Hij zag hoe door goddelijke tussenkomst de berg zonk, expandeerde de Onfeilbare Beheerser wiens wegen en vermogens zo ondoorgrondelijk zijn, Zichzelf in het wonderbaarlijke lichaam van een gigantische schildpad, ging Hij het water in en tilde Hij [Kûrma] hem op [zie ook Das'âvatâra-stotra vers 2]. (9) De aanblik van de opgetilde berg monterde zowel Sura als Asura op om de massa te karnen die als een groot eiland boven op een ander eiland zich voor zo'n honderdduizend yojana's uitstrekte op Zijn rug. (10) Het roteren van de berg bewogen door de sterke armen van de sura en asura leiders, mijn beste, werd door de uit zichzelf verschenen schildpad die hem op Zijn rug droeg beschouwd als een eindeloos aangenaam gekrab. (11) Daarna, om ze aan te moedigen en hun kracht en inzet te versterken, ging Heer Vishnu de Asura's binnen in de vorm van hun eigen kwaliteit [die der hartstocht], doortrok Hij de Sura's met goddelijkheid [de geaardheid goedheid], en nam Hij de gedaante van de onwetendheid aan met de koning der serpenten. (12) Op de top van de grote berg als een tweede berg Mandara vastgrijpend met één hand, toonde Hij zich met duizenden handen terwijl vanuit de hemel Heer Brahmâ en S'iva met Indra voorop voor Hem hun gebeden brachten en Hem bestrooiden met bloemen. (13) Er zowel van boven als van onderen, als met henzelve, met de berg en met het touw erin zijn binnengegaan als het Allerhoogste, raakte de oceaan, die met grote kracht verwoed werd gekarnd, in heftige beroering door de grote steenmassa, en raakten alle krokodillen van streek. (14) De slangenkoning heftig blazend in alle richtingen, spuwde met een duizendtal der zijnen vuur en rook waardoor de Asura's, die werden aangevoerd door Pauloma, Kâleya, Bali en Ilvala, zwaar te kampen hadden met de hitte van zijn straling en ze er allen kwamen uit te zien als sarala bomen verschroeid in een bosbrand. (15) Ook de goddelijken werden aangetast in hun luister door zijn vurige adem die hun kleding, fraaie bloemenslingers, wapenrusting en gezichten beroette; bij beschikking van de Allerhoogste Heer regende het toen overvloedig terwijl winden waterdamp opbliezen van de golven van de oceaan. (16) Toen de oceaan naar het beste vermogen van de goddelijken en de Asura's naar behoren was gekarnd maar er geen nectar verscheen, begon de Onoverwinnelijke zelf te karnen. (17) Zo donker als een wolk, in gele kledij, met schitterende oorhangers aan Zijn oren, met Zijn glanzende haar op Zijn hoofd loshangend, met Zijn bloemenslinger, roze oogwit en zegevierende armen het universum veilig stellend, karnde Hij, na de slang gegrepen te hebben, de karnstok waartoe de berg diende en nam Hij daarbij een formaat aan gelijk aan dat van een berg. (18) Na eerst allerlei soorten vissen, haaien, slangen, alle typen schildpadden, walvissen, water-olifanten, krokodillen en timingila's [walvis-etende walvissen] enorm in beroering te hebben gebracht, kwam er, met al het gekarn, uit de oceaan een zeer krachtig gif genaamd Hâlahala tevoorschijn [of Kâlakûtha, zie 8.6: 25]. (19) Dat krachtige, onverdraaglijke gif, onstuitbaar zich in alle richtingen hoog en laag verspreidend, maakte alle mensen bang zodat ze rusteloos het met de Heer hun beheerser niet meer wisten hoe ze het hadden, o mijn beste, niet beschermd als ze waren door de beschutting van Heer S'iva zijn lotusvoeten. (20) Toen ze hem zagen die voor het welzijn van de drie werelden tezamen met zijn echtgenote op zijn berg [Kailâsa] zat, hij, de beste van alle halfgoden door de heiligen hooggehouden die in verzaking het pad der bevrijding in dienstbaarheid bewandelen, brachten ze hem hun eerbetuigingen.

(21) De leiders der mensheid zeiden: 'O Heer der Heerscharen, o Mahâdeva, o ziel van allen, o liefde van een ieder, verlos ons, die hun heil zoeken bij uw lotusvoeten, van dit vergif dat de drie werelden verbrandt. (22) U alleen in het ganse universum bent heer en meester over de gebondenheid en de bevrijding, u bent degene die wij als gelukszoekers aanbidden; u bent de geestelijk leraar om alle leed te verzachten. (23) Middels de geaardheden der materie, middels uw eigen vermogen, verricht u de schepping, handhaving en vernietiging van deze materiële wereld, o machtige, als u zich manifesteert, o grootste, als Brahmâ, Vishnu of S'iva. (24) U bent het Allerhoogste Brahman, het vertrouwelijke van de oorzaak en het gevolg van al de levensvormen der schepping; u met al uw vermogens tentoongespreid bent de Superziel en de Beheerser van het Universum. (25) U bent de bron van het [spirituele, vedische] geluid, de oorsprong van het universum, de Ziel, de levensadem, de zinnen en de elementen, de geaardheden der natuur en de zelfontplooiing, de eeuwige tijd, de vastberadenheid en de religiositeit van de waarheid [satya] en de waarachtigheid [rita]; het is voor u dat men de oorspronkelijke lettergreep van drie letters uitspreekt [A-U-M]. (26) Het vuur, uw mond, staat voor het geheel van al de goddelijke zielen; het oppervlak van de aardbol kent men, o liefde aller werelden, als uw lotusvoeten; de tijd is de vooruitgang van het geheel van uw halfgoden tezamen; de windrichtingen vormen uw oren en de heerser der wateren [Varuna] is er als uw smaak. (27) Met de ether als uw navel, de lucht als uw adem, de zonneschijf als uw ogen, het water inderdaad als uw zaad, de maan als uw geest en de hogere werelden, o Heer, als uw hoofd, vormt uw zelf de beschutting van alle levende wezens hoog en laag [vergelijk 8.5: 33-43]. (28) Met de oceanen als uw buik, de bergen als uw gebeente, de planten, klimranken en kruiden als uw haren en de mantra's als uw zeven lagen [kos'a's], vormen, o Veda's in eigen persoon, al de religies de kern van uw hart [zie ook 2.1: 32]. (29) De vijf opties [basisteksten] der [vedische] filosofie [genaamd Tatpurusha, Aghora, Sadyojâta,Vâmadeva, en Îs'âna] vormen uw gezichten met de achtendertig belangrijke mantra's [*] die de werkelijkheid van de Superziel verzekeren, de werkelijkheid van u o Heer, gevierd als S'iva in de positie van uw zelfverlichting. (30) De aanstormende golven der goddeloosheid [lust, woede, begeerte en illusie] vormen slechts uw schaduw, de schaduw op basis waarvan er zo vele vormen van scheppen bestaan; uw drie ogen zijn de goedheid, de hartstocht en de duisternis; uw enkele overschouwen bracht de analytische geschriften van de ziel teweeg, o Heer vol van verzen, o god van de vedische literatuur en haar supplementen. (31) Geen van de bestuurders van de wereld, o Heerser op de Berg, Brahmâ niet, Vishnu niet, noch de koning der Sura's [Indra], kunnen uw allerhoogste gloed peilen, de onpersoonlijke geest gelijk voor goden en mensen, waarin de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid niet worden aangetroffen. (32) In deze wereld die, uit u voortgekomen, door u wordt vernietigd met de vonken van het vuur van uw ogen ten tijde van haar ondergang, hebt u Tripura in de as gelegd [7.10: 53], alsook de offers uit begeerte [zie b.v. 4.5], het gif van de tijd [in deze geschiedenis] en vele andere vormen van ellende voor de levende wezens; maar deze zaken dienen, omdat u deze wereld uit uw geest houdt, niet de verheerlijking van u. (33) Mensen die met de in zichzelf tevreden geestelijk leraren in hun harten aan uw twee lotusvoeten denken als zich bewegende met Umâ uw gezellin, kritiseren, in een later stadium van hun boete, uw handelingen en beschouwen u in het crematorium niet altijd als zijnde een aardig iemand; zij inderdaad die zich dermate schaamteloos opstellen hebben geen begrip voor wat u doet. (34) Om de reden van dat transcendentaal verheven zijn boven wat zich wel en niet rondbeweegt, bent u moeilijk te begrijpen; als het zelfs niet mogelijk is voor Brahmâ en zij die hem toebehoren om uw werkelijkheid zoals-die-is te doorgronden, o grootheid, hoe zou het ons dan lukken? Niettemin doen we, ook al zijn we maar creaties van de schepping [die van Brahmâ is], naar ons beste vermogen onze gebeden voor u. (35) Met al het transcendentale kunnen we de eigenlijke bovenzinnelijke positie van u, die er inderdaad bent voor het geluk van de manifeste wereld, niet waarnemen, o grote beheerser ongekend in uw handelingen.'

(36) S'rî S'uka zei: 'Met voor ogen hun benarde positie sprak hij, Mahâdeva, de vriend van alle levende wezens, vanuit zijn mededogen met het grote verdriet tot zijn gezellin Satî. (37) Heer S'iva zei: 'Liefste Bhavânî, hoe deerniswekkend deze toestand van al de levende wezens, kijk nu eens welk een bedreiging de huidige situatie vormt met al het vergif dat geproduceerd wordt met het karnen van de oceaan. (38) Mij verantwoordelijk voelend voor al hun levens moet ik inderdaad iets ondernemen voor hun veiligheid; mij beschouwend als hun meester is het mijn plicht hen die lijden bescherming te bieden. (39) Toegewijden beschermen met hun leven andere levende wezens die tijdgebonden, begoocheld door de uitwendige energie, elkaar vijandig gezind zijn. (40) Met het verrichten van goede daden voor anderen o zachtgeaarde, is de Ziel van Allen, de Heer, behaagd en omdat de Hoogste Persoonlijkheid van de Heer is behaagd zijn ook ik en alle andere zich wel en niet rondbewegende wezens gelukkig; laat me daarom dit gif opdrinken zodat er van mij het welzijn van alle schepselen zal zijn.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Heer S'iva de begunstiger van het universum, zich op deze manier tot Bhavânî richtend, begon toen met de instemming van zij die met het beste van hem op de hoogte was, het gif op te drinken. (42) Mahâdeva nam daartoe het wijdverspreide Hâlahala-gif in zijn hand en dronk het genadevol op voor het heil van alle levende wezens. (43) Voor hem toonde het gif van het water zijn werking door zijn hals een blauwe streep te geven, de streep die er in de ogen van de heilige is als een sieraad. (44) De heiligen nemen zo goed als altijd vrijwillig het lijden op zich van de gewone man; dat optreden van hun vormt de hoogste vorm van aanbidding van de oorspronkelijke persoon, het volledige van de ziel [zie ook 1.5: 17-19, B.G. 18: 68-69 en 4: 7-8]. (45) Vernemend van die daad van S'iva, de god der goden, de genadige, werd hij hoog geprezen door al de mensen, door de dochter van Daksha [Satî zie ook 4.3 & 4], en door Brahmâ en de Heer van Vaikunthha. (46) En voor het kleine beetje dat hier en daar verspreid achterbleef toen hij uit zijn palm dronk, droegen toen enkele andere bekende levende wezens zorg, zoals daar zijn de schorpioenen, de cobra's en andere giftige dieren en planten.

 * De zesendertig mantra's genaamd mukhâni pañcopanishadas taves'a zijn: (1) tat purushâya vidmahe s'ântyai, (2) mahâ-devâya dhîmahi vidyâyai, (3) tan no rudrah pratishthhâyai, (4) pracodayât dhrityai, (5) aghorebhyas tamâ, (6) atha ghorebhyo mohâ, (7) aghorebhyo rakshâ, (8) aghoratarebhyo nidrâ, (9) sarvebhyah sarva-vyâdhyai, (10) sarva-sarvebhyo mrityave, (11) namas te 'stu kshudhâ, (12) rudra-rûpebhyas trishnâ, (13) vamadevâya rajâ, (14) jyeshthhâya svâhâ, (15) s'reshthhâya ratyai, (16) rudrâya kalyânyai, (17) kâlâya kâmâ, (18) kala-vikaranâya sandhinyai, (19) bala-vikaranâya kriyâ, (20) balâya vriddhyai, (21) balacchâyâ, (22) pramathanâya dhâtryai, (23) sarva-bhûta-damanâya bhrâmanyai, (24) manah-s'oshinyai, (25) unmanâya jvarâ, (26) sadyojâtam prapadyâmi siddhyai, (27) sadyojâtâya vai namah riddhyai, (28) bhave dityai, (29) abhave lakshmyai, (30) nâtibhave medhâ, (31) bhajasva mâm kântyai, (32) bhava svadhâ, (33) udbhavâya prabhâ, (34) îs'ânah sarva-vidyânâm s'as'inyai, (35) îs'varah sarva-bhûtânâm abhaya-dâ, (36) brahmâdhipatir brahmanodhipatir brahman brahmeshtha-dâ, (37) s'ivo me astu marîcyai, (38) sadâs'ivah jvâlinyai.

 

Hoofdstuk 8

Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt was gedronken, hervatten al de onsterfelijken en Dânava's zeer verheugd het karnen van de oceaan en werd door de grote kracht ervan de koe van overvloed voortgebracht [de surabhi, de bron van de ghee]. (2) De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's droegen zorg voor haar, o Koning, omdat zij, vanwege de geklaarde boter, geschikt was om offerandes te brengen met de vuuroffers en het vorderen naar God.

(3) Daaropvolgend werd een paard voortgebracht zo wit als de maan, genaamd Uccaihs'ravâ, dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, terwijl Indra op aanraden van de Heer afzag van de claim [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23].

(4) Daarna werd de koning van de weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die wit, met vier slagtanden, de berg [Kailâsa] in de schaduw stelde die de glorie is van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva, zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27]. (5) Airâvana was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een olifant die Abhramu heette, o Koning.

(6) Vervolgens werd uit de grote melkzee een waardevolle edelsteen voortgebracht bekend als de Kaustubha en nog een andere Padmarâga geheten; Heer Hari die ze graag in Zijn bezit had siert Zijn borst met hen. Daarna werd de pârijâta bloem voortgebracht die de hemelse plaatsen opsiert en daarmee de wensen vervult van hen die de weelde begeren ongeveer zoals u, o Koning, de wensen in de wereld vervult.

(7) Toen werden ook de Apsara's voortgebracht, die verfijnd gekleed en met goud behangen de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel zijn die zich zo sierlijk bewegen met het op hol brengen van een ieder zijn hart.

(8) Daarna manifesteerde zich de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] die exclusief de Heer vergezellend alle richtingen verlicht met haar lichtende luister als Saudâmanî [let.: gevorkte bliksem, ook wel de tovenares; voor de omgang met die pracht: zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29]. (9) Iedere Sura en Asura en ieder menselijk wezen begeerde haar, daar de oogstrelende schoonheid van haar trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten had gevangen. (10) De koning van de hemel regelde een zitplaats voor haar en al de zegenrijke, wonderbaarlijke en heilige wateren namen met het vullen van gouden vaten toen een gedaante aan met hun zuivere water. (11) Het land bracht al de noodzakelijkheden en kruiden op voor het installeren van de godheid; de koeien droegen bij met het zuivere van hun vijf producten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd bracht haar bloemen en vruchten bijeen. (12) De wijzen voerden het ritueel op van de installatie zoals die is voorgeschreven waartoe voor alle voorspoed de Gandharva's overeenkomstig de traditie zongen, terwijl hun echtgenotes hun best deden voor de gelegenheid te dansen en mantra's te zingen. (13) De wolken lieten de dubbelzijdige trommels, pauken, muraja's en ânaka's horen [twee andere soorten trommels] en met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vîna's was het een tumult van jewelste. (14) Daarna goten de olifanten potten vol met heilig water uit over de [godheid van de] kuise godin zo prachtig met de lotus in haar hand, terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren [zie ook een klassieke afbeelding van Lakshmî]. (15) De oceaan bood gele zijde zodat ze zich van top tot teen kon kleden en Varuna bracht de grootste bloemenslinger vergezeld van dronken bijen uit op de zoetheid. (16) Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] verschafte een halsketting, Heer Brahmâ voorzag in een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] brachten oorbellen. (17) Daaropvolgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst ging zij, een natuurlijke schoonheid uitstralend, met de slinger van lotusbloemen vastgehouden in haar hand en de bijen erbij, rond, met de opsmuk van haar oorhangers bij haar wangen en haar verlegen glimlach op haar gezicht. (18) Met haar twee borsten en haar slanke middel in symmetrie en harmonie en ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma, vertoonde ze zich, van hier naar daar bewegend met het zoet getinkel van haar enkelbelletjes, precies als een gouden klimrank. (19) In haar positie op zoek naar de eeuwige kwaliteiten kon ze onder de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen al de andere halfgoden, er niet één vinden die vrij van gebreken was:

(20) 'Van de zekerheid van de verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, door geestelijke kennis is de geleerde nog niet vrij van gehechtheden en een groot iemand is nog niet zijn materiële verlangens te boven; hoe kan een persoon als zodanig onder controle van iets anders staand, iemand van beheersing zijn? (21) Bedreven in de religie heeft men nog geen vriendschap gesloten met andere levende wezens, boetvaardig kan men de oorzaak van de bevrijding over het hoofd zien en met welke macht ook die men onder de mensen kan hebben is men nog niet bevrijdt van de macht van de tijd; nimmer zal men [buiten de Heer] een tweede treffen die zo los staat van het besmet zijn door de geaardheden der natuur [zie ook 1.2: 8]. (22) Iemand kan lang leven maar hoeft er nog niet gelukkig mee te zijn of zich er correct mee weten te gedragen, iemand kan een levenskunstenaar zijn maar niet weten hoe hij oud moet worden; als iemand het allebei onder de knie heeft is zo een persoon in een ander opzicht ongelukkig en van iemand die de hoogste ogen gooit op alle gebied is nog niet gezegd dat hij mij [de toewijding] voor ogen heeft!'

(23) Op deze manier van de nodige overweging zijnde aanvaardde de Godin van de Pracht Hem, Mukunda, het vergaarbekken van het Allerhoogste die in ieder opzicht zo geschikt en wenselijk was als de echtgenoot naar haar zin - ook al had Hij er zelf nooit naar uitgekeken -, omdat Hij, onafhankelijk van anderen, behept was met de buitengewone, alleszins goede, bovenzinnelijke kwaliteiten. (24) Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van het geluid van doldwaze hommels, verbleef ze, met een bescheiden glimlach bij haar glinsterende ogen, aan Zijn zijde met Zijn boezem als haar ware rustpunt. (25) Hij, de vader der drie werelden, maakte Zijn hart de verblijfplaats van de moeder, de godin, het opperste van de weelde; daar geïnstalleerd doet ze middels de genadige blik waarmee ze de drievoudige schepping overziet het fortuin toenemen van Zijn dienaren en leiders. (26) Met het geluid van de schelphoorns, trompetten en allerlei soorten trommels was er het grootse tumult van muziekinstrumenten zodat al de goden van de hemel en hun vrouwen begonnen te dansen en te zingen. (27) Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen, met alles wat ze zagen, de persoonlijkheid die werkelijk de grootste was de eer middels gezang en het uitstrooien van bloemen. (28) Met de genadevolle blik van de Godin rustend op al de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening.

(29) Toen de Daitya's en Dânava's, o Koning, verwaarloosd door Lakshmî gefrustreerd raakten, verloren ze gedeprimeerd in hun kwellende begeerte alle gevoel van schaamte. (30) Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkenschap, als een jong lotusogig meisje en de Asura's aanvaarden haar toen op de manier zoals de Heer het voor hen had beschikt.

(31) Met het karnen van de oceaan door de zoons van Kas'yapa zo ijverig uit op de nectar, verscheen er daar, o grote Koning, een hoogst wonderbaarlijke manspersoon. (32) Hij was lang, had stoere, sterke armen, een hals als een schelphoorn, rooddoorlopen ogen, een donker gekleurde huid, zag er zeer jong uit en was omhangen met een bloemenslinger en over zijn hele lijf opgesierd. (33) In het geel gehuld, met zijn borst breed, zijn oorhangers met parels goed gepolijst en zijn glanzende haar gekruld neerhangend in tressen, bewoog hij zich, met banden opgesierd, zo sterk als een leeuw naar voren met een tot de rand toe gevuld vat vol nectar . (34) Hij was een volkomen deel van een volkomen aspect van de Allerhoogste Heer Vishnu bekend onder de naam Dhanvantari die, staand voor het geheel van de medische kennis, er was om zijn aandeel van de offers voor zich op te eisen. (35) De Asura's die hem zagen met het vat vol nectar, graaiden, belust op alle dingen, onmiddellijk de pot van hem weg. (36) Toen die pot met de nectar erin door de Asura's werd weggedragen, waren al de godsbewusten terneergeslagen en zochten ze hun toevlucht bij de Heer. (37) Getuige van hun droefheid over die aangelegenheid zei de Allerhoogste Heer die altijd probeert de wensen te vervullen: 'Weest niet bedroefd, middels een ruzie onder hen zal Ik er hoogst persoonlijk op toezien dat de nectar er is voor een ieder van jullie.' (38) O meester der mensen, toen was er onder hen een meningsverschil over de nectar ter wille waarvan ze met een dorstig hart zeiden: 'Laat mij eerst, ik eerst, niet jij, wacht maar even! (39-40) Als de goddelijken hun aandeel toekomt, hebben allen die zich in gelijke mate inspanden met de plicht van het ritueel, hetzelfde recht; dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' Aldus probeerden de Daitya's jaloers en zwak, o Koning, gewelddadig, zich het vat toe te eigenen in feite het elkaar voortdurend ontzeggend. (41-46) Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Beheerser die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die voor iedereen een mysterie vormde. Een lust voor het oog zijnde, was ze zo donker als een pas geopende lotus, was ze in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie en had ze een rechte neus bij haar opgesierde oren en fraaie kaaklijn. Ze had frisse, ferme, jonge maar zware borsten bij een slank middel en een gelukzalige uitdruking op haar gezicht. Van de hommels om haar heen keek ze wat zorgelijk uit haar ogen. Met de massa van haar golvende haar en haar fraaie hals met daar omheen een mallikâ [jasmijn] bloemenslinger, met de schoonheid van haar armen die waren opgesierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sârî over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel droeg, bewoog ze zich gracieus voort met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend en met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de Daitya leiders een niet-aflatend wellustig verlangen.

 

Hoofdstuk 9

De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de nectar uit te Delen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zij, de Asura's, elkaar de nectar voor de neus wegkaapten en het elkaar toewerpend zodoende, zich gedragend als dieven, zeer vijandig werden, zagen ze [de Heer in de gedaante van] een zeer mooie vrouw [genaamd Mohinî-mûrti] op zich afkomen. (2) 'Wat een lijf, welk een luister en wat een jeugdige schoonheid heeft Ze!' zeiden ze, in hun harten erop belust met haar te slapen terwijl ze zich haastten haar aandacht te trekken. (3) 'Wie ben jij met je prachtige lotusblaadjes van ogen en vanwaar en waarom kwam je naar hier; en, o prachtige dijen die onze geesten op hol brengen, bij wie hoor je, zeg het ons alsjeblieft! (4) Noch wij, noch enige goddelijke persoon, demon, volmaakte ziel, schepsel van de hemel of eerbiedwaardige heeft jou ooit in handen gekregen en je gekend, om nog maar te zwijgen van dit of dat plaatselijke baasje in de menselijke samenleving. (5) De voorzienigheid zij geprezen, o schone wenkbrauwen, dat ze ons jou gestuurd heeft; is jouw genade er niet om dat aan te dragen wat de zinnen en geesten behaagt van allen die van vlees en bloed zijn? (6) O verpletterende schoonheid, zou jij dan misschien het geluk zijn voor ons waarmee we onze groeiende meningsverschillen uit de wereld kunnen helpen wat betreft deze zaak [van de nectar], waarin we als familieleden almaar vijandiger tegenover elkaar komen te staan, o slanke schone? (7) Draag er alsjeblieft zorg voor dat we met ons allen, als capabele en geschikte broeders en nazaten van Kas'yapa, kunnen rekenen op een rechtvaardige en onpartijdige verdeling [van de nectar].'

(8) Als een zelfbewuste vrouw hen gadeslaand met een bekoorlijke glimlach, sprak toen de illusie van de vrouwelijke schoonheid die de incarnatie van de Heer was, tot de erop aandringende Daitya's . (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Hoe kunnen jullie, nazaten van Kas'yapa, er nu met z'n allen geloof aan hechten omgang te hebben met een blikvanger als Ik; dat op vrouwen gericht zijn is iets wat je bij de wijzen nooit zult aantreffen. (10) Zij zijn het er allen over eens dat apen en honden, o vijanden van de Sura's, en met name onafhankelijke vrouwen, er slechts kortstondige relaties op nahouden, ze zien steeds weer uit naar een nieuwe partner.'

(11) S'rî S'uka zei: 'Aldus zich met hen vermakend wekte Ze, al de Asura's aan het lachen brengend, vertrouwen, ondanks het feit dat Ze Zich zo serieus opstelde. En zo overhandigden ze Haar toen het vat vol nectar . (12) Vervolgens de pot met amrit in bezit nemend sprak de Heer met een gemaakte glimlach bij al Zijn schoonheid en woorden: 'Als jullie Me beloven te accepteren wat Ik ook moge doen, eerlijk of niet, dan zal Ik een ieder van jullie zijn deel van de nectar geven'. (13) Haar aangehoord hebbend stemden zij, de aanvoerders van de Asura's met hun hoofd vol van haar, in met de woorden die ze sprak en zeiden ze: 'Zo moet het dan maar!' (14-15) Ze begonnen toen te vasten, baadden zich, deden uitgietingen van ghee in het vuur, waren van liefdadigheid jegens de koeien, de brahmanen en wie ook meer, volbrachten plechtigheden naar brahmaans voorschrift, dosten zich uit naar hun smaak met het nieuwste en het fijnste en zaten in vol ornaat allen neer op kus'a zitplaatsen die ieder op het oosten gericht waren. (16-17) Met al de Sura's en Daitya's, die met hun gezichten aldus naar het oosten gewend neerzaten, allen uitgedost met bloemenslingers en lampen in een perk dat volhing met wierook, kwam toen daar, o heerser der mensen, het vat omhooghoudend, zij binnen, met haar jeugdige, rusteloze ogen, het geluid van haar tinkelende enkelbelletjes en haar goedgevulde borsten, langzaam voortschrijdend met een prachtige sârî om haar volle heupen en haar dijen die leken op olifantenslurven. (18) Haar aanschouwend, de Opperheer die met gouden oorbellen, bekoorlijke oren, neus, wangen en gezicht zich voordeed als de vriendin van de Godin, waren ze allen erdoor betoverd hoe Ze hen glimlachend aankeek terwijl Haar sari lichtjes wuifde over haar borsten. (19) Maar het als een misrekening beschouwend van het geven van melk aan slangen om de nectar uit te reiken aan het stel kwaadaardige demonen, deelde de Onfeilbare er geen druppel van uit. (20) De beide partijen in twee rijen rangschikkend liet de Meester van het Universum hen ieder aan zijn hun kant ordentelijk plaatsnemen. (21) De Heer met de nectar die de Daitya's met mooie woorden aan het lijntje hield deed hen die aan de andere kant zaten van de nectar drinken die ze zou vrijwaren van ouderdom, dood en gebrekkigheid. (22) De Asura's, naar wat ze beloofd hadden, beheersten zich, o Koning, en hielden zich koest met het idee dat het verfoeilijk is om tegen een vrouw te vechten. (23) Bang dat ze de band van vriendschap met haar zouden breken voelden ze zich, bewogen door eer en het grootste respect, allen verplicht aan haar en zeiden ze niet het geringste dat haar zou kunnen mishagen. (24) Hij die de hemellichten verduistert [Râhu] doste zich uit als een van de goddelijken en ging tussen de godsbewusten zitten om van de nectar te drinken maar, bij zon en maan, werd hij snel ontdekt. (25) Op het moment dat hij zich aan de nectar laafde werd Râhu's hoofd er door de Heer met Zijn messcherpe cakra afgesneden, maar het onthoofde lichaam dat de nectar niet had bereikt, viel ter plekke dood neer. (26) Het hoofd dat aldus de onsterfelijkheid had bereikt werd door Heer Brahmâ herkend als een planeet en het is diezelfde Râhu die tijdens verduisteringen [of met maanfasen] de zon en maan vijandig verdringt [zie ook 5.24: 1-3, 6.6: 37 en 6.18: 12-14]. (27) Toen de goddelijken bijna met het drinken van de nectar klaar waren onthulde de Allerhoogste Heer Hari, Hij die alle werelden het beste toewenst, in de aanwezigheid van de Asura's en hun leiders, Zijn oorspronkelijke gedaante. (28) Hoewel de Sura's en Asura's al met al één waren wat betreft de plaats, de tijd, het doel, de oorzaak, de handelingen en de ambities, waren ze niet gelijk in het resultaat dat ze behaalden; de godvrezenden bereikten met gemak de nectar ermee omdat de zegening van het saffraan van de lotusvoeten de hunne was, maar dat gold niet voor de Daitya's [vergelijk B.G. 4: 11]. (29) Wat men ook doet terwille van zijn eigen leven en welzijn, al die menselijke activiteiten, ideeën en woorden in relatie tot het eigen lichaam en de eigen familie, zijn allen van voorbijgaande aard [asat, 'onwaar'], bestaan allen uit gescheidenheid, maar hetzelfde wordt waarlijk iets feitelijks en permanents als het niet in gescheidenheid wordt gedaan - het ontwikkelt zich dan tot dat wat het water geven aan de wortels wordt genoemd dat iedereen ten goede komt [zie 8.5: 49].'

 

Hoofdstuk 10

De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen

(1) S'rî S'uka zei: 'De Dânava's en Daitya's slaagden aldus met hun gezamenlijke inspanning om te karnen er niet in de nectar te bemachtigen, o Heerser, daar ze er een ander idee van bevrijding op nahielden in relatie tot Vâsudeva. (2) Nadat de amrit, o Koning, was voortgebracht en had gediend als drank voor de Sura's die Hem toebehoorden, liet de Heer van alle levende wezens die gedragen wordt door Garuda, hen alleen. (3) Toen ze zagen hoe hun rivalen van het beste van het leven genoten, was dit voor al de zoons van Diti onverdraaglijk, en dus hieven ze in slagorde hun wapens tegen de goddelijken. (4) De goddelijken, die nieuwe kracht hadden gevonden in het drinken van de nectar, hieven daarop op hun beurt, vanuit de veilige haven van Nârâyana's voeten, hun wapens om zich te verdedigen. (5) Daar, aan de oever van de oceaan van melk, werd toen door de goden en demonen naar hun eer een hoogst verbeten strijd gevoerd o Koning, met een geweld dat je de haren te berge deed rijzen. (6) In die veldslag kwaad van geest werden ze als strijders tot hun uiterste vermogen op de proef gesteld toen ze elkaar te lijf gingen met hun zwaarden, pijlen en allerlei ander wapentuig. (7) Door de massa schelphoorns, trompetten, trommels, hoorns en pauken; van de olifanten, de paarden, de soldaten te voet en de strijdwagenvechters bij elkaar was er een geweldig kabaal. (8) Op het slagveld als strijdwagenvechter tegen strijdwagenvechter, infanterie tegen infanterie, cavalerie tegen cavalerie en strijdolifant tegen strijdolifant, bevochten de vijanden elkaar op basis van gelijkheid. (9) Sommigen bereden olifanten, sommigen vochten vanaf de ruggen van kamelen en enkele anderen bonden als tegenstanders de strijd aan met wit- en roodkoppige apen, tijgers en leeuwen. (10-12) De beide partijen strijders traden elkaar tegemoet in vreemde vormen afhankelijk van lichamen van de water-, land- en zeedieren die ze gebruikten als hun voertuigen: gieren, adelaars, eenden, havikken, bhâsa vogels; roofwalvissen, apen, buffels, neushoorns, koeien, stieren, wild vee en rood vee, jakhalzen en ratten; sommigen beriepen zich op de vormen van konijnen, een menselijk voorkomen, geiten en enkele anderen wierpen zich in de strijd met zwarte herten, zwanen en ook beren. (13-15) Met mooi versierde vlaggen en baldakijnen, o Koning, met smetteloos witte parasols die kostbare handgrepen hadden vol met juwelen en parels, met gewone waaiers en waaiers van pauwenveren, met hun boven- en onderkleding flapperend in de wind, met de gloed van hun sierselen en schilden en hun blinkende, scherpe en schone wapens uitbundig glinsterend in de zon, zagen de twee banieren voerende partijen van de goddelijke en de Dânava helden er met al hun bloemenslingers, o afstammeling van Pându, alles bij elkaar uit als twee oceanen vol waterdieren. (16-18) Bali, de zoon van Virocana, voor de strijd het verklaarde opperhoofd der demonen, bestuurde het voertuig vervaardigd door Maya genaamd Vaihâyasa ['door de lucht vliegend'] dat zich daarheen bewoog waar hij maar wilde. Volledig toegerust met al de noodzakelijke wapens was het onuitsprekelijk, onbeschrijflijk, hoogst wonderbaarlijk, soms zichtbaar voor het oog en dan weer onzichtbaar. Beschut door fraai versierde parasols en wuifkwasten bevond hij, gezeten op zo een eerste klas hemelwagen en omringd door al zijn commandanten, zich in een positie zo schitterend als een rijzende maan. (19-24) Rondom hem heen waren er de verschillende voertuigen van de asura bevelhebbers van de troepen: Namuci, S'ambara, Bâna, Vipracitti; Ayomukha, Dvimûrdhâ, Kâlanâbha en Praheti; Heti, Ilvala, S'akuni, Bhûtasantâpa, Vajradamshthra, en Virocana; Hayagrîva, S'ankus'irâ, Kapila, Meghadundubhi, Târaka, Cakradrik, S'umbha, Nis'umbha, Jambha en Utkala; Arishtha, Arishthanemi, Maya en Tripurâdhipa en de andere zoons van Puloma en de Kâleya's, van Nivâtakavaca en alle anderen die er niet in geslaagd waren een deel van de nectar te bemachtigen. Met enkel de last op hun schouders [en niet de beloning van de nectar], vormden ze allen bij elkaar, zich in de strijd werpend met alles wat ze in huis hadden, nu een groot probleem met hun leeuwengebrul en hun om het hardst blazen op hun schelphoorns. Toen Balabhit ['de vreze der kracht', Heer Indra] zijn bloeddorstige rivalen zo aanschouwde raakte hij hoogst vertoornd.

(25) Op Airâvata zijn draagolifant gezeten was Indra zo prachtig om te zien als de zon die opgaat boven de Udayagiri watervallen. (26) Rondom hem heen hadden al de goden met banier en wapen posities ingenomen op hun draagdieren: al de leiders van de hogere werelden en de halfgoden van de lucht, van het vuur en van het water. (27) Op elkaar afgekomen beschimpten de tegenstanders elkaar van aangezicht tot aangezicht de ander zoveel mogelijk in het hart rakend als ze konden en vochten ze, oprukkend, twee aan twee hun veldslag. (28) Bali bevocht Indra, Târak bestreed Kârttikeya, Varuna bond met Heti de strijd aan, en Mitra, o Koning, streed met Praheti. (29) Yamarâja deed dat met Kâlanâbha, Vis'vakarmâ waagde het met Maya, Tvashthâ ging op S'ambara af, en Savitrâ bond met Virocana de strijd aan. (30-31) Aparâjita bestreed Namuci, de twee As'vinî-Kumâra's wierpen zich in de strijd tegen Vrishaparvâ, de halfgod Sûrya vocht tegen de honderd zoons van Bali die onder leiding stonden van Bâna, Soma [de maan-god] streed met Râhu, Anila [god van de lucht] leverde strijd met Puloma en de oppermachtige godin Bhadra Kâlî [Durgâ] nam het op tegen S'umbha en Nis'umbha. (32-34) Vrishâkapi [S'iva] vocht tegen Jambha en Vibhâvasu, de vuurgod, bestreed Mahishâsura en Ilvala met zijn broer Vâtâpi leverden strijd met Brahmâ, o onderdrukker van de vijand. Durmarsha trad aan tegen Kâmadeva [Cupido], Utkala tegen de Mâtrikâ godinnen, Brihaspati ging de strijd aan met S'ukrâcârya en S'ani [Saturnus] bevocht Narakâsura. De Maruts vochten met Nivâtakavaca, de Vasu's namen het op tegen Kâlakeya's, de Vis'vedeva's probeerden het met de Pauloma's en de Rudra's traden aan tegen de Krodhavas'a's.

(35) Al de bewindvoerende Sura's en Asura's op deze manier door elkaar heen paarsgewijze verwikkeld in de strijd op het slagveld en aanvallend met grote kracht, hakten, verlangend naar de overwinning, in volle ernst op elkaar in met hun scherpe pijlen, steekwapens en lansen. (36) Met vuurwapens, werpschijven, knotsen, speren, spiesen, toortsen, gekartelde projectielen, mystieke bezweringen, zwaarden, lansen, ijzeren knuppels, hamers en slingers sloegen ze elkaar hun hoofden af. (37) De olifanten, paarden en wagens, soldaten te voet en de hele keur aan ruiters met hun draagdieren werden aan stukken gehakt. Armen, dijen, nekken en benen werden van hun romp gescheiden, en de vaandels, bogen, bewapening en ornamenten werden aan gruzelementen geslagen. (38) Door hun gewelddadige stampij en het geratel rees het stof van het veld in alle richtingen hoog in de lucht op tot aan de zon en regenden de stofdeeltjes naar beneden zwaar van het bloed dat rondspatte. (39) En zo raakte het veld aldaar bezaaid met afgehakte hoofden compleet met helmen en oorhangers, kwaaie ogen en verbeten lippen en lagen de benen en opgesierde armen er als olifantenslurven verspreid met de wapens nog in de handen. (40) Met de ogen van hun eigen hoofden konden de daar gevallen soldaten nog de rompen en armen met geheven wapens op het slagveld op zich af zien komen.

(41) Bali viel de grote Indra aan met tien pijlen, Airâvata, zijn draagdier met drie pijlen, zijn vier bewakers [soldaten te paard] met vier pijlen en de drijver van de olifant met één. (42) Indra bedreven, sneed onverwijld in een snelle reactie de pijlen die op hem afvlogen aan stukken met een ander type zeer scherpe pijlen en lachte dat de vijand hem niet kon bereiken. (43) Toen hij zag wat voor een expert in de krijgskunst Indra was, nam hij vertoornd het s'akti-wapen ter hand maar met de toorts van laaiend vuur nog in zijn hand werd die door hem vernietigd. (44) Toen vervolgens de lans, het gekartelde projectiel en de speer, het zwaard en wat al niet werd geprobeerd, werden ze allen door de machtige in mootjes gehakt. (45) O meester der mensen, nu werd er een demonische illusie ontketend waarbij de Asura niet langer kon worden gezien en een enorme berg oprees die overal boven de hoofden van de sura strijders uittorende. (46) Grote slangen, schorpioenen en andere giftige creaturen kwamen naar beneden alsook leeuwen, tijgers, beren en grote olifanten om te verpletteren. (47) Er kwamen grote bomen naar beneden in een laaiende bosbrand en stenen met scherpe punten die het vijandige leger moesten vernietigen. (48) Honderden en honderden spiernaakte vleesetende duivelinnen, o heerser, ieder met een drietand in de hand, krijsten 'Steek ze neer, snijd ze aan stukken' en dergelijke. (49) Vervolgens waren er diep rommelende grote wolken te zien in de hemel waaruit gloeiende sintels vielen, begeleid door gewelddadige rukwinden en donderslagen. (50) De Daitya schiep een gigantisch schrikwekkende vuurstorm gelijk Sâmvartaka [het vuur aan het einde der tijden] die door de wind werd meegevoerd om de krijgers der wijsheid te verbranden. (51) Daarop, voor iedereen goed te zien, vertoonde zich een zee vol kolkend water met golven die door de wind werden opgestuwd tot een gigantische draaikolk. (52) Alzo raakten de sura strijders met de vertoning van de illusoire atmosfeer zoals die door de onzichtbare Daitya's werd gepresenteerd, die experts der begoocheling, in de strijd ontmoedigd. (53) Met lege handen staand niet meer wetend hoe ze die tegenkracht moesten beantwoorden, o Koning, mediteerden de volgelingen van Indra voor de komst van de Allerhoogste Heer, de Schepper van het Universum.

(54) Hij met de gele kleding en de lotusblaadjes-ogen, wiens voeten rusten op de schouders van Garuda, werd toen voor hen zichtbaar met Zijn acht armen en wapens, de Godin van het Geluk en Zijn onschatbare Kaustubha-juweel, Zijn helm en Zijn oorhangers, allemaal prachtig tentoongespreid. (55) Met Zijn komst werden, door de superieure macht van de Grootste der Groten, terstond de illusoire manifestaties van de valse werken van de Asura overwonnen, inderdaad zoals dat gebeurt met dromen als men ontwaakt; alle gevaren zijn verdreven als de herinnering aan de Heer is weergekeerd. (56) Toen de demon Kâlanemi tewerk met de vijand der olifanten [de leeuw] Hem die door Garuda wordt gedragen op het slagveld zag, wierp hij een rondtollende drietand op Hem af, maar toen die op Garuda's hoofd afkwam werd die met gemak onderschept, waarna de vijand tezamen met zijn strijdbeest met datzelfde wapen door de Heer der drie Werelden werd gedood. (57) De zeer machtige Mâlî en Sumâlî vielen in de slag toen hun hoofden van hun rompen werden gescheiden door Zijn cakra, waarna de vijand Mâlyavân hetzelfde lot van een door de werpschijf van de Oorspronkelijke Persoon afgesneden hoofd wachtte toen hij met een puntige knots en brullend als een leeuw de Koning der Vogels [Garuda] probeerde aan te vallen.

 

Hoofdstuk 11

De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen daarop door de genade van de Allerhoogste Persoonlijkheid al de Sura's zich weer hersteld hadden, hervatte Indra, Vâyu en de anderen de strijd tegen de troepen die hen voorheen hadden teruggedrongen in het gevecht. (2) Op het moment dat de zo machtige Indra, woedend op de zoon van Virocana [Bali], zijn bliksemschicht opnam, begonnen ze [de Asura's] allen uit te roepen 'Helaas, helaas!' (3) Hij die nuchter en goed uitgerust zich over het slagveld bewoog zag zich tegenover hem met de bliksemschicht geplaatst en kreeg naar zijn hoofd: (4) 'Jij bedrieger, jij dwaas, met je magie probeer je met illusies de zaak in je greep te krijgen en te winnen, over ons zegevierend alsof we kinderen zijn die men misleidend een rad voor ogen draaiend de bezittingen kan wegkapen! (5) Zij die het verlangen het hogere van de hemel te bereiken met illusoire middelen en op die manier denken de bevrijding te kunnen vinden, dat stelletje laag bij de grondse ezels, haal ik naar beneden en ontzeg ik de posities die ze ingenomen hebben. (6) Ik ben degene die vandaag een einde zal maken aan jou en je tovenarij door je je hoofd af te slaan met mijn honderd-tandige bliksemschicht; jij armzalige ziel met de maten...probeer het maar eens op dit slagveld uit te houden!'

(7) Bali kaatste terug: 'Allen hier op dit veld aanwezig zijn onderworpen aan de heerschappij van de tijd en vinden allen ieder op hun beurt, net zoals iedereen dat doet in zijn werk, een goede roep, overwinning, nederlaag en de dood. (8) Omdat de hele wereld, vooruitstrevend, door de tijd wordt bewogen, verheugt of weeklaagt de Asura niet die hiervan doordrongen is; in die zin hebben jullie allen er dus maar weinig kaas van gegeten! [vergelijk B.G. 2.11] (9) Wij die van respect zijn voor het zelf ongeacht wat er gebeurd, kunnen die smartelijke praatjes van u die bij de heiligen voor zielig wordt versleten, niet accepteren'.

(10) S'rî S'uka zei: 'Als een dappere held aldus de machtige terechtwijzend met stalen pijlen van minachting, viel Bali, de onderwerper der grootsten, hem wederom aan met zijn boog die hij in de aanval tot aan zijn oor aanspande. (11) Als een olifant gekastijd door de roede beklaagde de god, die aldus werd verslagen door zijn welbespraakte vijand, niet over de les die hem werd geleerd. (12) De meester der vernietiging zette de schicht tegen hem in zodat hij [Bali] getroffen toen gekortwiekt met zijn hemelwagen als een berg ter aarde stortte. (13) Toen hij zag dat zijn maat was gevallen trad zijn meest intieme vriend en begunstiger Jambha naar voren om solidair met zijn gevallen strijdmakker hem een dienst te bewijzen.(14) Hij supermachtig, de leeuw berijdend, stelde zich op met zijn strijdknots en sloeg Indra met inbegrip van zijn olifant met grote kracht op de schouder. (15) Getroffen door de enorme klap zakte de olifant zwaar gewond door zijn knieën op de grond en verloor hij omvallend het bewustzijn. (16) Daarop, toen zijn wagenmenner Mâtali hem [Indra] zijn strijdwagen getrokken door een duizendtal paarden bracht, liet hij zijn olifant achter zich en besteeg hij de wagen. (17) Met waardering voor die dienst van de wagenmenner, moest de beste der Dânavas glimlachen waarop hij hem in het gevecht met zijn van vuur laaiende drietand een slag toebracht. (18) Zich vermannend slaagde Mâtali erin de uitzinnige pijn te verdragen, maar Indra die buiten zinnen was onthoofde Jambha met zijn bliksemschicht. (19) Toen Jambhâsura's verwanten van Nârada rishi hoorden dat hij was gedood, haastten Namuci, Bala en Pâka zich derwaarts zo snel ze maar konden. (20) Met de wreedste woorden Indra uitscheldend om hem in het hart te raken, bestookten ze hem met pijlen die neerkwamen als een hoosbui boven een berg. (21) De duizend paarden van de koning der hemel werden door evenzoveel pijlen belaagd die allen snel tegelijkertijd waren afgeschoten. (22) Met de nog eens tweehonderd pijlen die op Mâtali afkwamen en die door Pâka allen in één keer gericht en afgeschoten waren op de strijdwagen en alles wat erbij hoorde, kon men aldus getuige zijn van een hoogst opmerkelijk wapenfeit in de veldslag. (23) Zo ook gaf Namuci vijftien goud-gevederde almachtige pijlen ten beste die door de lucht suizend een geluid op het veld voortbrachten als van een geladen donderwolk. (24) Al de Asura's bedolven Indra en zijn wagen van alle kanten met een dichte regen van pijlen, precies zoals wolken in het regenseizoen de zon aan het oog onttrekken [zie ook 4.10: 13]. (25) Als kooplieden schipbreuk lijdend midden op zee begonnen de halfgoden en hun gevolg, niet langer in staat hem te ontwaren, beroofd van hun leider te jammeren, terneergeslagen en zwaar geïntimideerd door de vijandige superioriteit als ze waren. (26) Daarop, tot de grote vreugde van alle kanten van de hemel en de aarde, slaagde Indra, de uitnemendheid der waarheid, erin zich tezamen met zijn paarden, strijdwagen, vaandel en wagenmenner te bevrijden van onder de wolk van pijlen, met zijn eigen persoonlijke gloed stralend tevoorschijn komend als de zon aan het einde van de nacht.

(27) Toen de godheid zag hoe zijn medestrijders door de vijand in verlegenheid werden gebracht in het gevecht, nam hij briesend van woede zijn bliksemschicht ter hand om de tegenstanders te doden. (28) Met behulp van die schicht scheidde hij toen voor ogen van hun familieleden, met de bedoeling ze angst aan te jagen, o Koning, de hoofden van de rompen van Bala en Pâka. (29) Namuci die er getuige van was hoe de twee werden afgeslacht, treurde over hen en deed, o heer der mensen, furieus een serieuze poging Indra van het leven te beroven. (30) Met een stalen speer behangen met bellen en opgesierd met goud in zijn hand trad hij laaiend van woede aan tegen Indra en brulde als een leeuw: 'En nou ben je dood!' en viel toen aan. (31) Het machtige projectiel dat als een meteoor uit de hemel naar beneden kwam werd door de hoogste persoonlijkheid [Indra] aan stukken geslagen o Koning, terwijl de demon zelf, van een ziedende Indra die trachtte hem zijn hoofd af te slaan, de bliksemschicht op zijn schouders kreeg. (32) Maar de machtige schicht, hetzelfde wapen dat voorheen door de koning der goden zo succesvol was ingezet met het treffen van Vritrâsura [6.12: 25], kon nog geen schrammetje toebrengen. Die weerstand van Namuci's nek was een buitengewoon wonderbaarlijk iets. (33) En aldus de bliksemschicht zonder effect weer terugkrijgend raakte Indra zeer bevreesd voor de vijand waarbij hij zich afvroeg: 'Wat krijgen we nou? Bij genade van welke supermacht kon dit, in de ogen van een ieder zo wonderlijk iets, zich voordoen? (34) Met deze zelfde schicht heb ik voorheen de vleugels afgesneden van zo vele bergen die, hoog vliegend, veel te zwaar wegend en een plaag vormend voor de gewone man, ten val kwamen. (35) Vritrâsura zo machtig door de boetedoeningen van Tvashthâ [zie 6.9: 11] vond er de dood door, net als vele andere machtige karakters ongevoelig voor andere wapens. (36) En nu is die schicht, hoewel zo krachtig als een brahmâstra, ingezet tegen op een minder beduidende demon afgeweerd; zo nutteloos als een stok kan ik hem niet langer hanteren.'

(37) Tot Indra die zich op deze manier beklaagde sprak toen een stem uit de heldere hemel: 'Met deze Dânava is het zo geregeld dat hij niet kan worden vernietigd door iets wat nat of droog is. (38) Hij zou niet sterven door iets nats of droogs vanwege een zegen die Ik hem verleende en derhalve, o Indra, zal je andere middelen om je vijand te lijf te gaan moeten overwegen.'

(39) Nadat hij die indrukwekkende stem had gehoord mediteerde Heer Indra er diep in gedachten over en kwam hij daarop tot het inzicht dat het iets van schuim moest zijn wat noch droog noch nat was. (40) Aldus propte hij in Namuci's keel een wapen dat nat noch droog was, waarop al de wijzen verheugd de almachtige overlaadden met bloemenslingers. (41) De twee belangrijkste zangers van de hemel Vis'vâvasu en Parâvasu hieven hymnen aan, de pauken werden geslagen door de goddelijken en de dansers van de hemel dansten in de hoogste verrukking. (42) Vâyu, Agni, Varuna en anderen echter begonnen volijverig, als waren ze leeuwen op de hertenjacht, de andere ruziezoekende Asura's ter dood te brengen. (43) Devarishi Nârada Muni werd door Heer Brahmâ op de halfgoden afgestuurd om hen die aan de macht waren, o Koning, de totale uitroeiing van de Dânava's die hij plaats zag grijpen te verbieden. (44) S'rî Nârada zei: 'Beschermd door de armen en het geluk [de godin] van Nârâyana verwierven jullie allen de nectar; aangezien jullie er alzo allemaal wel bij varen moeten jullie nu stoppen met dit vechten!'

(45) S'uka zei: 'De ergernis van hun woede bedwingend accepteerden ze wat de wijze hen zei en keerden ze allen, onder lofprijzingen van hun volgelingen, terug naar hun hemelse verblijven. (46) Zij die waren overgebleven na het gevecht pakten Bali en een ieder die was gevallen op en gingen, met Nârada's toestemming, naar de berg die Asta heette. (47) Aldaar werden de neergesabelden en verminkten die hun hoofd nog hadden door S'ukrâcârya [4.1: 45, 6.7: 18, 7.5: 1, 7.10: 33] weer tot leven gewekt middels zijn kennis van het Samjîvanî ['opwekkings'] gebed. (48) Bali, eveneens terug gebracht met de aanraking van Us'anâ, besefte wat zich had voorgedaan en hoewel hij was verslagen beklaagde hij, als de slimste met de wereldse zaken, zich niet.

 

Hoofdstuk 12

Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer

(1-2) De zoon van Vyâsa zei: 'Hij die de stier berijdt [S'iva] vernemende hoe Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] om de Dânava's te bekoren en er voor zorgde dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg zijn stier en ging omringd door zijn dienaren, tezamen met zijn godin [Umâ] eropuit om Madhusûdana [Vishnu] in Zijn verblijfplaats te treffen. (3) De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem met alle verschuldigde respect van harte welkom en toen Bhava, de Heer der Continuïteit, en Umâ comfortabel gezeten waren zei hij, met een glimlach Heer Hari zijn eerbetuigingen brengend, het volgende.

(4) S'rî Mahâdeva [S'iva] zei: 'O God der Goden, o Alles-doorvarende Heer en Meester van het Universum, voor alle vormen van bestaan bent U, als de volheid der schepping, de bestierende kracht en om deze reden bent U de Hoogste Beheerser. (5) U bent het begin, het einde van deze werkelijkheid en dat wat er zich tussenin bevindt en als men ook maar iets beschouwt als los van U bestaand is dat zelfzucht; maar omdat U onvergankelijk bent is Uwe Heerlijkheid, als zijnde die Absolute Waarheid, dat Allerhoogste en dat weten, niet van al deze verschillen. (6) Het zijn inderdaad Uw voeten die worden aanbeden door de wijzen die, verlangend naar het uiteindelijke heil, er geen materiële verlangens op na houden en de gehechtheid hebben opgegeven aan dit leven en een leven hierna. (7) U als het Volledige van de kosmos, onsterfelijk voorbij de geaardheden, vrij van verdriet in eeuwige verrukking, bent onveranderlijk, los van alles bestaand bent U niettemin alles. Als de oorzaak van het begin, de manifestatie van het universum en Haar handhaving, bent U van allen die op het innerlijk gericht zijn de Superziel van beheersing en zijn allen van U afhankelijk die de onafhankelijkheid zelve bent [zie tevens B.G. 9: 15]. (8) U daadwerkelijk als de Ene, bestaande als zowel het tijdelijke als het eeuwige, kent zelf geen tweevoudigheid omdat U in deze wereld, precies zoals goud in haar verschillende vormen is in relatie tot haar wezen, niet het verschil bent van de substantie, het verschil dat de mensen uit onwetendheid in relatie tot U in het algemeen waarnemen. Omdat U vrij bent van de verschillen gecreëerd door de geaardheden moet men, onderscheid makend, niet van materiële omschrijvingen zijn [het begrip van het verschil van een valse wereld en een waar brahman bestaat alleen in naam, zie ook B.G. 7: 4-5]. (9) U wordt door sommigen [de onpersoonlijke vedantisten] gezien als de absolute Waarheid van het Brahman en door een aantal anderen [de Mîmâmsaka's] als het zekere van de religie [het dharma]. Sommigen [de Sânkya-filosofen] beschouwen U als de Oorspronkelijke Persoon, de Hoogste Beheerser wat betreft oorzaak en gevolg en anderen [de pañcarâtra-toegewijden] beschrijven de bovenzinnelijkheid jegens U als uitgerust met negen hoedanigheden [zie 7.5: 23-24]. Voor nog weer anderen [volgelingen van Patañjali b.v.] bent U de Hoogste Persoonlijkheid, de onafhankelijke, onvergankelijke Superziel. (10) Noch ik noch de man in het voorbije [Brahmâ], noch de wijzen met Marîci aan het hoofd, weten werkelijk door wie dit universum werd geschapen, ook al namen we geboorte uit de goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld onder de invloed van mâyâ, in de lagere geaardheden verkeren [der hartstocht en onwetendheid, zie B.G. 2: 45]. (11) U, die als de lucht in de uitgestrekte ruimte, zowel erbij betrokken als er vrij van bent, hebt, met Uw aanwezigheid als de Allesdoordringende, weet van alles van deze schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich beweegt en niet beweegt. (12) Ik was getuige van allerlei avatâra's van U die de kwaliteiten in verschillende avonturen tentoon spreidden; Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aannam. (13) We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de Daitya's hun aandacht in beslag nam en de Sura's de nectar te drinken gaf.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Vishnu de Allerhoogste Heer aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte ernstig en gaf Girîs'a ['hij van de berg'] een antwoord. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Om de Daitya's te begoochelen nam Ik de gedaante van een prachtige vrouw aan, en achtte Ik het in het belang van de Sura's noodzakelijk om het vat vol met nectar weg te nemen. (16) Ik zal nu jullie, die er zo naar verlangen het te aanschouwen, o beste der verlichten, het voorwerp van aanbidding tonen dat de verlangens oproept van degenen die van een ongebreidelde lust zijn.'

(17) S'rî S'uka ging verder: 'Na zich aldus te hebben uitgesproken verdween Heer Vishnu terstond vandaar uit het zicht van het gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend met overal spiedende ogen. (18) Daarop ontwaarden ze op een prachtige plek in het bos een heerlijke vrouw die, in een glanzende sârî met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen met roze blaadjes en alle soorten van bloemen, druk in de weer was spelend met een bal. (19) Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen die door hun gewicht bij Haar fragiele middel meedeinden met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten. (20) Haar gezicht werd opgesierd door rusteloze, bij tijden bezorgde, wijd open ogen die de bal in alle richtingen volgden en ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs Haar wangen naar beneden viel. (21) De sârî en Haar haar losglijdend en losrakend probeerde ze op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linker hand, onderwijl met Haar rechter hand tegen de bal slaand; aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14]. (22) De god die Haar op deze manier met de bal zag spelen en een nauwelijks op te merken verlegen glimlach zag uitzenden, was betoverd door de blikken van de stralende schoonheid en met zijn geest in beslag niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, was hij niet langer meer in staat aan zichzelf, aan Umâ naast hem of aan zijn metgezellen te denken [vergelijk 5.5: 8]. (23) Toen de bal opeens ver wegsprong van Haar hand, waaide, terwijl Ze de bal nazat, de jurk met de gordel die de vrouw bedekte, recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva weg. (24) Aldus Haar welgevormde glorie ziend zo aangenaam voor het oog, dacht S'iva dat Zij werkelijk wel zin in hem had. (25) Hij, gek op Haar glimlachen, ging, door Haar manier van doen beroofd van zijn gezonde verstand, zonder acht te slaan op Bhavânî die getuige was van wat zich voordeed, schaamteloos achter Haar aan. (26) De vrouw volkomen naakt, die hem op zich af zag komen, verborg zich in grote verlegenheid met een glimlach tussen de bomen, zonder op één plaats te blijven. (27) Heer S'iva, Bhava, wiens zinnen van streek waren, was het slachtoffer van de lust precies zoals een mannetjes-olifant uit op een vrouwtjes-olifant. (28) Haar najagend kreeg hij Haar bij de vlecht van Haar haar te pakken en trok hij Haar naar zich toe om Haar tegen Haar wil te omhelzen. (29-30) Zij met Haar losgeraakte haren, de vrouwtjes-olifant gevangen door het mannetje dat de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning, uit de hechte greep van de Heer der Halfgoden en holde snel weg met de zware heupen die zozeer het begoochelend vermogen van de Heer tentoon spreidden. (31) Als had hij de duivel op zijn hielen zette Rudra de achtervolging in van Hem wiens handelingen zich zo wonderbaarlijk voor hem afspeelden. (32) Van hem die nimmer zijn zaad tevergeefs uitstort, werd, Haar nazittend als een dolle stier jagend op een wijfje, het zaad geloosd. (33) Overal waar zijn zaad op de aarde viel werden die plaatsen mijnen voor goud en zilver, o grote heerser. (34) Nabij de oevers der rivieren en meren, bij de bergen en in de wouden, in de tuinen en waar zich ook maar de wijzen ophielden, was S'iva aanwezig. (35) Met zijn zaad geloosd zag hij in dat hij zelf voor de gek gehouden was door het begoochelend vermogen van God, o beste der koningen, en aldus weerhield hij zich van nog meer van de illusie. (36) Zo overtuigd van zijn eigen grootheid en de grootheid van de Ziel van het Universum die van een onbegrensd vermogen is, beschouwde hij dat wat zich had voorgedaan niet als iets verrassends. (37) Toen Hij zag dat hij zo onverstoord en zonder schaamte was nam Madhusûdana zeer tevreden erover Zijn Oorspronkelijke gedaante aan en sprak Hij.

(38) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wens u alle geluk o beste der halfgoden, ondanks het door jou, met Mij verschijnend als een vrouw, zo rijkelijk bekoord zijn door Mijn uitwendig vermogen, gedraag je je consequent overeenkomstig je gevestigde positie. (39) Welke persoon anders dan jij kan nu, eenmaal door de zinnen aangetrokken, Mijn mâyâ overwinnen? Voor hen die in het algemeen niet in staat zijn hun zinnen te beheersen zijn de materiële terugslagen die hen overweldigen hoogst lastig te boven te komen. (40) Als men zich eenmaal verbonden heeft met Mij in de vorm van de eeuwige tijd zal die begoochelende energie bestaande uit de geaardheden der natuur, met al haar verschillende elementen [als de optelsom waarvan er de godin Durgâ*] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus geprezen door de Hoogste Persoonlijkheid van God die altijd het S'rîvatsa-teken op Zijn borst heeft, o Koning, ging hij, Hem omlopend, met Zijn permissie terug naar zijn eigen verblijfplaats. (42) O afstammeling van Bharata, de machtige Heer Bhava richtte zich toen opgetogen tot zijn vrouw Bhavânî die door de wijzen wordt aanvaard als zijnde een werking van de begoochelende energie van de Heer: (43) 'Oh, heb je gezien hoe ikzelf zonder het in de gaten te hebben, ondanks de beste te zijn van al Zijn machten, verbijsterd raakte door Haar, de begoochelende energie van de Ongeboren Allerhoogste Persoon der Halfgoden? Moet ik het dan nog hebben over anderen die volledig afhankelijk zijn van de materiële illusie? (44) Toen ik een einde maakte aan een duizendjarige yogapraktijk kwam je bij mij om hoogte te krijgen van Hem die er inderdaad nu rechtstreeks is als de Oorspronkelijke Persoon die het begrip van de Veda's te boven gaat en waar de tijd geen vat op heeft.'

(45) S'rî S'uka besloot: 'Aldus zette ik voor u uiteen, mijn beste, de almacht van S'ârnga-dhanvâ [Vishnu met Zijn Boog] die de grote berg op Zijn rug hield voor het karnen van de oceaan. (46) Hij die er de tijd voor neemt dit te reciteren of naar dit verhaal te luisteren, zal nooit teleurgesteld raken in wat hij onderneemt omdat de beschrijving van de kwaliteiten van Uttamas'loka, de Ene Geprezen in de Geschriften, een einde maakt aan de misère van het materieel bestaan. (47) Voor Hem die niet door de goddelozen wordt begrepen, voor de voeten bekend bij de toegewijden van overgave, voor Hem die enkel de onsterfelijken de nectar te drinken gaf die voortkwam uit de oceaan, voor Hem die vermomd als een jong meisje verscheen en de vijanden van de goden voor zich innam, voor Hem die de wensen van de toegewijden in vervulling doet gaan, buig ik mij diep [vergelijk B.G. 9: 29-34].

*  Svâmî Prabhupâda citeert:

'srishthi-sthiti-pralaya-sâdhana-s'aktir ekâ
châyeva yasya bhuvanâni bibharti durgâ'
[
Bs. 5.44]

De ganse kosmos is tot stand gebracht door Durgâ in samenwerking met Heer Vishnu in de gedaante van kâla, de tijd. Dit is de versie van de Veda's (Aitareya Upanishad 1.1.1-2).

 

Hoofdstuk 13  

Beschrijving van de Toekomstige Manu's

(1) S'rî S'uka zei: 'Verneem nu van mij over de kinderen van de zoon van Vivasvân die in de wereld bekend staat als S'râddhadeva - hij die op het ogenblik de zevende Manu is [we verkeren nu in de acht-en-twintigste yuga van hem die ook bekend staat als Vaivasvata Manu]. (2-3) De tien zoons van Manu staan bekend onder de namen Ikshvâku en Nabhaga inderdaad, Dhrishtha en ook S'aryâti, Narishyanta en Nâbhâga met Dishtha als de zevende; verder zijn er Tarûsha en Prishadhra en Manu's tiende die men kent als Vasumân. (4) O Koning, Purandara is er als de Indra van de Âditya's, de Vasu's, de Rudra's, de Vis'vedeva's, de Maruts, de As'vins en de Ribhu's [de halfgoden]. (5) Kas'yapa, Atri, Vasishthha, Vis'vâmitra, Gautama, Jamadagni en Bharadvâja staan bekend als de zeven wijzen voorheen vermeld. (6) Gedurende deze periode werd de verschijning van de Allerhoogste Heer Vishnu in de gedaante van Heer Vâmana als de jongste van Aditi veiliggesteld door Kas'yapa Muni. (7) In het kort heb ik de zeven wisselingen van de Manu's beschreven, nu zal ik u ook vertellen over de zeven toekomstige Manu's begiftigd met de energie van Vishnu [zie 8.1 & 5].

(8) De twee echtgenotes van Vivasvân, de dochters van Vis'vakarmâ Samjñâ en Châyâ, o Koning, beschreef ik u beiden voorheen. [zie 6.6: 40-41]. (9) Sommigen maken melding van een derde echtgenote van Vivasvân: Vadavâ. Van hen drieën kwamen er van Samjñâ drie kinderen ter wereld - een dochter Yamî en de zoons Yama en S'râddhadeva. Verneem nu over de kinderen van Châyâ. (10) Zij zijn Sâvarni [een zoon], de dochter Tapatî die later de vrouw werd van koning Samvarana en S'anais'cara [Saturnus] die de derde was. De As'vins namen geboorte als de zoons van Vadavâ. (11) Als de achtste periode is aangebroken zal Sâvarni de Manu worden. De zoons van Sâvarni, o heerser der mensen, zijn Nirmoka, Virajaska en anderen. (12) De halfgoden zullen dan de Sutapâ's, de Viraja's en de Amritaprabha's zijn en Bali, de zoon van Virocana, zal de Indra worden. (13) Het ganse universum aan Vishnu geschonken hebbend die hem om drie stappen grond vroeg, zal hij de post van Indra verwerven en daarna zal hij, in verzaking, de volmaaktheid des levens bereiken. (14) Hem, Bali, gebonden door de Allerhoogste Heer, werd de gunst van het koninkrijk van Sutala verleend alwaar, op het ogenblik een positie gelijk aan Indra bekledend, hij opnieuw moest worden hersteld in een positie meer welvarend dan in de hemel. (15-16) In de achtste manvantara zullen Gâlava, Dîptimân, Paras'urâma, As'vatthâmâ, Kripâcârya, Rishyas'ringa en onze vader Vyâsadeva, de incarnatie van de Heer [als filosoof], die op het ogenblik, o Koning, zich bezighouden in hun eigen hermitages, als gevolg van hun yogapraktijk de zeven wijzen zijn. (17) Sârvabhauma door Devaguhya verwekt in Sarasvatî, zal als de Heer en Meester met geweld Purandara [Indra] zijn koninkrijk afhandig maken en het aan Bali schenken.

(18) Daksha-sâvarni, de negende Manu, geboren als de zoon van Varuna, zal als zijn zonen Bhûtaketu, Dîptaketu en anderen hebben, o Koning. (19) De Pâra's, de Marîcigarbha's en dergelijke zullen de halfgoden zijn, de koning van de hemel zal bekend staan als Adbhuta en zij met Dyutimân voorop zullen de zeven wijzen zijn in dat tijdvak. (20) Van Âyushmân zal uit de schoot van Ambudhârâ Rishabhadeva, een gedeeltelijke incarnatie van de Allerhoogste Heer, zijn geboorte nemen en van hem zal Adbhuta al de weelde van de drie werelden genieten.

(21) De tiende Manu zal Brahma-sâvarni, de zoon van Upas'loka zijn; zijn zoons zullen Bhûrishena en anderen zijn en de tweemaal geborenen zullen onder leiding staan van Havismân. (22) Havismân, Sukrita, Satya, Jaya en Mûrti [en anderen] zullen in die tijd de [zeven] wijzen zijn; de Suvâsana's, de Viruddha's en anderen zullen de halfgoden zijn en S'ambhu zal de heerser over de Sura's zijn [de Indra]. (23) Éénvan de Allerhoogste Heer Zijn Volkomen Aspecten, Vishvaksena, geboren uit de schoot van Vishûcî in het huis van Vis'vasrashthâ, zal vriendschap sluiten met S'ambhu.

(24) De Manu Dharmasâvarni zal feitelijk de elfde zijn die in de toekomst verschijnt als de meester van de ziel en Satyadharma en anderen zullen zijn tien zoons zijn. (25) De Vihangama's, Kâmagama's en Nirvânaruci's zijn de halfgoden en Vaidhritâ is hun Indra; de zeven wijzen zijn Aruna en anderen. (26) Geboren uit de schoot van Vaidhritâ als de zoon van Âryaka zal een gedeeltelijke incarnatie van de Heer bekend als Dharmasetu dan over de drie werelden heersen.

(27) Rudra-sâvarni, o Koning, zal verschijnen als de twaalfde Manu en Devavân, Upadeva en Devas'reshthha en anderen zullen zijn zoons zijn. (28) In die periode zal Ritadhâmâ de Indra zijn, zullen de halfgoden worden aangevoerd door de Harita's en zullen de wijzen Tapomûrti, Tapasvî, Âgnîdhraka en anderen zijn. (29) Door Satyasahâ verwekt uit Sunritâ zal de almachtige Svadhâmâ, een partiële incarnatie van de Heer, de periode van die Manu beheersen.

(30) De dertiende Manu van vooruitgang naar de ziel zal Deva-sâvarni zijn en Citrasena, Vicitra en anderen zullen Deva-sâvarni's vlees en bloed zijn. (31) De Sukarmâ's en de Sutrâma's zullen de halfgoden zijn, Divaspati zal de Indra zijn en Nirmoka en Tattvadars'a en anderen zullen dan de wijzen zijn. (32) Als de zoon van Devahotra zal, als de begunstiger van Divaspati [de Indra], uit de schoot van Brihatî, Yoges'vara een gedeeltelijke incarnatie van de Heer verschijnen.

(33) De Manu bekend als Indra-savârni zal de veertiende zijn en uit zijn zaad zullen Uru, Gambhîra, Budha en anderen geboren worden. (34) De Pavitra's en Câkshusha's zullen de halfgoden zijn, S'uci zal de koning van de hemel zijn en Agni, Bâhu, S'uci, S'uddha, Mâgadha en anderen zullen de boetvaardigen zijn. (35) Voor dat tijdvak, o grote koning, zal de Heer in de schoot van Vitânâ verschijnen als Brihadbhânu, de zoon van Satrâyana, terwille van het ten uitvoer brengen van de spirituele activiteiten.

(36) O Koning, de geschatte tijd van het verleden, het heden en de toekomst die deze veertien beslaan die ik u beschreef, bestaat uit een duizendtal mahâyuga's of een kalpa [dag van Brahmâ, zie ook afbeelding].'

 

Hoofdstuk 14  

De Wijze van Universeel Bestuur

(1) De koning zei: 'O grote wijze, zou u me alstublieft kunnen beschrijven wat de afzonderlijke plichten zijn waar al deze Manu's en de anderen zich in iedere manvantara mee bezighouden en door wie ze worden ingesteld?

(2) De rishi zei: 'De Manu's en al hun zoons, de wijzen en, o Koning, de Indra's en de goddelijken vallen zonder twijfel allen onder het gezag van de Oorspronkelijke Persoon. (3) De Manu's en de anderen belast met de zaken van de wereld zijn, o Koning, allen geïnspireerd door de Heer van het Offer Yajña en de andere incarnaties van de Allerhoogste Persoonlijkheid die ik voorheen ter sprake heb gebracht. (4) Als aan het einde van iedere mahâyuga de heiligen vanuit hun verzaking er getuige van zijn hoe geleidelijk aan er misbruik is ontstaan met het verloren gaan van [de achting voor] de vedische instructie is er voor dat doel het sanâtana dharma [de gebruikelijke vedische plichten naar leeftijd en roeping, zie ook 1.17: 24-25]. (5) Daaropvolgend zijn de Manu's in ieder van De vier yuga's naar de instructie van de Heer bezig met het rechtstreeks voor de duur van hun tijd van bestaan in deze wereld weer opnieuw vestigen van het dharma wat betreft al de vier regulerende pincipes, o heerser der mensen [zie ook B.G. 4: 1]. (6) De halfgoden en de andere afdelingen van genieters van de resultaten van de offers houden zich eveneens met die aangelegenheid bezig; door hen voeren de heersers in de wereld tot aan het einde van zijn [Manu's] bestuur uit wat werd opgedragen [zie ook B.G. 4: 2]. (7) Indra, de heerser van de hemel, geniet alle weelde van de drie werelden geschonken door de Allerhoogste Heer en bekommert zich om alle drie hun plaatsen door regens over de aarde uit te storten zoveel als nodig is. (8) Naar gelang iedere yuga zet de Heer de bovenzinnelijke kennis uiteen met het aannemen van de gedaanten van bevrijde personen [de vervolmaakten of siddha's], grote heiligen [rishi's] en de grote heren van de yoga die zich ermee bezighouden de arbeid van het zich verenigen in het bewustzijn te onderrichten. (9) Als de grondleggers [de Prajâpati's] verwekt Hij nageslacht; om de gewetenloze mensen te vernietigen neemt Hij de gedaante aan van koningen en in de vorm van de tijd is Hij er om een einde te maken aan alles wat zich als verschillend ontwikkelde naar de geaardheden der natuur. (10) Met alle mensen die naar Hem op zoek zijn, die onder de invloed van mâyâ begoocheld zijn in verschillende namen en verschillende gedaanten, kan Hij met de illusie van de [verdeeldheid van de] verschillende gezichtspunten niet worden gevonden [vergelijk B.G. 18: 66]. (11) Al deze wisselingen [vikalpa's] die ik beschreef als zich afspelend in één dag van Brahmâ [een kalpa] - in verband waarmee de geleerden spreken van veertien manvantara's - getuigen hiervan.'

 

Hoofdstuk 15  

Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen

(1-2) De koning zei: 'Waarom bedelde, de Heerser over alle levende wezens, als een arme bij Bali om drie stappen land en waarom sloeg Hij hem ondanks de gift in de boeien? We willen heel graag al dit bedelen van de Beheerser die zo volkomen is in Zichzelf en de aanhouding van Bali hoewel hij foutloos was begrijpen.'

(3) S'rî S'uka zei: 'Verslagen door Indra, verstoken van zijn weelde en inderdaad zijn leven [zie 8.11], werd Bali weer tot leven gewekt door de nazaten van Bhrigu [S'ukrâcârya en zijn volgelingen]. Met Bhrigu's gevolg was hij, als een grote ziel en discipel, van aanbidding door hen in volledige overgave alles te geven dat hij had. (4) De brahmaanse navolgers van Bhrigu, die zeer met hem ingenomen waren, zetten hem aan tot een offerritueel genaamd Vis'vajit zodat hij, na overeenkomstig de voorschriften te zijn gezuiverd door de verheven zielen in een groot reinigings-ritueel [abhisheka], naar zijn zin de hemelse werelden kon veroveren. (5) Van het laaiende vuur aanbeden met uitgietingen van ghee was er, getrokken door paarden die de kleur hadden van die van Indra [geel], een strijdwagen bedekt met goud en zijde die uitgerust was met en een banier gesierd met een leeuw. (6) Er was een speciale vergulde boog, twee kokers met trefzekere pijlen en een hemels kuras. Zijn grootvader [Prahlâda] schonk een bloemenslinger van nimmer verwelkende bloemen en S'ukrâcârya gaf hem een schelphoorn. (7) Na op het advies van de brahmanen het ritueel uit te hebben gevoerd en aldus met hun genade de wapenrusting te hebben verworven, omliep hij met het brengen van zijn eerbetuigingen al de geleerde mannen en nam hij ook met het nodige respect afscheid van Prahlâda Mahârâja. (8-9) Daarop de goddelijke wagen bestijgend die S'ukrâcârya had geschonken, nam de grote krijgsheer gesierd met zijn bloemenslinger, bedekt door zijn rusting en uitgerust met zijn boog, zijn zwaard en pijlenkoker ter hand. Met de gouden banden om zijn armen en zijn oorhangers glinsterend als saffieren straalde hij, zich op zijn wagen bevindend, als het vuur der aanbidding op een altaar. (10-11) Omringd door zijn eigen mannen en de andere daitya leiders die qua weelde, kracht en schoonheid niet voor hem onderdeden, leken ze de hemel te verzwelgen en alle windrichtingen te verzengen met hun blikken. De grootste asura krijgers bijeen brengend begaven ze zich naar de uiterst welvarende hoofdstad van Indra dat het de hele aarde leek te schudden.

(12) Het was er daar zeer aangenaam met boomgaarden en tuinen zoals de prachtige Nandana-tuin, tjilpende paartjes vogels, dol zoemende bijen en eeuwige bomen met takken zwaar van de bladeren met vruchten en bloemen. (13) Ze waren bevolkt met groepen zwanen, kraanvogels, cakravâka-vogels, eenden, lotusbloemen en prachtige ronddartelende dames beschermd door de goddelijken. (14) De immer aanbiddelijke godin omringde hen met grachten vol Gangeswater en gekanteelde verdedigingswerken in een vuurrode kleur. (15) Gebouwd door Vis'vakarmâ waren de ingangen van de stad van marmer, waren de deuren [van de huisen] met goud beplaat en waren de vele openbare wegen planmatig geordend. (16) Ze was rijk aan openbare gelegenheden, hofjes, wegen en talloze weelderige paleizen. Bij de kruispunten waarin parels waren verwerkt stonden zitbanken gesierd met diamanten en koraal. (17) In die stad trof men, zoals met een vuur met vele vlammen, glitterende, hoogst bekoorlijke, eeuwig jeugdige vrouwen aan, die koel, warm en rondborstig [ofwel 's'yâmâ'], fraai opgesierd altijd gestoken waren in smetteloos schone kleren. (18) De bries in de straten voerde de geur mee van de verse, welriekende bloemen gevallen uit het haar van de sura vrouwen. (19) De sura liefjes op straat liepen door de witte rook van aguru wierook gebrand vanachter de met gouden raamwerk versierde vensters. (20) Er waren baldakijnen bezaaid met parels en goud, een keur aan vlaggen die de koepels sierden van de paleizen en pauwen, duiven en bijen die hun geluiden lieten horen, en daarbij zongen hoog in hun hemelse bouwsels de vrouwen in koor het heil. (21) De stad met al zijn schittering zo prachtig en aangenaam met de zingende dierbaren der goden, de solo-instrumenten, het dansen en de geluiden van de fluiten, vînâ's, trommels, schelphoorns en pauken allen in volmaakte harmonie, overtrof in haar schoonheid die van de goddheid van de pracht. (22) Er waren geen goddelozen die de straten onveilig maakten, niemand was er afgunstig of van geweld jegens andere levende schepselen, niemand pleegde bedrog en niemand jaagde valse eer na, was wellustig of bezitterig; allen die daar liepen waren volledig vrij van dat alles. (23) Die stad van God werd vanbuitenaf aan alle kanten aangevallen door hem, de bevelhebber over de troepen geschonken door S'ukrâcârya, die, met het luid laten weerklinken van zijn schelphoorn, al de dames beschermd door Indra in angst verzette.

(24) Indra geplaatst voor de situatie kon Bali's gedreven strijdlust begrijpen en richtte zich in het gezelschap der goddelijken tot de geestelijk leraar [Brihaspati] met de volgende woorden: (25) 'O mijn Heer, van wie kreeg Bali, onze vijand uit het verleden, die grote inzet en almacht die we, zo vrees ik, niet zullen kunnen weerstaan. (26) Er is niemand te vinden die deze gewapende macht van hem weerstand kan bieden, het is alsof hij met zijn mond de hele wereld wil opdrinken en oplikken en met zijn blikken alle windrichtingen in brand wil zetten, zich opwerpend als het vuur aan het einde der tijden. (27) Alstublieft zeg ons wat de oorzaak is van de formidabele macht van onze vijand. Waaraan ontleent hij zijn energie, kracht, invloed en ondernemingslust?'

(28) Brihaspati zei: 'Ik weet wat de oorzaak is van het opstaan van uw vijand, o Indra, hij kreeg zijn macht als leerling van de machtige brahmanen die de volgelingen van Bhrigu zijn. (29) Dermate machtig kan de sterke niet worden verslagen door iemand als u of iemand die bij u hoort; behalve de Hoogste Beheerser, de Heer, zal niemand in staat zijn hem uit de wereld te helpen nu hem eenmaal de macht van een superieure spirituele kracht is verleend; zich tegen hem teweer te stellen is net zo zinloos als tegen de heer van de dood op te staan. (30) Daarom moeten jullie allen vertrekken, jullie hemelrijk opgeven en naar elders vertrekken in afwachting van de tijd dat jullie vijand op zijn retour is. (31) Hij die nu zo oppermachtig floreert bij de genade van de brahmaanse macht hem verleend, zal door het beledigen van die zelfde macht met al zijn vrienden en helpers zijn neergang onder ogen moeten zien.'

(32) Aldus geadviseerd door hun geestelijk leraar over wat hen te doen stond, gaven ze hun hemelse koninkrijk op en vertrokken zij die de goden waren die elke gedaante konden aannemen die ze maar wilden. (33) Toen al de goddelijken op deze manier waren verdwenen nam Bali, de zoon van Virocana, de stad in waar de hemelgasten hun verblijf hadden en onderwierp hij de hemelse werelden aan zijn gezag. (34) Omdat hij hun discipel was instrueerden de volgelingen van Bhrigu, zeer verheugd over de veroveraar van het universum, hem een honderdtal [as'vamedha] paardoffers te brengen. (35) Door het uitvoeren van die offers verspreidde zich zijn roem tot in alle uithoeken van de drie werelden en straalde hij met een glorie gelijk aan die van de maan. (36) Omdat hij de gunst van de tweemaal geborenen had verworven meende hij, met het genieten van een weelde en voorspoed gelijk aan die van de halfgoden, dat hij het zeer goed getroffen had met wat hij zo groots had beraamd en gedaan.

 

Hoofdstuk 16  

Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo gauw haar zonen aldus hun positie hadden opgegeven begon hun moeder Aditi hulpeloos te lamenteren over het verlies van het hemelrijk dat ze aan de Daitya's waren kwijtgeraakt. (2) Toen op een dag de machtige wijze Kas'yapa [haar echtgenoot] na een lange tijd uit zijn samâdhi [yoga trance] kwam en naar Aditi's vertrekken ging, trof hij haar ontmoedigd en terneergeslagen aan. (3) Nadat hij, respectvol ontvangen door Aditi, plaats had genomen, richtte hij zich indachtig haar depressie als volgt tot haar, o beste der Kuru's. (4) 'Heeft er zich iets naars voorgedaan met de brahmanen, o zachtmoedige, of wil het niet lukken in de wereld van vandaag met het dharma of met de mensen om je heen die zich moeten schikken naar de nukken van de dood? (5) Of is er iets misgelopen mijn liefste prinses, met de religie, het geld, of de vervulling van je verlangens in de huiselijke sfeer die zelfs voor hen die niets voor de yoga voelen gelegenheid biedt om tot vereniging van het bewustzijn te komen? (6) Of waren er misschien gasten waar je niet op had gerekend, al te gehechte familieleden die je niet naar behoren wist te ontvangen en bij je weggelopen zijn? (7) De huishouding die ongenode gasten niet welkom heet door ze zelfs niet een glas water te bieden, is, door hen opgegeven, niet meer dan het leger van een jakhals. (8) Of heb je tijdens mijn afwezigheid, o allerfijnste, om een of andere reden vergeten je uitgietingen van ghee in het vuur te doen, lieve echtgenote? (9) Een gehechte huishouder komt middels het eerbetoon van de pûjâ tot de bevrediging van al zijn verlangens en gaat naar de hemel, daar het inderdaad de brahmanen en het vuur zijn die de mond vormen van Vishnu die de ziel en zaligheid is van alle godsbewusten [vergelijk B.G. 9: 26]. (10) Gaat het al je zonen goed, o ruimhartige dame? Ik kan zien dat je met je gedachten elders bent.'

(11) S'rî Aditi zei: 'Met de tweemaal geborenen en de koeien, o brahmaan, met het dharma en de mensen om me heen gaat alles zoals het hoort; jouw huishouding is de beste plaats om de drie der vooruitgang [kâma, artha, dharma] te behartigen, lieve echtgenoot. (12) Het vuur, de gasten, de dienaren en de bedelaars zijn allen behandeld zoals het hoort; door steeds aan jou te denken, o brahmaan, werd niets over het hoofd gezien. (13) Aan welk verlangen van mij zou niet worden beantwoord o heer, met jouw goede zelf als de stamvader en de geheugensteun voor het dharma in mijn hart? (14) Ookal draagt de Allerhoogste Beheerser [speciaal] zorg voor de toegewijden, toch ben jij van de Asura af aan een ieder gelijkgezind die, als het product van je lichaam dan wel van je geest, o zoon van Marîci, begiftigd is met een van de drie kwaliteiten van de goedheid, de hartstocht en de traagheid, o mijn heer [vergelijk B.G. 4: 11 en 9: 29]. (15) Derhalve, o beheerser, neem het welzijn van mij als uw dienares ter harte. We zijn nu, o zachtmoedige, vanwege onze mededingers verstoken van onze weelde en residentie; bescherm ons alstublieft o meester! (16) Verbannen door dezelfde machtige vijanden die al onze rijkdom, schoonheid, reputatie en huizen wegnamen, ben ik verdronken in een oceaan van problemen. (17) O eerste van onze begunstigers, wees zo aardig ons goede geluk in overweging te nemen, o heilige man, zodat alles wat we hebben verloren door mijn zoons kan worden herveroverd.'

(18) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier verzocht door Aditi zei hij glimlachend tot haar: 'Helaas, hoe machtig is de mâyâ van Vishnu als men zich heeft laten vangen in deze liefde voor de wereld. (19) Wat is de betekenis van dit lichaam gevormd uit de elementen dat niet de ziel is en wie is en van wie stamt de geestelijke ziel die transcendentaal is aan de wereld, het materiële universum dat voorzeker de oorzaak is van de illusie van het hebben van een echtgenoot of een zoon en dergelijke [zie B.G. 2: 13, 5.5: 1, 7.5: 31]? (20) Probeer van respect te zijn voor Vâsudeva, de geestelijk leraar van de hele wereld, de Oorspronkelijke Persoon Janârdana, Hij die, verblijvend in de kern van ieders hart, alle vijanden verslaat. (21) Ongetwijfeld zal Hij, de Onfeilbare Heer van genade voor de armen, je verlangens vervullen; naar mijn idee is er niets dat te vergelijken is met de toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer [zie ook 2.3: 10].'

(22) S'rî Aditi zei: 'Aan welke regels moet ik me houden, o brahmaan, zodat de Heer van het Universum behaagd is en dat wat ik beoog bij Zijn genade werkelijk in vervulling zal gaan [zie ook B.G. 7: 16]? (23) Onderricht mij, o echtgenoot, o beste der tweemaal geborenen, in de vidhi [de regulerende beginselen, zie 1.17: 24 en 3.11: 21], het proces van aanbidding naar het principe, zodat de Godheid snel tevreden zal zijn met mij die nu met al haar zonen zo treurt.'

(24) S'rî Kas'yapa zei: 'Ik zal je op de hoogte stellen van de vorm van aanbidding die Kes'ava behaagt en waarover de almachtige geboren op de lotus [Brahmâ] sprak toen ik, nageslacht wensend, dit aan hem voorlegde [zie B.G. 4: 2]. (25) Gedurende de heldere helft van de maand Phâlguna [Februari/Maart] behoort men voor twaalf dagen, met de gelofte enkel melk te drinken [payo-vrata] en geladen met onvermengde toewijding, van aanbidding te zijn voor de Lotusogige [zie ook 7.5: 23-24]. (26) Als de maan donker is moet men zich insmeren met de aarde omgewoeld door een zwijn indien beschikbaar, en een stroom ingaan met het reciteren van deze mantra: (27) 'O goddelijke moeder [aarde], uitziend naar een plek werd u van de bodem van de oceaan met de slagtand van Heer Varâha omhoog gebracht [zie 3.13: 30]; met mijn eerbetuigingen voor u, was alstublieft al mijn zonden en hun terugslagen weg'. (28) Na de dagelijkse spirituele plichten te hebben beëindigd behoort God te worden aanbeden met volle aandacht voor de beeltenissen [zie ook 7.14: 39-40] in de schrijn, voor de zon, het water, het vuur alsmede de goeroe: (29) 'Ik biedt U mijn respectvolle eerbetuigingen o Allerhoogste Heer, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Beste van Allen verblijvend in het hart van alle wezens, o Vâsudeva de alomtegenwoordige getuige. (30) Mijn eerbetoon voor U de Ongeziene, de Bovenzinnelijke Persoon van de Primaire Werkelijkheid, de kenner van de vierentwintig elementen [zie woordenlijst], en oorspronkelijke oorzaak van de analytische orde van de yoga. (31) Mijn respect voor U, de genieter van de drie soorten van rituelen [van karma, jñâna en upâsanâ of bhakti, ofwel vruchtdragende arbeid, geestelijke kennis en toegewijde dienst] met Uw twee hoofden [van prâyanîya en udâyanîya, het begin en het einde van de offerplechtigheden], drie benen [savana-traya, de drie dagelijkse uitgietingen van soma naar de zonnetijd], vier vooruitstekende hoorns [de Veda's naar de stier van dharma] en zeven handen [de chanda's, manieren van behagen, mantra's als de Gâyatrî: zie ook 5.21: 15], mijn eerbetuigingen voor de belichaming van alle kennis. (32) Mijn trouw aan U bekend als S'iva en Rudra, U als het reservoir van alle vermogens en alle inzicht; jegens de Allerhoogste Meester der levende wezens mijn respectvolle eerbetoon. (33) Jegens U als de vierhoofdige Brahmâ Hiranyagarbha, de bron van alle leven en Superziel van het Universum, mijn eerbetoon, ik verbuig me voor U, de oorzaak van het verenigd bewustzijn van de Yoga. (34) Mijn achting voor U, de Oorspronkelijke Godheid en Overschouwer van allen, U biedt ik mijn respect die als Nara-Nârâyana-Rishi de gedaante van een menselijk wezen aannam - voor die Heer mijn eerbetuigingen. (35) Jegens U, donkerkleurig als een marakata juweel [een soort smaragd], de Beheerser van Lakshmî, de Doder van Kes'î, voor U gekleed in het geel, telkens weer mijn aanbidding. (36) U bent voor alle schepselen de Verlener van alle Gunsten, de Meest Aanbiddelijke en de Beste van Alle Zegeningen en om die reden vereren de meest nuchteren het stof van Uw lotusvoeten als de bron van alle goedgunstigheid. (37) Hij jegens wie al de goden en de Godin van het Geluk bezig zijn met toegewijde dienst, moge Hij, de Allerhoogste Heer, verheugd zijn over mij die niets minder wil dan de hemelse verrukking van die lotusvoeten.'

(38) Met behulp van de benodigdheden voor het eerbetoon tewerk met geloof en toewijding, behoort men door het reciteren van deze mantra's, de Meester der Zinnen Hrishîkes'a aan te roepen en Hem te eren in ieder opzicht. (39) Op deze wijze van eerbied met wierook, bloemen en dergelijke, behoort men de Almachtige met melk te baden en dan aan te kleden, met een heilige draad en ornamenten, en na het aanraken [of offeren] van het water voor het wassen van de lotusvoeten behoort men met de twaalf-lettergrepige mantra [van 'om namo bhagavate vâsudevâya' zie ook 6.8: 3 en 4.8: 53] [opnieuw] met geur en rook en dergelijke, van aanbidding te zijn. (40) Met in melk gekookte rijst met ghee en rietsuikerstroop - indien voorhanden - geofferd voor de beeltenis, moet men aldus voor Hem uitgietingen in het vuur doen onder het reciteren van dezelfde mantra. (41) Aldus van aanbidding met het offeren van ook betelnoten met kruiden voor de beeltenis, behoort het voedsel van het offer [prasâda] door jezelf in eigen persoon als maaltijd te worden aangeboden aan Zijn toegewijde, met water om de handen en de mond te wassen. (42) Na het honderd-en-acht keer herhalen van de mantra, behoort men, met het brengen van verschillende gebeden voor de Allergrootste, vervolgens Hem omlopend Hem de eer te bewijzen door zich in tevredenheid languit op de grond te werpen. (43) Na het via je [voor-]hoofd aannemen van de overblijfselen van het offeren en ze op een geheiligde plek deponeren, behoren tenminste twee geleerde zielen [brahmanen] te worden gevoed met zoete rijst. (44-45) Na hen naar behoren te hebben geëerd, behoren dan met hun permissie de overblijfselen van de prasâda te worden genoten door de vrienden en verwanten. Natuurlijk behoort van de eerste dag af aan in de nacht het celibaat te worden gerespecteerd, voor zolang de payo-vrata duurt, en vroeg in de ochtend, na gebaad te hebben, met grote aandacht voor de vidhi het baden met melk zoals beschreven te worden uitgevoerd. (46) Met het enkel [melk] drinken deze gelofte nalevend moet men met geloof en toewijding doorgaan met de aanbidding van Vishnu, zoals gesteld offergaven offerend in het vuur en ook met de verplichting van het voeden van de brahmanen. (47) Op werkelijk deze manier behoort men voor de volle twaalf dagen, dag na dag de Heer aanbiddend met vuuroffers voor de beeltenis en het behagen van de tweemaal geborenen [en de verwanten] met voedsel, door te gaan met de 'gelofte van het enkel drinken'. (48) Beginnend met de dag pratipat ['uit op de ontmoeting'] tot aan de dertiende dag van de heldere helft van de maand, behoort men, in celibaat op de vloer slapend, er zorg voor te dragen drie maal daags een bad te nemen. (49) Men behoort af te zien van het bespreken van triviale zaken en van zinnelijke genoegens verheven en laagstaand, en, geweldloos zijnd jegens alle levende wezens, te vertrouwen op Vâsudeva als de essentie.

(50) Daarna moet op de dertiende dag de Almachtige [Vishnu] worden gebaad met vijf substanties [melk, yoghurt, ghee, suiker en honing] tewerkgaand naar de vidhi zoals vastgelegd in de geschriften. (51-52) Met de melk en de granen geofferd behoort in groots eerbetoon de miserabele mentaliteit [van het niet spenderen] te worden opgegeven door van goed reciteren te zijn met vele lofzangen [of sûkta] voor Heer Vishnu die verblijft in de harten van allen; met grote aandacht en offers van voedsel moet men zo van aanbidding zijn voor de Oorspronkelijke Persoon met alles wat zo rijkelijk werd bereid van offers die Zijn Persoonlijkheid behagen. (53) Probeer te begrijpen dat in aanbidding van de Heer [vishnu-ârâdhana], de leraar van het voorbeeld [de âcârya] zo goed thuis in de geestelijke kennis en ook de priesters, behoren te worden tevredengesteld met kleding, sierselen en een menige koe. (54) O vrome dame, zij allen en ook de brahmanen voor zover mogelijk en de rest daar bijeengekomen, moeten de prasâda ontvangen van het rijke voedsel der goedheid [B.G. 17: 8] toebereid met melk en ghee . (55) De goeroe en de priesters behoren financieel te worden gecompenseerd en hoe dan ook moet het voedsel zelfs worden uitgedeeld aan de eenvoudigen van geest en de armlastigen die men eveneens moet belonen voor het bijeenkomen terwille van de plechtigheid. (56) Na het voeden van de armen, de blinden, de afkerigen enzovoorts, behoort men met die vorm van begrip Heer Vishnu behagend, samen met zijn vrienden en verwanten zelf de prasâda te eten. (57) Met dansen, trommels en gezangen, het reciteren van de mantra's, brengen van gebeden en voorlezen van de verhalen, behoort men van de eerste tot de laatste dag de Allerhoogste Heer te vereren.

(58) Dit, overgedragen door mijn grootvader [Brahmâ], wat ik voor u in detail heb beschreven, is het allerhoogste proces genaamd payo-vrata van het eerbiedigen van de Oorspronkelijke Persoon. (59) O hoogst fortuinlijke, ook jij zal door deze werkwijze, naar behoren uitgevoerd, met jezelf in zuivere liefde jegens Heer Kes'ava, erin slagen het jouwe voor elkaar te krijgen als je het volhoudt de Onuitputtelijke de eer te bewijzen. (60) Van alle religieuze eerbetoon wordt deze de sarva-yajña genoemd [het offer dat alle offers omvat] dat zo, met liefdadigheid de Heer behagend, wordt begrepen als de eigenlijke essentie van alle boetedoeningen, o goede dame [*]. (61) Van alle regelingen is deze als besproken de meest directe en beste manier om effectief de zinnen in bedwang te krijgen omdat door de verzaking, de geloften en de plechtigheid Adhokshaja, de Ene voorbij de Zinnen, wordt behaagd [zie voetnoot en 1.2: 8]. (62) Om die reden o gezegende, zal de Opperheer, zeer tevreden over jouw naleven van deze met geloof naar de regels in acht genomen gelofte, je spoedig met alle zegeningen overladen.

* In het westen wordt Heer Vishnu aanbeden in iedere tempel van de Caitanya-vaishnava's [Hare Krishna's] overeenkomstig het schema van vierentwintig uur lang bezig zijn met het houden van kîrtana, het zingen van de Hare Krishna Mahâmantra, smakelijk voedsel offerend aan Heer Vishnu en het uitdelen van dit voedsel aan vaishnava's en anderen.  

 

Hoofdstuk 17  

De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden

(1) S'rî S'uka zei: 'De dame, Aditi, aldus van advies gediend door haar echtgenoot Kas'yapa, o Koning, was ervan overtuigd dat ze zich moest houden aan wat hij haar gezegd had en leefde ononderbroken deze gelofte twaalf dagen lang na. (2-3) Met onverdeelde aandacht en doorzettingsvermogen gewetensvol jegens de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid; met de zinnen die zo sterk zijn als paarden geheel in bedwang, met de geest als de wagenmenner der intelligentie en met de intelligentie eenpuntig jegens de Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 4: 42], de Ziel der Volkomenheid, ging zij aldus in volle concentratie op Vâsudeva tewerk overeenkomstig de payo-vrata gelofte van vasten. (4) Voor haar verscheen, mijn beste, de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, gekleed in het geel, met Zijn vier armen, schelp, cakra, knots en lotusbloem. (5) Toen ze Hem met eigen ogen voor zich zag stond ze meteen op en bood ze, met haar geest in vervoering, met het grootste respect haar eerbetuigingen waarbij ze zich voor Hem languit op de grond wierp. (6) Weer op haar benen was ze, met gevouwen handen bereid voor de aanbidding, door haar gelukzalige vervoering niet in staat dat op te brengen; overweldigd met haar haren overeind en haar hele lichaam trillend van het opperste genoegen Zijn aanwezigheid [Zijn darshan] te mogen genieten, bleef ze stilzwijgen met de tranen die haar ogen vulden. (7) Met een van liefde voortdurend haperende stem, o beste der Kuru's, was het alsof zij, Aditi Devî, starend naar de Heer, met haar ogen met volle teugen dronk van de Echtgenoot van Ramâ [zie 8.8: 8], de Genieter van alle Offers en de Meester van het Universum. (8) S'rî Aditi zei: 'O Heer der Opoffering, Persoonlijkheid van alle Offerandes, o Onfeilbare naar wiens voeten wij pelgrimeren, U staat bekend als de uiteindelijke toevlucht, degene over wie te horen en te zingen zo goedgunstig is; U bent de oorspronkelijke Ene die is verschenen om de gevaren van het materieel bestaan te verzachten van de mensen van overgave; o Beheerser, o Allerhoogste Heer, wees zo goed ons het goede geluk te vergunnen daar U de veilige haven bent der verdrukten. (9) Jegens U als het Universum in eigen Persoon, als de Onafhankelijke, als de schepping, handhaving en vernietiging van het universum, U die de volledige controle neemt bij machte van de geaardheden der natuur; U als de Allerhoogste voor Eeuwig en Altijd Volledig Zichzelf, als de Volkomenheid der Kennis die de duisternis van het zelf verdrijft; voor de Opperheer die U bent mijn respectvolle eerbetoon. (10) Met U tevreden, o Volkomene en Onbegrensde, worden alle zaken mogelijk: een leven zo lang als dat van Brahmâ, een bepaald lichaam, een loopbaan, onbegrensde materiële weelde in de werelden hoog, laag en ertussenin, allerhande yogakwaliteiten, de drie manieren van kâma, artha en dharma [de purushârtha's] en de spirituele kennis; daarbij nog gezwegen van zegeningen als het verslaan van vijanden en dergelijke!'

(11) S'rî S'uka zei: 'Aldus verheerlijkt door Aditi, o Koning, gaf de Allerhoogste Heer met de lotusogen, de kenner van het veld [B.G. 13: 1-4] van alle bestaansvormen, het volgende antwoord, o zoon van Bharata. (12) De Allerhoogste Heer zei: 'O moeder van de goden, het lang volgehouden verlangen van u met betrekking tot uw thuisloze zoons die werden verslagen door hun rivalen, heeft Mijn begrip. (13) Om hen in de strijd te verslaan, die fraaie Asura's zo trots op hun kracht, en de weelde en de overwinning weer terug te krijgen en om weer samen te kunnen zijn met uw zoons in dankbaarheid, is waar u naar verlangt. (14) Graag zou u de tranen zien van de treurende vrouwen van de vijanden als zij hen aantreffen gedood door uw zoons onder leiding van Indra. (15) Het herstel van de volle glorie, de reputatie en de weelde van uw nakomelingen, hun levensvreugde en een plaats voor hen in de hemel is wat u graag zou zien. (16) Op het ogenblik zijn al die asura krijgsheren zo goed als onoverwinnelijk en dus, o Devî [godin], denk Ik dat, omdat ze allen de bescherming genieten van de brahmanen die hen verzekeren van Mijn gunst, geen enkel gebruik van geweld u het geluk zal brengen. (17) Niettemin moet Ik, zeer tevreden met de gelofte die u in acht nam in eerbetoon jegens Mij, er iets op zien te vinden, o Devî, daar u als resultaat van uw geloof en toewijding voor Mij als de oorzaak het niet verdient met iets anders te zijn toebedeeld. (18) Terwille van uw zoons Mij hebben aanbeden met de gelofte van het enkel drinken en met het naar uw beste kunnen uw gebeden hebben gedaan zoals het hoort, ben Ik, vanwege die getrouwe boetvaardigheid met Marîci, met een volkomen deelaspect van Mezelf vastbesloten uw zoon te worden en zo uw andere zoons te beschermen. (19) O lieve vrouw, ga en vereer uw echtgenoot, die als de gelouterde Prajâpati ook Mij is; denk aldus aan Mij als Me bevindend in zijn lichaam [zie ook B.G. 9: 29]. (20) Openbaar dit niet aan buitenstaanders, aan niemand, zelfs niet desgevraagd, o dame; alles zal succesvol verlopen als dat wat zelfs voor de halfgoden iets zeer vertrouwelijks is, geheim wordt gehouden [zie B.G.18: 67-68].'

(21) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer op deze manier tot haar sprekend verdween vandaar en met het uiterst zelden verworven succes dat uit haar de Heer zou worden geboren, ging ze vol toewijding meteen naar haar echtgenoot, ervan overtuigd dat wat zij bewerkstelligd had het grootste was wat je maar bereiken kon. (22) Kas'yapa, die het nimmer aan het nodige inzicht mankeerde, begreep in zijn yogatrance toen dat de Heer in hem was binnengegaan als een volkomen deelaspect. (23) O Koning, zoals de wind vuur aanwakkert in brandhout, kon Kas'yapa het zaad, dat hij in boete zo lang had weten vast te houden, lozen in Aditi [zie ook B.G. 7: 11]. (24) Hiranyagarbha ['van het goud vanbinnen', Heer Brahmâ] die hoogte kreeg van de totstandkoming van de zwangerschap van Aditi, bad toen tot de Allerhoogste Heer in vertrouwelijke termen. (25) Heer Brahmâ bad: 'Alle glorie aan Hem, de veel geprezen Opperheer, wiens handelingen van het grootste zijn, mijn eerbetuigingen voor U, mijn respect voor de Heer der transcendentalisten; de Beheerser van de Geaardheden der Natuur aanbid ik keer op keer. (26) Ik zweer U mijn trouw die voorheen bestond vanbinnen Pris'ni [een voorgaande incarnatie van Aditi, vergelijk 6.18: 1, de zoons van Aditi], U die men altijd in de Veda's aantreft, U die vol van kennis bent; als de navel van de drie werelden bent u boven hen verheven en aanwezig in de harten van alle levende wezens als de Allesdoordringende. (27) U als de Oorspronkelijke Oorzaak, het einde en de handhaving van het universum, U als het reservoir van talloze vermogens bent de Allerhoogste Persoon over wie men spreekt als zijnde de Tijd; U bent de Heer, de Beheerser die het hele universum in Zijn greep krijgt, zoals golven hun greep krijgen op iemand die in het water belande. (28) U inderdaad bent van allen die leven, zich rondbewegend of niet, degene die hen voortbracht; U bent de oorsprong van de stamvaders; U bent de Allerhoogste Toevlucht van allen die het hogere leven leven o God, van al de goddelijken verdreven uit hun woonplaatsen bent U in hun verdrinkingsnood de reddingssloep.

 

Hoofdstuk 18  

Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie

(1) S'rî S'uka zei: 'Het Eeuwig Wezen, Hij met de schelphoorn, de knots, de lotus en de werpschijf in Zijn vier handen, de gele kledij en de lotusblaadjes-ogen, Hij wiens heldendaden de lof van Brahmâ gelden, manifesteerde zich bijgevolg uit Aditi. (2) Met een zuivere, donkere huidskleur, de luister van twee oorhangers in de vorm van haaien en een allerbekoorlijkst lotusgezicht was Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid met het S'rîvatsa-teken op Zijn borst, pols- en armbanden, een glimmende helm, een gordel, een heilige draad en lieftallige enkelbelletjes. (3) Met een zwerm bijen druk voor het zoete zoemend rondom een buitengewoon mooie bloemenslinger en met om Zijn nek het Kaustubha-juweel, verdreef de Heer met Zijn gloed de duisternis van het huis van Kas'yapa. (4) Op dat moment was men overal in geluk verzet, alle levende wezens, in de wateren, in de bergen, de hogere werelden, in de buitenruimte en op aarde; er was de volheid van de kwaliteit van ieder seizoen en de koeien, de godheden van het vuur en de tweemaal geborenen waren allen in hun beste doen. (5) Op het tijdstip dat de maan zich in het huis Sravana bevond [met dvâdasî, de twaalfde dag van de heldere maandhelft van Bhâdra], waren, met de geboorte van de Heer ten tijde van het middaguur [Abhijit], al de planeten en de sterren, de zon en de maan op hun gunstigst. (6) Op dvâdasî met de zon boven de meridiaan, o Koning, was het precieze moment, door de geleerden Vijayâ genaamd, waarop de Heer verscheen. (7) Het gerucht van de verschillende geluiden van de schelphoorns, trommels, pauken, panava's en ânaka's [andere trommels], en andere instrumenten, zwol aan tot een enorm tumult. (8) In vreugde dansten de hemelse dansmeisjes en zongen de zangers van de hemel, terwijl de wijzen, de goddelijken, de vaders der mensheid, de voorvaderen en de goden van het vuur de Heer behaagden met gebeden. (9-10) De vervolmaakten, de wetenschappers, de aapachtigen [de krijgers van Râma], zij van de supermacht, de eerbiedwaardigen, de spoken [de schatbewaarders], zij die van de duivel waren [de bewakers], de reciteerders [de 'broeders van Garuda'], de beste deskundigen [de 'slangen'] en alle volgelingen van de halfgoden, verheerlijkten en zongen hun lof waarbij ze Aditi's woning met de bloemen bedolven [vergelijk 6.7: 2-8 en 5.5: 21-22]. (11) Toen Aditi Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God die was verwekt in geluk en geboorte had genomen uit haar eigen baarmoeder, ontwaarde, was ze met verwondering geslagen over het feit dat Hij vanuit Zijn eigen geestelijk vermogen een lichaam had aangenomen en ook Kas'yapa riep daarbij in grote verwondering uit: 'Alle heil, alle heerlijkheid!' [jaya jaya!].

(12) Het bovenzinnelijk lichaam dat de Heer had aangenomen, compleet met sieraden en wapens, kan materieel niet worden waargenomen maar had zich geestelijk gemanifesteerd; het verdween meteen daarop weer en recht voor hun ogen zagen ze hoe Hij wiens avonturen allen even wonderbaarlijk zijn, zich manifesteerde, als een toneelspeler in een theater, in de gedaante van een brahmaanse dwerg [Vâmana].(13) Hem als een brahmacârî dwerg ziend maakte de grote rishi's zeer gelukkig en aldus voerden ze, met de stamvader die Kas'yapa was als hun leider, al de plechtigheden uit [zoals de jâta-karma geboorteplechtigheid]. (14) Toen Hij van Brihaspati ceremonieel Zijn heilige draad kreeg werd voor de zonnegod de Gâyatrî [zie notitie ** 5.7] gezongen en bood Kas'yapa Hem een gordel [van strohalmen, als aanduiding van de tweemaal geboren status]. (15) Moeder aarde bood hem een hertenvel, de maangod die in het bos heerst schonk Hem een staf, om Zijn lichaam te bedekken gaf Aditi hem ondergoed en van de meester van het universum, de heerser der hemel ontving Hij een parasol. (16) De Kenner vanbinnen [Brahmâ] gaf een waterpot, de zeven wijzen gaven Hem kus'agras mee en de godin Sarasvatî schonk de Onvergankelijke Ziel een snoer rudrâksakralen, o Koning. (17) Toen Hij op die manier Zijn heilige draad had gekregen leverde de Heerser der Yaksha's [Kuvera, de schatbewaarder van de Hemel] een bedelnap en verschafte de kuise moeder van het universum Bhavânî [de echtgenote van S'iva] rechtstreeks de aalmoezen zelf.

(18) Hij als brahmacârî aldus door iedereen verwelkomd, was met Zijn brahmaanse gloed de beste van allen, het stralende middelpunt van de gehele vergadering waar al de grote brahmaanse wijzen bijeen waren. (19) Na in een vuur te hebben voorzien zoals het hoorde, voltooide Hij met offerandes de plechtigheid van het aanbidden, hetgeen hij beter deed dan de beste der brahmanen. (20) Nadat Hij had vernomen over Bali's heerlijkheid als een uitvoerder van paardoffers onder de leiding van de Bhrigu-brahmanen, ging Hij naar de plaats waar ze werden uitgevoerd, en met iedere stap die Hij als de Volkomen en Volledig Toegeruste Essentie deed voorzag Hij de aarde daarmee van Zijn voetafdrukken. (21) Aan de noordelijke oever van de rivier de Narmadâ in het gebied Bhrigukaccha, waar al de priesters van Bhrigu hun rituelen aan het opvoeren waren terwille van het zo hoogst belangrijke paardoffer, zagen ze Hem in hun nabijheid [stralend] als de rijzende zon. (22) De priesters zowel als Bali, de aanstichter van de yajña, en alle anderen die daar bijeengekomen waren, zagen zichzelf overweldigd door de schittering van Heer Vâmana, o Koning, en vroegen zich af of ze nu de zon zagen opkomen, of dat de vuurgod of Sanat-kumâra er nu aankwam eropuit hun plechtigheid bij te wonen. (23) Terwijl de Bhrigu's op deze manier met hun discipelen in dispuut verkeerden betrad de Allerhoogste Heer, Vâmana met in Zijn handen, Zijn parasol, staf en kamandalu gevuld met water, het perk van het as'vamedha offer. (24-25) Toen Vâmana, het geleerde, schijnbaar menselijke kind dat de Heer was, met Zijn munja gordel van stro en de heilige draad om Hem heen, Zijn bovenkleding van hertenvel en Zijn samengeklitte haarlokken arriveerde en de priesters van Bhrigu met hun discipelen zag, werd Hij die met Zijn glans hen allen overschaduwde, op gepaste wijze verwelkomt waarbij men van het vuuroffer voor Hem opstond. (26) De aanstichter van het offer, in vreugde over het treffen met Hem die zo prachtig was in al Zijn luisterrijke leden, bood Hem een zitplaats aan. (27) Met een welkomstwoord werd aldus de Schoonheid van de Bevrijde Zielen door Bali Mahârâja vereerd die Hem de voeten waste. (28) Het zuivere water van die voeten dat alle zonden van de mens wegwast nam hij, zich welbewust van het dharma, op zijn hoofd; het bracht hem al de zegen, een zegen die zelfs de beste van allen, Heer S'iva met de maansikkel op zijn hoofd, met toewijding en bovenzinnelijkheid op zijn hoofd zou aanvaarden.'

(29) S'rî Bali zei: 'Mag ik U van harte welkom heten, mijn eerbetuigingen voor U, o brahmaan, wat kunnen we voor U betekenen; ik denk dat U, o edele, de directe verpersoonlijKoning van de verzaKoning van de brahmaanse wijze bent. (30) Omdat Uwe Heerlijkheid vandaag bij ons verblijf bent aangekomen, zijn al onze voorvaderen tevredengesteld, is nu de gehele familie gezuiverd en is dit offer dat we brengen compleet! (31) Vandaag, o brahmaanse zoon, zijn mijn offervuren naar behoren gediend overeenkomstig de beginselen; door het water dat van Uw lotusvoeten spoelde is de aarde gezuiverd van alle zonden en, o Heer, is zij tevens door de aanraking met Uw kleine voeten geheiligd. (32) Wat het ook is waar Uw hart naar uitgaat, o brahmacârî, mag U van mij nemen; of het nu een koe is, goud, een ingerichte woning, smakelijk eten en drinken of anders een brahmanendochter, o beste der aanbiddelijken, welvarende dorpen, paarden, olifanten of wagens; wat mij betreft mag U hebben wat U zich ook maar wenst.'

 

 

Hoofdstuk 19

Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij aldus de zeer bevredigende woorden van trouw aan het dharma hoorde van de zoon van Virocana, prees de Allerhoogste Heer hem, tevreden als Hij was, met de volgende woorden. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat waar u het over heeft, o Heer der Mensen, is zeer waar, past de dynastie, is in overeenstemming met het dharma en doet uw naam eer aan; het bewijst het gezag van de Bhrigu-brahmanen en vormt de standaard van uw grootvader, de oudste en meest vreedzame [Prahlâda]. (3) In deze dynastie is inderdaad niemand een armzalige schraper geweest; jegens de brahmanen heeft niemand ontkend wat beloofd was of de liefdadigheid opgegeven. (4) Door de onberispelijke reputatie van Prahlâda, die als een heldere maan in de hemel is, o heerser, worden er in uw dynastie niet van dergelijke minne koningen gevonden, koningen die weigerachtig zijn hun betrokkenheid te tonen door in heilige plaatsen of op het slagveld niet in te gaan op de verzoeken van de betreffende dienaren. (5) In die dynastie werd Hiranyâksha geboren die, in zijn eentje rondtrekkend over deze aarde met het doel alle richtingen te veroveren, er met zijn knots niet in slaagde een held te vinden die zich met hem kon meten. (6) Vishnu die [als een zwijn] met veel moeite hem wist te verslaan toen Hij hem op Zijn weg vond met het verlossen van de wereld, bracht, nadat hij had gezegevierd, Zichzelf constant in herinnering hoe machtig en capabel Hiranyâksha wel niet geweest was [zie 3.17-19]! (7) Nadat zijn broer Hiranyakas'ipu erover vernam hoe hij ter dood was gebracht, begaf hij zich zeer woest naar waar de Heer zich ophield om een einde te maken aan Hem die zijn broer ter dood had gebracht [zie 7.3]. (8) Nauwlettend erop toeziend hoe hij als de dood in eigen persoon achter Hem aanzat met de drietand in zijn hand dacht Hij, de Kenner der Tijd, Heer Vishnu, de Belangrijkste der Mystici: (9) 'Waarheen Ik Mij ook begeef zal deze hier, als was hij een ieder zijn dood, zich ook begeven; derhalve zal Ik zijn hart binnengaan daar hij enkel acht slaat op de buitenwereld' (10) Aldus besloot Hij hoogst bezorgd ertoe om, niet waarneembaar in Zijn subtiele lichaam, via zijn ademhaling, door zijn neusgat, het lichaam van die zo kwaadaardig Hem nazittende vijand binnen te gaan, o Koning der Asura's. (11) Hij, Zijn verblijfplaats doorzoekend, trof hem leeg aan Hem nergens ziend en in woede brulde hij hard in alle richtingen over het oppervlak van de aarde en in de buitenruimte, in de ether, de grotten en de oceanen; ondanks al zijn macht kon hij, zoekend naar Vishnu, Hem niet in de gaten krijgen. (12) Hem nergens aantreffend zei hij: 'Ik heb het hele universum naar Hem afgezocht die mijn broer vermoorde, Hij moet vertrokken zijn naar die plaats vanwaar niemand terugkeert.' (13) Normaal gesproken houdt de op ego gebaseerde vijandigheid, een woede die zijn bestaan ontleent aan onwetendheid, met fysiek georiënteerde mensen niet aan tot voorbij het punt van de dood [van een tegenstander]. (14) Uw vader [Virocana], de zoon van Prahlâda, gaf op verzoek van de goden, ondanks het feit dat hij er weet van had dat ze zich hadden verkleed als brahmanen, zijn leven aan hen op basis van zijn eigen affiniteit met de tweemaal geborenen. (15) Uw goede zelf ging ook tewerk terwille van het dharma dat werd gevestigd door de huishouders, de brahmanen, uw voorvaderen, de grote helden en anderen hoogst verheven en beroemd. (16) Van een dergelijke persoon, van Uwe Majesteit, vraag ik een beetje land; van hem die zo gul van liefdadigheid kan zijn vraag Ik drie passen, o Koning van de Daitya's, naar de maat van Mijn voetstap. (17) Er is verder niets dat Ik van u verlang, o Koning zo vrijgevig, o heerser van het universum, moge hij die van de geleerdheid is geen gebrek lijden en zoveel aan donaties in ontvangst nemen als hij nodig heeft.'

(18) S'rî Bali zei: 'Helaas o kind der brahmanen, Uw woorden worden weliswaar verwelkomt door de geleerden en de ouderen, maar als een jongen niet gebrand op het beslagleggen terwille van Uw eigenbelang bent U zich niet geheel bewust van wat er allemaal nodig is. (19) Het is voor hem die met mooie woorden zich inzet voor het gunstig stemmen van mij, de enige ware meester van de hele wereld, niet bijster intelligent om drie passen te vragen, als ik een heel continent te bieden heb! (20) Niemand die mij ooit benaderde verdient het om nogmaals te moeten bedelen en neem derhalve, o kleine brahmacârî, van mij naar wat U zich wenst wat U ook maar nodig denkt te hebben.'

(21) De Allerhoogste Heer zei: 'Alle mogelijke zinsobjecten die iemand het in deze drie werelden naar de zin kunnen maken tezamen genomen, zijn niet in staat de man te bevredigen die zijn zinnen niet in bedwang heeft, o Koning [zie ook 5.5: 4]. (22) Hij die niet genoeg heeft aan drie passen zal ook niet met een heel continent van negen landen tevreden zijn, noch met het verlangen alle zeven continenten in zijn greep te krijgen. (23) Ons kwam ter ore hoe Prithu, Gaya en dergelijke nobele heersers over de zeven continenten, met het volgen van deze koers niet het einde van de vervulling van hun wensen en ambities konden vinden. (24) Over die verworvenheden die God je toebedeelt naar lotsbeschikking, behoort men tevreden te zijn; voor een ontevreden iemand die zichzelf niet in de hand heeft is er geen geluk, zelfs niet als hij de drie werelden veroverde [zie ook 7.6: 3-5, 5.5: 1 en B.G. 6: 20-23]. (25) Het geen vrede hebben met het geld en de zinsgenoegens is er de oorzaak van dat er aan iemands materieel bepaalde leven [van doodgaan en telkens weer opnieuw moeten beginnen] geen einde komt, maar hij die tevreden is met wat de voorzienigheid hem in de schoot wierp, komt in aanmerking voor de bevrijding. (26) De geestkracht en glorie van een brahmaan neemt toe als hij tevreden is over wat bij lotsbeschikking werd verkregen, maar neemt af met het ontevreden zijn zoals een vuur geblust wordt door water. (27) Om die reden vraag Ik u, die als weldoener zo goedgevig bent, om drie stappen land daar Ik precies daar ben waar Ik wil wezen met enkel het bereiken van het noodzakelijke.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken zei Bali met een glimlach: 'Neem nu van mij naar Uw wens', en om Hem het land te geven pakte hij zijn waterpot [om met het water in zijn hand zijn gelofte ritueel te bekrachtigen]. (29) S'ukrâcârya, de meest ter zake kundige, die door had wat Vishnu's plan was, richtte zich toen tot zijn discipel, de asura heer die op het punt stond het land aan Vishnu weg te geven.

(30) S'rî S'ukrâcârya zei: 'Hij hier is rechtstreeks de Allerhoogste Heer Vishnu, o zoon van Virocana, in Zijn volle glorie geboren uit Kas'yapa en Aditi om op te treden in het belang van de goddelijken. (31) Wat u beloofde is, naar mijn idee, in strijd met uw belangen, u hebt er geen idee van, het zal u niets goeds brengen; wat u hebt afgesproken vormt een grote bedreiging voor de Daitya's! (32) Hij, zich voordoend als een mensenkind, is de Heer die u een lesje leert; hij zal u alle materiële schoonheid en rijkdommen, macht en reputatie afhandig maken om het uw vijand [Indra, zie ook 7.10] te vergunnen. (33) Met drie stappen zal Hij, geleidelijk uitgroeiend tot de universele gedaante, al de werelden in bezit nemen - hoe wilt u als u alles aan Vishnu weg hebt geschonken zichzelf nu in leven houden, o dwaas! (34) Achtereenvolgens zal Hij met één stap de aarde in bezit nemen, met een tweede stap de buitenruimte in beslag nemen en in de ether zich tot Zijn grootst uitbreiden en waar moet Hij dan Zijn derde stap zetten? (35) Ik denk dat u voor eeuwig in de hel zult branden, want dat is inderdaad wat een persoon overkomt die zich niet houdt aan wat hij beloofd heeft; u bent er immers zo een die het nooit voor elkaar krijgt om te beantwoorden aan de verwachtingen die hij schiep. (36) De heiligheid voelt niets voor die liefdadigheid die het eigen levensonderhoud in gevaar brengt, want het is juist dankzij dat vermogen om zichzelf in stand te houden dat in deze wereld de liefdadigheid, de offers, de verzaking en de productieve arbeid er zijn. (37) Als men zijn verdiensten verdeelt over de vijf doelen van de religie, het behalen van succes, het handhaven van zijn materiële positie, zijn zinsgenoegens en zijn gezin, kan men gelukkig zijn in deze wereld en de wereld hierna. (38) Luister, in dit opzicht [wat betreft uw belofte] wordt de waarheid met de vele [Rig-]veda [Bahvrica-s'ruti] gebeden voor de goden en de schepping die ik heb opgezegd, o beste der Asura's, voorafgegaan door het woord om [AUM, 'ja', 'zo zij het'] en over dat wat men zei waar dat niet aan vooraf ging spreekt men als het niet-eeuwige [het relatieve, illusoire, of onware, zie ook B.G 17: 24, 9: 17 en 8: 13]. (39) Men moet inzien dat de feitelijke waarheid, zoals de Veda's het stellen, eruit bestaat dat bloemen en vruchten er zijn van de boom die het lichaam is, maar dat er van de onware wortel van het lichaam van een dode boom geen kans op hen bestaat [vergelijk B.G. 8: 6]. (40) Het lijdt geen twijfel dat op dezelfde manier als met een boom die ontworteld omvalt en uitdroogt, het tijdelijke lichaam meteen is verloren en verdroogd [als men geen zorg draagt voor die tijdelijke wortel*]. (41) Die lettergreep om aldus uitgedrukt is wat iemand afscheidt van, wat iemand vrijmaakt en de tegenhanger vormt [van uw weelde], een persoon raakt dus bevrijdt van dat wat er bij haar expressie in wordt gebracht [wordt geofferd]; wat men ook geeft in liefdadigheid aan de behoeftigen met het uiten van om zal dan niet de bevrediging van de zinnen of de eigen zelfverwerkelijking ten goede komen. (42) Geef daarom niet geheel toe aan dat verzoeken om uw mededogen maar druk u ook niet uit in onware woorden [suggererende dat u niets zou kunnen missen]; aldus kan niemand beweren dat u van de illusie bent, dat u een verwerpelijk iemand zou zijn die dood bij het leven is.(43) Het is geen valsheid [ziet u] noch een aberratie om een dame te paaien, de draak te steken of in het huwelijk te treden, de kost te verdienen of in tijden van gevaar de koeien en het brahmaanse te beschermen tegen geweld.'

* Het tijdelijke lichaam is er voor eeuwige zaken. S'rîla Rupa Gosvâmî zegt: "Hij die dingen afwijst zonder kennis van hun relatie met Krishna is onvolkomen in zijn verzaking." (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.66)  

 

Hoofdstuk 20

Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden

(1) S'rî S'uka zei: 'Bali, de meester des huizes, aldus van advies gediend door de familiepriester viel voor een ogenblik stil, o Koning, en richtte zich na de nodige overpeinzingen tot zijn goeroe. (2) S'rî Bali zei: 'Dat wat Uwe Genade zei is waar: het financiële belang, het zingenot, de reputatie en het levensonderhoud mogen nimmer voor een huishouder het nakomen van de religieuze verplichtingen in de weg staan. (3) Hoe kan iemand als ik nu bedrog plegen terwille van het geld? Met name aan een brahmaan zal ik, naar de eer van Prahlâda, moeten geven wat ik heb beloofd - ik zou een gewone bedrieger zijn anders! [*]. (4) Er is niets goddelozer dan onwaarachtigheid, zoals moeder aarde ons dat reeds zei wat dit betreft: 'Dit kan ik allemaal verdragen, met uitzondering echter van de mens als de grootste leugenaar.' (5) Voor helse omstandigheden, armoede, een oceaan van leed, neertuimelen vanuit mijn positie, of voor de dood ben ik minder bang dan voor het bedriegen van een man van God. (6) Als wat men ook in deze wereld bezit achter moet worden gelaten als men dood gaat, wat moet men dan met zijn weelde en rijkdom als men aan verzaking toe is; moet men daarmee dan niet de man van God een genoegen doen? (7) Het welzijn van alle mensen behartigend hebben heiligen als Dadhîci, Sibi en andere grote dienaren van God, het meest moeilijke tot op het punt van de dood toe opgegeven; wat zou het bezwaar zijn tegen het wegschenken van land? (8) Van personen als de Daitya koningen die, bereid hun levens te offeren, deze wereld genoten o brahmaan, neemt de tijd alles weg dat wordt bezeten maar niet de reputatie verworven in deze wereld. (9) O heilige brahmaan, zij die met gemak het wonnen in de slag zonder daarbij bang te zijn om te vechten of hun leven te verliezen, hebben het er niet zo gemakkelijk mee het vergaarde gewetensvol en toegewijd weg te schenken aan hem die de heilige grond bereidt [vergelijk B.G. 17: 20]. (10) De vrijgevigen, zij die vermaard zijn om hun genade, strekt het ten voordeel om in armoede te vervallen met het lenigen van de behoeften van de verstokenen, om nog maar te zwijgen over het helpen van de kenners van het spirituele zoals uw goede zelf; daarom zal ik de celibatair geven wat hij ook maar wil. (11) Jullie allen je volledig bewust van de vedische manier van offeren, zijn met de verschillende benodigdheden zeer respectvol in het aanbidden van Hem de Genieter van het Offer; of Hij nu Vishnu is gekomen om te zegenen of er is om me van mijn voetstuk te halen, ik zal Hem, o wijze, al het land geven dat Hij ook maar verlangt. (12) Zelfs niet als Hij mij om de tuin leidend, angstig zich voordoend als een brahmaanse jongen, mij onterecht ter dood brengt zal ik het, tegen Hem gekeerd als een vijand, niet vergelden. (13) Als deze hier degene is die wordt geprezen in de geschriften, zal Hij, vanuit Zijn niet-aflatende heerlijkheid, het nimmer op willen geven, of Hij nu na me gedood te hebben al het land in bezit neemt of door mij gedood in vrede zal rusten.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Aldus werd hij, dat hoogstaande, goddelijk geïnspireerde karakter zo gebrand op waarachtigheid die zo'n obstinate en minachtende leerling was, als volgt vervloekt door de goeroe [zie B.G. 10: 10]: (15) 'Zo eigenzinnig jezelf als geleerd beschouwend ben je, brekend met mijn bepalingen, met de minachting voor ons aan de dag gelegd een schaamteloos stuk onbenul geworden; en zo iemand zal snel verstoken zijn van al zijn weelde!' (16) [Zelfs al was hij] op deze manier vervloekt door zijn eigen goeroe schonk hij, die de waarachtigheid er niet aan had gegeven, de grote persoonlijkheid Vâmanadeva, na het nodige eerbetoon en eerst water geofferd te hebben, het land dat hij beloofd had. (17) Vindhyâvali, Bali's echtgenote met een parelketting om haar nek, trad op dat moment naar voren en zorgde ervoor dat er een gouden pot werd gebracht vol met water om de Heer Zijn voeten te wassen. (18) Hij, de aanbidder van het meest goedgunstige en mooiste stel voeten, waste ze persoonlijk in grote vreugde verzet en nam het water op zijn hoofd dat het hele universum de bevrijding brengt. (19) Op dat ogenblik werd een regen van bloemen uitgestrooid door al de goden, de zangers van de hemel, de experts, de zelfgerealisee rden en de vererenswaardigen, die zeer tevreden de rechtschapenheid van de asura koning zijn optreden prezen [vergelijk 5.18: 12]. (20) Met duizenden tegelijk begonnen de ingezetenen van de hemel, de aapachtigen en zij die van bijzondere talenten waren te zingen verklarend: 'Dat wat Bali, deze grote persoonlijkheid, heeft gedaan was een allermoeilijkst iets, daar hij de drie werelden heeft overgeleverd aan de meest doorknede, die medestander der goden [Vishnu]!'

(21) Toen begon de dwergverschijning van de Onbegrensde Heer zich hoogst wonderlijk uit te breiden tot de gehele omvang van het drievoudige der materie: over alle land, de hemel, in iedere richting, de planetenstelsels, de buitenruimte en de zeeën en oceanen, waar de vogels en de beesten, de mensen, de goden en de heiligen leefden. (22) In dit lichaam van Hem als de Almachtige kon Bali tezamen met al de priesters, de leraren van het voorbeeld en de zoekers van de waarheid het gehele drie-geaarde universum zien compleet met de elementen en de levende wezens met hun zinnen, zinsobjecten, geest, intelligentie en vals ego. (23) De lagere wereld zag hij onder Zijn voetzolen, op de voeten zag hij de landvlakten, de bergen zag hij in de kuiten van de virâth-purusha, de vliegende wezens in de knieën van de gigantische gedaante en in Zijn dijen zag hij de verschillende soorten halfgoden. (24) In Zijn kleding herkende hij de avondschemering, in Zijn gelachtsdelen zag hij de stamvaders, in Zijn heupen zag hij zichzelf met zijn woordvoerders; Zijn navel was het geheel van de hemel, bij Zijn middel waren er de zeven zeeën en in het bovenste gedeelte van Urukrama ['de Heer van de grote stappen'] zag hij de sterrentekens. (25-29) In het hart, o beste, was er het dharma; naar de borst van Murâri het meest behagende en waarachtige en toen zag hij in de geest de maan; de godin met altijd een lotus in haar handen was zo ook Zijn inborst en bij Zijn hals waren er al de vedische geluidstrillingen. Al de goddelijken onder Indra waren er met Zijn armen, met Zijn oren waren er al de windrichtingen; de hemellichten vormden het topje van Zijn hoofd, Zijn haar de wolken, het gefluister van de wind Zijn neusgaten, de zon Zijn ogen en Zijn mond zag hij als het vuur. In Zijn spraak waren er de lofzangen, in Zijn tong zag hij de god der wateren; de vermaningen en regelingen waren Zijn wenkbrauwen, de oogleden de nacht en de dag, op de Allerhoogste Persoon Zijn voorhoofd zag hij woede en begeerte zag Hij in Zijn lippen. Lust was Zijn aanraking, o Koning, water Zijn zaad, Zijn rug de goddeloosheid, in de offeranden Zijn wonderen, de dood in Zijn schaduwen, in Zijn lach de illusiewekkende energie en in Zijn lichaamshaar herkende hij de kruiden en planten. Met de rivieren als Zijn aderen, de stenen als Zijn nagels, en Zijn intelligentie als Heer Brahmâ, als de halfgoden en als de wijzen zag Bali in de zinnen van Zijn lichaam al de bewegende en niet-bewegende levensvormen [zie ook 2.1, 2.6, 3.12: 37-47 en B.G. 11]. (30-31) Toen de Asura's dit volledige van de werelden en alle zielen waarnamen, traden ze het, o Koning, met gejammer tegemoet: de Sudars'ana werpschijf met zijn ondraaglijke hitte en de boog S'ârnga weerklinkend als de donder, het luide geluid van Zijn schelphoorn de Pâñcajanya en de grote kracht van Vishnu's knots de Kaumodakî, Zijn zwaard de Vidyâdhara, het schild met de honderd manen alsmede Zijn pijlenkoker genaamd Aksayasâyaka (32-33) Zijn metgezellen met Sunanda en de andere leiders en plaatselijke godheden begonnen gebeden op te zeggen voor Hem, die zich aftekende met Zijn schitterende helm, armbanden, visvormige oorhangers, Zijn S'rîvatsa-merkteken, de beste der juwelen [de Kaustubha], Zijn gordel, gele kleding en bloemenslinger met bijen erin. Met één enkele voetstap o Koning, bestreek de Allerhoogste Heer Urukrama het gehele oppervlak van Bali's wereld, en bestreek Hij met Zijn lichaam de hemel en met Zijn armen de windrichtingen. (34) De tweede stap strekte zich uit tot al de hemelse plaatsen en voor de derde was er werkelijk geen plekje meer over daar Heer Urukrama met Zijn passen nu verder dan het verste verder voorbij de werelden der boete van de groten en de toegewijden reikte [zie ook 5.17: 1].

* Prabhupâda: 'Er zijn twee soorten van hoog verheven toegewijden, genaamd sâdhana-siddha en kripâ-siddha . Sâdhana-siddha heeft betrekking op iemand die een toegewijde is geworden door het regelmatig in de praktijk brengen van de regulerende beginselen vermeld in de geschriften, de S'âstra's, op aanwijzing en in opdracht van de geestelijk leraar. Als men met regelmaat een dergelijke toegewijde dienst ten uitvoer brengt, zal men zeker na de nodige tijd de perfectie bereiken. Maar er zijn andere toegewijden, die wellicht niet al de vereiste details hebben ondergaan van de toegewijde dienst maar die, bij de bijzondere genade van de goeroe en Krishna - de geestelijk leraar en de Allerhoogste Persoonlijkheid van God - meteen de volmaaktheid van zuivere toegewijde dienst hebben bereikt.' Bali Mahârâja werd zo'n kripâ-siddha -bhakta toegewijde.

 

Hoofdstuk 21

Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer

(1) S'rî S'uka zei: 'Hij die op de lotus verscheen [Brahmâ] zag vanuit het oord van het ware [vanuit Satyaloka] hoe door de gloed van de Heer Zijn teennagels, het licht van zijn eigen verblijf was versluierd en had afgenomen en dus, o god der mensen, benaderde hij Hem samen met gezworen brahmacârî's als de wijzen aangevoerd door Marîci en Sanandana en de andere Kumâra's. (2-3) Volmaakt bedreven als ze waren met de Veda's en hun supplementen, de regelingen en het afzien, goed thuis in de logica, de geschiedenis, de didactiek, de klassieke verhalen, de vedische gevolgtrekkingen en zo meer, voegden nog weer anderen zich bij hun gezelschap, anderen van wie, aangewakkerd door de winden der yoga en het vuur van de spirituele kennis, alle karmische onzuiverheid teneinde was gekomen toen ze, door eenvoudigweg te mediteren en gebeden te brengen, het tot het bereik van de zelfgeborene hadden weten te brengen. Hij die was voortgekomen uit de lotus betoonde daarop in aanbidding Heer Vishnu's lotusvoeten de eer met offerandes van water en aldus was Hij behaagd, zeer behaagd door de eerbiedige toewijding die Hem ten deel viel van de kant van de meest gevierde vedische autoriteit, van hem die als een persoon was verschenen op de lotus die ontsprong uit Zijn navel [zie ook 3.8]. (4) Dat water van Heer Brahmâ's kamandalu, zuiver door het wassen van de voeten van Heer Urukrama, o koning der mensen, werd aldus de [hemelse] Svardhunî waarvan het vanuit de buitenruimte neerstromende water de drie werelden zuivert als de faam van de Allerhoogste Heer. (5) Zij die met Brahmâ waren, de heersende godheden van de verschillende werelden met het grootste respect voor hun meester, en brachten met al hun volgelingen de benodigdheden bijeen voor de aanbidding van de Oppermachtige Ziel die weer tot Zijn oorspronkelijke afmetingen was teruggekeerd. (6-7) Met water voor de voeten en voor de gasten, bloemenslingers, allerlei pasta's om mee in te smeren, wierook en lampen allen even geurig, gebakken rijst, hele granen, vruchten, wortels en jonge spruiten, betoonden ze hun respect 'Jaya, jaya' uitroepend naar de heerlijkheid van Zijn handelingen, waarbij ze dansten, zongen en muziekinstrumenten bespeelden begeleid door schelphoorns en paukengeroffel. (8) Jâmbavân, de koning van de apen [ook: beren], in vervoering de signaalhoorn blazend verkondigde overal in iedere richting het grote festival. (9) De Asura's die zagen dat al het land van hun meester, zo vastbesloten in het offer, verloren was gegaan op het simpele verzoek om drie stappen land, waren zeer nijdig: (10) 'Is deze brahmanenvriend niet in werkelijkheid Vishnu Zelve, die, als de grootste van alle bedriegers de gedaante van een tweemaal geborene aannemend, ons probeert om de tuin te leiden in het belang van de goddelijken? (11) Door Hem, de vijand, zich vertonend als een brahmacârî bedelmonnik, is ons alles wat onze meester bezat ontfutselt omdat hij, zwerend bij het ritueel, de uitoefening van de macht eraan gegeven heeft. (12) Immer zwerend bij de waarheid, gewijd voor de yajña en altijd het brahmaanse toegenegen, is hij persoonlijk niet in staat tot een leugen. (13) Het is derhalve onze plicht jegens onze meester deze gast hier een kopje kleiner te maken!', en zo namen al de asura volgelingen van Bali tegen zijn zin een veelheid aan wapens ter hand. (14) Vanuit hun kwade inborst ertoe gedreven stormden ze met hun drietanden en lansen geheven allen tezamen er op af, o Koning. (15) De aanblik van de op hen afkomende Daitya krijgers, o heerser, deed de metgezellen van Vishnu glimlachen toen ze hen een halt toeriepen met het oppakken van hun wapens. (16-17) Nanda en Sunanda traden aan zowel als Jaya, Vijaya, Prabala, Bala, Kumuda, Kumudâksa, Vishvaksena, Patattrirâth [Garuda], Jayanta, S'rutadeva, Puspadanta en Sâtvata; allen tezamen doodden zij sterk als duizend olifanten de asura soldaten.

(18) Toen Bali zag dat zijn mannen werden gedood door de medestanders van de Oorspronkelijke Persoon, herinnerde hij zich de vloek van S'ukrâcârya [8.20: 15] en gelaste hij hen, ondanks hun woede, zich terug te trekken: (19) 'O Vipracitti, o Râhu, o Nemi, luister alsjeblieft, vecht niet, stop hiermee, het is nu niet de tijd om dit te beslechten. (20) Die Meester van Alle Levende Wezens, die Man van Beheersing beslissend over vreugde en leed, kan door menselijke inspanning niet worden overtroffen, o Daitya's . (21) Voorheen werkte de tijd in ons voordeel en bracht ons de overwinning op de goddelijken, maar vandaag werkt de tijd, welke inderdaad de Allerhoogste Heer in het bestaan is, tegen ons. (22) Met geen enkele macht, raadgeving, slimmigheid, verdedigingswerk, toverspreuk of kruiderij, diplomatie of andere middelen of soortgelijke planningen is niet ook maar één enkele ziel de tijdfactor de baas. (23) Al deze volgelingen van Vishnu die dankzij de voorzienigheid de weelde genoten werden door jullie in grote getale verslagen en vandaag inderdaad staan ze te juichen òns verslaand in de strijd [zie B.G. 18: 13-15]. (24) We zullen bij de genade der voorzienigheid op hen allen de overwinning behalen en daarom moeten we nu de tijd afwachten die in ons voordeel is.

(25) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Daitya en Dânava leiders hoorden wat hun meester hen zei gingen ze de lagere regionen binnen, o Koning, daarheen verdreven door de metgezellen van Vishnu. (26) Daarna, op de dag dat voor het offer de soma wordt genoten [soma-pâna], werd Bali, naar de wens van de meester van de koning der vogels [Heer Vishnu], door de zoon van Târkshya [Garuda] aangehouden, die hem bond met de touwen van Varuna. (27) Uit alle richtingen rees er overal in de hogere en lagere werelden een luide kreet van teleurstelling op vanwege het feit dat de asura leider door Vishnu, de machtigste die er was, werd ingerekend. (28) Beroofd van zijn luister bleef hij die zo grootmoedig en gevierd was o Koning, vastbesloten als altijd. Tot hem aldus gebonden door de touwen van Varuna sprak de Opperheer Vâmana: (29) 'Je hebt Mij drie stappen land gegeven, o Asura; met twee nam ik de gehele oppervlakte van de aarde in en nu ben je me nog een derde schuldig. (30) Zo ver als het licht reikt van de zon, de maan en de sterren, en zover als de regen reikt die uit de wolken naar beneden komt, bezit u al het bestreken land. (31) Met enkel één stap omsloot Ik de gehele omtrek van de aarde [Bhûrloka], met Mijn lichaam de hemel in alle richtingen in beslag nemend en met de tweede stap nam ik recht voor uw ogen voor Mezelf de hogere werelden in die u in bezit had. (32) Niet in staat om te geven wat u beloofde is het de regel dat u nu zelf ervan verstoken moet blijven; en erbuiten vallen is wat uw goeroe graag zou zien [zie ook 6.17: 28]. (33) Wie dan ook die een bedelmonnik bedriegt, tekortschietend in te geven wat was beloofd, komt ten val, en moet, ver verwijderd van het hogere leven, vruchteloos zijn geest afpijnigen. (34) Nu dat ik door u bedrogen ben middels de woorden 'dit beloof ik en daar ben ik zo trots op', zal u daarom, als gevolg van deze beledigende uitkomst, voor een aantal jaren van dit alles verstoken moeten leven'.  

 

Hoofdstuk 22

Bali Mahârâja Geeft Zich Geheel Over

(1) S'rî S'uka zei: 'Aldus met de Allerhoogste Heer in de problemen beland, o Koning, was Bali, de asura koning ondanks zijn benarde positie een onverstoorde ziel die positief een antwoord gaf met de volgende woorden. (2) S'rî Bali zei: 'Indien, o Heer Geprezen, U vanuit Uw goede zelf denkt dat de woorden van mijn belofte onwaarachtig bleken, o Grootste der Goden, laat U me dan, om waar te zijn in deze aangelegenheid en om niet in bedrog te zijn vervallen, mijn hoofd bieden waarop U de derde stap van Uw lotusvoeten kunt plaatsen. (3) Ik ben er niet zo bang voor in de hel te verblijven of in de boeien geslagen te zijn, voor moeilijk te verdragen leed en zeker ook niet voor een tekort aan middelen zoveel als ik vrees ben gaan koesteren voor de straf der ontluistering die ik nu van Uwe heerlijkheid te verduren krijg [vergelijk B.G. 2: 34 en 6.17: 28]. (4) Ik beschouw het als het beste wat een mens kan overkomen te worden bestraft door de aanbiddelijke Heer, het is werkelijk iets dat iemands moeder, vader, broeder of vrienden niet te bieden hebben [zie 10.14.8]. (5) U bent waarlijk, van de Asura's die wij zijn, indirect de allerhoogste goeroe daar U, het valse prestige vernietigend van de velen van ons die verblind zijn door materiële gemakken, de visie schonk. (6-7) Velen van hen die buiten de wijsheid om hun intelligentie vestigden op U middels een niet aflatende vijandelijkheid, bereikten de volmaaktheid welke, zo men weet, gelijk staat aan die van de yogi's. Daarom schaam ik, hoewel ik door Uwe Heerlijkheid zo vol van wonderen werd bestraft, me er niet voor of heb ik er veel onder te lijden aldus gebonden te zijn met de touwen van Varuna. (8) Mijn grootvader [Prahlâda] zoals op prijs gesteld door Uw toegewijden wordt overal geroemd als een heilige voor het feit dat hij U als de Allerhoogste Toevlucht had toen hij al de kwalijke dingen te verduren kreeg waar zijn vader mee aan kwam zetten in het eenvoudigweg tegen U ingaan [zie 7.5]. (9) Wat moet men met dit lichaam dat het ten leste op zal geven, wat moet men met al die profiteurs die doorgaand voor verwanten er vandoor gaan met de erfenis, wat heeft men aan een echtgenote die je alleen maar verder de materie in trekt en wat heeft het voor een persoon die zeker is van zijn dood voor een nut zijn leven te verspillen met huiselijke gehechtheden [zie ook 5.5: 8 en B.G. 18: 66]? (10) Zoals gezegd was hij, mijn grootvader de grote toegewijde zo wijs in zijn dienstbaarheid, beducht als hij was voor de mensen [om hem heen], werkelijk foutloos bezig in zijn vastbeslotenheid om met al de vrees die hij had zich over te geven aan de onwankelbare toevlucht van de lotusvoeten van U o Heer, o Beste der Besten die een einde heeft gemaakt aan al het demonische van ons. (11) Derhalve zoek ik bij U mijn toevlucht, ik die eveneens vijandig zijnde met de ziel door het lot met geweld werd ingerekend en verstoken raakte van al de weelde. Het tijdelijke van het materiële comfort dat iemand voor de duur van zijn leven confronteert met zijn eindigheid en de dood [zie 7.5: 30] is iets wat de enggeestige persoon niet bevatten kan.' 

(12) S'rî S'uka zei: 'Toen hij aldus zijn positie besprak, manifesteerde Prahlâda, de lieveling van de Heer [zie 7.9], zichzelf aldaar o beste van de Kuru's, precies zoals de maan dat doet als die opkomt aan de hemel. (13) Daar zag hij, de speer van Indra, zijn grootvader, de beste van al de goedgunstigen, aanwezig in zijn volle glorie: met ogen zo wijd als lotusblaadjes, prachtig gebouwd, gekleed in saffraan, met de pracht van een donkere huid en lange armen. (14) Gebonden in de touwen van Varuna kon hij hem niet als voorheen het verschuldigde respect betonen en dus bood hij Hem met ogen vol tranen, in verlegenheid met zijn gezicht naar beneden gekeerd, zijn eerbetuigingen. (15) Toen hij, de grote toegewijde, de Grote Meester ontwaarde, de Heer, daar zittend met volgelingen als Sunanda in aanbidding, benaderde hij Hem met gebogen hoofd en bewees hij Hem, tot vreugdetranen bewogen, zo met zijn hoofd de eer.  (16) S'rî Prahlâda zei: 'Uwe heerlijkheid die deze zo heel hoge positie van Indra vergunde heeft die vandaag weer terug genomen, hetgeen ik als iets zeer moois beschouw. U hebt hem, met het hem ontzeggen van zijn weelde, een grote dienst bewezen aangezien het dat was wat zijn zelfverwerkelijking in de weg stond.  (17) Het is waarlijk zelfs de meest geleerde en zelfbeheerste die zijn verstand met de weelde verliest in zijn zoeken naar het doel van het leven; ik ben U mijn respect verschuldigd, U de Beheerser van het Universum, Heer Narâyâna, Hij die waarlijk allen overschouwt.' 

(18) S'rî S'uka zei: 'Zodat Prahlâda, die daar met gevouwen handen stond, het kon horen, o Koning, sprak de Meest Machtige van het Goud vanbinnen [Brahmâ] tot Hem die Madhu versloeg [de Heer]. (19) Bali's kuise vrouw [echter] die haar echtgenoot in de boeien geslagen zag, bood door de angst zwaar van streek met gevouwen handen voor Upendra [Heer Vâmana] haar eerbetuigingen en richtte zich tot Hem, o Koning, met haar gezicht naar beneden.  (20) S'rî Vindhyâvali zei: 'Voor het heil van Uw spel en vermaak hebt U dit drievoudige universum geschapen, U bent de eigenaar maar de kwaadwilligen en anderen, o Beheerser, hebben onwetend zichzelf opleggend zich het eigenaarschap toegerekend; wat kunnen zij, de schaamtelozen, U nu bieden, U de Allerhoogste Schepper, Meester en Vernietiger [vergelijk B.G. 16: 13-15 en 18: 61]?'

(21) Heer Brahmâ zei: 'O Goedheid Aller levende Wezens, o Beheerser van een Ieder, o God der Goden, o Allesdoorvarende, stel nu alstUblieft deze persoon op vrije voeten die het zonder alles moet stellen - iemand als hij verdient het niet te worden gestraft. (22) Hij gaf U al het land terug, al de werelden - met grote vastbeslotenheid is zonder te wijfelen wat hij ook maar bereikte met zijn vroomheid allemaal aan U geofferd: alles wat hij bezit, zelfs zijn lichaam. (23) Aan Uw voeten met een oprechte geest offerde hij water, grassen en bloemknoppen. Hoe kan een dergelijke aanbidder ondanks zijn zo verheven offerandes, ondanks zijn aanbidding, U de drie werelden biedend, de pijn die werd bezorgd nu verdienen; niet dubbelhartig als hij is verdient hij de hoogste bestemming [B.G. 9: 26]!' 

(24) De Allerhoogste Heer zei: 'O Brahmâ, Ik betoon hem Mijn genade en ontneem hem de rijkdom die van vals prestige is, want zo een afgestompt iemand heeft minachting voor de hele wereld! (25) Het levende wezen dat niet onafhankelijk is vanwege het karma en in verschillende levensvormen is gevangen in de materiële wereld, verlangt naar de hoge bestemming van het mens-zijn [zie ook B.G. 13: 22]. (26) Hij die met zijn geboorte, handelingen, leeftijd, lichamelijkheid, opvoeding, succes, welvaart en andere vormen van weelde niet verhard is [niet arrogant werd], moet in die hoedanigheid worden beschouwd als zijnde begunstigd door Mij. (27) Zaken als een hoge geboorte vormen de oorzaak van arrogantie en verbijstering; tezamen vormen ze voor het allerhoogste profijt van het leven hinderpalen, hinderpalen waar Mijn toegewijde niet het spoor door bijster raakt [zie ook 4.8-12]. (28) Deze Bali, de meest toegewijde en beroemde onder de Dânava's en de Daitya's, heeft reeds de onoverkomelijke materiële energie overwonnen; ondanks dat hij zijn weelde verloor is hij niet verdwaasd. (29-30) Zonder alle rijkdom, neergevallen uit zijn verheven positie, door het slijk gehaald en ingerekend door zijn vijanden, in de steek gelaten door zijn familie en verwanten, alle mogelijke soorten van moeilijkheden doorstaan hebbend, terecht gewezen en vervloekt door zijn goeroe, heeft hij, vasthoudend aan zijn gelofte, het niet opgegeven met het waarachtige, het dharma waar Ik het zo misleidend terwille van de gift over had; zijn woord getrouw wist deze hier van geen wijken. (31) Door Mij heeft hij een plaats bereikt die zelfs voor de halfgoden moeilijk te verkrijgen is; in de tijd van Sâvarni Manu [zie 8.13: 10-11] zal hij de Indra worden die Mijn volledige steun en bescherming geniet. (32) Tot die tijd kan hij in alle vrijheid leven in Sutala [zie 5.24: 18] de plaats ontworpen door Vis'vakarmâ alwaar het voor de bewoners door Mijn bijzondere waakzaamheid onmogelijk is gemaakt dat men psychisch of fysiek gebukt gaat onder saaiheid, uitputting of verslagenheid. (33) O Speer van Indra, o Mahârâja ga nu liever heen o heerser, moge er daar in Sutala, zo begeerlijk voor zelfs degenen van de hemel, omringd door de uwen, al het goedgunstige zijn voor u. (34) Geen van de plaatselijke grootheden daar zullen ertoe in staat zijn u de loef af te steken, om nog maar te zwijgen van de gewone man, daar Ik met mijn cakra er voor zal zorgen dat al de Daitya's die in overtreding zijn met uw regel het af zullen leggen. (35) Ik zal u beschermen, uw metgezellen en uw eigendom, en zal u in ieder opzicht altijd ter zijde staan, o grote held, u zal in staat zijn Mij daar te aanschouwen! (36) Door acht te slaan op Mijn uitnemendheid zal in die plaats de domheid van de asura mentaliteit van de Daitya's en de Dânava's terstond weggevaagd worden.'

* "Hij die uw mededogen zoekt en zo allerlei soorten van ongunstige omstandigheiden te verduren krijgt als gevolg van het karma van zijn daden in het verleden, hij die altijd over gaat tot Uw toegewijde dienst met zijn geest, zijn woorden en zijn lichaam, en hij die altijd U eerbetuigingen brengt is voorzeker een bonafide kandidaat voor de bevrijding." (Bhag. 10.14.8)

 

Hoofdstuk 23

De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat de grote en verheven ziel [Bali], die de goedkeuring wegdroeg van de heiligen, aldus was toegesproken door de Oorspronkelijke, Oudste Persoon, sprak hij vol van toewijding met gevouwen handen, met tranen in zijn ogen en een haperende stem. (2) S'rî Bali zei: 'Hoe wonderbaarlijk is het dat, in de enkele poging mijn respect te betuigen voor de regulerende beginselen zoals nageleefd door de zuivere toegewijden, het voor een gevallen Asura als ik, met het geschenk van Uw grondeloze genade, mogelijk is geworden wat voorheen niet kon worden bereikt door de goddelijken of de leiders van de wereld!'

(3) S'rî S'uka zei: 'Dit tegen de Heer gezegd hebbende bood hij Hem, Heer Brahmâ en Heer S'iva zijn eerbetuigingen en ging Bali bevrijd en op die manier tevreden met zijn metgezellen vervolgens Sutala binnen. (4) En zo oefende de Allerhoogste Heer die, met in het vervullen van Aditi's wensen, aan koning Indra zijn heerschappij over de hemelse werelden had teruggeven, Zijn heerschappij uit [zie ook 8.16: 11-17]. (5) Prahlâda die in zijn extatische toewijding had meegekregen hoe zijn nazaat, zijn kleinzoon Bali, Zijn genade had verworven en was verlost uit de gebondenheid, sprak toen als volgt [tot de Allerhoogste]. (6) S'rî Prahlâda zei: 'Met deze zegening, welke niet bereikbaar was voor Heer Brahmâ, door de Godin van het Geluk of door Heer S'iva - om nog maar te zwijgen over anderen -, bent U voor ons Asura's de Beschermer Tegen Alle Misère geworden, Hij wiens voeten worden aanbeden door hen die vereerd worden in het ganse universum! (7) Heer Brahmâ en anderen, o Toevlucht van Allen, genieten Uw genade met de smaak van de honing van het dienen van de lotus gevormd door Uw voeten; hoe hebben wij, schuldige escapisten geboren uit afgunst, de positie kunnen bereiken die wordt vergund door de genadevolle blik van Uwe Heerlijkheid? (8) O hoe wonderlijk zijn al de werken van Uw onbegrensd spiritueel vermogen: in Uw optreden bent U, U uitbreidend in dienstbaarheid, de Ene die al de werelden schiep, o Heer allen doorvarend en gelijkgezind; onverdeeld te zijn is de aard van Uw liefde voor de toegewijden daar U van nature de wensboom bent [zie B.G. 9: 29].'

(9) De Allerhoogste Heer zei: 'Mijn zoon Prahlâda, ik wens je al het goede toe, ga alsjeblieft en geniet van de plaats Sutala je verheugend in het geluk met je kleinzoon, verwanten en vrienden! (10) U zich daar ophoudend zult naar Mij toe de constante aanblik genieten van Mij als de drager van de knots en Mij aldus beziend zal de gebondenheid van het baatzuchtig handelen door de grote verrukking worden verslagen.'

(11-12) S'rî S'uka zei: 'Prahlâda, met zijn verstand helder, accepteerde met gevouwen handen instemmend de opdracht van de Allerhoogste Heer, o Koning, en nadat hij de Meester van alle leidende Asura's om de Oorspronkelijke Persoon heen had gelopen en zijn eerbetuiginge had gebracht betrad hij samen met Bali met Zijn permissie de grootse plaats Sutala. (13) Daarna zei de Heer tot S'ukrâcârya die in de bijeenkomst van brahmaanse volgelingen vlak bij Hem, Nârâyana, neerzat in een groep van priesters [brahma, hotâ, udgâtâ en adhvaryu]: (14) 'O brahmaan, beschrijf alstublieft de karmische tekorten van uw discipel in het uitvoeren van het offer daar die karmische moeilijkheden [zie 8.20: 15] zullen worden geneutraliseerd als ze door de brahmanen in overweging worden genomen.'

(15) S'rî S'ukra zei: 'Wat zou er verkeerd zijn aan hem die in alle opzichten van aanbidding was voor Uwe Heerlijkheid die de meester bent van alle vruchtdragend handelen; U bent de Beheerser en Genieter van alle offers [zie ook 4.31: 14, 1.2: 13 en B.G. 5: 25]. (16) Naar de tijd en plaats, de ontvanger en de benodigdheden kunnen er tekortkomingen zijn met de mantra's en het volgen van de principes, maar dat alles wordt foutloos gemaakt door regelmatig met elkaar de glorie te herhalen [in lezing en gezang] van uwe Heerlijkheid [*]. (17) O Allerhoogste, omdat U het hem zei was Bali vrij van fouten echter en moet ik me naar Uw opdracht schikken daar het het meest goedgunstige en allerhoogste voor iedere persoon is de handen te vouwen naar de door U ingestelde orde.'

(18) S'rî S'uka zei: 'Aldus in reactie op de opdracht van de Heer zijn eerbetuigingen brengend zette Us'anâ [S'ukrâcârya, zie 4.1: 45] de machtigste zich samen met de beste der brahmanen aan de taak het gebrekkige offer dat Bali had gebracht voor de Heer te compenseren. (19) O Koning, op deze manier van Bali het land afgesmeekt hebbend overhandigde de Heer die de gedaante van een dwerg had aangenomen aan Zijn godsbroeder de grote Indra de plaatsen der goden die de anderen hen hadden ontnomen. (20-21) De meester der stamvaderen Heer Brahmâ, samen met de godvrezenden, de heiligen, de voorouders, ieder van zijn zoons ['Heer S'iva en Kârttikeya'], de Manu's en al de grote leiders zoals Daksha, Bhrigu en Angirâ, accepteerden voor het genoegen van Kas'yapa en Aditi [als de ouders van Vâmana] en voor het welzijn van alle levende wezens en werelden, Heer Vâmana als de hoogste leider van alle plaatselijke autoriteiten. (22-23) Van de Veda, van alle goden, van alle religie, van alle roem, van alle weelde, van alle goedgunstigheid, van alle geloften het allerdeskundigst in het bevorderen tot een hoger leven maakten zij in die tijd de weg vrij voor Upendra als de meester voor alle doeleinden en dat maakte alle levende wezens buitengewoon gelukkig, o heerser der mensen. (24) Indra die daarna, met al de plaatselijke leiders, enkel nog Heer Vâmana voor ogen hield op het hoge pad der goddelijkheid ['het hemelse voertuig'] bracht het aldus, goedgekeurd door Heer Brahmâ, met Hem tot het hemelrijk. (25) Op het herwinnen van de drie werelden genoot Indra alzo onder de bescherming van Vâmanadeva de weelde en heerschappij die hij gewoon was en had hij niets te vrezen van de Asura's. (26-27) Brahmâ, een ieder van zijn zoons, Bhrigu en de anderen, de muni's, o Koning en de voorvaderen, alle levende wezens, de vervolmaakten en de engelen ['zij die door de hemel reizen'] en dergelijken, verheerlijkten allen tezamen de ongewone en wonderbaarlijke, lofwaardige daden van Heer Vishnu alsook van Aditi en vertrokken toen ieder naar hun eigen wereld.

(28) Als men verneemt, o vreugde van de dynastie, over al deze handelingen van Heer Urukrama [de Heer 'der grote stappen'] die ik u beschreef, wist dit alle gevolgen van de zonde weg. (29) Wat betreft het inschatten van de heerlijkheden van Hem zo groot in Zijn stappen moge een persoon al de atomen van de planeet aarde proberen te tellen; geen sterveling die gedoemd is te worden herboren, noch een sterveling die van wedergeboorte is, is hiertoe in staat zo stelde de grote heilige [Vasishthha Muni] het in zijn mantra's aangaande de Oorspronkelijke Persoon [hier Heer Râma, zie ook B.G. 10: 42 en **]? (30) Een ieder die verneemt over en blijft vernemen over deze God aanbeden door de goden, de Heer Hari wiens werken in al Zijn incarnaties teruggevonden allen even wonderbaarlijk zijn, zal de hoogste bestemming bereiken. (31) Wie dan ook die dit doet behoort in het bezig zijn terwille van de goden, de voorvaderen of anders het genoegen van het menselijk samenzijn, te weten dat waar en wanneer het ook maar wordt beschreven, dat iemand alle geluk zal brengen.'

 * Vaak aangehaald in dit verband is wat S'rî Caitanya Mahâprabhu heeft aanbevolen:

harer nâma harer nâma
harer nâmaiva kevalam
kalau nâsty eva nâsty eva
nâsty eva gatir anyathâ

"In dit tijdperk van de redetwist en de hypocrysie bestaat de enige manier om bevrijd te raken eruit de heilige naam van de Heer te zingen. Er is geen andere manier, er is geen andere manier, er is geen andere manier." (Brihan-nâradîya  Purâna 38.126)

Ook wordt hierbij vaak een deel van vers 11.5: 32aangehaald: 'In het Kali-tijdperk, houden intelligente mensen zich bezig met samenzang om de incarnatie te vereren van God die zonder ophouden de namen van Krishna zingt. '

** Vasishthha Muni heeft een mantra nagelaten over Heer Vishnu: 'na te vishnor jâyamâno na jâto mahimnah pâram anantam âpa': 'Niemand is in staat zich een idee te vormen van de omvang van de ongewone, glorieuze activiteiten van Heer Vishnu'.

 

Hoofdstuk 24

Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer

(1) De achtenswaardige koning zei: 'O machtige, ik zou graag het verhaal horen over die eerste incarnatie van de Heer zo wonderbaarlijk in Zijn daden waarin Hij eenvoudigweg wordt begrepen bij de illusoire gedaante van een vis [of Matsya, zie ook 2.7: 12, 5.18: 24-28 en 6.9: 23]. (2-3) Met welk doel nam de Beheerser de gedaante van een vis aan, een vorm die zeker niet de meest gunstige is in de wereld; om op te treden in die trage geaardheid der materie moet zo zwaar zijn als het leven van iemand onder de wetten van karma! O machtige wijze, vertel ons alstublieft zo goed als u kan alles over de wederwaardigheden van Heer Uttamas'loka ['de Verheerlijkte'], daar over Hem te vernemen is wat de wereld gelukkig maakt [B.G. 4: 7].'

(4) S'rî Sûta Gosvâmî zei: "Aldus bevraagd door Vishnurâta ['door Vishnu gezonden'] vertelde de zo machtige zoon van Vyâsadeva hem alles wat er te weten viel over de daden van Vishnu in de gedaante van een vis. (5) S'rî S'uka zei: 'Ter wille van de koeien, de brahmanen, de verlichte zielen, de toegewijden en zelfs de vedische literatuur neemt de Allerhoogste Beheerser in Zijn incarnaties gedaanten aan om het dharma en de bedoeling van het leven veilig te stellen. (6) Lager of hoger onder de levende wezens is de Beheerser [Zelve], precies zoals de lucht die zich hier en daar beweegt, niet hoger of lager met de gedaanten die Hij aanneemt; Zijn wil uitoefenend met de geaardheden staat Hij boven de geaardheden. (7) In de vorige dag van Brahmâ [kalpa], was er aan het eind bijgevolg een overstroming en waren al de bestaande werelden ondergedompeld in de oceaan, o Koning. (8) Op dat moment wilde Brahmâ die zich slaperig voelde te ruste leggen en kwam uit zijn mond zeer krachtig de vedische kennis voort die door Hayagrîva die daar in de buurt was in bezit werd genomen [zie 2.7: 11 en 5.18: 6]. (9) Die Dânava-manier van doen van Hayagrîva begrijpend nam de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de gedaante van een vis aan. (10) Toen zich dat voltrok was er een wijze koning genaamd Satyavrata, een grote persoonlijkheid en toegewijde van Heer Nârâyana, die in zijn boetedoeningen van de ascese was van het enkel drinken van water. (11) In de huidige dag van Brahmâ was hij iemand die, als een zoon van de zonnegod, bekend werd met de naam S'râddhadeva en door Heer Hari de positie van Manu werd toevertrouwd [zie 6.6: 40 en 8.13: 1]. (12) Toen hij op een dag aan de Krtamâlâ rivier zat, wateroffers brengend, manifesteerde in zijn palm vol water zich een soort visje. (13) Satyavrata, de meester van Dravidadesa, o zoon van Bharata, gooide het visje met de handvol water in de rivier. (14) Een beroep doend op de grootmoedige Koning zei het: 'Het rivierwater is zeer angstwekkend, o beschermer der zwakken, waarom gooit u Mij, zo klein, voor de vraatzuchtige waterdieren, o Koning?'

(15) Er zeer blij mee het zijn persoonlijke gunst te bewijzen besloot hij, zonder te weten dat hij de gedaante van Matsya vasthield, het visje zijn bescherming te bieden. (16) De grote heerser die de meelijwekkende woorden van het visje hoorde deed het genadig in het water van een pot en nam het mee naar huis. (17) Maar uitdijend in het water van die pot kon het op een dag zich er niet meer lekker in voelen en zei het daarom tot de grote leider: (18) 'In deze pot heb Ik het moeilijk, Ik kan niet in zo'n ruimte leven, zie alstublieft om naar een wat ruimer bemeten verblijf waar Ik naar genoegen kan leven'

(19) Hij haalde het er toen uit en deed het in een grote bron, maar daarin geworpen groeide het binnen een seconde uit tot de lengte van drie el [2.10 meter]. (20) [Hij zei:] 'Deze plas is niet geschikt voor Mij, ik kan hier niet gelukkig in leven, gun alstublieft Mij, die bij u Zijn beschutting zocht, een plaats die veel ruimer is!'

(21) De koning Hem daar weghalend gooide Hem, o Koning, in een meer dat onmiddellijk door Zijn lichaam gevuld raakte toen Hij uitgroeide tot een gigantische vis. (22) 'Dit water waar u Me ingegooid hebt is in het geheel niet naar Mijn zin, o Koning, Ik ben een groot waterdier, stop Me liever in een grote zee van water die Me meer duurzaam van pas komt'.

(23) Aldus verzocht bracht hij Matsya naar steeds weer grote wateren totdat hij uiteindelijk de gigant in de oceaan gooide. (24) Daarin geworpen zei Hij tot de koning: 'Hier zijn er gevaarlijke waterbeesten die al te machtig Mij willen verorberen, o held, u moet Me daarom hier niet inwerpen!'

(25) Aldus zich verbazend over de vis die zich allerliefst tot hem richtte zei hij: 'Wie bent U die in deze vissengedaante ons versteld doet staan? (26) Zo'n energieke vis als U heb ik nog nooit gezien of van gehoord: Uwe Heerlijkheid bent in één dag uitgegroeid tot honderden kilometers! (27) U met Uw aannemen van de vorm van een zeedier, moet de Allerhoogste Heer in eigen persoon zijn, de onuitputtelijke Heer Nârâyana hier aanwezig om Uw genade te tonen aan alle levensvormen. (28) Ik biedt U, de allerverhevenste Persoonlijkheid van Handhaving, Schepping en Vernietiging mijn eerbetuigingen; voor overgegeven toegewijden als ik bent U daadwerkelijk de Allerhoogste Meester, de Hoogste Bestemming, o Almachtige. (29) Alles wat U doet in Uw incarnaties vormt de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens; ik zou graag weten met welke bedoeling Uwe Heerlijkheid deze gedaante heeft aangenomen. (30) Nimmer kan de aanbidding van Uw lotusvoeten, o Lotusblaadjesogige op niets uitlopen: U bent de vriend, de meest geliefde, de oorspronkelijke ziel namelijk van iedereen, van al de godheden verschillend belichaamd en geestelijk bepaald en voor ons hebt U nu waarlijk dat zo hoogst wonderlijke lichaam gemanifesteerd.'

(31) S'rî S'uka zei: 'Zich aldaar op die manier uitlatend werd die meester der mensen, Satyavrata, toegesproken door de Meester van het Universum, de Heer die als de ene, ware liefde van de toegewijden aan het einde van de yuga, terwille van het genieten van Zijn spel en vermaak, in het water van de grote vloed de vorm van een vis had aangenomen. (32) De Allerhoogste Heer zei: 'Vanaf de zevende dag na heden zal deze drievoudige schepping van aarde, ether en hemel, worden overspoeld door de alles verzwelgende oceaan. (33) Als de drie werelden zijn verzonken in de wateren der voleinding, kan u te dien tijde rekenen op het verschijnen van een zeer groot schip door Mij aan u gezonden. (34-35) Verzamel om u op die tijd voor te bereiden met [de wijsheid van] de zeven wijzen alle hogere en lagere soorten van kruiden en zaden en begeef u, u omringend met alle soorten van levende wezens, op die gigantische boot om onverschrokken de oceaan van de vloed te bevaren met geen ander licht dan de gloed van de rishi's. (36) Bindt met het grote serpent [Vâsuki] die boot, heen en weer geslingerd door de o zo machtige wind, vast aan Mijn hoorn, want Ik sta u bij. (37) Ik zal u, samen met de wijzen in het schip, met Me meetrekken door de wateren voor zolang de nacht van Brahmâ duurt, o mijn beste. (38) Door Mijn raad en steun zal zich in uw hart volledig de kennis van Mijn glorie openbaren die bekend staat als het Opperste Brahman [zie ook B.G. 5: 16, 10: 11].'

(39) Na de koning aldus te hebben geïnstrueerd verdween de Heer vandaar. De koning wachtte toen de tijd af waar de Meester der Zinnen het met hem over had gehad. (40) Kus'agras uitspreidend met de toppen naar het oosten zat de heilige koning noordwaarts met zijn gezicht om te mediteren op de voeten van de Heer die was verschenen in de gedaante van een vis. (41) Met enorme, onophoudelijk regenende wolken in de hemel zag hij hoe vervolgens de oceaan overstroomde aan alle kanten en zo de aarde meer en meer onder water kwam te staan. (42) Zich herinnerend wat de Heer had gezegd zag hij een boot op zich afkomen waar hij, met het meenemen van de kruiden en klimplanten, samen met de wijzen aan boord ging. (43) De wijzen zeer verheugd zeiden tot hem: 'O Koning mediteer op Kes'ava ['de Heer met de zwarte lokken'] daar Hij ons werkelijk zal redden van het ophanden zijnde gevaar en orde op zaken zal stellen.'

(44) Hij door de koning bemediteerd verscheen daarna in de grote oceaan als een talloos aantal yojana's grote gouden vis met een enkele hoorn. (45) Blij dat hij de boot aan die hoorn kon vastleggen met behulp van het grote serpent als touw op de manier zoals de Heer dat voordien had aangeraden, stelde hij de Doder van Madhu tevreden. (46) De koning zei: 'Sedert mensenheugenis is onwetendheid omtrent de kennis van de ziel de grondoorzaak geweest van de materiële gebondenheid die zoveel lijden en beproevingen met zich meebrengt; met de genade God's kan, met de ondersteuning van de kant van de leraar van het voorbeeld, in bevrijding [d.w.z. in toegewijde dienst, zie 7.5: 23-24] Hij, onze Allerhoogste Heer en Geestelijk Leraar, worden bereikt. (47) Hij die geboren werd, aanvaardt onwijs als gevolg van zijn karma verschillende lichamen in zijn verlangen gelukkig te zijn [zie 4.29 en B.G. 4: 5, 6: 45 en 16: 20], maar zijn baatzuchtige plannen brengen hem alleen maar verdriet; door dienst te leveren wordt die kwestie opgehelderd en wordt met Hem, onze goeroe in de kern van ons hart, de hechte knoop van de geest der onwaarheid doorsneden. (48) Middels die dienst is, precies als met een brok erts dat in aanraking met vuur wordt gezuiverd, een persoon in staat al de onzuiverheid op te geven waar hij uit onwetendheid mee zit en kan hij zijn oorspronkelijke identiteit doen herleven [zijn roeping of varna]; laat Hem, die in die zin de Onuitputtelijke is, onze Allerhoogste Beheerser zijn, de Goeroe der Goeroes. (49) Anderen met elkaar of individueel of zelfs de halfgoden en de goeroes kunnen de vergelijking met nog niet één tienduizendste van Uw genade doorstaan; laat ik me overgeven aan Hem, de Beheerser, aan U, aan die toevlucht. (50) Zoals een blinde zich laat leiden door een blinde, aanvaard men net zo onwijs een persoon als goeroe die tekort schiet in de kennis; Uwe heerlijkheid verschijnend gelijk de zon als de ziener van alles dat kan worden gezien, bent aanvaard als de geestelijk leraar van ons, van mij, de verlichte persoon die zijn bestemming kent. (51) Met wat men als een gewoon mens van normale personen opsteekt is men van overgave aan het tijdelijke als het levensdoel en van een onwetendheid die onoverkomelijk is, maar met de onvergankelijke, zuivere kennis van U bereikt een persoon zeer spoedig de positie die hem eigen is. (52) U bent van alle werelden de meest geliefde weldoener, de beheerser, de oorspronkelijke ziel en geestelijk leraar, de spirituele kennis, de vervulling van alle verlangens en degene die zich in het hart bevindt en die door in begeerte verstrikte mensen die een wazig verstand hebben niet kan worden gekend. (53) Moge door mijn overgave aan de Verhevene die U bent, de Grootste van Allen aanbeden door de goden, de Allerhoogste Beheerser voor het begrip van de werkelijke bedoeling van het leven; bij het licht van Uw veelbetekenende woorden van instructie, de knopen gelegd in het hart doorsneden worden, o Opperheer, alstUblieft zeg me waar ik thuis hoor [zie ook B.G. 4: 34].'

(54) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken verschafte de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon die de gedaante van Matsya had aangenomen, uitleg aan de koning over de Absolute Waarheid terwijl ze zich voortbewogen over de grote oceaan. (55) Zo raakte de heilige koning Satyavrata toen op de hoogte van de oude verhalen, de Purâna's; de vedische instructies, de Samhitâ's; het bovenzinnelijke, het divya; het analytische, de sânkhya; het zichzelf verbinden met het goddelijke met een verenigd [Krishna- of natuurlijk] bewustzijn, de yoga; het praktische van het ermee leven, de kriya; en al de mysteriën der zelfrealisatie in al haar vormen. (56) Hij, zich bevindend in de boot met de wijzen, vernam aldus over de overgeleverde kennis van de traditie van de wetenschap der zelfrealisatie zoals die, boven alle twijfel verheven, door de Allerhoogste Heer werd uitgelegd. (57) Toen de laatste overstroming teneinde was droeg de Heer aan Brahmâ, teneinde hem op te wekken, al de vedische verslagen nadat Hij een einde had gemaakt aan de duisternis veroorzaakt door Hayagrîva. (58) Koning Satyavrata verlicht in de geestelijke kennis en haar praktische wijsheid werd bij de genade van Heer Vishnu in deze periode Vaivasvata Manu.

(59) Iemand die naar de beschrijving luistert van dit grootse verhaal van Satyavrata de wijze koning en de Matsya-incarnatie met de ene hoorn, raakt bevrijd van alle terugslagen der zonde. (60) Een ieder die dagelijks het persoonlijk verschijnen van de Heer vereert zal slagen in zijn ondernemen en terugkeren naar huis, terug naar God. (61) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Oorzaak der Oorzaken, Hij die, Zich voordoend als een vis, voor het heil van Satyavrata de vedische kennis uiteenzette en een einde maakte aan de daitya duisternis met het teruggeven van de vedische verslagen die waren gestolen uit de monden van Heer Brahmâ die lag te slapen in de wateren van de vloed.'

 

Aldus eindigt het achtste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam.

 

CANTO 9: Bevrijding

   

Hoofdstuk 1

Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

(1) De koning zei: 'Ik heb geluisterd naar uw beschrijvingen over al de tijdperken van de Manu's en al de wonderbaarlijke handelingen die de Heer der Eeuwige Heldhaftigheid tentoonspreidde in die perioden. (2-3) Hij die bekend stond onder de naam Satyavrata, de wijze koning en heerser over Dravidades'a, ontving aan het einde van de voorgaande dag van Brahmâ de geestelijke kennis door de Oorspronkelijke Persoon van dienst te zijn [de purusha]. Van u hoorde ik hoe hij daadwerkelijk als een zoon van Vivasvân [de zonnegod] aldus de Manu werd. U hebt gesproken over zijn vele zoons, de koningen aangevoerd door Ikshvâku [8.13: 1]. (4) O brahmaan, beschrijf alstublieft ieder van de dynastieën van die koningen en wat hen kenmerkte, o hoogst fortuinlijke, daar zij staan voor het eeuwige van onze dienst aan u. (5) Alstublieft vertel ons over de wederwaardigheden van al die vrome en gevierde zielen die hebben geleefd, die in de toekomst er zullen zijn en waar we in het heden mee leven.'

(6) S'rî Sûta zei: "Aldus in de bijeenkomst van al de volgelingen van het brahmaanse ertoe verzocht door Parîkchit gaf de meest geleerde in het dharma, de machtige S'uka een antwoord. (7) S'rî S'uka zei: 'Verneem nu van mij over de dynastie van Manu, o onderwerper der vijanden, zover als mogelijk besproken, omdat men er in nog geen honderd jaar mee klaar zou zijn dat uitvoerig te doen. (8) Toen de Superziel die de Oorspronkelijke Transcendentale Persoon is van alle hogere en lagere levensvormen zich aan het einde van de kalpa bevond, was er buiten Hem niets van dit universum of wat dan ook te bekennen. (9) Uit Zijn navel kwam een lotus voort en op die lotus, o Koning, was er de uit zichzelf geborene met zijn vier hoofden [zie ook 3.8]. (10) Marîci nam geboorte uit Brahmâ's geest en van hem was er Kâs'yapa die daarna in de dochter van Daksha, Aditi, Visvasvân verwekte als zijn zoon [zie ook 6.6: 38-39]. (11-12) Van hem verscheen in Samjñâ, Manu S'râddhadeva en in zijn vrouw S'râddha verwekte hij vanuit zijn zelfbeheersing tien zoons die van hem de namen Ikshvâku, Nriga, S'aryâti, Dishtha, Dhrishtha, Karûshaka, Narishyanta en Prishadhra, en Nâbhaga en Kavi de machtige kregen. (13) Aanvankelijk had hij, de Manu, geen zoon maar de grote persoonlijkheid, de machtige Vasishthha, bracht voor de halfgoden Mitra en Varuna een offer dat voor een zoon zou zorgen. (14) Maar S'râddha, Manu's echtgenote, die zoals staat voorgeschreven met eerbetuigingen en het zich houden aan een payo-vrata [gelofte van enkel drinken, zie 8.16] naar voren trad, smeekte de dienstdoende priester om een dochter. (15) Aldus verzocht voerde de ritvik de ceremonie uit, met grote aandacht met de ghee aan de slag om een begin te maken met de offerande waarbij de brahmaan de mantra 'vashat' ['voor het Levend Wezen'] opzei.

(16) Met die overtreding van de dienstdoende priester werd een dochter geboren genaamd Ilâ ['de uitgieting'] en Manu toen hij haar zag, zei toen misnoegd tot zijn goeroe: (17) 'O mijn heer, wat is dit nou, als gevolg van wat jullie volgelingen van Brahmâ hebben gedaan, is er helaas dit tegenovergestelde resultaat dat pijnlijk afwijkt van wat er naar de mantra's die werden gebruikt was te verwachten; dit had nooit mogen gebeuren! (18) Hoe kon, van de associatie der wijzen en geleerden, van u allen zo bewust van de Absolute Waarheid en zo zelfbeheerst in boetvaardigheid, met alle onzuiverheden weggebrand, er een dergelijke ongerijmdheid, zo een valsheid, zijn met wat het plan was?'

(19) Toen hij hem dat hoorde zeggen, de meest machtige, de Manu, sprak, met begrip voor de vergissing begaan door de dienstdoende priester, hun overgrootvader Vasishthha tot de zoon van de zonnegod. (20) 'Ondanks dit afwijkend resultaat als gevolg van wat uw priester verkeerd heeft gedaan, ben ik ertoe in staat u te verzekeren van een fraaie zoon!'

(21) Aldus besloten, o Koning, droeg de beroemde, machtige meester Vasishthha gebeden op aan de Oorspronkelijke Persoon om bij Ilâ een keer tot de mannelijkheid te bewerkstelligen. (22) Door hem behaagd verleende de Allerhoogste Beheerser Hari de verlangde gunst zodat Ilâ veranderde in een mooie man genaamd Sudyumna. (23-24) Toen Sudyumna eens op jacht was in het woud, o Koning, begeleid door een gezelschap van getrouwen en rijdend op een paard uit Sindhupradesha, ging hij noordwaarts achter de dieren aan, ter gelegenheid waarvan hij als een held was uitgerust met zijn boog en pijlen en een opvallend mooi kuras. (25) Aan de voet van de berg Meru betrad hij het Sukumâra bos alwaar de machtige Heer S'iva geniet met zijn vrouw Umâ. (26) Daar binnengegaan zag Sudyumna, de held die allen de baas was, zichzelf inderdaad in een vrouw veranderen en zijn paard in een merrie, o heerser der mensen [zie ook 5.17: 15]. (27) Zo geschiedde het dat hij met al zijn metgezellen in het andere geslacht veranderde en toen ze elkaar op die manier aanschouwden raakten ze diep in de put.'

(28) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Hoe kan dat gebied een dergelijke kwaliteit bezitten of om welke reden, o machtige, vond dat plaats, hierover zou ik u graag willen zien uitwijden.'

(29) S'rî S'uka antwoordde: 'Ooit kwamen daar in dat bos de grote heiligen op bezoek bij de Heer van de Berg, S'iva; als de besten in de eed hadden ze alle duisternis overwonnen van welke kant ook en zo kwamen ze daar dan aan. (30) Ambikâ [Durgâ] die naakt op de schoot van haar man zat schaamde zich diep toen ze hen zag en snel stond ze op om haar borsten te bedekken. (31) De heiligen die zagen hoe de twee daar van de seks genoten zagen van hun voornemens af en verlieten onmiddellijk die plek om naar de âs'rama van Nara-Nârâyana te gaan. (32) Om die reden zei de machtige heer voor het genoegen van zijn lieveling: 'Een ieder die deze plaats betreedt zal bijgevolg ter plekke in een vrouw veranderen!' (33) Sedertdien betraden met name mannen dat bos niet meer in de buurt waarvan zij [Sudyumna] in het gezelschap van haar metgezellen gedoemd was rond te zwerven. (34) Met haar, de meest opwindende vrouw, op deze manier omringd door andere vrouwen rondhangend in de buurt van zijn âs'rama, begeerde de machtige Budha [de zoon van de maan en de godheid van Mercurius] het haar te genieten. (35) Zij verlangde er ook naar om hem, de mooie zoon van de koning van de maan, als echtgenoot te hebben en zodoende bracht ze van hem een zoon ter wereld genaamd Purûravâ. (36) Op deze manier het tot de vrouwelijkheid hebben gebracht herinnerde Sudyumna, als een koning geboren uit Manu, zich Vasishthha, de geestelijk leraar van de familie, zo heb ik vernomen. (37) Toen die hem in die toestand zag was hij zeer bedroefd en de mannelijkheid verlangend begon hij vanuit zijn genade tot Heer S'ankara [S'iva] te bidden. (38-39) Tevreden met hem, o wetsdienaar, zei hij om zijn woord gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal iedere andere maand een vrouw zijn en met deze regeling mag Sudyumna dan naar wens de wereld regeren.' (40) Met dit ingesteld verkreeg hij door de genade van de âcârya de begeerde mannelijkheid en heerste hij over de wereld, hoewel de burgerij er niet helemaal gelukkig mee was. (41) Van Sudyumna waren er drie zoons die luisterden naar de namen Utkala, Gaya en Vimala, o Koning; zij werden de koningen van de zuidelijke gebieden en waren zeer religieus. (42) Daarna, toen het er de tijd voor was, droeg de meester van het koninkrijk die zo machtig was de wereld over aan zijn zoon Purûravâ en vertrok hij naar het woud.

 

Hoofdstuk 2  

De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Sudyumna, de zoon, aldus zijn lot had aanvaard, volbracht Vaivasvata Manu, in zijn verlangen zoons te krijgen, voor een honderdtal jaren verzakingen aan de Yamunâ. (2) Nadat Manu van eerbetoon was geweest jegens de Godheid, Heer Hari, met de bedoeling nageslacht te verwekken, kreeg hij tien zoons gelijk aan hem van wie de oudste de naam Ikshvâku droeg [zie ook 8.13: 2-3]. (3) Onder de zonen van Manu kreeg Prishadhra van zijn goeroe de opdracht koeien te hoeden en terwille van hun bescherming 's nachts had hij de vîrâsana gelofte afgelegd om ze in het veld te beschermen [zie ook 4.6: 38]. (4) Op een nacht terwijl het regende, drong een tijger het terrein van de koeienschuur binnen en stonden alle koeien die daar lagen, op in angst, zich overal in het veld verspreidend. (5-6) Toen het sterke beest een van hen greep begon die koe uit pijn en angst te schreeuwen. Prishadhra toen hij het geschreeuw hoorde volgde het haastig zijn zwaard ter hand genomen hebbend, maar onder de door wolken bedekte sterren sloeg hij in het donker zonder het te beseffen de koe de kop af haar voor de tijger houdend. (7) De tijger ook geraakt kreeg zijn oor eraf geslagen en ging er toen in grote angst vandoor bloed in zijn spoor achterlatend. (8) Prishadhra, de held die iedereen de baas zou zijn echter, ontdekte, in de veronderstelling dat hij de tijger had gedood, tot zijn ontgoocheling de volgende ochtend dat hij de koe had gedood. (9) De geestelijk leraar van de familie [Vasishthha] vervloekte hem voor de - onopzettelijke - zondige daad met: 'Nu je je gedragen hebt als een s'ûdra, kan je niet langer tot de kshatriya's behoren, en om die reden is het van die onheilige daad je karma er een te worden.' (10) De held aldus vervloekt door zijn goeroe aanvaardde het met gevouwen handen en nam de gelofte van het celibaat op zich zoals goedgekeurd door de wijzen. (11-13) Jegens Vâsudeva de Allerhoogste Heer en Ziel van allen, de Transcendente en Zuivere, was hij, onverdeeld in de geaardheid bhakti, gelijkgezind en liefdevol jegens ieder levend wezen. Bevrijd van gehechtheden, vreedzaam vanbinnen en zelfbeheerst, was hij, niet uit op bezittingen, van een visie waarin hij kon aanvaarden wat er ook maar voor handen was voor zijn lichamelijke behoeften zoals voor het heil van de ziel beschikt door Zijn genade. Altijd met zijn geest gevestigd op het Allerhoogste Zelf vanbinnen, volledig verzonken en bevredigd in spirituele realisatie, trok hij rond door de hele wereld zich voordoend alsof hij doof, stom en blind was. (14) Na in die levensorde het bos te zijn binnengegaan bereikte hij als een heilige het uiteindelijke bovenzinnelijke doel toen hij, geconfronteerd met een bosbrand aldaar, het vuur toestond hem te verteren [zie ook B.G. 4: 9].

(15) Een andere zoon, Kavi [of Vasumân], de jongste, kende geen gehechtheid aan materiële genoegens en nadat hij het koninkrijk van zijn vader op had gegeven ging hij, nog maar een jonge man, in het gezelschap van zijn vrienden het woud binnen en bereikte hij de transcendentale wereld met altijd in zijn hart de stralende Allerhoogste Persoon.

(16) Van de zoon van Manu Karûsha [of Tarûsha] was er een dynastie van kshatriya's genaamd de Kârûsha's die als koningen van de noordelijke gebieden zeer religieuze beschermers van het brahmaanse waren.

(17) Van Dhrishtha [of Shrishtha] kwam een kaste van kshatriya's tot stand die in de wereld, met het bereikt hebben van de positie van brahmanen, de naam Dhârshtha kregen. Van Nriga was er de opvolging van eerst Sumati, toen Bhûtajyoti en daarna Vasu. (18) Van Vasu zijn zoon Pratîka was er een die Oghavân heette ['de ononderbroken traditie'] die de vader was van een andere Oghavân die een dochter had die ook Oghavatî heette. Zij huwde Sudars'ana.

(19) Uit Narishyanta was er Citrasena, Riksha was zijn zoon, en van hem was er Mîdhvân. Mîdhvân's zoon was Pûrna en Indrasena was Pûrna's zoon. (20) Van Indrasena was er Vîtihotra, van hem was er Satyas'ravâ, Urus'ravâ was zijn zoon en van hem werd Devadatta geboren. (21) Devadatta's zoon werd de hoogst machtige Agnives'ya die Agni in eigen persoon was; hij was een maharishi ookwel bekend als Kânîna en Jâtûkarnya. (22) Uit Agnives'ya kwam een dynastie voort van brahmanen die bekend stonden als de Agnives'yâyana's. O Koning, aldus beschreef ik u de nakomelingen van Narishyanta, verneem nu vervolgens over de dynastie van Dishtha.

(23-24) De zoon van Dishtha was Nâbhâga [niet te verwarren met zijn ooms Nâbhaga of de Nâbhâga die ook Nriga werd genoemd]. Hij, verschillend, volgde de roeping van de vais'ya's [kooplieden, zie 7.11: 23]. Zijn zoon was Bhalandana en van hem was er Vatsaprîti. Van hem was er de zoon genaamd Prâms'u en zijn zoon was Pramati. Weet dat Khanitra de opvolger is van Pramati. Hij werd opgevolgd door Câkshusha en zijn zoon Vivims'ati. (25) Vivims'ati's zoon was Rambha en zijn zoon was een zeer religieus iemand genaamd Khanînetra. Van hem was er de nazaat Karandhama, o grote Koning, (26) De laatstgenoemde zijn zoon was Avîkshit en zijn zoon was Marutta die keizer werd. De grote mysticus Samvarta, de zoon van Angirâ, betrok hem in het uitvoeren van een yajña. (27) Het offer van Marutta is nooit geëvenaard, daar alles waar hij gebruik van maakte van goud was en alles wat hij bezat van de grootste schoonheid was. (28) Indra raakte beschonken van het drinken van de soma-rasa, de tweemaal geborenen werden schadeloos gesteld, die der schittering [de Maruts] offerden allerlei voedsel en alle godheden in het universum maakten deel uit van de vergadering. (29) Marutta's zoon was Dama en van hem was er een die de macht had het koninkrijk uit te breiden: Râjyavardhana. Van zijn zoon Sudhriti werd een zoon ter wereld gebracht genaamd Nara. (30) Zijn zoon werd Kevala genoemd en Dhundhumân was de zijne. Van hem kwam er Vegavân en van Vegavân was er Budha wiens zoon Trinabindu was, een grote koning. (31) Alambushâ aanvaardde hem als haar echtgenoot, zij was een godin hem waardig, een meisje uit de hemel en een reservoir van alle goede eigenschappen uit wie een stel zoons en een dochter genaamd Ilavilâ werden geboren. (32) Vis'ravâ, die een heilige en meester was in de yoga die zijn kennis van zijn vader had ontvangen, verwekte in haar Kuvera: hij die de weelde brengt. (33) Van Trinabindu's zoons Vis'âla, S'ûnyabandhu en Dhûmraketu kwam uit Vis'âla, de koning, een dynastie voort en werd er een paleis gebouwd genaamd Vais'âlî. (34) Hemacandra was zijn zoon en Dhûmrâksha was de zijne en van zijn zoon Samyama waren er twee zoons genaamd Kris'âs'va en Devaja. (35-36) Van Kris'âs'va was er een zoon genaamd Somadatta. Hij bereikte door het aanbidden van de Allerhoogste Persoon in een as'vamedha offer voor de beste van allen, de Heer aller Lofprijzingen [Vishnu], de hoogste bestemming waar zich alle grote mystici ophouden. Een zoon van Somadatta genaamd Sumati verwekte er daarna een genaamd Janamejaya. Al deze koningen van Vais'âlî hielden de naam van koning Trinabindu hoog.

 

Hoofdstuk 3  

Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Manu genaamd S'aryâti was een brahmaanse koning en zo ontwikkelde hij zich tot iemand die uitleg verschafte over zaken als de plechtigheden die op de tweede dag in het offerperk van de nazaten van Angirâ moesten worden uitgevoerd. (2) Er was een lotusogige dochter van hem genaamd Sukanyâ die met hem naar het bos ging om de âs'rama van de wijze Cyavana te bezoeken. (3) Toen zij in het gezelschap van haar vriendinnen vruchten en bloemen van de bomen aan het verzamelen was, zag ze in een mierenheuvel een tweetal soort lichtjes schijnen [vergelijk 7.3: 15-16]. (4) Toen het jonge meisje, maar wat proberend, met een doorn in de twee oplichtende dingen prikte, druppelde er bloed naar buiten. (5) De tieners stonden verschrikt als aan de grond genageld zodat de koning, die zag wat zich had voorgedaan, zich tot de verraste kinderen moest richten waar hij voor verantwoordelijk was. (6) 'Helaas, we hebben iets verkeerds gedaan in het benaderen van de verlichte wijze; het moge duidelijk zijn dat met wat een van ons heeft aangericht hier zijn âs'rama is geschonden!'

(7) Bang zei Sukanyâ tot haar vader: 'Ik was het die, niet wetend waar ik mee bezig was, met een doorn in twee lichtende dingen heb geprikt.'

(8) Toen hij zijn dochter dit hoorde zeggen maakte S'aryâti zich er zeer bezorgd over om hem, de wijze die zich in de mierenheuvel bleek op te houden, tevreden te stellen. (9) Doorhebbend wat er nodig was om alles goed te maken schonk hij, er de grootste moeite mee hebbend, zijn dochter weg aan de muni en keerde hij met zijn permissie weer terug naar huis. (10) Sukanyâ nadat ze Cyavana als haar echtgenoot had gekregen had begrip voor hem die nogal knorrig met haar bleef en ze probeerde hem te behagen door hem zonder lichtzinnigheid van dienst te zijn. (11) Maar nadat er enige tijd was verstreken op deze manier bereikten de twee As'vins [de heelmeesters van de hemel] de âs'rama. Nadat hij hun zijn eerbetuigingen gebracht had zei de wijze: 'O Meesters, alstublieft vergun mij de jeugd! (12) Ik beloof u dat ik een vat vol soma-rasa zal offeren - hoewel u geen soma drinkt - geef me enkel de jeugd en schoonheid terug die zo begeerlijk is voor de vrouwen.'

(13) 'Zo zij het' zegden ze toen de geleerde man toe hem in hun rol van de twee grote heelmeesters complimenterend, 'duik enkel in dit meer dat u alle volmaaktheid zal schenken.'

(14) Aldus toegesproken werd de bejaarde met zijn grijze haar, slappe huid en zwakke lichaam waarvan je de aderen kon zien, door de As'vins het meer in geholpen. (15) De drie toen ze weer uit het meer tevoorschijn kwamen waren van de grootst mogelijke schoonheid die maar voor een vrouw aantrekkelijk kon zijn: met lotusbloemenslingers, oorhangers, gelijksoortige trekken en mooie kleren. (16) Toen de jonge schoonheid ze zag kon de kuise vrouw niet uitmaken welke van hen nu haar echtgenoot was daar ze allen evenzo mooi als de zon straalden en dus nam ze haar toevlucht maar tot de As'vins. (17) Verheugd over de kracht van haar geloof toonden ze haar de heilige die haar echtgenoot was en keerden ze, met zijn toestemming, in hun hemelwagen terug naar het hemelrijk. (18) Vertrokken richting Cyavana's âs'rama, met de wens een yajña uit te voeren, zag koning S'aryâti aldus hoe aan de zijde van zijn dochter er een man was die straalde als de zon. (19) De koning toen gunde zijn dochter, nadat ze hem de eer had bewezen, niet zijn zegen daar hij in het geheel niet zo gelukkig met haar bleek: (20) 'Waar denk je nu mee bezig te zijn met het bedriegen van je echtgenoot, die grote wijze die geëerd wordt door alle mensen? Heb je hem, omdat hij gebrekkig is van de ouderdom, o overspelige, en je hem niet zo aantrekkelijk vindt, opgegeven om deze kerel, deze bedelaar, als minnaar te nemen? (21) Ben je je verstand kwijt? Jij, het houdend met deze minnaar, als dochter uit de meest gerespecteerde familie, bent een schandvlek voor de gehele dynastie; jij, zo schaamteloos, doet je vader zowel als je echtgenoot in het diepste duister belanden.'

(22) Kuis lachend gaf ze haar vader die haar aldus terecht wees ten antwoord: 'O vader hij hier is uw schoonzoon, de zoon van Bhrigu!'

(23) Ze beschreef haar vader alles over hoe hij was veranderd van leeftijd en schoonheid waarop hij toen uiterst verheugd en verrast gelukkig zijn dochter omhelsde. (24) Cyavana Muni stelde bij de genade van zijn eigen vermogen de grote man er toe in staat het soma offer te brengen, waarbij hij de As'vins, die er geen interesse in hadden het te drinken, een vat vol van de soma-rasa leverde. (25) Hoogst verstoord nam Indra om hem ter dood te brengen, heetgebakerd, terstond zijn bliksemstraal ter hand maar de man van Bhrigu verlamde de arm van Indra die de bliksemschicht vasthield. (26) Met de instemming van al de halfgoden was er van toen af aan voor de As'vins, die als artsen voordien een aandeel in de soma-yajña was ontzegd, het vat vol met soma.

(27) Uttânabarhi, Ânarta en Bhûrishena waren S'aryâti's drie zonen en verwekt door Ânarta werd Revata geboren. (28) Hij, nadat hij in de diepte van de oceaan een stad had gebouwd genaamd Kus'asthalî, leefde een materieel gelukkig leven en heerste over koninkrijken als Ânarta en anderen, o onderwerper der vijanden, en zijn honderd zonen waarvan de oudste Kakudmî was werden geboren als degenen die [na hem] aan de macht zouden zijn. (29) Met het doel een echtgenoot te bedingen voor zijn dochter leidde Kakudmî zijn dochter Revatî voor aan Heer Brahmâ in zijn streven te ijveren voor zijn verblijf voorbij de geaardheden. (30) Omdat hij druk was te genieten van het spel van de muzikanten van de hemel had hij geen seconde tijd voor hem maar toen dat was afgelopen kon Kakudmî Heer Brahmâ zijn verlangen voorleggen onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (31) De almachtige Heer moest lachen over wat hij te horen kreeg en zei tot hem: 'Helaas, o Koning, in de loop van de tijd, zijn al degenen die u graag in uw hart had willen sluiten verdwenen! (32) We vernemen niet langer over de zoons, de kleinzoons, de nazaten en de geslachten, daar een tijdsspanne van drie maal negen mahâ-yuga's is verstreken! (33) Zoek derhalve naar Baladeva, Hij is de grootheid van de macht van wie Heer Vishnu een volkomen deelaspect is, en schenk Hem, de Uitnemendheid van de Mens, deze schone dochter o Koning. (34) De Allerhoogste Heer, de Eeuwige Barmhartigheid die de last der wereld wegneemt, de Deugd van het luisteren en zingen, is nu nedergedaald met alles wat bij Hem hoort.' [zie ook 5.25] (35) Met die opdracht keerde de koning, nadat hij de Ongeborene zijn respect had betoond, terug naar zijn eigen woonplaats die door zijn broers was verlaten; zij hadden zich bevreesd voor de mensen van verdienste in alle richtingen verspreid. (36) Nadat hij zijn volmaakt geschapen dochter aan de meest machtige, Heer Baladeva, had overgedragen ging de koning ter wille van zijn boetedoeningen naar Badarikâs'rama, de plaats van Nara-Nârâyana.  

 

Hoofdstuk 4

Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni  

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhâga, de geleerde jongste zoon van Nâbhaga [zie 9.1: 11-12, niet de oom die ook wel Nriga heet, noch de Nâbhâga van Dishtha, zie 9.2: 23] ontving, terugkerend van een celibatair bestaan, [als zijn aandeel] de vader toen de oudere broers het bezit verdeelden [onder elkaar].

(2) 'O, mijn broeders' [zei hij] 'Wat is het aandeel waar jullie mij mee bedacht hebben?'

'We wijzen je onze vader toe als het jouwe.' [gaven ze ten antwoord].

[Hij zei toen tegen zijn vader:] 'O vader, mijn oudere broers hebben me niet mijn aandeel gegeven!'

[De vader gaf daarop ten antwoord:] 'Mijn zoon, sla daar geen acht op! (3) Al deze zo heel intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] zijn vandaag een offer aan het brengen maar iedere zesde dag na zo'n dag zullen ze, o geleerde zoon, door hun karma in onwetendheid vervallen. (4-5) Jijzelf, reciteer voor al die grote zielen, twee vedische hymnen met betrekking tot de God van het Universum zodat, nadat ze weer met hun eigen zaken bezig zijn, ze je de weelde zullen geven van wat overbleef van het offeren van hun eigendom; ga daarom naar hen toe.'

Hij deed toen wat zijn vader hem had gezegd en zo gaven ze hem wat er van de yajña was overgebleven toen ze naar hun eigen hemelse plaatsen terugkeerden. (6) Terwijl hij zijn rijkdommen bijeengaarde zei een zwart eruitziende persoon die uit het noorden was aangekomen tegen hem: 'Al deze rijkdommen die van het offer over zijn gebleven zijn de mijne!'

(7) [Hij antwoordde:] 'Ze zijn allemaal van mij, de wijzen hebben ze aan me overgedragen!'

[De zwarte man zei:] 'Laten we wat dit betreft ons wenden tot de zoon van Manu, uw vader en het hem vragen', en zo deed hij navraag bij zijn vader zoals was voorgesteld.

(8) [Vader Nâbhaga zei] 'Alles dat behoort tot het offerperk, en dat soms overblijft wordt door de wijzen apart gezet als een aandeel voor Heer S'iva; hij is de halfgod die het allemaal verdient.'

(9) Nâbhâga bracht hem [S'iva] zijn eerbetuigingen en zei: 'Zoals mijn vader het zei: het is van u, o Heer, en evenzo voorzeker alles wat behoort tot het offerperk - o u die er van Brahmâ bent [zie 3.12: 6-14], laat me voor u mijn hoofd buigen, ik biedt u mijn verontschuldigingen aan.'

(10) [Heer S'iva zei:] 'Alles wat uw vader zei is waar en ook is wat u zegt de waarheid; laat mij, de kenner der mantra's, u de spirituele kennis vergunnen die bovenzinnelijk en eeuwig is. (11) Neemt u alstublieft al de rijkdommen; ik schenk u alles aan mij werd geofferd', en aldus gesproken hebbende, verdween Rudra, de grote heer en bewaker van het dharma. (12) Een ieder die in de ochtend en in de avond met grote zorg zich dit herinnert wordt geleerd: gelijk een zelfverwerkelijkte ziel zal hij een kenner van de mantra's en de bestemming zijn. (13) Door Nâbhâga kwam de meest hoogstaande en gevierde toegewijde Ambarîsha ter wereld; een vloek van een brahmaan tegen hem faalde: die kon hem nooit raken.'

(14) De koning zei: 'O heer, ik zou graag over hem vernemen, die koning die een dermate nuchtere persoonlijkheid was dat de zo onoverkomelijke macht van een brahmaanse maatregel geen effect op hem had.'

(15-16) S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, de man van het grote geluk, meende, na op deze aarde bestaande uit de zeven continenten een onbegrensde weelde te hebben vergaard, dat alles wat door menig leider zo zelden wordt verkregen is als de rijkdom die men zich voorstelt in een droom: bij zinnen gekomen is het allemaal verdwenen; het vormt de reden waarom een mens in onwetendheid beland. (17) Jegens Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, jegens de toegewijden alsook jegens de heiligen was hij als iemand die de eerbied en de toewijding had bereikt in het bovenzinnelijke waarvan men dit ganse universum houdt voor iets dat zo onbeduidend is als een stuk steen. (18-20) Hij was er zeker van zijn geest te vestigen op de lotusvoeten van Krishna, zijn woorden op de beschrijving van de kwaliteiten van Vaikunthha, zijn handen op dingen als het reinigen van de Heer Zijn tempel en zijn oren te zetten naar de Onfeilbare. Luisterend naar de bovenzinnelijke gesprekken, zijn ogen gebruikend om de beeltenissen, de tempels en de gebouwen van Mukunda te aanschouwen, fysiek in contact staand met de lichamen van de toegewijden, de geur van de tulsîblaadjes op te snuiven aan de lotusbloem van Zijn voeten, om op zijn tong het voedsel te hebben aan Hem geofferd, om met zijn benen zich te bewegen naar de heilige plaatsen van de Heer, om zijn hoofd te buigen voor de voeten van Hrshîkes'a, om zijn zinnen er meer naar te zetten een dienaar te zijn dan zijn zinnen te bevredigen, was hij als die ene man [Prahlâda] die zijn toevlucht zoekt bij de Heer Verheerlijkt in de Geschriften. (21) Aldus in de hem voorgeschreven verplichtingen altijd van opoffering voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke van het Offer, de Allerhoogste Heerlijkheid en Hij die Zich Bevind Voorbij de Zinnen, beoefende hij al de verschillende vormen van liefde voor de Ware van de Ziel en bestuurde hij, op aanwijzing van de Heer Zijn getrouwen der geleerdheid, deze planeet aarde in het verleden [zie ook 5.18: 12 en B.G. 5: 29]. (22) In paardoffers uitgevoerd door brahmanen als Vasishthha, Asita en Gautama, aanbad hij, overal waar de rivier de Sarasvatî door de woestijngebieden stroomde, de Heer van het Offer, de Allerhoogste Beheerser, met grote weelde en met al de voorgeschreven parafernalia en schadeloosstellingen. (23) De getrouwen der boete en de deskundigen die als de deelnemers aan de offerande voor hem als de priesters waren belast met het uitvoeren van de offerplechtigheid, werden, tot in de puntjes gekleed, gezien als de nimmer met hun ogen knipperende halfgoden. (24) Het hemels bestaan zo dierbaar voor zelfs de halfgoden, was niet iets dat werd nagestreefd door zijn burgerij die het gewoon was te luisteren naar en te zingen over de heerlijkheden van Uttamas'loka, de Heer Geprezen in de Geschriften. (25) Omdat zulke strevingen niet bevorderlijk zijn voor het geluk van hen die voldaan zijn in hun oorspronkelijke positie van dienst verlenen, zijn de personen die het zo gewend zijn Mukunda in hun harten te hebben, zelden uit op de perfecties van de groten [zie siddhi's]. (26-27) Hij, de koning, van de bhakti-yoga en tegelijkertijd van de verzaking, gaf, in zijn authentieke handelingen jegens de Heer alle soorten van verlangens bevredigend, op deze manier het geleidelijk op zijn geest te richten naar het onware dat men aantreft in een thuis, de echtgenote, in kinderen, in vrienden en verwanten, een goede olifant, een mooie wagen, fijne paarden en in duurzame goederen als juwelen, sieraden, een uitdossing en dergelijke en een nimmer lege schatkist. (28) Tevreden over zijn zuivere toegewijde dienst schonk de Heer voor de bescherming van de toegewijden hem Zijn cakra die zo bedreigend is voor hen die tegenstand bieden [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31]. (29) Ernaar strevend met zijn evenzo geschikte koningin samen Krishna te vereren, legde de koning de gelofte van dvâdas'î af [vasten op bepaalde maankalender-dagen] voor een heel jaar. (30) Toen hij eens aan de oever van de Yamunâ was nam hij, aan het einde van zijn gelofte, in de maand Kârtika [okt. - nov.] voor een drietal nachten een volledig vasten in acht waarna hij een bad nam en de Heer in Madhuvana vereerde [een deel van het Vrindâvana gebied]. (31-32) Naar de regels van het baden van de beeltenis [mahâbhisheka] met alle benodigdheden voor de verering - mooie kleding en sieraden, geurige bloemenslingers en andere middelen van aanbidding - deed hij de pûjâ met een geest vervuld van goddelijke liefde in bhakti jegens het hoogst fortuinlijke van Kes'ava en de brahmanen, met wiens vrede hij evenzo vredig werd. (33-35) De brahmanen, de geleerden die bij hem thuis waren gearriveerd, voedde hij, de tweemaal geborenen voorop, rijkelijk met het meest hemelse, kostelijke voedsel na eerst zestig croren fraai versierde, jonge en prachtige koeien te hebben weggeschonken met goud bedekte hoorns en zilver beslagen hoeven, volle uiers en extra kalveren aan hun zijde. Toen hij naar volle tevredenheid en met hun instemming het vasten beëindigde en er juist toe was aan de afsluitende ceremonie te volbrengen werden ze opeens geconfronteerd met een onverwacht bezoek van de machtige wijze Durvâsâ. (36) Hoewel hij onuitgenodigd kwam opdagen betoonde de koning hem zijn respect door op te staan en hem een zitplaats aan te bieden, en vroeg hij hem met alle eerbied ten voeten gevallen of hij misschien iets wilde eten. (37) Gretig ging hij op zijn verzoek in en ging om de noodzakelijke rituelen op te voeren naar de Yamunâ om een duik te nemen in het zegenrijke water en te mediteren op het Allerhoogste Brahmân. (38) Dat, met minder dan een uur nog over voor het beëindigen van het in acht genomen dvâdas'î vasten, deedde koning zich met de tweemaal geborenen afvragen wat nu het juiste idee van het dharma zou zijn in de precaire situatie waarin hij was beland: (39-40) 'Erin mislukken de brahmaanse wijze te respecteren is een overtreding zowel als het niet op het juiste tijdstip beëindigen van het dvâdas'î vasten; wat kan je nu het beste doen, wat is nu in strijd met de religie en wat niet? Laat me daarom enkel water beroeren zodat ik op de juiste manier mijn gelofte kan afronden, aangezien, o weledelen, gezegd wordt dat de daad van het drinken van water feitelijk zowel een vorm van eten is als van niet eten.'

(41) De grote koning, na aldus water te hebben gedronken, wachtte, met zijn geest ingesteld op de Onfeilbare, de terugkeer af, o beste der Kuru's, van hem, de brahmaanse mysticus. (42) Toen Durvâsâ klaar was met zijn rituelen aan de oever van de Yamunâ en terugkeerde werd hem door de koning een goede ontvangst geboden maar hij wist met zijn inzicht te achterhalen wat zich had voorgedaan. (43) Boos geworden en over zijn gehele lijf trillend, met zijn gezicht verwrongen en fronsend, en dorstend naar actie, richtte hij zich tot de overtreder die daar met gevouwen handen stond. (44) 'Helaas, heeft deze mijnheer hier, deze 'liefde van iedereen', gek van zijn weelde, voor het oog van iedereen, gebroken met het dharma; in het geheel geen toegewijde van Vishnu, denkt hij dat hij de Beheerser Zelve is! (45) Deze man heeft jegens mij, die hier onverwacht aankwam, na mij te verwelkomen als zijn gast voedsel tot zich genomen zonder mij ervan te geven: ik zal hem nu direct laten zien wat voor repercussies dat heeft.'

(46) Zich aldus uitdrukkend trok hij, rood van woede, zich een bos haar uit zijn hoofd en schiep hij daaruit een demon die verscheen als het vuur aan het einde der tijden. (47) Toen de demon op hem af kwam met een drietand laaiend van vuur in zijn hand en een tred die de aarde deed schudden, bewoog de koning, die hem recht voor zich zag, zich geen centimeter van zijn plaats [vergelijk 6.17: 28]. (48) Zoals het door de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Superziel was voorbeschikt ter bescherming van Zijn toegewijden, verbrandde de cakra [die Ambarîsha had gekregen, zie vers 28] als een vuur dat nijdige serpent van een gekunstelde duivel tot as [zie ook B.G. 18: 66]. (49) Ziend hoe de werpschijf in zijn richting bewoog en hoe zijn eigen pogen had gefaald, zocht Durvâsâ om zijn leven te redden in grote angst verzet een heenkomen in alle richtingen die hij maar wist. (50) Als een slang achtervolgd door een hoog oplaaiende, ziedende bosbrand rende de muni, die zag hoe de werpschijf, dat wiel van de Heer Zijn wagen, hem in de rug brandde, snel naar de berg Meru om daar een grot binnen te gaan. (51) Maar in welke richting hij zich ook wegvluchtte, in de hemel, op het aardoppervlak, in grotten, in de zeeën, in alle plaatsen schuilend bij alle heersers over de drie werelden - waarheen hij zich ook begaf, zag Durvâsâ zich geplaatst voor het acute van Zijn zo angstwekkende aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra]. (52) Zonder de toevlucht van een beschermer was hij overal, met een constante vrees in het hart, op zoek naar iemand die hem bescherming kon bieden. Ten leste benaderde hij Heer Brahmâ: 'O mijn Heer, o Zelfgeborene, bescherm me tegen het vuur op mij losgelaten door de Onoverwinnelijke.'

(53-54) Heer Brahmâ zei: 'Als de Allerhoogste Heer klaar is met Zijn spel en vermaak zal, volgend op Zijn verlangen het in de vorm van de tijd te verzengen, met een enkele beweging van Zijn wenkbrauwen de plaats waar ik me bevind, mijn verblijf, tezamen met dit hele universum, na één dag van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33], daadwerkelijk worden verslagen. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en anderen onder hun leiding, de heersers over de mens, de levende wezens en de halfgoden - wij en allen door ons geleid, die voor het heil van alle levende wezens ons hoofd buigen overgegeven aan de beginselen die ons leven beheersen, handelen naar Zijn wilsbeschikking.'

(55) Afgewezen door Heer Brahmâ zocht Durvâsâ, verschroeid door de cakra, zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailâsa verblijft [Heer S'iva]. (56) S'rî Sankara zei: 'Wij in verhouding tot de Allerhoogste schieten tekort in macht, mijn beste - met ons ronddraaiend in Hem, de Verhevenheid, kunnen [Ik en] de andere levende wezens tot aan de Ongeborene, Heer Brahmâ, toe en ook de universa niet, zich die macht eigen maken; inderdaad kunnen wij en al de duizenden en miljoenen van onze werelden zich in die mate ontwikkelen. (57-59) Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige] en Marîci, en de anderen volkomen in de kennis aangevoerd door hen, hebben de grenzen ontdekt van alle weten, maar geen van ons is in staat zijn illusiewekkende energie en dat wat er door overdekt wordt volledig te doorgronden. De beheerser van het universum Zijn wapen [de cakra] is daadwerkelijk zelfs voor ons moeilijk te hanteren en derhalve moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die in Zijn goedgunstigheid niet zal falen.'

(60) Teleurgesteld ging Durvâsâ daarna naar de Allerhoogste Heer Zijn plaats die bekend staat als Vaikunthha alwaar Hij als S'rînivâsa, de Meester van het Verblijf, zich constant ophoudt met de Godin van het Geluk. (61) Verschroeid door het vuur van het onoverwinnelijke wapen viel hij neer aan Zijn lotusvoeten trillend over zijn gehele lijf en zei hij: 'O Onfeilbare en Onbegrensde, o Verlangen der Heiligen, o Meester bescherm mij, deze grote overtreder, o Weldoener van het Ganse Universum! (62) Geen weet hebbende van Uw ondoorgrondelijke vermogen heb ik een grote overtreding begaan aan de voeten van een van hen die Uwe Heerlijkheid dierbaar zijn; alstUblieft wees zo genadig alles te doen wat maar noodzakelijk is om een overtreding als deze tegen te gaan o Vidhâta, Heer der Regulatie, bij wiens naam, eenmaal opgewekt, zelfs een persoon bestemd voor de hel zijn bevrijding kan vinden.'

(63) De Allerhoogste Heer zei: 'Zo is het precies o tweemaal geborene, Ik heb geen wil voor Mezelf, Ik ben waarlijk volledig betrokken bij Mijn toegewijden; omdat ze toegewijden zijn wordt Mijn hart beheerst door de geheiligden en door hen die die bhakta's dierbaar zijn. (64) Ik als hun uiteindelijke bestemming ben, zonder Mijn geheiligde toegewijden, niet te vinden voor de gelukzalige essentie of het Allerhoogste van Mijn vormen van weelde [zie om pûrnam]. (65) Hun vrouw, huis, kinderen, verwanten, hun hele hebben en houden - als zij jegens Mij voor de Transcendentie dit alles eraan gaven met het nemen van hun toevlucht, hoe kan Ik dan uit zijn op dergelijke zaken en hen de rug toekeren? (66) Zoals een kuise vrouw een zachtaardige echtgenoot beheerst, hebben de geheiligden, zuiver en gelijkgezind [zie ook 7.9: 43], met hun harten stevig verankerd in Mij, met het zich instellen op hun toegewijde dienst, Mij onder controle. (67) In Mijn dienst bereiken ze vanzelf de vier vormen van bevrijding en talen ze, eenvoudig dienend, niet naar de volkomenheid [de pûrnam] zodat er geen sprake is van andere zaken: in de loop van de tijd zijn ze die te boven gekomen. (68) De geheiligden bevinden zich altijd in Mijn hart en Ik ben waarlijk altijd in hun harten aanwezig; zij kennen niets buiten Mij en Ik koester niet de geringste belangstelling buiten hen [zie ook B.G 9: 29]. (69) Laat me u zeggen hoe u uzelf in dezen moet beschermen, o geleerde, luister enkel naar wat Ik zeg: met dit optreden van u bent u uw eigen vijand geworden; verdoe nu niet langer uw tijd en begeef u terstond naar hem [Ambarîsha] door wie dit alles zich afspeelde - u ziet: de macht ingezet tegen de toegewijde is schadelijk voor hem die hem toepast. (70) Boete en kennis zijn de twee oorzaken van de verheffing der geschoolden, maar in de praktijk gebracht door een opstandig iemand leiden ze tot precies het tegenovergestelde. (71) O brahmaan, ga derhalve naar de koning, de zoon van Nâbhâga, om hem, de grote persoonlijkheid, tevreden te stellen - dan zal er vrede zijn.'    

 

Hoofdstuk 5

Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

(1) S'rî S'uka zei: 'Durvâsâ [wat betekent: 'de moeilijkheid van het ergens verblijven'] die, geplaagd door de cakra, er aldus door de Heer toe was opgedragen, benaderde Ambarîsha en greep zwaar bedrukt zijn voeten beet. (2) Hem met die praktijk bezig ziend schaamde Ambarîsha zich ervoor dat hij zijn voeten beroerde en zodoende bracht hij, met zijn genade in verlegenheid, gebeden aan het wapen van de Heer [zie ook 6.8: 23]. (3) Ambarîsha zei: 'U bent het vuur, de allerhoogste macht van de zon en de maan bent u, u bent de meester van al de hemellichten, de wateren, de aarde, de hemel, de lucht en de zinnen en hun voorwerpen. (4) O acute aanwezigheid en gunstige aanblik [ofwel Sudars'ana], mijn eerbetuigingen aan u met uw duizenden spaken, o liefde van de Onfeilbare, u bent de ondergang van alle wapens, wees deze brahmaan goedgezind, o meester over de wereld. (5) U bent het dharma, de oorspronkelijke natuur en religie, u zet aan tot de uitdrukkingen van de Uiteindelijke Waarheid, u bent in alle opzichten de genieter van de resultaten van de offers en handhaaft de verscheidenheid der werelden; de alles doorvarende almacht bent u van de Bovenzinnelijke Persoonlijkheid. (6) Alle respect voor u, het gelukbrengend centrum van de omwentelingen, de maat voor de ganse natuur, die inderdaad is als een kwaad voorteken voor de onverlichte zielen die het stellen zonder de religie; de handhaver van de drie werelden bent u, de opperste goedheid tewerk gaand met een wonderbaarlijke uitstraling die zo snel is als de geest die ik tracht te verwoorden. (7) Door uw kracht alle religiositeit dragend wordt de duisternis verdreven en zijn alle richtingen verlicht; voor de grote persoonlijkheden zijn uw heerlijkheden onoverkomelijk, o meester der spraak, uw manifestatie omvat het gemanifesteerde en niet-gemanifesteerde, het hogere en het lagere. (8) Als u door de Transcendentale Persoonlijkheid bent afgestuurd op de strijders van de Daitya's en Dânava's, o onvermoeibare, doorklieft u, zich ophoudend op het slagveld, zonder ophouden hun armen en rompen, dijen en onderbenen. (9) Voor de geschoolde ziel die ik ben, is uw goede zelf, o beschermer van het universum, degene die, ertoe gemachtigd door de Volle Autoriteit van de Strijdknots, zich bezighoudt met het bezorgen van de nederlaag; mogen wij alstublieft de gunst van uw goede daden genieten voor het heil van onze dynastie? (10) Als er liefdadigheid is, de verering van de beeltenis en de plichten naar behoren zijn nageleefd; als op onze dynastie de zegen rust van de geleerden, laat deze tweemaal geboren ziel er dan vrij van zijn met u [af] te branden. (11) Als met ons de ene Opperheer, het reservoir van alle eigenschappen en het leven en de ziel van alle levende wezens, tevreden is gesteld, mag deze tweemaal geborene dan het vuur bespaard blijven?'

(12) S'rî S'uka zei: 'Toen het schijfwapen van Vishnu genaamd de Sudars'ana alsdus werd verheerlijkt door de koning, hield het als gevolg van zijn smeekbeden ermee op de geleerde op alle mogelijke manieren in het nauw te drijven. (13) Hij, Durvâsâ, bevrijd van de hitte van het vuur van het wapen prees toen hoogst voldaan hem, de heerser over de aarde, de koning die hij zegende met alle heilswensen. (14) Durvâsâ zei: 'Van welk een grootheid mag ik vandaag getuige zijn met de dienaren van de Eeuwige; ondanks het kwaad dat ik begaan heb hebt u, o Koning, gebeden voor mijn goede geluk! (15) Wat zou er ook moeilijk zijn of onmogelijk te verzaken voor die geheiligde, grote zielen, die personen die de leider bereikten, Hari, de Allerhoogste Heer van de toegewijden. (16) Wat valt er voor toegewijden nog meer te doen als door het eenvoudig aanhoren van de heilige naam van Hem wiens lotusvoeten de heilige plaatsen zijn, een persoon gezuiverd raakt? (17) O Koning, u zo hoogst genadig was mij, zelfbeheerst met mijn overtredingen, zeer gunstig gezind en hebt mij zo het leven gered.'

(18) De Koning, die zijn terugkeer al vastend had afgewacht, was vol van genade voor hem in ieder opzicht en wilde graag zijn voeten zoeken door hem rijkelijk te spijzen. (19) Hij nadat hij gegeten had van het uitgelezen voedsel dat, beantwoordend aan iedere smaak, werd gegeven met het grootste respect, zei aldus volledig bevredigd tot de koning: 'Alstublieft, eet u met me mee', en gaf op deze manier blijk van zijn zorg. (20) [Hij vervolgde:] 'Ik ben er zeer gelukkig mee zo goed te zijn bedacht met de zuiverheid van uw toewijding; waarlijk ben ik, u ziend, uw voeten beroerend, met u converserend, en van uw gastvrijheid genietend, zeer verplicht aan u. (21) De zuiverheid van de dingen die u gedaan hebt zal voor altijd door de schonen van de hemel worden bezongen; de hele wereld zal het nooit moe zijn de loftrompet te steken over de heerlijkheid van uw hoogste deugd!'

(22) S'rî S'uka ging verder: 'Aldus de koning verheerlijkend nam Durvâsâ, die in ieder opzicht tevreden was, afscheid om vandaar te vertrekken en bereikte hij opstijgend naar de hemel de verblijfplaats van Brahmâ alwaar geen nevenmotief standhoudt. (23) Een heel jaar was verstreken en voor de tijd dat de grote muni niet was teruggekeerd had de koning, die hem graag weer wilde terug zien, zichzelf gehouden aan het enkel drinken van water. (24) Op Durvâsâ's terugkeer toen gaf Ambarîsha hem toen het beste voedsel te eten dat er maar te krijgen was en geschikt zou zijn voor een tweemaal geborene en zag hij in, met voor ogen hoe de wijze bevrijd was geraakt van de zonde, dat hij zijn kracht te danken had aan zijn toewijding voor het Allerhoogste [zie ook B.G. 6: 47]. (25) Aldus gezegend met alle goede kwaliteiten was de koning van toewijding voor de Superziel, de Allerhoogste Geest en voor Vâsudeva met de vele plichten die hij in acht nam, met hen altijd in gedachten houdend dat met wat men ook doet van de hoogste positie in de hemel tot aan de laagste in de hel men goed op moet letten [wat het verschil is tussen dat wat naar de letter is en dat wat naar de geest is; vergelijk: 6.17: 28].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, die als de wijste zijn koninkrijk verdeelde onder zijn evenzo gekwalificeerde zoons, ging aldus het woud in zijn geest richtend op het Ware Zelf van Vâsudeva en overwon zo de golven [de guna's] van de materiële oceaan. (27) Door het reciteren van of regelmatig mediteren op dit vrome verhaal kan men een toegewijde worden van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (28) Een ieder die verneemt over het karakter van deze grote ziel Ambarîsha zal eenvoudig door de bhakti bij genade van Vishnu vorderen naar het doel van de bevrijding.'

 

Hoofdstuk 6

De Val van Saubhari Muni

(1) S'rî S'uka zei: 'De drie zoons van Ambarîsha [zie voorgaande hoofdstukken] waren Virûpa, Ketumân en S'ambhu; van Virûpa was er Prishadas'va en van hem was er een zoon genaamd Rathîtara. (2) Rathîtara had geen zoons en alzo werd [de wijze] Angirâ verzocht kinderen bij zijn [Rathîtara's] vrouw te verwekken, hetgeen leidde tot de geboorte van ['kshetra jâta'-] zonen met brahmaanse kwaliteiten. (3) Zij weer waren allen zoons van Rathîtara, het gezinshoofd, daar zij, geboren uit zijn echtgenote, inderdaad deel uitmaakten van de familie, maar ze werden herinnerd als de dynastie van Angirâ en dubbel-geboren [van gemengde kaste] genoemd aangezien ze werden geboren van dat veld [of: ksetra]. (4) Toen Manu eens moest niezen werd uit zijn neusgaten de zoon Ikshvâku geboren [zie ook 8.13] en van zijn honderd zonen waren Vikukshi, Nimi en Dandakâ de meest vooraanstaande. (5) Vijfentwintig van hen werden koningen in Âryâvarita in het oosten [in het Himalaya- en Vindhyagebergte], o Koning, zoals ook [vijfentwintig anderen dat werden] in het westen [van dat gebied], drie heersten over het middengebied, terwijl de anderen heersten over andere plaatsen. (6) Hij, koning Ikshvâku, gaf zijn zoon eens tijdens een ashthakâ-s'râddha [offers aan de voorvaderen gebracht in januari, februari en maart] de opdracht: 'Breng me zuiver vlees [van de jacht] o Vikukshi, en ga er nu meteen op uit, zonder te dralen'.

(7) Aldus ging hij daartoe naar het bos om dieren te doden die geschikt waren voor de offerandes, maar toen hij vermoeid en hongerig was at de held vergeetachtig [zonder zich te realiseren dat het vlees bestemd was voor het offer] een konijn [zie voetnoot *] (8) Wat er over was bood hij zijn vader aan die op zijn beurt hun goeroe [Vasishthha] vroeg het te zuiveren en die gaf ten antwoord: 'Dit alles is bezoedeld en voor gebruik ongeschikt.'

(9) Door de geestelijk leraar verwittigd wist de heerser wat zijn zoon had gedaan en zodoende verdreef hij, er kwaad over dat hij de vidhi had geschonden, zijn zoon uit het land. (10) Hij, er in de discussies met de geleerde die hij als zijn leermeester had toe aangezet, gaf toen in overeenstemming met die kennis [van de Absolute Waarheid die hij zo verkreeg], als een yogi zijn voertuig van de tijd op en bereikte zo de allerhoogste positie. (11) Op de troonsafstand van zijn vader keerde Vikukshi terug om te heersen over deze planeet de aarde, met verschillende yajña's de Heer aanbiddend, en stond alzo bekend als S'as'âda ['de konijnen-eter']. (12) Purañjaya ['de veroveraar van de hoofdstad'] was zijn zoon. Hij stond ook wel bekend als Indravâha ['gedragen door Indra'] en Kakutstha ['hij die op de bult van een stier zit']. Verneem nu over wat hij deed om deze namen te krijgen. (13) Er had zich een alles vernietigende oorlog voorgedaan, een strijd tussen de goddelijken en de Dânava's, waarin hij, van de grootste hulp, zich voor de godvrezenden opwierp als een held in het overwinnen van het demonische. (14) Bij monde van de God der Goden Heer Vishnu, de Superziel en Meester van de Ganse Schepping, raakte Indra betrokken in zijn dienst als zijn draagdier, als een grote stier. (15-16) Hij, met alle lof en goed toegerust, besteeg hem met een eerste klas boog de scherpste pijlen ter hand nemend en nam op de bult plaats, klaar om te vechten. Begunstigd door de macht van Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon en Superziel, nam hij, omringd door de dienaren van de hemel, in de westelijke richting de daitya hoofdstad in. (17) Tussen hen en hem vond een veldslag plaats die zo gewelddadig was dat het de haren te berge deed rijzen te horen hoe hij in de strijd naar voren trad en de Daitya's met zijn pijlen naar Yamarâja stuurde. (18) Geconfronteerd met zijn regen van pijlen zo vernietigend als het vuur aan het einde der tijden, gaven de Daitya's allen tezamen hun aanval op en gingen zij die nog niet waren gedood er vandoor naar hun eigen plaatsen. (19) Over hen zegevierend droeg hij, de wijze koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra] en werden hem aldus de namen verleend.

(20) Van Purañjaya werd een zoon geboren genaamd Anenâ, zijn zoon was Prithu en de zoon die hij had heette Vis'vagandhi die op zijn beurt weer een zoon had genaamd Candra wiens zoon Yuvanâs'va werd genoemd. (21) S'râvasta was zijn zoon en hij bouwde een stad genaamd S'râvastî; door S'râvasta werd toen Brihadas'va verwekt en van hem was er Kuvalayâs'va. (22) Hij was het die van een grote macht, tezamen met de eenentwintigduizend zonen die hem omringden, voor het genoegen van de wijze Utanka een demon ter dood bracht genaamd Dhundhu. (23-24) Hij stond aldus bekend als Dhundhumâra [de doder van Dhundhu]. Op drie na waren alle zoons verbrand door het vuur uit de mond van Dhundhu. De enigen die in leven bleven waren Dridhâs'va, Kapilâs'va en Bhadrâs'va, o zoon van Bharata. Dridhâs'va's zoon was Haryas'va en de beroemde Nikumbha was zijn zoon. (25) Nikumbha's zoon was Bahulâs'va en Kris'âs'va was de zijne. Na hem was er Senajit van wie Yuvanâs'va ter wereld kwam. Yuvanâs'va had geen zoons en trok zich [samen met zijn echtgenotes] terug in het woud. (26) Aldaar tezamen met zijn honderd vrouwen was hij terneergeslagen zodat de wijzen allergenadigst met hem met de grootste zorg een begin maakten met een [vruchtbaarheids-] ceremonie die bekend staat als de Indra-yajña. (27) Hij op een nacht zeer dorstig ging het offerperk binnen en dronk, toen hij zag dat al de brahmanen lagen te slapen, zelf van het ingezegende water [in plaats van het voor zijn vrouwen te bewaren]. (28) Toen de rest wakker was en vervolgens de waterpot leeg aantroffen, o prabhu, vroegen ze wie er verantwoordelijk was voor het drinken van het water dat bestemd was voor het krijgen van een kind. (29) Toen ze begrepen dat het bij goddelijke beschikking was opgedronken door de koning baden ze allen tot de Allerhoogste Heerser zeggend: 'Helaas, het is de macht van God die de dienst uitmaakt!' (30) Zo opende, wonder boven wonder, daarop toen de tijd er rijp voor was, zich de onderbuik van koning Yuvanâs'va aan de rechterzijde en kwam er een zoon ter wereld met alle goede kenmerken van een koning. (31) Wie moest nou het kind de borst geven? Het huilde er dorstig zo hard om dat koning Indra zei: 'Huil niet mijn kind, drink maar van mij' en bood het toen zijn wijsvinger om op te zuigen. (32) De vader stierf dankzij de genade van de godgeleerden niet als gevolg van de baby die hij ter wereld bracht. Yuvanâs'va bereikte daarna de volmaaktheid zijn tapas doend op diezelfde plek. (33-34) Mijn beste koning, Indra gaf het kind de naam Trasaddasyu ['de vrees van het boeventuig'], en voor hem waren inderdaad schurken als Râvana en dergelijken, hoogst bevreesd. Aldus heerste Yuvanâs'va's zoon Mândhâtâ bij de macht van de Onfeilbare over het oppervlak van de aarde met haar zeven continenten als haar ongeëvenaarde meester. (35-36) Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van het ware zelf Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel boven de zinnelijkheid van iedereen, in groots opgezette erediensten die werden bijgewoond door al de godvruchtigen en waarbij hij grote sommen geld wegschonk. Alle benodigdheden, de mantra's en de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder en de priesters met al het dharma van tewerk gaan naar plaats en tijd, droegen er allemaal toe bij dat het belang van het ware zelf recht werd gedaan. (37) Men spreekt over al de besproken gebieden die zich uitstrekken van waar de zon opkomt boven de horizon tot overal waar hij weer ondergaat, als het veld van handelen van de zoon van Yuvanâs'va, Mândhâtâ.

(38) In de dochter Bindumatî van een koning genaamd S'as'abindu verwekte de heerser [Mândhâtâ] Pûrukutsa, Ambarîsha en Mucukunda die een grote yogi was. Hun vijftig zussen aanvaardden de wijze Saubhari als hun echtgenoot. (39-40) Hij [Saubhari] bezig met een ongebruikelijke vorm van verzaking zag, diep onder water in de Yamunâ rivier, in zijn boetedoening hoe een grote vis zich vermaakte met seksuele zaken. Sexueel ontwaakt verzocht de geleerde de koning [Mândhâtâ] toen om een enkele dochter. De koning zei: 'U mag een dochter van mij nemen, o brahmaan, als het dat is waar zij voor kiest.'

(41-42) Hij dacht bij zichzelf: 'Vrouwen houden niet zo van mij, ik ben te oud, ik ben niet aantrekkelijk voor ze, gerimpeld, met grijs haar en een hoofdtremor; ze zullen me afwijzen! Laat me het zo maken dat mijn lichaam begeerlijk is voor de schonen van de hemel, om nog maar te zwijgen van de dochters van wereldse koningen!' Zo luidde toen het besluit van de mysticus. (43) Voorafgegaan door een boodschapper werd de wijze toen toegang verleend tot de in ieder opzicht weelderige vertrekken van de prinsessen alwaar hij, ook al was hij maar een enkele man, door al de vijftig prinsessen aanvaard werd als hun echtgenoot. (44) Er ontstond toen een hevig gekibbel onder hen toen ze aangetrokken tot hem hun onderlinge verstandhouding op het spel zetten door dingen te beweren als: 'Hij is de man die bij mij past, niet bij jou!' (45-46) Hij, als gevolg van zijn ascese op de hoogte van menige mantra, genoot met zijn vrouwen van een ongekende weelde met alles wat men zich maar kon wensen: allerhande fijn gestoffeerde leefruimten en boudoirs, parken, het helderste water in vijvers temidden van geurige tuinen, kostbaar beddegoed en meubilair, kleding en sierselen; er waren plaatsen om te baden, smakelijke gerechten, er was sandelhoutpulp en een uitdossing met bloemenslingers en sieraden van alle mannen en vrouwen die in een voortdurende verrukking verkeerden onder het begeleidende gezang van vogels, hommels en artiesten. (47) De enkele aanblik van Saubhari's huishouding deed de heerser der zeven continenten [Mândhâtâ] versteld staan zodat hij zich niet langer nog op zijn borst kon kloppen wat betreft zijn eigen positie als de keizer van de wereld gezegend met alle weelde. (48) En Saubhari, die altijd druk in de weer was met het geluk en de talrijke materiële besognes van zijn huishouden, was in zijn genietingen, net als een vuur gevoed door vet, nimmer voldaan. (49) Op een dag moest hij, neergezeten zich afvragend hoe het verval weg van het ware zelf had kunnen plaatsvinden, constateren dat het veroorzaakt was door een stel parende vissen: (50) 'Helaas, kijk nu toch hoe ik, die zo'n grote asceet was, zo trouw en strikt de geloften nalevend, van het ascetisch leven waar ik me zo lang mee heb bezig gehouden weg ben gevallen; enkel om wat waterdieren onder water uitspoken! (51) Hij die de bevrijding verlangt heeft de omgang op te geven met mensen die verslingerd zijn aan zinnelijke zaken; hij moet het in ieder opzicht vermijden zijn uitwendige zinnen aan het werk te zetten, hij behoort zich in eenzaamheid op te houden in afgezonderde plaatsen en zijn hart te vestigen op de Onbegrensde Heer en, àls hij dan gezelschap zoekt, dient hij om te gaan met gelijkgestemde lieden als de heiligen. (52) Op mezelf als een verzaker had ik, onder water, omgang met vissen (!) en kreeg ik vijftig vrouwen, om nog maar te zwijgen van de vijfduizend zoons die ik verwekte; er komt zo geen eind aan mijn verplichtingen hier en hierna die mijn geest maar bezighouden. Onder de invloed van de geaardheden der materie ben ik, uit op mijn eigenbelang, verloren in de grote aantrekking van materiële dingen.'

(53) Zo [met spijt] thuis levend verstreek de tijd en kwam hij, onthecht, tot de wereldverzakende levensorde; hij ging naar het woud en werd daarin gevolgd door al zijn vrouwen aangezien hij hun voorwerp van aanbidding was. (54) Aldaar in zijn boetedoening van de strengste verzaking zijnd die bevorderlijk is voor de zelfverwerkelijking, hield hij, nu op de hoogte van de vuren van het persoonlijke zelf, zich bezig met de Allerhoogste Ziel. (55) O Mahârâja, de vrouwen die zagen hoe hun echtgenoot spiritueel vorderde, slaagden er onder die invloed in hem na te volgen precies zoals vlammen dat doen met een vuur dat uitdooft [vergelijk B.G. 9: 32].'   

* In dezen is er een citaat uit de Brahmâ-vaivarita Purâna zo stelde S'rî Caitanya Mahâprabhu:

as'vamedham gavâlambham
sannyâsam pala-paitrikam
devarena sutotpattim
kalau pañca vivarjayet

"In dit Kali-tijdperk zijn vijf handelingen verboden: het offeren van een paard in een plechtigheid, het offeren van een koe in een plechtigheid, het aanvaarden van de levensorde van sannyâsa, het brengen van vleesoffers voor de voorvaderen, en het door een man verwekken van kinderen bij de echtgenote van zijn broer"

 

Hoofdstuk 7

De Nazaten van Koning Mândhâtâ

(1)  S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 4.13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va geadopteerd als zijn zoon en hij op zijn beurt had een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige van alle leden van de Mândhâtâ dynastie. (2) Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmadâ meegevoerd naar de lagere regionen, zij was in dienst van de koning der serpenten [Vâsuki] aan hem uitgehuwelijkt door haar slangenbroeders. (3) Aldaar vernietigde hij, in feite daartoe in staat gesteld door Heer Vishnu, hen die, het goddelijke lied levend, het verdienden te worden bestraft [vanwege hun Gandharva-zonde van het gokken]. Van de slangachtigen ontving hij de zegen dat zij die zich dit voorval herinneren niets te vrezen hebben van het slangenras [de reptielachtige humanoïden].

(4) De zoon van Pûrukutsa Trasaddasyu [vernoemd naar de andere: 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya wiens zoon de naam Haryas'va droeg [naar: 9.6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana. (5-6) Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [voor het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de kwaliteit van een uitgestotene [een cândâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Onder de invloed van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij naar de hemel alwaar hij, er ten val gekomen, [halverwege in zijn val] gefixeerd door de goddelijke almacht van de wijze, tot op de dag van vandaag inderdaad kan worden waargenomen met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend. (7) Tris'anku's zoon was Haris'candra; vanwege hem was er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren als vogels waren [*]. (8) Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, laat er een zoon van mij ter wereld komen.'

(9) O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.

(10) 'Aangezien er een zoon is geboren, mijn beste, bereid me dan een offer met hem', zei Varuna tot Haris'candra die toen antwoordde: 'Tien dagen nadien [na de geboorte] moet men een dier geschikt achten om te worden geofferd.'

(11) Tien dagen later daar weer verschijnend zei hij: 'En nu, breng het offer!' Daarom gaf Haris'candra het antwoord: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, is het ervoor geschikt te worden geofferd!'

(12) Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'

(13) Toen de tanden waren uitgevallen zei hij: 'Offer nu dan!', waarop het antwoord luidde: 'Als het 'offerdier' zijn tanden weer zijn teruggegroeid, is het pas zuiver!'

(14) Toen ze waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert U nou', waarna Haris'candra zei: 'Als hij zich als een krijger kan verdedigen met een schild, o Koning, dan zal het 'offerdier' zuiver zijn.'

(15) Op deze manier met zijn geest beheerst door de genegenheid voor zijn zoon leidde hij de god om de tuin over de tijd die het zou kosten en liet hij hem zo wachten tot het moment daar zou zijn. (16) Rohita zich bewust van wat zijn vader van zins was, nam, in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen op en ging het woud in. (17) Toen hij vernam dat zijn vader vanwege Varuna geplaagd werd door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar naartoe te gaan. (18) Indra zei hem dat hij de wereld moest bereizen terwille van de heilige plaatsen en bedevaartsoorden en dat hij voor de duur van een jaar in het woud moest verblijven. (19) En zo gebeurde het dat voor een tweede, een derde, een vierde en nog eens een vijfde jaar Indra in de gedaante van een oude brahmaan voor hem verscheen om hem dat telkens weer opnieuw te vertellen. (20) Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarita zijn tweede zoon S'unahs'epha ervan kocht om te dienen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (21) Met het daarop offeren van [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] werd Haris'candra evenzo vermaard en geroemd als halfgoden als Varuna zijn in het bereiden van offers en raakte hij bevrijd van de waterzucht. (22) Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yajur-veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya [of Âgastya] deed de [Sâma Veda] hymnen [als de udgâtâ]. (23) Indra, zeer behaagd, bezorgde hem een gouden wagen. Van de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen met de beschrijving van de zoons van Vis'vâmitra.

(24) Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien bij de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en dus schonk hij hen de onvergankelijke kennis om hun bestemming te bereiken. (25-26) Met het laten opgaan van het denken in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether alsook met het doen opgaan daarvan in het geïdentificeerd zijn met de materie, dat valse ego in het geheel van de materie en die volledigheid in de geestelijke kennis in al zijn geledingen, werd door dat specifieke meditatieproces de onwetendheid bedwongen en de materiële ambitie verzaakt. Door liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende bovenzinnelijke gelukzaligheid konden ze bij de Ondoorgrondelijke blijven, volledig bevrijd van materiële gebondenheid.'

* Prabhupâda geeft als commentaar: 'Vis'vâmitra en Vasishthha waren elkaar altijd vijandig gezind. Voorheen was Vis'vâmitra een kshatriya en door het ondergaan van strenge boetedoeningen en verzakingen wilde hij een brâhmana worden, maar Vasishthha wilde er niet mee instemmen hem op die manier te aanvaarden. En zo was er voortdurend onenigheid tussen de twee. Later echter, aanvaardde Vasishthha hem vanwege Vis'vâmitra's kwaliteit van vergevingsgezindheid. Eens voerde Haris'candra een yajña uit waarvoor Vis'vâmitra de priester was, maar Vis'vâmitra, die boos was op Haris'candra, nam al zijn bezittingen in beslag, ze claimend als een dakshinâ bijdrage. Vasishthha echter stond dit niet aan en zodoende ontstond er een vete tussen Vasishthha en Vis'vâmitra. Het vechten werd zo erg dat ieder van hen de ander vervloekte. Een van hen zei, "Dat je een vogel moge worden," en de ander zei, "Dat je een eend wordt!" Op die manier werden ze beiden vogels en gingen ze voor vele jaren door met hun strijd vanwege Haris'candra.'

** Het offeren van een menselijk wezen moet hier worden beschouwd als iets geweldloos aangezien de vidhi mededogen voorschrijft met alle levende wezens (dayâ of ahimsâ ) en het Bhâgavatam voorzeker het offeren van mensenlevens veroordeelt in de geschiedenis van Jada Bharata [zie 5.9: 17]. De context doet vermoeden, en uit 9.16: 31-32 blijkt, dat, omdat Haris'candra er de oorzaak van was geweest dat de wijzen Vis'vâmitra en Vasishthha in onenigheid verkeerden, het offeren van een menselijk wezen betekende dat iemand zijn wereldse leven op moest geven om de wijzen te dienen in hun verzoening. De troonopvolger, de meest waarschijnlijke kandidaat voor de opdracht, kon zijn wereldse verantwoordelijkheid niet opgeven, en zo werd er toen een andere man opgetrommeld om die plicht op zich te nemen.

 

Hoofdstuk 8

De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Hârîta was de zoon van Koning Rohita [zie voorgaand hoofdstuk] en zijn zoon Campa bouwde een stad genaamd Campâpurî. Na hem was er Sudeva die ook een zoon had genaamd Vijaya. (2) Bharuka was de zoon van Vijaya, hij had er een genaamd Vrika en Vrika had Bâhuka van wie al het land dat hij bezat werd ingepikt door zijn vijanden zodat de koning met zijn vrouw het bos in moest. (3) Toen hij van ouderdom was gestorven wilde zijn koningin tezamen met hem sterven maar de wijze Aurva, die begreep dat ze zwanger was met een jongetje in haar schoot, verbood dat. (4) De bijvrouwen die dit ontdekten dienden haar vergif toe met haar voedsel, maar met het gif werd Sagara ['met vergif'] geboren, die een keizer werd met een grote vermaardheid. Zijn zonen waren verantwoordelijk voor de plaats genaamd Gangâsâgara. (5-6) Hij doodde niet de anti-socialen [Tâlajangha's, of boom-mensen], zij die tegenstreefden [de Yavana's, ook: bezetters als de Moslims en de Europeanen], de goddelozen [de S'akâ's], de schurken [Haihaya's] en de barbaren [Barbara's]. In opdracht van de goeroe deed hij hen verschijnen in ongewone kleding, glad geschoren, snorren dragend of soms accepteerde hij ze als mensen met loshangend haar, half geschoren, zonder ondergoed aan of als ze helemaal geen kleren aan hadden. (7) Hij naar wat Aurva had gezegd was in de yoga met de Superziel van alle vedische kennis en de verlichte zielen, met paardoffers van aanbidding voor de Heer, het Oorspronkelijke Zelf en de Beheerser. Op een dag ontdekte hij dat het paard dat werd gebruikt voor het offer was gestolen door Purandara [Indra[Indra, zie ook 4.19: 17]. (8) De trotse zoons geboren uit Sumati [een vrouw van Sagara] zetten toen in opdracht van hun vader het hele land op z'n kop om uit te vinden waar het paard was gebleven. (9-10) In de noordoostelijke richting zagen ze een paard nabij de âs'rama van Kapila en zeiden: 'Nu weten we waar die paardendief met zijn ogen dicht leeft; doodt hem, doodt hem die zondaar!' Toen aldus de zestigduizend mannen van Sagara met hun wapens geheven op hem afkwamen, opende de muni op dat moment zijn ogen. (11) Van hun verstand beroofd [door Indra] en in overtreding met zo een grote persoonlijkheid [als Kapila], vatten hun lichamen ter plekke spontaan vlam en veranderden ze in as. (12) Het is niet het standpunt van de wijzen te beweren dat de zonen van de keizer dus tot as werden verbrand door de woede van de muni, want hoe kan nu met hem [Hem] als de hemel der goedheid door wiens genade het ganse universum gezuiverd raakt, de geaardheid der onwetendheid overwegen en er woede ontstaan - hoe kan aards stof de ether vervuilen? (13) Met hem die zo diepgaand de wereld analytisch verklaarde [zie 3.25 - 3.33] en er in deze wereld is als een boot waarmee een zoeker de oceaan der onwetendheid kan oversteken die men in zijn materiële bestaan zo moeilijk te boven kan komen - hoe kan er daar, met een geleerd persoon verheven in bovenzinnelijkheid, enig idee van een onderscheid zijn tussen vriend en vijand? [zo iemand is altijd vreugdevol: prasannâtmâ] (14) Hij die geboren uit Kes'inî [Sagara's andere echtgenote] Asamañjasa werd genoemd had als prins een eigen zoon bekend als Ams'umân die altijd zijn best deed om voor zijn grootvader te doen wat hij maar kon. (15-16) Voorheen een yogi, zoals hij zich dat kon herinneren uit een vorig leven, was Asamañjasa van het pad van de yoga afgedwaald vanwege slecht gezelschap en had hij zich persoonlijk bewezen op een hoogst storende manier. Zich slecht gedragend bezorgde hij iedereen in de samenleving moeilijkheden en was hij, voor de sport met zijn verwanten bezig, alleronaardigst geweest door al de jongens in de rivier de Sarayû te smijten. (17) Van deze daden [de jongens waren verdwenen] werd hij door zijn vader, die zijn liefde voor hem op had gegeven, zowaar verbannen. Met de macht van de yoga [echter] slaagde hij erin de jongens weer te laten verschijnen en ging hij weg. (18) O Koning, de bewoners van Ayodhyâ waren stomverbaasd om hun zonen weer te zien opduiken terwijl het de koning oprecht speet [dat nu zijn zoon verdwenen was]. (19) Ams'umân er door de koning toe opgedragen op zoek te gaan naar het paard, ging eropuithet spoor volgend dat zijn ooms hadden achtergelaten en trof het paard aan nabij een hoop as. (20) Toen hij de Bovenzinnelijke [de Vishnu avatâra] die bekend stond als Kapila zag, bracht hij de grote persoonlijkheid oplettend met gevouwen handen gebeden waarbij hij zich languit voorover wierp.

(21) Ams'umân zei: 'Niemand van ons levende wezens kan zich een voorstelling maken van U als de Transcendentale. Tot op de dag van vandaag kan zelfs Heer Brahmâ U niet doorgronden en door welk mediteren of ernaar raden zouden anderen dat, wij schepselen van de materiële wereld die, het lichaam aanziend voor het zelf, de bovenzinnelijkheid missen [zie ook B.G. 7: 27]? (22) Zij die een materieel lichaam aanvaardden onder de invloed van de drie geaardheden [de guna's, zie ook B.G. 14: 5] kunnen enkel die drie geaardheden zien, zo zegt men, en verbijsterd door de illusieverwekkende energie U niet kennen die zich in goedheid bevindt in de kern van het hart van het lichaam; ze zien enkel maar de uiterlijke bijproducten. (23) Door Sanandana en andere aanbiddelijke wijzen die vrij zijn van de vervuilende en verbijsterende illusoire differentiatie veroorzaakt door de guna's, wordt alle wijsheid met de oorspronkelijke aard [svabhâva] tot één geheel samengevoegd [zie B.G. 14: 26 & 2: 45], maar hoe kan ik als een dwaas der materie nu U, de Persoonlijkheid [van die eenheid], in gedachten houden? (24) O Vreedzame, ik bied U, de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid, mijn eerbetuigingen, U die zonder een naam en een vorm, transcendentaal aan het tijdelijke en eeuwige, teneinde de bovenzinnelijke kennis uit te dragen, naar de geaardheden der natuur een materieel lichaam heeft aangenomen dat zich kenmerkt door vruchtdragende handelingen. (25) Met hun huis en haard, Uw materiële energie aanvaardend als ware het datgene waar het om gaat, dolen ze [geboorte na geboorte] rond in deze wereld in hun harten verbijsterd door lust, hebzucht, afgunst en illusie. (26) O Allerhoogste Heer, door U enkel maar te zien is vandaag deze harde en hechte knoop van onze illusie doorbroken als gevolg waarvan men in zijn zinnelijkheid onder de invloed staat van de lust en de baatzucht, o Ziel van alle levenden!'

(27) S'rî S'uka zei: 'O meester der mensen, de grote wijze en Allerhoogste Heer Kapila op deze manier verheerlijkt, zei Ams'umân genadig het volgende over het pad der kennis. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem dit paard mijn zoon, het is het offerdier van uw grootvader, maar al deze lichamen van uw voorvaderen die tot as verbrand zijn kunnen op geen enkele andere manier worden gered dan door Ganges-water.' (29) Na om Hem heen gelopen te hebben, voor Hem buigend tot Zijn voldoening, bracht hij het paard terug naar Sagara en werd door middel van het offeren van dat dier de afsluitende ceremonie volbracht. (30) Het pad volgend uitgestippeld door Aurva droeg hij [Sagara], bevrijd van gehechtheden en verlangens, het koninkrijk over aan Ams'umân en bereikte hij de allerhoogste bestemming.'

 

Hoofdstuk 9

De Dynastie van Ams'umân

(1) S'rî S'uka zei: 'Ams'umân die voor een lange tijd boete deed met het verlangen om de Ganges te doen nederdalen was niet succesvol en stierf toen na verloop van tijd. (2) Zijn zoon Dilîpa was, net als zijn vader, er ook niet toe in staat en stierf eveneens ten prooi aan de tijd. Daarop was zijn zoon Bhagîratha in zijn boetedoening van de grootste verzaking. (3) Aan hem verscheen de godin [moeder Gangâ] die zei: 'Zeer tevreden als ik ben zal ik uw gebeden verhoren', en aldus aangesproken zijn wens in vervulling zien gaand [dat de Ganges de as zou wegwassen, zie 9.8: 28] verboog die heerser der mensen zich vol respect.

(4) [Moeder Gangâ zei:] 'Wie is er in staat om het geweld van mijn golven te dragen met mij neerkomend op deze aarde? Als niemand mij opvangt zou ik het oppervlak van de aarde opensplijten, o meester der mensen, en op weg zijn naar de lagere regionen! (5) Bovendien kan ik me niet richting aarde begeven omdat - en neemt u alstublieft dit in overweging o Koning - ik van de mensen die zich reinigen met mijn water de zondigheid zal moeten wegwassen.'

(6) S'rî Bhagîratha zei: 'De geheiligde verzakers van de wereld die vreedzaam en deskundig naar de regels allen verlossen, zullen de zondigheid van u wegnemen, daar ze badend in uw water de Overwinning op Alle Zonde, de Heer [zie ook 1.13: 10 en 6.1: 15] in zich dragen. (7) De god der vernietiging, Rudra, zal uw geweld dragen daar hij van de belichaamde wezens de Superziel is in wie het gehele universum lang en breed zich ophoudt als de draden in een doek [*].'

(8) Nadat dit was gezegd was hij, de heerser, van boete met Heer S'iva; onverwijld stemde hij de Al-gunstige tevreden zodat zijne goddelijkheid waarlijk snel was behaagd, o Koning [**]. (9) 'Zo zij het', zei Heer S'iva die allen steeds welgezind is, nadat hij door de koning was toegesproken, en met grote aandacht droeg hij de Ganges die zuiver is van het afspoelen van Vishnu's voeten [zie ook 5.17]. (10) Hij Bhagîratha, de heilige koning, bracht haar die het hele universum kon verlossen naar de plaats waar de as zich bevond van de lichamen van zijn voorvaderen. (11) Vooropgaand, met de snelheid van de wind zich voortbewegend in een wagen, werd hij door haar gevolgd terwijl ze alle landen zegende met haar heiligheid tot ze over de verbrande zonen van Sagara vloeide. (12) Alhoewel de zoons van Sagara verdoemd waren vanwege het schofferen van een brahmaan, kon enkel de eenvoudige beroering van haar water met hun overblijfselen ze het goddelijke doen bereiken. (13) Als de zoons van Sagara wiens lichamen tot as verbrandden al naar de hemel gingen na in aanraking te zijn gekomen [met de Ganges], hoezeer zou dat dan niet gelden voor hen die volhardend in geloften met geloof en toewijding de godin aanbidden? (14) Het wonder van haar water dat hiermee beschreven is, is op zich niet zo bijzonder; ze is er van nature toe in staat de banden der gehechtheid te doorbreken omdat ze ontspringt aan de Lotusvoeten van de Eeuwige. (15) Geheiligde mensen die in geloof met hun geesten vol van aandacht zijn, vinden zuivering ondanks de moeilijkheid het op te geven met de drie geaardheden der natuur; door hen wordt de spirituele kwaliteit van het Allerhoogste terstond bereikt.

(16-17) Van Bhagîratha werd een zoon geboren genaamd S'ruta, van hem was er Nâbha - die verschilt van degene die ik eerder beschreef [zie 5.3] - en door Nâbha werd Sindhudvîpa geboren door wie later Âyutâyu werd geboren. Zijn zoon Ritûparna was een vriend van Nala. Van Nala kreeg hij kennis van het trainen van paarden in ruil voor de geheimen van het gokken. Ritûparna had een zoon genaamd Sarvakâma. (18) Van hem was er Sudâsa wiens zoon [Saudâsa] als de echtgenoot van Damayantî de troon besteeg en naar verluid ook wel bekend stond als Mitrasaha en Kalmâshapâda. Hij, die vanwege zonden zonder een zoon bleef, werd ooit eens vervloekt door Vasishthha om een menseneter te worden [een Râkshasa].

(19) De koning zei: 'Zeg me alstublieft, als het geen geheim is, wat was de reden van de vloek van de geestelijk leraar tegen Saudâsa, deze grote ziel? Dat zou ik graag willen weten.'

(20-21) S'rî S'uka zei: 'Saudâsa ging er soms op uit om te jagen en had in het verleden een Râkshasa gedood, maar de broer die hij liet ontkomen, vervolgde hem daarna in wrake. Met kwade bedoelingen deed hij zich voor als de kok van de koning en schotelde de geestelijk leraar die bij hem thuis kwam dineren, het vlees van een mens voor dat hij klaargemaakt had. (22) Zijn voedsel inspecterend vond de machtige meester het vanbinnenuit wel aanvoelend ongeschikt om te consumeren en vervloekte hij de koning zeer kwaad met: 'Hiervoor zal je voorwaar in een menseneter veranderen!' (23-24) Toen hij erachter kwam dat het te wijten was aan de Râkshasa volbracht hij, om ermee af te doen, een twaalfjarige boetedoening. Saudâsa echter had een handvol water genomen met de bedoeling zijn goeroe te vervloeken, maar zijn vrouw Madayantî verbood dat. Hij morste het water potent van de [s'apa-]mantra over zijn benen waarna die heer der mensen toen in alle richtingen in de ether overal de oppervlakte van de aarde kon zien krioelen van het leven. (25) Hij kreeg de neigingen van een wildeman en een zwarte vlek op zijn been [om reden waarvan hij bekend stond als Kalmâshapâda]. In het bos levend zag hij [eens] een brahmaans echtpaar op het moment dat ze geslachtsgemeenschap hadden. (26-27) Honger lijdend greep hij de brahmaan maar zijn vrouw zei: 'U moet wel zeer ongelukkig zijn, arm en hongerig, maar een Râkshasa bent u niet; in feite bent u een grote krijgsheer van de Ikshvâku-dynastie, de echtgenoot van Madayantî, o held; het is niets voor u om tegen het dharma te handelen. Alstublieft laat mijn man gaan, deze tweemaal geboren ziel wiens verlangen een zoon te krijgen nog niet in vervulling is gegaan. (28) O Koning, dit menselijk lichaam is van goede daden terwille van het Volledige van het Levende Wezen en zo zou, zogezegd, het doden van hem, o held, gelijk staan aan het beëindigen van alle goede kansen! (29) Hij hier is een in de Veda goed onderlegde brâhmana, die van verzaking, goed gedrag en toegerust met alle goede eigenschappen vastbesloten is het Brahmân te eren, de Allerhoogste Persoonlijkheid die bekend staat als de levende Ziel van alle wezens boven wie Hij de kwaliteit is. (30) Hij, deze brahmaan en beste van alle wijzen, hoe kan hij, zoals het is met een zoon met zijn vader, het verdienen om door u, de beste van alle geheiligde koningen, met uw bewustzijn van de religie, o macht van de staat, te worden gedood? (31) Hij is een heilige vrij van zonden, een spreker van de Absolute Waarheid; hoe kan u vanuit uw goede zelf van waardering in de hoogste kringen, eraan denken om hem ter dood te brengen: dat zou zoiets zijn als het doden van een embryo of een koe! (32) Zonder hem kan ik zelfs niet een moment leven en ben ik als een lijk; als hij u tot voedsel moet dienen eet mij op dan in zijn plaats.'

(33) Met de vrouw, op deze manier zo deerniswekkend smekend en weeklagend als een vrouw die haar man heeft verloren, verorberde hij, Saudâsa, daar hij door de vloek ertoe was verdoemd, hem zoals een tijger dat doet met zijn prooi. (34) De brâhmana vrouw, de kuise dame, toen ze zag hoe de man, die op het punt stond haar te bevruchten, door de Râkshasa werd opgegeten, moest hard vanuit het diepst van haar wezen huilen en sprak kwaad geworden een vloek uit tegen de koning. (35) 'Omdat u de echtgenoot hebt gedood van een vrouw die moeite deed om geslachtsgemeenschap te hebben zal u, o zondaar, onder de vloek te lijden hebben eveneens de dood te vinden als u het probeert uw zaad te lozen, o verrader der beschaving!'

(36) Na op deze manier Mitrasaha ['zich te buiten gaand met vrienden' ofwel Saudâsa] te hebben vervloekt vond ze, ertoe geneigd bij hem te blijven, haar bestemming het vuur binnengaand dat oplaaide uit de botten van haar echtgenoot. (37) Toen na twaalf jaar Saudâsa bevrijd was [van de vloek van Vasishthha] en hij het probeerde om seks met zijn vrouw te hebben werd hij tegengehouden door de koningin die hem aan de vloek van de brâhmanî herinnerde. (38) Zodoende moest hij van toen af aan ervan afzien met zijn vrouw gelukkig te zijn en bleef hij door het lot zonder een zoon. Vasishthha werd het toen toegestaan een kind te verwekken in Madayantî, zijn vrouw. (39) Zij droeg waarachtig het kind voor de duur van zeven jaren in haar schoot het niet ter wereld brengend, maar met het slaan van een steen tegen haar onderbuik was er een zoon van haar die om die reden As'maka ['van ons'] werd genoemd. (40) Van As'maka werd Bâlika geboren. Dit kind werd beschermd door een menselijk schild bestaande uit vrouwen en daarnaar vernoemd [als 'Nârîkavaca']. Toen er nergens meer heersers waren te bekennen [daar Heer Paras'urâma ze allen ter dood had gebracht] werd hij Mûlaka ['ontsprongen uit'], hij die alle kshatriya's voortbracht. (41) Van Bâlika was er een zoon genaamd Das'aratha, zijn zoon was Aidavidi en van hem was er de beroemde koning Vis'vasaha die Khathvânga voortbracht die keizer werd. (42-43) Hij, zeer verwoed, doodde op verzoek van de goddelijken de Daitya's op het slagveld en fixeerde toen hij huiswaarts keerde, wetend dat hij geen seconde langer te leven had, zich in de geest met het bidden van: 'Noch de aarde, mijn koninkrijk of mijn beminde echtgenote; noch mijn zoons en dochters, mijn weelde of mijn leven zijn voor mij zo aanbiddelijk als de goddelijken van de brahmaanse gemeenschap gerespecteerd in mijn familie [***]. (44) Zelfs niet als kind voelde ik me aangetrokken tot of genoot ik van het areligieuze, noch heb ik er ooit iets in gezien om iets anders als zijnde van enige waarde te achten dan de Heer Geprezen in de Geschriften, Uttamas'loka. (45) Door de godvrezenden werd mij de gunst toegekend te hebben wat ik ook maar verlangde maar die claim over de drie werelden kon ik niet aannemen; al wat ik verlang in deze wereld is volledig verzonken te zijn in de Allerhoogste Heer [vergelijk B.G. 9: 34]. (46) Als zelfs zij, de goddelijken, in hun zinnen en geesten altijd zijn afgeleid zonder de meest geliefde Eeuwige van de Ziel te kennen die zich ophoudt in hun harten, wat kan men dan van anderen verwachten [zie B.G. 18: 55]? (47) Laat me daarom in liefdevolle dienst de gehechtheid opgeven aan de geaardheden der natuur, de zo machtige materiële heerschappij van mâyâ in door mensen tot stand gebrachte zaken welke als luchtkastelen zijn, en mezelf aan Hem overgeven, de Ene Ziel die het hele universum schiep.'

(48) Aldus op een intelligente manier vastbesloten volledig in de greep van Nârâyana verkerend, gaf hij het op met alle andere zorgen die enkel maar onwetendheid zijn en vond hij zichzelf daarna in de positie van zijn oorspronkelijke liefdevolle dienst. (49) Dat wat zodanig wordt gekend als het Allerhoogste Brahmân dat alle beschrijving te boven gaat is niet iets onpersoonlijks of leegs zoals men zou kunnen denken; het is de Allerhoogste Heer Vâsudeva van wie de waarheidlievende mensen aan het zingen zijn [zie ook 1.2: 11].'  

 * Prabhupâda citeert: Heer S'iva wordt beschreven in de Brahmâ-Samhitâ (5.45):

ks'îram yathâ dadhi vikâra-visesa-yogât
sanjâyate na hi tatah prithag asti hetoh
yah S'ambhutâm api tathâ samupaiti kâryâd
govindam âdi-purusham tam aham bhajâmi

"Melk verandert in yoghurt als die wordt vermengd met een yoghurt cultuur, maar eigenlijk is yoghurt in de grond niets anders dan melk. Zo ook neemt, Govinda, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de gedaante van Heer S'iva aan voor het bijzondere doel van materiële transacties. Ik biedt de voeten van Heer Govinda mijn eerbetuigingen."

** Heer S'iva wordt ook wel Âs'utosha genoemd: snel behaagd.

 ***: De vaishnava geeft dagelijks uitdrukking aan zijn respect voor het brahmaanse in zijn offerandes de Heer aanbiddend met dit gebed:

namo brâhmanya-devâya
go brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah

"Ik biedt de Allerhoogste Absolute Waarheid, Krishna mijn eerbetuigingen aan, die de wensvervuller van de koeien en de brahmanen is zowel als van de levende wezens in het algemeen. Ik biedt telkens weer mijn eerbetuigingen aan Govinda, die de bron van vreugde is voor alle zinnen."  

 

Hoofdstuk 10

Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Khathvânga was Dîrghabâhu er, van hem werd de roemrijke en bedreven Raghu geboren, van wiens zoon Aja de grote koning Das'aratha ter wereld kwam. (2) Op de gebeden van de godsbewusten was er van hem de Absolute Waarheid in vier gedaanten met de Allerhoogste Heer in eigen persoon en drie deelaspecten van Hem; zij verschijnend als vier zoons, stonden aldus bekend als: Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna. (3) Van Zijn bovenzinnelijke wederwaardigheden als de echtgenoot van Sîtâ, o Koning, hebt u meer dan genoeg vernomen [*] middels de fraaie beschrijvingen door de vele zieners en kenners van de Werkelijkheid [vergelijk B.G. 4: 34]. (4) Trouw aan de leer [gehoorgevend aan een belofte die Zijn vader had gedaan] liet Hij de koninklijke positie achter zich en trok Hij, op Zijn blote lotusvoeten die zo teergevoelig waren als de palm van een hand, van woud tot woud rond in het gezelschap van Zijn beminden [Sîtâ en Lakshmana] die Zijn vermoeidheid op het pad wegnamen. Hij werd [door Râvana] gescheiden van Zijn lieveling Sîtâ omdat hij S'ûrpanakhâ had verminkt [de zuster van Râvana wiens neus eraf werd gesneden] en kreeg ondersteuning van de koning der apen [Hanumân]. Over de oceaan, die in angst verkeerde voor Zijn in woede geheven wenkbrauwen, werd een brug geslagen [naar Lankâ, de verblijfplaats van Râvana] en werd Hij, als een bosbrand de afgunstigen verzengend, de koning van Ayodhyâ. Moge Zijn genade op ons rusten.

(5) Met een [as'vamedha-]offer van Vis'vâmitra werd Zijn eer verdedigd van het daadwerkelijk met Lakshmana als de toezichthouder, gedood hebben van de dolenden in de duisternis aangevoerd door Mârîca, de grote aanvoerders van de Râkshasa's.

(6-7) Het was Hij die van al de helden in de wereld in de zaal waar Sîtâ haar echtgenoot zou uitkiezen de machtige boog van S'iva oppakte die door driehonderd man gedragen moest worden. Hij spande hem op, o Koning, en brak hem in tweeën zoals een olifantje een stuk suikerriet in tweeën breekt. Na eerst de overwinning behaald te hebben het goddelijke meisje genaamd Sîtâ aan Zijn borst te vinden, die qua kwaliteiten, manier van doen, leeftijd en leden een volmaakt koppel met Hem vormde, ontmoette en versloeg Hij op weg naar huis met haar de diepgewortelde trots van Bhrigupati [Paras'urâma] die drie keer [zeven, dus een-en-twintig keer] de aarde had bevrijd [van haar last aan onrechtvaardige heersers] die nu zonder de adel Hem als het zaad had. (8) Hij had inderdaad, het hoofd buigend voor het gebod van Zijn vader die al te gehecht zijn vrouw een belofte had gedaan [**], te aanvaarden dat Hij het koninkrijk, het paleis, de weelde, de verwanten, en vrienden achter zich moest laten en in het bos moest gaan leven als een bevrijde ziel. (9) Met Hem, rondtrekkend door het woud ontberingen doorstaand, kreeg de zuster van de Râkshasa [Râvana] haar lichaam verminkt omdat ze een geest had bedorven door de lust en werden, met in Zijn handen Zijn onoverwinnelijke boog en pijlen, de veertienduizend van haar vele vrienden met Khara, Tris'ira en Dûshana voorop, door Hem gedood.

(10) O heerser der mensen, het aanhoren van de verhalen over Sîtâ, bracht het hart van de tien-koppige Râvana op hol en deed hem zich verlustigen bij de gedachte haar te zien. Mârîca in de gedaante van een gouden hert leidde Hem toen af, weg van waar ze zich ophielden, en werd, zoals S'iva dat deed met Daksha [zie 4.5: 22], toen door Hem ter plekke met een scherpe pijl gedood. (11) Met Hem samen met Zijn broer in het bos, werd de onbeschermde dochter van de koning van Videha [Janaka] door de tijger, de inslechte Râkshasa, weggekaapt waarna Hij rondtrekkend, zich voordoend als een man die aangetrokken tot vrouwen erover in ellende verkeert dat hij gescheiden is van zijn vrouw, aldus een [s'ringâra-rasa] voorbeeld gaf van waar gehechtheid allemaal toe leidt. (12) Na de crematie van hem die terwille van Hem zijn leven had gegeven [de adelaar Jathâyu], doodde Hij Kabandha [een vormloos monster zonder kop] en sloot Hij vriendschap met de aanvoerders van de horden apen zodat hij Sîtâ kon bevrijden. Hij wiens voeten worden aanbeden door Brahmâ en S'iva, maar zich vertoonde als een normaal mens, bracht vervolgens in hun kringen Vâli ter dood [een slechte broer van Hanumân] waarna Hij zich, begeleid door de apensoldaten, naar de kust van de oceaan begaf. (13) De oceaan stil van angst voor Zijn woedende blik - waarvan alle krokodillen en haaien van streek waren - droeg, een persoonlijke gedaante aannemend, op zijn hoofd alles mee wat noodzakelijk was voor de aanbidding van Hem, en zei, met het bereiken van de lotusvoeten, het volgende: (14) 'Wij, die traag van begrip zijn, zijn er werkelijk niet toe in staat, o Allerhoogste, U te kennen als zich ophoudend in de kern van het hart als de Oorspronkelijke Persoon en Allerhoogste Meester van alle Universa; de God-bewusten onder Uw leiding gefixeerd in hun aandacht zijn zot van de goedheid, de heersers over de mensen zijn zot van de hartstocht, terwijl de beheersers van het fysieke bestaan [als spoken] onder de invloed van de traagheid staan, maar Uwe Heerlijkheid bent in Uw positie de Heerser over al deze geaardheden. (15) U mag oversteken naar Uw wens! Versla enkel die zoon van Vis'ravâ genaamd Râvana, die smet van urine over de drie werelden, en win Uw vrouw weer terug o held. Sla hier een brug zodat Uw roem zich mag verbreiden; de grote koningen en helden die er nog zullen zijn zullen daarvoor allen de loftrompet over U steken.'

(16) Nadat de Meester van de Raghu-dynastie met allerhande bergpieken compleet met bomen en planten, die met de hand werden vervoerd door de apen, een brug had gebouwd in de oceaan [***], betrad Hij, geholpen door de aanwijzingen van Vibhîshana [een deugdzame broer van Râvana], met de soldaten aangevoerd door Sugrîva, Nîla en Hanumân [het eiland] Lankâ dat even te voor in brand was gestoken [door Hanumân's staart]. (17)  Aldaar waren de huizen van plezier, graanschuren, schatkamers, paleisdeuren en stadspoorten, vergaderruimten, uitbouwen van de paleizen en [zelfs de] duiventillen met geweld ingenomen en ontmanteld door de Vânara [mensapen]-leiders die als een kudde olifanten de pleinen en kruispunten, met al hun vlaggen en gouden waterpotten op de daken veranderden in één kolkende rivier. (18) De meester der Râkshasa's beval, toen hij dat zag, Nikumbha, Kumbha, Dhûmrâksha, Durmukha, Surântaka en Narântaka het gevecht aan te gaan, en riep daarbij ook zijn zoon Indrajit, zijn volgelingen Prahasta, Atikâya, Vikampana en op het laatst ook Kumbhakarna [zijn machtige broer, zie 4.1: 37, 7.1: 44 en 7.10: 36] tot de strijd op. (19) Al de râkshasa soldaten met hun moeilijk te weerstane zwaarden, lansen, bogen, gekartelde projectielen en spiesen, toortsen, speren en kromzwaarden stelden zich voor Hem op die omringd werd door Sugrîva, Lakshmana, Hanumân, Gandhamâda, Nîla, Angada, Riksha, Panasa en anderen.

(20) De commandanten van de soldaten van de Heerser van de Raghu-dynastie, gezamenlijk tegen alle vijanden, bevochten de horden op olifanten, te voet, vanaf strijdwagens en te paard. Door de krijgers geleid door Angada en anderen werden ze met bomen, bergpieken, knuppels en pijlen allen gedood daar de kansen van Râvana's aanhang zich hadden gekeerd, vervloekt als ze waren door de woede van moeder Sîtâ. (21) De Râkshasa leider ziedend dat zijn troepen waren verslagen dirigeerde vervolgens zijn voertuig naar de frontlinie in de richting van de stralende Râma die, schitterend op de strijdwagen van Indra die Mâtali [de menner] had gebracht, hem raakte met de scherpste pijlen. (22) Râma zei tot hem: 'Jij dienaar van het schuim der aarde, aangezien jij, misdadiger, als een hond Mijn weerloze vrouw hebt ontvoerd zal Ik, als de Tijd in eigen persoon, als degene die in Zijn heldhaftigheid nimmer faalt, je als gevolg van die schaamteloze daad vandaag bestraffen, jij waanzinnige schurk [zie ook B.G. 16: 6-18]!'

(23) Hem aldus terechtwijzend liet Hij de pijl los die Hij op Zijn boog had aangelegd en die pijl doorboorde als een bliksemstraal zijn hart. Bloed opgevend uit al zijn tien monden stortte hij vanuit zijn hemelwagen naar beneden terwijl al zijn mensen brulden: 'Och arme, wat is ons nu overkomen?', net zoals de vromen dat doen als ze ten val komen [zie ook B.G. 9: 21]. (24) Daarna kwamen de vrouwen van de demonen aangevoerd door Mandodarî [Râvana's echtgenote] uit Lankâ tevoorschijn en weeklaagden ze toen ze naderbij kwamen [en hun dode echtgenoten zagen]. (25) Hun geliefden en vrienden die allen door Lakshmana's pijlen waren gedood, sloegen, zo zielig, zich op hun borst en huilden daarbij, [voor de overwinnaars] aangenaam om te horen, deerniswekkend: (26) 'O helaas, gedood is hij die in het verleden ons allen beschermde! O, Râvana, oorzaak van ons huilen, tot wie moet de staat van Lankâ zich nu wenden, haar toevlucht zoeken nu ze, overweldigd door de vijand, verstoken is van jouw goede zelf? (27) O grote beschermheer, als gevolg van een val onder de invloed van wellustige verlangens, had je er werkelijk geen idee van hoezeer moeder Sîtâ je in een situatie als deze kon doen belanden. (28) O glorie van de dynastie, om wat je gedaan hebt moeten wij en de staat Lankâ het nu zonder een beschermer stellen en is je lichaam er als voer voor de gieren en je ziel tot de hel verdoemd [vergelijk B.G. 16: 19].'

(29) S'rî S'uka zei: 'Met de goedkeuring van de Koning van Kosala [Râma] voerde, van de [Râvana-]familie, Vibhîshana de begrafenisriten uit die voor een overledene in acht moeten worden genomen om hem van de hel te redden. (30) Vervolgens trof de Allerhoogste Heer in een as'oka-bos Zijn lief aan schuilend in een klein hutje aan de voet van een s'ims'apâ [as'oka]boom, zeer vermagerd onder het lijden van Hem gescheiden te zijn. (31) Râma die Zijn teerbeminde echtgenote er zo slecht aan toe zag was zeer bewogen door medeleven toen Hij haar aantrof, en met haar, toen ze haar geliefde zag, maakte een grote vreugde zich meester van haar lotusgelijke mond. (32) De Allerhoogste Heer, die voor de duur van een kalpa Vibhîshana belastte met de heerschappij over de Râkshasa's van Lankâ, plaatste haar op Zijn voertuig en stapte er toen zelf in tezamen met Hanumân en de broeders [Lakshmana en Sugrîva, de commandant] om terug te keren naar hun thuishaven [Ayodhyâ] en om een einde te maken aan de tijd van de gelofte [om voor veertien jaar weg te blijven]. (33) Onderweg werd Hij bedolven onder een keur aan geurige bloemen aangeboden door de hogere klasse ter ere van Zijn buitengewone optreden en waren de ziener van de absolute waarheid [Brahmâ] en zij die bij hem hoorden van een uitbundige vreugde. (34) Hem van het Grote Mededoge speet het erg om te horen hoe Zijn broeder Bharata met samengeklit haar neerliggend op een kus'a-mat, at van rijst die in koeienurine was gekookt en zichzelf hulde in boomschors. (35-38) Bharata vernemend over de aankomst nam de twee sandalen op Zijn hoofd [die Râma op de troon had achtergelaten om Hem te vertegenwoordigen] en ging, in gezelschap van de hele burgerij, de ministers en de priesters, Zijn oudste broer tegemoet om Hem te verwelkomen. Vertrekkend vanuit Zijn kamp Nandigrâma waren er gezangen, de geluiden van muziekinstrumenten, een niet aflatende recitatie van mantra's door brahmanen, met goud geborduurde vlaggen op gouden wagens getrokken door de prachtigste, met goud opgetuigde, paarden en soldaten in met goud overdekte wapenrustingen. In processie met fraai aangeklede courtisanes en dienaren en ook soldaten te voet en al het verdere dat gepast zou zijn voor een koninklijke ontvangst, zoals een grote rijkdom aan allerlei soorten juwelen, viel Hij neer aan de lotusvoeten in een extatische liefde die de kern van Zijn [ascetisch] hart deed smelten en Zijn ogen deed vullen met tranen. (39-40) De twee slippers plaatste Hij met gevouwen handen voor Zijn gouden broeder waarop Hij Hem omhelsde met Zijn wangen nat en Hij Hem in Zijn armen voor een lange tijd baadde met het water van Zijn ogen. Râma, tezamen met Lakshmana en Sîtâ, boden persoonlijk de geleerden en de andere eerbiedwaardige personen hun eerbetuigingen en ontvingen die ook weer terug van al de burgers. (41) Toen ze hun Heer weer terug zagen keren na zo vele jaren, wuifden de burgers van Kosala met hun bovenkleding, boden ze Hem bloemenslingers en begonnen ze in grote vreugde te dansen. (42-43) De sandalen werden door Bharata gedragen, de wuifkwast en de rijk versierde waaier door Vibhîshana en Sugrîva, een witte parasol door de zoon van de Maruts [Hanumân], de boog en de twee pijlenkokers door S'atrughna, Sîtâ droeg de waterpot met water van de heilige plaatsen, Angada had het zwaard van goud en de koning van de Riksha's [Jâmbavân, de leider van de beren die ook hielpen bij de strijd] hield het schild vast, o Koning. (44) Zittend op Kuvera's hemelse wagen [de 'Pushpaka' veroverd op Râvana] deed Hem, de Allerhoogste Heer, met de devote gebeden van de vrouwen en de reciteerders, o Koning, voorkomen zo mooi als de maan gerezen tussen de planeten.

(45-46) Naar behoren verwelkomd door Zijn broeder werd Hij daarna feestelijk ingehaald in de stad Ayodhyâ. Het koninklijk paleis binnengaand bewees Hij moeder Kaikeyî, Zijn andere stiefmoeders en Zijn eigen moeder [Kaus'alyâ] de eer. De geestelijk leraren, vrienden van hun leeftijd en de jongeren waren allen vol aanbidding en gepast werd het welkom door Hem, de prinses van de Videha's [Sîtâ] en Lakshmana geretourneerd. (47) Als lichamen ontwakend uit de slaap kwamen hun moeders tot leven en bevochtigden ze, met hun zoons op hun schoot, hen met een onophoudelijke stroom tranen met het opgeven van hun verdriet [zo lang van hen gescheiden te zijn geweest]. (48) Met het eraf scheren van het samengeklitte haar, werd door de familiepriester en de ouderen van de familie overeenkomstig de vidhi met het water van de vier oceanen en andere benodigdheden een baadceremonie uitgevoerd naar model van de zuivering van Koning Indra [zie 6: 13]. (49) Na aldus van top tot teen te zijn gebaad, fraai aangekleed, opgesierd en met bloemen te zijn omhangen, straalde Hij helder met Zijn broeders en Zijn echtgenote. (50) Behaagd met de overgave aanvaardde Hij de troon Hem aangeboden door Zijn broeder en sloot Hij ook de burgers in Zijn hart die, bezig met de beroepsmatige verplichtingen van hun status-oriëntaties [varnâs'rama, zie B.G. 4: 13], allen in aanmerking kwamen voor Zijn bescherming; Râma was daarin precies als een vader en door hen werd Hij ook beschouwd als zijnde hun vader.

(51) Hoewel het Tretâ-yuga was werd de periode van Râma's aanwezigheid als de koning aan de macht een tijd gelijk aan die van Satya-yuga daar Hij regeerde met het volste respect voor het dharma dat alle levende wezens gelukkig maakt [zie ook 12.3: 15]. (52) De bossen, de rivieren, heuvels en bergen, de landen en de eilanden, de oceanen en de zeeën boden al de levende wezens alles wat ze zich maar konden wensen voor hun voortbestaan, o beste der Bharata's. (53) Er was geen lijden [door eigen toedoen, anderen en de natuur], geen ziekte, ouderdom, treurnis, leed, weeklagen, angst en moeheid of een niet gewilde dood toen Heer Râma, Hij Verheven Boven Alles, koning was. (54) Gezworen niet een andere vrouw te nemen [om principiële redenen scheidde Hij van Sîtâ, zie volgende hoofdstuk] vormde Hij, als een heilige Koning zuiver van karakter en dharma, een voorbeeld voor met name de huishouders middels Zijn persoonlijke plichtsbetrachting. (55) In liefdevolle dienst jegens haar echtgenoot was Sîtâ door haar goede inborst altijd onderworpen en stond ze klaar Hem te behagen, en nam ze kuis en onbevreesd, terughoudend, met begrip voor de positie van haar echtgenoot, Zijn geest in beslag.'

* Dit en het volgende hoofdstuk vormen een samenvatting van Vâlmîki's Râmâyana, het oorspronkelijk geschrift dat de geschiedenis van Râma beschrijft.

** Prabhupâda legt uit: 'Mahârâja Das'aratha had drie vrouwen. Één van hen, Kaikeyî, diende hem naar genoegen, en om die reden wilde hij haar een gunst verlenen. Kaikeyî, echter, zei dat ze om de gunst zou vragen als dat nodig was. Ten tijde van de kroning van Prins Râmacandra, verzocht Kaikeyî haar echtgenoot om haar zoon Bharata op de troon te zetten en Râmacandra het bos in te sturen. Mahârâja Das'aratha, die vast zat aan zijn belofte, droeg Râmacandra op naar het woud te gaan, zoals zijn geliefde dat had bedongen.'  

***: Deze brug is tot de dag van vandaag werkelijk aanwezig in de vorm van een nauwe land-engte dicht aan het oceaan-oppervlak tussen Lankâ en India, die de Adamsbrug wordt genoemd en bestaat uit een aaneenschakeling van zandbanken, ongeveer 30 km lang [zie afbeelding en artikel].

 

 

Hoofdstuk 11

Heer Râmacandra Regeert de Wereld

(1) S'rî S'uka zei: De Allerhoogste Heer Râma, de Godheid, het hart en de ziel van de godsbewusten, accepteerde een âcârya zodat van Hemzelf door Hemzelf met de grootste weelde er aanbidding was in het uitvoeren van offerplechtigheden [zie ook 4.31: 14]. (2) De hotâ priester [hij die de offergaven offert] wees Hij het gehele oosten toe, de brahmâ priester [die de gang van zaken voor het offeren supervisee rt] ontving van Zijne Heerlijkheid het zuidelijke gebiedsdeel, de adhvaryu priester [die de Yajur mantra's reciteert ter voorbereiding van de plechtigheid] kreeg het gehele westen en het noordelijk gebied ging naar de udgâtâ priester [die de sâma-veda hymnen zingt]. (3) Denkend dat de brahmanen vrij van begeerte het volledige ervan verdienden, schonk Hij de leraar van het voorbeeld, de âcârya, de rest van al het land dat zich tussen de gebieden in bevond. (4) Alles wat Hij voor zichzelf hield op deze wijze waren Zijn persoonlijke sierselen en kledingstukken terwijl de koningin, de dochter van de koning van Videha, slechts de ring door haar neus restte. (5) Maar toen ze zagen hoe Hij als de God der brahmanen van een dergelijke zorgzaamheid was, smolten, verguld als ze met Hem waren, hun harten en vereerden ze Hem met gebeden, Hem alles weer teruggevend wat ze hadden ontvangen en zeiden ze: (6) 'Wat ook hebt U ons niet geschonken o Allerhoogste Heer, o Meester van het Universum? Met U binnengaand in de kern van ons hart verdrijft U, met Uw gloed, het duister van onze onwetendheid. (7) Aan U onze eerbetuigingen Râmacandra, o beste van alle beroemdheden, U wiens heugenis en kennis, in Uw goddelijk respect voor de brahmanen, nimmer verstoord zijn door angst. Zij die boven alle sancties verheven zijn [de wijzen] zijn overgeleverd aan Uw voeten!'

(8) Op een avond benieuwd naar de publieke opinie ging Râma in vermomming onopgemerkt eropuit en hoorde Hij iemand spreken die het had over zijn [en Zijn] echtgenote: (9) 'Ik kan je hier niet langer hebben aangezien je een onreine, onkuise vrouw bent die het met andere mannen houdt; ik zal het niet nog eens pikken om me door jou op m'n kop te laten zitten zoals zelfs Râma dat doet met Sîtâ!' (10) Beducht voor volk dat, niet wetende waar te stoppen, met een gebrek aan kennis allerlei nonsens uitkraamt, werd zij [Sîtâ] door haar echtgenoot verlaten en ging ze naar de hermitage van Prâcetasa [Vâlmîki Muni]. (11) Zwanger zijnde bracht zij aldaar, toen de tijd er rijp voor was, tweelingzoons ter wereld die bijgevolg van de wijze die de geboorte-plechtigheden voltrok de namen Kus'a en Lava kregen toebemeten ['van het gras' en 'dat wat is afgesneden']. (12) Ook Lakshmana had twee zoons: Angada en Citraketu [vernoemd naar 6.14-17] en Bharata, o grote heerser, had er twee die men zich herinnerde als Taksha en Pushkala. (13-14) Subâhu en S'rutasena kwamen door S'atrughna ter wereld. De Gandharva's [oplichters en gokkers] werden met miljoenen tegelijk gedood door Heer Bharata die in Zijn overwinningstocht al de windstreken onder het gezag van de Koning [Râma] plaatste aan wie Hij al hun rijkdommen overdroeg. De Râkshasa luisterend naar de naam Lavana, een zoon van Madhu, werd gedood door S'atrughna in het grote woud Madhuvana alwaar hij de grootse stad bekend als Mathurâ grondvestte. (15) De wijze haar zoons toevertrouwend verdween Sîtâ, die verbannen door haar echtgenoot bleef mediteren op Râma's voeten, onder de grond. (16)  Hierover vernemend was Hij, Râma, de Allerhoogste Heer, Zich haar kwaliteiten herinnerende in al de verschillende omstandigheden, niet in staat Zijn verdriet te beteugelen, hoezeer Hij ook trachtte die met Zijn intelligentie uit te bannen. (17) Een dergelijke aantrekking tussen man en vrouw is algemeen een bron van zorgen; zelfs voor de grote beheersers - wat zou het dan wel niet inhouden voor de gewone man die verslingerd is aan een huishoudelijk bestaan? (18) Nadat ze naar de hemel was gegaan nam Hij strikt het celibaat in acht en voerde de Heer een plechtigheid op, een vuur-offer [Agnihotra], dat dertienduizend jaar lang zonder onderbreking werd voortgezet. (19) Daarna plaatste Râma de lotusblaadjes die Zijn voeten waren en die geschramd waren door de doornen van het Dandakâranya woud [alwaar Hij tijdens zijn verbanning verbleef], in de harten van hen die Hem in gedachten houden en ging Hij, het Licht van de Ziel [âtma-jyoti], over in het Voorbije.

(20) De Heer van de Raghu-dynastie [Râma], zich geestelijk tot ons verhoudend in Zijn spel en vermaak, had, met niemand groter of gelijk aan Hem, [persoonlijk] geen behoefte aan al deze roem, aan al de gebeden van de godsbewusten, aan het doden van de Râkshasa's, een brug te slaan over de oceaan en Zijn boog en pijlen, noch had Hij de apen nodig om Hem bij te staan in het verslaan van de vijand [vergelijk B.G. 3: 20-26]. (21) Hem wiens onbezoedelde faam in koninklijke samenkomsten tot op de dag van vandaag wordt verheerlijkt, Hem van wie de zonde verdrijvende lotusvoeten voor de geheiligden zijn wat het kleed dat de olifant der victorie bedekt is voor de goden van de hemel en de koningen der aarde, die het begroeten met hun helmen - aan die Meester van de Raghu-dynastie geef ik mij over. (22) Hij, naar wie de mensen van Kosala uitzagen en die ze wilden aanraken, werd door hen allen, of ze nu met Hem aten en sliepen ofwel Hem respecteerden als een dienaar, gevolgd naar de plaats waarheen Hij vertrokken was, daar waar alle [bhakti-]yoga-beoefenaren naar toe gaan [zie ook B.G. 4: 9]. (23) Welke persoon ook die verneemt over de handelingen van Heer Râma zal enkel daardoor al bevrijd raken van de menselijke zwakheid [van de afgunst, of de erfzonde], o Koning, en verlost worden uit zijn verstriktheid in het karma.

(24) De koning vroeg: 'Hoe verhield Hij, de Allerhoogste Heer, Râma, zich tot Zijn broeders die Zijn persoonlijke expansies waren en hoe gedroegen Zij, zowel als al Zijn mensen, Zijn onderdanen, zich jegens Hem, hun Heerser?'

(25) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Na de troon te hebben bestegen droeg Hij, de Heer van het Universum, Zijn jongere broers op de wereld te veroveren [*] terwijl Hij persoonlijk Zijn volk audiëntie verleende en de gang van zaken in de hoofdstad tezamen met andere medewerkers in het oog hield. (26) De straten waren besprenkeld met geparfumeerd water en door het musth van de olifanten. Om Hem te zien, hun Heer en Meester, aanwezig in eigen persoon was de grootste en hoogste verrukking. (27) In de paleizen, bij de paleispoorten, in de ruimten van samenkomst, op de podia en in de huizen van God en zo meer, waren gouden waterpotten geplaatst samen met vlaggen. (28) Overal werd Hij ontvangen met de feestelijkheid van welkomstpoorten, draperieën, bloemenslingers, betelnoot, snijbloemen en vruchten, bananenbomen, kleurige vlaggen en spiegels. (29) Hem benaderend, droeg de plaatselijke bevolking, waar Hij ook maar op bezoek kwam, hun benodigdheden voor de aanbidding met zich mee om zich te verzekeren van Zijn zegen zeggende: 'O mijn Heer, houdt dit land in stand dat U, zoals U dat voorheen hebt gedaan, hebt gered [als de andere vishnu-avatâras]'. (30) De mannen en de vrouwen in de stad verlieten daarna, begerig hun koning terug te zien keren na zo'n lange tijd, hun huizen om op de daken te gaan zitten van de grotere woningen zodat ze hun hongerige ogen de kost konden geven met de aanblik van de Heer met de Lotusogen en Hem met bloemen konden bestrooien. (31-34) Hij ging daarop dan de woning waar Zijn familieleden leefden binnen die door Zijn voorouders was veranderd in een ongekende schatkamer die helemaal volstond met de meest kostbare voorwerpen. De deurposten waren van koraal, de pilaren in rijen langs de gepolijste marakata vloeren [van smaragd] waren van vaidûrya-gesteente, er waren adembenemende marmeren fonteinen, alle soorten bloemen en vlaggen, een rijke stoffering en een onzeglijke hemel naar ieders verlangen aan artikelen opgesierd met parels en de meest kostbare stralende edelstenen. Met al de bossen bloemen, de geurige wierook en de lampen leken de mannen en vrouwen aldaar, wiens lichamen in schoonheid wedijverden met hun opsmuk, wel halfgoden. (35)  Daar genoot Hij, de Allerhoogste Heer Râma [let.: 'de bron der vreugde'], altijd behaagd door Zijn teerbeminde echtgenote, moeder Sîtâ, Zijn persoonlijke geluk als de leider van de grootste geleerden. (36) Voor vele vele jaren genoot Hij zonder ophouden, met de mensen mediterend op Zijn lotusvoeten, en zonder met het dharma in overtreding te komen, van alle geneugten van het leven.'

 * S'rî Caitanya Mahâprabhu zei over deze Râma-missie van het veroveren van de wereld: 'prithivîte âche yata nagarâdi grâma sarvatra pracâra haibe mora nâma'; Een zuivere toegewijde, daarom, moet de opdracht van de Heer ten uitvoer brengen en niet zijn zinnen bevredigen door te blijven steken op één plaats, valselijk trots, denkend omdat hij Vrindâvana niet verlaat maar chant op een afgezonderde plaats hij een grote toegewijde is geworden. Hij zei ook: 'yâre dekha, târe kaha 'Krishna'-upades'a'; iedere toegewijde, derhalve, moet het Krishna-bewustzijn verspreiden door te prediken, een ieder die hij ontmoet vragend om de opdracht van de Hoogste Persoonlijkheid van God te aanvaarden [Cc. Madhya 7.128].

 

Hoofdstuk 12

De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Kus'a [de zoon van Heer Râma] was er Atithi, en van hem was er Nishadha; Nishadha's zoon was Nâbha, Pundarîka kwam na hem en Kshemadhanvâ werd zijn zoon. (2) Devânîka was de zoon van Kshemadhanvâ, de zijne was Anîha die Pâriyâtra als zoon had; Pâriyâtra's zoon was Balasthala en die had weer een zoon genaamd Vajranâbha die afstamde van de zonnegod. (3-4) Van Sagana [van Vajranâbha] was er een zoon genaamd Vidhriti van wie de zoon Hiranyanâbha werd geboren die een leraar in de yoga werd naar Jaimini. Yâjñavalkya bestudeerde als discipel onder hem de spiritualiteit van Kaus'alya [âdhyâtma-yoga, zie 6.15: 12-15]: de hoogst verheven yoga waarin men een ziener wordt die in staat is de materiële knopen in het hart door te snijden. (5) Van Pushpa, de zoon van Hiranyanâbha, kwam Dhruvasandhi ter wereld van wie er Sudars'ana was. Na hem kwam Agnivarna wiens zoon S'îghra heette en Maru was zijn zoon. (6) Zijn persoon existeert nog steeds in Kalâpa-grâma ['verzameling van gemeenschappen'] als iemand volmaakt in de yoga; daar blijvend zal hij aan het einde van Kali-yuga een zoon verwekken zodat de verloren gegane dynastie van de zonnegod weer opnieuw tot leven komt. (7) Van hem was er een zoon: Prasus'ruta die Sandhi had en van hem kwam er een zoon genaamd Amarshana van wiens zoon Mahasvân hij die Vis'vabâhu heette zijn geboorte nam. (8) Van hem was er Prasenajit van wie Takshaka dan weer zijn geboorte zou nemen. Van Takshaka was er Brihadbala, hij die toen door uw vader in een gevecht werd gedood. 

(9) Al deze koningen van de Ikshvâku-dynastie behoren allemaal tot het verleden, verneem nu over hen die nog komen: na Brihadbala zal er een zoon zijn genaamd Brihadrana. (10) Brihadrana's zoon zal Ûrukriya zijn, van hem zal Vatsavriddha zijn geboorte nemen, Prativyoma zal zijn zoon zijn en van hem zal Bhânu er zijn, wiens zoon Divâka een grote legeraanvoerder wordt. (11) Sahadeva uit hem geboren zal een grote held op de wereld zetten: Brihadas'va, van wie Bhânumân er zal zijn. Van Bhânumân zal Pratîkâs'va vader zijn van de zoon Supratîka. (12) Marudeva zal daarna geboren worden en van hem zal Sunakshatra er zijn; vervolgens zal Pushkara er zijn en zijn zoon Antariksha zal Sutapâ zijn wiens zoon Amitrajit wordt. (13) Brihadrâja zal dan van hem Barhi voortbrengen, Kritañjaya uit hem geboren zal een zoon genaamd Ranañjaya krijgen en van hem zal Sañjaya ter wereld komen. (14) Van hem zal S'âkya er zijn wiens zoon de gedenkwaardige S'uddhoda zal wezen. Hij wordt vader van Lângala van wie er Prasenajit zal zijn, die op zijn beurt de vader zal zijn van Kshudraka. (15) Ranaka zal uit Kshudraka geboorte nemen, Suratha zal de zoon daarna zijn, en hij die uit hem voortkomt, Sumitra, zal het einde van de lijn van al deze koningen in de Brihadbala-dynastie vormen. (16) Van al deze afstammelingen van Ikshvâku zal Sumitra in de toekomst als de laatste verschijnen omdat met hem als koning het hoogste zal zijn bereikt voor Kali-yuga.'

 

Hoofdstuk 13  

Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.

(1) S'rî S'uka zei: 'Nimi [zie 9.6: 4], de zoon van Ikshvâku, benoemde van zins een offer te brengen Vasishthha als de priester en die zei: 'Ik ben al besproken voor Heer Indra, o Mahârâja. (2) Als ik klaar ben met die offerplechtigheid zal ik terugkomen, wacht tot dan op me'.

Nimi hield zich stil en [Vasishthha] voerde de offerplechtigheid uit voor Indra. (3) Met de goeroe een lange tijd weggebleven dacht Nimi: 'Het leven is maar kort' en liet de plechtigheid een aanvang nemen met een andere zelfverwerkelijkte ziel als de leidende priester.

(4) Na de plechtigheden te hebben afgerond ontdekte de goeroe toen hij terugkeerde dat men afweek van de instructies die hij gegeven had en om die reden sprak hij een vloek uit: 'Moge het lichaam van Nimi, die denkt dat hij zo geleerd is, ten onder gaan!'

(5) Nimi [op zijn beurt] vervloekte de goeroe, die in ontkenning van zijn religieuze praktijk probeerde te floreren, terug met: 'En moge uw lichaam, zo slecht bewust van het dharma met uw begeerte, eveneens ten onder gaan!'

(6) Aldus moest Nimi, volledig bekend met de spirituele kennis, zijn lichaam opgeven. Vasishthha, de grootvader [stierf ook maar] werd met [het zaad van] Mitra en Varuna [opnieuw] geboren uit Urvas'î [de courtisane van de hemel, zie ook 6.18: 5-6]. (7) Nimi's lichaam werd geconserveerd in geurige substanties en aan het eind van het Sa(t)tra-offer [een langdurend Soma-offer] formuleerden zij van God die zich verzameld hadden het volgende: (8) 'Moge dit lichaam van de capabele koning door ons gekoesterd, tot leven komen!'

Nadat ze zich zo hadden uitgedrukt gaf Nimi ten antwoord: 'Bindt me niet aan een materieel lichaam! (9) Er afkerig van om valselijk verenigd te zijn verlangen spirituele filosofen [jñâni's] het noch om op die manier in contact te staan noch om van een dienst te zijn als die van de grote heiligen die aan de lotusvoeten verzonken zijn in gedachten over de Heer [zie bhajan]. (10) Ik wens het niet een lichamelijke vorm aan te nemen die gedoemd is weer te sterven, het is overal voor iedereen, net als met vissen die in het water leven, de oorzaak van alle leed, treurnis en angst [zie ook 1.13: 47 en B.G. 9: 3].'

(11) De goddelijken zeiden: 'Leef, zoals u het wenst, zonder een lichaam; in de ogen van de belichaamden mag u gemanifesteerd zijn dan wel niet gemanifesteerd nu we u aanschouwd hebben in uw geestelijk bestaan!'

(12) Met het oog op de gewone man bevreesd voor anarchie karnden de grote zieners het verscheiden lichaam van Nimi en kwam aldus een zoon ter wereld [vergelijk: 4.14: 43 en 4.15: 1]. (13) Vanwege zijn ongewone geboorte raakte hij bekend als Vaideha ['vrij van een lichaam'] omdat hij werd geboren uit Videha [Nimi die zonder een lichaam was]. Zowel hij als de stad die hij grondvestte stonden bekend als Mithila vanwege het uit het karnen geboren zijn. (14) Van hem was er een zoon genaamd Udâvasu, hij die uit hem geboren werd was Nandivardhana, Suketu volgde hem op en zijn zoon droeg de naam Devarâta, o grote heerser. (15) Van hem was Brihadratha er, Mahâvîrya was er van hem en hij werd de vader van Sudhriti die een zoon had genaamd Dhrishthaketu. Hij op zijn beurt kreeg Haryas'va na wie Maru er was. (16) Maru's zoon was Pratîpaka en van hem kwam Kritaratha ter wereld. Van hem kwam Devamîdha en zijn zoon Vis'ruta had er een genaamd Mahâdhriti. (17) Kritirâta volgde en van hem was er Mahâromâ als zoon wiens zoon Svarnaromâ een zoon had die Hrasvaromâ heette om de dynastie voort te zetten. (18) Van hem werd S'îradhvaja [Koning Janaka] geboren die voor het uitvoeren van offers de aarde omploegend vooraan bij de punt ervan [of de s'îra] Sîtâdevî geboren zag [de vrouw van Râma, Sîtâ betekent 'de ploegvoor'], om welke reden hij gevierd werd als S'îradhvaja. (19) Kus'adhvaja was S'îradhvaja's zoon en zijn zoon was koning Dharmadhvaja wiens twee zoons Kritadhvaja en Mitadhvaja heetten. (20-21) Kritadhvaja kreeg Kes'idhvaja en Mitadhvaja's zoon was Khândikya, o Koning. Kritadhvaja's zoon was een expert in de wetenschap der transcendentie en Khândikya was een expert in de vedische rituelen. De laatstgenoemde sloeg op de vlucht uit angst voor Kes'idhvaja. Van Bhânumân, Kes'idhvaja's zoon, was er de zoon S'atadyumna. (22) S'uci was zijn zoon en van hem kwam de zoon Sanadvâja ter wereld. Ûrjaketu, zijn zoon, had Aja die daarna Pûrujit als zoon kreeg. (23) Ook hij had een zoon: Arishthanemi, en van zijn zoon S'rutâyu was er Supârs'vaka die de vader werd van Citraratha van wie de zoon Kshemâdhi de koning van Mithilâ werd. (24) Zijn zoon genaamd Samaratha had er een genaamd Satyaratha. Door hem werd Upaguru geboren die Upagupta verwekte die een gedeeltelijke expansie was van Agni [de god van het vuur]. (25) Vasvananta [van Upagupta] zijn zoon daarna stond bekend onder de naam Yuyudha die een zoon had genaamd Subhâshana en zijn zoon was S'ruta. Hij had Jaya en Jaya kreeg Vijaya. Vijaya's zoon was Rita. (26) Van hem kwam de zoon S'unaka ter wereld, toen kwam Vîtahavya en zijn zoon was Dhriti. Dhriti verwekte de zoon Bahulâs'va en van hem was Kriti er die een zoon had genaamd Mahâvas'î. (27) Dit zijn de afstammelingen van Mithila, o Koning, die bij genade van de Heer van de Yoga allen ware kenners van de ziel waren en bevrijding vonden van de wereldse dualiteit, ondanks dat ze thuis bleven.'

 

Hoofdstuk 14  

Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

(1) S'rî S'uka zei: 'En verneem nu hierna [na de verhalen over de dynastie van de zonnegod], o Koning, over de dynastie van de maangod, want, om te luisteren naar de louterende beschrijvingen van de koningen met Aila [of Purûravâ] voorop van die dynastie, is een zegenrijk iets. (2) Van de Allerhoogste Geest die duizenden hoofden heeft, Dhâtu [het 'oorspronkelijke element' of Heer Brahmâ], hij die was verschenen op de lotus die voortkwam uit het meer van de navel [van Vishnu], was er een zoon genaamd Atri met dezelfde kwaliteiten als zijn vader. (3) Vanuit zijn vreugdetranen werd een zoon geboren [zie ook 4.1: 15]: Soma, de god van de maan met zijn nectargelijke stralen die daadwerkelijk door Brahmâ was aangesteld als het heersende gezag over de geleerden, de medicinale kruiden en de hemellichten [zie ook B.G. 10: 21 en 6.6: 23]. (4) Hij, na de drie werelden te hebben veroverd, voerde een râjasûya-offer uit en ontvoerde in zijn arrogantie met geweld de vrouw van Brihaspati genaamd Târâ. (5) Toen de geestelijk leraar der godvruchtigen bij herhaling om haar verzocht liet hij in zijn lust haar niet gaan en brak er om die reden een strijd uit tussen de Sura's en de Dânava's. (6) Vanwege de vijandigheid van S'ukra ['zaad', de geestelijk leraar van de Asura's] jegens Brihaspati koos S'ukra met de Asura's de kant van de maangod, maar S'iva met de angstaanjagenden en spookachtigen die hem volgen koos vervuld van genegenheid voor [Brihaspati,] de zoon van zijn goeroe [die Angirâ was uit wie hij lering trok]. (7) De grote Indra nagevolgd door al de verschillende halfgoden sloot zich aan bij de geestelijk leraar [Brihaspati] en de strijd die alzo enkel en alleen om Târâ uitbrak eiste van sura en asura een hoge tol. (8) De beweger van het Universum, Heer Brahmâ, die hier volledig van op de hoogte was gesteld door Angirâ gaf Soma een zware uitbrander en overhandigde Târâ aan haar echtgenoot die ontdekte dat ze zwanger was.

(9) [Brihaspati zei tot haar:] 'Jij dwaze vrouw, breng meteen, breng onmiddellijk dat kind ter wereld uit die baarmoeder die voor mij was gereserveerd; hoewel bevrucht door een ander zal ik jou, ontrouw als je bent, niet op de brandstapel zetten omdat je een vrouw was die smachtte naar een kind.'

(10) Târâ diep beschaamd bracht een kind ter wereld dat een gloed had als van goud, hetgeen Brihaspati en Soma deed begeren naar het kind. (11) 'Het is van mij, niet van jou!' riepen ze over en weer elkaar bevechtend om het kind, maar toen al de geheiligden en goden vragen begonnen te stellen kon Târâ er in haar schaamte niets over vertellen.

(12) Het kind zei kwaad geworden op zijn moeder: 'Wat heeft die schaamte nu voor nut, waarom spreekt u zich niet uit en houdt u het geheim; zeg me nu direct wat voor vergissing u begaan hebt!'

(13) Haar gerust stellend nam Heer Brahmâ haar apart en verzocht hij haar om nadere uitleg waarop ze schoorvoetend toegaf: 'Dit kind behoort Soma toe'. Meteen nam Soma het toen onder zijn hoede. (14) Omdat het zo diep intelligent was verkeerde de god van de maan in opperste verrukking dat hij zo'n zoon had gekregen en vereerde Heer Brahmâ het met de naam Budha. (15-16) Van hem werd, zoals ik al zei [in 9.1], uit Ilâ [de voormalige Sudyumna] Purûravâ geboren. Toen Urvas'î [zie ook 9.13: 6] aan Indra's hof Nârada hoorde spreken over zijn schoonheid, kwaliteiten, grootmoedigheid, gedrag, weelde en macht zocht de devî hem op en werd ze getroffen door de pijlen van Cupido. (17-18) Van de vervloekingen van Mitra en Varuna had de vrouw een aantal menselijke gewoonten overgehouwen en zocht ze, toen ze zag hoe de beste der mannen zo mooi was als Cupido, geduldig en bedeesd zijn gezelschap. Toen hij, de koning, de goddelijke dame ontwaarde, richtte hij zich enthousiast tot haar met lieve woorden, stralende ogen en zijn haren overeind van verrukking. (19) De achtenswaardige koning zei: 'Weest welkom o schoonste der schonen, neem alsjeblieft plaats, wat kan ik voor je betekenen? Hou me gezelschap en deel voor vele, vele jaren mijn bed!'

(20) Urvas'î zei: 'Welke vrouw zou zich niet aangetrokken voelen met de gedachte aan en aanblik van u, o schone man, en er van afzien de lust en liefde aan uw borst te genieten? [zie ook 7.9: 45] (21) Deze twee lammetjes, o Koning, zijn ten val gekomen en hebben behoefte aan uw bescherming, o achtenswaardige gastheer; in het gezelschap van een superieure echtgenoot zo zegt men kan een vrouw de seksuele vereniging genieten. (22) Dat wat met ghee bereid is, o held van mij, zal mijn voedsel zijn en ik wil u op geen enkel ander ogenblik naakt zien dan tijdens de geslachtsgemeenschap.'

'En zo zal het dan zijn' beloofde de grote ziel. (23) 'Zie toch hoe mooi je bent en wat een houding je hebt, niemand op deze aarde is zo aantrekkelijk, wie kan er nu zo'n godin weerstaan die in eigen persoon is nedergedaald tussen de menselijke wezens!'

(24) Met haar genoot hij, de beste onder de mensen, wat er naar zijn zin maar te genieten viel in de meest uitgelezen plaatsen en lusthoven als Caitraratha [zie ook 5.16: 13-14]. (25) Verguld met haar en immer meer opgewonden door de geur van haar prachtige gezicht, genoot hij er iedere dag van om voor een lange tijd het leven met haar te delen, dat godsgeschenk dat zo zoet was als de saffraan van een lotus. (26) Urvas'î niet meer ziend zei Indra tot de zangers van de hemel: 'Zonder mijn Urvas'î is mijn verblijf niet meer wat het was'.

(27) Dus kwamen ze in het holst van de nacht, toen alles in duisternis was gehuld, om Urvas'î's twee lammetjes weg te stelen die zij als de vrouw van de koning hem had toevertrouwd. (28) Toen zij hen, die zij als haar zoons behandelde, hoorde schreeuwen toen ze werden meegenomen zei ze: 'Het is gedaan met me, met zo een slechte eunuch van een echtgenoot die zichzelf voor een held houdt! (29) Op hem vetrouwend, heb ik nu dankzij hem die gedurende de dag een kerel is maar 's nachts als een vrouw wegkruipt uit angst voor plunderaars, mijn twee 'zoons' verloren.'

(30) Getroffen door de pijlen van haar scherpe woorden nam hij, als een opgejaagde olifant, in het donker een zwaard ter hand en ging hij woedend naakt naar buiten. (31) Zij [de Gandharva's], baadden nadat ze de lammetjes hadden teruggegeven, het hele terrein in een licht zo fel als de bliksem, zodat Urvas'î haar echtgenoot naakt kon zien terugkeren met de twee in zijn handen [en dus vertrok ze]. (32) Hij die zijn vrouw niet meer in bed aantrof, weeklaagde helemaal van streek zeer terneergeslagen in zijn gehechtheid aan haar en begon de hele aarde als een dolleman af te zoeken. (33) Hij ontdekte Urvas'î in Kurukshetra [een pelgrimsoord, zie ook B.G. 1: 1] aan de Sarasvatî met vijf metgezellen en dolgelukkig sprak Purûravâ haar één en al glimlach aan met de zachtste woorden: (34) 'Oh, mijn echtgenote, blijf, blijf, wees niet zo wreed. Je zou mij niet op hebben moeten geven omdat ik je tot dusverre niet gelukkig wist te maken. Laten we eens wat praten. (35) Dit fraaie lijf van mij, zo ver van huis meegevoerd door jou, zal ter plekke dood neervallen o devî, en de vossen en gieren zullen het verslinden als het niet je goedkeuring weg kan dragen!'

(36) Urvas'î zei: 'Wees een man, vlucht de dood niet in, laat die vossen van de zinnen je niet opvreten; je kan echt niet altijd rekenen op de vriendschap van de vrouwen die met het hart als de wolven kunnen zijn. (37) Pas er voor op, vrouwen [, als mannen hun plicht verzaken, zie B.G. 1: 40] kennen geen genade, zijn doorgewinterd, moeilijk te hanteren, wagen het te doen waar ze maar zin in hebben en halen inderdaad jou als trouwe echtgenoot en broeder naar beneden om de geringste reden zo zegt men. (38) Ze wekken [in hun tactieken] valse hoop in de niets vermoedende, keren [als ze ontevreden zijn] hun weldoeners de rug toe, willen altijd maar nieuwere en nieuwere dingen, bezwijken makkelijk voor de verleiding en zijn [als het moet] ware kampioenen in de onafhankelijkheid. (39) Aan het einde van ieder jaar mag je goede zelf rekenen op enkel één nacht met mij, mijn echtgenoot, om de liefde te bedrijven zodat je de één na de ander kinderen op deze wereld kan zetten, mijn liefste [zie ook 6.18: 38-42].'

(40) Ziend dat Urvas'î zwanger was keerde hij naar zijn paleis terug om aan het einde van het jaar op diezelfde plek Urvas'î, de moeder van een held, weer terug te zien. (41) Met het bereiken van die omgang herenigde hij zich opgetogen met haar genietend van haar gezelschap. Toen de nacht was verstreken zei Urvas'î tot de armzalige die in de put zat bij de gedachte van haar gescheiden te zijn: (42) 'Ga en zoek je heil bij de zangers van de hemel, de Gandharva's, ze zullen je mijns gelijke bieden als je ze tevredenstelt met gebeden', en dat [agnisthâlî] meisje voortgebracht door het vuur van het offer o Koning, deed hem, door het woud lopend, denken dat ze echt was. (43) Het surrogaatmeisje opgevend [sthâlî betekent surrogaat] begon hij, teruggekeerd uit het woud, thuis de hele nacht te mediteren in de tijd dat Tretâ Yuga op het punt stond zijn aanvang te nemen en werden voor zijn geestesoog de drie [trikânda principes van de Veda's, van upâsanâ: offeren, lied en gebed; karma: vruchtdragende arbeid en jñâna: spirituele kennis] onthuld. (44-45) Op weg naar waar hij zijn sthâlî-vrouw had achtergelaten zag hij dat een As'vattha was ontsproten uit het binnenste van een s'amî boom. Van hen twee maakte hij, in zijn verlangen te geraken waar Urvas'î was, twee houtjes [om vuur te maken] en mediteerde hij, de meester van het rijk, met mantra's [*] op Urvas'î als het liggend houtje, zichzelf als het bovenste houtje en wat er tussen hen was als het kind dat hij verwekt had. (46) Uit de wrijving kwam een vuur voort, het vuur dat zo de zoon werd van de koning waarvan er de drie [jâtavedâ] bekende vormen van vedische vervulling zijn [van een leven hebben met je fysieke vader, je geestelijk leraar en met de offers die je brengt, maar ook met de drie letters AUM en de drie offervuren genaamd Âhavanîya, Gârhapatya and Dâkashinâgni]. (47) Op die manier aanbad hij, begeertig Urvas'î's plaats te bereiken, de Beheerser Aller Offers, de Hoogste Persoonlijkheid Gods voorbij aan de zinnen die de Heer is en het Reservoir van alle Halfgoden [zie ook B.G. 3: 10]. (48) Vroeger [in Satya-yuga] waren met slechts één enkele mantra, te weten het Omkâra van de Pranava, alle verbale [vedische, atharva] uitingen gedekt, was Nârâyana de enige God en bestond er voor Agni voorzeker geen andere varna [klasse, kleur of roeping] dan één enkele [genaamd hamsa**]. (49) Aldus was er van Purûravâ het vedisch drietal bij de aanvang van Tretâ Yuga, o heerser der mensen; door eenvoudigweg als zijn zoon het vuur te genereren bereikte de koning de verblijfplaats van de Gandharva's.

  * In deze samenhang is sprake van de mantra's: 's'amî-garbhâd agnim mantha' 'van binnen de s'amî wordt het vuur opgewekt' en 'urvas'yâm urasi purûravâh': 'door Urvas'î het beste van Purûravâ'.  

** In Satya-yuga, werd Heer Nârâyana aanbeden middels meditatie (krite yad dhyayâto vishnum): iedereen mediteerde en behaalde succes zich bezinnend op Heer Vishnu, Nârâyana. In de volgende yuga, Tretâ-yuga, nam het uitvoeren van offerplechtigheden zijn aanvang (tretâyâm yajato mukhaih). In Dvâpara-yuga wordt de Heer aanbeden als een koning, terwijl in Kali-yuga de Heer er is als Zijn eigen toegewijde [een bedekte of channa-avatâra] om leiding te geven in toewijding.

 

Hoofdstuk 15  

Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Door Purûravâ waren er uit Urvas'î's schoot zes zoons, o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya. (2-3) S'rutâyu had een zoon Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kâñcana als Bhîma's zoon. Van Hotraka, de zoon van Kâñcana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk. (4) Van Jahnu werd inderdaad Pûru [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] geboren en van hem was er daarna Balâka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde en van Kus'a kwamen er daarna de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha na wie Gâdhi verscheen als de zoon van Kus'âmbu. (5-6) Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka gevraagd werd zijn vrouw te zijn, maar hem niet geschikt achtend gaf Koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe we behoren, duizend paarden zo stralend als het licht van de maan met ieder één zwart oor.' (7) Aldus verzocht begreep de wijze wat de bedoeling was en begaf hij zich naar waar Varuna zich bevond vanwaar hij de paarden bracht en opleverde waarna hij met de prachtige dochter in het huwelijk trad. (8) Hij als ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder in een verlangen naar een zoon verzocht [om voor ieder van hen] een gerecht te bereiden, dat hij met mantra's aan hen beide aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen. (9) Ondertussen werd Satyavatî door haar moeder gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was af te staan, omdat ze dacht dat de beste van de twee was. Ze deed er afstand van en at zelf van de offergave van haar moeder.

(10) Toen hij hier achter kwam zei de wijze tot zijn vrouw: 'Dat is een zeer betreurenswaardig iets wat je gedaan hebt, je zoon zal een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn terwijl de broer een spiritueel ontwikkelde geleerde zal zijn!'

(11) Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn, en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Zo niet, dan zal zijn zoon zo moeten worden!', en vervolgens kwam Jamadagni ter wereld.

(12-13) Zij [Satyavatî] werd ook groot en heilig, de hele wereld zuiverend als de Kaus'ikî [een rivier]. Jamadagni huwde zo Renukâ, de dochter van Renu, die van de ziener van Bhrigu werkelijk vele zonen het leven liet zien van wie Vasumân de oudste was en de alom befaamde Paras'urâma [ook bekend als Râma] de jongste zoon was. (14) Van hem [Paras'urâma] die eenentwintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie, spreken allen als een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva; hij ontdeed de aarde van al haar kshatriya's. (15) Hij vaagde van de planeet de last weg van de ingebeelde, besturende klasse die, overdekt door hartstocht en onwetendheid verstoken van respect voor het brahmaanse gezag, door hem ter dood werd gebracht ondanks het feit dat ze geen grote overtreding had begaan [zie ook 1.11: 34].'

(16) De achtenswaardige koning zei: 'Wat was precies de overtreding die die corrupte edellieden die de beheersing kwijt waren begingen jegens de Allerhoogste Heer, en om reden waarvan telkens weer opnieuw de dynastie vernietigd werd?'

(17-19) De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had, met een allesomvattend eerbetoon voor Dattâtreya - die een volkomen deelaspect is van Nârâyana -, daarvan een duizendtal armen gekregen en was, hoogst moeilijk te verslaan, onoverwinnelijk temidden van zijn vijanden, scherp van zinnen, zeer aantrekkelijk, van invloed, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Met de weelde van de beheersing van de yoga waarin de perfecties als animâ [zie siddhi] en dergelijke worden gevonden, ging hij onvermoeibaar als de wind de hele wereld over. (20) Omringd door prachtige vrouwen [eens] genietend in het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenslinger der victorie die hem was omhangen, de stroom van de rivier tot stilstand met zijn armen. (21) De ingebeelde held Tien-hoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen daar het water dat stroomopwaarts bewoog vanwege hem zijn kampement onder water had gezet. (22) Toen hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging.

(23) Op een keer tijdens een jachtpartij voor zichzelf wat doelloos ronddolend door het bos, stuitte hij [Kârtavîryârjuna] op de âs'rama waar Jamadagni-muni zijn toevlucht had. (24) Hem, die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, kon de grote wijze als de triomf der verzaking door zijn koe van overvloed [kâmadhenu] alles bieden waar maar behoefte aan was. (25) Hij [de koning] die zag welk een soort van weelde groter dan zijn eigen persoonlijke verworvenheden het in feite betrof, kon dat werkelijk niet zo op prijs stellen en ontwikkelde met zijn Haihaya's een begeerte naar die koe van het vuur-offer. (26) In zijn eigenwaan moedigde hij zijn mannen aan de wijze zijn koe van overvloed weg te stelen, die door hem werd meegevoerd naar Mâhishmatî tezamen met het van het geweld krijtende kalf. (27) Nadat de koning vertrokken was werd Paras'urâma, nadat hij was teruggekeerd naar [zijn vaders] âs'rama, zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft toen hij van die schandelijke daad vernam. (28) Een afgrijselijke hakbijl ter hand nemend, een koker pijlen, een boog en een schild ging hij, Hij die Alsmaar Kwader Werd, achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt. (29) Met hem, de beste van de Bhrigu's achter zich aan in woede met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl met zich meedragend, zag hij hem, de hoofdstad betredend met het zwarte hertenvel dat zijn lichaam bedekte en zijn samengeklitte lokken, stralen als het licht van de zon. (30) Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af om hem te bevechten met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur maar Paras'urâma, de Heersende Meester, doodde hen allen woest eigenhandig. (31) Waar ook wie ook werd door hem als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl zo gezwind als de wind en zo rap als de geest in mootjes gehakt; met alle geweld van de doder van de valse orde lagen toen her en der de afgehakte armen en benen en schouderpartijen van de berijders van de olifanten en de paarden die afgeslacht ter aarde waren gestort. (32) Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen, en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts. (33) Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd evenzovele pijlen op evenzovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene met de wapens sneed ze met slechts één boog alle aan stukken. (34) Opnieuw viel hij aan met door hemzelf uit de aarde gerukte heuvels en bomen, maar door Paras'urâma's messcherpe bijl werden met veel geweld ter plekke al de armen van hem die kwam aanstormen er afgehakt als waren het slangenkragen. (35-36) Ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van de romp geslagen en vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst toen hun vader werd gedood. De koe en het kalf van het vuuroffer die zwaar te lijden hadden gehad terughalend, keerde de Doder der Valse Heldhaftigheid naar zijn vaders hermitage terug om ze aan hem over te dragen. (37) Nadat hij zijn vader en broers op de hoogte had gesteld van wat hij allemaal gedaan had, sprak Jamadagni nadat hij daarnaar geluisterd had als volgt:

(38) 'O Râma, Râma, zo groot en machtig, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die meester der mensen die al de goddelijken belichaamt. (39) Wij inderdaad zijn brahmanen, mijn beste, die met hun vergevingsgezindheid een positie van respect verworven hebben; het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen. (40) Eenvoudigweg vergeven behaagt de Godin van het Geluk en zal haar zich doen verhouden tot het brahmaanse als het licht van de zon; met de genadigen zal de Allerhoogste Heer Hari, onze Beheerser, snel zijn behaagd. (41) De koning befaamd als keizer te doden is iets dat erger is dan het doden van een brahmaan, en daarom was die zonde van je af, mijn beste, met het eerbiedigen van de heilige plaatsen in het bewustzijn van de Onfeilbare.' 

* De Mahâbhârata beschrijft een akshauhinî in de Âdi parva, hoofdstuk twee: "Éénstrijdwagen, één olifant, vijf infanterie soldaten en drie paarden worden een patti genoemd door hen die thuis zijn in de wetenschap. Mensen met ervaring weten ook dat een senâmukha drie keer is was een patti is. Drie senâmukha's staan bekend als gulma, drie gulma's worden een gana genoemd, en drie gana's heten een vâhinî. Drie vâhinî's wordt door degenen die het weten beschouwd als een pritanâ, drie pritanâ's staan gelijk aan een camû, en drie camû's komen overeen met een anîkinî. Zij die weten refereren aan tien anîkinî's als zijnde een akshauhinî. De strijdwagens van een akshauhinî worden door hen die goed kunnen tellen beraamd op 21.870, o beste van de twee-maal geborenen, en het aantal olifanten is hetzelfde. De hoeveelheid infanteriesoldaten bedraagt 109.350, en het aantal paarden 65.610. Dit is wat men een akshauhinî noemt."        

 

Hoofdstuk 16  

Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

(1) S'rî S'uka zei: 'O zoon van de Kuru-dynastie, Paras'urâma door zijn vader aldus van advies gediend zei: 'Zo zij het!', en reisde een jaar lang alle heilige plaatsen af om daarna naar de âs'rama terug te keren. (2) Toen Renukâ (zijn moeder) zich eens naar de oever van de Ganges begaf, zag ze de koning van de Gandharva's [zie ook 9.14: 31] omhangen met een bloemenslinger van lotussen zich vermaken met de meisjes van de hemel, de Apsara's. (3) Zijn bezigheden gadeslaand terwijl ze naar de rivier ging voor wat water vergat ze, lichtelijk aangetrokken tot Citraratha, de tijd voor het vuuroffer. (4) Toen ze zich bewust werd van de verspilde tijd stond ze, teruggekeerd, bang om door de wijze te worden vervloekt met gevouwen handen voor hem waarbij ze de waterpot er bij neer had gezet. (5) De wijze begreep dat ze was bezweken voor de verleiding en werd kwaad op zijn vrouw zeggend: 'Dood haar mijn zoons, ze is vol van zonde', maar de zoons voerden zijn opdracht niet uit. (6) Door zijn meditatie en zijn verzaking zich volledig bewust van waar de wijze toe in staat was bracht Râma in reactie op de aansporing door zijn vader terstond zijn moeder en al zijn broers ter dood. (7) Door de verheugde Jamadagni gevraagd welke gunst hij maar verleend zou willen zien zei hij: 'Laat de doden vandaag van deze Râma weer tot leven komen en zich er niets meer van herinneren dat ze door mij ter dood zijn gebracht!' (8) En spoedig herrezen ze springlevend en gelukkig alsof ze ontwaakten uit een diepe slaap daar Râma was overgegaan tot het doden van zijn naasten in het volle bewustzijn van deze macht van verzaking van zijn vader.

(9) Zij die de zonen waren van Kâritaviryârjuna [9.15: 17], o Koning, konden het geluk niet vinden bij de voortdurende herinnering hoe hun vader het onderspit had moeten delven door de superieure macht van Paras'urâma. (10) Dus namen ze op een keer toen Râma en zijn broeders weg van de âs'rama in het bos waren, de kans waar hun verblijfplaats te naderen zinnend op wraak. (11) Toen ze bij de vuurplaats de muni aantroffen die daar volledig verzonken contempleerde op de Allerhoogste Geprezen in de Verzen, brachten ze hem, vastbesloten te zondigen, ter dood. (12) Hoogst wreed met de arme en onbeschermde moeder van Râma die om het leven van haar echtgenoot smeekte, namen zij, die zogenaamde kshatriya-broeders, met geweld bezit van zijn hoofd het van de romp slaand. (13) Renukâ de kuise vrouw in tranen en verslagen sloeg zich treurend met haar handen op het lijf luidkeels roepend: 'O Râma, o Râma, mijn liefste zoon!' (14) Toen hij, hoe ver weg hij ook was, die allerverdrietigste kreet 'oh Râma' hoorde, haastten ze [Râma en zijn broers] zich terug naar de âs'rama en zagen ze dat de vader was vermoord. (15) Van de wijs door de kracht van de pijn die hen trof, riepen ze in verslagenheid verdrietig, verontwaardigd en woedend uit: 'O vader, o heilige, nu hebt u, zo'n voorbeeld in het dharma, ons verlaten voor de hemel!' (16) Alzo weeklagend over hun vader vertrouwde Paras'urâma het lichaam aan zijn broers toe en nam hij in eigen persoon de bijl ter hand, vastbesloten om een einde te maken aan de kshatriya's. (17) Omdat er een brahmaan was vermoord ging Paras'urâma naar Mâhishmatî [de hoofdstad] om ze naar de verdoemenis te helpen: hij hakte hun allemaal het hoofd af, o Koning, en bouwde er midden in de stad een grote stapel van op. (18-19) Hun rivier van bloed was een verschrikking die alle koningen die in minachting voor het brahmaanse leefden in angst verzette. Het feit dat hij de moord op zijn vader moest aanvaarden vormde de aanleiding die resulteerde in het tot eenentwintig keer toe wegvagen van de hele adelstand van de aarde wanneer ze zich ook maar slecht gedroegen; als een krijgsheer schiep hij aldus te Samanta-pañcaka negen meren gevuld met bloed in plaats van met water [zie ook B.G. 4: 7].

(20) Zijn vaders hoofd weer bij zijn romp voegend en op kus'a grass houdend, aanbad hij met offerandes de Alomtegenwoordige Godheid die Alle Goddelijkheid Doorvaart. (21-22) De hotâ-priester gaf hij de oostelijke richting cadeau, de brahmâ-priester schonk hij de zuidelijke richting, de adhvaryu gaf hij de westkant en de udgâtâ kreeg inderdaad het noorden [vergelijk met 9.11: 2]. De anderen en Kas'yapa Muni wees hij de verschillende uithoeken toe en het middelste Âryâvarta gedeelte [*] schonk hij weg aan de upadrashthâ priester die toezag op de mantra's; de assisterende sadasya priesters kregen alles wat er overbleef. (23) Toen hij daarna een bad nam raakte hij op de oever van de hoofdstroom die de Sarasvatî was gezuiverd van de altijd maar voortdurende terugslag van de zonde en stond hij op als een zon zonder wolken [zie ook B.G. 3: 9]. (24) Door de aanbidding van Paras'urâma herkreeg Jamadagni zijn eigen lichaam met alle tekenen van leven, kennis en heugenis van de grote zieners en werd hij de zevende ster in een sterrenbeeld van zeven [de zeven wijzen, zie 8.13: 5, gekoppeld aan de saptarshi-mandala sterren rond de poolster]. (25) De zoon van Jamadagni, Paras'urâma, die eveneens de Allerhoogste Heer met de lotusblaadjes-ogen is, zal in het komende tijdperk van Manu, o Koning, een voorvechter van de vedische kennis zijn [als één van de zeven wijzen, zie 8.13: 15-16]. (26) Hij, met het opgegeven hebben van de roede in vrede met de intelligentie, is tot op de dag van vandaag nog aanwezig in de heuvels van Mahendra en wordt aanbeden en vereerd vanwege zijn karakter en optreden door al de vervolmaakten, zangers van de hemel en achtenswaardigen. (27) Op deze manier heeft, zich vertonend als een incarnatie in de lijn van Bhrigu en met het vele malen ter dood brengen van de heersers der mensen, de Ziel van het Universum, de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de aarde bevrijd van haar zware last.

(28) Van Gâdhi [zie 9.15: 4-5] kwam de hoogst machtige [Vis'vâmitra] ter wereld die vlammend als een vuur met zijn boetedoeningen de positie van een kshatriya op had gegeven en de kwaliteit van een brahmaan had bereikt [zie 7.11: 35 en voetnoot op 9.7: 7]. (29) Met Vis'vâmitra kon men eveneens rekenen op zoons: voorwaar honderd-en-één stuks, o heerser, die vanwege de middelste die Madhucchandâ heette als groep werden gevierd als de Madhucchandâ's. (30) Hij nam als zijn zoon S'unahs'epha aan, die als Devarâta ['gered door de goddelijken'], in de lijn van Bhrigu naar voren trad als de zoon van Ajîgarita; hij droeg zijn eigen zoons op hem te aanvaarden als de oudste. (31) Hij inderdaad werd voor de yajña van Haris'candra verkocht [aan Rohita] als het menselijk 'offerdier'. Door zijn gebeden tot de goddelijken onder leiding van Heer Brahmâ werd hij bevrijd van het als een beest vastgebonden zijn [zie 9.7: 20]. (32) Hij, beschermd in het perk van de goddelijken, slaagde er dankzij die godvrezende mensen in de dynastie van Gâdhi in zich te ontwikkelen op spiritueel gebied en werd aldus in de lijn van Bhrigu zowel gevierd als Devarâta als S'unas'epha. (33) Zij behorend tot de Madhucchandâ's die de [vijftig] oudsten waren konden dat [hij hun oudste broer zou zijn] niet van harte aanvaarden en werden allen vervloekt door de muni die kwaad op hen werd en zei: 'Mogen jullie allen, slechte zoons, mleccha's worden [**]!' (34) Het was inderdaad Madhucchandâ die toen met het tweede vijftigtal zei: 'We zullen ons neerleggen bij alles wat maar naar uw genoegen het onze zou zijn, o vader!' (35) Ze aanvaardden de oudste als een ziener van de mantra's en zeiden hem: 'We zijn het erover eens jou te volgen en zo zullen we dat naar waarheid ook werkelijk doen'. Vis'vâmitra zei tot de zoons: 'Jullie zullen allen vaders worden van zoons naar mijn eer daar jullie mij hebben aanvaard als een vader van waardige zoons. (36) Deze ene Devarâta is, precies zoals jullie dat zijn, mijn zoon, o Kus'ika's [***], gehoorzaam hem maar', en vele andere zoons volgden: Ashthaka, Hârîta, Jaya, Kratumân en meer. (37) Aldus ontwikkelde zich de Kaus'ika-dynastie van de zoons van Vis'vâmitra van wiens verschillende posities die ze als dusdanig hadden ingenomen, men zich bijgevolg van de verschillende soorten van hen kon overtuigen.'

* Het stuk land in India tussen het Himalaya gebergte en de Vindhya heuvels wordt Âryâvarita genoemd.

** Mleccha's zijn mensen die ingaan tegen de Veda's, niet-Aryan's die men ook wel kent als de vleeseters die door Heer Kalki aan het einde van Kali-yuga zullen worden omgebracht. 

*** 'Een van Kaus'ika' is een andere naam voor Vis'vâmitra en zijn zoons, zie ook 6.8: 38.

 

Hoofdstuk 17  

De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

(1-3) De zoon van Vyâsa zei: 'Van één zoon van Purûravâ, Âyu, waren er de machtige zoons Nahusha, Kshatravriddha, Rajî, Râbha en Anenâ. O adellijk heerser verneem nu over de dynastie van Kshatravriddha. Van Kshatravriddha's zoon Suhotra waren er drie zoons: Kâs'ya, Kus'a en Gritsamada. Van Gritsamada was er S'unaka en van hem kwam S'aunaka, een muni uitnemend in de gewijde [Rig Veda] verzen. (4) Kâs'i de zoon van Kâs'ya had Râshthra die de vader was van Dîrghatama. Van Dîrghatama was er Dhanvantari die als een incarnatie van Vâsudeva, de Genieter der Offers, de grondlegger was van de ayurvedische geneeskunde; Hem in gedachten houdend kan alle ziekte worden overwonnen [zie ook 8.8]. (5) Van Zijn zoon Ketumân werd een zoon geboren genaamd Bhîmaratha en van hem was er Divodâsa wiens zoon Dyumân was die ook wel bekend stond als Pratardana. (6) Hij stond eveneens bekend onder de namen S'atrujit, Vatsa, Ritradhvaja en Kuvalayâs'va. Van hem waren er Alarka en andere zoons. (7) Niemand had voorheen, o Koning, zoveel van het oppervlak van de aarde genoten als Alarka als een jonge man dat deed voor een zes-en-zestigduizendtal jaren. (8) Van Alarka was er Santati, van hem kwam Sunîtha, zijn zoon was Niketana en Niketana's zoon was Dharmaketu van wie Satyaketu ter wereld kwam. (9) Na Dhrishthaketu was er van hem Sukumâra die de gehele planeet regeerde. Vîtihotra was zijn zoon en Bharga die van hem ter wereld kwam bracht een zoon voort genaamd Bhârgabhûmi, o heerser der mensen.

(10) Aldus beschreef ik u al de nakomelingen geboren in de dynastie van Kâs'i. In de lijn van Kshatravriddha kwam er van Râbha Rabhasa, een zoon, ter wereld. Van hem kwam Gambhîra en Akriya was zijn zoon. (11) De afstammeling die geboorte nam door hem heette Brahmâvit. Verneem nu over de nakomelingen van Anenâ. Er was een zoon S'uddha van wie S'uci ter wereld kwam die Citrakrit als zijn zoon had die ook bekend stond als Dharmasârathi. (12) Door hem werd S'ântaraja geboren die allerlei soorten vedische rituelen ten uitvoer bracht; hij was een zelfverwerkelijkte ziel [en aldus eindigde de lijn bij hem]. Van Rajî waren er vijfhonderd zoons die hoogst machtig waren. (13) Op het verzoek van de goddelijken de demonen dodend gaf hij het hemelrijk terug aan Indra, de hemelkoning. Maar Indra, bevreesd voor de vijandschap van Prahlâda en anderen, gaf het terug en klampte zich aan hem overgevend vast aan Rajî's voeten. (14) Toen hun vader overleed gingen zijn zoons, er om verzocht het koninkrijk der hemelen aan de grote Indra terug te geven, daar niet toe over; ze scheepten hem af met een deel van de offers. (15) Door de goeroe [Brihaspati] werden offergaven geofferd in het vuur opdat Indra al Rajî's zoons ter dood kon brengen die van het pad waren afgedwaald. Geen van hen bleef in leven. (16) Van Kus'a, Kshatravriddha's kleinzoon, kwam Prati ter wereld. Een zoon van hem genaamd Sañjaya had een zoon Jaya die als zijn zoon Krita had van wie daarna koning Karyabala zijn geboorte nam. (17) Van Sahadeva, zijn zoon, was er Hîna van wie Jayasena als zijn zoon SanKriti had. SanKriti had er ook een die Jaya heette, een plichtsgetrouwe kshatriya en machtige krijgsheer. Dit waren al de koningen in de dynastie van Kshatravriddha, verneem nu van mij over de nakomelingen van Nahusha.  

 

Hoofdstuk 18  

Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

(1) S'rî S'uka zei: 'Van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] waren er net als de zes zintuigen van een belichaamde ziel [met de geest als het zesde], de zes van Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti. (2) De oudste zoon Yati, die wist wat het inhield om macht uit te oefenen, aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood, [want, zo argumenteerde hij,] de persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking. (3) Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn verheven positie, vanwege het beledigen van Indra's vrouw S'acî, en hij was afgezakt tot het leven van een slang, werd Yayâti de koning. (4) De vier broers jonger dan hem stond hij het toe om de verschillende windstreken te besturen. Yayâti aldus de wereld regerend huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.'

(5) De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's; hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-]huwelijk van een brahmaan [-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].

(6-7) S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een meisje met een moeilijk karakter, tezamen met duizenden vriendinnen en de dochter van de goeroe Devayânî, zo onschuldig als ze was in de paleistuin aan het rondlopen waar het vol met lotusbloemen en overal bloeiende bomen gezellig zoemde van de hommels. (8) Al de lotusogige meisjes aankomend bij de oever van het meer aldaar deden hun kleren uit aan de kant en begonnen zich te vermaken in het water elkaar natspetterend. (9) Toen ze Heer S'iva voorbij zagen komen met de godin [Pârvatî] gezeten op zijn stier, kwamen de jonge meisjes snel uit het water om zich vol schaamte te bedekken met hun kledingstukken. (10) S'armishthhâ zonder het in de gaten te hebben trok als was het haar eigen kleed de kleren van de dochter van de goeroe aan waarop Devayânî geïrriteerd dit zei: (11) 'Hoe jammer, zie nou toch eens hoe zij, als een dienstmeid, indruist tegen de goede zeden. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was! (12-14) Van hen door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin hun gebeden opdragen, van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest heeft zij, wiens duistere vader een leerling is van onze vader, als een laag-bij-de-grondse s'ûdra aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding - het is als een onkuis iemand die de Veda's onder de knie probeert te krijgen!'

(15) S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe: (16) 'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten bij ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?'

(17) Met deze onaardige woorden griste S'armishthhâ na haar reprimande woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put. (18) Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, die in de buurt was vanwege een jachtpartij, daar aankwam en, smachtend naar water, haar aantrof in de put. (19) Zijn bovenkleding losmakend reikte de koning naar haar die daar beneden geheel naakt was en legde hij zijn hand in de hare in zijn vriendelijkheid om haar eruit te trekken. (20-21) Tot hem, de held, zei de dochter van de denker der hitte [Us'anâ ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] met woorden vol van liefde en genegenheid: 'O Koning met het in uw hand nemen van de mijne hebt u, o overwinnaar van alle andere koninkrijken, mijn hand aanvaard! Moge die hand niet worden beroerd door iemand anders dan u omdat de relatie tussen u en mij, die we door de voorzienigheid nu hebben o held, niet iets is dat door een mens werd beschikt! (22) Omdat ik in deze put ben beland heb ik uw goede zelf kunnen ontmoeten; [weest u zich van het volgende bewust:] geen gekwalificeerde brahmaan kan mijn echtgenoot worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati, daar in het verleden een vloek tegen heeft uitgesproken nadat ik hem had vervloekt [*].'

(23) Het stond Yayâti niet aan wat door God was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij, tot haar aangetrokken, echter in met wat ze hem zei. (24) Nadat de koning was vertrokken legde ze, weer naar huis teruggekeerd, in tranen alles aan haar vader voor verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gezegd was. (25) De machtige denker was er hoogst ongelukkig mee en het priesterschap vervloekend en de bezigheid van het verzamelen van de granen lovend [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 and 7.12: 17-19] verliet hij met zijn dochter zijn verblijfplaats. (26) Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat deed om te berispen of te vervloeken, stemde hem gunstig door hem met gebogen hoofd tegemoet te komen en zich neer te werpen voor de voeten. (27) De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer dan een enkel moment kon duren, zei toen tot zijn discipel: 'Alstublieft kom aan haar wensen tegemoet, o Koning, zolang als ik leef ben ik niet in staat het met dit meisje op te geven!'

(28) Met zijn instemmen om de zaak af te handelen gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Ik zal naar wie ook toe gaan aan wie mijn vader mij wegschenkt, samen met mijn dienares [S'armishthhâ] en haar vriendinnen.'

(29) Op dat moment wijselijk inziend wat het gevaar alswel het voordeel was van zijn [de âcârya zijn] grootheid, schonk de vader S'armishthhâ tezamen met haar vriendinnen aan Devayânî opdat zij met de duizenden andere vrouwen zorg zou dragen voor Devayânî als haar dienares. (30) Aan de nazaat van Nahusha zijn dochter samen met S'armishthhâ uithuwelijkend zei Us'anâ tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nimmer toe tot uw sponde!'

(31) Toen S'armishthhâ [later echter] zag hoe Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg ze hem eens op een gunstig tijdstip op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar als een trouwe echtgenote voelde. (32) Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij instructie verschafte voor een moment als dit, nam hij, door die prinses verzocht een zoon met haar te hebben, vanuit zijn eigen plichtsbesef en de algemene religieuze beginselen het besluit om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11]. (33) Yadu en Turvasu waren degenen die geboorte namen uit Devayânî en Druhyu, Anu en Pûru waren er van S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ. (34) Ontdekkend dat S'armishthhâ in verwachting was van hem vertrok Devayânî, kokend van woede, trots als ze was naar de woning van haar vader. (35) Zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna gegaan, probeerde hij haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden maar hij kon haar zelfs niet tot vrede bewegen door haar voeten te masseren. (36) S'ukra kwaad op hem zei: 'Jij rokkenjagende bedrieglijke kerel, moge jou, dwaas, de ouderdom toevallen die het menselijk lichaam misvormt.'

(37) S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust nog niet bevredigd met uw dochter, o brahmaan!'

[S'ukra antwoordde:] 'Zolang u nog van de lust bent mag u uw gedenkwaardigheid inwisselen voor de jeugd van iemand die bereid is uw plaats voor u in te nemen.'

(38) En zo greep hij de kans om van plaats te verwisselen met zijn oudste zoon hem vragend: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom! (39) Met wat de vader van je moeder me gaf mijn beste zoon, ben ik niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften, sta het me toe bij het goede van jouw leeftijd nog een paar jaren meer van het leven te genieten!' [zie ook 7.5: 30]

(40) S'rî Yadu zei: 'Het stemt me niet gelukkig uw oude dag op me te nemen terwijl u zich in de jeugd verheugd. Zonder [het hebben gehad van] de ervaring van lichamelijk geluk zal een persoon [als ik] nimmer onverschillig raken over materiële genoegens!' [zie ook 7.12: 9-11 en B.G 4: 13]

(41) De vader vroeg het aan Turvasu, Druhyu en aan Anu, o zoon van Bharata, maar ze weigerden het te aanvaarden omdat ze, niet bekend met de ware aard [van de ziel], hun tijdelijkheid aanzagen voor iets blijvends. (42) Hij vroeg het aan Pûru hoewel hij een jongere zoon was, hem zeggend: 'Mijn beste zoon, jij bent van een beter gehalte, jij zou me niet, zoals je oudere broers, moeten weigeren.'

(43) S'rî Pûru zei: 'Wie o Koning, beste onder de mensen, krijgt in deze wereld de gelegenheid de vader terug te betalen die hem dit lichaam schonk; bij zijn genade is het mogelijk dat hij een hoger leven kan genieten. (44) Hij die handelt met respect voor wat zijn vader denkt is de beste, hij die handelt naar wat hem wordt opgedragen is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder geloof te hechten, maar als stront is hij die tegen het woord van zijn vader ingaat.'

(45) Op deze manier was het genoegen geheel aan Pûru om de last van zijn vader's ouderdom op zich te nemen, en die was zeer ingenomen met al de verlangens die hoorden bij de jeugd van zijn zoon waar hij om gevraagd had, o heerser over de mensen. (46) Als de meester over het geheel van de zeven continenten regeerde hij als een vader over zijn onderdanen, zoveel als hij maar wilde het materiële geluk genietend zonder enige beperking van zijn zinnen. (47) Devayânî diende eveneens vierentwintig uur per dag als de liefste van haar geliefde in alle beslotenheid met haar hele lichaam, geest en woorden en alles wat erbij nodig was om hem de goddelijke verrukking te bezorgen. (48) Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de God en het Reservoir van alle Goddelijkheid en Het Voorwerp van Alle Vedische Kennis, was Yayâti van een overvloedige liefdadigheid. (49) Gelijk een massa wolken in de lucht doet heel de, in Hemzelf, geschapen wereld zich dan weer voor als een verscheidenheid aan levensvormen, en dan weer vertoont hij zich niet, als was hij een creatie van de geest zoals in een droom [zie ook B.G. 7: 24-25]. (50) Zeker van Hem, Heer Vâsudeva in zijn hart, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar zichtbaar is voor niemand, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester. (51) Hoewel hij aldus voor de periode van een duizendtal jaren te werk ging met de geest en de vijf zinnen in een idee van werelds geluk, kon hij, onzuiver in zijn sensualiteit, niet bevredigd raken, zelfs al was hij de heerser over allen.

* Swâmi Prabhupâda verklaart: 'Kaca, de zoon van de geleerde hemelse priester Brihaspati, was een voormalig student van S'ukrâcârya, van wie hij de kunst van het weer opnieuw tot leven wekken van een voortijdig gestorven mens had geleerd. Deze kunst, genaamd mrita-sañjîvanî, werd met name in tijden van oorlog toegepast. Als er eens een oorlog was, zouden er ongetwijfeld soldaten vroegtijdig de dood vinden, maar als zijn lichaam nog intact was, kon hij weer tot leven worden gewekt door deze mrita-sañjîvanî kunst. Deze kunst was S'ukrâcârya bekend en ook vele anderen, en Kaca, de zoon van Brihaspati, werd S'ukrâcârya's leerling om dit onder de knie te krijgen. Devayânî verlangde naar Kaca als haar echtgenoot, maar Kaca, uit achting voor S'ukrâcârya, beschouwde de dochter van de goeroe als een te respecteren hoger geplaatste en weigerde daarom met haar te trouwen. Devayânî vervloekte kwaad Kaca hem zeggend dat hoewel hij de mrita-sañjîvanî kunst had geleerd van haar vader, het hem van geen nut zou zijn. Eenmaal zo vervloekt, sloeg Kaca terug met de vloek dat Devayânî nooit een man zou hebben die een brâhmana was.'

 

Hoofdstuk 19  

Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

(1) S'rî S'uka zei: 'Hij [Yayâti] op deze manier de lust belevend met de vrouwen vertelde, terwille van zijn eigen welzijn er met intelligentie tegen optredend, vol afschuw het volgende verhaal aan zijn vrouw [Devayânî].

(2) 'Luister alsjeblieft o dochter van S'ukra naar deze geschiedenis die een perfect beeld geeft van een wereldse persoon zoals ik, iemand waarover de nuchtere lieden van het woud [zij die zich terugtrokken] zich altijd maar beklagen als zijnde te gehecht aan materiële genoegens. (3) Er was er eens een bok die in het bos op zoek was naar iets eetbaars voor zijn dierbare zelf. Per toeval kwam hij een geit tegen die door haar eigen toedoen in een put was beland. (4) Bewogen door de lust zon de bok op een manier om haar te bevrijden en ging er toen toe over met de punten van zijn hoorns te graven in de aarde rondom de put. (5-6) Toen zij uit de put raakte had ze naar de smaak van de bok inderdaad een fraai stel heupen en ook zij voelde wel voor hem als seks-partner, net zoals de vele geiten die toekeken dat ook deden. Stoer met een goeie baard, als een eersteklas zaaddonor en meesterlijk minnaar kon die bok, de nummer één bok voor hen allen, als een bezetene, alsmaar lustiger als enige genieten van hun grote aantal en zichzelf daarbij compleet vergeten [vergelijk 6.5: 6-20]. (7) Toen de geit die hij uit de put had gehaald hem, haar geliefde, bezig zag te genieten van een andere geit kon die bokkenmethode niet getolereerd worden. (8) Ze gaf hem als zijnde een wellustige, snode zwendelaar, een gelegenheidsvriend die alleen maar zinnelijk geïnteresseerd is, bedroefd op om terug te keren naar haar voormalige beschermheer. (9) Hij aan haar verslingerd ging toen gekweld in arren moede haar achterna en probeerde haar op haar weg tot vrede te bewegen met wat geiten al zo zeggen, maar dat was niet naar haar zin. (10) Kwaad werden daarop door de brahmaan die zorg droeg voor een andere geit [zijn eigen echtgenote] z'n bungelende testikels eraf gesneden maar ze werden voor zijn eigen bestwil door de yoga-expert weer aangehecht.

(11) O mijn liefste echtgenote, met zijn testikels in eer hersteld kon hij met de geit die hij uit de put had gered voor de tijd van vele, vele jaren tot op de dag van vandaag zijn wellustige verlangens niet bevredigd krijgen. (12) Ik ben precies zo'n armzalige sukkelaar; in jouw gezelschap met jouw mooie wenkbrauwen ben ik met handen en voeten gebonden aan de liefde en kon ik tot dusverre zo begoocheld door je uiterlijke verschijning niet van de ziel zijn [vergelijk 3.30: 6-12, 4.25: 56, 4.28: 17, 5.4: 18, 7.14 en 8.16: 9]. (13) Wat heb je aan al die rijst, die gerst, dat goud, de dieren en de vrouwen in deze wereld; ze bevredigen de geest niet van de persoon die het slachtoffer is van de lust. (14) Nooit en te nimmer zal de lust der wellustigen vrede vinden met de genietingen, net zoals het voeden van vuur met boter keer op keer, zo blijkt, het vuur telkens weer hoger zal doen oplaaien. (15) Als een man geen afgunst koestert, noch ten koste van een ander levend wezen tewerk gaat, zullen, voor die persoon die dan gelijkgezind is, alle wegen even gelukkig toeschijnen [zie ook B.G. 2: 56, 2: 71, & 4: 10]. (16) Dat wat zo moeilijk te verzaken is voor mensen die al te gehecht zijn, die grondoorzaak aller beproevingen die zelfs al staat men krom van de ouderdom nog niet is overwonnen, een dergelijk verlangen, behoort door degene die het geluk zoekt te worden opgegeven. (17) Noch tegen je eigen moeder, je zuster of je dochter moet je je aanschurken daar de zinnen zo krachtig zelfs de meest geleerde van streek zullen brengen. (18) Duizend jaren lang genoot ik onophoudelijk in zinsbevrediging, en nog steeds neemt het verlangen ernaar meer en meer toe. (19) Om die reden zal ik deze verlangens opgeven door mijn geest te vestigen op de Absolute Waarheid, en zal ik zonder de tegenstellingen, zonder me valselijk te vereenzelvigen, me rondbewegen met [de vrijheid van] de dieren in de natuur. (20) Zoals men ze ziet, zoals men ze nastreeft behoort men, ze kennende als zijnde tijdelijk, zelfs niet in overweging te nemen noch ze feitelijk te genieten, noch behoort men de voortzetting van het materiële leven en de vergeetachtigheid over het ware zelf dat er mee samenhangt te verlangen; hij die hier van doordrongen is is een zelfgerealiseerde ziel [zie ook B.G. 2: 13].'

(21) 'De zoon van Nahusha gaf, na dit tegen zijn vrouw gezegd te hebben, bevrijd van verlangens, aan Pûru zijn jeugd terug en nam van hem zijn oude dag weer over [zie 9.18: 45]. (22) Hij maakte [van zijn andere zoons] Druhyu koning over de zuidoostelijke richting, Yadu over het zuiden, Turvasu over het westelijk gedeelte en Anu over het noorden. (23) De rijkdom en welvaart van de hele planeet plaatste hij onder het gezag van Pûru als de meest bewonderenswaardige van de burgerij, hem tot keizer kronend over zijn oudere broers, en toen hij aldus zijn zaken had afgehandeld ging hij weg het bos in. (24) Hij had zonder onderbreking voor de duur van al die jaren met de zes van zijn manieren [zinnen en geest] genoten en dat gaf hij er allemaal aan in één keer [zie ook 2.4: 18] zoals een vogel die zijn nest verlaat als zijn vleugels eenmaal volgroeid zijn. (25) Zodoende raakte hij terstond bevrijd van al zijn gehechtheden en was hij, met inzicht in zijn eigenlijke positie, gezuiverd van de invloed van de drie geaardheden [zie ook 1.2: 17]. Zuiver in relatie tot het voorbije bereikte hij de Absolute Waarheid van Vâsudeva, bereikte hij zijn bestemming als een vertrouwde metgezel van de Allerhoogste Heer. (26) De geschiedenis vernemend begreep Devayânî dat het een instructie voor de zelfverwerkelijking betrof gepresenteerd als een grap in de uitwisseling van liefde tussen twee echtelieden. (27-28) Ze begreep dat leven met vrienden en verwanten die allen onderworpen zijn aan de controle van de strikte wetten van de natuur [de Tijd], zoiets is als het omgaan met reizigers bij een waterplaats die in het leven werd geroepen door het begoochelend vermogen van de Heer [overeenkomstig je karma]. De dochter van S'ukrâcârya die al haar gehechtheden verzaakte in deze op een droom lijkende wereld, vestigde haar geest geheel op Heer Krishna en gaf zowel het grove als het subtiele [de linga] op van haar ziel. (29) Mijn eerbetuigingen aan U, mijn Allerhoogste Heer Vâsudeva, Schepper van Allen verblijvend in Alle wezens en hemelen; al mijn respect voor U die in volmaakte vrede de Grootste bent van Allen!'

 

Hoofdstuk 20

De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata; de koningen van die dynastie waren stuk voor stuk geheiligde zielen en menige brahmaanse lijn van afstammelingen kwam eruit voort. (2) Janamejaya was degene die verscheen door Pûru, Pracinvân was zijn zoon en van hem was Pravîra er na wie Manusyu verscheen; het was uit hem dat Cârupada werd geboren. (3) De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava uit wie Samyâti ter wereld kwam die een zoon had genaamd Ahamyâti; de gedenkwaardige Raudrâs'va was zijn zoon. (4-5) Met een apsara meisje bekend onder de naam Ghritâcî werden er, gelijk de tien zinnen [van handelen en waarnemen] vanuit de levenskracht van het universele zelf, tien zonen geboren: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste. (6) Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon. (7) Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is.

(8-9) Eens ging Dushmanta uit jagen en stuitte hij op de âs'rama van Kanva. Daar aangekomen zag hij een vrouw zitten die straalde in haar eigen schoonheid gelijk de Godin van het Geluk. Toen hij haar ontwaarde voelde hij zich direct sterk tot haar aangetrokken, zo een prachtig goddelijke verschijning van een vrouw, en omringd door enkele soldaten, richtte hij zich toen tot die allerbeste van de dames. (10) Opgetogen over haar aanwezigheid viel de vermoeidheid van zijn jachtpartij van hem af en vroeg hij, gedreven door lustige verlangens, met aangename woorden gekscherend: (11) 'Wie ben jij, o dame met je lotusblaadjesogen, wie behoor jij toe, o schoonheid van mijn hart, en wat dacht je hier te komen doen in je eentje in het bos? (12) Het lijkt me toe dat je van koninklijke bloede bent. Wees er zeker van dat ik als nazaat van Pûru, o verpletterende schoonheid, nimmer van een geest ben om van wat dan ook te genieten buiten het dharma om!'

(13) S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik, geboren uit Vis'vâmitra, werd helemaal alleen achtergelaten in dit bos door Menakâ [haar moeder]; Kanva die beste heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen? (14) Alsjeblieft kom en ga naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst, eet wat van de nîvârâ ['van een maagd'] rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'

(15) S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'Dit o mooie wenkbrauwtjes, is de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra waardig; het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie naar hun eigen idee hun echtgenoten uitkiezen [een gandharva huwelijk aangaan].'

(16) Hierop Aum [zie B.G. 17: 24] zeggend, trouwde de koning met S'akuntalâ naar de gandharva regel, overeenkomstig het dharma, doordrongen van wat gepast was naar tijd en plaats. (17) Trefzeker in zijn mannelijkheid [alleen maar voor een kind zich laten gaand] loosde de geheiligde koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn eigen plaats. Na de nodige tijd gaf zij toen geboorte aan een zoon. (18) Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven riten uit voor de zoon die er als kind bekend om stond dat hij een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde. (19) Hem, niet te overtreffen in zijn kracht als een deelaspect van de Heer, werd door haar, de beste der vrouwen, meegenomen zich begevend naar haar echtgenoot. (20) Toen de koning hen niet wilde erkennen als zijn echte vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, kon door al de mensen een luid geluid worden gehoord uit de hemel; het was een niet-belichaamde stem die uitriep: (21) 'Aangezien de moeder als een blaasbalg is voor de zoon van de vader die hem verwekte, hoort de zoon bij de vader; zorg enkel voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet! (22) Wat S'akuntalâ zei over u als zijnde de verwekker van dit kind is de waarheid; hij die het zaad loosde, o god der mensen, uw goede zelf, is degene die door de zoon moet worden gered van de bestraffing van de [Heer van de] dood.'

(23) Nadat zijn vader was overleden werd de koning opgevolgd door zijn zoon en hij werd een keizer van een grote faam en heerlijkheid die voor een deel de Heer op deze aarde vertegenwoordigde [zie ook B.G. 10: 41]. (24-26) Met het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen, was hij van aanbidding middels een grote eredienst en werd hij bevorderd tot de positie van de belangrijkste heer en meester over alles. Vijfenvijftig paarden gebruikte hij voor de offers aan de monding van de Ganges tot aan de oorsprong waarvoor hij, de oppermachtige, Bhrigu benoemde als de priester. In gepaste volgorde ging hij ook zo tewerk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha plaat voor-] bond. Door hem, Bharata, de zoon van Dushmanta, werden schatten uitgedeeld in liefdadigheid, werd de offerplechtigheid op een uitgelezen plaats ingesteld en werden aandelen van een badva [13.084] koeien aan de aanwezige brahmanen uitgereikt. (27) De zoon van Dushmanta bracht voor de yajña het verbazingwekkende aantal van drieëndertighonderd paarden bijeen en overtrof [zo], met het realiseren van de weelde der halfgoden en de Allerhoogste Geestelijk Leraar, al de koningen. (28) In het mashnâra offer schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs beste zwarte olifanten met de witste slagtanden weg, compleet met gouden sierselen [mashnâra heeft betrekking op de naam van de plaats]. (29) Zoals het voorzeker onmogelijk is om de hemelse planeten met de kracht van je armen naar je toe te trekken is het evenmin mogelijk om de verheven activiteiten van Bharata te evenaren, noch zal ook maar één van de menselijke heersers na hem ooit tot een dergelijk iets in staat zijn. (30) Al de barbaarse heersers over mensen gekant tegen de brahmaanse cultuur als de Kirâta's [Afrikaners], de noordelijke stammen [de Hunnen], de Yavana's [de vlees-eters], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen] en de Kanka's [kankana betekent armband], de Khas'â's [de Mongolen] en de S'aka's [vrouwen/mannen] bracht hij ter dood toen hij iedere windrichting veroverde. (31) Met het voorheen zegevieren over de goddelijken hadden alle Asura's die hun toevlucht hadden genomen tot de lagere werelden [Rasâtala] al de vrouwen en dochters van de goddelijken naar de onderwereld afgevoerd, maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen. (32) Zevenentwintig duizend jaren lang voorzag hij in alles wat zijn onderdanen verlangden zowel op aarde als in de hemel en zijn orde en gezag heerste in alle richtingen. (33) Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, onberispelijk met de verworvenheden van de macht, het rijk, de staatsorde en dergelijke, beschouwde op het laatst alles van zijn have en goed als vals en dus hield hij ermee op van ze te genieten. (34) Van hem waren er, o meester der mensen, drie echtgenotes, dochters van Vidarbha, die alle drie zeer aangenaam en geschikt waren. Zij bang denkend dat hun zoons, niet zo perfect als hun vader, zouden worden afgewezen, hadden ze ter dood gebracht. (35) Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken waarop de Maruts hem Bharadvâja presenteerden.

(36) [Het had zich zo voorgedaan dat eens] Met zijn broers zwangere vrouw seks verlangend was het Brihaspati zo toegenegen door de zoon in de schoot verboden zo tewerk te gaan, waarop hij hem toen vervloekte en zijn zaad niettemin loosde. (37) Voor Mamatâ [de moeder], die uit angst te worden verstoten vanwege die illegitieme praktijk van het kind af wilde, werd bij zijn naamgevingsplechtigheid door de godsbewusten het volgende vers uitgesproken: (38) 'O zotte vrouw, zorg er enkel voor hoewel het geboren werd uit een dubbele verbintenis' [en dus zei zij:] 'Hoewel voortgekomen uit een onwettige verbintenis, o Brihaspati, zorg er voor!', en zo werd met deze woorden uitgesproken het kind Bharadvâja ['een last voor beiden'] genoemd omdat beide ouders er zich van hadden afgekeerd. (39) Hoewel door de godsbewusten ertoe aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind toch, omdat ze het met dat wat er gebeurd was als doelloos beschouwde. Daarop namen de Maruts het onder hun hoede en schonken het [aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef.'

 

Hoofdstuk 21

De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Van Vitatha [de naam van Bharadvâja omdat hij aan Bharata werd gegeven] zijn zoon Manyu waren er Brihatkshatra, Jaya, Mahâvîrya, Nara en Garga. Van hen had Nara de zoon Sankriti. (2) Sankriti had Guru en Rantideva, o nazaat van Pându; de heerlijkheden van Rantideva worden in deze wereld en in de wereld hierna bezongen. (3-5) Levend van wat het lot hem toebedeelde schiep hij [Rantideva] er genoegen in welk beetje voedsel hij ook maar had aan anderen uit te delen. Altijd zonder een stuiver leefde hij met al zijn familieleden zeer sober en had hij veel te lijden. Op een ochtend toen er achtenveertig dagen waren verstreken en hij zelfs zonder drinkwater zat, gebeurde het dat hij verschillende soorten voedsel, toebereid met melk en ghee, en water mocht ontvangen. Met de familie heel wankel op de benen van het lijden onder de honger en de dorst arriveerde er op dat zelfde ogenblik een brahmaanse gast voor Rantideva die ook wilde eten. (6) Hij, met het grootste respect en met geloof de Heer ziend als zich bevindend in een ieder [zie B.G. 5: 18], gaf hem zijn deel van het voedsel waarna, eenmaal gegeten hebbend, de tweemaal geborene vandaar vertrok. (7) Toen hij daarna het voedsel voor de familie had verdeeld en op het punt stond te gaan eten kwam er weer een aan, een s'ûdra, die hij, indachtig de Heer, het voedsel gaf dat voor hem, de koning, bestemd was. (8) Toen de s'ûdra weg was kwam er een andere gast langs omringd door honden die zei: 'O koning, voorzie me in voedsel voor mij en mijn hongerige honden!'

(9) Hij, die het gezag had, gaf met het grootste respect de honden en hun baasje wat er maar van het voedsel restte, ze erend met zijn eerbetuigingen. (10) Alleen het drinkwater bleef over van het voedsel en ook dat moest een verstotene tevredenstellen die, daar aankomend toen de koning net wat wilde drinken, hem vroeg: 'Alstublieft geef me wat water, ookal ben ik van een lage geboorte!'

(11) Toen hij de deerniswekkende woorden van hem die zo uitgeput was hoorde sprak hij, diep geraakt, uit mededogen deze nectargelijke woorden: (12) 'Ik verlang het niet van de Allerhoogste Beheerser om de hoogte te bereiken van de acht volkomenheden [de siddhi's], noch vraag ik om het eindigen van een herhaling van geboorten; ik aanvaard alle moeilijkheden in het mij ophouden onder de levende wezens zodat ze mogen worden bevrijd van hun lijden. (13) Van al de honger, dorst, vermoeienis en een onvaste tred ben ik verlost, en ook van de armoe, het leed, het weeklagen, de neerslachtigheid en de verbijstering, door met het overhandigen van mijn drinkwater deze arme ziel in stand te houden die zo graag in leven wil blijven!' (14) Zich aldus uitdrukkend gaf hij, die sobere, zachtaardige heerser, hoewel hij zich van de dorst op het randje van de dood bevond, het drinkwater aan de uitgestotene. (15) Recht voor hem manifesteerden toen de beheersers van de drie werelden, de goden die aan hen die de vruchten verlangen alle resultaten verlenen, zich in hun ware gedaanten omdat het [hun voorgaande verschijningen in de gedaanten van de brahmaan, de man met de honden, de s'ûdra en de uitgestotene] allemaal creaties waren geweest van de illusoire energie van Vishnu. (16) Hij waarachtig jegens hen als iemand die er geen materiële verlangens naar enig voordeel of bezit op nahield [zie B.G. 7: 20] bood hen zijn eerbetuigingen, zich in zijn geest concentrerend op Vâsudeva, de Allerhoogste Heer als het uiteindelijke doel. (17) Zijn bewustzijn fixerend in het zich volledig zijn toevlucht zoeken bij de Allerhoogste Heer, was hij zonder af te wijken enkel van zins te dienen, o Koning, en was de illusoire energie van de drie geaardheden niet meer dan een droom voor hem [zie ook B.G 7: 14 en 9: 34]. (18) Zij in de omgang naar zijn leiderschap, allen die Rantideva volgden, werden eersteklas yogi's die ieder Heer Nârâyana waren toegewijd [zie ook B.G. 6: 47].

(19-20) Van Garga [zie vers 1] was er S'ini, van hem kwam er Gârgya, uit wie ondanks zijn kshatriya geboorte een hele lijn van brahmanen voortkwam. Van Mahâvîrya was Duritakshaya er wiens zoons de namen Trayyâruni, Kavi en Pushkarâruni droegen. Zij in deze lijn bereikten allen de positie van brahmanen. Hastî werd Brihatkshatra's zoon die de stad Hastinâpura grondvestte [het huidige Delhi]. (21) Ajamîdha, Dvimîdha en Pûrumîdha werden de zoons van Hastî. Ajamîdha's nakomelingen met Priyamedha voorop waren allen tweemaal geboren. (22) Van Ajamîdha was er Brihadishu, zijn zoon was Brihaddhanu, Brihatkâya volgde daarna en zijn zoon was Jayadratha. (23) De zoon van hem was Vis'ada door wie Syenajit ter wereld kwam en zijn zoons waren Rucirâs'va, Dridhahanu, Kâs'ya en Vatsa. (24) Rucirâs'va's zoon was Pâra, van Pâra kwamen Prithusena ter wereld en een zoon genaamd Nîpa die erin slaagde een honderdtal zoons voort te brengen. (25) Hij verwekte in zijn vrouw Kritvî, die de dochter was van S'uka [niet degene die dit Bhâgavatam spreekt], Brahmâdatta, een yogi die in de schoot van zijn vrouw Sarasvatî een zoon voortbracht genaamd Vishvaksena. (26) Naar de instructie van de rishi Jaigîshavya werd in het verleden door hem [Vishvaksena] een beschrijving van de yoga [een zogenaamde tantra] opgesteld. Hij had een zoon Udaksena en van hem was Bhallâtha er. Deze nakomelingen werden de Brihadishu's genoemd. (27) Yavînara geboren uit Dvimîdha had Kritimân als zijn zoon en zijn zoon is de welbekende SatyaDhriti wiens zoon Dridhanemi de vader was van Supârs'va. (28-29) Supârs'va had Sumati wiens zoon Sannatimân er een had genaamd Kritî, die van Heer Brahmâ het mystieke vermogen kreeg om in het verleden de zes Samhitâ's van de Prâcyasâma-verzen [uit de Sâma Veda] te onderrichten. Van hem was er Nîpa door wie Udgrâyudha werd geboren wiens zoon Kshemya was van wie daarna Suvîra het levenslicht zag. Door Suvîra kwam Ripuñjaya ter wereld. (30) Hij die uit hem voortkwam heette Bahuratha. Pûrumîdha [de jongere broer van Dvimîdha] had geen zoon. Ajamîdha verwekte in zijn echtgenote Nalinî Nîla die toen S'ânti als zijn zoon had. (31-33) S'ânti's zoon Sus'ânti had Pûruja, Arka was zijn zoon en van hem vond Bharmyâs'va zijn bestaan die vijf zoons had met Mudgala als de oudste, gevolgd door Yavînara, Brihadvis'va, Kâmpilla en Sañjaya. Hij bond hen op het hart: 'Mijn zoons, als jullie daar werkelijk toe in staat zijn, draag dan zorg voor de verschillende staten'. Aldus kregen ze de naam de Pañcâla's [naar de vijf staten]. Van Mudgala was er een lijn bestaande uit brahmanen die bekend staat als Maudgalya. (34) Een niet-identieke tweeling, één mannelijk individu en één vrouwelijk, kwam ter wereld van Mudgala, Bharmyâs'va's zoon. Het jongetje kreeg de naam Divodâsa en het meisje de naam Ahalyâ. Van haar huwelijk met Gautama kwam S'atânanda ter wereld [persoonlijkheden ook vermeld in de Ramâyana]. (35) Van hem was er een zoon SatyaDhriti, een expert in het boogschieten, en van S'aradvân, zijn zoon, werden, enkel doordat hij Urvas'î zag, uit zijn zaad dat op een pol s'ara-gras neerkwam, een mannelijk en een vrouwelijk kind geboren die een grote zegen vormden. (36) Tijdens een jacht ronddolend door het woud zag Koning S'ântanu de tweeling die hij uit mededogen met zich meenam, de jongen noemde hij Kripa en het meisje Kripî. Zij werd later de vrouw van Dronâcârya.

 

Hoofdstuk 22

De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Divodâsa kwam Mitrâyu ter wereld en zijn zoons, o beschermer der mensen, waren Cyavana, Sudâsa, Sahadeva en Somaka. Somaka daarna was de vader van Jantu. (2) Van hem waren er een honderdtal zoons, en de jongste van hen was Prishata. Van hem kwam Drupada ter wereld die in alle opzichten van de weelde was. (3) Van Drupada kwam Draupadî [de echtgenote van de Pândava's] ter wereld. Zijn zoons werden aangevoerd door Dhrishthadyumna door wie Dhrishthaketu er kwam. Al deze nakomelingen van Bharmyâs'va [9.21: 31-33] staan bekend als de Pâñcâlaka's.

(4-5) Riksha was een andere zoon die door Ajamîdha op de wereld werd gezet. Hij verwekte Samvarana van wie er uit zijn vrouw Tapatî, de dochter van de zonnegod, Kuru ter wereld kwam [zie stamboom], de koning van Kurukshetra. Parîkshi, Sudhanu, Jahnu en Nishadha waren Kuru's zoons. Van Sudhanu kwam Suhotra ter wereld en van hem kwam Cyavana er van wie Kritî d'r was. (6) Van hem was er Uparicara Vasu en zijn zoons, met Brihadratha voorop, waren Kus'âmba, Matsya, Pratyagra en Cedipa en anderen. Zij werden allen heersers over de staat Cedi. (7) Van Brihadratha zag Kus'âgra het levenslicht. Van zijn zoon Rishabha werd Satyahita geboren die als zijn nakomeling Pushpavân had wiens zoon Jahu was. (8) Brihadratha verweke bij een tweede vrouw die hij had twee delen van zichzelf die, omdat de moeder ze afwees, door Jarâ [de dochter van de Tijd, zie ook 4.27: 19] spelenderwijs werden verenigd zeggende: 'Kom tot leven, kom tot leven', zodat een zoon genaamd Jarâsandha ['Jarâ's hermafrodiet'] werd geboren [die later een gezworen vijand van Heer Krishna zou zijn]. (9) Van hem werd toen Sahadeva geboren van wiens zoon Somâpi S'rutas'ravâ er was. Parîkshi [een andere zoon van Kuru] had geen kinderen terwijl er van Jahnu een ter wereld kwam die Suratha heette. (10) Van hem was er Vidûratha door wie Sârvabhauma geboren werd. Hij kreeg Jayasena en van zijn zoon Râdhika kwam Âyutâyu ter wereld. (11) Van hem was er toen Akrodhana die een zoon had genaamd Devâtithi door wie Riksha ter wereld kwam die een zoon had genaamd Dilîpa en van hem was er de zoon genaamd Pratîpa. (12-13) Van hem weer waren er de zoons Devâpi, S'ântanu en Bâhlika. Het was Devâpi, de oudste, die zijn vaders rijk afwees en naar het woud vertrok zodat S'ântanu koning werd. Hij was in een leven daarvoor Mahâbhisha geweest; wie hij ook maar aanraakte met zijn handen bereikte de jeugd hoe oud die persoon ook was. (14-15) Omdat men daadwerkelijk hoofdzakelijk door de aanraking van zijn handen de jeugd der genietingen kon krijgen stond hij bekend als S'ântanu. Toen Indra, de macht der hemelen, het twaalf jaar lang niet had laten regenen in zijn koninkrijk werd S'ântanu, die fout als een overweldiger [parivetta] het koninkrijk van zijn oudere broer genoot, door zijn brahmanen aangeraden: 'Geef onmiddellijk, ter verheffing van uw veste en koninkrijk, het rijk terug aan uw oudere broer.'

(16-17) Aldus van advies gediend door de tweemaal geborenen verzocht hij Devâpi zorg te dragen voor het koninkrijk maar die liet uit zijn antwoord blijken dat hij van zijn principes was gevallen. Ertoe aangezet door S'ântanu's minister hadden de brahmanen in het verleden hem namelijk woorden ingefluisterd die in strijd waren met de Veda's. Toen dat was gezegd liet de halfgod [met S'ântanu die het rijk op zich nam] de regens nederdalen. Devâpi zocht daarop zijn toevlucht in het stadje Kalâpa waar hij zich toelegde op de praktijk van de yoga [en daar tot op de dag van vandaag nog mee bezig is]. (18-19) Als de Soma-dynastie in Kali-yuga is verdwenen zal die [door hem] aan het begin van de volgende, te weten Satya-yuga, opnieuw worden ingesteld. Bâhlîka [S'antanu's broer] bracht Somadatta voort en van hem waren er Bhûri, Bhûris'ravâ en daarna de zoon S'ala. S'ântanu verwekte in zijn vrouw Gangâ de zelfgerealiseerde toegewijde en geleerde Bhîshma [zie ook 1.9], de beste van alle verdedigers van het dharma. (20) Door hem, de beste van alle strijders, werd zelfs Paras'urâma tot zijn eigen voldoening verslagen in een gevecht [*]. Door S'ântanu werd uit de schoot van [Satyavatî] de dochter van Dâsa [een visser **] de zoon Citrângada op de wereld gezet. (21-24) Vicitravîrya zijn oudere broer Citrângada werd door een Gandharva met dezelfde naam gedood. Door de wijze Parâs'ara incarneerde er van haar [Satyavatî, voorgaand aan haar huwelijk met S'ântanu] rechtstreeks een expansie van de Heer die een grote muni was die de Veda's beschermde: Krishna Dvaipâyana door wie ik werd geboren teneinde dit [Bhâgavatam] grondig te bestuderen. Vyâsadeva, de [gedeeltelijke] incarnatie van de Heer, wees zijn leerlingen Paila en anderen af terwijl hij jegens mij, ik als zijn zoon verre van de zinsbevrediging, van instructie was met het meest vertrouwelijke van deze allerverhevenste literatuur. Vicitravîrya trouwde later met de twee dochters van Kâs'îrâja die met geweld uit het huwelijksperk van uitverkiezing werden weggekaapt, maar omdat hij in zijn hart al te gehecht was aan zowel Ambikâ als Ambâlikâ stierf hij aan een tuberculose-infectie. (25) Omdat er daarmee van de broer geen nageslacht was verwekte Vyâsadeva daartoe opgedragen [in devarena sutotpatti, zie voetnoot 9.6] door de moeder [Satyavatî] twee zoons genaamd DhritaRâshtra en Pându [respectievelijk bij Ambikâ en Ambâlikâ] en werd [bij Vicitravîrya's dienstmaagd, zie ook 1.13] ook een zoon verwekt genaamd Vidura. (26) Uit zijn vrouw Gândhârî werden er van DhritaRâshtra een honderdtal zoons geboren, o beschermer der mensen, van wie Duryodhana de oudste was, zowel als een dochter genaamd Duhs'alâ.

(27-28) Pându had vanwege een vloek zijn seksuele leven moeten terugdringen, en zo kwamen toen de [Pândava] helden, de drie zoons met Yudhishthhira voorop ter wereld uit [zijn vrouw] Kuntî verwekt door Dharma, Anila en Indra [gezwegen over Karna die door de zonnegod ter wereld kwam]. Nakula en Sahadeva werden in de schoot van Mâdrî verwekt door de twee As'vins [Nâsatya en Dasra]. Van deze vijf broers kwamen [uit Draupadî] vijf zoons ter wereld: uw ooms. (29) Yudhishthhira kreeg Prativindhya, Bhîma kreeg S'rutasena, van Arjuna kwam S'rutakîrti en van Nakula was S'atânîka er. (30-31) Sahadeva, o Koning, had S'rutakarmâ. Er waren inderdaad ook andere zoons: van Yudhishthhira was er uit Pauravî Devaka, Bhîma had Ghathotkaca uit Hidimbâ en Sarvagata uit Kâlî, en zo ook had Sahadeva uit Vijaya, de dochter van de Himâlayakoning [Pârvatî], de geboorte van Suhotra. (32) Nakula had uit Karenumatî een zoon genaamd Naramitra en Arjuna had de zoon Irâvân uit de schoot van Ulupî [een Nâga-dochter] en de zoon Babhruvâhana met de prinses van Manipura, die, hoewel zijn zoon, werd geadopteerd door de schoonvader.

(33) Van Subhadrâ [Krishna's zuster] kwam [door Arjuna] uw vader Abhimanyu ter wereld, hij was een grote held die al de Atiratha's versloeg ['zij die een duizend strijdwagenvechters kunnen trotseren']. En uw goede zelf nam door hem geboorte uit Uttarâ. (34) Met de vernietiging van de Kurudynastie probeerde As'vatthâmâ ook u ter dood te brengen met de hitte van het brahmâstra wapen, maar door de genade van Heer Krishna werd u gered van die wisse dood [zie 1.8]. (35) Al uw zoons, mijn beste, met Janamejaya eerst, S'rutasena, Bhîmasena en Ugrasena - zijn alle van een grote macht. (36) Uw oudste zoon, wetend dat u stierf door Takshaka, zal in grote woede in een vuuroffer alle slangen offeren. (37) Met het aannemen van Tura, de zoon van Kalasha, als zijn priester zal hij, met het veroverd hebben van iedere uithoek van de wereld, offers brengen in as'vamedha offerandes en bekend staan als Turuga-medhashâth ['hij die vele paardoffers brengt']. (38) S'atânîka, zijn zoon, zal met Yâjñavalkya een grondige studie maken van de drie Veda's en de manier waarop de geestelijke kennis [met rituelen] in de praktijk moet worden gebracht, zal zich de militaire wetenschap [van Kripâcârya] eigen maken en zal met S'aunaka het transcendentale bereiken. (39) Sahasrânîka, zijn zoon, zal As'vamedhaja als zijn zoon hebben en van hem zal AsîmaKrishna er zijn die een zoon zal hebben met de naam Nemicakra. (40) Met Hastinâpura overstroomd door de rivier, zal hij [Nemicakra] noodgedwongen in Kaus'âmbî leven, waarna van zijn zoon genaamd Citraratha er de zoon S'uciratha zal zijn. (41) Van hem zal er ook een zoon zijn: Vrishthimân van wie daarop Sushena zijn geboorte zal nemen, een keizer. Zijn zoon Sunîtha zal er een hebben genaamd Nricakshu en van hem zal Sukhînala ter wereld komen. (42) Pariplava zal dan zijn zoon zijn en van Sunaya na hem zal Medhâvî er zijn; van hem zal Nripañjaya het levenslicht zien, hij zal Dûrva krijgen en door hem zal Timi worden geboren. (43) Van Timi, zullen we Brihadratha zien verschijnen van wie Sudâsa de zoon S'atânîka zal hebben. S'atânîka zal een zoon krijgen genaamd Durdamana en zijn zoon zal Mahînara zijn. (44-45) Dandapâni, van hem, zal Nimi hebben van wie Kshemaka ter wereld zal komen. Met Kshemaka als de monarch die de rij sluit zal er een einde komen aan deze dynastie, deze bron van brahmanen en kshatriya's gerespecteerd door de zieners en goddelijken in Kali-yuga. Vervolgens zullen er in de toekomst de koningen van Mâgadha zijn; laat me u over hen vertellen.

(46-48) De zoon van Sahadeva [geboren uit Jarâsandha] zal Mârjâri als zijn zoon hebben. S'rutas'ravâ zal er van hem zijn, Yutâyu zal weer zijn zoon zijn en Niramitra na hem zal Sunakshatra hebben. Sunakshatra zal Brihatsena verwekken en Karmajit van hem zal Sutañjaya krijgen wiens zoon Vipra er een ter wereld zal brengen genaamd S'uci. Kshema daarna van hem geboren zal de zoon Suvrata hebben van wie Dharmasûtra zal verschijnen. Sama, zijn zoon, zal Dyumatsena hebben na wie vervolgens door Sumati, zijn zoon, Subala geboorte zal nemen. (49) Van Sunîtha [Subala's zoon] zal Satyajit er zijn door wiens zoon Vis'vajit er Ripuñjaya zal zijn; en zo zullen al de andere koningen in de lijn van Brihadratha voor een duizendtal jaren achtereen geboorte nemen.'

 

Hoofdstuk 23

De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Anu [de vierde zoon van Yayâti, zie 9. 17, 18 & 19] waren er de drie zonen Sabhânara, Cakshu en Pareshnu. Van Sabhânara kwam daarna Kâlanara ter wereld en volgde er een zoon van hem genaamd Sriñjaya. (2) Van Janamejaya [na hem] was er een zoon Mahâs'âla die Mahâmanâ kreeg. Us'înara en Titikshu waren de twee zoons van Mahâmanâ. (3-4) S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier die ter wereld kwamen door Us'înara. Vrishâdarbha, Sudhîra, Madra en de zelfgerealiseerde Kekaya waren vier zoons die geboorte namen door S'ibi. Van Titikshu was er een genaamd Rushadratha van wie Homa er was die Sutapâ verwekte. Bali was Sutapâ's zoon. (5) Met Anga voorop, Vanga en Kalinga stonden Suhma, Pundra en Odra bekend als geboren uit het zaad van Dîrghatama in de vrouw van de grote veroveraar Bali. (6) Het waren hun namen die aan de zes staten werden gegeven die ze schiepen in het oosten [van India]. Uit Anga vond Khalapâna zijn bestaan en van hem verscheen daarna Diviratha. (7-10) Van Dharmaratha, zijn zoon, kwam Citraratha ter wereld, gevierd als Romapâda. Omdat Romapâda geen zoons had leverde zijn vriend Das'aratha hem S'ântâ, zijn eigen dochter [ter adoptie], die toen trouwde met Rishyas'ringa [een kluizenaar die in het woud leefde, zie ook 8.13: 15-16]. Maar omdat de god [Indra] niet voor de nodige regen zorgde werd hij, die hertenzoon, aangetrokken met behulp van courtisanes die dansend en zingend met muziek hem verbijsterden met omhelzingen en eerbetoon. Terwille van de kinderloze koning organiseerde hij [Rishyas'ringa] toen een marutvân [zoon-brengende] offerplechtigheid zodat Das'aratha [als de schoonvader] een kind werd geleverd [alsook regen, zie B.G. 3:14]. En zo bracht hij [Romapâda], die zonder een opvolger zat, het daadwerkelijk tot nageslacht; hij kreeg Caturanga die toen Prithulâksa als zijn zoon kreeg. (11) Brihadratha, Brihatkarmâ en Brihadbhânu waren zijn zoons. Van de oudste [Brihadratha] was Brihanmanâ er en van hem was hij er die vereerd werd met de naam Jayadratha. (12) Vijaya met hem geboren uit Sambhûti had daarna Dhriti en van hem nam Dhritavrata zijn geboorte van wie Satkarmâ er kwam die Adhiratha kreeg. (13) Hij spelend aan de oever van de Ganges trof in een mand de baby aan achtergelaten door Kuntî omdat die was geboren voordat ze getrouwd was. Geen zoon hebbend adopteerde hij het als zijn eigen zoon [Karna]. (14) O meester van het universum, Vrishasena was Karna's zoon. Van Druhyu [Yayâti's derde zoon] was er een zoon genaamd Babhru die daarna Setu verwekte. (15) Ârabdha van hem geboren had Gandhâra en van hem was Dharma er. Hij had Dhrita, en van Dhrita was Durmada er van wie de zoon Pracetâ een honderdtal zonen had. (16) Zij aanvaarden als koningen het gezag over de noordelijke richting, de ongeciviliseerde gebieden van Mlecchades'a. Turvasu [Yayâti's tweede zoon] kreeg de zoon Vahni en Vahni kreeg Bharga die Bhânumân verwekte. (17) Tribhânu, zijn zoon, had er ook een: de grootmoedige Karandhama. Zijn zoon was Maruta; hij, zonder zoons, adopteerde een Paurava [Dushmanta, zie ook 9.20: 7] als zijn zoon. (18-19) Dushmanta die de troon begeerde, keerde naar zijn clan terug [de Pûru's]. Van Yayâti's eerste zoon Yadu was er een dynastie, o beste der mensen, die ik u nu zal beschrijven.

Om te vernemen over de Yadu-dynastie is iets zeer vrooms dat al de terugslagen van de zonde in de menselijke samenleving overwint. Een ieder die er eenvoudig naar luistert raakt bevrijd van de nasleep der zonde. (20-21) In deze dynastie daalde de Opperheer [Krishna] neder, de Superziel, eruitziend alsof Hij een gewoon mens is [zie ook S.B. 1.2: 11]. Van Yadu waren er de vier zoons gevierd als Sahasrajit, Kroshthâ, Nala en Ripu, en van hen kreeg S'atajit, geboren uit de eerste van hen, als zijn zoons toen Mahâhaya, Renuhaya en Haihaya. (22) Dharma werd vervolgens Haihaya's zoon en zijn zoon Netra was de vader van Kunti [niet Kuntî]. Sohañji werd de zoon van Kunti en hij verwekte Mahishmân die Bhadrasenaka kreeg. (23) Durmada kwam van Bhadrasena ter wereld tezamen met Dhanaka. Dhanaka was de vader van de zoons Kritavîrya, Kritâgni, Kritavarmâ en Kritaujâ. (24) Van Kritavîrya was er Arjuna [Kârtavîryârjuna] die keizer werd over de zeven continenten en van de yoga van Heer Dattâtreya, een [ams'a]incarnatie van de Allerhoogste Persoonlijkheid [zie ook 9.15, 10.73 & 12.3], al de grote kwaliteiten verwierf [de acht siddhi's]. (25) Er was inderdaad niemand op deze aarde te vinden die zich kon meten met Kâritavîrya in zijn kwaliteiten van opoffering, liefdadigheid, verzaking, yogasucces, scholing, kracht en genade. (26) Voor de duur van vijfentachtigduizend jaar zou zijn kracht onverminderd daadwerkelijk onuitputtelijk zijn en konden de zes vormen van plezier [naar de zinnen en de geest] worden genoten in volle heugenis en alle weelde. (27) Van zijn duizend zoons bleven er maar vijf in leven in de strijd [tegen Paras'urâma]: Jayadhvaja, S'ûrasena, Vrishabha, Madhu en Ûrjita. (28) Jayadhvaja kreeg Tâlajangha van wie toen een honderdtal zonen werd geboren. Die vormden een kshatriya clan bekend als de Tâlajangha's die werd vernietigd dankzij de macht [door Sagara] ontvangen van de wijze Aurva [zie 9.8: 3-7]. (29) Van Tâlajangha's oudste zoon Vîtihotra was er Madhu, die een honderdtal zonen kreeg waarvan de gevierde Vrishni de oudste was. Van hem was er de dynastie.

(30-31) O Koning, de Yâdava, Mâdhava en Vrishni dynastieën [van Heer Krishna's voorvaderen] ontleenden hun namen aan hun leidende persoonlijkheden. Yadu's zoon Kroshthâ had een zoon met de naam Vrijinavân. Zijn zoon was Svâhita die daarop Vishadgu kreeg van wie er Citraratha was van wie S'as'abindu zijn geboorte nam, een grote yogi die een zeer fortuinlijke, grote persoonlijkheid werd die, als keizer ongeslagen, al de veertien soorten van grote rijkdom kende [*]. (32) S'as'abindu had tienduizend vrouwen, en in hen verwekte hij die zo beroemd was tienduizend lakhs [**] zonen [en kleinzonen]. (33) Van hen kennen we slechts de zes meest vooraanstaande. Prithusravâ [een van hen] had een zoon met de naam Dharma. Us'anâ, zijn zoon, bracht honderd as'vamedha offers. (34) Van zijn zoon Rucaka waren er vijf zonen genaamd Pûrujit, Rukma, Rukmeshu, Prithu en Jyâmagha. Verneem nu alstublieft over hen. (35-36) Jyâmagha was, ondanks het feit dat hij geen zoons had, bang om een andere vrouw dan zijn echtgenote S'aibyâ aan te nemen. Hij bracht toen een sensueel meisje met zich mee uit het kamp van een vijandelijke clan waarop S'aibyâ, toen ze het meisje op haar plaats op de wagen zag zitten, zeer boos werd en tegen haar echtgenoot zei: 'Wie is dit die je het hebt toegestaan op mijn plaats op de wagen te gaan zitten, jij bedrieger?'

'Ze is je schoondochter' bracht hij haar toen bij waarop ze met een glimlach tot haar man zei:

(37) 'Ik ben onvruchtbaar, ik heb geen bijvrouw, hoe kan zij dan mijn schoondochter zijn? Welke zoon kon jij op de wereld zetten?'

'Mijn Koningin', [antwoordde hij,] 'Dit meisje hier zal voor hem zeer geschikt zijn!'

(38) Met de [door Jyâmagha gunstig gestemde] halfgoden en voorouders die met die uitspraak instemden raakte S'aibyâ zwanger zodat ze na de nodige tijd een zoon ter wereld bracht. Die zoon was de goedgunstige, welbekende Vidharba die later met het kuise meisje trouwde dat als de schoondochter werd aangenomen.'

* In de Mârkandeya Purâna worden de veertien juwelen van een keizer als volgt omschreven: (1) een olifant, (2) een paard, (3) een strijdwagen, (4) een echtgenote, (5) pijlen, (6) een bron van weelde, (7) een bloemenslinger, (8) kostbare kleding, (9) bomen, (10) een speer, (11) een strop, (12) juwelen, (13) een parasol, en (14) regulerende beginselen.

** Een lakh is honderdduizend.

 

Hoofdstuk 24

De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'In haar [zie 9.23: 35-38] verwekte Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbha dynastie was. (2) Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was Cedi er [zie ook 9.22: 6] door wie Caidya [Damaghosha, 7.1: 18] en andere beschermers van de mensen werden geboren. (3-4) Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti, door wie Vrishni ter wereld kwam van wie toen Nirvriti zijn geboorte nam door wie hij die Das'ârha werd genoemd het levenslicht zag. Van hem was er een zoon Vyoma die Jîmûta verwekte die Vikriti als zijn zoon had van wie Bhîmaratha werd geboren wiens zoon Navaratha Das'aratha kreeg. (5) Karambhi van S'akuni [Das'aratha's zoon] kreeg een zoon Devarâta, zijn zoon was Devakshatra waarna er van hem Madhu was die Kuruvas'a kreeg die Anu verwekte. (6-8) VVan Puruhotra, bekend als de zoon van Anu, was er Ayu, die Sâtvata als zijn zoon had en Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja waren de zeven zoons van Sâtvata, o waarde vriend. Van Bhajamâna waren er met één vrouw voorwaar de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi terwijl er met een andere evenzo de drie zoons S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit waren, o meester. (9) Van Devâvridha en zijn zoon Babhru worden er, zoals we dat hoorden van anderen en dat nog steeds heden ten dage zo wordt gezien, twee verzen gereciteerd door de oudere generatie: (10-11) 'Babhru, de beste van al de mensen en Devâvridha, de beste onder de goddelijken - van het akkoord van deze twee hebben al de veertienduizend-en-vijfenzestig personen [die na hem volgden] de eeuwige verblijfplaats bereikt.' en: 'In de dynastie van Mahâbhoja was er van de omgang van de Bhoja koningen Babhru en Devâvridha enkel het meer en meer volledige van het dharma'.

(12) Van Vrishni [geboren door Sâtvata] verschenen de zoons Sumitra en Yudhâjit, o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra namen geboorte door hem [Yudhâjit] en van Anamitra verscheen Nighna. (13) Van Nighna vonden de zoons Satrâjita en Prasena hun bestaan. Een andere zoon van hem heette ook S'ini en zijn zoon was Satyaka. (14) Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni. (15) S'vaphalka en Citraratha waren zijn zoons. Verwekt in Gândinî door S'vaphalka was er Akrûra, de oudste van twaalf andere zeer gevierde zoons: (16-18) Âsanga, Sârameya en Mridura; Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha en Arimardana; S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Behalve de twaalf van hen was er een zuster genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had, met Prithu en Vidûratha voorop, vele zoons die bekend staan als de zoons van Vrishni.

(19) Van Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [zoons van Andhaka zie 6-8] had Kukura een zoon genaamd Vahni en van hem was Vilomâ er. (20) Zijn zoon Kapotaromâ kreeg Anu en zijn vriend was Tumburu. Van Andhaka [Anu's zoon] was Dundubhi er van wie Avidyota er was die een zoon had genaamd Punarvasu. (21-23) Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter, en van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er bestonden ook zeven dochters, o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen. (24) Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû alsook Râshthrapâla en vervolgens Dhrishthi en Tushthimân waren Ugrasena's zoons. (25) Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshtrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva.

(26) Door S'ûra die ter wereld kwam door Vidûratha [de zoon van Citraratha van Vrishni] nam een zoon genaamd Bhajamâna zijn geboorte en van hemzelf was S'ini er die de vader was van de beroemde koning Bhoja wiens zoon de gevierde Hridika is. (27) Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ waren daarna zijn zonen. Van Devamîdha was [er een andere] S'ûra er die een vrouw had genaamd Mârishâ. (28-31) In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, s'amîka, Vatsaka en Vrika. Toen Vasudeva zijn geboorte nam heetten de godsbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra zijn dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] en S'rutadevâ alsook S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra leverde aan een kinderloze vriend genaamd Kunti, Prithâ die aldus bekend staat als Kuntî.

(32) Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Alleen maar om uit te zoeken wat dat kon doen riep zij, de vrome, de zonnegod aan. (33) Toen ze op datzelfde ogenblik de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neemt u me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weerom, ik was alleen maar bezig om te kijken wat het zou bewerkstelligen!'

(34) [De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u hiertoe een zoon in uw schoot geven en het zo voor u regelen, o mijn schone, dat u niet zal worden onteerd.'

(35) Met het doen van die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelse verblijf. direct daarna werd een kind geboren dat als een tweede zonnegod was. (36) Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] het laten wegdrijvend in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]; het was inderdaad uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându die met haar trouwde.

(37) Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd toen Dantavakra geboren. Dantavakra was degene die, vervloekt door de zeven wijzen [oorspronkelijk door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya], een zoon werd van Diti. (38) Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde S'rutakîrti met wie hij vijf zoons met Santardana voorop. (39) Râjâdhidevî bracht met Jayasena zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. Damaghosha, de koning van Cedi, trouwde toen met S'rutas'ravâ. (40) S'is'upâla, wiens geboorte ik reeds beschreef [7.1: 46; 7.10: 38], was haar zoon. Van Devabhâga [een van Vasudeva's broers] waren er met de echtgenote Kamsâ [de zoons] Citraketu en Brihadbala. (41) Met Devas'ravâ schonk Kamsavatî het leven aan Suvîra en Ishumân; en door Kanka werden Baka, Satyajit en Pûrujit verwekt in Kankâ. (42) Sriñjaya met Râshtrapâlikâ verwekte zoons met voorop Vrisha en Durmarshana. S'yâmaka verwekte in S'ûrabhûmi Harikes'a en Hiranyâksha. (43) In Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, werden door Vatsaka Vrika en andere zoons verwekt. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâkshî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla als de eersten. (44) Sumitra en Arjunapâla als de oudsten werden toen door s'amîka verwekt in Sudâmanî. Ânaka verwekte bij Karnikâ Ritadhâmâ en ook Jaya.

(45) Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ met Devakî voorop waren de vrouwen [zie ook 21-23] aanwezig voor Ânakadundubhi [Vasudeva]. (46) Met Krita voorop waren Bala, Gada, Sârana en Durmada, Vipula en Dhruva de zonen die Vasudeva toen verwekte in Rohinî. (47-48) Subhadrâ, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons met Bhûta als de oudste die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon genaamd Kes'î geboorte gaf. (49) Van haar die Rocanâ werd genoemd kwamen [met Vasudeva] Hasta, Hemângada en anderen ter wereld. In Ilâ verwekte hij de zoons aangevoerd door Uruvalka die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadu-dynastie. (50) Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ één zoon: Viprishthha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen van S'ântidevâ waren, o Koning. (51) Râjanya, Kalpa en Varsha waren de eersten van de tien zoons met Upadevâ en Vasu, Hamsa en Suvams'a en anderen waren de zes zoons [die Vasudeva had] met S'rîdevâ. (52) Met Devarakshitâ bracht hij het eveneens tot negen stuks die er waren met Gadâ als de eerste. Bij Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons. (53-55) Zij, met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren rechtstreeks het dharma in eigen persoon van de Vasu's. Vasudeva verwekte in Devakî toen acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en Sankarshana, de heer der serpenten. De achtste die van hen twee verscheen was de Heer in eigen persoon [Krishna]; en wat te zeggen van [Zijn zus] Subhadrâ, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder, o Koning?

(56) Wanneer en waar ook er een verval van het dharma is en een toename van zondige activiteiten, dan, te dien tijde, daalt de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, neer in eigen persoon [zie B.G. 4: 7]. (57) Behalve de Beheerser Zijn mededogen met de gevallen zielen bestaat er geen enkele reden voor Hem om geboorte te nemen of in actie te komen, o grote leider; Hij is de Ene in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4]. (58) Wat Hij ook in gang zet middels de materiële energie doet Hij uit mededogen met de bedoeling de [materialistische] werkelijkheid tot een einde te brengen van de geboorte, het voortbestaan en de vernietiging van de levende wezens en ze terug naar huis te leiden, terug naar God ['het ware zelf te bereiken', zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24]. (59) Met de militaire macht die met hoge onkosten door de, eigenlijk voor het leiderschap ongeschikte, onverlichte bestuurders in het leven wordt geroepen om elkaar te kunnen aanvallen, maakt Hij de weg vrij voor het terugdringen van hun aantallen [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43]. (60) Zelfs voor de geesten van de heersende persoonlijkheden der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, aan de dag legde met Sankarshana [Balarâma], het begrip te boven. (61) Om de duisternis van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte gaan nemen in dit Kali-tijdperk te verdrijven, enkel om de toegewijden genade te tonen, vertoonde Hij Zijn vrome activiteiten. (62) Met het in achting hiervoor behagen [van de ziel] door de oren open te houden voor de waarheid en zichzelf bij de heilige plaatsen te houden wordt, met het contact dat men heeft in het vernemen over het bovenzinnelijke, het sterke verlangen naar vruchtdragende handelingen voorgoed vernietigd. (63-64) Hij, altijd ondernemend met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's en Pândava's, Hij samen met hen die van Bhoja, Vrishni, Andhaka, Madhu, S'ûrasena en Das'ârha waren, Hij met Zijn beminnelijke glimlachen en met Zijn instructies en heldhaftige, als grootmoedig te beschouwen avonturen, behaagde de menselijke samenleving met Zijn persoonlijke gedaante welke zo aantrekkelijk is in ieder opzicht. (65) Alle mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die tot hun voldoening zich laven aan de aanblik van Zijn gezicht en voorhoofd, schitterend opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren; allen die zich laven aan Zijn glimlachen van plezier die voor het oog een festijn vormen waar men nimmer genoeg van krijgt, zijn allen boos over het knipperen van hun eigen ogen! [zie ook B.G. 7: 3] (66) Toen Hij Zijn geboorte nam liet Hij het huis van Zijn vader achter zich om in Vraja [en Vrindâvana] de sfeer te verheffen met het aldaar doden van vele demonen; Hij verwekte honderden zoons met het aanvaarden van vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en als de Allerhoogste Persoon aanbeden middels vele offers verbreidde Hij Zijn roem onder de mensen [de huishouders] met achting voor de vedische rituelen [zie ook B.G. 4: 8]. (67) Door ze tegen elkaar op te zetten maakte Hij in de slag [van Kurukshetra] een eind aan de grote last op deze aarde die gevormd werd door de Kuru-persoonlijkheden; onder Zijn toeziend oog werden met de triomf al de baatzuchtige heersers uit de weg geruimd in verband waarmee Hij [aan Arjuna] uitlegde wat in het leven nu de overwinning inhoud [zie Gîtâ] en tenslotte keerde Hij, na Uddhava te hebben geïnstrueerd over het bovenzinnelijke [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terug naar Zijn hemelverblijf.'    

  

Aldus eindigt het negende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam.

 

CANTO 10: Het Hoogste Goed

  

Hoofdstuk 1

De Komst van Heer Krishna: Inleiding

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven alsook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*]. (2) Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's. (3) Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie. (4) Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2: 44]. (5-7) Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door As'vatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens. (8) Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî? (9) Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten? (10) Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!? (11) Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester? (12) O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt. (13) Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last nu ik drink van de nectar van de verhandelingen over de Heer die komt uit uw lotusmond.'

(14) Sûta [zie 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de zuiverste van alle toegewijden, bewees, na deze vragen te hebben aangehoord, hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8]. (15) S'rî S'uka zei: 'Met uw intelligentie hebt u de juiste overtuiging ontwikkeld, o beste van de wijze koningen, want als gevolg daarvan heeft zich in uw hart een duurzame toewijding voor de verhalen over Vâsudeva ontwikkeld [Krishna dus als de zoon van Vasudeva]. (16) Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17: 1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vragensteller en de toehoorder gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva. (17) Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, Daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken. (18) De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor. (19) Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 41]. (20) Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de [Purusha-sûkta]hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen.

(21) De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten daarmee aangegeven. (22) Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zich verbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend zolang op aarde verblijven als Hij, de Heer der Heerscharen, nodig vindt om middels Zijn eigen hoogmogende Tijd de last van de planeet terug te dringen. (23) In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen. (24) Het deel van Vâsudeva voorheen bekendstaand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden. (25) De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug. (27) S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot. (28) Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ]. (29) Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren. (30) Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden temidden van duizenden gouden wagens. (31-32) Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen. (33) O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen. (34) Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels hield: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!'

(35) Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand gericht tegen zijn zuster en greep hij haar bij haar haar met de bedoeling haar te doden. (36) Om hem die bereid was zo'n gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem. (37) S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]? (38) Inbegrepen bij het lichaam dat geboren wordt is er voor een ieder die ter wereld kwam de dood, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28]. (39) Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft. (40) Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been overstapt op het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13]. (41) Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen en willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat zou dan het geval zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]? (42) De geest, die wordt voortgedreven door God of door de eigen wil, begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar gelang de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35]. (43) Op dezefde manier als de reflectie van de hemellichamen gezien in water of andere vloeistoffen bewogen door de wind vertekeningen te zien geeft in verschillende vormen, raakt ook het levend wezen in de situatie die hij door zijn eigen inbeelding overeenkomstig de geaardheden schiep, verbijsterd naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5]. (44) Daarom moet men, zich zijn eigenbelang ter harte nemend, niemand kwaad doen, want degene die kwaad doet moet zelf steeds bang zijn voor anderen. (45) Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!'

(46) S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de Râkshasa's]. (47) Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon weerhouden en zo kwam hij uit op die andere manier. (48) Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder controle heeft, de dood worden vermeden, maar geplaatst voor de onvermijdelijkheid van de dood gaat deze regel niet op. (49-50) En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood, kan het me lukken mijn onschuldige Devakî te ontzetten, want voordat hij zover komt, komt wellicht deze heer des doods zelf te overlijden; en als dat niet het geval is kan hij de dood alsnog vinden [omdat werd voorspeld dat hij zou worden gedood door mijn zoon]. Je kan moeilijk van tevoren uitmaken hoe het lot zich zal keren. Ookal blijft de dreiging hierna dan nog bestaan, hiermee kan ik haar nu in de gegeven situatie het leven redden. (51) Als een stuk hout om een of andere reden ontsnapt aan een brand is dat aan de voorzienigheid te danken en niet aan iets anders; op dezelfde manier kan je ook niet weten wat er de oorzaak van is dat de één zich in een lichaam ophoudt en de ander het moet verlaten. (52) Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respect, hem met lofuitingen het voorstel doend. (53) Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig, sprak hij met een geest vol van angst en verdriet. (54) S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.'

(55) S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva er gelukkig in slaagde heelhuids thuis te komen. (56) Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter. (57) Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, aan Kamsa. (58) Wat zou er nu voor een gelouterde ziel te pijnlijk zijn, wat houdt nu afhankelijkheid in voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealisee rden te moeilijk om te verzaken zijn? (59) O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht: (60) 'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap die jij met je vrouw hebt dat mijn dood was voorspeld.'

(61) 'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terugnemend en vertrekkend, zonder dat hij veel waarde hechtte aan de woorden van hem die zo karakterloos zichzelf niet in de hand had. (62-63) Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de Yadu-vrouwen, allen in waarheid goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en dat gold ook voor de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42]. (64) Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de Daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56]. (65-66) Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***]. (67) Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht. (68) Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote Asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie. (69) Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had.

 Voetnoten :

* Om in herinnering te brengen wat in vorige hoofdstukken is gezegd: Heer Râma verscheen in de sûrya-vams'a van Ikshvâku ofwel de zonnedynastie en Heer Krishna verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.

** Een bijkomend vers in dit hoofdstuk van het S'rîmad Bhâgavatam wordt door de Madhvâcârya-sampradâya, vertegenwoordigd door Vijayadhvaja Tîrtha aanvaard. Het vers luidt als volgt:

atha kamsam upâgamya
nârado brahma-nandanah
ekântam upasangamya
vâkyam etad uvâca ha

Woord-voor-woord:

atha: op deze manier; kamsam: jegens Kamsa; upâgamya: na te gaan; nâradah: de grote wijze Nârada; brahma-nandanah: die de zoon is van Brahmâ; ekântam upasangamya: nadat hij naar een zeer afgelegen plek ging; vâkyam: de volgende instructie; etat: deze; uvâca: zei; ha: in het verleden.

Vertaling:

"Daarna benaderde Nârada, de geestelijke zoon van Heer Brahmâ, Kamsa en stelde hij hem, op een zeer afgelegen plaats, op de hoogte van het volgende nieuws."

*** Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Voorheen had een Asura genaamd Kâlanemi zes zoons, genaamd Hamsa, Suvikrama, Krâtha, Damana, Ripurmardana en Krodhahantâ. Ze stonden bekend als de Shad-garbha's, of zes Garbha's, en zij waren allen even machtig en bedreven in militaire aangelegenheden. Deze Shad-garbha's gaven de omgang op met Hiranyakas'ipu, hun grootvader, en ondergingen zware boetedoeningen om Heer Brahmâ tevreden te stemmen, die, toen dat naar zijn genoegen was, instemde hen welke gunst ze ook maar verlangden te verlenen. Toen hen door Heer Brahmâ werd gevraagd te zeggen wat ze wilden, gaven de Shad-garbhas ten antwoord: "Beste Heer Brahmâ, als u ons een gunst wilt verlenen, schenk ons dan de zegen dat we niet zullen worden gedood door welke halfgod, Mahâ-roga, Yaksha, Gandharva-pati, Siddha, Cârana of menselijk wezen dan ook, noch door grote wijzen die volmaakt zijn in hun boetedoeningen en verzakingen." Brahmâ begreep waar ze op uitwaren en vervulde hun wens. Maar toen Hiranyakas'ipu achter deze gang van zaken kwam, was hij zeer kwaad op zijn kleinzoons. "Jullie hebben de omgang met mij opgegeven en zijn vertrokken om Heer Brahmâ te aanbidden" zei hij, "en daarom koester ik geen enkele genegenheid meer voor jullie. Jullie hebben geprobeerd jezelf te redden uit handen van de halfgoden, maar ik vervloek jullie op deze manier: Jullie vader zal geboorte nemen als Kamsa en jullie allen ter dood brengen omdat jullie geboorte zullen nemen als de zoons van Devakî." Vanwege die vloek, moesten de kleinzoons van Hiranyakas'ipu geboorte nemen uit de schoot van Devakî en door Kamsa worden omgebracht, hoewel hij voordien hun vader was geweest. Deze beschrijving staat vermeld in de Hari-vams'a, Vishnu-parva, tweede Hoofdstuk. Overeenkomstig de commentaren van de Vaishnava-toshanî, was de zoon van Devakî die bekend stond als Kîrtimân de derde incarnatie. In zijn eerste incarnatie stond hij bekend als Smara en was hij de zoon van Marîci, en later werd hij de zoon van Kâlanemi. Zo staat het vermeld in de geschiedenissen.'

 

Hoofdstuk 2  

De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Onder de hoede van de machtige koning van Maghada, Jarâsandha [zie 9.22: 8], was er met de medewerking van Pralamba, Baka, Cânûra, Trinâvarta, Aghâsura, Mushthika, Arishthâ, Dvivida, Pûtanâ, Kes'î, Dhenuka, [Narakâsura] en dergelijken en asura koningen als Bâna, Bhaumâsura en meer van dat soort, een systematische vervolging van de koningen van Yadu. (3) Zij, geplaagd, zochten hun toevlucht in de landen van de Kuru's en de Pañcâla's, de Kekaya's, de S'âlva's, de Vidharba's, de Nishadha's, de Videha's en de Kos'ala's. (4-5) Sommigen van hun verwanten echter begonnen dezelfde politiek te volgen die hij, de zoon van Ugrasena [Kamsa], erop nahield met zijn vermoorden van zes van de kinderen die werden geboren uit Devakî. De zevende, een volkomen expansie van Vishnu die werd geëerd met de naam Ananta, was [zodoende] als een vrucht in de schoot van Devakî een bron van zowel vreugde als smart. (6) De Allerhoogste Heer die ook de Superziel is van ieder levend wezen [zie ook B.G. 10: 11], gaf, met begrip voor de angst voor Kamsa van de Yadu's die Hem zochten als hun Hoogste Toevlucht, Zijn spiritueel vermogen [Yogamâyâ] als volgt opdracht. (7) 'O Devî, zo goedgunstig, ga naar Vraja zo prachtig met haar koeherders en koeien, waar Rohinî en andere vrouwen van Vasudeva, in afzondering uit angst voor Kamsa leven in de koeherders-gemeenschap [Gokula] van Nanda. (8) In de schoot van Devakî bevindt zich de vrucht bekend als [Ananta-] S'esha die een volkomen expansie van Mij is; zorg voor een probleemloze overdracht door Hem er toe te bewegen vanuit haar over te gaan in de schoot van Rohinî [*]. (9) Dan zal Ik met Mijn volle vermogen Mijn bijdrage leveren door Devakî's zoon te worden, o heil voor allen, terwijl jij ook zal verschijnen als de dochter van Yas'odâ, de vrouw van Nanda. (10) De mensen [de s'âkta's in tegenstelling tot de vaishnava's] zullen je in verschillende vormen van offeren met wierook aanbidden als de vervulling van al hun wensen, daar jij, voor alles wat men zich kan wensen, degene bent die in staat is de zegeningen te verlenen. (11-12) Afhankelijk van de plaats op aarde [**] zal je verschillende namen krijgen zoals Durgâ, Bhadrakâli, Vijayâ, Vaishnavî en Kumudâ, Candikâ, Krishnâ, Mâdhavî, Kanyakâ [of Kanyâ-kumârî], en Mâyâ, Nârâyanî, Îs'ânî, S'âradâ en ook Ambikâ [***]. (13) Vanwege het wisselen van schoot zullen de mensen in de wereld Hem [de zoon van Rohinî] aanspreken met de naam Sankarshana, vanwege het feit dat hij de mensen genoegen verschaft [toegewijden van ze maakt] wordt Hij [Bala-]Râma genoemd en vanwege Zijn grote fysieke kracht wordt Hij Balabhadra genoemd.'

(14) Aldus geïnstrueerd door de Allerhoogste Heer reageerde ze met 'Zo zij het' en 'Om', aldus Zijn opdracht aannemend en na om Hem heen te zijn gelopen daalde ze rechtstreeks neer om precies zoals was opgedragen tewerk te gaan [vergelijk B.G. 16: 24]. (15) Toen Devakî's vrucht door de sluimering der yoga [ofwel Yogamâyâ, zie B.G. 2: 69] werd overgedragen naar Rohinî jammerde iedereen 'Helaas, de baby is verloren' [denkende dat het een miskraam was]. (16) De Allerhoogste Heer, de ene ware liefde voor iedereen die altijd een einde maakt aan de angst van Zijn toegewijden, ging toen met al wat Zijn genade vermag de geest van Vasudeva binnen [zie ook 3.2: 15]. (17) Hij, met het met zich meedragen van de geestelijke gloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, straalde als de zon en was voor een ieder beslist moeilijk in het gelaat te zien of te benaderen. (18) Daarna werd Hij, de Zegen van Heel het Universum Onfeilbaar in al Zijn Delen, van geest tot geest in Zijn geheel overgedragen door de zoon van S'ûrasena [Vasudeva] zodat de Allerhoogste Ziel en Oorzaak Aller Oorzaken werd gedragen door zijn devî [Devakî] die van puur geluk bloeide als de oostelijke hemel ['met het overdragen van het licht van de ondergaande zon naar een rijzende maan']. (19) Devakî met in haar schoot de Instandhouder van Alle Universa, kon, als de vlammen van een vuur opgesloten in het Bhoja-huis, in die situatie haar licht niet laten schijnen precies zoals dat is met de kennis van een persoon die niet in staat is zich uit te drukken [*4]. (20) Kamsa toen hij haar zag, die met de schoonheid van de uitstraling van het in zich dragen van de Onoverwinnelijke heel de levenssfeer deed opklaren met haar schitterende glimlachen, zei tot zichzelf: 'Degene die nu de schoot van Devakî is binnengegaan moet wel haast de Heer zijn die me ter dood zal brengen; ze heeft er nog nooit eerder zo uitgezien! (21) Hoe moet ik, ervan uitgaande dat het Heilige Voorbeeld Zijn aanspraken niet op zal geven, nu verder als ik mijn eigenbelang niet wil verwaarlozen? Het vermoorden van een vrouw, van mijn zuster, juist nu ze zwanger is, zal voor altijd mijn naam, faam en weelde vernietigen en mijn levensduur bekorten. (22) Die persoon die zijn leven doorbrengt met veel wreedheid is al gestorven terwijl hij nog leeft; als de tijd voor het lichaam erop zit zullen alle mensen hem verdoemen en zal hij met zijn lichamelijke begrip voor het leven [zie ook 7.5: 30 en 5.5: 5 en B.G. 16: 18-21] zonder twijfel in de diepste duisternis belanden [Andhatama, zie ook 3.20: 18 en 5.26: 9].'

(23) Met aldus het gruwelijke idee van moord in zijn gedachten, zag hij er, zichzelf in bedwang houdend, van af op die manier tewerk te gaan. Volhardend in vijandigheid wachtte hij het moment af dat de Heer Zijn geboorte zou nemen. (24) Of hij nu zat of neerlag, waar hij ook was, at, liep of naartoe ging, dacht hij [in haat dus] aan Hrishîkes'a, de Heer der Zinnen, met het idee dat Hij de hele wereld was en niets anders. (25) Maar Heer Brahmâ en Heer S'iva die daar aankwamen met de wijzen, Nârada en andere goddelijke persoonlijkheden en hun gevolg behaagden allen tezamen Hem, die van Allen de Zegen is, met hun bovenzinnelijke gebeden: (26) 'De waarheid van de gelofte [zie 9.24: 56 en B.G. 9: 22], de waarheid van het Allerhoogste, de waarheid in het drievoudige [van b.v. verleden, heden en toekomst] bent U; U bent de bron van alle waarheid die alle waarheden doordringt en die van de waarheid van de elementen en van al [het relatieve] dat voor waar wordt gehouden de oorspronkelijke waarheid bent; van iedere heilige waarheid de oorsprong is alles waar wat betrekking heeft op U, die wij onze volledige overgave bieden. (27) Éénin afhankelijkheid [van de materie], twee in het vruchtdragende [geluk/ongeluk], drie in zijn wortels [de geaardheden] vier in smaken [de purushârtha's], vijf in het kennen [de zinnen], zes in omstandigheden [van weeklagen, illusie, ouderdom, dood, honger en dorst], zeven in lagen ['de bast' of de kos'a's], acht in zijn takken [de elementen, de geest, de intelligentie en het ego], met negen lichaamsopeningen, met het tienvoudige in zijn dek ['de bladeren' of de tien luchten, zie 7.15: 42] en met twee vogels [de ziel en de Superziel] er in, is inderdaad dat lichaam [individueel alsook in zijn volledigheid] de oorspronkelijke boom. (28) U als de Ene Ware bent van dit zichtbare universum voorwaar de Eigenlijke Bron. Aan U is het behoud met de vernietiging; degenen wiens intelligentie is overdekt door Uw mâyâ zien U niet in de veelvoud - zij zien niet die het ontbreekt aan spiritueel onderricht. (29) Met het aannemen van allerlei soorten van gedaanten blijft U niettemin de intelligentie boven hen verheven als U voor het heil van ieder levend wezen overal, bewegend of niet bewegend, als het transcendentaal geluk keer op keer al het ongunstige, niet-toegewijde vernietigt dat de waarachtigen in de weg staat. (30) Ten volle opgaand in een niet aflatende meditatie op U als de thuishaven van het volledige van het bewustzijn, o Lotusogige, klimt men, door die éénpuntigheid zoals beoefend door de grootsten, aan boord van die boot van Uw lotusvoeten die de grote oceaan van onwetendheid terugbrengt tot de hoefafdruk van een kalf [vergelijk 10.1: 5-7]. (31) Zelf de weerspannige oceaan der duisternis overstekend die zo moeilijk te boven te komen is, o Licht van de Wereld, laten zij die meer dan genoeg liefde hebben voor de gevallen zielen [de gevorderde toegewijden] de boot van Uw lotusvoeten achter zich in deze wereld met het afgaan op het uiteindelijke van U, die altijd zo aardig bent voor de volgelingen [zie ook B.G. 6: 44]. (32) Alle anderen, o Lotusogige, die, in de illusie bevrijd te zijn er met een onzuivere intelligentie op los speculeren - ook al zijn ze succesvol in ernstige boetepraktijken -, vallen in minachting voor Uw voeten neer uit de hoogste positie weer terug in de materiële wereld [zie ook B.G. 8: 15-16 en 5.6: 11]. (33) In tegenstelling tot de niet-toegewijden vallen zij, de volgelingen van toewijding o Mâdhava, niet weg van het pad omdat zij, tot U, ten volle zijn aangetrokken zodat door U beschermd zij zich zonder angst over de hoofden bewegen, o Meester, van hen die tegen hen in het geweer treden [zie ook 1.5: 17 en B.G. 18: 78]. (34) Voor het doel van Uw handhaven neemt Uwe Heerlijkheid Bestaand Voorbij de Geaardheden een gedaante aan voor het welzijn en het voordeel van al de belichaamden die, als mensenkinderen verenigd tewerkgaand volgens de Veda, in verzaking en volledige verzonkenheid in Uw eerbetoon U hun offers bereiden [zie ook B.G. 3: 9 & 18: 3]. (35) Als het zuivere van het bestaan, o Bron van de Wereld, niet dit constante van U zou zijn, hoe zou dan de wijsheid tot stand zijn gekomen die het onbenul verdrijft; de onwetendheid wordt volledig weggevaagd op het ontwaken van die kwaliteit van U die Uwe heerlijkheid tentoonspreidt en waarvoor er geen alternatief bestaat. (36) Van Uw naam en gedaante kan men zich niet verzekeren met de woorden en stellingen van hen die zich [enkel] op de geest beraden, o Heer, uw naam en gedaante worden slechts gerealiseerd door ze in praktijk te brengen [zie ook 1.3: 37-38, 4.18: 5 7.15: 58 en B.G: 6: 24 & 18: 55]. (37) Voortdurend over Uw goedgunstige namen en gedaanten vernemend, er over reciterend, ze herinnerend en ze becontemplerend [zie 7.5: 23-24] is hij die van een onverdeelde aandacht in actie aan Uw lotusvoeten is, niet in staat zich iets in te beelden [zich een werkelijkheid losstaande van U voor te stellen, zie ook 6.17: 28-31]. (38) Het is ons grote geluk alhier, o Heer, om met deze aarde als de plaats van de voeten Uwer Heerlijkheid de [asura-]last weggenomen te zien; dankzij de grondeloze genade van de verschijning van U als de Beheerser zullen wij zo gelukkig zijn in de hemel zowel als op de aarde getuige te zijn van de kentekenen van Uw [met de schelphoorn, de lotus, de knots en de schijf] bovenzinnelijk toegeruste lotusvoeten. (39) Voor U die onze levens stuurt is er geen geboorte of dood, echter, het staat buiten kijf dat de zaak van het verschijnen niet zonder het genoegen van Uw spel en vermaak kan zijn; de geboorte, dood en handhaving van de normale zielen wordt door de uitwendige energie zo beschikt vanwege U, onze Vluchthaven tegen Iedere Angst. (40) Als een vis, als een paard, als een schildpad, als een leeuw, als een zwijn, als een zwaan [of zelfgerealiseerde wijze], als een koning en als een geleerd man onder de godvruchtigen [zoals Heer Vâmana] is Uwe heerlijkheid ten tonele verschenen als avatâra's; redt ons en de drie werelden nu alstUblieft, o Beheerser, neem de last van de wereld weg, o Beste der Yadu's, al onze gebeden dragen we aan U op [zie ook 1.3]. (41) [en tot Devakî:] Tot ons geluk, o moeder kan de Allerhoogste Persoonlijkheid met al Zijn energieën nu worden waargenomen in uw schoot; maakt u zich dus, gezien de Opperheer Zijn welwillendheid jegens een ieder, nimmer zorgen over de Bhoja-meester [Kamsa] die erop gefixeerd is door Hem, de beschermer van de Yadu-dynastie die Uw zoon zal worden, te worden gedood.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Na op deze manier gebeden te hebben gebracht voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid wiens gedaante bovenzinnelijk is [ofwel Vishnu], keerden al de halfgoden met Brahmâ en S'iva voorop naar hun verblijfplaatsen terug.' 

 

Voetnoten

* Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Symbolisch, zuiverde moeder Devakî's voortdurende angst voor Kamsa haar. Een zuivere toegewijde behoort altijd de materiële omgang te vrezen, en op die manier zullen al de Asura's van materiële associatie worden gedood, zoals de Shad-garbhâsura's werden gedood door Kamsa. Het wordt gezegd dat door de geest, Marîci verschijnt. Met andere woorden, Marîci is een incarnatie van de geest. Marîci heeft zes zonen: Kâma, Krodha, Lobha, Moha, Mada en Mâtsarya (lust, woede, hebzucht, illusie, waanzin en afgunst). De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschijnt in zuivere toegewijde dienst. Dit wordt bevestigd in de Veda's : 'bhaktir evainam dars'ayati'. Alleen bhakti kan iemand in contact brengen met de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verscheen uit de schoot van Devakî, en daar representeert Devakî symbolisch de bhakti, en Kamsa representeert symbolisch de materiële angst. Als een zuivere toegewijde altijd materiële omgang vreest, manifesteert zich zijn werkelijke positie van bhakti, en verliest hij op een natuurlijke manier zijn interesse voor materiële genoegens. Als de zes zonen van Marîci door een dergelijke angst de dood vinden en men bevrijd is van materiële besmetting, zal in de schoot van de bhakti de Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschijnen. Aldus houdt de zevende zwangerschap van Devakî de verschijning in van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. Nadat de zes zoons van Kâma, Krodha, Lobha, Moha, Mada en Mâtsarya zijn gedood, schept de S'esha incarnatie een situatie geschikt voor het verschijnen van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. Met andere woorden, als men zijn natuurlijke Krishna-bewustzijn opwekt, verschijnt Heer Krishna. Dit is de verklaring gegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura.'

**: De namen waarmee Mâyâdevî bekend staat op verschillende plaatsen zijn als volgt opgesomd door Vallabhâcârya. In Vârânasî staat ze bekend als Durgâ, in Avantî kent men haar als Bhadrakâlî, in Orissa is ze bekend als Vijayâ, en in Kulahâpura kent men haar als Vaishnavî of Mahâlakshmî (de vertegenwoordigers van Mahâlakshmî en Ambikâ bevinden zich in Bombay). In het land bekend als Kâmarûpa kent men haar als Candikâ, in Noord-India als S'âradâ, en in Kaap Comorin als Kanyakâ. Aldus is ze verdeeld naar de verschillende namen en plaatsen.

*** S'rîla Vijayadhvaja Tîrthapâda, heeft in zijn Pada-ratnâvalî-tîkâ, de betekenis uiteengezet van de verschillende representaties. Mâyâ staat bekend als Durgâ omdat ze met moeite wordt benaderd, als Bhadrâ omdat ze goedgunstig is, en als Kâlî omdat ze diepblauw is. Omdat ze de meest machtige energie is, staat ze bekend als Vijayâ; Omdat ze een van de verschillende energieën van Vishnu is, staat ze bekend als Vaishnavî; en omdat ze geniet in deze wereld en gelegenheid bied voor materiële genoegens, staat ze bekend als Kumudâ. Omdat ze het zeer ernstig meent met haar vijanden, de Asura's, staat ze bekend als Candikâ, en omdat ze voorziet in allerhande materiële faciliteiten, wordt ze Krishnâ genoemd. Op deze manier is de materiële energie verschillend benoemd en geplaatst in verschillende plaatsen op het oppervlak van de aarde.

*4: S'rî Caitanya Mahâprabhu zei:

yâre dekha, târe kaha 'Krishna'-upades'a
âmâra âjñâya guru hañâ târa' ei des'a

"Instrueer iedereen te volgen naar de opdrachten van Heer S'rî Krishna zoals die worden gegeven in de Bhagavad Gîtâ en het S'rîmad Bhâgavatam. Wordt op deze manier een geestelijk leraar en probeer een ieder in dit land te bevrijden." (Cc. Madhya 7.128)

 

Hoofdstuk 3  

De Geboorte van Heer Krishna

(1-5) S'rî S'uka zei: 'Toen was er daar het hoogste uur alles welgezind en meest geschikt met het teken Rohinî rijzend en al de sterren en planeten in een gunstige stand. Overal was er vrede, de sterren twinkelden aan de hemel en de steden, dorpen, weidegronden en delfplaatsen waren op hun best. Met de rivieren kristalhelder, de meren prachtig met lotussen en groepjes vogels en zwermen bijen die lieflijk hun lof zongen in de bloeiende wouden, waaide een briesje met een zachte streling geurig en stofvrij en brandden de vuren der tweemaal geborenen stabiel en onverstoord. De geesten der geheiligden, onderdrukt als ze waren geweest door de Asura [Kamsa en zijn mannen], raakten helemaal verguld toen in die situatie de pauken gezamenlijk weerklonken op het moment dat de Ongeborene Zijn geboorte ging nemen. (6) De allerbesten en de bewoners van de hemel zongen; de vervolmaakten en de halfgoden baden en de [vidyâdhara] vrouwen van kennis dansten in grote vreugde tezamen met de dansmeisjes van God. (7-8) De wijzen en de goddelijken deden blij de fijnste bloemen neerregenen en de wolken rommelden zachtjes gelijk de golven van de oceaan toen in het holst van de nacht [om middernacht] Janârdana, de Begunstiger van de Hele Wereld, verscheen uit de goddelijke gedaante van Devakî; Heer Vishnu, Hij die verblijft in ieders hart had zich compleet in ieder opzicht gemanifesteerd, zoals de volle maan opkomt in het oosten. (9-10) Dat wonderbaarlijke kind was, schitterend met lotusgelijke ogen en vier armen die de verschillende wapens omhoog hielden, gesierd met het S'rîvatsa-teken, het schitterende Kaustubha-juweel om Zijn nek, met gele kleding en een huidskleur mooi als die van regenwolken. Vasudeva zag Hem prachtig opgesierd sprankelen met een met vaidûrya (tijgeroog) bezette helm en oorhangers bij weelderig loshangende haarlokken, een uitgelezen gordel om Zijn middel en arm- en polsbanden om Zijn armen. (11-12) Hij, Ânakadundubhi, die versteld stond toen hij de prachtige verschijning van de Heer als zijn zoon zag, droomde op dat moment overweldigd door grote blijdschap van het houden van een feestelijke plechtigheid ter gelegenheid van de nederdaling van Krishna waarbij hij een tienduizendtal koeien zou kunnen wegschenken aan de tweemaal geborenen.

(12) Begrijpend dat Hij de Oorspronkelijke Persoonlijkheid was, richtte hij, wiens angsten onder Zijn invloed waren verdreven, met gevouwen handen ter aarde gevallen gebeden tot het kind, o zoon van Bharata, in staat van vervoering over Zijn schoonheid die de gehele plek waar Hij was geboren alom verlichtte. (13) Vasudeva zei: 'Ik ben me volledig van U bewust, mijn Heer, als rechtstreeks de Oorspronkelijke Persoon bovenzinnelijk aan de geaardheden der natuur, als het absolute begrip en de gelukzaligheid [sat-cit-ânanda] in zijn ware gedaante, de intelligentie die waakt over een ieder. (14) U voorzeker staat bekend als Hem die, na in den beginne door Zijn persoonlijk vermogen deze wereld geschapen te hebben bestaande uit de drie geaardheden [zie B.G 7: 4-6], toen inderdaad schijnt te zijn binnengegaan [als avatâra's] zonder werkelijk erin binnen gegaan te zijn [zie ook 7.12: 15 en B.G. 9: 11]. (15-17) Het is zoals men de elementen der materie kent die in hun niet-getransformeerde staat gevangen zijn in combinaties [van moleculen] die tezamen inderdaad het gehele universum uitmaken; nadat hun samengaan in de combinaties te zijn verschenen doen ze zich voor alsof ze zijn binnengegaan, maar dat binnengaan kan niet waar zijn aangezien ze, in deze scheppingskwestie, er met U vanaf het begin reeds waren. Op deze manier bezien, uitgaande van de ware intelligentie en wat haar eigen is, o mijn Heer, wordt U, alhoewel gearriveerd met de zinsobjecten en de geaardheden der natuur, niet bepaald door de materiële kwaliteiten aangezien U zich [in feite] overal bevindt; er is niet zoiets als een binnen- en een buitenkant aan [het volledige van] U omdat, met alles wat bij U hoort, U de bestaansgrond bent van alles en iedereen [zie ook B.G. 9: 4-6]. (18) Een ieder die, zich in de positie van een herkenbaar matereel lichaam bevindend, het volhoudt te handelen alsof hij een apart bestaan voor zichzelf zou hebben los van het oorspronkelijke zelf of de ziel, is een dwaas; hij is een persoon die, van valse vereenzelviging, als dom wordt afgewezen daar hij verstoken is van de juiste analyse en het hem ontbreekt aan een volledig besef van 'dat' [of tat]. [zie ook B.G. 18: 16, B.G. 7: 4-5 en *] (19) O Almachtige Heer, de geboorte, het verblijven en eindigen van dit alles is, zo concluderen de geletterden, er vanwege U, die onverdorven bent, vrij van toeneigingen en vrij van de geaardheden; in U, de Beheerser, het Hoogste Brahman, is er geen tegenstrijdigheid in het beheerst zijn door de geaardheden die U overschouwt [zie B.G. 9: 10]. (20) U als zodanig, neemt voor de handhaving van de drie werelden middels Uw eigen vermogen, het witte aan [van de goedheid] zowel als de kleur die hoort bij het creatieve, het rood van het vol zijn van de hartstocht en de kleur van het duister in de onwetendheid over het uiteindelijke van de vernietiging. (21) U hier op deze planeet, o Machtige, bent nu als het Volledige van de Controle verschenen in mijn huis om de wildemannen te weren - en hun legers te vernietigen - die met miljoenen tegelijk over de gehele wereld onverlicht zich voordoen als koningen en staatslieden [zie ook B.G 4: 8]. (22) Maar deze ene zo goddeloos [Kamsa] die, nadat hij vernam over Uw geboorte bij ons thuis, al de broers vermoordde vóór U, o Heer der Godvruchtigen zal, door zijn gezagvoerders op de hoogte gesteld van Uw verschijnen, nu zonder twijfel terstond de wapens ter hand nemen.'

(23) S'uka zei: 'Nadat ze hadden gezien dat die zoon van hun al de eigenschappen had van de Allerhoogste Persoonlijkheid, bracht Devakî, bang voor Kamsa maar ook zeer verrast, Hem haar gebeden. (24) S'rî Devakî zei: 'Als de vorm die God aanneemt wordt U somtijds als ongezien beschouwd, als oorspronkelijk, als het Brahman, het licht, de vrijheid boven de geaardheden, het onveranderlijke en de maat van alle goedheid; U bent die Ene onverdeeld, vrij van materiële motieven, die rechtstreeks die Heerlijkheid is, Vishnu, het licht van de Superziel [vergelijk: B.G. 14: 27]. (25) Als de kosmos op zijn einde loopt na miljoenen en miljoenen jaren en de primaire elementen opgaan in het subtiele en al het gemanifesteerde door de kracht van de Tijd in het ongemanifesteerde verandert, is Uwe Heerlijkheid, Hij met de Vele Namen, de enige die overblijft. (26) Deze Tijd zo almachtig, waardoor, van de kleinste tijdmaat tot aan de maat van een jaar, deze gehele schepping werkt, wordt gezegd Zijn bewegen te zijn, de Autoriteit van het Ongemanifesteerde dat U bent, de veilige haven, de Allerhoogste Beheerser die ik mijn overgave bied. (27) De sterfelijken bevreesd voor het serpent van de dood vluchten in alle richtingen maar kunnen de vrees niet van zich afschudden; gelukkig als ze zijn de lotusvoeten te verwerven echter, slapen ze nu onverstoord en slaat de dood voor hen op de vlucht. (28) O Heerlijkheid, kan U, in Uw gedaante als degene die alle vrees van Uw dienaren verdrijft, ons beschermen tegen de verschrikkelijke zoon van Ugrasena waar we zo bang voor zijn en kan U alstUblieft, als deze Oorspronkelijke Persoonlijkheid waar we in ons mediteren op gericht zijn, er voor zorgen dat U niet te zien bent voor hen die U willen zien met materiële ogen [vergelijk B.G. 11: 8]? (29) O Madhusûdana, vanwege Uw verschijnen ben ik in angst verzet benauwd voor Kamsa; moge Uw geboorte uit mijn schoot aan de aandacht ontsnappen van die grote zondaar. (30) Trek, o Alles-doorvarende Heer, die bovennatuurlijke vierarmige gedaante van U in die zo rijk is met de voorwerpen van de lotus, de schelphoorn, de schijf en de knots. (31) De ganse schepping met alles erin wordt door de transcendentale Oorspronkelijke Persoonlijkheid van Uwe Heerlijkheid met gemak geborgen en behouden binnen in Uw lichaam ten tijde van de vernietiging; het is werkelijk onmogelijk dat in deze menselijke wereld, o God, het zich zo voordeed dat deze gedaante mijn schoot is binnengegaan!'

(32) De Opperheer gaf ten antwoord: 'U raakte in een voorgaand tijdperk bekend als Pris'ni, o kuise dame, en hij [Vasudeva] was toentertijd een Prajâpati bekend als Sutapâ, een onberispelijk vrome persoon. (33) Toen jullie beiden in die tijd er door Heer Brahmâ toe werden opgedragen nageslacht te verwekken, waren jullie vervolgens van zware boetedoeningen met het volledig onder controle houden van jullie zinnen. (34-35) De regen, de wind, de brandende zon en de strenge koude en hitte van de seizoenswisselingen verdragend, werd middels het beoefenen van de onthouding de geest vrijgemaakt; enkel gevallen blad en lucht etend werden jullie zuiver en vredig en volbrachten jullie sereen Mijn verering biddend om een gunst van Mij. (36) Met jullie aldus van ernstige boete zijnd beoefenen van de moeilijkste verzakingen, verstreken zo'n twaalfduizend hemelse jaren van eenvoudig aan Mij denken. (37-38) Door deze innerlijke vastbeslotenheid en constante, trouwe dienst en boetvaardigheid o zondeloze n, verscheen Ik, uitgeroepen tot de gunstigste van alle wensvervullers, zeer tevreden zijnd over jullie tweeën vervolgens in deze gedaante ertoe bereid om aan jullie verlangens tegemoet te komen en werd, toen jullie er door Mij toe werden verzocht na te denken over een gunst voor jezelf, Ik gevraagd een zoon zoals Ik nu ben te worden. (39) Als man en vrouw zonder een kind vroegen jullie, terwille van het zinnelijk leven om dit te bereiken in jullie zo sterk aangetrokken zijn tot Mijn goddelijke energie, Mij nimmer om bevrijd te raken uit deze wereld [zie ook 4.9: 30-35]. (40) Na Mijn vertrek gingen jullie, na de zegening te hebben ontvangen, ertoe over seksueel te genieten en werd door jullie tweeën het verlangde resultaat bereikt van het krijgen van een zoon als Ik. (41) Niemand anders in deze wereld aantreffend met een dergelijk karakter en zulke kwaliteiten werd Ik jullie zoon en sta Ik aldus bekend als Pris'nigarbha. (42) Uit jullie tweeën verscheen Ik via Kas'yapa uit Aditi nogmaals en stond Ik, gevierd als Upendra, omdat Ik een dwerg was, ook wel bekend als Vâmana [zie 8.17-22]. (43) Neem het van Mij aan, o kuise dame, dat Ik met jullie voor de derde keer nu in deze zelfde verschijning [ten volle als Krishna], weer met de lichamen van jullie tweeën, Mijn geboorte heb genomen. (44) Deze [vierhandige] gedaante is jullie getoond terwille van de herinnering aan Mijn voorgaande verschijningen, anders zou het spiritueel begrip van Mijn identiteit zich niet voordoen met dit vergankelijke beeld. (45) Mij met liefde en zorg behandelend zullen jullie twee in het voortdurende bewustzijn van Mij als zijnde zowel jullie zoon als het Spiritueel Volkomene, beiden Mijn bovenzinnelijk verblijf bereiken.'

(46) S'rî S'uka zei: 'Na aldus te hebben gesproken hield de Persoonlijkheid van God, de Allerhoogste Heer zich stil terwijl Hij voor ogen van Zijn ouders de gedaante aannam van een gewoon mensenkind. (47) En daarna, toen de zoon van S'ûrasena zoals hem was gezegd door de Opperheer zorgzaam zijn zoon wegvoerde van zijn geboorteplaats, nam precies op het ogenblik dat hij Hem naar buiten wilde brengen Yogamâyâ [zie 10.2: 6-12], de ongeborene der transcendentie, haar geboorte uit de vrouw van Nanda. (48-49) Onder haar invloed hadden de wachters alsook de rest van de mensen, diep in slaap hun bewustzijn van al hun zinnen verloren en waren ook al de zwaar uitgevoerde deuren en poorten die waren vergrendeld met bouten en kettingen uit zichzelf wijd open gezwaaid zoals de duisternis wijkt voor de zon, toen Vasudeva die Krishna droeg naderde. De wolken enigszins rommelend lieten de regen stromen, maar gevolgd door S'esha Nâga werd de regen tegengehouden door de uitgespreide kragen. (50) Vanwege Indra's gedurige regenval was van het diepe water van Yamarâja's jongere zuster, de Yamunâ, het oppervlak aan het schuimen van de gewelddadige golven maar de kolkende, onrustige, woeste stroom week uiteen precies zoals de oceaan dat voorheen had gedaan voor de Echtgenoot van Sîtâ [Heer Râma, zie 9.10: 13-15]. (51) De zoon van S'ûrasena trof met het bereiken van het koeiendorp van Nanda al de koeherders daar diep in slaap aan en met hen onder zeil plaatste hij zijn zoon op Yas'odâ's bed en pakte hij haar dochter op om terug te keren naar zijn verblijfplaats. (52) Daar plaatste hij het meisje op Devakî's bed en legde hij zichzelf weer de ketenen aan voor zijn voeten zodat hij als voorheen gevangen bleef. (53) Yas'odâ, de vrouw van Nanda die ook een kind had gebaard, had er geen idee van hoe het er precies uitzag omdat overmand door slaap van het zware bevallen haar geheugen haar in de steek had gelaten.'

 Voetnoot:

* Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we deze wereld als vals beschouwen, vallen we in de categorie van de Asura's, die zeggen dat deze wereld onwerkelijk is, geen reden van bestaan heeft noch een controlerende God kent (asatyam apratishthham te jagad âhur anîs'varam). Zoals beschreven in het zestiende Hoofdstuk van de Bhagavad Gîtâ, is dit de conclusie der demonen.'

 

Hoofdstuk 4

De Wreedheden van Koning Kamsa

(1) S'rî S'uka zei: 'Met de buiten- en binnendeuren van het gebouw weer vergrendeld als voorheen, werden de wachters in de gevangenis wakker toen ze het huilen hoorden van het pasgeboren kind. (2) Ze haastten zich toen om dat aan de koning van Bhoja over te brieven die vol zorg de tijd afwachtte dat Devakî zou baren. (3) Hij kwam snel uit bed, zei 'De Tijd is daar' en ging met dat in gedachten onverwijld, met het haar op zijn hoofd in de war, naar waar de moeder zich bevond.

(4) De kuise Devakî er ellendig aan toe in haar lijden zei tot Kamsa, haar broer: 'Deze hier is voor jouw zoon bestemd, o goedheid, ze is een vrouw die je niet moet doden. (5) Vele kleintjes zo helder als het vuur zijn door jou, naar wat je van boven hoorde, ter dood gebracht, mijn broeder, gun me nu dan deze ene dochter. (6) Ik ben nog steeds je jongere zus, is het niet? Slecht af zonder mijn kinderen, o meester, beste broer, ben je mij zo behoeftig dit laatste kind schuldig.'

(7) S'rî S'uka zei: 'In tranen haar baby omklemmend smeekte ze hoogst deerniswekkend maar hij, allerwreedst, rukte het met een snauw uit haar handen. (8) Met geweld het zich toeëigenend wilde hij het nieuwgeboren kind van zijn zus bij de beentjes vastgehouden tegen de stenen vloer slaan, egocentrisch als hij was zonder enig gevoel voor de familiale genegenheid. (9) Maar halverwege gleed het uit zijn handen en verscheen het datzelfde moment in de lucht als Devî [Durgâ] de jongste zuster van Vishnu, met al de acht wapens bij haar machtige armen [zie ook 8.12: 40]. (10-11) Gesierd met sandelhoutpasta, bloemenkransen, kostbare juwelen en fraai aangekleed hield ze Vishnu's wapens vast: een boog, een lans, pijlen, een schild, een zwaard, een schelphoorn, een lotus en een werpschijf. Onder de aanbidding der vervolmaakten, de eerbiedwaardigen en de zangers van de hemel, de dansmeisjes, de excellenten [Uraga's, de 'goddelijke slangen'] en de bijzonder getalenteerden zei ze, terwijl ze op allerlei manieren bediend werd: (12) 'Wat heeft het voor nut mij te doden, dwaas die je bent, Hij, je oude vijand [zie 1.68] die je zal doden, is reeds ter wereld gekomen, [en is nu] ergens anders, hou ermee op nog langer onnodig arme zieltjes te vermoorden.'

(13) De godin met de ontzagwekkende macht van mâyâ hem op deze manier aansprekend raakte inderdaad onder verschillende namen bekend op de verschillende plaatsen op aarde [zie 10.2: 10 & 11]. (14) Kamsa toen hij haar woorden hoorde was met stomheid geslagen en liet meteen Devakî en Vasudeva vrij nederig zeggend: (15) 'Helaas, o beste zus en zwager van me, zoals een mensenverslinder met zijn eigen kroost doet, werden, als gevolg van mijn zonden, door mij jouw zoons gedood. (16) Ik voorwaar ben er zo een die zonder genade wreed verwanten en vrienden ontkende; naar wat voor een wereld ben ik, me gedragend als een brahmanen-moordenaar, op weg met mijn ademtocht hier of in het hiernamaals? (17) Ook de hemel kan een leugen bezigen, niet enkel menselijke wezens; alleen maar omdat ik geloof hechtte aan de profetie heb ik, de grootste aller zondaars, die kinderen van mijn zus gedood! (18) O gezegende zielen, treur niet over jullie zoons; allen die worden geboren hebben te lijden als gevolg van hun eigen handelen [zie voetnoot 3 hfstk.1] en bijgevolg is het naar de wil van God niet altijd gegeven op dezelfde plaats te leven. (19) Op aarde verschijnt en verdwijnt alles wat is samengesteld uit aarde, zo ook doet het zich voor dat, met het behartigen van de ziel, men in dezen veranderingen ondergaat maar dat men net als de aarde zelf niet verandert [vergelijk 10.3: 15-17]. (20) Als een persoon zonder kennis van het verschil [tussen lichaam en zelf] het idee heeft dat hij het lichaam is, dan is zo een iemand, verenigd met zijn omhulsel, van valse eenwording in oppositie met anderen en is hij niet in staat te ontsnappen aan de gevangenschap in het rad van wedergeboorte. (21) Beklaag je, met mij je het allerbeste toewensend, daarom niet over de zoons die door mij hun dood vonden; is het niet zo dat iedereen naar wat er gegeven is wordt geconfronteerd met wat hijzelf heeft gedaan? (22) Zolang als hij die zichzelf niet heeft leren kennen over zichzelf denkt in termen van doden of gedood worden is hij, voor de duur van die misvatting, een dwaas gebonden aan wereldse verantwoordelijkheden die hun einde niet kennen [zie ook B.G. 3: 9 & 18: 17 en nitya-mukta]. (23) Vergeef me mijn wreedheden, jullie beiden geheiligden zorgzaam voor de gevallen zielen!' en terwijl hij dit zei met tranen langs zijn wangen biggelend, klampte de zwager de voeten van zijn verwanten vast.

(24) Met geloof in de woorden van Durgâ hen uit hun ketenen bevrijdend, bewees hij Vasudeva en Devakî zijn familiehart. (25) Jegens haar spijtige broer was Devakî toen verlost van haar woede en zo gaf ook Vasudeva zijn woede op hem met een glimlach zeggend: (26) 'Je hebt gelijk, o genadige, met wat je zei over de belichaamde ziel die gedreven door onwetendheid zijn eigen belangen scheidt van die van anderen. (27) Het is weeklagen, gejubel, angst, haat, begeerte, illusie en waanzin wat mensen krijgen die, alles als op zichzelf bestaand beschouwend [wat slechts de aanleiding is], elkaar naar het leven staan als ze van dat onderscheid niet zien wat de werkelijke situatie is met de Heer [die de achterliggende oorzaak is].'

(28) S'rî S'uka zei: 'Kamsa die aldus in zuiverheid een antwoord kreeg van de tot rust bewogen Devakî en Vasudeva, nam afscheid en ging zijn paleis binnen. (29) Toen de nacht voorbij was riep Kamsa al zijn raadslieden bijeen en stelde hij ze op de hoogte van alles wat de 'Sluimer der Yoga', Durgâ, had gezegd. (30) Toen ze hadden vernomen wat hun meester te zeggen had gaven de Daitya tegenstanders der godsbewusten, die kwaadwillig jegens de halfgoden niet al te ter zake kundig waren [zie ook B.G. 9: 12] ten antwoord: (31) 'Welnu, als dit het geval is, o Koning van Bhoja, laten we dan nu meteen al de kinderen ter dood brengen die zo ongeveer tien dagen oud zijn of jonger in iedere stad, dorp of landstreek. (32) Wat kunnen de goddelijken zo bang om te vechten nu uitrichten, zij die altijd zo nerveus zijn het geluid van uw boogpees te horen? (33) Her en der verslagen, getroffen door uw vele pijlen, zijn ze, voor hun leven vrezend, weggevlucht en hebben ze moedwillig het slagveld de rug toegekeerd! (34) Enkele van die hemelse types vouwden allerberoerdst verstoken van al hun wapenen hun handen voor u met al hun haar en kleding in de war en sommigen zeiden dingen als 'We zijn zo bang voor u geworden!' (35) En u met hen, zo doodsbang zonder hun strijdwagens en de wapens die ze opgaven, brengt niemand van hen ter dood die met gebroken bogen als pacifisten meer gehecht zijn aan andere dingen dan aan het leveren van strijd. (36) Wat valt er te vrezen van de kant van de zo machtige goddelijken? Ver van de strijd geven ze hoog op! En van de kant van Heer Hari dan? Hij houdt zich schuil in het hart! Moeten we dan bang zijn voor S'iva? Hij leeft in het woud! En Indra dan? Die is ook niet zo'n held! En Brahmâ? Die zit altijd te mediteren! (37) Niettemin, zo houdt u staande, moeten de goddelijken als vijanden niet over het hoofd worden gezien; laat ons, uw getrouwen, daarom korte metten met ze maken! (38) Zoals met een verwaarloosde ziekte van het lichaam die door de mens in zijn acute fase niet meer kan worden behandeld en zoals het is met de zinnen als die niet van het begin af aan worden beheerst, wordt zo ook een grote vijand te sterk om nog langer de baas te zijn. (39) De wortel van dit alles is Vishnu, in Hem vinden de godsbewusten hun traditionele verplichtingen en is er het brahmaanse met de koeien, de geleerden, de boetedoeningen en de offerplechtigheden waarvoor ze zich laten betalen [zie ook 7.5: 31]. (40) Derhalve, zullen we, o Koning, alles in het werk stellen om een einde te maken aan de brahmanen zo ijverig met het brahmaanse, die boetelingen zo druk met hun offers en koeienzaken voor wat melk! (41) De geschoolden en de koeien, de Veda's, de verzaking, de waarheidsliefde en zinsbeheersing, de kalmte, het geloof, de genade, de tolerantie alsook de plechtigheden maken allen deel uit van Hari. (42) Hij inderdaad is de leider van al de Sura's en waarlijk de vijand van de Asura's; Hij is die ene in het hart onder wiens hoede al de godvrezenden, met inbegrip van hun beheerser [S'iva] en hij met de vier gezichten [Brahmâ], hun bestaan hebben; werkelijk, de enige manier om Hem te raken is al Zijn zieners te vervolgen.'

(43) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier zonder veel verstand lang uitweidend met zijn slechte raadgevers accepteerde Kamsa, die als demon werd beheerst door de Heer van de Dood, dat het beste dat hij kon doen was de brahmanen te vervolgen. (44) Met zijn instemmen met de Dânava's om de boetvaardigen te bestrijden, verspreidden de liefhebbers van geweld en vernietiging, die iedere gedaante konden aannemen die ze maar wilden, zich in alle richtingen en keerde Kamsa naar zijn verblijven terug. (45) Vol van een hartstocht van de diepste duisternis zijnde gingen zij, allen in wezen volslagen onwijs, met de schaduw van de dood reeds over hen over tot de vervolging van de waarachtigen. (46) Van een persoon die moedwillig ingaat tegen grote persoonlijkheden worden de zegeningen van een lang leven, schoonheid, roem, religiositeit, talenten en een plaatsje in de hemel, alle vernietigd.'

 

Hoofdstuk 5

Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nanda dolblij dat er een zoon was geboren, nodigde grootmoedig de geschoolden thuis in de Veda uit, reinigde zichzelf middels een bad en kleedde zich netjes aan. Om de geboorte te vieren [in jâtakarma*] liet hij de mantra's chanten en voorzag hij eveneens in de eredienst van de voorvaderen en de halfgoden zoals dat was voorgeschreven. (3) Aan de brahmanen schonk hij in liefdadigheid talloze volledig opgesierde melkkoeien en zeven bergen sesamzaad, bezaaid met juwelen en met goud bestikte stof. (4) Door de tijd, door te baden, door zuiveringsrituelen, door verzaking en door aanbidding raakt in liefdadigheid en tevredenheid al wat men heeft gezuiverd, maar de ziel raakt gezuiverd door zelfrealisatie. (5) Onder het voortdurend weerklinken van bherî's en dundubhi's [trommels] bedienden de geleerden, de verhalenvertellers, de reciteerders en de zangers zich van woorden die alles en iedereen zuiverden. (6) Heel Vraja werd schoongemaakt; alle doorgangen, binnenplaatsen en binnenkamers werden schoongewassen en een keur aan slingers en vlaggen sierden erebogen van bloemslingers, stukken stof en mangobladeren. (7) De koeien, stieren en kalveren werden ingesmeerd met turmeric-olie en versierd met grondkleuren, pauwenveren, stoffen, gouden sierselen en bloemen. (8) O Koning, de koeherders [de gopa's] die zich verzamelden waren uitgedost met de meest kostbare ornamenten en kledingstukken als overjassen en tulbanden en brachten allerlei gaven met zich mee. (9) De koeherdersvrouwen [de gopî's] waren eveneens blij te horen dat moeder Yas'odâ het leven had geschonken aan een jongen en toonden zich op hun best verschijnend in feestelijke kleding met hun ogen opgemaakt en juwelen om en dergelijke. (10) Met hun allerprachtigste lotusgezichten en sieraden, saffraan en verse kunkuma, haastten ze zich met deinende boezems en heupen derwaarts met offergaven in hun handen. (11) De gopî's droegen prachtige oorbellen met edelstenen, hadden kettingen van gouden munten om hun nek en hadden hun kledingstukken fraai bestikt terwijl op weg naar het huis van Nanda een regen van bloemen naar beneden kwam van hun slingers; met de kledij en hun slingerende armbanden, oorhangers, borsten en bloemenslingers waren ze een lust voor het oog. (12) Allen spraken langdurig zegeningen uit voor de pasgeborene zoals 'pâhi' ['weest beschermd'] en besprenkelden met gebeden de Ongeboren Heer met turmeric-olie. (13) Met de komst in Nanda's koeiengemeenschap van Krishna, de Onbegrensde Beheerser van het Ganse Universum, weerklonk een verscheidenheid aan muziekinstrumenten in één groot feest. (14) Zich vermakend gooiden de gopa's yoghurt, melk en karnemelk naar elkaar en smeerden ze elkaar in met de boter. (15-16) Hen zowel als de verhalenvertellers, de reciteerders en de zangers en allen die met hun scholing de kost verdienden het ruimste hart toedragend was, om zijn kind de beste vooruitzichten te bieden, die nobele ziel, Nanda, met de bedoeling Heer Vishnu te behagen van eerbetoon met wat ze ook maar konden gebruiken of zich konden wensen aan kleding, sierselen en koeien [zie ook 7.14: 17]. (17) De hoogst fortuinlijke Rohinî [de moeder van Baladeva die zich daar schuilhield, zie 10.2: 7] was het ook naar de zin gemaakt door de beschermer die Nanda was; ze was druk in de weer prachtig met haar kleding, bloemenslinger en de opsmuk van een halsketting. (18) O Koning, van die tijd af aan ontstond in het koeiengebied van Nanda de grootste weelde met alle rijkdom daar het, als de plaats waar de Heer zich ophield, door Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten de plaats was geworden voor het spel en vermaak van Ramâ [de Godin van het geluk, zie 8.8: 8].

(19) Nanda, nadat hij de bescherming over Gokula [het koeiendorp] had overgedragen aan de koeherders, ging naar Mathurâ om van zijn winst zijn jaarlijkse belasting af te dragen aan Kamsa, o beste van de Kurudynastie. (20) Vasudeva, toen hij hoorde dat zijn [jongere stief-]broer Nanda [**] was vertrokken - naar verluid om de koning de eer te bewijzen - begaf hij zich naar waar hij verbleef. (21) Hem [Vasudeva] zo opeens voor zich ziend stond hij verheugd op alsof zijn lichaam een nieuw leven had gevonden en overmand door liefde en genegenheid omarmde hij zijn dierbare vriend. (22) Met alle eerbetoon verwelkomd, naar zijn gezondheid gevraagd en met een zitplaats bedacht vroeg hij [Vasudeva], gehecht als hij was, naar zijn eigen twee zoons het volgende zeggend, o heerser over de wereld. (23) 'Beste broeder Nanda, welk een geluk is je ten deel gevallen nu het zich heeft voorgedaan dat je de zoon hebt gekregen waar je, op leeftijd zijnde en er geen hebbend, zo wanhopig naar uitzag. (24) En wat een geluk ook om jou vandaag hier te treffen, het is als een wedergeboorte; hoe lastig is het niet om, ookal verblijft men in deze wereld van geboorte en dood, je dierbaren weer opnieuw te treffen! (25) Zoals dingen drijvend in een rivier worden meegevoerd door de kracht van de golven houden wij, met de nauwe band die we hebben, ons niet op één en dezelfde plaats op met het uiteenlopen van onze karmische wegen. (26) Gaat alles goed met de koeienzaken, is er genoeg water, gras, planten en dat alles in het grote bos waar je nu leeft met je vrienden? (27) O broeder, beschouwt mijn zoon, met Zijn moeder bij jou in huis levend, je als Zijn vader en is Hij een lieve jongen onder jullie beider zorg? (28) De drie voorgeschreven levensdoelen van een persoon [van geregelde lusten, financiën en rituelen] vinden hun betekenis en werking in het samenzijn, maar dat is niet zo als dat samenzijn moeilijk is geworden, dan verliezen ze hun zeggingskracht.'

(29) S'rî Nanda zei: 'Hoe spijtig is het dat de vele zoons die je had met Devakî door Kamsa ter dood werden gebracht en dat ook die ene die overbleef, de jongste, een dochter, naar de hemel is vertrokken. (30) Door de Ongeziene inderdaad vindt alles zijn vervulling, de Ongeziene vormt het uiteindelijke voor iedereen die leeft; die lotsbestemming is iemands uiteindelijke waarheid en hij die dat weet zal niet verbijsterd raken.' 

(31) S'rî Vasudeva zei: 'Nu dat je de koning zijn jaarlijkse penningen hebt betaald en wij elkaar getroffen hebben, zouden we beiden hier niet nog langer moeten blijven, er zou zich iets kunnen hebben voorgedaan in Gokula!'

(32) S'rî S'uka zei: 'Met dat advies afscheid nemend spanden Nanda en zijn metgezellen hun ossen voor hun ossenwagens en vertrokken ze naar Gokula.'

Voetnoot:

 * De jâtakarma geboorteplechtigheid, welke plaats kan vinden zo gauw de navelstreng, waarmee het kind aan de placenta vast zit, is doorgesneden, bestaat er uit dat de tong van de nieuwgeborene driemaal met ghee wordt aangestipt voorafgegaan door inleidende gebeden. De geboorteceremonie van Krishna wordt ook wel Nandotsava genoemd.  De dag dat jaarlijks Zijn geboorte wordt gevierd wordt Janmâshthamî genoemd [de achtste dag van de maand Bhâdra of S'râvana (Augustus-September)]

**: De paramparâ verduidelijkt: 'Vasudeva en Nanda Mahârâja waren dermate nauw verbonden dat ze leefden als broers. Verder, leren we van de notities van S'rîpâda Madhvâcârya dat Vasudeva en Nanda Mahârâja stiefbroers waren. Vasudeva's vader, S'ûrasena, trouwde met een vais'ya meisje, en uit haar nam Nanda Mahârâja zijn geboorte. Later, trouwde Nanda Mahârâja zelf met een vais'ya meisje, Yas'odâ. Daarom wordt deze familie gerespecteert als een vais'ya familie, en nam Krishna, Zich identificerend als hun zoon, de zorg op zich voor vais'ya zaken (krishi-go-rakshya-vânijyam, B.G. 18: 44)'.  

 

Hoofdstuk 6

Het Doden van de Demone Pûtanâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Nanda op weg gegaan [naar huis] bedacht dat de woorden van de zoon van S'ûra [Vasudeva] niet zomaar gevallen waren en dus nam hij, bang voor eventuele moeilijkheden, zijn toevlucht tot de Heer. (2) Zoals beschikt door Kamsa [zie 10.4: 43] was er een afgrijselijke moordenares die in de steden, dorpen en gehuchten rondwaarde en daar kleine baby's doodde. (3) [Welnu,] waar men ook zijn plicht doet en weet te luisteren en dat alles [van de bhakti] kan er, met de Beschermer van de Toegewijden, geen sprake zijn van geschreeuw om moord van wildemannen en kwade elementen. (4) Zij die Pûtanâ werd genoemd, en in staat was door de lucht te reizen, vloog op een dag op het dorp van Nanda af, transformeerde zichzelf middels haar mystiek vermogen in een mooie vrouw en drong er binnen, gaand en staand waar ze maar wilde. (5-6) Met haar haar opgeschikt met mallikâ [jasmijn] bloemen, haar zeer weelderige borsten en heupen haast te zwaar voor haar slanke middel, met haar fijne uitdossing en de oorhangers die ze droeg, de schittering en grote aantrekkingskracht van haar gezicht omlijst door haar zwarte haar en met haar uitdagende blikken geworpen naar iedereen, trok ze met haar schoonheid ieders aandacht in Gokula; het scheen de gopî's toe dat zij, zo oogstrelend met een lotus in haar hand, de godin van de schoonheid was die was gekomen om haar Echtgenoot te zien. (7) De baby-moordenares aldaar in het huis van Nanda ongehinderd op zoek naar kinderen zag het Kind dat een Einde Maakt aan Alle Onwaarheid en waarvan het onbegrensde vermogen overdekt was, precies zoals vuur verborgen in de as. (8) Begrijpend dat ze eropuitwas kinderen te vermoorden sloot Hij, de Onbegrensde Ziel van al wat Leeft en Niet Leeft, Zijn ogen toen zij, zich van niets bewust als iemand die een slapende slang aanziet voor een stuk touw, Hem, haar eigen ondergang, op haar schoot zette. (9) Kwaadgezind het proberend als een moeder was ze als een scherp zwaard in een fraaie schede, zoals de twee moeders haar in de kamer zagen die onder de indruk van haar schoonheid als aan de grond genageld stonden. (10) Zij, verschrikkelijk, plaatste Hem op haar schoot en duwde ter plekke Hem haar borst, als een wapen met gif ingesmeerd, in Zijn mond, maar in reactie daarop kneep de Allerhoogste Heer haar pijnlijk hard met Zijn beide handjes en zoog Hij verwoed zowel het gif als het leven uit haar. (11) In heel haar wezen geraakt, schreeuwde ze luid jammerend uit: 'Help, help me; genoeg!' en spreidde ze haar ogen wijd open, hevig zwetend terwijl ze tegenspartelend met haar armen en benen om zich heen sloeg. (12) Het kabaal dat ze maakte deed de aarde met haar bergen en de buitenruimte met al zijn sterren in het firmament en de lagere werelden in alle richtingen op hun grondvesten schudden waarbij de mensen, bang voor het geluid, zich plat op de grond wierpen om niet te worden getroffen door de bliksem. (13) Aldus gekweld aan haar borsten worstelend, gaf ze de geest, met haar mond wijd open en haar armen en benen en haren wijd uitgespreid. Daarop expandeerde ze toen naar haar oorspronkelijke demonische gedaante, ter aarde stortend in de weidegronden o Koning, als Vritrâsura toen die werd getroffen door de schicht van Indra [zie 6.12]. (14) Haar lichaam verpletterde in zijn val alle bomen in een straal van zo'n twintig kilometer, o Koning, daar het hoogst wonderbaarlijk gigantisch groot was.

(15-17) De gopa's en de gopî's die in hun harten, oren en hoofden al diep geschokt waren door het luide gekrijs waren ontsteld dat massieve lichaam te zien waarvan de mond tanden had hoog als een ploeg, de neusgaten groot waren als berggrotten, de borsten waren als rotsblokken, het wilde uitgespreide haar er uitzag als koper, de diepe oogkassen waren als overwoekerde putten, de dijen waren als rivieroevers met de ledematen als bruggen en de buik er uit zag als een opgedroogd meer. (18) En er bovenop was er daar het kind, zorgeloos spelend, dat snel door de gopî's werd opgepakt die allen naderbij komend in hoge staat van opwinding verkeerden. (19) Tezamen met Yas'odâ en Rohinî zwaaiden ze toen met een koeienstaart rondom het kind zodat het kind geheel beschermd zou zijn tegen alle gevaren, (20) Met koeienurine werd het kind grondig schoongewassen en opnieuw bedekt met het stof opgeworpen door koeien. Daarna werd er voor de bescherming van het kind eveneens met koemest de heilige Naam aangebracht op twaalf plaatsen [*]. (21) De gopî's namen een teugje water [âcamana] en na het plaatsen van de letters van de [volgende **] mantra op hun eigen lichamen en twee handen, gingen ze toen zo verder met het kind: (22-23) 'Moge Aja Je benen beschermen, moge Manimân Je knieën beschermen, moge Yajña Je dijen beschermen, moge Acyuta Je boven Je middel beschermen, moge Hayagrîva Je onderbuik beschermen, moge Kes'ava Je hart beschermen, moge Îs'a Je borst beschermen, moge Sûrya Je nek beschermen, moge Vishnu Je armen beschermen, moge Urukrama Je mond beschermen en moge Îs'vara Je hoofd beschermen. Moge Cakrî Je van voren beschermen; moge de Allerhoogste Persoonlijkheid Gadâdharî, die de knots draagt, Je van achteren beschermen; en moge de doder van Madhu en Ajana, de drager van de boog en het zwaard Je twee zijden beschermen. Moge Heer Urugâya, de drager van de schelphoorn, Je vanuit iedere hoek beschermen; moge Upendra Je van boven beschermen; moge [Hij die rijdt op] Garuda Je op de grond beschermen; en moge de Allerhoogste Persoon Haladhara, Je van alle kanten beschermen. (24) Moge Je zinnen worden beschermd door Hrishîkes'a, Je levensadem door Nârâyana, moge de Meester van S'vetadvîpa de kern van je hart beschermen en moge Je geest worden behoed door Yoges'vara. (25-26) Moge Pris'nigarbha Je intelligentie beschermen, moge Je ziel worden beschermd door Bhagavân, moge Govinda Je beschermen als Je speelt en moge Mâdhava Je beschermen in Je slaap. Moge de Heer van Vaikunthha Je beschermen als Je loopt, de Echtgenoot van de Godin van het geluk Je beschermen als Je zit en moge Heer Yajñabhuk, de vrees van al de kwade werelden, Je beschermen als Je van het leven geniet. (27-29) De duivelinnen, duivels en haters van kinderen die zijn als slecht gesternte; de boze geesten, kwaaie dwergen, kwelgeesten en spoken, de wildemannen, monsters en heksen als Kotharâ, Revatî, Jyeshthhâ, Mâtrikâ en Pûtanâ die mensen tot waanzin drijven, zijn degenen die het geheugen bederven en het iemand in zijn lichamelijkheid, levensadem en vitaliteit moeilijk maken. Mogen die nachtmerrie-wezens die zoveel ellende veroorzaken met het aanvallen van de grootste wijzen en de kinderen allen hun ondergang vinden, afgeschrikt door het zingen van de namen van Vishnu'.

(30) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier werden door de oudere gopî's die aldus gebonden waren door hun moederlijke genegenheid alle maatregelen genomen om het kwaad af te wenden. Vervolgens gaf ma Hem de borst en stopte ze haar zoon in bed. (31) Ondertussen kwamen de gopa's met Nanda voorop terug uit Mathurâ en toen ze in Vraja Pûtanâ's lichaam zagen stonden ze allen stomverbaasd [en zeiden]: (32) 'Het schijnt zo te zijn, o vrienden, dat Ânakadundubhi uitgegroeid is tot een grote yogameester of zoiets, wat zich hier heeft voorgedaan is het soort van voorval dat hij voorspelde!' (33) De massa van het lichaam werd met behulp van bijlen door al de bewoners van Vraja in stukken gehakt en, meegevoerd over een lange afstand, neergegooid, met hout bedekt en verbrand. (34) Toen het lichaam werd gecremeerd bleek de rook die vrijkwam zo sereen geurig te zijn als aguru wierook omdat, met het zuigen van Krishna, het direct was bevrijd van alle smetten [zie 1.2: 17]. (35-36) Als Pûtanâ, die kindermoordenares en duivelin zinnend op bloed, niettegenstaande haar moordlust, na de Heer haar borst geboden te hebben, erin slaagde het hoogste doel te bereiken, wat zou dat dan niet inhouden voor hen die met geloof en toewijding een affiniteit hebben gelijk aan die van al die liefhebbende moeders voor wie Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de meest geliefde is? (37-38) Met Zijn lotusvoeten, welke de toegewijden altijd in hun harten dragen en welke in toewijding worden vastgehouden door hen die overal worden geprezen [zoals Brahmâ en S'iva], trad de Allerhoogste Heer op haar lichaam en haar borst en ging ze, hoewel een moordenares, met het innemen van de positie van een moeder, naar de hemel; wat zou dat niet betekenen voor de moederlijke koeien van wiens spenen Krishna de melk genoot? (39-40) Van allen met liefde voor het kind van wie de melk vloeide die Hij, de Allerhoogste Heer, de Schenker der Eenheid en Bevrijding en zoon van Devakî, naar Zijn voldoening dronk; van al degenen die voortdurend Krishna tot hun voorwerp van moederlijke zorg maakten, mag men nooit denken, o Koning, dat ze weer terug zouden keren naar de materiële oceaan waar men zich verlustigt in onwetendheid [zie ook B.G. 4: 9].

(41) Met het opsnuiven van de geur van de rook die vrijkwam vroegen al de bewoners van Vrajabhûmi zich af: 'Waar komt het vandaan?' en aldus met elkaar sprekend bereikten ze het koeiendorp. (42) Daar aangekomen waren ze hoogst verrast om te vernemen wat de gopa's allemaal te vertellen hadden over de ophef die Pûtanâ had veroorzaakt, hoe ze was gestorven en wat allemaal voor het heil van de baby was gedaan. (43) Nanda die zijn zoon op schoot nam alsof die uit de dood was weergekeerd, besnoof simpel en eenvoudig Zijn hoofdje en bereikte de hoogste vrede, o beste van de Kuru's. (44) Iedere sterveling met geloof en toewijding die verneemt over het wonderbaarlijke avontuur van Krishna over de verlossing van Pûtanâ zal liefde opvatten voor Govinda ['de Beschermer van de Koeien'].'  

 

Voetnoten: * Het zwaaien met een koeienstaart rondom een kind is een occulte rite waarin de staart van de koe wordt beschouwd als de zetel van Lakshmî, de Godin van het Fortuin. Dit is ook waar voor de urine, het stof, de melk en de mest van de koeien die met hun producten als heilig worden beschouwd. De urine heeft antiseptische kwaliteiten, de mest fungeert als brandstof en de melk brengt alle gezondheid en weelde.

**Met de mantra kent men de eerste of zaad-letter toe van de namen van de Heer vermeld in het volgende vers, gevolgd door anusvâra en het woord namah.  

 

Hoofdstuk 7

Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

(1-2) De vereerde koning zei: 'De verschillende lotgevallen van de avatâra's van de Allerhoogste Heer die ons het beeld geven van de Heer, onze Beheerser, zijn hoogst aangenaam voor onze oren en inspirerend voor onze geesten, o meester. Wie ook maar die ze verneemt zal in de grond van zijn wezen zeer spoedig zuivering vinden van de ongepaste, opdringerige verlangens en als een persoon toegewijd met de Heer eveneens vriendschap vinden met de mensen die Hem als de enige ware koesteren. Als het u zint, spreek dan alstublieft voor ons over alles met betrekking tot Hem. (3) Vertel ons meer over Krishna; het spel en vermaak waarin Hij hier in onze menselijke samenleving optrad zich voordoend als een menselijk kind zijn zo wonderbaarlijk!' [*]

(4) S'rî S'uka zei: 'In de tijd dat de maan in het sterrenteken Rohinî stond [na drie maanden] kon Hij Zichzelf naar boven keren in Zijn wiegje en werd er een feest met een baad-ritueel georganiseerd door de moeders die bijeen kwamen met muziek, gezang en hymnen die werden gezongen door de brahmanen terwijl moeder Yas'odâ de baadceremonie deed. (5) Nadat Nanda's vrouw en de andere leden van de huishouding ermee klaar waren, werden de brahmanen die hun plicht hadden gedaan bedacht met voedsel, kleding, bloemenslingers en koeien en werd het kind, met slaperige oogjes, zolang apart gelegd. (6) Voor de utthâna [of 'omkeer']-ceremonie bezig het de gasten uit heel Vraja naar de zin te maken, hoorde ze werkelijk niets van het schreeuwen van het kind dat huilend om te worden gevoed boos met Zijn beentjes in het rond trappelde. (7) Getroffen door Zijn kleine voetjes zo teer als een bloemblaadje kieperde de kar waaronder Hij was gelegd om zodat al de kommen en schalen en het zoete dat ze bevatten naar beneden kwam, de wielen en as uit hun verband raakten en de dissel brak [**]. (8) Alle dames en heren van Vraja met Yas'odâ en Nanda voorop die, bijeengekomen voor de utthâna-ceremonie, getuige waren van die wonderbaarlijke gebeurtenis, verwonderden zich er over hoe de kar zo maar uit zichzelf dermate in het ongerede was geraakt. (9) De kinderen vertelden de met stomheid geslagen gopa's en gopî's dat er geen twijfel over bestond dat, zo gauw het kind was begonnen te huilen, het met één beentje de hele kar uit elkaar had geschopt. (10) Zich niet bewust van de ongekende macht van die kleine baby konden ze het niet geloven; de gopa's hielden het allemaal voor kinderpraat wat ze zeiden. (11) Moeder Yas'odâ, die haar huilende zoon oppakte, ervan uitgaande dat het een verkeerde planeet betrof, riep de geschoolden op een plechtigheid uit te voeren met vedische lofzangen en bood het kind haar borst. (12) Nadat enkele stoere gopa's de kar weer in elkaar hadden gezet en de potten en alles er weer op hadden geplaatst, voerden de priesters met yoghurt, rijst, kus'agras en water de rituelen voor het vuuroffer uit. (13-15) Van hen die begiftigd zijn met de volmaakte waarheid en vrij zijn van ongenoegen, onwaarheid, valse trots, afgunst, geweld en zelfmisleiding zijn de zegeningen nooit tevergeefs [zie ook B.G. 18: 42]. Met dit in gedachten zorgdragend voor het kind getrouw de sâma-, rig- en yajur- Veda en het reinigend met behulp van water vermengd met kruiden, vroeg Nanda de aanvoerder der koeherders zo vrijgezind en goed, nadat het kind was gebaad, die bovenstebeste tweemaal geborenen om goedgunstige hymnen te zingen en werden die zielen van wedergeboorte na de offerandes door hem vergast op een zeer uitgelezen maaltijd. (16) Om zijn zoon van al het beste te verzekeren schonk hij hen - bij het welkom dat ze ook hem bereidden - de beste kwaliteit melkkoeien fraai opgesierd met bloemen en gouden kettinkjes. (17) De wijzen die verenigd zijn met welke woorden ze ook maar uitspreken brengen je, als deskundigen in de mantra's, alle zegeningen daar de geldige woorden waar ze zich van bedienen voor zeker nooit en te nimmer hun effect zullen missen.

(18) Op een dag [met Hem ongeveer een jaar oud] toen Yas'odâ met Hem zittend op haar schoot Hem aan het liefkozen was, kon ze omdat Hij zo zwaar als een bergtop werd het gewicht van het kind niet langer dragen. (19) Met Zijn tot haar verbazing zo zwaar zijn als het universum [zie garimâ] zette de gopî Hem met tegenzin op de grond, wendde ze zich tot Nârâyana en ging over tot het verrichten van huishoudelijke taken. (20) Terwijl het kind daar zat werd het meegevoerd door een Daitya in de gedaante van een wervelwind genaamd Trinâvarta die een huurling was gestuurd door Kamsa. (21) Met een groot rumoer bedekte hij zwaar bulderend heel Gokula met stof dat in alle hoeken en gaten doordrong zodat alles aan het zicht was onttrokken. (22) Bijna een uur lang was heel het weidegebied door de dichte stofwolk gehuld in duisternis en kon Yas'odâ haar zoon niet weervinden waar ze Hem op de grond had neergezet. (23) Noch zichzelf noch elkaar nog langer ziend waren de mensen door het opgewaaide zand verstoord en in de war. (24) De hulpeloze vrouw die aldus door de stofwolken van de sterke wervelwind niets meer zag, begon bezorgd om haar zoon jammerlijk te huilen en viel op de grond neer als een koe die haar kalfje verloren heeft. (25) Toen ze haar hoorden huilen huilden al de overige gopî's met gezichten vol tranen vol medeleven met haar mee over het niet kunnen vinden van Nanda's zoon toen de heftige stofstorm van de wervelwind was opgehouden. (26) De kracht van Trinâvarta die de gedaante van een wervelwind had aangenomen nam af toen, Krishna met zich meegevoerd hebbend, hij de bovenste regionen van de hemel bereikte en niet hoger kon komen met Hem die alsmaar zwaarder en machtiger werd. (27) Toen hij ondervond hoe Hij, zwaar als een steen, zijn furie de baas was, moest hij het met Krishna die zijn keel dichtkneep opgeven, machteloos als hij was tegenover de wonderbaarlijke baby. (28) Met Hem in een wurggreep puilden de ogen van de demon uit toen hij stikte en levenloos samen met het kind ter aarde viel. (29) Zoals Tripura geveld door de pijlen van S'iva [zie 7.10] brak hij, die verschrikking, neergestort op een rotsige bodem, met al zijn ledematen in stukken uiteen recht voor ogen van de verzamelde treurende gopî's. (30) Totaal verrast Krishna in goede gezondheid aan te treffen op de borst van de Râkshasa die Hem in de lucht had meegevoerd, pakten ze Hem die aan de dood was ontrukt op en leverden ze, als Nanda's gopî's en gopa's dolblij zich verheugend in het opperste geluk over de terugkomst, Hem af bij Zijn moeder. (31) [Ze zeiden:] 'Hoe enorm wonderbaarlijk inderdaad deze baby die meegevoerd door de wildeman ons achterliet maar nu zonder een schrammetje is teruggekeerd; nu dat die akelige duivel vanwege zijn eigen zonden is gedood in de krachtmeting kan iedere toegewijde ziel opgelucht ademhalen in gelijkheid en onbevreesdheid. (32) Van welk een lang volgehouden verzaking zijn wij wel niet geweest, wat was ons eerbetoon voor Hem in het Voorbije en welke dienstverlening brachten wij publiekelijk op [pûrta], welke vrome diensten leverden wij wel niet [ishta] of van welke liefdadigheid [datta] of andere liefde voor onze naaste zijn wij geweest als gevolg waarvan het kind dat zo goed als verloren was gegaan, wederom tot onze vroomheid hier aanwezig is voor het geluk en het genoegen van al de zijnen?' (33) Als getuige van de verschillende verbazingwekkende gebeurtenissen in het grote woud herhaalde de leider der koeherders Nanda geheel verbaasd telkens maar weer hoe waar de woorden van Vasudeva wel niet waren geweest [zie ook 10.6: 32]. 

(34) Op een dag trok de moeder het kleintje op haar schoot om Hem de borst te geven, waaruit door haar grote genegenheid de melk druppelde. (35-36) O Koning, toen het bijna klaar was en moeder Yas'odâ het tevreden en lachende kind in het gelaat keek terwijl ze het zachte klopjes gaf, zag ze toen het gaapte het volgende: de hemel, de planeten en de aarde, de hemellichten in alle richtingen, de zon en de maan, vuur, de lucht en de zeeën met de continenten, de bergen, hun dochters de rivieren, de wouden en alle schepselen bewegend en niet bewegend [zie ook B.G. ch 11]. (37) Toen ze zomaar opeens het hele universum te zien kreeg, o Koning, begon ze, verstijfd met ogen als die van een ree, over haar hele lijf te rillen van de verbazing die zich van haar meester maakte.'

Voetnoten:

*  Aan het begin van dit hoofdstuk, doen zich soms twee extra verzen voor:

evam bahûni karmâni
gopânâm s'am sa-yoshitâm
nandasya gehe vavridhe
\kurvan vishnu-janârdanah

"Op deze manier, om de demonen te straffen en te doden, legde het kind Krishna vele activiteiten aan de dag bij Nanda Mahârâja thuis, en de inwoners van Vraja vermaakten zich met deze gebeurtenissen."

evam sa vavridhe vishnur
nanda-gehe janârdanah
kurvann anis'am ânandam
gopâlânâm sa-yoshitâm

"Om het bovenzinnelijk genoegen van de gopa's en de gopî's te verhogen, werd Krishna, de doder van alle demonen, aldus opgevoed door Zijn vader en moeder, Nanda en Yas'odâ."

S'rîpâda Vijayadhvaja Tîrtha voegt ook nog een ander vers toe aan dit hoofdstuk:

vistareneha kârunyât
sarva-pâpa-pranâs'anam
vaktum arhasi dharma-jña
dayâlus tvam iti prabho

"Parîkchit Mahârâja verzocht toen S'ukadeva Gosvâmî om door te gaan met het vertellen van dergelijke verhalen over de wederwaardigheden van Krishna, zodat de koning door hen bovenzinnelijke gelukzaligheid kon genieten."

** Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Krishna was onder een huishoudkar neergelegd, maar deze handkar was in werkelijkheid een andere gedaante van S'akathâsura, een demon die daar was gekomen om het kind te doden. Toen nam, met de wens dat Hij wilde zogen van Zijn Moeders borst, Krishna de kans waar de duivel om te brengen. Zo gebeurde het dat Hij S'akathâsura schopte alleen maar om hem te ontmaskeren. Hoewel Krishna's moeder bezig was met het ontvangen van gasten, wilde Heer Krishna haar aandacht trekken door de S'akathâsura te doden, en daarom schopte Hij die demon in de vorm van een kar.'

 

Hoofdstuk 8

De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

(1) S'rî S'uka zei: 'Garga de familiepriester van de Yadu's, hoog verheven in de boete, o Koning, begaf zich op verzoek van Vasudeva naar Nanda's koeiengemeenschap. (2) Toen Nanda hem zag kwam hij hem zeer verheugd tegemoet om hem met gevouwen handen met eerbetoon welkom te heten hem kennende als iemand die boven het zintuiglijke staat [Adhokshaja] en wierp hij zich ter aarde om zijn eerbetuigingen te brengen. (3) Met de grootste gastvrijheid en de zoetste woorden liet hij de wijze plaats nemen en het hem op deze manier naar de zin makend zei hij: 'O brahmaan zo volledig in uw zelfverwerkelijking, wat kan ik voor u betekenen? (4) Als de groten zich bewegen in de richting van de gewone man, de eenvoudig ingestelde huishouders, is dat iets dat nooit moet worden beschouwd als plaatsvindend om enige andere reden dan voor hun eigen bestwil. (5) Een ieder is in staat zich een idee te vormen van zijn verleden en toekomst door de kennis over de loop der hemellichamen die het verstand van de gewone man te boven gaat en die u zo genadevol, voor iedereen na te gaan, hebt vastgelegd [in een boek over astrologie]. (6) U inderdaad als de beste van de kenners van het brahman bent de brahmaan van geboorte [*] die er is als de goeroe van iedereen; voert u dus alstublieft de naamgevingsplechtigheid uit [de samskâra] voor deze twee jongens [Krishna en Balarâma].'

(7) S'rî Garga zei: 'Ik ben, zoals iedereen weet, de leraar van het voorbeeld van de Yadu's; altijd hebben de zonen met mij de zuiveringsriten ondergaan, maar in uw geval zouden de mensen ervan kunnen denken dat we dat deden voor de zoon van Devakî. (8-9) Kamsa, die grote zondaar, met uw vriendschap met Vasudeva in gedachten en het feit dat het achtste kind van Devakî niet een meisje kan zijn, zou, met de notie die hij nam van het bericht van Devakî's dochter [Durgâ 10.4: 12], zelfs kunnen overwegen het ter dood te brengen en derhalve is het niet verstandig voor ons om dat te gaan doen.'

(10) S'rî Nanda zei: 'Voer dan zonder dat hij of zelfs maar mijn verwanten er weet van hebben nu hier ter plekke op een afgezonderde plaats, in de koeienstal, het tweedegeboorte zuiveringsritueel uit met de heilbrengende zang van de klassieke hymnen.'

(11) S'rî S'uka zei: 'Op dit dringende verzoek voerde de geleerde man voor de twee jongens in geheime afzondering de naamgevingsplechtigheid uit waarvoor hij was gekomen. (12) S'rî Garga zei: 'Deze hier inderdaad is de zoon van Rohinî die met Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten er is voor het genoegen van al de Zijnen en om die reden Râma zal heten; zo ook zal Hij bekend staan als Bala vanwege Zijn buitengemene kracht en zal Hij voor het feit dat Hij de beide families verenigt [van Nanda en Vasudeva, zie ook 10.2: 8] ook wel Sankarshana heten [de samenbrenger]. (13) Er zijn drie kleuren die uw zoon heeft aangenomen in het aanvaarden van gedaanten overeenkomstig de yuga: wit, rood alsook geel en nu is Hij Krishna [donker van kleur, zie **]. (14) Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva. (15) Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten overeenkomstig de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik ben daarvan op de hoogte, maar de gewone man weet het niet. (16) Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder; door Hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3]. (17) In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (18) Zoals degenen trouw aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen zij die zo fortuinlijk zijn jegens dit kind te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (19) Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!'

(20) S'rî S'uka zei: 'Nadat Garga hen aldus volledig op de hoogte had gesteld van de Allerhoogste Ziel [zoals die zich met de twee jongens had gemanifesteerd] en naar zijn eigen plaats was vertrokken, beschouwde Nanda zichzelf, gezegend met al het fortuinlijke, een zeer gelukkig man. (21) Een tijdje later waren in Gokula Râma en Kes'ava [Krishna] op hun handjes en knietjes rondkruipend van hun jeugd aan het genieten. (22) Zij, als slangen door de modder van die koeienplaats kruipend produceerden, met hun voetjes achter zich aan slepend, een lief geluid met hun enkelbelletjes, maar bekoord door de geluiden enthousiast achter andere mensen aankruipend, werden ze bang en keerden ze snel weer terug naar hun moeders. (23) De moeders met het omarmen van de door de modder schattig gekleurde lichaampjes lieten hen dan drinken van de melk die vanuit de grote liefde voor ieder van hun zoontjes uit hun borst vloeide, en als ze, terwijl ze zoogden, in hun mondjes keken waren ze als de hemel zo gelukkig om de doorkomende tandjes te ontdekken. (24) vanbinnen hun huizen de kinderen gadeslaand die buiten in Vraja aan het spelen waren vergaten ze lachend hun huishoudelijke taken geamuseerd bij de aanblik van hun beiden die met het vastgrijpen van de uiteinden van de staarten van de kalfjes zich in het rond lieten slepen. (25) In hun onvermoeibare spelen bezig met de koeien, met vuur, met scherpgetande beestenmuilen, met zwaarden, water, vogels en doornen, raakten de moeders ontmoedigd als ze, met het doen van hun huishouding, er niet iets op konden vinden ze een halt toe te roepen. (26) Binnen de kortste keren, o Koning, begonnen Râma en Krishna met gemak zonder de hulp van hun knietjes op enkel hun twee beentjes in Gokula rond te lopen. (27) Daaropvolgend wekte de Allerhoogste Heer, in Zijn samen met Balarâma blij spelen met andere kinderen in Vraja, bij de dames van Vraja een hemelse verrukking op. (28) De gopî's, die met ogen voor Krishna er enkel op belust om telkens weer opnieuw over Zijn kinderstreken te vernemen, kwamen bijeen in de aanwezigheid van Zijn moeder en zeiden: (29) 'Hij heeft eens zonder dat het er de tijd voor was de kalveren losgelaten en zat toen te lachen over de woede die daarover bestond; op één of andere manier stal Hij en at Hij uit de potten de smakelijke yoghurt, melk en boter en gaf Hij de apen ieder ervan een deel te eten; als die [zat zijn en] niet meer willen eten breekt hij de pot en als Hij niets kan vinden [om de apen te eten te geven] gaat Hij boos op de mensen in het huis de babytjes knijpen. (30) [Met de potten] buiten Zijn bereik opgehangen vindt Hij er wat op door dingen op te stapelen of een stampblok om te keren en weet Hij de inhoud te bereiken door een gat te maken in de hangende pot. De tijd afwachtend dat de gopî's druk bezig zijn met hun huishoudelijke bezigheden, weet Hij Zijn weg te vinden in een donkere kamer met genoeg licht om te zien van de stralende juwelen op Zijn lichaam! (31) Hij is zo stout dat Hij soms vrijelijk plast op een schoon plekje in onze huizen en die slimme, vindingrijke dief zit daar nu als een lief jongetje!' Aldaar bijeen bespraken de gopî's al dit soort zaken, maar als ze Hem voor zich zagen zitten, bang kijkend met Zijn mooie gezichtje, konden de gopî's blij om Hem te zien met hun klachten tegen Hem ingebracht enkel glimlachen en zich vermaken en konden ze waarlijk niet boos op Hem zijn. (32) Op een dag, toen Hij wat ouder was, kwamen Balarâma en de andere kinderen uit de buurt om Zijn moeder te zeggen: 'Krishna heeft aarde gegeten!'

(33) Yas'odâ bezorgd over Zijn welzijn nam Krishna berispend bij de hand en keek bezorgd in Zijn mondje om Hem aan een nader onderzoek te onderwerpen en zei: (34) 'Waarom heb jij, ongehoorzame jongen, stiekem modder gegeten, wat hoor ik nu van Je oudere broertje en je speelkameraadjes?'

(35) 'O mammie ik heb geen modder gegeten, ze hebben het helemaal verkeerd; als dat wat zij zeggen waar zou zijn, kijk dan nu meteen in Mijn mond!'

(36) 'Doe Je mondje dan maar eens wijd open als dat zo is', droeg ze Hem op en Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer wiens weelde onbegrensd is, opende toen, in Zijn spel als een mensenkind, Zijn mond. (37-39) Binnenin Zijn mond zag ze [voor de tweede keer, zie hoofdstuk 10.7: 35-37] het hele universum met alle bewegende en niet-bewegende levensvormen en de hemel in alle richtingen, de bergen, de continenten, de oceanen, de oppervlakte van de aarde, de waaiende wind, het vuur, de maan en de sterren. Ze zag de planetenstelsels, de wateren, het licht, het uitspansel met de hele buitenruimte en al die [godheden] gebonden aan verandering, de zinnen, de geest en de drie geaardheden. De schakering van dat alles ziend tezamen met de tijd van leven van iedere ziel, de natuurlijke instincten, het karma, wat er allemaal begeerd wordt en de verschillende subtiele lichamen, met inbegrip van Vraja en haarzelf binnenin de wijd open mond van het lichaam van haar zoontje, deed haar vol ongeloof versteld staan: (40) 'Is dit allemaal een droom, een waanidee van God of misschien een drogbeeld van mijn eigen intelligentie, of zou anders dat wat ik zie een of ander yogafenomeen zijn eigen aan mijn kind? (41) Omdat ik, voor zover ik dat kan zien, niet vermag te begrijpen wat allemaal het bewustzijn, de geest, het handelen en de woorden te boven gaat, geef ik mezelf over aan de voeten van Hem buiten mijn gezichtsbereik onder wiens gezag ik leef en door wie ik kan ontwaken. (42) In het idee van ik als hebbende deze echtgenoot en die zoon, als zijnde de echtgenote die het allemaal zou bezitten met de heerser van Vraja, met al de gopî's en gopa's onder mijn gezag met de koeien en de kalveren, heb ik het helemaal bij het verkeerde eind omdat alleen maar Hij mijn vooruitgang is [zie 5.5: 8, 7.9: 19 en B.G. 5: 29].' (43) Nadat ze op deze manier haar werkelijkheid had begrepen zoals die was, bereidde Hij, de Heer, voor die dame van leiding over de gopî's [wederom] Zijn bijzondere genade als Vishnu zodat zij, met haar genegenheid voor haar zoontje, aangetrokken kon zijn tot de Almachtige. (44) Met de herinnering [aan het visioen] abrupt verdwenen zette zij, de gopî, geraakt in haar hart haar zoontje op haar schoot met een liefde hersteld naar de situatie zoals die voorheen was geweest. (45) Door de drie [Veda's] en ook door de filosofische oefeningen [de Upanishads], de yoga-analyse [sânkhya-yoga] en door middel van de toegewijden [pañcarâtra's] wordt de Heer verheerlijkt in al Zijn grootheid, maar zij dacht simpelweg over Hem na als zijnde haar zoon.'

(46) De achtenswaardige koning zei: 'Wat waren de vrome handelingen [zie B.G. 7: 16] o brahmaan, volbracht door Nanda en Yas'odâ, van wiens moedermelk de Heer dronk, waardoor ze de hoogste vervolmaking bereikten van het aldus gezegend zijn? (47) Zelfs niet Zijn eigen vader en moeder konden van de verheffende kinderavonturen van Krishna genieten die de ongerechtigheid van de wereld wegnemen en welke zelfs vandaag de dag nog worden bezongen door de intelligenten!'

(48) S'rî S'uka zei: 'Drona, de beste der goddelijken [de Vasu's] zei samen met zijn vrouw Dharâ in het verleden tot Heer Brahmâ, enkel om uit te vinden wat zijn opdracht was: (49) 'Mogen wij [als Zijn ouders] geboorte nemen op deze aarde om, terwille van de grootheid van God, er te zijn in toegewijde dienst voor de Heer, de Heerser van het ganse Universum, die het uiteindelijke doel is in de wereld en dankzij wie moeiteloos een miserabel leven kan worden vermeden?' (50) 'Het zij zo', klonk het daarop zodat hij, de Grootheid [de Bhagavân voor de Bhagavân], Drona, die hoogst verheven ziel, geboren werd in Vraja en daar bekend stond als Nanda en zij, Dharâ, er verscheen als Yas'odâ [vergelijk 10.3: 32-45 en zie *4]. (51) O zoon van Bharata, als gevolg daarvan was er van de echtgenoot zowel als van de echtgenote en al de gopa's en gopî's, de onophoudelijke [liefde] van de toegewijde dienst voor de Heer die was verschenen als hun zoon en die een ieder het beste toewenst. (52) Om de woorden van Brahmâ gestand te doen verbleef Krishna toen samen met de almachtige [of Bala-]Râma in Vraja om, tot hun grote genoegen, Zijn spel en vermaak [Zijn 'lîlâ'] tentoon te spreiden.'

Voetnoten:  

* Het Sanskriet zegt hier 'bij geboorte', maar de paramparâ benadrukt de tweede geboorte of initiatie. Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Niemand komt als een brâhmana ter wereld; iedereen wordt geboren als een s'ûdra. Maar onder de leiding van een brâhmana en door samskâra, kan men dvija worden, tweemaal geboren, en dan stap voor stap een brâhmana worden. Brahmanisme is niet een systeem bedoeld om een monopolie te creëren voor een bepaald soort mensen. Iedereen zou er toe moeten worden opgevoed een brâhmana te worden. Er moet ten minste een gelegenheid bestaan om het iedereen mogelijk te maken het doel van het leven te bereiken.' Naast deze tweede geboorte is er ook de derde geboorte die men heeft vanwege de offers die men brengt: men bereikt de onafhankelijkheid met het internaliseren van de goeroe (zie ook 4.31: 10, 7.11: 35).

** Het woord Krishna betekent behalve donker nog meer, Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we het nirukti, of de semantische afleiding analyseren van het woord "Krishna," ontdekken we dat na betekent dat Hij de herhaling van geboorte en dood stopt, en dat krish sattârtha, ofwel "bestaan" betekent (Krishna vormt het geheel van het bestaan.) Ook betekent krish "aantrekking," en betekent na ânanda, of "gelukzaligheid." Zijn kleuren worden later in het elfde Canto besproken onder: 11.5: 21, 24, 27 en 34.

*3 Een van de mantra's die de vaishnava's gebruiken om hun voedsel te offeren voor Krishna luidt:

namo brahmanya-devâya
go-brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah

'Mijn eerbetuigingen voor de godheid der brahmanen altijd bezorgd om de koeien, de brahmanen en het ganse universum; voor Krishna, Govinda, mijn respectbetoon.'

*4 Wat betreft dit verschil tussen het privilege van het zijn van de eigenlijke ouders Vasudeva en Devakî en het zijn van Zijn pleegouders Nanda en Yas'odâ, legt Prabhupâda uit dat er twee soorten van siddha's, vervolmaakte of bevrijde zielen zijn: nitya siddha's en sâdhana siddha's: zij die eeuwig zijn bevrijd zoals Nanda en Yas'odâ en die Krishna's eeuwige metgezellen zijn of expansies van Krishna's persoonlijke lichaam, en die normale levende wezens die een bijzondere positie verwerven door gedurige sâdhana, de spirituele praktijk van het uitvoeren van vrome handelingen en het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst.

  

Hoofdstuk 9

Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Op een dag, toen de dienstmaagden druk waren met andere zaken, karnde en maakte moeder Yas'odâ, Nanda's koningin, persoonlijk al het dikke van de melk [de yoghurt en de boter]. Voor de tijd dat ze aan het karnen was zong ze liedjes over wat ze zich allemaal kon herinneren van de dingen die haar zoon had gedaan. (3) Gekleed als ze was in linnen dat bijeen werd gehouden door een ceintuur om haar bewegende heupen deinden, terwijl ze aan het karnen was, haar borsten mee die bij de tepels nat waren vanwege haar liefde voor haar zoon, en in harmonie met die beweging bewogen ook de armbanden om haar polsen en haar oorhangers terwijl, door het karwei van het trekken aan het touw van de karnstok, de transpiratie van haar gezicht liep en naar beneden viel samen met de jasmijnbloemen in haar haar. (4) Met het verlangen te drinken benaderde de Heer haar tijdens het karnen en stopte Hij, lief voor Zijn moeder zijnd, de karnstok door hem beet te pakken. (5) Zij lief voor Hem liet Hem op haar schoot om Hem van haar van liefde overlopende borsten te laten drinken en keek met een glimlach toe hoe gelukkig Hij was, maar met Hem nog niet voldaan moest ze Hem snel naast zich neerzetten en weg toen ze zag hoe een pan met melk aan het overkoken was. (6) Boos geworden bijtend op Zijn rode volle lippen brak Hij, met waterlanders, met een steen de pot waarin de boter werd gekarnd en begon Hij aan het zicht onttrokken in een zijkamertje te eten van wat er allemaal zo was gekarnd. (7) De gopî die de hete melk van het fornuis haalde keerde naar haar werkplek terug en trof de karnpot gebroken aan. Hem daar niet aantreffend kwam ze met een glimlach tot de slotsom dat het door haar kind moest zijn gedaan. (8) Staande bovenop een naar boven gedraaid stampvat deelde Hij, zich verdacht gedragend als een dief, naar Zijn zin aan een aap een portie van het melklekkers uit vanuit een neerhangende pot, terwijl zij, haar zoon van achteren in Zijn activiteiten bespiedend, Hem stapje voor stapje naderde. (9) Toen Hij haar zag naderen met een stok in haar handen klom Hij daar snel naar beneden en ging Hij er bang vandoor met de gopî achter zich aan, Hij die zelfs niet door de grootste yogi's die beotvaardig in meditatie toegang tot Hem proberen te krijgen kon worden bereikt [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Hoewel de Hem nazittende moeder, in haar hoge snelheid met de bloemen vallend uit haar haar, zwaarborstig als ze was bij haar slanke middel het langzaam aan moest doen, slaagde ze er tenslotte in Hem te pakken te krijgen. (11) Toen ze zag hoe Hij als de deugniet schuldbewust aan het huilen was, Zijn ogenzwart helemaal over Zijn gezichtje smerend met Zijn handjes, was zij met Hem, die ze met Zijn angstige oogjes bij de hand had vastgegrepen, enkel van een milde terechtwijzing. (12) Zich rekenschap gevend van haar verdrietige zoontje gooide ze met een goed hart voor haar kleintje de stok aan de kant en besloot ze Hem met een touw vast te binden, niet beseffend met welk een macht ze te maken had.

(13-14) Er bestaat geen binnen- of buitenkant aan Hem, noch een begin of een einde; Hij, zowel het einde als het begin, de binnenkant zowel als de buitenkant van de ganse schepping, is die Ene Totaliteit van die schepping. Hem, de Ongemanifesteerde in de gedaante van een sterfelijke ziel, voor haar zoontje houdend, bond ze Hem aan een stampvat vast zoals men dat met een normaal kind doet. (15) Toen het touw dat ze gebruikte om haar ondeugende kind vast te binden te kort uitviel met een lengte van twee vingers, knoopte de gopî er een ander aan vast. (16) Toen zelfs dat te kort uitviel probeerde ze het er met nog een die eveneens, met het knopen en knopen, niet toereikend was twee vingers te kort blijvend. (17) Yas'odâ op deze manier zonder succes doorgaand met alle touw in huis, was, met al de gopî's die met de pret meededen, vol van verwondering aan het lachen. (18) Toen Hij zag hoe zeer Zijn moeder aan het zweten was met alle bloemen uit haar haar gevallen en hoe vermoeid ze raakte, was Krishna zo genadig er in toe te stemmen te worden vastgebonden. (19) Mijn beste, hiermee liet de Heer in feite zien hoe Hij, Krishna, door wie inderdaad het hele universum met al zijn halfgoden wordt beheerst, zich gewonnen geeft voor hen [de toegewijden] die zich schikken naar Zijn wensen [vergelijk 7.3: 14-21]. (20) Noch Heer Brahmâ, noch Heer S'iva noch de Godin van het Geluk ondanks het feit dat ze aan Zijn zijde verkeert, kan van de Schenker der Uiteindelijke Bevrijding de soort van genade bereiken die de gopî verwierf. (21) De Allerhoogste Heer, de Zoon van de Gopî, kunnen zij die gebonden zijn aan het fysieke [de geldmensen, de profijtzoekers], de jñâni's [de boekenwurmen, de transcendentalisten] of zij die enkel op de ziel uit zijn [de escapisten, de impersonalisten] niet zo gemakkelijk voor zich winnen als zij die in deze wereld van bhakti [ofwel de toegewijde dienst] zijn [zie ook B.G. 11: 54 en 18: 16].

(22) Onderwijl, toen Zijn moeder zeer druk bezig was in haar huishouding, zag de Heer twee arjunabomen buiten die, als de zonen van hem die de weelde schenkt [Kuvera], halfgoden waren geweest [Guhyaka's]. (23) Ze stonden voorheen bekend als de zeer vermogende Nalakûvara en Manigrîva, maar waren vanwege hun inbeelding door Nârada vervloekt te veranderen in bomen.'

    

Hoofdstuk 10

De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

(1) De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen. (4) De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes. (5) En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (6) Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet. (7) Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend. (8) Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte, [een fraai lijf, scholing en rijkdom] en dat alles waarin men belangstelt in vrouwen,wijn en gokken. (9) In die positie dieren dodend denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (10) Het lichaam echter, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die dermate [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]? (11) Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs? (12) De vraag is: wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen [de dieren] zouden, het lichaam voor hun ware zelf houdend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]? (13) Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen, omdat een behoeftig man, vergeleken met anderen, veel beter in staat is om de dingen te zien zoals ze zijn [*]. (14) Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt. (15) Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan er over; dat, de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen is voor hem inderdaad de beste verzaking. (16) Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de keerzijde vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen. (17) Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug alsook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (18) Zou het de zaak van de heiligen [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15] (19) Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, deze bedriegelijke eigenwaan wegnemen. (20-22) Omdat deze twee zonen vanweghe hun wereldse gemakken dermate in beslag werden genomen door de geaardheid onwetendheid en zich er in hun trots, onverschillig naar getuigen toe, niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun hemelse leven kunnen oppakken met het herleven van hun bhakti.'

(23) S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen. (24) [en nu..] Om de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden. (25) [Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee werden geboren in het huis van een rijkaard zal Ik niettemin alleen om die reden gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.' (26) Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten. (27) De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4]. (28) En op diezelfde plek kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten: (29) 'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante. (30-31) U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken. (32) Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond? (33) Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen. (34-35) Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies! (36) Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon. (37) Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante? (38) Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U, de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!'

(39) S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met touwen was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's. (40) De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde toen hij u vervloekte vanwege uw blind gevallen zijn in het verzot zijn op de weelde. (41) Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg bevrijdt door in de aanwezigheid te verkeren van de gelouterden die allen gelijkgezind zijn, van de personen geheel aan Mij overgegeven die verlost zijn van alle gebondenheid. (42) Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men nimmer meer terugkeert [zie ook B.G. 5: 17].'

(43) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee terwijl ze voortdurend baden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].'

 Voetnoten:

* Hierbij geeft Prabhupâda het commentaar: 'Er is een verhelderend verhaal genaamd punar mûshiko bhava, "Opnieuw een Muis Worden." Er was er eens een muis die zeer geplaagd werd door een kat, en daarom benaderde die muis een geheiligde persoon om te vragen of hij een kat mocht worden. Toen de muis een kat werd, werd hij geplaagd door een hond, en toen hij een hond werd, werd hij belaagd door een tijger. Maar toen hij een tijger werd staarde hij naar die heilige, en toen de gelouterde ziel hem vroeg, "Wat wil je nu?" zei de tijger, "Ik wil u opvreten." Toen vervloekte die gezuiverde persoon hem, zeggende, "Moge u weer een muis worden".'

** In feite is systematische honger of geregeld vasten voor de toegewijden een standaardprocedure . Ze vasten geregeld voor de duur van een dag zoals met ekâdas'i: iedere elfde dag na de nieuwe en volle maan vast de Vaishnava van granen en bonen en chant hij. De moderne medische wetenschap bevestigt dat regelmatig vasten, of systematische honger iemands levensduur verlengt. Zie ook 8.16: payo-vrata, het vasten van vast voedsel als het beste van alle offers.

*** Arjuna bomen treft men nog steeds in de bossen aan. De bast word door cardiologen gebruikt om medicijnen te vervaardigen tegen hartaandoeningen.

*4: Het is vanwege deze dâmodara-lîlâ dat Heer Krishna als kleuter soms Dâmodara wordt genoemd: aan de buik gebonden [zie ook de bhajan Dâmodarâshthaka].

*5: 'Rieten' heeft betrekking op het hol zijn van de overgave.

 

Hoofdstuk 11

Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

(1) S'rî S'uka zei: 'De koeherders onder leiding van Nanda die het tumult hoorden van de bomen die neervielen gingen, bang dat het de donder was, naar de plek des onheils, o beste van de Kuru's. (2) Daar de twee arjuna's op de grond gevallen aantreffend hadden ze er stomverbaasd geen idee van wat de oorzaak zou zijn van dit klaarblijkelijke ter aarde storten. (3) Wie zou dit gedaan hebben? Het kind, het houten stampvat achter zich aanslepend aan Hem vastgebonden met het touw? Hoe kon zoiets wonderbaarlijks zich hebben afgespeeld? Ze stonden versteld. (4) De andere kinderen zeiden: 'Hij heeft het gedaan, met de vijzel overdwars tussen de bomen in getrokken! En er waren ook twee personen. We hebben het met eigen ogen gezien!' (5) Ze konden niet geloven wat ze zeiden, 'Dat kan niet 't geval zijn; hoe kan nu zo'n klein kind die bomen ontworteld hebben?', maar sommigen van hen twijfelden bij zichzelf [en achtten het heel goed mogelijk]. (6) Toen hij zag hoe zijn zoon met het touw vastgebonden zat aan de grote vijzel moest Nanda glimlachen en maakte hij Hem los.

(7) Door de gopî's aangemoedigd zong bij tijden de Allerhoogste Heer zich voor de domme houdend en leidde Hij ze zo om de tuin alsof Hij een gewoon kind zou zijn dat ze als een marionet onder hun controle hadden. (8) Soms als erom gevraagd werd bracht Hij een houten kruk, een maatbeker of schoenen, voor de grap voor Zijn verwanten op Zijn armen slaand [alsof Hij een sterke kerel was]. (9) Opdat de hele wereld het zou weten liet Hij zien hoezeer de Opperheer zich voor Zijn dienaren gewonnen geeft, door als een kind bezigzijnd naar ieders genoegen te handelen in Vraja.

(10) 'O mensen hier in de buurt, haal uw fruit!', hoorde aldus Krishna een fruitverkoopster uitroepen, en snel wat graankorrels grijpend haastte de Onfeilbare, de Schenker van alle Vruchten, Zich derwaarts om fruit te gaan kopen. (11) Wat Hij te bieden had was uit de palmen van Zijn handjes op de grond gevallen, maar de fruitdame vulde ze [niettemin] met vruchten. In ruil vulde zich de gehele mand voor de vruchten zich met goud en juwelen!

(12) Na het voorval met de arjuna's riep Rohinî Devî eens om Krishna en Râma die aan de rivieroever de tijd uit het oog hadden verloren in hun spel met de andere kinderen. (13) Toen de zoons opgegaan in hun spelletjes niet reageerden op haar oproep, stuurde Rohinî moeder Yas'odâ achter hen aan met haar liefdevolle zorg voor de zoontjes. (14) Roepend om Krishna, haar zoon en de andere jongetjes waar Hij zo laat nog mee aan het spelen was, vloeide in haar liefde de melk uit haar borsten. (15) 'Krishna, o Krishna mijn lotusoogje, o liefje, stop met spelen, drink wat melk; Je bent vast moe en hongerig mijn zoon!' (16) O Râma, kom nu meteen alsJeblieft samen met Je jongere broertje, o liefde van de familie, Je hebt zo genoten van Je ontbijt vanmorgen, dus wil je vast nog wel wat meer! (17) O Das'ârha ['de dienstbaarheid waardig'], de koning van Vraja wil graag eten en wacht op Jullie beiden, kom hier, wees zo lief en laat de andere jongens naar hun huis toe gaan. (18) Je zit helemaal onder het vuil mijn zoon, kom Je nu wassen; het is vandaag de dag van Je geboortester, wees schoon en dan gaan we koeien weggeven aan de brahmanen! (19) Kijk, zie hoe de jongens van Jouw leeftijd, gewassen door hun moeders, allemaal netjes gekleed zijn, zo moet Jij ook met een bad en na gegeten te hebben met hun plezier hebben in Je beste kleren.' (20) Yas'odâ op deze manier in haar intense liefde de Hoogste van hen Allen als haar zoon beschouwend, o heerser der mensen, nam Krishna en Râma bij de hand en bracht ze toen naar huis om ze toonbaar te krijgen.'

(21) S'rî S'uka zei: 'De oudere gopa's die zich vergewist hadden van de ernstige onregelmatigheden in het Grote Woud, belegden een vergadering met Nanda om te bespreken wat er gaande was in Vraja. (22) Daar liet Upânanda [Nanda's oudere broer], de oudste en wijste met de grootste ervaring, zich uit over wat gezien de tijd en omstandigheid met Râma en Krishna het beste zou zijn om te doen: (23) 'Wij allen die ons Gokula de beste plaats wensen om te wonen, zouden van hier moeten vertrekken; vele dingen doen zich hier voor met de kwade bedoeling de jongens te doden. (24) Dat vanwege het feit dat, op de een of andere manier, bij de genade van de Here God Hij, deze jongen, werd verlost uit de greep van de Râkshasî [Pûtanâ] die hier naartoe kwam om kinderen te doden en om het feit dat de handkar Hem maar net miste toen die omviel. (25) En toen was er die duivel in de gedaante van een wervelwind, die Hem meevoerde de lucht in om vervolgens zo gevaarlijk op de rotsige bodem neer te storten, waarbij de Heer der Gelovigen Hem weer redde. (26) Noch stierf dat kind, noch andere kinderen, door de twee bomen waar Hij tussen was geraakt; zelfs toen werd Hij gered door de Onfeilbare. (27) Zolang als de duivel ons hier lastig valt kunnen we niet in deze koeienplaats blijven en moeten we voordat het te laat is in het belang van de jongens van hier vertrekken; laten we, met z'n allen, naar elders verhuizen. (28) Er is een ander bos genaamd Vrindâvana [het 'groepjes bos' *] met veel nieuw groen dat een zeer geschikte plek is voor gopa, gopî en koe met zijn serene rotsformaties, een rijke schakering aan planten en veel gras. (29) Laten we daarom meteen allemaal vandaag nog daar naar toe gaan en onze tijd niet verspillen, maak de karren klaar en ga samen op weg met de weelde van onze koeien voorop - als jullie het hier mee eens kunnen zijn dan.'

(30) Toen ze dat hoorden zeiden al de gopa's eenstemmig 'Juist zo, dat is goed', en begonnen ze de koeien samen te brengen en hun bezittingen op te laden. (31-32) De ouden van dagen, de vrouwen en de kinderen kwamen met de grootste zorg als eersten aan de beurt en vervolgens, o Koning, vertrokken met al hun levensbehoeften op de ossenkarren de gopa's compleet met hun bogen en pijlen samen met de priesters en de koeien voor zich uit, onder het luide geschal in de wijde omtrek van hun hoorns en trompetten. (33) De gopî's fraai uitgedost met al het goud om hun nekken en met hun lichamen opgesierd met verse kunkuma, zongen met veel plezier tijdens de rit op de karren over Krishna's spel en vermaak. (34) Yas'odâ en Rohinî, tezamen gezeten op één kar prachtig met Krishna en Balarâma, waren zeer gelukkig de verhalen te horen die ze zongen. (35) Vrindâvana bereikend, waar het prettig toeven is in alle seizoenen, vormden ze een afscherming voor de koeien door de karren maanvormig in een halve cirkel te plaatsen. (36) O heerser der mensen, toen Râma en Mâdhava Vrindâvana zagen met de heuvel Govardhana en de oevers van de Yamunâ, waren ze in hun nopjes zo blij. (37) Al de bewoners van de koeiengemeenschap [het nieuwe Vraja] waren aldus verrukt over het kinderspel en de gebroken taal van Zij die in de loop van de tijd oud genoeg waren om zorg te dragen voor de kalveren. (38) In de omgeving van het grondgebied van hun Vraja hoedden Ze samen met de andere jongens die leefden voor de koeien, de kalfjes, op verschillende manieren zich vermakend met allerlei gespeel. (39-40) Soms op hun fluiten blazend, soms met een slinger gooiend [voor de vruchten], soms met hun voeten bewegend voor het getinkel [van hun enkelbelletjes], soms koetje en stiertje spelend, hard loeiend de dieren nadoend die met elkaar aan het vechten waren en soms de geluiden van andere dieren imiterend, zwierven ze rond als twee gewone kinderen.

(41) Op een dag aan de oever van de Yamunâ hun kalveren hoedend met hun speelkameraadjes kwam er daar een demon [Vatsâsura] met de bedoeling Krishna en Balarâma te doden. (42) Hem in de gaten krijgend die onder het aannemen van de gedaante van een kalf zich had gemengd onder de andere kalveren, vestigde de Heer de aandacht op hem naar Baladeva gebarend, terwijl Hij ondertussen onopvallend zich langzaam in zijn richting bewoog. (43) Hem samen met zijn staart bij de achterpoten vattend slingerde Acyuta hem hard in het rond en gooide Hij hem levenloos bovenin een kapittha boom [**] alwaar het lichaam van de demon tot een gigantisch formaat uitdijde en toen, samen met de boom, dood op de grond smakte. (44) De jongens die dit voorval allen had gadegeslagen waren hogelijkst verwonderd en prezen Hem hoog, uitroepend: 'Goed gedaan, goed zo!', en de goden lieten tevreden een regen van bloemen op Hem neerdalen. (45) Zij, de Ene Beschermers van Al de Werelden die waren veranderd in de beschermers van de jongeren, voltooiden die ochtend hun ontbijt en trokken verder de kalveren hoedend.

(46) Met ieder van hen verantwoordelijk voor zijn eigen groepje kalveren arriveerden ze op een dag bij een waterplaats om de dieren te drenken waarna ook zij dronken van het water. (47) Daar zagen ze recht voor zich een gigantische gestalte die, als een door de bliksem getroffen, naar beneden gevallen bergpiek, hen schrik aanjaagde. (48) Het was van een demon genaamd Bakâsura, een enorm monster die de gedaante had aangenomen van een gigantische reiger [een baka ***]; vanwaar hij was verzwolg hij allermachtigst zomaar opeens Krishna met zijn scherpe snavel. (49) Ziend hoe Krishna door de reiger werd opgeslokt waren al de jongens met Râma voorop verbijsterd en stonden ze geheel overweldigd stomverbaasd te staren. (50) Hij, die zoon van een koeherder, de Gebieder van de Heer van het Universum, begon diep in zijn keel te branden als een vuur en werd terstond weer kwaad losgelaten zonder een schrammetje, waarop de reiger meteen weer probeerde om Hem met zijn scherpe snavel te doden. (51) Hij met Bakâsura opnieuw in de aanval, ving de snavel van die vriend van Kamsa op met Zijn armen, waarna Hij als de Meester der Waarachtigen in dienst van de bewoners van de hemel, voor ogen van de jongens, die bek uiteenreet met het gemak waarmee men een grassprietje doormidden splijt. (52) Op dat moment strooiden de goden van alle werelden jasmijn en andere bloemen over Hem uit en feliciteerden ze Hem begeleid door trommels, schelphoorns en gebeden; toen ze dit zagen waren al de jongens met stomheid geslagen. (53) Zoals het is met de zinnen [als ze weer bij bewustzijn komen] kwamen, met Hem bevrijdt uit de bek van de reiger, al de jongens weer tot leven die door Balarâma werden aangevoerd. Bevrijd van het gevaar omhelsden ze Hem en keerden ze, na hun kalveren te hebben verzameld, terug naar Vraja, alwaar ze luidruchtig melding maakten [van wat zich had voorgedaan]. (54) De gopa's en hun gopî's stonden, nadat ze al de verhalen aangehoord hadden, versteld, en waren zielsverrukt niet in staat hun ogen af te wenden van de jongens die door hen gretig werden aangestaard alsof ze uit de dood waren opgestaan. (55) Hoe wonderlijk dat deze jongen, die al zo vaak met de dood was bedreigd, er nog steeds was, terwijl zij die angst hadden aangejaagd zelf allemaal de dood hadden gevonden. (56) Hoewel ze op Hem afkwamen met de bedoeling deze jongen te doden, was geen van hen die zich in hun kwaadaardigheid zo grotesk vertoonden erin geslaagd; Hem belagend vonden ze allen, als vliegen in het vuur, de dood. (57) Hoe opmerkelijk dat de woorden van de kenners van het brahman zich nimmer als onwaar bewijzen; dat wat door de hoogste meester [Garga] was voorspeld had zich precies zo voorgedaan [zie 10.8: 8-9]! (58) En zo waren al Nanda's gopa's er verrukt over telkens weer de verhalen te vertellen over Krishna en Balarâma en genoten zij met die praktijk van hun levens zonder dat ze ooit tegen de pijnen van de wereld opliepen [zie ook 1.7: 6]. (59) Op deze manier brachten ze hun jeugd door in de koeiengemeenschap met verschillende soorten van kinderlijk tijdverdrijf als verstoppertje spelen, dammen bouwen en in de rondte springen alsof ze apen waren.'  

Voetnoten:

* Vrindâvana is gelegen tussen Nandes'vara en Mahâvana.

**: De kapittha word soms kshatbelphala genoemd. Het vruchtvlees is zeer smakelijk. Het is zoet-zuur en geliefd bij iedereen.

***: De reiger is een zeer slimme vogel, vol van list, bedrog en opzet en staat zo model voor de hypocriet, de bedrieger, de schurk.

  

Hoofdstuk 12  

Het Einde van de Demon Aghâsura

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag vatte de Heer het plan op om te gaan picknicken in het bos. Vroeg in de ochtend opgestaan wekte Hij Zijn kameraadjes en de kalfjes door fraai op Zijn hoorn te blazen. Daarna vertrokken ze vanuit Vraja terwijl ze hun groepjes kalveren voor zich uit dreven. (2) De velen die Hij er had, begeleid door de jongens, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik toen ze allen in hun sas, prachtig stralend eropuit gingen met hun herdersstaven, hoorns, fluiten en de vele kalveren die ieder van hen had en die samen wel meer dan duizend stuks bedroegen, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik. (3) Met Krishna's eigen kalfjes erbij hadden zich er niet te tellen hoe veel verzameld en samen met hen genoot Hij toen, her en der [in het woud], opgaand in hun jongensspelletjes. (4) Hoewel ze met kleurige steentjes, schelpen, goud en parels reeds waren opgesierd, maakten ze ook gebruik van vruchten, groene bladeren, bossen prachtige bloemen, pauwenveren en grondkleuren om zichzelf te verfraaien. (5) Elkaars eigendommen weggrissend wierpen ze die op een afstand van degene die zich erom bezorgde en werden ze door hen die hem zagen aankomen verder overgegooid, maar dan weer met een lach teruggegeven. (6) Als Krishna wegdwaalde met oog voor de schoonheid van het woud maakten ze lol door met 'ik was 't eerst, ik was 't eerst', te proberen Hem aan te raken. (7-11) Sommigen bliezen op hun fluiten, sommigen schalden hun hoorns, sommigen zoemden mee met de hommels en anderen deden de koekoeken na. Sommigen holden achter de schaduwen van de vogels aan, sommigen schreden elegant met de zwanen of zaten met de eenden net zo stil of dansten met de pauwen. Ze zochten naar jonge aapjes en sprongen samen met hen tussen de bomen op de manier zoals zij tussen de bomen heen en weer slingerden. Ze sprongen samen met de kikkers mee nat rakend in het water, lachten om hun schaduwen en dreven de spot met hun eigen echo's. Op deze manier genoten ze van de verdienste van hun voorgaande levens in vriendschap met Hem die voor hen die in mâyâ verstrikt zijn de Allerhoogste Goddelijkheid is, die voor de transcendentalisten die het aanvaardden om van dienst te zijn, bijgevolg het spiritueel geluk is [zie * en 1.1: 2, 1.7: 6 en 2.1: 6]. (12) Ookal zijn ze vele levens lang vol van boete, dan nog bereiken yogi's bedreven in de zelfbeheersing niet het stof van Zijn lotusvoeten; hoe fortuinlijk zijn dan niet de bewoners van Vraja voor wie Hij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig het voorwerp werd van hun persoonlijke getuigenis?

(13) En toen verscheen hij genaamd Agha ['de kwaadaardige'] daar ten tonele, een grote demon die de aanblik van hun gelukkige tijdverdrijf niet kon verdragen en naar wiens levenseinde steeds werd uitgezien door al de onsterfelijken, ondanks de nectar die ze dronken. (14) De jongens ziend aangevoerd door Krishna dacht de door Kamsa gezonden Aghâsura, die de jongere broer was van Bakî [Pûtanâ] en Bakâsura: 'Dit moet de moordenaar zijn van de twee die samen met mij ter wereld kwamen; dus omwille van hen, laat me dan nu Hem en Zijn jongetjes om zeep helpen! (15) Als deze jongens voor mijn broer en zus het sesamzaad en het water zijn geworden voor hun begrafenisrituelen, zullen alle inwoners van Vraja bij elkaar zo goed als dood zijn als de kracht van hun leven hen heeft verlaten, als deze levende wezens die voor hen zo dierbaar zijn als hun liefde en adem weg zijn.' (16) Aldus vastbesloten nam hij de wonderlijke gedaante aan van een zeer, zeer grote python die zich kilometers ver uitstrekte en versperde hij, zo hoog als een berg en met een bek ver open als een berggrot, op dat moment zeer listig de weg om de picknickers te verzwelgen. (17) Met de gapende binnenkant van zijn bek, rustte zijn onderlip op de aarde en beroerde de bovenlip de hemel; zijn tanden waren als bergpieken en binnenin was het aardedonker, zijn tong leek op een brede weg, zijn adem was als een warme wind en zijn felle blik was als vuur. (18) Hem ziend in die positie bezgaen ze het allen als Vrindâvana op zijn best; voor hen was het inderdaad een sport [te doen] alsof ze naar de vorm van de bek van een python keken: (19) 'Kijk eens vrienden, een dooie python die daar voor ons ligt om ons allemaal op te slokken met zijn slangenbek wijd open, denk je ook niet? (20) Werkelijk, zo klaar als een klontje, daar heb je de bovenlip en daaronder, die grote zandbank is zijn onderlip met die roodachtige gloed... (21) En rechts en links, die holten, die zien er net uit als zijn mondhoeken, en die pieken daar, die zien d'r precies uit als de tanden van het beest. (22) Het brede pad, zo weids en lang, is als de tong en de duisternis daar tussen de bergen in, dat inderdaad is de binnenkant van zijn bek. (23) Let maar eens op hoezeer de wind die er heet als vuur vandaan komt op zijn adem lijkt, met de kwalijke lucht van verbrand vlees van de lijken in zijn buik. (24) Zou dit beest er zijn om allen te verzwelgen die het wagen er binnen te gaan? Als dat zo is, dan zal hij net als Bakâsura door Hem onverwijld een kopje kleiner worden gemaakt!' zeiden ze en wierpen daarbij een blik op het stralende gezicht van Krishna, Baka's vijand, terwijl ze luid lachend, in hun handen klappend de bek inliepen.

(25) Horend hoe ze op verschillende manieren bezijden de waarheid aan het praten waren zonder door te hebben waar ze mee van doen hadden, kwam Krishna, die heel goed doorhad dat de Rakshasa maar al te echt was en hen voor de gek aan het houden was, tot de conclusie dat Hij, de Allerhoogste Heer, het Volkomene van alle levende wezens Zich bevindend in het hart, Zijn kameraden moest tegenhouden. (26) Ondertussen waren alle jongens en hun kalveren de buik van de demon binnengegaan, maar ze werden niet verzwolgen; de Râkshasa, aan zijn dode verwanten denkend, wachtte erop dat Baka's vijand naar binnenging. (27) Krishna, die voor alles en iedereen de bron der onbevreesdheid is, stond versteld toen Hij dat zag en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde voor Zijn vrienden, die niemand anders dan Hem hadden en nu hulpeloos, aan Zijn controle ontsnapt, als strootjes waren voor het vuur van de buik van Aghâsura, van de dood in eigen persoon. (28) Wat nu te beginnen; deze schurk zou er niet moeten zijn, noch moesten die onschuldige trouwe zielen hun einde vinden; hoe kon Hij nu beide tegelijk voor elkaar krijgen? Zijn gedachten bij elkaar rapend wist de Heer, de Ziener van het Onbegrensde, wat hem te doen stond en liep Hijzelf de bek in. (29) Op dat ogenblik riepen van achter de wolken al de goden bevreesd uit: 'Helaas, helaas!' en stonden Kamsa en de andere bloeddorstige vrienden van Aghâsura te juichen. (30) Toen Hij dat hoorde maakte Krishna, de Allerhoogste Heer die inderdaad nooit wordt verslagen, Zichzelf groot binnenin de keel van de demon [zie siddhi] die probeerde de jongens en kalveren in zijn maag te pletten. (31) Met die actie werden al de luchtwegen geblokkeerd en puilden de ogen van de heftig worstelende en kronkelende gigant uit hun kassen; de levensadem, die gestokt was in het inwendig geheel geblokkeerde lichaam, brak toen naar buiten ontsnappend via het schedeldak. (32) Toen alle levensadem het lichaam had verlaten en Krishna zag dat al de jongens en kalveren dood neerlagen, wekte Hij, Mukunda, de Opperheer, ze weer tot leven en kwam Hij, begeleid door hen, uit de mond weer tevoorschijn. (33) Vanuit het wellustige lijf kwam een prachtig licht tevoorschijn dat geheel op eigen kracht de tien richtingen verlichtte; het bleef in de lucht wachten totdat de Allerhoogste Persoonlijkheid naar buiten kwam en ging toen, voor ogen van al de goden, Zijn lichaam binnen [sâyujya-mukti]. (34) Vervolgens deed iedereen hoogst verheugd het zijne met het in aanbidding vieren van Zijn heerlijkheid [zie ook 1.2: 13]: men liet bloemen neerregenen, de zangers van de hemel zongen, de hemelse dansmeisjes dansten, al de halfgoden speelden ieder op hun eigen instrumenten en de brahmanen brachten hun gebeden. (35) De Ongeborene [Brahmâ] nabij in zijn verblijf die het wonderbaarlijke geluid hoorde van die voor iedereen zo hoogst gunstige gebeden, lieflijke klanken, liederen en gejuich terwille van de Ene Allerhoogste Heer, haastte zich er snel heen om getuige te zijn van de verheerlijking van God die hem versteld deed staan.

(36) O Koning, de uitgedroogde huid van de python werd een bezienswaardigheid van Vrindâvana die als een grot dienend nog lang daarna een uitje vormde. (37) Dit voorval van het sterven en verlost raken van de Python en de bevrijding van Zijn metgezellen, dat plaatsgreep toen de Heer vijf jaar oud was [kaumâra], werd pas een jaar later [pauganda] door de jongens in Vraja doorverteld alsof het diezelfde dag nog was gebeurd. (38) Het feit dat door het kleine beetje omgang met de Allerhoogste Persoon van het Brahman, van het zichtbare en onzichtbare, die voor de mensen als een kind van genade was, ook Agha werd bevrijd van alle materiële smetten en ertoe werd verheven om op te gaan in de Superziel, was in het geheel niet zo verbazingwekkend, hoe moeilijk het ook is voor hen ver bezijden de waarheid dat te bereiken. (39) Als zij, die [gelijk Aghâsura] op een of andere manier een enkele keer of zelfs met geweld maar een beeld van Hem in hun harten geïnstalleerd kregen, door Hem de bestemming toegekend krijgen, wat dan zou dat voor hen betekenen in wie Hij immer aanwezig is als de verdrijver van de illusie, altijd iedere levende ziel zo zeker het resulterende genoegen vergunnend?' "

(40) S'rî Sûta [zie 1: 12-15] zei: "Hij [Parîkchit] die werd beschermd door de God van de Yadu's [Yâdavadeva of Krishna] op deze wijze, o tweemaal geborene, horend over de o zo wonderbaarlijke handelingen van zijn redder [zie 1.8], deed aldus gefixeerd in zijn bewustzijn navraag bij de zoon van Vyâsa naar nog meer van dergelijke verdienstelijke daden. (41) De achtenswaardige koning zei: 'O brahmaan wat zich voordeed in een andere tijd, werd beschreven alsof het zich precies toen had afgespeeld, hoe kan dat zo zijn; hoe kon wat de Heer deed op vijfjarige leeftijd door al de jongens worden beschreven op Zijn zesde? (42) Ik brand van nieuwsgierigheid, o grote yogi, om er van u over te vernemen, o goeroe, ik ben er zeker van dat het uit niets anders kan zijn voortgekomen dan uit het begoochelend vermogen van de Heer [yogamâyâ]. (43) Al ben ik maar een werelds heerser toch ben ik in deze wereld zeer gezegend, o leraar, altijd te mogen drinken van de nectar van uw heilzame verhalen over Krishna.' "

(44) S'rî Sûta zei: "Toen hij, de man van boete, op deze manier door hem werd ondervraagd had hij, op het moment dat hij werd herinnerd aan de Onbegrensde, volledig het contact met zijn zinnen verloren; met moeite langzaam zijn uitwendige visie herwinnend gaf hij toen de Heer Zijn meest uitnemende, allerbeste aanhanger antwoord."  

Voetnoot:

* S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Mensen zijn over het algemeen niet bekend met het geheim van het succes, en derhalve heeft S'rîla Vyâsadeva, vol van mededogen jegens de gevallen zielen in deze materiële wereld, speciaal in dit tijdperk van Kali, ons het S'rîmad Bhâgavatam gegeven. S'rîmad Bhâgavatam Purânam amalam yad vaishnavânâm priyam (S.B. 12.13: 18). Voor vaishnava's die enigszins gevorderd zijn, of die zich volledig bewust zijn van de heerlijkheden en vermogens van de Heer, is het S'rîmad Bhâgavatam een geliefd Vedisch boek. Per slot van rekening, moeten we van lichaam veranderen (tathâ dehântara-prâptih). Als we ons niet bekommeren om de Bhagavad Gîtâ en het S'rîmad Bhâgavatam, weten we niet wat ons volgende lichaam zal zijn. Maar als men vasthoudt aan deze twee boeken - Bhagavad Gîtâ en S'rîmad Bhâgavatam - kan men er zeker van zijn in het volgende leven de associatie te verkrijgen (tyaktvâ deham punar janma naiti mâm eti so 'rjuna [B.G. 4: 9]). Derhalve, is de distributie van het S'rîmad Bhâgavatam over de gehele wereld een welzijns-activiteit voor theologen, filosofen, transcendentalisten en yogi's (yoginâm api sarveshâm [B.G. 6: 47]), zowel als voor de mensen in het algemeen'.

  

Hoofdstuk 13  

Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren

(1)  S'rî S'uka zei: 'U hebt heel goede vragen gesteld en bent zo een fortuinlijk mens, o beste van de toegewijden, omdat u een nieuwe glans verleent met uw wens de verhalen over de Heer telkens weer opnieuw te willen horen. (2) Het is dit wat de waarachtigen onderscheidt die de essentie van het leven aanvaardden: dat wat het doel van het leven is, wat hun begrijpen is en waar hun geesten vol van zijn, doet, als ze het ter sprake brengen in verband met de Onfeilbare, zich voor hen ondanks de herhalingen telkens weer voor als zijnde nieuw, precies zoals voor een rokkenjager elke vrouw weer nieuw lijkt. (3) Alstublieft luister goed o Koning, ik zal u erover vertellen hoewel het een vertrouwelijke aangelegeheid is, omdat voor een liefdevolle toegewijde goeroes zelfs over verborgen zaken uitleg verschaffen.

(4) Nadat Hij al de jongens en kalveren uit de bek had gered van die dodelijke Agha, bracht de Allerhoogste Heer ze naar de oever van de rivier en sprak Hij deze woorden: (5) 'O hoe prachtig deze oever, beste vrienden, met alle gelegenheid die hij biedt om te spelen, zijn zachte schone zand, de geur van de bloeiende lotussen die de hommels aantrekt en de geluiden van de tjilpende vogels overal eromheen in de vele bomen! (6) Laten we hier eten, het is al laat en we zijn slapjes van de honger; na het drenken van de kalveren in het water, kunnen ze op hun gemak van het gras hier in de buurt eten.' (7) Zoals gezegd lieten ze de kalveren drinken van het water, brachten ze ze naar het malse gras, openden ze hun lunchpakketten en genoten ze heel gelukkig samen de maaltijd met de Allerhoogste Heer. (8) In een grote kring naar binnen kijkend met een gelukkig gezicht groepeerden de jongens van Vraja zich rondom Krishna en zagen er op die manier neerzittend in het woud zo prachtig uit als de blaadjes en bladeren die de werveling van een lotusbloem vormen. (9) Om als bord te dienen bij het eten gebruikten sommigen bloembladeren terwijl anderen zich bedienden van hoopjes bladeren, vruchten en twijgjes, hun eigen pakketten, boomschors of een stuk steen. (10) Ieder van hen liet de rest proeven van zijn eigen favoriete eten en zo hadden ze er lol in samen met de Heer hun middageten te genieten. (11) Met Zijn fluit weggestopt in Zijn gordel en de hoorn en de staf aan Zijn linker zijde, nam Hij de yoghurtrijst en de smakelijke vruchten tussen Zijn vingers. Terwijl Hij zo in het midden zat van de kring van Zijn kameraadjes maakte Hij ze aan het lachen met grappen uit eigen koker. En zo zagen de bewoners van de hemel hoe de Genieter van alle Offers opging in Zijn spel en vermaak als een kind. (12) O nazaat van Bharata, terwijl de Onfeilbare op deze manier samen met de koeherdertjes zo intiem aan het eten was, waren de kalveren op zoek naar gras diep het bos ingelopen. (13) Toen Krishna, de Vrees der Vrees, dat ontdekte zei Hij tot de jongens die zich zorgen maakten: 'O vrienden, blijf zitten waar je zit, ik zal de kalfjes hier weer netjes terugbrengen!' (14) Ze dit gezegd hebbend ging Krishna, de Allerhoogste Heer, met een beetje eten in Zijn hand, eropuit om overal in de bergen, grotten, bosschages en beschutte plekken te speuren naar de kalveren van Zijn vriendjes.

(15) Hij geboren uit de lotus [Brahmâ] zich ophoudend in het voorbije was zeer gecharmeerd van de manier waarop de Heer de jongens betoverde en alleen maar om er meer van te zien voerde hij de jongens en de kalfjes weg om ze elders te verbergen, o man van de Kuru-band. Deze autoriteit van de hemel die voordien getuige was geweest van de verlossing van Aghâsura, was zeer verbaasd geraakt over de Alvermogende Persoonlijkheid [zie voetnoot*]. (16) Toen Hij noch de kalveren noch de jongens kon vinden zocht Krishna het hele bos af. (17) De kalfjes noch hun zorgdagers ook maar ergens bekennend in het woud begreep Krishna, Zich bewust van alles wat er gaande is in het universum, meteen dat dit het werk was van Vidhi [Heer Brahmâ]. (18) Daarop breidde Krishna, als de Beheerser die het ganse universum bestiert, zich uit tot de twee gedaanten [van zowel de jongens als de kalfjes], om zowel hun moeders als hem [Brahmâ] een plezier te doen. (19) Exact hetzelfde als de koeherdersjongens en hun kwetsbare kalfjes met dezelfde afmetingen van benen en handen, met dezelfde hoorns, fluiten, stokken en pakketten en dergelijke; met dezelfde sierselen en uitdossing in alle opzichten; met precies hun karakter, gewoonten, trekken, kenmerken en neigingen, en van hetzelfde spel en spelen, nam de Ongeborene als Vishnu zich uitbreidend feilloos hun identiteit aan in ieder detail overeenkomend qua woorden en voorkomen. (20) Persoonlijk zo op verschillende manieren genietend van het gezelschap dat Hij Zichzelf bood aan kalveren en hoedende koeherders, ging Hij, de Ziel van Allen, toen Vraja binnen. (21) Afzonderlijk Zichzelf in de vorm van de verschillende kalveren naar de verschillende koeienschuren brengend ging Hij toen, met het Zich in Zijn expanderen verdeeld hebben in verschillende personen, o Koning, de verschillende huizen binnen. (22) Hun moeders vergaten, zo gauw ze het geluid van hun fluiten hoorden, waar ze mee bezig waren en tilden de jongens als veertjes op in hun armen om ze te knuffelen en ze, nat van de liefde, te laten drinken van hun naar nectar smakende moedermelk; aldus hun zoons voedend waren ze van respect voor de Hoogste Heer. (23) Iedere keer dat Mâdhava 's avonds thuis zo kwam, o heerser der mensen, klaar met wat er moest worden gedaan, droegen ze zorg door Hem te masseren, te baden, te oliën, Hem op te sieren, mantra's te zingen voor Zijn bescherming, met tilaka tekens aan te brengen en [al de jongens die Hij was] goed te eten te geven. (24) Ook de kalfjes die naar hun schuren waren gebracht werden meteen geroepen door hun luid loeiende moeders die, ieder door hun eigen kalf gevolgd, hen steeds weer likten en ze voedden met de melk vloeiend uit hun uiers. (25) Koe en gopî waren hierin even liefdevol als gebruikelijk, zij het dat er extra liefde van hen uitging voor hen op een manier die ze nog niet eerder hadden gevoeld, en ook was er een onmiddelijke reactie van hun kinderen die echter, nu ze Hem als hun zoon hadden, geheel vrij was van de begoocheling [van het 'ik' en 'mijn']. (26) Voor de duur van een jaar groeide aldus zonder ophouden geleidelijk aan bij alle bewoners van Vraja de wingerd van de toewijding voor hun kinderen met de manier waarop ze nu, als nooit tevoren, van zoveel liefde waren voor hun eigen kinderen als ze voorheen waren voor Krishna. (27) Op deze manier handhaafde Zich de Opperziel, die middels Zichzelf in de gedaante van de koeherdersjongens Zichzelf hoedde in de vorm van de kalveren, voor de tijd van een jaar, gelukkig spelend in de gemeenschap en het bos.

(28) Op een dag, toen op vijf of zes dagen na een heel jaar was verstreken, ging de Ongeboren Heer, met Balarâma zorgdragend voor de kalveren, het woud in. (29) Niet ver van Vraja op zoek naar gras voor hun kalfjes, werden zij vervolgens van niet al te ver opgemerkt door de moederkoeien die graasden op de Govardhana heuvel (30) Op het moment dat ze ze zagen vergaten ze, in de greep van de liefde, de kudde en braken ze, ondanks het lastige pad, met hun nekken omhoog tegen hun bulten in galop weg van hun verzorgers, kop en staart geheven en melk druppelend terwijl ze luid loeiend zich derwaarts haastten. (31) Toen de koeien zich bij hun kalveren voegden aan de voet van de heuvel likten ze, ondanks dat ze reeds opnieuw hadden gekalfd, hun ledematen en voedden ze ze zorgzaam met de melk die van hen vloeide alsof ze pasgeboren kalfjes waren. (32) De gopa's gefrustreerd in hun pogingen ze van het moeilijke en gevaarlijke pad te houden, schaamden zich er diep over dat ze zo boos waren geworden toen ze, daar aangekomen, hun zonen met de koeien en kalveren zagen. (33) Met hun geesten badend in een staat van opperste, bovenzinnelijke liefde verdween met die grote aantrekking hun boosheid als sneeuw voor de zon waarop zij, hun jongens vervolgens optillend in hun armen om ze te omhelzen, het hoogste genoegen beleefden toen ze hun neus in hun haar konden drukken. (34) Daarna, helemaal blij van de omhelzingen, maakten de gopa's zichzelf met moeite los van hen en hadden ze de tranen in hun ogen als ze er weer aan terugdachten. (35) Toen Balarâma de overmaat aan liefde zag en de niet aflatende gehechtheid van alle bewoners van Vraja, hoe zeer hun kinderen ook de moederborst waren ontgroeid, kon Hij niet begrijpen wat hier de reden van was en overwoog Hij voor zichzelf: (36) 'Wat voor een wonder speelt zich hier af? De goddelijke liefde [prema] van allen hier in Vraja en Mezelf inbegrepen voor de kinderen en voor Vâsudeva, de Ziel van het Volkomen Geheel, is nog nooit zo groot geweest! (37) Wie zou hier achter zitten, wat is haar oorsprong; betreft het een goddelijk wezen, is het een vrouw of is het een duivelin? In ieder geval moet het de bijzondere genade [Mâyâ-devî] van Mijn Handhaver zijn, wie anders zou Mij nu kunnen betoveren?' (38) Het overdenkend zag Hij door de ogen van de transcendentie al de kalveren tezamen met hun begeleiders als [niemand anders dan] de Heer van Vaikunthha. (39) 'Deze jongens zijn geen [geïncarneerde] meesters der verlichting, noch zijn deze kalveren grote wijzen. U aleen o Allerhoogste Heer, bent de Ene die Zich manifesteert in al de verscheidenheid van het bestaan; hoe kan U nu tegelijkertijd alles zijn wat er bestaat? Zeg Me wat precies Uw woord is in dezen'; en met deze beheersing en tegenwoordigheid van geest kwam Baladeva tot begrip voor de situatie [**].

(40) De zelfgeborene [Brahmâ] die na zo'n lange tijd terugkeerde, hoewel het slechts een ogenblik was naar zijn eigen tijdrekening [zie kalpa], zag dat een jaar later de Heer tezamen met Zijn expansies als voorheen aan het spelen was. (41) [Hij zei tot zichzelf:] 'Omdat al de jongens van Gokula tezamen met hun kalveren diep in slaap verzonken zijn op het bed van mijn begoochelende macht kan het niet zo zijn dat zij vandaag weer zouden zijn opgestaan. (42) Daarom vraag ik me af waar dezen hier vandaan kwamen; ze verschillen van degenen die begoocheld zijn door mijn macht van illusie, niettemin tref ik een zelfde aantal van hen aan een heel jaar samen spelend met Vishnu! (43) Op deze manier een lange tijd zich bezinnend op het verschil tussen hen kon hij, de uit zichzelf geborene, met geen mogelijkheid uitmaken wie nu echt was en wie niet. (44) En zo was zelfs hij, die ongeziene, in feite door zijn eigen mystieke macht begoocheld - hij inderdaad die Vishnu in nevelen wilde hullen, Vishnu die Zelf boven alle misvatting verheven, het ganse universum in raadselen hult. (45) Zo zinloos als een moeilijk te onderscheiden mist gedurende de nacht en het licht van een gloeiworm gedurende de dag zal een persoon van een minder mystiek vermogen niets anders dan zijn zelfvernietiging realiseren als hij zijn vermogen probeert in te zetten tegen een grote persoonlijkheid. (46) En terwijl hij, de zelfgeborene, hen gadesloeg werden kalf en koeherder datzelfde moment door hem gezien als hebbende een huid met de kleur van een regenwolk en een aankleding van gele zijde. (47-48) Met vier armen, met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, met helmen, oorhangers, halssnoeren en slingers van woudbloemen; met de S'rîvatsa, het juweel bij Hun schelp-gestreepte nekken en met armbanden om Hun polsen; met versieringen aan Hun voeten en banden om Hun enkels, schenen Ze allerprachtigst toe met Hun gordels en ringen om Hun vingers. (49) Van kop tot teen waren al Hun leden bedekt door strengen verse, zachte tulsî geofferd door hen die van grote verdienste zijn [zie ook 10.12: 7-11]. (50) Met Hun glimlachen stralend als de maneschijn en de heldere blikken van Hun rossige ogen waren Ze, gelijk de geaardheden van [de witte] goedheid en [rode] hartstocht, de scheppers en beschermers van de verlangens van Hun toegewijden [vergelijk 10.3: 20]. (51) Het Loffelijk Oerwezen [Vishnu alzo] werd van het eerste levende wezen [Brahmâ] tot aan het kleinste polletje gras, met gedaanten bewegend en niet bewegend, uiteenlopend aanbeden met dans en gezang. (52) Ieder van Hen werd omringd door al de heerlijkheid der volmaaktheden [siddhis, zijn als de kleinste etc.], de mystieke vermogens met Ajâ [***] voorop en de vierentwintig elementen van de schepping met het geheel van hen [de mahat-tattva] als eerste. (53) Ze werden aanbeden door de tijdfactor [kâla], de individuele aard [svabhâva], de reformatie [samskâra], het verlangen [kâma], het vruchtdragend handelen [karma], de geaardheden [guna] en anderen van wie, met het door een ieder van Hen aannemen van een gedaante, de grootheid werd verslagen door Zijn heerlijkheid [zie ook B.G. 13: 22]. (54) Zij als niets anders dan eeuwigheid, geestelijke kennis, het onbegrensde en het gelukzalige, daar aanwezig in gedaanten van de Ene Vervoering, waren in Hun heerlijkheid van een grootsheid die zelfs buiten het bereik lag van de zieners die zich bezighouden met de filosofie [zie ook 1.2: 12 en *4]. (55) Aldus zag de zelfgeboren Brahmâ, tegelijk op hetzelfde moment, het geheel van Hen als expansies van de Allerhoogste Absolute Waarheid [para-brahman] door wiens gloed dit alles, bewegend of niet-bewegend, wordt gemanifesteerd. (56) Toen door Hun uitstraling gevangen in gelukzaligheid en geschokt in al zijn elf zinnen, viel de zelfgeborene stil als de pop van een kind in de aanwezigheid van de plaatselijke beeltenis van God.

(57) Begrijpend dat de heer van Irâ [Brahmâ's metgezel Sarasvatî] aldus in raadselen verkeerde door de weerlegging van al het irrelevante, door dat [Opperste Brahman] gekend in de Veda's, door dat zelfgemanifesteerde gelukzalige boven de materiële energie dat zijn heerlijkheid overtrof en dat hij er geen hoogte van kon krijgen wat dit alles was, rukte Hij die Nimmer wordt Geboren [Krishna] in één keer de sluier van yogamâyâ weg [zie ook 7.7: 23]. (58) Toen, met zijn uitwendige bewustzijn weer tot leven gewekt, stond hij als een dodeman met moeite op en opende hij zijn ogen om dit universum te aanschouwen met zichzelf erbij. (59) Op dat moment inderdaad in alle richtingen kijkend zag hij, zich recht voor hem bevindend, Vrindâvana dat rijk zo met haar bomen en aangenaam in alle seizoenen haar bewoners onderhoudt.(60) Aldaar, in die verblijfplaats van de Onoverwinnelijke, leven mens en dier, van nature elkaar vijandig gezind, tezamen als vrienden en is alle woede, dorst en dat alles op de vlucht geslagen. (61) Daar zag hij die zich ophoudt in het voorbije [Brahmâ], Hem, de Absolute Waarheid zonder Zijns gelijke, het Allerhoogste Onbegrensde van een onpeilbare kennis, in Zijn aannemen van de rol van een kind in een koeherdersgezin, zoals Hij voordien was, helemaal alleen overal op zoek naar Zijn kalfjes en jongens met een beetje eten in Zijn hand [*5]. (62) Toen hij dat zag kwam hij snel van zijn draagdier [de zwaan] naar beneden en viel hij als een gouden staf plat op de grond met de tippen van zijn vier kronen Zijn twee voeten beroerend en volbracht hij al buigend een baadceremonie met het zuivere water van zijn vreugdetranen. (63) Keer op keer denkend over wat hij voorheen had gezien, zeeg hij gedurende een lange tijd neer en stond hij weer op aan de voeten van Krishna, de grootheid daar aanwezig. (64) Geleidelijk aan toen weer overeind komend wreef hij zijn ogen uit opkijkend naar Mukunda en met zijn hoofd voorover gebogen, een trillend lijf en een haperende stem prees hij Hem nederig met gevouwen handen en een bezonken geest.'

Voetnoten:  

* S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Een ieder die materieel geboren is is onderhevig aan verbijstering. Dit spel en vermaak wordt derhalve brahma-vimohana-lîlâ genoemd, het spel van het verbijsteren van Brahmâ. Mohitam nâbhijânâti mâm ebhyah param avyayam (Bg. 7.13). Personen van een materiële geboorte kunnen Krishna niet helemaal begrijpen. Zelfs de halfgoden kunnen Hem niet begrijpen (muhyanti yat sûrayah). Tene brahmâ hridâ ya âdi-kavaye (S.B. 1.1.1). Iedereen, van Brahmâ tot aan het kleinste insect, moet leer trekken uit Krishna.'  

** S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'We moeten er goed op letten in te zien dat hoewel de allerhoogste bron één is, de emanaties van deze afzonderlijk zouden moeten worden beschouwd als inferieur en superieur. [d.w.z. onbewust en bewust - red.] Het verschil tussen de Mâyâvâda en Vaishnava filosofieën is dat de Vaishnava filosofie dit feit onderkent. S'rî Caitanya Mahâprabhu's filosofie, derhalve, wordt acintya-bhedâbheda genoemd - gelijktijdigheid van eenheid en verschil.' [zie ook de tweevoudige positie ingenomen door Krishna in de Bhagavad Gîtâ 7: 3-6]

*** Ajah betekent ongeboren, maar Ajâ, de geit, is een bijnaam voor Zijn begoochelende macht met Mâyâ-devî of Durgâ. Volgens Prabhupâda [de paramparâ] betekent het woord ajâ namelijk mâyâ, of mystieke macht: alles geheimzinnig bestaat in zijn geheel in Vishnu. Ajâ Taulvali is, volgens het Cologne lexicon, de naam van een Muni die leefde van de melk van een geit [een ajâ]. De term aja [de bok] heeft betrekking op de leider van de kudde, de bestuurder, de beweger, hij die aanzet geeft, en wordt gebruikt om Indra, Rudra, een van de Maruts, Agni, de zon, Brahmâ, Vishnu en S'iva aan te duiden.

*4: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Hoewel Krishna niet kan worden gezien middels de Upanishads, heet het elders dat Krishna in feite op deze manier kan worden gekend. Aupanishadam purusham: "Hij staat bekend middels de Upanishads." Dit betekent dat als men gelouterd is door Vedische kennis, iemand dan de toegang wordt verleend tot het devotionele begrijpen (mad-bhaktim labhate parâm [B.G. 18.54]).'

*5: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Een soortgelijk incident deed zich voor toen Brahmâ Krishna ging opzoeken in Dvârakâ. Toen Krishna's wachter Heer Krishna informeerde dat Heer Brahmâ was gearriveerd, reageerde Krishna met, "Welke Brahmâ? vraag hem welke Brahmâ." De wachter bracht deze vraag over, en Brahmâ stond versteld. "Is er dan een andere Brahmâ behalve ik?" dacht hij. Toen de wachter Heer Krishna op de hoogte stelde met, "Het is de Brahmâ met de vier hoofden," zei Heer Krishna, "Oh, die met de vier hoofden. Roep de anderen, laat ze hem zien".'

  

Hoofdstuk 14  

Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

(1) S'rî Brahmâ zei: 'Mijn lof voor U, o Zoon van de Koning der Koeherders, o aanbiddelijke Heer wiens schoonheid we mogen kennen in de vorm van een lichaam, een prachtig gezicht en zachte voeten zo donker als een regenwolk, kleding zo helder als de bliksem, guñjâ[-zaad]-sieraden [aan Uw oren], pauwenveren, een slinger van woudbloemen, een handje voedsel [zie 10.13: 14], een staf, een hoorn en een fluit. (2) O Godheid zo van genade met mij, zelfs met inderdaad dit lichaam van U recht voor me, dat naar het verlangen van Uw toegewijden zich manifesteerde maar anderzijds in het geheel geen product van de materie is, ben ik, Brahmâ, met mijn innerlijke geest niet in staat Uw grootheid te doorgronden, om nog maar te zwijgen over de ervaring van Uw ziel van geluk. (3) Hoewel onoverwinnelijk geeft U niettemin Uzelf gewonnen voor hen in de drie werelden die regelmatig hun lichaam, woorden en geest oefenend, in het behouden van hun materiële posities oren hebben naar de verhalen met betrekking tot U zoals ze worden verteld door de waarachtigen, de waarachtigen die eenvoudig levend, hun eerbetuigingen brengen met het niet langer meer proberen iets te bereiken op het gebied van de geestelijke kennis. (4) Het pad van bhakti zo allergunstigst, dat wordt afgewezen door hen, o Almachtige Heer, die enkel maar worstelen voor de prestatie van de kennis, houdt voor hen niets dan moeilijkheden in, precies zoals het lege kaf alleen maar lastig is voor hen die dorsen. (5) Lang geleden, o Grootste, was er in deze wereld menig een yoga-aanhanger die, met het aan U hebben opgedragen van al zijn ondernemen, tot het begrip kwam dat men verwerft met het doen van de eigen specifieke plicht; het is inderdaad zo dat men door het verrichten van toegewijde dienst in het cultiveren van het luisteren en het zingen heel makkelijk Uw Allerhoogste Bestemming kan bereiken o Onfeilbare![zie ook 7.5: 23-24] (6) Niettemin, o Volledige van het Bestaan, kan alleen maar hij het vermogen van U doorgronden als zijnde zonder materiële kwaliteiten [ofwel nirguna] die onberispelijk is met een geest en met zinnen die vrij zijn van strubbelingen en die, in navolging van Uw liefde als zijnde iemand met geen andere leidraad voor Zichzelf, geenszins is gehecht aan deze of gene verschijningsvorm. Er bestaat geen andere manier. (7) Op den duur slagen grote wetenschappers er misschien in alle deeltjes die er in het universum zijn van de aarde, van de lucht, van de sneeuw en het licht van de sterren te tellen, maar wie zou ertoe in staat zijn de kwaliteiten op te sommen van U, het Zelf van Alle Kwaliteiten [gunâtma], die nederdaalde voor het heil van alle wezens? [vergelijk 8.5: 6] (8) Vurig hopend op Uw mededogen en de dingen verdragend die zonder twijfel het gevolg zijn van het eigen baatzuchtig handelen, zal daarom een ieder, die U in zijn hart, zijn woorden en met het lichaam zijn eerbetuigingen brengt, een leven leiden gericht op de positie der bevrijding, omdat je dan in aanmerking komt voor de genade [zie ook 1.5: 17, 1.19: 32, 2.1: 12, 3.33: 6, 4.20: 11, 4.29: 38 etc.]. (9) Bezie enkel, o Heer, hoe ik die zo laakbaar ben in relatie tot U, de Onbegrensde, Voorwereldlijke Superziel, alleen maar om getuige te zijn van de macht van U, de Begoochelaar van Alle Begoochelaars, mijn macht over de illusie uit heb gebreid; was het formaat van wat ik verlangde werkelijk niet slechts als een vonkje in verhouding tot het vuur? (10) Derhalve, o Onfeilbare, mijn excuses, ik, geboren uit de hartstocht, ben werkelijk een onwetende die, niet aan een nieuw leven begonnen zijnde, zichzelf hoogmoedig als een op zichzelf staande autoriteit beschouwde; mijn ogen waren blind door de duisternis der onwetendheid - verdient iemand als ik, in het aanvaarden van U als mijn meester, niet Uw genade? (11) Wat heb ik nu te betekenen met mijn materiële aard, die zeven maten van dit lichaam van het geheel van de materie, het valse ego, de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, dat me als een vat omsluit? Wat stelt dit voor vergeleken bij de Onbegrensde Universa die als atomair stof wegbewegen van de openingen en poriën van Uw lichaam, Uw grootheid [zie ook 1.3: 3 en 3: 11]? (12) O Heer van het Voorbije, neemt een moeder het haar kind kwalijk als het met zijn beentjes schopt in de baarmoeder - wat al niet dat wordt gelabeld met omschrijvingen als 'bestaand' en 'niet-bestaand' zou er in werkelijkheid buiten Uw schoot bestaan? (13) De woorden zijn werkelijk niet onwaar die stellen dat Brahmâ, de 'zelfgeborene' [aja *5], met de drie werelden die aan hun einde komen in de oceanen van het water van de zondvloed, voortkwam uit de lotusstengel groeiend uit de buik van Nârâyana; ben ik niet uit U voortgekomen? [zie 3.8] (14) Bent U niet Nârâyana, de Ziel van alle levende wezens? U bent de Leraar vanbinnen in het Hart, de Getuige van Alle Werelden, de Nârâ-yana: het deel [of de leidraad] van God met betrekking tot de mens, die bron van waaruit de wateren ontsprongen - dat is wat U werkelijk bent en niet zozeer Uw specifieke gedaante [mâyâ]. (15) Als dat bovenzinnelijke lichaam van U dat het ganse universum herbergt zich bevindt op het water, waarom werd het dan door mij niet gezien o Allerhoogste Heer, of waarom was U, toen U niet zoals het moest door mij werd waargenomen in het hart, anderzijds toen plotseling weer te zien [zie 3.8: 22]? (16) In deze incarnatie inderdaad verjaagt U door Uw macht over de begoochelende energie de illusie van dit gehele, geschapen universum dat uitwendig zichtbaar is alsook aanwezig in Uw buik, zoals U dat feitelijk hebt laten zien aan Uw moeder [door Uw mond te openen zie 10.7: 35-36 & 10.8: 37-39]. (17) Zoals het kosmisch geheel zich hier buiten ons bevindt, was dit alles met inbegrip van Uzelve ook te zien in Uw binnenste; dit kon zich alleen maar voordoen dankzij de invloed van Uw ondoorgrondelijk vermogen! (18) Is mij niet net vandaag door U getoond hoe, op Uzelf na, dit alles is gebaseerd op Uw begoochelend vermogen? Eerst was U er helemaal alleen en toen werd U alle jongens en kalveren van Vraja, vervolgens werd U zelfs een zelfde aantal vierhandigen die met mij erbij door allen werden gediend en toen werd U een gelijk aantal universa [10.13: 53]; en nu bent u weer de Ene Unieke, Onbegrensde Absolute Waarheid... (19) Voor hen die zich, het op de materiële manier begrijpend, niet bewust zijn van Uw positie verschijnt U, middels Uzelf Uw mâyâ uitbreidend, voor de zaken der schepping als Ikzelf, als Uzelf voor het belang van het handhaven en als de Drieogige [Heer S'iva] aan het einde. (20) Onder de verlichten en de zieners, o Heer en Meester, zowel als inderdaad onder de menselijke wezens, de dieren en de wezens in het water, neemt U, die in feite ongeboren bent, o Meester, o Schepper, Uw geboorte om van genade te zijn voor de waarachtigen en om de onwaarachtigen die verblind zijn door de illusie terecht te wijzen [zie ook B.G. 4: 8]. (21) Wie, o Grootste, Allerhoogste Heer, o Superziel en Beheerser van de Yoga, weet waar, hoe, hoeveel of wanneer in de drie werelden al het spel en vermaak, alle avonturen van Uwe Heerlijkheid, het toneel van Uw geestelijke energie [yogamâyâ] zich alzo afspeelt? (22) Daarom is dit volkomen geheel, dat onwaar [asat, tijdelijk] in zijn vorm is, net als een droom waarin het bewustzijn word overdekt door allerlei vormen van ellende; terwijl binnenin Uzelf zich Uw ongegrensde gedaanten bevinden van het bewustzijn, het eeuwige en het geluk, hebben we [daarbuiten] de begoochelende energie die zich voordoet als zijnde het ware [sat, permanent, zie ook B.G. 2: 16 en **]. (23) De ene Ziel bent U, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de Oudste, de Waarheid, het Licht vanbinnen uit dat zonder een begin of een einde is, het voor eeuwig, nimmer afnemende, onbelemmerde geluk dat vrij van onzuiverheden is, het Volkomene Zonder een Tweede dat onvergankelijk alle beschrijving te boven gaat. (24) U als zodanig omschreven bent inderdaad de eigenlijke Ziel van alle zielen, zo mogen zij dat zien die van de stralende geestelijk leraar de volmaakte visie van de vertrouwelijke filosofie mochten verkrijgen; zij zijn het die gemakkelijk de oceaan oversteken van een onwaar werelds bestaan. (25) Met hen, die U inderdaad niet begrijpen als zijnde de Opperziel, werpt zich enkel om die reden een geheel materieel leven op dat door de kennis der spiritualiteit dan weer verdwijnt, precies zoals met een touw [het beeld van] het lichaam van een slang verschijnt en verdwijnt. (26) Omschrijvingen als zijnde gebonden aan de materie of bevrijd zijn komen voort uit niet weten, feitelijk zijn de twee er niet los van elkaar [maar zijn ze hetzelfde in het gebonden zijn aan wat geen illusie is] als men, zoals met dagen en nachten voor de zon, naar behoren onderscheid maakt naar gelang de ware kennis van de zuivere transcendentale, geestelijke ziel waarvan het bewustzijn niet belemmerd is [zoals-het-is, vrij van mâyâ]. (27) Oh, hoe onwetend die dwaasheid van personen die denken over U, de Oorspronkelijke Ziel, als zijnde iets anders en over het Zelf als [zijnde iemand die is] na te trekken in de buitenwereld! [zie B.G. 18: 16] (28) De waarachtigen, die vanbinnen verwerpen wat niet 'dat' is [zie neti neti 7.7: 23], zijn inderdaad naar U op zoek, o Onbegrensde; zou zelfs maar een man van waarheid, die gevangen is in het onware van de 'slang' die altijd vlakbij is, [er meteen toe] in staat zijn waardering op te brengen voor het ware van het 'touw'? [zie ook 10.6: 8, en B.G. 18: 37] (29) Daarom is het zo mijn Heer dat men, al werd men maar met een spoor van Uw lotusvoeten gezegend, dan in feite de zekere waarheid kent van de grootheid van de Allerhoogste Persoonlijkheid, en dat gaat niet op voor iemand anders, hoe lang hij ook speculeert. (30) Mag het daarom zo zijn o Meester, dat, in deze geboorte, een volgende inderdaad of zelfs een leven waar we liever niet over nadenken, er dat grootste geluk is waardoor ik, met het alleen maar worden van een van Uw toegewijden, ten volle van dienst ben bij de lotusknoppen van Uw voeten? (31) Hoe fortuinlijk is Vraja niet en zijn de koeien en de gopî's niet van wie U, naar Uw volle bevrediging, in de gedaante van de kalfjes en de jongens de nectargelijke moedermelk hebt gedronken, o Almachtige Heer, en van wie de voldoening vooralsnog door geen vedisch offer kon worden geëvenaard. (32) Welk een geluk, o wat een fortuin houdt het voor Nanda, de gopa's en de andere bewoners van Vraja in, om als hun vriend het Allerhoogste Verblijf van de Gelukzaligheid te hebben, de Volledige, Absolute en Eeuwige Waarheid. (33) En hoe groot het goede van hun geluk ook moge zijn, o Onfeilbare, wij, de elf [***], S'iva en alle andere goden inderdaad, o Wonder, zijn zo gelukkig telkens weer opnieuw middels de bekers van de zinnen van deze toegewijden te mogen drinken van de ambrozijne, bedwelmende honing van Uw lotusvoeten. (34) Welke geboorte ik ook maar hier in dit woud zou nemen [als dit of dat dier of als een plant] zou me dat allergrootste geluk brengen; enkel en alleen maar door te kunnen baden in het stof van wie van hen ook wiens leven waarlijk volledig van de Allerhoogste Heer Mukunda Zijn voeten is; de voeten waarvan het stof zelfs tot op vandaag wordt gezocht door de S'ruti's [de Veda's]. (35) Wat anders ook dan Uzelve, die waarlijk de bron bent van alle zegeningen, o Godheid, zou U als beloning schenken aan deze leden van de koeherdersgemeenschap wiens huizen, welvaart, vrienden, beminden, lichamen, kinderen, levensadem, en geesten alle U toewijd zijn - onze geest denkend aan enig ander iets vervalt in illusie, daar U het zelfs niet te betwijfelen zo regelde dat Pûtanâ die zich vermomde als een waarachtige en ook haar familieleden [Bakâ en Agha] U konden bereiken, o goddelijke persoonlijkheid. (36) Zolang als mensen niet de Uwe zijn, zijn de gehechtheden en dergelijke allemaal dieven, is het huis een gevangenis en is het verzot zijn als een stel boeien aan hun voeten. (37) Hoewel U geheel bovenzinnelijk bent bootst U op deze aarde dat na wat materieel is, o Meester, met de bedoeling de mensen die van overgave zijn te onderrichten in Uw verschillende vormen van spiritueel geluk. (38) Er zijn mensen die hun zekerheid ontlenen aan het gebruik van vele woorden - laat ze hun gang maar gaan, maar wat voor nut heeft het voor ons o mijn Heer, Uw weelde valt immers buiten het bereik van mijn lichaam, mijn geest en mijn woorden [zie B.G. 2: 42-44]! (39) Laat me afscheid van U nemen o Krishna, U weet alles, U ziet alles, U alleen bent de Meester van alle universa, ik stel U dit universum ter beschikking. (40) S'rî Krishna, U verleent de lotus van de Vrishni-dynastie het geluk; van de zeeën van de aarde, de halfgoden, de brahmanen en de dieren bent U de oorzaak van hun ontwikkeling; als er een gebrek aan rechtschapenheid is verdrijft U de duisternis; van de monsters bent U de tegenstander; voor zolang de zon schijnt, tot het einde der tijden, breng ik, o aanbiddelijke Heer zo hoog Verheven, U mijn eerbetuigingen.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de Weelde van de Wereld te hebben geprezen wenste de schepper van het universum het, met een drietal keren om Hem heen lopen en zich verbuigen voor Zijn voeten, om terug te keren naar zijn verblijfplaats. (42) De Allerhoogste Heer, die hem die uit Hem was voortgekomen Zijn goedkeuring gaf, bracht toen de kalveren van waar ze zich hadden opgehouden terug naar de oever van de rivier waar, net als voorheen, Zijn vrienden allen aanwezig waren. (43) Hoewel er een jaar was verstreken en zij, zonder de Heer van hun levens, overdekt waren geweest door Krishna's mâyâ, was er voor de jongens slechts een halve seconde verstreken, o Koning. (44) Wat, o wat vergeten personen die in de ban zijn van mâyâ allemaal niet in deze wereld; het daarmee verbijsterd zijn in het bewustzijn zorgt ervoor dat de ganse wereld zichzelf voortdurend kwijt is. (45) De vrienden zeiden tot Krishna: 'Wat ben Jij snel weer terug, we hebben nog geen hap kunnen eten ondertussen, kom alsJeblieft hier en eet netjes Je eten op.' (46) Hen toelachend genoot de Heer der Zinnen toen Zijn maaltijd met de koeherdersjongens die Hij, toen ze vanuit het bos terugkeerden naar huis in Vraja, de huid liet zien van de python Aghâsura [zie 10.12]. (47) Terwijl de jongens luid speelden op de bamboefluit en de hoorn en ze Zijn zegenrijke heerlijkheden bezongen, riep Hij, met Zijn lichaam opgesierd met een pauwenveer en met bloemen en kleuren uit het bos, uit naar de kalveren terwijl Hij met Zijn kameraden de weidegronden betrad [nabij Gokula]; de aanblik vormde voor de gopî's een lust voor het oog. (48) 'Vandaag heeft Hij, de zoon van Yas'odâ en Nanda, ons van de grote slang gered door hem te doden', zo zongen de jongens in Vraja.'

(49) De koning zei: 'Alstublieft, o brahmaan, hoe kon er zo ongehoord veel liefde zijn voor het kind van iemand anders dat Krishna was, zelfs de liefde overtreffend [die de gopa's en gopî's hadden] voor hun eigen kroost?'

(50) S'rî S'uka zei: 'Voor ieder levend wezen is in waarheid, o heerser der mensen, het eigen zelf het meest dierbaar, de liefde voor anderen, de kinderen, de weelde enzovoorts is allemaal daarop gebaseerd. (51) Om die reden o beste der koningen, is de liefde van belichaamde wezens zelfzuchtig en ongelijk aan de liefde voor dat wat tot hen behoort zoals zoons, rijkdom, huizen enzovoorts. (52) Voor die personen die in feite spreken over het lichaam als zijnde henzelf [zie ook ahankâra], o beste der koningen, is het lichaam net zo dierbaar en is zo voorzeker dat wat er mee samenhangt niet zo dierbaar. [zie ook B.G. 2: 71] (53) Als het lichaam [echter] doorgaat voor iets dat men bezit zal het bijgevolg niet zo dierbaar zijn als de ziel, omdat als het oud wordt het verlangen om in leven te blijven onverminderd sterk blijft. (54) Derhalve is voor alle belichaamde wezens [het zelf van] iemands eigen ziel het meest dierbaar, de ziel vormt feitelijk de zin van het bestaan voor heel dit universum aan bewegende en niet bewegende levende wezens. (55) In dezen moet u Krishna zien als de Volkomen Ziel van de levende wezens die, middels Zijn eigen vermogen verschijnend als een menselijk wezen, hier bestaat voor het heil van het ganse universum. (56) Zij die in deze wereld Krishna kennen zoals Hij werkelijk is begrijpen het statische en dynamische als zijnde twee verschillende verschijningsvormen van de Allerhoogste Heer die voor het Volkomen Geheel staat, de essentie waarbuiten er alhier in het geheel niets te vinden is [vergelijk B.G. 7: 26]. (57) De Opperheer vormt voor alle levensvormen voorwaar de reden van bestaan, aan Hem ontlenen ze Hun stabiliteit; is er ook maar iets denkbaar dat buiten Hem om zou bestaan?(58) Voor hen die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusknoppen van de voeten, die als een boot zijn, de voeten die voor zelfs de grootsten de veilige haven vormen van de opperste vroomheid zo befaamd voor het bestrijden van Mura [de demon], zijn die voeten de Allerhoogste Verblijfplaats [Vaikunthha] waar geen enkele van de vormen van ellende wordt aangetroffen en is met hen, met iedere stap genomen, de oceaan van het materiële bestaan [niet meer dan het water in] de hoefafdruk van een kalf. [vergelijk 10.1: 5-7 en 10.2: 30].

(59) Alles waar u naar vroeg wat betreft dat wat de Heer deed op Zijn vijfde jaar en werd uitgedragen op Zijn zesde, heb ik nu voor u beschreven. (60) De persoon die verneemt of zingt over dit spel en vermaak van Heer Murâri die Agha vernietigde, over hoe Hij met Zijn vrienden de maaltijd gebruikte op een open plek in het woud, en over de bovenwereldse [meervoudige Vishnu]-gedaante die Hij aannam met de zelfgeborene die zo uitvoerig is in zijn gebeden, zal het allesomvattende van zijn belangen bereiken [spirituele volmaaktheid]. (61) *4

Voetnoten:

* Gebaseerd op dit vers stelt S'rîla Prabhupâda in de Caitanya-caritâmrita, Âdi-lîlâ, Hoofdstuk Twee, Tekst 30 dat Krishna wordt gezien als de ware bron van alle andere expansies van de Vishnu-gedaanten en andere halfgoden die aan hen ontsproten: 'Heer Krishna is Nârâyana, de vader van Brahmâ, omdat Heer Krishna's volkomen expansie Garbhodakas'âyî Vishnu, na zichzelf te hebben neergelegd in de Garbha Oceaan, Brahmâ schiep uit Zijn eigen lichaam. Mahâ-Vishnu in de causale Oceaan en Kshîrodakas'âyî Vishnu, de Supersoul in ieders hart, zijn ook transcendentale expansies van de Allerhoogste Waarheid."

**  In zijn commentaar op de Vedanta-sûtra, haalt S'rîla Madhvâcârya de volgende uitspraak aan van de Vedische s'ruti mantra's: 'satyam hy evedam vis'vam asrijata'. "Dit universum, geschapen door de Heer, is werkelijk."

***: De 'elf' heeft betrekking op de halfgoden die heersen over de zintuigen van het handelen en de waarneming plus de geest: de Digdevatâ's over het gehoor, de Vayu's over de tastzin, Sûrya over het zien, Varuna over de smaak, de As'vinî-Kumâra's over het ruiken, Agni over de spraak, Indra over de handen, Upendra over de voeten, Mitra over de uitscheiding, de Prajâpati over het voortplantingsorgaan en Candra over de geest. S'iva is de halfgod die heerst over ahankâra, het valse ego.

*4: Er is een laatste vers bij dit hoofdstuk dat identiek is aan dat van hoofdstuk elf: vers 10.11: 59.

Op deze manier brachten ze hun jeugd door in de koeiengemeenschap met verschillende soorten van kinderlijk tijdverdrijf als verstoppertje spelen, dammen bouwen en in de rondte springen alsof ze apen waren.

[vertaald door de leerlingen van Prabhupâda als]: In this way the boys spent their childhood in the land of Vrindâvana playing hide-and-go-seek, building play bridges, jumping about like monkeys and engaging in many other such games.

Waarschijnlijk hoort dit vers, aanwezig in het oorspronkelijke Sanskriet, hier niet thuis en is het abusievelijk overgebracht van hoofdstuk 11 tijdens het met de hand kopiëren door de eeuwen heen.

*5: In this Chapter is Brahmâ just as Krishna called the unborn one or aja; not to get confused is it here translated with 'selfborn', svâyam-bhu, another name for Brahmâ as the one directly born from Nârâyana, while Krishna, contrary to what it seems in His descending in a material form, factually is the never born primeval source [zie ook de voetnoot *** bij het vorige hoofdstuk].

  

Hoofdstuk 15  

Het Doden van Dhenuka de Ezeldemon en Gif in de Rivier

(1) S'rî S'uka zei: 'Op het moment dat ze in Vraja de leeftijd van jonge jongens [van zes tot tien] hadden bereikt, waren de twee, die Vrindâvana allergunstigst maakten met hun voetafdrukken, oud genoeg om koeherders te zijn en werd het hen opgedragen samen met hun vrienden de koeien te hoeden [*]. (2) Temidden van de gopa's die Zijn roem bezongen ging Mâdhava ['de Lieve Heer'], ernaar uitziend om te spelen, het bos binnen dat rijk was aan bloemen en voedsel voor de koeien terwijl Hij Zijn fluit liet weerklinken en Hij met de hulp van Balarâma de dieren voor zich uit dreef. (3) Het bekoorlijke bos was vol van de geluiden van bijen, dieren en vogels, had een meer met water zo helder als dat van de geesten der groten en kende een geur meegevoerd door de wind van honderdbladige lotussen; de aanblik ervan deed de Allerhoogste Heer besluiten daar te gaan spelen. (4) Toen Hij, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid overal om Zich heen de schoonheid zag van de statige bomen die met de toppen van hun takken Zijn voeten beroerden met hun zware last aan vruchten, bloemen en roze knoppen, richtte Hij Zich, bijna lachend van de vreugde, tot Zijn oudere broer. (5) De Allerhoogste Heer zei: 'O Beste der Goden, deze bomen hier, aan Jouw lotusvoeten die aanbeden worden door de onsterfelijken, bieden met hun hoofden buigend offerandes van bloemen en vruchten opdat ze bevrijd mogen raken uit de onwetendheid als gevolg waarvan ze hun geboorte namen als bomen. (6) Ondanks Je schuilen in het bos, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid, laten deze bijen als de meest vertrouwelijke grote wijzen onder Je toegewijden, Jou als hun persoonlijke godheid niet in de steek, o Zondeloze, met het de gehele weg al zingend aanbidden van Jou, het pelgrimsoord voor al de werelden! (7) Deze pauwen, o Aanbiddelijke, dansen van vreugde; deze reeën behagen Je met hun blikken als waren ze de gopî's en de koekoeken bidden een vedisch gebed; ze zijn allemaal gezegend zijnde met een dergelijke heilige aard zo fortuinlijk Jou nu als bewoners van het bos te zien arriveren in hun woonplaats. (8) Gezegend is zo deze aarde, haar grassen en bosschages met het verwerven van de aanraking van Jouw voeten; de bomen en klimplanten beroerd door Jouw vingernagels; de rivieren, bergen, vogels en beesten met de genade van Jouw blikken; en de gopî's in Jouw armen overeenkomstig het verlangen van de Godin van het Geluk.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Heer Krishna op deze manier ingenomen met Vrindâvana in al zijn pracht had er plezier in samen met Zijn metgezellen de dieren te laten grazen aan de rivieroevers beneden aan voet van de berg [de Govardhana]. (10-12) Somtijds, terwijl Zijn metgezellen samen met Balarâma onderweg Zijn faam bezongen, zong Hij mee met de zoemende bijen die blind waren onder de invloed, bootste Hij soms het gekwetter van de gebroken praat van de papegaaien na en deed Hij dan weer het bekoorlijke gekoekoek van een koekoek na; soms imiteerde Hij het geluid van de zwanen en soms danste Hij vermakelijk vlak voor een pauw; met een stem gelijk de wolken [rommelend]; riep Hij nu en dan de dieren die waren afgedwaald bij hun namen en sprak Hij beminnelijk vol genegenheid met de koeien en hun beschermers. (13) Met de andere schepselen, de cakora-vogels, de wulpen, de rotganzen, de veldleeuweriken en de pauwen schreeuwde Hij hen na alsof Hij bang was voor de tijgers en de leeuwen. (14) Soms als Zijn oudere broer moe was van het spelen en Hij de schoot van een gopa als hoofdkussen gebruikte, bracht Hij Hem in eigen persoon verlichting door Zijn voeten te masseren en andere diensten te verlenen. (15) Met elkaar bij de hand vast lachten en prezen ze de koeherdersjongens als ze zo nu en dan dansten, zongen, zich rond bewogen en worstelden. (16) Soms moe van het gestoei lag Hij, Zijn heil zoekend aan de voet van een boom, uitgeput op bedden gemaakt van twijgjes en bladeren, met de schoot van een gopa als kussen. (17) Sommigen van hen, die allen grote zielen waren, massee rden Zijn voeten terwijl anderen, vrij van alle zonden, Hem lieflijk koelte toewuifden met waaiers. (18) Anderen, met hun harten steeds voller van de liefde, hieven een lied aan gepast voor de gelegenheid, o grote Koning, een lied dat geest van de Grote Ziel weerspiegelde.(19) In Zijn optreden Zich voordoend als een koeherder verhulde Hij op deze manier middels Zijn mystiek vermogen de weelde van Zijn persoon en genoot Hij aan wiens delicate voeten de Geluksgodin klaar staat gelijk een dorpeling met de dorpelingen, ongeacht Zijn wapenfeiten als zijnde Heer en Meester.

(20) De gopa S'rîdâmâ, een vriend van Râma en Kes'ava, en anderen als Subala en StokaKrishna zeiden [op een dag] met liefde het volgende: (21) 'Râma, o Râma, o Machtig-gearmde, o Krishna, Vernietiger van de Booswichten, niet ver van hier is er een heel groot bos vol palmbomen [genaamd Tâlavana]. (22) Er valt en ligt daar veel fruit van de bomen, dat echter wordt achtergehouden door Dhenuka, de kwaaierik. (23) Hij, die de gedaante van een ezel heeft aangenomen, omringd door vele metgezellen net zo sterk als hij, is o zo'n machtige duivel, o Râma, o Krishna! (24) Mensen heeft ie gedood, en iedereen is bang er naar toe te gaan, o Doder der Vijanden, en allerlei soorten dieren en zwermen vogels blijven er weg. (25) Er zijn daar geurige vruchten die we tot dusverre nooit hebben kunnen proeven waarvan het zich verspreidend aroma zo sterk is dat je het overal kan opmerken. (26) AlsJeblieft Krishna, geef ze aan ons wiens geesten hunkeren van de geur; het verlangen is zo sterk, o Râma, laten we er op af gaan als Je dat een goed idee lijkt.'

(27) Nadat ze naar deze woorden van hun vrienden hadden geluisterd gingen de twee meesters, die het wensten hun vrienden een plezier te doen, omringd door de gopa's lachend [vergelijk 3.28: 31-33] naar het Tâlavana bos. (28) Balarâma daar aangekomen schudde, Zijn grote kracht aanwendend, als een kwaaie olifant met Zijn twee armen de bomen naar alle kanten zodat de vruchten naar beneden vielen. (29) Toen de ezeldemon de vruchten naar beneden hoorde vallen rende hij er op af met een denderende galop waarvan de aarde en de bomen schudden. (30) Met Hem voor zich trapte hij vliegensvlug met zijn twee achterpoten tegen Balarâma's borst en rende toen rond met het ten beste geven van een akelig ezelgebalk.(31) Het furieuze, schreeuwende beest Hem nogmaals benaderend sloeg kwaad, met zijn achterste naar voren, met zijn twee poten naar Balarâma, o Koning. (32) Hij greep hem echter bij de hoeven, slingerde hem met één hand rond en gooide hem, met het leven uit hem gecentrifugeerd, boven in de top van een palmboom. (33) Met die klap schudde de grote palmboom hevig met zijn grote kruin en brak toen af samen met een andere die ernaast kwam te schudden, die op zijn beurt weer een volgende naar beneden haalde en zo ging dat verder. (34) Balarâma die in Zijn spel met het lijk van de ezel smeet, deed alle bomen elkaar ermee rakend, als door een orkaan bewogen schudden. (35) Dit wapenfeit is in het geheel niet zo verrassend voor de Fortuinlijke omdat Hij daadwerkelijk de Onbegrensde Ene Beheerser van het Universum is. Op Hem berust het lang en breed zoals een stuk stof berust op zijn schering en inslag. (36) Toen, woedend over de dood van hun vriend, wierpen de ezels die Dhenuka's getrouwen waren zich op Krishna en Râma. (37) Maar de een na de ander werden ze, Krishna en Râma aanvallend o Koning, met gemak bij de achterpoten gegrepen en in de palmen gegooid. (38) De aarde die was overdekt met hopen vruchten en de bomen met de levenloze daitya lichamen in hun toppen, bood net zo'n prachtig stralende aanblik als de hemel gesierd met zijn wolken. (39) Horend van die immens grote overwinning lieten de goden en godsbewusten bloemen neerregenen, speelden ze muziek en brachten ze gebeden. (40) Nu dat Dhenuka was gedood konden de mensen, niet langer bang zijnde, eten van de vruchten van de palmbomen en konden de dieren grazen in het woud.

(41) Krishna met Zijn lotusblaadjesogen - over wie het zo gunstig is te vernemen en te zingen -, keerde met Zijn oudere broer terug naar Vraja, verheerlijkt door de gopa's die Hen volgden. (42) De gopî's wiens ogen ernaar dorstten Hem te zien kwamen Hem allemaal samen tegemoet, Hij met het stof nog in Zijn haar dat was opgeworpen door de koeien, met de pauwenveer, de woudbloemen, Zijn charmante blikken en mooie glimlach, de klanken van Zijn fluit en Zijn heerlijkheden bezongen door de gopa's. (43) Toen ze het koeherdersdorp binnenkwamen nam Hij hartelijk de huldeblijken van de dames van Vraja in ontvangst die verlegen, bescheiden en giechelend, als bijen uitkijkend naar de nectar, met geloken blikken het gezicht indronken van Mukunda, Hij die hun bevrijding vormde. En daarmee gaven ze het verdriet op waaronder ze die dag hadden geleden vanwege het feit dat ze van Hem gescheiden waren geweest. (44) Moeder Yas'odâ en Rohinî beantwoordden vol van liefde aan de verlangens van hun twee zoons door ze op gezette tijden de meest uitgelezen offergaven voor te zetten. (45) De vermoeienissen van onderweg verdwenen met een bad en een massage en dergelijke, waarna ze met een fraaie doek om hun middel aangekleed werden opgesierd met hemelse bloemenslingers en geuren. (46) Met de heerlijke spijzen die Hen werden aangeboden aten ze zich vol en aldus in de watten gelegd door hun moeders vielen ze in Vraja gelukkig in hun fijne bedden in slaap.

(47) O Koning, Krishna, de Opperheer aldus bezig in Vrindâvana, ging eens zonder Balarâma in het gezelschap van Zijn vrienden naar de Kâlindi [de Yamunâ, zie ook **]. (48) De koeien die toen samen met de gopa's geplaagd werden door de zinderende zomerzon dronken, gekweld door de dorst, van het rivierwater, maar het was bedorven door vergif. (49-50) Het lot trof hen dat ze enkel door de aanraking met dat vergiftigde water hun bewustzijn verloren, zodat ze allen levenloos aan de waterkant neervielen, o beste der Kuru's. Ze in die toestand ziend wekte Heer Krishna, de Beheerser van alle Meesters van de Yoga, door slechts Zijn blik - welke als een nectarregen is - hen toen weer tot leven die Hem hadden aanvaard als hun meester. (51) Bij bewustzijn, stonden ze weer op van bij het water en raakten ze allen hoogst verbaasd elkaar aankijkend. (52) Ze kwamen tot de conclusie dat ze, van het gif gedronken hebbend en dood neergevallen, o Koning, dankzij de genadevolle blik van Govinda weer tot hun volle kracht waren opgestaan.' 

Voetnoten:

* Het staat vermeld in het Kârttika-mâhâtmya gedeelte van de Padma Purâna:

s'uklâshthamî kârttike tu

smritâ gopâshthamî budhaih

tad-dinâd vâsudevo 'bhûd

gopah pûrvam tu vatsapah

"De achtste maankalenderdag van de heldere twee weken van de maand Kârttika staat bij gezaghebbenden bekend als Gopâshthamî. Vanaf die dag, diende Heer Vâsudeva als koeherder, terwijl Hij voordien de kalveren hoedde."

**: De Kalinda is de naam van de berg waarop de rivier de Yamunâ ontspringt.

   

Hoofdstuk 16  

Krishna Bestraft de Slang Kâliya

(1) S'rî S'uka zei: 'De Zwarte Heer [Krishna], de Almachtige, die het zwarte water zag dat vervuild was door de zwarte slang wilde de zuivering van de rivier en een einde maken aan het serpent.'

(2) De koning zei: 'Hoe onderwierp de Allerhoogste Heer het serpent in de diepe wateren en hoe kon het daar zo vele eeuwen verblijven o geleerde, legt u dat alstublieft uit. (3) O brahmaan, wie kan er genoeg krijgen van het delen van de nectar van de grootmoedige avonturen van Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Heer, die als een koeherdersjongen handelde op eigen gezag.'

(4) S'rî S'uka zei: 'Bij de Kâlindi van Kâliya [de naam van de slang] was er een zeker meer dat kookte van het vuur van zijn vergif; de vogels die er overheen vlogen vielen in het water. (5) In aanraking met de giftige dampen van de golven die werden meegevoerd door de wind stierf al het planten- en dierenleven op de oever. (6) Toen Hij zag hoezeer de rivier vervuild was geraakt door het enorm werkzame, sterke gif, klom Krishna, die was nedergedaald om de slechten te onderwerpen, in een kadamba-boom, sloeg Zich op Zijn armen, trok Zijn gordel strak en sprong in het vergiftigde water. (7) Door de kracht van de val van de Persoon der Essentie stroomde al het water van de slangenpoel, dat kolkte vanwege het gif dat de slang spuwde, over aan alle kanten, zodat haar angstwekkende golven over zo'n honderd booglengten uitvloeiden; het gebeurde werkelijk met een onmetelijke kracht! (8) Mijn beste, toen hij [de slang] het rumoer hoorde dat Hij voortbracht toen Hij al spelend met Zijn machtige armen als een machtige olifant bezig was het water rond te wervelen, ging hij, niet in staat die inbreuk op zijn leefgebied te verdragen, erop af. (9) Terwijl Hij zo onbevreesd aan het spelen was, zo aantrekkelijk in Zijn gele kleding en zo delicaat als een oplichtende witte wolk, met het S'rîvatsa-teken, Zijn glimlachende prachtige gezicht en met Zijn voeten die waren als het binnenste van een lotus, werd Hij door hem kwaadaardig in de borst gebeten en omsloten door zijn kronkels. (10) Hem ziend, onbeweeglijk in de greep van de windingen van de slang, waren Zijn beminde vrienden, de hoeders van de dieren [en allen die daar toevallig nog meer aanwezig waren], volledig van hun stuk en vielen ze, met hun verstand verbijsterd, pijnlijk getroffen, vol van spijt en angst op de grond aangezien ze zichzelf, hun relaties, hun rijkdom, vrouwen en de dingen waar ze aan hechtten allemaal aan Krishna hadden geofferd. (11) De koeien, de stieren en de koekalfjes, schreeuwden, met hun blikken gevestigd op Krishna, het hardop uit, angstig en geschokt als ze waren het uitjammerend in grote nood.

(12) Drie soorten van zeer angstaanjagende, onheilspellende onregelmatigheden deden zich toen voor in Vraja: er vertoonden zich tekenen aan de hemel, op aarde en in de levende wezens die de voorboden waren voor dreigend onheil. (13-15) Voor deze voortekenen geplaatst waren de koeherders die door Nanda werden geleid geplaagd door angst, wetende dat Krishna zonder Balarâma op pad was gegaan om de koeien te hoeden. Zij, niet doordrongen van waar Hij allemaal toe in staat is, konden, overweldigd als ze door die kwade tekenen waren door pijn, verdriet en angst, aan niets anders denken dan aan Hem, hun feitelijke levensadem. Zij allen, de kinderen, de ouderen en de dames, mijn beste, gingen, zich zo ellendig voelend als een koe zonder haar kalf, er bezorgd op uit om Krishna te vinden. (16) Toen Balarâma, de Lieve Opperheer, ze zozeer van streek zag glimlachte Hij liefdevol en zei helemaal niets, geheel op de hoogte als Hij was van de macht van Zijn jongere broer. (17) Zij op zoek naar hun zozeer beminde Krishna volgden het spoor gevormd door de symbolen van de Heer Zijn voetafdrukken dat leidde naar de oever van de Yamunâ. (18) Hier en daar, verspreid tussen andere voetsporen op het koeienpad, de met de lotus, de graanhalm, de olifanten-drijfstok, bliksemschicht en vlag opgesierde voetafdrukken van de meester van hun gemeenschap ziend, haastten ze zich derwaarts, mijn beste. (19) Toen ze Krishna roerloos aantroffen omsloten door de windingen van het slangenlijf, de koeherdersjongens buiten westen met de overgestroomde watermassa's en de dieren er rondom heen het uitschreeuwend, waren ze geheel van streek aan de grootste wanhoop overgeleverd. (20) De gopî's die in hun harten zozeer gehecht waren aan Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Persoonlijkheid, werden bij de herinnering aan Zijn liefdevolle glimlachen, blikken en woorden, nu dat hun lieveling was gegrepen door het serpent, gekweld door het grootste verdriet en ervoeren, verstoken van hun lieveling, al de drie werelden als zijnde één grote leegte [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers zeven]. (21) Zij die samen met de evenzo gekwelde moeder van Krishna hun blik op haar zoon gevestigd hadden, hielden zich flink met het intomen van hun stortvloed aan emoties en brachten ieder afzonderlijk de verhalen in herinnering over de Lieveling van Vraja terwijl ze verstijfd aan de grond genageld naar Krishna's gezicht staarden. (22) Nanda en zijn mannen die Krishna zagen, hun hart en ziel, werden er door de Almachtige Heer Balarâma, die heel goed wist wat de macht van Krishna was, ervan weerhouden het meer in te gaan. (23) Toen Hij, de enige die ze hadden, een tijdje in die positie verkerend, Zijn koeherdersvolkje daar zag staan samen met de vrouwen en kinderen in de grootste wanhoop om Zijnentwille, maakte Hij daarop een einde aan de illusie van Zijn sterfelijkheid en bevrijdde Hij zich uit de omknelling van het serpent. (24) Zichzelf uitzettend werd Hij door het serpent opgegeven dat het toen te verduren kreeg als gevolg van Zijn bovenzinnelijke lichaam; hij hief zijn kragen hoog op in woede, ademde zwaar door zijn neusgaten die als twee vaten vol kokend gif waren en keek, roerloos met zijn ogen als toortsen, de Heer strak in het gelaat. (25) Hij met zijn gespleten tong van links naar rechts tussen zijn lippen en zijn blik zo schrikwekkend vol van giftig vuur ijverig spiedend naar een gelegenheid om aan te vallen, werd door Hem al spelend omkruist, Zich om hem heen bewegend als de koning der vogels [Garuda]. (26) Op deze manier om hem heen draaiend putte Hij hem uit en liet Hij hem zijn hoog geheven schouders voorover buigen; bovenop de brede koppen geklommen, begon Hij als de Oorspronkelijke, de Eerste Geestelijk Leraar van Al de Kunsten, te dansen, waarbij Zijn lotusvoeten in aanraking [met de slang] rood kleurden van de vele juwelen op de koppen. (27) Toen ze in de gaten kregen dat Hij aan het dansen verschenen toen datzelfde moment Zijn dienaren ten tonele: de zangers van de hemel en de vervolmaakte zielen, de wijzen en eerbiedwaardigen met hun echtgenotes die zich allen met het grootste genoegen bij Hem voegden met dubbelzijdige kleitrommen, trommeltjes en grote trommels, liederen, en andere vormen van eerbetoon. (28) Welke van zijn honderd-en-één koppen hij ook maar weigerde voorover te buigen, mijn beste, werd meteen naar beneden getrapt; de Heer, die met Zijn trappende voeten hen straft die kwaadaardig zijn, deed het serpent, nog bewegend maar met zijn levenseinde naderend, een golf van vreselijk [giftig] bloed braken uit zijn monden en neusgaten, zodat hij de ergste smarten onderging. (29) Uit zijn ogen droop het gif en welke brakende kop hij ook maar hevig sissend van de woede hief, werd al dansend met Zijn voet door Hem tot overgave gedwongen, en iedere keer dat zich dat voordeed werd Hij met bloemen vereerd als zijnde de Oorspronkelijke Persoon. (30) Hevig bloed brakend met zijn talrijke kragen gebroken en zijn lijf verslagen door Zijn bijzondere dansen, o heerser der mensen, herinnerde hij zich de oudste persoon, Heer Nârâyana, de geestelijk leraar van alle zich bewegende en niet bewegende levende wezens en wendde hij zich in de geest tot Hem als zijn toevlucht. (31) Ziende dat de slang moe was van de zware last van de hakken van Heer Krishna in wiens onderbuik het ganse universum wordt aangetroffen, en dat zijn paraplu-achtige kragen waren verpletterd door Zijn getrap, benaderden zijn vrouwen, van streek en met hun kleding, sieraden en haarlokken in de war, de Oorspronkelijke Heer. (32) Zij, innerlijk volledig ontdaan toenadering zoekend ter beschutting, legden hun lijven en kinderen neer op de grond voor Hem, de Heer en Toevlucht van Alle Schepselen, en verbogen zich heilig hun handen samenvouwend om de verlossing van hun zondige echtgenoot te bedingen.

(33) De vrouwen van het serpent zeiden: 'Gerecht is feitelijk de straf voor deze persoon die handelde in overtreding; U daalde neder in deze wereld om, met een naar vriend en vijand gelijkgezinde blik, de slechten te onderwerpen en straf uit te delen met het oog op een positief resultaat. (34) Dit afstraffen van de onwaarachtigen waar U ons mee aanpakte is eigenlijk een vorm van genade omdat met het verdrijven van hun kwalijke invloed U, zoals U dat deed met zijn verschijnen als een serpent, zelfs vertoornd van genade bent in het aanvaarden van de belichaamden. (35) Van welke boete naar behoren uitgevoerd moet hij wel niet in zijn voorgaande levens zijn geweest, vrij van trots en denkend aan anderen, religieus of anderszins van mededogen voor al de mensen, waarmee U, het Goede Zelf van alle levende wezens, tevreden bent gesteld? (36) We weten niet wat van hem leidde tot dit resultaat, o Heer van ons; dat het iemand gegeven is het stof van Uw lotusvoeten te mogen beroeren is iets waarvoor de Godin van het Geluk, de beste van alle vrouwen, boetedoeningen heeft gedaan, al haar verlangens een lange tijd voor heeft verzaakt, vasthoudend aan haar gelofte. (37) De hemel noch de heerschappij over allen, niet de hoogste schepper te zijn noch de baas over de wereld, niet de perfecties van de yoga of vrijheid van wedergeboorte wordt door hen verlangd die het gebracht hebben tot het stof van Uw voeten [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (38) Hij, die werd geboren uit onwetendheid en in de ban van de woede verkeerde, heeft bereikt wat voor anderen zo moeilijk te bereiken is; door dat [stof] manifesteert voor hen, die ingekapseld rondwaren in de kringloop van het materieel bestaan, zich alle weelde. (39) Voor U, de Allerhoogste Heer van de Oorspronkelijke Persoon, de Grotere Ziel, de Beschutting voor al het Bestaande en de Hoogste Voorwereldlijke Oorzaak, de Allerhoogste van het Voorbije, onze eerbetuigingen. (40) Voor de Oceaan van Spirituele Kennis en Wijsheid, voor de Absolute Waarheid van een onbegrensd vermogen, jegens Hem vrij van de geaardheden en los van alle verandering van vorm, voor U, de Oorspronkelijke Beweger, ons eerbetoon. (41) Voor de Tijd, voor het Zekere van de Tijd, voor de Getuige van de Indelingen van de Tijd, voor Hem in de gedaante van het Universum, voor Degene die het Allemaal Overziet, voor haar Schepper; voor de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum [ons respectvolle eerbetoon]. (42-43) Van het geschapene van de zinnen, de levensadem, de geest, de intelligentie en het bewustzijn bent U de grond der waarneming, die Uiteindelijke Ziel die met de geaardheden der natuur het verkeerde idee teweegbrengt van het zich foutief identificeren van het ware zelf met wat haar overdekt. Onze eerbetuigingen voor de Onbegrensde Heer zo hoogst subtiel, gevestigd in het centrum, de Alwetende die de verschillende zienswijzen sanctioneert, die Ene macht van het uitdrukken van ideeën en woorden. (44) Ons respect keer op keer voor de basis van alle gezaghebbende bewijsvoering, voor de auteur van de geopenbaarde geschriften, voor de bron van de passages die aanzetten en inperken. (45) We buigen voor Heer Krishna en Heer Râma [Sankarshana], de zoons van Vasudeva, en voor Pradyumna en Aniruddha [zie 4.24: 35-36]; onze eerbetuigingen voor de Meester van de Sâtvata's. (46) Onze heilwensen voor Hem, die de verschillende kwaliteiten laat zien, Zichzelf verhullend middels de geaardheden en [niettemin] door het functioneren van de geaardheden kan worden onderkend; Hij die door Zijn toegewijden wordt gekend als de afzonderlijke getuige tegenover de geaardheden. (47) O Beheerser van de Zinnen, laat er voor U, zo ondoorgrondelijk in Uw spel en vermaak vertoond voor de realisatie van de gehele schepping, ons eerbetoon zijn; voor U, die zo stilletjes tewerk gaat met hen die van de stilte zijn. (48) Jegens Hem, de Kenner der Bestemmingen Hoger en Lager, Hij die Alles Bestiert, onze aanbidding voor U die los staat van het Universum en niettemin het Universum zelf is, Hij die Dat overziet en de Grondoorzaak is van alles. (49) U waarlijk bent de Almachtige Heer der Schepping, Handhaving en Vernietiging van dit universum die, zonder een aanvang met het vermogen van de Tijd met de geaardheden de erbuiten staande gangmaker bent; met Uw blik de afzonderlijke, sluimerende kenmerken opwekkend van ieder van hen [de geaardheden] speelt U Uw spel onberispelijk. (50) De vredigen, de rustelozen en zij die geboren zijn in traagheid zijn erdoor [door de Tijd] Uw materiële manifestaties in de drie werelden; [maar] voor de vredelievenden en de geheiligden alhier die U dierbaar zijn, bent U er, in het verlangen het dharma te handhaven, om ze bescherming te bieden. (51) Voor één keer zou door de meester de overtreding begaan door zijn eigen toegehorige moeten worden getolereerd; U, o Vrede In Eigen Persoon, moet het deze dwaas [onze echtgenoot] die er in mislukte U te begrijpen maar vergeven. (52) O Allerhoogste Heer weest genadig, het serpent loopt op zijn einde; voor ons vrouwen koesteren de geheiligden mededogen, de echtgenoot [aldus] moet het leven worden vergund. (53) AlstUblieft zeg ons, Uw dienstmaagden, wat er zou moeten worden gedaan; door Uw gebod trouw nageleefd zal men gegarandeerd worden bevrijd van alle angst.'

(54) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer, aldus uitvoerig geprezen door de vrouwen van de slang, liet hem toen los wiens koppen waren verslagen door Zijn trappende voeten. (55) Langzaam met moeite zijn zinnen herwinnend en op adem komend sprak Kâliya, zwaar ademend, miserabel en onderdanig tot Krishna. (56) Kâliya zei: 'Wij van geboorte zo gemeen en onwetend zijn, met een voortdurende woede begaan, van een aard die moeilijk te verzaken is voor normale mensen die zich daardoor verlaten op het onware, o meester! (57) Dit universum geschapen door U, o Onderhouder van de geaardheden en de verscheidenheid der schepping, is er, van de schoot en het zaad, in gedaanten en mentaliteiten, persoonlijke geaardheden, verschillende talenten en fysieke vermogens. (58) En wij hier verzeild geraakt, o Opperheer, zijn met door de aard van de serpentensoort begaan met woede; hoe kunnen wij met ons verstand kwijt nu op eigen kracht Uw begoochelende materie opgeven die zo moeilijk los te laten is? (59) Laat er het zekere zijn van dat wat U, vanuit Uw goede zelf als de oorzaak daarin, de Kenner van Alles, de beheerser van het Universum, voor ons zal regelen, of het nu een gunst is of een bestraffing.'

(60) S'rî S'uka zei: 'Aldus de woorden aanhorend sprak toen de Allerhoogste Heer die tewerk ging als een menselijk wezen: 'U, serpent, moet hier niet langer blijven; ga samen met uw getrouwen, uw kinderen en vrouwen rechtstreeks naar de oceaan; gun de menselijke wezens en de koeien het genot van de weelde van de rivier. (61) Ieder sterfelijk wezen dat zich dit gebod van Mij voor u herinnert en het reciteert aan het begin en het einde van de dag, zal niet langer bang voor u zijn. (62) Hij die op de plek van dit spel van Mij zich baadt en met het water de goden en zo tevredenstelt, zal, met het met zijn aanbidding naleven van een vastenperiode, bevrijd raken van alle zonden. (63) Bang voor Garuda verliet u het eiland Ramanaka en zocht u uw heil in deze poel; maar nu dat u door Mijn voeten bent getekend zal hij u niet verslinden.'

(64) De achtenswaardige wijze zei: 'Bevrijd door Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid wiens handelingen zo wonderbaarlijk zijn, o Koning, aanbad de slang samen met zijn vrouwen Hem met genoegen en respect. (65-67) Met de fijnste kleding, strengen bloemen en hoogst kostbare juwelen, alsook met versieringen, hemelse geuren en smeersels en een slinger van lotusbloemen de Heer van het Universum aanbiddend en tevredenstellend, werd het hem door Hij die Garuda in Zijn vaandel heeft toegestaan te vertrekken, tevreden als Hij was over het feit dat Hij werd omlopen en vereerd door hem en zijn vrouwen, kroost en vrienden. Toen hij naar het eiland in zee vertrok raakte op datzelfde moment het nectargelijke water van de Yamunâ bij de gratie van de Opperheer, die voor Zijn spel en vermaak een menselijke gedaante had aangenomen, vrij van vergif.'

 

 Hoofdstuk 17  

De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand.

(1) De koning zei: 'Waarom gaf Kâliya Ramanaka, de verblijfplaats der serpenten, op en wat veroorzaakte de vijandigheid die Garuda voor hem in het bijzonder koesterde?'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'De slangenmensen die hier offers brengen [in Nâgâlaya] werden er in het verleden toe bewogen om maandelijks aan de voet van een boom een offer te brengen voor de serpenten, o machtig gearmde. Ieder van de serpenten gaf naar gelang de maanfase een deel aan Garuda, de grote macht over hen, om bescherming voor henzelf te verkrijgen. (4) Ingebeeld onder de invloed van zijn gif en kracht at Kâliya, de zoon van Kadru, in weerwil van Garuda die offergaven zelf op. (5) Toen hem dat ter ore kwam o Koning, haastte die grote meester en toegewijde van de Allerhoogste Heer zich met grote vaart om Kâliya te doden. (6) Garuda in de aanval stortte zich met grote vaart op hem die gewapend met zijn vergif en geheven met zijn vele kragen breeduit er angstaanjagend uitzag met zijn tongen en verschrikkelijke ogen. De slang beet hem toen met zijn wapens, de giftanden. (7) Hij, de zoon van Kadru, werd, in het afweren van de kleinzoon van Târkshya [zie 6.6: 21-22], de formidabel machtige drager van Madhusûdana die zich vol van woede met grote snelheid bewoog, getroffen door zijn linkervleugel die gloeide als goud. (8) Verslagen door Garuda's vleugel ging Kâliya volkomen ontmoedigd een moeilijk te bereiken meer van de Kâlindi binnen waar Garuda niet zou komen.

(9) Ooit werd het Garuda door Saubhari Muni verboden daar een schepsel van het water, zijn dagelijkse kost, te eten [zie 9.6], maar hongerig als hij was had hij het lef het toch te doen. (10) Toen hij zag hoe de vissen die daar leefden miserabel, hoogst ongelukkig waren omdat de koning der vissen was gedood, zei Saubhari, om de zaken recht te zetten uit mededogen ter verdediging: (11) 'Als Garuda ooit dit meer ingaat om de vissen te eten zal hij ter plekke zijn leven verliezen; zowaar als ik het zeg!' (12) Alleen Kâliya wist dat, geen ander serpent, en zo hield hij zich beducht voor Garuda op die plek op vanwaar hij door Krishna werd verdreven.

(13-14) Op het moment dat de koeherders Heer Krishna op zagen rijzen uit het meer, goddelijk met bloemenslinger, geuren en kleding, gesierd met menig een prachtig juweel en behangen met goud, leefden zij allen weer op in al hun zinnen en omhelsden ze Hem geëmotioneerd vol van vreugde. (15) Toen Yas'odâ, Rohinî en Nanda, de gopî's en de gopa's, o zoon van Kuru, zich herenigden met Krishna, keerden al hun levensfuncties terug en zo gebeurde dat zelfs ook met de uitgedroogde bomen. (16) En Râma die Acyuta, de Onfeilbare, omhelsde, lachte het, bekend met Zijn Almacht, uit van de liefde, trok Hem op Zijn schoot om Hem van alle kanten te bewonderen en genoot zo met de toekijkende koeien, de stieren en de jongste koetjes het hoogste genoegen. (17) De geschoolden en de achtenswaardige persoonlijkheden kwamen allen met hun echtgenotes naar Nanda toe en zeiden: 'Gegrepen door Kâliya is uw zoon nu bij goddelijke beschikking bevrijd. (18) Doe omwille van Krishna's veiligheid schenkingen aan de tweemaal geborenen', en Nanda, blij van geest, o Koning, gaf ze koeien en goud. (19) De kuise Yas'odâ die haar zoon, Hem van het Grote Geluk, was kwijtgeraakt en weer had teruggekregen, trok Hem op haar schoot en liet, Hem knuffelend, een stortvloed van tranen de vrije loop.

(20) Die nacht, o beste van de koningen, bleven de koeien en de mensen van Vraja, verzwakt als ze zich voelden van de dorst, de honger en de vermoeidheid, daar aan de oever van de Kâlindi. (21) Toen, midden in de nacht, laaide door de zomerhitte in het bos van alle kanten een grote brand op die de slapende Vrajasi's insloot en hen begon te verschroeien. (22) De luitjes van Vraja werden toen wakker en in nood verkerend dat ze zouden verbranden zochten ze hun toevlucht bij Krishna, de Heer en Meester, die zich vanuit de macht van Zijn spiritueel vermogen had gemanifesteerd als een menselijk wezen [vergelijk 10.8: 16]. (23) 'Krishna, Krishna, o Grootste van het Geluk; o Râma van een Onbegrensde Macht, dit allerverschrikkelijkste vuur dreigt ons, die Jouw toebehoren, te verslinden! (24) Bescherm alsJeblieft ons, Jouw mensen, Jouw vrienden, tegen dat onoverkomelijke vuur van de Tijd [van de dood], o Meester, we peinzen er niet over om ooit Je Voeten, die alle vrees verdrijven, te verlaten.' (25) Op deze manier met de wanhoop van Zijn volkje geconfronteerd, slokte de Heer van het Universum, de Onbegrensde in het bezit van oneindige vermogens, dat verschrikkelijke vuur op.

 

Hoofdstuk 18  

Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba

(1) S'rî S'uka zei: 'Omringd door Zijn vrolijk geaarde volkje dat Zijn heerlijkheden bezong ging Krishna toen [na de bosbrand] Vraja binnen dat zo prachtig was met zijn kudden koeien. (2) Op die manier vermomd als een koeherder rondspelend in Vraja, brak het seizoen van de zomer aan dat door de levende wezens niet zo prettig gevonden wordt. (3) Desalniettemin toonde Vrindâvana, waar de Allerhoogste Heer Kes'ava tezamen met Râma Zich persoonlijk ophield, de kwaliteiten van de lentetijd. (4) Het voortdurende geraas van de watervallen aldaar overstemde het geluid van de krekels terwijl de groepjes bomen die het gebied fraai opsierden bevochtigd werden door hun waterdamp. (5) Vanaf de golven van de stroompjes, de rivieren en de meren voerden koele briesjes het stuifmeel mee van de kahlâra, kañja en utpala lotussen zodat er, voor de mensen die in het bos leefden, niet de kwellende hitte was van de zon of de bosbranden van het zomerseizoen, maar wel een overdaad aan weelderig goeiend gras. (6) Het water van de zeer diepe rivieren doordrenkte de oevers, hetgeen aan alle kanten zorgde voor modderige zandbanken, waarover de felle zon brandend met zijn giftige stralen niet het vocht en het groen van de aarde kon verdringen. (7) Het bos zeer prachtig vol met bloemen weerklonk van allerhande dieren en zingende vogels, pauwen en bijen en de roepen van de koekoeken en de kraanvogels. (8) Met zin om te spelen ging Krishna, de Allerhoogste Heer, die Zijn fluit liet weerklinken in het gezelschap van Balarâma, de gopa's en de koeien, dat bosgebied binnen. (9) Met verse blaadjes, pauwenveren, bosjes kleine bloemen, bloemenslingers en kleurige steentjes als versieringen waren Krishna, Râma en de gopa's aan het zingen, dansen en rondstoeien. (10) Terwijl Krishna danste, zongen sommigen van hen, speelden er een paar op fluiten, schelletjes en hoorns terwijl anderen de loftrompet staken. (11) Verkleed als het koeherdersvolkje bewezen de halfgoden [zie 10.1: 22] Krishna en Râma de eer in Hun gedaante van koeienbeschermers, precies zoals professionele dansers dat doen als ze een andere danser aanmoedigen, o Koning. (12) Ronddraaiend, springend, gooiend, elkaar op de rug slaand en rondslepend speelden ze en hielden ze soms, als ze worstelden, elkaar bij hun haarlokken vast. (13) Bij tijden als de anderen dansten waren Zij de zangers en bespeelden Zij de instrumenten, zelf van lofprijzing zijnde, o Koning, en zeiden Ze: 'Wat goed, wat goed is dat!' (14) Nu en dan speelden ze met bilvavruchten en dan weer met kumbhavruchten of met handen vol met âmalaka [myrobalaan] vruchten; ze speelden tikkertje [aspris'ya] of blindemannetje [netra-bandha] en dat soort spelletjes en soms deden ze de dieren en vogels na. (15) Dan sprongen ze als kikkers, vertelden ze allerlei grappen en dan weer waren ze aan het schommelen of speelden ze koninkje. (16) De twee op deze manier als gewone mensenkinderen spelend trokken rond door de bossen, de bergen, de rivieren en dalen, de schaduwrijke plekken, meren en perken alom.

(17) Op een dag, toen Râma en Krishna samen met de gopa's de dieren in dat bos aan het hoeden waren, verscheen er daar de demon Pralamba in de gedaante van een gopa met het voornemen Hen te ontvoeren. (18) Hem kennende, aangezien Hij die van het huis Das'ârha stamde de Alwetende Opperheer was, aanvaardde Hij het, erop zinnend hem ter dood te brengen, om vriendjes met hem te zijn. (19) Daarop de gopa's bijeenroepend zei Krishna, Hij die alle spelletjes kent: 'O gopa's, laten we spelen en ons in twee gelijke teams verdelen'. (20) Daartoe riepen de gopa's Râma en Janârdana uit tot hun aanvoerders zodat sommigen bij Krishna's groep hoorden terwijl de anderen zich aansloten bij Râma. (21) Ze gingen over tot verschillende spelletjes hakkepak [harinâkrîdanam] die bekend stonden onder de regel dat de winnaars degenen die verslagen waren mochten beklimmen en dan door hen moesten worden gedragen. (22) Dragend en gedragen wordend hoedden zij onderwijl de koeien en gingen ze, geleid door Krishna, naar een banyanboom genaamd Bhândîraka [*]. (23) Toen Râma's partij met S'rîdâmâ, Vrishabha en anderen de wedstrijd had gewonnen, werd ieder van hen gedragen door Krishna en de leden van Zijn team, o Koning. (24) Verslagen zijnd droeg Krishna, de Allerhoogste Heer, S'rîdâmâ; Vrishabha werd door Bhadrasena gedragen en Pralamba [de Asura] droeg de zoon van Rohinî [Râma]. (25) Krishna voor onverslaanbaar houdend zette die demon nummer één het in grote vaart op een rennen [zijn passagier Râma] wegdragend voorbij de finish waar moest worden afgestapt. (26) Hem hoog optillend verloor de demon zijn gang echter met Hem [opeens] zo zwaar [wordend] als de koning van de aarde en de planeten [de berg Meru]. Daarop nam hij weer zijn oorspronkelijke gedaante aan die was overdekt met gouden sierselen, waardoor hij straalde als een wolk flitsend van de bliksem in het meevoeren van de maan. (27) Toen Hij dat lichaam zich snel door de ruimte zag bewegen met zijn vuurschietende ogen, een gefronst voorhoofd, rijen verschrikkelijke tanden, zijn woeste haar, met de banden om zijn armen, zijn kroon en zijn oorhangers, raakte de Drager van de Ploeg, versteld over de gloed, een beetje beduusd. (28) ZichZelf weer herinnerend, sloeg de onbevreesde Balarâma die Zich wegbewoog van Zijn gezelschap alsof Hij werd ontvoerd, hem boos hard met Zijn vuist op zijn kop, zo hevig als de koning der goden dat zou als hij een berg treft met zijn bliksemschicht. (29) Getroffen spleet ter plekke zijn schedel open en stortte de demon, bloed opgevend uit zijn mond, levenloos ter aarde met een luid geluid dat weerklonk alsof er een berg getroffen werd door Indra's wapen. (30) Toen ze Pralamba gedood zagen door de vanzelfsprekende kracht van Balarâma waren de gopa's zeer verrast en drukten ze zich uit met de woorden 'Goed zo, goed gedaan!' ['sâdhu, sâdhu']. (31) Zegeningen uitsprekend prezen ze Hem die zo verdienstelijk was, als was Hij teruggekeerd uit de dood en sloten ze Hem in hun armen met hun harten overweldigd door liefde. (32) Met de zondige Pralamba gedood bedolven de halfgoden hoogst voldaan Hem met bloemenslingers en brachten ze gebeden onder het uitroepen van 'Bravo, uitstekend!' ' 

Voetnoot:

* S'rîla Sanâtana Gosvâmî haalt de volgende verzen aan van de S'rî Harivams'a (Vishnu-parva 11.18 - 22), waarin de banyan wordt beschreven:

dadars'a vipulodagra-
s'âkhinam s'âkhinâm varam
sthitam dharanyâm meghâbham
nibidam dala-sañcayaih

gaganârdhocchritâkâram
parvatâbhoga-dhârinam
nîla-citrânga-varnais' ca
sevitam bahubhih khagaih

phalaih pravâlais' ca ghanaih
sendracâpa-ghanopamam
bhavanâkâra-vithapam
latâ-pushpa-sumanditam

vis'âla-mûlâvanatam
pâvanâmbhoda-dhârinam
âdhipatyam ivânyeshâm
tasya des'asya s'âkhinâm

kurvânam s'ubha-karmânam
nirâvarsham anâtapam
nyagrodham parvatâgrâbham
bhândîram nâma nâmatah

"Zij zagen die beste van alle bomen, welke vele lange takken had. Met zijn dichte bladerdek, leek het wel een wolk die op de aarde rustte. Daadwerkelijk was hij dermate groot dat hij de halve hemel leek te beslaan. Vele vogels met bekoorlijke blauwe vleugels kwamen daar regelmatig in die grote boom waarvan de vele vruchten en bladeren hem er uit deden zien als een wolk met een regenboog ernaast of als een huis gesierd met klimop en bloemen. Hij reikte met zijn wortels naar beneden en droeg op zijn rug de geheiligde wolken. Die banyanboom was als de Hoogste Heer en Meester van alle andere bomen er in de buurt, daar hij zorg droeg voor de alleszins gunstige functies van het afweren van de regen en de hitte van de zon. Aldus zag de nyagrodha boom die bekend stond als Bhândîra er uit, precies als de top van een berg."  

 

Hoofdstuk 19  

Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand

(1) S'rî S'uka zei: 'Terwijl de gopa's verdiept waren in hun spel, dwaalden hun koeien ver af en gingen ze, in hun eentje grazend, belust op gras het struikgewas in. (2) De geiten, koeien en de buffels die van het ene deel van het bos naar het andere gedeelte gingen belandden in een bamboebos en klaagden toen luid dorstig zijnde van de hitte. (3) De gopa's onder leiding van Krishna en Râma die de dieren nergens zagen hadden er toen spijt van dat ze ze niet in de gaten hadden gehouden en gingen op zoek naar het spoor van de koeien. (4) Allen bang voor het verlies van hun bestaandsmiddel volgden ze de hoefafdrukken van de koeien op het pad aan de hand van de grashalmen die waren omgeknakt door de hoeven en de tanden van de koeien. (5) In het Muñjâ woud vonden ze hun koeien en de andere beesten die de weg kwijt geraakt weer, moe geklaagd van de dorst, waarna ze samen teruggingen. (6) Ze reageerden dolblij toen ze het geluid van hun namen hoorden geroepen door de Allerhoogste Heer die een stem had die zo luid klonk als een rommelende wolk. (7) Toen opeens verscheen van alle kanten een enorme, verschrikkelijke brand die likkend alle bewegende en niet-bewegende levende wezens in het woud bedreigde met een gruwelijke storm van vonken voortgedreven door hun wagenmenner, de wind. (8) De bosbrand die hen van alle kanten overviel maakte dat de gopa's en de koeien, angstig om zich heen kijkend, zich tot Krishna en Zijn kracht Balarâma wendden voor hun toevlucht, zoals ook alle mensen geplaagd door de angst voor de dood de Allerhoogste Persoonlijkheid zoeken: (9) 'Krishna, o Krishna, o Grootste Held, o Râma van een nimmer falende macht, redt ons die van overgave zijn er alsJeblieft van te worden verschroeid door de bosbrand. (10) We kunnen het toch nooit verdienen dat wij, Je vrienden o Krishna, met Jou, de volmaakte kenner van ieders aard, als onze Heer, in de steek worden gelaten als we te lijden hebben?!'

(11) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Hari die de deerniswekkende woorden van Zijn vrienden zo hoorde zei: 'Wees niet bang, doe enkel jullie ogen dicht'. (12) 'Afgesproken', zeiden ze en met hun ogen gesloten verloste de Allerhoogste Heer, de Beheerser van de Yoga, hen van het gevaar door via Zijn mond het verschrikkelijke vuur in Zich op te nemen. (13) Toen ze daarna hun ogen weer open deden stonden ze versteld dat, met henzelf en de koeien gered, ze waren overgebracht naar Bhândîra [de banyan, zie 10.18: 22, naar verluid zestien kilometer verderop]. (14) Getuige van hun verlossing uit het brandende bos tot stand gebracht door de yogamacht van Krishna's innerlijke beheersing van de begoochelende materiële energie, dachten ze van Hem dat Hij een Onsterfelijke Godheid was. (15) Krishna die samen met Râma en de koeien onderweg Zijn fluit liet weerklinken terwijl Hij werd geprezen door de gopa's, keerde die middag laat terug naar het koeherdersdorp. (16) De jonge koeherdersmeisjes raakten in de hoogste staat van vervoering toen ze Govinda weer terugzagen, omdat het voor hen wel duizend eeuwen leek te duren als ze Hem ook maar voor een moment moesten missen.'

 

Hoofdstuk 20

Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana

(1) S'rî S'uka zei: 'De koeherdersjongens beschreven voor de dames [van Gokula] de verbazingwekkende daden van de twee door wiens toedoen ze waren verlost van de bosbrand en Pralamba ter dood was gebracht. (2) De oudere gopa's en gopî's die er eveneens van opkeken toen ze dat hoorden beschouwden het duo Krishna en Râma als boodschappers van God die naar Vraja waren gekomen.

(3) Toen, met bliksemflitsen aan de horizon en rommelende luchten, namen de regens hun aanvang die al de levende wezens het leven schenken. (4) De hemel vol van samengepakte donkere wolken en begeleid door donder en bliksem, was, met haar verstrooide licht, als de geestelijke ziel die zich vertoont met zijn materiële kwaliteiten. (5) Acht maanden lang had de zon met zijn stralen gedronken van de weelde van de aarde in de vorm van het water en nu was de tijd rijp om dat water weer los te laten. (6) Grote wolken oplichtend van de bliksem en voortgestuwd door de woeste winden stortten voorwaar, net zoals personen van genade in deze wereld dat doen, hun begenadiging van al wat leeft uit. (7) Opgedroogd door de hitte herstelde de aarde, besprenkeld door het goddelijke, zich volledig, net zoals het sensueel gemotiveerde lichaam van de boetvaardige zich laaft na het verkrijgen van de vruchten van die praktijk. (8) Door de duisternis kon in het avondschemer de gloeiworm schijnen, maar niet zo de hemellichten, precies zoals in Kali-yuga door de zonden de ketterijen stralen en zeker niet de Veda's. (9) Zou gauw ze het geluid van de regenwolken hoorden lieten de kikkers, die voorheen er stilletjes bijzaten, hun geluiden horen net zoals degenen van Brahmâ hun stem laten klinken na hun ochtendroutines [zie niyama]. (10) De rivieren die waren opgedroogd traden, na eerst onbeduidende stroompjes te zijn, vervolgens buiten hun oevers net zoals dat gebeurt met het lichaam, het eigendom en de middelen van een persoon die beheerst wordt door zijn zinnen. (11) Smaragd van het groen van het pas gegroeide gras, rood van de Indragopa insecten en de paddestoelen een plaats biedend, manifesteerde de aarde zich als een persoon die opeens rijk is geworden. (12) De velden rijk van het graan brachten de boeren vreugde maar maakte anderen spijtig [de dingen niet bij de genade Gods te hebben, anderen] die valselijk trots zijnde niet de wil van God begrijpen. (13) De schepselen van het water en het land, allen nieuw van het water dat weer terug was gekomen, presenteerden zich in aantrekkelijke gedaanten zoals men dat doet als men de Heer dienst verleent. (14) De rivieren turbulent uitmondend in de oceaan gaven golven opgestuwd door de wind, precies zoals de geest voortgedreven door verlangens is met een onvolgroeide yogi die nog vastzit aan de materiële kwaliteiten. (15) De bergen belaagd door wolken die zwaar waren van de regen stonden er onverschrokken bij onder hun aanval, net zoals de geesten van degenen die geplaatst voor moeilijkheden onverschrokken zijn als ze de Heer in het Voorbije zijn toegewijd. (16) De wegen niet langer in gebruik vervaagden overgroeid door gras precies zoals geschreven Teksten die, niet bestudeerd door de brahmanen, uiteenvallen onder de invloed van de tijd. (17) De bliksem in de wolken die de vrienden van de hele wereld zijn, kon, onstandvastig in zijn vriendschap, precies zoals een wellustige vrouw met deugdzame mannen is, niet zijn plaats houden. (18) Toen de [regen-]boog van de grote Indra onbespannen maar duidelijk afgetekend aan de hemel verscheen, was het alsof de Allerhoogste Persoonlijkheid die Vrij is van de Geaardheden was verschenen in het manifeste van de natuur die door de geaardheden wordt bepaald. (19) De maan scheen niet omdat het licht verhuld was door de wolken die wel [daarvan] straalden, precies zoals het levende wezen van binnenuit straalt terwijl zijn luister overdekt wordt door het valse ego. (20) Vanwege de komst van de wolken schreeuwden de pauwen vreugdevol in een feeststemming, precies zoals degenen die geestelijk te lijden hebben zich verheugen en in hun huizen verheugd raken als de toegewijden van Acyuta arriveren. (21) De bomen die door hun voeten heen het water hadden gedronken vertoonden verschillende lichamelijke kenmerken [zoals bloesems, bladeren en twijgen] zoals zich dat ook voordoet als, voorheen uitgemergeld en vermoeid door verzakingen, men zich [eindelijk] mag verheugen in het voorwerp van zijn verlangen. (22) De kraanvogels bleven aan de oevers van de rusteloze meren, mijn beste, ongeveer zoals de burgers zich koortsachtig bezig blijven houden in hun huizen met een geest in beroering. (23) Als Indra zijn regens doet neerkomen breken door het vloedwater de irrigatiedijken precies zoals de valse theorieën van de ketters in Kali-yuga breken met het pad van de Veda's. (24) De wolken voortgedreven door de winden lieten hun nectargelijke water neerstromen over alle levende wezens zoals koningen van tijd tot tijd, aangemoedigd door de brahmanen, dat doen met hun schenkingen in liefdadigheid.

(25) Aldus werd dat allerschitterendste woud met zijn rijpe dadels en jambuvruchten waaromheen de koeien en de jongens samendromden, betreden door de Heer en Balarâma met de bedoeling daar te gaan spelen. (26) De koeien, vanwege hun zo heel erg zware uiers zich langzaam voortbewegend, kwamen rap aangezet op het roepen van de Heer, met hun uiers nat geworden van hun liefde. (27) Soms als het regende ging de Allerhoogste Heer een holle boom of een grot binnen en genoot Hij etend van wortels en vruchten. (28) Hij keek naar de vreugdevolle meisjes die leefden in het bos met de van zoet sap druipende bomen en de watervallen van de berg die weergalmden in grotten daar in de buurt. (29) Tezamen met de jongens de maaltijd delend op een steen bij het water at Hij in het gezelschap van Sankarshana van de meegenomen yoghurtrijst. (30-31) Op een grasperk zaten de stieren, herkauwend met hun ogen dicht, met de kalveren en de koeien moe van het gewicht van hun melkbuidels. De rijkdom te zien van het regenseizoen, dat zich vanuit Zijn inwendige vermogen had geëxpandeerd, schonk de Allerhoogste Heer plezier en deed Hem Zijn respect betuigen.

(32) Met Râma en Kes'ava zich getweeën op deze manier ophoudend in Vraja brak het herfstseizoen aan in zijn volle glorie, met een wolkenloze hemel, het helderste water en een zachte bries. (33) In het najaar kwamen de lotussen weer tot leven en hervonden de wateren naar hun oorspronkelijke staat [van zuiverheid], zoals de geesten der gevallenen zich herstellen met de praktijk van de toegewijde dienst. (34) Net zoals het toegewijd dienen van Heer Krishna alle statusgroepen [âs'ramas] vrijmaakt van alle ongunstige zaken, verdreef het herfstseizoen de vertroebeling van het water, de modderige staat van de aarde, het opeengepakt zijn van de dieren [in hun stallen] en de wolken in de hemel. (35) De wolken die alles gegeven hadden wat ze hadden straalden het uit met een gloed zuiver als die van de wijzen die, met het opgegeven hebben van alle verlangens, bevrijd van alle neigingen tot vrede zijn gekomen. (36) Dan weer gaven de bergen hun zuivere water vrij en dan weer deden ze dat niet, precies zoals de nectar van de geestelijke kennis enkel bij tijden wordt vergund door de jñâni's [de spirituele filosofen]. (37) Zij die zich bewogen in het ondiepe water [de vissen] konden het niet waarderen dat het water steeds minder werd [na de regens], precies zoals dwaze mensen in gezinsverband geen waardering kunnen opbrengen voor het dag na dag afnemen van hun tijd van leven. (38) Zij, zich bewegend in het ondiepe water, hadden het als gevolg van de herfstzon zwaar te verduren zoals een berooid man zich miserabel voelt als hij met zijn zinnen niet onder controle in beslag genomen wordt door het gezinsleven. (39) Geleidelijk aan moest het land zijn modder prijsgeven en moesten de planten hun onrijpe staat achter zich laten zoals zij die nuchter zijn het egotisme en de bezitsdrang eraan moeten geven van het gebrand zijn op het niet-spirituele van het materiële lichaam en alles wat erbij hoort. (40) De wateren werden roerloos zoals ook de oceaan tot rust kwam met het aanbreken van het najaar, precies zoals met het zelf dat afziet, van een wijze van volledige verzaking, het heilige werk eraan wordt gegeven [zie ook avadhûta en 7.13]. (41) Met stevige irrigatiedijken damden de boeren het water van de rijstvelden in precies zoals yogi's dat doen in als ze de stroom van het bewustzijn stoppen die naar buiten reikt door de zintuigen. (42) Het lijden van alle schepselen als gevolg van de stralen van de najaarszon werd weggenomen door de maan zoals ook het lijden, gebaseerd op het zich valselijk identificeren met het lichaam of met [het missen van] Mukunda - zoals de dames van Vraja doen -, wordt verdreven door de wijsheid. (43) De wolkenloze lucht in de herfst straalde schitterend helder vol van sterren precies zoals de geest begaan met goedheid dat doet in de directe ervaring van de strekking van de Veda's. (44) De maan en de sterren straalden helder ongebroken in het hemelgewelf gelijk de meester der Yadu's, Krishna, dat deed op aarde omringd door de kring der Vrishni's [zie stamboom]. (45) De wind te koesteren die niet te koud en niet te warm woei uit het woud vol van bloemen, deed de mensen de ontberingen vergeten, maar niet de gopî's wiens harten waren gestolen door Krishna. (46) De koeien, de reeën, de vogelwijfjes en de vrouwen vonden hun vruchtbaarheid in de herfst, net zoals de daden in dienst van de Allerhoogste Heer worden gevolgd door hun trouwe maten de goede resultaten. (47) O Koning, de lotussen bloeiden overal met het rijzen van de zon met uitzondering van de 's nachts bloeiende kumut-lotus, net zo goed als de bevolking, met uitzondering van de dieven, tot bloei komt als ze niet bang zijn voor een [rechtgeaarde] koning. (48) In de steden en dorpen straalde de aarde met oogstrituelen en andere wereldse feesten en grote vieringen, rijp als ze was met haar granen, als een expansie van Hem gezegend zijnd met de twee [van Krishna en Balarâma] die zo helemaal de Allerhoogste Heer waren. (49) Zoals de vervolmaakten hun levensonderhoud vinden [of verlangde gedaante] als de tijd er rijp voor is, konden de kooplieden, de verzakers, de koningen en de geïnitieerden, [die voorheen waren] tegengehouden door de regens, [nu] eropuit om hun doelen te bereiken.'

 

Hoofdstuk 21

De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit

(1) S'rî S'uka zei: 'Alzo betrad Acyuta met de koeien en de gopa's die plaats koel gehouden door de briesjes die zoet geurden van de lotussen die volop aanwezig waren in de meren waarvan het water helder was door het najaarsseizoen. (2) Terwijl Hij, langs de meren, rivieren en door de heuvels trekkend, de dieren aan het hoeden was in het gezelschap van Balarâma en de koeherdersjongens, bespeelde de Lieve Heer Zijn fluit die Hij liet meeklinken met de doldwaze bijen en de groepjes vogels. (3) Van de dames van Vraja die het lied van de fluit hoorden dat de bloei [van het hele bestaan] in gedachten bracht, onthulden sommigen in vertrouwen hun hartsvriendinnen wat ze van Krishna dachten. (4) Toen ze met die beschrijving begonnen waren ze, met de herinnering aan al wat Krishna deed opgewonden rakend in staat van vervoering, niet langer bij machte daarmee door te gaan, o heerser der mensen. (5) Met een pauwenveer op Zijn hoofd, met het lichaam van de beste der dansers, een blauwe karnikâra lotus achter Zijn oren, goudgeel gekleurde kledingstukken en met de Vaijayantî slinger om ['van de victorie' met bloemen in vijf verschillende kleuren], vulde Hij de gaten van Zijn fluit met de nectar van Zijn lippen toen Hij het Vrindâvana-woud dat zo betoverend was door Zijn voetafdrukken binnenging onder het bezingen van Zijn heerlijkheden door de groep koeherders. (6) O Koning, met het horen van het geluid van de fluit dat de geest van alle levende wezens vervoerde, omhelsden, terwijl ze Hem beschreven, al de vrouwen van Vraja elkaar.

(7) De gopî's zeiden: 'O vriendinnen, voor ons die ogen hebben is dit het hoogste wat men bereiken kan: de liefdevolle blikken in te mogen drinken die afstralen van de gezichten van de twee zoons van de koning van Vraja terwijl Ze spelen op Hun fluiten en samen met Hun kameraden de koeien van het ene naar het andere bos drijven. (8) Met de mangospruiten, pauwenveren, slingers van bloemknoppen, lotussen en lelies in combinatie met de kleurrijke kleding waarmee Ze Zich uitdossen, komen de twee schitterend tot hun recht temidden van de koeherdersjongens, nu en dan zingend als waren ze twee ervaren dansers op een podium. (9) O gopî's, hoe verdienstelijk moeten de daden wel niet zijn geweest van deze fluit van Krishna om enkel voor zichzelf te mogen genieten van de smaak achtergelaten door de nectar van de lippen die de gopî's toebehoren? Zijn voorvaderen de bamboebomen plengen tranen van vreugde net zoals de rivier [waar ze groeiden] met haar begroeiing vol van vreugde is [honingtranen afscheidend via haar lotussen]. (10) Vrindâvana, o vriendinnen, voegt toe aan de glorie van de aarde omdat ze de schat mocht verwelkomen van de lotusvoeten van de zoon van Devakî. Daarbij maakt het geluid van Govinda's fluit de pauwen gek over wiens dansen alle andere schepselen versteld staan die neerkijken vanaf de berghellingen. (11) Hoe gelukkig die reeën die, hoe onwetend ze ook geboren zijn, met het horen van het geluid van de fluit van de zo fraai uitgedoste zoon van Nanda, met hun liefdevolle blikken van aanbidding waren in het gezelschap van hun zwarte echtgenoten. (12) Voor al de vrouwen is het een feest om naar Krishna te kijken met Zijn schoonheid en karakter en om het heldere geluid van Zijn fluit te horen. Van de vrouwen van de goden der hemel rondvliegend in hun hemelse voertuigen glijden, van streek en verbijsterd als ze zijn met Hem in gedachten, de bloemen die ze in hun haar vlochten eruit en raken hun gordels los. (13) De koeien zetten hun oren recht overeind om in die vaten de nectar op te vangen van de geluiden voortgebracht door Krishna met Zijn mond aan de fluit. De kalveren, met monden vol van de melk vloeiend uit de uiers, staan er stil bij met in hun ogen en geesten Govinda die hen raakt en hun ogen vult met tranen. (14) O moeders, voorzeker zijn de vogels in het woud [als] grote wijzen daar aanwezig om Krishna te zien. Omhoog gevlogen naar de takken van de bomen zo rijk met hun weelde aan klimplanten en twijgen, luisteren ze met hun ogen dicht naar de lieflijke klanken van de fluit die de rest het zwijgen oplegt. (15) De [dames, de] rivieren als ze het lied van Krishna opvangen, lopen vanwege hun geesten vol van liefde uit op draaikolken met hun stroming onderbroken. In de omhelzing met hun armen van golven grijpen ze en houden ze vast de twee voeten van Murâri die ze offergaven brengen van lotusbloemen. (16) Met het zicht op Hem in de hitte van de zon de hele tijd spelend op Zijn fluit terwijl Hij samen met Râma en de gopa's de dieren van Vraja hoedt, breidde zich uit vriendschappelijke liefde zich hoog een wolk uit om van zijn lichaam een parasol te maken met grote aantallen [koele druppeltjes die naar beneden kwamen als] bloemen. (17) De vrouwen van de Pulindya-stam [de oorspronkelijke bewoners van Vraja] zijn geheel bevredigd met de lotusvoeten van de Heer Verheerlijkt door de Groten, als zij, met het zien van het roodkleurige, op het gras achtergebleven kunkumapoeder dat voorheen de borsten van Zijn vriendinnetjes sierde, gepijnigd bij die gedachte, in de gelegenheid verkeren die pijn te boven te komen door het poeder op hun borsten en gezichten te wrijven. (18) En oh, deze heuvel [Govardhana], o vriendinnen, is de Heer Zijn beste dienaar omdat hij, beroerd door de lotusvoeten van Krishna en Râma, dolgelukkig van respect is met offergaven van drinkwater, mals gras en eetbare wortels voor de koeien, de kalveren en de koeherders. (19) Wonderbaarlijk genoeg zijn, met het in alle vrijheid samen met de koeherdersjongens begeleiden van de koeien naar iedere plek in het woud, door de trillingen van de zoete tonen van de fluit, o vriendinnen, de levende wezens die kunnen bewegen roerloos en zijn de anders zo onbeweeglijke bomen bewogen tot extase door Hen beiden, Zij die te herkennen zijn aan de touwen [*] die ze hebben voor het samenbinden van de achterpoten van de koeien.'

(20) Op deze wijze voor elkaar een beeld schetsend van het tijdverdrijf van de Allerhoogste Heer rondtrekkend in Vrindâvana, raakten de gopî's geheel in Hem verzonken.'

Voetnoot:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura verklaart dat die touwen van Krishna en Balarâma gemaakt zijn van gele stof met groepjes parels aan beide uiteinden. Soms dragen ze deze touwen om Hun tulbanden, en worden die touwen zo prachtige versieringen.

**: De paramparâ verduidelijkt: 'Vasudeva en Nanda Mahârâja waren dermate nauw verbonden dat ze leefden als broers. Verder, leren we van de notities van S'rîpâda Madhvâcârya dat Vasudeva en Nanda Mahârâja stiefbroers waren. Vasudeva 's vader, S'ûrasena, trouwde met een vais'ya meisje, en uit haar nam Nanda Mahârâja zijn geboorte. Later, trouwde Nanda Mahârâja zelf met een vais'ya meisje, Yas'odâ. Daarom wordt deze familie gerespecteert als een vais'ya familie, en nam Krishna, Zich identificerend als hun zoon, de zorg op zich voor vais'ya zaken (krishi-go-rakshya-vânijyam, B.G. 18: 44)'.    

 

Hoofdstuk 22

Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

(1)  S'rî S'uka zei: 'Tijdens de eerste maand van het winterseizoen [hemanta: nov./jan.] namen de ongetrouwde meisjes van Nanda's Vraja, zich voedend met ongekruide khichrî [een mengsel van rijst en linzen], een gelofte in acht in aanbidding van Kâtyâyanî. (2-3) Met het ochtendgloren een bad nemend in het water van de Yamunâ maakten ze van klei een beeltenis van de godin om, weelderig doch eenvoudig, van aanbidding te zijn, o heerser der mensen, met sandelhoutpasta, geurige bloemenslingers, giften [van voedsel, kleding, etc.], wierook en lampen en met offergaven van verse bladeren, vruchten en betelnoten. (4) De jonge meisjes waren van aanbidding met het chanten van een mantra met de woorden: 'O Kâtyâyanî, voor u onze eerbetuigingen, o grote macht, grootste van alle yoginî's, o allerhoogste beheersing, alstublieft maak de zoon van Nanda de gopa mijn echtgenoot!' [*] (5) Op deze manier brachten de meisjes voor de duur van een maand hun gelofte in de praktijk voor Bhadrakâlî van gepast eerbetoon zijnde met 'Moge Hij, Nanda's zoon mijn man worden'. (6) Iedere dag, bij zonsopkomst elkaar erbij roepend, hielden ze elkaars handen vast en gingen ze luidkeels zingend ter ere van Krishna naar de Kâlindî om te baden. (7) Op een dag al zingend over Krishna daar bij de rivier aangekomen lieten ze zoals gebruikelijk op de oever hun kleren achter en vermaakten ze zich spelend in het water.

(8) Krishna, de Allerhoogste Heer, als de Meester van alle Meesters van de yoga bekend met wat ze van zins waren, ging omringd door Zijn metgezellen erheen om de meisjes te verzekeren van het resultaat van hun handelen. (9) Hun kleren wegkapend klom Hij snel in een kadamba-boom lachend samen met de jongens lol trappend door te zeggen: (10) 'Kom dan hier meisjes, en wees zo lief ieder van jullie naar wens je eigen kledingstuk uit te zoeken; het is geen grap, Ik meen het serieus, daar jullie vast uitgeput zijn van de verzaking. (11) Het staat vast dat Ik nog nooit ook maar iets onwaars beweerd heb, dat weten al deze jongens; derhalve, o slanke meisjes, wees er zeker van jullie keuze te maken, dan wel een voor een dan wel allemaal samen.'

(12) Met die streek van Hem zag Hij hoe de gopî's, vol van liefde voor Hem, elkaar aankijkend moesten lachen, maar in verlegenheid gebracht kwamen ze niet uit het water. (13) Govinda aldus het woord voerend had met Zijn grappenmakerij de geesten in Zijn greep gekregen van hen die, tot hun nek bibberend in het koude water, tot Hem zeiden: (14) 'O Jij, wees nou eerlijk, gedraag Je nu als degene die Je ook kan zijn, als de beminde zoon van gopa Nanda die we kennen, o liefste, als hij die beroemd is in heel Vraja; overhandig ons alsJeblieft onze kleren, we hebben het koud. (15) O S'yâmasundara ['mooie donkerhuidige'] wij, Jouw dienstmaagden zullen doen wat Je ons maar zegt, geef ons alsJeblieft onze kleren terug, o Kenner van het Dharma, of anders wacht Je, dan zeggen we het tegen de koning!'

(16) De Allerhoogste Heer zei: 'Als jullie Mijn dienaren zijn moeten jullie dan niet doen wat Ik je zeg en met jullie onschuldige glimlachen uit het water komen om je kleren uit te zoeken; zo niet dan krijg je ze niet, en met de koning er boos over, wat kan hij er aan doen?' (17) Toen kwamen al de meisjes, geplaagd door de koude, rillend tevoorschijn uit het water, hun schaamstreek bedekkend met hun handen. (18) De Allerhoogste Heer die ze verslagen zag legde tevreden over de zuiverheid van hun liefde hun kledingstukken over Zijn schouder en zei met een liefdevolle glimlach: (19) 'Omdat jullie, met het uitvoeren van een vedisch offer, naakt in het water aan het baden waren, hebben jullie een overtreding begaan jegens Varuna en de andere goden; om die zonde ongedaan te maken moeten jullie je eerbetuigingen brengen met jullie handen samengevouwen boven jullie hoofden en dan je kleren weer terugpakken.'

(20) Met wat de Onfeilbare Heer hen zo uitduidde beschouwden de meisjes van Vraja hun naaktzwemmen als een val van hun gelofte en voornemens met succes die gelofte, alsook een oneindig aantal soortgelijke vrome activiteiten te volbrengen, boden ze het rechtstreeks voor hen zichtbare resultaat in de gedaante van de Zuiveraar van Alle Zonden hun eerbetuigingen. (21) De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, er tevreden over dat ze zich verbogen gaf, vol van mededogen op die daad, hen toen de kledingstukken terug. (22) Ondanks het feit dat ze met hun kleren weggestolen behoorlijk bij de neus waren genomen, in hun schaamte ontkend waren, waren uitgelachen en waren gemanipuleerd alsof ze marionetten waren, koesterden ze, er blij mee in het gezelschap te verkeren van hun geliefde, niettemin geen vijandigheid jegens Hem. (23) Toen ze hun kleren weer aanhadden waren ze, verrukt over de omgang met hun geliefde, met hun geesten op hol er werkelijk niet toe in staat zich te bewegen en wierpen ze Hem uiterst verlegen hun blikken toe. (24) Van hen begrijpend dat ze er vast toe besloten waren de gelofte na te leven met het verlangen de Allerhoogste Heer Zijn voeten te beroeren, sprak Dâmodara tot de meisjes: (25) 'O vrome zielen, met begrip voor jullie motief Me te aanbidden keur Ik dat goed als zijnde waarachtig en moet het zo zijn gevolg hebben. (26) Van hen wiens bewustzijn ten volle in beslag wordt genomen door Mij zal het verlangen niet leiden tot materiële lust, zoals geroosterd en gekookt graan ook niet in staat is tot nieuw leven uit te groeien [zie ook b.v. 1.6: 35, 3.15: 20, 7.7: 51-52]. (27) Ga nu, beste meisjes, naar Vraja; met het gerealiseerd hebben van jullie verlangen, zullen jullie samen met Mij één dezer nachten genieten op een manier die zuiver zal zijn, jullie leverden immers het bewijs van deze gelofte door het volbrengen van jullie eerbetoon voor de godin.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Aldus geïnstrueerd door de Allerhoogste Heer mediteerden de jonge meisjes, met hun verlangens in vervulling gegaan, op Zijn lotusvoeten terwijl ze met moeite weer teruggingen naar het koeherdersdorp. (29) Enige tijd daarna begaf de zoon van Devakî temidden van de gopa's zich een eind buiten Vrindâvana om de koeien te hoeden samen met Zijn broer. (30) Met de zon zinderend heet van het seizoen kijkend naar de bomen die Hem met hun schaduw als parasol van dienst waren, zei Hij tot de jongens: (31-32) 'O Stoka Krishna en Ams'u; o S'rîdâma, Subala en Arjuna; o Vis'âla, Vrishabha en Ojasvî; o Devaprastha en Varûthapa, zie toch eens dezen hier zo fortuinlijk wiens leven er enkel uit bestaat er voor het hogere doel te zijn van het afweren van de regen, de wind, de hitte en de sneeuw die ze voor ons verdragen. (33) O hoe verheven de geboorte van deze bomen die, zoals grote zielen dat doen, alle levende wezens ondersteuning verlenen; zeker zal niemand die ze nodig heeft ooit teleurgesteld bij hen vandaan komen. (34) Met hun bladeren, bloesems en vruchten; schaduw en wortels, bast en hout; met hun geur, hun sap en as, pulp en spruiten vervullen ze al je verlangens. (35) Het is aan ieder levend wezen deze volmaaktheid van geboren zijn na te leven in deze wereld: namelijk om met je leven, je welvaart, intelligentie en woorden jegens ieder levend wezen steeds van het allerhoogste te zijn in je plichtsbetrachting.'

(36) Van tussen de bomen die voorover bogen met hun overvloed aan bladeren, trossen vruchten, bloesems en twijgen, kwam Hij op deze manier sprekend aan bij de Yamunâ. (37) Aldaar drenkten de gopa's de koeien in het heldere, frisse en koele, heilzame water, o heerser, en dronken ze zichzelf ook vol met het zoet smakende nat. (38) In een bosje langs de Yamunâ waar ze de dieren los lieten lopen, o heerser der mensen, zeiden ze, gekweld door de honger Râma en Krishna benaderend, dit:'

Voetnoot:

 * het onderscheid tussen het inwendige van yogamâyâ en het uitwendige, of illusoire, vermogen van de Heer van mahâ-mâyâ wordt beschreven in de Nârada-pañcarâtra, in het gesprek tussen S'ruti en Vidyâ:

jânâty ekâparâ kântam
saivâ durgâ tad-âtmikâ
yâ parâ paramâ s'aktir
mahâ-vishnu-svarûpinî

yasyâ vijñâna-mâtrena
parânâm paramâtmanah
mahûrtâd deva-devasya
prâptir bhavati nânyathâ

ekeyam prema-sarvasva
svabhâvâ gokules'varî
anayâ su-labho jñeya
âdi-devo 'khiles'varah

asyâ âvârika-s'aktir
mahâ-mâyâkhiles'varî
yayâ mugdam jagat sarvam
sarve dehâbhimâninah

"De Heer Zijn lagere vermogen, dat bekend staat als Durgâ, is Zijn liefdevolle dienst toegewijd. Het vermogen van de Heer zijnde, verschilt deze lagere energie niet van Hem. Er is een andere hogere energie, waarvan de vorm zich op hetzelfde spirituele niveau bevindt als dat van God zelve. Eenvoudig door wetenschappelijk deze hogere energie te begrijpen, kan men onmiddellijk de Allerhoogste Ziel aller zielen bereiken, die de Heer aller heren is. Er bestaat geen ander proces om Hem te bereiken. Dat allerhoogste vermogen van de Heer staat bekend als Gokules'varî, de godin van Gokula. Het ligt in haar aard volledig verzonken te zijn in liefde voor God, en door Haar kan met gemak de voorwereldlijke God, de Heer van al wat er is worden bereikt. Dit inwendig vermogen van de Heer heeft een overdekkend vermogen, bekend als Mahâ-mâyâ, dat de materiële wereld bestiert. In feite begoochelt ze het ganse universum, en dus identificeert iedereen in dat universum zich valselijk met het materiële lichaam." Zie ook 8.12: 40 voor Durgâ.

 

Hoofdstuk 23

De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend

(1) De gopa's zeiden: 'Râma, o Râma, o machtig-gearmde, o Krishna, vernietiger van de kwaadwilligen, we hebben last van honger, er moet iets aan gedaan worden.'

(2) S'rî S'uka zei: 'Aldus door de gopa's op de hoogte gesteld sprak de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, met de wens om een aantal brahmanenvrouwen die Hem toegewijd waren tevreden te stellen, het volgende: (3) 'Ga, als je dat wilt, naar het offerperk van de brahmanen die, met het oog op een plaatsje in de hemel, overeenkomstig de vedische voorschriften momenteel bezig zijn met het uitvoeren van een offerplechtigheid genaamd Ângirasa. (4) Als jullie daar naar toe gaan, beste gopa's, vraag dan om voedsel en zeg ze dat jullie zijn gestuurd door de Allerhoogste Heer Mijn oudste broer alsook in Mijn naam.'

(5) Met deze opdracht van de Allerhoogste Heer daar, zoals hen was gezegd, naar toe gegaan, wiepen ze, verzoekend met gevouwen handen als een stok plat op de grond neer voor de brahmanen: (6) 'O aardse goden, al het goede U toegewenst, luister alstUblieft, wij, gezonden door Râma, zo moet u begrijpen, zijn hier naartoe gekomen gehoorgevend aan een opdracht van Krishna. (7) Râma en Acyuta weiden Hun koeien niet ver van hier en vragen door de honger geplaagd u om Hen van voedsel te voorzien, o tweemaal geborenen; dus, als u van enig geloof bent, doe dan een schenking, o fijnste kenners der religie. (8) Van het begin van een offerande tot aan het eind van het offeren van het dier, o getrouwen der waarheid, is het, behalve wanneer er sprake is van een [Sautrâmani-]offer voor Indra [*], zelfs niet voor een ingewijde een overtreding om van voedsel te genieten [of het uit te delen].'

(9) Aldus op de hoogte van de Allerhoogste Heer Zijn verzoek gingen ze er niettemin niet op in. Oppervlakkig druk in de weer met hun rituele bezigheden dachten ze dat ze het beter wisten. (10-11) Hoewel plaats en tijd, de artikelen gebruikt, de lofzangen, de rituelen, de priesters en het vuur, de godbewusten die voorgingen, de uitvoerder van de offerande, de uitvoering en het resultaat van dharma allen het rechtstreeks zichtbare uitmaken van de Absolute Waarheid van Hem, de Allerhoogste Heer voorbij de zinnen, beschouwden ze Hem in hun geleende intelligentie als een gewoon iemand. (12) Met hen nog niet eens een ja of nee laten horend, keerden de gopa's aldus ontmoedigd, o bestraffer der vijanden, terug om Krishna en Râma erover te vertellen. (13) Toen ze dat hoorden moest de Allerhoogste Heer, de Beheerser van het Universum, lachen en richtte Hij zich wederom tot de koeherdersjongens om hen te laten zien hoe het er aantoe gaat in de wereld: (14) 'Meld hun echtgenotes maar dat Ik tezamen met Sankarshana ben aangekomen; zij zullen jullie al het verlangde voedsel verschaffen, omdat zij met hun intelligentie steeds op Mij gericht vol van liefde zijn voor Mij.'

(15) Toen ze vervolgens naar het huis gingen van de echtgenotes verbogen de gopa's zich voor die kuise vrouwen van de tweemaal geborenen die ze daar fraai met sieraden omhangen bijeen zagen zitten, en zeiden ze nederig: (16) 'Weest gegroet, o echtgenotes van de geschoolden, luister alstublieft naar onze woorden: niet ver van hier trekken we rond met Krishna die ons hier naartoe gestuurd heeft. (17) De koeien hoedend met de gopa's en met Râma is Hij van verre gekomen; Hij die met Zijn metgezellen rammelen van de honger zouden wat te eten moeten krijgen'.

(18) Toen ze hoorden dat Krishna in de buurt was die zij, met hun geesten bekoord door de verhalen over Hem, altijd graag wilden zien, gaf dat een hoop opwinding. (19) Als rivieren die naar de oceaan stromen werden de vier soorten [kauwbare, zuigbare, likbare en drinkbare] etenswaren in de vorm van allerlei smakelijke gerechten bijeen gebracht en in potten en pannen naar hun aller beminde vervoerd. (20-21) Hoewel hun echtgenoten, broers, zoons en andere verwanten ze probeerden tegen te houden, richtten ze zich, nu ze al zo lang over Hem gehoord en naar Hem verlangd hadden, tot de Allerhoogste Heer Geprezen in de Geschriften. De dames troffen Hem aan rondtrekkend met de gopa's en Zijn oudere broer in een stukje bos met bloeiende as'oka's nabij de Yamunâ. (22) Met Zijn donkere huidskleur, gouden kledingstuk, slinger van woudbloemen, pauwenveer, kleurige steentjes en bloesemtakken, stond Hij, aangekleed als een danser op een podium, met Zijn hand over de schouder van een vriend en met de andere zwaaiend met een lotus, daar te glimlachen met Zijn lotusgezicht, Zijn haar langs Zijn gezicht en de lelies achter Zijn oren. (23) Keer op keer gehoord hebbend over de heerlijkheden van hun teerbeminde, het sieraad voor hun oren waarin hun geesten waren verzonken, omhelsden ze Hem, die nu binnen hun gezichtsveld was gekomen, voor een lange tijd en gaven ze hun innerlijke smart op, o vorst der mensen, die het resultaat was van het feit dat ze zich met hun lichaam identificeerden. (24) Als degene die het overzicht heeft over de gezichtspunten van alle schepselen richtte Hij met een glimlach op Zijn gezicht het woord tot hen, begrijpend dat daar aangekomen om Hem persoonlijk te ontmoeten ze in die staat gebroken hadden met alle wereldse verwachtingen. (25) 'Ik heet jullie allen van harte welkom, alsjeblieft neem plaats, wat kan Ik voor jullie betekenen; wat goed van jullie dat jullie hier naartoe gekomen zijn om Mij te zien! (26) Mensen van onderscheid zich wel bewust van wat goed voor hen is houden zich steeds direct gericht op Mij, hun meest geliefde Zelf, bezig met een niet aflatende toegewijde dienst die naar behoren is zonder enig nevenmotief. (27) Wat anders ook zou zo dierbaar zijn als dat voorwerp van liefde waarvan het contact het gekoesterde teweegbracht van iemands levenskracht, intelligentie, geest, verwanten, lichaam, echtgenote, kinderen, weelde enzovoorts? (28) Ga derhalve naar het offerperk zodat jullie brahmaanse echtgenoten samen met jullie als huishouders in staat zullen zijn hun offerplechtigheden te volbrengen.'

(29) De vrouwen antwoordden: 'Wees niet zo streng met ons, o Almachtige, wees trouw aan Uw [schriftuurlijke] belofte dat met het verworven hebben van de basis van Uw lotusvoeten wij, met het afzien van alle relaties, op ons hoofd de tulasî-slinger mogen dragen weggeschopt door Uw voet. (30) Onze echtgenoten, vaders, zoons, en broers, andere verwanten en vrienden zullen ons niet weer terugnemen en hoe zouden andere mensen dan reageren? Daarom kan er voor ons, wiens lichamen zijn neergevallen aan Uw voeten, geen andere bestemming zijn o bestraffer der Vijanden; alstUblieft gun ons dat!'

(31-32) De Allerhoogste Heer zei: 'Jullie echtgenoten zullen niet kwaad zijn van de jaloezie noch zullen jullie vaders, broers, zoons of andere mensen dat zijn; zelfs de halfgoden zullen, op Mijn woord, jullie gunstig gezind zijn. (33) Luisterend, samenkomend [voor de beeltenis en/of bijeenkomst van toegewijden], mediterend op en zingend over Mij, zijn jullie van liefde voor Mij, en niet zozeer door Mij fysiek nabij te zijn; keert daarom allen naar huis terug.'

(34) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij dit tegen de echtgenotes van de tweemaal geborenen gezegd had gingen ze terug naar de offerplaats waar hun mannen die hen niet terecht wezen samen met hen de uitvoering afrondden. (35) Één van hen, die met geweld tegen was gehouden door haar echtgenoot, omarmde, van de anderen vernemend over de Allerhoogste Heer, Hem in haar hart en gaf haar lichaam op dat de basis vormde voor de karmische gebondenheid. (36) De Allerhoogste Heer, ook wel bekend als Govinda, voedde met datzelfde voedsel in vier soorten de gopa's waarna ook Hij, de Almachtige, een deel nam. (37) En zo genoot Hij ervan in Zijn wederwaardigheden, met Zijn bovenzinnelijke verschijning de gang van zaken volgend met de menselijke aangelegenheid, om de koeien, de gopa's en de gopî's te behagen met Zijn schoonheid, woorden en daden. (38) Nadien kwamen de brahmanen weer bij zinnen en voelden ze zich zeer bezwaard zo in overtreding te zijn geweest met hun verbeelding in relatie tot het nederige verzoek van de Heren van het Universum die waren verschenen als menselijke wezens. (39) Toen ze zagen hoe bij de echtgenotes jegens Krishna, de Allerhoogste Heer, hun toewijding een geweldige vlucht had genomen, een toewijding die bij hen totaal ontbrak, veroordeelden ze zichzelf al weeklagend: (40) 'Vervloekt al die drie geboorten van ons [biologisch, brahmaans en ritueel], onze geloften, onze uitgebreide geestelijke kennis, onze afstamming en onze deskundigheid met de rituelen, als wij ons hebben afgekeerd van Hem, de Ongeziene. (41) Waarlijk is de Allerhoogste Heer Zijn mâyâ, die zelfs de grootste yogi's misleidt, er de oorzaak van dat wij, de tweemaal geborenen, de geestelijk leraren van de samenleving, verbijsterd zijn geraakt wat betreft ons ware eigenbelang. (42) Zie toch hoe er zelfs met deze vrouwen voor Krishna, de geestelijk leraar van het universum, een onbegrensde toewijding is die de band met de dood heeft doorbroken die bekend staat als het gezinsleven. (43-44) Van hun kant waren er geen zuiveringsriten van wedergeboorte, ze woonden niet bij de goeroe en hielden zich niet bezig met verzakingen, noch waren ze van filosofisch onderzoek naar de ware aard van het zelf of van enige bijzondere reinheid of vroom handelen; niettemin zijn ze, in tegenstelling tot ons - hoe vol we van die zuivering ook allemaal zijn-, stevig verankerd in hun toegewijde dienst voor Krishna, de Heer Geprezen in de Verzen en de Meester van alle Meesters van de Yoga. (45) Och, hoezeer heeft Hij niet, middels de woorden van de bovenzinnelijke zielen van die koeherdersjongens, ons herinnerd aan de uiteindelijke bestemming die er bestaat voor ons die inderdaad door ons verzot zijn in onze huishoudelijke aangelegenheden verbijsterd waren wat betreft ons ware eigenbelang. (46) Om welke andere reden zou Hij, de Meester der Bevrijding en alle andere zegeningen die voldaan is in ieder opzicht, met ons, degenen die moeten worden beheerst, van deze aanspraak zijn? (47) Met Zijn verzoek [om voedsel] dat de menselijke wezens verbijstert, is de Godin van het Geluk, anderen vergetend en een eind makend aan de fouten [van trots en wispelturigheid] in haar eigen wezen, van aanbidding voor Hem in een constant verlangen Zijn voeten aan te raken. (48-49) De plaats en de tijd, de gebruikte artikelen, de lofzangen, de rituelen, de priesters en het vuur, de voorzittende godsbewusten, de uitvoerder van het offer, de plechtigheid en het dharmische resultaat ervan [zie vers 10-11] uitmakend, heeft Hij, de Allerhoogste Heer van Vishnu, de Meester der Yogameesters, inderdaad rechtstreeks zichtbaar geboorte genomen onder de Yadu's, maar ondanks het feit dat we hiervan gehoord hadden slaagden wij er verdwaasd niet in het te begrijpen. (50) Hem, de Allerhoogste Heer Krishna van een onmetelijke intelligentie, door wiens begoochelend vermogen wij met verbijsterde geesten ronddolen op de wegen van het baatzuchtig handelen, bieden we onze eerbetuigingen. (51) Hij, onze Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wiens invloed we met onze geesten verbijsterd door mâyâ niet kunnen peilen, moet ons onze overtreding maar vergeven.'

(52) Aldus hun eigen overtreding overpeinzend tegen Krishna wensten zij na hun acte van berouw het toen om Hem in Vraja te zien maar, bang om Kamsa (zijn aandacht dan te veel op Hem te vestigen], gingen ze er niet naar toe.'

Voetnoot:

* Er wordt beweerd dat iedereen geheiligd door het Sautrâmani offer voor Heer Indra zich onder de goden begeeft en sarva-tanûh geboren wordt, dat wil zeggen, met zijn gehele lichaam.  

 

Hoofdstuk 24

Krishna in Tegen Indra ten Gunste van de Brahmanen, de Koeien en de Heuvel Govardhana

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer zich ophoudend in diezelfde plaats [Vraja] in het gezelschap van ook Baladeva, zag hoe de gopa's druk in de weer waren met het regelen van een offerplechtigheid voor Indra. (2) Hoewel de Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen die Allen Overschouwt, wist wat dat betekende [zie B.G. 9: 23], verboog Hij zich nederig en deed Hij navraag bij de ouderen aangevoerd door Nanda [Zijn stiefvader]: (3) 'Vertel Me, beste vader, wat al dit gedoe te betekenen heeft waarmee u bent opgezadeld, waar leidt dat toe, voor wie doet men het en met welke middelen wil men dit offer volbrengen? (4) Vertel Me er alstublieft over, Ik heb dit sterke verlangen erover te vernemen o vader; het kan toch niet zo zijn dat de handelingen die men hier aantreft van de geheiligden die allen gelijkgezind zijn - gelijk in wat het hunne is of van anderen of wie een vriend of vijand is of een neutraal iemand - iets zou zijn waar je geheimzinnig over doet, is het wel? (5) Een onverschillige persoon moet als een vijand worden gemeden terwijl een medestander moet worden behandeld als je eigen zelf zo zegt men. (6) Mensen houden zich met deze activiteiten bezig met begrip voor wat ze doen, maar ook zonder te begrijpen wat ze doen; voor zij die wijs weten wat ze doen is er dan de volmaaktheid te vinden met de arbeid die men verricht, maar voor dwazen zonder dat benul is die volmaaktheid niet in zicht. (7) Met die wijsheid, vraag Ik u, of deze gezamenlijke inspanning van jullie iets is dat voorgeschreven staat [in de geschriften] of enkel maar een gebruik is; dat moet u Me duidelijk uitleggen.'

(8) S'rî Nanda zei: 'Indra is de grote heer van de regen, de wolken zijn zijn persoonlijke representanten, zij verschaffen de regen voor alle levende wezens die net als melk de voedende levenskracht is. (9) Voor het vocht dat hij loslaat aanbidden wij en andere mensen ook met allerlei dingen en vuuroffers hem, die heer en meester van de wolken, mijn beste zoon. (10) Met wat ervan overblijft houden de mensen hun levens op de drievoudige manier in stand [religieus, economisch en zinnelijk]; hij is het bovenmenselijk wezen dat hen de vruchten brengt die in hun menselijke handelingen op resultaten uit zijn. (11) Een ieder die deze religieuze plicht die ons per traditie werd doorgegeven afwijst is een persoon die vanwege lust, vijandigheid, angst en hebzucht voorzeker niet de schittering [van God] kan bereiken [zie B.G. 10: 36].'

(12) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij had geluisterd naar wat Nanda en ook de andere ingezetenen van Vraja te zeggen hadden, sprak Heer Kes'ava tot Zijn vader op een manier die Heer Indra kwaad maakte. (13) De Allerhoogste Heer zei: 'Het is vanwege karma dat een levend wezen geboorte neemt, het is door karma alleen dat hij voor vernietiging komt te staan; geluk en ongeluk, geborgenheid en angst zijn allen het resultaat van karma. (14) Als er dan een of andere beheerser zou zijn die beloont met de vruchten van arbeid die door anderen werd verricht, dan is die heerser nog steeds afhankelijk van iemand die [vanuit zijn karma] offers brengt; per slot van rekening is er geen sprake van de meester te zijn als er niemand is die productieve arbeid verricht! (15) Dus wat hebben levende wezens, die ieder de weg van hun eigen karma volgen, te maken met Indra die ook niets kan doen aan wat er voor mensen overeenkomstig hun aard is weggelegd? (16) Een persoon inderdaad wordt beheerst door zijn eigen aard - hij volgt zijn aard; deze ganse wereld met zijn goden, demonen en gewone mensen bestaat op basis van ieder zijn eigen aard. (17) De hoger of lager geëvolueerde lichamen die de levende wezens verwerven en opgeven als gevolg van hun handelingen, maken dat hun karma hun vijand, hun vriend of onpartijdige rechter is; dat karma alleen is hun beheerser, hun goeroe [zie ook B.G. 8: 15 & 16, 4.29: 26-27 en 7.7: 46-47]. (18) Daarom behoort men, vasthoudend aan de eigen plichten zonder veel moeite tewerkgaand, respect te oefenen voor het karma van de eigen aard [zie varnâs'rama]; men leeft met dat karma, het is dat karma dat zonder twijfel iemands aanbiddelijke godheid is. (19) Zoals een overspelige vrouw met haar minnaar, behaalt men geen wezenlijk voordeel zijn heil zoekend bij een ander wezen dan het wezen [de aanbiddelijke godheid] waar men zijn leven aan ontleent. (20) De geschoolden leven naar de Veda's, de heersende klasse leeft van het beschermen van de aarde, de vais'ya's leven van handel drijven en de s'ûdra van het dienen van de tweemaal geborenen [de voorgaande drie, zie ook 7.11: 21-24]. (21) Landbouwen, handel drijven, koeien beschermen en nummer vier bankieren zegt men is de viervoudige beroepsmatige plicht [van de vais'ya]; van dezen is dat waar wij mee bezig zijn de constante zorg voor de koeien. (22) Van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid veroorzaakt door handhaving, schepping en vernietiging [zie guna] werd door de geaardheid hartstocht [het rond bewegen] dit universum voortgebracht en is er van het tweevoudige de verscheidenheid van de wereld. (23) De wolken ertoe gedreven door die hartstocht storten overal hun water uit en door dat water handhaven ze eenvoudig de bevolking, dus wat zou Indra dan doen? (24) De steden, de cultuurgebieden en de dorpen zijn niet de plaatsen waar we thuis zijn, we zijn de mensen van het bos beste vader, we leven altijd in de wouden en de heuvels. (25) Laten we daarom een begin maken met een offerplechtigheid voor de koeien, de brahmanen en de heuvel [Govardhana], en moge dit worden uitgevoerd met de benodigdheden voor het offer voor Indra! [zie ook voetnoot 10.8*3] (26) Laten we allerlei soorten van gerechten en soepen bereiden, te beginnen met zoete rijst, havermout, broodjes en gebak en laten we allerlei soorten melkproducten gebruiken. (27) Voedt de vuren naar behoren met het voedsel goed klaargemaakt door de brahmanen die thuis zijn in de Veda's; hen moet u belonen met koeien. (28) Zoals dat gepast is voor iedereen moet er ook worden gedacht aan honden en uitgestotenen en andere gevallen zielen, gras moet worden gegeven aan de koeien en voor de berg moeten allerlei offers worden gebracht. (29) Mooi opgesierd en met ons buikje vol moeten met ons in onze beste kleren en ingesmeerd met sandelhoutpasta de koeien, de brahmanen, de vuren en de heuvel [altijd rechts gehouden] omlopen worden. (30) Dit is wat ik denk o vader, moge dat geschieden als u het goed vindt, daar dit voor de koeien, de brahmanen en de heuvel een feest is dat ook Mij naar de zin is.'

(31) S'rî S'uka zei: 'Deze woorden horend uitgesproken door de Allerhoogste Heer, de Tijd in eigen persoon, met de bedoeling de trots van Indra te breken, aanvaarden Nanda en de oudere mannen ze als zijnde uitstekend. (32-33) En zo brachten ze alles ten uitvoer waar Madusûdhana over had gesproken: ze zorgden voor de geslaagde manier van het reciteren met de hulpmiddelen die ter beschikking stonden; de heuvel, de brahmanen betuigden ze allen gezamenlijk respectvol de eer; de koeien, de stieren en kalveren werden gras voorgezet en vervolgens ging men over tot het omlopen van de heuvel. (34) De koeherdersvrouwen fraai opgesierd rijdend op wagens getrokken door ossen bezongen, tezamen met de tweemaal geborenen die hun heilswensen uitriepen, de heerlijkheden van S'rî Krishna. (35) Toen, om de gopa's in hun geloof te sterken, nam Krishna een andere gedaante aan met de woorden 'Ik ben de heuvel' en verzwolg Hij de overvloed aan offergaven met het gigantische van Zijn lichaam [zie vapu en de voetnoot*]. (36) Voor Hem tezamen met het volk van Vraja bracht Hij middels Zichzelf aan Zichzelf Zijn eerbetuigingen: 'Oh, zie toch, hoe deze heuvel in eigen persoon aanwezig ons de genade heeft vergund!'  

 Voetnoten :

* S'rîla Prabhupâda schrijft hierbij (Krishnaboek ch. 24): "De identiteit van Krishna en de heuvel Govardhana wordt nog steeds hoog gehouden, en grote toegewijden nemen stukken steen van de heuvel Govardhana mee en aanbidden ze precies zoals ze de beeltenis van Krishna aanbidden in de tempels. Toegewijden verzamelen om die reden keien en steentjes van de heuvel Govardhana en vereren ze thuis, omdat deze aanbidding even goed is als het aanbidden van een beeltenis."

 

Hoofdstuk 25  

Heer Krishna Tilt de Heuvel Govardhana op

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen werd Indra die zich realiseerde dat de aanbidding van zijn persoon was afgewezen, o Koning, kwaad op de gopa's aangevoerd door Nanda die Krishna hadden aanvaard als hun Heer. (2) Wolken die de naam Sâmvartaka droegen om een eind aan dat alles te maken werden er door Indra op uit gestuurd die zichzelf daarbij valselijk ziend als de allerhoogste beheerser vertoornd de woorden uitsprak: (3) 'Kijk nu eens hoe buitengewoon groot de verbijstering is van deze in het bos wonende koeherders wat betreft hun rijkdom; zij, met het zich verlaten op een sterveling als Krishna, hebben een overtreding begaan jegens de goden! (4) Met het afzweren van de geestelijke kennis proberen ze de oceaan van het materieel bestaan over te steken enkel in naam van rituele offerplechtigheden gericht op het profijt, offers die ontoereikend zijn om ze als boten op die oceaan te dienen. (5) Hun toevlucht nemend tot Krishna, dit kwebbelende, ingebeelde kind dat onwetend denkt dat Hij de wijsheid in pacht heeft, hebben de gopa's gehandeld in afkeer jegens mij. (6) Breng de vernietiging over hen en hun dieren wiens harten, vergrendeld door Krishna, zijn vergiftigd door hun welvaart en moge de valse trots van hen die gek zijn geworden door hun rijkdom, het veld ruimen. (7) Ik zal eveneens, rijdend op mijn olifant Airâvata, meekomen naar Vraja onder de begeleiding van de windgoden, me daar met grote macht naar toe begevend met de bedoeling Nanda's koeiengemeenschap weg te vagen [zie o.a. ook: 6: 11 & 12].'

(8) S'rî S'uka zei: 'De wolken aldus verordonneerd door Indra teisterden, ontketend uit hun posities, met al hun macht Nanda's koeherdersdorp met een enorme stortvloed aan regen. (9) Oplichtend van de bliksemflitsen en rollend van de donder zorgden ze, voortgedreven door de windgoden, voor een angstwekkende regen van hagelstenen. (10) Met de regen die uit de wolken zonder ophouden neerstroomde in dichte gordijnen, kon het hoge en lage van de aarde die onder water kwam te staan niet meer worden onderscheiden. (11) Geplaagd door de overmaat aan hemelwater en de hevige wind gingen de gopa's en gopî's huiverend van de kou naar Govinda voor hun beschutting. (12) Hun hoofden bedekkend en hun kinderen beschermend met hun lichamen benaderden ze, geteisterd door de regen, rillend de basis gevormd door de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God: (13) 'Krishna, o Krishna, o Grootste Geluk, U bent Uw eigen baas, o Heer, alstUblieft bescherm de koeiengemeenschap tegen Indra die kwaad op ons is, o Beschermer der Toegewijden [zie ook 10.8: 16].'

(14) Toen Hij ze zo buiten zinnen zag onder de aanval van de hagel, de regen en de hevige winden, achtte de Allerhoogste Heer Hari de woede van Indra hier verantwoordelijk voor: (15) 'Omdat Ik zijn offerplechtigheid afwees zet Indra nu de zaak ter vernietiging onder water met deze ongewoonlijk felle regens en heftige winden vol met hagelstenen ongebruikelijk voor het seizoen. (16) Om dat afdoende tegen te gaan zal Ik middels de macht van Mijn yoga voor de ondergang zorgen van de trots over de weelde en de onwetendheid van hen die zo dwaas zijn zichzelf valselijk te beschouwen als de Heer en Meester over de wereld. (17) Mijn uitbannen van het onzuivere van het valse prestige van hen die denken dat ze de Beheerser zijn is zeker niet bedoeld voor die verlichte zielen die begaan zijn met goedheid, het is bedoeld om hen te verlossen [zie ook B.G. 14: 14]. (18) Het is derhalve aan Mij om middels de macht van Mijn yoga Mijn eigen familie, de koeherdersgemeenschap die zijn toevlucht zocht bij Mij als hun meester te beschermen; dit is de eed die Ik heb afgelegd [zie ook B.G. 9: 22].'

(19) Na zich aldus te hebben uitgelaten pakte Hij, Vishnu, met één hand [Zijn linker] de heuvel Govardhana op en hield Hij hem net zo makkelijk omhoog als een kind een paddestoel. (20) De Allerhoogste Heer zei toen tegen de gopa's: 'O moeder, o vader, o bewoners van Vraja, ga zo je wilt, alsjeblieft met jullie koeien in de vrije ruimte beneden deze heuvel. (21) Jullie hoeven er niet bang voor te zijn dat door de regen en de wind de berg van Mijn hand zal vallen; jullie zijn bang genoeg geweest en om jullie daarvan te verlossen heb Ik voor jullie om die reden in deze oplossing voorzien.'

(22) Met hun geesten zo door Krishna tot rust gebracht gingen ze in de ruimte onder de berg waar ze veilig waren met hun koeien, wagens en iedereen die bij hen hoorde. (23) Met minachting voor de pijn van honger en dorst en alle overwegingen van persoonlijk geluk, hield Hij voor ogen van de bewoners van Vraja de berg zeven dagen lang omhoog zonder zich van Zijn plaats te verroeren. (24) Toen hij het resultaat zag van Krishna's mystieke vermogen was Heer Indra buitengewoon verbaasd en riep hij de wolken een halt toe, gebroken als hij was in zijn besluit en met zijn valse trots verslagen. (25) Met de hemel leeg zonder wolken, de zon gerezen en de felle wind en regen beëindigd, richtte de Heffer van Govardhana zich tot de koeherders: (26) 'Alstublieft, vertrek van hier tezamen met jullie bezittingen, vrouwen en kinderen; zie het einde van jullie angst onder ogen, o gopa's, de wind en de regens zijn opgehouden en het hoogwater is zo goed als voorbij.'

(27) Toen kwamen de gopa's, ieder zijn eigen koeien meevoerend, met hun bezittingen geladen op de karren tevoorschijn met de vrouwen, de kinderen en de oude mensen langzaam er achter aan. (28) En voor ogen van al de levende wezens zette de Almachtige Allerhoogste Heer die heuvel weer terug waar hij had gestaan. (29) De bewoners van Vraja al naar gelang hun eigen positie traden, stralend met de opwelling van de liefde die ze voor Hem voelden, naar voren terwijl de gopî's vol vreugde blijk gaven van hun genegenheid met omhelzingen en zo meer terwijl ze Hem, met yoghurt, ongebroken granen en water, bedachten met de beste hunner zegeningen. (30) Yas'odâ, Rohinî, Nanda en Balarâma, de Grootste der Sterken, omhelsden Krishna buiten zichzelf van de liefde en bereiden Hem alle heilswensen. (31) Uit de hemel hieven de goddelijken, de vervolmaakten, de heiligen, de hemelse zangers en de eerbiedwaardigen, lofzangen voor de Heer aan, waarbij ze voldaan een regen van bloemen deden nederdalen, o aardse heerser. (32) Hoornschelpen en pauken laten klinkend speelden de halfgoden in de hemel en zongen de Gandharva's geleid door hun aanvoerder Tumburu, o heerser der mensen. (33) O Koning, toen, omringd door de liefdevolle hoeders der dieren, ging Krishna tezamen met Balarâma op weg naar waar ze hun koeien lieten grazen en terwijl ze vertrokken zongen de gopî's over al Zijn soortgelijke daden gelukkig als ze waren met Hem die hen in hun harten had geraakt.'

  

Hoofdstuk 26 

Nanda Brengt de Verblufte Gopa's de Woorden van Garga in Herinnering

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopa's getuige van handelingen als deze [dit heuveltillen] van Krishna, konden Zijn heldhaftigheid niet doorgronden en benaderden, verbaasd als ze waren, Nanda: (2) 'Hoe kon, gezien de zonder twijfel buitengewone handelingen van de jongen, Hem een voor Zichzelf afkeurenswaardige geboorte ten deel vallen onder wereldse mensen? (3) Hoe kan een jongen van zeven jaar oud machtig als een olifant speels met één hand de beste van alle heuvels omhoog houden als was het een lotusbloem? (4) Als een babytje met nauwelijks de ogen open zoog Hij [de vergiftigde melk] uit de borst van de o zo machtige Pûtanâ en zoog Hij daarmee ook haar levensadem weg, zoals de macht van de tijd de jeugd van het lichaam wegzuigt [zie 10.6]. (5) Hij, een paar maanden oud, die lag te huilen onder een kar, duwde met Zijn voetjes naar boven de kar omver die geraakt door de tip van Zijn voetje in duigen viel [zie 10.7]. (6) Een jaar oud neerzittend werd Hij meegevoerd de lucht in door de demon Trinavârta die Hij, hem bij zijn nek grijpend, pijnigde en doodde [zie 10.7]. (7) Op een dag toen Hij druk was met het stelen van boter, bond Zijn moeder Hem aan een groot stampvat waarmee Hij, zich op Zijn handen tussen twee arjuna bomen manoeuvrerend, ervoor zorgde dat ze omvielen [zie 10.10]. (8) Omringd door de jongens samen met Balarâma de kalveren hoedend in het bos scheurde Hij met Zijn armen de bek uiteen van de moorddadige vijand Baka [zie 10.11]. (9) Vatsa, die als een ander kalf zich begeven had onder de kalveren om Hem te doden, werd door Hem bij wijze van sport gedood door hem [in een boom omhoog gegooid] te laten neerploffen voor kapittha vruchten [zie 10.11]. (10) Tezamen met Balarâma doodde Hij de ezeldemon [Dhenuka] en zijn metgezellen en maakte Hij het Tâlavana bos vol van de rijpe vruchten weer veilig [zie 10.15]. (11) Na te hebben geregeld dat de verschrikkelijke Pralamba zou worden gedood door de hoogst machtige Balarâma, verloste Hij de dieren van Vraja en de gopa's van de bosbrand [zie 10.18 & 19]. (12) De trots van de aanvoerder van de slangen [Kâliya] verslaand door hem, met zijn zo heel giftige giftanden, te onderwerpen stuurde Hij hem met geweld weg uit het meer van de Yamunâ, en maakte Hij het water daarmee vrij van het gif [10.16 & 17]. (13) Beste Nanda, hoe kan het zo zijn dat wij, al de bewoners van Vraja, onze gevoelens van liefde voor uw zoon, die ons van Zijn kant ons net zo natuurlijk benadert, niet op kunnen geven? (14) Het idee dat Hij als een jongen van zeven jaar oud de grote heuvel optilde plaatste ons, o meester van Vraja, voor een aantal vragen omtrent uw zoon [wat voor spelletje zou Hij nou weer aan het spelen zijn?].'

(15) Nanda zei: 'Alstublieft luister naar mijn woorden beste gopa's; laat jullie twijfel omtrent de jongen varen, dit is wat Garga me voorheen heeft gezegd met betrekking tot dit kind [zie ook 10.8: 12-19 voor dezelfde verzen]: (16) 'Drie kleuren werden door uw zoon aangenomen in het aanvaarden van lichamen naar gelang iedere yuga [*]; wit, rood en ook geel. Op het ogenblik is Hij zwart. (17) Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva. (18) Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten overeenkomstig de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik ben daarvan op de hoogte, maar de gewone man weet het niet. (19) Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder; door Hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3]. (20) In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (21) Zoals degenen trouw aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen zij die zo fortuinlijk zijn jegens dit kind te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (22) Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!' (23) Zich op deze manier uitlatend diende Garga me van advies en ging naar huis; ik beschouw Krishna, die ons bevrijdt van alle obstakels, [sedertdien] als een expansie van Nârâyana.'

(24) Met het horen van deze woorden van Nanda over wat Garga had gezegd aanbaden de bewoners van Vraja, door Nanda geïnspireerd en met hun verbijstering verdwenen, Heer Krishna. (25) De halfgod die de regens brengt bezorgde, kwaad toen hij zag dat zijn offerplechtigheid was doorbroken, de koeherders, de dieren en de vrouwen een hoop ellende met zijn bliksemschichten, hagel en wind; met Hem als hun enige toevlucht voor ogen moest Hij glimlachen uit mededogen en pakte Hij, een klein kind, de heuvel op met één hand alsof het een paddestoel was teneinde de koeherdersgemeenschap te beschermen - moge Hij, de Indra van de koeien, de vernietiger van de arrogantie van de grote koning van de wolkenlucht, tevreden met ons zijn!'

 Voetnoot:

* Deze kleuren zullen later in het elfde Canto in verzen 11.5: 21, 24, 27 en 34 van het Bhâgavatam worden uiteen gezet [zie ook een andere site erover].

  

Hoofdstuk 27

Heer Indra en Moeder Surabhi Brengen Gebeden

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij de heuvel Govardhana had hooggehouden om Vraja te beschermen tegen de regens kwam uit de wereld van de koeien moeder Surabhi [de hemelse koe] naar Krishna. Ook Indra kwam naar Hem toe. (2) Op een afgezonderde plek [*] benaderde Indra Hem vol van schaamte zo vijandig te zijn geweest en beroerde hij Zijn voeten met zijn helm die straalde als de zon. (3) Met het vernomen hebben over en getuige geweest zijn van de macht van Heer Krishna, wiens onbegrensde vermogen een einde had gemaakt aan zijn arrogantie de heer der drie werelden te zijn, sprak hij als volgt.

(4) Indra zei: 'Uwe majesteit van bovenzinnelijke goedheid die van de vrede en de verlichting der boete is vernietigde de hartstocht en onwetendheid geboren uit illusie; in U is deze voortdurende stroom van de materiële kwaliteiten niet aanwezig waaraan men met de beheersing kwijt gebonden is. (5) Hoe, o Heer, zouden er [in U, zoals ik dacht, zie 10.25: 3] de oorzaken te vinden zijn van het verstrikt zijn - de begeerte en dat alles - die een onwetende persoon kenmerken; U bent immers de Allerhoogste Heer die ter verdediging van het dharma Uw gezag uitoefent om de slechten te bestraffen. (6) De vader, de goeroe, bent U van het gehele universum, de Oorspronkelijke Beheerser en de onoverkomelijke Tijd die van dienst als de roede, met het door U aannemen van bovenzinnelijke gedaanten, er is om de eigenwanen weg te vagen van hen die denken dat ze zelf de heer van het universum zijn. (7) Dwazen als ik die menen dat ze de baas over de wereld zijn laten, op het moment dat ze geconfronteerd worden met Uw onbevreesdheid, gezwind hun inbeelding varen als ze als gevolg van het lesje dat U de slechten leert niet langer meer opgeblazen zijnde zich in ieder opzicht hebben begeven op het pad der beschaafde heren. (8) U als zodanig o Meester, vergeef het daarom alstUblieft mij, ik die, zich niet bewust van Uw invloed, door zijn heerschappij zich wentelde in hoogmoed en met zijn intelligentie verdwaasd een overtreding beging; laat alsUblieft mijn bewustzijn nimmer weer zo verdorven zijn o Heer. (9) Uw nederdalen in deze wereld, o Heer van het Voorbije, is er voor het bestaan van hen die Uw lotusvoeten dienen, o Godheid, en voor het niet-bestaan van de krijgsheren die met de vele verstoringen waartoe ze aanleiding geven een grote overlast vormen. (10) Mijn eerbetuigingen voor U, de Opperheer en Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de grote Ziel Heer Krishna, de zoon van Vasudeva; mijn eerbetuigingen voor de Meester van de Dienaren van de Absolute Waarheid. (11) Hem bied ik mijn eerbetuigingen die naar de verlangens van hen die Hem toebehoren lichamen aanneemt, wiens gedaante de zuiverste spirituele kennis is en die het zaad is van allen en alles alsook de ziel zich ophoudend in alle levende wezens. (12) O Heer toen de offerplechtigheid werd tegengegaan was ik buitenmate arrogant en kwaad en eropuit om met regen en wind de koeherdersgemeenschap te vernietigen, o Allerhoogste Heer. (13) U, o Beheerser hebt met het tonen van Uw genade mijn halsstarrigheid gebroken en mijn pogen vruchteloos gemaakt; ik ben naar U, het Ware Zelf en de geestelijk leraar, toegekomen om mijn toevlucht te nemen.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Met Krishna op deze manier verheerlijkt door de grootmoedige Indra glimlachte de Opperheer naar hem en sprak Hij ernstig als de wolken de volgende woorden. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ging ertoe over uw offerplechtigheid tegen te houden om u Mijn genade te tonen zodat u, als de koning van de hemel zo hoogst onder de invloed met de weelde, Me voor altijd zoudt herinneren. (16) Hij, die verblind door zijn macht en weelde vol van verbeelding is en Mij niet ziet staan met de roede in Mijn hand, zal Ik, ernaar verlangend hem vooruit te helpen, een val bereiden vanuit zijn positie van weelde [zie ook B.G. 9: 22]. (17) O u allen van de macht, o Indra, alle geluk zijt u toegewenst, moogt u, Mijn opdracht nalevend, vrij van valse voorstellingen zich nuchter bezig blijven houden met uw verantwoordelijkheden.'

(18) Toen sprak tot Krishna moeder Surabhi die, vreedzaam van geest samen met haar koeien smekend om Zijn aandacht, de Heer die als een koeherdersjongen was verschenen haar respect betoonde. (19) Surabhi zei: 'Krishna, o Krishna, o Grootste Mysticus, o Ziel en Oorsprong van het Universum, met U, o baas over de wereld, hebben we onze meester gevonden, o Onfeilbare. (20) U bent onze Allerhoogste Godheid, U bent onze Indra, o Heer van het Universum, wees er alstUblieft voor het welzijn van de koeien, de brahmanen en hen die goddelijk en gelouterd zijn. (21) Voor U als onze Indra zullen we een baadceremonie uitvoeren naar de aanwijzingen van Heer Brahmâ, o Ziel van het Universum die is nedergedaald om de aarde van haar last te bevrijden.'

(22-23) S'rî S'uka zei: 'Aldus pleitend voor Heer Krishna werd Hij door Surabhi met haar eigen melk en met het uit de hemel gestroomde Gangeswater uitgestort via Airâvata's slurf, gebaad door Indra in het gezelschap van de verlichte zielen en de zieners en door de geïnspireerde moeders van de goden [de dochters van Aditi] en ontving Hij, de afstammeling van Das'arha, de naam Heer Govinda. (24) Naar die plaats begaven zich Tumburu, Nârada en de anderen, de zangers van de hemel, de geleerden, de vervolmaakten en de eerbiedwaardigen die de heerlijkheden van de Heer bezongen welke de besmetting van de wereld wegnemen, terwijl de vrouwen van de halfgoden vervuld van vreugde tezamen dansten. (25) Hij werd, als het toonbeeld van al de goden vereerd en overladen met een prachtige regen van bloemen, waarop de drie werelden de grootste voldoening ervoeren met de koeien die de aarde onderstroomden met hun melk. (26) De rivieren stroomden over met alle soorten van dranken, de bomen gaven honing af, de planten rijpten zonder in cultuur te zijn gebracht en de bergen gaven hun edelstenen prijs. (27) O lieveling van de Kurudynastie, toen Heer Krishna was gebaad raakten allen [de roofdieren, de oneerlijke mensen] bevrijd van hun vijandigheid, zij, mijn beste, die, zij het van nature, kwaadaardig waren. (28) Na aldus Govinda, de Meester van de Koeien en de Koeherdersgemeenschap te hebben gebaad, werd het hem [Indra] toegestaan te vertrekken en keerde hij omringd door de goden en de anderen terug naar de hemel.'

* De "afzondering" in kwestie waar Indra S'rî Krishna benaderde wordt door de wijze S'rî Vais'ampâyana vermeld in de Hari-vams'a (Vishnu-parva 19.3): sa dadars'opavishtham vai govardhana-s'ilâ-tale. "Hij zag Hem [Krishna] neerzitten aan de voet van de heuvel Govardhana".

 

Hoofdstuk 28

Krishna Redt Nanda Mahârâja uit het Rijk van Varuna

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de elfde dag [van de eerste helft van de maanmaand] gevast had en hij de Handhaver van Allen [Janârdana] had aanbeden, ging Nanda de twaalfde dag het water van de Yamunâ in voor een bad. (2) Een duistere dienaar van Varuna greep hem beet en bracht hem op die de regel had veronachtzaamd dat tijdens de nacht het water ingaan een goddeloze praktijk was. (3) O Koning, hem niet ziend riepen de gopa's luid uit 'o Krishna, o Râma!' waarop de Allerhoogste Heer die er achter kwam dat de vader was meegevoerd van Hem, de Almachtige die Zijn mensen onbevreesd maakt, toen naar de plaats ging waar Varuna zich ophield. (4) Op het moment dat hij zag dat de Heer der Zinnen was gearriveerd betoonde hij, de godheid die over dat bereik [van de wateren] regeerde, Hem uitvoerig de eer, er zeer verheugd over zijnde dat Hij aanwezig was.

(5) S'rî Varuna zei: 'Vandaag mag ik de ware weelde genieten van het succes van mijn lichamelijke aanwezigheid, o Heer, omdat het zo is dat zij die het gegeven is Uw lotusvoeten te dienen de bovenzinnelijkheid hebben bereikt in hun materiële leven. (6) Mijn eerbetuigingen voor U de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Absolute Waarheid en de Ziel Hoogst Verheven die de schepping van deze wereld teweeg bracht en over wie mâyâ geen zeggenschap heeft. (7) Die onwetende dienaar van mij was een dwaas niet zijn plicht te kennen [*] toen hij hem hier opbracht die Uw vader blijkt te zijn, neem me niet kwalijk, Uwe goedheid. (8) Wees zelfs voor mij o Krishna, o U die alles ziet, alstUblieft van genade, o Govinda; aan U, zo vol zorg voor Uw ouders, behoort zeer zeker hij hier die Uw vader is.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Aldus tevredengesteld nam Krishna, de Allerhoogste Heer en Heerser over alle Heersers, Zijn vader met Zich mee en begaf Hij zich naar Zijn verwanten die Hij zeer blij maakte. (10) Nanda die voorheen nooit kennis had gemaakt met de machtige weelde van de heer van het bereik [der wateren] of getuige was geweest van de eerbetuigingen die zij [Varuna en zijn volgelingen] Krishna brachten, sprak vol verwondering tot zijn vrienden en familieleden. (11) Zij, de gopa's, gretig luisterend, o Koning, dachten met Hem als hun Heer: 'Misschien bereidt Hij ons de genade ons mee te nemen naar Zijn bovenzinnelijk verblijf!'

(12) Hij, de Allerhoogste Heer van Zijn kant als Degene die een Ieder Ziet doorgrondde hun droom van volmaaktheid en dacht vol mededogen dit: (13) 'Voorzeker zijn de mensen in deze wereld, die in onachtzaamheid verkerend met de verlangens van hun handelingen dwalen tussen de hogere en lagere doelen, zich niet bewust van hun eigenlijke bestemming.'

(14-15) Met deze overweging toonde de Allerhoogste Heer Hari in groot mededogen de gopa's Zijn eigen verblijf voorbij de duisternis der materie: het ware onbegrensde spirituele kennen dat het licht is [zie brahma-jyoti] van het eeuwige absolute welk inderdaad door de wijzen wordt waargenomen die in trance ver verwijderd zijn van de materiële kwaliteiten. (16) Zij werden door Krishna gebracht naar en ondergedompeld in het meer van de Ene Geest [brahma-hrada] en daaruit opgetild zagen ze het verblijf van de Absolute Waarheid op de manier zoals dat voorheen werd gezien door Akrûra [3.1: 32, 10.38 & 10.40]. (17) Nanda en de zijnen raakten met dat voor ogen overweldigd door een goddelijke verrukking en waren er hoogst verrast over hoe Krishna aldaar werd geprezen met vedische hymnen.'

Voetnoot:

* Prabhupâda's leerlingen geven als commentaar op de preciese uitvoering van de zaken aangaande het ekâdas'i-vasten en gunstige tijden om te baden: 'Natuurlijk, Varuna's dienaar zou zich bewust zijn geweest van deze technische details, welke bedoeld zijn voor hen die strict naar de vedische rituelen leven.'

 

Hoofdstuk 29

Het Râsa-spel: Krishna Ontmoet 's Nachts de Gopî's en Ontsnapt

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij de Allerhoogste Heer was, besloot Hij, afgaand op Zijn innerlijk vermogen [zie yogamâyâ], te gaan genieten van die herfstnachten waarin de jasmijnbloemen bloeien. (2) Op dat uur kleurde de koning van de sterren [de maan] met zijn handen het aangezicht van het oosten rood waarmee hij allen die naar hem uitkeken een genoegen deed, precies zoals een minnaar die naar zijn geliefde toekomt een einde maakt aan het leed als hij na een lange tijd zich weer laat zien. (3) Met de aanblik van de kumuda-lotussen die zich openden naar zijn volle ronde gelaat dat, gelijk het gezicht met de verse kunkuma van de Godin van het Geluk, met zijn licht het woud rood kleurde, speelde Hij, in de klare zachte stralen van dat schijnsel, lieflijk op Zijn fluit waarmee Hij de ogen van de charme [van de gopî's] bekoorde. (4) Het aanhoren van dat lied wekte Cupido op bij de vrouwen van Vraja en in hun geesten meegevoerd door Krishna ging ieder van hen zonder dat de anderen er weet van hadden, met van de haast zwaaiende oorhangers, naar daar waar Hij, hun vriendje, was. (5) Sommigen vertrokken midden onder het melken van de koeien, sommigen lieten in hun graagte de melk staan die op het fornuis stond terwijl anderen eropuit gingen zonder de cake uit de oven te halen. (6-7) Sommigen zetten de kinderen naast zich neer die ze melk aan het geven waren en dosten zich uit zonder nog te denken aan de dienst die ze voor hun echtgenoten verrichtten, sommigen vertrokken midden onder het eten, sommigen olieden, beschilderden zichzelf en maakten hun ogen op, terwijl anderen zich naar Krishna begaven met hun kleren en sieraden in wanorde. (8) Zij, tegengehouden door hun echtgenoten, vaders, broers en andere verwanten keerden echter, bekoord door Govinda met hun harten gestolen, niet weer terug [naar hun plichten]. (9) Sommige gopî's die er niet in slaagden om weg te komen, sloten thuisblijvend hun ogen en mediteerden verbonden in die liefde [zie voetnoot* en 10.1: 62 & 63]. (10-11) De onverdraaglijke, intense kwelling van het gescheiden zijn van hun Geliefde deed al het slechte denken wijken terwijl het goede van hen tot nul reduceerde door de vreugde verkregen in de meditatie op de omhelzing door de Onfeilbare. Ook al was Hij de Opperziel, dachten ze over Hem na als zijnde hun minnaar, maar met het niettemin verkrijgen van Zijn directe omgang gaven ze, met hun banden doorsneden, terstond hun bestaan op zoals dat wordt bepaald door de kwaliteiten der materie.'

(12) S'rî Parîkchit zei: 'Zij kenden Krishna enkel als hun geliefde en niet als de Absolute Waarheid, o wijze, hoe kon er voor hen, zo vol van gedachten over de materiële kwestie, nu het beëindigen van de machtige stroom van de guna's zijn?'

(13) S'rî S'uka zei: 'Hierover heb ik al voorheen met u gesproken [in 3.2: 19 en in 7.1: 16-33]: als de koning van Cedi [S'is'upâla] de volmaaktheid al kon bereiken met zelfs het haten van de Heer van de Zinnen, wat dan zou dat wel niet inhouden voor hen die Hem, de Heer in het Voorbije, dierbaar zijn? (14) Met het hoogste voordeel voor de mensheid voor ogen, o Koning, is er daar het persoonlijke verschijnen van de Allerhoogste, Onvergankelijke en Ondoorgrondelijke Heer, die vrij van de geaardheden de Beheerser van de geaardheden is. (15) Zij die zonder ophouden lust, woede, angst, genegenheid, eenheid en goede wil aan de dag leggen met de Heer kunnen er op rekenen dat ze de verzonkenheid in Hem bereiken. (16) U moet zich wat betreft de Ongeboren, Hoogste Persoonlijkheid hier niet over verbazen daar Hij de meester van alle meesters van de yoga is door wie deze wereld zijn bevrijding vindt. (17) Toen de Opperheer de meisjes van Vraja bij Hem zag aankomen sprak Hij, de beste van alle sprekers, met een weelde aan woorden die hen verbijsterde. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Weest welkom jullie allen, o fortuinlijke dames, wat kan Ik doen om jullie te behagen? Zeg me alsJeblieft of in Vraja alles in orde is en om welke reden jullie hier naar toe kwamen. (19) Deze nacht is vol van angstaanjagende schepselen, keer dus alsjeblieft terug naar Vraja o slanke meisjes, jullie vrouwen behoren hier niet rond te hangen. (20) Het is ongetwijfeld zo dat jullie moeders, vaders, zoons, broers en echtgenoten, naar jullie uitkijkend, jullie nergens kunnen vinden; bezorg jullie verwanten nu geen kopzorgen. (21-22) Jullie hebben Râka (de godin van de dag van de volle maan) zien schitteren met haar maanlicht, jullie hebben nu het woud vol van bloemen gezien dat zelfs nog aangenamer is door het briesje dat vanaf de Yamunâ waaiend speelt door de bladeren van de bomen. Ga nu, zonder dralen, terug naar het koeherdersdorp, jullie moeten je echtgenoten van dienst zijn, o kuise dames, de kalfjes en de kindjes huilen ervoor dat jullie ze melk geven. (23) Of anders, als jullie zijn gekomen omdat jullie harten overstroomden van liefde voor Mij, is dat voorwaar lofwaardig van jullie daar alle levende wezens genegenheid voor Mij koesteren. (24) Voor vrouwen is het voorzeker het hoogste dharma om volijverig haar echtgenoot van dienst te zijn, eenvoudig en eerlijk te zijn met de verwanten en goed te zorgen voor haar gezin. (25) Vermits hij niet ten val kwam [met zijn geloof of zijn huwelijkstrouw] moet een echtgenoot slecht gemutst, onfortuinlijk, oud, afgetakeld, ziek en zelfs arm zijnde door vrouwen die naar de hemel willen niet worden afgewezen [zie ook 9.14: 37 en B.G. 1: 40]. (26) Om verdoold zwak en overspelig te zijn is voor een vrouw van stand in ieder geval iets verwerpelijks: het schaadt de reputatie, veroorzaakt angst, en geeft moeilijkheden. (27) Door te luisteren, in de aanwezigheid te verkeren [van de beeltenis en de toegewijden], door meditatie en door daarbij te zingen is men van liefde voor Mij, en niet zozeer door Mij fysiek nabij te zijn; keert daarom allen naar huis terug [zie ook 10.23: 33].'

(28) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die aldus de voor hen minder aangename woorden van Govinda hoorden ondervonden, wanhopig als ze waren te zijn teleurgesteld in hun sterke verlangens, een moeilijk te overwinnen zielenpijn. (29) Verdrietig lieten ze, terwijl ze over de grond stonden te schrapen, hun gezichten hangen en hun bimba-rode lippen al zuchtend verdrogen en droegen ze, met hun tranenvloed die hun make-up bedierf en de kunkuma op hun borsten wegwaste, in stilte de last van hun grote leed. (30) Met hun Geliefde in het geheel niet zo lief hen in tegenspraak toesprekend, terwijl zij te Zijnentwille hadden afgezien van al hun materiële verlangens, veegden ze hun tranen weg hun huilen een halt toeroepend en zeiden ze vervolgens met hun stemmen verstikt in de gehechtheid gekweld iets tegen Hem terug.(31) De mooie gopî's zeiden: 'Jouw goede zelf, o Machtige, moet niet zo hardvochtig spreken met het afzweren van iedere vorm van zinnelijk genot; alstJeblieft beantwoordt onze toewijding aan Jouw voeten, wijs ons niet zo moeilijk te krijgen terug, wees net als de Godheid, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die wederkerig is met hen die uitzien naar de bevrijding. (32) O liefste, Jij als de Kenner van het Dharma sprak aldus over de plicht der vrouwen die zou bestaan uit haar trouw aan haar echtgenoot, kinderen en verwanten, zo zij het, maar is het niet zo dat Jij, o Heer, het ware voorwerp van deze instructie bent; Jij, de Godheid hoogst gewaardeerd die voor alle belichaamde wezens de nauwste verwant bent als zijnde de ziel? (33) De deskundigen inderdaad leveren bewijs van de aantrekking tot Jou, Jij die hen immer bekoort als hun eigenlijke Zelf, dus wat moeten we dan met onze echtgenoten, kinderen en verwanten die ons last bezorgen? Wees ons genadig, o Allerhoogste Beheerser, ontneem ons niet de hoop op Jou die we zo lang gekoesterd hebben, o Lotusogige. (34) Zonder moeite nam Je bezit van onze geesten welke opgingen in ons huishouden, zowel als van onze handen die druk waren met huishoudelijk werk; onze voeten zullen zich geen stap van Jouw voeten verwijderen - hoe kunnen we nu teruggaan naar Vraja, wat moeten we dan nog verder beginnen? (35) AlstJeblieft, o Allerbeste, stort de vloed, van de nectar van Je glimlachende blikken en melodieuze liederen die ontsnappen aan Je lippen, uit over het vuur in onze harten; of anders zullen we met onze meditatie onze lichamen aan het vuur overgeven dat brandt van de gescheidenheid en gaan voor het verblijf van Jouw voeten, o Vriend. (36) O, Jij met Je lotusgelijke ogen, voor de Godin van het Geluk is het een feest te verkeren aan de basis van Je voeten die, bij tijden gekoesterd door de mensen die zich in het woud ophouden, we nu zullen beroeren en van dat moment af aan zullen we, vol van Jouw vreugde, voorzeker er nimmer toe in staat zijn om ons in de directe nabijheid van welke andere man dan ook op te houden! (37) Zoals de godin, die tezamen zelfs met Tulasî-devî het stof van de lotusvoeten begeert, haar positie aan Jouw boezem heeft verworven en voor wiens blik rustend op hen, zo wil het geval, de anderen der verlichting zich inspannen van dienst te zijn als dienaren, zoeken wij overeenkomstig ook het stof van Je voeten. (38) Wees ons daarom genadig, o Vernietiger van Alle Leed, Jouw voeten hebben we benaderd met het verzaken van onze huishoudens in de hoop Je te aanbidden, Jij met Je mooie glimlachen en blikken waar onze harten naar smachtten in een intens verlangen; o sieraad van alle mensen, sta het ons alstJeblieft toe van dienst te zijn. (39) Met de aanblik van Je haar rondom Je gezicht, Je oorhangers, de schoonheid van Je kaken en de nectar van Je glimlachende lippen, die blikken die iemand onbevreesd maken, Je beide machtige armen en met het zien van Je borst, de enige bron van genoegen voor de godin, zijn we overgeleverd als Jouw dienaren. (40) Welke vrouw in de drie werelden, o teerbeminde, zou niet geheel ondersteboven zijn van de melodieën van de liederen die Jij tevoorschijn tovert uit Je fluit en vervolgens niet afwijken in haar burgerlijke gedrag met de aanblik van deze gratie van de drie werelden, deze schitterende gedaante waarmee (zelfs) de koeien, de vogels, de bomen en de herten worden doortrokken door een huiver van vreugde. (41) Jij, net als de aanbiddelijke God, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, hebt, alle goden en werelden beschermend, geboorte genomen als de Godheid, die zich bewees als de verdrijver van de angst en het leed van de mensen van Vraja; wees daarom zo goed, o Vriend der Nooddruftigen, Je lotusgelijke hand te leggen op de brandende borsten en hoofden van Je dienstmaagden.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij de vertwijfelde woorden van de gopî's had aangehoord, lachte vol van genade de Heer van alle Heren van de Yoga die ermee tevreden was ondanks Zijn immer in Zichzelf tevreden zijn. (43) Met hen allen tezamen was Hij zo onovertroffen als de, als het hert gespikkelde, maan omringd door de sterren, en deed Hij als de Onfeilbare Heer, zo grootmoedig in Zijn blikken en bewijzen van genegenheid, hun gezichten bloeien met Zijn brede glimlachen die Zijn jasmijngelijke tanden deden blinken. (44) Bezongen en Zelf zingend als de gebieder van honderden vrouwen droeg Hij de vijfkleurige [Vaijayantî-]bloemenslinger waarmee Hij het woud opluisterde waarin Hij zich rondbewoog. (45-46) Samen met de gopî's kwam Hij aan bij de oever van de rivier die, bediend door de golven, koel was met haar zand en aangenaam was door de geur van de lotussen meegevoerd door de wind. Met de Vraja-schoonheden Cupido opwekkend vergenoegde Hij Zich ermee Zijn armen om hen heen te slaan in omhelzingen en hun haar, middel, dijen en borsten te beroeren met Zijn handen en zo ze speels strelend met Zijn vingernagels en Zijn blikken toewerpend, onderhield Hij zich met hen en lachte Hij. (47) Op deze manier van Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de speciale aandacht van de Grotere Ziel krijgend, beschouwden ze zichzelf, trots rakend, zowaar de beste van alle vrouwen op aarde. (48) Toen Hij zag hoe ze als gevolg van hun geluk in een bedwelmde staat van valse trots verkeerden, verdween, bij wijze van Zijn genade, Heer Kes'ava vandaar met de bedoeling dat een halt toe te roepen.'

 

Voetnoten:

"De verschillende typen gopî's waar hier sprake van schijnt te zijn worden eveneens vermeld in de Padma Purâna:

gopyas tu s'rutayo jñeyâ
rishi-jâ gopa-kanyakâh
deva-kanyâs' ca râjendra
na mânushyâh kathañcana

'Het wordt begrepen dat sommige van de gopî's de Vedische literatuur personifiëren (s'ruti-cârî),terwijl anderen gereïncarneerde wijzen zijn (rishi-cârî), dochters van koeherders (gopa-kanyâs), of halfgodenmaagden (deva-kanyâs). Maar in geen geval, mijn beste Koning, is ook maar een van hen een gewoon menselijk wezen.' Er is ook sprake van sâdhana-siddhas en nitya siddhas: zij die vervolmaakt in de geestelijke discipline zijn en zij die zo geboren zijn.

 

Hoofdstuk 30

De Gopî's op Zoek naar Krishna er Vandoor met Râdhâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de Allerhoogste Heer zo ineens was verdwenen waren de jonge dames van Vraja zo spijtig Hem niet meer te zien als wijfjesolifanten die hun stier missen. (2) De verliefde dames die in hun harten waren overweldigd door de bewegingen, liefdevolle glimlachen, speelse blikken, charmante praatjes en andere spelletjes van verleiding van de echtgenoot van Ramâ, speelden verzonken in Hem ieder van die wonderbaarlijke activiteiten na. (3) De liefjes verloren in de bewegingen, glimlachen, de blikken, en het praten enzovoorts van hun Geliefde - die zich feitelijk dus door de lichamen van de dames heen uitdrukte - gaven zo doende onder de invloed van de manieren van Krishna ten beste: 'Hij is helemaal in mij!' (4) Aldus allen tezamen hardop over Hem zingend, zochten ze zich gek van hot naar haar in het bos en gingen ze bij de bomen te rade over de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die gelijk de ether zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig is: (5) 'O as'vattha [heilige vijgenboom], o plaksha [golfbladige vijgenboom], o nyagrodha [baniaan], hebben jullie de zoon van Nanda gezien die is weggegaan nadat Hij met Zijn liefdevolle glimlachen en blikken onze harten stal? (6) O kurabaka [rode amaranth], as'oka, nâga, punnâga en campaka, hebben jullie de jongere broer van Balarâma voorbij zien komen die met Zijn glimlach de trots wegvaagt van ieder meisje dat te hooghartig is? (7) O zoete tulsî, zo van liefde voor Govinda's voeten, hebben jullie die zo hoogst geliefde Acyuta gezien die jullie met Zich meedraagt tezamen met zwermen bijen? (8) O mâlati-, jâti-, yûthikâ- en mallikâ-jasmijn, hebben jullie Mâdhava langs zien komen, terwijl die jullie met Zijn aanrakingen blij maakte? (9) O cûta [mango-klimplant], priyâla, broodvrucht, âsana, o kovidâra [berg-ebbe], jambu [houtappel], arka, bakula [mimosa], mimosa, en âmra [mangoboom]; o kadamba en nîpa en wie nog meer van jullie die voor het heil van anderen hier aan de oever van de Yamunâ leven, wees alsjeblieft zo aardig ons, wiens geest op hol is geslagen, te zeggen welk pad Krishna heeft genomen. (10) O aarde, welke verzaking moet u wel niet hebben volbracht om betreden te zijn door Kes'ava's voeten met een vreugde die het haar op uw lichaam [haar grassen en zo] overeind doet staan? Of hebt u misschien uw schoonheid te danken aan de voeten van Vâmanadeva [zie 8.18-22] of omdat u werd betreden en omhelsd door het lichaam van Varâha [3.13]? (11) O ree, o vriendin, ben je Acyuta hier met Zijn Geliefde tegengekomen, die met al Zijn leden een lust is om te zien; in de lucht hangt nog de geur van de bloemenslinger van de Meester van de Gopî's gekleurd door de kunkuma van het in aanraking verkeren met de borsten van Zijn Vriendin. (12) O bomen, toen Râma's jongere broer langskwam, met Zijn arm geplaatst over de schouder van Zijn liefje, een lotus vasthoudend en met de tulsî-bloemen met een zwerm bijen blind van de bedwelming er achteraan - merkte Hij met Zijn liefdevolle blikken op dat je je voor Hem verboog? (13) Laten we het deze klimplanten vragen, zelfs al omklemmen ze de armen van hun meesterboom; ze hebben zeker notie genomen van de aanraking van Zijn vingernagels, zie hoe hun oppervlak zich welft van de vreugde!'

(14) De gopî's zich aldus doldwaas uitlatend raakten, op drift in hun speurtocht naar Krishna, volledig in Hem verzonken met het inderdaad door eenieder van hen naspelen van de spelletjes van hun Heer van Fortuin. (15) Een van hen dronk als Krishna bij een andere die Pûtanâ speelde als was ze een kind aan haar borst, terwijl een andere zich opstelde als de kar die door de voet van een huilende andere om werd geschopt [zie hoofdstukken 10.6 en 7]. (16) Een gopî die Krishna nadeed werd weggedragen door een andere gopî die een Daitya imiteerde [Trinâvarta, zie 10.7] terwijl weer een andere rondkruipend haar enkelbelletjes liet tinkelen met het achter zich aanslepen van haar voeten. (17) Twee optredend als Krishna en Râma en een paar die de gopa's nadeden doodden er een die Vatsâsura nabootste terwijl nog twee anderen Bakâsura deden [zie 10.11]. (18) Net als Krishna roepend naar de koeien ver weg werd er een, die spelend deed alsof ze de fluit liet klinken, door de andere gopî's geprezen met 'Goed zo!' (19) Een van hen liep rond met een arm over een schouder gelegd en verklaarde: 'Kijk, ik ben Hem, die zich zo gracieus beweegt!' en hield op die manier haar geest op Hem gevestigd. (20) 'Weest niet bang voor die wind en regen, door Mij is in jullie verlossing voorzien' aldus sprak er een die er met één hand in slaagde haar bovenkleed omhoog te houden [alsof het de heuvel Govardhana was, zie 10.25]. (21) O meester der mensen, eentje die bovenop een andere klauterde verklaarde met haar voet op haar hoofd: 'O valse slang, ga weg, Ik heb geboorte genomen als degene die er is om de afgunstigen te bestraffen!' [zie 10.16] (22) Toen zei er een: 'O gopa's, zie die bosbrand zo fel; doe snel jullie ogen dicht, Ik zal voor jullie bescherming zorgen alsof het niks is!' (23) Een slanke gopî met een bloemenslinger vastgebonden door een andere gopî zei: 'Nou heb ik Je te pakken, ik bind Je aan het stampvat vast, Jij pottenbreker en boterdief!' en met dat gezegd bedekte er een haar gezicht en mooie ogen doend alsof ze bang was.

(24) Op deze manier overal in Vrindâvana navraag doend bij de bomen en de klimplanten zagen ze op een plek in het bos de Allerhoogste Ziel Zijn voetafdrukken: (25) 'Werkelijk, dit zijn duidelijk de voetafdrukken van de zoon van Nanda zoals de vlag, de lotus, de bliksemschicht, de korenaar en de olifanten drijfstok dat laten zien [zie voetnoot*]. (26) Met het natrekken van Zijn pad aan de hand van de verschillende voetafdrukken merkten de meisjes tot hun grote teleurstelling op dat die helemaal samenvielen met de voetafdrukken van één van hen, waarop ze zeiden: (27) 'En aan wie van ons behoren deze voetafdrukken toe die hier samengaan met de zoon van Nanda; over wiens schouder heeft Hij als een stier met een wijfjesolifant Zijn arm gelegd? (28) Hij moet zeker volmaakt aanbeden zijn [ârâdhitah, zie Râdhâ] als de Allerhoogste Ene Heer en Beheerser aangezien Govinda behaagd, ons heeft laten zitten en Haar apart heeft genomen. (29) O meisjes, heilig de stofdeeltjes van Govinda's lotusvoeten die door Brahmâ, S'iva en Ramâdevî [Lakshmî] op hun hoofden worden genomen om de zonden te verdrijven. (30) Voor ons zijn deze voetafdrukken meer verontrustend want wie van ons gopî's werd er nou apart genomen om in afzondering van Acyuta's lippen te genieten? Kijk, hier kunnen we haar voeten niet meer zien, de grashalmen en twijgjes hebben zeker de zolen van haar tere voeten pijn gedaan zodat Haar geliefde Zijn lieveling heeft opgetild. (31) Zijn liefje dragend gingen de voetafdrukken veel dieper, kijk toch eens o gopî's, hoe, gebukt onder het gewicht, ons zo intelligente voorwerp van verlangen Krishna Zijn vriendin hier neer heeft gezet om wat bloemen te plukken. (32) En zie deze halve voetafdrukken hier; om bloemen de verzamelen voor Zijn Beminde Liefje maakte de Geliefde deze afdruk met het op Zijn tenen staan. (33) En om verder Haar haar te schikken ging de Liefdevolle met Zijn smachtende meisje om precies te zijn hier neerzitten om voor Zijn Geliefde met die bloemen een krans te maken.'

(34) [S'rî S'uka zei:] Hij, hoewel Hij in de Ziel volmaakt tevreden was en in Zichzelf volkomen, had een goede tijd met Haar en demonstreerde daarmee de gevallen staat kenmerkend voor verliefde mensen, alsmede het op zichzelf gerichtte van het vrouwlijke ervan. (35-36) Op deze manier aldus blijk gevend voor welke gopî Krishna de andere vrouwen, de gopî's die helemaal verdwaasd ronddoolden in het bos, had verlaten, dacht Zij daarvan van Zichzelf: 'Met Mij als de beste van alle vrouwen, heeft Hij, de gopî's afwijzend die zich laten leiden door lust, Mij aanvaard als Zijn Geliefde!'

(37) Op weg toen naar die plek in het bos zei Zij, trots rakend, tot Krishna: 'Ik kan niet meer verder gaan, draag Me alsJeblieft waarheen Je maar wilt'.

(38) Aldus aangesproken zei Hij tot Zijn Geliefde: 'Klim maar op Mijn rug' en met deze woorden verdween Krishna tot het grote verdriet van Zijn gezellin.

(39) 'O Meester, o Minnaar, o Liefste, waar ben Je nou, waar ben Je? O met Je machtige armen, alsJeblieft Mijn vriend laat Jezelf zien aan Mij, Je treurende dienstmaagd!'

(40) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die niet ver daar vandaan het spoor van de Opperheer volgden ontdekten hun ongelukkige vriendin in staat van verbijstering over het feit dat Ze was gescheiden van Haar Geliefde. (41) Tot hun opperste verbazing hoorden ze Haar zeggen dat Ze Mâdhava's respect had verworven maar dat Hij ook als gevolg van de houding die ze aannam Haar had laten zitten. (42) Ze gingen daarop voor zover het licht van de maan dat toestond het woud in, maar toen ze zichzelf in het duister zagen belanden zagen de vrouwen er van af. (45) In Hem opgegaan, Hem besprekend, Hem naspelend en vervuld van Zijn aanwezigheid eenvoudig Zijn kwaliteiten bezingend, herinnerden ze zich niet langer hun huishoudens [zie ook 7.5: 23-24]. (44) Terugkerend naar de oever van de Yamunâ mediteerden ze, allen samenzingend, op Krishna, terwijl ze reikhalzend Zijn aankomst afwachtten.'    

Voetnoten:

* In de Skanda Purâna vindt men een verklaring van deze [in totaal negentien] merktekens: 'Onderaan bij Zijn grote teen op de rechtervoet, draagt de Ongeboren Heer het merkteken van de schijf, welke de zes [mentale] vijanden de pas afsnijdt. Onder aan zijn middelteen van diezelfde voet heeft Heer Acyuta een lotusbloem, welke het verlangen naar Hem doet toenemen in de geesten van de bij-achtige toegewijden die op Zijn voeten mediteren. Onderaan Zijn kleine teen is er een bliksemschicht, die de bergen van terugslagen van zonden in het verleden van de toegewijden vernietigt, en midden op Zijn hiel treft men het merkteken van de olifantendrijfstok aan, welke de olifanten van de geesten van de toegewijden onder controle brengt. Het kootje van zijn rechter grote teen draagt het kenmerk van de korenaar, die allerhande genietbare weelde vertegenwoordigt. Een bliksemschicht wordt aangetroffen aan de rechter kant van Zijn rechtervoet, en een olifantendrijfstok daaronder.' zie de Vedabase van 10.30: 25 voor verdere informatie.

 

Hoofdstuk 31

De Gezangen van de Gopî's in Gescheidenheid

(1) De gopî's zeiden: 'Door Jouw geboorte is het land van Vraja almaar heerlijker en verblijft de Godin van het Geluk daar onophoudelijk; inderdaad, o geliefde, moge men Jou in alle richtingen aantreffen, Jij voor wie Je toegewijden op zoek naar Jou hun levensadem gaande houden. (2) Als Jij hier niet bent, o Fijnste der Genade, maak Jij, met de schoonheid van Je blik, welke de exquisiete schoonheid van het hart van de lotus overtreft die zo volmaakt groeide in het herfstmeer, een einde aan het leven van ons, de dienstmaagden die zich aan Jou gaven zonder iets terug te verwachten, o Heer van de Liefde; is dat geen moord? (3) Telkens weer, o Grootste Persoonlijkheid, zijn we door Jou beschermd tegen al het angstwekkende: tegen het teloor gaan door het water [van Kâliya, 10.16], tegen de demon [Agha, 10.12], tegen de regens, de storm en de bliksemschichten [van Indra, 10.25] en tegen de stier en de zoon van Maya [de incidenten met Arishthâsura en Vyomâsura die S'uka later bespreekt]. (4) O Vriend, voorwaar ben Jij die tevoorschijn trad in de dynastie van Je toegewijden [de Sâtvata's] niet de zoon van een gopî [Yas'odâ]; Jij vormt de Heerlijkheid van de ziener, het innerlijke bewustzijn van alle belichaamde wezens, o Jij die verscheen op verzoek van Brahmâ [aldus genaamd Vikhanasâ, 'hij die opgraaft', zie 3.8: 16 en 10.14] die bad voor de bescherming van het universum. (5) Jij die de hand van de godin beet nam, o beste van de Vrishni's, bracht de onbevreesdheid voor hen die in de angst van hun materiële bestaan Jouw voeten benaderden; alstJeblieft, o Minnaar beantwoordend aan de verlangens, leg Je lotushand op onze hoofden. (6) O Vernietiger van het lijden van de bewoners van Vraja, o Held van de vrouwen die middels Zijn eigen glimlach de valse lach van de mensen doet vergaan, accepteer alstJeblieft, o Vriend, ons, die Je eeuwige dienstmaagden zijn; alstJeblieft laat Je prachtige lotusgezicht zien. (7) Jij die van de belichaamden overgegeven aan Jou de zonden wegneemt, die achter de grazers aangaat, die het verblijf van de godin bent, die Zijn voeten plaatste op de kragen van het serpent; alstJeblieft plaats Je lotusvoeten op onze borsten en ban de lust uit onze harten. (8) O Jij met Je lotusogen, door Jouw lieve charmante stem en woorden zo aantrekkelijk voor de intelligenten, zijn deze dienstmaagden, o Held, hun verstand aan het verliezen; alstJeblieft breng ons weer bij zinnen met de nectar van Je lippen. (9) Je zoete verhandelingen zoals beschreven door de grote denkers wekken, al de zonden verdrijvend, de gekwelden weer tot leven en geven, beladen met spirituele macht, als men ze hoort het geestelijk voordeel; o hoe weldadig de personen die met gezang die verhalen verspreiden over gans de wereld [*].

(10) We zijn er gelukkig mee op Je liefdevolle glimlachen vol goddelijke liefde, Je blikken en op Je wederwaardigheden te mediteren, maar de onderonsjes in het geheim, welke ons in ons hart raken, o schurk, brengen onze geesten van streek! (11) Als Je Vraja verlaat om de dieren te hoeden, o Meester, kwelt ons dat, en voelen we ons ongemakkelijk vanbinnen, o Minnaar, als we denken aan de zaaddozen, grassen en opschietende planten die zo scherp zijn voor Je voeten die nog prachtiger zijn dan een lotus, o Meester. (12) Als Je tegen de avond Je blauw-zwarte lokken en lotusgezicht weer laat zien dicht overdekt met stof, wek Je telkens weer opnieuw Cupido op in onze geesten, o Held. (13) Met het vervullen van de verlangens van hen die zich verbuigen, met het aanbeden zijn door hem die op de lotus zijn geboorte nam [Brahmâ], schenken de lotusvoeten, die de pracht van de aarde vormen en het juiste voorwerp zijn om op te mediteren in tijden van nood, de hoogste voldoening; dus alstJeblieft o Minnaar, o Verdrijver van de Angst, plaats Je voeten op onze borsten. (14) Door de klanken van Je fluit neemt het geluk van de liefde toe en wordt het lijden vernietigd; overvloedig gekust [door Jou] zijn de gehechtheden aan andere personen vergeten - alstJeblieft, o Held, laat ons delen in de nectar van Je lippen! (15) Als Je overdag weggaat wordt voor hen die Je krullende haarlokken en Je prachtige gezicht niet zien, een enkel moment als een eeuwigheid; en hoe dwaas jegens hen die de aanblik dan is vergund is niet hij [Brahmâ] die de oogleden geschapen heeft! (16) Totaal onze echtgenoten, kinderen, voorouders, broers en andere verwanten verwaarlozend zochten we Jouw aanwezigheid o Acyuta, Jij die op de hoogte bent van onze beweegredenen; o bedrieger, hoe kon Je nu de vrouwen in de steek laten wiens geesten van slag waren door het heldere geluid van Je fluit in de nacht! (17) Privé ons onderhoudend en de lust opkomen voelend in onze harten, je ziend met Je glimlachende gezicht en liefdevolle blikken en met Je brede borst die het verblijf is van de godin, zijn onze geesten, gek van verlangen, keer op keer op hol geslagen door Jou. (18) Jouw zo tere lotusvoeten plaatsen wij, o liefde, zachtjes op onze borsten bevreesd dat het bos waar Je in rondtrekt te ruig voor ze is; wij, die de Heerlijkheid van Jou tot ons eigen leven rekenen, zijn met onze fladderende geesten er bezorgd over dat ze niet te lijden hebben onder kleine steentjes en dergelijke.' [zie verder ook de S'rî S'rî S'ikshâshthaka] 

Voetnoten:  

* De leerlingen van Prabhupâda refereren hier aan het volgende verhaal: 'Koning Pratâparudra reciteerde dit vers voor S'rî Caitanya Mahâprabhu tijdens het Ratha-yâtrâ festival van Heer Jagannâtha. Terwijl de Heer rustte in een tuin, deed Koning Pratâparudra nederig zijn intrede en begon hij Zijn benen en lotusvoeten te masseren. Toen reciteerde de Koning het Eenendertigste Hoofdstuk van het Tiende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam, de gezangen van de gopî's. De Caitanya-caritâmrita onthult dat toen Heer Caitanya dit vers hoorde, beginnende met tava kathâmritam, Hij terstond oprees in extatische liefde en Koning Pratâparudra omhelsde. Het voorval wordt in detail beschreven in de Caitanya-caritâmrita (Madhya 14.4 - 18), en in zijn uitgave heeft S'rîla Prabhupâda er een uitgebreid commentaar bij gegeven.'

  

Hoofdstuk 32

Krishna Keert Terug naar de Gopî's

(1) S'rî S'uka zei: 'En zo gingen de gopî's maar door met zingen en praten, vertederend hardop huilend, smachtend, o Koning, naar de aanwezigheid van Krishna. (2) De zoon van Vasudeva [ofwel S'auri, 'de Zoon van de Held'], de Verdwazer van [Cupido] de Verdwazer van het verstand, verscheen recht voor hun ogen glimlachend met Zijn lotusgelijke gezicht, gekleed in een geel gewaad en met een bloemenslinger om. (3) Toen ze Hem, hun teerbeminde, weer teruggekeerd zagen, openden de meisjes vol van liefde hun ogen wijd en stonden ze allen tegelijkertijd op alsof het leven weer in hun lichamen was teruggekeerd. (4) Één van hen greep verheugd de hand van S'auri met gevouwen palmen terwijl een andere Zijn arm, met sandelhoutpasta opgesierd, over haar schouder legde. (5) Één slanke met haar handen bij elkaar nam de resten van de bethel die Hij had gekauwd, terwijl weer een andere Zijn lotusvoeten greep en ze op haar brandende borsten plaatste. (6) Één, met samengetrokken wenkbrauwen op haar lippen bijtend wierp aangeslagen, buiten zichzelf in haar liefde voor God, zijdelingse blikken van opzij alsof ze Hem wat aan wilde doen. (7) Een andere [Râdhâ naar verluid] die met starende ogen zich laafde aan Zijn Lotusgezicht kon, ook al had ze de volle smaak, er net als de heiligen mediterend op Zijn voeten geen genoeg van krijgen. (8) Één van hen, plaatste Hem via de openingen van haar ogen in haar hart en bleef Hem daar met de ogen dicht omhelzen, waarbij haar haren rechtovereind stonden verzonken zijnde in extase als was ze een yogi. [*] (9) Allen een vreugde van de hoogste orde ervarend bij de aanblik van Kes'ava, gaven de treurnis van hun afgescheidenheid op, precies zoals mensen dat in het algemeen doen als ze een verlichte ziel ontmoeten. (10) Temidden van hen, die geheel waren bevrijd van hun verdriet, schitterde Acyuta, de Opperheer, zelfs nog meer, mijn beste, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid omringd door Zijn bovenzinnelijke vermogens. (11-12) De Almachtige die hen met Zich meenam belande met hen op de zachte zandbanken van de Yamunâ die de zegenrijke rivier had bijeen gebracht met de handen van haar golven. Daar bloeiden de kunda- en mandârabloemen met hun bijen geurig in het herfstbriesje terwijl de maan, helder schijnend, met zijn stralen het duister van de nacht verdreef. (13) Door de extase Hem weer te zien werd de pijn van het verlangen in hun hart verdreven; ze bereikten de uiteindelijke vervulling van hun zielen, zoals dat uit de doeken wordt gedaan in de geschriften, met het arrangeren van een zitplaats voor hun beminde vriend met behulp van hun omslagdoeken die besmeurd waren met het kunkuma van hun borsten [zie ook 10.87: 23]. (14) Hij, de Allerhoogste Heer en Beheerser, voor wie de yogameesters een zitplaats reserveren in hun harten, aldaar in volle luister neerzittend werd, aanwezig temidden van de gopî's, en op die manier Zijn persoonlijke gedaante tentoonspreidend, aanbeden als het enige echte reservoir van alle schoonheid en weelde in de drie werelden. (15) Hij, de Opwekker van Cupido, geëerd met glimlachen, met speelse blikken, met suggestieve wenkbrauwen en met het masseren van de voeten en handen op hun schoten, werd door hen aanbeden, maar nog steeds ietwat boos zijnde richtten ze zich tot Hem. (16) De fijne gopî's zeiden: 'Sommigen beantwoorden de liefde van hen die hen respecteren, sommigen tonen respect [voor hen die handelen] waarbij dat niet zo is en sommigen zijn met geen van beide van de liefde; alstJeblieft o liefste, zeg ons hoe het nu feitelijk zit.'

(17) De Opperheer zei: 'Zij die als vrienden wederzijds elkaar tegemoetkomen, enkel terwille van zichzelf, zijn in dat ondernemen waarlijk niet naar het principe bezig, niet van ware vriendschap; ze zijn enkel uit op hun eigen voordeel. (18) Zij die vol toewijding van genade zijn met hen die niet wederkerig zijn, zoals ouders dat b.v. zijn, zijn foutloos naar het principe in dezen en van ware vriendschap, o slanke meisjes. (19) Sommigen zijn er zeker van zelfs niet de liefde te beantwoorden van hen die toegewijd zijn; wat moet men zeggen van hen die niet wederkerig zijn, van de [spiritueel] in zichzelf tevredenen, van hen die al hun verlangens vervuld zien, van de ondankbaren en van hen die vijandschap koesteren jegens de achtenswaardigen? (20) Ik dan Mijn vriendinnen, beantwoord niet altijd de liefde van hen die van aanbidding zijn zodat hun [- en jullie -] toeneiging zijn beslag kan krijgen en er met hen, zoals dat gaat met een arme drommel die vol van angst is zijn verworven rijkdom te verliezen, geen gedachte bestaat aan iets anders [zie ook B.G. 4: 11 en 10.29: 27]. (21) Aldus met het door jullie om Mijnentwille weerstaan van wat de mensen, de geschriften en jullie verwanten allemaal zeggen verdween Ik uit het zicht Mijn beste meisjes, in feite inderdaad wederkerigheid betrachtend met jullie inschikkelijkheid jegens Mij [**]; daarom moeten jullie je Geliefde geen verwijten maken, Mijn liefjes. (22) Zelfs niet zolang levend als een god in de hemel ben Ik in staat jullie terug te betalen voor jullie onbevangen aanbidden van Mij; laat dat breken met de zo moeilijk te boven te komen ketenen van jullie burgermansleventjes worden beantwoord [worden beloond] door zijn eigen deugd.'  

Voetnoten:

 * S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura stelt dat de zeven gopî's waar tot dusverre sprake van is in dit hoofdstuk de eerste zeven van de acht belangrijkste gopî's zijn waarvan de S'rî Vaishnava-toshanî in een vers de namen geeft als zijnde Candrâvalî, S'yâmalâ, S'aibyâ, Padmâ, S'rî Râdhâ, Lalitâ en Vis'âkhâ. De achtste wordt begrepen als zijnde Bhadrâ. De Skanda Purâna verklaart dat deze acht gopî's de belangrijkste zijn onder de drie miljard gopî's en Râdhâ is, zoals bevestigd door Padma Purâna, Brihad-gautamîya-tantra en de Rig-paris'ishtha, de Heer Zijn meest geliefde.

** In feite levert onderbroken bekrachtiging zoals gepraktiseerd door Krishna zo vluchtig hier, de sterkste band op zo bevestigt de moderne gedragswetenschap; en zo zijn er met al Zijn religies overal in de wereld dagen van materieel gemotiveerde arbeid waarin we Hem niet zien, met Zijn verdwijnen naar de achtergrond, en dagen van gebed waarin we Hem wel tegemoet treden.

   

Hoofdstuk 33

De Râsadans

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopî's, die alzo de allerbekoorlijkste woorden van de Allerhoogste Heer hoorden, gaven, met hun bereidwillige harten tevreden door [het aanraken van] Zijn ledematen, het op met het [gekoesterde] leed van hun in de steek gelaten zijn. (2) En daar ging Govinda toen over tot een dans [een z.g. râsa, of een spel] waarin de trouwe juwelen van vrouwen voldaan zich arm in arm geslagen samenvoegden.

(3-4) Het feestelijke vermaak nam zijn aanvang met de gopî's in een kring die werd opgesierd door, in hun midden, Krishna, de Beheerser van de Mystieke Eenheid, die de vrouwen, paarsgewijze aanwezig naast Hem, bij hun nekken vasthield. Op dat ogenblik dromden in de hemel honderden hemelse voertuigen samen van hemelbewoners en hun vrouwen wiens geesten in staat van vervoering verkeerden in de ijver van hun respect. (5) Toen klonken er pauken en een regen van bloemen kwam naar beneden terwijl de belangrijkste zangers van de hemel met hun vrouwen Zijn onberispelijke heerlijkheid bezongen. (6) In de kring van de dans was er een luid rumoer van de armbanden, de enkel- en de gordelbelletjes van de vrouwen die tezamen waren met hun Geliefde. (7) De Opperheer, de zoon van Devakî, zag er daar met hen net zo schitterend prachtig uit als een uitgelezen [blauwe] saffier temidden van gouden sieraden. (8) De manier waarop ze hun voeten neerzetten, door hun handgebaren, hun glimlachen en speelse wenkbrauwen en hun wiegende heupen; door hun bewegende borsten, hun kleren, hun oorbellen langs hun halzen en hun transpirerende gezichten; met de vlechten van hun haar, hun gordels strak aangetrokken en hun zingen over Hem, straalden ze in de rol van Krishna's metgezellen als bliksemflitsen tussen de wolken. (9) Hardop zongen zij, van wiens lied het hele universum doordrongen is, vanuit hun gekleurde kelen, blij dansend, genietend in hun toewijding tot de aanraking van Krishna. (10) Een gopî die samen met Krishna[- 's stem haar stem] hief in zuivere tonen van pure harmonie werd door Hem geprezen die verheugd uitriep: 'uitstekend, uitstekend!' en een andere die meedeed in een speciaal ritmisch patroon schonk Hij veel bijzondere aandacht. (11) Een bepaalde gopî [Râdhâ waarschijnlijk], stond er, met haar armbanden en bloemen losgegleden, vermoeid bij buiten de dans en greep met haar arm de schouder van de Meester van de Plechtigheid ['Hij die de knots vasthoudt']. (12) Ergens anders legde er een Krishna's arm, geurig als een blauwe lotus, over haar schouder en kuste die met haar haren overeind de geur van sandelhout opsnuivend. (13) Weer een andere prachtig met de schittering van haar, door het dansen, slingerende oorhangers, vleide haar wang tegen de Zijne en kreeg de bethel toebedeeld waarop Hij had gekauwd. (14) Een van hen die met Krishna staande aan haar zijde aan het dansen en zingen was met tinkelende enkel- en gordelbelletjes, plaatste, zich moe voelend, Acyuta's zegenrijke lotushand op haar borsten. (15) De gopî's die met Zijn armen om hun nekken de Onfeilbare Heer, de Exclusieve Minnaar van de Godin van het Geluk, hadden bereikt als hun minnaar, waren erover verrukt Hem te bezingen. (16) Met de lotusbloemen achter hun oren, hun haarlokken die hun kaken opsierden, de schoonheid van hun bezwete gezichten en het ritme van de harmonieuze geluiden van hun armbanden en belletjes, dansten de gopî's, met de bloemen in hun haar gevlochten eruit gevallen, op het gezoem van de bijen samen met de Allerhoogste Heer rond in het perk van de dans. (17) Hij, de Meester van de Godin van het Geluk, genoot aldus met omhelzingen, aanrakingen van Zijn hand, liefdevolle blikken en brede speelse glimlachen van de jongedames van Vraja net als een jongetje dat speelt met zijn eigen spiegelbeeld. (18) Van het lichamelijk contact met Hem overweldigd in hun zinnen was het voor de dames van Vraja niet gemakkelijk of zelfs maar mogelijk om hun haar, hun kleding en de omslagen over hun borsten keurig in orde te houden zodat hun bloemenkransen en opsier in wanorde verkeerde, o beste van de Kuru's. (19) Met de aanblik van de spelende Krishna raakten de godinnen, rondhangend in de hemel, rusteloos van liefdesverlangens in een trance en vielen de maan en zijn volgelingen [de sterren] in verbazing. (20) Zichzelf expanderend in evenzovele [gedaanten] als er koeherdersvrouwen aanwezig waren genoot Hij, hoewel Hij de in zichzelf voldane Opperheer was, ervan met Zijn Zelven met hen te spelen. (21) Van hen, vermoeid van het plezier van de romantiek, wiste Hij met Zijn hoogst rustgevende hand in liefdevol medeleven de gelaten, mijn beste. (22) Zeer blij met de aanraking van Zijn vingernagels bezongen de gopî's de wederwaardigheden van hun Held, Hem vererend met de nectar van de schoonheid van hun glimlachen, blikken, kaken en haarlokken, goud glanzend in de gloed van hun oorhangers.

(23) Met Zijn bloemenslinger geplet en besmeurd met de kunkuma van hun borsten, ging Hij, als de aanvoerder der Gandharva's onder begeleiding van de gezwind volgende bijen, moe zijnde, met de bedoeling de vermoeidheid te verdrijven, het water in ongeveer zoals een mannetjesolifant dat doet met zijn wijfjes na de irrigatiedijken [of de normale gedragsregels] doorbroken te hebben. (24) In het water werd Hij van alle kanten nat gespetterd door de meisjes die Hem met liefde en lachen in de gaten hielden, mijn beste, en aanbeden vanuit de hemelse voertuigen met een regen van bloemen vermaakte Hij, die persoonlijk altijd vanbinnenuit behaagd is, zich ermee aldaar te spelen als de koning der olifanten [zie ook 8.3]. (25) Net als een olifant met zijn wijfjes druipend van de bronst kwam Hij toen, omringd door Zijn zwerm bijen en vrouwen, aan in een bosje nabij de Yamunâ dat overal volhing met de door de wind meegevoerde geur van de bloemen in het water en op het land. (26) Op deze manier bracht Hij, de Waarheid van alle Verlangen, met Zijn vele liefhebbende vriendinnetjes de nacht door die zo helder was door de stralen van de maan. Daarbij manifesteerde Hij in Zichzelf alle romantische gebaren in Zijn genieten van de herfstnachten die zo inspireren tot poëtische beschrijvingen van bovenzinnelijke gemoedsgesteldheden [of rasa's].'

(27-28) S'rî Parîkchit zei: 'Om het dharma te vestigen en de opstandigen te onderwerpen, daalde Hij neder, de Allerhoogste Heer, de Beheerser van het Universum met Zijn volkomen deelaspect [Balarâma]. Hoe kon Hij, de oorspronkelijk woordvoerder, uitvoerder en beschermer van de morele gedragscodes, zich zo in tegenspraak gedragen o brahmaan, met het betasten van andermans vrouwen? (29) Wat had Hij, zo in Zichzelf tevreden, in gedachten met deze welzeker verwerpelijke vertoning, o beste der gezworenen, alstublieft verlos ons van onze twijfel in dezen.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Het breken met wat dharma is en de onnadenkendheid, zoals men die kan aantreffen bij spiritueel gezaghebbenden, betekent nog niet dat ze verkeerd bezig zijn. Het is met hen als met een allesverzengend vuur [dat hetzelfde blijft ongeacht wat het verteert]. (31) Iemand die de beheersing niet gegeven is [over zichzelf] moet er zeer zeker niet aan denken ooit zoiets als dit te doen; zo'n iemand, handelend uit dwaasheid, zou eraan kapot gaan, net zoals iemand anders dan Rudra ten gronde zou gaan met [het drinken van] het vergif van de oceaan [zie 8.7]. (32) Waar zijn de woorden van degenen die de zaak in de hand hebben [met de Heer en met zichzelf] en wat ze doen behoort door mensen die intelligent zijn [alleen maar] in een aantal gevallen als voorbeeld te worden genomen, namelijk in die gevallen waarin er sprake van is dat wat ze doen in overeenstemming is met wat ze zeiden [zie * en tevens B.G. b.v. 3: 6-7, 3: 42, 5: 7]. (33) Zo goed als er voor hen die egoloos handelen geen voordeel te behalen valt met wat ze in hun vroomheid doen zullen zij ook geen nadeel ondervinden als ze tegengesteld aan de verwachtingen handelen. (34) Hoe kunnen we nu in verband met de Heer die heerst over al de geschapen wezens, al de dieren, de menselijke wezens en de bewoners van de hemel, spreken over goed en kwaad? (35) De wijzen, wiens karmische gebondenheid met het dienen van het stof van de lotusvoeten allemaal is weggewassen, vinden met de macht van de yoga hun tevredenheid en handelen vrijelijk, zij raken, door Hem, nimmer verstrikt; in welke zin zou er ook sprake zijn van gebondenheid onder hen die naar Zijn wil lichamen van bovenzinnelijkheid hebben aangenomen? [zie vapu]. (36) Hij die binnenin de gopî's en hun echtgenoten, ja werkelijk binnenin alle belichaamde wezens, leeft als de Allerhoogste Getuige, heeft Zijn gedaante aangenomen om in deze wereld Zijn spel te spelen. (37) Met het aannemen van een menselijk lichaam om Zijn toegewijden Zijn genade te tonen, gaat Hij over tot avonturen waardoor men erover vernemend aan Hem verslingerd raakt [zie ook 1.7: 10]. (38) Hoewel de koeherders van Vraja allen begoocheld waren door de macht van Zijn mâyâ waren ze niet jaloers op Krishna; ze gingen er allen van uit dat hun vrouwen aan hun zijde stonden. (39) Ook al wilden ze het niet, toch gingen de gopî's, de liefjes van de Allerhoogste Heer, op Krishna's aanraden weer naar huis toen die [eindeloze] nacht van Brahmâ om was. (40) Een ieder die met geloof luistert naar of een beschrijving geeft van dit spel en vermaak van Heer Vishnu met de koeienmeisjes van Vraja, zal de bovenzinnelijke toegewijde dienst aan de Allerhoogste Heer bereiken, hij zal snel tot zichzelf komend de ziekte van de lust in het hart weten te verdrijven.'

 Voetnoot:

* S'rî Hayes'var Das, de vertaler van de eerste Canto's en het Krishnaboek in het Nederlands schreef in zijn latere dichterlijke © versie 'Het Spel van Krishna' van het tiende Canto er dit vers van:

Wat groten leren is volmaakt;
Niet steeds voorbeeldig is hun doen:
Een schrander mens volge hen slechts
In daden met de leer verzoend.

 

Hoofdstuk 34

Sudars'ana Verlost en S'ankhacûda Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag gingen de gopa's vol van ijver voor God met ossenkarren op reis naar het Ambikâwoud. (2) Daar badend in de Sarasvatî vereerden ze met de nodige hulpmiddelen devoot de machtige halfgod Pas'upati [S'iva als de heer der dieren] en de godin Ambikâ [*], o Koning. (3) Respectvol schonken ze koeien, goud, kleding en met honing vermengde, zoet smakende granen aan al de brahmanen en baden ze daarbij: 'devo nah prîyatâm' ['moge de Here God behaagd zijn']. (4) Naar strikte geloften levend op enkel water [zie 8.16] brachten de hoogst gezegende Nanda, Sunanda [Nanda's jongere broer] en de anderen die nacht door aan de oever van de Sarasvatî. (5) Een of andere gigantische slang daar in de buurt kwam er toevallig heen gegleden op zijn buik en begon Nanda te verzwelgen. (6) Hij, gegrepen door de python, schreeuwde: 'Krishna, o Krishna, mijn beste jongen, red deze overgegeven ziel, deze enorme slang is me aan het verslinden!' (7) Toen ze de kreten hoorden stonden de gopa's onmiddellijk op en grepen ze, onthutst toen ze zagen wat er gebeurde, fakkels om de slang aan te vallen. (8) Hoewel verschroeid door de toortsen liet de slang hem niet gaan maar toen kwam de Allerhoogste Heer, de Meester van de Toegewijden eraan en beroerde hem met Zijn voet. (9) Waarlijk maakte toen die goddelijke aanraking door de Opperheer Zijn voet een einde aan die slechtheid en kon men vanuit het achtergelaten slangenlijf een door de Vidyâdhara's aanbeden gedaante [hun leider dus] zien. (10) De Heer der Zinnen ondervroeg toen de persoonlijkheid die met gebogen hoofd en met zijn lichaam opgesierd met een gouden halsketting schitterend stralend voor Hem stond. (11) 'En met wie hebben wij hier de eer die hier zo prachtig straalt en wonderbaarlijk is om te zien? Vertel Me wat leidde tot dit akelige lot van het veroordeeld zijn tot het aannemen van een schrikwekkende gedaante als deze [zie ook 7.13: 11]?'

(12-13) Het [voormalige] serpent zei: 'Ik ben Sudars'ana, een bepaalde Vidyâdhara welbekend om zijn weelde en verschijning. Ik trok altijd overal rond met mijn hemelwagen. Omdat ik verwaand de wijzen voortgekomen uit Angirâ had uitgelachen werd ik vanwege mijn zonde hen zo te minachten ertoe gedwongen deze kwalijke gedaante aan te nemen. (14) Zij zo mededogend van aard hebben met het uitspreken van deze verwensing mij een zegening toebemeten, omdat aldus, met de aanraking door de voet van de Meester van Alle Werelden, al mijn slechtheid teniet gedaan werd. (15) U, diezelfde persoon die voor de overgegeven zielen de Verdrijver van de angst van een materieel bestaan bent, smeek ik om Uw permissie [terug te mogen keren naar mijn wereld], o U die door de aanraking van Uw voet me bevrijd heeft van de vloek, o Vernietiger van Alle Leed. (16) Ik geef me aan U over o Grootste van Alle yogi's, o Allerhoogste Persoonlijkheid, o Meester der Waarachtigen, alstUblieft gebied mij o God, o Beheerser der Beheersers van het Universum. (17) Toen ik U zag raakte ik terstond bevrijd van de straf van de brahmanen, o Acyuta, U wiens naam eenmaal gezongen ogenblikkelijk een ieder die het hoort zuivert alsook de zanger zelf, om nog maar te zwijgen over wat het betekent om te worden aangeraakt door Uw voet!'

(18) Aldus Hem omlopend met het brengen van zijn eerbetuigingen kreeg Sudars'ana toestemming Zijn aanwezigheid te verlaten zodat hij naar de hemel kon en was Nanda bevrijd uit zijn benarde positie. (19) Getuige te zijn van dat persoonlijke vertoon van Krishna's macht deed de mannen van Vraja versteld staan. Na het voorval rondden ze ter plekke hun geloften af en keerden ze terug naar het koeherdersdorp, o Koning, waarbij ze vol eerbied [onderweg] bespraken wat zich had voorgedaan.

(20) Op een dag daarna [op Gaura-pûrnimâ naar verluid] waren Govinda en Râma, wiens daden zo wonderbaarlijk zijn, in het holst van de nacht in het bos aan het spelen met de meisjes van Vraja. (21) Hun roem werd met charme bezongen door het vrouwvolk dat in liefde verslingerd was aan Hen wiens leden fraai waren opgesierd en ingesmeerd bij de bloemenslingers en de onberispelijke kleding die ze droegen. (22) Vroeg in de nacht eerden de beiden de gerezen maan, de sterren, de jasmijnknoppen die met hun geur de bijen die er gek op waren bedwelmden en het briesje dat de geur meevoerde van de lotussen. (23) De twee bezongen voor het oor en de geest van alle levende wezens het geluk, tezamen van hoog naar laag alle tonen voortbrengend die de toonladder maar te bieden had. (24) De gopî's die hun gezang hoorden hadden vol van bewondering niet in de gaten, o heerser der mensen, dat hun kleren losgegleden en dat hun haar en bloemen in de war raakten. (25) Met de twee aldus zich naar hartelust vermakend tot in het extatische, verscheen er een dienaar van Kuvera ter plekke die de naam S'ankhacûda droeg ['weelde-kruin']. (26) Recht voor hun ogen, o Koning, dreef hij, onbevreesd met hun noodkreten, de verzameling vrouwen die Hen tot hun Heren hadden verkozen in de richting van het noorden. (27-28) Toen Ze zagen hoe zij die Hen toebehoorden als een stelletje koeien door een dief werden ingepikt en uitriepen 'Krishna, o Râma, help ons!', haastten de twee broers Zich achter hen aan. (29) Toen hij de twee er als de Dood en de Tijd aan zag komen werd hij bang en daardoor in de war geraakt liet hij de vrouwen achter en rende hij voor zijn leven. (30) Govinda uit op zijn kruinjuweel rende achter hem aan waarheen hij ook vluchtte, terwijl Balarâma achterbleef om de vrouwen te beschermen. (31) Hem inhalend alsof het niets was sloeg Hij, de Almachtige Heer, met Zijn vuist simpelweg zijn kruinjuweel eraf samen met zijn hoofd. (32) Aldus S'ankhacûda ter dood gebracht hebbend nam Hij het glanzende juweel mee naar Zijn oudere broer en gaf Hij het tevreden aan Hem onder het oog van de gopî's.'

Voetnoten:

* Ambikâ betekent moeder, goede vrouw, een naam schriftuurlijk verbonden met het vrouwlijke van Ûma en Pârvatî in relatie tot Skanda, S'iva of Rudra, als een term van respect. Ambikâvana vindt men in Gujarat provincie, nabij de stad Siddhapura. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura haalt hier autoriteiten aan die claimen dat Ambikâvana zich bevindend aan de oever van de rivier de Sarasvatî [die niet meer bestaat], te vinden is ten noordwesten van Mathurâ. Ambikâvana staat bekend om de beeltenissen van S'rî S'iva en zijn vrouw, de godin Ûma.

 

Hoofdstuk 35  

De Gopî's Zingen van Krishna als Hij in het Woud Rondtrekt

(1) S'rî S'uka zei: 'De gopî's met Krishna weg het bos in, brachten, ongelukkig als ze waren vanbinnen Hem in hun geest najagend, hun dagen door met het luidkeels zingen over Krishna's wederwaardigheden.

 De gopî's zongen:

 

(2-3)

'Met Zijn linker kin naar links

van Zijn arm plaatst Hij,

met Zijn wenkbrauwen bijeen,

de fluit aan Zijn lippen

met Zijn vingers zo teder

op de gaten, o gopî's;

 

alwaar Mukunda zo klinkt

volgen in de lucht de vrouwen

tezamen met de volmaakten,

verwonderd ernaar te luisteren

beschaamd te hebben toegegeven

aan het najagen van hun verlangens

en vergeten ze hun verdriet

dat ze voelden in hun geest,

alsook hun goede manier van doen.  

 

(4-5)

Oh meisjes wat een wonder

om dit te horen van Nanda's zoon,

de schenker van vreugde

aan mensen in moeilijkheden,

als Hij met Zijn stralende glimlach

en vaste bliksemschicht [de S'rîvatsa of de godin] op Zijn borst

Zijn fluit deed weerklinken.

 

De groepjes stieren

gehouden in de wei,

de herten en de koeien

met omhoog hun oren

op een afstand, weerhouden

met hun monden vol hun tanden

van het kauwen en staan stokstijf

als was het een plaatje getekend.

 

(6-7)

Als Mukunda, met een keur

aan [pauwe] veren, [grond-] kleuren en blaadjes,

qua kleding eruitziend als een worstelaar,

met Balarâma en de gopa's,

o beste gopî's, de koeien roept,

 

raakt inderdaad de stroom van de rivieren

verstoord als ze net als wij,

tekortschietend in hun vroomheid,

met hun armen van water

zijn gestopt, bevend van

liefde hunkerend naar

het stof van de lotusvoeten

meegevoerd door de wind.

 

(8-9)

Als Hij als de Ware Persoon

inderdaad, roept met Zijn fluit

om de koeien, naar het kunnen

van Zijn onuitputtelijke weelde

in toonaarden wordt geprezen

door Zijn gezelschap, rondtrekkend

in het woud en op de hellingen,

 

dan buigen de ranken en bomen,

vol van bloemen en vruchten,

uit zichzelf - als toonden ze

Vishnu - zich voorover

zwaar met hun takken,

van liefde dan regenend

stromen van zoet sap

met de begroeiing op hun lijven

overeind in verrukking.

 

(10-11)

Als Hij als de meest

aantrekkelijke om te zien

Zijn fluit heft omhoog,

dankbaar bekennend de dierbare,

sterk zoemende bijenzwerm bedwelmd

door de [subtiel] honingzoete geur

van de tulsîbloemen in de rondte

van Zijn goddelijke slinger, oh dan,

 

komen de kraanvogels en zwanen

en andere vogels in het meer

in hun geest gegrepen

door de charme van het lied

naar voren en betuigen

Hem de eer ogen dicht,

stil blijvend met hun geesten

gehouden in bedwang.

 

(12-13)

O Vraja-devî's, als Hij,

in het gezelschap van Balarâma,

voor de grap een slinger draagt

op Zijn hoofd en op de hellingen

geluk schenkt door Zijn fluit

te laten klinken en de wereld

doet genieten in vreugde,

 

dan biedt het wolkendek, bang

zo'n grootheid te schofferen

in reactie allervriendelijkst

al rommelend en regenend

met bloemen voor zijn Vriend,

zijn schaduw als een scherm.

 

(14-15)

O dame zo vroom [Yas'odâ],

als uw zoon, een expert

in koeienzaken divers

en een genie in soorten stijlen

van spelen, plaatst Zijn fluit

aan Zijn lippen rood als Bimba

om Zijn muziek te doen klinken

zo harmonieus van klank,

 

buigen de meesters van verlichting

als Indra, S'iva en Brahmâ

met het horen van dat panorama,

met de geschoolden voorop

hun hoofden geheel beduusd

voor zichzelf niet in staat

de essentie ervan te kennen.

(16-17)

Als, geëerd door Zijn fluit,

met symbolen van vlag,

bliksemflits, lotus en drijfstok

die Zijn lotus[blaadjes] voeten sieren

de bodem van Vraja,

met Zijn lichaam bewegend

met de gratie van een olifant,

wordt verlost van haar pijn

veroorzaakt door de hoeven [van de koeien],

 

weten wij, met die loop

in het goede van Zijn blikken

zo speels opgewonden

door Cupido, in onze verbijstering,

als bomen blind gestaard,

niet nog langer hoe en wat [de staat is]

van onze kleding en haardracht.

 

(18-19)

Als Hij, met de bloemslinger

met de door Hem gewaardeerde geur

van tulsî, de koeien telt

op een koord kleurige kralen

en dan, met het gooien van Zijn arm

over de schouder van een metgezel

geliefd, zo nu en dan zingt,

 

gaan de vrouwen van de zwarte herten,

de reeën, net als de gopî's

die hun burgerwil eraan gaven,

af op die oceaan van

bovenzinnelijke kwaliteiten

om te zitten aan Zijn zijde

met hun harten gestolen

door het geluid dat Krishna

voortbracht met Zijn fluit.

 

(20-21)

'O dame zonder zonden

uw teerbeminde kind,

de zoon van Nanda,

met een slinger van jasmijn

bij Zijn kleding en omringd

door de gopa's en de koeien

het fijn hebbend aan de Yamunâ,

 

werd, terwijl Hij speelde Zich vermakend

met Zijn metgezellen, geëerd door de wind

zachtjes blazend voor Hem

met de geur van sandelhout

en, omringd door de verschillende

categorieën mindere goden [de Upadeva's],

bedacht met geschenken en betoond de eer

met liederen en klanken instrumentaal.

 

(22-23)

Met zorg voor de koeien

van Vraja en om Zijn voeten

als de heffer van de heuvel [zie 10.25]

geprezen in Zijn eer, werd Hij,

aan het einde van de dag

de kudde koeien bijeendrijvend

en fluitspelend met Zijn maten,

de hele weg lang door

de goden verheven tezamen

in Zijn heerlijkheid geprezen;

 

deze maan uit de schoot

van Yas'odâ, die kwam

met een verlangen te vervullen

de wensen van Zijn vrienden,

was zelfs als Hij moe was

een feest om te zien

met Zijn slinger en kleur

dik onder het stof

opgeworpen door de hoeven.

 

(24-25)

Met Zijn ogen lichtelijk rollend

van bedwelming, erend

Zijn toegenegen vrienden,

Zijn slinger van woudbloemen,

Zijn gezicht wit als een jujube [een badara-pruim],

de glooiing van Zijn kaken

en het prachtig vertoon

van Zijn oorhangers van goud,

is de avontuurlijke Yadu-Heer

in Zijn schoonheid net als

een olifant o zo koninklijk;

 

gelijk de koning van de nacht [de maan]

'savonds weer terug

met Zijn blije gezicht,

verdrijft Hij, om de koeien van Vraja

Zijn genade te tonen,

de moeilijk te verdragen

drukkende hitte van de dag.' 

(26) S'rî S'uka zei: 'Aldus o Koning, genoten de vrouwen van Vraja, met hun harten en geesten verzonken in Hem, van de dag hoog gestemd zingend over Krishna's spel en vermaak.' 

  

Hoofdstuk 36  

De Stier Arishthâsura Verslagen en Akrûra Gestuurd door Kamsa

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Kort daarop kwam toen naar het koeherdersdorp de duivelse stier genaamd Arishtha die een enorme bult had. Met zijn hoeven de grond openrijtend deed hij met zijn lijf de aarde schudden. (2) Zeer hard loeiend en over de grond schrapend met zijn hoeven, met zijn staart omhoog en met de punten van zijn hoorns de aarde omwoelend en kluiten omhoog werpend, liet hij met gloeiende ogen zijn urine en ontlasting bij kleine beetjes lopen. (3-4) De angstwekkende aanblik van zijn scherpe hoorns en zijn bult die wel een berg leek waaromheen de wolken zich samenpakken, deed de gopa's en gopî's dermate beven van de schrik dat door zijn luid weerklinkend gebrul, mijn beste, de vrouwen en de koeien in angst voortijdig hun vruchten verloren in miskramen. (5) De dieren renden in paniek de wei uit, o Koning, terwijl de mensen allen 'Krishna Krishna!' [roepend] Govinda opzochten voor hun bescherming. (6) De Allerhoogste Heer, toen Hij zag hoe de hele koeherdersgemeente moedeloos in angst was weggevlucht, kalmeerde ze met de woorden 'wees niet bang' en riep naar de stier-demon: (7) 'Jij suf kwaadaardig beest, hoe waag je het in de aanwezigheid van Mij, de bestraffer van valse onverlaten als jij, dit koeherdersvolk en hun beesten zo bang te maken?!'

(8) Acyuta, de Heer, aldus zich uitlatend sloeg Zich op de armen om Arishtha kwaad te krijgen met het geluid van Zijn handpalmen en nam er een houding bij aan waarin Hij Zijn slangenarm over de schouder van een vriend gooide. (9) En inderdaad kreeg Hij op die manier Arishtha kwaad die furieus over de aarde schraapte met zijn hoef en Krishna [toen] met zijn staart naar de wolken opgeheven aanviel. (10) Bloeddorstig vanuit zijn ooghoeken starend stormde hij met zijn hoorns recht naar voren op Krishna af, als was hij een bliksemschicht losgelaten door Indra. (11) De Opperheer echter greep hem als een rivaliserende olifant bij de horens vast en wierp hem zes meter naar achteren. (12) Afgeweerd viel hij, zich snel weer herstellend, zwetend over heel zijn lijf opnieuw aan, waarbij hij geestloos in zijn woede zwaar ademde. (13) In zijn aanval werd hij bij de hoorns gegrepen en liet Hij hem met Zijn voet struikelen, zodat hij als een natte dweil tegen de grond klapte. Daarna sloeg Hij op hem in met zijn eigen [afgebroken] hoorn totdat hij plat ging. (14) Bloed spuwend, een lading urine en ontlasting uitscheidend en met zijn poten trappelend vertrok hij toen in pijn met rollende ogen naar het bereik van de Dood. De goden strooiden daarop bloemen over Krishna uit in aanbidding. (15) Op die manier de dik gebulte ter dood brengend betrad Hij, dat feest voor de gopî's hun ogen, onder de lofprijzingen van de tweemaal geborenen, met Balarâma het koeherdersdorp.

(16) Met de demon Arishtha gedood door de Wonderdoener Krishna, richtte zich toen tot Kamsa de machtige Nârada die de visie van God gegeven was [zie 1.6: 25-29]: (17) 'Het meisje van Devakî is Yas'odâ's dochter en Krishna en ook Balarâma, de zoon van Rohinî, zijn van Vasudeva, die beducht Hen bij zijn vriend Nanda onderbracht; zij waren de twee die feitelijk uw mannen ter dood brachten.'

(18) Toen hij dat hoorde greep de heer van Bhoja, buiten zinnen van woede, naar een scherp zwaard om Vasudeva ter dood te brengen. (19) Nârada hield Kamsa tegen [door te zeggen] dat Vasudeva's twee zoons de oorzaak van zijn dood zouden zijn en met dat in gedachten sloeg hij toen hem en zijn vrouw in ijzeren ketenen [zie ook 10.1: 64-69]. (20) Nadat de devarishi toen wegging richtte Kamsa zich tot de demon Kes'î om hem te sturen: 'Jij bent degene aangewezen om die twee, Râma en Kes'ava, te doden'.

(21) Daarop ontbood hij Mushthika, Cânûra, S'ala, Tos'ala en dergelijken, zijn ministers en zijn olifantenverzorgers, tot wie de koning van Bhoja zei: (22-23) 'Beste maten, Mushthika en Cânûra, luister alsjeblieft goed naar wat ik je te zeggen heb. Het blijkt het koeherdersdorp van Nanda te zijn waar de twee zoons van Ânakadundubhi zich ophouden. Mijn dood werd voorspeld zich te voltrekken door [het ingrijpen van] Krishna en Balarâma. Als we Ze zo ver krijgen hier te komen voor een worstelwedstrijd moeten jullie Ze doden. (24) Bouw een ring en verschillende tribunes eromheen - alle onderdanen vanbinnen en buiten de stad moeten er getuige van zijn hoe Zij uit eigen beweging deelnamen aan de wedstrijd. (25) O olifantenverzorger, door jou mijn beste kerel, moet de olifant Kuvalayâpîda naar de ingang van het strijdperk worden gebracht waar mijn vijanden moeten worden vernietigd. (26) Begin met het volgens de voorschriften houden van het boogoffer op de veertiende [Caturdas'î] van de maand en breng een zoenoffer met de daartoe geëigende dieren voor de Heer der Geesten [S'iva], de genadige.'

(27) Met het aldus geven van zijn opdrachten riep hij, slim als hij was in de kunst van het behalen van zijn voordeel, Akrûra ['hij die niet wreed is'], de meest eminente Yadu, bij zich. Hij nam zijn hand in de zijne en zei: (28) 'Beste meester der liefdadigheid, alstublieft verleen me een gunst. Met alle respect, er is niemand onder de Bhoja's en Vrishni's te vinden die zo genadig is als u. (29) Derhalve verlaat ik me op u, o allervriendelijkste, u kwijt zich altijd nuchter van uw taken, net als Indra, de machtige koning van de hemel, die zijn doelen bereikte door zijn toevlucht te zoeken bij Heer Vishnu. (30) Ga naar Nanda's koeherdersdorp alwaar de twee zoons van Ânakadundubhi leven en breng Ze onverwijld naar hier op deze wagen. (31) Zij tweeën zijn, door de goden die de bescherming genieten van Vishnu, erop uitgestuurd op mijn dood te veroorzaken; breng Ze samen met de gopa's onder de leiding van Nanda naar hier, en laat ze de nodige eerbewijzen meebrengen. (32) Hierheen gebracht zal ik Ze door de olifant die zo machtig is als de tijd zelve laten doden, en als Ze daaraan ontkomen, dan zullen mijn worstelaars zo sterk als de bliksem Ze de wereld uithelpen. (33) En als Zij tweeën dood zijn zal ik de getroffen verwanten van wie Vasudeva de leider is ter dood brengen: de Vrishni's, de Bhoja's, en de Das'ârha's [zie nogmaals 10.1: 67]. (34) En zo ook zal ik [tewerk gaan met] mijn oude vader Ugrasena zo begeertig op het koninkrijk en zijn broer Devaka en mijn andere vijanden. (35) En op die manier, o vriend, zullen die doornen in deze wereld worden vernietigd. (36) Met mijn oudere verwant [schoonvader] Jarâsandha en mijn vriend Dvivida en S'ambara, Naraka en Bâna, die inderdaad een sterke vriendschap voor mij koesteren, zal ik, al die samenzweerders van sura koningen om zeep helpend, deze aarde genieten. (37) En nu met deze wetenschap, breng snel de jonge knapen Râma en Krishna naar hier om de boogplechtigheid bij te wonen en de glorie van de Yaduhoofdstad [Mathurâ] te respecteren.'

(38) S'rî Akrûra zei: 'O Koning, aan uw manier van denken om het ongewenste uit te zuiveren mankeert helemaal niets; men moet handelen zonder een verschil te maken tussen de volmaakten en de onvolmaakten, het is per slot van rekenig het lot dat alle resultaten bepaalt. (39) De gewone man, hoewel geplaagd door het lot, handelt verbeten naar zijn verlangens en loopt op tegen geluk en leed. Niettemin zal ik handelen naar uw opdracht.'

(40) S'rî S'uka zei: 'Aldus Akrûra instruerend en ook zijn ministers wegsturend ging Kamsa zijn vertrekken binnen en keerde Akrûra terug naar zijn eigen verblijfplaats.'

  

Hoofdstuk 37

Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Gestuurd door Kamsa [in 10.36: 20] was er toen Kes'î, een gigantisch paard dat, met zijn hoeven de aarde openrijtend en met de snelheid van de geest de wolken en de hemelwagens van de goden uiteendrijvend, met zijn manen en gehinnik allen grote schrik aanjoeg. De Allerhoogste Heer trad, op het geluid van zijn gehinnik en de onrust van de wolken teweeggebracht door zijn staart dat Zijn koeherdersdorp in schrik verzette, daarop naar voren om te vechten en daagde Kes'î uit die naar Hem op zoek brulde als een leeuw. (3) Toen hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen en agressief met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige Heer met zijn benen aan te vallen. (4) Dat ontwijkend greep de Heer van het Voorbije, erop bedacht, hem met Zijn armen bij de benen om hem daarop onverschillig rondslingerend op een afstand van honderd booglengten van Zich af te werpen, erbij staand als was Hij de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt. (5) Hij weer bij bewustzijn komend hief zich op in bittere woede en rende, [zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af die op Zijn beurt met een glimlach Zijn linker arm in zijn mond stak als was het een slang in een hol. (6) Met het in aanraking komen van Kes'î's tanden met de Heer Zijn arm vlogen die eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf en zwol de arm van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnengedrongen op als een verwaarloosde [van waterzucht] zieke buik. (7) Met Krishna's arm aldus uitzettend werd zijn adem tot staan gebracht en viel hij, met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, ontzield neer op de grond. (8) Hij met de Machtige Armen die Zijn arm terugtrok uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd, er bescheiden over Zijn vijand moeiteloos gedood te hebben, vanboven door de gode vereerd met een regen van bloemen.

(9) De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer, o Koning, zei privé tot Krishna die zo moeiteloos was in Zijn handelingen dit: (10-11) 'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o, U meester en allerbeste van de Yadu's; U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die als het vuur schuilgaand in brandhout Zich binnenin het hart ophoudt als de Getuige, de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (12) Als de vluchthaven der intelligentie van de Geestelijke Ziel bracht U allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort en door hen [toen] deze waarheid [van het Universum], met de drijvende kracht waarvan U schept, vernietigt en handhaaft als de Beheerser. (13) U, deze ene [schepper] Zelve bent er voor de vernietiging van de demonen [Daitya's], wildemannen [Râkshasa's] en kwelgeesten [Pramatha's] die zich opwerpen als leiders en ook bent U nedergedaald voor de bescherming van de geheiligden. (14) Tot ons geluk hebt U voor de sport deze demon ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en die met zijn gehinnik de goden die zo waakzaam zijn verschrikt de hemel uitjaagde. (15-20) Overmorgen zal ik er getuige van zijn dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars alsook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood, o Almachtige. Daarna zullen dan volgen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana en Mura zowel als Naraka en zal U de pârijâta-bloem wegkapen en Indra verslaan. In Dvârakâ zal men U, o Meester van het Universum, kennen om Uw trouwen met de dochters der heldhaftigen [de koningen] met het geschenk van Uw heldenmoed, het bevrijden van Koning Nriga van zijn vervloeking, het bemachtigen van het juweel genaamd Syamantaka tezamen met een echtgenote en het naar boven halen van de overleden zoon van een brahmaan [Sândîpani Muni] uit Uw verblijf [van de Dood]. Vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de teloorgang van Dantavakra en de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid [zie ook 3.2: 19, 7.1: 14-15]. Over deze en andere grote wapenfeiten die ik van U tegemoet zal zien tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zullen de dichters van deze aarde zingen. (21) Dan zal ik U zien als de wagenmenner van Arjuna, met wie U de gedaante van de Tijd aanneemt met de bedoeling effectief de vernietiging af te roepen over het geheel van de strijdkrachten van deze wereld. (22) Laat mij naderen tot deze Opperheer die vol is van het zuiverste spirituele gewaar zijn, die in Zijn oorspronkelijke identiteit volkomen vervuld is, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen is tegen te gaan en die bij de macht van Zijn vermogen immer verheven is boven de gang van zaken met de geaardheden van de illusoire, materiële energie. (23) Voor U, de op Zichzelf staande Beheerser, die door het scheppend vermogen van Uw eigen Zelf heeft voorzien in een onbeperkt aantal specifieke omstandigheden zodat U kon optreden en nu de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [die in strijd verkeert] op Zich hebt genomen, buig ik mij diep neer, U de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's.'

(24) S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden die aldus respectvol van eerbetoon was voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging heen erover opgetogen zijnde dat hij Hem had gezien. (25) En Govinda, de Opperheer die Kes'î in de strijd had gedood, hoedde de dieren samen met de koeherdersjongens die zo blij waren met het geluk dat Hij in Vraja bracht. (26) Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, gingen ze op de helling van de heuvel over tot verstoppertje spelen met politie en boefje. (27) Sommigen van hen waren daarin de dieven, sommigen waren de herders, terwijl anderen van hen, o Koning, zich daarbij voordeden als de nietsvermoedende schapen. (28) Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, die zich voordeed in de vermomming van een gopa, speelde voor een van de vele dieven en nam allen die voor schaap speelden mee. (29) De een na de ander werden ze door de grote demon in een berggrot gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven. (30) Ontdekkend waar hij mee bezig was nam Krishna, de aanvoerder der gopa's en beschermer van hen die zuivering zoeken, hem zonder pardon te pakken precies zoals een leeuw een wolf grijpt. (31) De demon die zijn oorspronkelijke gedaante weer aannam die zo groot was als een berg, probeerde zich uit alle macht te bevrijden, maar stevig omkneld verspilde hij zijn krachten, het lukte hem niet. (32) Hem met Zijn armen bedwingend drukte Acyuta hem tegen de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was ie een offerdier [wurgde hem dus]. (33) Met het doorbreken van de geblokkeerde ingang van de grot bevrijdde Hij de gopa's uit hun benarde positie en keerde Hij, onder de lofzang van de goden en gopa's terug naar Zijn koeherdersdorp.'

 

Hoofdstuk 38  

Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

(1) S'rî S'uka zei: 'Akrûra die hooggestemd de nacht doorbracht in de stad Mathurâ [na 10.36: 40], beklom toen zijn wagen en vertrok richting Nanda's koeherdersdorp. (2) Onderweg ervoer hij een buitengewoon sterke toewijding voor de allerfortuinlijkste lotusogige Persoonlijkheid van God en dacht hij derhalve als volgt: (3) 'Welke goede daden heb ik verricht, door welke ernstige boete werd ik gelouterd of van welke andere aanbidding was ik dat ik vandaag Kes'ava mag zien? (4) Mijn reiken tot de aanwezigheid van Hem die Geprezen Wordt in de Geschriften is denk ik voor iemand met een wereldse geest evenzo moeilijk te bereiken als het zingen van vedische mantra's voor iemand van de laagste klasse. (5) Maar genoeg daarover, zelfs voor een gevallen ziel als ik bestaat er een kans om Acyuta te zien te krijgen; soms bereikt iemand die wordt meegesleurd door de rivier van de tijd de andere oever! (6) Vandaag is het onzuivere verdreven en werpt mijn geboorte zijn vrucht af, daar het de lotusgelijke voeten van de Opperheer bemediteerd door de yogi's zijn die ik zal gaan respecteren. (7) Kamsa die me hierheen stuurde heeft me, door me ertoe te bewegen de voeten van de Heer op te zoeken die in deze wereld nederdaalde, werkelijk een grote dienst bewezen; het is bij de gloed van Zijn geronde teennagels dat velen in het verleden zich konden bevrijden van de zo moeilijk te overwinnen duisternis van een materieel bestaan. (8) Het zijn zij [die voeten], aanbeden door Lord Brahmâ, S'iva, de andere halfgoden, door S'rî, de Godin van het Geluk, en door de wijzen tezamen met de toegewijden, waarmee Hij zich voor het hoeden van de koeien met Zijn kameraden rondbewoog in het woud waarin de sporen van de kunkuma van de borsten van de gopî's te vinden is. (9) Zonder twijfel zal ik Mukunda's fraaie kaaklijn en neus te zien krijgen, de glimlachen en de blikken van Zijn roodgekleurde lotusgelijke ogen en het haar dat zich krult rondom Zijn gezicht; en het is inderdaad zo dat de herten me van rechts passeren [een gunstig voorteken]! (10) Zeer zeker zal ik vandaag het genoegen smaken Vishnu recht voor me te zien, de Hemel der Schoonheid te aanschouwen die vanuit Zijn eigen verlangen de last van deze wereld te verlichten de gedaante van een menselijk wezen heeft aangenomen. (11) Hij, hoewel Hij [net als ik] een getuige is van het ware en onware, is verstoken van het idee van een ik en heeft bij dat persoonlijk vermogen van Hem de duisternis en verbijstering uitgebannen van een afgescheiden bestaan [zie ook 2.5: 14, 2.10: 8-9, 3.27: 18-30 en 10.3: 18]; het is Hij die vanbinnenuit werkzaam is, die door de geschapen wezens die zich manifesteren als Hij Zijn blik laat rusten op de materiële energie van Zijn schepping, slechts indirect kan worden waargenomen via de poorten van de vitale adem, de zinnen en de intelligentie in hun lichamen [zie ook 2.2: 35]. (12) De goedgunstige woorden, samengevoegd met de kwaliteiten, handelingen en incarnaties [van Hem en Zijn expansies], maken een einde aan al de zonden in de wereld en schenken leven, schoonheid en zuiverheid aan het ganse universum, terwijl woorden verstoken van dezen worden beschouwd als mooie dingen op een lijk. (13) En nu is zowaar nedergedaald in Zijn eigen geslacht van getrouwen [Sâtvata's] Hij die de gedragscodes handhaaft, Hij die als de leider der onsterfelijken, genoegen verschaffend, Zijn roem verbreidt met Zijn aanwezigheid in Vraja als de Beheerser wiens alles-begunstigende aard de godsbewusten bezingen. (14) Voorzeker zal ik Hem vandaag te zien krijgen, de bestemming en de geestelijk leraar van de grote zielen van al de drie werelden, de ware schoonheid en het grote feest voor allen die ogen hebben, Hij die de gedaante vertoont waar het verlangen van de godin naar uitgaat, die voor mij de vluchthaven is van wie alle zonsopgangen veranderen in een zichtbare zegening. (15) Zo gauw ik uit mijn wagen stap om de voeten te respecteren van de twee Heren, de Leidende Persoonlijkheden waaraan zelfs de mediterende yogi's vasthouden voor hun zelfverwerkelijking, zal ik mij voorzeker voor Hen verbuigen alsook voor de vrienden die met Hen in het bos leven. (16) En als ik dan voor de voeten ben neergevallen zal de Almachtige op mijn hoofd Zijn ene, eigen, lotusgelijke hand leggen die de angst verdrijft voor het serpent van de tijd vanwege wiens gezwinde kracht de mensen zwaar verstoord een veilig heenkomen zoeken. (17) Met het in die hand een respectvolle offergave leggen verwierven Purandara [zie 8.13: 4] en eveneens Bali [zie 8.19] de heerschappij [de positie van Indra] over de drie werelden; het is die hand welke tijdens het spel in aanraking met de dames van Vraja geurig als een welriekende bloem de vermoeidheid wegwiste [zie 10.33]. (18) Naar mij toe zal Acyuta, hoewel ik een boodschapper van Kamsa ben, geen vijandige houding aannemen; Hij die alles binnen en buiten het hart overziet is de Kenner van het veld [van het lichaam, zie B.G. 13: 3], de Kenner die met een volmaakte blik alles ziet, wat er ook geprobeerd of gezocht wordt. (19) Verankerd aan de basis van Zijn voeten met samengevouwen handen zal Hij op mij beminnelijk lachend neerzien zodat met het onmiddellijke uitbannen van alle besmetting middels Zijn blik ik bevrijd zal zijn van twijfel en een intens geluk zal bereiken. (20) Als de beste vriend en als een lid van de familie enkel Hem hebbend als mijn voorwerp van aanbidding, zal Hij me omhelzen met Zijn twee grote armen waarop als gevolg daarvan terstond mijn lichaam geheiligd zal raken en mijn karma-afhankelijke banden minder zullen knellen. (21) Als ik, met gebogen hoofd en gevouwen handen, het fysieke contact heb bereikt, zal Urus'rava ['de vermaarde Heer'] me aanspreken met woorden als 'O Akrûra, beste verwant' en zal aldus vanwege de Grootste van Alle Personen mijn geboorte een succes zijn; inderdaad is hij wiens geboorte niet op die manier wordt geëerd meelijwekkend! (22) Niemand is Zijn favoriet of beste vriend, noch heeft Hij een hekel aan wie dan ook, haat Hij iemand of minacht Hij iemand [zie B.G. 9: 29] en niettemin is Hij wederkerig met Zijn toegewijden [zie ook 10.32: 17-22] daar zij net als [wens-] bomen uit de hemel zijn die als men zich tot hen wendt alles schenken wat gewenst werd [zie Vaishnava Pranâma]. (23) Verder zal Zijn oudere broer, de meest excellente Yadu, glimlachend naar mij, die daar dan staat met een gebogen hoofd, me omhelzen, mijn handen beetgrijpen en me mee naar Zijn huis nemen om me te ontvangen met alle egards en zal Hij navraag doen over hoe Kamsa bezig is met Zijn familieleden.'

(24) S'rî S'uka zei: 'Aldus met zijn wagen onderweg mijmerend over Krishna bereikte de zoon van S'vaphalka [zie 9.24: 15] het dorp Gokula op het moment dat de zon onderging achter de berg, o Koning. (25) De afdrukken van Zijn voeten, waarvan de heersers van alle werelden het zuivere stof op hun kronen houden, zag hij in de aarde van de weidegronden: een prachtige versiering zich aftekenend met de lotus, de korenaar, de olifantendrijfstok en zo meer [zie ook 10.16: 18 en 10.30: 25*]. (26) De extase ze te zien deed in hevige mate zijn opwinding toenemen en zijn haren overeind staan waarbij zijn ogen zich vulden met tranen; van zijn wagen afkomend rolde hij zich [toen] in de voetsporen uitroepend: 'O dit is het stof van de voeten van mijn Meester!' (27) Voor alle belichaamde wezens is dit het levensdoel: om met het voor ogen hebben van de tekenen van de Heer waarover men verneemt en zo meer, de trots, de angst en het verdriet op te geven van het materieel bepaald zijn [door mâyâ, zie 7.5: 23-24].

(28-33) In Vraja zag hij Krishna en Râma die, gestoken in gele en blauwe kleding, met Hun ogen zo mooi als herfstlotussen op weg waren naar waar de koeien worden gemolken. De twee die de toevlucht zijn van de godin waren, blauwig donker en blank van teint, als jongeren hoogst fraai om te zien met machtige armen, aantrekkelijke gezichten en een tred gelijk die van een olifant. Met Hun voeten getekend door de vlag, de schicht, de drijfstok en de lotus verhoogden de grote zielen vol van mededogen met Hun glimlachen en blikken de schoonheid van het weidegebied. Zij wiens wederwaardigheden zo groots waren en aantrekkelijk, waren fris gewassen en droegen halskettingen met juwelen en bloemenslingers, hadden Hun ledematen ingesmeerd met heilzame, geurige substanties en waren onberispelijk gekleed. De twee oorspronkelijke, hoogst uitzonderlijke personen, die de Oorzaak en Heer van het universum zijn [zie ook 5.25], waren voor het welzijn van dat universum nedergedaald in Hun afzonderlijke gedaanten van Balarâma en Kes'ava. O Koning, met Hun uitstraling verdreven Ze, als een berg van smaragd en een berg van zilver opgesierd met goud, in alle richtingen de duisternis. (34) Snel van zijn wagen klauterend wierp Akrûra overmand door gevoelens van liefde zich ter aarde aan de voeten van Râma en Krishna. (35) Toen hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zag was hij, vanwege de vreugdetranen opwellend in zijn ogen en de verrukking [van de extase] die zijn ledematen doortrok, in zijn vervoering niet in staat zich kenbaar te maken, o Koning. (36) De Allerhoogste Heer, de Zorgdrager der Overgegeven zielen, hem [niettemin] herkennend, trok hem met Zijn hand gemerkt met een wagenwiel [de cakra] naar Zich toe en omhelsde hem verheugd. (37-38) Vervolgens werd hij die daar met zijn gezicht naar beneden stond grootmoedig omhelsd door Sankarshana [Râma], die met Zijn hand zijn twee handen beetpakkend hem samen met Zijn jongere broer met Zich meevoerde in huis. Daarna informeerde Hij of zijn reis aangenaam geweest was en waste Hij, zoals dat was voorgeschreven bij wijze van een respectvol eerbetoon, hem zijn voeten met gezoete melk. (39) Een koe wegschenkend in liefdadigheid en vol van respect de vermoeide gast een massage gevend, serveerde de Almachtige hem trouw het juiste voedsel in verschillende smaken. (40) Na het maal voorzag Râma, de Allerhoogste Kenner van het Dharma, met liefde verder nog in kruiderij om de tong van dienst te zijn en in bloemenslingers om de hoogste voldoening te schenken.

(41) Nanda vroeg de geëerde: 'O nakomeling van Das'ârha, hoe vergaat het u met het in leven zijn van de genadeloze Kamsa, die baas die net als een slager is met schapen? (42) Als hij wreed en zelfzuchtig de baby's van zijn eigen zuster tot haar grote verdriet doodde, wat zou dat dan wel niet, zo durf ik te beweren, betekenen voor uw welzijn?'

(43) Aldus door Nanda gepast vereerd met ware en aangename bewoordingen wierp Akrûra de vermoeidheid van de reis van zich af.'

 

Hoofdstuk 39  

Krishna en Balarâma Vertrekken naar Mathurâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij comfortabel gezeten op een bank dermate was vereerd door Râma en Krishna, zag hij [Akrûra] aldus zich alles afspelen dat hij zich onderweg voor de geest had gehaald. (2) Wat zou er met de tevredengestelde Allerhoogste Heer, met de toevlucht van S'rî, niet te bereiken zijn; niettemin verlangen zij die Hem toegewijd zijn nergens naar. (3) Toen het avondmaal was genoten vroeg de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî wat Kamsa in zijn schild voerde in relatie tot Zijn vrienden en verwanten en wat hij verder van plan was. (4) De Opperheer zei: 'O zachtgeaarde, bent u bekomen van de reis? Al het goede zij u toegewenst! Zijn uw vrienden en verwanten en andere metgezellen allemaal gelukkig en gezond? (5) Maar hoe kom Ik erbij te vragen naar ons welzijn, onze verwanten en de onderdanen, zolang als die ziekte van de familie Kamsa, die slechts in naam onze oom is van moederszijde, zich zo te buiten gaat? (6) Denk er eens aan hoe Mijn onschuldige ouders die vanwege Mij door hem gevangen zijn gehouden zwaar te lijden hadden onder hem die de dood van hun zoons op zijn geweten heeft. (7) Vandaag is de wens in vervulling gegaan dat We het goede geluk mogen smaken dat u, Mijn nauwe verwant, Mijn aanwezigheid zoekt, o vriendelijke man; leg alstublieft uit o oom, wat de reden van uw komst is.'

(8) S'rî S'uka zei: 'Op verzoek van de Allerhoogste Heer beschreef de afstammeling van Madhu [Akrûra, zie 9.23: 29] de vijandige houding en de moordplannen [van Kamsa] jegens Vasudeva en de Yadu's. (9) Hij onthulde om welke boodschap hij als gezant was gestuurd en wat Nârada hem [Kamsa] had verteld over het feit dat Krishna door Ânakadundubhi ter wereld was gekomen. (10) Toen Hij hoorde wat Akrûra te melden had moesten Krishna en Balarâma, de vernietiger van alles wat brutaal is in oppositie, lachen en vertelden ze Nanda, hun [pleeg]vader, wat de koning had verordonneerd. (11-12) De gopa's zei hij op zijn beurt toen: 'Verzamel al de melkproducten, pak giften en span de wagens in. Morgen zullen we samen met al de mensen die onder mijn zorg vallen naar Mathurâ gaan om de koning onze producten aan te bieden en een groot feest te vieren', en zo liet de gopa Nanda het door zegslieden in heel zijn domein aankondigen.

(13) De koeherdersmeisjes die hoorden dat Akrûra naar Vraja was gekomen om Râma en Krishna mee naar de stad te nemen, raakten toen geheel overstuur. (14) Bij sommigen van hen bracht dat in hun harten zo'n grote pijn teweeg dat ze zuchtend met hun mooie gezichten bleek wegtrokken terwijl van anderen de haarknotten, de armbanden en de kleren losschoten. (15) Met anderen, gefixeerd in meditatie op Hem, hielden, net als bij hen die het bereik van de zelfrealisatie hebben betreden, al de zintuigelijke functies ermee op zonder nog een flauw benul van de wereld te hebben. (16) Weer andere vrouwen vielen flauw, eraan denkend hoe S'auri met het rondstrooien van Zijn liefdevolle glimlachen hen in het hart trof en hoe Hij Zich uitdrukte in fraaie volzinnen. (17-18) Denkend aan de charmante manier van bewegen, de handelingen, de toegenegen glimlachen, de blikken die alle ongeluk wegvaagden, de grappenmakerij en de machtige daden van Mukunda, kwamen ze in angst over de scheiding hevig aangeslagen in groepen bij elkaar om diep verzonken in Acyuta elkaar te spreken met tranen op hun gezichten. (19) De fijne gopî's zeiden: 'O voorzienigheid, waar is uw genade om in liefde en vriendschap de belichaamden tezamen te brengen nu u zo ieder van ons gefrustreerd in zijn plannen aan zijn lot overlaat; hoe zinloos zit u met ons als een kind te sollen! (20) Met het ons tonen van het gelaat van Mukunda omlijst door zwarte lokken, Zijn fraaie kaaklijn en rechte neus en de schoonheid van Zijn bescheiden glimlach die de ellende verdrijft, doet u er in het geheel geen goed aan ze aan ons zicht te onttrekken. (21) Met de naam van Akrûra [wat betekent 'niet-wreed'] bent u welzeker wreed; de Volmaaktheid van de Ganse Schepping, de volmaakte vijand van Madhu, die u eens onze ogen hebt vergund te mogen aanschouwen hebt u werkelijk net als een dwaas helaas weggenomen. (22) Helaas, nu dat Hij een nieuwe liefde heeft opgevat, heeft de zoon van Nanda, in een luttele seconde brekend met Zijn vriendschap, geen oog voor ons die onder Zijn invloed in rechtstreekse dienstbaarheid aan Hem ertoe werden bewogen hun thuis op te geven, hun verwanten, kinderen en echtgenoten. (23) Gelukkig het ochtendgloren na deze nacht als ontwijfelbaar de hoop in vervulling gaat van de vrouwen in de stad [Mathurâ] die het gezicht zullen indrinken van de meester van Vraja daar binnenkomend met een nectargelijke glimlach weggekropen in de hoeken van Zijn ogen. (24) Hoe gedienstig en intelligent Mukunda ook moge zijn, als Zijn geest eenmaal is gegrepen door hun honingzoete woorden, o meisjes, welke kans hebben wij dan nog dat Hij, bewogen door de bekoring van hun bedeesde glimlachen, naar ons boerenluitjes zal terugkeren? (25) Vandaag zal voor ogen van de Das'ârha's, Bhoja's, Andhaka's, Vrishni's en Sâtvata's en de anderen daar zich zeker een groot feest voordoen als ze op straat de Lieveling van de Godin mogen aanschouwen, het reservoir van alle goddelijke kwaliteiten die de zoon van Devakî is. (26) De naam van zo een onaardige persoon, een persoon buitengewoon wreed als deze, zou niet 'a-krûra' moeten zijn daar hij zonder zich te verontschuldigen bij ons mensen [van Vraja] zo uiterst ongelukkig, Hem wegkaapt, Hij die meer Dierbaar is dan de Dierbaarste. (27) Deze hier, Hij die, tot de onverschilligheid van de ouderen, zo koeltjes de wagen heeft beklommen, wordt door deze halve gare gopa's gevolgd in hun ossenwagens; vandaag is het lot ons niet gunstig gezind! (28) Laten we naar Hem toegaan en Hem tegenhouden, Hij kan dit ons, de familie, de ouderen en onze verwanten niet aandoen - wij die nog niet een halve seconde buiten het gezelschap van Mukunda kunnen; door dat lot gescheiden zullen onze harten breken! (29) Voor ons die door de charme van Zijn liefdevolle genegenheid, aantrekkelijke glimlachen, intieme onderonsjes en speelse blikken en omhelzingen, naar de bijeenkomst van de râsadans werden gevoerd [10.33], verstreek de nacht in een enkel moment; hoe, o gopî's, kunnen we nu de onoverkomelijke duisternis overwinnen zonder Hem? (30) Hoe kunnen we ooit ons bestaan vinden zonder Hem, de Vriend van Ananta [Râma] die aan het einde van de dag, omringd door gopa's Vraja binnenkwam met Zijn haar en bloemenslinger dik onder het stof van de hoeven en die, spelend op Zijn fluit, glimlachend vanuit Zijn ooghoeken, met Zijn blikken onze geesten op hol bracht?'

(31) S'rî S'uka zei: 'Zich aldus hopeloos ontsteld over de scheiding uitlatend, vergaten de dames van Vraja, in gehechtheid aan Krishna denkend, al hun schaamte en riepen ze hardop: 'O Govinda, o Dâmodara, o Mâdhava!'

(32) Terwijl de vrouwen aldus lamenteerden ging bij zonsopkomst Akrûra, na zijn ochtendroutines te hebben afgewerkt, eropuitmet zijn wagen. (33) De gopa's met Nanda voorop volgden hem toen in hun karren met bij zich een overdaad aan offergaven en aarden potten vol met melkproducten. (34) De gopî's daartoe, Krishna nazittend in de hoop op wat geruststellende woorden naar hun genoegen, stonden te wachten. (35) Toen Hij ze aldus bij Zijn vertrek zag weeklagen, troostte de Grootste van de Yadu's hen vol van liefde met de boodschap: 'Hou moed!' [*] (36) In hun geesten Hem nog volgend voor zolang de vlag nog zichtbaar was en het stof van de wagen kon worden gezien, stonden ze erbij als gebeeldhouwde figuren. (37) Zij zonder hoop Hem ooit nog terug te zien gingen toen vol verdriet terug hun dagen en nachten al zingend over hun Geliefde doorbrengend.

(38) Met de wagen snel als de wind kwam de Opperheer samen met Râma en Akrûra, o Koning, aan bij de Yamunâ, die alle zonde wegvaagt. (39) Na het water daar te hebben beroerd, en het zoete nat stralend als juwelen uit Zijn hand te hebben gedronken, begaf Hij zich naar een groepje bomen en klom Hij daar samen met Balarâma op de wagen. (40) Akrûra toen met de toestemming van Hen die op de wagen achterbleven, ging naar een poel in de Yamunâ en nam zijn bad overeenkomstig de voorschriften. (41) Zich in dat water onderdompelend en de mantra's van het eeuwige reciterend zag Akrûra de zelfde twee van Râma en Krishna daar samen. (42-43) Hij dacht: 'Hoe kunnen de twee zoons van Ânakadundubhi die op de wagen zitten nu hier zijn; laat ik eens even kijken of ze er nog steeds zijn', en uit het water komend zag hij Ze zitten waar hij Ze achtergelaten had. Opnieuw alleen het water ingaand vroeg hij zich af: 'Was het misschien een hallucinatie van me dat ik Ze in het water zag?' (44-45) En weer op diezelfde plaats zag hij de Heer der Serpenten [Ananta of Balarâma], de godheid met de duizenden koppen, kragen en helmen, gekleed in het blauw en zo blank als de vezels van een lotusstengel, zich daar ophouden als was Hij de berg Kailâsa met zijn witte pieken, en met hun hoofden gebogen daarbij de vervolmaakten, de achtenswaardigen, de zangers van de hemel en zij die van de duisternis zijn. (46-48) Op Zijn schoot bevond zich, als een donkere wolk gekleed in gele zijde, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid met de vier armen in vrede; met Zijn oogwit roze als de blaadjes van een lotus; een aantrekkelijk vreugdevol gezicht met een charmante, glimlachende blik; fijne wenkbrauwen, oren en een rechte neus; fraaie kaken en rode lippen; een brede borst en hoge schouders; stoere, lange armen en een nek als een schelphoorn; een diepe navel en een buik gestreept als een [banyaan-]blad. (49-50) Compact was Zijn achterwerk en Zijn heupen, als de slurf van een olifant Zijn twee dijen, welgevormd Zijn twee knieën en aantrekkelijk de twee kuiten die Hij had. Lang waren Zijn enkels, roze de gloed die afstraalde van Zijn teennagels en gloeiend als bloemblaadjes de zachte tenen aan weerszijden van Zijn twee grote tenen. (51-52) Gesierd met een helm overdekt met grote en kostbare edelstenen, met banden om Zijn polsen en armen, een gordel, een heilige draad, halssnoeren, enkelbelletjes en oorhangers, hield Hij een stralende lotus, een schelphoorn en de werpschijf en een strijdknots in Zijn handen bij de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha juweel en een bloemenslinger. (53-55) Opgewacht door Zijn dienaren Nanda en Sunanda voorop, door Sanaka en de anderen [de Kumâra's], door de leidende halfgoden aangevoerd door Brahmâ en S'iva, door de belangrijkste tweemaal geborenen [met Marîci aan het hoofd] en door de meest verheven toegewijden aangevoerd door Prahlâda, Nârada en Vasu, werd Hij, naar gelang ieder zijn eigen soort van liefdevol zich gedragen, geprezen in gewijde termen en bediend door Zijn [vrouwelijke] interne vermogens van geluk [S'rî], ontwikkeling [Pushthi of ook wel de kracht], de spraak [Gîr ofwel kennis], de schoonheid [Kânti], faam [Kîrti], de tevredenheid [Tushthi of verzaking - deze eersten vormen Zijn zes volheden]; het comfort [Ilâ, bhû-s'akti, het aarde-element of sandhinî] en de macht [Ûrjâ, zich expanderend in Tulasî]; zijn vermogens van kennen en onwetendheid [vidyâ en avidyâ, leidend tot bevrijding en gebondenheid]; Zijn inwendig pleziervermogen [S'akti of hlâdinî], Zijn marginaal vermogen [jîva-s'akti] en Zijn creatief vermogen [Mâyâ].

(56-57) Dit zeer verheugd waarnemend, stond hij [Akrûra] daar, enthousiast in opperste toewijding, met de haren op zijn lichaam overeind en met zijn ogen en zijn lichaam nat van de vervoering in liefde. Zichzelf weer bijeen rapend betoonde de grote toegewijde met zijn stem verstikt zijn respect met zijn hoofd voorover gebogen en vouwde hij zijn handen terwijl hij aandachtig langzaam bad.

* De Sanskriet wortel van het werkwoord hier gebruikt is âyâsya, dat beweeglijk, handig en moedig betekent, en wordt door sommige vertalers geïnterpreteerd als terugkeren. Maar aangezien Krishna niet naar Vraja zal terugkeren anders dan door Uddhava later te sturen en ook Balarâma die nog eens terugkomt, is hier gekozen voor het letterlijke: 'denk eraan moedig te zijn' van het 'âyâsye iti' als: 'hou je haaks, hou stand, hou moed, blijf sterk'.

   

Hoofdstuk 40  

Akrûra's Gebeden

(1) S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam. (2) Aarde, water, vuur, lucht, de ether en waar dat vandaan komt [het valse ego]; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de geest], het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (3) Dezen die onder het bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] in de greep van de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56]. (4) Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogi's hun offers brengen. (5) Sommige brahmanen aanbidden van respect zijnde voor de drie heilige vuren [agni-traya] U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten. (6) Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie b.v. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70]. (7) En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt. (8) Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook in navolging van de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva voor ogen op het pad uitgestippeld door Heer S'iva. (9) Zij allen, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (10) Net als de rivieren die ontspringend in de bergen vol van de regen van alle kanten de oceaan in stromen, o Meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (11) Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (12) Mijn eerbetuigingen voor U die, er los van staand in Uw visie, als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren. (13-14) Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (15) In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg.

(16) Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten tentoon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (17-18) Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (19) Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst van allen die zich heiligden ongeacht waar ze zijn en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte. (20) Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (21) Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36]. (22) Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft; mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].

(23) O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (24) Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige. (25) Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is. (26) Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien en als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend. (27) Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10].

(28) Ik van dien aard nader Uw voeten die - zoals ook Uw genade - onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer. En daarbij hou ik in gedachten dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is. (29) Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een persoon beheersen. (30) Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave.'

 

Hoofdstuk 41  

De Aankomst van de Heer in Mathurâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Terwijl hij [Akrûra] aan het bidden was trok Krishna, de Allerhoogste Heer, nadat Hij Zijn gedaante had getoond in het water, Zichzelf weer terug zoals een acteur een einde maakt aan zijn voorstelling. (2) Toen hij zag dat het beeld verdwenen was, kwam hij snel uit het water, maakte zijn ochtendrituelen af en ging geheel verrast naar de wagen. (3) Hrishîkes'a vroeg hem: 'Hebt u iets wonderbaarlijks gezien op aarde, in de hemel of in het water? We hebben er zo een vermoeden van!'

(4) S'rî Akrûra zei: 'Wat voor wonderbaarlijks er ook moge zijn alhier op aarde, in de hemel of in het water, het bevindt zich allemaal in U die alles omvat; wat zou ik met U voor ogen niet gezien hebben? (5) Wat zou met de aanblik van U, de Ene Persoon in wie alle wonderen van de aarde, de hemel en het water worden aangetroffen, o Absolute Waarheid, me dan nog verbazen in de wereld?'

(6) Met die woorden reed de zoon van Gândinî [Akrûra] verder met de wagen om daarmee Râma en Krishna aan het einde van de dag naar Mathurâ te brengen. (7) De mensen van de dorpen hier en daar die Hen onderweg benaderden, waren er blij over de zoons van Vasudeva te zien o Koning, en konden hun ogen niet van Hen afhouden. (8) Nanda, de gopa's en de rest van de bewoners van Vraja die ondertussen waren aangekomen in een park bij de stad, bleven daar op Hen wachten. (9) Zich weer bij hen voegend zei de Opperheer, de Meester van het Universum, tot de bescheiden glimlachende Akrûra terwijl Hij zijn hand in de Zijne nam: (10) 'Ga maar vooruit de stad binnen met de wagen en ga naar huis terwijl Wij van onze kant hier uitstappen en daarna de stad zullen bekijken.'

(11) S'rî Akrûra zei: 'Hoe kan ik zonder Jullie twee Mathurâ nou binnengaan, o Meester? Laat me niet in de steek o Heer, o Zorgdrager van de Toegewijden, ik ben Uw toegewijde! (12) Kom alstUblieft mee, laten we gaan met Uw oudste broer, de gopa's en Uw vrienden, en het zo maken, o Heer van het Voorbije, dat ons huis een meester heeft. (13) AlstUblieft zegen met het stof van Uw voeten het huis van ons die zo gehecht zijn aan de huishoudrituelen en mogen met die zuivering mijn voorvaderen, de heilige vuren en de halfgoden tevredengesteld zijn. (14) De grote koning Bali die de twee voeten waste werd zegerijk [zie 8: 19] en bereikte een ongeëvenaarde macht en de bestemming die is gereserveerd voor de zuivere toegewijde. (15) Het water spoelend van Uw voeten heeft, zuiver spiritueel, de drie werelden gezuiverd en de zonen van koning Sagara [9.8] die het met Heer S'iva op zijn hoofd nam [9.9] gingen ermee naar de hemel. (16) O God der Goden, o Meester van het Universum over wie men als men vroom is verneemt en zingt, o Beste van de Yadu's, o Heer Geprezen in de Verzen, o Nârâyana, moge er alle lof voor U zijn.'

(17) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal naar uw huis komen vergezeld door Mijn oudere broer; met het doden van de vijand temidden van de Yadu's [Kamsa] zal Ik Mijn weldoeners genoegdoening schenken.'

(18) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Allerhoogste Heer ging hij, Akrûra, ietwat ontmoedigd de stad binnen om Kamsa op de hoogte te stellen van het succes van zijn missie en ging hij toen naar huis. (19) Later in de middag ging Krishna samen met Sankarshana [Râma] en de gopa's erbij Mathurâ binnen om er een kijkje te nemen. (20-23) Hij zag daar zijn hoofdpoorten en toegangen van kristal, zijn deuren van goud en immense arcades met koper en brons en zijn pakhuizen en onneembare grachten, verfraaid door bloemperken en aantrekkelijke parken. De met goud gesierde kruisingen, de woningen met hun lusthoven, de vergaderruimten van de gilden en de huizen met hun door pilaren ondersteunde balkons en de omheiningen met rijk versierde panelen waren ingelegd met vaidûrya stenen, diamanten, kwartskristallen, saffieren, koraal, parels en smaragden. Er klonken de geluiden van de tamme duiven en pauwen die in de openingen van het lattenwerk voor de ramen en op de met edelstenen ingelegde vloeren zaten en op de hoofdwegen, zijstraten en hoven die besprenkeld waren met water was er [ter verwelkoming] een uitstalling links en rechts van bloemenslingers, verse spruiten, geroosterde granen en rijst. De ingangen van de huizen waren fraai versierd met potten vol yoghurt besmeurd met sandelhoutpasta, linten en bloemblaadjes, reeksen lampen, bladeren, bossen bloemen, en stammetjes van bananen- en betelnootbomen en vlaggen. (24) Toen de zoons van Vasudeva daar omringd door hun vrienden arriveerden, haastten de vrouwen van de stad zich samendrommend aan de kant van de hoofdweg en klommen ze ook, in hun gretigheid een blik op te vangen, bovenop hun huizen o Koning. (25) Sommigen hadden hun kleren verkeerd om aangetrokken en hadden één van hun twee sieraden vergeten met het aandoen van maar één oorbel of slechts één set enkelbelletjes; andere dames maakten één oog op maar niet het andere. (26) Sommigen waren weggelopen tijdens de maaltijd die ze genoten of maakten in hun opwinding niet hun massage af, hun baden of kwamen, het rumoer horend, overeind zonder hun middagslaapje af te maken of zetten als moeders het kind naast zich neer dat ze melk aan het geven waren. (27) Lopend als een olifantenstier in de bronst, stal Hij vermetel met de blikken van Zijn lotusgelijke ogen en het spel van Zijn glimlachen hun harten met Zijn lichaam, die bron van plezier voor de Godin van het Geluk waarmee Hij hun ogen op een feest vergastte. (28) Met het zien van Hem over wie ze bij herhaling hadden gehoord smolten ze vanbinnen met het ontvangen van de eer te worden besprenkeld door de nectar van Zijn blikken en brede glimlachen en omhelsden ze via hun ogen in zichzelf met kippenvel hun idool van extase, waarbij ze het onafgebroken leed opgaven [Hem te moeten missen] o onderwerper der vijanden. (29) Geklommen op de daken van hun woningen bestrooiden de aantrekkelijke vrouwen met hun van liefde als lotussen bloeiende gezichten Balarâma en Kes'ava met bloemen. (30) Met yoghurt, korenaren en potten met water, geurige substanties en andere artikelen van aanbidding werden de Twee vreugdevol op verschillende plaatsen aanbeden door de tweemaal geborenen. (31) De vrouwen van de stad zeiden: 'Oh wat een enorme verzaking hebben de gopî's inderdaad opgebracht met de constante aanblik van deze Beiden, die voor de menselijke samenleving de grootste bron van genoegen zijn.'

(32) De oudere broer van Gada [Balarâma zie 9.24: 46] benaderde een zekere klerenwasser die druk bezig was met verven en verzocht hem om eersteklas, schone kledingstukken. (33) 'Alstublieft, beste man, geef Ons Tweeën wat geschikte kleren; voor u, als u ze schenkt aan Ons, Wij die het verdienen, zal er de hoogste verdienste zijn, dat lijdt geen twijfel!'

(34) Hij, verzocht door de Opperheer die absoluut en compleet was in ieder opzicht, sprak onbeschoft kwaad geworden met een hoogst valse trots dat hij de dienaar van de koning was. (35) 'Is dat geen onbeschaamdheid van U die rondtrekt door de bergen en de bossen, om uit te zijn op het aantrekken van kleren als deze die tot de zaken van de koning behoren? (36) Scheer Je weg Jullie dwazen, zit niet zo te bedelen als Je leven Je lief is, ik zweer het Je, mensen met Jullie lef worden door de mannen van de koning ingerekend, ter dood gebracht en onteigend!'

(37) Hij die Hen aldus vernederde wekte de toorn op van de zoon van Devakî die met de zijkant van Zijn hand hem het hoofd van zijn lichaam sloeg. (38) Toen al zijn medewerkers in alle richtingen een veilig heenkomen zochten en de bundels kleren achterlieten, pakte Acyuta de kledingstukken. (39) Verschillende ervan op de grond weggooiend kleedden Krishna en Balarâma Zich met een stel kleren naar Hun smaak en gaven Ze de rest aan de gopa's. (40) Vervolgens kwam er een wever die op gepaste wijze vol liefde voor Hen Hun kleding verfraaide met stukken stof van verschillende kleuren. (41) Krishna en Râma met ieder Zijn eigen specifieke eersteklas uitdossing en fraaie opsier zagen er zo prachtig uit als een paar jonge olifanten, de een licht, de ander donker, opgetuigd voor een festival. (42) De Opperheer tevreden over hem [de wever] verleende hem sârûpya [de genade van Zijn uiterlijke kenmerken, zie ook mukti] met in deze wereld dezelfde opperste weelde, lichaamskracht, invloed, geheugen en zinsbeheersing.

(43) Toen gingen ze Beiden naar het huis van Sudâmâ ['goedgeefs'], de slingermaker, die toen hij Ze zag opstond en zich voorover met zijn hoofd op de grond verboog. (44) Met zitplaatsen voor Hen bracht hij water om Hun voeten en handen te wassen en giften en dergelijke, en was hij voor de Twee van aanbidding met bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta. (45) Hij zei: 'Onze geboorte heeft zijn vruchten afgeworpen en de familie is gezuiverd, o Meester, en met mij zijn mijn voorvaderen, de goden en de zieners zeer tevreden over Uw komst hier. (46) Jullie Twee inderdaad, de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum, zijn met Jullie volkomen deelaspecten naar hier afgedaald voor de bescherming en het geluk van de wereld. (47) Van Jullie kant is er voorwaar, zelfs al zijn Jullie wederkerig met hen die van aanbidding zijn, geen vooringenomenheid in Jullie blik, omdat Jullie, als de Ziel van het universum, gelijk zijn naar alle levende wezens als bevriende weldoeners. (48) Jullie Twee zouden mij, Jullie dienaar, moeten opdragen wat ik voor Jullie zou moeten doen; dit voorwaar is voor iedereen de grootste zegen: aldus door Jullie aan het werk gezet te zijn.'

(49) S'uka zei: 'Met die overweging, o beste der koningen, bood Sudâmâ vol van liefde bloemenslingers aan gemaakt van verse, geurige bloemen. (50) Met dezen fraai opgesierd gaven de twee gunstverleners Krishna en Râma, die samen met Hun metgezellen heel tevreden waren, hem die zich voorover gebogen over had gegeven al wat hij zich kon wensen. (51) En hij koos voor een onwankelbare toewijding voor Hem alleen, de Superziel van het Geheel, voor vriendschap met alle levende wezens en ervoor om met bovenzinnelijkheid gezegend te zijn. (52) Hem aldus de zegening verlenend met voorspoed, een goed gedijende familie, kracht, een lang leven, bekendheid en schoonheid, vertrok Hij samen met Zijn oudere broer.'

 

Hoofdstuk 42

Het Breken van de Offerboog

(1) S'rî S'uka zei: 'Over de hoofdweg wandelend zag Krishna een vrouw die een dienblad met smeersels voor het lichaam droeg. Zij, gebocheld [*], jong en met een aantrekkelijk gezicht werd door de Verlener der Essentie met een glimlach gevraagd waarheen ze op weg was:  (2) 'Wie ben jij met je mooie benen? Kijk eens wat een zalf! Of alsjeblieft, zeg Ons eerlijk voor wie ze allemaal bestemd zijn. Biedt, als je wilt, Ons tweeën die zalf voor het lichaam en daarna zal er spoedig voor jouw het hoogste voordeel zijn.' 

(3) De dienstmaagd zei: 'O schone man, ik ben een bediende van Kamsa bekend als Trivakrâ ['drieknakje'] en geniet het respect inderdaad voor mijn werk met smeersels die door mij bereid zeer geliefd zijn bij de leider van de Bhoja's. Maar oké, wie anders dan Jullie twee zouden ze verdienen?'

(4) Gegrepen door de schoonheid, charme en lieflijkheid van het gesprokene, de glimlachen en de blikken deelde ze gul uit van haar zalven. (5) Met het aanbrengen op Hun lichamen van de kleuren die afstaken tegen die van Hun lichamen bleken de smeersels van de beste kwaliteit te zijn en zagen Ze er gezalfd prachtig uit. (6) Om bewijs te leveren van het voordeel dat men heeft Hem te ontmoeten besloot de tevreden Opperheer om de kromme rug van Trivakrâ, die zo'n mooi gezicht had, recht te trekken. (7) Met Zijn beide voeten haar tenen naar beneden drukkend nam Hij met Zijn handen haar bij haar kin vast en hief Acyuta, met twee vingers naar boven, haar lichaam omhoog. (8) Zij toen recht als gevolg van Mukunda's aanraking was opeens een vrouw geworden geheel volmaakt met goed geproportioneerde ledematen en grote heupen en borsten. (9) Daardoor gezegend met schoonheid, kwaliteit en goede gevoelens richtte ze zich, met het idee dat in haar opkwam om met Hem te slapen, met een glimlach tot Kes'ava door Hem aan de slip van Zijn bovenkleed te trekken. (10) 'Kom o held, laten we naar mijn huis gaan, ik kan Je hier nu niet verlaten, heb genade alstJeblieft, o Beste van Alle Mannen, met mij wiens geest op hol is geslagen.' 

(11) Met dit verzoek van de vrouw wierp Krishna een blik naar Balarâma die stond te kijken en toen naar de gopa's en zei lachend tot haar:  (12) 'Ik zal je thuis bezoeken, jij met je fraaie wenkbrauwen, als Ik volbracht heb waarvoor Ik ben gekomen. Daar zullen wij, reizigers onderweg ver van huis, van opknappen. Jij bent immers het beste wat men zich maar wensen kan.' 

(13) Haar met deze liefdevolle woorden achter Zich latend werd Hij, toen Hij met Zijn broer Zijn weg vervolgde, door de kooplieden geëerd met verschillende offergaven van betelnoot, bloemenslingers en geurige substanties. (14) Met Hem voor ogen konden de vrouwen getroffen door Cupido niet meer goed denken en stonden ze als aan de grond genageld met hun kleren, armbanden en haar in wanorde. (15) Na aan de inwoners gevraagd te hebben waar precies de offerboog zich bevond, betrad Acyuta de plek waar die zich bevond. Het was een boog zo schitterend als een regenboog, de boog van Indra. (16) De boog, bewaakt door vele mannen en aanbeden met de grootste weelde, werd door Krishna opgepakt nadat Hij met geweld de wachters die Hem tegenhielden had gepasseerd.  (17) Voor ogen van de wachters tilde Hij hem in een oogwenk met gemak op met Zijn linkerhand. De pees spannend brak Urukrama ['reuzenstap'] hem toen recht doormidden als was Hij een olifant begerig naar een stengel suikerriet. (18) Het geluid van de brekende boog drong in alle richtingen van de hemel en de aarde door, zodat Kamsa die het hoorde de schrik om het hart sloeg. (19) In een poging Hem te pakken te krijgen werden Hij en Zijn kameraden omsingeld door de wachters die hun wapens ter hand hadden genomen en woedend schreeuwden: 'Grijp Hem, doodt Hem!' (20) Toen Balarâma en Kes'ava hun kwade bedoelingen zagen namen ze daarop ieder een stuk van de boog ter hand om ze er verwoed mee tegen de grond te meppen.

(21) Nadat Ze eveneens zo een detachement troepen gestuurd door Kamsa hadden verslagen, liepen de Twee de poort van het offerperk uit om gelukkig de opwindende rijkdom van de stad te aanschouwen. (22) De burgers getuige van Hun verbazingwekkende heldendaad beschouwden Hen vanwege Hun kracht en lef als de beste der goden. (23) Naar believen rondkijkend begon de zon onder te gaan en keerden Krishna en Râma in het gezelschap van de gopa's terug naar de plaats buiten de stad waar ze hun wagens hadden achtergelaten. (24) De woorden over zegeningen in Mathurâ die door de gopî's, die werden gekweld door gevoelens van gescheidenheid, waren uitgesproken toen Mukunda vertrok [10.39: 23-25], werden allen bewaarheid voor hen die het volle zicht hadden op het lichaam van dit toonbeeld van mannelijke schoonheid, de toevlucht naar wie inderdaad de godin van het geluk dermate smachtte dat ze anderen die haar aanbaden erbij vergat. (25) Nadat Ze beiden Hun voeten hadden gewassen en Ze gekookte rijst met melk hadden gegeten, brachten Ze, in het volle bewustzijn van wat Kamsa van plan was, daar de nacht heel comfortabel door. (26-27) Maar Kamsa lag met zijn slechte geest nog lang wakker van het bericht van het spel dat Govinda en Râma hadden gespeeld met het breken van de boog en het doden van zijn legertje wachters. In zijn angst zag hij daarbij zowel wakend als in zijn dromen vele slechte voortekenen en boodschappers van de dood voor zich. (28-31) Hij kon het spiegelbeeld van zijn eigen hoofd niet zien en zonder duidelijke reden zag hij de hemellichamen dubbel; hij zag een gat in zijn schaduw, hij kon het geluid van zijn eigen ademhaling niet horen, hij zag een gouden glans over de bomen liggen en kon zijn eigen voetsporen niet ontwaren. In zijn slaap werd hij omarmd door geesten, reed hij op een ezel, dronk hij vergif en zag hij iemand naakt rondlopen ingesmeerd met olie die een bloemenslinger droeg van nalada bloemen [indiase rose-paarse bloemen] en meer van dergelijke voortekenen. Met het zien van deze voorboden van de dood in zijn slaap en als hij wakker was stond hij zo'n doodsangst uit dat hij de slaap niet meer kon vatten.

(32) Toen de nacht was verstreken, o nakomeling van Kuru, en de zon uit het water oprees, liet Kamsa zoals gepland het grote worstelfestival houden. (33) De mannen van de koning lieten ceremonieel in het perk muziekinstrumenten en trommen weerklinken en versierden de tribunes met bloemenslingers, vlaggen, linten en bogen. (34) Daarop kwamen comfortabel de burgers en de mensen van elders te zitten vooropgegaan door de ambtenaren van staat en de brahmanen die samen met de edelen speciale zitplaatsen toegewezen kregen. (35) Kamsa omringd door zijn ministers zat, geplaatst temidden van zijn bestuurders, angstig te moede op het koninklijke ereplatform. (36) Terwijl de muziekinstrumenten werden bespeeld in ritmen passend voor de gelegenheid kwamen de vooraanstaande, trotse en rijk opgesierde worstelaars naar binnen en gingen ze samen met hun instructeurs zitten. (37) Canura, Mushthika, Kûtha, S'ala en Tos'ala namen geestdriftig met de aangename muziek allen hun plaats in op de worstelmat. (38) De gopa Nanda die de koeherders aanvoerde presenteerde naar voren geroepen door de koning van Bhoja [Kamsa] zijn offergaven en nam toen plaats op een van de tribunes.'

Voetnoot:

* De leerlingen van Prabhupâda verduidelijken: 'Volgens S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura, was het jonge gebochelde meisje feitelijk een gedeeltelijke expansie van de Heer Zijn echtgenote Satyabhâmâ. Satyabhâmâ is de inwendige energie van de Heer die bekend staat als Bhû-s'akti [zie 10.39: 53-55], en deze expansie van haar, bekend als Prithivî, vertegenwoordigt de aarde, welke gebukt ging onder de grote last van talloze slechte heersers. Heer Krishna daalde neer om deze kwade heersers uit de weg te ruimen, en aldus staat deze wederwaardigheid van Hem van het rechttrekken van de gebochelde Trivakrâ, zoals verduidelijkt in deze verzen, voor Zijn corrigeren van de belaste conditie van de aarde.'

 

Hoofdstuk 43 

Krishna Doodt de Olifant Kuvalayâpîda

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Krishna en Râma zich gewassen hadden, o bestraffer der vijanden, hoorden ze de klanken van pauken en gingen ze op pad om te kijken wat er gaande was. (2) Toen ze de poort bereikten van het strijdperk zag Krishna daar de olifant Kuvalayâpîda staan, gedirigeerd door zijn verzorger. (3) Zijn kleren strak aanhalend en Zijn krullende lokken samenbindend, sprak Hij met woorden zo gewichtig als de rollende donder tot de olifantenhoeder: (4) 'Olifantenhoeder, o olifantenhoeder, geef ons vrij baan, ga nu direct aan de kant of anders zal Ik u met uw olifant vandaag nog naar de wereld van Yama [de heer van de dood] helpen.'

(5) Aldus bedreigd stuurde de kwaad geworden olifantenhoeder de kwaaie olifant die was als Yama, de tijd en de dood, in de richting van Krishna. (6) De reuzenolifant op Hem afstormend greep met zijn slurf Krishna met geweld beet, maar door hem een slag toe te brengen ontsnapte Hij aan de greep en verdween Hij tussen zijn poten. (7) Getergd Hem niet te zien spoorde hij Hem op met zijn reukzin en nam hij Hem met het uiteinde van zijn lange neus te pakken, maar door kracht te zetten kwam Hij weer vrij. (8) Hem bij de staart grijpend sleurde Krishna hem, zo gemakkelijk als Garuda met een slang, die berg van geweld over een lengte van vijfentwintig booglengten. (9) Acyuta die hem van links naar rechts bewoog werd ook door hem in beweging gebracht, precies als een kalf met een jongetje [aan zijn staart] zou [zie ook 10.8: 24]. (10) Toen van aangezicht tot aangezicht, sloeg Hij de olifant met Zijn hand en rende Hij weer weg en hem aldus bij iedere stap een klap verkopend, liet Hij hem struikelen. (11) Wegrennend deed Krishna alsof Hij op de grond viel, maar dan stond Hij plotseling op zodat de olifant driest zijn slagtanden in de aarde stak. (12) Met zijn kunnen getrotseerd raakte die heer der olifanten gefrustreerd buiten zinnen, maar aangespoord door zijn verzorgers, viel hij opnieuw verwoed Krishna aan. (13) De Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, die hem in zijn aanval tegemoet trad greep hem stevig bij zijn slurf en bracht hem ten val. (14) Met het gemak van een leeuw op de gevallen kolos springend, rukte de Heer een slagtand er uit en doodde daarmee de olifant en zijn helpers.

(15) De dode olifant achter zich latend betrad Hij, besprenkeld met de druppels van het zweet en het bloed van de olifant en met de slagtand over Zijn schouder, het strijdperk met Zijn lotusgezicht glimmend van de fijne druppeltjes die door Zijn eigen transpireren waren verschenen. (16) Omringd door verschillende koeherdersjongens betraden Baladeva en Janârdana het perk, o Koning, met de slagtanden van de olifanten als de wapens van hun keuze. (17) Voor de worstelaars was Hij als de bliksem, voor de mannen was Hij de beste, voor de vrouwen was Hij Cupido in levende lijve, voor de koeherders was Hij een verwant, voor de ondeugdelijke heersers was Hij een bestraffer, voor Zijn ouders was Hij een kind, voor de koning van Bhoja was Hij de dood, voor de dommen was Hij het grofstoffelijke van het universum, voor de yogi's was Hij de Hoogste Werkelijkheid en voor de Vrishni's was Hij de meest aanbiddelijke godheid - op deze verschillende manieren bekeken betrad Hij het strijdtoneel samen met Zijn broer [zie * en rasa]. (18) Bij Kamsa vanbinnen, die Kuvalayâpîda gedood zag en Hen tweeën onoverwinnelijk, ontwikkelde zich toen waarlijk een grote angst, o heerser der mensen. (19) De twee machtig gearmde Heren op de manier waarop ze waren aangekleed met hun kleding, sierselen en bloemenslingers als waren ze twee acteurs in de prachtigste kostuums, straalden, aanwezig in het perk, met een gloed die de geesten van alle toeschouwers overweldigde. (20) Met het zien van de twee Verheven Persoonlijkheden sperden de mensen die op de tribunes zaten, de burgers en de mensen vanbuiten, o Koning, door de kracht van hun vreugde, hun ogen en monden wijd open en dronken ze hun gezichten in, nimmer genoeg krijgend van de aanblik van Hen. (21-22) Alsof ze dronken met hun ogen, likten met hun tongen, roken door hun neusgaten en met hun armen omhelsden, onderhielden ze zich met elkaar zich de schoonheid, kwaliteiten, charme en heldenmoed in herinnering brengend van wat ze feitelijk hadden gezien en gehoord: (23) 'Deze twee zijn vast en zeker de rechtstreekse expansies van Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, die naar deze wereld zijn nedergedaald in het huis van Vasudeva. (24) Deze hier werd inderdaad, geboren uit Devakî, naar Gokula overgebracht alwaar Hij al die tijd in het geheim leefde opgroeiend in het huis van Nanda. (25) Pûtanâ zowel als de wervelwind-demon werden door Hem gedood, en zo ging Hij ook tewerk met vele anderen: de Arjunabomen, S'ankhacûda, Kes'î, Dhenuka... (26-27) De koeien en hun herders werden door Hem gered uit de bosbrand, Kâliya de slang onderwiep Hij, Indra werd door Hem ontnuchterd, voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand de beste aller bergen omhoog waarmee Hij de ingezetenen van Gokula voor de wind, de hagel en de regen behoedde... (28) De gopî's met de aanblik van Zijn immer opgewekte, glimlachende gezicht en blik steeds vrij van vermoeidheid, konden alle soorten van ellende te boven komen en gelukkig leven... (29) Ze zagen dat door Hem deze Yadu-dynastie grote faam zal verwerven en, in ieder opzicht beschermd, alle rijkdom, glorie en macht zal verwerven... (30) En deze broer van Hem, de lotusogige Râma, Hij is van het gehele vermogen en doodde Pralamba, [en zo denken wij...] Vatsâsura, Bakâsura en anderen...'

(31) Terwijl de mensen aldus aan het spreken waren en de muziekinstrumenten weerklonken, sprak Cânûra, zich op Krishna en Balarâma richtend, de volgende woorden: (32) 'O zoon van Nanda, o Râma, jullie twee helden zijn alom gerespecteerd en bedreven in het worstelen; de koning die erover vernam wilde dat wel eens zien en ontbood jullie. (33) Inderdaad zal de burgers, als ze in hun denken, woorden en daden tewerk gaan naar de koning zijn zin, het geluk ten deel vallen, maar er tegenin gaand is dat een andere zaak. (34) De gopa's zijn er duidelijk steeds gelukkig mee hun kalveren in de bossen te hoeden en te spelen en te stoeien terwijl ze de koeien weiden. (35) Mogen daarom Jullie twee met ons handelen naar het genoegen van de koning die de belichaming vormt van ieder levend wezen, zodat een ieder daarmee tevredengesteld zal zijn.'

(36) Dat horend sprak Krishna woorden gepast de tijd en omstandigheid [zie ook 4.8: 54] ter verwelkoming van de worstelpartij die ook Hem goed van pas kwam: (37) 'Als onderdanen van de Bhoja koning, moeten ook Wij, ook al trekken We rond in de bossen, altijd ten uitvoer brengen wat hem ook maar zou behagen, omdat dat Ons het grootste voordeel zal brengen. (38) Wij jonge jongens zullen zoals het hoort Ons meten met hen die aan Ons gewaagd zijn; de worstelwedstrijd dient plaats te vinden opdat het publiek bijeengekomen in dit strijdperk niet niet van zijn geloof zal vallen.'

(39) Cânûra zei: 'Jij en Balarâma zijn geen jongetjes meer of jongeren, jullie zijn de sterksten van de sterken die zomaar voor de sport de olifant ter dood brachten die de kracht had van duizend olifanten! (40) Daarom moeten Jullie twee met hen de strijd aangaan die sterk zijn, daar schuilt geen onrecht in; Jouw kunnen tegen wat ik kan, o afstammeling van Vrishni, en Balarâma moet het opnemen tegen Mushthika.'

Voetnoten:

*Aldus spreekt men van tien rasa's, houdingen of gemoedsgesteldheden in relatie tot Krishna: strijdlust [zoals waargenomen door de worstelaars], bewondering [door de mannen], geslachtelijke aantrekking [de vrouwen], lachen [de koeherders], ridderlijkheid [de koningen], genade [Zijn ouders], schrik [Kamsa], afschuw [de dommen], vredige neutraliteit [de yogi's] en liefdevolle toewijding [de Vrishni's].

 

Hoofdstuk 44

De Worstelwedstrijd en het Doden van Kamsa

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer ermee instemmend [met wat Cânûra had gezegd] stelde zich toen op tegenover Cânûra en zo deed dat ook de zoon van Rohinî tegenover Mushthika. (2) Hun handen met hun handen beetgrijpend en hun benen met hun benen blokkerend, duwden en trokken ze elkaar uit alle macht om de overwinning te behalen. (3) Met hun ellebogen tegen hun ellebogen, brachten ze, knie tegen knie, hoofd tegen hoofd en borst tegen borst elkaar hun slagen toe. (4) Ronddraaiend, schuivend, plettend en neersmijtend, loslatend, naar voren en naar achteren rennend, boden ze elkaar weerstand. (5) Optillend en dragend, wegduwend en elkaar vasthoudend streefden ze, zichzelf pijn bezorgend, naar de overwinning.

(6) In verlegenheid over dat gevecht tussen de zwakken en de sterken kwamen, om het met elkaar te bespreken, al de vrouwen in groepen bijeen o Koning: (7) 'Helaas, hoe enorm dit gebrek aan verantwoordelijkheid van de kant van deze mensen, hier aanwezig in de bijeenkomst van de koning, die eropuit zijn met de koning mee te doen in het gadeslaan van een wedstrijd tussen de sterken en de zwakken. (8) Aan de ene kant is er de verschijning van deze twee bergen van meesterworstelaars, allebei met ledematen zo sterk als de bliksem, en aan de andere kant zijn er die tengere ledematen van die twee jongeren die de volwassenheid nog niet bereikt hebben! (9) Dit gezelschap inderdaad is welzeker tot een breuk met het dharma gekomen. En daar waar het onrecht ten top steeg, behoort men zich geen moment langer op te houden! (10) Een wijs mens behoort niet een bijeenkomst bij te wonen waar de deelnemers eropuit zijn zich onbetamelijk te gedragen, omdat men dan stilzwijgend instemmend en onder voorwendselen uitgaande van verkeerde dingen in zonde vervalt. (11) Kijk nou eens hoe Krishna's lotusgelijke gezicht door het rondspringen om Zijn tegenstander heen zo nat is van de inspanning als de werveling van een lotusbloem is van druppeltjes water. (12) Zien jullie dan niet hoe Râma's gezicht met ogen van koper in de woede met Mushthika zelfs nog mooier is, met zoals Hij lacht in Zijn concentratie? (13) Hoe verdienstelijk is de landstreek van Vraja waar de voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid in deze vermomming van menselijke trekken, met een prachtige combinatie van woudbloemen, in het gezelschap van Balarâma, Zijn fluit laten horend en Zich bewegend in allerlei avonturen, de koeien aan het hoeden was, terwijl Zijn voeten worden aanbeden door de heer op de berg [S'iva] en de Godin van het Geluk. (14) Van wat voor boetedoening zijn de gopî's wel niet geweest dat ze met hun ogen de gedaante mochten indrinken van een dergelijke essentie van ongeëvenaarde, ongekende lieflijkheid die volmaakt is in zichzelf en immer nieuw en moeilijk te bereiken is als de enige toevlucht van roem, schoonheid en weelde? (15) Zij, de fortuinlijke dames van Vraja, met hun melken, dorsen, karnen, versmeren [van de mest], schommelen op schommels, met huilende baby's, besprenkelen en reinigen enzovoorts, zingen verzot in hun denken en verstikt van de tranen over Hem en hebben, door hun bewustzijn van Urukrama, alles wat ze zich maar konden wensen. (16) Als ze Hem de fluit horen bespelen als Hij tezamen met de koeien vroeg in de ochtend vertrekt en laat in de avond naar Vraja terugkeert, haasten de vrouwen zich naar buiten op straat om in de grootste trouw het glimlachende, genadige gezicht en Zijn blikken te zien.'

(17) Terwijl ze zich zo onderhielden besloot de Opperheer, de Beheerser van het Mystiek Vermogen, Zijn vijand te doden, o held van de Bhârata's. (18) Hun ouders [in hechtenis] die de vrouwen hun woorden van bezorgdheid over hun zoons hoorden, brandden overweldigd door verdriet vol van leed, niet wetend hoe sterk hun kinderen waren. (19) Met Acyuta en Zijn tegenstander die elkaar bevochten met allerlei worsteltechnieken, deden dat ook Balarâma en Mushthika. (20) Als gevolg van de verpletterende, bliksemharde slagen uitgedeeld door de handen en voeten van de Allerhoogste Heer, raakte Cânûra die zich meer en meer gepijnigd en uitgeput voelde, volledig gebroken. (21) Hij die Hem met de snelheid van een havik aanviel, sloeg, met zijn beide handen tot vuisten gebald, de Allerhoogste Heer Vâsudeva verwoed op Zijn borst. (22-23) Met zijn gemep zo onbewogen blijvend als een olifant die wordt geslagen met een bloemenslinger, greep de Heer Cânûra bij de armen en slingerde Hij hem een paar keer in het rond om hem met grote kracht op de aarde neer te smijten zodat hij, neerstortend als een massieve sierzuil, met zijn kleren, haar en bloemenslinger in de war, het leven liet. (24-25) Op dezelfde manier kreeg ook Mushthika, na de krachtige Heer Balabhadra te hebben getroffen met zijn vuist, een gewelddadige klap te verduren van Zijn handpalm zodat hij trillend, uit zijn mond bloed opgevend, recht waar hij stond levenloos ter aarde zeeg, als was hij een boom die geveld wordt door de wind. (26) Toen werd Kûtha die naar voren trad nonchalant met een linkervuist op speelse wijze ter dood gebracht door Râma, de beste van alle strijders o Koning. (27) Vervolgens gingen S'ala en Tos'ala tegen de vlakte, door de tenen van Krishna in hun hoofd getroffen en uiteen gescheurd. (28) Met Cânûra, Mushthika, Kûtha, S'ala en Tos'ala gedood vluchtten al de overgebleven worstelaars in de hoop hun leven te redden. (29) Zich voegend bij Hun jonge koeherdersmaten dolden Ze met hen, waarbij ze muziekinstrumenten bespeelden en tinkelend met Hun enkelbelletjes ronddansten. (30) Behalve dan Kamsa verheugden alle mensen zich over de prestatie van Râma en Krishna, terwijl de beste geleerden en de geestelijken uitriepen 'Uitstekend, uitstekend!'

(31) Met de besten van zijn worstelaars gedood en op de vlucht geslagen, stopte de koning van Bhoja zijn instrumentale muziek en sprak hij de woorden: (32) 'Verdrijf de twee zoons van Vasudeva die zich zo kwalijk hebben gedragen uit de stad, ontneem de gopa's hun rijkdommen en neem die halve gare van een Nanda in hechtenis! (33) En Vasudeva die stomkop, Ugrasena, mijn vader dat stuk onbenul en zijn volgelingen, moeten, omdat ze allen heulden met de vijand, terstond ter dood worden gebracht.'

(34) Met Kamsa die aldus buitengemeen kwaad aan het tieren was, sprong de Onoverwinnelijke Heer met gemak omhoog om rap op te klimmen naar het koninklijk platform. (35) Toen hij Hem, zijn eigen dood, er aan zag komen, stond hij, slim genoeg, direct op van zijn zetel en nam hij zijn zwaard en schild ter hand. (36) Kamsa, met zijn zwaard zo snel als een havik in de lucht van links naar rechts bewegend, werd bij machte van de onverzettelijke en angstwekkende kracht gegrepen zoals een slang wordt gegrepen door de zoon van Târkshya [Garuda]. (37) Toen Hij hem bij zijn haar beetgreep gleed zijn kroon eraf. Hij met de Lotusnavel slingerde hem daarop van het hoge platform in de worstelring waarna Hij, de Onafhankelijke Steun van het Ganse Universum, boven op hem sprong. (38) Als een leeuw met een olifant sleepte Hij hem dood over de grond voor ogen van al de mensen van wie toen een luid 'Ooo..h, ooooh' weerklonk, o Koning der mensen. (39) Aangezien hij, zonder ophouden vol van zorgen, Hem, de Beheerser met de cakra in Zijn hand, voor zich had gezien wanneer hij ook maar dronk of at, liep, sliep of ademde, verkreeg hij om die reden dezelfde, zo moeilijk te bereiken gedaante [zie ook sârûpya 10.41: 42 en 10.29: 13]. (40) Zijn acht jongere broers Kanka, Nyagrodhaka en de rest, renden in woede ontstoken naar voren ten aanval om Hem hun broer betaald te zetten. (41) Aldus zich derwaarts haastend klaar om toe te slaan werden ze door Balarâma verpletterd, die als een koning leeuw met de dieren Zijn strijdknots hanteerde. (42) Pauken weerklonken in de lucht, Brahmâ, S'iva, de andere goden en de gevolmachtigden zongen verheugd hun lofprijzingen en strooiden bloemen over Hem uit terwijl hun vrouwen dansten.

(43) De echtgenotes, o Keizer, treurend over de dood van hun weldoeners kwamen naar daar, met tranen in hun ogen zich op het hoofd slaand. (44) Met het omhelzen van hun echtgenoten neerliggend op het heldenbed, weeklaagden de vrouwen luid, waarbij ze een stroom van tranen de vrije loop lieten: (45) "Helaas, o meester, o teerbeminde, o verdediger van de heilige plicht, o vriendelijkheid in persoon, o jij zo vol van mededogen; tegelijk met het de dood vinden van jullie hebben wij, jullie huishouding en jullie nageslacht, de dood gevonden. (46) Verstoken van jou, de meester, schijnt deze stad net als wij, o meest heldhaftige onder de mannen, niet meer zo mooi toe met al de feestelijkheid en de verrukking die teneinde zijn gekomen. (47) Het verschrikkelijke geweld waar jij je jegens onschuldige levende wezens aan schuldig hebt gemaakt hebben geresulteerd in de toestand waarin je nu verkeert o liefste, hoe kan het met hem die andere levende wezens schade berokkent nu goed aflopen? (48) Hij die van minachting is voor deze Ene, Hij die van al de levende wezens in deze wereld voorzeker de oorsprong, handhaving en verdwijning is, kan nimmer gelukkig gedijen.'

(49) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Onderhouder van alle Werelden, troostte de vrouwen rondom de koning en regelde zoals voorgeschreven de begrafenisriten voor de overledenen. (50) Toen dat was afgehandeld bevrijdden Krishna en Râma Hun vader en moeder van hun boeien en bewezen Ze hen de eer door met Hun hoofden hun voeten aan te raken. (51) Devakî en Vasudeva met het onderkennen van [Hen als] de Beheersers van het Universum bewezen op hun beurt met gevouwen handen hun respect en omhelsden, beducht, hun zonen niet.'

 

Hoofdstuk 45

Krishna Redt de Zoon van Zijn Leraar

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn ouders het idee kregen dat Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zou zijn zei Hij tot Zichzelf: 'Dit moet niet zo zijn', en dus expandeerde Hij het persoonlijk begoochelend vermogen [van Zijn yogamâyâ] dat alle mensen verbijstert. (2) Ze tezamen met Zijn oudere broer, de Grootste der Waarachtigen [de Sâtvata's] benaderend, zei Hij, om ze voldoening te schenken, in bescheidenheid vol respect neerbuigend voor Zijn ouders: 'Beste vader en moeder! (3) Er is, o vader die vanwege ons altijd in angst verkeerde, inderdaad voor jullie twee nooit iets geweest van de peutertijd, de kleutertijd en de jongensjaren van jullie twee zoons [zie *]. (4) Zoals door het lot beschikt konden We, verstoken van een verblijf in jullie aanwezigheid, niet het gekoesterde geluk van kinderen ervaren die thuis bij hun ouders wonen. (5) Voor de ouders uit wie men geboorte neemt en door wie men wordt onderhouden, is een sterfelijk persoon nimmer, nog niet voor een levensduur van honderd jaar, in staat om de schuld te vereffenen, daar ze de bron vormen van het lichaam dat er is voor alle levensdoelen [purushârtha's, vergelijk met 10.32: 22]. (6) Een zoon die, er door hen met zijn middelen en weelde toe in staat, niet voorziet in hun onderhoud, zal na zijn dood er voorwaar toe gedwongen worden zijn eigen vlees te eten [zie ook 5.26]. (7) Er toe in staat zijn maar dan niet de eigen moeder en vader onderhouden, de ouderen, de kuise echtgenote, het nog zo jonge kind, de geestelijk leraar en de geschoolde die zijn toevlucht zoekt, is men dood terwijl men ademt [zie B.G. 11: 33]. (8) Om die reden waren Wij tweeën, vanwege Kamsa die altijd de boel verstoorde, met een geest die was gemotiveerd voor tegenmaatregelen niet bij machte u te eren en hebben We Onze [jeugd]jaren doorgebracht zonder voor u van enig nut te zijn geweest. (9) Alstublieft neem het Ons niet kwalijk dat, o vader en moeder, onder controle staand van anderen en u van Onze kant niet van dienst, de hardvochtige [Kamsa] zoveel pijn gegeven heeft.' 

(10) S'rî S'uka zei: 'Alzo in de waan door het begoochelend vermogen van Hem, de Heer en Ziel van het Universum verschijnend als een menselijk wezen, tilden ze Hen op hun schoten om de vreugde te ervaren Hen te omhelzen.. (11) Gebonden met het touw der genegenheid vrijuit huilend konden ze geen woord meer uitbrengen, o Koning, overmand als ze waren met hun kelen vol met tranen. (12) De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, stelde zo Zijn ouders gerust en maakte Zijn grootvader van moederszijde Ugrasena, Koning van de Yadu's. (13) Hij zei hem toen: 'Alstublieft, neem met Ons als uw onderdanen o grote Koning, de verantwoordelijkheid op u, daar vanwege de vloek van Yayâti [zie 9.18: 42] men geboren zijnde als een Yadu niet op de troon behoort te zitten. (14) Als Ik aanwezig ben als een dienaar met aandacht voor u, zullen de halfgoden en allen die bij hen horen zich verbuigen om u de eer te bewijzen; en wat zouden dan niet de andere bestuurders der mensen?'

(15-16) Al Zijn naaste verwanten en andere relaties, de Yadu's, Vrishni's, Andhaka's, Madhu's, Das'ârha's, Kukura's en andere clans, die verstoord bang voor Kamsa in alle richtingen waren weggevlucht, werden geëerd en getroost, daar het leven in den vreemde van hen zorgelijke mensen had gemaakt. Hij, de Maker van het Universum, regelde voor hen hun huizen en stelde ze tevreden met kostbare geschenken. (17-18) Beschermd door de armen van Krishna en Sankarshana genoten ze in hun huizen volmaakt de vervulling van hun wensen daar vanwege Krishna en Râma de koorts [van een materieel leven] teneinde was gekomen, nu dat ze dag na dag het liefdevolle, altijd opgewekte, mooie lotusgezicht van Mukunda met de genadige, glimlachende blikken konden zien. (19) Zelfs de ouden van dagen waren jeugdig en vol van kracht en vitaliteit met het aldaar [in Mathurâ] met hun ogen telkens weer indrinken van de nectar van Mukunda's lotusgelaat. (20) Vervolgens, o grote Koning, werden de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, en Sankarshana benaderd door Nanda en dit is wat Zij, hem omhelzend, zeiden:  (21) 'O vader, door de grote genegenheid en het geknuffel door jullie tweeën, werden Wij op grootse wijze verzorgd, het is werkelijk zo dat de liefde van de ouders voor hun kinderen zelfs groter is dan de liefde die ze voor zichzelf hebben. (22) Die personen zijn een vader en een moeder die, als waren het hun eigen kinderen, de zoons te eten geven die werden achtergelaten door hun eigen familie die niet in staat was hen te onderhouden en beschermen. (23) Alstublieft, gaat allen naar Vraja beste vader, We zullen jullie en jullie verwanten die zo smachten van de liefde komen opzoeken [in de gedaante van...] nadat we onze vrienden hier gelukkig hebben gemaakt.'  (24) Acyuta die aldus Nanda en het volkje van Vraja gerust stelde, vereerde ze toen respectvol met kleding, sieraden en potten en dergelijke.' 

(25) Aldus toegesproken door Hen tweeën omhelsde Nanda, overspoeld door emoties, Hen met tranen wellend in zijn ogen en ging hij met de gopa's naar Vraja. (26) Daarna liet de zoon van S'ûrasena [Vasudeva], o Koning, voor zijn zoons door een priester en door brahmanen de tweede-geboorte-initiatie zoals het hoorde uitvoeren. (27) Hij schonk hen in eerbied, ter compensatie geheel opgetuigde koeien met gouden kettingen en sierselen compleet met kalveren en slingers vlasbloemen. (28) Hij, grootmoedig, gaf hen in liefdadigheid de koeien die waren weggestolen door Kamsa, dezelfde koeien die hij in de geest al had weggeschonken op de dag dat Krishna en Râma werden geboren [zie 3.10: 11-12]. (29) Na met de initiatie de status der tweemaal geborenen te hebben bereikt, legden Ze, oprecht in Hun geloften voor Garga, de leermeester van de Yadu's, de gelofte van het celibaat af [een student te zijn, zie ook de Gâyatrîen brahmacârya]. (30-31) Als de Heren van het Universum die van allen de oorsprong zijn en in de kennis alwetend, hielden Zij door hun menselijke handelingen de onberispelijke kennis verborgen die uit geen andere bron wordt verkregen en verlangden Ze het om te leven in de school van de goeroe geboren in Kâsî [Benares] genaamd Sândîpani die zich ophield in de stad Avantî [Ujjain]. (32) De geestelijk leraar die het in die omstandigheid was vergund Hen alzo ingetogen te mogen ontmoeten, werd door Hen, die hem voor zijn dienstbaarheid respecteerden als was hij de Heer zelve, daarmee met Hun toewijding gebruikt om een ontwijfelbaar voorbeeld te stellen voor anderen. (33) Die beste der tweemaal geborenen, tevreden als hij was over Hun zuivere liefde en onderdanig handelen, onderrichtte Hen als Hun goeroe in al de Veda's met hun aanhangende geschriften en filosofische verhandelingen, [**] (34) de Dhanur-veda [militaire wetenschap, boogschieten] met inbegrip van al haar geheimen [de mantra's], het dharma [de menselijke gedragscodes, de wetten] en de nyâya [de methoden der logica] alsook de ânvîkshikîm [kennis van het filosofisch debat ofwel tarka] en de zes aspecten van de râja-nîtim [de politieke wetenschap, zie ***]. (35-36) Als de beste van alle eersteklas personen en van alle kennis de uitdragers maakten Zij, o heerser der mensen, eenpuntig van concentratie, simpel door het maar één keer te horen, zich het geheel van de vierenzestig kunsten volledig eigen in evenzovele dagen als nachten [*4] en boden Ze daar tevreden over Hun leermeester, o Koning, een vergoeding aan [gurudakshinâ]. (37) De tweemaal geboren man, met een gepast respect voor die verbazingwekkende grootheid van Hun bovenmenselijke intelligentie, o Koning, kwam na met zijn vrouw te hebben overlegd, tot het verzoek om zijn kind weer te zien dat was omgekomen in de oceaan te Prabhâsa [zie ook 1.15: 49, 3.1: 20, 3.3: 25]. (38) Er met 'Zo zij het' op reagerend beklommen de twee grote wagenmenners, die van een onbegrensd kunnen waren, toen een wagen en liepen Ze, daar aangeland, naar de kust om een ogenblik neer te zitten, waarop de oceaan in erkenning Hen offerandes bracht als eerbewijs [vergelijk 9.10: 13]. (39) Tot hem zei de Opperheer: 'Presenteer ons terstond de zoon van onze goeroe, een jonge jongen die door u hier met een machtige golf werd gegrepen.' 

(40) De persoon van de oceaan zei: 'Het was niet ik die hem heeft meegenomen, o Heer, het was een machtige Daitya genaamd Pañcajana, o Krishna, een demon die zich in het water ophoudt en daar de vorm van een schelp heeft aangenomen. (41) Door hem die zich hier ophoudt is hij inderdaad meegevoerd'.

Toen Hij dat hoorde haastte de Meester zich het water in en doodde Hij hem, maar de jongen kon Hij niet in zijn maag vinden. (42-44) De schelphoorn ter hand nemend, die was gegroeid als onderdeel van de demon, keerde Hij terug naar de wagen en vertrok Hij naar Yamarâja's [de heer van de dood] geliefde stad die bekend staat als Samyamanî [*5]. Op weg daarheen begeleid door Hem die de Ploeg als Zijn wapen heeft [Balarâma], blies Janârdana luid op de schelphoorn [zie ook B.G. 1: 15] waarvan de klanken werden gehoord door Yamarâja, hij die de geborenen de beperkingen oplegt. Overlopend van toewijding bewees hij Hen uitgebreid de eer en zei hij nederig, zich verbuigend voor Krishna die zich in ieders hart ophoudt: 'Wat kan ik voor Jullie twee doen, o Vishnu, die bent verschenen als menselijke wezens?' 

(45) De Allerhoogste Heer zei: 'Breng alstublieft de zoon van Mijn goeroe die naar hier werd gebracht vanwege de gebondenheid aan zijn karma o grote Koning, het is aan Mijn gebod dat voorrang moet worden verleend.' 

(46) 'Het zij zo' zei hij en produceerde toen de zoon van de leermeester. De Beste van de Yadu's gaf hem toen terug aan Hun goeroe die zij daarbij mededeelden: 'Alstublieft doe nog een wens.' 

(47) De achtenswaardige goeroe zei: 'Ik ben helemaal voldaan, mijn Jongens, door de compensatie voor de goeroe van Jullie twee; wat zou er voor de geestelijk leraar van personen als Jullie nog meer te verlangen zijn? (48) AlstJeblieft ga terug naar Jullie huis, o helden, moge Jullie faam zuivering geven en mogen de woorden van Jullie verrukking [de mantra's, de vedische hymnen] altijd nieuw zijn ['nimmer verstommen' of 'steeds worden onthouden'] in dit leven en in het leven hierna! [zie ook 10.13: 2]' 

(49) Aldus met de toestemming van Hun goeroe vertrokken bereikten Ze op Hun wagen snel als de wind en donderend als een wolk Hun stad. (50) De burgers die Râma en Janârdana al vele dagen niet meer gezien hadden, verheugden zich allen Hen weer te zien, als waren ze mensen die hun verloren gegane weelde weer terugkregen.'

Voetnoten:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan: 'De kaumâra-fase duurt tot het vijfde levensjaar, pauganda tot aan het tiende jaar en kais'ora tot het vijftiende jaar. Van dan af aan staat men bekend als een yauvana.' Naar deze uitspraak eindigt de kais'ora periode op het vijftiende jaar. Krishna was nog maar elf jaar oud toen hij Kamsa doodde, indachtig Uddhava's woorden: ekâdas'a-samâs tatra gûdhârcih sa-balo 'vasat. 'Als een bedekte vlam, bleef Heer Krishna daar incognito met Balarâma voor de duur van elf jaar' (S.B. 3.2: 26) ... de drie jaren en vier maanden dat Heer Krishna in Mahâvana verbleef stonden gelijk aan vijf jaren van een gewoon kind, en aldus rondde Hij Zijn kaumâra fase van de kindertijd af. De periode van toen af tot aan de leeftijd van zes jaar en acht maanden, gedurende welke Hij leefde in Vrindâvana, vormt Zijn pauganda stadium. En de periode van de leeftijd van zes jaar en acht maanden tot in Zijn tiende jaar, de tijd waarin Hij in Nandîs'vara [Nandagrâma] leefde, vormt Zijn kais'ora stadium. Toen, op de leeftijd van tien jaar en zeven maanden, op de elfde dag van de maan van de donkere maandhelft van de maand Caitra, ging Hij naar Mathurâ, en op de veertiende dag daarna doodde Hij Kamsa. Aldus volbracht hij Zijn kais'ora periode op tienjarige leeftijd, en blijft Hij voor eeuwig van die leeftijd. In andere woorden, moeten we begrijpen dat van dit punt af aan de Heer voor altijd een kis'ora blijft.'

**: Dezen zijn de z.g. anga's en Upanishads. De zes anga's zijn: s'iks'a (uitspraak), chanda, (klemtoon, metrum, ritme), vyâkarana (grammatica), jyotisha (astronomie), kalpa (inhoud en regels der rituelen) en nirukta (herleiden van termen).

***: De zes aspecten van de politieke wetenschap zijn: (1) sandhi, vrede sluiten; (2) vigraha, oorlog voeren; (3) yâna, marcheren of op expeditie gaan; (4) âsana, recht zitten ofwel een kampement opzetten; (5) dvaidha, het verdelen van de krachten of het scheiden van vriend en vijand; en (6) sams'aya, afhangen van geallieerden of het zoeken van de bescherming van een machtiger heerser.

*4: De Heren leerden: (1) gîtam, zingen; (2) vâdyam, muziekinstrumenten bespelen; (3) nrityam, dansen; (4) nâthyam, toneelspelen; (5) âlekhyam, schilderen; (6) vis'eshaka-cchedyam, het gezicht en het lichaam beschilderen met gekleurde zalven en cosmetica; (7) tandula-kusuma-bali-vikârâh, het maken van goedgunstige tekeningen op de vloer met rijst en bloemen; (8) pushpâstaranam, het maken van een bloembed; (9) das'ana-vasanânga-râgâh, het kleuren van de tanden, de kleren en de ledematen; (10) mani-bhûmikâ-karma, de vloer inleggen met edelstenen; (11) s'ayyâ-racanam, een bed opmaken; (12) udaka-vâdyam, met waterpotten muziek maken; (13) udaka-ghâtah, met water spetteren; (14) citra-yogâh, kleuren mengen; (15) mâlya-grathana-vikalpâh, boeketten maken; (16) s'ekharâpîda-yojanam, een helm op het hoofd zetten; (17) nepathya-yogâh, zich aankleden ter voorbereiding; (18) karna-patra-bhangâh, de oorlel versieren; (19) sugandha-yuktih, geurstoffen aanbrengen; (20) bhûshana-yojanam, met juwelen behangen; (21) aindrajâlam, goochelen; (22) kaucumâra-yogah, zich vermommen; (23) hasta-lâghavam, vingervlugheid; (24) citra-s'âkâpûpa-bhakshya-vikâra-kriyah, het klaarmaken van allerhande salades brood, cake en ander smakelijk voedsel; (25) pânaka-rasa-râgâsava-yojanam, het klaarmaken en kleuren van smakelijke dranken; (26) sûcî-vâya-karma, naaldwerk en weven; (27) sûtra-krîdâ, het maken van en spelen met poppenkastpoppen; (28) vînâ-damarukavâdyâni, op een luit spelen en een kleine X-vormige trommel; (29) prahelikâ, het maken en oplossen van raadsels; (29a) pratimâlâ, verzen of gedichten vers voor vers reciteren en voordragen bij wijze van geheugenproef of vaardigheid; (30) durvacaka-yogâh, het doen van uitspraken die voor een ander moeilijk te beantwoorden zijn; (31) pustaka-vâcanam, voordragen van boeken; en (32) nâthikâkhyâyikâ-dars'anam, kleine toneelstukken opzetten en verhalen schrijven. (33) kâvya-samasyâ-pûranam, raadselachtige verzen oplossen; (34) paththikâ-vetra-bâna-vikalpâh, het maken van een boog met een stuk stof en een stok; (35) tarku-karma, spinnen met een spinnewiel; (36) takshanam, woning inrichten; (37) vâstu-vidyâ, huizen bouwen; (38) raupya-ratna- parîkshâ, zilver en juwelen op waarde schatten; (39) dhâtu-vâdah, metallurgie; (40) mani- raga-jñânam, het kleuren van juwelen in verschillende tinten; (41) âkara-jñânam, mineralogie; (42) vrikshâyur-veda-yogâh, kruidengeneeskunde; (43) mesha-kukkutha- lâvaka-yuddha-vidhih, de kunst van het trainen en hanteren van rammen, hanen en kwartels om bij wijze van sport met elkaar te vechten; (44) s'uka-s'ârikâ-pralâpanam, kennis over hoe wijfjes en mannetjes papegaaien te leren spreken en vragen van mensen te beantwoorden; (45) utsâdanam, het genezen van mensen met smeersels; (46) kes'a-mârjana- kaus'alam, haar knippen en kapsels maken; (47) akshara-mushthikâ-kathanam, zeggen wat er in een boek staat zonder het gezien te hebben, en raden wat erin de vuist van een ander verborgen zit; (48) mlecchita-kutarka-vikalpâh, navertellen van verhalen van barbaren uit den vreemde; (49) des'a-bhâshâ-jñânam, kennis van provinciaalse dialekten; (50) pushpa-s'akathikâ-nirmiti-jñânam, kennis over hoe feestkarren te maken met bloemen; (51) yantra-mâtrikâ, samenstellen van magische vierkanten, waarbij de nummers naar boven en beneden op hetzelfde getal uitkomen; (52) dhârana-mâtrikâ, het gebruik van amuletten; (53) samvâcyam, conversatie; (54) mânasî-kâvya-kriyâ, in gedachten gedichten maken; (55) kriyâ-vikalpâh, een literair meesterwerk bedenken of een geneesmethode; (56) chalitaka-yogâh, het bouwen van schrijnen; (57) abhidhâna-kosha-cchando-jñânam, kennis van woordenlijsten en dichtvormen; (58) vastra-gopanam, een stuk stof er laten uitzien alsof het een andere kwaliteit heeft; (59) dyûta-vis'esham, kennis van de verschillende vormen van gokken; (so) âkarsha-krîda, dobbelen; (61) bâlaka-krîdanakam, spelen met speelgoed; (62) vainâyikî vidyâ, doen van bezweringen; (63) vaijayikî vidyâ, de overwinning behalen; en (64) vaitâlikî vidyâ, de leraar met muziek wekken bij het ochtendgloren [zie ook het Krishnaboek hoofdstuk 45].

*5 Samyama betekent, zelfbeheersing, inperking, de zaken bijeen houden, het integreren van de concentratie [dhâranâ], de meditatie [dhyâna] en de verzonkenheid [samâdhi] in de yoga.

    

Hoofdstuk 46

Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

(1) S'rî S'uka zei: 'De beste raadgever van de Vrishni's was Krishna's geliefde vriend Uddhava [zie ook 3.2], een directe leerling van Brihaspati van de fijnste intelligentie. (2) Tot hem, Zijn meest geliefde, unieke toegewijde sprak op een dag de Allerhoogste Heer Hari, die het leed wegneemt van de overgegeven zielen, waarbij Hij zijn hand in de Zijne nam. (3) 'Alsjeblieft Uddhava, o zachtgeaarde, ga voor het genoegen van Mijn ouders naar Vraja en bevrijdt, door mijn berichten over te brengen, de gopî's van de zielepijn gescheiden van Mij te zijn. (4) Zij verzonken in Mij, met hun geesten op Mij gevestigd, hebben Mij tot hun levensdoel gemaakt met het afzien van al het fysieke [van een echtgenoot, thuis en kinderen, zie 10.29: 4]. Met begrip voor hen die te Mijnentwille deze wereld en haar morele verplichtingen achter zich lieten, onderhoud Ik hen die Mij alleen als hun geliefde en meest beminde Zelf hebben. (5) De vrouwen van Gokula aan Mij terugdenkend, hun gekoesterde voorwerp van de liefde zo ver van hen vandaan, mijn beste, verliezen hun verstand overweldigd als ze zijn door de zorgen van hun gescheidenheid [zie ook B.G. 2: 62-64]. (6) De koeherdersvrouwen Mij volledig toegewijd houden het, met Mijn beloften weer terug te keren, met grote moeite uit, op de een of andere manier hun levens gaande houdend.'

(7) S'rî S'uka zei: 'Met Hem aldus gesproken hebbend, o Koning, aanvaardde Uddhava vol respect de boodschap van zijn Instandhouder, klom hij in zijn wagen en begaf hij zich in de richting van het koeherdersdorp van Nanda. (8) Juist toen de zon aan het ondergaan was bereikte de fortuinlijke ziel Nanda's weidegronden, alwaar hij onopgemerkt passeerde vanwege het stof van de hoeven van de dieren die naar huis kwamen. (9-13) Met de geluiden van de stieren die bronstig elkaar om de vruchtbaren bevochten, met de koeien die met volle uiers achter hun kalveren aanzaten, met de sier van witte kalfjes die ronddartelden hier en daar en met het melken en de luide klanken van de fluiten, waren de fijntjes behangen gopî's en gopa's, goedgunstig zingend over de daden van Balarâma en Krishna, schitterend. Het was allemaal hoogst aantrekkelijk met de huizen van de gopa's vol van de wierook, lampen en bloemenslingers voor het eerbetoon voor het vuur, de zon, de gasten, de koeien, de brahmanen, de voorvaderen en de goden [zie ook 10.24: 25]. Het bos aan alle kanten bloeiend weerklonk van de zwermen bijen, de zangvogels en de kârandava-eenden en de zwanen die zich verzamelden rond de lotusbedden die het geheel opluisterden. (14) Met hem aangekomen naderde Nanda de geliefde volgeling van Krishna en omhelsde hij hem, gelukkig erover van eerbetoon te kunnen zijn met Heer Vâsudeva voor de geest. (15) Hij vergastte hem op de fijnste spijzen, liet hem plaatsnemen op een gemakkelijke sofa om van zijn vermoeidheid te bekomen en zorgde voor een massage voor zijn voeten en dergelijke, en vroeg:  (16) 'O beste en allerfortuinlijkste, gaat alles goed met de zoon van S'ûra [Vasudeva] die zijn weldoeners zo toegewijd is, nu dat hij is vrijgekomen en herenigd met zijn kinderen? (17) Welk een geluk dat de kwaaie Kamsa, die voortdurend de immer rechtschapen en deugdzame Yadu's haatte, vanwege zijn zonden samen met zijn volgelingen ter dood is gebracht! (18) Denkt Krishna nog aan ons, Zijn moeder, Zijn weldoeners en vrienden, de gopa's van Vraja van wie Hij de meester is, de koeien, het bos Vrindâvana en de berg? (19) Komt Govinda terug om nog één keer Zijn mensen te treffen zodat we een blik kunnen werpen op Zijn gelaat, Zijn prachtige neus, Zijn vriendelijke glimlach en Zijn ogen? (20) Door Krishna, die zo heel grote Ziel, werden we beschermd tegen onoverkomelijke doodsbedreigingen als een bosbrand, de wind en de regen, alsook tegen een stier en een serpent. (21) De herinnering aan Krishna's heldendaden, speelse zijdelingse blikken, glimlachen en woorden, mijn beste, deed ons allen onze materiële zorgen vergeten. (22) Bij hen die de locaties zien waar Hij speelde, de rivieren, de heuvels en de verschillende delen van het woud die door Zijn voetstappen werden opgesierd, vindt de geest volledige verzonkenheid in Hem. (23) Ik denk dat Krishna en Râma, zoals beaamd door Garga [zie 10.8: 12], van al de halfgoden de twee meest hoogstaande zijn op deze planeet, hier aanwezig voor een grote en heilige zaak van God. (24) Immers werden Kamsa, die zo sterk was als tienduizend olifanten, de worstelaars en de koning der olifanten als betrof het een spelletje door Hen beiden gedood, zo eenvoudig als dieren door koning leeuw. (25) Een boog zo massief als vijftig centimeter dik [drie tâla's] werd door Hem zo koninklijk als een olifant gebroken als was het een stokje en voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand een berg omhoog! (26) Pralamba, Dhenuka, Arishthâ, Trinâvarta, Baka en andere demonen, die zowel Sura als Asura de baas waren, werden door Hen met gemak gedood.'

(27) S'rî S'uka zei: 'Nanda aldus keer op keer herinneringen ophalend, raakte, volledig opgegaan in Krishna, uiterst van streek en viel toen stil overmand door de kracht van zijn eigen zuivere liefde. (28) Moeder Yas'odâ, die de beschrijvingen aanhoorde van de activiteiten van haar zoon, liet haar tranen de vrije loop waarbij haar borsten nat werden van haar liefde.  (29) Met het zien van hen twee, in deze toestand van hun opperste aantrekking in liefde voor de Allerhoogste Heer, sprak Uddhava in extase. (30) S'rî Uddhava zei: 'Jullie tweeën zijn ongetwijfeld, met het hebben ontwikkeld van een mentaliteit als deze voor Nârâyana die de geestelijk leraar is van iedereen, de meest lovenswaardige van alle belichaamde wezens hier in deze wereld, o respectvolle. (31) De twee van Mukunda en Râma vormen voorwaar het zaad en de baarmoeder van het universum; Zij zijn het Oorspronkelijke Mannelijk Beginsel en Zijn Creatieve Vermogen die de levende wezens met kennis en beheersing bijstaan in al hun [verwarring en] verscheidenheid. (32-33) Die persoon die in dit leven innerlijk verdeeld enkel maar een ogenblik zijn geest doet opgaan [in Hem], zal op dat moment meteen alle sporen van karmische onzuiverheden uitwissen en zich op weg bevinden naar de hoogste bestemming in een geestelijke gedaante met de kleur van de zon. Met jullie goede zelf die Hem, de grote Ziel en het grote Zelf dat voor een ieder de reden van bestaan vormt, die Hem, Nârâyana, de Uiteindelijke Oorzaak in een sterfelijke gedaante, met alles wat jullie kunnen de hoogste en zuiverste liefde geven, welke goede daden zouden er dan nog voor jullie overblijven om te verrichten? (34) Over een niet al te lange tijd zal Acyuta, [als] de Opperheer, de Meester en Beschermer van de Toegewijden, om Zijn ouders voldoening te schenken, terugkeren naar [het volle inzicht van de mensen van] Vraja. (35) Met het gedood hebben van Kamsa, de vijand van alle Yadu's, in de worstelring, [en alle andere kwaad in de wereld...] zal Krishna waarachtig zijn in dat wat Hij u zei over Zijn weer terugkeren. (36) Alstublieft laat de moed niet zakken, o hoogst fortuinlijke zielen, jullie zullen Krishna in de nabije toekomst zien; Hij is aanwezig in de harten van alle levende wezens zoals vuur dat is in brandhout. (37) In werkelijkheid is niemand Hem in het bijzonder dierbaar of niet dierbaar, noch houdt Hij, vrij van valse trots met een gelijk respect voor iedereen, wie dan ook voor superieur of inferieur [vergelijk de S'rî S'rî S'ikshâshthaka en B.G. 9: 29,]. (38) Voor Hem bestaan er geen vader en moeder, geen echtgenote, geen kinderen enzovoorts; niemand is Zijn verwant, noch is ook maar iemand een buitenstaander en bestaat er ook geen [materieel] lichaam of een geboorte voor Hem [vergelijk 10: 3]. (39) Voor Hem bestaat er geen karma in deze wereld om te verschijnen in baarmoeders die zuiver, onzuiver of er tussenin zijn en niettemin verschijnt Hij voor Zijn spel en vermaak met de bedoeling Zijn deugdzame toegewijden te verlossen [zie B.G. 3: 22; 4: 7; 13: 22]. (40) Hoewel Zich bevindend voorbij de geaardheden genaamd de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid aanvaardt Hij het, geheel bovenzinnelijk, om met de geaardheden een spel te spelen, en is Hij aldus, als zijnde de Ongeborene, van schepping, handhaving en vernietiging.  (41) Net zoals men ziet dat als men ronddraait, de grond lijkt rond te draaien, zo ook lijkt het, als men het lichaam voor het ware zelf aanziet, dat men zelf de doener is, terwijl het de geest is die bezig is [vergelijk B.G. 3: 27]. (42) Hij is niet enkel de zoon van jullie tweeën, Hij is de Allerhoogste Heer Hari die de zoon, het eigenlijke zelf, de vader èn de moeder is; Hij is de Heer der Beheersing. (43) Van wat men ziet of hoort, van wat zich in het heden, het verleden of in de toekomst bevindt; van wat vaststaat, zich rondbeweegt, groot of klein is kan in het geheel niet worden gezegd dat het iets is dat losstaat van Acyuta; Hij alleen, zich manifesterend als de Superziel, is alles.'

(44) Terwijl Nanda en Krishna's dienaar zich aldus onderhielden liep de nacht op een einde, o Koning, ontstaken de vrouwen uit hun slaap opgestaan lampen in aanbidding voor hun beeltenissen en begonnen ze de boter de karnen. (45) In het licht van de lampen aan de touwen trekkend, met de reeksen armbanden om hun armen, met hun juwelen en met hun gezichten rood van de kunkuma opgloeiend bij hun oorhangers en halssnoeren, straalden de vrouwen terwijl hun heupen en borsten heen en weer bewogen. (46) Met de lotusogige vrouwen van Vraja die met het weerklinken van hun luide gezang dat zich vermengde met de geluiden van het karnen voor de boter de lucht bezwangerden, werd al het ongunstige in iedere uithoek verdreven. (47) Toen de opperheerser, de zon, opkwam zagen de inwoners van Gokula de gouden wagen bij Nanda voor de deur staan en vroegen ze zich af: 'Van wie mag die wel zijn?'. (48) Misschien is Akrûra gekomen, die knecht van Kamsa's bedoelingen door wie Krishna met Zijn lotusogen naar de stad Mathurâ werd gebracht. (49) Zou hij dan, met zijn meester tevreden, hier zijn om de begrafenisriten met ons te vieren?' en terwijl de vrouwen zich aldus uitlieten kwam Uddhava eraan, klaar met zijn ochtendverplichtingen.'

 

Hoofdstuk 47

De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Toen de vrouwen van Vraja hem, de dienaar van Krishna, zagen met zijn lange armen, zo jong als hij was, met zijn lotusogen, met een geel gewaad aan en een lotusslinger om en met zijn stralende lotusgezicht en gepolijste oorhangers, vroegen ze zich nogal verbluft af waar die knappe man vandaan was gekomen en bij wie hij, met Krishna's kleren en opsier, hoorde. Allen zo pratend dromden ze zich benieuwd om hem heen die werd beschut door de lotusvoeten van Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Geschriften]. (3) Met gepast respect nederig voor hem buigend en verlegen glimlachend met hun blikken, lieve woorden en dat alles, deden ze bij hem navraag, nadat ze hem apart hadden genomen en plaats hadden doen nemen op een kussen, want ze hadden begrepen dat hij een boodschapper was van de Meester van de Godin van het Fortuin. (4) 'We weten dat u naar hier bent gekomen als de persoonlijke metgezel van de aanvoerder van de Yadu's die als uw Meester u hierheen gestuurd heeft om met uw bemiddeling Zijn ouders een genoegen te doen. (5) We zouden echt niet weten wat er voor Hem anders voor gedenkwaardigs zou zijn in dit koeiengebied; de banden der genegenheid voor iemands verwanten zijn zelfs voor een wijze moeilijk te verzaken. (6) Het belang gesteld in anderen manifesteert zichzelf als vriendschap voor zolang als het duurt; het is een voorwendsel zo goed als de interesse die bijen tonen voor bloemen of die mannen tonen voor vrouwen. (7) Publieke vrouwen keren zich af van een berooid man, burgers keren zich af van een incompetente koning, afgestudeerden gaan weg bij hun leraar en priesters verlaat men na ze een vergoeding gegeven te hebben. (8) Vogels doen dat met een boom die zijn vruchten kwijt is en gasten met het huis waar ze aten; dieren verlaten het bos dat afbrandde en zo ook doet een minnaar dat als hij eenmaal een bekoorde vrouw heeft genoten.'

(9-10) De gopî's met Uddhava, de boodschapper van Krishna die in hun midden was aangekomen, zetten op die manier, met hun praten, hun lichamen en hun geesten gericht op Krishna, hun wereldse zorgen van zich af, zonder schroom zingend en huilend in de intense herinnering aan wat hun Lieveling allemaal had gedaan in Zijn kinder- en jeugdjaren. (11) Een [aangemerkt als Râdhâ, zie ook *] die een honingbij zag tijdens haar mediteren op de omgang met Krishna, stelde zich die voor als een boodschapper gestuurd door haar Geliefde en zei het volgende. (12) De gopî zei: 'O honingbij, jij vriend van een bedrieger, raak mijn voeten niet aan met je haartjes waaraan de kunkuma nog kleeft van Zijn bloemenslinger die kwam van de borsten van onze rivale; van Hem die een boodschapper als jij eropuitstuurt heeft men een lage dunk in de vergadering der Yadu's - laat de Heer van Madhu [in plaats daarvan Zelf] van genade zijn voor de vrouwen! [prajalpa **] (13) Nu Hij ons eenmaal liet drinken van de nectar van Zijn verstandsverbijsterende lippen, heeft Hij ons plotsklaps verlaten alsof we maar wat bloemetjes zijn; ik vraag me af waarom, net als jij [o bij], de Godin van het Geluk [Padmâ] Zijn lotusvoeten dient - dat is zeker zo omdat, helaas, door de praatjes van Krishna ze van haar verstand werd beroofd [parijalpa ***]. (14) O meneertje zespoot, waarom zing je hier voor ons zo druk over de Meester van de Yadu's, oude vriendinnen van de Vriend van Vijaya [Arjuna], die hun thuis achter zich lieten; je kan maar beter over Zijn wederwaardigheden zingen voor de [huidige] vriendinnetjes van wie Hij [nu] de pijn van hun borsten heeft weggenomen - Zijn liefjes zullen je het soelaas bieden dat je zoekt [vijalpa *4]. (15) Welke vrouwen in de hemel, op aarde of lager zouden niet ter beschikking staan van Hem zo misleidend met Zijn charmante glimlachen en wenkbrauwbogen; wat is, als de echtgenote van de Fortuinlijke van aanbidding is met het stof van de voeten, nu de waarde van ons, wij voor wie zo miserabel Hij er tenminste is met de geluidsklank 'Uttamas'loka' [ujjalpa *5]? (16) Hou je koppetje weg van mijn voet! Ik ken je wel, jij expert die als een boodschapper van Mukunda de diplomatie van de vleierij leerde! Waarom zou ik me met Hem verzoenen die ons zo ondankbaar heeft verlaten, wij die ter wille van Hem in dit leven hun kinderen, echtgenoten, en al het overige hebben opgegeven [sañjalpa *6]? (17) Tegen de regels in schoot Hij [als Râma, zie 9.10 & 11] zo wreed als een jager de koning der apen neer [Vâlî], liet Hij zich inpalmen door een vrouw [Sîtâ], verminkte Hij een door lust geplaagde vrouw [S'ûrpanakhâ, de zuster van Râvana] en bond Hij, na Zijn eerbewijzen te hebben genoten [als Vâmana], Bali vast als was hij een kraai [zie 8.21]; daarom, genoeg over die Zwarte Knaap die van alle vriendschappen zo moeilijk op te geven is met het ons verliezen in de onderwerpen die Hem betreffen [avajalpa *7]. (18) De oren, slechts een enkele keer in een druppel delend van de nectar van het spel en vermaak dat Hij voortdurend aan de dag legde, verwijderen iemand geheel van de dualiteit en richten terstond het persoonlijke plichtsbesef te gronde, om reden waarvan vele mensen alhier, met het afwijzen van hun armzalige huisjes en families, als vogels er het levensonderhoud van het bedelen op nahouden [abhijalpa *8]. (19) Wij, met het voor waar houden van Zijn misleidende woorden, hebben als de dwaze wijfjes van het zwarte hert vertrouwen stellend in de lokroep van de jager, bij herhaling deze scherpe pijn van de lust ervaren teweeggebracht door de aanraking van Zijn vingernagels; o boodschappenjongen, ik smeek je, heb het ergens anders over [âjalpa * 9]! (20) O lief vriendje, ben je er door mijn Geliefde wederom op uitgestuurd? Alsjeblieft kies wat je maar wilt, je verdient alle lof mijn beste - waarom wek je bij ons hier deze strijdigheid van gevoelens op met Hem die zo onmogelijk op te geven is; o aardig beestje, bevindt aan Zijn zijde op Zijn borst zich niet altijd Zijn metgezellin, de Godin van het Geluk S'rî [pratijalpa * 10]? (21) Het is zeker spijtig dat de zoon van Nanda zich nu in Mathurâ ophoudt; herinnert Hij zich zo nu en dan de zaken van Zijn vaders huishouden, Zijn vrienden en de koeherdersjongens, o grote ziel, of, heeft Hij het in gesprekken nog over ons, de dienstmaagden? Wanneer bestaat er een kans dat Hij Zijn naar aguru ruikende hand op onze hoofden zal leggen [sujalpa * 11]?'

(22) S'rî S'uka zei: 'Uddhava, die hoorde hoezeer de koeherdersmeisjes ernaar verlangden Krishna te zien, sprak toen teneinde ze tot vrede te bewegen over de boodschappen van hun Lieveling. (23) S'rî Uddhava zei: 'Jullie die op deze manier jullie geesten hebben gewijd aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva, zijn voorzeker aanbiddenswaardig voor alle mensen omdat jullie aan het levensdoel van jullie goede zielen hebben beantwoord [van het gestalte geven aan de emoties van het omgaan met Hem]. (24) Door schenkingen, geloften [van armoe, celibaat en vasten], offers, het bidsnoer [japa], door studie, en door je naar binnen te keren je concentrerend en mediterend, en door allerlei andere soorten van goedgunstige praktijken [zie ook yama, niyama, vidhi en bhâgavata dharma] wordt werkelijk in verhouding tot Krishna de bhakti, de toegewijde dienst, gerealiseerd. (25) Door jullie goede zelven is in relatie tot de Allerhoogste Heer die in verheven verzen wordt verheerlijkt, is - en mijn complimenten daarvoor - een toewijding zonder weerga neergezet die zelfs voor de wijzen moeilijk te bereiken is. (26) Tot jullie goede geluk kozen jullie ervoor om jullie zonen, echtgenoten, materiële gemakken, verwanten en huizen achter te laten om omgang te hebben met die superieure mannelijke persoonlijkheid genaamd Krishna. (27) Door de terechte claim van jullie welgemeende liefde in gescheidenheid van Adhokshaja, o glorieuze dames, hebben jullie mij [de Heer en iedereen] een grote dienst bewezen. (28) Alstublieft, goede dames, luister naar het bericht voor jullie van je Geliefde, om reden waarvan ik, als een trouwe uitvoerder van mijn Meester Zijn opdrachten, naar hier ben gekomen.

(29) De Opperheer heeft gezegd: 'Jullie vrouwen zijn feitelijk nimmer gescheiden van Mij, die er altijd is als de Ziel van Allen; net zoals al de elementen, de ether, het vuur, de lucht, het water en de aarde deel uitmaken van alle levende wezens, ben Ik net zo, naar de elementen van de geest, de levensadem, de zinnen, en hun natuurlijke geaardheden [guna, rasa en jalpa] er als hun haven. (30) In Mij schep, vernietig en onderhoudt Ik waarlijk middels Mijzelf, met behulp van de macht van Mijn begoochelend vermogen dat bestaat uit de elementen, de zinnen en de geaardheden. (31) De ziel vol van zuivere geestelijke kennis is naar het effect van de geaardheden onberoerd met wat wordt waargenomen middels de functies van de diepe slaap, de droomslaap en het waakbewustzijn. (32) Wat men mediteert met de zintuigen die hun voorwerpen najagen is vals, zoals een droom dat is bij het ontwaken; alert blijvend behoort men datgene onder controle te brengen wat zich [in de geest] via de zinnen verzamelt [vergelijk B.G. 2: 68 en 6: 35-36]. (33) Dit, net als al de rivieren die eindigen in de oceaan, is van de intelligenten de eindconclusie van alle vedische studies, yoga, analyse, verzaking, boete, zinsbeheersing en waarheidlievendheid [vergelijk B.G. 2: 70]. (34) Het feit dan dat Ik, voor jullie ogen zo dierbaar, inderdaad Me zo ver van jullie vandaan bevindt, is naar Mijn wilsbeschikking dat jullie, in jullie grote zorg om Mij, aan Mij zijn gehecht in de geest. (35) Want de geesten van vrouwen blijven verzonken als degene die hen het meest dierbaar is ver weg is en niet zo zeer de geesten van hen die hem rechtstreeks lijfelijk voor zich hebben. (36) Jullie geesten die volledig zijn opgegaan in Mij zullen, met het - omdat jullie Mij voortdurend herinneren - opgegeven hebben van al de rusteloosheid, Mij spoedig verwerven. (37) Zij die hier in Vraja bleven terwijl Ik Me 's nachts vermaakte in het bos [zie 10.29: 9], en zodoene de râsadans niet meebeleefden, genoten het geluk Mij te bereikten door hun gedachten te richten op Mijn heldendaden.'

(38) S'rî S'uka zei: 'De vrouwen van Vraja die kennis hadden genomen van de op deze wijze doorgegeven aanwijzingen van hun Geliefde, richtten zich toen tot Uddhava, blij als ze waren met de berichtgeving die hun geheugen opfriste. (39) De gopî's zeiden: 'Gelukkig is de oorzaak van het lijden, de vijand van de Yadu's Kamsa, tezamen met zijn volgelingen ter dood gebracht. Hoe goed dat Acyuta op het ogenblik gelukkig en wel leeft met degenen Hem welgezind die alles hebben bereikt wat ze verlangden. (40) O zachtgeaarde, misschien schenkt de oudere broer van Gada [Krishna, zie 9.24: 46] de vrouwen van de stad de liefde die ons toebehoort, wij die Hem vol genegenheid en verlegen vereren met uitnodigende glimlachen en blikken. (41) Hoe raakt onze Lieveling, die zo goed thuis is in al de zaken van de liefde, nu niet in de ban van de zinsbegoochelende gebaren en woorden van de vrouwen in de stad, die ook [net als wij] constant van aanbidding zijn? (42) En... herinnert Krishna, o vrome, Zich ons wel; brengt Hij ons, dorpsmeisjes, ooit ter sprake als Hij vrijuit praat in het gezelschap van de vrouwen van de stad? (43) Herinnert Hij zich die nachten waarin Hij zich vermaakte in Vrindâvana de plaats die zo betoverend was door de lotus, de jasmijn en de maan, toen Hij met tinkelende enkelbelletjes samen met ons danste, Zijn geliefde vriendinnen, die altijd vol lof over Hem zijn in de bekoorlijke verhalen over Hem? (44) Zal die nazaat van Das'ârha naar hier komen om, met Zijn aanraking wellicht, ons, die gekweld zijn door het verdriet waar hij Zelf aanleiding toe gaf, weer tot leven te wekken, net zoals Indra dat zou met [het weer opnieuw doordrenken van] een bos met zijn wolken? (45) Maar waarom zou Krishna naar hier komen nu dat Hij, omringd door al Zijn aanhangers, er gelukkig mee is dat Hij een koninkrijk heeft verworven, Zijn vijanden heeft gedood en getrouwd is met de dochters van koningen? (46) Wat zouden wij, vrouwen van het bos - of ook andere vrouwen, nou jegens Hem, de grote Ziel en echtgenoot van de Godin van het Geluk van Wie alle wensen in vervulling zijn gegaan, ons nog als een te vervullen taak kunnen stellen; Hij is volkomen in Zichzelf! (47) Het hoogste geluk vindt men inderdaad in het niet hopen op enig ander iets, zo stelde dat zelfs Pingalâ [een courtisane, zie 11.8], niettemin is het voor ons, die zo gebrand op Krishna zich daarvan bewust zijn, moeilijk om geen hoop te koesteren. (48) Wie kan het verdragen de intieme gesprekken met Uttamas'loka te moeten vergeten, Hij, van wiens zijde de godin, ook al begeert Hij haar niet, nimmer wijkt? (49) Met Sankarshana als Zijn metgezel leefde Krishna, o prabhu, met de rivieren, de heuvels en de plaatsen in het bos, de koeien en de geluiden van de fluit. (50) Ah!, keer op keer doen die plaatsen met de goddelijke afdrukken van Zijn voeten ons weer denken aan de zoon van Nanda die we echt nooit meer kunnen vergeten. (51) O, hoe kunnen wij, wiens harten werden gestolen door Zijn gang, Zijn speelse blikken, Zijn gulle charmante glimlachen en nectargelijke woorden, nu Hem vergeten? (52) O Meester, Meester van de Godin, Meester van Vraja, o Vernietiger van het Lijden, o Govinda hef Gokula op uit de oceaan van de misère waarin ze is ondergedompeld!'

(53) S'rî S'uka zei: 'Zij, met de koorts van hun gescheidenheid verdreven door Krishna's boodschappen, aanbaden hem toen, omdat ze hem als Adhokshaja Zelve herkenden. (54) Daar nog een paar maanden verblijvend al zingend over de onderwerpen van Krishna's spel en vermaak, bracht hij Gokula grote vreugde met het verdrijven van het verdriet van de gopî's. (55) Al de dagen dat Uddhava zich ophield in Nanda's koeherdersdorp verstreken voor de bewoners van Vraja als in een oogwenk, omdat ze allen vol waren van hun gesprekken over Krishna. (56) Met de aanblik van de rivieren, de bossen, de bergen, de valleien en de bloesemende bomen, schiep de dienaar van de Heer er genoegen in de mensen van Vraja te inspireren over Krishna. (57) Toen hij dit alles en nog meer van de gopî's hun volledige verzonkenheid in Krishna opmerkte alsmede de mate waarin ze van streek waren, was Uddhava buitenmate verheugd en zong hij, ze alle respect betuigend, het volgende: (58) 'Deze vrouwen, die met succes hun lichamen handhaven op deze aardkloot als koeherdersvrouwen die er uitsluitend voor Govinda zijn, de Ziel van Allen, hebben geheel zelfstandig de volmaaktheid bereikt in hun liefdevolle extase - een liefde die wordt begeerd door zowel ons als door de wijzen beducht op een materieel bestaan; wat heeft het voor een nut om gezegend te zijn met de [drie] geboorten van een brahmaan [uit zijn moeder, zijn goeroe en zijn offeranden] als men de smaak te pakken heeft van de verhalen over de Onbegrensde Heer? (59) Waar bevindt men zich vergeleken met deze vrouwen die, onzuiver in hun gedrag jegens Krishna, rondtrekken door de bossen; wat is nu iemands positie vergeleken met dit stadium van volmaakte liefde voor de Opperziel? - zeker vergunt de Heer aan degene die van constante aanbidding is, zelfs al is die niet zo geschoold, rechtstreeks het hoogste goed, het goede dat in zich opgenomen werkt als de allerbeste van alle medicijnen [d.w.z.: ongeacht de persoon]. (60) De zegen van de dames van Vraja die in dezen gezegend waren met de omhelzing van Uttamas'loka in de râsa-dans was er niet voor de vrouwen van de hemel die de geur en de luister van een lotusbloem hebben, en hij was al helemaal niet gegeven aan andere wereldse schoonheden [10.33]. (61) Oh, laat mij verkeren in toewijding tot het stof van de lotusvoeten van de gopî's in Vrindâvana; laat mij een van de struiken, klimplanten of kruiden zijn [daar in verhouding] tot hen die, in aanbidding van de voeten van Mukunda naar wie men op zoek is met behulp van de Veda's, het opgaven met het pad van de burgerlijke correctheid en met de familieleden die zo moeilijk achter te laten zijn. (62) De voeten van de Opperheer van wie de godin, de ongeborene, en de andere goden, zelfs al zijn ze volleerd als meesters in de yoga, alleen maar kunnen dromen, werden door hen werkelijk in de bijeenkomst van de râsa-dans op hun borsten geplaatst, zodat door die omhelzing hun nood werd bedwongen. (63) Bij het stof van de voeten van de koeherdersvrouwen van Vraja, door wiens luide bezingen van de verhalen over Krishna de drie werelden worden gezuiverd, breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen.'

(64) S'rî S'uka zei: 'Toen met het van de gopî's, van Yas'odâ en Nanda alsook van de gopa's verkrijgen van toestemming om te vertrekken, besteeg de nazaat van Das'ârha, klaar om eropuitte rijden, zijn wagen. (65) Hem bij zijn vertrek benaderend spraken Nanda en de anderen, met de verschillende artikelen van aanbidding in hun handen, vol genegenheid met tranen in hun ogen. (66) 'Mogen onze geesten zich immer beroepen op de beschutting van de lotusvoeten van Krishna, mogen onze woorden uitdrukking geven aan Zijn namen en mogen onze lichamen zich vooroverbuigend en zo meer, dat doen te Zijnentwille. (67) Waar we voor ons werk naar de bechikking van de Heer ook worden geleid om rond te trekken, moge er daar, met wat we doen en wegschenken in liefdadigheid, het goedgunstige zijn in onze gehechtheid aan Krishna onze Heer.'

(68) Nadat de gopa's hem aldus hadden geëerd met Krishna-bhakti, o eerste onder de mensen, keerde Uddhava terug naar de stad Mathurâ die zich nu onder Krishna's hoede bevond. (69) Nadat hij Krishna ten voeten was gevallen om Hem de eer te bewijzen, vertelde hij Hem over de intense toewijding van de ingezetenen van Vraja en overhandigde hij aan Vasudeva, Balarâma en de koning [Ugrasena] de geschenken die waren meegegeven.'   

Voetnoten:

* Om de claim kracht bij te zetten dat het hier om Râdhâ handelt, citeert S'rîla Jîva Gosvâmî de volgende verzen uit de Agni Purâna:  "Bij het ochtendgloren deden de gopî's navraag bij de dienaar van Krishna, Uddhava, over de Heer Zijn tijdverdrijf en wederwaardigheden. Alleen S'rîmatî Râdhârânî, verzonken in gedachten over Krishna, zag af van haar belang in de gesprekken. Toen sprak Râdhâ, die wordt aanbeden door de bewoners van Haar Vrindâvana dorp, zich uit temidden van Haar vriendinnen. Haar woorden waren vol van zuivere transcendentale kennis en gaven uitdrukking aan het allerbeste gedeelte van de Veda's."

** S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan dat deze en de volgende negen verzen een voorbeeld vormen van de tien soorten van impulsieve spraak [citra-jalpa of vreemde praatjes] geuit door een geliefde als uitdrukkingen van hemelse gekte of goddelijke waanzin [divyonmâda]. S'rîla Rûpa Gosvâmî in de Ujjvala-nîlamani (14.182) zegt over deze uitdrukking: "Prajalpa is de spraak die de tactloosheid van iemands geliefde aan de kaak stelt met uitdrukkingen van disrespect. Het wordt uitgesproken in een jaloerse en trotse gesteldheid."

*** Ujjvala-nîlamani (14.184): 'Parijalpa is die spraak welke, met verschillende middelen, bewijs levert van de eigen slimheid door te wijzen op de genadeloosheid, dubbelhartigheid, onbetrouwbaarheid enzovoorts van iemands Heer van aanbidding.'

*4 Ujjvala-nîlamani (14.186): "Volgens de geschoolde autoriteiten, is vijalpa sarcastische spraak die gericht is op de doder van Agha en die openlijk uitdrukking geeft aan de jaloezie terwijl tegelijkertijd de aandacht wordt gevestigd op de eigen kwaaie trots."

*5 Ujjvala-nîlamani (14.188): "De verklaring van Heer Hari's dubbelhartige natuur in een verwijtende toon geboren uit trots, tezamen met jaloers uitgesproken beledigingen tegen Hem gericht, is door de wijzen met ujjalpa aangeduid."

*6 Ujjvala-nîlamani (14.190): "De geschoolden beschrijven sañjalpa als die spraak welke zich met diepe ironie en beledigende gebaren beklaagt over de ondankbaarheid enzovoorts van de geliefde."

*7 Ujjvala-nîlamani (14.192): "Geheiligde personen hebben geconcludeerd dat als een minnares, gedreven door jaloezie en vrees, verklaart dat Heer Hari haar gehechtheid niet waard is vanwege zijn wreedheid, lustmatigheid en oneerlijkheid, dat dergelijke spraak dan avajalpa heet."

*8 Ujjvala-nîlamani (14.194): "Als een minnares indirect met grote spijt stelt dat haar geliefde in aanmerking komt de bons te krijgen, dat dergelijke spraak, geuit als het klagelijke schreeuwen van een vogel, abhijalpa wordt genoemd."

*9 Ujjvala-nîlamani (14.196): "Een uitlating vol van weerzin, die beschrijft hoezeer de minnaar vol van bedrog is en iemand ellende brengt, en eveneens in zich sluit dat Hij anderen geluk brengt, staat bekend als âjalpa."

*10 Ujjvala-nîlamani (14.198): "Als de minnares nederig stelt dat hoewel ze het niet waard is haar geliefde te bereiken ze de hoop op een liefdesrelatie met Hem niet op kan geven, worden dergelijke woorden, uitgesproken met respect voor de boodschap van haar geliefde, pratijalpa genoemd."

S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî verklaart dat de Godin van het Geluk, S'rî, de macht heeft om vele verschillende gedaanten aan te nemen. Dus als Krishna andere vrouwen geniet, blijft ze op Zijn borst aanwezig in de vorm van een gouden lijn. Als Hij zich niet ophoud met andere vrouwen, legt ze deze gedaante af en schenkt ze hem plezier in haar natuurlijke mooie gedaante van een jonge vrouw.

*11 Ujjvala-nîlamani (14.200): "Als, eerlijk en oprecht, een minnares S'rî Hari op een ernstige wijze, nederig, wijfelachtig en gretig betwijfelt, staat een dergelijke spraak bekend als sujalpa." 

 

Hoofdstuk 48

Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip [voor wat Uddhava had gerapporteerd] het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10]. (2) Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels alsook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout. (3) Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats enzovoorts. (4) Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter]. (5) Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava. (6) De lieftallige vrouw bij Zich roepend, die bang voor het nieuwe contact [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf. (7) Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen. (8) Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende: (9) 'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.'

(10) Hij van Respect voor Anderen, met respect voor haar, gaf gehoor aan die wens van haar materieel verlangen [door te beloven daar later op terug te komen] waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning. (11) Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36].

(12) Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen. (13-14) Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen. (15-16) Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma: (17) 'Tot ons grote geluk hebben Jullie tweeën de zondige Kamsa en ook zijn broers en volgelingen gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en hebben Jullie voorspoed gebracht. (18) Jullie twee zijn de essentiële personen die de oorzaak en de inhoud van het Universum vormen en los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden. (19) Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en door directe ervaring. (20) De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen. (21) U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële activiteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn? (22) Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam enzovoorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw liefdevolle wilsbeschikking zo [zie b.v. 10.11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11]. (23) Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid. (24) U als diezelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspect [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door middel van het doden van hun koningen [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie. (25) Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk bijzonder gezegend met U, Adhokshaja, nu U daar bent binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert. (26) Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan tot U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40]. (27) Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeggebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.'

(28) Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij tot hem in woorden waarvan hij diep onder de indruk raakte. (29) De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd. (30) Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente en het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn. (31) Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als men ze slechts één enkele keer tegemoet treedt. (32) Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad die is vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om erachter te komen wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan. (33) Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe zijnd, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam. (34) De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijkelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26]. (35) Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat We met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.'

(36) Na Akrûra volledig te hebben geïnstrueerd met deze woorden, begaf de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, Zich met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen verblijf.'  

 

Hoofdstuk 49  

Akrûra's Missie in Hastinâpura

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Toen hij [Akrûra] naar Hastinâpura ging, de stad die zich kenmerkte door de glorie van de koningen van de Pûru-dynastie [zie stamboom], trof hij daar de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra, zie 9.22: 25] tezamen met Bhîshma, Vidura en Prithâ [Kuntî] aan, alsook Bâhlika en zijn zoon [Somadatta], Dronâcârya en Kripâcârya, Karna, Duryodhana, de zoon van Drona [As'vatthâmâ], de Pândava's en andere vrienden. (3) Nadat de zoon van Gândinî [Akrûra, zie 9.24: 15] naar behoren zijn verwanten en vrienden had begroet deden zij bij hem navraag wat voor nieuws er was over hun naasten en informeerde hij op zijn beurt hoe het hun verging. (4) Hij bleef daar een paar maanden om er achter te komen wat de koning, die niet zo sterk in zijn schoenen stond met zijn slechtgeaarde zoons, allemaal deed met het beantwoorden aan de verlangens van de kwaadwilligen [als Karna]. (5-6) Zowel Vidura als Kuntî vertelden hem alles van het onwelvoeglijke, zoals het toedienen van gif, waaraan de zoons van Dhritarâshthra zich schuldig hadden gemaakt in hun intolerante houding wat betreft de invloed, de vaardigheid, de kracht, heldenmoed enzovoorts van de zoons van Prithâ, voor wiens hoogstaande kwaliteiten de burgerij een grote voorliefde had. (7) Prithâ, nu ze haar [Vrishni-]broeder Akrûra voor zich zag, richtte zich tot hem en zei, terwijl ze zich, met tranen in haar ogen, haar geboorteplaats [Mathurâ] herinnerde: (8) 'O zachtmoedige, denken onze ouders en broers, mijn zussen, neven en de vrouwen van de familie alsook mijn [oude jeugd-]vriendinnen nog steeds aan ons? (9) Denkt de zoon van mijn broer, Krishna, de Almachtige Heer, de zorgzame toevlucht van de toegewijden en Râma met Zijn lotusblaadjesogen, nog aan de zoons van de zus van Zijn vader? (10) En... zal Hij me met Zijn woorden komen troosten, ik die met jonge jongens verstoken van hun vader temidden van vijanden te klagen heeft als een hert tussen de wolven? (11) Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, o Ziel en Beschermer van het Universum, alsJeblieft waak over deze overgegeven ziel die tezamen met haar kinderen verdrinkt in verdriet, o Govinda! [zie ook 1.8: 17-43] (12) Voor de mensheid die bang is voor de dood en voor wedergeboorte zie ik geen andere toevlucht dan de lotusvoeten van Jou, de Heer en Meester die de bevrijding schenkt. (13) Mijn eerbetuigingen voor Krishna, de zuivere Absolute Waarheid en Superziel, de Beheerser van de Yoga en Vereniger van het Bewustzijn; Jou die ik benader voor mijn toevlucht.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Uw eigen overgrootmoeder o Koning, zich op deze manier haar verwanten en Krishna, de Beheerser van het Universum herinnerend, begon toen hardop in haar ongeluk te huilen. (15) Akrûra, gelijkgestemd in leed en vreugd, en de luisterrijke Vidura troostten Kuntî met de uitleg dat haar zoons uit goden waren voortgekomen [zie stamboom]. (16) Toen het tijd was om weer te vertrekken maakte hij zijn opwachting bij de koning die zich temidden van zijn aanhangers bevond en zo zwaar bevooroordeeld was ten gunste van zijn zoons, met de bedoeling hem te spreken over wat in vriendschap was medegedeeld door zijn, hem het beste toewensende, verwanten [Krishna en Râma]. (17) Akrûra zei: 'O beste, geliefde zoon van Vicitravîrya [9.22: 21-25], jij hebt tot de meerdere eer en glorie van de Kuru's, met je broer Pându die overleed, nu de troon bestegen. (18) Volgens het dharma de aarde en de burgers beschermend zal je, de mensen vreugde verschaffend met een goed karakter, de volmaaktheid en de roem bereiken als je je verwanten gelijkelijk gezind blijft! (19) Maar als je daarmee in tegenspraak handelt echter, zal je, vervloekt in deze wereld, in de duisternis belanden; blijf daarom de Pândava's en zij die uit jou geboren zijn gelijkelijk gezind. (20) Voor onverschillig wie is er in deze wereld geen omgang met wie dan ook die stand zal houden, o Koning, zelfs niet de omgang met het eigen lichaam; dus wat dan te zeggen van een vrouw, kinderen enzovoorts? (21) Men komt alleen op de wereld, alleen komt men aan zijn einde, en alleen geniet men van zijn verdienste zoals men zeker ook alleen de gevolgen van zijn kwaad onder ogen moet zien. (22) Als een onintelligent persoon met behoefte aan ondersteuning wordt men door anderen die zich vermomd hebben [als verwanten] van de weelde beroofd die tegen het dharma in werd verworven, precies zoals een waterwezen in het water [het territorium kwijtraakt aan zijn eigen kroost]. (23) Zich te buiten gaand tegen het dharma in, onopgevoed denkend dat de dingen waar hij van leeft zijn eigendom zijn, raakt hij in zijn opzet door hen gefrustreerd met het verlies van zijn levensadem, weelde, kinderen en anderen [zie 4.31 6.15: 21-23 en 7.15]. (24) Door hen in de steek gelaten de last op zich nemend, niet naar behoren bekend met het doel van het leven, beland hij met zijn doelstellingen onbevredigd blind voor zijn eigen religieuze plichten in de diepste duisternis [zie ook 3.30; 5: 26; 6.1: 40]. (25) Breng daarom, met het idee van deze wereld, o Koning, als zijnde een droom, als iets magisch, als iets van het denken, de geest met intelligentie onder controle en wordt gelijkmoedig en vredig, prabhu.'

(26) Dhritarâshthra zei: 'Van de woorden zo goedgunstig zoals je ze hier uitspreekt, o meester der liefdadigheid, kan ik, als een sterveling, nimmer genoeg krijgen; ze zijn als de nectar der onsterfelijkheid! (27) Hoe aangenaam ze ook zijn echter, o zachtgeaarde, ze zijn, als gebliksem in de wolken, niet verankerd in mijn hart dat onstandvastig is, met mijn bevooroordeeld zijn in de genegenheid voor mijn zoons. (28) Op welke manier zou ooit een persoon kunnen ontsnappen aan dat wat beschikt is door de Heer die, om de last van de aarde weg te nemen, is nedergedaald in de Yadu-familie? [zie B.G. 9: 8] (29) Hij wiens pad onvoorstelbaar is, schept dit universum middels Zijn eigen creatieve vermogen, verdeelt de geaardheden en gaat er in binnen; voor Hem wiens wegen ondoorgrondelijk zijn, de Allerhoogste Beheerser door wie we de bevrijding vinden uit de kringloop van geboorte en dood, mijn eerbetuigingen.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Zichzelf aldus overtuigend van de mentaliteit van de koning, nam Akrûra afscheid van zijn weldoeners en ging hij terug naar de stad van de Yadu's. (31) Overeenkomstig de bedoeling waarvoor hij gestuurd was, deed hij verslag aan Râma en Krishna over de positie die Dhritarâshthra had ingenomen in relatie tot de Pândava's, o nazaat van Kuru. 

 

Hoofdstuk 50

Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Asti en Prâpti, de twee koninginnen van Kamsa, o held van de Bharata's, ongelukkig dat hun echtgenoot gedood was, gingen vol verdriet naar het huis van hun vader. (2) Hun vader, de koning van Magadha genaamd Jarâsandha [zie 1.15: 9, 9.22: 8, 10.2: 1-2, 10.36: 36], vertelden ze alles over de oorzaak van hun weduwschap. (3) Toen hij dat slechte nieuws hoorde, zette hij vol van leed en wrok o Koning, zich tot het extreme plan de Yâdava's van de aarde weg te vagen. (4) Met drieëntwintig akshauhinî's groepeerde hij zich rondom Mathurâ om de residentie van de Yadu's van alle kanten te belegeren. (5-6) Toen Krishna, de Allerhoogste Heer Hari, zag hoe door zijn troepenmacht, als een oceaan die buiten zijn oevers was getreden, Zijn stad werd belegerd en Zijn burgers door de angst bevangen waren, overdacht Hij als de Uiteindelijke Oorzaak in een Menselijke Gedaante wat voor de bedoeling van Zijn nederdaling in deze wereld gepast zou zijn gezien de tijd en plaats: (7-8) 'Ik zal zeker zijn leger vernietigen, deze last van de aarde op de been gebracht door de koning van Magadha waarin hij allen verzameld heeft die ondergeschikt de leiding op zich namen en nu kunnen worden geteld in akshauhinî's van infanterie, cavalerie, strijdwagens en vechtolifanten; Jarâsandha echter, moet Ik sparen zodat hij het opnieuw zal proberen om een leger bijeen te brengen. (9) Dit is de bedoeling van Mijn nederdalen: dat de last van deze aarde wordt weggenomen, dat de geheiligden ten volle beschermd zijn en dat zij die tegenstreven de dood vinden. (10) Ook andere lichamen worden door Mij aangenomen voor het verdedigen van het dharma, zo gauw na een zekere tijd het onrecht overheerst [zie ook 2.7, en B.G. 4: 7].'

(11) Terwijl Hij op deze manier mediteerde verschenen er op datzelfde moment uit de hemel [uit Vaikunthha] twee strijdwagens met een gloed als die van de zon compleet met wagenmenners en een uitrusting. (12) En zo deden dat ook op eigen gelegenheid de Heer Zijn klassieke en goddelijke wapens, en hen ziende zei de Heer der Zinnen tot Sankarshana: (13-14) 'AlsJeblieft sla acht, o Gerespecteerde, op deze acute dreiging voor de Yadu's die door Jou beschermd worden Prabhu, en op deze strijdwagen die is gearriveerd met Je favoriete wapens. Het is inderdaad voor deze bedoeling dat Wij geboren werden: om te handelen o Heer, ten gunste van de geheiligden; wees dus zo goed de last van deze drieëntwintig legers van de aarde weg te nemen.'

(15) Hem er aldus toe uitnodigend reden de twee nazaten van Das'ârha, in wapenrusting schitterend met Hun wapens, de stad uit in Hun strijdwagens vergezeld door een heel minieme troepenmacht. (16) Toen de Allerhoogste Persoonlijkheid met Dâruka aan de teugels tevoorschijn kwam, blies Hij op Zijn schelphoorn welke de harten van de vijandige soldaten deed beven van schrik. (17) Jarâsandha wierp een blik op Hen beiden en zei: 'Krishna jij slechtste van alle personen, ik verlang het niet om me te meten met Jou, een jongen slechts, die zich uit schaamte verbergt! Met een dwaas als Jij zal ik de strijd niet aangaan, ga nou gauw Jij moordenaar van Je verwanten ! (18) En als Jij, Râma, het lef hebt te vechten, raap dan Je moed maar bijeen; ofwel leg Je doorkliefd door mijn pijlen het loodje en ga Je naar de hemel of Je brengt mij ter dood!'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Waarlijk, helden hoeven niet zo op te snijden, ze geven simpel blijk van hun kunnen; hoe kunnen We de woorden nu serieus nemen o Koning, van een man die met de dood voor ogen aan het ijlen is?'

(20) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Jarâ, marcheerde met zijn gigantische overmacht aan troepen toen voorwaarts op de twee afstammelingen van Madhu af, die toen werden omringd door de soldaten, strijdwagens, vlaggen, paarden en wagenmenners zoals de wind de zon verhuld met wolken of een vuur met stof. (21) Toen Hari's en Râma's twee strijdwagenvaandels gemerkt met de palmboom en Garuda niet meer te zien waren in het strijdgewoel, vielen de vrouwen van de stad die zich hadden opgesteld op de wachttorens, de paleizen en de doorgangen, in zwijm getroffen als ze waren door verdriet. (22) De Heer, Hij die wordt aanbeden door verlicht en onverlicht, ziende hoe Zijn leger werd belaagd door de woeste wolken pijlen die de vijandige strijdkrachten niet aflatend op Hen deden neerregenen, liet daarop S'ârnga, Zijn hoogst uitnemende boog zingen. (23) Vanuit Zijn pijlenkoker toen een stortvloed aan scherpe pijlen aanleggend, aanspannend en afvurend, trof Hij zonder ophouden, als een brandende toorts rondgedraaid, de strijdwagens, olifanten, paarden en soldaten te voet. (24) Olifanten vielen met koppen opengespleten, en vele paarden van de cavalerie en de strijdwagens hadden tegelijk hun halzen en vlaggen doorkliefd door de pijlen en van de strijdwagenmenners, hun meesters en het voetvolk werden armen, benen en schouders eraf geschoten. (25-28) Van de ledematen van de tweebenigen, de olifanten en de paarden die eraf lagen, stroomde het bloed in honderden rivieren die vol lagen met armen die eruit zagen als slangen, mensenhoofden die waren als schildpadden, dode olifanten als eilanden en dode paarden die waren als krokodillen. Vol van handen en bovenbenen als vissen, mensenhaar gelijk waterplanten, bogen gelijk golven en wapens gelijk apart staande struiken leken de wagenwielen op beangstigende draaikolken en de kostbare edelstenen en fraaie juwelen op de stenen en het grind. De schuchteren schrik aanjagend en de intelligenten inspirerend met vreugde, maaide Sankarshana, met Zijn onbegrensde vermogen, met Zijn ploeg de een na de ander Zijn furieuze vijanden neer. Die troepen voor de vernietiging geleid door de koning van Magadha, mijn beste, die zo onafzienbaar, beangstigend en onoverkomelijk grenzeloos als de oceaan waren, vormden voor de Heren van het Universum, de twee zoons van Vasudeva, niet meer dan een spelletje. (29) Het wekt geen verwondering als Hij, van Oneindige Kwaliteiten, die de handhaving, schepping en vernietiging van de drie werelden bewerkstelligt, een tegenstrevende partij onderwerpt, maar niettemin [in reactie op filosofen die Zijn afzijdigheid verkondigen] wordt het omschreven als een spel van Hem in navolging van de menselijke manier van doen. (30) De zo heel sterke Jarâsandha, wiens leger was vernietigd en die verstoken van zijn strijdwagen alleen nog maar zijn adem restte, werd door Râma zo krachtdadig beetgegrepen als een leeuw die een andere leeuw te pakken neemt. (31) Maar, terwijl Hij hem die zo vele tegenstanders had gedood aan het knevelen was, met de touwen van Varuna [vergelijk 5.24: 23] en die van normale mensen, werd Hij tegengehouden door Govinda daar Hij hem nodig had om een ander doel te dienen.

(32-33) Hij, geëerd door helden, schaamde zich ervoor vrijgelaten te zijn door de twee Heren van het Universum en dacht eraan zich te onderwerpen aan boetedoeningen, maar werd in zijn besluit op weg naar huis halverwege tegengehouden door de rest van de edellieden die hem in klare termen, betekenisvolle woorden alsook met praktische argumenten uitlegden: 'Dit verslagen zijn door de Yadu's heeft zich voorgedaan als gevolg van je eigen karmische gebondenheid'. (34) De zoon van Brihadratha met al zijn soldaten gedood en achtergelaten door de Opperheer, kwam toen zwaar terneergeslagen terug in Magadha.

(35-36) Mukunda die met Zijn troepen ongebroken de oceaan van de legers van Zijn vijand had overgestoken, werd door de dienaren der drie werelden vol lof bestrooid met bloemen. Tegemoetgekomen door de mensen van Mathurâ, die met hun koorts bezworen in grote vreugde verzet waren, werd Zijn glorie bezongen door hofzangers, boodschappers en lofredenaars. (37-38) Toen Hij de stad binnenkwam met zijn besprenkelde straten en vele vaandels, weerklonken schelphoorns, pauken, trommels en hoorns allen tezamen met vînâ's, fluiten en mridanga's [tweezijdige trommels voor de toewijding] en reciteerden de uitgelaten burgers luidkeels vedische verzen bij de feestelijk versierde doorgangen. (39) Met wijdopen ogen starend vol van liefde en genegenheid overlaadden de vrouwen Hem met bloemenslingers, yoghurt, geroosterde rijst en spruiten. (40) De talloze kostbaarheden van de helden die in de slag gevallen waren werden door de Heer allen tezamen gepresenteerd aan de koning van de Yadu's [Ugrasena]. (41) En zo deed zich het zeventien keer voor dat de koning van Magadha met zijn akshauhinî's de Yadu's bevocht die werden beschermd door Krishna's militaire kracht. (42) De Vrishni's vernietigden met de macht van Krishna de macht van de koning in zijn geheel: iedere keer dat zijn soldaten gedood waren werd hij achtergelaten en ging hij weer weg. (43) Juist toen de achttiende veldslag op handen was verscheen er een strijder uit het buitenland [Kâlayavana] die was gestuurd door Nârada. (44) Over de Vrishni's vernomen hebbend arriveerde hij daar met drie croren [dertig miljoen] barbaren [mleccha's] en belegerde hij Mathurâ, daar hij onder de mensen niemand had gevonden die zich met hem kon meten. (45) Toen Hij hem zag dacht Krishna met Sankarshana Zijn helper: 'Ah, van twee kanten; nu staan de Yadu's voor een groot probleem! (46) Deze Yavana vandaag tegenover Ons opgesteld is van dezelfde grote kracht als Jarâsandha, die hier ook vandaag, morgen of overmorgen zal aankomen. (47) Terwijl Wij tweeën met hem in gevecht zijn zal de zoon van Jarâ, als hij komt, onze verwanten doden of ze anders met zich meevoeren naar zijn eigen vesting. (48) Laten we daarom vandaag de barbaren doden en ons een stad bouwen waar onze getrouwen zich kunnen vestigen, een fort ondoordringbaar voor de tweebenigen.'

(49) De Opperheer met aldus de zaak voor ogen voorzag in een vesting van twaalf yojana's [in omtrek] gelegen in zee alwaar Hij een stad had [genaamd Dvârakâ of 'veel-poortig', zie ook 1: 11] die van allerlei wonderbaarlijks was voorzien. (50-53) Daarin kon de wetenschap van de architectuur van Tvashthâ [Vis'vakarmâ] worden bewonderd die met zijn kennis van zaken de hoofdwegen aanlegde, de hoven en de bedieningswegen bij de vele grondstukken. Hij herbergde vele prachtige tuinen en parken met daarin de bomen en struiken van de goddelijken en doorgangen van kwarts met een bovenbouw die met torentjes van goud de hemel raakte. De dienstgebouwen met zilver en brons waren opgesierd met gouden vaten, hadden daken met edelstenen en de huizen hadden vloeren ingelegd met kostbare smaragden. De huishoudens bevolkt door de vier varna's van de mensen hadden tempels voor de huisvesting van hun heersende goden en waren uitgerust met uitkijktorens; en nog het mooist daarbij waren de paleizen van de Yadu-godheid. (54) Heer Indra leverde de Heer de pârijâta [koraal-]boom en de Sudharmâ-hal ['de goede wet'] waarin een sterveling die zich er ophoudt niet onderhevig is aan de wetten der sterfelijkheid. (55) Varuna leverde paarden zo snel als de wind die wit waren en exclusief donkergrijs gekleurd; de schatbewaarder der goddelijken leverde de acht mystieke schatten [zie nidhi] en ieder van de lokale heersers droeg met zijn eigen weelde bij. (56) Welke macht van beheersing ook die de Allerhoogste Heer had geschonken als hun eigen volmaaktheden werd allemaal weer terug aangeboden aan Krishna, nu dat Hij op aarde was gekomen. (57) Krishna nadat Hij, middels de macht van Zijn yoga, al Zijn onderdanen naar daar had overgebracht [*], ging toen op aanraden van Balarâma, de beschermer van de burgers, ongewapend de stadspoort uit, met een slinger van lotusbloemen om.'

 Voetnoot:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt hierbij de volgende verzen aan uit de S'rî Padma Purâna, Uttara-khanda: "In het holst van de nacht, toen de burgers van Mathurâ sliepen, haalde Heer Janârdana ze plotseling weg uit die stad en plaatste hij ze in Dvârakâ. Toen de mannen wakker werden, stonden ze allen versteld dat ze zich met hun kinderen en vrouwen bevonden in paleizen gemaakt van goud. "

 

Hoofdstuk 51

De Verlossing van Mucukunda

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij [Kâlayavana] Hem naar buiten zag komen [zie 50: 57] als de rijzende maan, zeer mooi om te zien, met een donkere huidskleur, een geel zijden gewaad, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel dat Zijn hals sierde, Zijn machtige, vier lange armen en ogen zo roze als pas gegroeide lotussen; Zijn altijd stralende, schone, vreugdevolle glimlach bij Zijn fraaie kaaklijn, Zijn lotusgelijke gezicht en de aanblik van Zijn haaienvormige oorhangers, dacht hij: 'Deze persoon moet werkelijk Vâsudeva met de S'rîvatsa zijn, met de vier armen, de lotusogen, compleet met de woudbloemen en met de grote schoonheid. Gezien de kentekenen waar Nârada het over had kan Hij, die zich daar te voet zonder wapens begeeft, niemand anders zijn; ik zal Hem zonder wapens bestrijden!' De Yavana aldus overtuigd, wilde in een achtervolging Hem grijpen die Zijn gezicht had afgewend en vluchtte, Hij, die zelfs voor de mystieke yogi's onbereikbaar is. (7) Met iedere stap die Hij deed leek het alsof Hij te grijpen was en nadat Hij op die manier een grote afstand had afgelegd plaatste Hij de heer van de Yavana's voor een berggrot. (8) Hem in zijn achtervolging beledigend met opmerkingen als 'Vluchten is voor Jou als een lid van de Yadu-dynastie onbehoorlijk!', slaagde hij, aan wiens ondeugd [nog] geen einde was gekomen, er niet in Hem te pakken te krijgen. (9) Ondanks dat Hij aldus was uitgescholden, ging de Allerhoogste Heer de berggrot binnen, maar toen de Yavana Hem volgde zag hij daar een andere man liggen. (10) 'En nu, nou Hij me over zo'n grote afstand heeft meegevoerd, ligt Hij hier als een heilige!' en aldus in de waan dat het Acyuta betrof, gaf hij hem uit alle macht een schop. (11) De man, ontwakend na een lange periode van slaap, opende langzaam zijn ogen en zag, in alle richtingen om zich heen kijkend, hem naast zich staan. (12) O afstammeling van Bharata, hij zoals hij daar stond, werd door de blik, die de kwaad geworden man op hem wierp, in een oogwenk tot as verbrand door een vuur dat ontstond vanuit zijn eigen lichaam [*].'

(13) De edele koning [Parîkchit] zei: 'Wie precies was die persoon, o brahmaan. Van welke familie was hij en waar was hij allemaal toe in staat? Waarom was hij een grot ingegaan om te slapen en uit wiens zaad werd hij geboren, die vernietiger van de Yavana?'

(14) S'rî S'uka zei: 'Hij staat bekend als Mucukunda. Hij werd geboren in de Ikshvâku dynastie als de zoon van Mândhâtâ [zie 9.6: 38 en 9.7]. Hij was een grote persoonlijkheid die het brahmaanse was toegewijd en iemand die zich in de strijd trouw hield aan zijn gelofte. (15) Hij, op verzoek van de goddelijken met Indra aan het hoofd die doodsbang voor de Asura's waren, was voor een lange tijd van dienst terwille van het verzekeren van hun bescherming. (16) Zij, nadat ze Guha ['van de grot'; Skanda of Kârttikeya] voor zich wonnen als hun beschermer van de hemel zeiden tot Mucukunda: 'O Koning, alstublieft zie af van de moeite die het uw goede zelf kost om ons te beschermen. (17) U met het verwaarlozen van uw persoonlijke verlangens hebt, met het achter u laten van een koninkrijk in de wereld der mensen, om ons te beschermen die [asura] doorns uit de weg geruimd, o held. (18) Uw kinderen, uw koninginnen en andere verwanten, ministers, adviseurs en onderdanen zijn nu niet meer in leven, ze behoren niet meer tot deze tijd; de tijd heeft ze van u gescheiden. (19) De Tijd, machtiger dan de machtigste, is de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer van Beheersing die, een spel spelend van herder en kudde, de sterfelijke wezens in beweging zet. (20) Al het goede u toegewenst, vraag ons nu vandaag om welke gunst u maar wilt, behalve dan die der bevrijding, daar alleen de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer S'rî Vishnu daar toe in staat is.'

(21) Hij, vanwege zijn grote roem aldus toegesproken door de halfgoden, groette hen vol respect en legde zich te ruste in een grot om de slaap te genieten die de goden hem vergund hadden [**]. (22) Nadat de barbaar in de as was gelegd onthulde de Opperheer, de grote held der Sâtvata's, Zich aan de wijze Mucukunda. (23-26) Naar Hem kijkend, Hij die zo donker was als een wolk, in geel zijden kleding, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel stralend, de vier armen en de Vaijayantî bloemenslinger die de schoonheid verhoogde; Zijn aantrekkelijke, kalme gezicht en glinsterende, haaivormige oorhangers, Zijn toegenegen glimlach die zo aantrekkelijk is voor de hele mensheid, Zijn blik, Zijn jeugdige, knappe verschijning, Zijn nobele gang en Zijn vuur dat was als van een leeuw - was hij, zo hoogst intelligent als hij was, overweldigd door Zijn uitstraling, welke inderdaad van een niet te weerstane schittering was, en stelde hij in twijfel verzet aarzelend een vraag. (27) Sr'î Mucukunda zei: 'Wie bent U die zich hier bij me voegt in het woud in een berggrot, met Uw voeten als de blaadjes van lotussen hier lopend over de doornige bodem. (28) Misschien bent U wel de Allerhoogste Heer, de oorsprong van alle wezens die het leven werden geschonken, of anders de god van het vuur, de zonnegod, de maangod, de koning van de hemel of misschien een heerser van een andere planeet? (29) Ik denk dat U de God van de drie persoonlijkheden der halfgoden bent, de Grootste, omdat U de duisternis van de grot ['het hart'] verdrijft zoals een lamp met zijn licht de duisternis verdrijft. (30) O Meest Volmaakte van de Mensen, als U dat wilt, als U dat kan, beschrijf dan zonder omhaal voor ons die dat graag zo willen horen, Uw geboorte, handelingen en afstamming. (31) Wij van onze kant, o tijger onder de mensen, zijn nakomelingen van Ikshvâku, een familie van kshatriya's. Ik, geboren uit de zoon van Yuvanâs'va, heet Mucukunda, o Heer. (32) Omdat ik een lange tijd niet had geslapen was ik, moe in mijn zinnen en overmand door de slaap, voor mijn gemak hier op deze afgezonderde plaats gaan liggen en ben ik nu door iemand wakker geschud. (33) Die persoon verbrandde tot as inderdaad enkel vanwege zijn eigen zondige manier van doen, en Uw goede Zelf zo glorieus, o Bestraffer der Vijanden, zag ik vervolgens direct daarna. (34) Vanwege Uw ondraaglijke gloed zijn we, in onze vermogens beperkt, niet in staat U te aanschouwen, o Hoogste Genade; U verdient de lof van al de belichaamde wezens!'

(35) Aldus toegesproken door de koning gaf de Allerhoogste Heer en Oorsprong van de Ganse Schepping, breed glimlachend, met woorden diep als de rommelende wolken antwoord. (36) De Opperheer zei: 'Mijn geboorten, handelingen en namen zijn er bij de duizenden, Mijn beste, onbegrensd als ze zijn kunnen ze zelfs door Mij nog niet worden opgesomd! (37) Ooit zou men eens, na vele levens, de stofdeeltjes van de aarde kunnen tellen, maar nimmer lukt dat met Mijn vele kwaliteiten, handelingen, namen en geboorten. (38) Zelfs niet de grootste wijzen kunnen met het tellen van Mijn geboorten en handelingen die zich afspelen naar de drie van de tijd [verleden, heden, toekomst], o Koning, tot een einde komen [vergelijk 8.5: 6 en 8.23: 29]. (39-40) Niettemin, o vriend, verneem enkel van Mij over de huidige geboorte, die van Ondergetekende. In het verleden werd Ik verzocht door Heer Brahmâ [zie 3.9 en ook 10.14] het dharma veilig te stellen en de demonen te vernietigen die een overlast voor de aarde vormen, en zo daalde Ik neder in de Yadu-dynastie ten huize van Vasudeva en noemen de mensen Mij als zodanig Vâsudeva, de zoon van Vasudeva. (41) Kâlanemi bracht Ik ter dood [zie 10.8: 56], Kamsa [10.44], Pralamba [10.18] en anderen jaloers op de deugdzamen, en deze Yavana, o Koning werd verbrand door uw verzengende blik. (42) Ik, diezelfde persoon met zorg voor de toegewijden, ging naar deze grot met de bedoeling u een gunst te verlenen, omdat u daar in het verleden vaak om gebeden hebt. (43) Zegt u Me waarmee u gezegend wilt zijn, o geheiligde Koning, Ik zal u alles geven wat u verlangt; ongeacht wie Mij tevredenstelt, zal nooit meer hoeven te treuren.'

(44) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken zich voor Hem buigend sprak Mucukunda met de woorden van Garga in gedachten [***], vol van vreugde in de wetenschap dat Hij Nârâyana was, de [oorspronkelijke] Godheid. (45) S'rî Mucukunda zei: 'Deze persoon, niet van aanbidding voor U, kan, begoocheld door Uw verbijsterend vermogen mâyâ o Heer, zijn eigen voordeel niet vinden als hij, uit op het geluk, bedrogen raakt als een man - of ook als een vrouw - met een gezinsleven die verstrikt zijnde zich druk maakt over zaken die ellende geven. (46) De persoon die het op de een of andere manier gebracht heeft tot wat zo moeilijk te verwerven is in deze wereld - een menselijke gedaante en niet die met poten, maar zonder van eerbetoon te zijn het niet probeert, o Zondeloze, met Uw lotusgelijke voeten, is, onzuiver van mentaliteit, als een dier gevallen in de overwoekerde put van zijn thuis. (47) O Onoverwinnelijke, hiermee mijn tijd verspillend bouwde ik een koninkrijk en een weelde op dat nu allemaal is verdwenen; onder de invloed als een aardse heerser die het sterfelijk lichaam voor zichzelf aanziet, had ik eindeloos te lijden onder angsten omdat ik gehecht raakte aan kinderen, echtgenotes, rijkdommen en land. (48) Me bekommerend om dit lichaam, dat je omsluit als een pot of een muur, dacht ik aldus over mezelf als zijnde een god onder de mensen, omringd als ik was door strijdwagens, olifanten, paarden, voetvolk en generaals waarmee ik over de aarde rondtrok zonder serieus acht te slaan op U in mijn grote trots. (49) Onverschillig over wat er zou moeten worden gedaan, talend naar zinsobjecten, zonder ophouden piekend met een immer groeiende begeerte, wordt men plotseling voor U geplaatst, degene die er wel om geeft; de dood voor een muis zich bevindend voor een slang die zijn giftanden likt. (50) Voorheen genaamd 'de koning' rijdend in wagens beslagen met goud of op machtige olifanten wordt die zelfde [gedaante] onvermijdelijk met de Tijd van Uw Lichaam 'ontlasting', 'wormen' en 'as' genoemd [zie ook 16.4: 2-6]. (51) Alom alle richtingen veroverd hebbend, zonder tegenstanders om bang voor te zijn en gezeten op een troon onder de lofprijzingen van koningen die ook zo zijn, loopt de persoon in zijn huis als een huisdier aan de leiband, seksueel zijn geluk ontlenend aan de vrouwen, o Heer. (52) Daarin met een scheef oog reikhalzend naar meer, verricht hij boetvaardig zijn plicht strikt pleziertjes vermijdend, maar over zichzelf denkend als 'Ik de grote onafhankelijke' kan hij, wiens driften zo uitgesproken zijn, het geluk niet bereiken. (53) Als het zich voordoet dat de dolende persoon voor het einde van zijn materiële bestaan komt te staan, zal te dien tijde, o Onfeilbare, de omgang met de goeden en eerlijken [de sat-sanga] worden gevonden waarna vervolgens de toewijding zijn ontstaan vindt die gericht is op Hem die voor de deugdzamen als de Heer van het Hogere [de oorzaken] en het Lagere [de gevolgen] het enige doel vormt. (54) Ik denk, o Heer, dat, met het spontane wegvallen van de gehechtheid aan mijn koninkrijk, U voor mij van genade bent geweest: dat is waar de gelouterde heersers over eindeloze stukken land voor bidden als ze, de afzondering zoekend, het bos ingaan. (55) Ik verlang niets anders dan Uw voeten te dienen die voor hen die niet talen naar een materieel leven het voorwerp van verlangen vormen, de gunst waarnaar werd gezocht, o Almachtige; welke trouwe ziel van aanbidding voor U die het Pad der Persoonlijke Ontwikkeling Openlegt, o Heer, zou als gunst kiezen voor dat wat zijn gebondenheid veroorzaakt? (56) Derhalve o Heer nader ik tot U in mijn volledig de wereldse zegeningen naast mij neerleggen waardoor men verstrikt raakt in de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid; U, de Oorspronkelijke Persoon van de Zuivere Waarheid die vrij is van wereldse betrekkingen, die vrij is van de tweevoud en verheven is boven de geaardheden. (57) Een lange tijd werd ik, o zo spijtig, vol van leed in de wereld geplaagd door verstoringen; met mijn zes vijanden [de zinnen en de geest] nimmer zat bestond er geen mogelijkheid om de vrede te vinden, o Verlener der Toevlucht, alstUblieft o Heer bescherm mij die geplaatst voor deze gevaren, o Allerhoogste Ziel, Uw lotusvoeten benaderde die staan voor de waarheid vrij van zorgen die bevrijdt van angst.'

(58) De Allerhoogste Heer zei: 'O grote Koning, keizer van allen, ook al werd u verleid met zegeningen maakte u, capabel van geest, een onberispelijke keuze, niet bedorven als u was door begeerten. (59) Alstublieft weet dat Ik u verleidde met zegeningen om te beproeven of u vrij bent van begoocheling; nimmer wordt de exclusieve [Mij enkel toegewijde] intelligentie van de bhakta's geleid door materiële zegeningen. (60) Met hen die, Mij niet toegewijd, zich bezighouden met ademhalingsoefeningen en dergelijke kan men waarnemen dat dat hun geesten weer opnieuw worden opgewekt [tot zinsbevrediging], omdat ze niet de sporen van het materieel verlangen hebben uitgewist [de vâsanâ's], o Koning. (61) Trek rond in deze wereld zoals u wil en moge, met uw geest gevestigd op Mij, er aldus steeds de toewijding voor Mij zijn die niet faalt. (62) Met het naleven van het dharma van de heersende klasse hebt u levende wezens gedood tijdens de jacht of bij andere gelegenheden; die zonde moet u nu uitwissen door geheel op te gaan in boetedoeningen waarin u Mij als uw toevlucht heeft. (63) In de geboorte meteen hierna o Koning, zal u, met het u ontwikkelen tot een bovenste beste weldoener van alle levende wezens, een fijne brahmaan zijn die enkel en alleen Mij voor ogen heeft [zie ook B.G. 5: 29].'

Voetnoten:

* Mucukunda, de slapende man, zoals hierna uitgelegd vocht voor een lange tijd ten behoeve van de halfgoden en koos uiteindelijk als zijn zegening het recht om ongestoord te mogen slapen. De paramparâ middels S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt de Hari-vams'a aan die verklaart dat hij verder nog de gunst bedong dat hij in staat zou zijn een ieder te vernietigen die hem zou storen in zijn slaap. Hij maakt verder duidelijk dat Mucukunda dit nogal morbide verzoek deed om heer Indra af te schrikken, die, zo dacht Mucukunda, hem anders misschien bij herhaling zou wakker maken met een verzoek om zijn hulp bij het bestrijden van Indra's kosmische vijanden. Indra's instemmen met Mucukunda's verzoek wordt beschreven in de S'rî Vishnu Purâna als volgt: "De halfgoden verklaarden, 'Wie u ook uit de slaap haalt zal plotseling tot as verbranden door een vuur voortgebracht uit zijn eigen lichaam' ".

** S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura geeft de volgende regels uit een alternatieve lezing van dit hoofdstuk. Deze regels moeten worden ingevoegd tussen de twee helften van dit vers:

nidrâm eva tato vavre
sa râjâ s'rama-karshitah
yah kas'cin mama nidrâyâ
bhangam kuryâd surottamâh

sa hi bhasmî-bhaved âs'u
tathoktas' ca surais tadâ
svâpam yâtam yo madhye tu
bodhayet tvâm acetanah

sa tvayâ drishtha-mâtras tu
bhasmî-bhavatu tat-kshanât

"De Koning, uitgeput door zijn arbeid, koos toen voor de slaap als zijn zegening. Hij stelde verder, 'O beste der halfgoden, moge wie dan ook die mij in mijn slaap verstoord terstond tot as verbranden.' De halfgoden antwoordden, 'zo zij het,' en zeiden hem, 'Die intense persoon die u midden in uw slaap wekt zal eenvoudig meteen tot as verbranden door het werpen van uw blik op hem.' "

***: De paramparâ stelt: 'S'rîla S'rîdhara Svâmî zegt ons dat Mucukunda zich bewust was van de voorspelling van de klassieke wijze Garga dat in het achtentwintigste millennium de Allerhoogste Heer zou nederdalen. Volgens âcârya Vis'vanâtha, stelde Garga Muni Mucukunda er verder van op de hoogte dat hij persoonlijk de Heer zou ontmoeten. En nu gebeurde het dan allemaal.'

 

Hoofdstuk 52

De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier, mijn beste, begenadigd door Krishna omliep de nazaat van Ikshvâku Hem terwijl hij zich verboog en ging hij weg door de opening van de grot. (2) Toen hij merkte dat de menselijke wezens, de dieren, planten en bomen er slecht aan toe waren concludeerde hij dat Kali-yuga was aangebroken en begaf hij zich in de noordelijke richting [vergelijk 1.15: 44]. (3) Met geloof in het proces der boetedoening raakte hij, serieus onthecht van een materieel gemotiveerde omgang met mensen, bevrijd van twijfels en met het aldus hebben gevestigd van zijn aandacht op Krishna kwam hij toen aan bij de berg Gandhamâdana ['de prettige geur']. (4) Met het bereiken van Badarikâs'rama [zie b.v. 3.4: 4; 4.12: 16; 5.4: 5; 7.11: 6], de verblijfplaats van Nara-Nârâyana, aanbad hij, met behoud van respect voor al de dualiteit, de Heer vanuit de vrede waarin hij verkeerde met zijn verzaking.

(5) De Allerhoogste Heer keerde terug naar Zijn stad Mathurâ die was omsingeld door de Yavana's en bracht, na het leger der barbaren te hebben gedood, hun schatten naar Dvârakâ. (6) Terwijl Acyuta met os en man bezig was met het verzamelen van de rijkdommen, arriveerde daar Jarâsandha aan het hoofd van een drieëntwintigtal legers. (7) Toen ze de machtige golven van soldaten van de vijandige legers zagen renden de twee Mâdhava's, met het aannemen van een menselijke gedragswijze, o Koning, snel weg. (8) De lading goederen achterlatend als waren ze bange lafaards, legden ze, in feite helemaal niet bang, met Hun lotusblaadjesvoeten vele yojana's af. (9) De machtige heerser van Mâghada moest hard lachen toen hij de Twee zag wegvluchten en achtervolgde met wagenmenners en soldaten de Heren, zich niet helemaal bewust van Hun bijzondere aard. (10) Met hun krachten beproefd na zo'n lange afstand gerend te hebben, beklommen ze een zeer hoge berg bekendstaande als Pravarshana ['waar het regent'] alwaar de machtige [Indra] het altijd doet regenen. (11) Wetende dat Ze zich schuilhielden op de berg, maar niet precies waar o Koning, zette hij de berg in lichterlaaie door met brandhout aan alle kanten vuren aan te steken. (12) Snel van die hoogte van elf yojana's van de berg die aan alle kanten brandde afspringend, vielen Ze naar beneden. (13) Niet opgemerkt door Hun tegenstander of zijn helpers keerden de twee beste Yadu's terug naar hun eigen stad die de oceaan als zijn gracht had. (14) De koning van de Magadha's van zijn kant ging er onterecht vanuit dat Balarâma en Kes'ava waren verbrand in het vuur en keerde, zijn immense troepenmacht terugtrekkend, om naar Magadha. (15) Zoals voorheen gezegd schonk op last van Brahmâ de heerser van Ânarta, genaamd Raivata, aan Balarâma zijn dochter Raivatî ten huwelijk [9.3: 33-36]. (16-17) Govinda, de Allerhoogste Heer, trouwde Zelf, o held onder de Kuru's, Vaidarbhî [Rukminî] de dochter van Bhîshmaka, naar haar eigen verkiezing. Zij was een volkomen deelaspect van de Godin van het Geluk. Met geweld S'âlva en de andere koningen die S'is'upâla ondersteunden buiten spel zettend, speelde Hij dat klaar [door haar weg te kapen] voor ogen van iedereen, precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] de nectar van de hemel [wegstal].'

(18) De achtenswaardige koning zei: 'Op de manier van de Râkshasa [dus door ontvoering] naar ik vernam, huwde de Opperheer aldus Rukminî, de dochter van Bhîshmaka met het bekoorlijke gezicht. (19) O heer, ik zou er graag over vernemen hoe Krishna, met Zijn onmetelijke vermogen, de bruid wegstal met het verslaan van koningen als Jarâsandha en S'âlva. (20) O brahmaan! Wie is er ooit in staat om alles te begrijpen van wat er wordt gezegd en genoeg te krijgen van het luisteren naar de altijd nieuwe [zie 10.45: 48], gunstig stemmende, bekoorlijke verhalen over Krishna die de onzuiverheden van de wereld wegnemen?'

(21) De zoon van Vyâsa zei: 'Er was een koning genaamd Bhîshmaka, de grote heerser van Vidarbha, van wie er vijf zoons waren en één dochter met een buitengewoon knap gezicht. (22) Rukmî was de eerstgeboren zoon, gevolgd door Rukmaratha, Rukmabâhu, Rukmakes'a en Rukmamâlî; Rukminî hun zus had een heilig karakter [rukma betekent: 'wat helder en stralend is']. (23) Zij, toen ze hoorde van Mukunda's schoonheid, Zijn kunnen, karakter en weelde zoals bezongen door hen die bij haar thuis kwamen, achtte Hem een geschikte echtgenoot. (24) Krishna, die haar als een schat van intelligentie, gunstige lichaamskenmerken, grootmoedigheid, schoonheid, goed gedrag en andere kwaliteiten een geschikte echtgenote vond, nam het besluit met haar te trouwen. (25) Ook al wilde de familie de zus wel aan Krishna geven o Koning, stak Rukmî, die Krishna haatte, er een stokje voor; hij dacht meer aan S'is'upâla. (26) De prinses van Vidarbha met haar donkere ogen ongelukkig met die wetenschap, zat er diep over in en zond met spoed een zekere brahmaan die ze kon vertrouwen naar Krishna. (27) Hij, in Dvârakâ aangekomen, zag, door de poortwachters binnengelaten, de Oorspronkelijke Persoon gezeten op een gouden troon. (28) De Heer Goed voor de Brahmanen kwam zo gauw Hij hem zag van Zijn troon naar beneden, deed hem plaats nemen en bewees hem de eer op de manier zoals de bewoners van de hemel Hem de eer bewijzen. (29) Toen hij was uitgerust en gegeten had kwam de Bestemming der Geheiligde Toegewijden naar hem toe om persoonlijk zijn voeten een massage te geven en vroeg Hij hem geduldig: (30) 'Mijn beste, verlopen de religieuze praktijken zoals voorgestaan door uw eersteklas, tweemaal geboren senioren, voorspoedig zonder al te veel moeilijkheden en is uw geest steeds tevreden? (31) Als een brahmaan tevreden doorgaat met wat dan ook [zijn pad kruist], zal, niet tekortschietend in zijn religieuze plicht, daarmee [met die praktijken] voor hem er alleszins de koe van overvloed zijn. (32) Onvoldaan zal hij, ook al is hij dan de meester der godsvrezenden, keer op keer belanden in verschillende werelden; maar voldaan zal hij, ook al is hij berooid, met al zijn leden rusten vrij van pijn en koorts. (33) Voor de geschoolden voldaan over wat ze bereikten [in hun zelfverwerkelijking] buig ik Mij het hoofd keer op keer daar zij, vrij van vals ego, van de geheiligden en van al de levende wezens, vreedzaam als ze zijn de beste weldoeners zijn [zie ook B.G. 2: 71, 12: 13-14]. (34) Gaat het u goed door wat uw koning doet, o brahmaan? Want de koning wiens onderdanen er gelukkig mee zijn beschermd te leven in zijn staat is Mij zeer dierbaar. (35) Waarvandaan bent u, met het oversteken van de [oceaan van] moeilijkheden, hier aangekomen en welk doel had u daarbij voor ogen; vertel Ons alstublieft alles als het geen geheim is; wat is het precies dat We voor u kunnen betekenen?'

(36) Met het Opperwezen, die terwille van Zijn spel en vermaak Zijn lichamen aanneemt, aldus deze vragen stellend, vertelde de brahmaan Hem alles: (37) 'S'rî Rukminî heeft gezegd: 'O Allermooiste van Al de Werelden, horende dat voor al diegenen die vernemen over Jouw kwaliteiten Jij, met het binnendringen door de openingen van hun oren, het leed wegneemt van hun lichamen en dat voor hen die er de ogen voor hebben om Je schoonheid te zien alle wensen in vervulling gaan, heb ik Je zonder me te schamen in mijn geest op de eerste plaats gezet! (38) Wie, o Mukunda, is gelijk aan Jou qua adellijke komaf, karakter, schoonheid, kennis, jeugd, bezittingen en invloed? Welk nuchter en huwbaar meisje van goede huize, zou met haar volwassen worden niet voor Jou als haar echtgenoot kiezen, o leeuw onder de mensen die zulk een geestelijk genoegen vormt voor de hele mensheid? (39) Derhalve heb ik Jouw goede Zelf, o beste Heer, verkozen als echtgenoot en biedt ik me aan als Je vrouw, o Almachtige, alsJeblieft aanvaard me; moge de koning van Cedi [S'is'upâla] nimmer, net als een jakhals die er vandoor gaat met wat de koning der dieren toebehoort, in handen krijgen wat aan de held is voorbehouden. (40) Laat met de Allerhoogste Heer, de Hoogste Beheerser, afdoende aanbeden middels verdienstelijke werken, offers, liefdadigheid, inachtnemingen, geloften, het eren van de goden, de goeroes en de geschoolden, en met andere activiteiten, de oudere broer van Gada [9.24: 46] komen om mijn hand te nemen en niet de zoon van Damaghosha of anderen van dat slag. (41) De dag vóór het huwelijk plaatsvindt moet Je naar Vidarbha komen, o Onoverwinnelijke, om in het geheim omringd door Je officieren ervoor te vechten het gewapende verzet weg te vagen van de koningen van Caidya en Magadha en met me te trouwen op de râkshasa manier als de belonig voor Je heldenmoed. (42) Je kan Je afvragen hoe Je mij, die zich ophoudt in de paleisruimten, met Je mee moet voeren zonder mijn verwanten te doden; laat me Je uitleggen hoe: op de dag ervoor wordt er buiten voor de heersende godheid van de familie een grote feestelijke processie gehouden waarin de nieuwe bruid zich begeeft naar de [tempel van de] godin Girijâ [Ambikâ]. (43) Grote zielen, als de echtgenoot van Ûma [S'iva], zien er, teneinde hun eigen onwetendheid te boven te komen, naar uit te baden in het stof van Jouw lotusvoeten; als ik, o Lotusogige, niet Jouw genade kan verwerven behoor ik, verzwakt door de geloften, mijn leven op te geven, zodat het mij dan een honderdtal geboorten later [uiteindelijk] lukt om Jouw te krijgen.' (44) [De brahmaan eindigde met:] Dit is het vertrouwelijke bericht door mij overgebracht o Heer der Yadu's, dus alstUblieft neem in overweging wat meteen hierop volgend in dezen moet worden gedaan.'

     

Hoofdstuk 53

Krishna Ontvoert Rukminî

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de nazaat van Yadu [Krishna] het vertrouwelijke bericht aanhoorde van de prinses van Vidarbha, nam Hij de hand van de boodschapper in de Zijne en zei glimlachend het volgende. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Ook Ik moet op dezelfde manier steeds weer aan haar denken en kan 's nachts de slaap niet vatten; Ik weet dat Rukmî in zijn vijandigheid er tegen is dat Ik met haar trouw. (3) Ik zal haar, die onbetwistbare schoonheid die Mij de beste acht, naar hier halen en in het gevecht korte metten maken met die halfwas edellieden, zoals men een vuur stookt van brandhout!'

(4) S'rî S'uka zei: 'En bekend met de precieze tijd van Rukminî's trouwen zei Madhusûdana tegen Zijn wagenmenner: 'Dâruka, maak onmiddellijk de wagen klaar'. (5) Hij naar wat Krishna zei de wagen brengend met de paarden genaamd S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [*], stond daarop voor Hem met gevouwen handen. (6) S'auri samen met de brahmaan in Zijn wagen klimmend reed gezwind met Zijn paarden in een enkele nacht naar het Vidarbha koninkrijk. (7) Koning Bhîshmaka die in zijn genegenheid gehoor gaf aan de wensen van zijn zoon [Rukmî], was bereid zijn dochter weg te schenken aan S'is'upâla en zag erop toe dat aan de nodige verplichtingen werd voldaan. (8-9) De stad grondig gereinigd en met haar lanen, straten en kruispunten overvloedig besprenkeld met water, werd versierd met vaandels op vlaggenmasten en met erebogen. Met hun huizen geurend van de aguru stelden de vrouwen en mannen van de stad zich op in smetteloze kleding, behangen met juwelen, geurend en opgesierd met bloemen en ander fraais. (10) Volgens de regels op de juiste manier de voorvaderen en de halfgoden aanbiddend, o Koning, en de geleerden zoals het hoorde te eten gevend, liet hij [Bhîshmaka] de gunstige mantra's chanten. (11) De bruid baadde zich uitgebreid en deed, met haar tanden gereinigd, de gelukbrengende huwelijksdraad om. Ook stak ze zich in een gloednieuw stel kleren en sierde ze zich met de meest uitgelezen juwelen. (12) Voor de bescherming van de bruid werden, door de besten der tweemaal geborenen, mantra's gezongen uit de sâma-, rig- en yajur- Veda en deden de priesters bedreven in de atharva-mantra's zoals het hoorde uitgietingen van ghee terwille van de vrede der heersende planeten. (13) Als de besten bekend met de vidhi doneerde de koning goud, zilver, kleding en sesamzaad vermengd met grove suiker aan de brahmanen. (14) Op dezelfde manier liet de heer van Cedi, koning Damaghosha, voor zijn zoon [de bruidegom] zo door de kenners van de mantra's alles doen wat bevorderlijk was voor zijn voorspoed. (15) Hij reisde naar Kundina [Bhîshmaka's hoofdstad] vergezeld door een menigte olifanten druipend van de bronst en reeksen gouden strijdwagens opgesierd met bloemenslingers met daar omheen legers voetsoldaten en paarden. (16) De meester van Vidarbha die hem halverwege tegemoet kwam voorzag met genoegen eervol in een plaats speciaal voor hem gebouwd. (17) S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en Vidûratha die voor de kant van S'is'upâla kozen, kwamen tezamen met Paundraka en duizenden anderen. (18-19) Zij vijandig jegens Krishna en Râma hadden het zich aldus voorgenomen: 'Om ons te verzekeren van de bruid voor S'is'upâla zullen wij, mocht Krishna vergezeld door Râma en andere Yadu's komen en haar wegkapen, aaneengesloten de strijd met Hem aanbinden', en aldus besloten waren al de koningen compleet met een contingent aan troepen gekomen.

(20-21) Toen Heer Balarâma hoorde van deze vijandige voorbereidingen door de koningen en dat Krishna er in Zijn eentje op uit was gegaan om de bruid te stelen, ging Hij, beducht voor een gevecht, vervuld van liefde voor Zijn broer snel naar Kundina samen met een machtig contingent aan olifanten, paarden, strijdwagens en soldaten te voet. (22) De dochter van Bhîshmaka met haar fraaie heupen in afwachting van Krishna, die de brahmaan niet zag terugkeren, vroeg zich toen af: (23) 'Helaas, drie yama's [negen uur] resten slechts voordat ik, zonder enig geluk te smaken, zal trouwen; de Lotusogige komt niet en ik weet niet wat er de reden van is, ook is tot nu toe de drager van mijn boodschap niet teruggekeerd. (24) Wellicht ziet Hij Foutloos van Geest en Lichaam, bereid als Hij oorspronkelijk zeker is, iets afkeurenswaardigs in mij dat hij niet voor mijn hand is komen opdagen. (25) Hoe onfortuinlijk, de schepper is me niet gunstig gezind, noch is de grote Heer S'iva dat, of misschien heeft Devî zijn gezellin, [bekend als] Gaurî, Rudrânî, Girijâ of Satî zich tegen mij gekeerd.'

(26) Aldus piekerend deed het jonge meisje, wiens hart door Krishna was gestolen, haar ogen die vol stonden met tranen dicht, denkend aan de tijd [die nog restte]. (27) Terwijl de bruid aldus in afwachting verkeerde van Govinda's aankomst, o Koning, trilde haar linkerdij, arm en oog als voorbode van iets wenselijks. (28) Op dat moment verscheen die zuiverste der tweemaal geborenen door Krishna gestuurd ten tonele, om de goddelijke dochter van de koning te zien die zich ophield in het binnenste van het paleis. (29) Toen ze zijn opgetogen gezicht zag en de ontspannen bewegingen van zijn lichaam deed ze, als expert in het herkennen der tekenen, navraag met een zuivere lach. (30) Hij vertelde haar van de aankomst van dat Kind van de Yadu's en bracht de woorden over die Hij had uitgesproken in de verzekering dat Hij met haar zou trouwen. (31) Concluderend dat Hij was aangekomen, monterde de geest van Vaidarbhî op, waarop ze geen beter antwoord had dan zich te verbuigen voor de beminde brahmaan. (32) Horende dat Hij, om getuige te zijn van zijn dochter's huwelijk, was gearriveerd kwam hij [koning Bhîshmaka] met het weerklinken van muziekinstrumenten en met overvloedige offergaven naar Râma en Krishna toe. (33) Zoals voorgeschreven was hij van eerbetoon met gewenste zaken als honingmelk [madhu-parka] en bracht hij nieuwe kleren. (34) Genereus voorziend in een luxe verblijf bood hij Hen, tezamen met Hun soldaten en metgezellen, gepast gastvrijheid. (35) Aldus was hij naar gelang ieder zijn macht, leeftijd, kracht en weelde met alles wat wenselijk was van respect voor de koningen die waren samengekomen. (36) De inwoners van Vidarbha-pura die hoorden dat Krishna was gekomen, kwamen allen om Zijn lotusgezicht in te drinken met de gevouwen handpalmen van hun ogen [en zeiden]: (37) 'Alleen Hij, wiens lichaam net zo volmaakt is, verdient Rukminî als echtgenote, en niemand anders; Hij is de meest geschikte echtgenoot voor prinses Bhaishmî! (38) Moge, met welke van onze goede daden ook, de Schepper der Drie Werelden zo genadig zijn, dat Acyuta de hand neemt van Rukminî.'

(39) Aldus overlopend van liefde spraken de burgers in hun fascinatie en verliet de bruid beschermd door bewakers de binnenruimten van het paleis om naar de tempel van Ambikâ te gaan [zie ook 10.52: 42]. (40-41) En zij, te voet eropuitom de lotusvoeten van Bhavânî te zien, hield zich, volledig opgegaan in het mediteren op Krishna's lotusvoeten, stil temidden van haar moeders en vrouwelijke metgezellen. Bewaakt door de kloeke, gewapende soldaten van de koning die met hun wapens geheven klaar stonden, werd er op cimbalen en mridanga's, schelphoorns, hoorns en andere blaasinstrumenten gespeeld. (42-43) De bruid begeleidend waren er daar de fraai uitgedoste echtgenotes van de tweemaal geborenen, duizenden van vooraanstaande uitverkorenen met verscheidene artikelen van aanbidding en cadeaus, bloemenslingers, geuren, kleding en sieraden; zangers die gebeden zongen, muzikanten alsook hofzangers, geschiedschrijvers en herauten. (44) Met het bereiken van de tempel van de godin waste ze haar voeten en lotusgelijke handen, sipte ze water ter zuivering en betrad ze geheiligd en vredig de plaats waar Ambikâ was. (45) Het zo heel jonge meisje werd door de oudere vrouwen van de brahmanen die goed op de hoogte waren van de bepalingen, begeleid in haar eerbetoon voor Bhavânî, de vrouw van Heer Bhava [S'iva]. (46) 'Ik tezamen met uw kinderen biedt u keer op keer mijn eerbetuigingen o Ambikâ, alstublieft sta het toe dat Krishna, de Opperheer, mijn echtgenoot wordt.'

(47-48) Met verscheidene offergaven en offers van water, geurige substanties, ongebroken granen, wierook, kleding, bloemenslingers, halskettingen, sierselen en een reeks lampen, was ieder van de brahmaanse dames van aanbidding uitgerust met deze artikelen alsook met lekkernijen, gebak, toebereide betelnoot, heilige draden, vruchten en suikerriet. (49) Nadat ze haar hadden gegeven wat er van het offer over was gebleven alsmede hun zegen verleenden, boog de bruid zich voor hen en voor de beeltenis en nam ze wat van het geofferde voedsel. (50) Toen, haar gelofte van stilte beëindigend, verliet ze de tempel van Ambikâ, met haar hand, die was opgesierd met een ring met een edelsteen, een dienstmaagd vasthoudend. (51-55) Als was ze het begoochelend vermogen [Mâyâdevî, zie ook 8.12: 38-40; 10.2***] van de Heer zelve dat zelfs de nuchteren verbijstert, raakten de verzamelde, respectabele helden bevangen toen ze haar zagen met haar oorbellen die de maagdelijke schoonheid van haar gezicht opsierden, haar met juwelen bestikte gordel om haar heupen, haar ontluikende borsten, haar ogen verlegen bij haar haarlokken, haar zuivere glimlach en tanden rood van de gloed van haar bimba-lippen, de knoppen van haar zich verplaatsende jasmijnvoeten, haar gang zo gracieus als een koninklijke zwaan en het getinkel van de kunstig gemaakte enkelbelletjes die [haar voeten] verfraaiden met hun gloed. Er wierp zich bij deze koningen met het zien van haar brede glimlachen, verlegenheid en verbijsterende blikken een lust op die ze van hun verstand beroofde, hun harten verscheurde en waardoor ze hun wapens op de grond lieten vallen. Zittend op hun paarden, olifanten en wagens vielen ze, met hun geesten op hol, neer op de grond toen ze, in het kader van de processie, Heer Hari haar schoonheid bood. Langzaam lopend, de ene voet voor de andere zettend schreed ze voort met de wervelingen van haar lotusbloemenvoeten, onderwijl vol verlangen uitziend naar de komst van de Hoogste Persoonlijkheid. Haar haar naar achteren werpend met de nagels van haar hand ontwaarde ze, bedeesd kijkend vanuit haar ooghoeken naar een ieder aanwezig, op dat moment Acyuta. Recht voor de ogen van Zijn vijanden, pakte Krishna toen de dochter van de koning die klaar stond om in de wagen te stappen. (56) Haar in Zijn strijdwagen gemerkt met [de vlag van] Garuda tillend dreef Hij de kring van edelen terug en vertrok Hij langzaam aan, met Balarâma voor Zich uit, vandaar zoals een leeuw temidden van de jakhalzen dat zou doen met het wegslepen van zijn prooi. (57) De tegenstanders met Jarâsandha aan het hoofd, ingebeeld als ze waren, konden met hun eer te grabbel, de nederlaag niet verkroppen: 'Vervloekt zijn wij met onze eer als boogschutters gestolen door die koeherders die als een stelletje onderkruipers ons, de leeuwen, voor aap zetten!'

Footnote:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt de volgende tekst aan van de Padma Purâna die een omschrijving geeft van Heer Krishna's paarden: "S'aibya was zo groen als de vleugels van een papegaai, Sugrîva goudgeel, Meghapushpa had de kleur van een wolk, en Balâhaka was wit."  

 

Hoofdstuk 54

Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

(1) S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen waren] bestegen in grote woede in kuras hun transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen troepen, achter hen aan, met hun bogen klaar. (2) Toen het Yâdava-leger ze eraan zag komen in hun achtervolging, stopten de officieren om ze tegemoet te treden, o Koning, en lieten ze hun bogen klinken. (3) Vanaf hun paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun posities in hun wagens schoten die [vijandige] wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water dat doet over de bergen. (4) Toen het volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd belaagd door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in verlegenheid met ogen vol angst in het gelaat. (5) De Opperheer zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu meteen zal deze strijdmacht door jouw troepen worden vernietigd'. (6) De helden Gada [Krishna's jongere halfbroer], Sankarshana en de anderen konden het machtsvertoon van de vijandige troepen niet tolereren en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun paarden, olifanten en wagens neer. (7) Van hen die op de wagens, de paarden en de olifanten zaten vielen bij duizenden de hoofden op de grond, compleet met oorringen, helmen en tulbanden. (8) Er waren mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren, olifanten en kamelen zowel als [afgeschoten] handen met zwaarden, knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen en hele benen. (9) De koningen aangevoerd door Jarâsandha die begerig de overwinning te behalen hun troepen vernietigd zagen door de Vrishni's, dropen toen ontmoedigd af. (10) Ze gingen naar en spraken met S'is'upâla die, met de vrouw die hij in gedachten had weggestolen,, geheel ontgoocheld het er moeilijk mee had met een hangend gezicht waar alle kleur uit was verdwenen. (11) [Jarâsandha zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met het gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te vinden. (12) Zoals een vrouw vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van een poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld, begaan met vreugde en verdriet, beheerst door haar Beheerser. (13) Ikzelf verloor met drieëntwintig legers zeventien keer het in veldslagen van S'auri [Krishna] en ik won slechts éénmaal. (14) Niettemin beklaag of verheug ik mij nooit en te nimmer, wetende dat de wereld wordt bestierd door de tijd in combinatie met het lot. (15) Zelfs nu zijn wij allen, leiders van de aanvoerders van helden, verslagen door het maar kleine gevolg aan Yadu's onder de bescherming van Krishna. (16) Momenteel, nu onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en dan weer zullen wij overwinnen als de tijden zijn veranderd in ons voordeel.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging S'is'upâla terug naar zijn stad en zo keerde ook ieder van de overlevende koningen die hem volgden terug naar zijn woonplaats. (18) De machtige Rukmî echter, die, Krishna hatend, het niet kon verkroppen dat zijn zuster was getrouwd op de râkshasa manier, achtervolgde Krishna omringd door een complete akshauhinî. (19-20) Rukmî, machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, zwoor allerkwaadst vol van weerzin in het bijzijn van alle koningen: 'Laat me jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar Kundina terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood gebracht te hebben en Rukminî te hebben teruggewonnen'. (21) Zich aldus uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich ophoudt, er moet een gevecht plaatsvinden tussen Hem en mij. (22) Vandaag zal ik met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt toeroepen van die grootste ondeugd, die Koeherder die het lef had om met geweld mijn zuster te ontvoeren!' 

(23) Aldus dwaas opsnijdend zonder zich te realiseren waar Krishna allemaal toe in staat was, riep hij vervolgens met een enkele strijdwagen naar voren komend naar Krishna: 'Kom op en vecht!' (24) Zijn boog aanspannend trof hij ferm Krishna [Zijn wagen] met drie pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij bederf van de Yadu-dynastie! (25) Waarheen Je Je ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je een kraai bent die er vandoor is met de offerboter, vandaag nog zal ik een eind maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze bedrieger, Jij slinkse strijder!! (26) Als je niet wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij zitten en laat het meisje gaan', maar Krishna, met een glimlach, trof Rukmî, met zes pijlen waarmee Hij zijn boog aan stukken schoot. (27) Met van Krishna acht pijlen gericht op zijn vier paarden, met twee voor zijn wagenmenner en met drie voor zijn vlag, greep hij een andere boog ter hand en trof hij er Krishna met vijf. (28) Hoewel hij door al deze pijlen getroffen werd brak Krishna de boog opnieuw net zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak die hij opnam. (29) De gepunte knots, de drietand, de lans, het schild en het zwaard, de piek, de speer of welk wapen hij ook ter hand nam werd ieder door Hem, de Heer, in stukken gebroken. (30) Toen van zijn wagen springend met het zwaard in de hand rende hij, van zins Krishna te doden, naar voren zo verbeten als een vogel in de wind. (31) Door met Zijn pijlen het zwaard en het schild te breken van Zijn aanvaller, nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn eigen scherpe zwaard ter hand. (32) Toen ze zag dat Hij haar broer wilde doden, viel de vrome Rukminî doodsbang haar echtgenoot ten voeten en sprak ze klagelijk. 

(33) S'rî Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet om, o Machtig-gearmde.' 

(34) S'rî S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie in het volle van haar angst de leden beefden, de mond droog werd in haar leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in haar opwinding scheef hing, zag Hij er mededogend van af. (35) Met een stuk stof hem vastbindend schoor Hij toen de booswicht, er een zooi van makend met slechts wat plukken van zijn haar en snor overlatend. Ondertussen verpletterde het uitzonderlijke leger van de Yadu-helden zijn tegenstanders zoals olifanten een lotusbloem plattrappen [vergelijk 1.7]. (36) Toen ze Krishna naderden zagen ze daar Rukmî voor dood in zijn jammerlijke toestand. De almachtige Opperheer Sankarshana, door medelijden bewogen, bevrijdde daarop de gevangene en zei tot Krishna:  (37) 'O Krishna, hoe onbehoorlijk dit slechte scheerwerk van Je met zijn snor en haar; het is iets dat zo erg is als het doden van een familielid!' 

(38) [Tot Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over dat We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de zaak wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders dan de persoon in kwestie zelf die verantwoordelijk is, daar een mens de vruchten plukt van zijn eigen handelen.' 

(39) [En weer tot Krishna:]'Ookal verdient een verwant het vanwege zijn wandaden te worden gedood, behoort hij door een familielid niet ter dood gebracht te worden, maar dient hij in plaats daarvan te worden uitgebannen [uit de familie]; waarom zou hij die door zijn eigen wandaden de dood [van zijn eer] vond, voor een tweede keer ter dood moeten worden gebracht?'

(40) [Tot Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren zoals ingesteld door de vader der oorsprong [Brahmâ] is dat een broeder zelfs er niet voor moet terugdeinzen zijn eigen broeder te doden. En dat is waarlijk iets heel verschikkelijks.'

(41) [En weer terug tot Krishna:] 'Zij die prat gaan op een koninkrijk, land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets anders [dan de ziel] begaan, verblind als ze zijn in hun dwaasheid met de weelde, om die reden inderdaad overtredingen.' 

(42) [En weer tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou jegens alle levende wezens, waarin je hen die vijandig zijn het kwade toewenst en zij die je gunstig gezind zijn met het goede bedenkt, ben je net zo partijdig als welk stuk onbenul ook. (43) Door de begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de mensen in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over het Ware Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor de ziel, spreken in termen van het hebben van een vriend, een vijand of van neutraal zijn met iemand. (44) Zij die begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alle Dingen en Ieder Belichaamd Wezen waar als zijnde een veelvoud, precies zoals men dat doet met de sterren [ze niet herkennend als een samenhangend sterrenstelsel] of de lucht [die anders zou zijn voor een afgesloten ruimte, zie ook B.G. 18: 20-21 en 1.2: 32]. (45) Het fysieke lichaam dat een begin en een einde kent is samengesteld uit de materiële elementen, de zinnen en de geaardheden der natuur. Door materiële onwetendheid is het iets dat opgelegd is aan het zelf en vormt zo de oorzaak van het ervaren van de kringloop van dood en geboorte. (46) Voor de ziel die in contact staat met onverschillig wat, o kuise, bestaat er geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen [zoals met een individuele ziel] of onwaarheid vanwege het er door onthuld zijn [als een fysieke gedaante]; zoals dat ook is met de zon in verhouding tot het zien en de vorm waargenomen. (47) Geboren worden en dergelijke zijn enkel transformaties van het lichaam, nooit en te nimmer van de ziel, net als de fasen van de maan niet inhouden dat die is doodgegaan op de dagvan de nieuwe maan. (48) Zoals een slapende persoon zichzelf ervaart, zinsobjecten en resultaten van handelen ook al zijn ze niet echt, ondergaat op dezelfde manier de onintelligente persoon zijn materiële bestaan [zie ook 6.16: 55-56]. (49) Derhalve, o jij met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer [als de Godin van het Geluk] met de kennis van de essentie die de droefenis resulterend uit onwetendheid verdrijft en die je liefde deed opdrogen en je verwarde.' 

(50) S'rî S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en kreeg met intelligentie zichzelf weer in de hand. (51) Met slechts zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn vijanden en beroofd van zijn kracht en luister kon hij [Rukmî] zijn vernedering niet vergeten. Gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens bouwde hij zich toen een verblijfplaats. Het werd een grote stad genaamd Bhojakatha ['de eed ondergaan hebben']. (52) Met het gezegd hebben van 'Zonder dat ik die slechterik Krishna heb gedood, zonder mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar Kundina terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek zijn verblijfplaats op. (53) De Allerhoogste Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht de dochter van Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en trouwde met haar overeenkomstig de vidhi, o beschermer van de Kuru's. (54) Toen dat zich afspeelde was er een grote feestvreugde in iedere woning in de Yadu-stad waar, o Koning, de mensen niemand anders dan Krishna, de leider van de Yadu's, als het voorwerp van hun liefde hadden. (55) De mannen en vrouwen boden, blij met glimmende juwelen en oorhangers, respectvol huwelijksgeschenken aan de bruid en bruidegom, die prachtig waren uitgedost. (56) De stad van de Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen die waren opgericht, de keur aan bloemenslingers, de vaandels, de edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur een schikking van zegenrijke zaken als potten vol met water, aguru wierook en lampen. (57) Haar straten werden natgesproeid met behulp van olifanten die dropen van de bronst en toebehoorden aan de populaire persoonlijkheden die waren uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de pracht nog toe te voegen, plataan- en betelnootstammen geplaatst.  (58) De leden van de Kuru-, Sriñjaya-, Kaikeya-, Vidarbha-, Yadu- en Kunti-families genoten ervan bij die gelegenheid elkaar te ontmoeten temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer was. (59) Vernemend over de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen, raakten de koningen en hun dochters hoogst onder de indruk. (60) O Koning, in Dvârakâ waren al de burgers van de stad dolblij om te zien dat Krishna, de Meester van alle Weelde zich in de echt had verbonden met Rukminî, de godin van het geluk.'

 

Hoofdstuk 55

De Geschiedenis van Pradyumna

(1) S'rî S'uka zei: 'Cupido [Kâmadeva], een expansie van Vâsudeva die voorheen door de woede van Rudra werd verbrand, keerde, teneinde een nieuw lichaam te verkrijgen, was naar Hem teruggekeerd [zie ook 3.1: 28 en 8.10: 32-34 en B.G. 10.28]. (2) Hij, uit het zaad van Krishna verwekt in de dochter van de koning van Vidarbha [Rukminî], stond aldus bekend als Pradyumna ['de machtige boven alle anderen', zie ook vyûha] en deed in geen enkel opzicht onder voor Zijn Vader. (3) S'ambara ['de goochelaar' zie 7.2: 4-5, 10.36: 36], die naar believen gedaanten kon aannemen, ging er vandoor met het kind dat nog geen tien dagen oud was. In de wetenschap dat Hij zijn vijand was, gooide hij Hem in zee en keerde toen naar huis terug. (4) Pradyumna werd opgeslokt door een grote vis die tezamen met anderen gevangen in een groot net werd meegenomen door vissers. (5) De vissers boden die wonderlijke vis aan S'ambara aan die het geschenk naar de koks stuurde die het in de keuken opengesneden met een mes. (6) Het kind in de buik aangetroffen werd aan Mâyâvatî gegeven aan wie, verbijsterd als ze was, Nârada uitleg verschafte over de geboorte van het kind en hoe het was beland in de buik van de vis. (7-8) Zij, die door S'ambara was aangesteld om rijst en groenten klaar te maken, was in feite Cupido's beroemde vrouw genaamd Rati die [na bij Heer S'iva te hebben gesmeekt naar S'ambara was gestuurd en daar] wachtte tot haar verbrande echtgenoo een nieuw lichaam had verworven. Inziend dat het kind Kâmadeva was ontwikkelde ze genegenheid voor het kind. (9) Niet zo lang daarna vormde Hij, de zoon van Krishna, tot een jongeling uitgegroeid, een grote bekoring voor de vrouwen die hem zagen. (10) Mijn beste, vol van liefde benaderde zij met een bedeesde glimlach, geheven wenkbrauwen en blikken en gebaren van seksuele aantrekking Hem, haar echtgenoot, de mooiste die er in de samenleving te vinden was met Zijn lange armen en ogen die de vorm hadden van een lotusblaadje. (11) Tot haar zei de Opperheer als Krishna's eigen zoon: 'O moeder in uw houding u afwijkend opstellend als een vriendin, gaat u de gemoedsgesteldheid van de moederlijke genegenheid te buiten.'

(12) Rati gaf ten antwoord: 'Jij bent de zoon van Nârâyana die van thuis werd weggestolen door S'ambara en ik ben Je wettige echtgenote Rati, o Cupido mijn Meester! (13) Jij nog geen tien dagen oud werd door hem, die demon S'ambara, in de oceaan geworpen alwaar een vis Je verslond uit de buik waarvan we Jou toen hier zagen verschijnen o meester! (14) AlsJeblieft, maak een eind aan die moeilijk te benaderen en lastig te verslane vijand van Je die honderden van toverformules kent; dat kan Je lukken met behulp van de begoocheling der magie en zo! (15) Je arme moeder met haar zoon verdwenen, zielig in tranen als een koe zonder haar kalf, is overweldigd als ze is door liefde voor haar kind aan het huilen als een visarend.'

(16) Zich aldus uitlatend gaf Mâyâvatî die grote ziel Pradyumna de mystieke kennis van Mahâmâyâ ['de grote verbijsterende macht'] die een einde maakt aan alle begoochelende bezweringen. (17) Toen Hij daarop S'ambara benaderde om te vechten, beschimpte Hij hem met ondraaglijke beledigingen om een gevecht uit te lokken. (18) Hij beledigd door de krasse termen kwam woest met ogen rood als koper, als was hij een slang geraakt door een voet, op Hem af met een knots in zijn hand. (19) Hard ronddraaiend met zijn strijdknots wierp hij die naar Pradyumna de Grote Ziel, daarmee een geluid voortbrengend zo hard als dat van een blikseminslag. (20) Die werd in zijn vlucht door de Opperheer met Zijn knots weggeslagen, o Koning, waarop Hij vertoornd Zijn eigen knots naar Zijn vijand slingerde. (21) Hij, de demon, zijn toevlucht nemend tot de daitya magie die hij had opgestoken van Maya Dânava, liet van boven uit de hemel een stortvloed van wapens neerdalen over de zoon van Krishna [vergelijk: 3.19: 20]. (22) Geplaagd door de regen van wapentuig wendde de machtige strijder, de zoon van Rukminî, de grote bezweringsformule aan die wortelend in goedheid alle magie te boven gaat. (23) De demon zette toen honderden van wapens in die behoorden tot Kuvera's schatbewaarders [Guhyaka's], de zangers van de hemel [Gandharva's], de reuzen [Pis'âca's], de hemelslangen [Uraga's] en de menseneters [Râkshasa's], maar de zoon van Krishna haalde ze allen naar beneden. (24) Zijn scherpgeslepen zwaard trekkend scheidde Hij met een gewelddadige slag S'ambara's hoofd, compleet met zijn helm, oorringen en rode snor, van zijn romp. (25) Door de goden vol lof van boven bestrooid met een regen aan bloemen, werd Hij door Zijn vrouw reizend door de lucht naar de stad [Dvârakâ] gebracht. (26) De binnenruimten van het paleis zo zeer verfijnd, o Koning, en bevolkt met vele honderden vrouwen betrad Hij met Zijn vrouw vanuit de lucht aankomend als een wolk samen met de bliksem. (27-28) Hem ziend, donker als een regenwolk, gekleed in gele zijde, met lange armen, roze oogwit, een aangename glimlach, Zijn charmante voorkomen; Zijn fraai opgesierde lotusgelijke gezicht en de blauw-zwarte krullende lokken, raakten de vrouwen, Hem voor Krishna houdend, bedeesd en gingen ze er vandoor om zich her en der te verbergen. (29) Geleidelijk aan bemerkten de dames kleine verschillen in Zijn uiterlijk en kwamen ze verrukt en verrast af op Hem en [Rati,] dat juweel onder de vrouwen. (30) De borsten van de zoetgevooisde en donkerogige Rukminî, zich haar verloren zoon herinnerend, vloeiden toen ter plekke van de genegenheid.

(31) [Zij dacht:] 'Wie zou dit sieraad onder de mannen wel niet zijn, wiens zoon is Hij en welke lotusogige vrouw heeft Hem in haar schoot gedragen, en daarenboven, wie is deze vrouw die Hij voor Zich won? (32) Als mijn zoon verdwenen uit de kinderkamer nog ergens in leven zou zijn, zou Hij van dezelfde leeftijd en verschijning zijn! (33) Hoe kan Hij van hetzelfde voorkomen zijn, van dezelfde gang, leden, stem, glimlach en blik als die van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna's boog]? (34) Gezien mijn grote genegenheid voor Hem en gelet op het trillen in mijn linker arm, is Hij zonder twijfel - Hij moet het zijn - het kind dat ik in mijn schoot gedragen heb!'

(35) Terwijl de dochter van de koning van Vidarbha zich dit zo afvroeg arriveerde de Heer Geprezen in de Geschriften aldaar tezamen met Devakî en Ânakadundhubi. (36) Alhoewel de Allerhoogste Heer van de zaak op de hoogte was hield Hij, Janârdana, zich stil; het was Nârada die verslag deed van alles, beginnende met de ontvoering door S'ambara. (37) De vrouwen van Krishna's paleis die over dat grote wonder vernamen juichten toen in extase om Hem te verwelkomen die zo vele jaren verloren was gewaand als betrof het iemand die uit de dood was opgestaan. (38) Devakî, Vasudeva, Krishna, Balarâma alsook de vrouwen en Rukminî omhelsden het paar en vierden feest. (39) De inwoners van Dvârakâ verklaarden toen ze vernamen dat Pradyumna die verloren was gegaan teruggekomen: 'O Voorzienigheid, het kind dat we dood waanden is werkelijk teruggekeerd!'

(40) Het was helemaal niet zo verwonderlijk dat zij, die constant moesten denken aan de gelijkenis met Zijn Vader hun meester, als Zijn moeders in het volle van hun aantrekking terugdeinsden uit respect voor Hem. Als Hij hen al voor ogen stond als het evenbeeld van de Toevlucht van de Godin van het Fortuin Zijn Gedaante, als Cupido de God van de Liefde in eigen persoon, wat zou men dan kunnen verwachten van andere vrouwen?'

 

Hoofdstuk 56

Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

(1) S'rî S'uka zei: 'Satrâjit ['altijd zegevierend', zie 9.24: 13] die over de schreef gegaan was met Heer Krishna schonk Hem om het weer goed te maken zijn dochter ten huwelijk tezamen met het juweel bekendstaande als Syamantaka.'

(2) De achtenswaardige koning zei: 'Welke overtreding beging Satrâjit tegen Krishna, o brahmaan, waar kwam Syamantaka vandaan en waarom schonk hij zijn dochter aan de Heer?'

(3) S'rî S'uka zei: 'De zonnegod die Satrâjit's beste vriend was schonk, tevreden over hem als zijn toegewijde, uit genegenheid het Syamantaka juweel. (4) Hij, het juweel om zijn nek dragend dat zo helder straalde als de zon werd, toen hij in Dvârakâ arriveerde, o Koning, vanwege de gloed niet herkend. (5) De mensen, die door de schittering verblind waren toen ze hem op een afstand zagen, veronderstelden dat Sûrya was aangekomen en rapporteerden dat aan de Allerhoogste Heer die druk aan het dobbelen was: (6) 'O Nârâyana, met alle achting voor U, o Houder van de Strijdknots, de Cakra en de Lotus, o Dâmodara, o Lotusogige, o Govinda, o Lieveling van de Yadu's! (7) Savitâ ['de stralende'], die met de intense straling van zijn lichtende schijf de mensen het zicht ontneemt, is aangekomen om U te zien, o Heer van het Universum. (8) Het moet wel zo zijn dat van de meest verhevenen van de goden der wijsheid die Uw weg volgen, degene die ongeboren is [Sûrya], in de wetenschap dat U zich nu schuil houdt onder de Yadu's, naar hier is gekomen om U te zien.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Deze onschuldige woorden aanhorend zei Hij met de Lotusgelijke Ogen glimlachend: 'Deze hier is Ravideva niet, het is Satrâjit die zo straalt door zijn juweel.'

(10) Hij [Satrâjit] in zijn eigen luxueuze woning aangeland voerde met festiviteiten gunstige rituelen op in de tempelkamer alwaar hij met behulp van de geschoolden het juweel installeerde. (11) Dag na dag zou hem dat acht bhâra's [van ongeveer 9.7 kg] aan goud opleveren, o prabhu, en niets van het ongunstige van voedselschaarste, voortijdig doodgaan, rampen, slangenbeten, geestelijke en lichamelijke aandoeningen en bedriegers zou zich daar in de aanwezigheid van het naar behoren aanbeden sieraad voordoen. (12) Ooit eens vroeg S'auri [Krishna] terwille van de koning van de Yadu's [Ugrasena] om het kleinnood, maar hij, begeertig uit op de weelde, zag er geen kwaad in het niet te overhandigen. (13) Op een dag besteeg toen Prasena [Satrâjit's broer], nadat hij het intens stralende juweel om zijn nek had gehangen, een paard en ging hij uit jagen in het bos. (14) Prasena werd samen met zijn paard gedood en meegesleept door een leeuw die op zijn beurt een grot binnengaand werd gedood door Jâmbavân ['hij van de Jambu-bomen'] die het pronkjuweel wilde hebben. (15) In de grot overhandigde hij toen het sieraad aan zijn kind als iets om mee te spelen. In de tussentijd begon Satrâjit, zijn broer niet meer ziend, zich ernstig zorgen te maken: (16) 'Mijn broer weg het bos in met het juweel om zijn nek is waarschijnlijk door Krishna ter dood gebracht.' Daarvan uitgaand vernamen de mensen erover die het elkaar toen in het oor fluisterden. (17) Toen de Opperheer daar achter kwam, volgde Hij, teneinde Zichzelf te zuiveren van de roddel die ten koste ging van Zijn goede naam, samen met de burgers de weg die Prasena had afgelegd. (18) Toen ze zagen dat hij en zijn paard in dat bos waren gedood door een leeuw, ontdekten ze op een berghelling dat de leeuw ook was gedood en wel door Riksha [Jâmbavân]. (19) De mensen opstellend buiten de schrikwekkende grot van de koning der riksha's [de beren], ging de Allerhoogste Heer in Zijn eentje die plek die gehuld was in het diepste duister binnen. (20) Toen Hij zag dat het kostbaarste van alle juwelen werd gebruikt als kinderspeelgoed, besloot Hij het weg te halen en ging Hij op het kind af. (21) Toen het kindermeisje de vreemdeling zag schreeuwde ze het uit van de angst zodat Jâmbavân, die allerbeste der sterken, erdoor in woede ontstoken op afrende. (22) Hij die Hem voor een wereldse persoon hield, bestreed toen, zich niet bewust van wie hij voor zich had, Hem, de Allerhoogste Heer, zijn eigen Meester [vergelijk 5.6: 10-11 en B.G. 16: 18]. (23) Een zeer verbeten gevecht volgde tussen hen twee waarbij ieder het probeerde te winnen met behulp van stenen, bomen, hun armen en met wapens als waren ze twee haviken vechtend om wat aas. (24) Dag en nacht ging zonder ophouden het gevecht van vuisten tegen vuisten door voor de duur van achtentwintig dagen met slagen zo fel als de bliksem. (25) Met de spieren van zijn enorme lijf bewerkt door de vuisten van Krishna, zweette hij, met zijn krachten afgenomen, het uit en richtte hij zich hogelijkst verbaasd tot Hem: (26) 'Ik ken U, U bent de levensadem, de fysieke en geesteskracht van alle levende wezens, Heer Vishnu, de Oerpersoon, de Almachtige, Allerhoogste Beheerser. (27) U voorzeker bent de Schepper die van Alle Scheppers en de Geschapenen van het Universum de Essentie bent, die van de onderwerpers de Onderwerper bent, de Heer, de Ziel Hoog Verheven boven al de Zielen [vergelijk 3.25: 41-42]. (28) U bent degene door wiens geringe blijk van toorn met Uw blikken de oceaan en de krokodillen en walvisverslindende walvissen [timingila's] in beroering ruim baan maakten voor het bouwen van een brug; U bent degene beroemd vanwege het in vuur en vlam zetten van Lankâ; door U rolden de hoofden op de grond die U van de Râkshasa er met Uw pijlen had afgeschoten [zie 9: 10].'

(29-30) O Koning, Acyuta, de lotusogige Opperheer, de zoon van Devakî, richtte Zich toen, vanuit Zijn grote mededogen voor Zijn toegewijden, met een stem zo diep als de [rommelende] wolken tot de koning der beren die nu de waarheid voor ogen had. Hij beroerde hem met de hand die alle zegen verleent en zei: (31) 'O heer der beren, We kwamen hier naar de grot vanwege het juweel, met de bedoeling de valse aantijging te ontzenuwen die met dit juweel tegen mij staande werd gehouden.' (32) Na aldus te zijn toegesproken bood hij samen met het juweel als een respectvolle offergave zijn maagdelijke dochter genaamd Jâmbavatî aan Krishna.

(33) Toen ze S'auri die de grot was binnengegaan niet naar buiten zagen komen, gingen de mensen na twaalf dagen te hebben gewacht doodongelukkig terug naar hun stad. (34) Devakî, Rukminî devî, Vasudeva en al Zijn vrienden en verwanten treurden over Krishna die niet uit de grot tevoorschijn was gekomen. (35) Zij, de bewoners van Dvârakâ vervloekten vol van verdriet Satrâjit en aanbaden toen Durgâ, het geluk van de maan [de beeltenis genaamd Candrabhâgâ] teneinde Krishna terug te halen. (36) Na de aanbidding van de godin verleende zij in reactie daarop de verlangde zegening. Direct daarop verscheen tot hun grote vreugde toen de Heer die Zijn doel verwezenlijkt had ten tonele samen met Zijn [nieuwe] echtgenote. (37) Zeer opgewonden te ontdekken dat Hrishîkes'a met een vrouw en het juweel om Zijn nek was aangekomen, stonden ze allen te juichen alsof iemand uit de dood was opgestaan. (38) Satrâjit, ontboden door de Allerhoogste Heer in een bijeenkomst van de edelen, werd in de aanwezigheid van de koning op de hoogte gesteld van het terughalen van het juweel, dat toen aan hem werd gepresenteerd. (39) En hij nam uiterst beschaamd, met zijn gezicht naar beneden, het juweel in ontvangst en ging toen naar huis vol van wroeging over zijn zondige gedrag. (40-42) Zich bezinnend op die overduidelijke overtreding dacht hij, beducht voor een conflict met degenen die aan de macht waren: 'Hoe kan ik mezelf nu zuiveren van de smet en hoe kan ik Acyuta tevredenstellen? Wat voor goeds moet ik doen dat de mensen me niet zullen vervloeken als zijnde enggeestig, armzalig, verdwaasd en belust op de weelde? Ik zal Hem het [Syamantaka-]juweel geven alsook mijn dochter, een juweel onder de vrouwen; dat is de manier waarop ik het weer goed zal maken met Hem en niets anders!'

(43) Aldus intelligent ertoe besloten zette Satrâjit zich ertoe en bood hij zijn mooie dochter en het juweel aan Krishna aan. (44) Zij, Satyabhâmâ, gewild bij vele mannen vanwege al de kwaliteiten van een fijn karakter, schoonheid en edelmoedigheid waarmee ze gezegend was, trouwde met de Heer overeenkomstig de gebruiken. (45) De Allerhoogste Heer zei: 'We verlangen het juweel niet terug o Koning, laat het in bezit blijven van u die van toewijding bent voor de godheid [Sûrya], zodat ook Wij kunnen genieten van de vruchten ervan.'

 

 Hoofdstuk 57

Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Hoewel Hij Zich heel goed bewust was van wat zich allemaal had afgespeeld ging Krishna, toen Hij vernam [van het gerucht] dat de zoons van Pându en koningin Kuntî in een brand waren omgekomen [in het huis van lak], teneinde aan Zijn familieverplichtingen te voldoen samen met Balarâma naar het Kuru-koninkrijk. (2) Bhîshma, Kripa, Vidura, Gândhârî en Drona ontmoetend zeiden Ze evenzo treurig: 'Ach hoe pijnlijk is dit!'

(3) De kans krijgend, o Koning, zeiden Akrûra en [de Bhoja] Kritavarmâ [ondertussen in afwezigheid van Krishna in Dvârakâ] tot S'atadhanvâ ['honderdboog', een booswicht]: 'Waarom zouden we niet het juweel bemachtigen? (4) Hij die ieder van ons zijn juweel van een dochter beloofde, schonk haar, ons veronachtzamend, aan Krishna; waarom zou Satrâjit zijn broer dan niet moeten volgen [in de dood, zie 10.56: 13 en voetnoot*]?' (5) Aldus beïnvloed door de twee doodde die inslechte kerel, in zijn zondigheid zijn levensduur bekortend, uit begeerte Satrâjit in zijn slaap [vergelijk 1.17: 39]. (6) Terwijl de vrouwen hulpeloos huilend om hulp riepen nam hij, na te hebben gedood zoals een slager tewerk gaat met dieren, het juweel en ging hij er vandoor.

(7) Satyabhâmâ nadat ze haar vader gedood zag, jammerde toen verdrinkend in de tranen: 'O vader, helaas o vader, met u gedood ben ik gedood!' en viel toen flauw. (8) Ze legde het lijk in een groot vat met olie en ging naar Hastinâpura naar Krishna die [reeds] doorhad hoe het er voorstond, en vertelde verdrietig van de moord op haar vader. (9) Toen de Hoge Heren dat hoorden o Koning, treurden Ze net zo, in navolging van de menselijke manier van doen, met ogen vol tranen: 'Och welk een tragedie heeft ons getroffen!'

(10) De Allerhoogste Heer ging toen samen met Zijn vrouw en oudere broer terug naar Zijn hoofdstad, bereid om S'atadhanvâ te doden en hem het juweel afhandig te maken. (11) Toen hem dat ter ore kwam nam hij bevreesd maatregelen om zijn leven zeker te zijn en verzocht hij Kritavarmâ om bijstand. Deze zei hem: (12-13) 'Ik kan echt niet in overtreding zijn met de Heren Râma en Krishna; hoe kan hij die Hen moeilijkheden bezorgt nu feitelijk het geluk vinden? Kamsa en zijn volgelingen in hun haat van tegenstand bieden verloren hun weelde en levens en Jarâsandha raakte met zeventien veldslagen beroofd van [zelfs] zijn strijdwagen!'

(14) Hij, afgewezen, smeekte vervolgens Akrûra om hulp maar ook hij zei: 'Wie nu, bekend met de macht van de Heren, is nu in staat het tegen Hen op te nemen? (15-17) Hij die dit universum handhaaft, schept en vernietigt bij wijze van spel; Hij wiens bedoeling zelfs niet bekend is aan de nevengeschikte scheppers [met Brahmâ aan het hoofd] die verbijsterd zijn door Zijn onoverwinnelijke vermogen [van mâyâ]; Hij die spelend als een kind van zeven jaar oud een berg lostrok die Hij omhoog hield met één enkele hand zoals een jongen een paddestoel omhoog houdt [zie 10.25]; Hem, Krishna de Allerhoogste Heer aan wiens wondere daden geen einde komt aanbidt ik; Hem die als de bron van het gehele bestaan de Superziel, het onveranderlijke centrum is, biedt ik mijn eerbetuigingen.'

(18) S'atadhanvâ ook door hem afgewezen liet het kostbare kleinood bij hem achter, besteeg een paard dat een honderd yojana's kon afleggen en vertrok. (19) Krishna en Râma beklommen hun wagen met het blazoen van Garuda en gingen met de snelste paarden, o Koning, achter de moordenaar aan van hun goeroe [Hun schoonvader als een leraar]. (20) In een park aan de rand van Mithilâ zijn paard achterlatend dat ten val was gekomen, rende hij met de schrik in de benen te voet verder met een furieuze Krishna achter zich aan die net zo rende. (21) Met hem op de vlucht scheidde de Heer te voet met de scherpgerande schijf zijn hoofd van zijn romp, waarna Hij zijn boven- en onderkleding doorzocht op zoek naar het juweel. (22) Het sieraad niet vindend zei Krishna op zijn oudere broer afstappend die naderbij kwam: 'S'atadhanvâ legde voor niets het loodje, het juweel heeft hij niet bij zich.'

(23) Balarâma zei toen: 'S'atadhanvâ moet de steen bij iemand hebben achtergelaten, ga dus [terug] naar de stad [Dvârakâ] en zoek naar hem. (24) Ik wil graag de koning van Videha [de latere Janaka, zie 9.10: 11] een bezoekje brengen die Me zeer dierbaar is', en dat gezegd hebbende ging de nazaat van Yadu, o Koning, Mithilâ binnen [de hoofdstad van Videha]. (25) Toen de koning van Mithilâ Hem zag stond hij meteen op met een geest vervuld van liefde en vereerde hij Hem die zo aanbiddelijk was, als was voorgeschreven met alles wat erbij komt kijken. (26) Aldaar in Mithilâ verbleef Hij, de Machtige, vereerd door de toegenegen Janaka, de grote ziel, verscheidene jaren. In die tijd onderrichte Hij Duryodhana in de kunst van het knotsvechten.

(27) Toen Kes'ava de Almachtige in Dvârakâ aankwam, stelde Hij tot troost Zijn geliefde [de treurende Satyabhâmâ] op de hoogte van de ondergang van S'atadhanvâ en de mislukking het juweel te bemachtigen. (28) Hij, de Opperheer tezamen met al de weldoeners die men zo tegen zijn levenseinde erop na kan houden, zorgden ervoor dat de begrafenisplechtigheden werden uitgevoerd voor de overleden verwant [Satrâjit]. (29) De verantwoordelijken, Akrûra en Kritavarmâ, doken, toen ze vernamen van de dood van S'atadhanvâ, door angst bevangen onder, ergens buiten Dvârakâ. (30) Met Akrûra ondergedoken deden zich kwade tekenen voor aan de bewoners van Dvârakâ. Ze ondervonden aanhoudend van de kant van hogere machten [natuurrampen inbegrepen] en van andere levende wezens [vergelijk 1.14; 1.17: 19], lichamelijke en geestelijke moeilijkheden [**]. (31) Zo, mijn beste, waren enkelen die zich hadden overgegeven aan gissingen aan het vergeten wat vanouds reeds werd beschreven door de wijzen als het gevolg van Zijn verblijf onder de mensen; hoe kon met Zijn aanwezigheid zich nu enige rampspoed voltrekken? (32) [Ze zeiden:] 'Toen Indra de regens weerhield gaf de koning van Benares [Kâs'î, zie ook 9.17: 4] zijn dochter Gândinî aan S'vaphalka [Akrûra's vader, 9.24: 15] die hem kwam opzoeken, waarna het toen inderdaad ging regenen in Kâs'î. (33) Waar ook inderdaad hij, Akrûra, zijn zoon die begiftigd is met zijn [vaders] vermogens, zich ophoudt, zal heer Indra het laten regenen en zullen er zich geen pijnlijke verstoringen of vroegtijdige sterfgevallen voordoen.'

(34) Van de ouderen deze woorden vernemend gebood Janârdana, met in Zijn achterhoofd dat dit niet de enige oorzaak voor de slechte tekenen was [***], dat Akrûra moest worden teruggebracht. (35-36) Hem met respect en eerbetoon tegemoettredend en aangenaam allerlei met hem besprekend, glimlachte Hij, Zich volledig bewust van alles wat in zijn hart omging, en zei: 'Natuurlijk zijn Wij, o meester der liefdadigheid, reeds bekend met het feit dat u daadwerkelijk op het moment het rijke Syamantaka-juweel in bezit heeft dat S'atadhanvâ aan u toevertrouwde. (37) Aangezien Satrâjit geen zoons had is het aan de zoons van zijn dochter [haar èn haar zoons] om, na het aanbieden van water, offergaven en het hebben vereffend van zijn openstaande schulden, zijn nalatenschap in ontvangst te nemen. (38-39) Niettemin dient het juweel, daar het onmogelijk te beheren is door anderen, in uw bezit te blijven, o vertrouwenswaardige nalever der geloften. Maar, Mijn broer gelooft Me niet helemaal wat betreft het sieraad. Alstublieft, breng Mijn verwanten de vrede, toon het Ons nu, o hoogst fortuinlijke ziel die met uw altaren van goud onafgebroken doorgaat met uw offerplechtigheden.' (40) Overgehaald door de verzoenende woorden nam de zoon van S'vaphalka het kleinnood verborgen in zijn kleding tevoorschijn en gaf hij het kleinnood dat zo helder straalde als de zon. (41) Na Syamantaka aan Zijn verwanten te hebben getoond, en [aldus] een einde te maken aan de emoties [van de beschuldigingen] met Hem, bood de Meester het weer aan hem terug. (42) Wie dan ook die over dit voorval vertelt, erover verneemt of zich dit verhaal herinnert dat voorwaar, rijk als het is met het kunnen van de Allerhoogste Beheerser Vishnu, allergunstigst de terugslagen van de zonde wegneemt, zal de vrede vinden en zijn slechtheid en slechte roep weten uit te bannen.'

Voetnoten: * Als zuivere toegewijden, konden ze feitelijk niet ongelukkig zijn over deze partnerkeuze, noch konden ze zich ontwikkelen tot jaloerse rivalen van de Heer. Daarom hielden ze er een nevenmotief op na met het zich gedragen als Zijn rivalen. Daarover doen er in de paramparâ speculaties de ronde over Akrûra's vervloekt zijn vanwege zijn wegvoeren van Krishna uit Gokula [zie 10.39] of het feit dat Kritavarmâ een lid was van Kamsa's familie, of dat de twee kwaad zouden zijn geweest op het slachtoffer vanwege het bezoedelen van Krishna's goede naam met de roddel dat Hij zijn broer gedood zou hebben.

** Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, redenerend naar vers 32 en 35-36, nam Akrûra de Syamantaka steen en sloeg hij zijn kamp op in de stad Benares, alwaar hij bekend raakte als Dânapati, "de meester der liefdadigheid." Daar bracht hij uitgebreid vuuroffers op gouden altaren met een hele verzameling aan brahmaanse priesters.

*** Wat betreft de reden waarom zich deze moeilijkheden voordeden ondanks de genadige aanwezigheid van de Heer doen ook hierover speculaties de ronde. Sommigen suggereren dat Krishna die moeilijke tijd zou geven omdat Hij in verlegenheid zou zijn gebracht door Akrûra die het juweel naar elders overbracht in wedijver met Zijn heerschappij; anderzijds is het niet ongebruikelijk dat moord in een leefgemeenschap naar de regel van God en Krishna die gemeenschap een slechte tijd bezorgt, zoals men dat ook algemeen kan zien plaatsgrijpen na grote oorlogen zoals aangetoond in het Bhâgavatam met de beschrijving van de kwade tijd toen Krishna zelve vertrok naar Zijn verblijf na de grote Kuru-oorlog [1.14].

 

Hoofdstuk 58

Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ [*]

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging, om de zoons van Pându te zien, de Allerhoogste Persoonlijkheid Zichtbaar voor het Oog, de Eigenaar van alle Weelde, naar Indraprastha vergezeld door Yuyudhâna [Sâtyaki, Zijn wagenmenner] en anderen. (2) Hem, Mukunda, de Beheerser van Allen daar aangekomen ziend, stonden de helden allen terstond op, alsof de meester hunner zinnen, hun levensadem, was teruggekeerd. (3) De helden die Acyuta omhelsden raakten door het contact met Zijn lichaam bevrijd van al hun zonden en ervoeren de vreugde van het aanschouwen van Zijn toegenegen glimlachende gelaat. (4) Na aan de voeten van Yudhishthhira en Bhîma Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht [daar ze ouder waren] en na Phâlguna [ofwel Arjuna, die maar acht dagen ouder was] stevig te hebben omhelsd, begroette Hij respectvol de tweelingbroers [Nakula en Sahadeva, die jonger waren]. (5) Gezeten op een hoger geplaatste zetel werd Krishna stapje voor stapje, een beetje verlegen, benaderd door de pas [met de Pândava's] getrouwde, onberispelijke Draupadî om haar eerbetuigingen te brengen. (6) Op dezelfde manier werd Sâtyaki verwelkomd, geëerd en een plaats toegewezen door de zoons van Prithâ en werden ook de anderen geëerd en er omheen een plaats toegewezen. (7) Op Kuntî afstappend om Zijn eerbetuigingen te brengen werd Hij door haar, met haar ogen nat van haar buitengemene liefde, omhelsd [zie ook 1.8: 18-43]; informerend naar het welzijn van haar en haar schoondochter [Draupadî], deed zij op haar beurt als de zus van Zijn vader [Vasudeva] tot in detail navraag over Zijn verwanten. (8) Met tranen in haar ogen en met haar keel dichtgesnoerd door de emotie in haar liefde voor Hem die Zichzelf vertoont om het leed te verdrijven, zei ze, zich de vele beproevingen en tegenslagen herinnerend: (9) 'Slechts toen ging het weer beter met ons toen Jij, als een beschermer die Zich ons, Je verwanten, herinnerde o Krishna, mijn broer [Akrûra] naar ons toestuurde [zie 10.49]. (10) Voor Jou, de Weldoener en Ziel van het Universum, bestaat er nooit het wanbegrip van 'het onze' en 'het hunne'; niettemin maak Je, Je bevindend in het hart, een eind aan het lijden van hen die zich [Jou] voortdurend herinneren [zie ook B.G. 9: 29].'

(11) Yudhishthhira zei: 'Ik weet niet welke goede daden wij, zo twijfelachtig bij verstand, allen hebben verricht om Jou te [mogen] zien, o Opperste Beheerser die de beheersers van de Yoga maar zelden [te] zien [krijgen].'

(12) Alzo door de koning ertoe uitgenodigd logeerde Hij, de Almachtige, gelukkigerwijze gedurende de maanden van het regenseizoen [zie ook 10.20] aldaar, en verschafte daarmee de ogen van de bewoners van Indraprastha het hoogste geluk. (13-14) Op een dag [**] in kuras zijn wagen beklimmend met de apenvlag [van Hanumân], zijn [boog] Gândîva in de hand en twee onuitputtelijke kokers met pijlen, ging Arjuna, de overwinnaar van de helden van de vijand, voor de sport met Krishna samen een groot woud binnen dat vol was van prooidieren [zie tevens B.G. hoofdstuk 1]. (15) Aldaar schoot hij met zijn pijlen tijgers, beren, wilde buffels, ruru's [een soort antilopen], s'arabha's [een soort herten], gavaya's [een soort runderen], neushoorns, zwarte herten, konijnen en stekelvarkens [zie ook 4.28: 26 en 5.26: 13]. (16) Met de dienaren van de koning ze meenemend om te worden geofferd voor een speciale gelegenheid [anders zou de jacht verboden zijn geweest, zie 9.6: 7-8] ging overmand door de dorst hij, Bibhatsa ['de schrikaanjager', Arjuna], vermoeid naar de Yamunâ. (17) Toen de twee grote strijdwagenvechters er een bad namen en van het heldere water dronken, zagen de twee Krishna's [zie B.G. 10: 37] een maagd lopen die er bekoorlijk uitzag. (18) Eropaf gestuurd door zijn Vriend, benaderde Phâlguna de verfijnde dame die fraaie heupen en tanden had en een aantrekkelijk gezicht, en vroeg hij: (19) 'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'

(20) S'rî Kâlindî zei: 'Ik ben de dochter van de halfgod Savitâ [de zonnegod], bezig met zware boetedoeningen in mijn verlangen naar Vishnu, de allerbeste van alle gunstverleners, als mijn echtgenoot [zie ook Gâyatrî]. (21) Ik wens geen andere echtgenoot dan Hij, o held, moge de Verblijfplaats van S'rî [de godin], Hij, de Allerhoogste Heer Mukunda, de toevlucht der hulpelozen, tevreden over mij zijn. (22) Totdat ik Acyuta tegenkom, leef ik in een huis dat door mijn vader in de wateren van de Yamunâ werd gebouwd en draag ik aldus de naam Kâlindî [zie ook bhajan vers 2 en 10.15: 47-52].' (23) Aldus legde Gudâkes'a dit aan Vâsudeva voor die, Zich volledig van alles bewust, haar omhoog tilde in Zijn wagen en wegreed naar koning Dharma [Yudhishthhira].

(24) Voor de zoons van Prithâ liet Krishna [in het verleden], zo gauw Hij daartoe verzocht werd, door Vis'vakarmâ een hoogst opmerkelijke, kleurrijke stad bouwen [Indraprastha]. (25) De Allerhoogste Heer die daar verbleef voor het genoegen van Zijn toegewijden verlangde het om Agni het Khândavabos ['suikergoedbos' te Kurukshetra] te schenken [door het in brand te steken] en voor dat doel werd Hij Arjuna's wagenmenner. (26) Daarover verheugd gaf Agni aan Arjuna een boog en een strijdwagen met witte paarden, o Koning, twee onuitputtelijke kokers met pijlen en een wapenrusting die met geen enkele vorm van gewapende weerstand te doorboren was. (27) Maya [de demon] gered uit het vuur bood [in dankbaarheid] een vergaderzaal aan zijn vriend [Arjuna] aan waarin Duryodhana het water daarin aanzag voor een stevige vloer [en erin viel, zie 10.75]. (28) Hij [Krishna] door hem [Arjuna] en Zijn weldoeners toegestaan te vertrekken ging terug naar Dvârakâ begeleid door Sâtyaki en de rest van Zijn kader [zie ook 1: 10]. (29) Maar nu trouwde Hij, allergunstigst, met Kâlindî op een dag dat de seizoenen, de sterren en de andere hemellichten het gunstigst erbij stonden voor het verspreiden van het grootste geluk onder Zijn mensen.

(30) Vindya en Anuvindya, twee koningen uit Avantî [Ujjain] die Duryodhana ondersteunden, hielden hun zuster [Mitravindâ] die zich aangetrokken voelde tot Krishna, tegen in haar svayamvara [kiezen van een echtgenoot]. (31) Mitravindâ, de dochter van Râjâdhidevî, de zuster van Zijn vader [9.24: 28-31], werd met geweld, voor ogen van de koningen, meegevoerd door Krishna, o Koning [vergelijk 10.53].

(32) Van de hoogst godvruchtige heerser van Kaus'alya [Ayodhyâ, zie 9.10: 32] genaamd Nagnajit was er een goddelijke dochter Satyâ, ook wel Nâgnajitî genaamd, o Koning. (33) Geen van de koningen was in staat met haar te trouwen zonder zeven onbeheersbare stieren te verslaan die met de scherpste horens kwaad als ze waren de geur van krijgers konden verdragen. (34) Erover vernemend dat zij beschikbaar was voor degene die de stieren wist te bedwingen, ging de Opperheer, de Meester der Sâtvata's, naar de hoofdstad van Kaus'alya met een grote legermacht om Zich heen. (35) De heer van Kos'ala overeind gekomen, en vol aanbidding hem een plaats toewijzend met niet onaanzienlijke offergaven en zo meer, werd op zijn beurt ook begroet. (36) De dochter van de koning die zag dat de huwelijkskandidaat waar ze naar verlangde was aangekomen bad: 'Moge, ervan uitgaande dat ik me aan mijn geloften houdt, het [offer-]vuur mijn wens in vervulling doen gaan; laat Hij, de Echtgenoot van Ramâ mijn echtgenoot worden! (37) Hij van wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit [Brahmâ] en de meester op de berg [S'iva] tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de spelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij [er weer is en] een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?'

(38) Hij [Nagnajit] zei tot de Aanbedene verder nog het volgende: 'O Nârâyana, o Heer van het Universum, wat kan ik die zo onbeduidend ben doen voor U zo Vol van het Geluk van de Ziel?'

(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Allerhoogste Heer tevreden plaats te kunnen nemen sprak glimlachend tot hem met een stem zo diep als een [rommelende] wolk. (40) De Opperheer zei: 'O heerser der mensen, smeken is voor een lid van de heersende klasse die zijn eigen dharma naleeft door de geschoolden veroordeeld; niettemin vraag Ik u om uw vriendschap met het oog op uw dochter voor wie Wij, echter, niets als tegenprestatie bieden.'

(41) De Koning zei: 'Wie anders dan U, o Hoog Verheven Heer, zou in deze wereld een voor mijn dochter begerenswaardige bruidegom zijn; U, op wiens lichaam de Godin verblijft en van Wie ze nimmer wijkt, bent de Enige die de kwaliteiten herbergt! (42) Maar, er is door ons voorheen een voorwaarde gesteld, o beste van de Sâtvata's, met de bedoeling het kunnen op de proef te stellen van de huwelijkskandidaten voor mijn naar een echtgenoot verlangende dochter. (43) Deze zeven wilde stieren, o held, zijn ontembaar; een groot aantal prinsen heeft het tegen hen afgelegd en zijn ledematen gebroken. (44) Als ze door U worden onderworpen o nazaat van Yadu, hebt U mijn goedkeuring als de bruidegom voor mijn dochter, o Echtgenoot van S'rî.' (45) Aldus vernemend over de gestelde voorwaarde, trok de Meester Zijn kleren strak aan en onderwierp Hij, Zichzelf in zevenen opdelend, ze als was het kinderspel. (46) Ze met touwen bindend sleepte S'auri ze in hun trots en kracht gebroken achter Zich aan als was Hij een jongetje met een houten speelgoedje. (47) De koning stond versteld en gaf tevreden Krishna toen zijn geschikte dochter die door de Allerhoogste Heer, de Meester, werd aanvaard overeenkomstig de vedische voorschriften. (48) De koninginnen, toen ze Krishna als de beminde echtgenoot voor de prinses verwierven, ondergingen de hoogste extase waarop een grote feestvreugde zich van hen meester maakte. (49) Schelphoorns, hoorns, en trommels weerklonken samen met liederen en instrumentale muziek; de tweemaal geborenen formuleerden heilswensen en verheugde mannen en vrouwen in hun beste kleren sierden zichzelf met bloemenslingers. (50-51) Als huwelijksgift gaf de machtige koning tienduizend koeien, drieduizend uitstekend geklede dienstmaagden met gouden sieraden om hun nekken, negenduizend olifanten, honderd keer zoveel wagens met honderd keer zoveel paarden als wagens en daarbij nog eens honderd keer meer mannen dan er paarden waren. (52) Hij, de koning van Kos'ala die in zijn hart door de liefde was overwonnen, liet het paar in een wagen klimmen en zond ze toen heen met een groot leger er omheen. (53) Toen ze hiervan vernamen konden de [rivaliserende] koningen dat niet verkroppen en blokkeerden zij, die in hun kracht op dezelfde manier gebroken waren door de Yadu's als voorheen de stieren, de weg waarlangs Hij Zijn bruid meevoerde. (54) Hem belagend met een regen van pijlen, werden ze door Arjuna, Hij die Zich met zijn Gândîva als een leeuw ervoor inspande om zijn Vriend te behagen, teruggedreven als waren ze ongedierte. (55) De zoon van Devakî, de Allerhoogste Heer en leider van de Yadu's, nam de bruidsschat met Zich mee en arriveerde toen in Dvârakâ waar Hij een gelukkig leven had met Satyâ.

(56) Bhadrâ een prinses van Kaikeya en dochter van S'rutakîrti, de zuster van Zijn vader, werd door haar broers met Santardana voorop [zie 9.24: 38] uitgehuwelijkt aan Krishna.

(57) Ook trouwde de Heer met Lakshmanâ, de dochter van de koning van Madra die een toonbeeld van alle goede eigenschappen was; ze werd door Krishna op haar svayamvara ceremonie door Hem eigenhandig weggekaapt, precies zoals Garuda ooit eens de nectar van de halfgoden wegstal [zie ook 10.83: 17-39].

(58) Nadat Hij Bhaumâsura [***] gedood had werden duizenden evenzo prachtige vrouwen die door hem gevangen waren gezet, Krishna's echtgenotes.'

Voetnoten:

* In totaal trouwde Krishna met 16008 vrouwen: 1 Rukminî, 2 Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4 Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ (Nâgnajitî), 7 Bhadrâ, 8 Lakshmanâ, besproken in 10.83: 17, en de 1600o vrouwen gevangen gehouden door Bhaumâsura.

** Een latere datum dan het afbranden van het Khândava woud waaraan gerefereerd wordt in vers 25.

*** Een demon die volgens de Vishnu Purâna ter wereld kwam als gevolg van het aanraken van moeder aarde door Heer Varâha toen hij haar uit de oceaan ophief [zie 3.13: 31].

 

Hoofdstuk 59

Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft vertel me over dit avontuur van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna]. Hoe werd Bhauma, die deze vrouwen gevangen zette, gedood door de Allerhoogste?'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Op de hoogte gesteld door Indra, wiens parasol van Varuna [of bewijs van adel] alsmede een plaats [genaamd Mani-parvata] op de berg der goden [de heuvel Mandara, zie 8.6: 22-23] was weggestolen en wiens verwant [moeder Aditi, zie 8.17] was beroofd van haar oorhangers, ging Hij [Heer Krishna in reactie] op wat Bhaumâsura allemaal had gedaan tezamen met Zijn vrouw [Satyabhâmâ zie *] gezeten op Garuda naar de stad Prâgjyotisha [Bhauma's hoofdstad, nu Tejpur in Assam], die beschut lag omringd door bergen en wapensystemen, vuur, water en wind en was versterkt met een [mura-pâs'a] hekwerk bestaande uit tienduizenden harde en afschrikkende draden aan alle kanten. (4) Met Zijn knots brak Hij door de opgeworpen barricades van rotsblokken, met Zijn pijlen versloeg Hij de wapensystemen, met Zijn schijf brak Hij door het vuur, het water en de windverdediging en met Zijn zwaard sloeg Hij zich evenzo door het hekwerk. (5) Met het weerklinken van Zijn schelphoorn de zegels [van de vesting] en de harten van de moedige strijders brekend, sloeg Gadâdhara met Zijn zware strijdknots Zich door de verdedigingswerken. (6) Toen hij het geluid hoorde van de Heer Zijn Pâñcajanya, dat weerklonk als de donderslag aan het einde der tijden, verhief zich de vijfkoppige demon Mura die lag te slapen in het water [van de gracht]. (7) Zijn drietand opheffend, moeilijk te aanschouwen met een gloed zo verschrikkelijk als het vuur van de zon, ging hij, als wilde hij met zijn vijf monden de drie werelden verzwelgen, over tot de aanval zoals de zoon van Târkshya [Garuda] een slang aanvalt. (8) Zijn drietand rondzwaaiend wiep hij hem uit alle macht naar Garuda met een dermate kolossaal gebrul van zijn vijf monden dat de aarde, de hemel en de buitenruimte van het eivormige omhulsel van het universum ervan galmde. (9) Heer Krishna brak toen met twee pijlen de drietand die op Garuda afvloog in drie stukken en trof vervolgens met grote kracht zijn gezichten met meer pijlen. Daarop slingerde de duivel woedend zijn knots op Hem af. (10) Die knots op Hem afvliegend werd door de Oudere Broer van Gada [Gadâgraja, Krishna] op het slagveld in duizend stukken gebroken. Toen hij daarop met zijn armen geheven op Hem afstormde, sneed de Onoverwinnelijke moeiteloos de hoofden eraf met Zijn werpschijf. (11) Levenloos in het water neervallend met zijn hoofden eraf alsof Indra met zijn kracht een bergpiek had afgesplitst, kwamen zijn zeven zoons die zich hoogst ellendig voelden over hun vaders dood, vertoornd in actie om hem te wreken.

(12) Ingezet door Bhaumâsura traden Tâmra, Antariksha, S'ravana, Vibhâvasu, Vasu, Nabhasvân en Aruna de zevende met Pîthha voorop als hun generaal naar voren op het slagveld hun wapens met zich meedragend. (13) In de aanval zetten ze kwaad en woest hun zwaarden, knotsen, speren, lansen en drietanden in tegen de Onoverwinnelijke, maar onder geen enkele omstandigheid in Zijn kunnen belemmerd door hun berg van wapens schoot de Allerhoogste Heer ze met Zijn pijlen aan gruzelementen. (14) Hun hoofden, armen, dijen benen en wapenrusting stukschietend stuurde Hij ze allemaal naar Yamarâja. Toen Bhauma, de zoon van moeder aarde, zag hoe zijn leger en aanvoerders bezweken onder de pijlen en de werpschijf van Krishna, trad hij, niet in staat dat te verdragen, naar voren met van de bronst druipende olifanten die waren geboren uit de melkoceaan. (15) Toen hij Heer Krishna en Zijn echtgenote zag zitten op Garuda, als waren ze de bliksem in een wolk boven de zon, liet hij zijn S'ataghnî [een projectiel met vele punten] op Hem los en vielen tegelijkertijd al zijn soldaten aan. (16) De Allerhoogste Heer, de Oudere Broer van Gada, veranderde hun lichamen - en tegelijkertijd ook de lijven van de paarden en de olifanten - met verschillend gevederde scherpe pijlen in een verzameling van afgeschoten armen, dijbenen en nekken. (17-19) Ieder van de puntige en stakige wapens die de strijders inzetten, o held van de Kuru's, werd door Krishna telkens met drie pijlen aan stukken geschoten. Gedragen door hem met de grote vleugels, Garuda, die met beide vleugels klappen uitdeelde, werden de olifanten verslagen. De olifanten door zijn vleugels, bek en klauwen belaagd trokken zich terug in de stad terwijl Naraka ['hel' ofwel Bhauma] doorging met de veldslag. (20) Bhauma, getergd te zien hoe door Garuda zijn leger op de terugtocht werd gedrongen, viel hem aan met een speer die [ooit] de bliksemschicht [van Indra] weerstond, maar die raakte hem net zo min als je een olifant kan raken als je hem slaat met een bloem. (21) Om Krishna te doden nam Bhauma, gefrustreerd in zijn pogingen, zijn drietand ter hand, maar voordat hij hem zelfs maar kon lanceren, sneed de Heer met de scherpgerande schijf van Zijn cakra het hoofd van Bhaumâsura eraf terwijl die op zijn olifant zat. (22) Schitterend, glimmend gesierd met oorhangers en een fraaie helm, viel dat alles bij elkaar op de grond, en aanbaden [onder uitroepen van] 'Helaas, helaas' en 'Bravo, bravo!' de wijzen en de heersende goden Heer Krishna, Hem overladend met bloemen.

(23) Moeder aarde die daaropvolgend Krishna benaderde bood gouden oorhangers aan die gloeiden van de glimmende edelstenen, een Vaijayantî slinger van woudbloemen en gaf Hem de parasol van Varuna en het Grote Juweel [de bergtop van Mandara]. (24) De godin toen, o Koning, die met een geest vervuld van toewijding haar handen vouwde en neerboog, prees de Heer van het Universum die wordt aanbeden door de besten onder de goden. (25) Bhûmi zei: 'Voor U mijn eerbetuigingen o God der Goden, o Heer, die de schelp, de schijf en de knots vasthoudt, U die overeenkomstig het verlangen van de toegewijden Uw verschillende gedaanten heeft aangenomen, o Allerhoogste Ziel; laat er de lof voor U zijn. (26) Mijn eerbetoon geldt Hem met het lotusvormige kuiltje in Zijn buik, mijn eerbied geldt Hem met de slinger van lotussen om, mijn respect voor Hem wiens blik koel is als een lotus, mijn lofprijzing geldt U met de voeten die zijn als lotussen [zoals in 1.8: 22]. (27) Mijn eerbetuiging is er voor U, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon, het Zaad en de Volle Kennis, U breng ik de eregroet. (28) Laat er de verering zijn van U, de Ongeboren Verwekker, de Onbegrensde Absolute, de Ziel der hogere en lagere energieën, de Ziel van de Schepping, de Superziel! (29) U, verlangend te scheppen, o Meester, doet Zich kennen als zijnde Ongeboren [als Brahmâ], neemt voor de vernietiging de onwetendheid op U [als S'iva] en bent voor het behoud [gemanifesteerd als] de goedheid [met de vishnu-avatâra's] van het Universum [maar niettemin bent U] niet overdekt [door deze geaardheden], o Heer van Jagat [het Levende Wezen dat het Universum is]. Hoewel U Kâla [de tijd], Pradhâna [de oorspronkelijke staat der materie] en Purusha [het volledige als de oorspronkelijke Persoon] bent bestaat U er niettemin onafhankelijk van. (30) Dit zelf van mij, het water, het vuur en de lucht, de ether, de zinsobjecten, de halfgoden, de geest, de zintuigen, degene die handelt, het geheel van de materiële energie, kortom alles wat zich rondbeweegt of niet rondbeweegt, vormt [voor zichzelf bestaand] de verbijstering o Allerhoogste Heer, daar het zich allemaal in U bevindt, U waarbuiten zich niets bevindt [zie ook siddhânta]! (31) Deze zoon van hem [Bhauma's zoon, Bhûmi's kleinzoon] heeft in zijn angst de lotusvoeten benaderd van U die het leed wegneemt van hen die hun toevlucht zoeken; alstUblieft neem hem in bescherming en plaats op zijn hoofd Uw lotushand die alle zonde wegvaagt.'

(32) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, met deze woorden door Bhûmi met toewijding en nederigheid aanbeden, ging, om de angst weg te nemen, de verblijven binnen van Bhauma die rijk waren aan alle denkbare weelde. (33) Aldaar zag de Heer zestienduizend [••] maagden van adel die door Bhaumâsura met geweld waren weggehaald bij de koningen. (34) Toen de vrouwen Hem, de meest uitzonderlijke van alle mannen, zagen binnenkomen, kozen ze bekoord als ze waren voor Hem die hen door het lot in de schoot was geworpen als de echtgenoot van hun dromen. (35) Verzonken in Krishna denkend: 'Moge de voorzienigheid maken dat Hij mijn echtgenoot wordt', sloten ze Hem aldus allen stuk voor stuk in hun hart. (36) Schoongewassen en smetteloos gekleed stuurde Hij hen in draagstoelen naar Dvârakâ tezamen met de [buitgemaakte] enorme schat aan strijdwagens, paarden en een groot aantal andere kostbaarheden.  (37) Kes'ava stuurde ook vierenzestig snelle, witte olifanten mee met vier slagtanden die van dezelfde soort waren als Airâvata [Indra's olifant]. (38-39) Zich begevend naar de verblijfplaats van de koning der goden overhandigde Hij Aditi haar oorhangers. Daarna werd Hij tezamen met Zijn geliefde [Satyabhâmâ] aanbeden door Indra de leider van de dertig [belangrijkste] halfgoden en door de echtgenote van de grote koning. Er door Zijn vrouw toe aangezet trok hij de pârijâta uit de grond, plaatste die op Garuda en bracht hem, de halfgoden verslaand [die dat bestreden], naar Zijn stad. (40) Helemaal vanuit de hemel gevolgd door de bijen die begeertig waren naar de zoete geur en het sap, sierde de boom eenmaal geplant de tuin op van Satyabhâmâ's verblijf. (41) Nadat hij [Indra] zich voorover had gebogen, waarbij hij met de punten van zijn kroon Zijn voeten beroerde, en Acyuta had gesmeekt aan zijn verlangens te beantwoorden, ging hij, die grote ziel onder de halfgoden, nu hij eenmaal zijn doel bereikt had, niettemin de strijd met Hem aan [over de pârijâta]. Vervloekt zij hun weelde, wat een onbenul! [zie ook 3.3: 5]. (42) Toen trouwde de Opperheer zoals het hoort met die vrouwen op één en hetzelfde tijdstip in hun verschillende verblijven, en voor dat doel nam de Onvergankelijke Ene evenzovele gedaanten aan [zie 10.58: 45, 10.69: 19-45 en B.G. 9: 15; 13: 31]. (43) Steeds zich in hun onovertroffen, allermooiste paleizen ophoudend genoot Hij, die het onvoorstelbare ten uitvoer brengt, samen met de Hem welgevallige vrouwen en beantwoordde Hij, opgaand in het genot als iedere andere man, aan Zijn huwelijkse plichten [zie ook 1.11: 37-39]. (44) De vrouwen die zo de echtgenoot van Ramâ verwierven wisten Hem te bereiken op een manier die zelfs niet voor Brahmâ en de andere goden openstaat, met zoals ze in een steeds groter plezier deelden in de altijd weer nieuwe, liefdevolle aantrekking van een omgaan met Hem in glimlachen en blikken, intieme gesprekken en bedeesdheid. (45) Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas toewijding zijnd, Zijn voeten wassend, met betelnoot van dienst zijnd, met massages en koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het zorgen voor Zijn bed, met baden en met het geven van kadootjes, waren ze, hoewel ze honderden dienstmeisjes hadden, [persoonlijk] de Almachtige Heer van dienst.' 

Voetnoten:

* De âcârya's leggen uit dat Satyabhâmâ Krishna zou vergezellen om toestemming te verlenen om Bhauma te doden ondanks de belofte die Hij ooit deed aan Bhûmi, de godin van de aarde, haar zoon Bhauma zonder haar toestemming geen geweld aan te doen. Ook zou ze zijn meegekomen om de pârijâta bloemenboom mee te nemen die Krishna haar had beloofd nadat Hij voor Rukminî zo'n bloem had meegebracht [zie ook 10.50: 54 en3.3: 5].

** Wat betreft het precieze aantal van Krishna's koninginnen bestaat er geen absolute enigheid. Hier staat geschreven 16000. De Vishnu Purâna V.19 - 9. 31 maakt melding van 16100 dames terwijl nog weer anderen spreken van 16001 van hen. Het vers 10.90: 29 niet meegerekend dat ook melding maakt van meer dan 16100 stuks, zouden zuiver redenerend vanuit de Bhâgavatam verhalen alleen, er 16008 koninginnen zijn [zie ook voorgaande voetnoot].

 

Hoofdstuk 60

Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

(1) De zoon van Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een dag comfortabel gezeten werd Hij, de geestelijk leraar van het Universum, Zich op haar bed bevindend bediend door Rukminî die Hem, de Echtgenoot, koelte toewuifde samen met haar vrouwelijke metgezellen. (2) Dit dan was Zijn spel: dat Hij, als de Allerhoogste Beheerser die het universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, waarlijk was geboren om Zijn eigen heerschappij hoog te houden [*] als de Ongeboren Heer onder de Yadu's [zie ook 6.3: 19]. (3-6) In dat privé-gedeelte van het paleis zo schitterend, behangen met strengen parels en verrijkt met een baldakijn, met lampen gemaakt van edelstenen, met jasmijnbloemenslingers met zoemende bijen eromheen zwermend, met het licht van de zuivere maan gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen, met de geur meegevoerd door de wind van de groepjes pârijâta bomen die de atmosfeer overbrachten uit de tuin en met de opwindende geur voortgebracht door de aguru die ontsnapte uit de raamopeningen, o Koning, bediende ze haar Echtgenoot, de Beheerser van Alle Werelden, comfortabel gezeten op een prima kussen van het bed dat zo wit straalde als de schuim van melk. (7) Uit de hand van een dienstmaagd een waaier van yak-haar aanpakkend met een met juwelen ingelegd handvat wuifde de godin er in eerbetoon voor haar Meester Hem er koelte mee toe. (8) Naast Krishna met het gerucht van haar enkelbelletjes kwam ze prachtig naar voren met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen en met haar kleding die met één uiteinde haar borsten rood van de kunkuma verhulde, de gloed van haar halssnoer en de kostbare gordel die ze om haar heupen droeg. (9) Bij de aanblik van haar verschijning als de Godin van het Geluk met geen ander doel, als zij die verheugd en lachend met haar lokken, oorhangers en juwelen om haar hals en haar heldere gelukkige gezicht, terwille van Zijn spel en vermaak overeenstemt in lichamen overeenkomstig Zijn aannemen van gestalten [**], liet de Heer een zoete glimlach zien en sprak Hij.

(10) De Allerhoogste Heer zei: 'O prinses, je werd begeerd door koningen, wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en weelde. (11) Met voor handen vrijers zoals S'is'upâla en anderen die gek van Cupido door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel anders ben. (12) Bang van de koningen, o mooie wenkbrauwtjes, en verhuisd naar de oceaan als onze toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij, in vijandschap met degenen die aan de macht zijn, praktisch de troon eraan gegeven. (13) O fraaie wenkbrauwtjes, vrouwen hebben het gewoonlijk zwaar die omzien naar mannen wiens gedrag onzeker is in het volgen van een pad dat niet aanvaardbaar is voor de normale samenleving. (14) Wij die het zonder bezittingen moeten stellen zijn altijd zeer geliefd bij hen die ook niets hebben en zijn daarom in de regel inderdaad niet zo geliefd bij de rijken, die Me zelden de eer bewijzen, o slanke vrouwe. (15) Huwelijk en vriendschap is er tussen twee mensen die gelijk zijn qua bezit, geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te nimmer tussen een hogere en een lagere [in dezen]! (16) O prinses van Vidarbha, je hebt dit niet zien aankomen, je had er geen weet van toen je koos voor Ons die het zo ontbreekt aan goede kwaliteiten, Wij die worden geprezen door bedelaars die hun verstand kwijt zijn! (17) Aanvaard nu alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die werkelijk geschikt is, een eersteklas edelman die je al je wensen in dit en het volgende leven in vervulling kan doen gaan. (18) S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen kunnen Me geen van allen lijden, o mooie dijen, en zo ook je oudere broer Rukmî niet. (19) Om van hen, die verblind zijn door de bedwelming van hun macht, de trots en hoogmoed te breken werd je door Mij in een huwelijk aanvaard, o goedgeaarde; We deden dat om de macht weg te nemen van de slechtgeaarden [zie ook B.G. 4: 7]. (20) Wij onverschillig over een thuis en een lichaam geven niet echt om echtgenotes, kinderen en rijkdommen; Wij afzijdig van welk ondernemen ook zijn volkomen iin Onszelf tevreden zoals een opzichzelf bestaand licht dat ook is.'

(21) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, zoveel gezegd hebbende als de vernietiger van de trots van haar die zich als Zijn geliefde onafscheidelijk achtte, stopte toen. (22) Van de Meester van de Heren der Drie Werelden, haar eigen Geliefde, had zij, de godin, nog nooit zoiets onaangenaams te horen gekregen, en met de schrik die haar toen om het hart sloeg begon ze, trillend gegrepen door een verschrikkelijke angst, te huilen [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 6 & 7]. (23) Met haar o zo tere voet die rood opgloeide van haar nagels over de vloer schrapend, en met haar tranen de make-up van haar ogen doen uitlopend en het rode kunkumapoeder op haar borsten natsprenkelend, stond ze daar roerloos, met het gezicht naar beneden, verstikt in haar extreme verdriet en was ze niet in staat ook maar een woord uit te brengen. (24) Door haar grote treurnis, vrees en benauwdheid niet langer meer helder denkend, gleden haar armbanden en haar waaier haar uit handen en viel haar lichaam, met haar geest ontsteld het bezwijmend, plots op de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan geveld door de wind [zie rasa]. (25) Ziend wat, niet begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij inhield voor de band van goddelijke liefde van Zijn geliefde, kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met haar. (26) Van het bed afkomend tilde Hij, met vier armen, haar snel op en wiste Hij, haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn lotushand. (27-28) Haar met tranen gevulde ogen en borsten besmeurd door haar tranen afvegend, sloeg Hij, o Koning, Zijn arm om haar heen die kuis als ze was geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die, zo zielig met haar geest in de war door Zijn slimme grappenmakerij, dit niet verdiend had met het Doel van Degenen die Zuiver Zijn. (29) De Opperheer zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet dat je Me volledig toegewijd bent, Mijn liefste, Ik deed het voor de grap om te horen wat je zou zeggen. (30) Zo wilde Ik het gezicht van de liefde zien met lippen trillend van de emotie, blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en prachtige wenkbrauwen bijeen geknepen. (31) Voor een gewone huishouder is het grappen maken met degene van wie hij houdt werkelijk het hoogste dat hij kan bereiken in het gezinsleven, o verlegen meisje van temperament.'

(32) S'rî S'uka zei: 'Zij, Vaidarbhî, o Koning, die aldus geheel gerustgesteld door de Allerhoogste Heer begreep dat Zijn woorden als grap bedoeld waren, gaf haar angst op te zijn afgewezen door haar Geliefde. (33) Bedeesd met een charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend richtte ze zich, o afstammeling van Bharata, met liefdevolle blikken tot de Beste van Alle Mannen. (34) S'rî Rukminî zei: 'Goed, zo zij het dan met dat wat Je gezegd hebt o Lotusogige; wat stel ik, ongelijk aan de Allerhoogste Heer, nu voor vergeleken met de Almachtige die behagen schept in Zijn eigen heerlijkheid, met de Beheerser, de Opperheer van de Drie [belangrijkste godheden] - wie ben ik nu vergeleken met Hem, ik als iemand aan wiens voeten vanwege haar materiële kwaliteiten de dwazen zich vastklampen? (35) Het is waar, Jij, o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je, alsof Je de geaardheden zou vrezen, neer in de oceaan, altijd in het zuivere bewustzijn van de Opperziel strijdend tegen de slechtheid van de materiële zinnen en hebt, net als Je dienaren, de positie van een koning afgewezen als zijnde blinde onwetendheid [zie ook S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka vers vier en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (36) Voor wijzen die de honing waarderen van Je lotusgelijke voeten is Jouw pad, dat voor dieren in een menselijke gedaante voorzeker moeilijk te doorgronden is, niet zo duidelijk want - [zo mag men zich afvragen] - is het wel zo dat zij, die zich bovenwerelds voordoen met activiteiten voor de Allerhoogste Beheerser [van de Tijd], o Almachtige, Jou [als een persoon] nu aan het volgen zijn? (37) Jij inderdaad kent geen bezittingen, Jij voorbij Wie er niets te vinden is en Die zelfs van de genieters van de eerbewijzen met Brahmâ voorop de eer krijgt bewezen; personen die materieel voldaan zijn kennen Je, verblind door hun status, niet als hun dood, maar voor de grote genieters ben Je de meest geliefde, net zoals zij dat voor Jou zijn [zie ook 1.7: 10]. (38) Jij bent waarlijk het uiteindelijke doel dat alle doelen van het menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar verlangend intelligente personen van alles afzien; Jouw omgang, o Almachtige, leent zich voor hen en niet voor een man en vrouw die in de lust gelukkig en ongelukkig zijn. (39) Jij, de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken, paramahamsa's wordend, zie 5: 1*], bent aldus door mij uitverkozen in afwijzing van die meesters van de hemel, geboren op de lotus [Brahmâ] en het bestaan beheersend [S'iva], wiens ambities teniet zijn gedaan door de kracht van de Tijd voortgebracht door Je wenkbrauwen. Wat voor belang zou ik dan hebben bij anderen? (40) Dwaas die woorden van Je dat Jij in de oceaan uit angst Je toevlucht zou zoeken, o Gadâgraja, Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen op de terugtocht dwong met het weghalen van mij, de voor Jou bestemde huldeblijk, zoals een leeuw zijn deel wegsnaait bij de dieren [zie ook jalpa 10.47: 12-21]. (41) Uit behoefte aan Jou zijn de koningen Anga [vader van Vena, 4.13: 47], Vainya [Prithu, 4.23], Jâyanta [Bharata, 6.7: 11], Nâhusha [Yayâti, 9.19], Gaya [15.15: 6-7] en anderen met het afstand doen van hun kroon, hun soevereine macht over hun koninkrijken, het bos ingegaan, o Lotusogige; hoe konden zij, bezonnen op Jouw pad in deze wereld, nu angstig beven? (42) Welke vrouw zou haar toevlucht tot een andere man nemen, die eenmaal het door de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw lotusvoeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen de bevrijding brengen; welke sterfelijke dame met het inzicht om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en iemand willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse ego]? (43) Voor Hem, Jijzelf, als de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle Werelden heb ik gekozen om onze wensen in vervulling te doen gaan in dit leven en het volgende [zie laatste vers S'rî S'rî S'ikshâshthaka]; moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen er de toevlucht zijn van Jouw voeten welke, inderdaad op hun aanbidder afstappend, lonen met de bevrijding van het onware. (44) Laat de koningen waar Je het over had, o Acyuta, over aan die vrouwen bij wie ze in huis zijn als ezels, ossen, honden, katten en slaven en wiens oren nimmer in de buurt kwamen van de kern die Jij als de plaag van Je vijanden bent; Jij die bezongen wordt in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige' ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de hartstocht' ofwel Brahmâ]. (45) De vrouw die niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten houdt er een totaal verbijsterd idee op na; zij aanbidt als haar partner een levend lijk overdekt door een huid, snorharen, lichaamsbeharing, nagels en hoofdhaar met vanbinnen vlees, botten, bloed, wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht. (46) Laat er, o Lotusoog, mijn niet aflatende aantrekking zijn tot de voeten van Jou die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij, Jij die voor de toename van dit universum in hartstocht de vorm van een overvloed aanneemt en met Je blik daarin mij aanschouwend ons inderdaad de grootste genade toont [zie ook 10.53: 2]. (47) Ik beschouw Je woorden in feite niet als vals, o Doder van Madhu, het is zeker vaak zo dat bij een meisje [zoals ik met de koningen] zich de aantrekking opwerpt zoals ook bij Ambâ [dochter van de koning van Kâs'î aangetrokken tot S'âlva, zie Mahâbhârata en noot 9.22: 20*]. (48) Een promiscue vrouw voelt zich zelfs als ze getrouwd is aangetrokken tot telkens weer een nieuwe man; als men intelligent is behoort men [zoals Jij misschien] niet aan een ontrouwe vrouw vast te houden daar men, als men dan aan haar vasthoudt, in tweeërlei zin [in dit leven enerzijds en het volgende leven anderzijds] ten val is gekomen [zie ook 9.14: 36].'

(49) De Allerhoogste Heer zei: 'Al wat je antwoordde is inderdaad juist; wat Ik heb gezegd toen ik je voor de gek hield, o prinses, deed Ik in de behoefte jou hierover te horen praten, o heilige dame! (50) O rechtschapene, je zal altijd kunnen rekenen op welke zegeningen je ook van Me verlangt om van de lust bevrijd te zijn, o genadige, o jij die werkelijk uitsluitend Mij toegewijd bent. (51) O zondeloze, Ik heb je zuivere liefde gezien en je in geloften zien vasthouden aan de echtgenoot; voor zover woorden je van streek konden brengen, kon je geest in gehechtheid aan Mij, niet worden afgeleid. (52) Zij die vallen voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en het naleven van geloften, zijn, lustig van aard, verbijsterd door de begoochelende energie van Mij, de Beheerser van de Uiteindelijke Gelukzaligheid. (53) O reservoir van liefde, voor hen die met het verkrijgen van Mij, de Schat der Emancipatie, ongelukkigerwijze van Mij, de Meester erover, alleen materiële schatten verlangen, zaken die er zelfs zijn voor personen die in de hel verkeren, is het, omdat ze bezeten zijn van de zinsbevrediging, [dan ook] de hel die ze het beste past [zie ook 3.32, en 7.5: 32]. (54) Gelukkig, o vrouwe van het huis, was je de constante trouwe dienst aan Mij aan het leveren die de bevrijding schenkt uit een materieel bestaan, de dienst die zeer moeilijk op te brengen is in het bijzonder voor gevaarlijke vrouwen met kwade bedoelingen, die zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich vergenoegen in het verbreken [van relaties]. (55) In mijn paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, o respectvolle; Jij die ten tijde van haar eigen huwelijk afzag van de koningen die waren gearriveerd; jij door wie, met het je ter ore komen van de ware stand van zaken, een brahmaanse boodschapper naar Mij werd gestuurd met een vertrouwelijk bericht. (56) Toen je broer verslagen in de strijd werd toegetakeld [10.54] en op de dag aangewezen voor de huwelijksplechtigheid [van Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je vanwege Ons een ondraaglijk leed te verduren, maar er bang voor gescheiden te raken repte je er met geen woord over en daardoor heb je Ons voor je gewonnen. (57) Toen Ik, met de boodschapper die je stuurde met het meest vertrouwelijke verzoek om Mijn persoon, op Mij liet wachten, wilde jij, deze wereld als geheel leeg beziend, dit lichaam opgeven dat voor niemand anders bestemd zou zijn [zie 10.53: 22-25]; moge dat [die standvastigheid] altijd met je zijn tezamen met het Ons verheugd zijn in reactie daarop.'

(58) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier in echtelijke gesprekken de menselijke wereld nabootsend schiep de Allerhoogste Heer er behagen in Zichzelf met Ramâ te vermaken. (59) Zich dienovereenkomstig als een huishouder gedragend in de paleizen van de andere koninginnen, beantwoordde de Almachtige Heer en Geestelijk Leraar van Al de Werelden aan de verplichtingen van een gezinshoofd.'  

 

Voetnoten: * Het Sanskriet woord hier gebruikt is setu: dat betekent brug, dam, grens, limiet, dus in deze context Zijn leiding, religie, regel en wet.

** Gesproken door S'rî Parâs'ara in de Vishnu Purâna is er, zo brengt S'rîla S'rîdhara Svâmî ons in herinnering, een vers in bevestiging van dit vers:

devatve deva-deheyam

manushyatve ca mânushî

vishnor dehânurûpâm vai

karoty eshâtmanas tanum

"Als de Heer verschijnt als een halfgod, neemt zij [de Godin van het Geluk] de gedaante aan van een godin, en als Hij verschijnt als een menselijk wezen, neemt ze een menselijke gedaante aan. Op die manier is het lichaam dat ze aanneemt in overeenstemming met het lichaam aangenomen door Heer Vishnu."

 

Hoofdstuk 61

Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk

(1) S'rî S'uka zei: 'Ieder van de vrouwen van Krishna bracht tien zoons ter wereld die niet onderdeden voor hun Vader in al Zijn persoonlijke rijkdom. (2) Omdat ze Acyuta nimmer hun paleizen zagen verlaten beschouwde ieder van de prinsessen zichzelf als de meest dierbare; de vrouwen hadden geen weet van de waarheid die Hem gold. (3) Volledig in de ban van de Allerhoogste Heer Zijn gezicht zo prachtig als de werveling van een lotus, Zijn lange armen, Zijn ogen en liefdevolle blikken, gevatte benadering en charmante verhalen konden de vrouwen, met hun aantrekking, geen greep krijgen op de geest van Hem Almachtig. (4) Ondanks de romantische signalen die ze uitzonden met hun geheven wenkbrauwen, verholen blikken en bedeesde glimlachen, om aantrekkelijk blijk te geven van hun bedoelingen, waren de zestienduizend vrouwen met hun pijlen van Cupido en andere methoden niet in staat de zinnen [van Krishna] in beroering te brengen. (5) Deze vrouwen, op die manier als hun echtgenoot de Heer van Ramâ krijgend in verhouding tot wie zelfs niet Heer Brahmâ en de andere goden de middelen van succes kennen, eisten volijverig anticiperend op de altijd weer nieuwe, intieme omgang met plezier, glimlachen en blikken hun deel op in de onophoudelijke en liefdevolle aantrekking [zoals in 10: 59: 44]. (6) Hoewel ze honderden dienstmaagden hadden waren ze, [persoonlijk] Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas eerbetoon zijnd, Zijn voeten wassend, dienend met betelnoot, met het geven van massages en Hem koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het schikken van Zijn bed, met baden en met het aanbieden van geschenken, de Almachtige Heer van dienst [als in 10.59: 45]. (7) Van deze [16008 **] vrouwen van Krishna voorheen genoemd die ieder tien zonen hadden, waren er acht belangrijkste koninginnen van wie ik de zoons met Pradyumna voorop zal opsommen.

(8-9) Door de Heer verwekt in Rukminî [zie 10.54: 60] waren er, in geen enkel opzicht voor Hem onderdoend, [met Pradyumna voorop] Cârudeshna, Sudeshna en de machtige Cârudeha; Sucâru, Cârugupta, Bhadracâru en een andere genaamd Cârucandra alsook Vicâru en Câru, de tiende. (10-12) De tien zoons van Satyabhâmâ [10.56: 44] waren Bhânu, Subhânu, Svarbhânu, Prabhânu, Bhânumân en Candrabhânu; alsook Brihadbhânu, de achtste Atibhânu en S'rîbhânu en Pratibhânu [bhânu betekent luister, schittering]. Sâmba, Sumitra, Purujit, S'atajit en Sahasrajit; Vijaya en Citraketu, Vasumân, Dravida en Kratu waren de zoons van Jâmbavatî [10.56: 32]. Het waren inderdaad deze zoons met Sâmba voorop die de voorkeur van hun Vader genoten [zie ook 7.1: 2 & 12]. (13) Vîra, Candra en As'vasena; Citragu, Vegavân, Vrisha, Âma, S'anku, Vasu en de zo heel mooie Kuntî waren de zoons van Nâgnajitî [ofwel Satyâ, zie 10.58: 55]. (14) S'ruta, Kavi, Vrisha, Vîra, Subâhu, degene die Bhadra heette, S'ânti, Dars'a en Pûrnamâsa waren, met Somaka als de jongste, de zoons van Kâlindî [10.58: 23]. (15) Praghosha, Gâtravân, Simha, Bala, Prabala en Ûrdhaga waren met Mahâs'akti, Saha, Oja en Aparâjita de zoons van Mâdrâ [zie *]. (16) Vrika, Harsha, Anila, Gridhra, Vardhana, Unnâda, Mahâmsa, Pâvana en Vahni waren met Kshudhi de zoons van Mitravindâ [10.58: 31]. (17) Sangrâmajit, Brihatsena, S'ûra, Praharana, Arijit, Jaya en Subhadrâ waren tezamen met Vâma, Âyur en Satyaka de zoons van Bhadrâ [10.58: 56]. (18) Dîptimân, Tâmratapta en anderen waren de zoons van Heer Krishna en Rohinî [*]. O Koning, van Pradyumna kwam, toen Hij zich ophield in de stad Bhojakatha [Rukmî's domein], verwekt in Rukmavatî, de dochter van Rukmî, de hoogst machtige Aniruddha ter wereld [zie ook 4.24: 35-36]. (19) Uit deze zoons en kleinzoons werden er tientallen miljoenen geboren, o Koning, daar het aantal moeders van de nakomelingen van Krishna zestienduizend bedroeg.'

(20) De koning zei: 'Hoe kon Rukmî zijn dochter uithuwelijken aan de zoon van zijn Vijand? Verslagen door Krishna in de slag wachtte hij de gelegenheid af om Hem te doden. Alstublieft, leg het me uit, o geleerde, hoe dit huwelijk tussen de twee vijanden kon worden gearrangeerd. (21) yogi's [als u] zijn perfect in staat het verleden, het heden alsook watt zich nog niet heeft voorgedaan te zien, zowel als zaken ver weg, zaken verhuld door obstakels en zaken voorbij aan de zinnen.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Tijdens haar svayamvara-ceremonie verkoos zij [Rukmavatî] de Cupido [Pradyumna] voor haar tastbaar die met een enkele wagen in de strijd de verzamelde koningen versloeg en er met haar vandoor ging. (23) Rukmî, zelfs al herinnerde hij zich steeds de vijandschap met Krishna die hem had beledigd [10.54: 35], gunde, om zijn zus [Rukminî] een plezier te doen, zijn dochter zijn neef. (24) De jonge dochter van Rukminî met grote amandelogen, Cârumatî, huwde, zo wordt beweerd o Koning, de zoon van Kritavarmâ genaamd Balî. (25) Rukmî, ondanks zijn in vijandschap aan de Heer gehecht zijn, schonk aan de zoon van zijn dochter, Aniruddha, zijn kleindochter weg genaamd Rocanâ; zich ervan bewust dat het huwelijk indruiste tegen het dharma [dat voorschrijft niet te heulen met de vijand], gaf hij er, in zijn vrijheid beperkt door de banden der genegenheid, de voorkeur aan zijn zuster te behagen met dat huwelijk. (26) Ter gelegenheid van die gelukkige gebeurtenis, o Koning, begaven Rukminî, Balarâma en Kes'ava [Krishna], Sâmba, Pradyumna en anderen, zich naar de stad Bhojakatha.

(27-28) Na de plechtigheid richtten een paar arrogante koningen aangevoerd door de heerser van Kalinga zich tot Rukmî: 'U zou Balarâma eens met een dobbelspelletje moeten verslaan. Er waarlijk niet zo goed in is Hij, o Koning, er niettemin hogelijkst door gefascineerd', zeiden ze aldus en zodoende Balarâma uitnodigend dobbelde Rukmî een partijtje met Hem. (29) In die krachtmeting een inzet van eerst honderd, toen duizend en daarna tienduizend [gouden munten] accepterend was het Rukmî echter die won, waarop de heer van Kalinga luidkeels om Balarâma moest lachen waarbij hij zijn tanden vrijelijk liet zien. Dit kon de Drager van de Ploeg hem niet vergeven. (30) Rukmî ging daarop een inzet van zo'n honderdduizend aan die toen door Balarâma werd gewonnen, maar Rukmî, zijn toevlucht nemend tot bedrog, zei: 'Ik heb het gewonnen!'

(31) Met een geest onstuimig als de oceaan op de dag van een volle maan aanvaardde de knappe Balarâma, wiens van nature roze ogen brandden van woede, een gok van een honderd miljoen. (32) Balarâma won ook dat spel eerlijk maar Rukmî zocht opnieuw zijn heil in misleiding en zei: 'Het is door mij gewonnen. Mogen deze getuigen dat bevestigen!'

(33) Toen sprak er een stem uit de hemel die zei: 'Het was inderdaad Balarâma die de inzet won, de woorden die Rukmî uitsprak zijn een botte leugen!'

(34) Geen acht slaand op die stem zei de prins van Vidarbha, door de kwade koningen aangespoord tot een rampenkoers, spottend tot Sankarshana: (35) 'Jullie koeherders zijn er werkelijk goed in rond te trekken in het woud, niet zozeer in het dobbelen; het spel met dobbelstenen en pijlen is weggelegd voor koningen, niet voor jullie slag!'

(36) Op deze manier in de zegenrijke bijeenkomst [van het huwelijk], door Rukmî beledigd en de risee geworden van de aanwezige koningen hief Hij woedend Zijn knots en sloeg Hij hem dood. (37) Vlug als water de wegvluchtende koning van Kalinga op zijn tiende stap te pakken nemend, sloeg Hij in Zijn toorn de tanden eruit die hij had laten zien toen hij lachte [zie ook 4.5: 21]. (38) Geteisterd door Balarâma's knots sloegen verzet in doodsangst de andere koningen, met hun armen, benen en schedels gebroken, toen doordrenkt van het bloed op de vlucht. (39) Geplaatst voor het feit dat Zijn zwager, Rukmî, was afgemaakt o Koning, gaf de Heer, beducht de band der genegenheid met Rukminî en Balarâma te verbreken, geen enkele blijk van goedkeuring of protest. (40) Toen, met Râma voorop, plaatsten de nakomelingen van Das'ârha de bruidegom tezamen met Zijn bruid op Zijn wagen en vertrokken zij, van wie onder de hoede van Madhusûdana alle doelen waren bereikt, vanuit Bhojakatha in de richting van Kus'asthalî [een andere naam voor Dvârakâ].'  

Voetnoot:

* Deze die Mâdrâ heet is de achtste van de hoofdvrouwen van Krishna die nog niet eerder werd vermeld; ze is de dochter van de heerser van Madra, genaamd Brihatsena, en staat ook bekend als Lakshmanâ. Van het Bhâgavatam haar verhaal kennend zoals verteld in10.83: 16, is het duidelijk dat ze behoorde tot de acht koninginnen die Hij voordien huwde. Aldus waren er 16008 van hen. Rohinî [niet te verwarren met Balarâma's moeder die dezelfde naam draagt], niet beschouwend als een hoofdvrouw van Krishna, schijnt degene te zijn geweest die aan het hoofd van de zestienduizend prinsessen stond. Aldus Mâdrâ als de reden aannemend voor het spreken van 16001 vrouwen in plaats van 16000, hebben we alles bij elkaar: 1 Rukminî, 2 Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4 Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ (Nâgnajitî), 7 Bhadrâ and 8 Mâdrâ (Lakshmanâ) en dan de zestienduizend vrouwen met Rohinî voorop die op de tweede plaats stonden [zie ook voetnoot 10.59**].

 

Hoofdstuk 62

Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Bâna's dochter Ûshâ ['ochtendgloren'] geheten huwde de beste van de Yadu's [Aniruddha] en om die reden vond er een enorme, verschrikkelijke veldslag plaats tussen de Heer en S'ankara [S'iva als 'de goedgunstige']; o grote yogi, ik geef het u dit alles te verklaren.'

(2) S'rî S'uka zei: 'Bâna ['pijl'], de oudste zoon van de honderd zoons geboren uit het zaad van Bali ['gift'] - de grote ziel die de aarde wegschonk aan de Heer die was verschenen in de gedaante van Vâmana [zie 8.19-22] -, was, respectabel en grootmoedig, intelligent en waarachtig in zijn geloften, altijd standvastig in zijn toewijding voor Heer S'iva. In de fraaie stad die bekend staat als S'onita ['hars'] stichtte hij zijn koninkrijk, alwaar de onsterfelijken hem van dienst waren alsof ze zijn bedienden waren. Dat deden ze omdat in het verleden S'ambhu ['de weldoener' ofwel S'iva] door hem tevreden was gesteld toen hij, met duizenden armen uitgerust, muziekinstrumenten had bespeeld terwijl Mrida [S'iva als 'de genadige'] aan het dansen was. (3) Hij, de grote heer en meester van alle geschapen wezens, de mededogende die zijn toegewijden toevlucht biedt, beloonde hem met een zegen naar zijn keuze en hij koos voor hem [S'iva] als de behoeder van zijn stad. (4) Hij, begoocheld door zijn kracht, met een helm zo helder als de zon eens aanwezig aan zijn zijde zei tot Girîs'a [S'iva als de heer van de berg] terwijl hij zijn voeten beroerde: (5) 'Ik buig me voor u neer o Mahâdeva [grote god], o beheerser en geestelijk leraar van de drie werelden die als een boom uit de hemel alle wensen vervult van de mensen die onvoldaan zijn. (6) Het duizendtal armen die u me gaf zijn me enkel tot last geworden en behalve u kan ik in de drie werelden geen tegenstander vinden die mijn gelijke is. (7) Met een lust in mijn armen om bergen te verpulveren ging ik heen om strijd te leveren tegen de olifanten uit alle windrichtingen o oerheer, maar verschrikt sloegen ze allen voor mij op de vlucht.'

(8) Dat aanhorend zei de grote heer geërgerd: 'Je vaandel zal worden gebroken als, o dwaas, je trots teniet wordt gedaan in de strijd met iemand gelijk aan mij.' (9) Met dat in zijn oren ging de arme van geest opgetogen naar huis, o koning, om aldaar niet bijster intelligent de ondergang van zijn heldhaftigheid afwachtend zoals Girîs'a dat had voorspeld [vergelijk 2.1: 4].

(10) Zijn maagdelijke dochter genaamd Ûshâ had in een droom een romantische ontmoeting met de zoon van Pradyumna, en dat terwijl ze de minnaar die ze zo vond nog nooit eerder had ontmoet of zelfs maar kende van horen zeggen [zie *]. (11) Zij, hem niet [langer] in haar droom ziend, kwam verstoord overeind terwijl ze zich temidden van haar vriendinnen bevond en zat toen enorm met zichzelf verlegen toen ze zichzelf hoorde zeggen 'Waar ben je mijn liefste?'(12) De dochter Citralekhâ ['de prima portrettiste'] van een minister van Bâna genaamd Kumbhânda, hoorde toen hoogst nieuwsgierig Ûshâ, haar vriendin en metgezel, uit. (13) 'Wie is dat naar wie je verlangt o mooie wenkbrauwtjes, en wat verwacht je van hem, want tot dusverre hebben we nog niemand gezien die je hand heeft verworven, o prinses.'

(14) 'In mijn droom zag ik een zekere man met een donkere huidskleur, lotusblaadjesogen, gele kleren en machtige armen - een van de soort die een vrouw het hart op hol doet slaan. (15) Hem zoek ik, die minnaar die me de honing van Zijn lippen deed drinken en die, naar elders vertrokken, mij, hunkerend naar Hem, in een zee van lijden heeft achtergelaten.'

(16) Citralekhâ zei: 'Ik zal je leed wegnemen; als Hij ergens te vinden is in de drie werelden, zal ik Hem naar je toe brengen, die echtgenoot in spé, die dief van je hart - alsjeblieft zeg me hoe Hij eruit ziet.'

(17) Toen ze dit had gezegd tekende ze natuurgetrouw voor haar de halfgod en de zanger van de hemel, de vervolmaakte, de achtenswaardige en de laag-bij-de-grondse slang, de demon, de magiër, de bovennatuurlijke en de mens. (18-19) Van de mensen tekende ze Vrishni's als S'ûrasena, Vasudeva, Balarâma en Krishna maar toen ze Pradyumna zag raakte Ûshâ bedeesd en met het tekenen van Aniruddha boog ze haar hoofd in verlegenheid o grote heer, en zei ze glimlachend: 'Dat is Hem, deze hier!' (20) Citralekhâ, de yoginî, Hem herkennend als Krishna's kleinzoon [Aniruddha] begaf zich toen, o Koning, via de hogere sferen [op een mystieke manier] naar Dvârakâ, de stad onder de hoede van Krishna. (21) Pradyumna's zoon slapend op een prima bed voerde ze, gebruikmakend van haar yogakrachten, vandaar mee naar S'onitapura om haar vriendin haar Geliefde te tonen. (22) Toen ze Hem zag, die allermooiste man, klaarde haar gezicht op en had ze het fijn met de zoon van Pradyumna in haar privévertrekken, een plek die verboden terrein was voor het oog van mannen. (23-24) Met de kostbaarste kledingstukken, bloemenslingers, geuren, lampen, zitplaatsen en dergelijke; met dranken, vloeibaar en vast voedsel en met woorden aanbad ze Hem toen in een gewetensvol dienstverlenen. En aldus Hem verborgen houdend in de maagdenverblijven verloor Hij, met haar groots toenemende genegenheid, de dagen uit het oog met al de afleiding die ze Zijn zinnen verschafte. (25-26) Zij aldus, met het breken van haar gelofte [van kuisheid] genoten door de Yadu-held, kon niet de symptomen verhullen van haar zinderende geluk die werden opgemerkt door haar gouvernantes die er verslag van deden [aan Bâna, haar vader]: 'O Koning, we hebben gemerkt dat uw dochter van een voor een ongetrouwd meisje onbetamelijke manier van doen is die de familie bezoedelt. (27) Goed in de gaten gehouden door ons in het paleis is ze er nimmer tussenuit geweest, o meester. We hebben er dan ook geen idee van hoe zij, die door geen man kon worden gezien, haar maagdelijkheid kon verliezen.'

(28) Toen Bâna hoorde dat zijn dochter was onteerd begaf hij zich hoogst verstoord terstond naar de maagdenkwartieren alwaar hij bij aankomst de meest excellente van de Yadu's aantrof. (29-30) Hij stond versteld toen hij zag hoe, recht voor haar zittend, die zoon van Cupido, de uitzonderlijkste schoonheid van al de werelden, donker van huid in gele kleren met Zijn lotusogen, machtige armen, oorsieraden en haarlokken, glimlachend met de gloed en de blikken van Zijn opgesierde gezicht, druk aan het dobbelen was met Zijn o zo genadige lieveling, waarvan het rood van de kunkuma van haar borsten kleefde aan de door haar vervaardigde slinger van lentejasmijn die tussen Zijn armen hing. (31) Hem binnen zien komend omringd door menig een gewapende wacht hief de Lieve Heer Zijn strijdknots van muru [een soort ijzer] en zette Zich schrap, klaar om als de dood in eigen persoon toe te slaan met de roede der bestraffing. (32) Toen ze Hem van alle kanten insloten om Hem in te rekenen, viel Hij hen als een dominant zwijn geplaatst voor een roedel honden aan zodat ze allen getroffen het op een rennen zetten om uit het paleis weg te komen met hun hoofden, armen en benen kapotgeslagen. (33) Maar terwijl Hij de wachters neermaaide, nam de zoon van Bali Hem woedend zelf gevangen met de [mystieke] slangenkoorden [van Varuna, zie ook 8.21: 28]. Toen Ûshâ hoorde dat Hij was gevangen genomen weende ze compleet verslagen en ontmoedigd, overweldigd door verdriet bittere tranen.'

Voetnoten:

* Hier haalt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura de volgende verzen aan uit de Vishnu Purâna, die uitleg verschaffen over Ûshâ's droom: 'O brâhmana, toen Ûshâ, de dochter van Bâna, toevallig Pârvatî zag spelen met haar echtgenoot, Heer S'ambhu, verlangde Ûshâ er hevig naar dezelfde gevoelens te ondergaan. Op dat ogenblik zei de Godin Gaurî [Pârvatî], die ieders hart kent, tegen het gevoelige jonge meisje, 'Wees er niet door verstoord! Je zal de kans krijgen te genieten samen met je echtgenoot.' Dit horend, dacht Ûshâ bij zichzelf, 'Maar wanneer dan? En wie zal mijn echtgenoot zijn?' In reactie hierop, richtte Pârvatî nogmaals het woord tot haar: 'De man die je benadert in je droom op de twaalfde dag van de heldere maandhelft van de maand Vais'âkha zal je echtgenoot worden, o prinses.'

 

Hoofdstuk 63  

De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen ze aldus Aniruddha niet meer zagen, o zoon van Bharata, brachten Zijn verwanten de vier maanden van het regenseizoen door in een constant weeklagen. (2) Met van Nârada het nieuws horend over wat Hij had gedaan en dat Hij gevangen was genomen, gingen de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, naar S'onitapura. (3-4) De besten der Sâtvata's te weten Pradyumna, Yuyudhâna [Sâtyaki], Gada, Sâmba, en Sârana; Nanda, Upananda, Bhadra en anderen, kwamen onder leiding van Râma en Krishna bijeen met twaalf akshauhinî's en belegerden van alle zijden Bâna's stad volledig. (5) Toen die zag hoe de stadstuinen, de stadsmuren en uitkijktorens werden vernield kwam hij, briesend van woede, tevoorschijn om hen partij te bieden met een leger dat net zo groot was. (6) Bhagavân S'iva reed uit op Nandi, zijn stier, tezamen met zijn zoon [Kârtikeya, zijn generaal] en werd vergezeld door de Pramatha's [zijn verschillende mystieke metgezellen] om aan de kant van Bâna te vechten tegen Râma en Krishna. (7) Wat zich toen voordeed, o Koning, was een ontstellend heftige strijd die je de haren te berge deed rijzen. Krishna kwam daarin in het geweer tegen S'ankara en Pradyumna tegen Kârtikeya. (8) Kumbhânda en Kûpakarna hadden een gevecht met Balarâma, Sâmba met de zoon van Bâna en Sâtyaki met Bâna zelf. (9) Met Heer Brahmâ aan het hoofd kwamen om er getuige van te zijn in hun hemelse voertuigen de leiders van de goddelijken, de wijzen, de vervolmaakten en de achtenswaardigen; de zangers en dansmeisjes van de hemel zowel als de geesten. (10-11) Scherpgepunte pijlen afschietend met Zijn boog, de S'ârnga, verdreef S'auri [Krishna] de Bhûta's [geesten der overledenen], de Pramatha's [mystieke geesten], de Guhyaka's [de schatbewaarders van Kuvera], de Dâkinî's [de vrouwelijke demonen van Kâlî], de Yâtudhâna's [beoefenaren van de zwarte magie], de Vetâla's [de vampieren], de Vinâyaka's [demonen van scholing, afleiders, kankeraars], de Preta's [spoken en gnomen], de Mâtâ's [demonische moeders], de Pis'âca's [duivelskinderen], de Kushmânda's [meditatieverstoorders, ziekmakers] en de Brahma-Râkshasa's [gevallen brahmanen als in 9.9: 25] die S'ankara allemaal volgden. (12) De hanteerder van de drietand [Pinâkî ofwel S'iva] zich bedienend van verschillende soorten wapens tegen Hem die de S'ârnga spande, zag ze allemaal geneutraliseerd met passende tegenwapens; ze konden de Drager van de S'ârnga niet van Zijn stuk brengen. (13) Hij zette een brahmâstra in tegen een brahmâstra, een bergwapen tegen een windwapen, een regenwapen tegen een vuurwapen en Zijn nârâyanâstra [Zijn persoonlijke wapen] tegen S'iva's [persoonlijke] pâs'upatâstra [het 'beestenriem'-wapen]. (14) Daarop heer S'iva begoochelend, door hem aan het gapen te brengen met een gaapwapen, trof S'auri Bâna's leger met Zijn zwaard, Zijn knots en Zijn pijlen. (15) Kârtikeya geplaagd door Pradyumna's pijlen die van alle kanten op hem neerregenden, vluchtte op zijn pauwenvoertuig weg van het slagveld, met zijn ledematen stromend van het bloed. (16) Kumbhânda en Kûpakarna geteisterd door de knots [van Râma] vielen en hun legers, van wie de leiders nu dood waren, vluchtten in alle richtingen.

(17) Bâna geplaatst voor zijn uiteengeslagen troepen, keerde Sâtyaki waarmee hij vocht de rug toe, stak in zijn strijdwagen het slagveld over en viel hoogst verbeten Krishna aan. (18) Bâna, buiten zichzelf van het vechten, spande met twee pijlen op ieder aanleggend, in één keer het geheel van zijn vijfhonderd bogen. (19) Deze bogen werden door Bhagavân allen tegelijk doorkliefd en nadat de strijdwagen, de paarden en de wagenmenner waren geraakt, blies Hij op Zijn schelphoorn. (20) [toen...] In de hoop het leven van haar zoon te redden, plaatste zijn moeder, genaamd Kotharâ, zichzelf naakt, met haar haar losgemaakt, pal voor Krishna. (21) Toen Heer Gadâgraja daarop Zijn gelaat afwendde om de naakte vrouw niet te hoeven zien, nam Bâna zonder zijn wagen en met zijn boog gebroken, de kans waar om de stad in te vluchten. (22) Maar met S'iva's volgelingen verdreven wierp Jvara, de [verpersoonlijking van S'iva's hete] koorts met drie hoofden en drie voeten, zich naar voren op de afstammeling van Dâs'arha af alsof hij de tien windrichtingen in vuur en vlam wou zetten [zie *]. (23) Heer Nârâyana, hem ziend, stuurde daarop Zijn koorts erop uit [extreem koud daarentegen] zodat de twee Jvara's van Mâhes'vara en Vishnu met elkaar in gevecht raakten. (24) Die van Mâhes'vara schreeuwde het uit, gepijnigd als hij was door de kracht van die van Vishnu en nergens een veilig heenkomen vindend begon Mâhes'vara's Jvara toen dorstend naar bescherming devoot Hrishîkes'a te prijzen met gevouwen handen. (25) De Jvara zei: 'Ik buig me neer voor U, de Allerhoogste Heer Onbegrensd in Zijn Vermogens, de Ziel van Allen Zuiver van Bewustzijn, de Oorzaak van het geheel van de schepping, voleinding en handhaving van het universum; U de Absolute Waarheid van Volmaakte Vrede waaraan de Veda's indirect refereren. (26) Ik benader U omdat U er bent als de loochening van deze mâyâ van de tijd, het lot, de karmische werklast, de geneigdheden daaromtrent, de subtiele elementen, het veld dat het lichaam vormt, de levensadem, het idee van een ik, de transformaties [de elf zinnen] en dit alles bijeen tezamen [als het subtiele lichaam, de linga], dat er allemaal is in een constante stroom van zaad en spruit. (27) U met verschillende bedoelingen bent er waarlijk om missies ten uitvoer te brengen van goddelijke aard [lîlâ's] teneinde de godsbewusten, de wijzen en de gedragsregels in de wereld te handhaven, en om hen ter dood te brengen die het pad verlieten en leven met geweld; Uw incarneren als zodanig is er om de aarde van haar last te verlossen [zie ook B.G. 9: 29 en 4: 8]. (28) Ik wordt geplaagd door deze hoogst verschrikkelijke koorts van Uw almacht die onverdraaglijk koud niettemin verschroeit, want inderdaad, zolang de belichaamde zielen niet Uw voetzolen van dienst zijn hebben ze te lijden in hun onafgebroken gebonden zijn aan begeerten.'

(29) De Allerhoogste Heer zei: 'O driekoppige, Ik ben tevreden over u, moge uw angst opgewekt door Mijn koorts u verlaten; voor niemand die zich ons gesprek herinnert zal er een reden zijn om u te vrezen.'

(30) Aldus toegesproken boog Mâhes'vara's Jvara zich voorover voor Acyuta en ging hij weg, maar Bâna, rijdend in zijn strijdwagen, kwam naar voren met het voornemen om de strijd met Janârdana aan te binden. (31) Daarop, o Koning, met zijn duizend armen talloze wapens hooghoudend, schoot de demon, kokend van woede, pijlen af op Hem wiens wapen de Cakra is. (32) Van hem, die keer op keer zijn wapens lanceerde, sneed de Allerhoogste Heer met de messcherpe rand van Zijn schijf de armen af als waren het de takken van een boom. (33) Terwijl Bâna's armen van zijn romp werden gescheiden, naderde de grote heer Bhava [- van het bestaan, S'iva] uit mededogen voor zijn toegewijde en richtte hij zich tot de Hanteerder van de Schijf. (34) S'rî Rudra zei: 'U alleen bent de Absolute Waarheid, het licht van het Allerhoogste schuilgaand in de taal [in de Veda's] gebruikt voor het Absolute; zij wiens harten zonder een smet zijn zien U, die zo zuiver bent als de blauwe lucht. (35-36) U met de atmosfeer als Uw navel; het vuur als Uw gezicht, het water als Uw zaad, de hemel als Uw hoofd, de richtingen als Uw gehoorzin, de aarde als Uw voet, de maan als Uw geest; wiens zien de zon is, wiens bewustzijn van het Zelf ik ben, met de oceaan als Uw onderbuik en Indra als Uw arm; U met de planten als het haar op Uw lichaam, de wolken als het haar op Uw hoofd, met Viriñca als Uw intelligentie, met de Prajâpati als Uw geslachtsdelen, wiens hart de religie is; Uw goede Zelf voorwaar is de Purusha uit wie al de werelden voortkwamen. (37) U van een onbegrensde heerlijkheid bent in deze nederdaling er om het dharma te verdedigen ten voordele van het Geheel van het Levende Wezen en wij allen manifesteren en ontwikkelen door U verlicht de zeven werelden [zie dvîpa]. (38) U bent de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon zonder Zijns gelijke, de Bovenzinnelijke Zelfmanifesterende Oorzaak waar geen oorzaak aan vooraf gaat, de Heerser; niettemin wordt U, terwille van de volledige manifestatie van Uw kwaliteiten, evenzogoed waargenomen in de uiteenlopende transformaties [van de verschillende levensvormen, goden en avatâra's] van Uw begoochelende vermogen. (39) Net zoals de zon in zijn eigen schaduw onttrokken aan het zicht de zichtbare vormen uitlicht, werpt U, o Almachtige, net zo oplichtend vanuit Uzelf, licht op de kwaliteiten van de overdekkende geaardheden der materie voor de wezens die behept zijn met deze kwaliteiten. (40) Zij die volledig verstrikt zijn in het respect voor hun kinderen, vrouw, een huis enzovoorts, stijgen, in hun intelligentie verbijsterd door mâyâ [afwisselend], naar de oppervlakte van de oceaan der misère en zinken [dan weer, zie B.G. 9: 21]. (41) Bij de genade van God deze mensenwereld bereikend is hij, die onbeheerst in zijn zinnen niet bereid is Uw voeten te eren, inderdaad zeer beklagenswaardig iemand die zichzelf voor de gek houdt. (42) De sterveling die in oppositie terwille van de zinsobjecten U afwijst, zijn Ware Zelf en innigste Leidsman, eet het vergif en mijdt de nectar. (43) Ik, Brahmâ alsook de halfgoden en de wijzen hebben een bewustzijn dat zuiver is met ons hele hart van overgave zijnd voor U, de Meester, het hoogst beminde Zelf. (44) Laten we van aanbidding zijn voor de Godheid die U bent, de oorzaak van het zich opwerpen, het handhaven en de neergang van het Levende Wezen dat het Universum is; Hij, die volmaakt in vrede gelijkmoedig de unieke, ongeëvenaarde Vriend, het ware Zelf en de aanbiddelijke Heer van al de werelden en al de zielen is, Hij die de toevlucht vormt voor het beëindigen van een materieel leven. (45) Deze hier [Bâna] is mijn gunsteling en meest dierbare volgeling die door mij beloond werd met onbevreesdheid, o Heer, alstUblieft schenk hem daarom Uw genade, zoals U ook van genade was voor de meester der Daitya's [Prahlâda].'

(46) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat U ons gezegd hebt, o grote heer, zullen We ten uitvoer brengen, Ik sluit me volledig aan bij wat u bepaalde als zijnde uw genoegen. (47) Hij, deze zoon van Virocana [Bali], zal voorzeker door Mij gespaard worden, daar Ik Prahlâda de volgende zegen gaf: 'Jouw afstammelingen zullen niet door Mij gedood worden' [zie ook 7.10: 21]. (48) Om zijn trots te onderwerpen werden zijn armen er door Mij afgesneden en werd de enorme militaire macht vernietigd die de aarde een last geworden was. (49) De Asura die nog vier van zijn armen over heeft, zal, niet ouder wordend en onsterfelijk, als één van uw belangrijkste metgezellen iemand zijn die niets van welke zijde ook te vrezen heeft.'

(50) Aldus de vrijheid van angst bereikend boog de Asura zijn hoofd voorover naar Krishna, plaatste de zoon van Pradyumna met Zijn vrouw op Zijn strijdwagen en leidde die naar voren. (51) Hij [Krishna] met Hem en Zijn vrouw, opgesierd en gestoken in de fijnste kleren, voorop, vertrok toen met de toestemming van S'iva, omringd door een akshauhinî. (52) Toe Hij zijn hoofdstad, geheel versierd met vlaggen, erebogen en met de straten en kruispunten besprenkeld, binnenkwam, werd Hij respectvol onder het weerklinken van schelphoorns, tweezijdige trommels en pauken verwelkomd door de mensen van de stad, Zijn verwanten en de tweemaal geborenen. (53) Voor degene die, bij het krieken van de dag opstaand, zich aldus de overwinning van Krishna in de slag met S'ankara herinnert, zal er geen nederlaag zijn.'  

Voetnoten:

* Hier citeert S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura de volgende beschrijving van de S'iva-jvara: "De verschrikkelijke S'iva-jvara had drie benen, drie hoofden, zes armen en negen ogen. As rondstrooiend leek hij op Yamarâja ten tijde van de ondergang van het universum."

 

Hoofdstuk 64

Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd], o Koning, gingen de yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te spelen. (2) Na een lange tijd gespeeld te hebben keken ze dorstig uit naar water en ontdekten ze in een droge put een verbazingwekkend schepsel. (3) Voor zich zagen ze een kameleon zo groot als een berg en met een geest vol van verwondering probeerden ze, bewogen door mededogen, het uit de put te tillen. (4) Met leren riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastgemaakt slaagden de jongens er niet in het schepsel eruit te krijgen en dus deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna. (5) De Lotusogige Opperheer, de Handhaver van het Universum, ging een kijkje nemen, zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak naar boven. (6) Aangeraakt door de hand van Uttamas'loka, werd onmiddellijk de kameleongedaante opgegeven voor die van een hemels wezen dat prachtig was met een gelaatskleur als van gesmolten goud en wonderschone sieraden, kleren en bloemenslingers. (7) Hoewel Hij zich terdege bewust was van datgene wat tot deze situatie had geleid vroeg Mukunda, zodat de mensen in het algemeen het konden weten: 'Wie bent u, o fortuinlijke, uw excellente voorkomen in aanmerking genomen durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent! (8) Door welke actie bent u in deze toestand, die u zeker niet verdiend heeft, beland, o goede ziel; alstublieft vertel Ons, die het graag willen weten, alles over uzelf - dat wil zeggen, als u het de juiste tijd acht er hier over te spreken.'

(9) S'rî S'uka zei: 'De koning die aldus vragen werd gesteld door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, verboog met zijn helm die zo schitterend was als de zon zich voor Mâdhava en sprak tot Hem. (10) Nriga zei: 'Ik, de heerser over mensen genaamd Nriga [zie 9.1: 11-12, 9.2: 17], ben een zoon van [S'raddhadeva Manu en een jongere broer van] Ikshvâku, o Meester, misschien kwam het U ter ore dat ik wordt gerekend onder de mannen van liefdadigheid. (11) En wat zou U ook niet bekend zijn o Meester, Getuige van de Geest van Alle Wezens, wiens visie niet door de tijd verstoord is; desalniettemin zal ik spreken zoals U het wenst. (12) Zoveel zandkorrels als er zijn op aarde, zoveel sterren als er zijn aan de hemel of zoveel regendruppels als er zijn in een bui regen, zoveel koeien heb ik weggegeven. (13) Ik gaf koeien compleet te melken, nog jong, goed van karakter, goed van uiterlijk en rijk aan vele andere kwaliteiten; bruin en schoon, tezamen met hun kalveren, met gouden sieraden aan hun hoorns, zilver aan hun hoeven, fijne overslagen en bloemenslingers. (14-15) Ik, van vrome werken en van aanbidding zijnde met vuuroffers, was van liefdadigheid voor de door mij geornamenteerde heilige, jonge, uitzonderlijke brahmanen die de waarheid zijn toegewijd en bekend om hun verzaking en grote kennis van de Veda's, en die met hun hulpbehoevende families van goede kwaliteiten waren en van karakter: ik gaf ze koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten; huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver, beddengoed en kleding; juwelen, meubels en wagens. (16) Zonder dat ik het doorhad schonk ik van een bepaalde eersteklas dvija [een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie 7.11] aan een andere tweemaal geboren ziel een koe weg, welke weggedwaald zich had gevoegd bij mijn kudde. (17) Die koe werd, terwijl ze weggeleid werd, opgemerkt door haar baas die zei: 'Zij is van mij!' Maar hij die de gift had aangenomen zei daarop toen: 'Deze hier gaf Nriga aan mij!'

(18) De twee geschoolden in een strijd verwikkeld om hun eigenbelang zeiden me: 'U mijnheer, bent als de schenker een dief geweest!' Toen ik dit hoorde was ik met stomheid geslagen.

(19-20) Aldus in verlegenheid met mijn religieuze plichtsbetrachting legde ik aan de beide mannen van geleerdheid de smeekbede voor: 'Alstublieft schenk me deze ene koe, ik zal u er een honderdduizend van de beste kwaliteit voor teruggeven! Jullie beiden, weest alstublieft van genade met uw dienaar die het zich niet bewust was; red me van het gevaar te belanden in een smerige hel!'

(21) 'Ik heb helemaal niet zo'n behoefte, o Koning!' zei daarop de eigenaar en verdween.

'Al die andere extra koeien wil ik helemaal niet', zei de ander en vertrok.

(22) Nadat zich dit had voorgedaan werd ik door de boodschappers van Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar door de Heer van de Dood en de Vergelding [als volgt], o God der Goden, o Meester van het Universum [zie ook 5.26: 6, 6.1: 31 en 6.3] de volgende vraag voorgelegd: (23) 'Wilt u eerst de gevolgen van uw slechte daden ondergaan, o Koning, of liever die van uw goede daden? Wat betreft de goede kan ik het einde niet bekennen van de stralend mooie wereld die het gevolg is van wat u religieus in liefdadigheid wegschonk.'

(24) Ik zei daarom: 'Laat me eerst de gevolgen van mijn slechte daden onder ogen zien, o Godheid', waarop hij toen zei: 'Val dan!' en terwijl ik viel, o Meester, zag ik mezelf veranderd in een kameleon! (25) Als Uw dienaar vrijgevig jegens de brahmanen, o Kes'ava, heeft me zelfs de dag van vandaag niet de herinnering verlaten aan de aanwezigheid van U die ik verloor en waar ik naar uitzie [zie ook 5.8: 28]. (26) Hoe, o Almachtige, kan U in eigen persoon voor mij zichtbaar zijn; U, de Opperziel die bemediteerd door de meesters van de yoga zichtbaar bent voor het oog van een zuiver hart - hoe, o Adhoks'aja, kan ik, wiens intelligentie was verblind door ernstige moeilijkheden, de permissie verwerven om te aanschouwen wat er is voor hen wiens materiële leven alhier is afgerond? (27-28) O, God der Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend, alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de wereld der goden, o Meester; moge, waar ik me ook bevind, mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten er zijn! (29) Mijn eerbetuigingen voor U, de Oorsprong van Alle Wezens, het Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde Vermogens; ik biedt het Spirituele Plezier van Zijn Aantrekking, Krishna [*], de zoon van Vasudeva, de Heer van alle vormen van yoga [alle vormen van het zich verenigen in het bewustzijn], mijn respect.'

(30) Nadat hij aldus had gesproken en Hem omlopen had kreeg hij, nadat hij Zijn voeten met zijn kroon had beroerd, toestemming om te vertrekken en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een wonderschone hemelwagen. (31) Krishna, de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en de Ziel van het Dharma de brahmanen toegewijd, richtte zich tot Zijn persoonlijke metgezellen en was aldus van instructie voor de edelen in het algemeen: (32) 'Als zelfs voor iemand die nog krachtiger is dan een vuur het kleinste beetje bezit van een brahmaan dat hij zich toeëigent [wegsteelt of hem ontzegt] niet te genieten is, hoeveel temeer moet dat dan niet gelden voor koningen die zich verbeelden de Heer te zijn? (33) De hâlâhala [die werd gekarnd met Mandâra] beschouw Ik niet als vergif omdat daar een antwoord op bestaat [S'iva namelijk, zie 8.7]; maar wat een brahmaan toebehoort [echter] noem Ik werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd] daar er voor zoiets in de wereld geen tegengif bestaat. (34) Vergif richt degeen die het inneemt te gronde en vuur wordt uitgedoofd met water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de bezittingen van een brahmaan brandt iemands gemeenschap af tot de grond. (35) Als men zonder toestemming geniet van het bezit van een brahmaan richt dat drie generaties te gronde [zie **] maar als men het met geweld [zoals via de regering of bedrijfsbelangen] geniet [gaat dat op voor de eer van] tien voorgaande en tien volgende generaties [zie ook 9.8]. (36) Leden van de adelstand, verblind door koninklijke weelde [zie ook B.G. 1: 44] zien kinderachtig smachtend naar het eigendom van een welgezinde brahmaan niet hun eigen val in de hel aankomen. (37-38) Zoveel stofdeeltjes als worden aangeraakt door de tranen geplengd door vrijgevige brahmanen die terwille van hun beminden huilen over de middelen van bestaan die hen afhandig werden gemaakt, evenzovele jaren zullen de koningen en andere leden van de koninklijke familie, die de zaak niet in de hand hebbend, zich het aandeel van de brahmaan toe-eigenden, worden gekookt in de hel genaamd Kumbhîpâka [5.26: 13]. (39) Hij dan die wegsteelt wat een brahmaan toebehoort, of het nu door iemand zelf werd geschonken of door iemand anders, wordt zestigduizend jaar lang geboren als een worm in de uitwerpselen. (40) Bezorg Mij niet de weelde die een brahmaan toebehoort; de begeerte daarnaar maakt dat mensen een kort leven is beschoren, het brengt hen de nederlaag en berooft ze van het koninkrijk; ze veranderen ermee in slangen die anderen moeilijkheden bezorgen. (41) Beste volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van scholing, zelfs niet als hij gezondigd heeft; zelfs als hij je fysiek keer op keer raakt en je vervloekt, behoor je hem altijd je eerbetuigingen te brengen. (42) Precies zoals Ik me er steeds voor inspan om Me te verbuigen voor de geschoolden, behoren jullie ook allemaal van datzelfde respect te zijn; hij die dat anders aanpakt komt er voor in aanmerking door Mij te worden gestraft. (43) Het bezit inderdaad afgepakt van een brahmaan leidt tot de ondergang van hem die daaraan schuldig is, zelfs al gebeurde het onbewust, zoals dat zich voordeed met de persoon van Nriga met de koe van de brahmaan.'

(44) Na aldus de ingezetenen van Dvârakâ te hebben onderricht, ging de Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, Zijn paleis binnen.'

 

Voetnoten: * In de Mahâbhârata (Udyoga-parva 71.4), wordt gezegd met betrekking tot Krishna: "Het woord 'krish' is het aspect van aantrekking van de Heer Zijn bestaan, en 'na' betekent 'geestelijk genoegen'. Als men het werkwoord 'krish' toevoegt aan 'na', wordt het krishna, wat dan de aanduiding van de Absolute Waarheid vormt."

** Overeenkomstig S'rîla S'rîdhara Svâmî, heeft tri-pûrusha, het Sanskriet woord hier gebruikt, betrekking op iemand zelf, zijn zoons en zijn kleinzoons.  

 

Hoofdstuk 65

Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld

(1) S'rî S'uka zei: 'O beste van de Kuru's, de Allerhoogste Heer Balarâma klom [op een dag] in Zijn wagen ernaar verlangend Zijn vrienden te zien en reisde af naar Nanda's koeherdersdorp. (2) Door de gopa's en de gopî's, die Hem voor een lange tijd inderdaad hadden gemist, werd Râma omhelsd en met het brengen van Zijn eerbetuigingen voor Zijn ouders werd Hij vreugdevol begroet met gebeden: (3) 'O afstammeling van Das'ârha, bescherm ons alsJeblieft altijd tezamen met Je jongere broer, de Heer van het Levende Wezen', en dit gezegd hebbende trokken ze Hem dicht naar zich toe op hun schoten en omhelsden ze Hem, Hem bevochtigend met het nat van hun tranen. (4-6) Daarna begaf Hij zich naar de oudere koeherders die Hij tegemoet trad met glimlachen en het beetgrijpen van hun handen. Na Hem een comfortabele zitplaats te hebben geboden zodat Hij wat had kunnen uitrusten en zo meer, verzamelden zij, die alles in dienst hadden gesteld van de lotus-ogige Krishna zich rondom Hem en stelden ze met stemmen verstikt van de liefde vragen met betrekking tot het welzijn van hun dierbaren: (7) 'O Balarâma gaat het onze verwanten allemaal goed? Herinneren zich al de Jouwen, vrouwen en kinderen tezaam, ons nog o Râma? (8) Gelukkig werd die zondaar van een Kamsa ter dood gebracht en werden onze verwanten bevrijd; goddank vonden zij beschutting in een fort [Dvârakâ] en werden onze vijanden gedood en overwonnen!' (9) Zeer vereerd Râma in hun midden te zien vroegen de gopî's met een glimlach: 'Geniet Krishna, de lieveling van de dames in de stad, een gelukkig leven? (10) Denkt Hij nog wel aan Zijn mensen, zijn [pleeg-]vader en Zijn moeder; zal Hij er ooit nog eens toe komen in eigen persoon Zijn moeder weer te zien en herinnert Hij met Zijn machtige armen Zich onze onwankelbare dienst nog? (11-12) Terwille van Hem hebben we, o Heer, ons onthecht van hen waar men zich zo moeilijk van kan losmaken: onze moeders, vaders, echtgenoten, kinderen en zusters, o afstammeling van Das'ârha. Toen Hij ons opeens afwees en vertrok, brak Hij met de vriendschap, maar welke vrouw zou er nou geen geloof aan hechten weer van Hem te horen? (13) Hoe kunnen nu die schrandere dames uit de stad vertrouwen stellen in de woorden van Hem die Zijn hart zo makkelijk elders heeft en het contact afbreekt? Ze verkijken zich op Zijn welbespraaktheid en fraaie glimlachten omdat ze in werkelijkheid door de lust worden aangespoord! (14) Maar waarom zouden we nog langer over Hem moeten uitweiden o gopî's, laten we het alsjeblieft over wat anders hebben; als Hij Zijn tijd zonder ons doorbrengt, laten wij dan hetzelfde doen [zie ook 10.47: 47].'

(15) Zich aldus onderhoudend over de goedlachsheid, de gesprekken en de aantrekkelijke blikken en zich de manier van lopen en liefdevolle omhelzing van S'auri herinnerend, moesten de vrouwen huilen. (16) Sankarshana, de Opperheer, als een expert in de verschillende wijzen van steun verlenen, troostte hen met Krishna's vertrouwelijke boodschappen die hen in hun harten raakten. (17) Râma verbleef daar toen voor de duur van de twee maanden Madhu en Mâdhava [de eerste twee na de lente-equinox], en bracht ook gedurende de nacht de gopî's in [amoureuze] verrukking [zie ook 10.15: 8]. (18) In een stukje bos nabij de Yamunâ [bekend als S'rîrâma-ghaththa] met in de wind de geur van ['s nachts bloeiende] kumuda lotussen, genoot Hij, badend in het licht van de volle maan, ervan door de vele vrouwen bediend te worden. (19) Door Varuna gebracht vloeide uit de holte van een boom de goddelijke [bedwelmende drank] Vârunî die met zijn aroma het gehele bos zelfs nog meer deed geuren. (20) Balarâma, die de geur opsnoof van die honingstroom meegevoerd door de wind, ging eropaf en dronk ervan samen met de vrouwen. (21) Pauken weerklonken in de hemel, de Gandharva's lieten vol vreugde bloemen neerregenen en de wijzen prezen Râma voor Zijn heldendaden. (22) En terwijl de zangers van de hemel de heerlijkheid bezongen, genoot Hij, die er in de kring van jonge vrouwen nog mooier uitzag, van de jonge vrouwen, als was Hij Indra's olifantenstier met een kudde wijfjes. (23) Met Zijn avonturen bezongen door de vrouwen zwierf Halâyudha [Balarâma als 'gewapend met de ploeg'] onder de invloed van de drank door het bos met Zijn ogen zwaar van de bedwelming.

(24-25) Met bloemen, met een enkele oorhanger, zot van het genoegen, met Zijn Vaijayantî bloemenslinger om en met Zijn lachende, lotusgelijke gezicht overdekt door zweetdruppeltjes als waren het sneeuwvlokken, riep Hij om de Yamunâ met het voornemen in het water te spelen, maar toen de rivier Zijn dronken woorden daarop negeerde, werd zij door Hem kwaad omdat ze niet kwam met de punt van Zijn ploeg erbij gesleept: (26) 'Jij zondige, je komt niet, terwijl je door Mij bent geroepen, en omdat, naar je eigen idee je bewegend, je Mij niet gerespecteerd hebt, zal Ik je met de punt van Mijn ploeg in honderden stroompjes verdeeld naar Mij toe doen komen!'

(27) Yamunâ aldus berispt, bevreesd Hem ten voeten gevallen, o Koning, sprak trillend voor het Yadu-kind de woorden [*]: (28) 'Râma, Râma, o machtig gearmde, wat weet ik nu van waar U allemaal toe in staat bent? U door wiens enkele deelaspect [van S'esha] de aarde wordt gedragen, o Meester van het Universum. (29) AlstUblieft, o Allerhoogste Heer, laat me gaan, ik heb me overgegeven, ik was me niet bewust van Uw status Allerhoogste Persoonlijkheid, o Ziel van het Universum die zo vol van mededogen bent voor Uw toegewijden!'

(30) Aldus ertoe verzocht gaf Balarâma, de Allerhoogste Heer, de Yamunâ de vrijheid en dompelde Zich toen met de vrouwen onder in het water als was hij de koning der olifanten met zijn wijfjes. (31) Zich naar hartelust uitgeleefd hebbend en uit het water gekomen bood Kânti ['de vrouwelijke schoonheid, de helderheid van de maan', een naam van Lakshmî] Hem een blauw stel kleren, hoogst kostbare sieraden en een prachtige halsketting. (32) Zich aankledend met de blauwe kledingstukken en de gouden halsketting omdoend zag Hij, schitterend uitgedost en ingesmeerd, er net zo magnifiek uit als de olifant van de grote heer Indra. (33) Tot op de dag van vandaag worden, o Koning, de stromen van de Yamunâ zoals ze werden getrokken door Balarâma's onbegrensde vermogen, gezien als bewijs van Zijn kunnen. (34) Aldus voltrokken voor Râma, die in Zijn geest bekoord was door de uitgelezen vrouwenschaar van de koeiengemeenschap, al de nachten die Hij in Vraja genoot, zich als betrof het één enkele nacht.'

Voetnoot:

* De paramparâ geeft als commentaar: 'Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî, is de godin die verscheen voor Heer Balarâma een expansie van S'rîmatî Kâlindî, een van Heer Krishna's koninginnen in Dvârakâ. S'rîla Jîva Gosvâmî noemt haar een 'schaduw' van Kâlindî, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî bevestigt dat ze een expansie is van Kâlindî, niet Kâlindî zelf. S'rîla Jîva Gosvâmî levert ook bewijs met de S'rî Hari-vams'a uitspraak - pratyuvâcârnava-vadhûm - dat de Godin van de Yamunâ de echtgenote van de oceaan is. De Hari-vams'a refereert derhalve ook wel aan haar als Sâgarânganâ.'

   

Hoofdstuk 66

De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

(1) S'rî S'uka zei: 'Met Balarâma vertrokken naar Nanda's koeherdersdorp stuurde de heerser van Karûsha [Paundraka], o Koning, dwaas denkend 'Ik ben Vâsudeva', een boodschapper naar Krishna. (2) Heel kinderachtig hadden lieden hem ingefluisterd: 'Je bent Vâsudeva, de Allerhoogste Heer nedergedaald als de Meester van het Universum!', en aldus beeldde hij zich in dat hij de Onfeilbare was. (3) Als een jongetje van een gering bevattingsvermogen dat door kinderen tot koning werd uitgeroepen stuurde hij, in zijn zotternij, een boodschapper naar Krishna, Hij wiens wegen ondoorgrondelijk zijn en die zich ophield in Dvârakâ. (4) De afgezant in Dvârakâ aangekomen bracht toen in de koninklijke vergadering aan Krishna Almachtig met de Lotusblaadjesogen het bericht over van zijn koning: (5) 'Ik Vâsudeva, de enige ware echte, ben in deze wereld nedergedaald met de bedoeling van genade te zijn voor de levende wezens. U echter, moet de valse aanspraak op die titel opgeven! (6) O Sâtvata, geef mijn symbolen op die U in Uw waan in Uw vaandel voert. Kunt U zich maar beter tot mij voor Uw toevlucht wenden; zo niet, treedt dan met mij in gevecht.'

(7) S'rî S'uka zei: 'Toen ze die opsnijderij van de idiote Paundraka hoorden, brulden de leden van de vergadering die werd voorgezeten door Ugrasena van het lachen. (8) De Allerhoogste Heer zei, nadat iedereen was uitgegierd, toen tot de boodschapper: 'Ik zal jou, o dwaas, de symbolen naar je hoofd slingeren waar je zo over opschept. (9) De toevlucht van honden zal je zijn, jij onbenul, voor lijk liggend met dat gezicht van je overdekt door gieren, reigers en vatha's overal om je heen.'

(10) Aldus toegesproken bracht de boodschapper dat beledigende antwoord tot in detail over aan zijn meester en ging Krishna, in Zijn wagen geklommen, naar Kâs'î [Vârânasî]. (11) Toen de machtige krijgsheer Paundraka zag dat Hij Zijn voorbereidingen trof, kwam hij snel uit de stad tevoorschijn vergezeld door twee akshauhinî's. (12-14) De Heer zag Paundraka met achter zich aan zijn vriend, de meester van Kâs'î, met nog eens drie akshauhinî's, o Koning. Hij presenteerde zich compleet met een schelphoorn en de werpschijf, een zwaard en een knots, een S'ârnga en het S'rîvatsa-teken en andere symbolen, met inbegrip van een Kaustubha-juweel en de sier van een woudbloemenslinger. Met een stel fijne geelzijden kleren aan en met in zijn vaandel Garuda, droeg hij een kostbare kroon en had hij glanzende haaienvormige oorhangers als zijn sieraad. (15) De aanblik van hem uitgedost als Zijn evenbeeld, als was hij een acteur op het toneel, deed de Heer hartelijk lachen. (16) Met drietanden, knotsen en knuppels, spiesen, messen, projectielen met weerhaken, lansen, zwaarden, bijlen en pijlen werd de Heer aangevallen door de vijanden. (17) Krishna echter met Zijn strijdknots, zwaard, werpschijf en pijlen teisterde die militaire macht van olifanten, wagens, paarden en voetsoldaten van Paundraka en de koning van Kâs'î hevig, als was Hij het vuur aan het einde der tijden voor de verschillende levende wezens. (18) Het slagveld, bezaaid met de door Zijn schijf aan stukken gesneden wagens, paarden, muilezels, olifanten, tweebenigen en kamelen, straalde als het verschrikkelijke schouwtoneel van de Heer der Geesten [Bhûtapati, of S'iva], die de wijzen daarmee een plezier doet. (19) S'auri zei toen tot Paundraka: 'Die wapens waar je het tegen Mij over had bij monde van je afgezant, laat Ik nu op jou los. (20) Ik zal je dwingen afstand te doen van Mijn naam en alles erbij dat door jou valselijk werd aangenomen o dwaas; voor vandaag zal Ik [zoals je het wilde] bij jou Mijn toevlucht zoeken, zo Ik de strijd niet wil.'

(21) Aldus de spot met hem drijvend verdreef Hij met Zijn scherpe pijlen Paundraka uit zijn wagen en scheidde Hij met Zijn werpschijf het hoofd van zijn romp, net zoals Indra met zijn bliksemstraal een bergtop klieft. (22) Zo ook sneed Hij met Zijn pijlen het hoofd van de romp van de koning van Kâs'î, dat hij vliegend door de lucht Kâs'î-puri injoeg als was het een bloemkelk van een lotus die door de wind wordt meegevoerd. (23) Na aldus zowel de jaloerse Paundraka als zijn vriend ter dood te hebben gebracht ging de Heer Dvârakâ binnen, ter gelegenheid waarvan de vervolmaakten Hem vereerden door Zijn nectargelijke verhalen te reciteren. (24) En zo gebeurde het dat hij [Paundraka], van wie door zijn voortdurend mediteren op Hem in het aannemen van de persoonlijke gedaante van de Heer alle gebondenheid volledig werd vernietigd, volledig verzonken raakte in Hem [ofwel Krishnabewust werd], o Koning [zie sârûpya]. (25) Toen zij het hoofd met de oorhangers dat bij de paleispoort was terecht gekomen zagen, vroegen de mensen zich af: 'wiens hoofd zou dat nou zijn?' (26) Het herkennend als het hoofd van de koning, de heerser van Kâs'î, zetten zijn koninginnen, zijn zoons en andere verwanten en de burgers het op een luidkeels huilen uitroepend: 'Helaas meester, o meester, o Koning, we zijn gedood!' (27-28) Zijn zoon genaamd Sudakshinâ die voor de vader de begrafenisplechtigheden voltrok, ging bij zichzelf te rade en besloot: 'Om mijn vader te wreken zal ik de moordenaar van mijn vader ter dood brengen' en om die reden bad hij als su-dakshinâ, 'de kampioen der beloning', tezamen met de priesters met grote aandacht tot Mahes'vara [Heer S'iva]. (29) In [de heilige plaats] Avimukta bood de grote heer hem tevredengesteld een zegen naar eigen keuze, waarop hij voor zichzelf bij de machtige halfgod de gunst bedong van een manier om de Hem die zijn vader had gedood te verslaan. (30-31) [S'iva zei:] 'Weest met brahmanen en de geëigende priester van dienst voor het dakshinâ [zuidelijke] vuur met een abhicâra ['schade berokkenend'] ritueel dat van nut is tegen een vijand van de brahmanen, zodat omringd door de Pramatha's [zie ook 10.63: 6] uw wens in vervulling zal gaan', en aldus geïnstrueerd nam hij met de bedoeling Krishna kwaad te doen de geloften in acht. (32-33) Uit het vuur van de offerplaats verrees daarop een afschrikwekkende figuur die een haarknot, baard en snor als van gesmolten koper had, roodgloeiende kolen van ogen, verschrikkelijke tanden en een ruw gezicht met omhooggetrokken, samengeknepen wenkbrauwen, die, met zijn tong zijn mondhoeken likkend, naakt met een laaiende drietand zwaaide [zie ook 4.5: 3 en 6.9: 12]. (34) Met benen die zo massief waren als palmbomen deed hij de aarde schudden toen hij vergezeld van geesten naar Dvârakâ rende en daarbij de windrichtingen in lichterlaaie zette. (35) Toen ze hem, die was voortgekomen uit het abhicâra-vuur, op zich af zagen komen, raakten al de ingezetenen van Dvârakâ, net als dieren voor een grote bosbrand, door angst bevangen. (36) Van streek gingen ze in paniek naar de Hoogste Persoonlijkheid van God die in het hof een potje aan het dobbelen was [en zeiden]: 'Redt ons, redt ons van het vuur dat de stad verzengt, o Heer van de Drie Werelden!'

(37) Toen Hij de mensen zo hoorde roepen en zag hoezeer Zijn eigen mannen van streek waren, lachte S'aranya, de Beschermheer, hardop en zei: 'Wees hier maar niet bang voor, Ik zal jullie beschermen!'

(38) De Almachtige Heer, vanbinnen en vanbuiten ieders Getuige, begreep dat het schepsel van Mahes'vara afkomstig was en stuurde toen voor zijn vernietiging de cakra op hem af die Hij altijd bij zich heeft. (39) Dat wapen, de Sudars'ana cakra van Krishna, dat als een miljoental zonnen zo fel laaide met een gloed gelijk het vuur aan het einde der tijden, teisterde met zijn hitte de lucht, de hemelen en de aarde in alle tien de richtingen, en bedwong zo ook het vuur [van de demon; zie ook 9.4: 46]. (40) Hij, het [schepsel van] vuur dat was opgeroepen, maakte gefrustreerd door de macht van het wapen dat door Hem met de Cakra in Zijn Hand werd ingezet rechtsomkeert, o Koning, en belaagde in zijn verslagenheid van alle kanten Vârânasî en verbrandde toen Sudakshinâ en al zijn priesters zodat ze verteerden door de abhicâra die hij zelf in het leven had geroepen. (41) Zo ook ging de cakra van Vishnu erachteraan Vârânasî binnen met zijn toegangspoorten, wachttorens en zijn vele hoge veranda's, vergaderzalen, marktplaatsen, warenhuizen en gebouwen die de olifanten, paarden, wagens en granen behuisden. (42) Na heel Vârânasî in de as te hebben gelegd keerde Vishnu's Sudars'ana schijf terug naar de zijde van Krishna wiens handelingen moeiteloos zijn. (43) Welke sterveling ook die met volle aandacht vertelt over of luistert naar dit heldhaftige avontuur van de Allerhoogste die wordt geprezen in de verzen zal worden verlost van al zijn zonden.'

 

Hoofdstuk 67

Balarâma Maakt een Einde aan de Aap Dvivida

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Ik zou graag nog meer horen over Râma, de Onbegrensde en Onpeilbare, wiens handelingen zo verbazingwekkend zijn; wat deed de Prabhu nog meer?'

(2) S'rî S'uka zei: 'Er was een bepaalde aap genaamd Dvivida ['de dubbelhartige'], een vriend van Naraka [ofwel Bhaumâsura, zie 10.59], die als de machtige broer van Mainda een adviseur was geweest van Sugrîva [de aanvoerder der apen, zie ook 9.10: 32] [*]. (3) De aap teneinde zijn vriend te wreken [die door Krishna was gedood] veroorzaakte chaos door de steden, dorpen, mijnen en koeherdersgemeenschappen in het koninkrijk in brand te steken. (4) De ene dag trok hij rotsblokken los en verwoestte daarmee al de landstreken van de Ânarta provincie, in het bijzonder daar waar de Doder van zijn vriend, de Heer, zich ophield [in Dvârakâ]. (5) De andere dag stond hij aan de kust midden in de oceaan om met een kracht van duizend olifanten het zeewater te doen kolken met zijn armen en zette hij de kustgebieden onder water. (6) In de âs'rama's van de hoog verheven zieners brak hij kwaadaardig de bomen af en bevuilde hij de offervuren met urine en uitwerpselen. (7) Zoals een wesp die een insect verbergt, wierp hij bruut mannen en vrouwen in een dal in grotten welke hij afgrendelde met grote rotsblokken. (8) Aldus de landen terroriserend en [zelfs] vrouwen van stand onterend ging hij, [op een dag] de mooiste muziek horend, naar de berg genaamd Raivataka. (9-10) Aldaar trof hij Balarâma de Heer der Yadu's aan die met een lotusbloemenslinger om en hoogst aantrekkelijk in al Zijn leden temidden van een verzameling vrouwen terwijl Hij met Zijn ogen rollend aan het zingen was, bedwelmd door het drinken van vârunî [zie ook 10.65: 19]. Zijn lichaam had daarbij een gloed zo schitterend als die van een olifant in de bronst. (11) De kwalijke boombewoner klom op een tak en presenteerde zich door met de boom te schudden en fanatiek er op los te schreeuwen. (12) Geplaatst voor zijn onbeschaamdheid moest Baladeva's vrouwelijke gezelschap luidkeels lachen; als vrouwen dol op een pretje zagen ze er niet direct kwaad in. (13) De aap dreef de spot met hen met rare bewegingen van zijn wenkbrauwen en dergelijke en toonde hen recht voor hun neus terwijl Râma toekeek, zijn achterwerk. (14-15) Balarâma, een eersteklas werper, wierp kwaad een steen naar hem, maar de zotte aap speelde een spelletje met Hem ervoor wegduikend en greep de kruik met drank beet en maakte Hem verder kwaad door vals lachend de pot aan stukken te slaan en de dames aan hun kleren te trekken; en zo was hij, machtig als hij was, vol van valse trots met zijn beledigingen in overtreding met de Sterke. (16) Geplaatst voor zijn grove streken en wat hij overal aanrichtte met zijn terreur, nam Hij vertoornd Zijn knots en Zijn ploeg ter hand met het besluit die vijand ter dood te brengen. (17) Dvivida ook van een groot talent ontwortelde een s'âla boom met één hand en sloeg snel naderend Balarâma ermee naar Zijn hoofd. (18) Maar Sankarshana onverzettelijk als een berg greep hem ongeëvenaard sterk als Hij was beet terwijl die op Zijn hoofd neerkwam en sloeg terug met Sunanda [Zijn knots]. (19-21) Door de knots op zijn schedel getroffen zag hij er met de resulterende stroom bloed zo fraai uit als een berg die rood is van de ijzeroxide. Daarop viel hij, de klap negerend, met het ontwortelen en kaalstrippen van een andere boom met veel geweld opnieuw aan, maar Balarâma die zich nu echt kwaad begon te maken sloeg hem aan duizend stukken, net zoals Hij dat deed met een tweede boom waar in razernij mee werd toegeslagen. (22) Door de Opperheer keer op keer geslagen en geslagen, ontdeed hij op die manier tekeergaand met het ontwortelen het bos van al zijn bomen. (23) Toen hij, gefrustreerd, daarop een regen van stenen over Baladeva uitstortte, verpulverde de Hanteerder van de Knots ze allen met gemak. (24) Met zijn beide armen zo groot als palmbomen balde de kampioen der apen toen zijn vuisten en sloeg op de Zoon van Rohinî afstormend Hem ermee op Zijn borst. (25) De Grote Heer der Yadu's wierp daarop Zijn ploeg en knots terzijde en beukte met Zijn beide handen vertoornd op Dvivida's sleutelbeen zodat hij bloed opgevend ten val kwam. (26) Van de dreun die dat gaf stond de hele berg met al zijn hoogten en bomen te schudden, o tijger onder de Kuru's, als betrof het een boot die in het water door de wind wordt bewogen. (27) 'Jaya!', 'Alle eer!' en 'Uitstekend!' ten beste gevend lieten de verlichte zielen, de vervolmaakten en de grote wijzen die in de hemel zaten, een regen van bloemen neerkomen.

(28) Na een einde gemaakt te hebben aan Dvivida die er een puinzooi van maakte in de wereld, werd de Allerhoogste Heer bij binnenkomst van de stad door de mensen met lofzangen verheerlijkt.'  

Voetnoot:

* Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî, zijn de Mainda en Dvivida vermeld in dit vers gevolmachtigde expansies van deze Ramâyana godheden, die als ingezetenen van Heer Râmacandra's Vaikunthha domein ten val kwamen vanwege een overtreding met Lakshmâna. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî vergelijkt de val, door slecht gezelschap met Naraka, van Dvivida en Mainda - die hij ziet als eeuwig bevrijdde toegewijden - met die van Jaya en Vijaya.  

 

Hoofdstuk 68

Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede

(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, de dochter van Duryodhana genaamd Lakshmanâ werd door Sâmba ['met de moeder'], de zoon van Jâmbavatî die altijd zegevierde in de strijd, ontvoerd bij haar svayamvara. (2) De Kaurava's zeiden woedend: 'Wat een wangedrag is het van deze jongen om ons zo te beledigen met het gewelddadige, tegen haar wil ontvoeren van de maagd. (3) Neem hem die zo ongedisciplineerd is in hechtenis; wat kunnen de Vrishni's daar nu tegen uitrichten? Door onze genade genieten ze het land dat ze van ons kregen! (4) Als zij, erachter komend dat hun zoon ingerekend is, hier naartoe komen, zullen we de Vrishni's in hun trots breken en zullen ze de vrede vinden zoals de zinnen dat zullen als ze naar behoren onder controle worden gebracht.'

(5) Dit gezegd hebbende gingen Karna, S'ala, Bhûri, Yajñaketu [of Bhuris'ravâ] en Duryodhana, met de toestemming van de Kuru-oudste [Bhîshma], eropuitom met Sâmba de strijd aan te binden. (6) Meteen toen de grote strijder Sâmba de volgelingen van Dhritarâshthra op zich af zag komen, nam hij zijn schitterende boog ter hand en stond hij in zijn eentje zijn mannetje als was hij een leeuw. (7) Vastbesloten hem gevangen te nemen zeiden ze die door Karna werden aangevoerd vol van woede: 'Halt jij, blijf staan en vecht!', waarop de boogschutters, zich voor hem opstellend, hem bestookten met pijlen. (8) Hij, de zoon van de Yadu's, o beste der Kuru's, onrechtmatig [met zijn allen] aangevallen door de Kuru's, kon als een kind van de Ondoorgrondelijke [Krishna] dat net zo min toelaten als een leeuw het zou tolereren van lagere dieren. (9-10) Schietend met zijn wonderschone boog doorboorde de held helemaal in zijn eentje, in één vloeiende beweging een zestal krijgers van Karna met even zoveel pijlen voor hun strijdwagens: vier pijlen waren er voor ieder span van vier paarden en telkens één pijl voor zijn menner en zijn krijgsheer. Voor dat wapenfeit werd hem door de grote boogschutters alle lof toegezwaaid. (11) Met vier van hen die zijn paarden troffen, één voor zijn wagenmenner en één die zijn boog spleet, dreven ze hem uit zijn strijdwagen. (12) Toen ze eenmaal in de strijd de jonge jongen uit zijn wagen hadden, bonden de Kuru's hem vast en keerden ze, met hun meisje, zegevierend naar hun stad terug.

(13) Toen ze hierover vernamen van Nârada Muni o Koning, ontstaken ze [de Yadu's] in woede jegens de Kuru's [zie ook 10.49: 27] en bereidden ze zich er door Ugrasena toe aangezet op voor te gaan vechten. (14-15) Maar Râma, Hij die het Tijdperk van de Redetwist [Kali-yuga] zuivert, zag liever geen onderlinge strijd ontstaan tussen de Vrishni's en de Kuru's. Hij bewoog de Vrishni helden tot kalmte en ging met Zijn strijdwagen die straalde als de zon naar Hastinâpura. Omringd door de brahmanen en de ouderen van de familie zag Hij eruit als de maan met de zeven planeten [die toentertijd bekend waren, zie ook 5.22]. (16) Bij Hastinâpura aangekomen bleef Râma buiten de stad achter in een park en stuurde Hij Uddhava eropuitom uit te zoeken wat Dhritarâshthra voor had. (17) Na het betonen van zijn respect voor de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Bhîshma en Drona, Bâhlika en Duryodhana, stelde hij hen ervan op de hoogte dat Râma was aangekomen. (18) Zij, buitengewoon verheugd te horen dat Hij, Balarâma, hun Innigste Vriend was meegekomen, gingen toen allen, na hem het verschuldigde respect te hebben betoond, Hem tegemoet met zegenrijke offergaven in hun handen. (19) Naar Balarâma toegegaan presenteerden ze zoals dat hoorde koeien en water om Hem te verwelkomen en bogen zij die op de hoogte waren van Zijn macht hun hoofden diep. (20) Elkaar vragend of hun verwanten allemaal goed en gezond waren, sprak Râma daarop recht uit Zijn hart de woorden: (21) 'Als jullie kunnen instemmen met wat onze meester Ugrasena, de heerser der heersers van de aarde, van jullie vroeg, moeten jullie dat onverwijld naleven. [Hij zei:] (22) 'Het door jullie in strijd met de regels met z'n allen verslaan en knevelen van slechts één enkele man die zich wel aan de regels [der krijg] hield, kan ik, die onder verwanten de eenheid zoek, nog wèl verdragen ... [maar ik wens het niet dat dat zo blijft en verlang daarom van jullie dat Sâmba wordt vrijgelaten].'

(23) Toen ze Baladeva's woorden hoorden die passend voor Zijn macht geladen waren met Zijn vermogen, heldenmoed en kracht, gaven de Kaurava's kwaad geworden ten antwoord: (24) 'Zie nu eens hoe wonderlijk de onvermijdelijke gang van de Tijd is; nu wil dat wat een schoen is boven op het hoofd kruipen dat gesierd is met een kroon! (25) Deze Vrishni's delen met ons, via huwelijksbanden verbonden, onze bedden, zetels en maaltijden. We gingen met ze om op voet van gelijkheid en ze kregen van ons hun tronen. (26) Omdat wij een andere kant op keken konden zij de twee yakstaarten-waaiers, de schelphoorn, de witte parasol, de kroon, de troon en het koninklijk bed genieten [vergelijk: 10.60: 10-20]. (27) Het is wel welletjes met de eretekenen der goden onder de mensen toebedeeld aan de Yadu's. Die tekenen werken voor de gever [die wij zijn] zo nadelig als het geven van nectar aan een slang. De Yadu's, die bij onze genade wisten te gedijen, hebben nu de leiding nemend alle schaamte verloren. (28) Hoe zou zelfs ook maar Indra het wagen zich dat toeëigenen wat niet is verstrekt door Bhîshma, Drona, Arjuna of de andere Kuru's: het is als een schaap die de buit van een leeuw opeist!'

(29) De zoon van Vyâsa zei: 'Zij die in hun arrogantie over de geboorte, relaties en de volheden die hen groot gemaakt hadden, o beste onder de Bharata's, als lompe kerels met barse woorden dit aan Râma duidelijk maakten, verdwenen daarop de stad in. (30) Geplaatst voor het slechte karakter van de Kuru's en horend van hun onwelvoeglijke woorden zei de Onfeilbare Heer kwaad geworden, bij herhaling in de lach schietend en zonder Zich mooi voor te doen: (31) 'Met hun uiteenlopende hartstochten van een grote bek zijnd hebben deze onoprechte lieden duidelijk niet de vrede op het oog. Ze moeten blijkbaar middels een lijfstraf de les gelezen krijgen zoals dieren die met een stok moeten worden geslagen! (32-33) O, met hen de vrede zoekend kwam Ik naar hier, na met beleid de Yadu's die kookten van de woede alsook Krishna die boos was tot bedaren te hebben gebracht; en diezelfde lieden, verdwaasd van geest verslaafd aan gekissebis, wagen het vol van verbeelding, slecht als ze zijn in hun minachting voor Hem - voor Mij dus -, om zich te bedienen van barse bewoordingen!! (34) Ugrasena zou op geen enkele manier geschikt zijn leiding te geven aan de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, terwijl S'akra ['de machtige' ofwel Indra] en andere heersers zijn bevelen opvolgen?? (35) En Hij [Krishna], gezeten in Sudharmâ [de hemelse raadszaal], dankzij wie de hemelse pârijâta boom die uit het bereik der onsterfelijken naar beneden werd gebracht wordt genoten [zie 10.59: 38-39], die Zelfde Persoon zou niet eens in aanmerking komen voor een hoge zetel??? (36) Hij, de Heerser over het Volkomen Geheel, wiens twee voeten door de Godin van het Geluk zelf worden aanbeden; Hij, waarlijk de Heer van S'rî, zou dat wat hoort bij een mensenkoning niet eens verdienen?!?! (37) Hij van wie al de hooggeplaatste heersers van de wereld op hun helmen het stof van Zijn lotusvoeten houden; de plaats van aanbidding van al de heilige plaatsen van wie Brahmâ, S'iva en ook Ik naast de godin, als delen van een deel, eveneens voortdurend met zorg het stof dragen; waar zou Zijn koninklijke troon staan?????! (38) De Vrishni's genieten maar een klein stukje grond dat hen vergund werd door de Kuru's? En daamee zouden Wij zogenaamd de schoenen zijn, terwijl de Kuru's dan het hoofd zouden wezen?!!!? (39) Ah, die trotse gekken beneveld door hun heerschappij van schone schijn, welke man van gezag kan nu hun onsamenhangende, ellendige geleuter verdragen? (40) Vandaag nog zal Ik de aarde bevrijden van de Kaurava's!', en aldus in woede ontstoken Zijn ploeg ter hand nemend rees Hij op als wou Hij de drie werelden verzengen.

(41) Met de punt van Zijn ploeg trok Hij woedend de stad Hastinâpura naar Zich toe en sleurde haar mee met de bedoeling d'r in de Ganges te werpen. (42-43) Toen de Kaurava's zagen hoe de stad die in de Ganges dreigde te belanden meegesleept heen en weer schudde als een vlot, raakten ze in paniek en zochten ze, om in leven te blijven, met hun families hun heil bij de Meester. Met Lakshmanâ en Sâmba voorop geplaatst vouwden ze daarbij hun handen: (44) 'Râma, o Râma, o Grondvesting van Alles [Akhilâdhâra], wij de verdwaasden die slecht van begrip geen weet hebben van Uw Majesteit, moet U de overtreding maar vergeven. (45) Van het opwekken, het voortduren en het weer herenigen [van het universum] bent U alleen de unieke oorzaak; en de werelden zijn dienovereenkomstig, zo zegt men, het speelgoed waarmee U speelt, o Hemelse Heer. (46) U alleen, o Onbegrensde, draagt speels op Uw hoofd de aardbol, o Duizendkoppige [zie ook 5.25] en als de schepping eindigt bent U degene die neerligt om de Enkele en Unieke Ene te blijven die in Zijn eigen lichaam het universum weer heeft opgenomen [zie ook 6.16: 29-64]. (47) De woede van U bedoeld voor het onderricht van iedereen, o Bhagavân, Instandhouder van de Geaardheid Goedheid, is er niet uit hatelijkheid of afgunst maar is er voor het doel van de handhaving en bescherming van het levende wezen. (48) Alle eer aan U, o Ziel van Alle Wezens, o Belichamer van Alle Energieën [met de symbolen die u draagt], o Onuitputtelijke, Maker van het Universum; laat er het eerbetoon zijn voor U die wij zochten voor onze toevlucht.'

(49) S'rî S'uka zei: 'Heer Bala aldus gunstig gestemd door de overgegeven zielen die in hoge nood verkeerden vanwege het beven en schudden van hun woonplaats, verloste hen toen zeer kalm en genadig van hun angst met de woorden: 'Wees maar niet bang'. (50-51) Als bruidsschat voor zijn dochter deed Duryodhana als liefdevolle vader een schenking van twaalfhonderd zestig jaar oude olifanten en honderdentwintigduizend paarden, zestigduizend gouden wagens gloeiend als de zon en duizend dienstmaagden met juwelen halskettingen om. (52) De Allerhoogste Heer, de leider der Sâtvata's, aanvaardde die gift en vertrok, uitgewuifd door Zijn weldoeners, met Zijn zoon en schoondochter. (53) Nadat Hij in Zijn stad was teruggekeerd en Hij de verwanten had ontmoet die Hem, de Hanteerder van de Ploeg, in hun harten hadden gesloten, verhaalde Hij temidden van de vergadering van de Yaduleiders over alles wat zich had afgespeeld tussen Hem en de Kuru's. (54) En waarlijk, zelfs vandaag nog vertoont deze stad de tekenen van Râma's macht, zoals ze laag bij de Ganges gelegen naar het zuiden opvallend omhoogsteekt.'

 

Hoofdstuk 69

Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

(1-6) S'rî S'uka zei: 'Toen hij hoorde dat Heer Krishna Naraka ter dood had gebracht [zie 10.59] en dat Hij alleen was getrouwd met zo vele vrouwen, wilde Nârada dat wel eens zien met eigen ogen [en dacht hij]: 'Hoe wonderlijk is het dat Hij met één enkel lichaam met zovelen getrouwd is en dan tegelijkertijd in zestienduizend afzonderlijke woningen alleen is met de vrouwen.' Er benieuwd naar kwam de wijze der goden aldus naar Dvârakâ, de plaats bloemrijk met zijn parken en lusthoven die weerklonken van de groepjes vogels en zwermen bijen. Bloeiende blauwe lotussen [indîvara's], overdag bloeiende exemplaren [ambhoja's], witte eetbare lotussen [kahlâra's], bij maanlicht bloeiende lotussen [kumuda's] en waterlelies [utpala's] vulden de vijvers waar men de geluiden van de zwanen en kraanvogels hoorde. Er waren, versierd met kristalglas, zilver en grote smaragden, negenhonderdduizend paleiselijke woningen die weelderig waren ingericht met goud en juwelen. Ze waren netjes planmatig gebouwd met vele lanen, wegen, kruispunten en pleinen. Met ontmoetingsplaatsen en bekoorlijke tempels voor de goden, waren haar paden en hoven, winkelstraten en veranda's, allen besprenkeld met water terwijl de zon werd tegengehouden door de vaandels die aan de vlaggenmasten wapperden. (7-8) In de stad was er een luxueuze wijk die het brandpunt van de aandacht vormde voor de verschillende autoriteiten. Aldaar had Tvashthâ [de architect Vis'vakarmâ] voor de Heer [die daar woonde] ten volle zijn talenten tentoongespreid door de zestienduizend woningen van S'auri's echtgenotes zo mooi mogelijk te maken. Nârada ging een van de grote paleizen binnen. (9-12) Het gebouw steunde op zuilen van koraal die zeer fraai waren ingelegd met vaidûrya ['kattenoog' edelgesteente]. De muren waren bedekt met saffieren en de vloeren glansden overal. Het was opgetrokken met baldakijnen die door Tvashthâ waren gebouwd met parels die neerhingen van de randen en kende zitplaatsen en bedden gemaakt van ivoor die versierd waren met de fijnste juwelen. Er waren daar goed aangeklede, geornamenteerde dienstmaagden met hangers om hun nekken en goed geklede mannen met tulbanden en wapenrusting, juwelen en oorhangers. Vele met edelstenen ingelegde lampen verdreven met hun licht het duister en op de dakranden met reliëf, mijn beste, dansten de pauwen die luidkeels schreeuwden vanwege de wolken van aguru-rook die ze zagen die opkringelde uit het lattenwerk van de ramen. (13) Daarbinnen zag de wijze man de Heer van de Sâtvata's samen met Zijn vrouw die Hem koelte toewuifde met een yakstaarten-wuifkwast met een gouden handvat. Zij op haar beurt had op ieder moment de beschikking over een duizendtal dienstmeisjes die qua persoonlijke kwaliteiten, schoonheid, jeugd en keuze van kleding aan haar gelijk waren. (14) De Allerhoogste Heer, de allerbeste onder hen die het dharma ten dienst staan, stond zo gauw Hij hem zag meteen op van S'rî haar bank en liet hem toen, met een buiging en met samengebrachte handpalmen, plaatsnemen op Zijn eigen zitplaats. (15) Ondanks dat Hij de Allerhoogste goeroe van het levende wezen is, waste Hij zijn voeten en nam Hij dat water op Zijn hoofd; [het water waarmee] Hij als de meester aller heiligen met recht de naam draagt van 'de Begunstiger der Brahmanen' [Brâhmanya deva] omdat men het aan het heiligdom van Zijn voeten te danken heeft dat men een algehele zuivering vindt [zie ook de verhalen over de Ganges 5.17 & 9.9]. (16) Na zoals in de geschriften voorgeschreven van volle aanbidding te zijn geweest voor de devarishi ging de Grootste Wijze, de Oorspronkelijke Nârâyana, de vriend van Nara, een gesprek met hem aan in afgemeten woorden die zo zoet waren als nectar en vroeg: 'O Meester, wat mogen We betekenen voor de Fortuinlijke?'

(17) S'rî Nârada zei: 'Het wekt in het geheel geen verbazing dat U vriendschap toont voor de mensen, o Almachtige Heerser van Al de Werelden die de afgunstigen onderwerpt, daar U, alom geprezen, er bekend om staat uit eigen beweging te zijn nedergedaald voor het hoogste goed van de continuering en de bescherming van het Levende Wezen [*]. (18) Na het gezien hebben van Uw voetenpaar, die voor Uw toegewijden de weg der bevrijding vormen waarop Heer Brahmâ en de andere goden met hun onpeilbare intelligentie mediteren in het hart en die voor hen die gevallen zijn in de put van een materieel bestaan de toevlucht voor hun verlossing vormen, vraag ik om Uw zegen U te mogen herinneren zodat ik tijdens mijn reizen voortdurend aan U kan denken.'

(19) Vervolgens ging Nârada, mijn beste, een ander paleis van een vrouw van Krishna binnen, met het verlangen de mystieke macht der illusie [yogamâyâ] van de Meester Aller Yogameesters te leren kennen. (20-22) Er daar, voorwaar, zag hij Hem eveneens, met Uddhava een potje aan het dobbelen, van aanbidding zijnde met bovenzinnelijke toewijding en opstaand met de bedoeling hem te doen plaatsnemen enzovoorts, hem vragend, alsof Hij er geen weet van had, 'Wanneer is Uw goede zelf hier aangekomen? Hoe kunnen diegenen [de huishouders] die niet zo compleet zijn, zoals Wij, doen wat behoort te worden gedaan voor hen [de sannyâsî's] die compleet zijn? Hoe dan ook, alstublieft zeg Ons, o brahmaan, hoe in deze geboorte succesvol te zijn', maar Nârada, verbluft, stond op en ging zonder iets te zeggen naar een ander paleis. (23) En daar zag hij Govinda die Zijn kleine kindjes knuffelde. Toen, in een ander huis, zag hij Hem Zich voorbereidend op een bad. (24) Hier zag hij Hem offers brengen en daar zag hij Hem van aanbidding voor de vijf offervuren [zie mahâ-yajña's] met de gebruikelijke rituelen; dan weer voedde Hij de tweemaal geborenen en ergens anders at Hij van wat er over was van de offers. (25) Ergens van zonsondergang-aanbidding zijnd reciteerde Hij, Zijn spraak beheersend, de mantra [zie Gâyatrî en japa] en elders bewoog Hij zich rond met Zijn zwaard en schild in de oefengangen. (26) Hier weer bereed de Oudere broer van Gada, paarden, olifanten en wagens en daar weer lag Hij op Zijn sofa bezongen door barden. (27) Op deze plek hield Hij ruggespraak met Zijn adviseurs, Uddhava en anderen en op die plek vermaakte Hij Zich in het water omringd door dansmeisjes en andere vrouwen. (28) Ergens schonk Hij excellente, fraai opgesierde koeien weg aan de tweemaal geborenen en weer elders luisterde Hij naar de zegenrijke klassieke verhalen [de Purâna's] en historische epossen [de Itihâsa's]. (29) Lachend en grappen makend met Zijn geliefde in deze woning, beoefende Hij ergens anders de religie [dharma], de economie [artha] en de [kâma] fysieke lusten [ter regulatie, zie ook de purushârtha's]. (30) Op een plaats alleen neerzittend om te mediteren op de Oorspronkelijke Persoon Verheven Boven de Materiële Natuur, verrichtte Hij op een andere plaats klusjes voor de ouderen van aanbidding zijnd met dingen die ze op prijs stelden. (31) Plannen makend voor oorlog met bepaalde lieden hier en elders vrede sluitend, waren Kes'ava samen met Râma ergens anders het welzijn der vromen aan het behartigen. (32) [Hij zag Hem] groots opgezette huwelijken regelen van dochters en zoons op het juiste tijdstip overeenkomstig de vidhi met echtgenotes en echtgenoten die bij hen pasten. (33) [Hij zag hoe] met de mensen vol verwondering over het grote ceremonieel dat erbij hoorde de kinderen van de Meester der Yogameesters van huis werden weggezonden en weer terug werden gebracht. (34) Met uitvoerige offeranden in aanbidding van al de goden druk in de weer hier, was Hij daar overeenkomstig het dharma in publieke dienst voorzieningen aan het treffen als putten, parken en kloosters en dergelijke. (35) Voor een jachtpartij beklom Hij op deze plaats een paard afkomstig uit Sindhî terwijl Hij op een andere plaats, omringd door de meest ondernemende Yadu's, de dieren doodde die bestemd waren voor de offers [zie **]. (36) Ergens anders bewoog de Yogameester Zich in vermomming rond in de woningen van Zijn ministers, omdat Hij er achter wilde komen wat ieders mentaliteit was. (37) Daarop zei Nârada tot Hrishîkes'a, zijn lachen bedwingend over wat zich zo allemaal had ontvouwd van Zijn yogamâyâ van het aannemen van de menselijke rol: (38) 'Naar wat we zagen gebeuren met de dienst aan Uw voeten hebben we [nu] weet van Uw mystieke vermogens, vermogens die zelfs voor de grote mystici moeilijk voorstelbaar zijn, o Heer van de Yoga, o Allerhoogste Ziel. (39) Sta het me toe U in nederigheid te volgen, o Godheid, ik zal rondtrekken langs Uw plaatsen die doordrongen zijn van Uw faam en luidkeels Uw tijdverdrijf bezingen dat al de werelden zuivert.'

(40) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, Ik ben er de spreker van, Ik ben er de uitvoerder van en Ik ben degene die de sancties stelt terwijl Ik het de wereld bijbreng; weest niet verstoord als je in deze geest verkeert, o zoon.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus zag hij [zoals niemand anders dat kon zien ***] Hem aanwezig in één gedaante in al de woningen waar Hij de zuiverende spirituele plichten in de praktijk bracht die er voor de huishouders zijn. (42) Na getuige te zijn geweest van Krishna's onbegrensde kunnen in de uitgebreide, meervoudige manifestatie van Zijn yogamâyâ, stond de ziener vol van verwondering verbaasd te kijken. (43) Met de artha, de kâma en het dharma [van het huishoudelijk bestaan, zie ook 7.14] aldus door Heer Krishna's trouwe hart grondig eer aangedaan, ging hij waarlijk verheugd heen met Hem steeds in gedachten. (44) Met het aldus volgen van het pad der menselijke wezens genoot Nârâyana, die voor ieders welzijn Zijn vermogens tentoongespreid had, mijn beste, in Zijn voldoening over de verlegen toegenegen blikken en het lachen van zestienduizend van de fijnste gemalinnen. (45) Wie dan ook, mijn beste, die ook maar zingt, luistert of waardering opbrengt [leest over] de zinnelijke activiteiten die, onnavolgbaar in deze wereld, aan de dag worden gelegd door Hem die de oorzaak is van de voleinding, de opwekking en de voortgaande zaak van het universum, zal toewijding ontwikkelen voor de Allerhoogste Heer, hetgeen waarlijk het pad der bevrijding is.'

 

Voetnoten:  *De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals aangegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî, zijn alle levende wezens in feite dienaren van de Heer. De âcârya haalt ter verduidelijking er het volgende vers uit de Padma Purâna bij aan:

a-kârenocyate vishnuh
s'rîr u-kârena kathyate
ma-kâras tu tayor dâsah
pañca-vims'ah prakîrtitah

"[In de mantra AUM] betekent de letter a Heer Vishnu, de letter u betekent de godin S'rî, en de letter m heeft betrekking op hun dienaar, die het vijfentwintigste element is." Het vijfentwintigste element is de jîva, het levende wezen. Ieder levend wezen is een dienaar van de Heer, en de Heer is de ware vriend van ieder levend wezen. Zelfs dus als de Heer afgunstigen als Jarâsandha de les leest, leidt die afstraffing tot ware vriendschap, aangezien zowel de Heer Zijn bestraffing als Zijn Zegen er zijn voor het heil van het levend wezen.'

** Hoewel deze activiteit door de vidhi-regel van dayâ verboden is voor de gewone man en de brahmanen, teneinde fundamenteel van mededogen te zijn met alle levende wezens, is het in bepaalde gevallen toegestaan in de vedische orde dieren te doden. S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: "Overeenkomstig de vedische voorschriften, is het de kshatriya's toegestaan bij bepaalde gelegenheden dieren te doden, dan wel om de vrede in de bossen te handhaven dan wel om dieren te offeren in het offervuur. Kshatriya's wordt het toegestaan de kunst van het doden te beoefenen omdat ze genadeloos vijanden moeten kunnen doden om de vrede in de samenleving te handhaven." [zie ook b.v. 4: 26, 7: 15, 10.1: 4 en 10.56: 13, en 10.58: 13-16].

***: De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals gesteld in tekst 2 van dit hoofdstuk, werden al de handelingen in de vele paleizen van de Heer uitgevoerd door de Heer Zijn enkele geestelijke gedaante (ekena vapushâ), welke zich op vele plaatsen tegelijk manifesteerde. Dit visioen werd Nârada vergund vanwege zijn verlangen het te aanschouwen en de Heer Zijn verlangen het hem te tonen. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî duidt uit dat de andere ingezetenen van Dvârakâ Krishna alleen maar konden zien in dat deel van de stad waar ze zelf zaten, en niet ergens anders, zelfs al gingen ze soms naar een andere wijk voor zaken. Aldus gunde de Heer Zijn geliefde toegewijde Nârada Muni een bijzondere kijk op Zijn spel en vermaak.'

 

Hoofdstuk 70

Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, met het aanbreken van de dag, werden de kraaiende hanen verwenst door de vrouwen van de Lieve Heer die, bij hun hoofden vastgehouden door hun echtgenoten [de Ene Yogamâyâ Heer in Velen], verstoord waren over [de onvermijdelijke] scheiding. (2) Vogels ontwakend uit hun slaap door de bries van de parijâta-bomen met hun bijen, wekten Krishna met hun luidruchtig zingen als waren ze de dichters aan het hof. (3) Maar Vaidarbhî [Rukminî] hield niet van die zo gunstige tijd van de dag omdat die haar de armen van Krishna om haar heen zou ontzeggen. (4-5) Opstaand tijdens de brahma-muhûrta [het uur voor zonsopgang] beroerde Mâdhava water en maakte Hij Zijn geest vrij om te mediteren op het ongeëvenaarde, enige, zelfverlichtende Zelf voorbij alle traagheid der materie. Dat Ware Zelf verdrijft, onfeilbaar als het is, overeenkomstig zijn [Zijn] eigen aard onophoudelijk de onzuiverheid en geeft aanleiding tot de vreugde van het bestaan. Men kent het als het Brahman dat met zijn [Zijn] energieën de oorzaak vormt van schepping en vernietiging in dit universum [zie ook 3.29: 31 & 36-37, B.G. 7: 5 & 6 en *]. (6) Nadat Hij overeenkomstig de vidhi een bad had genomen in zuiver water, volbracht Hij, de Meest Waarachtige, na Zich eerst in boven- en onderkleding te hebben gestoken, de gehele routine van het eerbetoon bij het ochtendgloren en chantte Hij, nadat Hij uitgietingen had gedaan in het vuur, rustig Zijn spraak beheersend de vedische mantra [de Gâyatrî, zie ook **]. (7-9) Consequent naar Zijn eigen aard stemde Hij met eerbetoon voor de opkomende zon Zijn eigen expansies gunstig: met het verschuldigde respect voor de goden, de wijzen en de voorvaderen, alsmede voor de senioren en de geleerden, schonk Hij dag na dag vele, vele gehoorzame koeien weg met goud op hun horens, zilver voorop hun hoeven en paarlen halssnoeren om, die rijk aan melk waren en maar één kalf ter wereld hadden gebracht. Zij, fraai opgetuigd werden aan de geschoolden aangeboden samen met linnen, hertenvellen, sesamzaad en sieraden [zie ook ***]. (10) Met het tonen van respect voor de koeien, de mannen van scholing, de goddelijken, de ouderen, de geestelijk leraren en alle levende wezens die enkel maar expansies van Hemzelf waren, beroerde Hij [darshan verlenend, alle personen en] goedgunstige dingen. (11) Hij, het sierraad van de samenleving Zelve, kleedde Zich aan met de kleren, de goddelijke bloemenslingers, de kleuren en de juwelen die bij Hem pasten. (12) Met het zowel zorgdragen voor de ghee [gebruikt in de offers] als voor de spiegel bekommerde Hij zich om de koeien, de stieren, de tweemaal geborenen, de goden en de voorwerpen van begeerte, met het voorzien in giften naar de voldoening van alle maatschappelijke groeperingen die in de stad en het paleis leefden en begroette Hij Zijn ministers ten volle al hun noden lenigend. (13) Allereerst bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta verdelend onder de geschoolden, [en dan] onder Zijn vrienden, Zijn ministers en Zijn vrouwen, was Hij gewoon vervolgens Zelf Zijn deel te nemen. (14) Zijn menner, die tegen die tijd Zijn allerprachtigste strijdwagen had gebracht met ingespannen de paarden Sugrîva enzovoorts [zie 10.53: 5], stond gebogen klaar voor Hem. (15) De wagenmenner zijn handen beethoudend klom Hij toen vergezeld door Sâtyaki en Uddhava naar binnen als was Hij de zon opkomend boven de heuvels in het oosten. (16) Met moeite Zich losmakend van de vrouwen in het paleis die Hem aankeken met verlegen en liefdevolle blikken, vertrok Hij, een glimlach prijsgevend die hun geesten vervoerde. (17) Opgewacht door al de Vrishni's betrad hij de zaal bekend als Sudharmâ [zie ook 10.50: 54] die voor hen die er binnengingen de zes golven afweert, mijn beste [zie shath-ûrmi]. (18) De Almachtige, de Beste van de Yadu's, aldaar hoog op Zijn troon gezeten temidden van de Yadu's, de leeuwen onder de mannen, verlichtte alle richtingen met Zijn gloed die straalde als de maan aan de hemel omringd door de sterren. (19) Daar waren de hofnarren, o Koning, die de Almachtige met verschillende vormen van amusement van dienst waren, zoals ook op hun beurt de beroepsentertainers [zoals de goochelaars] en de vrouwen die energiek dansten dat deden. (20) Zij dansten op de geluiden van vînâ's, mridanga's en muraja-trommels, fluiten, cymbalen en schelphoorns, terwijl de hofzangers, verhalenvertellers en lofprijzers zongen en de loftrompet staken. (21) Daar reciteerden brahmanen neergezeten doorlopend vedische mantra's terwijl anderen verhalen vertelden over koningen uit het verleden die beroemd waren om hun vroomheid.

(22) Op een dag werd de aankomst gemeld van een persoon, o Koning, die via de wachters bij de deur toegang verkreeg tot de Fortuinlijke, maar daar nog nooit eerder gezien was. (23) Na zijn eerbetoon met samengebrachte handpalmen voor Krishna, de Allerhoogste Heerlijkheid, legde hij Hem het lijden voor van de koningen die gevangen gehouden werden door Jarâsandha. (24) Gedurende een campagne van hem in alle windrichtingen waren al die koningen die hem niet in volmaakte onderwerping van dienst waren - zo'n twintigduizend van hen - met geweld vastgezet in de vesting Girivraja. (25) De koningen brachten over: 'Krishna, o Krishna, o onmetelijke Ziel, o U die de angst wegneemt van de overgegevenen; zo uiteenlopend van mentaliteit als we zijn, komen we, het moeilijk hebbend in ons materiële bestaan, naar U voor onze toevlucht! (26) De hele wereld neigend tot het verkeerde handelen is verbijsterd over de plichten alhier die ten gunste werken in de aanbidding van U naar Uw woord die, in zoverre men het eigene daarin doet, de macht van het bestaan vormt door van dienst te zijn met langlevendheid en hoop; mogen er de eerbetuigingen zijn voor Hem, de Altijd Waakzame ['die niet aflaat met de Tijd'] die plotseling weer een einde maakt aan dit alles [ten tijde van het stervensuur]. (27) U, de heersende autoriteit van dit universum, bent nedergedaald met Uw expansie [Balarâma] om hen die zich heiligden te beschermen en de slechten te onderwerpen; we begrijpen niet, o Heer, hoe iemand anders die in overtreding verkeert met Uw wet [zoals Jarâsandha] of anders op gezag van zijn eigen creativiteit [zoals wij] ooit zoiets zou kunnen bereiken. (28) Het voorwaardelijke geluk van koningen, o Heer, is als een droom, omdat ze altijd vervuld van angst zijn met de last van dit sterfelijke lichaam; met het afwijzen van dat geluk van de ziel dat wordt verworven door onzelfzuchtige dienstverlening aan U, hebben wij, met Uw verstandsverbijsterende werkelijkheid van mâyâ alhier, te lijden onder de grootste ellende. (29) Derhalve, o Goedheid wiens voetenpaar het leed verdrijven, verlos alstUblieft ons, de overgegevenen, die in de boeien van het karma werden geslagen door hem die de naam van Maghada voert en die, gelijk de koning der dieren met de schapen, in zijn eentje het gezag uitoefenend van een tienduizendtal kwaaie olifanten ons in zijn woonstede gevangen heeft gezet. (30) Achttien maal Uw cakra geheven en hem verpletterd hebbend versloeg hij één enkele keer in de slag U, die vol van vertrouwen in Uw onbegrensde macht in beslag werd genomen door menselijke aangelegenheden [zie 10.50: 41 & 10.52: 7]; en nu, vol van trots, kwelt hij ons, Uw onderdanen, o Onoverwinnelijke; alstUblieft zet dat recht!' (31) De boodschapper zei: 'Aldus smachten degenen die gevangen gehouden worden door Jarâsandha, in hun overgave aan de basis van Uw voeten, ernaar de aanblik van U te mogen genieten; alstUblieft laat deze arme zielen delen in Uw welvaart!'

(32) S'rî S'uka zei: 'Toen de boodschapper van de koningen zich aldus had uitgedrukt, verscheen de allerhoogste rishi [Nârada] ten tonele die met zijn geelgekleurde, samengeklitte lokken een gloed had gelijk die van de zon. (33) Hem ziend bracht de Allerhoogste Heer Krishna, de Allerhoogste Heerser van de heersers aller werelden, met Zijn hoofd Zijn eerbetuigingen, waarbij Hij verheugd samen met Zijn volgelingen en de leden van de vergadering opstond. (34) Na met zijn aanvaarden van een zitplaats met hem van eerbetoon te zijn geweest overeenkomstig de regels, sprak Hij met waarachtige, aangename woorden van respect naar de tevredenheid van de wijze: (35) 'Het is een feit dat vandaag de drie werelden volledig zijn bevrijd van alle angst, want dat is nu de kwaliteit van de grote en fortuinlijke [die u bent] rondreizend door de werelden. (36) Met de drie werelden zoals die zijn opgezet door hun Beheerser, is er waarlijk niets dat u niet bekend is en laat ons om die reden dan van u vernemen wat de plannen van de Pândava's zijn.'

(37) S'rî Nârada zei: 'Ik was getuige van de vele vormen van Uw ondoorgrondelijke mâyâ, o Almachtige, o U die [zelfs] de Schepper van het Universum begoochelt [zie 10.14]; bij mij wekt het geen verbazing, o Allesomvattende Ene, dat U door Uw eigen energieën verhuld zich beweegt onder de geschapen wezens als een vuur waarvan het licht afgedekt is. (38) Wie is er toe in staat zich een juist begrip te vormen van Uw bedoeling, van U die met Uw materiële energie alles tot stand brengt en dit universum ook weer opheft dat zich [voor de levende wezens] manifesteert om in relatie te kunnen staan tot U; alle eer aan U die ondoorgrondelijk van aard bent. (39) Hij die voor de individuele ziel in samsâra, die geen bevrijding weet uit de problemen die het materiële lichaam met zich meebrengt, met Zijn avatâra's voor Zijn spel en vermaak Zijn eigen toorts van roem ontsteekt; U, die Heer, benader ik voor mijn toevlucht. (40) Niettemin zal ik U, o Hoogste Waarheid die de Menselijke Gang van Zaken Imiteert, vertellen wat Uw toegewijde de koning [Yudhishthhira], de zoon van Uw vaders zuster, zich heeft voorgenomen. (41) De koning, de zoon van Pându, de toppositie verlangend wil te Uwentwille de grootste offerplechtigheid houden die bekend staat als Râjasûya, alstUblieft geef dat Uw zegen. (42) O Heer naar die beste van alle offerplechtigheden zullen alle verlichte en aanverwante zielen alsook de koningen van zege en glorie afkomen, met het verlangen U daar te aanschouwen. (43) Als van het luisteren naar, bezingen van en mediteren op U, het Volle van het Absolute, zelfs degenen aan de onderkant van de samenleving zuivering vinden, wat valt er dan niet te verwachten voor hen die U zien en U aanraken? (44) De onberispelijke faam van U die zich verspreid [als een overkapping] in alle richtingen wordt verkondigd in de hemel, in de lagere regionen en op aarde, o Brenger van Al het Geluk voor Al de Werelden. In de vorm van het water dat van Uw voeten spoelt en zo het hele universum zuivert wordt die genade de Mandâkinî genoemd in het goddelijke bereik, de Bhogavatî in de lagere leefwerelden en de Ganges hier op aarde.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn eigen aanhangers [de Yâdu's] er niet mee instemden omdat ze de overwinning [op Jarâsandha] verlangden sprak Kes'ava glimlachend tot Zijn dienaar Uddhava met een bekoorlijke woordkeuze. (46) De Fortuinlijke zei: 'Jij inderdaad als Onze oogappel en welgezinde vriend weet om die reden volmaakt welke uitdrukking van nut zou zijn in dit opzicht, zeg alsjeblieft wat er moet worden gedaan, We stellen volkomen vertrouwen in je en zullen dat ten uitvoer brengen.'

(47) Aldus ertoe verzocht door zijn Behouder die deed alsof Hij, de Alwetende, het niet meer wist, gaf Uddhava, die nederig de opdracht op zijn hoofd aanvaarde, een antwoord.' 

Voetnoten

* Wat betreft de aangelegenheid van het brahman in relatie tot de persoon van Krishna voegt de paramparâ toe: 'Iemand die de gunst geniet van de Heer Zijn inwendige vermogen kan de aard doorgronden van de Absolute Waarheid [of het brahman]; dit begrip wordt het Krishna bewustzijn genoemd'.

** Volgens S'rîdhara Svâmî zou Heer Krishna met het in dezen voor zonsopgang eerst brengen van offers en het dan pas doen van de mantra navolgen in de erfopvolging van Kanva Muni [vermeld in 9.20].

*** Met de bevestiging in het M.W. woordenboek van de term badva hier gebruikt in de zin van 'een groot aantal' haalt S'rîdhara Svâmî verschillende vedische geschriften aan om aan te tonen dat in de context van het vedisch ritueel, een badva hier betrekking heeft op 13.084  koeien en geeft hij er verder bewijs van dat het de gebruikelijke praktijk van grote geheiligde koningen in voorgaande tijdperken was om 107 van zulke badva, of groepen van 13.084  koeien weg te schenken. Aldus kan het totaal aantal koeien weggegeven in dit offer, bekend als Mañcâra, hebben opgelopen tot 14 lakhs, ofwel 1.400.000.

 

Hoofdstuk 71

De Heer Reist op Aanraden van Uddhava naar Indraprastha

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij aldus vernam van de woorden uitgesproken door de devarishi, sprak de begaafde Uddhava met begrip voor het standpunt ingenomen door de koninklijke vergadering en Krishna. (2) S'rî Uddhava zei: 'O Heer, U zou moeten doen wat de rishi zegt, en hem, de zoon van Uw vader, bijstaan die van zins is een offerplechtigheid te houden, en ook zou U hen [de koningen] bescherming moeten bieden die hun toevlucht zo (3) Aangezien het Râjasûya-offer behoort te worden gebracht door degene die in alle windstreken de overhand heeft gekregen, o Almachtige, zal U, naar mijn mening, met het overwinnen van de zoon van Jarâ beide doeleinden dienen. (4) Hieruit zal een groot voordeel voor ons en voor U ressorteren, o Govinda, en U zal de gevangen koningen bevrijden; zo tewerkgaand zal het Uw glorie zijn. (5) Hij [Jarâsandha] is een koning die zo sterk is als duizend olifanten en kan niet worden verslagen door andere mannen aan de macht, behalve dan door Bhîma die net zo sterk is. (6) Alleen in een wagen-tot-wagen gevecht kan hij worden verslagen, niet als hij met honderd akshauhinî's bij elkaar is; ook zal hij, met zijn toewijding voor het brahmaanse, nimmer weigeren wat de geschoolden van hem vragen. (7) Aangekleed als een brahmaan moet Bhîma bij hem langs gaan en bedelen om liefdadigheid en hem dan zonder aarzeling in een man-tot-man gevecht doden waar U bij bent. (8) Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn van U, de Beheerser van het Universum, van Uw vormeloosheid van de Tijd, enkel maar het instrument in de schepping en vernietiging. (9) In hun huizen zingen de godsbewuste vrouwen van de [gevangengenomen] koningen over Uw onberispelijke daden. Ze zingen erover dat U hun vijand zal doden en hun echtgenoten zal bevrijden; net zoals de gopî's dat doen [als ze U missen, zie 10.31] en de heer der olifanten [Gajendra vastgegrepen, zie 8.3], net zoals de dochter van Janaka het deed [Râmacandra's Sîtâ, zie 9.10] en Uw ouders [in Kamsa's gevangenis, zie 10.3], net zoals de wijzen als ze van Uw beschutting hebben verworven [zie b.v. 9.5] en ook wij U bezingen. (10) Het doden van Jarâsandha, o Krishna, zal ons zeker een immens voordeel opleveren, namelijk de uitnemendheid [der koningen] die er dan zal zijn èn het offer waar U zo prijs op stelt.'

(11) S'rî S'uka zei: 'De woorden waar Uddhava aldus uitdrukking aan gaf, in ieder opzicht goedgunstig en feilloos o Koning, werden in reactie door de devarishi, de Yadu-ouderen en door Krishna eveneens geprezen. (12) De Almachtige Allerhoogste, de zoon van Devakî, nam van de mensen die Hij respect verschuldigd was [met achting voor de menselijke gang van zaken] afscheid en droeg toen Zijn dienaren Dâruka, Jaitra en anderen op om voorbereidingen te treffen om te vertrekken. (13) Zijn vrouwen en zoons wegsturend voor de bagage en afscheid nemend van Sankarshana [Balarâma] en de Yadu-koning [Ugrasena], o doder van de vijanden, klom Hij in Zijn wagen gebracht door Zijn menner, waarop de vlag van Garuda wapperde. (14) Toen, omringd door Zijn aanvoerders en stoere wacht, wagens, olifanten, infanterie, en cavalerie - Zijn persoonlijke leger - trok Hij eropuitmet van alle kanten het weerklinken van de geluiden van mridanga's, bherî hoorns, gomukha hoorns, pauken en schelphoorns. (15) In gouden draagstoelen gedragen door mannen kwamen daaropvolgend in mooie kleren, met sieraden, met geparfumeerde olie en met bloemenslingers, Acyuta's vrouwen samen met hun kinderen goed bewaakt door soldaten met schilden en zwaarden in hun handen. (16) De fraai opgesmukte dames van de huishouding en de courtisanes kwamen mee samen met menselijke dragers, kamelen, stieren, buffels, ezels, muildieren, ossenwagens, en wijfjesolifanten beladen met grashutten, dekens, kleding en meer van dat soort zaken. (17) Het enorme leger kwam met een keur aan vlaggenstokken, banieren, parasols, yak-staartenwaaiers, wapens, juwelen, helmen en wapenuitrustingen voor de dag waarmee ze in de stralen van de zon schitterden en glansden; het leek met het gedruis van zijn geluiden op een woelige oceaan met timingila's en golven. (18) Nadat hij van Zijn plan had vernomen en het had goedgekeurd, verboog de muni [Nârada], zich voor Hem, geëerd als hij was door de Heer van de Yadu's en ging hij, gelukkig met de ontmoeting die hij had gehad met Mukunda, met Hem in zijn hart geplaatst, weg door de lucht. (19) De boodschapper van de koningen werd door de Allerhoogste Heer, om hem te behagen met Zijn woord, aangesproken met: 'Vreest niet, o gezant, alle geluk aan u [en de uwen]. Ik zal zorg dragen voor het ter dood brengen van de koning van Mâgadha.'

(20) Aldus toegesproken vertrok de boodschapper die de koningen toen tot in detail op de hoogte stelde. Uitziend naar hun bevrijding wachtten ze toen het moment af dat ze S'auri zouden ontmoeten. (21) Reizend door Ânarta [het gebied van Dvârakâ], Sauvîra [oostelijk Gujarat], Marudes'a [de woestijn van Rajasthan] en Vinas'ana [het Kurukshetra district], kwam de Heer door heuvels, rivieren, steden, dorpen, graslanden en delfplaatsen. (22) Mukunda eerst de rivier de Drishadvatî overstekend stak toen de Sarasvatî over, trok toen door de provincies Pañcâla en Matsya en bereikte tenslotte Indraprastha. (23) Horend dat Hij, die zich zo zelden vertoont onder de mensen, was aangekomen, kwam hij wiens vijand nog niet ter wereld was gekomen [koning Yudhishthhira] naar buiten [de stad uit], omringd door zijn priesters en verwanten [om Hem te verwelkomen]. (24) Met een vloed aan geluiden van gezangen en instrumentale muziek en met het weerklinken van hymnen stapte hij op Hrishîkes'a af met een eerbied zo groot als die van de zinnen ingesteld op het leven. (25) Toen hij Heer Krishna na zo een lange tijd weer zag smolt het hart van de Pândava van de liefde voor Hem waarop hij Hem toen, zijn innigste vriend, herhaaldelijk omhelsde. (26) De heerser der mensen die het lichaam van Mukunda in zijn armen sloot, het stralende verblijf van Ramâ, zag al zijn ongeluk vernietigd en bereikte de hoogste verrukking, waarbij hij in zijn vreugde met tranen in zijn ogen de illusoire aangelegenheid vergat van het belichaamd zijn in de materiële wereld. (27) Bhîma die vervuld van vreugde Hem, zijn neef van moeders zijde, omhelsde lachte het uit van de liefde met ogen overstromend van de tranen en ook van de tweeling [Nakula en Sahadeva] en van Kirîtî ['hij met de helm' ofwel Arjuna] vloeiden rijkelijk de tranen toen ze met vreugde Acyuta, hun innigste vriend, omhelsden. (28) Na omarmd te zijn door Arjuna en van de tweeling hun eerbetuigingen te hebben ontvangen boog Hij, zoals de etiquette het voorschreef, voor de brahmanen, de ouderen en de achtenswaardige Kuru's, Sriñjaya's en Kaikaya's. (29) De barden, de geschiedschrijvers, de hemelse zangers, de lofsprekers en de grappenmakers, gebruikmakend van mridanga's, schelpen, pauken, vînâ's, trommeltjes en gomukha hoorns, zongen, dansten en verheerlijkten met lofzangen allen Hem met de Lotusogen zoals ook de brahmanen dat deden. (30) De Allerhoogste Heer, het Kroonjuweel van de Vermaarden der Vroomheid, ging aldus verheerlijkt door Zijn weldoeners om Hem heen, de versierde stad binnen. (31-32) In de stad van de koning der Kuru's zag Hij de straten besprenkeld met water geurig van de mada [het bronstvocht] van olifanten, kleurige vlaggen, doorgangen versierd met gouden potten vol met water en jonge mannen en vrouwen allen in nieuwe kleren met sieraden, bloemenslingers en sandelhout op hun lichamen. In ieder huis waren lampen aangestoken en offergaven als eerbetoon uitgestald waarbij de rook van wierook door het lattenwerk voor de ramen kringelde en wimpels wapperden vanaf de daken die waren opgesierd met gouden koepels met een brede zilveren onderbouw. (33) Horend van de aankomst van het Reservoir voor de Ogen van de Mens om uit te Drinken, gingen de jonge vrouwen, om dat met eigen ogen te aanschouwen, de hoofdstraat van de koning op, waarbij ze zonder meer hun huishoudingen of echtgenoten in bed achterlieten en daarbij in hun gretigheid de knopen nog in hun haar hadden en hun kleding was losgeschoten. (34) Aldaar temidden van de drukte van olifanten, paarden, wagens en soldaten te voet, kregen ze Krishna in het oog met Zijn vrouwen, en terwijl ze Hem in hun harten omhelsden strooiden de vrouwen die [vanwege de drukte] op de daken waren geklommen bloemen over Hem uit met brede glimlachen bij hun blikken waarmee ze Hem een hartelijk welkom bereidden. (35) Toen ze Mukunda's vrouwen op straat zagen als sterren rondom de maan, riepen de dames uit: 'Wat hebben zij gedaan dat het Diadeem der Mannen hun ogen, met het kleine aandeel van Zijn speelse glimlachen en blikken, de eer van het [hele] feest vergunt?' (36) Op verschillende plaatsen benaderden de burgers Hem met zegenrijke gaven in hun handen en waren de meesters der gilden, die hun zonden hadden uitgebannen, vol van aanbidding voor Krishna. (37) Met het betreden van het paleis van de koning naderden hals over kop de leden van de koninklijke huishouding om vol van liefde met stralende ogen Mukunda te begroeten. (38) Toen Prithâ [koningin Kuntî] de Zoon van haar broer zag, Krishna, de Heerser van de drie Werelden, kwam ze samen met haar schoondochter [Draupadî] overeind van haar bank met een hart vol van liefde om Hem te omhelzen. (39) De koning die Govinda, de Allerhoogste God der Goden, naar Zijn vertrekken bracht kon, overweldigd door zijn grote vreugde, zich niet meer goed herinneren wat hij allemaal moest doen voor een eerbiedig vertoon van de aanbidding. (40) Krishna gaf een vertoning van eerbetuigingen ten beste voor de zuster van Zijn vader en de oudere vrouwen, o Koning, en zo ook verbogen zich voor Hem Zijn zuster [Subhadrâ] en Krishnâ [Draupadî]. (41-42) Ertoe aangezet door haar schoonmoeder [Kuntî] bewees Krishnâ met kleding, bloemenslingers, juwelen enzovoorts, al Krishna's vrouwen de eer: Rukminî, Satyabhâmâ, Bhadrâ, Jâmbavatî, Kâlindî, Mitravindâ de nakomelinge van S'ibi, de kuise Nâgnajitî alsook de anderen die waren gekomen. (43) De koning van het dharma [Yudhishthhira] die het Janârdana met Zijn leger, Zijn dienaren en ministers en Zijn vrouwen naar de zin maakte, zag erop toe dat het hen op ieder moment aan niets zou mankeren. (44-45) Hij verbleef er enkele maanden overeenkomstig Zijn wens de koning te behagen en ging, sportief met Arjuna en omringd door lijfwachten, uit rijden met Zijn wagen. Hij, vergezeld door Arjuna, stelde de vuurgod tevreden door hem het Khândava woud te bieden. Maya [een demon] die Hij toen redde, bouwde daarop voor de koning een hemelse vergaderzaal [in Hastinâpura].'    

 

Hoofdstuk 72  

Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Eens aan zijn hof zittend temidden van de wijzen, de edelen, de populaire persoonlijkheden, de zakenlieden en zijn broers, nam Yudhishthhira het woord, en zei hij met al de âcârya's, de familie, de ouderen, zijn bloedverwanten, aangetrouwden en vrienden om zich heen luisterend, het volgende: (3) S'rî Yudhishthhira zei: 'O Govinda, ik zou graag de veelvoudige glorie van U met de zuiverende koning van alle vuuroffers genaamd Râjasûya eren; alstUblieft o Meester sta het ons toe dat ten uitvoer te brengen. (4) Zij die constant in volledige dienstbaarheid mediteren op en van verheerlijking zijn voor Uw slippers, welke de vernietiging afroepen over alles wat ongunstig is, worden gezuiverd; zij, en niet andere personen, o U wiens Navel als een Lotus is, slagen erin aan een materieel bestaan een einde te maken of krijgen, als ze verlangens koesteren, de dingen die ze zich wensen. (5) Derhalve, o God der Goden, toon de bevolking de macht in deze wereld van de dienst aan de lotusvoeten; alstUblieft toon, o Almachtige, de status van die Kuru's en Sriñjaya's die U aldus aanbidden, in verhouding tot de status van diegenen die niet van aanbidding zijn. (6) In Uw geest van Absolute Waarheid kan er geen verschil bestaan tussen wat het Uwe is en van wat van anderen is, daar U de Ziel van Alle Wezens bent die, een ieder gelijkgezind, binnenin Uzelf het geluk ervaart. Hen die U naar behoren van dienst zijn gunt U als de wensboom de verlangde resultaten naar gelang de geleverde dienst, en hierin [in Uw beantwoorden aan verlangens] schuilt geen tegenspraak.'

(7) De Allerhoogste Heer zei: 'Er mankeert niets aan uw voornemen o Koning, hiermee zal de hele wereld getuige zijn van uw zegenrijke roem, o kweller van de vijand! (8) Voor de wijzen, de voorvaderen, de goden en ook de vrienden, o meester van Ons, alsook voor alle levende wezens is deze koning aller offers [wat de letterlijke betekenis is van Râjasûja] wenselijk. (9) Met het onder controle brengen van de aarde, door al de koningen te overwinnen en al de benodigdheden in te zamelen, moet u [vervolgens] de grote offerplechtigheid uitvoeren. (10) Deze broers van u o Koning, werden geboren als individuele delen van de halfgoden die over de werelden heersen [zie stamboom], en Ik, die niet te overwinnen ben voor hen die zichzelf niet in de hand hebben, geef Me gewonnen voor u die wel van zelfbeheersing bent. (11) Geen persoon, zelfs niet een halfgod - om nog maar te zwijgen van een aardse heerser -, kan door zijn kracht, schoonheid, roem of macht in deze wereld iemand eronder krijgen die Mij is toegewijd.'

(12) S'rî S'uka zei: 'Met een gezicht bloeiend als een lotus, blij het lied [de Gîtâ] van de Allerhoogste Heer te horen, betrok hij, gesterkt door het vermogen van Vishnu, zijn broers bij het veroveren van alle windrichtingen. (13) Sahadeva met de Sriñjaya's stuurde hij naar het zuiden, Nakula met de Matsya's in westelijke richting, Arjuna met de Kekaya's naar het noorden en Bhîma met de Madraka's naar het oosten. (14) Zij, de helden, die bij de genade van hun kracht vele koningen onderwierpen brachten van overal een overmaat aan rijkdommen mee voor degene die van plan was zijn offerplechtigheid uit te voeren maar waarvan de vijand o Koning, nog geboren moest worden. (15) De koning zich bezinnend op het nieuws dat Jarâsandha niet was verslagen, werd door de Heer, de Oorspronkelijke Persoon, op de hoogte gesteld van de manier zoals die door Uddhava was voorgesteld [in 10.71: 2-10]. (16) En zo gingen Bhîmasena, Arjuna en Krishna uitgedost in de kleding van brahmanen gedrieën naar Girivraja, mijn beste, alwaar de zoon van Brihadratha [Jarâsandha] zich ophield. (17) Naar hem toekomend op het uur bestemd voor de ontvangst van ongenode gasten, bedelden de edelen, zich voordoend als brahmanen, bij de religieuze huishouder die van respect was voor brahmanen: (18) 'O Koning, weet dat wij behoeftige gasten zijn die arriveerden van verre; we wensen u al het beste, alstublieft geef ons wat we graag willen. (19) Wat zou er voor een geduldig iemand niet te verdragen zijn, wat is voor de onzedigen allemaal niet onmogelijk, wat kunnen de vrijgevigen allemaal niet wegschenken, en wie kan nu hen die van een gelijke blik zijn buitensluiten? (20) Hij waarlijk is verachtelijk en zielig die, er heel goed toe in staat zijnde, met het tijdelijke lichaam niet de eeuwige roem verwerft zoals die wordt bezongen door hen die zich heiligden. (21) Velen als daar zijn Haris'candra, Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali en de legendarische jager en duif [zie*] bereikten het blijvende uitgaande van het niet-blijvende.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Echter, uit hun stemmen, hun fysieke voorkomen en de sporen van de boogpees op hun armen zelfs, herkende hij [Jarâsandha] hen als edelen, als leden van de familie die hij al eens eerder had gezien. (23) [hij dacht:] 'Deze verwanten van de adelstand met de kentekenen van brahmanen moet ik geven wat ze ook maar vragen, zelfs iets zo moeilijk om op te geven als mijn eigen lichaam. (24-25) Staat Bali niet bekend als iemand wiens glorie zich wijd en zijd verbreidde door het vlekkeloze van zijn machtsbekleding, ook al werd hij ten val gebracht door Heer Vishnu [Vâmana] die, in de uitdossing van een brahmaan zich voordoend als een tweemaal geborene van Vishnu, Indra's weelde wilde wegnemen? Willens en wetens schonk hij de ganse aarde weg, ook al was het de daitya koning [Bali] afgeraden [door zijn goeroe, zie 8.19]. (26) Wat voor zin heeft het ook voor een gevallen kshatriya om in leven te zijn maar met zijn vergankelijke lichaam zich niet beijveren ten gunste van de meerdere eer en glorie van de brahmanen?'(27) Aldus ruimdenkend zei hij tot Krishna, Arjuna en Vrikodara ['wolvenbuik' ofwel Bhîma]: 'O mannen van de leer, vraag me wat u maar wilt, ik geef u zelfs mijn eigen hoofd!'

(28) De Opperheer zei: 'Alstublieft hoogmogende Koning, neem de uitdaging aan strijd te leveren met ons in een man-tot-man gevecht; wij, leden van de adelstand, zijn naar hier gekomen met de wens te vechten en verlangen niets anders. (29) Die daar is Bhîma, de zoon van Prithâ en deze andere hier is Arjuna in eigen persoon en Ik, Ik ben Krishna hun neef van moeders zijde, uw vijand zoals u weet [zie 10.50].'

(30) Aldus uitgedaagd moest de koning van Magadha hard lachen en zei hij vol minachting: 'In dat geval, zal ik de strijd met jullie aanbinden, jullie dwazen! (31) Maar ik ga het gevecht niet aan met Jij, die laf, in de strijd in kracht tekortschietend, je eigen stad Mathurâ achterliet om te vertrekken naar een veilig plekje in de oceaan. (32) En wat betreft hem hier, Arjuna, hij, niet oud genoeg en ook niet zo sterk, is geen partij voor mij en moet niet mijn tegenstander zijn; Bhîma is degene die zo sterk is als ik.'

(33) Dat gezegd hebbende gaf hij Bhîma een grote knots en begaf hij zich buiten de stad, zelf een andere ter hand nemend. (34) Toen, tegenover elkaar in het strijdperk, sloegen de twee helden op elkaar in met hun bliksemschicht-gelijke strijdknotsen. Het gevecht dreef hen tot een dolle woede. (35) Kundig links- en rechtsom cirkelend waren de twee die zich zo in het gevecht rondbewogen zo prachtig om te zien als een stel acteurs op toneel. (36) Als ze hun knotsen tegen elkaar sloegen gaf dat een geluid dat leek op een blikseminslag, o Koning, of op het gekletter van de slagtanden van olifanten. (37) In woede ontstoken hevig vechtend als een paar olifanten werden de knotsen, die door de snelheid en kracht van hun armen machtig tegen elkaars schouders, heupen, voeten, handen dijen en sleutelbeenderen werden gezwaaid, in dat contact aan stukken geslagen als waren het een stel arka-takken. (38) Met hun strijdknotsen aldus aan gruzelementen bewerkten de twee grote helden onder de mensen elkaar kwaad met hun vuisten, in het slaan zo hard als ijzer, waarbij, met hen twee vechtende olifanten, het geluid voortgebracht door de klappen van hun handen aanzwol tot het geluid van donderslagen. (39) Met de twee aldus toeslaand, gelijk qua training, kracht en uithoudingsvermogen, bleef het gevecht onbeslist en ging het onverminderd verder o Koning. [**] (40) Op de hoogte van de geboorte en dood van de vijand en hoe hij in het leven was geroepen door Jarâ [zie 9.22: 8 en ***], liet Krishna de zoon van Prithâ delen in Zijn denkvermogen. (41) Na vastgesteld te hebben wat de manier was om hun vijand te doden toonde Hij wiens visie Onfeilbaar is het aan Bhîma door bij wijze van teken een twijg in tweeën te splijten. (42) Dat begrijpend greep de immens sterke Bhîma, de beste aller vechters, zijn vijand bij de voeten beet en gooide hij hem op de grond. (43) Met zijn voet boven op één been staand greep hij met beide handen het andere vast en reet hij, als een olifant met een boomtak, hem van zijn anus naar boven uiteen. (44) De koning zijn onderdanen zagen hem toen in twee stukken gespleten met ieder een been, een dij, een heup, een rugdeel, een schouder, een arm, een oog, een wenkbrauw en een oor. (45) Met de dood van de heer van Magadha steeg er een luide jammerklacht op, terwijl Arjuna en Acyuta beiden Bhîma feliciteerden terwijl ze hem omhelsden. (46) De Ondoorgrondelijke Ene, Allerhoogste Heer en Onderhouder van Alle Levende Wezens kroonde zijn zoon Sahadeva tot de heer en meester der Magadha's en bevrijde vervolgens de door de koning van Magadha gevangen genomen koningen.'

Voetnoten

* Het verhaal luidt dat de duif en zijn partner hun eigen vlees aan een jager gaven als bewijs van hun gastvrijheid en zo naar de hemel werden overgebracht in een hemels voertuig. Toen de jager hun positie vanuit de geaardheid goedheid doorgrondde, raakte hij ook verzaakt, en gaf hij aldus het jagen op en vertrok hij om boete te doen. Omdat hij bevrijd was van alle zonde werd hij, nadat zijn lichaam in een bosbrand verbrandde, tot de hemel bevorderd.  

** Sommige âcârya's nemen de volgende twee verzen mee in de tekst van dit hoofdstuk, en S'rîla Prabhupâda vertaalde ze ook in 'Krishna':

evam tayor mahâ-râja
yudhyatoh sapta-vims'atih
dinâni niragams tatra
suhrid-van nis'i tishthhatoh

ekadâ mâtuleyam vai
prâha râjan vrikodarah
na s'akto 'ham jarâsandham
nirjetum yudhi mâdhava

"Aldus, o Koning, gingen ze tweeënzeventig dagen door met vechten. Aan het eind van iedere dag vechten, leefden beiden 's nachts als vrienden in Jarâsandha's paleis. Toen op de achtentwintigste dag, o Koning, zei Vrikodara [Bhîma] zijn neef van moeders zijde, 'Mâdhava, ik kan Jarâsandha niet in de strijd verslaan.' "

*** S'rîla Prabhupâda schrijft "Jarâsandha werd in twee verschillende delen geboren uit twee verschillende moeders. Toen zijn vader zag dat de baby geen nut had, wierp hij de twee delen in het woud, waar ze later werden gevonden door een heks met een zwart hart genaamd Jarâ. Zij slaagde erin de twee delen van de baby van top tot teen samen te voegen. Hiermee bekend, wist Heer Krishna daarom ook hoe hem te doden."

 

Hoofdstuk 73

Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

(1-6) S'rî S'uka zei: 'De twintigduizend achthonderd [koningen] die in de strijd [door Jarâsandha] waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt als ze waren, dronken ze Hem in met hun ogen en was het alsof ze Hem met hun tongen aan het likken waren, alsof ze met hun neusgaten Hem op wilden snuiven en Hem in hun armen wilden sluiten. Voor Hem, donkergrijs als een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het S'rîvatsa-teken, met Zijn vier armen, bekoorlijke ogen roze als de werveling van een lotus, een aangenaam gezicht, de glimmende makara [zeemonster-vormige] oorhangers; voor Hem met een lotus, een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen; een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel en de armbanden die Hem opsierden en met het schitterend mooie juweel en een bosbloemenslinger om Zijn nek, voor Hem bogen zij, wiens zonden waren verdreven, aan Zijn voeten hun hoofden. (7) En met dat de koningen met samengebrachte handen met hun woorden de Meester der Zinnen prezen, werd door de extase van het ontmoeten van Krishna de zwaarmoedigheid van hun gevangenschap weggevaagd.

(8) De koningen zeiden: 'Wij brengen U onze eerbetuigingen, o God der Goden, o Heer der Overgegevenen en Verdrijver van het Leed, o Onuitputtelijke; alstUblieft, o Krishna, redt ons overgegeven zielen die wanhopig zijn over de verschrikking van het materiële bestaan. (9) O Madhusûdana, we wijzen niet met onze vinger, o Meester, naar de heerser van Magadha, aangezien het door Uw beijveren van de goede zaak is, o Almachtige, dat [tegendraadse] koningen uit hun positie ten val komen. (10) Ertoe gedreven met de heerschappij en weelde zijn stem te verheffen, slaagt een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het ware voordeel te behalen. (11) Op dezelfde manier als een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas water, zien zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen het illusoire onderhevig aan verandering voor iets substantieels aan. (12-13) Wij die voorheen met het ons verlustigen over de weelde het zicht verloren en ruziënd met elkaar over het veroveren van deze aarde, zeer genadeloos onze eigen burgers belaagden o Meester, hebben met de dood voor ogen hoogmoedig U buiten beschouwing gelaten. Wij o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde en werden in onze trots gekrenkt door Uw genade in de vorm van de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt. Wij bidden U of we alstUblieft mogen leven met Uw voeten in gedachten. (14) Van nu af aan smachten we niet langer naar een koninkrijk dat, zich vertonend als een luchtspiegeling, voortdurend moet worden gediend met het materiële lichaam dat onderhevig aan verval, een bron van ziekte vormt; noch, o Almachtige, verlangen we naar de vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals dat zo verlokkelijk is voor het oor [vergelijk B.G. 1: 32-35]. (15) AlstUblieft onderricht ons in de manier waarop we Uw lotusgelijke voeten mogen herinneren, ook al blijven we telkens weer naar deze wereld terugkeren [zie B.G. 8: 14]. (16) Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen voor Krishna, de zoon van Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen; voor Govinda, de Vernietiger van het Leed.'

(17) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht, loffelijk geprezen door de koningen die waren bevrijd uit hun gebondenheid mijn beste, sprak hen genadig toe in aangename bewoordingen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik verzeker jullie, van nu af aan, o Koningen, zal, zoals jullie het willen, zich bij jullie een gedegen toewijding ontwikkelen voor Mij, het Zelf en de Beheerser van Allen. (19) Jullie besluit is een gelukkig besluit, o heersers, want Ik zie dat jullie naar waarheid spreken over de schaamteloze verdwazing die men kan hebben met de weelde en de macht die de mensheid zo tot waanzin drijft. (20) Haihaya [of Kârtavîryârjuna 9.15: 25], Nahusha [9.18: 1-3], Vena [zie 4.14], Râvana [9.10], Naraka [of Bhauma 10.59: 2-3] en anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en mensen omdat ze bezeten raakten van de weelde. (21) Jullie, met in gedachten dat dit materiële lichaam en wat er bij komt kijken is onderworpen aan geboorte en eindigheid, hebben als taak, in het verbonden zijn met Mij met gebeden en offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma te beschermen. (22) Geplaatst voor lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je er mee bezighouden generaties nageslacht te verwekken, terwijl jullie in de geest verankerd zijn in het aanvaarden van Mij. (23) Neutraal met betrekking tot het lichaam en dat alles en, standvastig in de geloften, innerlijk tevreden zijnd, zullen jullie, met het je ten volle concentreren op Mij, uiteindelijk Mij bereiken, het Absolute van de Waarheid [vergelijk B.G. 4: 9; 8: 7; 9: 28; 12: 3-4].'

(24) S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Beheerser van al de Werelden, die aldus de koningen instrueerde, zette dienaren en dienstmaagden aan het werk ze een bad te geven. (25) O afstammeling van Bharata, Hij zorgde ervoor dat Sahadeva [Jarâsandha's zoon] hen voorzag van kleding, sierselen, bloemenslingers en sandelhoutpasta, zoals dat bij hen paste. (26) Naar behoren gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen waardig, zoals betelnoot en dergelijke. (27) Geëerd door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten aan het eind van het regenseizoen. (28) Na ze op wagens met fijne paarden versierd met goud en edelstenen te hebben gezet, stuurde Hij, ze behagend met aangename woorden, heen naar hun eigen koninkrijken. (29) Zij, de grootste persoonlijkheden, die aldus door Krishna waren bevrijd van alle moeilijkheden gingen op weg met niets anders voor ogen dan de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum is. (30) Met hun ministers en andere medewerkers spraken ze over de handelingen van de Hoogste Persoonlijkheid en brachten ze alles wat de Heer hen had opgedragen zonder nalatigheid ten uitvoer. (31) Nadat Hij Jarâsandha door Bhîmasena had laten doden, vertrok, na aanbeden te zijn door Sahadeva, Kes'ava onder begeleiding van de twee zoons van Prithâ. (32) Aankomend in Indraprastha bliezen ze op de schelphoorns waarmee ze de vijanden die ze versloegen in het ongeluk hadden gestort, maar waarmee ze nu hun weldoeners vreugde verschaften. (33) De ingezetenen van Indraprastha wiens harten verheugd opsprongen dat te horen, begrepen dat Jarâsandha de vrede was opgelegd en dat de koning [Yudhishthhira] zijn doelen waren bereikt. (34) Arjuna, Bhîma en Janârdana verhaalden toen, nadat ze de koning hun eerbetuigingen gebracht hadden, over alles wat ze gedaan hadden. (35) De koning van het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde. In extase door Krishna's genade liet hij uit liefde zijn tranen de vrije loop.'

 

Hoofdstuk 74

De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Yudhishthhira, de koning, die aldus vernam over de dood van Jarâsandha en het machtsvertoon van de almachtige Krishna, richtte zich verheugd daarover tot Hem. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'Al de geestelijk leraren, de inwoners en de grote beheersers die er zijn van de drie werelden, dragen de waarlijk zelden verworven beschikking [van U] op hun hoofden. (3) Dat Hij, de Lotusogige Heer, Uzelve, instructies aanneemt van die bij de dag levende mensen [zoals wij] die zichzelf de beheersers achten, steekt, o Allesdoordringende, me nog het meest. (4) Zoals met de zon inderdaad, neemt van de ene Zonder Zijns Gelijke, de Absolute Waarheid, de Superziel, de macht niet af noch neemt die toe met [Zijn] activiteiten [zie B.G. 2: 40]. (5) O Mâdhava, de verwrongen mentaliteit van het verschil maken met 'jij' en het 'jouwe' en 'ik' en het 'mijne', alsof men van de dieren is, is waarlijk niet de Uwe, o Onoverwinnelijke, noch hoort die bij Uw bhakta's.'

(6) S'rî S'uka zei: 'Dat gezegd hebbende koos de zoon van Prithâ, op de juiste tijd voor de offerplechtigheid, met de toestemming van Krishna de geschikte priesters uit, de brahmanen die de vedische experts waren: (7-9) Dvaipâyana [Vyâsa], Bharadvâja, Sumantu, Gotama, Asita, Vasishthha, Cyavana, Kanva, Maitreya, Kavasha, Trita, Vis'vâmitra, Vâmadeva, Sumati, Jaimini, Kratu, Paila, Parâs'ara, Garga, Vais'ampâyana, alsook Atharvâ, Kas'yapa, Dhaumya, Râma van de Bhârgava's [Pâras'urâma], Âsuri, Vîtihotra, Madhucchandâ, Vîrasena en Akritavrana. (10-11) Eveneens uitgenodigd waren anderen als Drona, Bhîshma, Kripa en Dhritarâshthra met zijn zoons, en de hoogst intelligente Vidura; koningen met hun koninklijk gevolg, brahmanen, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's, die graag het offer wilden bijwonen, kwamen allen, o Koning. (12) Toen trokken de brahmanen met gouden ploegscharen voren op de plaats waar de goden zouden worden aanbeden en wijdden ze de koning overeenkomstig de voorschriften. (13-15) De hulpmiddelen waren van goud zoals dat in het verleden met het offer van Varuna het geval was geweest [vergelijk 9.2: 27]. De heersers der werelden met Indra voorop, met inbegrip van Brahmâ en S'iva; de vervolmaakten en de hemelse zangers met hun gevolg; de geleerden, de grote serpenten [v.i.p.'s, ego's], de wijzen, de behoeders van de rijkdom en de wildemannen; de vogels van de hemel [zie khaga], de machtigen, de achtenswaardigen en de aardse koningen uitgenodigd, alsook de vrouwen van de koningen kwamen van overal naar het Râjasûya-offer dat zij, in het geheel niet verrast, voor een toegewijde van Krishna heel gepast vonden. (16) De priesters die zo machtig waren als de goden voerden voor de grote koning volgens de vedische voorschrifen het Râjasûya offer uit, precies zoals de halfgoden dat hadden gedaan voor Varuna. (17) Op de dag van het onttrekken van het soma-sap vereerde de koning heel aandachtig de offeraars en de verheven persoonlijkheden in de vergadering. (18) De leden gezeten in de vergadering, zich bezinnend op wie van hen het verdiende als eerste te worden vereerd, konden niet tot een besluit komen daar er velen waren [die in aanmerking kwamen]; toen sprak Sahadeva [de Pândava] zich uit: (19) 'Acyuta is het voorzeker die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's, Hij zonder twijfel staat borg voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke. (20-21) Dit universum zowel als de grote offerplechtigheden, het offervuur, de offergaven en de aanheffingen zijn op Hem gegrondvest en de analytische zienswijze en de yoga doelen op Hem. Hij is de Ene zonder Zijns gelijke waarop het Levende Wezen bouwt; de Ongeborene op Zichzelf alleen vertrouwend, o leden van de vergadering, die schept, handhaaft en vernietigt. (22) Hij brengt de verschillende handelingen alhier teweeg; naar Zijn genade beijvert de hele wereld zich en jaagt ze haar idealen na die bekend staan als de religiositeit enzovoorts [de purushartha's]. (23) Derhalve komt de grootste eer Krishna toe, de Allerhoogste; als we het op deze manier doen, zullen we alle levende wezens eer aan doen zowel als onszelf. (24) Het moet Krishna worden gegund, de Ziel van alle wezens die niemand als losstaand van Hem beziet; aan de Ene der Vrede Volmaakt en Volkomen die voor degene die zijn liefde graag beantwoord ziet, het Onbegrensde is [het Oneindige van de Wederkerigheid].'

(25) Sahadeva zich aldus uitlatend viel stil en allen die zo goed en waarachtig waren en dit hoorden zeiden goed doordrongen van Krishna's invloed gelukkig: 'Dit is uitstekend, heel goed!'

(26) De koning, toen hij hoorde wat de tweemaal geborenen onder woorden brachten, aanbad hij overweldigd door liefde Hrishîkes'a ten volle, blij te weten dat de leden van de vergadering tevreden waren. (27-28) Zijn voeten wassend en het water dat de wereld zuivert op zijn eigen hoofd nemend, bracht hij het met genoegen naar zijn vrouw, zijn broers, zijn ministers en familie. En terwijl hij Hem vereerde met kostbare zijden kledingstukken en juwelen, was hij met zijn ogen gevuld met tranen niet in staat Hem recht aan te kijken. (29) Hem vereerd ziend op deze manier riepen al de mensen met samengebrachte handpalmen uit: 'Onze eerbetuigingen voor U, U zij de glorie!' en daarbij bogen ze voor Hem en lieten ze een regen van bloemen neerdalen.

(30) De zoon van Damaghosha [S'is'upâla, zie 10.53] die dit hoorde kwam, geïrriteerd door de beschrijvingen van Krishna's kwaliteiten, kwaad met zijn armen zwaaiend van zijn zitplaats overeind en zei, zich resoluut tot de Fortuinlijke richtend in ruwe taal, dit temidden van de vergadering: (31) 'Het vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke beheerser is, is bewaarheid aangezien zelfs de intelligentie van de ouderen door de woorden van een jongen op een dwaalspoor kon worden gezet! (32) U weet allemaal heel goed wie er de meest lofwaardige is; alstublieft, u allen leiders van de vergadering, besteed geen aandacht aan de uitspraken van de jongen dat Krishna zou moeten worden verkozen om te worden geëerd. (33-34) U ziet de leiders in de vergadering over het hoofd gevormd door de besten onder de wijzen. Zij, die de Absolute Waarheid zijn toegewijd, worden door het lokaal gezag hooggehouden, het zijn mensen die middels geestelijk verstaan, verzaking, vedische kennis en geloften hun onzuiverheden hebben uitgebannen. Hoe kan nu een koeherder, die de schande van Zijn familie vormt, het verdienen te worden aanbeden? Hij verdient het net zo min als een kraai de heilige rijstcake verdient! (35) Hoe kan Hij, die op eigen gezag optreedt en het ontbreekt aan kula [de juiste opvoeding] varna [beroepsmatig behoren] en âs'rama [plichtbesef naar leeftijd], alsdus de kwaliteiten missend, het verdienen te worden vereerd? (36) Met hun [Yadu-]dynastie vervloekt door Yayâti [zie 9.18: 40-44], uitgestoten door personen van goed gedrag [zie 10.52: 9] en begeertig verslaafd aan de drank [b.v. 10.67: 9-10], hoe kan er zo een de aanbidding nu waard zijn? (37) Met het achter zich laten van de gronden [van Mathurâ] gezegend door de brahmaanse wijzen namen Dezen hun toevlucht tot een vesting in zee [10.50: 49] alwaar het brahmaanse niet wordt nageleefd [10.57: 30] en Ze als dieven de mensen moeilijkheden bezorgen [b.v. 10.61].'

(38) Tegen hem van wie, met het zich bedienen van dergelijke en nog meer grove bewoordingen, de kansen zich hadden gekeerd, zei de Allerhoogste Heer geen stom woord. Hij was zo stil als een leeuw tegenover het gehuil van een jakhals. (39) Toen de leden van de vergadering die onverdragelijke kritiek hoorden, bedekten ze hun oren en liepen ze weg, de koning van Cedi kwaad vervloekend. (40) Een persoon Hem toegewijd die niet weggaat van de plaats waar men kritiek uitoefent op de Opperheer, zal, met het hebben verspeeld van zijn moreel tegoed, ten val komen. (41) De zoons van Pându en de Matsya's, Kaikaya's en Sriñjaya's stonden toen, kwaad geworden, met hun wapens geheven klaar om S'is'upâla te doden. (42) Daarop, o nazaat van Bharata, nam S'is'upâla in het geheel niet onder de indruk zijn zwaard en schild ter hand, en beledigde hij de koningen in de vergadering die voorstanders van Krishna waren. (43) Op dat moment hield de Opperheer Zijn toegewijden tegen en viel Hij misnoegd Zijn vijand aan met Zijn scherpgerande schijf waarmee Hij hem het hoofd van de romp scheidde. (44) Met S'is'upâla ter dood gebracht ontstond er een enorm tumult onder de aanwezigen, hetgeen zo de koningen die partij voor hem hadden gekozen en voor hun leven vreesden de gelegenheid bood op de vlucht te slaan. (45) Recht voor ogen van al de levenden rees uit het lichaam van S'is'upâla een licht omhoog dat Krishna binnenging als was het een meteoor die vanuit de hemel op de aarde viel [zie 10.12: 33]. (46) Zich uitstrekkend over drie geboorten was hij geobsedeerd geweest door een geest van vijandigheid en bereikte hij aldus mediterend de Eenwording met Hem [B.G. 4: 9]. Het is werkelijk zo dat iemands levenshouding de oorzaak is van zijn wedergeboorte! [zie B.G. 8: 6 & Jaya en Vijaya] (47) De keizer gaf uit dankbaarheid de priesters en de leden van de vergadering een overvloed aan geschenken. Allen werden ze naar behoren gerespecteerd zoals de geschriften het voorschreven. Daarna deed hij de avabhritha ceremonie [van het zichzelf en de benodigdheden wassen om het offer te beëindigen]. (48) Krishna, de Beheerser van de Beheersers der Yoga, erop toeziend dat de offerplechtigheid van de koning werd uitgevoerd, bleef een paar maanden [in Indraprastha] op het verzoek van Zijn weldoeners. (49) Toen, met permissie van een weigerachtige koning, ging de zoon van Devakî, Îs'vara, met Zijn vrouwen en Zijn ministers weg naar Zijn eigen stad. (50) Het verhaal over de twee ingezetenen van Vaikunthha die als gevolg van een vloek van de geleerden keer op keer geboorte moesten nemen, is door mij tot in detail aan u uiteengezet [zie 3.16]. (51) koning Yudhishthhira temidden van de brahmanen en kshatriya's zich badend met de avabhritha van de Râjasûja straalde zo schitterend als de koning der halfgoden. (52) Al de goden, mensen en wezens in de hemel [de mindere goden, de Pramatha's] keerden, geëerd door de koning, gelukkig terug naar hun eigen rijken, vol van lof over Krishna en de offerplechtigheid. (53) [Allen waren gelukkig], behalve de zondige Duryodhana, de plaag van de Kurudynastie en verpersoonlijking van het Tijdperk van de Redetwist. De confrontatie met de bloei van de weelde der Pândava's was iets dat hij niet kon verdragen.

(54) Hij die verneemt over deze handelingen van Heer Vishnu, het bevrijden van de koningen, de offerplechtigheid en het doden van de koning van Cedi en dergelijke, raakt verlost van alle zonde.'

 

Hoofdstuk 75

Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

(1-2) De achtenswaardige koning zei: 'Al de menselijkheid van God, o brahmaan, die bijeenkwamen voor het Râjasûya-offer van Ajâtas'atru [hij wiens vijand nog geboren moest worden, ofwel Yudhishthhira], waren verrukt over de grote feestelijkheid die ze zagen: de koningen, de wijzen en de goddelijken, zo vernam ik mijn heer, behalve dan Duryodhana; alstublieft stel ons op de hoogte van de reden hiervan.'

(3) De zoon van Vyâsa zei: 'Bij het Râjasûya-offer van de grote ziel die je grootvader is, waren al de familieleden die waren verbonden in goddelijke liefde, in alle bescheidenheid erbij betrokken hem van dienst te zijn. (4-7) Bhîma was belast met de keuken, Duryodhana zag toe op de financiën, Sahadeva regelde de ontvangst en Nakula bracht al het nodige bij elkaar. Arjuna was de leermeesters van dienst, Krishna waste de voeten, de dochter van Drupada diende het voedsel op en de edelmoedige Karna deelde de giften uit. Yuyudhâna, Vikarna, Hârdikya, Vidura en anderen als de zonen van Bâhlika met Bhûris'ravâ voorop en Santardana, waren, volijverig de koning te behagen, ertoe bereid zich tijdens de uitvoerige offerplechtigheid in te zetten voor de uiteenlopende plichten, o beste der koningen. (8) De priesters, de prominente voorgangers, de hooggeleerden en allen goed en welgezind, die op gepaste wijze waren vereerd met aangename woorden, zegenrijke gaven en geschenken uit dank, voerden, nadat de koning van Cedi de voeten van de meester der Sâtvata's was binnengegaan, het avabhritha-baden in de rivier van de hemel [de Yamunâ] uit. (9) Ter aanvang van de avabhritha-viering weerklonk de muziek van een keur aan gomukha hoorns, pauken, grote trommen, mridanga's, kleinere trommels en schelphoorns. (10) Dansmeisjes dansten en zangers zongen vreugdevol in groepen toen de luide klanken van hun vînâ's, fluiten en hand-cymbalen de hemel roerden. (11) De koningen met ketenen van goud gingen op weg [naar de Yamunâ] met voetvolk, vlaggen en banieren van verschillende kleuren, uitstekende majestueuze olifanten, en fijn opgetuigde wagens en paarden. (12) De Yadu's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kuru's, Kekaya's en Kos'ala's met hun legers, met aan het hoofd [de koning,] de uitvoerder van het offer, deden de aarde schudden. (13) De voorgangers, de priesters en andere kundige brahmanen lieten luid de vedische mantra's weerklinken, terwijl de goden en de wijzen, de voorvaderen en de zangers van de hemel lovende verzen reciteerden en bloemen lieten neerregenen. (14) Mannen en vrouwen fraai opgesierd met sandelhoutpasta, bloemenslingers, juwelen en kleding, besmeurden en besprenkelden elkaar spelend met verschillende vloeistoffen. (15) De courtisanes werden door de mannen speels met yoghurt en geparfumeerd water vol met turmeric- en vermiljoenpoeder ondergesmeerd, en zo besmeurden ook zij hen op hun beurt [*]. (16) De koninginnen bewaakt door de soldaten gingen, net als de vrouwen van de goden in hun hemelwagens in de lucht, eropuitom dit met eigen ogen te aanschouwen en terwijl ze door hun neven en vrienden werden natgespoten, waren ze prachtig om te zien met hun bloeiende gezichten en bedeesde glimlachen. (17) Zij, hun zwagers, hun vrienden enzovoorts, spoten elkaar allemaal nat met spuiten waarbij hun armen, borsten, dijen en middel als gevolg van de opwinding ontbloot raakten met hun kleren doorweekt en uit hun verband, en de bloemen in hun haar gevlochten losgeschoten; en aldus brachten ze op die manier bekoorlijk verder spelend hen van streek die onrein van geest waren. (18) Hij, de keizer klom in zijn wagen met de beste paarden ervoor en straalde, met goud omhangen, het met zijn vrouwen in alle richtingen uit als was hij de koning der offers, de Râjasûya met al zijn rituelen, in eigen persoon. (19) Na de patnî-samyâja- [**] en avabhritha-plechtigheden te hebben uitgevoerd, lieten de priesters hem de âcamana van het sippen van water ter zuivering uitvoeren, en hem samen met Draupadî een bad nemen in de Ganges. (20) De pauken van de goden weerklonken tezamen met die van de mensen terwijl de goden, de wijzen, de voorvaderen en de mensen een stortvloed van bloemen lieten neerregenen. (21) Hierna namen de mensen van alle rangen en standen een bad op die plaats waar zelfs de grootste zondaar op slag kan worden bevrijd van alle smetten. (22) Daarna trok de koning een nieuw stel zijden kleren aan en vereerde hij fraai opgesierd de priesters, de voorgangers en de brahmanen met juwelen en kleding. (23) Op verschillende manieren putte de koning, Nârâyana toegewijd, zich uit in zijn respectbetoon voor de koningen, zijn vrienden, weldoeners, naaste verwanten, aangetrouwde familie alsook anderen. (24) Al de mannen, met juwelen en oorhangers, bloemen dragend en tulbanden, jasjes en zaken van zijde, zowel als met de meest kostbare parelkettingen om, straalden als de halfgoden; en zo ook deden dat de vrouwen die met de schoonheid van hun gezichten opgesierd met paren oorhangers en haarlokken en met een gouden gordel om, prachtig schitterden. (25-26) Toen, met zijn permissie, gingen de hooggeëerde priesters, de voorgangers, de experts in de Veda's, de brahmanen, de kshatriya's, de vais'ya's, de s'ûdra's en de koningen die waren gekomen en die, o koning, tezamen met hun gevolg, de plaatselijke autoriteiten, de geesten, de voorvaderen en de halfgoden waren vereerd, terug naar hun eigen verblijfplaatsen. (27) Als sterfelijke lieden met het drinken van de amrita konden ze er werkelijk geen genoeg van krijgen de loftrompet te steken over de grote viering van het Râjasûya-offer van de geheiligde koning, de dienaar van Heer Krishna. (28) Erdoor gekweld dat hij van Krishna was gescheiden had koning Yudhishthhira zoals gezegd [in 10.74: 48] door liefde gedreven het er moeilijk mee zijn familieleden en verwanten te laten gaan. (29) Mijn beste, om hem een plezier te doen bleef de Allerhoogste Heer daar toen. De Yaduhelden die in verband daarmee door Sâmba werden aangevoerd stuurde Hij weg naar Dvârakâ. (30) Op deze manier raakte de koning, de zoon van Dharma [Yamarâja ofwel Dharma, de heer der plichten] die met succes de zo moeilijk over te steken oceaan van zijn verlangens overstak, door Krishna bevrijd van de koorts [zie ook 10.63: 23].

(31) Duryodhana deed het zeer toen hij eenmaal in het paleis de weelde zag van de Râjasûya en de grootheid van hem [Yudhishthhira] wiens eigenlijke ziel Acyuta was. (32) In dat paleis waren de uiteenlopende vormen van weelde van de koningen der mensen, de koningen der demonen en de koningen van de godsbewusten bijeengebracht. Verschaft door de kosmische architect [Maya Dânava], stond die weelde ter beschikking van de dochter van koning Drupada met haar echtgenoten [de Pândava's]. Zelf ook aangetrokken tot haar treurde het hart van de Kuru-prins. (33) De duizenden koninginnen van de Heer van Mathurâ waren daar de hele tijd aanwezig, hoogst aantrekkelijk met hun tailles en volle heupen, zich langzaam rondbewegend met hun voeten die charmant tinkelden, met hun paarlen halskettingen die rood waren van de kunkuma van hun borsten en met hun mooie gezichten die rijk versierd waren met oorbellen en haarlokken. (34-35) In de ontvangstzaal gebouwd door Maya viel het zo voor dat de zoon van Dharma, de keizer in eigen persoon, in het gezelschap van zijn metgezellen, zijn familie en ook Krishna, zijn Eigenlijke Blik, was gezeten op een troon van goud als was hij, met de rijkdom van het hoogste leiderschap, Indra die vergezeld en geprezen wordt door de hofdichters. (36) Daar, o Koning, kwam toen Duryodhana binnen omringd door zijn broers. Apetrots een kroon dragend en een halsketting, had hij steeds zijn hand op zijn zwaard terwijl hij kwaad aan het fulmineren was [tegen de deurwachters]. (37) Begoocheld door de toverkunsten van Maya zag hij de harde vloer aan voor water en hield hij het einde van zijn kleed omhoog, maar verderop tuimelde hij in water dat hij aanzag voor een vaste vloer. (38) Bhîma die het zag schaterde het uit zoals ook de vrouwen, de koningen en de rest dat deden, die, mijn beste, ook al werd hun door de koning de wacht aangezegd, daarin de goedkeuring van Krishna konden wegdragen. (39) Hij [Duryodhana], laaiend van de woede, vertrok toen innerlijk ontdaan beschaamd met zijn gezicht naar beneden naar Hastinâpura. Toen zich dat voordeed rees er onder de waarachtigen een zeer luidruchtig 'helaas, helaas!' op. Ajâtas'atru [de koning] zag het somber in en de Opperheer, uit wiens blik de verbijstering voortkwam, hield Zich er stil bij, erop voorbereid om de last van de aarde weg te nemen [zie ook 1.15: 25-26, 10.2: 38 en 10.63: 27].

(40) Ik heb nu uitleg verschaft over dat wat u me vroeg, o Koning, betreffende de verdorvenheid van Duryodhana gedurende het grote Râjasûya-offer.'

Voetnoten:

* In het huidige India kent men de traditie van het Holi-feest, of kleurenfeest eens per jaar op de ochtend na volle maan begin Maart, waarbij men dit spel speelt. Men viert er het begin van de lente mee en de dood van de demone Holika. Holika was de zuster van Hiranyakas'ipu die met het bestrijden van Prahlâda er maar niet in slaagt hem te doden [zie 7.5]. Zij, tegen vuur bestand zo heette het, zittend met hem in een vuur kan hem echter zo niet deren. Hij blijft ongedeerd, maar zij gaat in vlammen op. Zo worden er met Holi de nacht tevoren ook grote vreugdevuren ontstoken ter nagedachtenis aan dit verhaal. Hoewel Holi over het gehele noorden van India wordt gevierd, is er speciale aandacht en vreugde voor in Mathurâ, Vrindâvana, Nandgaon, en Barsnar (de plaatsen waar Heer Krishna en S'rî Râdhâ opgroeiden). Heer Krishna, toen Hij opgroeide in Vraja, maakte het feest populair met Zijn inventieve streken. De gopî's van Vraja reageerden met een gepast enthousiasme en de festiviteiten zijn sedertdien volgehouden. Rolomdraaiing met travestie, feminisme etc. zijn aanvaarde gebruiken gedurende dit festival. Mannen en vrouwen in Vraja vechten met elkaar in een kleurig vertoon van een nepgevecht tussen de seksen. Een in de natuur gevonden roodoranje kleurstof, kesudo, wordt gebruikt om alle deelnemers te besmeuren en doordrenken.

** Het patnî-samyâja ritueel is het ritueel dat uitgevoerd wordt door de sponsor van het offer en zijn vrouw; het bestaat uit uitgietingen voor Soma, Tvashthâ, de vrouwen van bepaalde halfgoden, en Agni.

 

Hoofdstuk 76

De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

(1) S'rî S'uka zei: 'Alstublieft, o Koning, luister nu hoe Krishna, in Zijn lichaam voor mens spelend, met nog weer een andere wonderbaarlijke heldendaad de heer van Saubha ter dood bracht. (2) Hij, S'âlva geheten, kwam als een vriend van S'is'upâla naar Rukminî's huwelijk en werd door de Yadu's in de strijd verslagen tezamen met Jarâsandha en anderen [zie 10.54 en ook 10.50]. (3) In het bijzijn van al de koningen legde hij de eed af: 'Wacht maar, ik zal met al wat in me is de aarde van de Yâdava's bevrijden!'

(4) De dwaze koning aldus besloten at slechts eenmaal daags een handje stof met het aanbidden als zijn meester van de heer die de dierlijkheid beschermt [Pas'upati ofwel S'iva afgebeeld met S'âlva als een jongen biddend samen met Yama]. (5) Nadat een jaar was verstreken verleende de grote heer die zo snel te behagen is [Âs'utosha], de meester van Umâ, S'âlva, die bij hem zijn toevlucht had gezocht, een gunst naar zijn keuze. (6) Hij verkoos een voertuig verschrikkelijk voor de Vrishni's waarmee hij zou kunnen reizen zoals hij dat wilde en dat niet te vernietigen zou zijn voor de goden, de demonen, de mensen, de zangers van de hemel, de serpenten en de wildemannen. (7) Met de heer van de berg zeggende 'zo zij het' werd het Maya Dânava, die er was om de steden van de vijanden te verslaan [zie 7.10: 53], opgedragen een [vliegend] fort van ijzer genaamd Saubha te bouwen en aan te bieden aan S'âlva. (8) Toen hij het voertuig in zijn bezit kreeg dat, als een plaats van duisternis en zich bewegend zoals hij maar wilde, ongenaakbaar was, ging S'âlva naar Dvârakâ, met in gedachten de vijandschap die de Vrishni's hadden getoond. (9-11) O beste van de Bharata's, S'âlva, die de stad met een grote strijdmacht belegerde, veranderde al de parken, de tuinen en de torens, de stadspoorten, de woningen, buitenmuren, uitkijkposten en recreatiegebieden erom heen in een puinhoop. Van die superieure vimâna die hij had kwam een stortvloed aan wapens, stenen en bomen alsook bliksemschichten, slangen en hagelstenen naar beneden en raakten met het opsteken van een heftige wervelwind alle richtingen door een laag stof overdekt. (12) De stad van Krishna aldus verschrikkelijk geteisterd door Saubha kon, net als de aarde met Tripura [zie 7.10: 56], o Koning, geen vrede vinden.

(13) Toen de Grote Heer Pradyumna zag hoezeer Zijn onderdanen werden belaagd zei Hij tot hen: 'Wees niet bang!', waarna de grote held die van een ongekende glorie was in Zijn strijdwagen klom. (14-15) Sâtyaki, Cârudeshna, Sâmba, Akrûra en zijn jongere broers, Hârdikya, Bhânuvinda alsook Gada, S'uka en Sârana en andere eminente en vooraanstaande boogschietende leiders, gingen eropaf in kuras onder de dekking van strijdwagens, olifanten, cavalerie en infanterie. (16) Daarop nam tussen de Yadu's en de volgelingen van S'âlva een huiveringwekkende strijd zijn aanvang die zo heftig was als de strijd tussen de demonen en de halfgoden [zie 8: 10]. (17) Zoals de duisternis van de nacht wordt verdreven door de warme stralen van de zon, werden door de zoon van Rukminî in een oogwenk met de door God gezegende wapens de toverkunsten van de meester van Saubha vernietigd. (18-19) Met vijfentwintig ijzergepunte, in hun voegen perfect vereffende pijlen met gouden schachten trof Hij S'âlva's opperbevelhebber [Dyumân], met een honderdtal raakte hij S'âlva en met één ieder van zijn soldaten, met tien ieder van zijn wagenmenners en met drie ieder van zijn draagdieren. (20) Met de aanblik van dat verbazingwekkende, machtige wapenfeit van Pradyumna, de grote persoonlijkheid, eerden al Zijn troepen en de soldaten van de vijand Hem. (21) Dan weer waargenomen in vele vormen, dan weer als een enkele vorm en dan weer helemaal niet te zien, was die magische illusie geschapen door Maya iets veranderlijks dat onmogelijk door de tegenstander kon worden gelokaliseerd. (22) Zich her en der bewegend als een wervelende toorts, van het ene moment op het andere gezien op de aarde, dan weer in de lucht, dan op een bergtop en dan in het water, bleef dat Saubha luchtschip nooit op één plaats. (23) Waar ook maar S'âlva met zijn soldaten opdook met zijn Saubha-schip, richtten de legerbevelhebbers van de Yadu's op die plek dan hun pijlen. (24) S'âlva verloor door de vijand zijn greep op de zaak toen zijn leger en fort ondraaglijk te lijden hadden onder de pijlen die, als vuur en zon hun doel treffend, als slangengif werkten. (25) Hoewel de Vrishni-helden, begerig naar de overwinning in deze wereld en de volgende, uitermate gepijnigd werden door de stortvloed aan wapens van S'âlva's bevelhebbers, gaven ze hun stellingen niet op. (26) S'âlva's metgezel genaamd Dyumân - voordien getroffen door Pradyumna - zich opstellend met een strijdknots van maura-ijzer, sloeg met een machtige brul toe. (27) Pradyumna, de onderwerper van de vijanden, die door de knots buiten westen was geslagen, werd toen door Zijn wagenmenner, een zoon van Dâruka, getrouw de zeden en gebruiken van het slagveld afgevoerd.

(28) In een mum van tijd Zijn bewustzijn herwinnend, zei de zoon van Krishna tot Zijn wagenmenner: 'Je hebt er verkeerd aan gedaan wagenmenner, om Me van het slagveld weg te halen! (29) Buiten Mij, was er nog nooit van iemand geboren in het huis van Yadu bekend dat hij het slagveld verliet; nu is Mijn eer te grabbel gegooid door een wagenmenner die denkt als een eunuch! (30) Wat moet Ik, die Zijn vege lijf redde door voor de strijd te vluchten, nu zeggen als Ik Mijn vaders Râma en Krishna onder ogen kom? Wat moet Ik dan zeggen ter verdediging? (31) Ongetwijfeld zullen Mijn schoonzussen de spot met Me drijven en zeggen: 'Hoe is het, o held, Je vijanden nu gelukt om van Jou zo'n lafaard in de strijd te maken?'

(32) De wagenmenner zei: 'O Langlevende, wat ik deed werd met het volste vertrouwen in de regels van het dharma gedaan, o Heer; een menner behoort zijn meester te beschermen als die in moeilijkheden is geraakt, net zoals de meester ook de menner moet beschermen. (33) Aangezien U feitelijk door de knots van de vijand buiten westen geslagen, heb ik U met die gedachte van het veld afgevoerd. Wat mij betreft was U gewond geraakt!'

 

Hoofdstuk 77

Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

(1) S'rî S'uka zei: 'Met het beroeren van water, aansjorren van Zijn kuras en het oppakken van Zijn Boog zei Hij [Pradyumna] tot Zijn wagenmenner: 'Breng Me naar waar de krijger Dyumân zich ophoudt.'  (2) Met Dyumân die huishield onder Zijn troepen sloeg Rukminî's zoon terug met een glimlach, in de tegenaanval met acht nârâca-pijlen [van ijzer]. (3) Hij sloeg toe met vier voor de vier paarden, één voor de menner, met twee voor de boog en vlag en met één voor zijn hoofd. (4) Gada, Sâtyaki, Sâmba en anderen maakten een einde aan het leger van de meester van Saubha; allen die in de Saubha zaten vielen in de oceaan met hun nekken doorklieft. (5) Het gevecht tussen de elkaar aanvallende Yadu's en de volgelingen van S'âlva, dat om die reden tumultueus en angstwekkend was, duurde zevenentwintig dagen en nachten. (6-7) Krishna die geroepen door de zoon van Dharma weg was naar Indraprastha [zie 10.71] nam toen, met de Râjasûya beëindigd, S'is'upâla ter dood gebracht en met kwade voortekenen voor ogen, afscheid van de Kuru-ouderen, de wijzen en Prithâ en haar zoons, en ging naar Dvârakâ. (8) Hij zei tot Zichzelf: 'Terwijl Ik, vergezeld van Mijn vermaarde oudere broer, naar deze plaats kwam, zouden ondertussen de koningen van S'is'upâla's kant wel eens Mijn stad aan het belegeren kunnen zijn.' 

(9) Toen Hij koning S'âlva's Saubha en de vernietiging die zich voltrok van al het Zijne zag, trof Kes'ava Zijn maatregelen ter bescherming van de stad en zei Hij tot Dâruka:  (10) 'Breng Me Mijn strijdwagen, en breng Me snel in de buurt van S'âlva; en pas op, laat je niet in de luren leggen door deze heer van Saubha, hij is een groot magiër.'

(11) Met die opdracht de teugel ter hand nemend reed hij de wagen ernaartoe zodat, met Hem daar arriverend, al Zijn troepen en van die tegenpartij het embleem [van Garuda] in zicht kregen. (12) S'âlva, die als de meester van een vrijwel geheel vernietigde strijdmacht Heer Krishna op het slagveld zag, smeet zijn speer met een angstwekkend geluid in de richting van Krishna's menner. (13) In zijn vlucht alle richtingen in het licht zettend als was hij een grote meteoor, werd hij snel door Krishna in de lucht in honderd stukken gebroken.  (14) Zoals de zon die staat te stralen aan de hemel, belaagde Hij hem met zes alles doorborende pijlen en mikte Hij op het rondbewegende Saubha-fort met een hele stortvloed. (15) Maar toen S'âlva S'auri's linkerarm trof, de arm met Zijn boog, viel, hoogst verbazingwekkend, de S'ârnga uit handen van S'ârngadhanvâ. (16) Terwijl van de kant van alle levende wezens die hier getuige van waren een grote schreeuw van teleurstelling oprees, brulde de heer van Saubha en zei hij het volgende tegen Janârdana:  (17-18) 'Aangezien door Jou, o dwaas, recht onder onze ogen de bruid van Je broeder [neef in feite], een vriend [S'is'upâla], werd weggekaapt en hij, een vriend van mij dus, door Jou temidden van de vergadering werd gedood [10.74], zal Jijzelf, die zo overtuigd bent van Je eigen onoverwinnelijkheid, nu vandaag door mijn scherpe pijlen naar nergenshuizen worden gestuurd, mits Je natuurlijk het lef hebt Je tegenover mij op te stellen!' 

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Jij, idioot, hebt met je dood ophanden niets in de gaten en staat maar wat uit je nek te kletsen; helden daarentegen tonen hun kunsten, ze staan niet te ratelen!'

(20) Dat gezegd hebbende sloeg de Allerhoogste Heer vertoornd met een schrikwekkende macht en snelheid met Zijn knots hem bovenop het sleutelbeen zodat hij trillend op zijn benen bloed moest spuwen. (21) Maar toen Hij Zijn knots weer ophief was S'âlva verdwenen en verscheen een ogenblik later voor Krishna een man die met gebogen hoofd jammerend de woorden sprak: 'Moeder Devakî heeft me gestuurd! (22) Krishna, o Krishna, o Machtig Gearmde vol van liefde voor Uw ouders, Uw vader is gevangen genomen en meegevoerd door S'âlva als was hij een slager die een tam beest te pakken neemt.'

(23) Met het aanhoren van deze verontrustende woorden sprak Krishna, in het aangenomen hebben van de menselijke aard, uit liefde met mededogen [doend alsof Hij zou zijn] ontgoocheld, als was Hij een gewoon man:  (24) 'Hoe kan met Balarâma die nimmer van slag is en onoverwinnelijk Sura en Asura verslaat, nu die zielige S'âlva Mijn vader ontvoeren; hoe machtig is het lot wel niet!' 

(25) Met Govinda zich aldus uitend kwam de meester van Saubha op Krishna af alsof hij Vasudeva vooruit duwde en zei hij het volgende:  (26) 'Deze hier is degene die Jou verwekte, hij voor wie Jij in deze wereld rondloopt; ik zal hem hier recht voor je neus afmaken; redt hem maar als Je kunt, Jij kleuter!' 

(27) Nadat de magiër aldus van zijn minachting had blijkgegeven sloeg hij de 'Ânakadundubhi' het hoofd eraf en klom hij, het hoofd meenemend, in het Saubha-vehikel dat in de lucht hing. (28) Hoewel Hij er alles van wist, was Hij voor een ogenblik verzonken in het normale vasthouden aan Zijn liefde voor degenen die Hem dierbaar waren, maar toen drong het, met Zijn grote vermogens van waarnemen, tot Hem door dat het een demonische goocheltruc was waarvan S'âlva zich bediende naar de ontwerpen van Maya Dânava. (29) Op het slagveld ontwakend als uit een droom nu weer alert niet meer de boodschapper noch het lichaam van Zijn vader ziend en opmerkend dat Zijn vijand in zijn Saubha boven Zijn hoofd rondzweefde, nam Acyuta het besluit om hem ter dood te brengen. (30) Dat is hoe sommige wijzen die het niet goed beredeneren het onder woorden brengen, o ziener onder de koningen. Het lijdt geen twijfel dat zij in tegenspraak verkeren met hun eigen uitlatingen als ze er niet in slagen zich te herinneren hoe het in feite is. [vergelijk b.v. 10.3: 15-17; 10.11: 7; 10.12: 27; 10.31: *; 10.33: 37; 10.37: 23; 10.38: 10; 10.50: 29; 10.52: 7 en 10.60: 58]. (31) Het weeklagen, de verbijstering, de genegenheid of de angst die allemaal voortkomt uit onwetendheid staat toch in geen verhouding tot de oneindige waarneming, kennis en weelde van de Oneindige? (32) Aan Zijn voeten bannen zij, die zich sterkten door het dienstverlenen in zelfverwerkelijking, het lichamelijk begrip van zichzelf uit dat de eeuwige begoocheling vormt en bereiken ze in een persoonlijke relatie de eeuwige glorie - hoe ter wereld kan er nu voor Hem, de Hoogste Bestemming der Waarachtigen verbijstering bestaan? (33) En terwijl S'âlva met veel geweld Hem aanviel met een stortvloed aan wapens, doorboorde Heer Krishna onfeilbaar in Zijn kunnen, met Zijn pijlen zijn kuras, boog en kroonjuweel en sloeg Hij met Zijn knots het Saubha-voertuig van Zijn vijand stuk. (34) In duizenden stukken uiteen geslagen door de knots gehanteerd door Krishna, stortte het in het water. Eruit kruipend en overeind krabbelend stormde S'âlva toen met zijn knots in de hand op Krishna af.  (35) Op Hem af hollend met zijn knots omhoog werd zijn arm van zijn romp gescheiden met een bhalla snij-pijl. Vervolgens hield Krishna, stralend als een berg tegen de rijzende zon, teneinde S'âlva te doden Zijn wapenschijf omhoog die er precies zo uitzag als de explosie van licht aan het einde der tijden. (36) Daarmee scheidde de Heer toen het hoofd van de romp van die meester der toverkunsten, compleet met oorhangers en helm, net zoals heer Indra met zijn bliksemschicht dat deed met Vritrâsura [zie 6.12]. Daarop was er van de kant van zijn mannen een luid uitgeroepen 'helaas, helaas!' te horen. 

(37) Met de zondaar gevallen en het Saubha-fort door de knots vernietigd, weerklonken de pauken in de hemel bespeeld door de groepen halfgoden, o Koning. En toen was het Dantavakra die woedend, om zijn vrienden te wreken, naar voren stormde.'

 

Hoofdstuk 78

Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Als een daad van vriendschap tegenover de overledenen, S'is'upâla, S'âlva en Paundraka die naar een andere wereld waren geholpen, vertoonde zich, geheel in zijn eentje, te voet en met een knots in zijn hand o grote koning, de booswicht [Dantavakra, zie 9.24: 37] die in zijn woede met enkel zijn fysieke macht de aarde deed schudden onder zijn voeten. (3) Toen Hij hem op Zich af zag komen nam Heer Krishna snel Zijn knots, sprong van Zijn wagen en bracht Hij hem tot stilstand zoals de kust dat doet met de zee. (4) Zijn strijdknots heffend zei de koning van Karûsha verdwaasd tot Mukunda: 'Wat een geluk, wat een geluk om vandaag Jou mijn weg te zien kruisen. (5) Jij Krishna als onze neef van moeders zijde, die van geweld bent geweest met mijn vrienden, bent eropuitom mij te doden; daarom, Jij aardige vent, zal ik Je doden met mijn bliksemknots. (6) Alleen dan, Jij onbenul, zal ik, die om zijn vrienden geeft, met het doden van de vijand in de gedaante van een familielid die is als een ziekte in je lichaam, mijn schuld aan mijn vrienden hebben ingelost.'

(7) Aldus met grove taal Krishna belasterend zoals men een olifant aanspoort met stokken, brulde hij als een leeuw en sloeg hij Hem met zijn strijdknots op het hoofd. (8) Ondanks te zijn geraakt door de knots week Krishna, de verlosser van de Yadu's, geen centimeter van het slagveld en deelde Hij hem een zware klap midden op zijn borst uit met Zijn Kaumodakî [Zijn knots]. (9) Met zijn hart verpletterd door de knots bloed spuwend stortte hij levenloos ter aarde met zijn haar, armen en benen wijd uitgespreid. (10) Toen, o koning, ging, zo dat alle levende wezens het konden zien, net zoals bij S'is'upâla [zie 10.74: 45], een zeer subtiel, wonderbaarlijk licht Heer Krishna binnen. (11) Daarop kwam Vidûratha, zijn broer, verzonken in treurnis over zijn verwant, met zwaard en schild naar voren, zwaar ademend in zijn verlangen Hem te doden. (12) Van hem in de aanval sneed Krishna vervolgens met de messcherpe rand van Zijn cakra, o koning der koningen, het hoofd met de helm en de oorhangers eraf. (13-15) Na aldus de voor anderen onoverkomelijke S'âlva met zijn Saubha-fort tezamen met Dantavakra en zijn jongere broer Vidûratha te hebben gedood, werd Hij geprezen door de goden en de mensen, de wijzen en vervolmaakten, de zangers van de hemel en de wetenschappers, de groten der uitnemendheid en de dansmeisjes, de voorvaderen en de hoeders der weelde zowel als de achtenswaardigen en de machtigen die allen Zijn heerlijkheid bezongen onder het uitstrooien van bloemen toen Hij met de meest eminente Vrishni's om Zich heen Zijn opgesierde hoofdstad binnenkwam. (16) Het is op die manier dat de Heer van de Yoga, Krishna de Allerhoogste Heer en Meester van het Levende Wezen zegerijk is; het is in de ogen van hen die er een dierlijke manier van denken op nahouden dat Hij onder nederlagen gebukt lijkt te gaan [*].

(17) Heer Râma toen Hij vernam dat de Kuru's en de Pândava's zich op oorlog aan het voorbereiden waren, vertrok, bekendstaande als neutraal, met de mededeling dat Hij Zich wilde baden in heilige plaatsen. (18) Na Zich te hebben gebaad in Prabhâsa en de halfgoden en wijzen, de voorvaderen en menselijke wezens te hebben geëerd, ging Hij omringd door brahmanen naar de Sarasvatî waar ze in de westelijke richting naar de zee stroomt. (19-20) O zoon van Bharata, Hij legde een bezoek af aan de grote watervlakte van Bindu-saras, Tritakûpa, Sudars'ana, Vis'âla en Brahma-tîrtha, Cakra-tîrtha, de Sarasvatî waar ze naar het oosten stroomt en al [de heilige plaatsen] langs de Yamunâ en de Ganges alsook aan het Naimisha woud alwaar de rishi's zich bezighielden met het uitvoeren van een uitgebreide offerplechtigheid [zie ook 1.1: 4]. (21) Hem bij Zijn aankomst herkennend, begroetten zij die met het offer bezig waren Hem, naar behoren opstaand en zich buigend in eerbetoon. (22) Toen Hij tezamen met Zijn metgezellen was vereerd en een zitplaats had ingenomen merkte Hij op dat de leerling [Romaharshana, zie tevens 1.4: 22] van de grootste der wijzen [Vyâsa] was blijven zitten. (23) Met voor ogen dat de sûta [een zoon van een gemengd huwelijk van een brahmaanse vader en een kshatriya moeder] die zich niet had verbogen of zijn handen had samengebracht, neerzat hoger dan de rest van de geschoolden, raakte de lieve Heer vertoornd: (24) 'Omdat hij, als pratiloma geboren, hoger gezeten is dan deze geleerden en ook hoger dan Ik, de Beschermer der Religie, verdient hij het, arrogant als hij is, te sterven. (25-26) Na als een leerling van de Heer onder de wijzen [Vyâsa dus] in extenso de vele Itihâsa's, Purâna's en S'âstra's over de religie te hebben bestudeerd, is hij, zichzelf niet in de hand hebbend, ijdel de nederigheid missend en zijn geest niet onderworpen hebbend met het zichzelf voor een geleerde autoriteit houden, een acteur geworden die, door er een schone schijn van te maken, niet tot goede eigenschappen inspireert (27) Het is voor dit doel inderdaad dat Ik nederdaalde in deze wereld: om aan hen een einde te maken die zich voordoen als religieus maar in feite het meest zondig zijn.'

(28) Dat gezegd hebbende, sloeg de Opperheer, daar Hij [in Zijn bedevaart] er ook mee was gestopt de ongelovigen te doden, onvermijdelijk als het was, hem met de punt van een grasspriet die door Hem als de Meester in Zijn hand werd gehouden. (29) 'Ohhh, ohhh' riepen al de wijzen uit en zeiden verstoord tot Sankarshana deva: 'U hebt zich schuldig gemaakt aan een goddeloze daad, o Meester. (30) Samen met een lang leven en de vrijheid van materiële zorgen hebben we hem de zitplaats van de meester vergund totdat de offerplechtigheid is afgerond, o Lieveling van de Yadu's. (31-32) Hoewel natuurlijk, voor U, Meester der Mystieke Macht, de schriftuurlijke voorschriften niet de dienst uitmaken, hebt U zonder het te weten iets begaan dat gelijk staat aan het vernietigen van een brahmaan; maar als U voor dit ter dood brengen van een brahmaan boete doet, o Zuiveraar van de Wereld, zullen de gewone mensen, die zich aan niemand anders spiegelen, hun voordeel doen met Uw voorbeeld.'

(33) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik, die het verlang voor de gewone man van mededogen te zijn, zal de inlossing opbrengen voor de schade die Ik heb aangericht; alstublieft schroom u niet te zeggen wat het voorgeschreven ritueel is dat hiervoor zou gelden. (34) Oh, alstublieft breng dit onder woorden, dan zal Ik met Mijn mystiek vermogen het lange leven, de kracht en het zinnelijk vermogen in ere herstellen dat u [hem] beloofde.'

(35) De wijzen zeiden: 'AlstUblieft, o Râma, regel het zo dat zowel de macht van het doden door middel van Uw [gras-]wapen als dat wat wij gezegd hebben overeind blijft.'

(36) De Opperheer zei: 'Het kind geboren, zo zeggen het ons de Veda's, is waarlijk iemands eigen zelf, derhalve behoort zijn zoon [Sûta Gosvâmî, zie 1.2: 1] de spreker te zijn [van de Purâna, begiftigd] met een lang leven, sterke zinnen en fysiek vermogen [zie ook **]. (37) O besten der wijzen, zeg Me alstublieft wat u verlangt, ik zal het naleven, en wederom, bedenk alstublieft, o intelligenten, wat de juiste vorm van loutering zou zijn, want Ik heb er geen idee van.'

(38) De rishi's zeiden: 'De schrikwekkende duivel Balvala die Ilvala's zoon is bevuilt hier iedere nieuwe maan onze offerplechtigheid. (39) De beste dienst die U ons kan bewijzen is die zondaar die pus, bloed, uitwerpselen, urine en vlees over ons uitstort te verslaan, o afstammeling van Das'ârha. (40) Daaropvolgend dient U, voor de duur van twaalf maanden boete doend, sereen rond te trekken door het land van Bhârata [India] en U te zuiveren door te baden in de heilige plaatsen.'

Voetnoten 

* In deze verzen van het Bhâgavatam staat beschreven dat men denkt als een beest als men veronderstelt dat de Heer ooit ten onder zou gaan zoals dat het geval leek te zijn toen Krishna wegvluchtte voor Jarâsandha [10.52], Krishna die doet alsof Hij onder de indruk is van S'âlva's trucs [10.77: 27-32], toen de Boeddha bezweek aan voedselvergiftiging of toen Jezus Christus werd gekruisigd; uiteindelijk is er met Zijn neiging tot verdwijnen de victorie, de verlichting, de wederopstanding, de tweede geboorte in het aanvaarden van de leringen.

** Om het principe te verduidelijken hier verkondigd door Heer Balarâma wordt door de paramparâ in de persoon van S'rîla S'rîdhara Svâmî het volgende vedische vers aangehaald, dat zowel te vinden is in de S'atapatha Brâhmana (14.9.8.4) als in de Brihad-âranyaka Upanishad (6.4.8):

angâd angât sambhavasi
hridayâd abhijâyase
âtmâ vai putra-nâmâsi
sañjîva s'aradah s'atam

"U bent geboren uit mijn verschillende ledematen en bent ontsprongen aan mijn eigen hart. U bent mijn eigen zelf in de gedaante van mijn zoon. Moge een honderd herfsten uw deel zijn."

 

Hoofdstuk 79

Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, op de dag van de nieuwe maan, stak er een hevige wind op die het stof deed opwaaien, o Koning, met overal de geur van pus. (2) Daaropvolgend daalde er in het offerperk een regen van abominabele zaken neer voortgebracht door Balvala. Toen verscheen hij zelf ten tonele met een opgeheven drietand. (3-4) De aanblik van dat immense lichaam dat er net zo uitzag als een berg houtskool met een haarknot en een baard van vlammend koper, angstaanjagende tanden en een gezicht met samengeknepen wenkbrauwen, deed Râma denken aan Zijn knots, die vijandige legers onderuithaalt, en Zijn ploeg, die de Daitya's onderwerpt, die beiden direct aan Zijn zijde klaar stonden. (5) Met de punt van Zijn ploeg Balvala die zich in de lucht bewoog dichterbij naar beneden trekkend, bracht Balarâma met Zijn knots de plaaggeest van de brahmanen een slag op zijn hoofd toe. (6) Hij, een noodkreet slakend, stortte met zijn voorhoofd opengebarsten stromend van het bloed ter aarde als een roodaarden berg getroffen door een blikseminslag. (7) De wijzen staken gezamelijk de loftrompet en beloonden Râma met praktische zegeningen, waarbij ze Hem ceremonieel besprenkelden met water, net zoals de grote zielen dat deden met [Indra] de doder van Vritrâsura [Indra, zie 6.13]. (8) Ze gaven Râma een Vaijayantî bloemenslinger van nimmer verwelkende lotussen waarin S'rî huisde en een goddelijk stel kleren samen met hemelse sieraden.

(9) Na van hen afscheid genomen te hebben kwam Hij tezamen met de brahmanen bij de Kaus'ikî rivier aan alwaar ze een bad namen. Vandaar ging Hij verder naar het meer waar de Sarayû van wegstroomt. (10) De loop van de Sarayû volgend kwam Hij aan in Prayâga waar Hij een bad nam om de halfgoden en anderen gunstig te stemmen. Vervolgens begaf Hij zich naar de hermitage van Pulaha Rishi [zie ook 5.7: 8-9]. (11-15) Na zich te hebben ondergedompeld in de Gomatî, de Gandakî, de S'ona en de Vipâs'â rivier, ging Hij naar Gayâ om Zijn voorvaderen te aanbidden en naar de monding van de Ganges voor rituele wassingen. Op de berg Mahendra zag Hij Heer Paras'urâma. Daar Hem Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht nam Hij vervolgens een bad in de Saptagodâvarî ['zeven Godâvarî's] alsook in de rivieren de Venâ, de Pampâ en de Bhîmarathî. Toen Heer Skanda [Kârttikeya] met een bezoek te hebben vereerd, bezocht Râma S'rî-s'aila, de verblijfplaats van Heer Girîs'a [S'iva] en zag de Meester in Dravida-des'a [de zuidelijke provincies] de berg die het heiligst is, de Venkatha [van Bâlajî]. Volgend op de steden Kâmakoshnî en Kâñcî ging Hij naar de rivier de Kâverî en naar de grootste van hen allen, de allerheiligste S'rî-ranga, alwaar de Heer Zich manifesteerde [als Ranganâtha]. Van de berg van de Heer de Rishabha, ging Hij naar zuidelijk Mathurâ [Madurai waar de godin Mînâkshî verblijft] en naar Setubandha [Kaap Comorin], waar men van zelfs de zwaarste zonden verlost raakt. (16-17) Daar schonk de Hanteerder van de Ploeg, Halâyudha, een groot aantal koeien weg aan de brahmanen. Toen Zich begevend naar de rivieren de Kritamâlâ en de Tâmraparnî en de Malaya bergketen, boog Hij Zich aldaar voorover om Âgastya Muni de eer te bewijzen die neerzat in meditatie en Hem zijn zegen gaf. Met zijn toestemming weer verder begaf Hij Zich naar de zuidelijke oceaan naar Kanyâkumârî ['kuis meisje'] waar Hij de godin Durgâ zag [bekend als Kanyâ]. (18) Toen Phâlguna bereikend nam Hij een bad in het heilige meer van de vijf Apsara's alwaar Heer Vishnu Zich vertoonde en schonk Hij nogmaals een talloos aantal koeien weg. (19-21) Vervolgens reisde de Opperheer door Kerala en Trigarta waarna Hij in Gokarna [noordelijk Karnataka] aankwam, een plaats heilig vanwege de manifestatie van Dhûrjathi ['hij met de massa samengeklitte lokken'], S'iva. Na een bezoek aan de vereerde godin [Pârvatî] die verblijft op een eiland voor de kust ging Balarâma naar S'ûrpâraka om Zich onder te dompelen in de wateren van de Tâpî, de Payoshnî en de Nirvindhyâ. Toen betrad Hij het Dandakawoud en ging Hij naar de Revâ waar zich de stad Mâhishmatî bevindt; daar beroerde Hij het water van de Manu-tîrtha en keerde Hij terug naar Prabhâsa.

(22) Van de brahmanen hoorde Hij dat in een slag [te Kurukshetra] tussen de Kuru's en de Pândava's al de koningen elkaar wederzijds aan het vernietigen waren. Hij concludeerde dat de aarde verlost raakte van haar last [zie ook b.v. 10.50: 9]. (23) Hij, de geliefde Zoon van de Yadu's, ging toen naar het slagveld alwaar Hij Bhîma en Duryodhana probeerde te stoppen die elkaar aldaar bestreden met knotsen [zie ook 10.57: 26]. (24) Maar toen Yudhishthhira, de tweeling Nakula en Sahadeva, Krishna en Arjuna Hem zagen, waren ze stil in het brengen van hun eerbetuigingen met de brandende vraag: 'Wat wil Hij met Zijn komst hier ons nu vertellen?' (25) Met voor ogen de twee die met knotsen in hun handen, zich vaardig in cirkels bewegend, verwoed streefden naar de overwinning, zei Hij dit: (26) 'O Koning, o Grote Eter, jullie twee krijgsheren zijn gelijk qua kunnen; de een is denk Ik van een grotere lichaamskracht, terwijl de ander technisch beter getraind is. (27) Ik zie niet in hoe van wie van jullie twee hier ook, volkomen aan elkaar gewaagd als je bent, nu een zege of het tegengestelde kan worden verwacht; stop daarom met dit nutteloze vechten.'

(28) Hoewel ze beiden goed bij hun verstand waren, sloegen ze geen acht op Zijn woorden, o Koning, omdat ze steeds in gedachten hielden hoe grof de beledigingen waren geweest en hoezeer ze zich hadden misdragen. (29) Concluderend dat het hun lot was ging Râma naar Dvârakâ waar Hij werd begroet door een uitgelaten familie onder leiding van Ugrasena. (30) Met Hem weer terugkerend naar Naimishâranya betrokken de wijzen Hem, de Verpersoonlijking Aller Offers die van alle krijg had afgezien, met genoegen bij al de verschillende soorten rituelen [*]. (31) De Allerhoogste Heer, de Almachtige, verleende hen de volmaakt zuivere, geestelijke kennis waarmee ze toen dit universum konden waarnemen als zich in Hem bevindend en ook Hemzelf als alomtegenwoordig in de schepping. (32) Nadat Hij tezamen met Zijn vrouw [Revatî: zie 9.3: 29-33] het afsluitende rituele avabhritha bad had uitgevoerd kwam Hij, goed gekleed, fraai opgesmukt en omringd door Zijn familie en andere verwanten en vrienden, net zo schitterend voor de dag als de maan in haar volle glorie [vol en met de sterren eromheen].

(33) Van dit soort [spel en vermaak] van de machtige, onbegrensde en ondoorgrondelijke Balarâma, die Zich bij de macht van Zijn begoochelende vermogen vertoont als een menselijk wezen, zijn er zeker vele andere. (34) Wie ook die met regelmaat bij zonsopkomst en zonsondergang zich de handelingen van Râma herinnert welke allen even verbazingwekkend zijn, zal Heer Vishnu dierbaar zijn.' 

Voetnoot

* S'rîla Prabhupâda schrijft hier: 'Feitelijk heeft Heer Balarâma niets van doen met het houden van de offerplechtigheden die voor de gewone man zijn weggelegd; Hij is de Hoogste Persoonlijkheid van God, en daarom is Hij de genieter van al dergelijke offers. Als zodanig, was Zijn voorbeeldige handelen in het uitvoeren van de offers er alleen maar ter lering van de gewone man, om te laten zien hoe het te houden op de voorschriften van de Veda's'.

 

Hoofdstuk 80

Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Mijn heer, ik zou graag vernemen, o meester, welke heldendaden er nog meer zijn van Heer Krishna, de Opperziel van Onbegrensde Macht. (2) Wie dan ook die moe is van het najagen van materiële verlangens en weet heeft van de essentie, o brahmaan, is ertoe in staat om van die bovenzinnelijke onderwerpen van de Heer Geprezen in de Geschriften af te zien als hij er bij herhaling kennis van heeft genomen? (3) De eigenlijke macht van het woord is de macht die Zijn kwaliteiten beschrijft, de feitelijke handen zijn degene die Zijn werk doen, de ware geest is de geest die zich Hem herinnert als zich ophoudend bij hen die zich rondbewegen en die niet bewegen en wat echt luistert is het oor gespitst naar Zijn heiligende onderwerpen [vergelijk 2.3: 20-24]. (4) Het gaat om het hoofd dat buigt voor de manifestaties [bewegend/niet bewegend] van Hem, het oog inderdaad dat enkel Hem ziet en de ledematen welke regelmatig het water eren dat de voeten wast van Vishnu of Zijn toegewijden.' "

(5) Sûta [1.2: 1] zei: "Na deze goedgestelde vraag van Vishnurâ [Parîkchit als zijnde door Vishnu gezonden] sprak de machtige wijze, de zoon van Vyâsa wiens hart volledig was verzonken in Vâsudeva. (6) S'rî S'uka zei: 'Er was een zekere vriend van Krishna [genaamd Sudâmâ, niet dezelfde als vermeld in 10.41: 43], een brahmaan goed thuis in de Veda's, die vreedzaam van geest en met zijn zinnen in bedwang onthecht van de zinsobjecten leefde. (7) Levend als een huishouder van wat zonder moeite voor handen was, was zijn vrouw, net als hij, armzalig gekleed en uitgemergeld van de honger. (8) Gebukt onder de armoede trillend op haar benen benaderde ze, trouw als ze was, haar echtgenoot en zei: (9) 'Is het niet zo, o brahmaan, dat je vriend, o meester der toewijding, de Echtgenoot van S'rî vol van mededogen voor de Brahmanen is en als de beste der Sâtvata's bereid is bescherming te bieden? (10) Benader Hem, o genadige van mij, en Hij, de Uiteindelijke Toevlucht der Gelouterden, zal weelde in overvloed verschaffen voor jou die het zo moeilijk hebt met het onderhouden van je gezin. (11) Als de Heer van de Bhoja's, Vrishni's en Andhaka's die nu aanwezig is in Dvârakâ, zelfs Zichzelf wegschenkt aan degene die zich de lotusvoeten herinnert van Hem, de Meester van het Universum, wat zou dat dan niet inhouden voor hen die van aanbidding zijn en niet zozeer verlangen naar economisch succes en zinnelijke bevrediging?'

(12-13) De brahmaan die zo herhaaldelijk en op verschillende manieren door zijn vrouw ertoe werd verzocht dacht aldus: 'De aanblik van Uttamas'loka is waarlijk het hoogste dat men kan bereiken'. Hij besloot om naar Hem toe te gaan en vroeg haar toen: 'Is er iets in huis dat als een gift kan dienen mijn beste vrouw? Geef het me dan alsjeblieft!' (14) Ze bedelde vier handen vol gepelde en geroosterde rijst bij elkaar van andere brahmanen, wikkelde die in een stuk stof en gaf dat toen als gift aan haar man mee.

(15) Hij, de beste onder de geschoolden, nam het mee en dacht onderweg naar Dvârakâ: 'Hoe moet nou ooit die ontmoeting van mij met Krishna plaatsvinden?' (16-17) Met [een paar andere] brahmanen meelopend passeerde hij drie poorten en drie wachtposten en liep toen tussen de huizen van Acyuta's trouwe volgelingen, de Andaka's en de Vrishni's. Hij was nu daar waar men zich normaal niet kon begeven zodat hij zich voelde alsof hij de gelukzaligheid van de Zuivere Geest had bereikt. Hij ging toen een van de zestienduizend weelderige woningen van de koninginnen van de Heer binnen [*]. (18) Acyuta die op het bed van Zijn gemalin zat en hem van een afstand aan zag komen, kwam onmiddellijk overeind en trad naar voren om hem verheugd in Zijn armen te sluiten. (19) De Lotusogige, in aanraking met het gelouterde en wijze lijf van Zijn beminde vriend, liet bovenmate in vervoering een paar tranen de vrije loop. (20-22) Nadat Hij hem vervolgens op het bed liet plaatsnemen kwam Hij voor de dag met wat zaken om Zijn vriend de eer te bewijzen en zijn voeten te wassen. Het water nam de Opperheer Aller Werelden op Zijn hoofd, o Koning, waarna de Zuiveraar hem insmeerde met goddelijk geurende sandel- en aloë-hout [lignaloes of aguru]pasta en kunkuma. Blij Zijn vriend de eer te bewijzen met geurige wierook en reeksen lampen, heette Hij hem welkom onder het aanbieden van betelnoot en een koe. (23) De godin [Rukminî] was persoonlijk van dienst door zorgvuldig de vuile en schamel geklede, uitgehongerde tweemaal geborene, wiens aderen konden worden gezien, koelte toe toe te wuiven met een yakstaart. (24) De mensen in het paleis die Krishna zo onberispelijk in Zijn glorie bezig zagen, verbaasden zich enorm over de intense liefde waarmee de verschoppeling [de avadhûta] werd geëerd: (25-26) 'Welke vrome daden heeft deze onreine, verstoten en lage bedelaar verstoken van alle weelde in de wereld, wel niet verricht om met eerbied te worden bediend door de Geestelijk Leraar van de Drie Werelden die het verblijf vormt van S'rî? Zittend op haar bed omhelsde Hij zonder nog acht te slaan op de godin hem als een oudere broer!'

(27) Elkaars handen vastgrijpend, o Koning, bespraken ze de onderwerpen uit het verleden toen ze samenleefden in de school van hun geestelijk leraar [zie 10.45: 31-32]. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, nadat de goeroe zijn vergoeding van jou ontving, o kenner van het dharma, en je weer terugkwam, ben je toen met een geschikte vrouw getrouwd of niet? (29) Met je geest in beslag genomen door huishoudelijke zaken liet je je niet door begeerten voortdrijven, noch, zo weet Ik is waar, schep je er veel behagen in, o wijze, je geluk in materieel bezit te zoeken. (30) Sommige mensen kwijten zich van hun wereldse verplichtingen zonder in hun geesten verstoord te zijn door begeerten; handelend zoals Ik om een voorbeeld te stellen, schudden zij de materiële geneigdheden die zich van nature opwerpen van zich af. (31) Kan jij, o brahmaan, je nog herinneren dat we leefden in de gurukula? Het is daar dat een tweemaal geborene begrip krijgt voor wat moet worden begrepen en zo tot de ervaring kan komen van wat verheven is boven de onwetendheid. (32) De eerste geboorte van iemand die tweemaal geboren is, mijn vriend, is dit materiële leven. Maar onder het directe toezicht van een geestelijk leraar, de verlener van de geestelijke kennis die is zoals Ik ben, raakt hij geheiligd [in een 'tweede geboorte'] door de plichten na te leven die de goeroe onderricht voor alle afdelingen van het geestelijk leven [zie âs'rama en 7.12]. (33) Voorzeker zijn van hen betrokken bij het varnâs'rama-systeem [zie ook B.G. 4: 13] in deze wereld zij de experts van kennis in de ware welvaart, o brahmaan, die de oceaan van het materieel bestaan oversteken met behulp van de woorden die van Mij als de geestelijk leraar afkomstig zijn. (34) Ik, de Ziel van Alle Levenden, ben minder tevreden met de rituele aanbidding, de brahmaanse inwijding, de verzaking of de zelfbeheersing dan Ik ben met trouwe dienstverlening [vergelijk 7.14: 17]. (35-36) O brahmaan, herinner je je wat we, levend bij onze geestelijk leraar, deden toen we eens door de vrouw van onze goeroe eropuitwerden gestuurd voor sprokkelhout? Na een groot bos te zijn ingelopen stak er, o tweemaal geborene, geheel tegen het seizoen in, een felle, zwaar bulderende wind met regen op. (37) Met de zon reeds onder overvallen door de duisternis kon met al het water om ons heen geen richting worden bepaald of hoog of laag gebied worden onderscheiden. (38) Wij, onophoudelijk zwaar belaagd door de hevige wind en het water aldaar, waren in de overstroming niet in staat te bepalen in welke richting we ons moesten begeven. We hielden toen, in het bos verdwaald, in onze nood elkaar bij de handen vast. (39) Onze goeroe Sândîpani die dit wist, ging bij zonsopkomst naar ons, zijn leerlingen, op zoek. Zo trof de âcârya ons toen aan in hoge nood: (40) 'Oh jullie kinderen, hoe zwaar hebben jullie omwille van mij moeten lijden; in jullie toewijding voor mij hebben jullie afgezien van [de gemakken voor] het lichaam dat voor alle levende wezens het dierbaarste bezit vormt! (41) Dit is nu de waarheid die geldt voor discipelen: om, volkomen zuiver in je liefde, de schuld in te lossen aan de goeroe met het aan de geestelijk leraar aanbieden van jezelf en je bezittingen. (42) Ik ben tevreden met jullie mijn beste jongens, o besten der brahmanen, mogen jullie verlangens in vervulling gaan en moge in deze wereld zowel als in de wereld hierna dat wat voortvloeit uit jullie aantrekking [jullie woorden, jullie mantra's] nimmer teloor gaan [vergelijk 10.45: 48].' (43) Er deden zich vele dingen als deze voor toen we leefden ten huize van de goeroe; het is enkel door de genade van de geestelijk leraar dat een persoon vervuld raakt in zijn zoektocht naar de vrede.'

(44) De brahmaan zei: 'Wat valt er voor mij nog meer te bereiken in dit leven, o God der Goden, o Goeroe van het Universum, na bij onze goeroe thuis te hebben geleefd met Jou, de persoon van wie alle verlangens in vervulling gaan? (45) O Almachtige in Jouw lichaam, dat de vruchtbare akker vormt voor alle welstand, wordt de lof [van de Veda's] gevonden met betrekking tot de Absolute Waarheid, Jouw verblijven bij geestelijk leraren is geheel en al een rollenspel [zie ook 40 10.69: 44 en 10.77: 30]!' 

 Voetnoot

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî citeert uit de Padma Purâna, Uttara-khanda, die zegt dat de brahmaan in feite het paleis van Rukminî betrad: 'sa tu rukminy-antah-pura- dvâri kshanam tûshnîm sthitah'; 'Voor een ogenblik stond hij in stilte bij de ingang van koningin Rukminî's paleis'.

 

Hoofdstuk 81

De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Hij, Bhagavân Krishna, het Ware Doel van de Toegewijden, de Heer Volmaakt Bekend met wat er Omgaat in Alle Levende Wezens, die Zich aldus onderhield met deze beste ziel onder de brahmanen, sprak toen, in Zijn toewijding voor de geschoolden, tot hem met een liefdevolle blik in Zijn ogen, almaar glimlachend en lachend naar Zijn beminde vriend. (3) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat voor een gift heb je voor Mij van huis meegebracht, o brahmaan; zelfs het geringste geofferd door toegewijden in zuivere liefde verandert in iets enorms voor Mij, terwijl zelfs niet het grootste gepresenteerd door niet-toegewijden in staat is Mij tevreden te stellen. (4) Wie Mij ook een blad, een bloem, een vrucht en water met toewijding aanbiedt, dat offer vanuit het hart door een ziel van goede gewoonten gebracht aanvaardt Ik [hetzelfde als in B.G. 9: 26].'

(5) De tweemaal geborene echter, aldus aangesproken, was, zijn hoofd vooroverbuigend, te zeer in verlegenheid met Hem, de Echtgenoot van de Godin van het Geluk, en bood niet de paar handjes rijstkorrels aan, o Koning. (6-7) Hij als de rechtstreekse getuige in het hart van alle levende wezens volledig op de hoogte zijnde van de reden waarom hij was gekomen dacht toen: 'Hij aanbad Me in het verleden en begeerde nimmer de weelde, maar omdat hij, Mijn vriend, om zijn kuise en dienstbare echtgenote tevreden te houden, nu naar Mij toe is gekomen, zal Ik hem de rijkdom schenken die [zelfs] buiten het bereik van de onsterfelijken ligt [zie ook B.G. 9: 22].' (8) Met dit in gedachten griste Hij Zelf van onder de kleding van de tweemaal geborene de in een lap gewikkelde rijstkorrrels weg, en zei toen: 'Wat is dit? (9) Heb je dit voor Mijn genoegen meegebracht Mijn beste vriend? Deze rijstkorrels verzadigen Mij en het hele universum [dat Ik ben]!'

(10) Dat gezegd hebbende nam Hij een handjevol om te eten en toen nog een handje, waarop S'rî [Rukminî devî] Hem, de Allerhoogste die zij was toegewijd, Zijn hand beetgreep [daar de gepelde rijstkorrels moeilijk te verteren waren]. (11) 'Dat, o Ziel van het Universum, is toereikend om een persoon die uit is op Jouw voldoening te laten gedijen in deze wereld en de volgende met alle weelde die er bestaat.'

(12) De brahmaan die daarna de nacht doorbracht in Acyuta's paleis, voelde zich, met het naar zijn genoegen hebben gegeten en gedronken, alsof hij in de hemel was beland. (13) De dag erna ging hij die door Hem, de In Zichzelf Voldane Handhaver van het Universum, was vereerd, terug naar zijn woonplaats mijn beste, er tijdens zijn reis helemaal verguld over wat hem was overkomen. (14) Hoewel hij geen rijkdommen van Krishna had ontvangen en er uit verlegenheid uit zichzelf ook niet om gebedeld had, liep hij op weg naar huis over van vreugde over de audiëntie die de Grote hem vergund had. (15) 'Ah, wat een voorrecht om te hebben mogen ervaren hoezeer Hij, de Godheid der tweemaal geborenen, van toewijding is voor de brahmanen; Hij die Lakshmî in Zijn borst draagt omhelsde de armste sloeber! (16) Wie ben ik nou? Iemand arm en zondig! En wie is Krishna? De tempel van S'rî! En Hij, deze brahmanenvriend, sloot mij zomaar in Zijn armen! (17) Als een broeder liet Hij me plaats nemen op het bed van Zijn lief, en, vermoeid als ik was,werd me door Zijn koningin koelte toegewuifd met een haarwaaier die ze vasthield. (18) Van harte bediend en met mijn voeten gemasseerd en dergelijke werd ik als een halfgod aanbeden door de God der Goden, de Godheid der Geschoolden! (19) De verering van Zijn voeten vormt de grondslag van alle perfecties die een persoon kan verwerven in de hemel, in zijn emanciperen, in de lagere regionen en op aarde. (20) 'Als deze armoedzaaier rijkdom verwerft zal hij, genietend in overvloed, zich Mij niet herinneren', zo moet Hij gedacht hebben, zo genadig zijnd me niet de geringste weelde toe te denken.'

(21-23) Aldus in beslag genomen door deze gedachten kwam hij in de buurt van zijn huis. Daar kwam hij te staan voor hoog oprijzende paleizen die wedijverden met de zon, het vuur en de maan, aan alle kanten omringd door wonderschone hoven en tuinen vol van hordes tjilpende vogels, vijvers vol met lelies en 's nachts en overdag bloeiende witte lotussen en rijkelijk uitgedoste en met sieraden behangen mannen en vrouwen met ogen als die van reeën. 'Wat is dit nu, wie heeft dit in bezit, hoe kon dit hier ontstaan?' (24) Op die manier zijn geest pijnigend werd hij welkom geheten door de mannen en vrouwen met verschijningen stralend als de halfgoden, die allergunstigst luid zongen met instrumentale muziek. (25) Horend dat haar echtgenoot was gearriveerd, kwam zijn opgewonden echtgenote buitenmate opgetogen, snel het huis uit als was het de godin van het geluk die zich manifesteerde vanuit haar hemelverblijf. (26) Toen ze de echtgenoot zag die ze zo toegewijd was, boog ze, met haar ogen vol tranen met de aandrang der liefde gesloten, plechtig haar hoofd voorover, hem vanbinnen in haar hart omhelzend. (27) Met de aanblik van zijn vrouw die zo luisterrijk verscheen als een godin in een vimâna, stralend temidden van dienstmaagden met gouden hangers om hun halzen, stond hij versteld. (28) Er zelf blij mee haar aan zijn zijde te hebben zag hij, naar binnen gegaan, hoe zijn huis met de honderden met edelstenen ingelegde zuilen eruit zag als het paleis van de grote Indra. (29-32) Er waren daar ivoren bedden versierd met goud [met beddengoed] wit als schuim en sofa's met gouden poten, yakstaart-waaiers, gouden zetels met zachte kussens en baldakijnen waarvan strengen parels neerhingen. Toen hij de stralend heldere muren van kwarts ingelegd met kostbare smaragden zag alsook de lampen met edelstenen en de vrouwen behangen met juwelen, overdacht de brahmaan daarmee, vrij van zorgen met al de bloeiende weelde, waar hij al die onverwachte voorspoed aan te danken had: (33) 'Het moet wel zo zijn dat de oorzaak van mijn voorspoed hier, van mij die armoedig altijd zo onfortuinlijk was, niets anders kan zijn dan de blik die Hij, de Beste der Yadu's, die van de Grootste Volkomenheid is, op me geworpen heeft. (34) Uiteindelijk is het zo dat Hij, mijn Vriend, de meest verhevene onder de Das'arha's en de Genieter van Alle Weelde, zo gul als een wolk heeft gegeven toen Hij met mij bij Zich niets zei toen Hij mijn bedoeling doorhad om te gaan bedelen. (35) In tegenstelling tot het kleine dat Hij maakt van het grote dat Hij Zelf geeft wordt het onbeduidende gegeven door een welgezinde vriend door Hem omgetoverd in iets groots; dat is hoe de Allerhoogste Ziel met genoegen de handvol rijstkorrels aanvaardde die ik meebracht. (36) Laat er enkel leven na leven herhaaldelijk mijn liefde [sauhrida], vriendschap [sakhya], welgezindheid [maitrî] en dienstbaarheid [dâsya] met Hem zijn, het Goddelijk, Mededogende Reservoir van Bovenzinnelijke Eigenschappen, en moge ik stevig verankerd raken in gehechtheid aan de waardevolle omgang met Zijn toegewijden. (37) De Opperheer verleent Zijn toegewijde niet de wonderbaarlijke volheden - een koninkrijk en materiële voordelen - als hij, niet wedergeboren zijnde [zie 10.80: 32], tekort schiet in begrip. Hij ziet in Zijn wijsheid hoe de verrukking [de arrogantie, de verbeelding ofwel de mada] leidt tot de neergang der welgestelden.'

(38) Op deze manier hecht verankerd in intelligentie was hij Janârdana hoogst toegewijd en genoot hij vrij van wellust samen met zijn vrouw. Daarbij hield hij in gedachten dat hij zich [steeds weer] moest losmaken van de zinsobjecten. (39) Door Hem, de God der Goden, Hari, de Heer en Meester van het Offer, zijn de brahmanen waarlijk de meesters; er is geen hogere goddelijkheid van aanbidding te vinden dan zij [zie ook 7.11: 14, 7.14: 17-18, 10.24: 25, 10.45: 32]. (40) Met het aldus herkennen van de Onoverwinnelijke overwonnen als Hij is door Zijn eigen dienaren [zie ook 9.4: 63 en 10.9: 19] werd hij, de geschoolde vriend van de Opperheer, door de werking van zijn mediteren op Hem, verlost uit zijn gebondenheid aan het [materiële] zelf en bereikte hij spoedig Zijn hemelverblijf, de eindbestemming der waarachtigen. (41) Hij die verneemt van deze sympathie voor de tweemaal geborenen van de Godheid van de brahmanen, zal liefde opvatten voor de Allerhoogste Heer en bevrijd raken van de gebondenheid van het baatzuchtig handelen [zie ook 7.11: 35].'

 

Hoofdstuk 82

Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'In de tijd dat Râma en Krishna in Dvârakâ leefden, was er op een dag [*] een zonsverduistering die zo indrukwekkend was als het einde van de dag van Brahmâ. (2) De mensen die dat van tevoren reeds wisten, o Koning, kwamen van overal naar het veld van Samanta-pañcaka ['de vijf meren' te Kurukshetra] in de hoop daarmee hun voordeel te doen. (3-6) Het is de plaats waar Heer Paras'urâma, de grootste held op wapengebied, met het met de aarde verlossen van haar overheersers met de stromen bloed van de koningen de grote meren schiep [zie 9.16: 18-19]. Bhagavân Paras'urâma was daartoe, hoewel karmische terugslagen geen vat op Hem hadden, als de Beheerser om de wereld in het algemeen instructie te verschaffen, daar van aanbidding als was hij een andere [een gewone] persoon die het wenst de zonde van zich af te schudden. Aldus kwam, o zoon van Bharata, voor die gelegenheid een groot aantal mensen uit Bhârata daar naartoe voor een heilige bedevaart. De Vrishni's, met inbegrip van Akrûra, Vasudeva, Âhuka [Ugrasena] en anderen die een punt wilden zetten achter hun zonden, gingen allen naar die heilige plaats terwijl Gada, Pradyumna en anderen met Sucandra, S'uka en Sârana en de legeraanvoerder Kritavarmâ, thuisbleven om de wacht te houden. (7-8) Als stralende Vidyâdhara's kwamen ze in wagens die leken op die waar de goden in zitten, zich bewegend in grote golven met paarden en trompetterende olifanten en massa's voetvolk. Schitterend met hun vrouwen, met gouden halskettingen, bloemenslingers, uitdossing en kuras, kwamen ze tijdens hun reis zo verheven goddelijk en majesteitelijk over als zij die door de hemel reizen. (9) De zeer vrome Yâdava's aldaar badend en vastend, droegen er nauwlettend zorg voor dat de brahmanen koeien werden gegeven, kledingstukken, bloemenslingers, goud en halskettingen. (10) In de meren van Paras'urâma zoals voorgeschreven nogmaals een bad nemend [de volgende dag ter afsluiting van het vasten], baden de Vrishni's, met het de tweemaal geborenen rijkelijk voorzien van de meest uitgelezen spijzen: 'Moge er onze toewijding voor Krishna zijn.' (11) Toen genoten de Vrishni's, met Krishna als hun enige echte godheid, met Zijn permissie van de maaltijd, waarbij ze comfortabel in de koele schaduw van de bomen zaten. (12-13) Zij, daar aangekomen, ontmoetten hun vrienden en verwanten, de koningen van de Matsya's, Us'înara's, Kaus'alya's, Vidarbha's, Kuru's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kaikaya's, Madra's, Kuntî's, Ânarta's, Kerala's en anderen, alsook honderden medestanders en tegenstanders, o Koning, zowel als hun vrienden, de gopa's en gopî's aangevoerd door Nanda die er al zo lang naar uitzagen [om hen te zien]. (14) Elkaar weer treffend omhelsden ze hen krachtig met stromen tranen, kippenvel en een verstikte stem in de hoogste staat van vervoering waarbij, door hun emoties, hun harten en gezichten zo prachtig opbloeiden als lotussen. (15) De vrouwen die elkaar weer zagen glimlachten met grote ogen gevuld met tranen van pure liefde en sloten elkaar met de grootste vriendschap in hun armen, borsten tegen borsten drukkend die waren ingesmeerd met kunkuma-pasta. (16) Vervolgens bewezen ze de ouderen hun respect en namen ze de eerbetuigingen in ontvangst van jongere verwanten. Nadat ze elkaar hadden gevraagd naar hun welzijn en het gemak van hun reis begonnen ze onderling te praten over Krishna.

(17) Kuntî die haar broers en zusters zag, alsook haar ouders, haar schoonzussen en Mukunda, vergat haar verdriet op het moment dat ze met hen sprak. (18) Kuntî zei: 'O achtenswaardige, o broer van me, ik voel me zeer gefrustreerd in mijn verlangens omdat jullie, hoe heilig je ook bent, niet hebben gedacht aan wat me allemaal overkwam in mijn tegenspoed [zie ook 1.8: 24]! (19) Vrienden, verwanten - zoons, broers en ouders zelfs - vergeten makkelijk degene onder hen die het minder goed treft in het leven.'

(20) S'rî Vasudeva zei: 'Mijn beste, wees niet boos op ons, de mens is een speelbal van het lot, een persoon immers, of hij nu op eigen houtje bezig is of handelt in opdracht, valt altijd onder het gezag van de Heer. (21) Zwaar belaagd door Kamsa hebben we ons in alle richtingen verspreid [zie 10.2: 7 en 10.4]; pas nu keerden we door Goddelijke Voorbeschikking terug naar onze eigenlijke posities, o zuster.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Al de koningen daar geëerd door Vasudeva, Ugrasena en de andere Yâdava's, vonden vrede in de opperste extase Acyuta te zien. (23-26) Bhîshma, Drona, de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Gândhârî met haar zoons alsook de Pândava's en hun echtgenotes, Kuntî, Sañjaya, Vidura en Kripa; Kuntîbhoja en Virâtha, Bhîshmaka, de grote Nagnajit, Purujit, Drupada, S'alya, Dhrishthaketu, en hij, de koning van Kâs'i; Damaghosha, Vis'âlâksha, de koningen van Maithila, Madra en Kekaya, Yudhâmanyu en Sus'armâ en Bâhlika en anderen met hun zoons, alsook, o beste der koningen, vele andere koningen ressorterend onder Yudhishthhira, waren allen vol van verwondering om het verblijf van S'rî, de persoonlijke gedaante van S'auri, samen met Zijn vrouwen te aanschouwen. (27) Toen ze van Râma en Krishna gepast de eerbewijzen in ontvangst hadden genomen prezen de koningen op hun beurt vervuld van vreugde enthousiast de Vrishni's, de persoonlijke metgezellen van Krishna: (28) 'O meester van de Bhoja's [Ugrasena], u bent van een geboorte die de moeite waard is onder de mensen in deze wereld, omdat u herhaaldelijk Krishna ziet die zelfs door de yogi's maar zelden wordt gezien. (29-30) Zijn faam zoals uitgedragen door de Veda's, het water dat van Zijn voeten afspoelt en de woorden van de geopenbaarde geschriften zuiveren grondig dit universum [zie ook B.G. 15: 15]. Door de aanraking van Zijn lotusgelijke voeten is, ook al was haar goede geluk verwoest door de Tijd, de vitaliteit van de aarde ontwaakt en laat ze in overvloed op ons neerregenen alles wat we maar verlangen. Met het door u zien van Hem in eigen persoon, het Hem aanraken en met Hem rondlopen, converseren, neerliggen, zitten, eten, getrouwd zijn en het als bloedverwant verbonden zijn met Hem, hebt u die het [normaal gesproken] helse pad van het gezinsleven bewandelt nu Vishnu gevonden, de hemel en bevrijding die het einde vormt [van iemands zoeken. Zie ook 5.14 en 7.14 en B.G. 11: 41-42].'

(31) S'rî S'uka zei: 'Toen Nanda erachter kwam dat de Yadu's onder leiding van Krishna daar waren aangekomen, ging hij op pad om Hem te ontmoeten, vergezeld door de gopa's met hun bezittingen op hun wagens. (32) Erover verrukt Hem te zien leefden de Vrishni's helemaal op als ontwaakten ze uit de dood en omhelsden ze Hem stevig, erover opgewonden na zo een lange tijd Hem voor zich te zien. (33) Vasudeva, die door de liefde buiten zichzelf van vreugde aan het omhelzen was, herinnerde zich de moeilijkheden zoals ze veroorzaakt waren door Kamsa en om reden waarvan hij zijn zoons in Gokula had moeten achterlaten [zie 10.3 & 10.5]. (34) Krishna en Râma betoonden met het omhelzen van Hun [pleeg-]ouders hen de eer en brachten, met Hun kelen vol van tranen van liefde, niets uit, o grootste held van de Kuru's. (35) Hen op hun schoten hijsend en Ze in hun armen houdend gaven de twee zo fortuinlijke zielen, hij en Yas'odâ, hun verdriet op [van het zo lang gescheiden te zijn geweest]. (36) Rohinî en Devakî die daarna de koningin van Vraja omhelsden met in gedachten wat ze allemaal [voor hen] gedaan had uit vriendschap, spraken haar toe met kelen vol met tranen: (37) 'Welke vrouw kan nu de aanhoudende vriendschap vergeten van jou en Nanda, o koningin van Vraja; zelfs niet het verwerven van de rijkdom van Indra zou afdoende zijn om het jullie in deze wereld te vergoeden. (38) Voordat deze Twee hun ouders konden ontmoeten ontvingen Ze, verblijvend bij jullie twee als Hun [stief-]ouders, de opvoeding en genegenheid, de voeding en bescherming, mijn beste dame. Onder de vleugels van jullie heiligen, die voor niemand een vreemde zijn en zo goed van bescherming zijn als oogleden voor de ogen, hadden Ze niets te vrezen.'

(39) S'rî S'uka zei: 'De gopî's nu ze na zo'n lange tijd Krishna, het voorwerp van hun verlangen, weer terugzagen - voor de aanblik van wie ze de schepper van hun oogleden wel konden verwensen [zie 10.31: 15] - sloten allen via hun ogen Hem in hun harten om Hem daar naar hartelust te omhelzen en bereikten zo de extatische vervoering die zelfs voor hen die voortdurend bezig zijn met mediteren moeilijk te bereiken is. (40) De Allerhoogste Heer, ze meer privé benaderend, vroeg hen, ze omhelzend, naar hun gezondheid en zei lachend dit: (41) 'Beste vriendinnen, herinneren jullie je Ons nog, die eropuitom de partij van onze vijanden te vernietigen, omwille van die plicht zo lang wegbleven? (42) Misschien denken jullie wel slecht over Ons ervan uitgaande dat We jullie uit ons hoofd gezet zouden hebben - maar in feite is het de Opperheer die de levende wezens samenbrengt en scheidt. (43) Zoals de wind massa's wolken, gras, zaadpluizen en stof samenbrengend, ze weer uit elkaar gooit, gaat op dezelfde manier de Schepper van de levenden tewerk met Zijn wezens [vergelijk 10.5: 24-25]. (44) Bij genade van de liefde voor Mij die zich fortuinlijk genoeg ontwikkelde van de kant van jullie goede zelven, hebben jullie Mij verworven; en inderdaad is het de toegewijde dienst aan Mij wat de levenden naar de onsterfelijkheid leidt [vergelijk B.G. 9: 33]. (45) Zoals de ether, het water, de aarde, de lucht en het vuur van materiële zaken, o dames, ben Ik waarlijk binnen en buiten, het begin en het einde van alle geschapen wezens [zie b.v. 10.9: 13-14]. (46) Deze materiële levensvormen, die aldus bestaande temidden van de elementen der schepping en eveneens er zijn als het âtmâ [de Ziel, het zelf en de persoon] dat overeenkomstig zijn eigenlijke aard alles doorvaart, moeten jullie beide zien als zich bevindend in Mij, in de Onvergankelijke, Opperste Waarheid [zie ook 40 1.3: 1, 3.26: 51, 10.59: 29, B.G. 9: 15 en siddhânta].'

(47) S'rî S'uka zei: 'De gopî's die aldus met de instructie over het âtmâ door Krishna waren onderricht, deden door voortdurend te mediteren op Hem de subtiele overdekking van de ziel teniet [zie linga, 7.2: 47 en 4.29] en kwamen tot het volle begrip van Hem. (48) Ze zeiden: 'Met dat wat Je zei, o Heer met de Lotusnavel, wensen we dat onze geesten, hoezeer ze ook in beslag zijn genomen door het huishouden, immer alert zijn op Jouw Lotusvoeten die door de grote yogi's en hoog geleerde filosofen in hun harten worden gehouden om op te mediteren, want ze vormen, voor hen die vielen in de overwoekerde put van een materieel bestaan, de enige toevlucht om de oversteek te maken [zie ook 7.5: 5, 10.51: 46, 7.9: 28, 7.15: 46].'  

Voetnoot

* Volgens S'rîla Sanâtana Gosvâmî in zijn Vaishnava-toshanî commentaar zou deze gebeurtenis, beschreven in terugblik, zich hebben voorgedaan na Balarâma's bezoek aan Vraja (10.65) en voor Mahârâja Yudhishthhira's râjasûya offerplechtigheid (in 10.74) daar direct na de plechtigheid de vijandschap binnen de Kuru-familie, de verbanning van de Pândava's en de daaruit volgende oorlog te Kurukshetra zich voordeed.

 

Hoofdstuk 83

Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het doel van de gopî's, die op deze manier van Zijn genade blijk gaf, ontmoette toen Yudhishthhira en de rest van Zijn verwanten en informeerde naar hun welzijn. (2) Zij, die bij de aanblik van Zijn voeten hun zonden van zich af zagen vallen, voelden zich aldus ondervraagd door de Heer van de Wereld zeer vereerd en gaven blij ten antwoord:  (3) 'Hoe kan er zich nou ongeluk voordoen voor hen die van Uw lotusvoeten ooit de bedwelmende nectar dronken die wordt uitgegoten door de geesten en monden van de grote zielen? Hoe kunnen zij die met de drinkbekers van hun oren zich voldronken nu niet het geluk ervaren, o Meester, o vernietiger der vergeetachtigheid over de Schepper die de belichaamden hun fysieke bestaan schenkt? (4) Waarlijk raken we bij het licht van Uw persoonlijke gedaante verlost van de banden van de drie materiële bewustzijnstoestanden [van het waken, dromen en slapen] en zijn we, volledig verzonken, van spiritueel geluk met het ons vooroverbuigen voor U, het doel van de vervolmaakte heiligen [de paramahamsa's] die met de macht van Uw begoochelend vermogen deze gedaante heeft aangenomen ter bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe vedische kennis die wordt bedreigd door de tijd.' 

(5) De grote wijze zei: 'Met het door Zijn mensen aldus verheerlijken van het kroonjuweel van alle persoonlijkheden geprezen in de geschriften, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans bij elkaar om samen de onderwerpen van Govinda te bespreken waarover men zingt in de drie werelden; alstublieft luister naar de beschrijving die ik van hen geef. (6-7) S'rî Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ], Rohinî [zie voetnoot* en 10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ] en de andere vrouwen van Krishna, alsjeblieft vertel ons hoe het kon gebeuren dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, die middels Zijn mystieke macht leefde zoals men in de wereld leeft, met jullie getrouwd raakte?' 

(8) S'rî Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een kudde geiten of schapen, nam Hij die het stof van Zijn voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee toen de koningen met hun bogen op het punt stonden me weg te geven aan S'is'upâla; moge de voeten van Hem, de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding zijn [zie 10.52-54].' 

(9) S'rî Satyabhâmâ zei: 'Naar mijn vader wiens hart treurde over de dood van zijn broer, bracht Hij, beschuldigd zijnde, om Zijn naam te zuiveren, het juweel terug nadat hij de koning van de beren [Jâmbavân] verslagen had; hierover bevreesd bood mijn vader mij aan de Heer aan hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56]. 

(10) S'rî Jâmbavatî zei: 'Hij die dit lichaam op de wereld zette zonder zich bewust te zijn van Hem, de Echtgenoot van Sîtâ, als zijnde zijn meester en aanbiddelijke godheid, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Weer bij zinnen gekomen Hem herkennend, presenteerde hij, Zijn voeten beetgrijpend, me aan Hem samen met het juweel; ik ben Zijn dienstmaagd [zie ook 10.56].'

(11) S'rî Kâlindî zei: 'In de wetenschap dat ik met het verlangen Zijn voeten te beroeren boetedoeningen aan het volbrengen was, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam Hij mijn hand; ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt [10.58: 12-23].' 

(12) S'rî Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara naar voren tredend kaapte Hij me weg zoals de vijand der olifanten [een leeuw] zijn deel opeist temidden van een troep honden; na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar S'rî zich ophoudt; moge ik daar leven na leven Hem van dienst zijn met het wassen van Zijn voeten [10.58: 31].' 

(13-14) S'rî Satyâ zei: 'Zeven grote stieren allersterkst en vitaal met scherpe hoorns, die door mijn vader waren geregeld om de koningen op de proef te stellen, versloegen de trots van de helden; maar ze werden door Hem rap onderworpen en vastgebonden met het gemak van een kind dat met een geitje speelt. Op deze wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed nam Hij mij, onder de hoede van dienstmaagden, met Zich mee, waarbij Hij met een leger van vier divisies onderweg de koningen versloeg; moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58: 32-55].' 

(15-16) S'rî Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem, o Krishnâ [Draupadî], nodigde mijn vader op eigen gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uit en schonk hij mij weg aan Hem tezamen met een gevolg aan vrouwelijke metgezellen en een militaire escorte bestaande uit een akshauhini; laat er voor mij, leven na leven ronddolend door mijn karma, er die beterschap zijn van mezelf in het aanraken van Zijn voeten [10.58: 56].' 

(17) S'rî Lakshmanâ zei: 'O Koningin, telkens weer Nârada horend die Acyuta's geboorten en handelingen verheerlijkte, raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad in afwijzing van de heersers van de wereld, inderdaad werd uitverkoren door zij [de godin S'rî] met de lotus in haar hand. (18) Mijn vader die ook wel bekend staat als Brihatsena, o gelouterde dame, trof, op de hoogte zijnde van mijn geestesgesteldheid, in zijn liefde voor zijn dochter hiervoor zijn maatregelen. (19) Net als in jouw svayamvara, o Koningin, werd er een vis gebruikt die [opgehangen als doelwit] door Arjuna moest worden geraakt. Maar aan het gezicht onttrokken, kon hij alleen maar als een weerspiegeling in het water worden gezien [in een vat eronder]. (20) Hierover vernemend kwamen van heinde en verre al de koningen bedreven in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens naar mijn vaders stad tezamen met hun duizenden leermeesters. (21) Mijn vader eerde hen allen ten volle, ieder overeenkomstig zijn kracht en leeftijd, waarna zij die hun zinnen op mij gezet hadden, in de bijeenkomst hun boog en pijlen ter hand namen om een schot te wagen. (22) Sommigen van hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die te spannen en sommigen die de boogpees gespannen hadden mislukten omdat ze er door werden geraakt. (23) Andere helden, de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha alsook Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin de boog te spannen maar slaagden er niet in uit te maken waar het doelwit zich bevond. (24) Arjuna die er wel in slaagde het te herkennen, waagde, zorgvuldig mikkend terwijl hij in de weerspiegeling naar de vis keek, een schot, maar de pijl trof zijn doel niet, het was een schampschot. (25-26) Toen de koningen in hun trots verslagen het opgegeven hadden, wist de Opperheer, speels de boog ter hand nemend, hem spannend en een pijl aanleggend, met een enkele blik in het water de vis met Zijn pijl te doorboren op het moment dat de zon in Abhijit stond [in 'victorie', of midhemel]. (27) Pauken weerklonken in de hemel samen met de geluiden van 'jaya' van de goddelijken op aarde die door vreugde overweldigd bloemen in stromen deden neerregenen. (28) Vervolgens deed ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en bloemen gevlochten in mijn haar, mijn intrede in het offerperk met zachtjes tinkelende belletjes aan mijn voeten, een gouden halsketting om met schitterende edelstenen en een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een ceintuur. (29) Mijn gezicht opheffend met de vele haarlokken eromheen en de wangen in de gloed van de oorhangers, keek ik overal om me heen naar de koningen. Met een koele glimlach zijdelings blikken werpend plaatste ik langzaam mijn halsketting om de hals van Murâri die mijn hart had gestolen. (30) Op dat moment weerklonken schelphoorns, mridanga's, trommeltjes, pauken en oorlogstrommen en dergelijke, en zongen de zangers terwijl de mannelijke en vrouwelijke dansers dansten. (31) Mijn keus die ik aldus liet vallen op de Allerhoogste Heer als mijn meester was voor de koningen die de leiding hadden niet acceptabel o Draupadî, ze begonnen van streek geraakt met een vloekend hart ruzie te zoeken. (32) Voor die situatie geplaatst tilde Hij me in de strijdwagen met de vier uitmuntende paarden en stond Hij, Zijn S'ârnga gereedmakend en Zijn kuras aantrekkend, klaar om slag te leveren met Zijn vier armen [ten volle gemanifesteerd]. (33) Dâruka reed weg met de met goud afgewerkte wagen o Koningin, terwijl de koningen toekeken als waren het een stel diertjes opgeschrikt door koning leeuw. (34) De koningen gingen, als een stelletje dorpshonden met een leeuw, Hem achterna. Daarbij probeerden sommigen van hen de weg te blokkeren door hun bogen tegen Hem op te heffen. (35) Door de stortvloed van pijlen afkomstig van S'ârnga vielen sommigen van hen met hun armen, benen en nekken doorkliefd neer, terwijl een paar anderen het opgaven en er vandoor gingen. (36) Toen betrad de Heer der Yadu's als de zon die zijn thuishaven bereikt [ofwel de westelijke horizon] Dvârakâ, Zijn stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitvoerig versierd was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die de zon tegenhielden. (37) Mijn vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden met de meest kostbare kleding en juwelen en met bedden, zetels en ander meubilair. (38) Hij schonk de Heer der Volledigheid [Pûrnasya] uit toewijding de meest kostbare wapens, tezamen met dienstmaagden die van alle rijkdommen waren voorzien, voetsoldaten, strijders op olifanten, in strijdwagens en strijders te paard. (39) Door van verzaking te zijn met het abrupt verbreken van onze materiële banden werden we allen dienstmaagden bij Hem die in Zichzelf Volkomen Tevreden is.'

(40) De andere koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Hij leerde ons kennen nadat Hij in de strijd de demon Bhauma met zijn aanhangers had gedood. Wij die door de demon waren verslagen en gevangen gezet, zijn de dochters van de koningen die Bhauma versloeg tijdens zijn campagne om de aarde te veroveren. Nadat Hij ons had bevrijd, herinnerden we ons steeds Zijn lotusvoeten als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan, en is Hij, van Wie Alle Wensen in Vervulling gaan, met ons getrouwd. (41-42) O heilige dame, we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten zelfs of mystieke macht, de allerhoogste goddelijkheid, onsterfelijkheid of naar de verblijfplaats van Hari, we verlangen ernaar op onze hoofden het stof te dragen van de goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, het stof dat verrijkt is door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook 10.47: 60, ** en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (43) Wij verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de gopî's] naar verlangen, als waar het gras, de planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar verlangen: aangeraakt te worden door de voeten van de Allerhoogste Ziel.'

Voetnoten:

* Zij die hier Rohinî heet is niet Rohinî, de moeder van Balarâma, maar de ene koningin die de 16000 koninginnen vertegenwoordigt waarmee Krishna trouwde naast Zijn acht hoofdkoninginnen.

**: De paramparâ geeft aan dat de S'rî waar hier naar verwezen wordt de allerhoogste Godin van het Geluk is zoals herkend in de 'Brihad-gautamîya-tantra':

devî Krishna-mayî proktâ
râdhikâ para-devatâ
sarva-lakshmî-mayî sarva
kântih sammohinî parâ

"De bovenzinnelijke godin S'rîmatî Râdhârânî is de rechtstreekse tegenhanger van Heer S'rî Krishna. Ze is de centrale figuur voor al de godinnen van het geluk. Haar is het vermogen verleend om de al-aantrekkelijke Persoonlijkheid van God aan te trekken. Zij is het voorwereldlijk innerlijk vermogen van de Heer."

 

Hoofdstuk 84

Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Prithâ, de dochter van de koning van Subala [Gândhârî] en Draupadî, Subhadrâ en de vrouwen van de koningen zowel als Zijn gopî's, vernamen over de liefdevolle gehechtheid [van de echtgenotes] aan Krishna, Heer Hari, de Ziel van Allen, waren ze allen, met tranen in hun ogen, zeer verwonderd. (2-5) Terwijl de vrouwen zich aldus onderhielden met de vrouwen en de mannen met de mannen, arriveerden ter plekke met het verlangen Krishna en Râma te zien, de wijzen Dvaipâyana, Nârada, Cyavana, Devala en Asita; Vis'vâmitra, S'atânanda, Bharadvâja en Gautama; Heer Paras'urâma en zijn discipelen, Vasishthha, Gâlava, Bhrigu, Pulastya en Kas'yapa; Atri, Mârkandeya en Brihaspati; Dvita, Trita, Ekata en de zonen van Brahmâ [de vier Kumâra's] alsook Angirâ, Âgastya, Yâjñavalkya en anderen met Vâmadeva aan het hoofd. (6) Toen ze hen zagen stonden de Pândava's, Krishna, Râma, de koningen en anderen die gezeten waren, meteen op om zich te verbuigen voor hen die door het ganse universum worden geëerd. (7) Zij allen, met inbegrip van Râma en Acyuta, bewezen hen samen naar behoren de eer met begroetingen, zitplaatsen, water om hun voeten te wassen en om te drinken, bloemenslingers, wierook en sandelhoutpasta. (8) De Allerhoogste Heer die met Zijn belichaming het dharma verdedigt, sprak in de met stille aandacht luisterende vergadering van de er comfortabel gezeten grote zielen toe. (9) De Opperheer zei: 'Wij die deze geboorte verwierven plukken er nu gezamenlijk de vrucht van: de aanwezigheid van de meesters van de yoga die zelfs door de halfgoden maar zelden wordt verkregen. (10) Hoe kan het zo zijn dat menselijke wezens die pover in hun verzaking God in de gedaante van de beeltenis in de tempel voor ogen hebben, nu in uw gezelschap mogen verkeren en u aan mogen raken, vragen mogen stellen, zich voorover mogen buigen en van eerbetoon mogen zijn aan uw voeten en dat alles? (11) Door enkel maar u, de heiligen, te zien raakt men terstond gezuiverd, terwijl dat niet zo is met de heilige plaatsen bestaande uit water of de beeltenissen vervaardigd uit klei waarmee het slechts geleidelijk aan plaatsvindt [1.13: 10]. (12) Niet het vuur, noch de zon, de maan of het firmament, niet de aarde, het water, de ether, de adem, de spraak, noch de geest nemen, als ze worden aanbeden, de zonden weg van hen die in materiële tegenstellingen zijn gevangen; maar ze worden weggevaagd door slechts een enkel moment een man van [brahmaanse] scholing van dienst te zijn. (13) Hij met het idee van zichzelf als zijnde het lichaam dat zo kan stinken met zijn drie elementen [van slijm, gal en lucht], met de notie van een echtgenote en dat alles als zijnde zijn eigendom, met zijn omzien naar klei als iets aanbiddelijks, met de gedachte van water als zijnde een bedevaartsoord, is, [door de uiterlijkheden beheerst zijnde en] nimmer op het wijze in de man afgaande, werkelijk niet veel beter dan een koe of een ezel.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit vernamen uit de mond van de Allerhoogste Heer Krishna die Onbegrensd is in Zijn Wijsheid, waren de geschoolden stil, onthutst over de woorden die ze maar moeilijk konden verteren. (15) De wijzen moesten een tijdje peinzen over de Allerhoogste Heer en [de manier waarop Hij zich verplaatste] in een ondergeschikte positie. Ze kwamen tot de conclusie dat het was bedoeld om de mensen een licht op te steken en richtten zich toen met een glimlache tot Hem, de Geestelijk Leraar van het Universum. (16) De achtenswaardige wijzen zeiden: 'Ach, wij, de beste kenners der waarheid en belangrijkste scheppers van het universum, zijn begoocheld door de macht van de materiële illusie teweeggebracht door de handelingen van de Opperheer, van Hem die zo verbazingwekkend verdekt in Zijn praktijken doet alsof Hij degene is die beheerst wordt. (17) Moeiteloos schept Hij, geheel op eigen kracht, de veelvoud van dit universum en handhaaft Hij en vernietigt Hij zonder Zelf verstrikt te raken. Hij is in Zijn handelingen net als het element aarde met de vele namen en vormen van zijn transformaties; och, wat een acteur is de Almachtige met al wat Hij doet [zie ook 8.6: 10]! (18) Niettemin neemt Uw goede Zelf, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Ziel, bij tijden, om Uw mensen te beschermen en de slechten af te straffen, de geaardheid van de goedheid aan, de geaardheid waarin U middels Uw spel en vermaak het eeuwige vedische pad van de varnâs'rama statusoriëntaties handhaaft [zie ook sanâtana dharma]. (19) Het spirituele [het 'brahma'] is Uw zuivere hart waarin met verzakingen, studie en het zich inwaarts keren geconcentreerd in meditatie [samyama] het eeuwige manifeste en niet-manifeste wordt gerealiseerd alsook het transcendentale erbij [zie ook B.G. 7: 5]. (20) Om die reden bewijst U, o Absolute Waarheid, Uw respect voor de gemeenschap der brahmanen waarvan men met de hulp van de perfecten onder hen de geopenbaarde geschriften kan begrijpen, en zo geeft U dan leiding aan hen die van respect zijn voor het brahmaanse. (21) Vandaag zien we [inderdaad] onze geboorte, opleiding, verzakingen en visie vrucht dragen, omdat het het doel is van de gelouterden om omgang te verkrijgen met U, de Gulden Middenweg, het Uiteindelijke van alle Welzijn. (22) Onze eerbetuigingen voor Hem, de Allerhoogste Heer wiens wijsheid steeds weer nieuw is, [U] Krishna, de Superziel die met Zijn yogamâyâ Zijn eigen glorie overdekt. (23) Geen van deze koningen die Uw gezelschap genieten, noch de Vrishni's, kennen U, die bent verhuld door het gordijn van mâyâ, als de Allerhoogste Ziel, de Tijd en de Beheerser [B.G. 6: 26]. (24-25) Zoals een persoon in slaap zichzelf een alternatieve werkelijkheid voorstelt met de namen en gedaanten die hij zich voor de geest haalt en daarmee geen weet heeft van een aparte werkelijkheid die daar los van staat, heeft men, op dezelfde manier namen en gedaanten hebbend, met U geen idee omdat de heugenis niet constant is als gevolg van de activiteit van de zinnen die met Uw mâyâ het bewustzijn verbijsteren [vergelijk B.G. 4: 5 en 4.29: 1b, 10.1: 41 en 7.7: 25]. (26) Heden hebben we van U de voeten, de oorsprong van de Ganges die de overmaat aan zonden wegwast, mogen aanschouwen; [met hen] goed geïnstalleerd in het hart wordt door hen wiens yogapraktijk rijpte en de toegewijde dienst zich volledig ontwikkelde, de materiële mentaliteit, de overdekking van hun individuele zielen, vernietigd en de bestemming van U bereikt - dus alstUblieft, toon Uw toegewijden Uw genade.'

(27) S'uka zei: 'Nadat ze dit gezegd hadden, namen de wijzen afscheid van Das'ârha [Krishna], Dhritarâshthra en Yudhishthhira, o wijze onder de koningen, en troffen ze voorbereidingen om terug te keren naar hun hermitages. (28) Toen de alom geroemde Vasudeva dit zag benaderde hij hen en greep hij, zich verbuigend, hun voeten beet met het zorgvuldig onder woorden brengen van de volgende afweging. (29) S'rî Vasudeva zei: 'Mijn eerbetuigingen voor u die al de goden vertegenwoordigt [*]. O zieners, alstublieft luister, zeg ons dit: hoe kunnen we van ons karma verlost raken door het verrichten van arbeid?'

(30) S'rî Nârada zei: 'Beste geleerden, deze vraag die Vasudeva zo leergierig stelde wat betreft zijn hoogste levensdoel is niet zo verrassend, omdat hij over Krishna denkt als zijnde een kind [van hem, zijn zoon]. (31) Als stervelingen in deze wereld met elkaar omgaan gaat dat al gauw ten koste van de achting die men voor elkaar heeft, zoals men dat b.v. zoals men dat b.v. ook kan zien met iemand die aan de oever van de Ganges woont maar elders zijn heil zoekt om zuivering te vinden. (32-33) [De Heer] Zijn bewustzijn wordt om geen enkele reden, noch uit zichzelf noch als gevolg van een invloed vanbuitenaf, in zijn kwaliteiten ooit verstoord door het destructieve en creatieve dat wordt teweeggebracht door de tijd van dit [universum, zie B.G. 4: 14 en 10: 30]. Hij, de Ene Beheerser zonder een Tweede, wiens bewustzijn niet is aangedaan door hindernissen, materiële handelingen en hun gevolgen en de geaardheden en hun stroom van veranderingen [kles'a, karma en guna], wordt door iemand anders [onwetend] beschouwd als zijnde overdekt door Zijn eigen expansies van prâna en andere elementen, precies zoals de zon wordt overdekt door wolken, sneeuw of verduisteringen.'

(34) Toen, o Koning, richtten de wijzen zich tot Vasudeva en zeiden ze terwijl al de koningen alsook Acyuta en Râma toehoorden: (35) 'Als zijnde juist is vastgesteld dat het karma wordt tegengegaan door dit werk: dat men met geloof met offers [levendig, als in een kirtan] Vishnu aanbidt, de Heer van Alle Offers. (36) Dit is waarlijk wat de geleerden door het oog van de S'âstra's aantoonden als zijnde de makkelijkste manier om de geest tot vrede te brengen; het is het yoga-dharma dat het hart genoegen verschaft. (37) De tweemaal geborene die thuis offers aan het brengen is behoort zuiver en onzelfzuchtig met de toevertrouwde bezittingen van aanbidding te zijn voor de Persoonlijkheid van God; dit is het pad dat naar succes leidt [**]. (38) Iemand die intelligent is behoort het verlangen naar rijkdom te verzaken door offers te brengen en liefdadig te zijn, het verlangen naar een vrouw en kinderen te verzaken door zich bezig te houden met huishoudelijke zaken en het verlangen naar een wereld voor zichzelf [of een ander leven] te verzaken, o Vasudeva, met behulp van de Tijd [door zijn effecten te bestuderen, zie ook 9.5 en B.G. 3: 16]; allen die nuchter waren verzaakten hun verlangens naar een huiselijk bestaan en begaven zich voor boetedoeningen het bos in [zie ook B.G. 2: 13]. (39) Prabhu, een tweemaal geboren iemand wordt geboren met drie schulden: de schuld aan de goden, de wijzen en aan de voorvaderen; ze niet inlossend door [respectievelijk] offers te brengen [het celibaat b.v.], de geschriften te bestuderen en met het leveren van bijproducten [kinderen, leerlingen of boeken, zie ***] zal hij, bij het verlaten van het lichaam, ten val komen [terug in de materiële wereld]. (40) In feite bent u echter reeds bevrijd van de twee van die schulden, de schuld aan de wijzen en de schuld aan de voorvaderen o grootmoedige. Maak uzelf nu vrij van schuld door aan de goden te offeren en huis en haard achter te laten. (41) O Vasudeva, aangezien Hij de rol als zijnde uw zoon op Zich nam, moet uw goede zelf [in een voorgaand leven] inderdaad wel met toewijding grondig van aanbidding zijn geweest voor de Allerhoogste Heer en Beheerser Aller Werelden [zie ook 10.3: 32-45 en 11.5: 41].'

(42) S'rî S'uka zei: Toen hij gehoord had wat ze hadden te zeggen, koos Vasudeva voor de wijzen als zijn priesters en stemde hij ze gunstig door zijn hoofd voorover te buigen. (43) De rishi's, o Koning, hielpen hem toen met het strikt volgens de religieuze voorschriften op het heilige veld [van Kurukshetra] uitvoeren van vuuroffers met excellente rituele voorzieningen. (44-45) Toen zijn inwijding aan de orde was, kwamen verheugd de Vrishni's, gebaad en goed gekleed, met bloemenslingers om en rijkelijk opgesierd naar de offertent. Ze kwamen samen met hun koninginnen die gouden hangers om hun nekken hadden, in de fijnste kleren waren gestoken en ingesmeerd met sandelhoutpasta o Koning, en daarbij de artikelen voor de aanbidding in hun handen hielden. (46) Tweezijdige kleien trommels, kleine trommeltjes, pauken en drums, schelphoorns en andere muziekinstrumenten weerklonken, mannelijke en vrouwelijke dansers dansten en de hofzangers en lofprijzers zongen zoetgevooisd mee met de zangeressen uit de hemel en hun echtgenoten. (47) Zoals schriftuurlijk voorgeschreven door de priesters besprenkeld met gewijd water [voor zijn inwijding], zag hij met zijn ogen zwart opgemaakt en zijn lichaam ingesmeerd met verse boter, er met zijn achttien vrouwen [zie 9.24: 21-23 & 45] uit alsof hij [- als de maan -] omringd was door de sterren. (48) Met hen allen allerfijnst opgesierd zijden sârî's dragend, met armbanden om, halskettingen, enkelbelletjes, en oorbellen, straalde hij, geïnitieerd en gehuld in een hertenvel, prachtig. (49) O grote Koning, zijn supervisors en priesters schitterden met hun juwelen en kledingstukken van zijde als bevonden ze zich in het offerperk van de doder van Vritra [Indra, zie 6.11]. (50) Op dat moment traden ook de twee Heren Râma en Krishna evenzo glansrijk naar voren, ieder begeleid door Hun eigen macht aan vrouwen, zonen en familieleden als expansies van Henzelf. (51) Vasudeva was volgens de regels respectvol met alletwee de soorten van offeren die men omschrijft als primair [naar de s'ruti] en secundair [aangepast naar andere bronnen, zie *4], met offerandes in het vuur enzovoorts, de Heer van de Benodigdheden, de Mantra's en de Rituelen. (52) Vervolgens gaf hij, op de aangegeven tijd, aan de priesters die reeds rijkelijk opgesierd waren, giften uit dankbaarheid die hen nog meer opsierden, alsook huwbare meisjes, koeien en land van grote waarde. (53) Na het volbrengen van de plechtigheid uitgevoerd door de sponsor [patnî-samyâja] en het afsluitende ritueel [avabhrithya], baadden de grote wijzen, met het voorop plaatsen van de geschoolden en de sponsor van de yajña, in het meer van Heer Paras'urâma [9.16: 18-19]. (54) Na dat bad schonk hij sieraden en kleding weg aan de hofzangers en de vrouwen en vereerde hij vervolgens in zijn mooiste kleren al de klassen van mensen en zelfs de honden met voedsel. (55-56) Met de weelde aan giften namen zijn verwanten en hun vrouwen en kinderen, de leiders van de Vidarbha's, Kos'ala's, Kuru's, Kâs'î's, Kekaya's en Sriñjaya's; de supervisoren, de priesters, de verschillende soorten van verlichte zielen, de gewone mensen, de paranormalen ['de geesten'], de voorvaderen en de achtenswaardigen, allen afscheid van het Verblijf van S'rî en vertrokken ze vol van lof zijnde over het offer dat was gebracht. (57-58) De naaste familieleden Dhritarâshthra en zijn jongere broer [Vidura], Prithâ en haar zoons [Arjuna, Bhîma en Yudhishthhira], Bhîshma, Drona, de tweelingen [Nakula en Sahadeva], Nârada, en Bhagavân Vyâsadeva en andere verwanten keerden toen, hun vrienden en verwanten, de Yadu's, omhelzend en in hun hart bewogen over de scheiding, met moeite terug naar hun respectievelijke woonplaatsen zoals ook de rest van de gasten dat deed. (59) Nanda samen met de koeherders bleef uit genegenheid voor zijn verwanten en werd door Krishna, Râma, Ugrasena en de rest in aanbidding zeer ruimhartig vereerd. (60) Vasudeva die met gemak de oceaan was overgestoken van zijn grote ambitie [zie ook 10.3: 11-12], was er zeer mee in zijn sas en richtte zich, omringd door zijn weldoeners, tot Nanda, waarbij hij zijn hand beroerde terwijl hij sprak.

(61) S'rî Vasudeva zei: 'De door God gesmede band van de mens die genegenheid wordt genoemd is, zo meen ik, voor krijgslieden net zo moeilijk op te geven als voor yogi's. (62) Ookal wordt de vriendschap die jullie die zo heilig zijn bieden niet beantwoord door ons die zo makkelijk vergeten wat jullie gedaan hebben, neemt ze niettemin nimmer af want ze gaat alles te boven. (63) In het verleden [door Kamsa gevangen gezet] waren we er niet toe in staat zorg te dragen voor jullie en nu het ons goed gaat, o broeder, zien we met jullie recht voor ons, jullie niet werkelijk staan blind als we zijn onder de invloed van de weelde. (64) Moge voor een persoon die uit is op het ware voordeel in het leven zich nimmer het fortuin der koningen opwerpen, o jullie vol van respect, daar hij met zijn blik aldus verduisterd zelfs zijn eigen soortgenoten of vrienden niet ziet staan [vergelijk 10.10: 8].'

(65) S'rî S'uka zei: 'Zich aldus met tranen in zijn ogen herinnerend wat hij allemaal gedaan had uit vriendschap, moest Ânakadundubhi, in zijn hart ontroerd door de intimiteit, huilen. (66) Nanda hield ook veel van zijn zo heel warmhartige vriend en zei: 'Ik ga wel later, ik ga morgen wel', maar bleef uit liefde voor Govinda en Râma toen drie maanden langer met al de eer die hij ontving van de Yadu's. (67-68) Nadat ze een keur aan begerenswaardige zaken aangeboden hadden gekregen zoals de meest kostbare sieraden, het fijnste linnen en verschillende meubelstukken van onschatbare waarde, vertrok hij, uitgewuifd door de Yadu's, samen met de luitjes van Vraja en zijn familie. Ze hadden al de geschenken van Vasudeva, Ugrasena, Krishna, Uddhava en anderen geaccepteerd en namen ze met zich mee. (69) Nanda, de gopa's en de gopî's, niet in staat Govinda's lotusvoeten uit hun hoofd te zetten, keerden bijgevolg [heel wat keren] achterom kijkend, weer terug naar Mathurâ. (70) Met hun verwanten vertrokken merkten ze dat het regenseizoen zich aandiende en gingen de Vrishni's, die Krishna als hun aanbiddelijke godheid hadden, weer terug naar Dvârakâ. (71) Aan de mensen [daar] deden ze verslag van de grote festiviteit en van alles wat zich in relatie tot de heer van de Yadu's [Vasudeva] en tot allen hen toegenegen die ze tijdens hun bedevaart hadden ontmoet had afgespeeld [zie 10.82].'

Voetnoten

* Deze uitspraak, zo brengt ons de paramparâ in herinnering, wordt ondersteund in de gezaghebbende s'ruti mantra's, welke verklaren 'yâvatîr vai devatâs tâh sarvâ veda-vidi brâhmane vasanti': "Welke halfgoden er ook bestaan, ze houden zich allen in een brâhmana op die de Veda kent."

**: De paramparâ voegt toe: 'Zowel S'rîdhara Svâmî als S'rî Jîva Gosvâmî zijn het op dit punt eens dat het rituele karma van vedische offers met name is bedoeld voor gehechte huishouders. Zij die reeds gelouterd zijn in Krishnabewustzijn, zoals Vasudeva zelf, hoeven alleen maar hun geloof te cultiveren in de Heer Zijn toegewijden, de beeltenis die men van Hem heeft, Zijn naam, de overblijfselen van Zijn maaltijd en Zijn leringen zoals geboden in de Bhagavad Gîtâ en het S'rîmad Bhâgavatam.'

*** Het woord putra hier gebruikt heeft gewoonlijk betrekking op een kind, maar betekent ook een pop of enig kunstmatig iets om zorg voor te dragen zoals een huis, of kunstwerken, een boek of een ander bijproduct zoals Prabhupâda en zijn leerlingen het hebben genoemd in 40 3.28: 38 en 11.20: 27-28. Letterlijk betekent het 'het redden uit de hel genaamd Put', de plaats waar zij die kinderloos zijn verblijven.'

*4 De paramparâ verklaart: 'Het Brâhmana gedeelte van de Vedische s'ruti specificeert de volledige stap-voor-stap procedure van enkel maar een paar prototypische offerplechtigheden, zoals het Jyotishthoma en het Dars'a-pûrnamâsa. Dezen worden de prâkrita, of de oorspronkelijke, yajña's genoemd; de details van andere yajña's moeten worden afgeleid uit de patronen van deze prâkrita voorschriften overeenkomstig de strenge regels van de Mîmâmsâ-s'âstra. Aangezien andere yajña's dus bekend staan door afleiding uit de prototypische offers worden ze vaikrita, of "veranderd" genoemd.'

 

Hoofdstuk 85

Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen, bezochten op een dag Sankarshana en Acyuta, de twee zoons van Vasudeva, Hun vader die, nadat Ze zijn voeten hadden geëerd, Hen liefdevol begroette en Hen toesprak. (2) Nadat hij de woorden van de wijzen had gehoord met betrekking tot de vermogens van zijn twee zoons, was hij mede door Hun dappere daden van Hen overtuigd geraakt en zei hij, Ze bij hun naam aansprekend: (3) 'Krishna, o Krishna, o grootste yogi; o eeuwige Sankarshana, ik weet dat Jullie twee hier de rechtstreekse vertegenwoordigers zijn van de primaire natuur [of pradhâna] en het mannelijk principe [de purusha of persoon]. (4) Wat, hoe en wanneer ook, in, door, van, met of voor dit [universum] zijn bestaan vindt, vertegenwoordigt allemaal rechtstreeks Hem van het Overwicht, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke natuur en persoon. (5) Dit gevarieerde universum dat Je uit Jezelf schiep, o Heer van het Voorbije, handhaaf Jij, o Ongeborene, er Zelf in binnengaand, als de Opperziel en het levensbeginsel van de vitaliteit en de individualiteit. (6) Van beide [de levende en niet levende] bestaansvormen welke, verschillend als ze zijn en allen behorend tot het Allerhoogste, dus afhankelijk zijn, ben Jij de Ene die het creatieve vermogen vormt dat schuilt in de levensadem en in de overige basiselementen van het universum [zie ook 2.5: 32-33]. (7) De gloed, de glans, de helderheid, het afzonderlijke van de maan, het vuur, de zon, de sterren en de bliksem [B.G. 15: 12], het permanente van de bergen en de geur en ondersteunende kracht van de aarde, zijn allen Jou in werkelijkheid. (8) Het lessende, het levenbrengende van water alsook het water zelf en haar smaak ben Jij o Heer. O Beheerser, van Jouw is er op basis van de lucht [zoals men dat zegt] de lichaamswarmte, de levenskracht op lichamelijk en geestelijk gebied, de ondernemingszin en het zich bewegen [zie ook B.G. 11: 39]. (9) Jij bent de windrichtingen en de gebieden die ze beschrijven, de alomtegenwoordige ether en het elementaire geluid dat erbij hoort. Jij bent de oerklank die de lettergreep AUM vormt en de differentiatie ervan in bepaalde vormen [van taal, zie ook B.G. 7: 8]. (10) Jij bent van de zinnen de macht van het waarnemen, Je bent hun goden [zie ook 3.12: 26] en van hen ben Je de genade; Jij bent van de intelligentie de macht te beslissen en van het levend wezen ben Je het vermogen zich de dingen te herinneren zoals ze zijn [B.G. 7: 10 & 15: 15]. (11) Jij, de voorwereldlijke Oorzaak aller Oorzaken, bent de bron van de stoffelijke elementen [tamas], de hartstochten der zinnen [rajas] en de stroom van bewustzijn van de scheppende goden [sattva, zie ook B.G. 14]. (12) Van de bestaansvormen die onderworpen zijn aan vernietiging in deze wereld ben Jij het onvergankelijk wezen, zoals de grondstof is in verhouding tot haar transformaties. (13) De geaardheden der goedheid, hartstocht en onwetendheid en hun functies zijn op deze manier binnenin Jou, binnen de Allerhoogste Absolute Waarheid, gereguleerd door het inwendig vermogen [de yogamâyâ van Je spel en vermaak]. (14) Op basis daarvan worden deze bestaansvormen niet [werkelijk] vernietigd als ze - andere keren inderdaad niet materieel zijnde - geconditioneerd in Jou als voortbrengselen van de schepping, Jou ook in hen aanwezig hebben [als een gelover, als de levenskracht caitanya, een eeuwig bevrijde, nitya-mukta, bewuste ziel of een jîvâtmâ, zie B.G 2: 12, 9: 4-5 & 8: 19]. (15) Zij dan zijn in deze wereld onwetend die, falend in het doorgronden van de bestemming die de Ziel van Alles is, er door hun karma toe gedreven zijn zich rond te bewegen in de stroom van de materiële oceaan. (16) Op de een of andere manier in dit leven de felst begeerde status van een menselijke leven te hebben bereikt - een status die zo moeilijk te verwerven is -, kan iemand die begoocheld is door de materiële energie [zoals ik], o Beheerser, [niettemin] zijn hele leven in verwarring hebben doorgebracht over wat zijn eigenbelang zou zijn. (17) Met Jij die allen in deze wereld samenbindt met de touwen der genegenheid is er met het lichaam en het nageslacht en andere relaties het 'dit ben ik' en 'dezen zijn van mij' dat erbij komt kijken [zie ook b.v. 2.9: 2, 4.28: 17, 4.29: 5, 5.5: 8 en 6.16: 41]. (18) Jullie twee zijn niet onze zoons maar duidelijk de Beheersers van pradhâna en purusha die nederdaalden om de last aan heersers weg te nemen van de aarde, zoals Jullie het Zelf gezegd hebben [10.50: 7-10]. (19) Daarom zoek ik vandaag Je beschutting, de lotusvoeten welke, van hen die zich overgaven, zij die te lijden hebben, de angst wegnemen van het verstrikt zijn o Vriend, en dat is alles. Genoeg, genoeg heb ik van dat gesmacht naar zinsbevrediging dat me bindt aan mijn sterfelijkheid en me Jou, de Allerhoogste, doet beschouwen als zijnde mijn kind. (20) In de kraamkamer zei Je inderdaad [zie 10.3: 44] dat Jij, toen Je ter wereld kwam met ons, de Ongeborene was die zo tijdperk na tijdperk tewerk gaat ter verdediging van Je dharma en daarbij als een wolk verschillende lichamen aanneemt en weer loslaat [zie B.G. 4: 8]; o, wie kan het mystiek vermogen en de veelvoud doorgronden van Jou, de Heer die alles doordringt en alom gevierd wordt?'

(21) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij had gehoord wat Zijn vader zo zei, gaf de Allerhoogste Heer, de beste der Sâtvata's nederig buigend en breed glimlachend met een vriendelijke stem antwoord. (22) De Opperheer zei: 'Ik beschouw deze woorden van u als zeer toepasselijk vader, omdat u met het naar Ons, uw Zoons, verwijzen u het volledige van de werkelijkheid onder woorden hebt gebracht. (23) Ik, u, Hij, Mijn broer, en deze bewoners van Dvârakâ, moeten tezamen met alles wat rondbeweegt en niet rondbeweegt, allen op dezelfde manier worden bekeken [als expansies van Mij], o beste van de Yadu's [B.G. 9: 5 & 15 en de siddhânta]. (24) De Allerhoogste Ziel is waarlijk één, zelfverlicht, eeuwig en van de rest onderscheiden; terwijl Hij vrij is van de geaardheden ziet men Hem als veelvormig, met Zijn met behulp van de geaardheden uit Zichzelf geschapen hebben van de materiële verschijningsvormen die bij die geaardheden horen. (25) Het is als met de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde die - een enkel element zijnde - afhankelijk van waar ze zich bevinden, in hun voortbrengselen, of ze nu gemanifesteerd of niet gemanifesteerd zijn, klein dan wel groot, zich vertonen als een veelvoud [zie ook B.G. 13: 31].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Vasudeva die op die manier werd toegesproken door de Allerhoogste Heer, o Koning, raakte bevrijd van zijn denken in tegenstellingen en werd, innerlijk voldaan, stil. (27-28) Toen op die plaats, o beste der Kuru's, verzocht duidelijk en helder Devakî, de aanbiddelijke godin van een ieder die tot haar grote verbazing had vernomen van [het terughalen van] de zoon van Hun goeroe [10.45], Krishna en Râma om haar eigen zoons die door Kamsa waren vermoord terug te brengen; en terugblikkend bij die gedachten was ze verdrietig en sprak ze innerlijk verscheurd met tranen in haar ogen. (29) S'rî Devakî zei: 'Râma, o Râma, o Onpeilbare Ziel; o Krishna, Leraar der Yogaleraren, ik weet dat Jullie beiden de Oorspronkelijke Persoonlijkheden zijn, de Meesters van de Scheppers van het Universum [zie ook catur-vyûha]. (30) Jullie zijn nu uit mij geboren nedergedaald vanwege de koningen die, in weerwil van de geschriften levend en met hun goede eigenschappen vernietigd door de tijd [van Kali-yuga], een overlast voor de wereld werden. (31) O Ziel van Allen der Schepping, vandaag kwam ik voor mijn beschutting naar Hem toe, naar Jou, die door een gedeeltelijke expansie [de geaardheden] van een expansie [de materiële energie] van een expansie [Nârâyana] aanleiding geeft tot het voortbrengen, gedijen en weer teloorgaan van het universum [zie ook 2.5]. (32-33) Er word beweerd dat Jullie, die van Je goeroe de opdracht kregen zijn reeds lang geleden gestorven zoon terug te halen, hem vanuit het bereik van de voorvaderen weer terughaalden als een gift uit dankbaarheid voor Jullie geestelijk leraar. AlsJeblieft, o Jullie twee Meesters van de Yogameesters, beantwoordt op dezelfde manier aan mijn verlangen: ik zou graag mijn zoons teruggebracht zien die door Kamsa ter dood werden gebracht [zie 10.4].'

(34) De rishi [S'uka] zei: 'Aldus ertoe verzocht door Hun moeder, o afstammeling van Bharata gingen Râma en Krishna met gebruik van Hun inwendig vermogen de lagere wereld van Sutala binnen [zie 5.24: 18]. (35) Daar binnentredend stond de Daityakoning [Bali] meteen op om tezamen met zijn hofhouding voor Hen te buigen. Hij was overmand door de vreugde Hen te zien, de Opperziel en Godheid van het Universum die zijn favoriete goddelijkheid van aanbidding vormden. (36) Koninklijke zetels voor Ze halend, was hij, toen Ze waren gezeten, er gelukkig mee de twee Grote Zielen Hun voeten te wassen, en daarvan nam hij samen met zijn volgelingen het water [op hun hoofden] dat zuiverde tot aan Brahmâ toe. (37) Hij, van aanbidding met al de weelde die hij en zijn familie bezaten, bood Hen aldus de meest kostbare rijkdommen, kleding, sierselen, geurige smeersels, betelnoot, lampen, nectargelijk voedsel en zo meer [*]. (38) Hij die Indra had overwonnen [zie 8.15] sprak, telkens weer opnieuw de voeten van de Opperheer vastgrijpend, met een hart vertederd van liefde, met tranen in zijn ogen van de vervoering en zijn haren overeind, o Koning, toen met een verstikte stem. (39) Bali zei: 'Mijn eerbetoon voor Ananta, het Grootste Wezen; mijn eerbetuigingen voor Krishna, de Absolute Waarheid, de Superziel, de Verbreider en Schepper van de analytische kennis [sânkhya, zie 3.25-32] en de wetenschap van de [bhakti-]yoga. (40) U voor ogen hebben is inderdaad iets dat, hoewel door de levende wezens zelden bereikt, niettemin nog steeds voor mensen als wij, die van nature in de hartstocht en de onwetendheid verkeren, niet moeilijk voor elkaar te krijgen is met de inspanning die U zich getroost om ons op Uw eigen initiatief te bereiken [zie B.G. 3: 21-23]. (41-43) De zonen van Diti en Dânu, de zangers van de hemel, de vervolmaakten, de wetenschappers, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders, de wilden, de vleeseters en de paranormalen, de mystici, de politici, wij en anderen zoals zij, voelen ons tot Je aangetrokken ondanks het feit dat we voortdurend ons verbijten in een zekere rancune tegen de Rechtstreekse Belichaming van de Zuivere Goedheid in de goddelijke gedaante van de geopenbaarde geschriften; sommigen zijn bijzonder obstinaat met hatelijkheid, sommigen zijn van toewijding met nevenmotieven, terwijl de verlichte zielen en de rest die zich verlustigt in de goedheid, zich in het geheel niet zo aangetrokken voelen [vergelijk: het âtmârâma-vers 1.7: 1]. (44) O Man der Beheersing, als zelfs niet de meesters van de begoochelende macht van Uw yoga kennen die hoofdzakelijk in dit soort termen [van het svarûpa en vis'esha identiteitsspel] wordt gekenschetst, wat houdt dat dan wel niet voor ons in? (45) Daarom, o toevlucht van de lotusvoeten waar de onzelfzuchtigen hun geest op richten, heb genade met me en leidt me weg uit de donkere put van het huishoudelijk bestaan, zodat ik in vrede alleen moge rondtrekken of dat anders samen kan doen met de vrienden van allen [de heiligen, toegewijden, vaishnava's, wensbomen] die een ieder in de wereld behulpzaam zijn en aan wiens voeten men kan vinden wat men in het leven nodig heeft [de 'vritti']. (46) AlstUblieft geef ons leiding o beheerser van hen die beheerst zijn, maak ons zondeloos o Meester, maak van ons een persoon die met geloof tewerkgaand vrijkomt van [schriftuurlijke] fixaties.'

(47) De Opperheer zei: 'Eens, ten tijde van de eerste Manu, waren er van Marîci zes zonen geboren uit Ûrnâ, halfgoden, die lachten toen ze zagen dat hij die van de liefde is ['kam', of Brahmâ in dit geval] wilde copuleren met zijn dochter [genaamd Vâk, zie 3.12: 28-35, vergelijk 3.20: 23]. (48-49) Vanwege die overtreding belandden ze prompt in een baarmoeder waar ze door Hiranyakas'ipu verwekt waren. Ze werden toen door Yogamâyâ overgebracht om geboorte te nemen uit de schoot van Devakî, o Koning, en werden door Kamsa vermoord. Zij weeklaagt over hen als zijnde haar zoons; zij, deze zelfde zoons leven hier nu bij u [zie ook ** en 10.2*]. (50) We willen ze hier weghalen om een einde te maken aan de droefenis van hun moeder; als daarna de vloek is opgeheven zullen ze bevrijd van de ellende naar hun eigen wereld terugkomen. (51) Bij Mijn genade zullen deze zes - Smara [Kîrtimân, zie 10.1: 57], Udgîtha, Parishvanga, Patanga, Kshudrabhrit en Ghrinî - terugkeren naar de bestemming der geheiligden.'

(52) Na aldus te hebben gesproken namen Ze, beiden geëerd door Bali, hen mee terug naar Dvârakâ en presenteerden Ze de zoons aan hun moeder. (53) Toen de godin de jongens weer zag deed de liefde voor haar zoons haar borsten vloeien. Ze nam ze op haar schoot en omhelsde ze, waarbij ze keer op keer hun hoofden besnuffelde. (54) Verbijsterd door Vishnu's begoochelend vermogen als gevolg waarvan de schepping zijn bestaan vindt, liet ze liefdevol haar zoons drinken van haar borsten die nat waren zo gauw ze hen aanraakten. (55-56) Nadat ze van haar nectargelijke melk hadden gedronken die over was van de melk die de hanteerder van de Knots dronk [voordat Vasudeva Hem naar Gokula droeg], herkregen ze, omdat ze in aanraking kwamen met het lichaam van Nârâyana, het bewustzijn van hun oorspronkelijke zelven. Buigend voor Govinda, Devakî, hun vader en Balarâma gingen ze, voor ogen van iedereen, naar de plaats waar de goden zich ophouden. (57) Met het aanschouwen van dit wederkeren en weer vertrekken van de doden, dacht de goddelijke Devakî in grote verwondering na over de magie zoals die was beschikt door Krishna, o Koning. (58) Van Krishna, de Opperziel die onbegrensd is in Zijn heldenmoed, bestaan er eindeloos veel heldendaden als deze, o nazaat van Bharata.'

(59) S'rî Sûta zei [te Naimishâranya, 1.1: 4]: "Wie ook die, zoals beschreven door Vyâsa's gerespecteerde zoon, devoot luistert naar of vertelt over deze wederwaardigheid van Murâri aan wiens glorie geen grenzen gesteld zijn, zal, met deze ware verrukking voor de oren van Zijn toegewijden die de zonden van het levend wezen totaal uitbant, met het vestigen van zijn geest op de Allerhoogste Heer, naar Zijn aan alle zegeningen rijke hemelse verblijfplaats gaan."

Voetnoten

* De paramparâ voegt hier aan toe dat er negen standaardprocessen van toegewijde dienst zijn zoals Prahlâda dat aangeeft in 7.5: 23-24, en dat de laatste, âtma-samarpanam, het overdragen van je rijkdom zoals voorgeleefd door Bali Mahârâja ter wille van de âtma-nivedanam van zelfcommunicatie met de Heer, de culminatie is waar ieder ondernemen op uit zou moeten zijn. Als men poogt de Heer onder de indruk te brengen met rijkdom, macht, intelligentie enzovoorts maar er niet in slaagt zichzelf nederig te begrijpen als zijnde Zijn dienaar, is iemands zogenaamde toewijding slechts een aanmatigende vertoning. De paramparâ waarschuwt hier aldus tegen de valse religie van pompeuze ceremoniën zonder achting voor het zich terugtrekken in de yoga als met Daksha in 4.2. Zie ook B.G 2: 42-43.

**: De paramparâ legt met de âcârya's S'rîdhara Svâmî en Vis'vanâtha Cakravartî uit dat na het van Hiranyakas'ipu wegnemen van Marîci's zes zoons, Heer Krishna's Yogamâyâ ze eerst deed belanden in nog een extra leven als de kinderen van een andere grote demon, Kâlanemi [de voorgaande incarnatie van Kamsa, zie 10.1: 68], en toen bracht ze ze tenslotte over naar de schoot van Devakî. Zie voor het volledige verhaal voetnoot 10.1***.

 

Hoofdstuk 86  

Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

(1) De achtenswaardige koning (Parîkchit) zei: 'O brahmaan, we willen graag weten hoe zij die mijn grootmoeder is, de zuster van Krishna en Râma [Subhadrâ, zie 9.24: 53-55], getrouwd raakte met Arjuna.'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Arjuna, de grote heer, weg op een bedevaart naar Prabhâsa, hoorde rondtrekkend over de aarde dat Râma van plan was Zijn nicht van moeders zijde weg te schenken aan Duryodhana en aan niemand anders, en zo ging hij, haar begerend, naar Dvârakâ veranderd in een asceet met een tridanda [*]. (4) Vastberaden zijn doel te bereiken, hield hij zich aldaar op gedurende de maanden van het regenseizoen en werd hij [zoals de gebruiken het voorschreven] geëerd door de burgers en door Râma zonder dat ze zich ervan bewust waren wie hij was. (5) Op een dag uitgenodigd als gast werd hij naar Balarâma's huis gebracht alwaar Hij hem gewetensvol een maaltijd voorzette. (6) Toen hij daar, met ogen opbloeiend van geluk, het wonderschone meisje zag dat helden het hoofd op hol bracht, zette hij, hevig verliefd, zijn zinnen op haar. (7) Zij met hem voor ogen die iedere vrouw het hart stal, richtte haar hart en ogen op hem terwijl ze vol van verlangen hem een bedeesde glimlach en blik toewierp. (8) Aan niets anders dan aan haar denkend wachtte Arjuna het juiste ogenblik af en kon hij, met zijn hart trillend van het hevigste verlangen, geen rust vinden. (9) Toen ze tijdens een belangrijke feestdag vanuit de vesting wegreed in een wagen, greep de machtige krijgsheer de kans het meisje dat zijn hart had gestolen te ontvoeren. Dat gebeurde met de instemming van haar ouders [zie 10.1: 56] en Krishna. (10) Met zijn boog opgeheven op zijn wagen staand dreef hij, als de koning der dieren zijn deel opeisend, de helden en wachters terug die, onder de woedende kreten van haar verwanten, hem probeerden tegen te houden. (11) Toen dit Râma ter ore kwam raakte Hij zo van streek als de oceaan tijdens een verkeerde maanstand [astrologische conjunctie of oppositie]. Hij moest door Heer Krishna en Zijn familie respectvol bij Zijn voeten worden gegrepen om tot vrede te worden bewogen. (12) Hij schiep er daaropvolgend genoegen in cadeaus van grote waarde, olifanten en paarden en mannelijke en vrouwelijke bedienden te sturen als huwelijkscadeau voor de bruid en bruidegom. '

(13) S'rî S'uka ging verder: 'Van Heer Krishna was er S'rutadeva, een van de besten onder de tweemaal geborenen, die bekend stond om de volkomenheid van zijn realisatie - zijn sereniteit, geleerdheid en vrij zijn van zinsbevrediging - in een toewijding tot Krishna alleen. (14) Hij, als een huishouder woonachtig in Mithilâ in het koninkrijk Videha, kwam zijn verplichtingen na zonder zich te bekommeren om datgene wat hem voor zijn levensonderhoud ten deel viel. (15) Hij kwam iedere dag zijn plichten na zoals vereist en was gelukkig met slechts dat - en niets meer dan dat - wat hem bij lotsbeschikking werd toebedeeld als zijn karige levensonderhoud. (16) De heerser van dat koninkrijk van de lijn van Koning Mithilâ [Janaka] stond bekend als Bahulâs'va en was evenzo onzelfzuchtig van aard, mijn beste. Ze waren Acyuta beiden even lief. (17) Tevreden als Hij was met hen beiden klom de Opperheer in Zijn wagen die door Dâruka werd voorgereden, en ging de Meester samen met een groep wijzen op reis naar Videha. (18) Mee kwamen Nârada, Vâmadeva, Atri, Krishna Dvaipâyana Vyâsa, Paras'urâma, Asita, Aruni, ikzelf [S'uka], Brihaspati, Kanva, Maitreya en Cyavana en anderen. (19) Overal waar Hij kwam naderden de burgers en dorpelingen met arghya [wateroffers] om Hem te begroeten die als de rijzende zon was omringd door de planeten. (20) In Ânarta [waar zich Dvârakâ bevind], Dhanva [het woestijngebied], Kuru-jângala [Thaneswar en Kurukshetra], Kanka, Matsya [Jaipur en Aloyar], Pañcâla [het gebied van de Ganges], Kunti, Madhu, Kekaya [noordoost Punjab], Kos'ala [van Kâs'î tot aan de Himalaya's], Arna [ten oosten van Mithilâ] en in vele andere koninkrijken, dronken de mannen en vrouwen met hun ogen het lotusgezicht in dat zo gul was met Zijn glimlachen en liefdevolle blikken, o Koning. (21) Als de Geestelijk Leraar van de Drie Werelden schonk Hij, de blindheid van hun ogen wegnemend, hen de onbevreesdheid van de spirituele visie, en hoorde Hij, geleidelijk aan Videha bereikend, hoe door de godsbewusten en de gewone mensen Zijn heerlijkheden werden bezongen, de heerlijkheden die alle ongeluk verdrijven en iedere hoek van het universum zuiveren. (22) Zo gauw de dorpelingen en stadsbewoners hoorden dat Acyuta was gearriveerd, o Koning, kwamen ze verheugd op Hem af met offergaven in hun handen. (23) Met het zien van Hem Die Geprezen Wordt in de Verzen, bogen ze zich met hun gezichten en hun harten bloeiend van de liefde voorover met hun palmen bijeen gehouden bij hun hoofden, zoals ze dat ook deden voor de wijzen die ze kenden van horen zeggen. (24) De koningen van Mithilâ en S'rutadeva wierpen zich ieder ter aarde aan de voeten met ieder de gedachte dat de Geestelijk Leraar van het Universum speciaal om voor hen van genade te zijn was gekomen. (25) Bahulâs'va en S'rutadeva die gelijktijdig hun handen bijeenbrachten, nodigden toen de Nakomeling van Das'ârha en de tweemaal geborenen uit hun gasten te zijn. (26) De Allerhoogste Heer die graag beiden een plezier wilde doen nam ieder hun aanbod aan door ieder zijn huis binnen te gaan zonder dat ze dat van elkaar wisten [dat Hij dat tegelijkertijd deed in vaibhava-prakâs'a]. (27-29) De afstammeling van Janaka [Bahulas'va] die ze later die dag op een afstand vermoeid naar zijn huis zag komen, droeg voor hen zorgzaam fijne zetels naar buiten zodat ze comfortabel konden zitten. Met een hart vol vreugde, met intense toewijding en ogen wazig van de tranen boog hij zich voorover om die voeten te wassen waarvan het water in staat is de hele wereld te zuiveren. Het samen met zijn familie op zijn hoofd nemend, vereerde hij de Heer der Heerscharen [en de wijzen] met sandelhoutpasta, bloemenslingers, kleding, sieraden, wierook, lampen, arghya, koeien en stieren. (30) Toen ze klaar waren met eten zei hij, terwijl hij gelukkig de voeten van Vishnu op zijn schoot massee rde, om ze te behagen langzaam met een vriendelijke stem het volgende.

(31) S'rî Bahulâs'va zei: 'U, waarlijk de Zelfverlichte Getuige en Ziel van Alle Geschapen Wezens, o Almachtige, bent nu voor ons die Uw voeten in gedachten houden zichtbaar geworden. (32) Om Uw uitlating gestand te doen van 'Niemand, zelfs niet Ananta, S'rî of de Ongeboren Brahmâ is Mij zo lief als de zuivere toegewijde', hebt U Zich voor onze ogen vertoond [zie ook 7.7: 51-52, 10.9: 20-21, 10.47: 58-63]. (33) Welke persoon van kennis in dezen, zou zich nu van Uw lotusvoeten afwenden als U Zichzelf geeft aan de wijzen die van de vrede zijn door geen bezit na te streven? (34) Nederdalend in de Yadu-dynastie terwille van de mensen die verstrikt zijn in de wereldse liefde [samsâra] hebt U, om dat een halt toe te roepen, Uw faam verbreid die de zonden van de drie werelden wegvaagt. (35) Alle eer aan U Krishna, de Allerhoogste Heer die van een onbegrensde intelligentie is, aan Nara-Nârâyana, die volmaakt van de vrede is in het ondergaan van de boetedoeningen. (36) AlstUblieft o Alomtegenwoordige, verblijf, vergezeld van de tweemaal geborenen, een paar dagen bij ons thuis en zegen met het stof van Uw voeten deze dynastie van Nimi.'

(37) S'rî S'uka zei: 'Aldus door de koning uitgenodigd bleef de Opperheer en Handhaver van de Ganse Wereld en bracht daarmee de mannen en vrouwen van Mithilâ het geluk. (38) S'rutadeva, die net als Bahulas'va Krishna bij hem thuis ontving, boog neer voor de wijzen en bij die gelegenheid danste hij verrukt met wapperende kleren. (39) Hij liet ze plaatsnemen op matten van darbha-gras welke hij aansleepte, begroette hen met woorden ter verwelkoming en waste hen toen tevreden samen met zijn vrouw hun de voeten. (40) Met het water besprenkelde hij, dolblij dat al zijn wensen in vervulling waren gegaan, allervroomst zichzelf, zijn huis en zijn familie. (41) Met offers van vruchten, geurige wortel [us'îra], zuiver nectarzoet water, aromatische klei, tulsîblaadjes, kus'agras en lotusbloemen vereerde hij hen met alle middelen van aanbidding die hem ter beschikking stonden en met voedsel dat bevorderlijk is voor de geest der goedheid [zie B.G. 17: 8]. (42) Hij vroeg zich af: 'Hoe kon het mij, ik die belandde in de overwoekerde put van het gezinsleven, overkomen om te mogen gaan met Krishna en deze goddelijke mensen waarin Hij zich ophoudt; het is waarlijk het stof van hun voeten dat de waardigheid vormt van alle heilige plaatsen.' (43) Met hen comfortabel gezeten en de gastvrijheid betoond, sprak S'rutadeva, met zijn vrouw, verwanten en kinderen nabij gezeten,terwijl hij Zijn voeten massee rde.

(44) S'rutadeva zei: 'Het is niet voor het eerst dat we de Allerhoogste Persoonlijkheid voor ons aanwezig zien; in feite doet zich dat al voor sedert Hij, met het middels Zijn energieën scheppen van dit universum, het universum binnenging in Zijn eigen staat van [bovenzinnelijk] zijn [als een avatâra]. (45) Hij gaat deze wereld binnen zoals een slapende persoon verschijnt in zijn eigen droom: alleen met zijn geest creëert hij met zijn eigen voorstellingsvermogen een wereld apart. (46) U verschijnt in het hart van die mensen die met zuivere geesten keer op keer over U vernemen, over U spreken, U verheerlijken, U aanbidden en converseren over U. (47) Ookal bevindt U zich in het hart, U houdt zich verre van geesten die zich opwinden over materiële zaken, en hoewel men op eigen kracht geen vat op U kan krijgen, staat U hen bij die waardering hebben voor Uw kwaliteiten [zie ook B.G. 7: 25]. (48) Mogen er mijn eerbetuigingen zijn voor U, de Superziel door wie wij de Allerhoogste Waarheid kennen, de Ene die [als de Tijd] voor de geconditioneerde ziel de Dood afroept; Hij die gedaanten aanneemt die een oorzaak hebben [het universum] en zonder een oorzaak zijn [het transcendentale], en zo [respectievelijk] zaken blokkeert en [dan weer nederdalend voor Uw toegewijden] de blik verruimt middels Uw eigen begoochelende vermogen. (49) U als die Superziel, gebiedt ons Uw dienaren. Wat o God moeten we doen? Oh, het voor ogen hebben van Uw goede Zelf is wat een einde maakt aan de moeilijkheden van de mensheid!'

(50) S'rî S'uka zei: 'Na gehoord te hebben wat hij aldus tot Hem zei, sprak de Opperheer, de Vernietiger van het Leed van de Overgegeven zielen, tot hem en nam daarbij met een brede glimlach zijn hand in de Zijne. (51) De Opperheer zei: 'O brahmaan, u moet weten dat deze wijzen meekwamen met de bedoeling u te zegenen; met Mij rondtrekkend, zuiveren ze alle werelden met het stof van hun voeten. (52) De beeltenissen, bedevaartsoorden en heilige rivieren bezocht, aangeraakt en aanbeden zuiveren geleidelijk aan, maar door de blik van hem die het meest aanbiddelijk is wordt dat alles in één keer bereikt [zie ook 4.30: 37, 7.9: 44, 10.9: 21, 10.84: 11]. (53) Een brahmaan is van geboorte de beste van alle levende wezens, en hoeveel meer betekent hij niet voor Me als hij door zijn ascese, zijn geleerdheid en zijn tevredenheid begiftigd is met een greep op de tijd [van dit Kali-tijdperk, zie ook ** en kâla]! (54) Deze vierarmige gedaante is Me niet zo dierbaar als een brahmaan is; zoals Ik al de goden omvat, omvat een man van [brahmaanse] geleerdheid al de Veda's [zie ook 10.84: 12]. (55) Zij die bedorven in hun intelligentie er niet in slagen het op deze manier te begrijpen, gedragen zich, nalatig, afgunstig jegens de man van [brahmaanse] geleerdheid, hun goeroe, Mij in feite, hun eigenlijke Zelf; terwijl ze de zichtbare vorm van een godsbeeld wel het aanbidden waard vinden. (56) Het bewegende en niet-bewegende van dit universum zowel als de elementaire categorieën daaraan ten grondslag liggend, worden door de geleerde met achting voor Mij in gedachten gehouden als zijnde vormen van Mij [zie ook B.G. 5: 18]. (57) O brahmaan, aanbidt derhalve enkel, met hetzelfde geloof als je in Mij stelt, deze brahmaanse zieners, en aldus tewerkgaand zal Ik daar rechtstreeks mee aanbeden zijn, niet op enige andere wijze zoals met [b.v. het aanbieden van] grote schatten [en dergelijke].'

(58) S'rî S'ûka zei: 'Hij en de koning van Mithilâ die op deze manier instructie ontvingen van de Heer, bereikten door met doelbewuste toewijding Krishna en Zijn gezelschap van meest verheven tweemaal geborenen te aanbidden, de bovenzinnelijke bestemming. (59) De Opperheer van Toewijding voor Zijn Eigen Toegewijden, die daar op die manier verbleef met het onderrichten van de twee toegewijden over het pad der waarachtigen [***] o Koning, keerde toen terug naar Dvârakâ.'

Voetnoten

* De tridanda is een staf meegevoerd door de vaishnava sannayâsî's die het drievoudige symboliseert van de verzaking in gedachten, spraak en handelen. In al deze drie heeft de verzaker de gelofte afgelegd Vishnu te dienen. De staf bestaat uit drie stokken gewikkeld in saffraankleurige stof met een klein stokje extra erbij gewikkeld aan de bovenkant.

**: De Tijd is de Heer Zijn onpersoonlijke aspect. De paramparâ zegt: 'Het wordt verstaan van de Vedische wetenschap der epistemologie, de 'Nyâya-S'âstra', dat kennis van een object (prameya) afhangt van een valide methode van kennen (pramâna)' (pp 10.86: 54). Zo zou het kennen van Krishna in de vorm van de Tijd zoals-Hij-is (Ik ben de Tijd, het licht van de zon en de maan, zoals Hij in de Gîtâ zegt), door middel van klokken valide lopend naar Zijn natuur, de zon, zoals met een zonnewijzer, en kalenders geldig ingesteld naar Zijn orde, de maan, zoals met de maanfasen, de juiste brahmaanse gedragswijze vormen. Met weken naar de maan en klokken naar de zon, zou de standaardtijd met de doodsheid van de gemiddelde tijd, de willekeurige valse eenheid van de zonetijd en de instabiliteit van de zomertijd, dan de tijd van onwetendheid zijn in ontkenning van Krishna, de vader van de Tijd, zelfs hoewel Krishna de aanbidding van het pragmatische en dus karmische dictaat van de standaardtijd erkent, maar niettemin die halfgodenaanbidding verkeerd en minder aantrekkelijk noemt [in 1.2: 26]. [zie ook cakra, kâla en B.G. 9: 23, 10: 21, 30 & 33, 7: 8 en Bhâgavatam tijdcitaten]

*** Prabhupâda voegt hier aan toe: "De les die we leren uit dit verhaal is dat Koning Bahulâs'va en S'rutadeva de brâhmana door de Heer werden geaccepteerd op hetzelfde nivo omdat ze beiden zuivere toegewijden waren. Dit is de ware kwalificatie om erkend te worden door de Allerhoogste Persoonlijkheid van God."

 

Hoofdstuk 87

Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

(1) S'rî Parîkchit zei: 'O brahmaan, hoe kunnen de heilige geschriften [de s'ruti, de Veda's], die de verschillende geaardheden der natuur behandelen, zich nu uitspreken over de onuitsprekelijke [*] Absolute Waarheid die verheven is boven oorzaak [het subtiele] en gevolg [het grofstoffelijke]?'

(2) S'rî S'uka zei: 'De intelligentie, de zinnen, de geest en de levenskracht van de levende wezens werden door hun Heer en Meester tot ontwikkeling gebracht terwille van de sensualiteit, voor het verwerven van een leven en voor het doel van [de emancipatie van] de ziel en haar uiteindelijke bevrijding. (3) Deze zelfde filosofische oefening wat betreft de Absolute Waarheid werd in acht genomen door de voorgangers [zoals de Kumâra's] van onze voorgangers [zoals Nârada]. Een ieder die er zich op concentreert zal vrij zijn van materiële gehechtheid en rust en vrede vinden [zie ook 8.24: 38]. (4) Terwille hiervan zal ik u verslag doen van een relaas aangaande Heer Nârâyana. Het betreft een gesprek tussen Nârâyana Rishi en Nârada Muni.

(5) Ooit eens ging de Opperheer Zijn geliefde Nârada tijdens zijn reizen door de werelden langs bij de âs'rama van de Eeuwige Ziener Nârâyana. (6) Vanaf het begin van de dag van Brahmâ heeft Hij [Nârâyana Rishi], enkel voor het welzijn in dit en het volgende leven van de menselijke wezens die zich houden aan het dharma, de jñâna en de zelfbeteugeling, zich in Bhârata-varsha beziggehouden met boetedoeningen [zie kalpa]. (7) Daar aangekomen boog hij voor Hem die daar zat omringd door wijzen van Kalâpa, het dorp waar Hij zich ophield, en stelde hij deze zelfde vraag o beste van de Kuru's. (8) Terwijl de zieners luisterden deed de Allerhoogste Heer verslag van dit klassieke gesprek over de Absolute Waarheid dat de bewoners van de wereld der stervelingen hadden [Janaloka]. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'O zoon van de uit zichzelf geboren Heer [Brahmâ], in het verleden werd er door hen die verblijven in de wereld der stervelingen een offerplechtigheid gehouden terwille waarvan de [ûrdhva-retah] celibataire wijzen die hun leven hadden gevonden in Brahmâ [- uit hem waren geboren -] hun spiritualiteit oefenden. (10) Met u vertrokken naar S'vetadvîpa om daar de Heer te treffen, volgde over Hem [Vishnu in de rol van Aniruddha] in wie de Veda's ten ruste liggen [na de vernietiging van de materiële wereld], een waarlijk levendige uiteenzetting welke de vraag opwierp die u Mij nu weer stelt. (11) Hoewel ze even gekwalificeerd waren door hun boetedoening en hun studie van de s'ruti en gelijk waren naar vrienden, vijanden en onpartijdigen, stelden ze één van hen aan als hun spreker terwijl de rest gretig luisterde.'

(12-13) S'rî Sanandana zei: 'Toen Hij na dit universum geschapen te hebben in verband met de beëindiging ervan zich terugtrok en lag te slapen, wekten de Veda's in eigen persoon de Allerhoogste met beschrijvingen van Zijn kenmerken, op dezelfde manier als een slapende koning door zijn hofdichters wordt gewekt als ze hem als zijn dienaren bij het ochtendgloren benaderen met [recitaties van] zijn heroïsche daden. (14) De Veda's zeiden: 'Alle eer, alle eer aan U, alstUblieft o Onoverwinnelijke versla de eeuwige illusie die de vorm van de geaardheden aannam die het nadelige in het leven roepen. Omdat U zich bezighoudt met de uit Uw innerlijk voortspruitende energieën van de bewegende en zich niet rondbewegende belichaamden, kunnen wij, de Veda's, U bij tijden herkennen die in Uw oorspronkelijke status volkomen bent in Uw vormen van weelde [**]. (15) Deze wereld wordt door de zieners beschouwd als zijnde het eindproduct van een groter geheel [van brahman], want het is als met klei die in haar omvorming leidt tot vormen die weer verloren gaan maar daarbij zelf geen verandering ondergaat. Daarom hebben de zieners hun geesten, woorden en handelingen gewijd aan U. Waar kunnen de voetsporen van mensen nu anders worden gezet dan op de aarde die ze betreden [zie ook 6.16: 22, 11.24: 18 en B.G. 7: 20-25]? (16) Aldus ontdoen Uw verlichte zielen o Meester van Alledrie de Werelden, zich van hun problemen door diep in de oceaan te duiken van de nectar der vertellingen [de kathâ] die de besmetting uitbant. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat zij die door de macht van hun eigen geesten de kwaliteiten van het tijdelijke verdreven o Allerhoogste, in hun aanbidding het ononderbroken geluk ervaren van Uw verblijfplaats. (17) Zij die maar wat lucht verplaatsen als ze ademen [zie B.G. 18: 61] leven pas werkelijk als ze Uw trouwe volgelingen zijn, omdat U, boven oorzaak en gevolg verheven, de onderliggende werkelijkheid bent uit wiens genade het universele ei van het materiële geheel, het afzonderlijk bestaan en de andere aspecten en materiële elementen van de persoon werden voortgebracht [zie 3.26: 51-53]. Naar gelang de specifieke vormen die er verder nog werden voortgebracht, verschijnt U daarbij als de Uiteindelijke Gedaante onder de meer of minder materiële, lichamelijke omhulsels [de kos'a's en B.G. 18: 54]. (18) Onder hen die zich houden aan de leefregels van de zieners zijn zij die er een grofstoffelijke zienswijze op nahouden van aanbidding voor de onderbuik [de lagere centra] en richten de Âruni's [de superieure yogi's] allereerst hun aandacht op de prâna-knoop van de subtiele energieën [zie cakra] van het hart, waarna ze, o Onbegrensde, opstijgen naar het hoofd dat Uw verblijfplaats is en dan doorgaan naar de hoogste bestemming vanwaar ze, als ze hem bereikt hebben, nimmer weer terug zullen vallen in de mond van de dood [zie ook B.G. 8: 16]. (19) Klaarblijkelijk als hun motivator [voor of tegen] binnengaand in de door U verschillend geschapen levensvormen, wordt U naar gelang de situatie in Uw eigen schepping zichtbaar ongeveer zoals vuur zich vertoont [afhankelijk van de vorm die ze in vlammen zet]. U die zich aldus onder hen bevindt als zijnde het ware [aan Zichzelf gelijke en eeuwige] onder het onware [de uitgebreide verscheidenheid van het tijdelijke], wordt door hen die verbonden zijn met Uw manifestatie en die niet verstrikt zijnd zuivere geesten hebben, begrepen als zijnde een [onveranderlijke, permanente] staat van liefde [zie ook B.G. 2: 12]. (20) De persoon zich ophoudend in de lichamen die hij te danken heeft aan zijn eigen handelen is in feite als zijnde een expansie van U, die de eigenaar bent van alle energieën zoals wordt gezegd [door de Veda's], niet van het uiterlijke [het grofstoffelijke lichaam, de deha], noch van het innerlijke [het subtiele lichaam, de linga] maar wordt [door deze lichamen] omsloten. En zo aanbidden, als ze eenmaal geloof ontwikkeld hebben met het zich verzekeren van de status van het levende wezen als zijnde gemanifesteerd op deze manier, zij die geschoold zijn in de heilige voorschriften Uw voeten als de bron der bevrijding en het veld waarin alle offers worden gezaaid. (21) Door diep te duiken in de uitgestrekte oceaan van de nectar van de wederwaardigheden van de gedaanten die U aannam om het moeilijk te vatten principe van de ziel uit te dragen, wensen de weinigen die de vermoeienis [van een materieel leven] van zich afschudden het zelfs niet van deze wereld verlost te raken, o Heer. Dit is zo omdat ze met het verlaten van hun huizen omgang kregen met de gemeenschap der zwanen [de bovenzinnelijke personen] aan Uw lotusvoeten [zie 40 4.24: 58, 4.30: 33, 5.12: 16, 5.13: 21, 7.6: 17-18, 7.14: 3-4]. (22) Dit lichaam dat nuttig is om U van dienst te zijn, fungeert als iemands zelf, iemands vriend en geliefde. Echter, hoewel U als hun eigenlijke Zelf behulpzaam en toegenegen hen gunstig gezind bent, vinden zij die helaas er niet in slagen genoegen in U te scheppen eerder het verval van het lichamelijk omhulsel [in opeenvolgende geboorten], suïcidaal als ze zijn in de aanbidding van het onware als ze steeds maar niet weten waar ze het moeten zoeken in hun angst voor het bestaan [zie ook B.G. 16: 19]. (23) Dat wat door wijzen met hun ademen, hun geest en zinnen onder controle gebracht in standvastige yoga wordt aanbeden in het hart, wordt ook bereikt door hen die zich U herinneren in vijandschap [zie ook 3.2: 24 en 10.74: 46]. Zo ook zullen wij U bereiken en dezelfde nectar van de lotusvoeten genieten als de vrouwen genieten [de gopî's, de echtgenotes] die in hun geest en met hun ogen zijn aangetrokken tot Uw armen die zo sterk zijn als machtige slangenlijven. (24) Ach, wie alhier die nog maar pas werd geboren en al spoedig weer zal sterven heeft er een idee van wie de eerste was uit wie de ziener zich voordeed [Brahmâ] op wie de twee groepen van halfgoden volgden [naar de zinnen en de principes] [zie B.G. 7: 26]? Als Hij neerligt om zich terug te trekken is er te dien tijde noch het grofstoffelijke, noch het subtiele, noch dat [de lichamen] wat beiden omvat; noch is er het verloop van de Tijd of zijn de S'âstra's er [B.G. 9: 7]. (25) Zij die met gezag onderricht gevend verklaren dat leven uit dode materie voortkomt en dat er eindigheid zou zijn van het eeuwige [zie B.G. 2: 16], dat de ziel niet één zou zijn [zie 10.14: 9] en dat de dualiteit van wereldse aangelegenheden iets werkelijks is [zie B.G. 17: 28], hebben het bij het verkeerde eind in hun uit onwetendheid geboren dualistische opvatting dat het levende wezen aldus zou zijn voortgebracht door de drie geaardheden [alleen, d.w.z. zonder U, Uw Eenheid in het Voorbije, zie B.G. 14: 19 en 13: 28]; dat is wat men ervan krijgt als men met betrekking tot dergelijke bovenzinnelijke zaken niet in [kennis met] U verkeert, de essentie van de Volledige Waarneming [zie ook 5.6: 9-11]. (26) Het [tijdgebondene van de vorm en dus] onware drievoudige en haar [geest-]verschijningen tot aan die van de menselijke wezens toe, doen zich in U voor alsof ze waar zijn, maar worden desondanks door de kenners van de Ziel die het geheel van deze wereld als waar beschouwen [te weten als Uw lichaam] niet verworpen omdat ze transformaties zijn die niet van Hem verschillen. Zij, geschapen door Hem die Zelf [Zijn schepping] binnengaat, worden in die zin herkend als zijnde van het Ware Zelf, zo goed als goud niet anders wordt als het verschillende vormen krijgt toegekend [zie ook 6.16: 22]. (27) Zij die U aanbidden als de toevlucht van alle geschapen wezens bekommeren zich niet om de Dood en zetten simpelweg hun voeten op zijn hoofd, maar zelfs de wijzen [onder hen] legt U met Uw woorden aan banden zoals men dieren vastbindt. Zij die zich tot Uw vrienden rekenen komen [zo] tot zuivering, niet zo zeer zij die zich daarvan afwendden. (28) U die zelfverlicht geen arbeid verricht bent de handhaver van allen die wel karma hebben [gebonden als ze zijn aan hun zintuigen]; de goddelijken waakzaam met de materiële natuur dragen offers aan U op en genieten dezelfde achting van offeren die hen ten deel valt, precies zoals dat gaat met de lokale autoriteiten in een koninkrijk in relatie tot de vorst die over het ganse land heerst - dat is hoe zij die van succes zijn in vrees voor U zich van de hun toegewezen taken kwijten. (29) Door Uw materiële energie worden de levensvormen, die zich manifesteren als zijnde onbeweeglijk en bewegend, aangezet tot gemotiveerd handelen, maar dat kan alleen maar gebeuren als U, die overal los van staat, o Eeuwig Bevrijdde, Uw kortstondige blik werpt met het aannemen van de gedaanten voor Uw spel en vermaak in de materiële wereld. Voor [U] het Allerhoogste kan feitelijk niemand een vreemde of een vriend zijn, precies zoals de ether geen waarneembare kwaliteiten kan hebben. Wat dat betreft bent U als de lege ruimte.(30) Als de talloze belichaamde wezens niet tijdgebonden zouden zijn, dan zou het alomtegenwoordige niet zo'n soevereine macht vormen, o Onveranderlijke. Omdat men de substantie niet los kan zien van dat waaruit zij werd voortgebracht [ - pradhâna, de oer-ether, de tijdruimte -] moet [U] de Regulator [van de Tijd] worden gekend als zijnde overal in gelijke mate aanwezig en niet als Zich ergens anders bevindend. Om die reden heeft men het bij het verkeerde eind als men ervan uitgaat dat men weet zou hebben [van het volledige van U], men is immers van het onvolkomene [de lokale orde] met wat men zo kent [zie 6.5: 19]. (31) Het genereren van de materiële natuur en haar genieter [het mannelijke principe, de persoon, de purusha], is niet iets dat zich afspeelt. Het is te danken aan de combinatie van die twee ongeboren elementen dat levende lichamen in U hun bestaan vinden als waren het bubbels in water [in combinatie met lucht]. En zoals rivieren in de zee uitmonden en alle smaken van de nectar zich samenvoegen in de honing gaan de levende wezens met al hun verschillende namen en kwaliteiten [later dan weer] op in het Allerhoogste [zie ook B.G. 9: 7]. (32) Zij die van de wijsheid zijn en er terdege van doordrongen zijn hoezeer Uw mâyâ de menselijke wezens begoochelt, zijn U op een krachtige manier liefdevol toegewijd van dienst, U die de bron der bevrijding bent. Hoe zou er in hen die U trouw aanhangen, ook maar iets van angst kunnen zijn voor een materieel bestaan, een angst die het drie-gerande [wiel van de Tijd van verleden, heden en toekomst] van Uw fronsende wenkbrauwen steeds weer oproept in hen die niet bij U hun heil zoeken [zie ook B.G. 4: 10, 7: 14 & 14: 26]? (33) In de ban van de zinnen en de ademhaling is de geest als een paard dat men niet in bedwang heeft [B.G. 2: 60 en 5.11: 10]. Zij die alhier naar regulatie streven maar van de voeten van de goeroe hebben afgezien, vinden vol van leed en onstandvastig in de verschillende controlemethoden honderden obstakels op hun weg, o Ongeborene. Ze zijn als kooplieden die voor een bootreis op zee geen stuurman in de arm genomen hebben [zie 10.51: 60 & B.G. 4: 34]. (34) Wat hebben dienaren, kinderen, een lichaam, een echtgenote, geld, een thuis, land, vitaliteit, en voertuigen nu te betekenen voor mensen voor wie U het eigenlijke Zelf werd, de Belichaming van Alle Genoegen? En wat zou allemaal voor hen die met het vasthouden aan hun verlustiging in seksuele zaken er niet in slagen de waarheid [van Hem] te waarderen, [waar] geluk brengen in deze wereld die onderhevig is aan vernietiging en op zichzelf verstoken is van inhoud [zie ook B.G. 13: 8-12]? (35) De zieners vrij van valse trots die met de grootste vroomheid op deze aarde zich richten op de pelgrimsoorden en plaatsen van Zijn spel en vermaak hebben zo Uw voeten in hun hart geïnstalleerd en doen zelf met het water van hun voeten de zonden teniet. Zij die maar één enkele keer hun geest richten op U, de Oorspronkelijke Ziel die Eeuwig Gelukkig is, zullen zich nimmer meer wijden aan de huiselijke aangelegenheid [van een gezinsleven] die een persoon berooft van zijn essentiële kwaliteiten. (36) 'Vanuit het ware verscheen het ware' kan men beweren, maar dat moet worden weerlegd als zijnde een drogrede. Omdat het in een aantal gevallen niet onwaar is gaat deze samenhang nog niet altijd op. Daar de twee soms wel samengaan worden door een reeks van mensen die in het duister tasten de zaken van het alledaagse leven anders voorgesteld en dan wekken Uw talrijke woorden van wijsheid verbijstering en verliest men zijn oplettendheid met de aanheffingen die men doet tijdens de rituelen. (37) Daar dit alles in den beginne niet bestond en bijgevolg ook niet zal bestaan na zijn vernietiging, kan worden geconcludeerd dat dat wat zich in de tussentijd voordoet in Uw schepping, het onware is dat moet worden vermeden. En aldus is het [tussentijds bestaan] voor hen die stabiel zijn in hun spiritualiteit maar een vrucht van het voorstellingsvermogen, ookal kan het allemaal worden vergeleken in categorieën van materiële substantie die zich vertonen in een keur aan verschillende transformaties [zie tekst 26], transformaties waarvan de minder intelligenten daarentegen denken dat het iets zou zijn dat het aanbidden waard is [zie B.G. 6: 8]. (38) Hij [het levende wezen] legt zich vanwege het onoverkomelijke van de materie neer bij die energie en neemt, met het zich eigen maken van haar kwaliteiten, dienovereenkomstig gedaanten aan. In zijn gehechtheid aan die gedaanten is hij verstoken van Zijn voordeel en wordt hij geplaatst voor [de feiten van het geboren worden en] de dood. U daarentegen laat met de genade die U heeft haar als een slang die zijn huid afwerpt links liggen en wordt in Uw achtvoudige grootsheid [zie siddhi's] verheerlijkt als Hij die Onbegrensd is in Zijn Heerlijkheid. (39) Als zij die zich wijdden aan een leven van verzaking niet de sporen van materiële verlangens uit hun harten bannen en als yogabeoefenaren [enkel maar] leven om hun dierlijke behoeften te bevredigen, hebben ze, ongelukkig als ze zijn in het zich niet van de dood hebben afgekeerd in beide gevallen [van dit leven en het leven hierna], Uw hemelse koninkrijk gemist. Het is voor de onzuiveren onmogelijk om dat doel te bereiken als ze U hebben vergeten terwijl ze U met zich meedragen als een juweel om hun nek [zie ook B.G. 6: 41-42]. (40) Iemand met begrip voor U slaat geen acht op de goede of kwade gevolgen van het gunstige en ongunstige dat zich in het moment voordoet van U [in het hier en nu], noch trekken ze zich de woorden aan van andere levende wezens. Iedere dag, o U van Alle Kwaliteiten, is hij van het lied dat in ieder tijdperk gehoord wordt via de geestelijke erfopvolging van de kinderen van Manu [zie 3.22: 34-39 en 5.13: 25]. En zo wordt U door hem beschouwd als het uiteindelijke doel van de bevrijding. (41) Noch de meesters van de hemel kunnen het einde bekennen van de heerlijkheid van U die zo Onbegrensd bent, noch kan U dat zelfs, U in wie het veelvoud aan universa - ieder in zijn eigen omhulling - met de Gang der Tijd worden rondgeblazen in de hemel als waren het stofdeeltjes. Omdat de s'ruti's in U hun uiteindelijke conclusie vinden dragen ze vrucht door [neti neti] dat te elimineren wat niet het Absolute van U is [zie siddhânta]'.

(42) De Allerhoogste Heer zei: 'Na aldus deze instructie te hebben aangehoord over het Ware Zelf, begrepen de zoons van Brahmâ wat hun eindbestemming was en aanbaden ze daaropvolgend volmaakt bevredigd de wijze Sanandana. (43) Alzo werd door de klassieke wijzen die ter wereld kwamen om zich op hogere gebieden te bewegen, uit al de Veda's en Purâna's de nectar van het onderliggende mysterie [van de filosofie van de Upanishads] gedestilleerd. (44) O u erfgenaam van Brahmâ [Nârada], trek rond over de wereld zoals u wenst, met geloof mediterend op deze instructie over de Ziel die de begeerten van de mens tot as verbrandt.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Hij, de kalmte zelve, die aldus van de wijze de opdracht had ontvangen aanvaarde die trouw o Koning, en nam het woord nadat hij, nu volledig van succes zijnde, standvastig in zijn geloof eerst gemediteerd had op wat hij had gehoord. (46) S'rî Nârada zei: 'Mijn eerbetuigingen voor Hem, de Allerhoogste Heer Krishna volkomen in Zijn heerlijkheden die Zijn al-aantrekkelijke expansies manifesteert voor de verlossing van alle zielen [1.3: 28].'

(47) Na aldus te hebben gesproken boog hij voor de Oorspronkelijke Rishi [Nârâyana] en voor de grote zielen die Zijn leerlingen waren en begaf hij zich vandaar naar de hermitage van mijn fysieke vader, Dvaipâyana Vedavyâsa. (48) Nadat de grote toegewijde hem de eer had bewezen en hij een zitplaats van hem had aanvaard, beschreef hij voor hem dat wat hij vernomen had uit de mond van S'rî Nârâyana. (49) Zo is er antwoord gegeven op de vraag die u stelde o Koning, over hoe in de Absolute Waarheid - dat wat zonder materiële kwaliteiten zo ongrijpbaar is voor woorden - de geest zijn weg zou vinden. (50) Hij die waakt over dit universum in den beginne, in het midden en op het eind; Hij die de Heer is van het ongemanifesteerde van de individuele ziel; Hij die, dit universum in het bestaan roepend, erin binnenging tezamen met de individuele ziener en [met hem] lichamen voortbrengt die Hij reguleert; Hij voor wie degene [die begoocheld is en] die niet [weder-]geboren is zich overgeeft en net als in zijn slaap het lichaam vergeet dat hij koestert; Hij dankzij wiens zuivere spirituele status men voor een materiële geboorte wordt behoed, is de Allerhoogste Persoonlijkheid op wie men zonder ophouden dient te mediteren [zie B.G. 16: 11-12, 1.9: 39 en de bhajan Sarvasva Tomâra].'

Voetnoten

* S'rîla S'rîdhara Svâmî analyseert dit probleem, van het beschrijven van de onuitsprekelijke waarheid in te definiëren termen, uitvoerig met behulp van de traditionele discipline van de Sanskrit poëtica die stelt dat woorden drie soorten van expressief vermogen hebben, genaamd s'abda-vritti's. Dit zijn de verschillende manieren waarop een woord betrekking heeft op zijn betekenis, onderscheiden als mukhya-vritti - letterlijke betekenis (verdeeld in rudhi, conventioneel gebruik en yoga, het gebruik ontleend als in de etymologie), lakshanâ-vritti - metaforische betekenis, en de nauw verwante gauna-vritti, - een vergelijkende betekenis; bijvoorbeeld: het woord leeuw kent de drie expressieve vormen van: het is een leeuw - letterlijk, hij is een leeuw - metaforisch en hij is als een leeuw - vergelijkend qua betekenis. Dus is het in feite de vraag hoe de Absolute Waarheid kan worden gedekt in termen van letterlijke betekenis, in metaforen en in vergelijkingen.

** Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî, vertegenwoordigen de achtentwintig verzen van de gebeden van de Veda's in eigen persoon (teksten 14 - 41) de meningen van ieder van de achtentwintig belangrijkste s'ruti's. Deze hoofd-Upanishads en andere s'ruti's handelen over de verschillende benaderingen van de Absolute Waarheid. Zie de betekenisverklaringen pp 10.87 van dit hoofdstuk van de paramparâ voor specifieke citaten.

 

Hoofdstuk 88

Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

(1) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'De goddelijken, zij die van de duisternis zijn en de mensen die de ascetische Heer S'iva aanbidden, zijn gewoonlijk rijk en genieten van het leven, maar niet zij die van Lakshmî en haar Echtgenoot de Heer Hari zijn. (2) Onzerzijds daarin werkelijk van grote twijfel, zouden we graag de zaak doorgronden van de lotsbestemmingen van de aanbidders van de twee Heren die zo tegengesteld zijn qua karakter.'

(3) S'rî S'uka zei: 'S'iva, die altijd verenigd is met zijn s'akti, wordt aanbeden in zijn drie manifeste guna-aspecten: de emotie [zijn sattva], de autoriteit [zijn rajas] en de traagheid [zijn tamas], en is aldus [de belichaming van] het drievoudige van het ego. (4) Daarvan hebben de zestien transformaties [linga's] zich gemanifesteerd waarvan iemand, met het navolgen van elk van dezen, het verwerven van materiële bezittingen geniet [zie onder S'iva]. (5) Heer Hari echter is, werkelijk absoluut onaangedaan door de geaardheden, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur; Hij is de getuige die alles ziet, door Hem te aanbidden raakt men bevrijd van de guna's. (6) Uw grootvader de koning [Yudishthhira] vroeg dit aan Acyuta toen hij van Hem vernam over het dharma. (7) Hij, de Opperheer, zijn Meester, die terwille van het uiteindelijk heil van alle mensen was nedergedaald in de Yadu-familie, sprak toen behaagd tot hem die gretig luisterde. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Van hem die Ik begunstig neem ik geleidelijk de rijkdom weg, waarna dan armlastig, met het ondergaan van de ene tegenspoed na de andere, die persoon in de steek gelaten zal worden door zijn eigen [gehechte] mensen [zie ook 7.15: 15, 9.21: 12, 10.81: 14 & 20, 10.87: 40, B.G. 9: 22]. (9) Als hij, zinloos bezig pogend het kapitaal te dienen, gefrustreerd raakt en vriendschap sluit met hen die Mij toegewijd zijn, zal Ik Mijn genade tonen. (10) Nuchter met de wijsheid begrijpend dat de subtiele, zuivere, eeuwige geest van het Opperste Brahman iemands ware zelf is, raakt men bevrijd uit samsâra. (11) Mij buiten beschouwing latend omdat Ik moeilijk te aanbidden ben, aanbidden mensen anderen waarmee zij dan snel bevrediging vinden met het in de wacht slepen van koninklijke rijkdom. Arrogant, trots en onachtzaam geworden beledigen ze, verrassend genoeg, dan hen aan wie ze de zegeningen te danken hebben [zie ook B.G. 2.42-44; 4: 12; 7: 20-25; 17: 22, 18: 28].'

(12) S'rî S'uka zei: 'Brahmâ, S'iva en anderen zijn er toe in staat te vervloeken en gunsten te verlenen. Brahmâ en S'iva zijn snel met hun veroordelingen en zegeningen, mijn beste Koning, maar de Onfeilbare [Vishnu] is niet zo. (13) In dit verband wordt als voorbeeld de volgende oude geschiedenis verteld van Girîs'a die in gevaar kwam door de demon Vrikâsura de keuze van een gunst te bieden. (14) Een Asura genaamd Vrika, een zoon van S'akuni [zie 9.24: 5], die Nârada ergens onderweg tegenkwam, vroeg doortrapt welke van de drie Heren het snelst te behagen was. (15) Hij zei: 'Voor een snel resultaat kan je maar beter S'iva aanbidden, die is net zo gauw tevreden met kwaliteiten als dat ie kwaad wordt over fouten. (16) Tevreden over Tienkop [Râvana] en over Bâna die als minstrelen zijn heerlijkheden bezongen, raakte hij [echter] in grote moeilijkheden toen hij hen een onvergelijkelijke macht toekende.'

(17) Aldus op de hoogte gesteld aanbad de Asura hem te Kedâra [in de Himalaya's] door in het vuur, dat de mond van S'iva is, offers te brengen van het vlees van zijn eigen ledematen. (18-19) Gefrustreerd omdat hij de Heer niet te zien kreeg, maakte hij op de zevende dag, met zijn haar nat van het water van die heilige plaats, aanstalten om met een bijl zijn eigen hoofd eraf te hakken. Maar toen rees S'iva allergenadigst op vanuit het vuur eruitziend als Agni. Hij hield hem tegen door zijn armen te grijpen en herstelde zijn lichaam in zijn oude staat door hem aan te raken, precies zoals wij dat zouden doen. (20) Hij zei hem: 'Genoeg, genoeg, beste kerel, luister alsjeblieft, kies voor een zegen van mij, ik zal iedere gunst inwilligen die je maar verlangt. O, het door jou zo enorm kwellen van je lichaam heeft geen zin, ik ben tevredengesteld met mensen die me voor hun beschutting met water benaderen [zie ook B.G. 17: 5-6]!'

(21) Met dat aanbod van de god koos de zondaar daarop voor een gunst die alle levende wezens schrik aanjaagde toen hij zei: 'Moge wie dan ook sterven die ik de hand op het hoofd leg!'

(22) O zoon van Bharata, toen Rudra dit hoorde, liet hij misnoegd om weerklinken en willigde hij het met een ironische glimlach in; het was als het geven van melk aan een slang [zie ook 10.16: 37]. (23) Om de zegening uit te proberen probeerde de demon toen S'iva zijn hand op zijn hoofd te leggen en joeg hem daarmee de stuipen op het lijf over wat hij zojuist had gedaan. (24) Hij trillend van de angst achtervolgd door hem vluchtte vanuit het noorden [van zijn verblijfplaats] weg naar alle uithoeken van de hemel en de aarde. (25-26) Niet wetend hoe er tegen op te treden hielden de belangrijkste halfgoden zich stil. Toen ging hij naar Vaikunthha, de plaats van licht verheven boven alle duisternis alwaar Nârâyana, de Hoogste Bestemming persoonlijk aanwezig is. Die plaats vormt de bestemming vanwaar de verzakers die in vrede het geweld opgaven niet meer terugkeren [zie ook S'vetadvîpa]. (27-28) De Allerhoogste Heer, de Verdrijver van Alle Leed, die van een afstand het gevaar aan zag komen, kwam naar hem toe na Zichzelf eerst middels Zijn yogamâyâ in een jonge brahmaanse student te hebben veranderd. Compleet met een gordel, een hertenvel, een staf en een bidsnoer had Hij een uitstraling die gloeide als vuur. Respectvol begroette Hij hem nederig met kus'agras in Zijn handen. (29) De Allerhoogste Heer zei: 'O beste zoon van S'akuni, u lijkt vermoeid te zijn, om welke reden kwam u van zo verre? Alstublieft rust wat uit, moet dit persoonlijke lichaam niet de vervulling inhouden van alle verlangens? (30) Als Ons oor het mag vernemen, o machtige, zeg Ons dan alstublieft wat u in gedachten had. Is het niet zo dat men normaal gesproken zijn doel bereikt met de hulp van anderen?'

(31) S'rî S'uka zei: 'Aldus ondervraagd door de Opperheer met woorden die neerregenden als nectar, verdween al zijn vermoeidheid en zei hij Hem wat hij had gedaan. (32) De Allerhoogste Heer zei [toen tot Vrika]: 'Als dat het geval is, kunnen We geen geloof hechten aan zijn uitlatingen. Hij is immers degene die werd vervloekt door Daksha van de duivel te zijn als de koning der geesten en demonen [zie 4.2: 9-16]. (33) Als u vertrouwen in hem stelt als zijnde de 'geestelijk leraar van het universum', o beste vriend, kijk dan nu meteen maar eens wat er gebeurt als u uw hand op uw eigen hoofd legt! (34) Als S'ambhu's woorden daarmee - of anderszins - onwaar blijken te zijn, o beste van de Dânava's, doodt dan alstublieft hem die je zo om de tuin leidt, zodat hij nooit meer kan liegen.'

(35) Hij op deze manier verbijsterd door de o zo slimme woorden van de Allerhoogste Heer, plaatste, er verder niet meer over denkend toen dwaas genoeg zijn hand op zijn eigen hoofd. (36) Alsof het door de bliksem werd getroffen spatte zijn hoofd meteen uiteen. Hij viel neer en vanuit de hemel konden de klanken worden gehoord van 'Gewonnen!', 'Heil!' en 'Goed zo!' (37) Met S'iva bevrijd van het gevaar nu de zondige Asura Vrika was gedood, lieten de wijzen van de hemel, de voorvaderen en de zangers van boven een regen van bloemen nederdalen. (38-39) Bhagavân, de Allerhoogste Persoonlijkheid, richtte zich toen tot de verloste Girîs'a: 'O, beste Mahâdeva, zie hoe deze zondaar de dood vond door zijn eigen zondigheid! Welk een geluk inderdaad, o meester, kan er voor een levend wezen bestaan die van overtreding was met de verheven heiligen, om nog maar te zwijgen van het in overtreding zijn geweest met de Heer van het Universum, de Geestelijk Leraar van het levende Wezen [zie ook 1.18: 42, 7.4: 20 en B.G. 16: 23]. (40) Wie ook die hoort of spreekt over dit redden van heer S'iva door de Heer van de Superziel, de Ondoorgrondelijke Persoonlijke Manifestatie van de Oceaan van Alle Energieën, raakt bevrijd van zowel vijanden als van de herhaling van geboorte en dood.'

   

Hoofdstuk 89

Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

(1) S'rî S'uka zei: 'Onder de wijzen die een offerplechtigheid hielden aan de oever van de Sarasvatî, o Koning, wierp zich een meningsverschil op over wie van de drie [Heren] die er vanaf het begin waren de grootste zou zijn. (2) Ernaar verlangend dit te weten zonden ze Bhrigu, de zoon van Brahmâ eropuitom dit uit te zoeken, o Koning, en zo begaf hij zich naar het hof van Brahmâ. (3) Om de goedheid op de proef te stellen verboog hij zich niet voor hem noch liet hij een gebed horen. Dat wekte toen zijn hartstocht en de grote Heer werd kwaad. (4) Hoewel hij innerlijk kwaad op zijn zoon begon te worden slaagde de zelfgeborene erin zich in te tomen, net als met een vuur dat wordt uitgedoofd door zijn eigen product, water [zie ook 3.12: 6-10]. (5) Vervolgens ging hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva blij hem te zien opstond om hem te kunnen omhelzen. (6-7) Toen Bhrigu dit echter afwees en zei 'Je bent iemand die van het pad afwijkt', werd hij boos en hief hij zijn drietand naar hem op met ogen die vuur schoten in een bereidheid om hem te doden. De godin viel hem ten voeten en bewoog hem verbaal tot vrede. Bhrigu ging toen naar Vaikunthha alwaar Heer Janârdana verblijft. (8-9) Nadat hij Hem aldaar tegen Zijn borst had geschopt terwijl Hij met Zijn hoofd op de schoot van de Godin van het Geluk lag, kwam de Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden, samen met Lakshmî overeind. Hij stond op van het bed en boog daarop Zijn hoofd voor de wijze en zei: 'Weest welkom, o brahmaan, gaat u hier zitten, neemt u 't Ons niet kwalijk o meester, we hadden even niet in de gaten dat u hier was gearriveerd! (10-11) Alstublieft zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die Mij toegewijd zijn, met het water dat spoelt van de voeten van uw goede zelf dat de heiligheid schept van de pelgrimsoorden. Vandaag, o Mijn heer, ben Ik de enig zaligmakende toevlucht geworden, omdat met het door uw voet bevrijden van Mijn borst van alle zonde de godin van het geluk bereid zal zijn daar te verblijven!'

(12) S'rî S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over de plechtstatige woorden die alzo door de Heer van Vaikunthha werden gesproken, viel tevreden stil met tranen in zijn ogen, overweldigd als hij was door toewijding. (13) O Koning, teruggekeerd naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda hooghouden, beschreef Bhrigu uitvoerig wat hij persoonlijk had ervaren. (14-17) Toen ze dit hoorden stonden de wijzen versteld, daar ze van hun moeilijkheden waren verlost door geloof te hechten aan Heer Vishnu als zijnde de grootste van wie er vrede en onbevreesdheid is, een rechtstreeks bewijs van dharma, de spirituele kennis, de onthechting, de realisatie [van tat], de acht mystieke vermogens [siddhis] en Zijn faam die de onzuiverheden uit de geest bant. Hij is de Allerhoogste Bestemming van de onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met het opgeven van het geweld [van het heersen met hartstocht], geesten hebben die gelijkmoedig en vreedzaam zijn. Hij is de belichaming van de geaardheid goedheid waarvan de brahmanen der spirituele vrede, die zo kien en deskundig van aanbidding zijn zonder nevenmotieven, de aanbiddelijke godheden zijn [zie 1.2: 7; 3.25: 37 en 10.81]. (18) Naar de guna's zijn er de drie typen van geconditioneerde wezens die teweeggebracht worden door Zijn materiële energie: de wilden [de Râkshasa's], de onverlichte zielen [de Asura's] en de goddelijken [de Sura's]; van deze drie is het de geaardheid goedheid [van de Sura's] die de weg wijst [zie B.G. 14: 6 & 14: 14].'

(19) S'rî S'uka zei: 'Het is vanwege hun dienstbaarheid aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid [het Zuivere van de Goedheid] dat de geschoolden, die op deze wijze hun leven doorbrengen aan de Sarasvatî om bij de gewone man de twijfel weg te nemen, Zijn bestemming bereikten.' "

(20) S'rî Sûta [te Naimishâranya] zei: "Aldus stroomde deze nectar met de geur van een lotus voort uit de mond van de zoon van de wijze [Vyâsa]. Handelend over de Allerhoogste Persoonlijkheid vernietigt die nectar de angst van een materieel bestaan en maakt ze dat de reiziger, die zich via de openingen van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen, de vermoeidheid vergeet van zijn ronddolen op de [wereldse] weg. (21) S'uka zei: 'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kleine kind geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het moment, zoals men dat zegt, dat het de grond raakte, o nazaat van Bharata. (22) De geschoolde, die in zijn misère weeklaagde met een geest van streek, bracht het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei, het presenterend, het volgende: (23) 'Omdat deze ongekwalificeerde, inhalige kshatriya die verslaafd is aan zingenot, met een bedrieglijke geest en vijandig jegens de brahmanen, in zijn plichtsvervulling is mislukt, moest mijn zoon de dood vinden. (24) Burgers van dienst met een slechte volksheer die, met zijn zinnen niet in bedwang, er behagen in schept van geweld te zijn [zoals met vlees eten], moeten armoe lijden en voortdurend ellende onder ogen zien.'

(25) En op dezelfde manier gebeurde het een tweede en een derde keer dat de wijze brahmaan [een dood kind] bij de poort neerlegde en hetzelfde lied zong. (26-27) Arjuna die op een dag vanwege Kes'ava in de buurt was, hoorde er toevallig over toen een negende kind de brahmaan ontviel. Hij zei: 'O brahmaan, is er hier niet iemand in staat om daar waar u woont de boog te hanteren? Waarlijk, deze gevallen edelen gedragen zich alsof ze brahmanen zijn die een offerplechtigheid bijwonen! (28) Daar waar brahmanen moeten treuren over verloren echtgenotes, kinderen en weelde, zijn degenen die zich uitdossen als koningen enkel maar acteurs die zich om hun eigen hachje bekommeren. (29) O grote heer, ik zal de nakomelingen van jullie twee, die er zo ellendig aan toe zijn in deze aangelegenheid, beschermen. En als ik er niet in slaag mijn belofte gestand te doen zal ik het vuur ingaan om een einde te maken aan mijn zonden [vergelijk B.G. 2: 34].'

(30-31) De brahmaan zei: 'Aangezien noch Sankarshana, noch Vâsudeva, noch Pradyumna de grootste boogschutter, noch Aniruddha de onvergelijkelijke strijdwagenvechter, in staat waren uitkomst te bieden [door mijn zoons te redden], waarom probeert u dan in hemelsnaam zo naïef te doen wat onmogelijk is voor de [catur-vyûha] Heren van het Universum; dat klinkt ons niet geloofwaardig in de oren.'

(32) S'rî Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna of zelfs een afstammeling. Ik voorwaar ben hij die Arjuna heet met de Gândîva als zijn boog! (33) Wees niet geringschattend over mijn kunnen o brahmaan, de drieogige [S'iva] was er tevreden over. Ik, de dood in de strijd verslaand, zal uw kinderen retourneren o meester!'

(34) De geschoolde aldus overtuigd door Arjuna, o kweller van de vijand, ging huiswaarts, tevreden over wat hij had gehoord over het kunnen van de zoon van Prithâ. (35) Op het moment dat zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Alstublieft voorkom dat mijn kind komt te overlijden!'

(36) Hij, zuiver water beroerend, bracht de machtige Heer [S'iva] zijn eerbetuigingen, en spande met [de mantra's van] zijn wapens in gedachten, de boogpees van de Gândîva. (37) Naar boven toe, overlangs en opzij bakende hij het barenshuis af met pijlen die waren geladen met de mantra's, een creëerde aldus een kooi van pijlen. (38) Het kind van de brahmanenvrouw daaropvolgend geboren, verdween het, nadat het enige tijd gehuild had, plotseling de lucht in met lichaam en al. (39) De geschoolde met Krishna aanwezig zei toen vol minachting tot Arjuna: 'Kijk hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in zo'n opsnijder van een impotente eunuch! (40) Als noch Arjuna, Aniruddha, Râma of Krishna in staat bleken dit te voorkomen, wie zou er dan in staat zijn bescherming te bieden in een situatie als deze? (41) Weg met die Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever die zo dom, in de waan, dacht hen terug te halen die door het lot werden weggenomen!'

(42) Terwijl de wijze brahmaan hem aldus aan het vervloeken was, nam Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en ging hij rechtstreeks naar de hemelstad Samyamanî waar de grote Yamarâja leeft. (43-44) Het brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti [de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja], Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die hem probeerde tegen te houden. (45) 'Ik zal je de zoons laten zien van de tweemaal geborene, alsjeblieft veracht jezelf niet, dit soort mannen [nu zo van kritiek] zullen ons beiden de onbetwiste roem brengen.'

(46) De Allerhoogste Heer, de Goddelijke Beheerser, aldus ruggespraak houdend, klom met Arjuna in Zijn wagen en vertrok in westelijke richting. (47) De zeven continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens langstrekkend stak hij de grens over die de werelden scheidt van de buitenruimte en ging Hij de diepe duisternis in [zie ook 5.1: 31-33]. (48-49) Daar in de duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*] de weg kwijt, o beste van de Bharata's, en dus werd door de Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogameesters, gezien hun toestand zijn persoonlijke cakra die straalt als een duizendtal zonnen voor de wagen uitgezonden. (50) De Sudars'ana-schijf met zijn extreem intense gloed die zich zo snel als de geest vooruit spoedde, sneed zich door de immens diepe en angstwekkende duisternis van de manifestatie als een pijl door Heer Râmacandra afgeschoten op een leger. (51) Het pad van de cakra volgend voorbij die duisternis aanschouwde Arjuna het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende, transcendentale licht, dat pijn deed zodat hij beide ogen ervoor sloot [zie ook 10.28: 14-15]. (52) Vandaar gingen ze een watermassa binnen die werd bewogen door een machtige wind tot een schittering van enorme golven. Daarin bevond zich een werkelijk wonderbaarlijke verblijfplaats die baadde in een goddelijke gloed met zuilen die met duizenden ingelegde edelstenen helder straalden. (53) Daar hield zich het enorme serpent Ananta op die, verbazingwekkend als Hij was met Zijn duizenden koppen die straalden van de juwelen op de kragen en het dubbele aantal schrikwekkende ogen, met Zijn donkerblauwe nekken en tongen leek op de witte berg [Kailâsa]. (54-56) Op dat serpent comfortabel gezeten zag hij de Almachtige, Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle Persoonlijkheden van God, eruitziend als een grijze wolk, met prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en grote ogen. Bij Zijn acht fraaie lange armen, het Kaustubha juweel, het S'rîvatsa-teken en de omlijsting van een bloemenslinger van woudbloemen, baadden Zijn duizenden loshangende haarlokken in de schittering van Zijn oorhangers en de reeksen van grote juwelen in Zijn kroon. Als de Belangrijkste van de Heersers van het Universum werd Hij bediend door Zijn persoonlijke metgezellen met Nanda en Sunanda voorop, Zijn cakra en Zijn andere wapens die zich manifesteerden in hun persoonlijke gedaanten, [zijn vrouwelijke metgezellen, te weten] Zijn energieën van welvaart, schoonheid, roem en materiële schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en Ajâ] en Zijn voltallige mystieke vermogens [siddhis]. (57) Acyuta betoonde Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna dat deed die hoogst verbaasd was bij de aanblik [van Mahâ-Vishnu]. Toen richtte de Almachtige Heer en Meester van Alle Heersers van het Universum met een glimlach en een inspirerende stem Zich tot hen beiden die hun handpalmen hadden samengebracht. (58) 'Ik bracht de zoons van de tweemaal geborene naar hier met het verlangen jullie twee te zien die als Mijn expansies zijn nedergedaald. Keer, na het doden van hen die van het duister zijn en een overlast vormen voor de aarde, snel weer hier terug naar Mijn aanwezigheid [zie 2: 2: 24-27 en 2.6: 26]. (59) Ofschoon van jullie beiden de verlangens in vervulling zijn gegaan, o besten van alle personen, moeten jullie, zoals de wijzen Nara en Nârâyana dat deden, je inzetten om voor het heil van de gewone man het dharma te handhaven.'

(60-61) De twee Krishna's [zie ook B.G. 10: 37] aldus geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf, zeiden 'om' terwijl ze bogen voor de Almachtige en namen opgetogen de twee zoons van de tweemaal geborene mee om terug te keren naar hun eigen verblijfplaats op dezelfde manier als ze gekomen waren. Daar droegen ze aan de brahmaan zijn zoons over die dezelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als toen ze verloren waren gegaan]. (62) Arjuna was diep onder de indruk van de verblijfplaats van Vishnu die hij had gezien. Hij concludeerde dat welke speciale vermogens levende wezens ook mochten hebben, het allemaal manifestaties waren van Krishna's genade. (63) Hij, Krishna, spreidde in deze wereld vele heldendaden als deze tentoon, genoot van de zinnelijkheid [zie ook 1.11: 35-39] en was van aanbidding met de meest verheffende offerplechtigheden [b.v. in 10.24 en 10.74 & 75]. (64) Te beginnen bij Zijn brahmanen, regende de Allerhoogste Heer vanuit Zijn Heerschappij, precies zoals Indra dat doet, op het juiste moment alles neer wat zij die zich tot Hem rekenden zich maar wensten. (65) Met het gedood hebben van al de koningen die zich tegen het dharma keerden en het daarbij betrekken van Arjuna en anderen, effende Hij voor de zoon van Dharma [Yudhishthhira] de weg om de principes van de religie ten uitvoer te brengen [zie ook 1.14 & 15].' 

 

Hoofdstuk 90

De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

(1-7) S'rî S'uka zei: 'De Meester van de Godin van het Geluk verbleef gelukkig in Dvârakâ, Zijn eigen stad die rijk was in alle opzichten en bevolkt werd door de meest vooraanstaande Vrishni's. Als de fijnste van hun vrouwen, gekleed in nieuwe kleren, in hun jeugdige schoonheid, met ballen en ander speelgoed speelden op de daken, straalden ze als de bliksem. Haar straten waren altijd druk bevolkt met fraai opgetuigde olifanten die onder de invloed dropen van de bronst, soldaten te voet en paarden en wagens schitterend van het goud. De stad was rijkelijk voorzien van tuinen en parken met reeksen bloeiende bomen die van alle kanten vol waren van de geluiden van de bijen en de vogels die er af en aan vlogen. Met Zijn zestienduizend vrouwen genietend als zijnde hun enige ware liefde had Hij zich in hun weelderig ingerichte verblijven uitgebreid in evenzovele gedaanten [zie ook 10.69: 41]. Duikend in het glasheldere water waaromheen het tjilpte van de zwermen vogels en het geurde van het stuifmeel van de 's nachts bloeiende en overdag bloeiende lotussen en waterlelies, sportte de Grote Verschijning in de stromen met Zijn Lichaam, omhelsd door de vrouwen, besmeurd met de kunkuma van hun borsten. (8-9) Door de zangers van de hemel spelend op tweezijdige trommels, pauken en kleine trommeltjes en door vrouwelijke en mannelijke lofzangers die speelden op vînâ's verheerlijkt, werd Acyuta met spuiten door Zijn vrouwen lachend natgespoten met water en spoot Hij weer terug, zich aldus vermakend zoals de heer der schatbewaarders [Kuvera] dat doet met de nimfen. (10) Natsproeiend toonden ze met hun natte kleren hun dijen en borsten en probeerden ze, met de bloemen van hun grote haarwrongen overal rondgestrooid, met bloeiende gezichten stralend met brede glimlachen, Hem te omhelzen terwijl ze de waterspuit van hun Gemaal wegkaapten. (11) Zoals Krishna met op Zijn bloemenslinger de kunkuma van hun borsten, en de schikking van Zijn haardos in de war door Zijn opgaan in de sport, genoot van het natgespoten worden door en natspuiten van de vrouwen, was Hij gelijk de koning der olifanten omringd door de wijfjesolifanten. (12) Klaar met spelen schonk Krishna de mannelijke en vrouwelijke artiesten die de kost verdienden met zingen en muziek maken, de sieraden en kledingsstukken van Hem en Zijn vrouwen. (13) Aldus werden in het spel van Krishna's sporten, Zijn bewegen, Zijn converseren, rondblikken en glimlachen; door Zijn grappen, uitwisselen van liefdesblijken en omhelzingen, de harten van de vrouwen gestolen. (14) Met hun geesten uitsluitend gericht op Mukunda spraken zij in trance alsof ze gek waren. Luister nu naar mijn verslag van deze woorden die resulteerden uit dit denken over de Lotusogige.

(15) De koninginnen zeiden [zie ook 10.47: 12-21, 10.83: 8-40]: 'O kurari je beklaagt je, verstoken van slaap kan jij geen rust vinden terwijl de Beheerser die Zich ergens in de wereld op een onbekende plaats ophoudt vannacht aan het slapen is. Kan het zijn dat jij, net als wij o vriend, diep in je hart bent geraakt door de glimlachende, gulle, speelse blik van Zijn lotusogen? (16) O cakravâkî, helaas, met het sluiten van je ogen voor de nacht, schreeuw je het deerniswekkend uit. Of verlang je, met het gerealiseerd hebben van de dienstbaarheid, misschien in je gevlochten haar de bloemenslinger te dragen die het respect van Acyuta's voeten genoot? (17) O beste, beste oceaan, je maakt altijd zo'n lawaai, nimmer de slaap vattend. Lijd je aan slapeloosheid? Of werd je misschien door Mukunda beroofd van je persoonlijke kwaliteiten en heb jij evenzo de staat bereikt van waaruit geen ontsnappen mogelijk is? (18) O maan ben jij, gegrepen door de verwoestende ziekte van de tering, zo uitgemergeld dat je de duisternis niet weet te verdrijven met je stralen? Of lijk je misschien zo bezeten, o beste, omdat je, net als wij, je niet meer kan herinneren wat Mukunda allemaal zei? (19) O wind uit de Malaya-bergen, wat hebben we gedaan dat je zo gegriefd heeft dat we van de lust bezeten zijn in onze harten, harten die reeds verscheurd waren door Govinda's zijdelingse blikken? (20) Zeer vereerde wolk, zeker ben je een vriend die zeer geliefd is bij de Aanvoerder der Yâdava's met de S'rîvatsa op Zijn borst. Wij, net als jouw goede zelf, zijn aan Hem gebonden in onze meditatie op de zuivere liefde. Je buitenmate gedreven hart is net zo verscheurd als het onze. Op dezelfde manier als jij, denken we keer op keer weer aan Hem en geeft dat regen bij jou, zo goed als bij ons telkens weer stromen van tranen. Dat is de pijn die je lijdt in de omgang met Hem. (21) O zoetgevooisde koekoek, zeg me alsjeblieft wat ik zou moeten doen om jou te behagen die, met dit stemgeluid dat in staat is om doden op te wekken, aan de klanken van Hem gestalte geeft wiens geluiden zo dierbaar zijn. (22) O berg zo breed in je opvattingen, je beweegt je niet noch spreek je. Ben je in beslag genomen door grote zaken, of verlang je er net als wij misschien naar om de voeten van de beminde zoon van Vasudeva op je borsten te houden? (23) O [rivieren,] echtgenotes van de oceaan, jullie meren zijn helaas hun rijkdom aan lotussen kwijtgeraakt nu ze uitgedroogd zijn net als wij die hongeren van het niet verwerven van onze geliefde echtgenoot, de Heer van Madhu, die zo menigmaal onze harten bedroog [zie ook 10.47: 41 en 10.48: 11]. (24) O zwaan, wees welkom en ga zitten, drink alsjeblieft wat melk. Vertel ons o beste het nieuws, we weten immers dat je een boodschapper van S'auri bent. Is alles in orde met de Onoverwinnelijke? Herinnert Hij die zo grillig is in Zijn vriendschap het zich nog met ons zo lang geleden gesproken te hebben? Waarom zouden we [achter Hem aan moeten lopen om] van aanbidding zijn, o dienaar van de campaka [een soort magnolia]? Zeg Hem die de begeerte zo opwekt naar ons toe te komen zonder de Godin van het Geluk, waarom zou zij de enige vrouw zijn die exclusief in haar toewijding is?'

(25) S'rî S'uka zei: 'Sprekend en handelend met zo een extatische liefde voor Krishna, de Meester der Yogameesters, bereikten de vrouwen van Heer Mâdhava het uiteindelijke doel. (26) Hij, in talrijke liederen bezongen op vele manieren, trekt met grote kracht de geest aan van welke vrouw ook die enkel maar over Hem vernam. En hoeveel temeer zou dat niet gelden voor hen die Hem rechtstreeks voor zich zien? (27) Hoe kunnen ooit de ontzeggingen worden beschreven van de vrouwen die met het idee Hem, de Geestelijk Leraar van het Universum, als hun echtgenoot te hebben, met zuivere liefde Zijn voeten volmaakt dienden met massages en dergelijke? (28) Op deze manier tewerkgaand volgens het dharma zoals dat wordt uitgedragen door de Veda's, demonstreerde Hij, het Doel der Heiligen, hoe iemands thuis de plaats is om te komen tot de regulatie van de religiositeit, de economische ontwikkeling en de zinsbevrediging [de purushârtha's]. (29) Met Krishna beantwoordend aan de hoogste norm van het huishoudelijk bestaan, waren er meer dan zestienduizend-één-honderd koninginnen [zie ook 10.59** en 7.14]. (30) Onder hen waren er acht juwelen van vrouwen met Rukminî voorop die ik tezamen met hun zoons voorheen de een na de ander beschreven heb, o Koning [zie 10.83 en 10.61: 8-19]. (31) Bij ieder van Zijn vele vrouwen verwekte Krishna, de Allerhoogste Heer Nimmer Falend in Zijn Moeite, tien zonen [en één dochter]. (32) Van dezen waren er achttien mahâratha's van een onbegrensd kunnen, wiens faam zich wijd verspreidde; verneem hun namen van mij. (33-34) Het waren Pradyumna en [Zijn kleinzoon of andere zoon] Aniruddha; Dîptimân en Bhânu alsook Sâmba, Madhu en Brihadbhânu; Citrabhânu, Vrika en Aruna; Pushkara en Vedabâhu, S'rutadeva en Sunandana; Citrabâhu en Virûpa, Kavi en Nyagrodha. (35) O beste der koningen, van deze zoons van Krishna, de vijand van Madhu, was Pradyumna, de zoon van Rukminî, de meest vooraanstaande, precies als Zijn Vader. (36) Hij, de grote strijdwagenvechter, huwde de dochter van Rukmî [genaamd Rukmavatî] uit wie toen Aniruddha werd geboren die begiftigd was met de kracht van een tienduizend olifanten [zie 10.61]. (37) Daarenboven nam Hij, zoals u weet, vervolgens Rukmî's kleindochter [Rocana] tot Zijn vrouw uit wie Zijn zoon Vajra werd geboren, de enige die overbleef na de veldslag met de stokken [zie 3.4: 1 & 2]. (38) Pratibâhu kwam er na hem, van wie er toen Subâhu was en van Subâhu's zoon S'ântasena kwam toen S'atasena als zijn zoon ter wereld. (39) Waarlijk ontbrak het geen van het nageslacht dat in deze familie verscheen aan weelde of kinderen, noch waren ze kortlevend, schoten ze tekort in hun kunnen of verwaarloosden ze het geestelijk belang. (40) De roemrijke daden van de mannen geboren in de Yadu-dynastie zijn niet op te sommen, o Koning, nog niet in tienduizend jaar. (41) Ik hoorde dat er voor de kinderen van de Yadu familie achtendertigmiljoen achthonderdduizend leraren waren. (42) Wie kan de tel bijhouden met de Yâdava's als Ugrasena alleen al zich onder hen liet gelden met tien op tienduizenden op honderdduizenden [*] grote persoonlijkheden? (43) De meest genadeloze Daitya's die in de oorlogen tussen de verlichte en onverlichte zielen [in het verleden] werden gedood, namen hun geboorte onder de menselijke wezens en bezorgden ze met hun arrogantie moeilijkheden. (44) Om hen te onderwerpen werden de deva's door de Heer opgedragen neder te dalen in de honderd-en-één clans van de familie o Koning [zie 10.1: 62-63]. (45) Voor hen stond Krishna vanwege Zijn meesterschap voor het gezag van Heer Hari om reden waarvan het al de Yâdava's die Zijn trouwe volgelingen waren goed ging. (46) In hun bezigheden van slapen, zitten, rondlopen, converseren, spelen, baden enzovoorts, waren de Vrishni's die Krishna steeds in gedachten hadden zich niet bewust van de aanwezigheid van hun eigen lichamen [en dus onbevreesd, zie ook 10.89: 14-17]. (47) O Koning, Zijn geboorte nemend onder de Yadu's stelde Hij het pelgrimsoord van de rivier van de hemel [de Ganges] die van Zijn voeten spoelt in de schaduw. Met Zijn belichaming bereikten vriend en vijand hun doel [7.1: 46-47]. De onovertroffen en hoogst volmaakte godin S'rî voor wie alle anderen zich in bochten wringen is de Zijne. Zijn naam gehoord of gezongen is wat het ongunstige vernietigt. Door Hem werd het dharma ingesteld voor de lijnen van erfopvolging [van de wijzen]. Met Heer Krishna, wiens wapen het wiel van de Tijd is, is dit wegnemen van de last van de aarde, niets verwonderlijks [zie ook 3.2: 7-12]. (48) Hij glorieus als de Uiteindelijke Verblijfplaats en bekend als de zoon van Devakî, Hij als de toewijding van de Yadu-edelen die met Zijn armen [of toegewijden] een einde maakt aan de onrechtvaardigen, Hij als de Vernietiger van het Leed van de bewegende en niet-bewegende wezens, is de Ene die altijd glimlachend met Zijn prachtige gezicht Cupido in gang zet met de dames van Vraja [zie 10.30-33, 10.35, 10.47]. (49) Aldus tewerkgaand met het Allerhoogste heeft Hij met het verlangen Zijn eigen weg veilig te stellen terwille van Zijn lîlâ verschillende persoonlijke gedaanten aangenomen en in navolging van de [menselijke] handelingen het karma vernietigd. Als men Zijn voeten wil volgen zal men zich de verhalen over de Beste van de Yadu's ter harte moeten nemen. (50) Bij iedere offerplechtigheid horend van, zingend over en mediterend op de schitterende onderwerpen aangaande Mukunda, begeeft een sterveling zich van zijn huis naar Zijn hemelverblijf, alwaar de onvermijdelijke gang van de dood tot staan wordt gebracht. Zelfs zij die de scepter zwaaiden over de aarde [zoals Dhruva en Priyavrata] gingen terwille van dit doel het bos in.'

Voetnoot

* De paramparâ voegt hier aan toe dat naar de regels van de Mîmâmsâ interpretatie het getal drie wordt genomen als het uitgangsnummer als geen specifiek nummer is opgegeven. Zo zou letterlijk naar de regels hier dan gezegd zijn dat Ugrasena 30 trillioen mensen om zich heen verzameld zou hebben.

 

Aldus eindigt het tiende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam.

 

CANTO 11: Algemene Geschiedenis

 

Hoofdstuk 1

De Vloek over de Yadu-dynastie

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen met Râma de uitroeiing van de Daitya's tot stand had gebracht en zo de last van de aarde verminderde, deed zich zeer spoedig een conflict voor [tussen de Kaurava's en de Pândava's]. (2) De Allerhoogste Heer die de aarde verloste van haar last door al de koningen ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich tegenover elkaar op te stellen, zorgde ervoor dat zij die telkens weer tot waanzin werden gedreven door het valse gokken, de beledigingen, het aan de haren [van Draupadî] trekken en de andere overtredingen van hun vijanden, de onmiddellijke aanleiding vormden [van de dynastieke strijd, zie ook Yayâti en 10.49 & 10.68]. (3) Nadat de Yadu's onder de bescherming van Zijn armen de legers van de koningen had weggevaagd die een last voor de aarde vormden, kwam de Ondoorgrondelijke Heer tot de volgende afweging: 'Men kan wel zeggen dat de aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat die nog niet weggenomen is omdat van de Yadu-dynastie het onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook 4.16: 13]. (4) Zij die in alles tot Mij hun toevlucht namen raakten nimmer gefrustreerd met de controle die ze uitoefenden, vanuit een andere hoek valt er dan ook voor hen geen nederlaag te vrezen. Dus zal Ik inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof het een brand in een bamboebos en zal Ik zo Mijn [doel: Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook 3.3: 14 en 8.8: 37].'

(5) Met dat voornemen o Koning, trok de Beheerser, de Almachtige die alles wat Hij wilde gedaan kreeg, Zijn familie terug met behulp van een vloek die door de brahmanen over hen werd uitgesproken. (6-7) Door middels Zijn eigen gedaante, die de schoonheid vormt van alle werelden, alle mensen de ogen te openen, door middels Zijn woorden de geesten te bevrijden van allen die zich hen herinnerden en door het laten zien van Zijn voeten vrij baan te geven aan de [toegewijde] handelingen met hen, gaf de Heer, die aldus Zijn aantrekkingskracht had uitgeoefend en Zijn positie vestigde, er blijk van dat naar Zijn mening de mensen die in onwetendheid verkeren, met het over de aarde verspreiden van Zijn heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, zonder veel moeite met [het luisteren naar en zingen van] hen hun doel zouden bereiken [zie ook 7.5: 23-24].'

(8) De Koning zei: 'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden tegen de Vrishni's? Zij, geheel verzonken in Krishna, waren altijd liefdadig en vol van respect voor de brahmanen en waren de ouderen van dienst. (9) Wat bracht hen ertoe zo'n ernstige vloek uit te spreken en hoe luidde hij, o zuiverste onder de brahmanen? Alstublieft vertel me hoe er deze tweedracht kon bestaan onder hen die dezelfde ziel [van Krishna] deelden.'

(10) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam waarin alles wat mooi was samenviel, met het op aarde volbrengen van de meest gunstige handelingen en met het geheel voldaan genieten van Zijn leven toen Hij Zich ophield in Zijn verblijfplaats [Dvârakâ], wilde Hij, zo groots bezongen, nu Zijn dynastie vernietigen. Dat was het enige dat Hem nog te doen stond. (11-12) Nadat ze zegenrijke rituelen hadden verricht om de vroomheid af te roepen, logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, samen met Nârada en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva]. Daarna begaven ze zich naar Pindâraka [een pelgrimsoord] en werden daarbij uitgewuifd door Hem, de Ziel van de Tijd over wie te zingen zo goedgunstig is voor de hele wereld omdat het de onzuiverheden van Kali-yuga verdrijft. (13-15) De jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] benaderden hen in een spel waarin Sâmba de zoon van Jâmbavatî [zie ook 10.68] zich had verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige zwangere vrouw wil graag een zoon krijgen. Maar ze is te verlegen om het zelf te vragen. Daarom vragen wij u, wiens blik nimmer beneveld is, of u kunt zeggen of ze een jongen zal baren of niet?'

(16) O Koning, de wijzen die op die manier voor de gek werden gehouden zeiden kwaad tegen de jongens: 'Ze zal jullie, dwazen, een knots baren die de dynastie zal vernietigen!'

(17) Hevig geschrokken dat te horen, haasten ze zich de buik van Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots gemaakt van ijzer aantroffen. (18) 'Wat hebben we gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen? Wat een tegenslag!' Zich aldus overweldigd uitlatend pakten ze de knots en gingen ze naar huis. (19) Met de schoonheid uit hun gezichten verdwenen, brachten ze de knots naar de koning [Ugrasena] tijdens een vergadering van alle Yadu's en vertelden ze wat er gebeurd was. (20) Toen ze de knots zagen en hoorden over de onfeilbare vloek van de geleerden, o Koning, waren de bewoners van Dvârakâ ontsteld en raakten ze verscheurd door angst. (21) Âhuka [Ugrasena], de Yadu-koning, liet de knots tot gruis vermalen waarna hij het gruis samen met het ijzer dat van de knots over was in zee liet werpen. (22) Een of andere vis slokte de klomp op. Het gruis werd door de golven meegevoerd en spoelde aan om vervolgens aan de kust uit te groeien tot scherpe roeden [genaamd eraka]. (23) De vis werd uit zee samen met anderen door een visser opgevist met een net. Het stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard was gebleven werd door een jager [genaamd Jarâ] op een pijl bevestigd [als pijlpunt]. (24) De Opperheer, zeer goed in staat alles te doorgronden wat zich had afgespeeld, wenste het echter niet de zaken terug te draaien en legde Zich, met het Zich vertonen als de Tijd, neer bij de vloek van de brahmanen.

 

Hoofdstuk 2  

Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

(1) S'rî S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd om met Krishna van aanbidding te zijn, o beste der Kuru's, hield Nârada zich regelmatig op in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd door de armen van Govinda [zie ook 6.5: 43 & 10.69]. (2) Wie ook die begiftigd is met zinnen zou, geplaatst voor de dood die van alle kanten komt, o Koning, niet van aanbidding zijn voor de lotusvoeten van Mukunda die zo aanbiddelijk is voor zelfs de besten der onsterfelijken? (3) Op een dag zei Vasudeva het volgende tot de devarishi die bij hem was langsgekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden met de nodige hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was geboden. (4) S'rî Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf, u die er evenzogoed bent voor de miserabelen als voor allen op het pad van Uttamas'loka, is als de komst van een goede vader omdat u verschijnt voor het heil van alle belichaamde zielen. (5) Wat de goden doen resulteert in zowel de misère als het geluk van de levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen die de Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden, resulteert enkel in geluk [zie ook 1.2: 25-26, 3.25: 21]. (6) De goden die zich gedragen als je schaduw, zijn hun aanbidders van dienst naar gelang het karma dat men heeft en het respect dat men voor ze koestert, maar de heiligen zijn van genade voor de gevallen zielen [ongeacht wat ze doen. Zie ook 1.3: 12, 1.4: 12, 1.7: 20-23]. (7) O brahmaan, [ookal dacht u er misschien niet aan mij te instrueren,] niettemin vraag ik u naar wat we het best kunnen doen om de Allerhoogste Heer te behagen. Over Hem met geloof te vernemen is voor zij die gedoemd zijn te sterven de manier om bevrijd te raken van alle angst [vergelijk 10.2: 30-33]. (8) Toen ik lang geleden [in een voorgaand leven] Ananta, de Heer die de Bevrijding Schenkt, aanbad, wilde ik begoocheld door Zijn mâyâ een kind op de wereld zetten en streefde ik er niet naar om bevrijd te raken [zie ook 10.3: 32-45 en 4.1: 20]. (9) O u waarachtig in de gelofte, instrueer ons daarom alstublieft, zodat we door u zonder veel moeite bevrijding mogen vinden uit deze wereld die zo vol van gevaren ons steeds weer in angst verzet.'

(10) S'rî S'uka zei: 'O koning, aldus ertoe verzocht door de intelligente Vasudeva was de devarishi blij zich tot hem te kunnen richten want zijn kwaliteiten deden hem denken aan de Heer. (11) S'rî Nârada zei: 'De vraag die u stelde wat betreft het bhâgavata-dharma is de juiste o beste van de Sâtvata's, want door dat dharma wordt het hele universum gezuiverd? (12) Door erover te horen of te praten, door erop te mediteren, het met eerbied te aanvaarden of het te waarderen als anderen het volbrengen, zuivert die rechtschapenheid met het ware terstond zelfs hen die zich negatief opstellen tegenover de goden en de hele wereld. (13) Vandaag bracht u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de Persoonlijkheid van God Nârâyana [zie ook 10.87: 5] over wie te zingen en te horen men hemels gelukkig en vroom wordt. (14) Om duidelijkheid in dezen te verschaffen haalt men vaak als voorbeeld de volgende oude geschiedenis aan van een gesprek tussen de zonen van Rishabha en de koning van Videha die een ruimdenkende ziel was. (15) De zoon van Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had een zoon die Âgnîdhra heette. Van hem was er Nâbhi en zijn zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie ook 5.3]. (16) Hij verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht te geven in het proces van het bereiken van de bevrijding, beschouwt men als een volkomen expansie van Vâsudeva. Van Hem waren er honderd zoons die de Veda's perfect in acht namen. (17) Van hen was de oudste, Bharata [zie 5.7], volledig Nârâyana toegewijd. Dit wonderschone deel van de aarde genaamd Bhârata-varsha [of India] heeft aan hem haar naam te danken. (18) Toen er een eind kwam aan zijn aardse genoegens en hij zijn materiële bestaan afzwoer, verliet hij huis en haard en bereikte hij in drie opeenvolgende geboorten biddend tot Heer Hari zijn bestemming met het beoefenen van verzakingen. (19) Negen van zijn [Rishabha's] zoons waren de geheel souvereine meesters over de negen afzonderlijke delen [nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl eenentachtig andere zonen tweemaal geboren brahmanen waren die het [karma-kânda] pad van vruchtdragende vedische offerplechtigheden vrijmaakten [zie 5.2: 19-21]. (20-21) De negen overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana waren wijzen die zich bezighielden met de uitleg van de Absolute Waarheid. Door hun geleerdheid in de geesteswetenschap waren ze van een grote inzet en trokken ze rond slechts gekleed door de wind [ofwel naakt]. (22) Zij [genaamd de nava-yogendra's] trokken rond over de aarde en zagen het ganse universum, bestaande uit het grove en subtiele, als één en dezelfde gedaante van de Allerhoogste Heer en als gelijkstaande aan het Zelf [zie ook 1.5: 20 en B.G. 13: 14 & 15: 7]. (23) Ongehinderd naar believen gaan ze naar waar ze maar willen en reizen ze aldus vrijelijk door de werelden van de goddelijken, de vervolmaakten, de onderworpenen, de zangers van de hemel, de schatbewaarders, de [gewone] mensen, zij die bovennatuurlijke talenten hebben en de slangachtigen en bezoeken ze de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen, de wetenschappers, de tweemaal geborenen en de koeien. (24) Eens in Ajanâbha [zoals India voorheen heette] arriveerden ze tijdens de soma-offerplechtigheid van de grote ziel Nimi [zie ook 9.13] die werd uitgevoerd zoals de zieners het wensten. (25) Toen ze de zuivere toegewijden zagen die in hun schittering wedijverden met de zon, o Koning, kwamen de uitvoerder van de offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de vuren, overeind uit respect. (26) De heerser van Videha [Nimi], die ze herkende als toegewijden van Nârâyana liet ze blij daarover plaats nemen en betoonde ze alle respect die ze verdienden. (27) Nederig zich verbuigend voor hen negen die zo straalden in hun luister als de zonen van Brahmâ [zie 4.22: 6] ging de koning, in opperste staat van bovenzinnelijke verrukking, ertoe over hen vragen te stellen. (28) S'rî Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als de directe metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu, als de dienaren van Vishnu die rondtrekken terwille van de zuivering van alle werelden. (29) Ik denk dat het bereiken van de omgang met hen die de Heer van Vaikunthha dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor belichaamde wezens is om een menselijk lichaam te verwerven dat men ieder moment weer kan verliezen [zie ook B.G. 8: 16 & 16: 19-20]. (30) Derhalve vraag ik u, o zondelozen, wat het hoogste goed zou zijn in deze materiële oceaan alwaar het voor menselijke wezens slechts voor de duur van een seconde genieten van het gezelschap van de waarachtigen de grootste schat inhoudt. (31) Alstublieft spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst als u ons ertoe in staat acht daarover te vernemen; daarmee tevreden zal Hij, de Ongeboren Heer, Zich zelfs geven aan degenen die Zijn toevlucht zochten.'

(32) S'rî Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten spraken aldus er door Nimi toe verzocht, o Vasudeva, op hun beurt eerbiedig vol genegenheid tot de koning in de aanwezigheid van de priesters en de deelnemers aan de offerplechtigheid. (33) S'rî Kavi zei: 'Ik zie het zo dat als men in zijn intelligentie voortdurend verstoord aanwezig is in deze wereld omdat men het tijdelijke [lichaam] aanziet voor het ware zelf, de staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen hebben wordt gevonden als men de lotusvoeten aanbidt van de Onfeilbare, aangezien alle vrees zijn einde vindt in die staat [zie 3.9: 6 en b.v. B.G. 2: 56, 2: 71, 4: 10, 12: 13-14]. (34) De juiste methode is besproken door de Allerhoogste Heer en staat bekend als het bhâgavata dharma waarmee de mens die worstelt met zijn intelligentie met gemak inzicht kan krijgen in de Allerhoogste Ziel. (35) Een mens die dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd en zal, zelfs nog niet als hij met zijn ogen dicht rent, in dezen komen te struikelen of te vallen [zie ook de catuh-s'loki van B.G. 10: 8-11 en vers 5: 17]. (36) Wat men met het volgen van de eigen aard ook doet met het lichaam, de spraak, het denken, de zinnen, de intelligentie of het gezuiverde bewustzijn, behoort men allemaal op te dragen aan het Allerhoogste met de gedachte: 'Dit is voor Nârâyana' ['nârâyanâya iti', vergelijk B.G. 3: 9 en 9: 27]. (37) Voor degenen die geleid door de begoochelende energie en vergeetachtig met God zich afkeerden in het zich valselijk identificeren [met het lichaam] zal de angst zich opwerpen vanwege het verzonken zijn in dingen die de Heer op de tweede plaats stellen. Om die reden behoort een intelligent persoon Hem, de Heer, volledig en zuiver toegewijd te aanbidden en zijn geestelijk leraar te beschouwen als zijn Heer en Ziel [zie ook B.G. 4: 34, 1.5: 12 en B.G. 7: 14, 15: 7]. (38) Door de intelligentie van de dualistische ervaring kan men als in een droom zich dingen zien manifesteren of kan men verlangens opmerken die buiten de werkelijkheid staan. Een intelligent iemand moet om die reden de geest onder controle krijgen die vanuit de materiële handelingen begaan is met positieve en negatieve verlangens, en aldus onbevreesd zijn [zie ook B.G. 6: 35]. (39) Vernemend over de in alle opzichten gunstige verschijningen en handelingen van Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van Wie de daarmee samenhangende namen worden bezongen in deze wereld, moet men zingend zonder de materiële omgang die men heeft [met een vrouw, een huis en kinderen] vrij en zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen. (40) Als men daarbij zweert ontwikkelt men door het zingen van Zijn zo dierbare, heilige naam, de gehechtheid van een geest die op is gegaan in een luidkeels lachen, hardop huilen en in een als een waanzinnige opgewonden raken waarbij gezongen en gedanst wordt zonder zich te bekommeren om buitenstaanders [*]. (41) Voor de ether, de lucht, het vuur, het water, de aarde en de hemellichten, voor alle levende wezens, de windrichtingen, de bomen en andere niet bewegende wezens, de rivieren en oceanen en wat er ook moge bestaan in het lichaam der schepping van de Allerhoogste Heer, moet men zich verbuigen, daarbij niets als losstaand [van Hem] beschouwend [**]. (42) Toewijding, de aanwezigheid ervaren van de Allerhoogste Heer en onthechting van al het overige, zijn de drie [kenmerken] die zich op hetzelfde moment voordoen bij iemand die in het proces verkeert van het toevlucht zoeken - ongeveer zoals dat gaat met iemand die bezig is met eten en dan de bevrediging vindt met de voeding die hij krijgt en de honger die hij terugdringt. (43) Voor de toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich manifesteren, o koning Nimi, en als gevolg daarvan zal hij dan direct de bovenzinnelijke vrede bereiken [zie B.G. 2: 71].'

(44) De koning zei: 'Alstublieft vertel me nu over de toegewijde van de Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat is zijn aard, hoe gedraagt hij zich onder de mensen, wat zegt hij en dankzij welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'

(45) S'rî Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor de Heer [een uttama adhikârî] die deze Ziel, dit basisprincipe van het gehele bestaan, ziet in alle bestaansvormen [van de materie en de geest] èn tegelijkertijd in staat is van toegewijde dienst te zijn voor de Allerhoogste Geestelijke Ziel vanuit het gezichtspunt dat alle bestaansvormen zich bevinden in de [gigantische universele gedaante van de] Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 6: 29 & 30]. (46) In de voorgaande fase, het middelste platform, is hij [de madhyama], van liefde voor de Allerhoogste Heer, van vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van genade voor de nieuwkomers en slaat hij geen acht op de afgunstigen [zie ook 4.24: 57, 7.9: 43, B.G. 4: 8 & 15: 7 en ***]. (47) Hij die in zijn toewijding voor de Heer gewetensvol in de weer is met de beeltenis [de mûrti] maar niet zo respectvol omgaat met de toegewijden noch met mensen in het algemeen, is een materialistische toegewijde [een prâkrita of een beginner, een kanishthha, zie ook B.G. 7: 20 en 3.29: 24-25 & 7.14: 40]. (48) Hij die ondanks dat zijn zintuigen bezig zijn met de zinsobjecten geen afkeer koestert noch zich verheugt en dit universum ziet als de begoochelende materiële energie van Vishnu is daadwerkelijk een eersteklas toegewijde [zie ook B.G. 5: 3]. (49) Hij die door de geboorte, het verval, de honger, de angst en de dorst van het lichaam, de levensadem, de geest en de intelligentie niet is begoocheld, hij die niet is begoocheld door de onvermijdelijke kenmerken van een materieel leven omdat hij de Heer in gedachten houdt [zie ook 6.2: 14], is de meest vooraanstaande toegewijde [zie ook B.G. 2: 56-57]. (50) In de geest van degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva bestaat er geen kans dat de lust [zie B.G. 3: 37-43] of het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G. 6: 4] zich zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk een eersteklas toegewijde. (51) Hij is de Heer dierbaar die niet gehecht is in het egobepaalde sentiment van een lichamelijk begrip van bestaan in de zin van het hebben van een goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, het behoren tot een bepaalde varnâs'rama statusoriëntatie of tot een bepaalde groepering of ras [zie B.G. 2: 71 & 12: 13-14]. (52) Hij die niet van het dualistisch denken is van 'mijn' en 'dijn' wat betreft bezittingen of het lichaam, iemand die van gelijkheid en vrede is met alle levende wezens, is waarachtig de beste der toegewijden [zie B.G. 13: 28-31 & 14: 22-25]. (53) Hij die niet verleidt door de vormen van weelde die er zijn in de drie werelden, nog niet een ogenblik, een seconde of een onderdeel van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer die de toevlucht vormen voor de goddelijken en anderen die - onverstoord in hun heugenis - de Onoverwinnelijke als hun eigen ziel zien, is de grootste Vaishnava [zie ook 18: 66]. (54) Nogmaals: hoe kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten, de voeten van al die grootste heldendaden, hoe kan er van de maneschijn van zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de harten wegneemt, er voor hen die van aanbidding zijn nog enige pijn van betekenis zijn? De brandende hitte van de zon kan toch ook geen werking hebben als de maan is opgekomen [zie ook 10.14: 58]? (55) Hij verlaat nimmer het hart van degene die men beschouwt als Zijn meest vooraanstaande toegewijde, ookal riep die maar per toeval Hem direct aan [door Zijn namen], Hij die, gebonden door de banden der liefde, de zonden vernietigt ongeacht hoeveel die zich ook hadden opgehoopt [zie ook B.G. 4: 36 en *4].'

Voetnoten:

* S'rî Caitanya Mahâprabhu benadrukte dit ook citerend: 'harer nâma harer nâma harer nâmaiva kevalam kalau nâsty eva nâsty eva nâsty eva gatir anyathâ [Adi 17.21]': 'In dit tijdperk van Kali bestaat er geen alternatief, er is geen alternatief, er is geen alternatief voor de geestelijke vooruitgang anders dan de heilige naam, de heilige naam, de heilige naam van de Heer.' Ook S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura beveelt hierbij aan dat men het volgende vers bestudeert: 'parivadatu jano yathâ tathâ vâ nanu mukharo na vayam vicârayâmah hari-rasa-madirâ-madâti-mattâ bhuvi viluthhâmo nathâmo nirvis'âmah': 'Laat de praatzieke bevolking zeggen wat ze maar wil; we zullen geen acht op ze slaan. Tot in de kern gek van de extase van de bedwelmende drank van de liefde voor Krishna, zullen we van het leven genieten door rond te rennen, over de grond te rollen en te dansen in extase.' (Padyâvalî 73) Dit is wat het Krishna-bewustzijn definieert.

** S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft ons gewaarschuwd dat als we niet alles zien als een manifestatie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, we het slachtoffer zullen worden van phalgu-vairâgya, of onvolwassen verzaking.

***: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft een fraai voorbeeld gegeven van het verschil tussen arcana en bhajana. Arcana heeft betrekking op het platform van de sâdhana-bhakti, waarin men de Heer dient om gevolg te geven aan de regels en voorschriften van het proces. Iemand die de toevlucht van de Heer Zijn heilige namen heeft bereikt en geheel opgaat in de poging de Heer te dienen moet worden geacht te verkeren op het bhajana platform, ook al mogen zijn uiterlijke handelingen somtijds minder strikt zijn dan die van de nieuwkomer bezig met arcana. Dit klaarblijkelijke gebrek aan striktheid echter, heeft geen betrekking op laksheid in de basis principes of een verstandige gedragswijze en verzaking van zinsbevrediging, maar eerder in de details van de Vaishnava-ceremoniën.'

*4: Nimi, de koning van Videha, stelde, zo helpt ons de paramparâ, de volgende negen vragen aan de negen Yogendra's, de heilige zonen van Rishabha. (1) Wat is het hoogste goed? (2.30); (2) Wat zijn de religieuze beginselen (dharma), de natuurlijke geneigdheden (svabhâva), het gedrag (âcâra), de spraak (vâkya) en de uiterlijke kenmerken (lakshana) van een bhâgavata, een Vaishnava toegewijde van de Heer? (2.44); (3) Wat is de uitwendige energie van Vishnu, de Opperheer? (3.1); (4) hoe kan men zich losmaken van deze mâyâ? (3.17); (5) Wat is de ware identiteit van Brahman? (3.34); (6) Wat zijn de drie soorten van karma, namelijk karma gebaseerd op het genieten van de vruchten van de arbeid, karma opgedragen aan de Allerhoogste Heer, en naishkarmya? (3.41); (7) Wat zijn de verschillende vormen van spel en vermaak van de verschillende incarnaties van God? (4.1); (8) Wat is het doel of de bestemming van iemand die tegen de Opperheer is en het ontbreekt aan bhakti (of in andere woorden, een niet-toegewijde)? (5.1); en (9) Wat zijn de respectievelijke kleuren, gedaanten en namen van de vier yugâvatâra's, de vier incarnaties van de Allerhoogste Heer die verschijnt in de vier tijdperken, en wat is het proces van het aanbidden van ieder van Hen? (5.19).

De bovenzinnelijke antwoorden op deze vragen werden gegeven door de grote toegewijden Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana. Deze negen paramahamsa's beantwoordden de negen vragen, ieder op zijn beurt, in de volgende verzen: (1) 2.33-43; (2) 2.45-55; (3) 3.3-16; (4) 3.18-33; (5) 3.35-40; (6) 3.43-55; (7) 4.2-23; (8) 5.2-18; en (9) 5.20-42.

 

Hoofdstuk 3  

Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Mijne heren, alstublieft zeg ons, we willen van de Allerhoogste Heer Vishnu het begoochelend vermogen [ofwel de mâyâ, zie ook 11.2: 48] doorgronden, dat zelfs de grote mystici verbijstert. (2) Met het koesteren van de nectar van de woorden die u bezigt in het bespreken van de onderwerpen betreffende Hari, ben ik nog niet verzadigd met die remedie voor de pijn die een sterveling ervaart als hij wordt geplaagd door de misère van samsâra.'

(3) S'rî Antarîksha zei: 'Met de elementen van de gigantische schepping ontwikkelde [conditioneerde] de Ziel der Gehele Schepping, de schepselen hoog en laag [zie B.G. 13: 22 & 14: 18], o machtig gearmde, zodat er voor hen [de delen en gehelen] die de Oorspronkelijke toebehoren er [de keuze van] het succes was met de zinsbevrediging en met de zelfrealisatie [zie ook 10.87: 2]. (4) Met het door Hem binnengegaan zijn in de levende wezens die aldus werden geschapen met behulp van de vijf grofstoffelijke elementen en met het Zich als de Ene [getuige, geest] verdelen naar de tien [zinnen van waarnemen en handelen], geeft Hij ze een leven met de drie geaardheden. (5) Het levende wezen nu dat door de Opperziel werd opgewekt geniet met de geaardheden van de geaardheden en denkt daardoor dat dit geschapen lichaam het ware zelf is en de meester en raakt aldus verstrikt [zie ook B.G. 15: 8, vergelijk 11.2: 37]. (6) DDoor de zintuiglijk gestuurde handelingen houdt de eigenaar van het lichaam zich op basis van verlangens bezig met verschilende karmische - baatzuchtige - activiteiten en plukt hij daar de verschillende vruchten van. En zo beweegt hij zich dan zowel in een staat van geluk door deze wereld als in het tegendeel daarvan [zie B.G. 2: 62]. (7) Op deze manier door zijn karma reikend tot bestemmingen die veel zaken met zich meebrengen die niet zo goed zijn, ondergaat het levende wezen tot aan het einde van de wereld hulpeloos geboorte en dood. (8) Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51]. (9) Zeer zeker zal er zich een verschrikkelijke droogte voordoen op aarde die een honderdtal jaren aanhoudt en zullen door de in die tijd oplopende hitte van de zon de drie werelden in ernstige mate verschroeien. (10) Beginnend vanuit de lagere regionen [Pâtâla], zal het vuur dat uit de mond van Sankarshana omhoogschiet door de winden aangewakkerd alle windrichtingen in lichterlaaie zetten. (11) Grote massa's wolken zullen honderd jaren lang regenen met stromen zo dicht als olifantenslurven en daardoor zal alles onder water komen te staan. (12) O Koning, als een vuur dat zonder brandstof komt te zitten, zal daarna het universum, de Oorspronkelijke Gedaante van de Allerhoogste Heer, door Hem worden opgegeven als hij de subtiele werkelijkheid van het ongeziene binnengaat [zie ook B.G. 8: 19, 3.32: 12-15]. (13) De aarde door de wind verstoken van haar aroma verandert terug in het water en het water door hetzelfde proces verstoken van zijn smaak gaat [weer, zie *] over in vuur. (14) Vuur, door het duister ontdaan van zijn vorm, verandert onvermijdelijk in lucht en de lucht, die geen greep meer krijgt, lost op in de ether. De ether door de Opperziel van de Tijd niet langer meer tastbaar zijnd gaat dan over in het ego [van het niet-weten]. (15) De zinnen, de geest en de intelligentie tezamen met de goden [die de emoties vertegenwoordigen], o Koning, gaan het ego-element binnen en het ik-bewustzijn tezamen met al zijn guna-kwaliteiten gaat over in het Allerhoogste Zelf [zie ook 3.6 en 3.26: 21-48]. (16) Met het aldus door ons hebben beschreven van deze begoochelende energie bestaande uit de drie kwaliteiten, van deze instantie van schepping, handhaving en uiteenvallen van de Allerhoogste Heer, wat zou u graag nog meer willen vernemen?'

(17) De achtenswaardige koning zei: 'O grote wijze, zeg ons alstublieft hoe personen die traag van begrip zijn met gemak deze materiële energie van de Heer te boven kunnen komen die zo onoverkomelijk is voor hen die zichzelf niet in de hand hebben.'

(18) S'rî Prabuddha zei: 'Als je kijkt naar mensen die leven als man en vrouw moet je begrijpen dat wat ze allemaal doen om resultaten te behalen met de bedoeling het lijden terug te dringen en er in geluk op vooruit te gaan, leidt tot tegengestelde resultaten. (19) Welk geluk valt er te verwachten van het niet-duurzame van het hebben van een huis, kinderen, verwanten en huisdieren en van de zo lastig te vergaren weelde waarvoor men pijn en moeite doet maar waarvan men de dood van de ziel als resultaat heeft? (20) Men moet inzien dat de volgende wereld [de hemel, 'een hogere planeet'] waar men zich op deze manier op instelt met het baatzuchtig streven, niet duurzaam is en gekenmerkt wordt door een daaruit resulterend [competitief] tegen elkaar afleggen van gelijken, hoger geplaatsten en lager geplaatsten [B.G. 8: 16]. (21) Daarom moet iemand die graag alles wil weten van het hoogste goed, zijn toevlucht zoeken bij een geestelijk leraar die verblijft in de opperste vrede van de Absolute Waarheid en goed bekend is met het brahmaanse woord [zie b.v. 5.5: 10-13, 7.11: 13, 7.12: 1-16, 7.15: 25-26, 10.86: 57 & B.G. 4: 34]. (22) Aan zijn voeten moet men, met de goeroe als zijn ziel en godheid, het bhâgavata dharma [of emancipatieproces, zie ook 11.2: 34] leren te respecteren waarmee zonder bedrog trouw van dienst zijnd de Opperziel, de Heer die Zijn eigen Zelf Vergunt, kan worden tevredengesteld [**]. (23) Op basis van een geest die in ieder opzicht van de onthechting is behoort men zoals het hoort, met genade, vriendschap en eerbied voor alle levende wezens, een relatie op te bouwen met de heiligen en de heiligheid [vergelijk 11.2: 46]. (24) Men moet van [innerlijke en uiterlijke] reinheid zijn, boete, tolerantie en stilte; studie van de heilige geschriften, eenvoud, het celibaat, geweldloosheid en van gelijkmoedigheid indien geplaatst voor tegenstellingen [zie ook yama & niyama en B.G. 12: 13-20]. (25) Op een eenzame plek zonder een vaste verblijfplaats, met oude vodden aan je lijf en tevreden met wat dan ook, behoort men met de Beheerser voortdurend voor ogen te mediteren terwille van het Ware Zelf dat Alomtegenwoordig is [zie ook 2.2: 5, 7.13: 1-10]. (26) Met geloof in de geschriften die betrekking hebben op de Allerhoogste Heer en zonder te spotten met andere geschriften, behoort men met respect voor de waarheid, met de geest, met zijn woorden en met zijn handelingen strikt beheerst, van innerlijke vrede te zijn alsook van zinsbeheersing [zie ook B.G. 15: 15]. (27-28) Luisterend naar, zingend over en mediterend op de wederwaardigheden en de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer van wiens incarnaties de handelingen allen even wonderbaarlijk zijn, moet men alles doen te Zijnentwille. Van welke aanbidding men ook is, welke liefdadigheid, boetedoening, japa, vroomheid, men er ook op nahoudt, met inbegrip van alles wat je lief is, de echtgenote, de zoons, het huis en de eigen levensadem, moet men allemaal aan het Allerhoogste opdragen [zie ook B.G. 9: 27]. (29) Met het van dienst zijn voor beide [bewegende en niet-bewegende wezens] moet men vriendschap koesteren voor zowel de [gewone] mensen als voor hen die een heilig respect hebben, voor de zuiverste zielen onder hen, zoals de mensen die Krishna aanvaarden als de Heer van hun ziel. (30) In gezamenlijke besprekingen, in het wederzijds tot elkaar aangetrokken zijn en in het elkaar tevreden stellen, is er dankzij de heerlijkheden van de Heer in het gezamenlijke beëindigen van materiële activiteiten, de zuivering van de [relatie tot] ziel [zie ook B.G. 3: 38]. (31) Zich heugend en elkaar helpen herinnerend is men met de bhakti voor de Heer die een einde maakt aan de aaneenschakeling van zonden, ontwaakt en heeft men door de toewijding een lichaam dat bewogen is door extase [zie ook 11.2: 40]. (32) Soms huilt men bij de gedachte aan Acyuta, soms lacht men, soms schept men er groot genoegen in en spreekt men, soms handelt men wonderlijk, danst men en zingt men en soms is men, naar het voorbeeld van de Ongeborene stil wordend, bevrijd van het leed en bereikt men het Allerhoogste [zie ook 10.35]. (33) Aldus bekend rakend met het bhâgavata dharma en door de resulterende bhakti volledig van toewijding zijnd voor Nârâyana, komt men gemakkelijk de mâyâ te boven die zo moeilijk te overwinnen is [zie ook 1.1: 2].'

(34) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft, u allen experts in de kennis van het spirituele, wees zo goed ons de bovenzinnelijke situatie te beschrijven van de Superziel van de Absolute Waarheid die is geassocieerd met de naam van Nârâyana [zie ook 1.2: 11].'

(35) S'rî Pippalâyana zei: 'Alstublieft o Koning, weet dat het Allerhoogste [van de Persoonlijkheid van God] het volgende behelst: de Oorzaak Zonder Oorzaak van de schepping, handhaving en vernietiging van dit universum, welke in de waaktoestand, de droomstaat en in de diepe slaap, alsook buiten hen om bestaat en waardoor de lichamen, de zinnen, de levensadem en de geestelijke activiteit van een ieder apart tot leven worden gewekt en zich blijven bewegen. (36) Dit kan noch door de geest, de spraak, het zien, de intelligentie, de levensadem of door de zinnen worden omvat, precies zoals een vuur niet kan worden omvat door zijn eigen vonken. Zelfs niet het vedisch woord vermag het uit te drukken. De Veda's immers ontkennen dat het Allerhoogste Zelf in woorden uit te drukken zou zijn - dat lukt slechts in indirecte bewoordingen, woorden die verwijzen naar dat waarzonder de schriftuurlijk voorgeschreven beperkingen geen doel zouden hebben [vergelijk 10.87]. (37) In den beginne Één zijnd raakte de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid daarna bekend als het drievoudige dat in het samengaan met de macht van handelen, de macht van het bewustzijn en het ik-besef het individuele levende wezen wordt genoemd [de jîva]. Die individualiteit nam de gedaanten aan van de geestelijke kennis [de goden], de handelingen [de zinnen] en de vruchten [van goede en slechte resultaten]. Aldus behept met een grote schakering aan energieën, is het het Allerhoogste voorbij zowel het grofstoffelijke als het subtiele alleen dat gemanifesteerd is [als de Absolute Waarheid of het Brahman, zie ook mahat-tattva, pradhâna, 4.29: 79, B.G. 10: 42, 13: 13 & 7: 14]. (38) Deze Ziel, nimmer geboren en nimmer stervend, groeit noch vergaat; hij is de kenner van de tijden van leven van de levende wezens die onderhevig zijn aan verandering, en die Ziel, alomtegenwoordig en onvergankelijk, is zuiver bewustzijn op dezelfde manier als de [ene] levensadem [prâna] dat vanbinnen binnen is die met de macht der zinnen zich manifesteerde als zijnde verdeeld [zie ook B.G. 2: 23-30 en ***]. (39) [Met wezens] van eieren, van embryo's, van planten en van wat moeilijk is te onderscheiden in het vochtige [micro-organismen], begeleidt het vitale beginsel van de adem de individuele ziel [zie ook linga] van de ene [levensvorm] naar de andere. Precies zoals de ziel los van het denken onveranderlijk dezelfde blijft als het geheugen zich weer herstelt ontwakend uit een diepe slaap waarin het ego en de zinnen samen waren opgegaan [zie B.G. 2: 22]. (40) Als men zich de voeten van de Ene met de Lotusnavel wenst wordt het vuil in het hart, dat voortsproot uit het baatzuchtig handelen overeenkomstig de geaardheden van de natuur, weggezuiverd door de macht van de bhakti en wordt, als men volledig gezuiverd is, rechtstreeks de waarheid van de ziel gerealisee rd, op dezelfde manier als men met het blote oog de zonneschijn kan waarnemen [B.G: 2: 55 & 6: 20-23 en nyâyika].'

(41) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft leg ons de karma yoga uit waarmee verfijnd een persoon in dit leven snel zich ontdoet van vruchtdragende handelingen en, bevrijd van karmische terugslagen, het bovenzinnelijke geniet [zie ook B.G. 1-6 of 3. 5]. (42) In mijn vaders bijzijn [Ikshvâku zie 9.6: 4] stelde ik de wijzen [de Kumâra's] in het verleden een soortgelijke vraag, maar de zoons van Brahmâ gaven geen antwoord, alstublieft, om die reden, spreek erover.'

(43) S'rî Âvirhotra gaf ten antwoord: 'Karma, akarma en vikarma zijn, omdat zij hun oorsprong vindend in de Beheerser niet van het wereldse zijn, als kwesties begrepen middels de Veda's, iets waarover zelfs de grote geleerden in verwarring verkeren [zie ook B.G. 4: 16-17 en 4.29: 26-27]. (44) In bedekte termen schrijven de Veda's, in het begeleiden van de kinderlijke mens om bevrijd te raken van zijn karma, inderdaad materiële handelingen voor, precies zoals men ook een medicijn voorschrijft [zie ook B.G. 3: 26, 5.5: 17 en 10.24: 17-18]. (45) Hij die, zijn zinnen niet onderworpen hebbend, onwetend niet uitvoert wat de Veda's voorschrijven, bereikt, door zijn gebrek aan religie tegen de plicht handelend, de dood telkens weer [zie ook B.G. 3: 8, 16: 23-24, 17: 5-6, 18: 7]. (46) Zeker zal men, als men overeenkomstig wat de Veda's voorschrijven zonder gehechtheid tewerkgaat en offers brengt voor de Allerhoogste Beheerser, de volmaaktheid bereiken die, om de belangstelling op te wekken, is geformuleerd in termen van tastbare resultaten [karma-kânda & B.G. 4: 17-23]. (47) Iemand die snel de knoop [der gehechtheid] in het hart wil doorhakken moet Heer Kes'ava aanbidden en eveneens de goddelijkheid bestuderen zoals beschreven in de aanvullende vedische literatuur [de tantra's, zie ook B.G. 12: 6-7]. (48) Met het hebben verworven van de genade [de initiatie] van de leraar van het voorbeeld die hem toont wat bij de genade van de traditie werd doorgegeven, behoort de toegewijde van aanbidding te zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid in de specifieke gedaante van zijn voorkeur [zie ook B.G. 3: 35, 7: 20]. (49) Schoon gewassen, er recht voor zittend, de adem beheersend enzovoorts [zie ashthânga-yoga] moet hij, het lichaam zuiverend met het in verzaking aanroepen van de bescherming, de Heer aanbidden [door de verschillende delen van zijn lichaam aan Hem toe te wijzen door ze met mantra's te markeren, zie ook B.G. 5: 27-28 en 6.8: 4-6]. (50-51) Met het zich in hart en ziel voorbereiden met alle beschikbare ingrediënten, met de beeltenis en alles wat erbij hoort, de zaken die moeten worden geofferd en met het besprenkelen van de vloer en de zitplaats, behoort men, het water klaarzettend voor de offerplechtigheid, geconcentreerd de beeltenis op zijn geëigende plaats te zetten die men van heilige merktekens heeft voorzien op Zijn hart en andere delen van Zijn lichaam en vervolgens van aanbidding te zijn met de daartoe bestemde mantra [4*]. (52-53) Met de mantra's die bij Hem horen moet men van aanbidding zijn voor iedere afzonderlijke beeltenis en de ledematen ervan, Zijn speciale kenmerken [zoals zijn cakra] en Zijn metgezellen [zoals de pañca-tattva, zie b.v. de S'is'umâra-mantra of de Ambaris'a gebeden voor de cakra vermeld in 5.23: 8 en in 9.5]. Met alle respect de aanbidding zoals vastgelegd aanvullend met water voor Zijn voeten, reukwater ter verwelkoming, fijne kleding, ornamenten, geuren, halssnoeren, ongebroken graankorrels [bedoeld voor het aanbrengen van tilâka en met bloemenslingers, wierook, lampen en dergelijke offergaven, behoort men met eerbetoon en gebed zich voor de Heer te verbuigen. (54) Daarin opgaand [als een dienaar en niet zich valselijk identificerend] behoort men aldus mediterend volledig van aanbidding voor de mûrti van de Heer te zijn en, met het op het hoofd aanvaarden van de overblijfselen van de aanbidding, Hem weer respectvol op de voor Hem bestemde plaats terugzetten. (55) Hij die aldus de Beheerser, de Opperziel aanbidt die aanwezig is in het vuur, de zon, het water enzovoorts, alsook in de gast en in het eigen hart [zie ook 2.2: 8], zal snel bevrijd raken.'

 

Voetnoten: * Als een kwaliteit word weggenomen verdwijnt het verschil tussen een element en dat element dat er vroeger in de evolutie van het universum aan voorafging, het verandert dan erin, of lost erin op: aldus vindt de vernietiging van het universum plaats.

** S'rîla Rûpa Gosvâmî formuleerde vier vereisten waaraan men moet voldoen om vooruit te komen in dezen: '[1] Het aanvaarden van de toevlucht van een bonafide geestelijk leraar, [2] het worden ingewijd door de geestelijk leraar en het van hem leren om van toegewijde dienst te zijn, [3] het met geloof en toewijding opvolgen van de opdrachten van de geestelijk leraar, en [4] het volgen in de voetsporen van de grote âcârya's [leraren] onder leiding van de geestelijk leraar.' (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.74)

*** S'rîla Madhvâcârya citeert hierbij, uit de Moksha-dharma sectie van Vyâsadeva's Mahâbhârata, de Heer die zegt:

aham hi jîva-samjño vai
mayi jîvah sanâtanah
maivam tvayânumantavyam
dristho jîvo mayeti ha
aham s'reyo vidhâsyâmi
yathâdhikâram îs'varah

'Het levende wezen, bekend als de jîva, verschilt niet van Mij, daar hij mijn expansie is. Aldus is het levende wezen eeuwig, zoals Ik, en bestaat het altijd in Mij. Maar je moet niet gekunsteld denken, 'Nu heb ik de ziel aanschouwd.' Het is eerder zo dat Ik, als de Hoogste Persoonlijkheid van God, je deze zegen zal vergunnen als jij er werkelijk voor in aanmerking komt.'

*4 Precies zoals iedere prâkrita, onpersoonlijke, materialistische toegewijde de Heer aan het aanbidden is in Zijn gedaante van de Tijd met pragmatisch verdraaide klokken en niet-geschrikkelde weekindelingen [zie de Orde van de Tijd en kâla om dit recht te zetten] als zijnde de godheid van voorkeur met mantra's als 'wees op tijd' en 'tijd is geld', zo voorziet de klassieke bhakti met de kanishthha of beginnende, personalistische toegewijde meer waarachtig naar de vedische autoriteit erin ook de persoonlijke gedaante van de Heer in de vorm van een beeltenis te aanbidden met 'om namo bhagavate vâsudevâya' [4.8: 54], de Gâyatrî, deor the Mahâmantra of Lord Caitanya, en andere mantra's. In al deze gevallen moet worden gedacht aan wat Vyâsa in 11.2: 47 zegt over mûrti-aanbidding in het algemeen. 

 

Hoofdstuk 4

De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft vertel ons over de handelingen van ieder van deze zelfgekozen verschijningen waarmee de Heer optrad, heeft opgetreden en zal optreden in deze wereld [zie ook 2.7].'

(2) S'rî Drumila zei: 'Waarlijk, hij die tracht de onbegrensde, bovenzinnelijke kwaliteiten van de Onbegrensde op te sommen is voorzeker een persoon met de intelligentie van een kind; men kan er op de een of andere manier op den duur in slagen het aantal stofdeeltjes van de aarde te tellen, maar dat lukt niet met de kwaliteiten van het Reservoir van alle Vermogens [zie ook 10.14: 7, 10.51: 38]. (3) Toen de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God Nârâyana Zijn volkomen deelaspect binnenging, het vanuit Hemzelf gegenereerde lichaam van het universum geschapen uit de vijf materiële elementen, raakte Hij aldus bekend als de Purusha [zie ook 1.3: 1]. (4) In de uitgebreidheid van dit drie-werelden-lichaam van Hem zijn er van Zijn zinnen zowel de zinnen van waarnemen als handelen van de belichaamde wezens, is er van Zijn aard de geestelijke kennis en van Zijn traditie kracht en vermogen. Hij is de oerbeweger [de oorspronkelijke doener èn niet-doener] die met de goedheid en de andere kwaliteiten van schepping, vernietiging en behoud is [zie B.G. 3: 27, 13: 30 en S.B. 6.17: 19, 3.26: 7, 3.27: 2, 3.32: 12-15, 10.46: 41, 10.83: 3]. (5) In den beginne manifesteerde Hij in het scheppen van dit universum vanuit de geaardheid hartstocht de Ene die de honderden [wijzen] sturing gaf [Heer Brahmâ]; in het handhaven als de beschermer van het dharma van de tweemaal geborenen manifesteerde Hij zich als Vishnu, de Heer van het Offer en voor de vernietiging in de geaardheid onwetendheid nam Hij de gedaante aan van Rudra [Heer S'iva]; aldus is Hij die Oorspronkelijke Persoon altijd van schepping, handhaving en vernietiging onder de geschapen wezens [zie ook 2.10: 41-46, 4.29: 79, 4.30: 23].

(6) Als Nara-Nârâyana, de beste der wijzen volmaakt van vrede, werd Hij geboren uit Mûrti, de dochter van Daksha en echtgenote van Dharma [*]. Staande voor het beëindigen van alle materiële arbeid sprak Hij die zelfs vandaag nog leeft en wiens voeten worden gediend door de grootste wijzen, over het werk en bracht Hij ook Zelf het werk ten uitvoer dat moest worden verricht [zie B.G. 9: 27 en ook 2.7: 6, 4.1: 49-57, 5.19: 9]. (7) Heer Indra angstig denkend 'Hij wil mijn koninkrijk inpalmen', zette Cupido in die zich begevend naar Badarikâs'rama met zijn metgezellen de Apsara's, met zijn pijlen, de blikken van de vrouwen en de zachte bries van de lente, niet bekend met Zijn grootheid, het probeerde Hem te treffen. (8) De Oorspronkelijke Godheid die begrip had voor de overtreding van Indra, sprak vrij van trots lachend tot hen die op hun benen stonden te trillen: 'Alstublieft, vreest niet, o machtige Madana [Heer der Liefde], o god van de wind en echtgenotes van de halfgoden, alstublieft aanvaard deze gaven van Ons, ontzeg deze âs'rama niet uw genade'.

(9) O god der mensen [Nimi], nadat de Schenker van Onbevreesdheid aldus had gesproken, bogen de goden zich beschaamd voor Hem en zeiden smekend om mededogen met hun hoofden naar beneden: 'O Almachtige, dit is voor U niet zo verrassend, U de Allerhoogste Onveranderlijke voor wiens voeten in grote getalen zij zich verbuigen die nuchter zijn en genoeg aan zichzelf hebben [zie ook 1.7: 10]. (10) Voor hen die U van dienst zijn om daarmee hun materiële leefwerelden te transcenderen en Uw verblijf te bereiken, zijn er door de verlichte zielen [of de halfgoden] vele obstakels opgeworpen, maar voor de andere soort van toegewijde, de toegewijde die in offerplechtigheden met het brengen van offers die godsbewusten hun aandeel toekent, is er geen sprake van iets dergelijks omdat hij met U als zijn Beschermer immers met zijn voet heenstapt over de hindernis die [met die goden] de kop opstak [zie ook 9.4: * en 10.2: 33]. (11) Sommigen proberen de honger, dorst en andere seizoensgebonden fysieke toestanden die zich mettertijd met ons kunnen voordoen te boven te komen door hun adem, tong en seksuele aandrang te beheersen, maar ze vallen [door die frustratie] ten prooi aan de woede en verspelen daarmee de vrucht van hun lastige boetedoeningen. Met hun zinloos geworden verzaking zijn ze als mensen die grenzeloze oceanen wisten over te steken maar in het water van de hoefafdruk van een kalf verdrinken [zie B.G. 17: 5-6, 6.1: 16 en vergelijk 5.8: 23 en 10.12: 12].'

(12) Met deze lofuitingen van hen manifesteerde Hij toen voor hun ogen [een reeks van] vrouwen hoogst wonderbaarlijk van verschijning, die allen fraai aangekleed van toegewijde dienst waren voor de Almachtige [zie ook 2.7: 6]. (13) Toen ze deze vrouwen voor zich zagen waren de volgelingen van de goden verbijsterd door hun schoonheid en geur die wedijverde met die van de godin van het fortuin en waren ze verslagen in hun eigen weelde. (14) Voor hen die zich voor Hem hadden gebogen zei de Heer der Heerscharen met een flauwe glimlach: 'Alstublieft kies een van deze dames zo geschikt als een sieraad van de hemel.'

(15) Met het laten weerklinken van de lettergreep 'om', boden de dienaren van de halfgoden Hem hun eerbetuigingen en keerden ze terug naar de hemel, waarbij ze Urvas'î, de beste der Apsara's, voorop lieten gaan. (16) Neerbuigend voor heer Indra in zijn vergadering vertelden ze hem, terwijl de ingezetenen der drie hemelen toehoorden, over de kracht van Nârâyana. Hierdoor stond hij versteld. (17) Acyuta in de gedaante van de [bovenzinnelijke] zwaan sprekend over zelfverwerkelijking, Dattâtreya, de Kumâra's en Rishabha, is de Vader, de Allerhoogste Heer Vishnu, die voor het welzijn van de ganse wereld middels Zijn expansies nederdaalt in deze wereld [B.G. 14: 4]. Door Hem, de doder van Madhu, werden in Zijn paard-incarnatie [Hayagrîva] de oorspronkelijke teksten van de Veda's teruggebracht. (18) In zijn vis-incarnatie [Matsya] werden Vaivasvata Manu [Satyavrata], de planeet aarde en de kruiden beschermd; in Zijn zwijn-incarnatie [Varâha] de aarde bevrijdend uit de wateren, werd [Hiranyâksha] de demonische zoon van Diti gedood; als een schildpad [Kurma] hield Hij toen de nectar werd gekarnd de berg op Zijn rug en [als Vishnu] bevrijdde Hij de koning der olifanten [Gajendra] die zich aan Hem overgaf toen hij in nood verkeerde vanwege de krokodil. (19) De ascetische wijzen [de Vâlakhilya's] die gebeden brengend ten val waren gekomen [in het water van de hoefafdruk van een koe] verloste Hij van [een lachende] Indra; Hij verloste Indra van de duisternis van het gedood hebben van Vritrâsura; Hij verloste de echtgenotes van de halfgoden [die door Bhaumâsura waren] gevangen gezet in het asura paleis; als Nrisimhadeva doodde Hij Hiranykas'ipu, de asura koning, om de geheiligde toegewijden van angst te vrijwaren. (20) Voor het heil van de godsvrezenden doodde Hij de daitya leiders in de slag tussen de goden en de demonen [zie 8.10], middels Zijn verschillende verschijningen [de ams'a-avatâra's] gedurende de heerschappij van iedere Manu beschermt Hij al de werelden en als Heer Vâmana pakte Hij onder het voorwendsel van de liefdadigheid de aarde af van Bali en gaf Hij haar in handen van de zoons van Aditi. (21) Als Heer Paras'urâma bevrijdde Hij de aarde van de leden van de heersende kaste en vernietigde Hij, als het vuur dat Hij afstammend van Bhrigu was, zevenentwintig keer de dynastie van Haihaya. Als de echtgenoot van Sîtâ [Râmacandra] onderwierp Hij de oceaan en doodde hij Tienkop [Râvana] met inbegrip van de soldaten van Lankâ. Met het vertellen van de verhalen over de heerlijkheden van Hem die altijd zegerijk is, wordt de besmetting van de hele wereld tenietgedaan. (22) De Ongeboren Heer [als Krishna] Zijn geboorte nemend in de Yadu-dynastie, zal, teneinde de overlast terug te dringen van de aarde, daden volbrengen die zelfs voor de goddelijken moeilijk op te brengen zijn; als [de Boeddha] zal Hij met argumenten van speculatieve aard degenen verbijsteren die niet geschikt zijn de vedische offers te brengen en aan het einde van Kali-yuga zal Hij [als Heer Kalki] een einde maken aan de heersers van twijfelachtig allooi. (23) Van de zo heel glorieuze Heer van het Levend Wezen [de Heer van het Universum Jagadîs'vara] aldus omschreven, o machtig gearmde, zijn er ontelbare verschijningen en handelingen precies als deze.'

Voetnoot:

* Volgens de Matsya Purâna (3.10), werd Dharma, de vader van Nara-Nârâyana Rishi, geboren uit de rechterborst van Brahmâ en trouwde hij later met dertien van de dochters van Prajâpati Daksha.

 

Hoofdstuk 5

Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend [zie ook 11.3: *4], niet in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt zijn?'

(2) S'rî Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties *] de vier geestelijke orden [of âs'rama's] en roepingen [of varna's] met de brahmanen vooropgaand gegenereerd [zie ook B.G. 4: 13]. (3) Welk lid van hen dan ook die, niet van aanbidding zijnde, minachting koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die de uitnemendheid van hun ziel is en de Allerhoogste Beheerser, zal, van zijn positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G. 16: 23]. (4) Er zijn vele mensen die geen kans zien zich bezig te houden met de verhandelingen over de Vernietiger [van de zonde; de Heer] en nimmer denken aan de heerlijkheden van de Onfeilbare; het zijn zij die vallen in de categorie van de vrouwen [vergelijk 5.17: 15] en s'ûdra's en dergelijke die de genade van persoonlijkheden als u verdienen. (5) En dan nog raken ook de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die [door initiatie] toegang kregen tot de Heer Zijn lotusvoeten, verbijsterd in hun betrokkenheid bij [de meest uiteenlopende] levensopvattingen [zie ook 5.6: 11, B.G. 2: 42-43]. (6) Onwetend over karmische zaken drukken zij die feitelijk tekort schieten in ervaring maar arrogant zichzelf heel geleerd achten, verrukt over de schoonheid van de taal zich uit in [voor de halfgoden] flatterende verhandelingen waarmee ze de draad kwijtraken [zie ook B.G. 9: 3]. (7) Vol van hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot met hen die Acyuta dierbaar zijn. (8) Als vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen met het aanmoedigen en aanbidden van de seks als het hoogste goed; zonder het uitdelen van voedsel en het doen van schenkingen uit dankbaarheid [voor de spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen] in acht te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de gevolgen, de dieren [zie ook B.G. 16]. (9) Met hun intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde, speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid, kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een hart van steen minachting voor zij die zich heiligden en de Heer lief zijn en hebben ze ook geen achting voor de Beheerser Zelf [zie ook b.v. 40: 1.8: 26, 4.2: 24, 4.31: 21, 5.1: 12, 7.15: 19, 8.22: 26 en B.G. 2: 42-43]. (10) De Ziel van de hoogst aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken van de onderwerpen aangaande hun eigen grillige zingenoegens. (11) Met motivatie voor de seks en het consumeren van vlees en alcohol dat men steeds aantreft in het geconditioneerde levende wezen vormt een praktijk die in geen enkel heilig geschrift staat voorgeschreven; de voorschriften op dit punt voor [respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en het ritueel gebruik van wijn, zijn er voor het doel daar een einde aan te maken [zie ook 1.17: 38-39]. (12) De enige weelde waar het om gaat is de vrucht te plukken van het dharma [de rechtschapenheid met de natuur, de religiositeit] waarvan er de kennis is in combinatie met de wijsheid en de daaropvolgende bevrijding. Maar vanuit het familieleven heeft men geen oog voor de onoverkomelijke greep van de dood op het lichaam [zie ook 3.30: 7, 7.6: 8, 4.29: 52-55 maar ook 4.22: 10]. (13) Het staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te ruiken en dat evenzo een beest volgens de voorschriften moet worden gedood en niet met een begerige vorm van geweld [zoals met het grootschalig slachten van dieren]; op dezelfde manier is seksuele gemeenschap er voor het overwinnen [van de aandrang om kinderen te krijgen, zoals met het naar de w.c. gaan] en niet zozeer voor het zinnelijk genot [B.G. 7: 11]; voor dit allerzuiverste van de plichtsbetrachting zoals het hoort, hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie ook 7.15]. (14) Zij die geen weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren hen opeten [vergelijk 5.26: 11-13 en 4.25: 7-8]. (15) Afgunstig op hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser die leeft [in hun lichaam en] in de lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles wat er bij hoort, ten val. (16) Zij die [aldus] niet de emancipatie [of de moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke dwaasheid overwonnen, zijn de drie doelen van het vrome leven toegewijd [het ritueel, een inkomen en gereguleerde verlangens], maar zijn, zonder zich ook maar een moment van reflectie te gunnen [te hard werkend], [niettemin druk] bezig zichzelf te doden [zie ook de purushârtha's, 10.2: 32]. (17) Deze moordenaars van het eigen zelf die het ontbreekt aan vrede, denken in hun onwetendheid kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet in slagend hun plichten na te komen, mettertijd onder de vernietiging van al hun hoop en hun dromen. (18) Zij die hun gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt door de begoochelende energie van de Allerhoogste Ziel, zonder het te willen de duisternis binnen met achterlating van hun huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes.'

(19) De achtenswaardige koning zei: 'In welke tijd had de Heer welke kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in ons bijzijn duidelijkheid over.'

(20) S'rî Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze [yuga's] genaamd Krita [of Satya], Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het hebben van verschillende huidskleuren [zie ook 10.26: 16], namen en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren aanbeden. (21) In Satya-yuga is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad, aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een waterpot. (22) De menselijke wezens zijn in die tijd vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor de Heer. (23) Aldus wordt Hij verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna ['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'], Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga'], Amala ['de Onberispelijke'], Îs'vara ['de Allerhoogste Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en Paramâtmâ ['de Superziel']. (24) In Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen, draagt hij drie gordels [overeenkomstig de initiaties van de eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de offerlepels [**] en dergelijken als Zijn symbolen. (25) In die tijd aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de Godheid in al de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's [zie ook 1.16: 20]. (26) In Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu ['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni, 10.3: 32], Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi [de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'], Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya ['Hij het Meest Verheerlijkt']. (27) In Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt hij gele kleren en voert Hij Zijn attributen met zich mee [de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het Kaustubha-juweel]. (28) In dat tijdperk, o Koning, aanbidden de stervelingen die kennis willen verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de Veda's en de tantra's [zoals 40 in 1.10: 16-18 en 10.4: 17-24 en ***] met: (29-30) 'Onze eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U, Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Grotere Ziel, de Heer van de Schepping, de Gedaante van het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens [zie catur-vyûha].' (31) O Koning, aldus prijst men in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum; alstublieft verneem op welke manier men overeenkomstig de schriftuurlijke voorschriften ook van aanbidding is in Kali-yuga [zie ook 7.9: 38]. (32) De intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere [niet-donkere of gouden] luister samen met [Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en begeleiders, middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk bezingen, van lof [is] voor [spreekt over, verspreidt of gekleurd is door] Krishna met: (33) 'O Allerhoogste Persoonlijkheid laat mij Uw voeten aanbidden. Steeds mediteert men erop want ze maken een eind aan de vernedering waaronder we te lijden hebben als gevolg van de invloed der materie. Alleszins beantwoordend aan het ware verlangen van de ziel, vormen ze het verblijf en het pelgrimsoord waarvoor S'iva en Brahmâ zich verbuigen. Zij, die het leed wegnemen van Uw dienaren, zijn de meest achtenswaardige toevlucht, ze zijn de boot voor de oceaan van geboorte en dood. (34) O Allerhoogste Persoonlijkheid, laat me de lotusvoeten eren van U die in reactie op de woorden van een brahmaan [als Akrûra, S'rî Advaita of Johannes de Doper], met het afzien van de weelde van S'rî die zo fel begeerd wordt door de goddelijken, [als Râma, Krishna, de Boeddha, als Jezus, als Caitanya etc.] genadevol voor hen die gevangen zijn in de dierlijke aard, zich begaf naar het afgelegen gebied [India, de wildernis, het woud, de woestijn, met sannyâsa] om Uw voorwerp van verlangen na te jagen [Uw missie, Uw dharma, Uw aanwezigheid als de Heer der toegewijden, 4*].' (35) O Koning, aldus wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle Zegeningen, met Zijn namen en gedaanten zoals die passen bij iedere yuga aanbeden door de mensen van dat tijdperk. (36) De gelovigen [die van geestelijke vooruitgang zijn en] bekend met de waarde van het tijdperk van Kali, spreken er hun lof over uit erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het [enkel] gezamenlijk bezingen zo goed als alle doeleinden kunnen worden bereikt. (37) Werkelijk, er bestaat voor de belichaamden die ronddolen in dit universum geen grotere verworvenheid dan dit [sankîrtana-zingen] waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en de herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook 2.1: 11, 3.33: 7, 8.23: 16 en 8.23*]. (38-40) Zij die leven in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in Kali-yuga hun geboorte nemen omdat men in die tijd, o grote monarch, in verschillende plaatsen de toegewijden aantreft die Nârâyana zijn toegewijd. Men vindt ze met name in grote getalen in de provincies van Zuid-India. De mensen daar die drinken van het water van de rivieren de Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de Mahânadî en de Pratîcî, o heer der mensen, zijn grotendeels toegewijden met een zuiver hart voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (41) O Koning, een persoon die, met het verzaken van de materiële verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de voorvaderen [zie ook B.G. 3: 9]. (42) Van degene die gefixeerd op Zijn voeten van aanbidding is en om die reden geliefd is bij Heer Hari, de Allerhoogste Beheerser die zich in het hart vestigde zo gauw men zich niet meer op andere zaken richtte, worden welke soort van onregelmatigheden ook die zich op de ene of de andere manier voordeden allemaal uitgezuiverd [zie 8.23: 16 en B.G. 9: 22, 9: 30, 18: 56].'

(43) S'rî Nârada zei: 'Nadat hij aldus had vernomen over de wetenschap van de toegewijde dienst voelde de heer van Mithilâ zich waarlijk voldaan en sprak hij vervolgens tezamen met de priesters gebeden uit voor de wijze zonen van Jayantî [de Yogendra's 5.4: 8]. (44) Toen, voor ogen van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning, trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste bestemming. (45) U [Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult zich eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de toegewijde dienst waar u over vernam, nadat u zich heeft vrijgemaakt van alle materiële zorgen, het Allerhoogste bereiken. (46) De aarde raakte vervuld van de heerlijkheden van jullie twee als man en vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de positie innam van uw zoon. (47) Voor Krishna de liefde tentoonspreidend van het zien, het omhelzen, en converseren, gaan slapen, zitten en eten met Hem als zoon, zijn jullie harten gezuiverd geraakt. (48) Koningen als S'is'upâla, Paundraka en S'âlva die wedijverend zich afgunstig betrokken op Zijn bewegingen, blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten concentreerden op Hem terwijl ze neerlagen, zaten etc., hebben een positie bereikt op hetzelfde niveau; hoe zou het dan wel niet hen vergaan die Hem gunstig gezind waren [zie mukti en ook Jaya & Vijaya]? (49) Verwaardig u niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie verscheen Hij als een normaal menselijk wezen met het verhullen van Zijn volheid als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook B.G. 4: 6]. (50) Van Hem die nederdaalde om de asura leden van de adelstand die de aarde belastten te doden en om de [toegewijden de] bevrijding te vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in de wereld [zie ook B.G. 4: 7].'

(51) S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze de dwaasheid die ze gekoesterd hadden op. (52) Hij die eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome, historische vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en de spirituele volmaaktheid bereiken.'

Voetnoten:

*: Met de Rik-Samhitâ (8.4: 19), de S'ukla-yajur Veda (34: 11) en de Atharva Veda (19: 66) die allemaal zeggen 'De brahmaan verscheen als Zijn gezicht, de koning als Zijn armen, de vais'ya als Zijn dijen, en de s'ûdra werd geboren uit Zijn voeten' worden, volgens S'rîdhara Svâmî, de brahmanen geacht geboren te zijn uit de geaardheid goedheid, de kshatriya's uit een combinatie van goedheid en hartstocht, de vais'ya's uit een combinatie van hartstocht en onwetendheid en de s'ûdra's uit de geaardheid onwetendheid.

** Hier vermeld worden de vikankata houten sruk en de khadira houten sruvâ die de sruk bediend voor het gieten van ghee in het vuur.

***: De paramparâ, om ons te helpen herinneren aan de neergang van de toewijding in de loop van de yuga's [zie ook 1.16: 20] verduidelijkt: 'De mensen levend in Satya-yuga werden omschreven als s'ântâh, nirvairâh, suhridah en samâh, of vreedzaam, vrij van afgunst, de weldoeners van ieder levend wezen, en gefixeerd op het spiritueel platform voorbij de geaardheden der materiële natuur. Zo ook werden de mensen levend in Tretâ-yuga omschreven als dharmishthhâh en brahma-vâdinah, of diep-religieus, en deskundige navolgers van de Vedische voorschriften. In het voorliggende vers, wordt van de mensen levend in Dvâpara-yuga gezegd dat ze eenvoudig jijñâsavah zijn, ofwel begerig zijn om de Absolute Waarheid te kennen. Anderszins worden ze omschreven als martyâh, of onderhevig aan de zwakheid van sterfelijke wezens.' Het ene na het andere tijdperk is men dus aan het aanbidden met meditatie, het brengen van offers, tempelaanbidding en het gezamenlijk zingen.

4* De paramparâ voegt hier aan toe: 'Bevestiging leverend voor de verklaring van dit vers, aanbidden de volgelingen van Heer Caitanya Mahâprabhu Hem ook in Zijn zesarmige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de danda van de sannyâsî Caitanya Mahâprabhu, twee armen dragen de fluit van Heer Krishna, en twee armen dragen de pijl en de boog van S'rî Râmacandra. Deze shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van dit vers van het S'rîmad Bhâgavatam'.

 

Hoofdstuk 6

Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen [nadat Nârada was vertrokken] kwam Heer Brahmâ omringd door zijn zoons, de goden en de heersers der mensen, aan [in Dvârakâ] samen met Heer Bhava [S'iva], de voor alle levende wezens goedgunstige beheerser, die werd vergezeld door een schare van spookachtige wezens. (2-4) Indra de oppermachtige heerser en zijn goden [de marut's], de zoons van Aditi, de goedgeaarden helder van geest [de Vasu's], de beschermers van de gezondheid [de as'vin's], de kunstenaars [de ribhu's], de afstammelingen van Angirâ, de expansies van S'iva [de rudra's], de goden van het intellect [de vis'vedeva's], de goden van de handel [de Sâdhya's] en andere halfgoden; de zangers en dansmeisjes van de hemel [Gandharva's en Apsara's], zij die uitmunten [de Nâga's], de vervolmaakten [de siddha's] en de eerbiedwaardigen [de Cârana's], de schatbewaarders [de guhyaka's], de zieners [de rishi's], de voorvaderen [de pita's] alsook de wetenschappers [de Vidyâdhara's] en zij die bijzondere talenten hebben [de Kinnara's] kwamen allen tezamen aan in Dvârakâ begerig Krishna te zien, de Allerhoogste Heer die overal in het universum de onzuiverheden verdrijft en die met Zijn bovenzinnelijke gedaante de ganse menselijke samenleving betoverend Zijn faam verbreidde in alle werelden. (5) In die schitterende stad rijk aan een grote overvloed zagen ze met hun hongerige ogen Heer Krishna die zo prachtig is om te zien.

(6) Met het Hem, de beste der Yadu's, overladen met bloemenslingers meegebracht uit de tuinen van de hemel, prezen ze Hem, de Heer van het Levende Wezen, waarbij ze zich uitdrukten in bekoorlijke denkbeelden en woorden. (7) De goden zeiden: 'Wij met onze intelligentie, zinnen, levensadem, geest en woorden buigen aan Uw lotusvoeten, o Heer, waarop in het hart wordt gemediteerd door hen die zijn verenigd in de liefde van het streven naar bevrijding uit de machtige gebondenheid aan karmische verwikkelingen. (8) U, die middels de materiële energie die bestaat uit de drie geaardheden, de manifestatie beschermt en vernietigt met het ondoorgrondelijke van Uzelf, bevindt zich in die materiële natuur, maar U raakt door deze geaardheden in het geheel niet verstrikt in karmische activiteiten, o U Onoverwinnelijke, omdat U, de Onbelemmerde en Onbetwijfelbare, altijd verzonken bent in Uw gelukzaligheid [zie ook B.G. 3: 22]. (9) O Aanbiddelijke, de loutering van die personen die een besmet bewustzijn hebben wordt niet zozeer tot stand gebracht door bezweringen, het respecteren van voorschriften, het bestuderen van de S'âstra's, door liefdadigheid, boetedoeningen en rituelen als door het trouw luisteren naar de grootsten onder de zielen die zich in de goedheid bevindend volledig gerijpt zijn in Uw bovenzinnelijke heerlijkheden [zie ook 4.29: 36-38]. (10) Mogen er voor ons de lotusvoeten zijn, het vuur dat onze ongunstige mentaliteit verteert en door de wijzen die uit zijn op het ware voordeel wordt gedragen in hun gepacificeerde harten, het vuur dat door de waarachtigen van zelfbeheersing wordt gedragen voor het verwerven van een gelijksoortige weelde; het is door het drie maal daags vereren van Uw gedaanten [van ziel, ego, geest en intelligentie, de catur-vyûha] dat men reikt voorbij de hemelen [zie ook 11.5: 34]. (11) Op hen [Uw voeten] mediteren zij die, met het samengevouwen hebben van hun handen, de ghee in het offervuur plengen in het [nirukta-]proces van begrip krijgen voor de drie Veda's; op hen mediteren de yogabeoefenaren die, met het kennis verwerven omtrent Uw [yoga-]mâyâ, verenigd zijn in het zich realiseren van het Ware Zelf; en ze zijn [zelfs meer] volmaakt aanbeden door de oudere, voorbeeldige toegewijden [zie uttama en 11.2: 45-47]. (12) S'rî, Uw gezellin, voelt met onze verwelkte bloemenslinger voor U, o Almachtige, zich in dezen zo uitgedaagd als een jaloerse bijvrouw omdat U onze offergave aanvaardt als zijnde naar behoren gebracht [zie ook B.G. 9: 26]; mogen er altijd de lotusvoeten, het vuur van de vernietiging van onze onzuivere verlangens zijn! (13) Uw voeten die als een vlag die een vlaggenmast siert met drie machtige stappen [de bezitsdrang verslaan en het water van de Ganges doen] neerkomen in ieder van de drie werelden [zie 8.20], creëren angst en onbevreesdheid onder respectievelijk de strijdkrachten van de Asura's en de goddelijken. Voor zij die zich heiligden zijn ze er voor het bereiken van de hemel en voor de afgunstigen zijn ze er voor precies het tegenovergestelde, o Meest Machtige. Mogen deze voeten, o Opperheer, ons die U aanbidden bevrijden van onze zonden. (14) Als ossen bijeengehouden door [het touw door] de neus hebben Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hun bestaan, waarbij ze onder de controle staand van de Tijd onderling in strijd verkeren. Mogen die lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid in het voorbije van zowel de materiële natuur als de individuele persoon, voor ons het bovenzinnelijk geluk verspreiden [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12]. (15) U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid. Men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de alles beheersende tijdfactor bent die zich doet gelden als een drievoudig rad, dat U de Allerhoogste Persoonlijkheid bent die in de gedaante van de Tijd ononderbroken in Zijn voortgang het einde afroept over alles [*]. (16) Het mannelijke [van Mahâ-Vishnu], dat van U [als Vadertje Tijd] het potente zaad van deze schepping krijgt, bevrucht de uitgebreidheid van de materie [mahat-tattva]. Van daaruit genereert Hij wiens zaad nimmer wordt verspild, verenigd met diezelfde natuur, vanuit het Zelf - zoals een gewone foetus wordt voortgebracht - het gouden voorwereldlijke ei van het universum dat zich onderscheidt door zijn [zevenvoudige] gelaagdheid [zie kosha]. (17) Daarmee bent U van alles wat beweegt en op zijn plaats blijft staan de Oorspronkelijke Beheerser omdat U, o Meester der Zinnen, door de zinsobjecten - die zich manifesteerden als gevolg van de werking van de geaardheden der natuur - in Uw bezigheden nimmer Zelf raakt aangetast, terwijl anderen die op eigen houtje bezig zijn ermee in angst verkeren [zie ook B.G. 16: 23-24]. (18) De zestienduizend [vrouwen van U] waren zo betoverend op de momenten dat ze, met het tonen van hun gevoelens middels hun wenkbrauwen, glimlachen en blikken de pijlen van Cupido op U afvuurden. Maar met hun berichten en avances van de echtelijke liefde, waren ze met al hun methoden niet in staat Uw zinnen te begoochelen [zie ook 1.11: 36]. (19) De brede rivieren van Uw nectargelijke onderwerpen en de heilige waterstromen afkomstig van het baden van Uw voeten zijn in staat alle besmetting van de drie werelden teniet te doen. Zij die streven naar zuivering en omgang willen hebben zoeken [daarom] op twee manieren hun toenadering [tot U], namelijk door hun oren te laten luisteren naar de verhalen van de traditie en door hun lichaam in contact te brengen [met de wateren] die wegvloeien van Uw voeten.'

(20) De eerbiedwaardige zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Tezamen met S'iva en de halfgoden aldus van lof voor Govinda, de Heer, bracht hij die honderden [wijzen] onder zijn gezag heeft [Brahmâ], vanuit zijn positie in de hemel, zijn eerbetuigingen. (21) S'rî Brahmâ zei: 'O Heer, we verzochten U voorheen om de last van de aarde terug te dringen. O Onbegrensde ziel, aan dat verzoek hebt U beantwoord zoals we het vroegen. (22) Met het gevestigd hebben van de principes van het dharma onder de vromen en de zoekers naar de waarheid, is het waarlijk Uw glorie door U in alle richtingen verspreid, die de besmetting van al de werelden wegneemt. (23) Nederdalend in de Yadu-dynastie hebt U, met het voor het heil van het universum aannemen van een gedaante, met grootmoedige daden activiteiten zonder weerga aan de dag gelegd. (24) O Heer, de mensen die zich heiligden in het Kali-tijdperk en luisteren naar en zingen over Uw handelingen, zullen met gemak de duisternis te boven komen [zie ook 10.14]. (25) O Allerhoogste Persoonlijkheid, sedert Uw nederdalen in de Yadu-vams'a zijn er honderdvijfentwintig herfsten verstreken, o Meester. (26-27) Voor U, o Grondvesting van Alles, bestaat er geen verplichting meer aan de godsbewusten, en het resterende deel van de dynastie is feitelijk vernietigd door deze vloek van de brahmanen [zie 11.1]. Daarom vragen wij U of U van zins bent naar Uw hemelverblijf te vertrekken en of U er alstUblieft samen met ons, de beschermers van alle werelden en hun bewoners, mee door wilt gaan om de dienaren van Vaikunthha [van Heer Vishnu] te beschermen.'

(28) De Opperheer zei: 'Ik heb begrip voor wat u zei, o heerser der halfgoden, naar uw wens is al het werk volbracht dat nodig was om de last van de aarde weg te nemen. (29) Deze zelfde Yadu-familie is, vanwege de dreiging die ze vormde de hele wereld te verzwelgen met de uitbreiding van haar macht, moed en overdaad, door Mij een halt toegeroepen precies zoals de kust dat doet met de oceaan. (30) Als Ik zou vertrekken zonder de enorme dynastie van al te trotse Yadu's terug te trekken, zou om die reden de hele wereld door deze vloed worden vernietigd. (31) Op dit moment is vanwege de brahmanenvloek de vernietiging van de familie begonnen; nadien zal Ik, o zondeloze Brahmâ, een bezoek afleggen aan uw verblijfplaats.'

(32) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Heer van de Wereld viel de zelfgeborene neer aan Zijn voeten om Hem tezamen met de verschillende goden zijn eerbetuigingen te brengen. Daarna keerde de godheid terug naar zijn verblijfplaats. (33) Toen de Opperheer vervolgens zag hoe er zich in de stad Dvârakâ allerlei kwalijke ontwikkelingen voordeden, richtte Hij zich tot de verzamelde Yadu-ouderen. (34) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze werkelijk zeer grote verstoringen die zich overal voordoen zijn het gevolg van de vloek die de brahmanen tegen ons uitspraken, hij is onmogelijk tegen te gaan. (35) Als we ons leven voort willen zetten zouden we niet langer hier moeten blijven, o eerbiedwaardigen. Laten we dat niet op de lange baan schuiven maar vandaag nog naar dat zo heilige oord Prabhâsa vertrekken [**]. (36) De koning van de sterren [de maangod] gegrepen door de tering vanwege een vloek van Daksha, nam er eens een bad, raakte terstond bevrijd van de terugslag van zijn zonde en hervatte toen het wassen met zijn fasen. (37-38) Als ook wij naar de voldoening der voorvaderen aldaar een bad nemen en verschillende soorten voedsel offeren voor de halfgoden en de achtenswaardigen der geleerdheid en tevens giften uitdelen met ons geloof in hen als zijnde geschikte kandidaten voor de liefdadigheid, zullen we door onze goedgeefsheid het gevaar weten te bezweren zoals men met boten erin slaagt de oceaan over te steken. '

(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Yâdava's die op deze manier door de Fortuinlijke werden geïnstrueerd kwamen tot een besluit en spanden hun paarden voor hun wagens om zich naar de heilige plaats te begeven. (40-41) O Koning, Uddhava [zie ook 3.2 en 10.46 & 47], die als een immer trouwe volgeling van Krishna ter ore kwam wat door de Heer was gezegd, benaderde met voor ogen de angstwekkende, slechte voortekenen [zie ook 1.14: 2-5], in het privé de Heer der heerscharen van heel het levende universum en richtte met zijn hoofd gebogen aan Zijn voeten zich met gevouwen handen tot Hem. (42) S'rî Uddhava zei: 'O Heer en God der Goden, o Meester van de Yoga, o Vroomheid van het Luisteren en Zingen, met het terugtrekken van deze familie uit deze wereld, zegt U dat, hoewel U er als de alles-doorvarende goedertierende Beheerser toe in staat bent de vloek van de brahmanen te herroepen, U dat niet kunt doen! (43) Ik kan het zelfs niet voor een onderdeel van een seconde verdragen om Uw lotusvoeten te verlaten, o Kes'ava; alstUblieft neem ook mij mee naar Uw verblijfplaats o Meester [zie ook 3.29: 13]. (44) Uw zo hoogst goedgunstige spel en vermaak, o Krishna, is nectar voor mensenoren. Als ze eenmaal de smaak te pakken hebben laten de mensen hun verlangens naar andere zaken varen. (45) Hoe kunnen wij, die U steeds toegewijd waren als we lagen, zaten, liepen, stonden, baadden, recreëerden en aten en zo meer, nu U, het allerbeminste Zelf, ooit vaarwel zeggen? (46) Met het eten van het overgebleven voedsel en opgesierd zijn met de bloemenslingers, de geuren, de kleding en de sierselen reeds door U genoten, zullen wij, Uw dienaren, voorzeker de illusieverwekkende energie overwinnen. (47) De slechts in lucht geklede zondeloze leden van de wereldverzakende orde die als wijzen van strikte naleving steeds hun zaad opwaarts sturen, gaan naar de verblijfplaats bekend als Brahman [zie ûrdhva retah en ook 10.2: 32]. (48-49) Anderzijds zullen wij, o Grootste der yogi's, die langs de wegen der baatzuchtige arbeid rondtrekken door deze wereld, samen met Uw toegewijden, de moeilijk te overwinnen duisternis te boven komen door de onderwerpen te bespreken waarmee we ons Uw daden, woorden, bewegingen, brede glimlachen, blikken en de liefdesavonturen die U hebt in navolging van de menselijke wereld heugen en verheerlijken.'

(50) S'rî S'uka zei: 'Aldus op de hoogte gesteld, o Koning, sprak de Opperheer, de zoon van Devakî, onder vier ogen uitvoerig met Zijn geliefde dienaar Uddhava.'  

 

Voetnoten: * Tijd in drieën kan worden beschouwd als de drie soorten seizoenen, zomer, winter en voorjaar/herfst of als de drie naar de cyclische orde, de cakra, van de zon, de maan en de sterren, in de zin van verleden, heden en toekomst en als de tijd van de natuur, de cultuur en het psychologisch ervaren [zie ook tri-kâlika, 5.22: 2, tijdcitaten en de B.G. 10: 30 & 33, 11: 32].

** Prabhâsa is een beroemde heilige plaats zich bevindend in de buurt van het Veraval treinstation, in de streek van Junagarah. Aan de voet van dezelfde pippala-boom waaronder Heer Krishna werd beweerd te hebben neergelegen bevindt zich nu een tempel. Een mijl verderop van de boom vandaan, aan de kust, is er de Vîra-prabhañjana Mathha, en men zegt dat vanaf dat punt de jager Jarâ de pijl afschoot welke het einde markeerde van Zijn aardse bestaan [zoals beschreven in de laatste twee hoofdstukken van dit Canto].

 

Hoofdstuk 7

Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke [Uddhava], weerspiegelt Mijn plan [de dynastie terug te trekken], en om die reden zien Brahmâ, Bhava en de leiders der werelden uit naar Mijn terugkeer naar Mijn verblijf. (2) Voorzeker heb Ik hier [in Mijn aards verblijf] geheel de taak volbracht voor het heil van de godsbewusten. Terwille van hen incarneerde Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden. (3) Deze familie die door de vloek haar einde zal vinden zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag [na heden] deze stad verzwolgen worden door de oceaan. (4) Als Ik, o man van deugd, deze wereld heb verlaten, zal ze ten prooi vallen aan Kali en zeer spoedig verstoken zijn van alle vroomheid [zie ook 1.16 & 17]. (5) Wees ervan overtuigd dat je niet in deze wereld moet blijven als ze door Mij is verlaten, want in Kali's tijd zullen de mensen op aarde verstrikt zijn in zonde, o Mijn beste. (6) Je moet in feite met het afzien van alle emotionele banden, met je geest geheel op Mij gevestigd, je in deze wereld rondbewegen met een gelijkgezinde geest [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25]. (7) Deze tijdelijke wereld zoals je die voor de geest haalt, bespreekt, ziet, hoort en zomeer, moet je herkennen als een begoochelend schimmenspel waar je verbeelding mee op de loop gaat [zie ook 10.40: 25]. (8) Een persoon die niet [spiritueel] verbonden is, is in de war met al de meningen over wat juist en verkeerd zou zijn, wat zou werken, niet werken en in strijd zou verkeren en is aldus innerlijk verdeeld wat betreft goed en kwaad [B.G. 4: 16]. (9) Bezie daarom met je zinnen beheerst en je geest verbonden, deze wereld als een uitgebreidheid die zich bevindt in het Zelf en dat Zelf als rustend in Mij, de Heer Erboven. (10) Met kennis en wijsheid geheel toegerust is men, in het zelf tevreden en alomvattend met de Ziel die voor een ieder die belichaamd is het voorwerp van de liefde vormt, nimmer ontmoedigd door tegenslagen. (11) Ontstegen aan de twee van het slecht achten - en afzien van - wat verboden is en het goed achten - en het zich gedragen naar - wat iedereen doet, danst men niet naar de pijpen alsof men nog een onvolwassen kind zou zijn. (12) Als men voor zijn medeschepselen een weldoener is die hecht verankerd is in de vrede en men wijselijk het universum kent als zijnde doortrokken van Mijn wezen, zal men nooit en te nimmer degene zijn die telkens weer het onderspit delft.'

(13) S'rî S'uka zei: 'O Koning, met het ontvangen hebben van die instructie van de Opperheer boog de verheven en fortuinlijke Uddhava, ernaar verlangend het hoogste principe te leren kennen, zich neer voor de Onfeilbare om Hem de eer te bewijzen. (14) S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die ons verenigt, o Ziel die ons verbindt, o Bron van het Mystieke, strekkend tot mijn voordeel sprak U over de verzaking zoals die gekend wordt in sannyâsa. (15) Deze verzaking o Heer, is moeilijk te volbrengen als men leeft voor de lol en het behagen van de zinnen, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6: 33-34]. (16) Ik ben met mijn bewustzijn verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals dat beschikt is door Uw mâyâ en ben aldus dwaas van het idee van 'ik' en 'mijn'. Onderricht mij daarom, zodat Uw geliefde dienaar met gemak tewerk kan gaan overeenkomstig het proces zoals dat door U wordt onderwezen. (17) Wie anders is er behalve U die van de Waarheid bent en Zich voor mij persoonlijk onthult? Welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking? Zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik zo'n spreker. In hun bewustzijn zijn allen, tot aan degenen geleid door Brahmâ, belichaamde zielen die, als ze de zichtbare wereld voor wezenlijk houden, verbijsterd zijn door Uw mâyâ. (18) Daarom benader ik, die aan verzaking doend met mijn geest zo gekweld ben en vol van leed, U voor mijn toevlucht Nârâyana, o Vriend van de Mens, o U volmaakte, onbegrensde en alwetende Beheerser die altijd weer nieuw bent in Uw verblijf Vaikunthha.'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen die goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich met behulp van hun eigen intelligentie vrij van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest]. (20) In zekere zin vormt de intelligentie de goeroe van een persoon omdat hij met behulp van het intelligente zelf, ofwel zijn ziel, steeds zijn voordeel kan doen bij zijn redeneren en zijn rechtstreeks waarnemen. (21) En zo kunnen zij die wijs zijn door hun ervaring, met het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij helder voor zich zien in Mijn volle glorie met al Mijn energieën [zie ook Kapila]. (22) Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9]. (23) Zich ophoudend in een dergelijk lichaam is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen en met logische gevolgtrekkingen rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36]. (24) Dit aangaande is er een oude geschiedenis aan te halen betreffende een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.

(25) Yadu, zeer goed thuis in het dharma, zag eens een jonge brahmaanse bedelmonnik zonder enige angst voor wat dan ook rondtrekken, en nam toen de kans waar hem vragen te stellen [zie ook 7.13]. (26) S'rî Yadu zei: 'Hoe verwierf u deze buitengewone intelligentie o brahmaan, zoals u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezighoudend, door de wereld reist net als een kind? (27) Normaal gesproken zijn mensen die religieus zijn, uit zijn op een inkomen, van zinsbevrediging zijn en op kennis jagen, bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven. (28) Een capabele, geschoolde, ervaren, knappe en welbespraakte persoon als U echter, bent niet iemand van daden. U verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden spookverschijning. (29) Een ieder brandt in 't duistere bos van de lust en begeerte, maar u, die om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staat als een olifant, brandt in het geheel niet. (30) Alstublieft o brahmaan verraad ons, die u erom vragen, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk dat u geheel op uzelf verkerend geniet terwijl u verstoken bent van ieder materieel genoegen.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse nederig zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene. (32) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Mij verstandelijk beroepend op vele geestelijk leraren o Koning, trek ik, nu ik aan intelligentie heb gewonnen met hen, bevrijd rond door deze wereld. Alstublieft luister naar hun beschrijving. (33-35) De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp. Dit zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning. Met het bestuderen van wat zij deden heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf. (36) Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, naar mijn uiteenzetting o zoon van Nâhusha [of Yayâti], van wat ik zoal van ieder van hen afzonderlijk leerde.

(37) Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet van het pad moet afwijken en standvastig moet blijven, hoezeer hij ook wordt geplaagd door de andere levende wezens die zich in feite eenvoudig schikken naar wat door het lot is bepaald. (38) Van de berg [die deel uitmaakt van de aarde] leert men altijd voor anderen klaar te staan, dat men alle handelingen voor het heil van anderen moet verrichten. Naar het voorbeeld van de boom [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka-3] anderen toegewijd te zijn is voor een vroom iemand de enige reden van bestaan [zie ook 10.22: 31-35 en B.G. 17: 20-22].

(39) Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer zijn bevrediging zoeken in zaken die de zinnen een genoegen zijn. Zodoende zal zijn geestelijk weten niet verloren gaan en zal zijn geest en spreken niet zijn afgeleid. (40) Naar het voorbeeld van de wind dient een yogi, in relatie tot de zinsobjecten met hun verschillende gunstige en nadelige kwaliteiten, als bovenzinnelijke ziel niet verstrikt te raken. (41) Een yogi die in deze wereld aardse lichamen is binnengegaan en hun karakteristieke kwaliteiten met zich meedragen, maar hij verstrikt zich, goed bewust van zichzelf, niet in dergelijke kwaliteiten, precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.

(42) Overeenkomstig de ether die zich bevindt in de bewegende en niet-bewegende levende wezens behoort een wijze die onthecht - overeenkomstig de Superziel aanwezig in alle dingen - inziet dat hijzelf puur geest is, te mediteren op de uitgebreidheid als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14]. (43) Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet in beroering is van de winden die de wolken vooruitblazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet bewogen door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die overeenkomstig de geaardheden der natuur bewogen worden door de Tijd.

(44) Een wijze, die van nature een zuiver, zachtgeaard, lief en vriendelijk bedevaartsoord is voor de mensen, heiligt, zoals water doet, zij die samenkomen [de vrienden], door zich te laten zien en zich respectvol te laten aanraken en vereren [zie ook sâkhya].

(45) Briljant, gloeiend en onverzettelijk in zijn verzaking is hij die eet voorzover dat nodig is verbonden in de ziel. Zelfs als hij die van verzaking is alles eet [en dus wel de noodzaak voorbijstreeft] raakt hij er niet door besmet zoals een vuur ook niet besmet raakt. (46) Somtijds [als een vuur aldus] verborgen en soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk zijnde voor hen die het hoogste verlangen, de offers die men van alle kanten brengt en verbrandt hij het ongeluk uit het verleden en het ongeluk dat nog te gebeuren staat [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 14]. (47) Vanuit Zijn eigen vermogen de identiteit aannemend van een ieder gaat de Almachtige net als vuur dat zich voordoet in brandhout de verschillende soorten van hogere en lagere levensvormen binnen [de 'ware' en 'onware', god of dier].

(48) Afgedwongen door de bewegingen van de Tijd die zelf niet kan worden waargenomen, verandert de staat van het lichaam met de levensfasen van geboorte tot de dood. Maar dat raakt de ziel niet, net zo min als de maan anders is door zijn fasen [B.G. 2: 13, 2: 20]. (49) Zoals men de ziel(en) zelf niet ziet met de lichamen die voortdurend worden geboren en weer sterven als met de vlammen van een vuur, is ook de Tijd zelf niet te zien ondanks zijn voortsnellende, dwingende stroom [*].

(50) Een yogi verzaakt met het aanvaarden van de zinsobjecten ze op de juiste tijd[naar de cakra-orde]. Hij raakt niet verstrikt met hen net zoals de zon niet gevangen wordt als die met zijn stralen de wateren binnendringt. (51) Als de zon uiteen lijkt te zijn gevallen in zijn reflecties, ziet men zijn oorspronkelijke vorm nog niet als verschillend. Zo ook wordt de ziel, die voor de tragen van begrip in reflecties [van verschillende zelven] uiteen lijkt te zijn gevallen, niet als verschillend gezien.

(52) Men zou zich nooit moeten verliezen in buitengewone genegenheid of een nauwe omgang met wie dan ook, omdat men daarin zwelgend groot leed zal ondervinden. Men leeft dan bij de dag alsof men een duif is [zie ook 7.2: 50-56]. (53) Een zekere duif bouwde eens in het bos zijn nest in een boom en hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwelijke metgezel. (54) Als gehechte partners in het huishouden waren zij met hun harten vol van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest. (55) Op elkaar vertrouwend als een paartje waren ze druk in de bomen bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen, eten enzovoorts. (56) Wat zij ook wenste, o Koning, was wat hij, die het haar naar de zin wou maken, deed. Zonder zich in te tomen beantwoordde hij aan haar verlangens, zelfs als dat moeilijk was. (57) De kuise wijfjesduif raakte voor het eerst zwanger en bracht, toen de tijd rijp was, in het nest haar eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot. (58) Uit hen kwamen na de nodige tijd de kleintjes tevoorschijn, met de tere leden en veertjes zoals geschapen door het ondoorgrondelijke vermogen van de Heer. (59) Het paartje zorgde dolblij toen voor hun nageslacht, waarbij ze vol liefde verrukt luisterden naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes. (60) De aanblik van het geluk van de kleintjes met hun pluizige vleugeltjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, vervulde de ouders van vreugde. (61) Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu hun kinderen, hun nageslacht. (62) Op een dag gingen de twee hoofden der familie eropuit om voedsel voor de kinderen te halen, en dwaalden ze ver weg vol zorg speurend in het hele bos. (63) Een zekere jager die toevallig door het bos trok zag hoe de jongen zich rondbewogen in de buurt van hun nest en ving ze toen met een net dat hij had uitgespreid. (64) De mannetjes- en de vrouwtjesduif die altijd ijverig bezig waren met de zorg voor hun kindjes keerden toen terug naar hun nest om het voedsel te brengen. (65) Toen de vrouwtjesduif zag dat de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen waren in het net, vloog ze in grote paniek schreeuwend op hen af die ook aan het schreeuwen waren. (66) Gebonden door haar liefde was ze vastbesloten naar haar kinderen om te zien en vergat ze, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene, zichzelf en raakte ze ook gevangen in het net. (67) De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig dat zijn kinderen waren gevangen die hem meer dierbaar waren dan zijn eigen leven en zijn wijfje dat zo veel op hem leek: (68) 'Kijk hoe helaas ik, die zo dom en van geringe verdienste ben, tenonderga. Ik mislukte erin te beantwoorden aan het drievoudig levensdoel [de purushârtha's] en heb aldus mijn gezin te gronde gericht! (69) Zij die geschikt als ze was mij trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, nu vroom vertrokken naar de hemel met haar zoons, me achtergelaten in een leeg huis. (70) Wat is nu nog de zin van mijn bestaan met mijn wijfje en mijn kinderen dood en ikzelf er miserabel en ellendig aan toe met een eenzaam leven in het lege nest?' (71) Toen hij ze vol leed gevangen zag in 't net in de greep van de dood, ging zijn verstand op nul en belandde ook hij in het net. (72) De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had pakte het gezinshoofd, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op en ging toen naar huis.

(73) Een gezinshoofd die [door minachting voor de burgerdeugden] in onvrede met de ziel behagen schept in de materiële tegenstellingen, krijgt het zwaar te verduren met zijn verwanten, net als deze vogel die er [zonder religiositeit, zinsbeheersing en economische regelingen] zo ellendig aan toe was met het behoud van zijn gezin. (74) De persoon die met het bereikt hebben van de menselijke positie, terwijl de poort der bevrijding wagenwijd openstaat, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel, mag men, ookal is ie nog zo opgeklommen, als gevallen worden beschouwd [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17, 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39, 7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].'

Voetnoot:

* Deze analytische methode, van het in dit geval terugkeren naar het onderwerp van het vuur na het reeds geïntroduceerd hebben van het volgende onderwerp van de maan, wordt simhâvalokana genoemd, of 'de blik van de leeuw', waarmee men tegelijkertijd voortgaat en achteruit kijkt om te zien of er iets over het hoofd werd gezien.  

 

Hoofdstuk 8

Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aangezien er zowel voor hen die in de hemel verkeren als voor hen die in de hel zitten er het zinnelijk geluk is o Koning, en omdat er voor alle belichaamde wezens eveneens het ongeluk bestaat [van het logisch tegendeel, de schaduw, de terugslag], behoort een intelligent iemand niet een dergelijk geluk na te streven [zie ook B.G. 16: 16].

(2) Zo afwachtend als een python moet men eten wat bij toeval wordt verkregen, of het nu veel of weinig, smakeloos of zuiver en zalig voedsel is [7.13: 37-38]. (3) Voor vele dagen vastend moet men zijn vrede bewaren en rustig afwachten als er geen voedsel voor handen is, net als de python die eet wat de voorzienigheid verschaft [7.15: 15]. (4) Als men zowel geestelijk als fysiek sterk zijnde het lichaam in stand houdt zonder veel moeite te doen, blijft men vredig en heeft men geen last van slaperigheid. Ook al is men overal toe in staat, toch moet men [in dat geval] niets ondernemen.

(5) Een wijze die aangenaam is, vol van ernst, ondoorgrondelijk, onbegrensd en niet is te overwinnen [in zijn weten], is zeer zeker nimmer verstoord, net als de kalme wateren van de oceaan [zie ook B.G. 12: 15]. (6) Berooid dan wel florerend met het verlangde, neemt een wijze, met Nârâyana als de Allerhoogste, net zoals de oceaan met de rivieren, niet toe noch neemt hij af [B.G. 2: 70].

(7) Bij het zien van een vrouw komt degene die zijn zinnen niet de baas is, in de ban rakend van die verleidelijke, bedrieglijke energie van God, blind ten val in de duisternis, precies zoals een mot in het vuur beland. (8) Met het zien van de kleding, gouden sieraden enzovoorts van de vrouwen zoals dat is beschikt door mâyâ, zal een persoon zonder onderscheidingsvermogen met zijn hang naar zinsbevrediging zich geprikkeld voelen door lustige verlangens en zonder twijfel, zoals een mot zijn vernietiging vindt, zijn geestelijke orde teloor zien gaan [B.G. 2: 62-63].

(9) Met het nuttigen van kleine beetjes voedsel, afdoende om het lichaam in leven te houden, behoort men wijs de [sociale] zekerheid [in geweldloosheid] met de huishouders te beoefenen en aldus van de bezigheid van een honingbij te zijn [5.5: 3, 7.2: 11-13, 7.12: 6. 7.14: 5, 7.15: 15 en B.G. 4: 21]. (10) Een intelligent mens moet aan de kleinste alsook aan de grootste religieuze geschriften de essentie ontlenen, precies zoals een honingbij dat doet met al de grote en kleine bloemen [11.7: 23, B.G. 15: 15]. (11) Niet als de bij een verzamelaar wezend, behoort men met de buik als zijn bergplaats en de hand als zijn bord voedsel te aanvaarden dat werd geschonken in liefdadigheid en het niet te bewaren voor de nacht of de dag erna. (12) Een bedelmonnik moet geen voorraad aanleggen voor 's avonds of de volgende dag omdat hij anders als een honingbij die steeds meer verzameld teloor zal gaan.

(13) Een bedelmonnik behoort een meisje niet aan te raken, zelfs niet een van hout of met zijn voet, omdat hij anders, zoals een olifant wordt gevangen door een wijfjesolifant, door het lichamelijke contact in de greep van de materie komt. (14) Om de dood niet te vinden moet een man van wijsheid nimmer achter een vrouw aanzitten, omdat hij anders ten onder zal gaan zoals een olifant verslagen wordt door anderen die sterker zijn dan hij.

(15) Rijkdom die met grote moeite werd vergaard door een hebberige persoon wordt door zo iemand niet genoten noch weggegeven aan anderen; die rijkdom wordt eerder door iemand anders genoten die er toevallig tegenop loopt en het zich toeëigent zoals men de honing wegsteelt uit een bijenkorf [zie 5.13: 10]. (16) Zoals een honingdief vooropgaat in het genieten van de honing die met moeite werd verzameld, gaat ook de asceet voorop in het genieten van de fel begeerde zegening van de welvaart die met veel problemen werd verworven door huishouders [zie b.v. 1.19: 39 en 7.14: 17].

(17) Een toegewijde die in het bos leeft moet nooit luisteren naar wereldse liedjes en muziek; dat moet men inzien naar het voorbeeld van het hert dat gevangen werd nadat het verbijsterd raakte door de lokroep van de jager [zie de bhajans]. (18) Plezier belevend aan ordinair dansen, muzikaal vermaak en dergelijke liederen, kwam Rishyas'ringa, de zoon van Mrigî, ten val toen hij als een troeteldier helemaal in de ban raakte van de vrouwen [zie *, 5.8 en 5.25: 11].

(19) Zoals een vis met zijn verstand op nul aangetrokken door de smaak aan de haak geslagen wordt en de dood vindt, kan ook een persoon, verstoord door wat de tong hem influistert, tegen beter weten in zijn leven vergooien. (20) De geschoolden die zich inperken beteugelen snel de materiële zinnen, maar dat geldt niet voor de tong, want daarvan neemt de smaak voor voedsel toe met het vasten [zie het prasâdam-gebed]. (21) Zolang de tong niet is verslagen kan een mens, ook al heeft hij alle andere zinnen verslagen, niet zeggen dat hij zichzelf meester is; maar heeft hij eenmaal zijn tong in bedwang, dan is hij alles de baas [zie ook 8: 16 en B.G. 2: 59].

(22) In de stad Videha leefde vroeger een prostituee genaamd Pingalâ. Verneem nu van mij o zoon van koningen, wat ik van haar heb geleerd. (23) Zij als een dame van plezier stond op een avond, om een klant haar huis in te krijgen, buiten in de deuropening om haar mooie figuur te laten zien. (24) O beste onder de mannen, uit op geld bezag ze de mannen die ze voorbij zag komen op straat als klanten die bereid zouden zijn de prijs te betalen. (25-26) Met hun komen en gaan dacht ze, aldus levend van het verkopen van haar liefde: 'Misschien zal een of andere vent die genoeg op zak heeft me voor de liefde benaderen en me een bom duiten bezorgen.' Aldus vol van ijdele hoop niet slapend en in de deuropening leunend, de straat op en neer lopend en weer terugkerend naar haar huis, werd het middernacht. (27) Terneergeslagen liet ze in haar verlangen naar geld haar gezicht hangen en ontwaakte in haar zorgelijkheid toen een allerverhevenste onthechting welke haar het geluk bracht. (28) Onthechting werkt als een zwaard dat snijdt door het verstikkende netwerk van hoop en verlangens. Luister alstublieft naar het lied dat ze zong na deze omslag in haar denken. (29) Beste Koning, duidelijk is dat hij die zich niet van de wereld weet af te keren nimmer dat wat hem lichamelijk bindt wil loslaten, net zo min als een mens verstoken van wijsheid het idee van bezit op wil geven. (30) Pingalâ zei: 'Zie toch eens hoe fout ik zit! Ik lijk wel gek met wat ik me voorstel in mijn wellust met een nepminnaar. (31) Met het hebben afgezien van het genoegen dat van Hem is, Hij het Liefst en Meest Nabij, was ik, deze onnozele ziel, zo hoogst onbeduidend van een dienstbaarheid die, nimmer de begeerte temperend, ellende, angst, leed, treurnis en illusie veroorzaakt. (32) O hoe nutteloos heb ik, met het onderwerpen van mijn ziel aan de marteling, bezig zijnd als een publieke vrouw - het laakbaarste beroep van alle - in mijn verlangen met mijn lichaam seksueel te genieten en daar geld mee te verdienen, mij verkocht aan versierders die, belust op mij, zelf beklagenswaardig zijn. (33) Welke andere vrouw zou zich zo wijden aan dit huis met de negen deuren dat, opgetrokken met de beenderen van een ruggengraat, de ribben, de handen en de benen, en bedekt met een huid, met haar en nagels, vol ontlasting zit en urine lekt [vergelijk B.G. 5: 13 en 4.25-28]? (34) Van al de bewoners van Videha ben ik degene die werkelijk aan verstandsverbijstering lijdt, ik ben immers de persoon die zeer onkuis zinsgenot verlangt met een andere man dan Hij die ons de Ziel geeft, Acyuta.. (35) Door de prijs te betalen van het geven van mezelf aan Hem, de weldoener die absoluut het meest geliefd is, de Heer en Ziel van iedereen die leeft met een lichaam, kan ik erop rekenen te zullen genieten als Ramâ. (36) Hoeveel feitelijk geluk hebben het zingenot en de mannen die mijn zinnen streelden mij nu verschaft? Het voor ogen hebben van een vrouw of [zelfs] de goden heeft allemaal, verdeeld over de tijd, zijn begin en einde. (37) Mijn persoon zo wanhopig moet daarom de Allerhoogste Heer Vishnu die het geluk brengt dat ik nu ervaar, op de een of andere manier hebben behaagd met het afzien van mijn zinsbevrediging! (38) Een vrouw die het werkelijk slecht getroffen heeft zou niet met dergelijke hindernissen op het pad der zelfverwerkelijking te maken krijgen, want die vormen er de oorzaak van dat een persoon de gebondenheid van zich afschud en de [ware] vrede vindt. (39) Met het opgeven van de valse hoop in samenhang met de seksuele omgang, zoek ik, met het op mijn hoofd aanvaarden van de grote hulp die Hij biedt, mijn toevlucht bij Hem, de Oorspronkelijke Beheerser. (40) Tevreden in de volle overtuiging dat ik het aldus zal redden ongeacht wat ik op mijn pad vindt, zal ik erin slagen het leven op prijs te stellen met enkel de Ene, het Zelf van de Liefde en het Geluk dat vrij is van twijfel. (41) Als men zoals ik in het behagen van zijn zinnen, verstoken is van inzicht en beland is in de diepe put van de materiële oceaan, is er toch niemand anders dan de Oorspronkelijke Beheerser ertoe in staat om het levende wezen te verlossen dat in de greep verkeert van het serpent van de tijd [zie ook 10.34]? (42) Op het moment dat het zelf aldus het universum kan aanschouwen als verkerend in de greep van de slang der tijd, wordt hij, oplettend onthecht van al de materie, voorzeker zijn eigen beschermer.'

(43) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aldus ertoe besloten een einde te maken aan de wanhoop die teweeg gebracht wordt door het begeren van minnaars, zat ze neer op haar bed met de innerlijke vrede die ze gevonden had. (44) Met het inzicht dat het grootste ongeluk eruit bestaat dat men steeds verlangt en dat het vrij zijn van verlangens het tegendeel inhoudt, sliep Pingalâ gelukkig nu ze het smachten naar minnaars van zich af had geschud.'

Voetnoot:

* Rishyas'ringa, dat 'hoorn van een hert' betekent naar het hert dat muzikaal is aangetrokken, was de jonge zoon van de wijze Mrigî, met opzet door zijn vader grootgebracht in een atmosfeer van complete onschuld. Mrigî Rishi dacht dat als hij zijn zoon nooit blootstelde aan de aanblik van vrouwen hij altijd en eeuwig een volmaakte brahmacârî zou blijven. Maar per toeval ontvingen de bewoners van het naburige koninkrijk, die te lijden hadden onder een langdurige droogte, het advies van boven dat de regen alleen maar naar hun koninkrijk zou terugkeren nadat de brahmaan genaamd Rishyas'ringa er zijn voet in gezet had. Om die reden zonden ze prachtige vrouwen naar de hermitage van Mrigî om Rishyas'ringa te verleiden en hem met zich mee te voeren. Daar Rishyas'ringa nog nooit van vrouwen had gehoord, liep hij zonder problemen in hun val [geciteerd van pp 11.8: 18].

 

Hoofdstuk 9

Onthechting van Al het Materiële

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer door de mens op prijs worden gesteld [een huis, de vrouw, de auto etc.], zal zeker tot ellende leiden; ongeacht wie men is zal men, als men zich vrijmaakt van een dergelijke gehechtheid, daaropvolgend een onbegrensd geluk bereiken.

(2) Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen die heel sterk waren en die zonder prooi zaten; toen hij op dat moment het vlees opgaf bereikte hij het geluk.

(3) Ikzelf, die als een kind het geluk enkel in de ziel geniet, trek hier rond. In mij vindt men geen eer of oneer. Levend met het ware zelf ken ik niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen. (4) Van hen die vrij van zorgen zijn bestaan er twee types: hij die niet goed bij zijn verstand is en die onwetend als een kind is opgegaan in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.

(5) Eens arriveerden er ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten naar elders vertrokken waren, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving. (6) Helemaal alleen als ze was sloeg ze, om haar gasten te eten te geven, het kaf van de rijst en daardoor maakten de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal. (7) In haar verlegenheid schaamde ze zich over dat [dienstmeiden-] geluid, en brak ze, scherp van geest, een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, er slechts twee overlatend aan iedere pols. (8) Nog steeds was er van de twee, toen ze de rijst aan het pellen was, het geluid natuurlijk. Toen ze daarop van ieder van de twee er een verwijderde en er nog maar één overbleef, was er geen geluid meer te horen. (9) Ik o onderwerper van de vijand, die in mijn naspeuren van de waarheid omtrent de wereld rondtrek door alle streken, was persoonlijk getuige van de les die dit meisje me leerde. (10) In een plaats waar zich veel mensen bevinden zullen zich ruzies voordoen, zelfs onder twee mensen die alleen praten. Daarom moet men leven zoals de armband van het jonge meisje. (11) De geest moet worden bestendigd middels onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] waarin men de ademhaling de baas wordt in zithoudingen en zich zorgvuldig op één punt concentreert [het ware zelf, zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47]. (12) Met het realiseren van bestendigheid in die positie bereikt men in die geest, nadat men stap voor stap de karmische besmetting heeft opgegeven, het nirvâna omdat men in sattva sterk geworden niet langer het vuur van de rajas en de tamas [het vuur van het materieel bestaan] van brandstof voorziet [zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].

(13) Aldus verankerd in de ziel bekommert men zich niet meer om wat dan ook vanbuiten of vanbinnen, net zoals de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die hem vlakbij passeerde [zie B.G. 7: 27-28].

(14) Alleen rondtrekkend zonder een vaste verblijfplaats [of tempel] en zich terughoudend opstellend niet opvallend in zijn handelingen, zal een wijze die het zonder gezelschap moet stellen maar weinig spreken. (15) Zich een huis bouwen maar niet slagen [in het opbouwen van een geestelijk leven, zie B.G. 4: 18] is iets ellendigs, denk maar aan de slang die er gelukkig mee is zich op te houden in een hol dat door een ander werd gemaakt.

(16) Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen werd, is Nârâyana, de Godheid die in den beginne bij de gratie van Zijn eigen vermogen dit universum schiep en middels Zijn vermogen van de Tijd aan het eind van de kalpa deze schepping weer terugtrekt in Zichzelf. (17-18) Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva enzovoorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring die men omschrijft als kaivalya [of zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid die vrij is van materiële betrekkingen [zie ook B.G. 7: 5 en *]. (19) Middels het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie die bestaat uit de drie geaardheden, manifesteert Hij het plan van de materie [dat de sûtra, de draad vormt, ofwel de regel danwel de directie aangeeft van de mahat-tattva]. Dat doet Hij door [met de Tijd] beroering te brengen in de aanvang van de schepping [zie ook 3.26: 19]. (20) Aan die draad, die zich laat herkennen als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zo beweert men, is dit universum waarin het levende wezen zijn bestaan vindt geregen en gebonden [zie ook B.G. 7: 7]. (21) Zoals de spin tewerk gaat die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat de Opperheer ook tewerk.

(22) Ongeacht waar de geconditioneerde ziel uit liefde, afgunst of angst zijn geest op richt, zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, die specifieke positie dan ook bereiken [zie B.G. 8: 6]. (23) O Koning, een wespenlarve die mediteert op de volwassen wesp die hem in het nest plaatste, zal, vasthoudend aan zijn eigen lichaamsvorm, dezelfde staat van een volgroeide vorm bereiken.

(24) Dit is wat ik weet door lering te trekken uit al deze goeroes. Alstublieft o Koning, verneem nu van mij wat ik te zeggen heb over de kennis die ik verwierf door te leren van mijn eigen lichaam. (25) Met het lichaam heeft men altijd te lijden onder de last van het onderhoud en van de toekomstige ondergang ervan. Ik bezin me ermee op de waarheden van de wereld en als zodanig vormt het, ookal is het er om anderen van dienst te zijn, voor mij een leraar van verzaking en onderscheid die mij ervan overtuigt dat ik onthecht in het leven moet staan. (26) Het lichaam zit vast aan de opdracht het al de categoriën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten naar de zin te maken. Het heeft voordat het moet sterven aan uitbreiding gedaan met het verwekt hebben van een soortgelijk lichaam en voor dat doel spande het zich enorm in een goede financiële positie te bereiken. In die zin is het lichaam als een boom die alvorens te sterven zijn zaad afwerpt. (27) Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, vraagt de tastzin om aandacht, laat de maag van zich horen, leiden de oren af naar elders, wijst een geur in een richting of dwalen de rusteloze ogen af naar elders; en zo sturen alle delen van het lichaam als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen. (28) Nadat de Allerhoogste de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van de vele soorten materiële lichaamsvormen geschapen had middels Zijn begoochelend vermogen, schiep Hij, er niet tevreden over, het menselijk wezen dat Hij begiftigde met een intelligentie die geschikt is om zich een voorstelling te maken van de Absolute Waarheid en bereikte Hij zo het geluk. (29) Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante gebracht te hebben die zo moeilijk te bereiken is en die, alhoewel niet eeuwig, een grote waarde inhoudt, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd om te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder omwegen zich in deze wereld in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die in alle gevallen van zinsbevrediging steeds binnen bereik is.

(30) Aldus [met al deze vierentwintig plus één meesters] het beziend vanuit de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van verzaking en wijsheid, bevrijd van gehechtheid en vals ego rond over deze aarde. (31) Voorzeker kan de kennis van één leraar niet erg solide zijn of volledig [zie 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen daarom vanuit vele gezichtspunten benaderd.'

(32) De Opperheer zei: 'De zo heel erg wijze brahmaan [die in feite Heer Dattâtreya was, zie 2.7: 4 en **] nam, nadat hij aldus tot koning Yadu gesproken had en naar behoren door de koning geëerd was middels eerbetuigingen, van hem afscheid en ging zijns weegs, net zo tevreden als hij was gekomen. (33) Na de woorden van de avadhûta gehoord te hebben vond Yadu, de voorvader van onze voorouders, de bevrijding in een allen gelijkgezind bewustzijn.'

 

 

Voetnoten:  * Vers 3.25: 34 in aanmerking genomen waarin gesteld wordt dat toegewijden gezelschap zoeken om voor Krishna met elkaar om te gaan, zeggen de âcârya's naar aanleiding van dit vers dat het enkel op de Heer gericht zijn, niet als jñâni's speculerend, hetzelfde is als het alleen zijn om niet in ruzies te belanden [zie pp. 11.9: 10].

**: De paramparâ [pp. 11.9: 32] bevestigt: 'Dit vers [2.7: 4] vermeldt dat Yadu gezuiverd raakte door in contact te verkeren met de lotusvoeten van Dattâtreya, en dienovereenkomstig stelt het huidige vers, vandito sv-arcito râjñâ - dat Koning Yadu de lotusvoeten van de brâhmana aanbad. Aldus, is volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, de avadhûta brâhmana de Persoonlijkheid van God zelve, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura bevestigt dit nog eens.' 

 

Hoofdstuk 10

De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet met het verantwoordelijkheid dragen voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in 40 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13]. (2) Een gezuiverde ziel moet inzien hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32]. (3) Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is. Zo ook maakt men niet echt gebruik van zijn intelligentie als men zich richt op het door de geaardheden afgezonderde zelf [B.G. 2: 41 & 9: 15]. (4) Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en het handelen in gehechtheid opgeven [pravritti]. Als men goed bezig is op zoek naar de spirituele waarheid hoort men geen acht te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47]. (5) Hij die van toewijding is moet steeds de basisregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en de nevengeschikte regels als de tijd er rijp voor is [de niyama]. Ook moet hij de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook 7.14: 41-42]. (6) Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast en belangstellend in het navraag doen en vrij van wrok en loze praat. (7) Zich neutraal opstellend wat betreft de echtgenote, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang herkennen in dat van een ieder [zie B.G. 5: 18].

(8) De ziel is de zelfverlichte ziener die verschilt van het grofstoffelijke en subtiele lichaam, precies zoals het vuur dat licht geeft met zijn branden verschilt van het brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24]. (9) Sluimerend vanbinnen [in het hout] neemt het vuur [na ontbranding] de verschillende kwaliteiten aan van groot of onbeduidend etc. Op dezelfde manier neemt de geestelijke ziel de kwaliteiten aan die bij het lichaam horen [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36]. (10) Dat wat, met dit lichaam dat werd gevormd door de geaardheden, is gebonden aan de samsâra zee van materie die tot de Oorspronkelijke Persoon behoort [zie B.G. 8: 4], is wat men het levende wezen noemt waarvan de banden der gehechtheid worden verbroken door de kennis van de Ziel. (11) Daarom moet men, door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver in zijn toenadering met de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid]. (12) De âcârya kan men beschouwen als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, de discipel als het bovenste houtje en de instructies als de draaistok er tussenin, terwijl de kennis er is als het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46]. (13) Deze zuiverste intelligentie die wordt overgedragen door degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, met het volledig opbranden van wat door de geaardheden in het leven werd geroepen, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur tot rust komt dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].

(14-16) Als je met dit in gedachten denkt aan de verschillende manieren waarop mensen hun brood verdienen, als je denkt aan al die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het onophoudelijk voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de geopenbaarde geschriften en de ziel; als je bedenkt dat alle kennis aan verandering onderhevig is omdat die zich baseert op het verschil dat al de bestaansvormen en de veranderingen van de zinsobjecten maken; dan [zo zal je enkel vanuit die materiële visie al moeten toegeven *], o Uddhava, heb je toch steeds de bestaanstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] enzovoorts, daar iedere belichaamde in contact staat met een lichaam [geconditioneerd] door de verschillende geledingen van de tijd [te weten de indelingen naar de zon en maan, zie 3.11]. (17) Van degene die handelt en als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, openbaart zich duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en kan men het geluk en ongeluk waarnemen; welke waarde kan men eraan ontlenen om niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben? (18) Onder de belichaamden zijn de verdwaasden soms ongelukkig en evenzo zijn zelfs de intelligenten niet altijd gelukkig. Altijd gelukkig willen zijn is een zinloos streven en iets heel egoïstisch [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4]. (19) En zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en leed te vermijden, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces] waarmee de dood zijn macht niet kan doen gelden [vergelijk B.G. 10: 34]. (20) Welke garantie gelukkig te zijn kan een materieel voorwerp, of de lust, de persoon nu bieden? Met de nimmer aangename dood voor ogen, is hij [met de materie] als een veroordeelde die naar zijn plaats van terechtstelling wordt geleid. (21) Zowel dat wat we van horen zeggen kennen [de hemel] als wat ons uit eigen ervaring bekend is [de aarde] wordt verpest door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval. Net zoals met landbouwen vele obstakels een bevredigend resultaat in de weg staan is ook het streven naar volkomen materieel geluk zinloos [zie ook 11.3: 20]. (22) Als men in zijn rechtschapenheid geen last heeft van hindernissen en men weet uit te blinken in de praktijk, zal zelfs de status die men zo verwierf niet eeuwig standhouden. Luister alsjeblieft daarom naar het volgende [zie ook B.G. 2: 14].

(23) Met het alhier aanbeden hebben van de goden met offerplechtigheden gaat de offeraar naar de hemelse werelden alwaar hij als een god mag genieten van de hemelse genoegens die hij verwierf [zie B.G. 3: 11 en 4: 12]. (24) Als gevolg van zijn opgebouwde verdienste straalt hij in de tempel [de 'vimâna'] en wordt hij, omringd door bevallig geklede godinnen, onderweg [bij het achter zich laten van deze aarde] door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen. (25) Terwijl het hem met de vrouwen van de hemel goed vergaat zoals hij wilde wordt hij indachtig die notie van orde omlijst door belgeklingel. In staat van verrukking denkt hij dan niet meer aan zijn neergang [op aarde] als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven van de godsbewusten [zie b.v. 7.15: 69-73]. (26) Hij, die net zolang de hemelen geniet tot zijn vrome tegoed verbruikt is en zijn geloof is uitgeput, valt vervolgens tegen zijn wil neer uit de hemel, daar hij zich van de tijd afkeerde [en er dus niet stabiel mee was, vergelijk B.G. 9: 20-22]. (27-29) Als hij als gevolg van zijn materiële betrokkenheid bezig is met handelingen die tegen het dharma indruisen of als hij, omdat hij zijn zinnen niet de baas is, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen van geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een menselijk wezen, na te zijn heengegaan, daaropvolgend hulpeloos belanden in de diepste duisternis van de helse werelden. Hij zal vanwege zijn daden opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die hem in de toekomst [opnieuw] veel ongeluk zullen bezorgen. Welk geluk vindt men nu in het zweren bij activiteiten die steeds weer tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]? (30) In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3: 25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45, 5.24: 15, 5.24: 28]. (31) De materiële zinnen geprikkeld door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele ziel, jîva, die geheel opgaat in de activiteit van de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ondergaat er de verschillende karmische gevolgen van [zie ook 3.32 en B.G. 3: 27]. (32) Zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker dus [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2]. (33) Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]. Zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn. (34) Met de beroering die er door de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, alsmede het Dharma.'

(35) S'rî Uddhava zei: 'Hoewel de belichaamde aanwezig is temidden van de geaardheden der natuur, hoeft hij nog niet vast te zitten aan wat zich opdringt vanuit het lichaam [het geluk en het leed]. Oftewel, hoe kan het gebeuren dat men als een vrije ziel door de geaardheden gebonden raakt, o Almachtige? (36-37) Waar staat hij, hoe geniet hij, of waaraan kan men hem herkennen? Wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten [vergelijk B.G. 14: 21]? Legt U alstUblieft uit wat ik U vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen die in Staat zijn Vragen te Beantwoorden. Dit tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn is iets dat me in de war brengt.'

Voetnoot:

* Deze filosofie, weet men, wordt uitgedragen door de volgelingen van Jaimini Kavi die het pravritti mârga pad van de gereguleerde zinsbevrediging uitdragen boven dat van de nivritti-mârga van handelingen in verzaking; iets waartegen de paramparâ die dit boek overdraagt, met dit vers voor ogen, ernstig bezwaar aantekent erop wijzend dat men aldus voor altijd vastzit in, nitya-baddha, gebonden is aan herhaalde geboorte, dood, ziekte etc.

 

Hoofdstuk 11

Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; Mijn begoochelende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij [*]. (2) Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ zijn niet meer dan indrukken van het intelligente zelf die laten zien hoezeer de wereldse bestaanstoestanden net zo onwerkelijk zijn als wat men ervaart in een droom. (3) Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid twee vormen van Mijn manifestatie zijn die, als de producten van Mijn oorspronkelijk vermogen, leiden tot gebondenheid en bevrijding. (4) Van het levende wezen, dat een deel en een geheel van Mijn Eenheid vormt o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er als gevolg van de onwetendheid en is er ook het tegendeel van [de bevrijding door] kennis. (5) Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, die er aldus is in één vertoning van karakter. (6) De twee vrienden vormen een paar vogels van een gelijke [spirituele] aard die een nest in een boom blijken te hebben. Daarbij eet de ene vogel van de vruchten van de boom terwijl de andere afziet van voedsel, hoewel hij de krachtigste van de twee is [zie ook 6.4: 24]. (7) Hij die niet van de vruchten van de boom eet, kent alwetend zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere vogel. Zonder verder na te denken is de etende vogel altijd maar gebonden, terwijl hij die vol van kennis is steeds degene is die bevrijd is [zie ook B.G. 4: 5]. (8) De verlichte persoon beschouwt zichzelf niet als gelijk aan het lichaam dat hij bewoont, zoals een dromer bij het opstaan zijn gedroomde zelf vergeet. Een dwaas echter denkt daar, hoewel hij zich [als de zinsbeheerser] in het lichaam ophoudt, anders over, hij denkt alsof hij droomt [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18]. (9) Vrij van de smet van het verlangen zal de verlichte persoon zichzelf niet zien als de doener, hij ziet het handelen meer als de werkzaamheid van de door de natuurlijke geaardheden gestuurde zintuigen die reageren op de door de geaardheden voortgebrachte zinsobjecten [zie B.G. 3: 28]. (10) Als gevolg van de handelingen die feitelijk door de geaardheden worden afgeroepen zit de onwetende ziel, die het door het lot beheerste lichaam bewoont, zodoende vast aan [het egoïstische idee van] 'ik ben degene die bezig is' [zie ook B.G. 3: 27]. (11) Een intelligent iemand die niet hecht aan uiterlijkheden is in zijn rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken, ruiken, eten, luisteren enzovoorts, aldus nimmer gebonden, ongeacht in welke richting hij zich beweegt met zijn zintuiglijkheid. (12-13) Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld, hij snijdt, zich afzijdig houdend van de heersende machten, alle twijfels aan stukken met behulp van de meest ervaren, door de onthechting aangescherpte zienswijze. Zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn heeft hij, als iemand die ontwaakt uit een droom, zich afgekeerd van de veelheid van [of de eenzaamheid met] de dingen. (14) De persoon van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest en de intelligentie niet gestuurd worden door verlangens, is geheel vrij, ookal bevindt hij zich in het door de zintuigen bepaalde lichaam. (15) Soms wordt het lichaam aangevallen [door vijanden of dieren], soms wordt het aanbeden [door geliefden of toegewijden], een intelligent iemand is daar echter nooit door van zijn stuk [zie B.G. 14: 22-25]. (16) Ontstegen aan het idee van goed en kwaad zal een wijze nimmer zij die zich uitmuntend gedragen en uitdrukken prijzen, noch zal hij degenen die het er slecht van afbrengen in woord en daad kritiseren [zie ook B.G. 5: 18]. (17) Hij die innerlijk tevreden is behoort niet handelend op te treden in, zich uit te laten over of zich te bezinnen op kwesties van goed en kwaad. Een wijze moet zich met die manier van doen door het leven bewegen als was hij een versuft, materialistisch iemand [zie ook 5.9]. (18) Iemand die volledig op de hoogte is van de vedische geschriften maar niet in die mate slim tewerk gaat met het allerhoogste belang [de Heer], zal als de vrucht van zijn inspanningen een resutaat bereiken dat te vergelijken is met dat van iemand die voor een koe zorgt die geen melk meer geeft. (19) O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen die zich onwaardig gedragen, ontvangers van giften die niet terecht zijn, en zich wil uitlaten zonder kennis van Mij te hebben [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren. (20) Een wijs iemand, Mijn beste, moet zich niet uitlaten in termen van minachting voor Mijn zuiverende activiteiten of gewenste verschijnen in de vorm van de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] terwille van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava. (21) Als men nu dit op een rijtje zet en aldus de waanvoorstelling van een los van de ziel bestaande [**] materiële verscheidenheid opgeeft, behoort men met het fixeren van zijn gezuiverde geest op Mij, de Allesdoordringende [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55]. (22) En als je er dan niet toe in staat bent je geest te bestendigen op het spirituele vlak, draag dan zonder [van de regulerende beginselen] af te wijken al je handelingen aan Mij op terwijl je er niets voor terugverwacht [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54]. (23-24) Een gelovig persoon die luistert naar de verhalen over Mijn geboorte en handelingen, welke met iemands zuiveren, zingen, voortdurend heugen en ook dramatisch uitbeelden in ieder opzicht de wereld goed doen, zal, als hij onder Mijn bescherming terwille van Mij zijn religiositeit, zijn lusten en zijn geldzaken op orde brengt [de purushârta's], een onversaagde toewijding ontwikkelen voor Mij, de Eeuwige, o Uddhava. (25) Met de toewijding voor Mij zoals men die ontwikkelde in de sat-sanga [de omgang met de toegewijden], wordt men Mijn aanbidder. Zoals men dat kan zien bij Mijn toegewijden bereiken die mensen ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf.'

(26-27) S'rî Uddhava zei: 'Wat voor iemand zou naar Jouw mening, o Uttamas'loka, nu de ware toegewijde zijn, en welke vorm van Jou aanbidden kan de goedkeuring wegdragen van Jouw zuivere toegewijden? AlsJeblieft laat Je hierover uit voor mij, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon. (28) Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer overeenkomstig het verlangen van hen die bij Je horen.'

(29-32) De Allerhoogste Heer zei: 'Als iemand genadig is, geen leed berokkent, tolerant is jegens alle belichaamden, stevig verankerd is in de waarheid en een ziel is die niets te verwijten valt; als iemand gelijkgezind is, altijd te goeder trouw handelt, van een intelligentie is die niet verstoord wordt door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds is, weinig eet en vreedzaam is; als iemand stabiel is, Mij als zijn toevlucht heeft, bedachtzaam is, waakzaam, innerlijk bezonken is, zijn respect niet verliest, de shath-guna [de verschillende vormen van materiële ellende], overwonnen heeft, bescheiden is, van eerbetoon is en inspireert; als iemand vriendelijk, medelevend en onderlegd is en aldus bekend is met de kwaliteiten en tekortkomingen zoals het door Mij wordt onderricht, is zo iemand, zelfs als die zijn eigen religieuze voorkeuren opgeeft [zie ook B.G. 18: 66] met het van aanbidding zijn voor alles van Mij, de beste der waarheidlievenden [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20]. (33) Zij die, of ze nu weten of niet wie Ik precies ben of hoe Ik precies tewerk ga, Mij toegewijd zijn zonder zich te laten afleiden door andere zaken, beschouw ik als de de beste toegewijden. (34-41) Mij ziend, Mij aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden in hun persoonlijke dienstverlening gebeden die Mij verheerlijken en vereren en zingen ze regelmatig over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij mediteren ze steeds met geloof op Mij, o Uddhava, en offeren ze als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn verschijnen en handelen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten, liederen en dansen, met bijeenkomsten naar de orde van de maan [op zondagen of naar de maanfasen] en met feestelijke plechtigheden die ze organiseren in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's brengen ze offers, nemen ze geloften in acht, en zijn ze van initiatie in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnentwille in dienst van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met de toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht reserverend van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld. Door dat soort van offeren komt iemand in aanmerking voor onsterfelijkheid.

(42) De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, Mijn beste, vormen allen een medium voor Mijn eredienst. (43-45) Via de zon kan men Mij vinden met een keur aan verzen [als de Gâyatrî], met behulp van eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de Sûrya-namskar]. In het vuur vindt men Mij als men ghee offert . Men kan Mij vinden als de beste onder de geschoolden als men Mij respect betoont door gastvrij voor hen te zijn. Via de koeien, Mijn beste, bereikt men Mij met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de Vaishnava vindt men Mij door die te eren met liefdevolle vriendschap. In het hart treft men Mij aan door zich in meditatie te concentreren op de innerlijke natuur. In lucht vindt men Mij door die te beschouwen als het levengevend beginsel [aanwezig als de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29]. In water vindt men Mij door te offeren met gebruiksvoorwerpen die water aanwenden [zie B.G. 9: 26]. In de aarde vindt men Mij door eetbare zaden te offeren met het toepassen van mantra's vanuit het hart [zie b.v. Prasâda Sevâya en de Bhoga-ârati]. En binnenin het belichaamde zelf treft men Mij aan als de kenner van het veld [zie paramâtmâ en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met een geest in evenwicht [zie niyama]. (46) Aldus devoot geheel in Mij verzonken op al deze manieren mediterend moet men van eerbied getuigen voor Mijn bovenzinnelijke gedaante die is uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje]. (47) Met de verlangde en goede werken aldus geheel met de aandacht op Mij gevestigd van eerbetoon zijnd, realiseert men dankzij de fijnzinnigheid van de dienstverlening een duurzame vorm van bhakti zodat men Mij in herinnering kan houden [zie ook B.G. 5.: 29].'

(48) O Uddhava, over het geheel genomen zijn er, zonder de bhakti-yoga gerealiseerd door de omgang met de toegewijden, niet echt methoden te vinden die echt werken, omdat Ik voor hen die van de deugd zijn de ware weg ben [zie ook 4.31: 12]. (49) Om die reden, o kind van de Yadu's, zal Ik tot jou, die er oren naar hebt, spreken over zelfs het hoogst vertrouwelijke opperste geheim [van de intieme omgang met Mij], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B.G. 18: 63 & 68].'

 

Voetnoten:

* De paramparâ voegt toe: 'De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschilt niet van Zijn vermogens, niettemin is Hij altijd boven hen verheven als de hoogste beheerser.... Bevrijding houdt in dat het levende wezen zichzelf moet overbrengen in het spirituele vermogen van de Heer, welk kan worden verdeeld in drie categorieën - hlâdinî, het vermogen van de verrukking; sandhinî, het vermogen van het eeuwigdurend bestaan; en samvit, het vermogen der alwetendheid.' Dit is een andere formulering van de goddelijkheid in de termen van sat-cit-ânanda; Krishna als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid.

** Citerend uit de Viveka, stelt S'rîla Madhvâcârya dat nânâtva-bhramam, de fout die men maakt met de materiële verscheidenheid, wijst op de volgende illusies: denkend dat het levende wezen het Allerhoogste is; denkend dat alle levende wezens uiteindelijk één wezen zijn zonder een afzonderlijke identiteit; denken dat er vele Goden zijn [onafhankelijk van elkaar, zie 5.18: 12]; denken dat Krishna God niet is [d.w.z. niet zowel persoonlijk als onpersoonlijk het volkomen geheel is, vâsudeva sarvam iti, B.G. 7: 19]; en denken dat het materiële universum [het onpersoonlijke] de uiteindelijke werkelijkheid is [zie ook 1.2: 11]. Al deze illusies worden tezamen bestreden in het twee uur per dag zingen van deor the Mahâmantra of Lord Caitanya, of het zo lang aandacht besteden aan de andere bhajans.

  

Hoofdstuk 12

Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

(1-2) De Allerhoogste Heer zei: 'Mysticisme noch analyse, algemene vroomheid en ook niet de studie van geschriften; boetedoeningen, verzaking, gewenste en vrome werken noch liefdadigheid; het naleven van geloften, plechtigheden, vedische hymnen, pelgrimeren, algemene discipline noch de basisregels omvatten Mij in de mate waarin de sat-sanga [zie 11.11: 25] Mij omvat die alle gehechtheid aan zinsbevrediging wegvaagt. (3-6) Door alleen maar sat-sanga bereikten vele levende wezens zoals de zoons van Diti, de kwaadaardigen, de dieren, de vogels, de zangers en dansers van de hemel, de excellenten en vervolmaakten, de eerbiedwaardigen en de schatbewaarders, de wetenschappers onder de mensen en de handelaren, de arbeiders en de vrouwen, de ongecivilisee rden en zij die van de hartstocht en de traagheid zijn in ieder tijdperk steeds Mijn verblijf. En zo lukte dat ook Vritrâsura, de zoon van Kayâdhû [Prahlâda, zie 6.18: 12-13] en anderen zoals zij, Vrishaparvâ [zie 9.18: 26], Bali, Bâna, Maya alsook Vibhîshana [de broer van Râvana], Sugrîva [de leider van de Vânara's] en Hanumân, Jâmbavân, Gajendra, Jatâyu, Tulâdhâra, Dharma-vyâdha, Kubjâ en de gopî's in Vraja, alsook de vrouwen van de brahmanen [zie 10.23] en anderen. (7) Zij die niet de heilige schrift bestudeerden, noch de grote heiligen aanbaden, bereikten, zonder geloften te hebben afgelegd en zonder boetedoeningen, Mij door Mijn gezelschap. (8-9) Door enkel de liefde inderdaad bereikten de gopî's, de koeien, de onbeweeglijke schepselen, de dieren, de slangen [als Kâliya] en anderen die verbijsterd waren in hun intelligentie, zonder moeite de volmaaktheid door naar Mij te komen, Ik die niet kan worden bereikt met een groots opgezet ondernemen in de yoga, met analyseren, met liefdadigheid, geloften, boetepraktijken, rituele offerplechtigheden, exegese, persoonlijke studie of door zich aan te sluiten bij de wereldverzakende orde. (10) Toen Akrûra Mij en Balarâma naar Mathurâ bracht waren de bewoners steeds zeer gehecht aan Mij met geesten vervuld van de grootste liefde. Met Mij als de enige die ze gelukkig kon maken waren ze er allerellendigst aan toe nadat ze van Mij gescheiden waren [zie 10: 39]. (11) Al de nachten die ze in Vrindâvana met Mij, hun teer beminde Geliefde, hadden doorgebracht o Uddhava, schenen hen slechts een kortstondig moment toe, maar weer verstoken van Mij leken die nachten wel een kalpa te duren. (12) Zij die in hun bewustzijn aan Mij gebonden waren in de intimiteit waren zich niet meer bewust van hun eigen lichamen, net zoals wijzen die volledig verzonken het bewustzijn verliezen van zaken zo nabij als namen en vormen, als ze als rivieren die de oceaan instroomden zich ver verwijderd hebben [in het voorbije, zie B.G. 2: 70]. (13) De vrouwen met Mij, een bekoorlijke minnaar naar hun zin, de geliefde van de vrouw van een andere man, hadden geen idee van de eigenlijke positie van Mij, de Allerhoogste Absolute Waarheid, die ze met honderdduizenden tegelijk bereikten. (14-15) Derhalve o Uddhava, geef de voorschriften, de reglementen ermee en de cultuur der riten terwille van zichzelf op, geef dat op wat je te weten kwam en nog te weten zult komen; ga alleen voor Mij, de eigenlijke beschutting van de ziel binnenin al de belichaamden; met die enkele toewijding moet je bij Mijn genade niets te vrezen hebben van welke zijde ook [vergelijk B.G. 18: 66].'

(16) S'rî Uddhava zei: 'Het horen van Jouw woorden, o meester van alle yogameesters, heeft de twijfel niet weggenomen die zich nestelde in mijn hart en waardoor mijn geest de weg kwijt is.'

(17) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij, het levende wezen Zelve, is vanbinnen aanwezig samen met de prâna, want Hij ging het hart binnen Zijn plaats hebbend in de subtiele geluidsvibratie die de geest in beslag neemt in de grovere vorm van de verschillende intonaties van korte en langere klinkers en medeklinkers. (18) Precies zoals vuur opgesloten in hout, met behulp van lucht, door wrijving ontstoken heel klein wordt geboren en aangroeit met ghee, manifesteer Ik Mij dienovereenkomstig in dit gesproken [vedische] woord. (19) Aldus zijn er als [Mijn] transformaties de spraak, de functie van de handen en de benen, de geslachtsdelen en de anus [de karmendriya's]; de reuk, de smaak, het zien, de tastzin en het horen [de jñânendriya's] en de functies van iemands overtuiging, wijsheid en eigenbelang [of de 'geest, de intelligentie en het valse ego'] zowel als het primaire van de materie [de pradhâna of de draad, zie 11.9: 19] en de rajas, tamas en de sattva [de guna's]. (20) Waarlijk is dit levende wezen dat, één en ongemanifesteerd zijnde begaan is met de drievoudigheid, de bron van de lotus der schepping. Hij, eeuwig als Hij is, verschijnt, in de loop van de tijd Zijn vermogens opdelend, in vele verdelingen, net als zaden dat doen nadat ze vielen in een vruchtbare bodem. (21) Net zoals stof zich uitstrekt langs de schering en de inslag van zijn draden, bevindt het geheel van dit universum, zich lang en breed uitbreidend, zich in Hem [op Zijn draad, zie ook 6.3: 12 en B.G. 7: 7]. Van dit materiële bestaan is er sinds mensenheugenis deze boom [dit organisch lichaam], die van nature met het opbloeiend voortbrengen van vruchten is geneigd tot vruchtdragende arbeid [ofwel karma]. (22-23) Van deze boom die zich uitstrekt in de zon zijn er twee zaden [zonde en deugd], honderden van wortels [de levende wezens], drie stammen beneden [de geaardheden], vijf stammen boven [de elementen], vijf sappen voortgebracht [geluid, vorm, aanraking, smaak en geur], elf vertakkingen [de geest en de tien indriya's]; twee vogels die er hun nest hebben [de jîva en de âtmâ], drie soorten van bast [de lucht, de gal en het slijm] en twee vruchten [het geluk en het ongeluk]. De wellustige levend in een huishouding geniet van één vrucht van de boom, terwijl de zwaangelijke anderen die in het woud leven met de hulp van de aanbiddelijken [de toegewijden, de goeroes] de Ene kennen die bij machte van Zijn mâyâ verschijnt in vele gedaanten. (24) Aldus van een zuivere toegewijde dienst zijnd die zich ontwikkelde door het aanbidden van de goeroe, behoort de nuchtere persoon middels de scherpe bijl van de kennis te kappen met het subtiele lichaam van gehechtheid dat de individuele ziel er op nahoudt zodat hij met de grootste zorg spiritueel levend de Allerhoogste Ziel bereikt. Daarna moet hij afzien van de middelen waarmee hij zijn doel bereikte [zie ook B.G. 15: 3-4].'

 

Hoofdstuk 13  

De Hams'a-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De goedheid, hartstocht en onwetendheid die we kennen van de guna's zijn zaken van de geest en niet van de ziel; middels de goedheid kan men de andere twee tegenspel bieden terwijl de goedheid zelf door karakter en verstandig zijn wordt beheerst [*]. (2) Karakter versterkt de religieuze beginselen die bepalend zijn voor de toegewijde dienst voor Mij. De geaardheid goedheid zal resulteren in [bhâgavata-]dharma als men op een bezonnen wijze de innerlijke kracht cultiveert.. (3) Dharma maakt met het groeien van de goedheid een eind aan de hartstocht en de onwetendheid. De goddeloosheid, hun wortel, is goeddeels snel overwonnen als die twee door de goedheid worden overtroffen. (4) De aangehangen doctrine, zoals men met water omgaat, de mensen waar men mee leeft, iemands leefomgeving en hoe men zich gedraagt met de tijd, de beroepsmatige bezigheid, iemands milieu alsook welke meditaties, mantra's en zuiveringsrituelen men erop nahoudt, zijn de tien factoren die bepalen welke geaardheid overheerst. (5) Dat wat de klassieke wijzen in dezen positief waarderen behoort tot de goedheid, dat wat ze kritiseren behoort tot de onwetendheid en dat waar ze onverschillig over zijn behoort tot de hartstocht. (6) Totdat er de [guna-]ontkennende zelfherinnering is, moet iemand de zaken behorende tot de geaardheid goedheid cultiveren zodat het karakter wordt ontwikkeld waarvan er de religiositeit is die tot geestelijk inzicht leidt. (7) Op dezelfde manier als vuur, dat in een bamboebos werd opgewekt door de wrijving van de staken, bedaart na te hebben gebrand [zie ook 1.10: 2, 3.1: 21] komt ook het vuur van het materiële lichaam tot bedaren dat werd opgewekt door de interactie van de natuurlijke geaardheden.'

(8) S'rî Uddhava zei: 'Stervelingen zijn over het algemeen goed op de hoogte van het feit dat zinsbevrediging een bron van moeilijkheden vormt, o Krishna, maar niettemin gaan ze zich eraan te buiten. Hoe komt het dat men zich willens en wetens gedraagt als honden, ezels en geiten?'

(9-10) De Allerhoogste Heer zei: 'Geobsedeerd door wat het zijne is denkt de dwaze persoon niet aan de gevolgen van zijn genieten en zo werpt in zijn geest zich de o zo verschrikkelijke hartstocht op. De geest die dan grillig in de hartstocht zich van alles inbeeldt met allerlei plannetjes raakt vanwege die begeertigheid geheel bepaald door de geaardheden en wordt zo onverdraaglijk. (11) Met de zinnen niet onder controle gaat men, begoocheld door de kracht der hartstocht en beheerst door verlangens, over tot baatzuchtige handelingen, ook al is men zich heel goed bewust van het resulterende ongeluk. (12) Hoewel de intelligentie van een geschoold iemand versluierd raakt door onwetendheid en hartstocht, ontwikkelt zich bij hem geen gehechtheid omdat hij, met die besmetting duidelijk voor ogen, de geest zorgvuldig weer op het goede spoor zet.(13) Met het beheersen van het proces van het ademen en het onder de knie hebben gekregen van de zithoudingen, behoort men aandachtig, stap voor stap, zonder nalatigheid zijn geest op orde te brengen door op gezette tijden zich op Mij te concentreren [overeenkomstig de posities van de zon en de maan, zie B.G. 7: 8 en 5: 26-28]. (14) Het yogasysteem dat in deze zin wordt onderricht door Mijn leerlingen onder leiding van Sanaka [de Kumâra's] komt erop neer dat de geest zich van alles afkeert en zonder omwegen zich in Mij verdiept Als hij zoals het hoort [middels mantra's, zie ook 8.3: 22-24].'

(15) S'rî Uddhava zei: 'Wanneer, en in welke gedaante, beste Kes'ava, heb Je Sanaka en de anderen in deze yoga onderricht? Dat wil ik graag weten.'

(16) De Opperheer zei: 'De zoons aangevoerd door Sanaka die hun geboorte namen uit de geest van hem die van het innerlijk goud is [Hiranyagarbha of Brahmâ], deden bij hun vader navraag over het zo hoogst subtiele, allerhoogste doel van de wetenschap der yoga. (17) Sanaka en de anderen zeiden tegen hem: 'De geest is gericht op de zinsobjecten en zodoende nemen de zinsobjecten de geest in beslag. O Meester wat is voor iemand die wenst bevrijd te raken, voor iemand die graag de zinsbevrediging te boven wil komen, de aangewezen methode om zich aan die gebondenheid te ontworstelen [zie ook B.G. 2: 62-63]?'

(18) De Allerhoogste Heer zei: 'De grote uit zichzelf geboren god, de schepper van alle levende wezens, aldus verzocht, overdacht ernstig wat gevraagd was maar slaagde er niet in, met zijn geest die verbijsterd was door de creatieve arbeid, de essentiële waarheid onder woorden te brengen [zie ook 2.6: 34, 2.9: 32-37 en 10: 13]. (19) Met het verlangen het tot een een goed einde te brengen herinnerde hij zich de oorspronkelijke God [waaraan hij was ontsproten, zie 3.8], en op dat moment werd Ik zichtbaar in Mijn Hamsa-gedaante [de Zwaan]. (20) Toen ze naderbij komend Mij zo voor zich zagen brachten ze, met Brahmâ voorop, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen ze: 'Wie bent U?' (21) Aldus werd Ik er door de weetgierige wijzen toe verzocht om de uiteindelijke waarheid uiteen te zetten. Alsjeblieft Uddhava, verneem nu van Mij wat ik hen toen zei. (22)  Als jullie denken dat er met de eenheid van het zelf geen substantieel verschil zou bestaan tussen jullie en Mij, hoe zouden jullie dan een dergelijke vraag kunnen stellen o geleerden, of hoe zou Ik als spreker dan gezag kunnen uitoefenen [of een toevlucht kunnen vormen]? (23)  Julie vraag van 'Wie bent U' zou een loos gebaar van woorden zijn als jullie zouden doelen op de vijf elementen waaruit onze lichamen zijn samengesteld of als jullie zouden doelen op de essentie die we gemeen hebben. (24) Wat door de geest, de spraak, het zien alsook door de andere zinnen wordt aangehangen ben Ik inderdaad, met niets buiten Mij; dat is wat jullie goed moeten begrijpen. (25) De geest gaat uit naar de zinsobjecten en de zinsobjecten nemen bezit van de geest beste mannen, maar voor het levende wezen waarvan Ik de Ziel ben, zijn zowel de geest als de zinsobjecten uiterlijke verschijningsvormen. (26) Met de geest die steeds weer opnieuw teruggrijpt op de zinsobjecten die genoten worden en met de zinsobjecten die [zo] weer het denken stimuleren moet degene die van Mijn bovenzinnelijke [Hamsa-]gedaante is afstand nemen van zowel het denken als het zinsobject [zie ook vritti en neti neti]. (27) Waken, dromen en diepe slaap zijn de functies van de intelligentie die voortvloeien uit de geaardheden der natuur. De individuele ziel staat met kenmerken verschillend van hen bekend als de getuige [zie ook 7.7: 25 en B.G. 7: 5]. (28) De materieel gemotiveerde intelligentie vormt de gebondheid die de ziel bezighoudt met de natuurlijke geaardheden, maar als men zich bevindend in Mij, in de vierde staat van bewustzijn [turîya], erin slaagt ermee te breken komt men op dat moment los van het denken en de zinsobjecten [zie 11.3: 35]. (29) De gebondenheid van de ziel die het gevolg is van het zich identificeren met het lichaam vormt het tegengestelde doel. Hij die onthecht in samsâra er weet van heeft behoort, zich bevindend in de vierde staat, de bezorgdheid [over die egokwesties] te laten varen. (30) Zolang als een persoon zijn aandacht verdeelt over verschillende doeleinden en hij niet zijn rust kan vinden met de daartoe geëigende methoden [zoals vermeld] is hij, ook al is hij wakker, met zijn ogen open aan het dromen en niet bewust aanwezig, net als iemand die in zijn slaap wat ziet [zie ook B.G. 2: 41]. (31) De vormen van bestaan apart van de Opperziel zullen, niet van wezenlijk belang zijnde, vanwege de gescheidenheid die door hen in het leven is geroepen, voor de ziener die vol is van motieven en doelstellingen net zo begoochelend zijn als wat men heeft in een droom. (32) Als hij wakker is geniet hij de kwaliteiten van de uiterlijke wereld op dat moment. In zijn dromen ondergaat hij in de geest met al zijn zinnen dezelfde ervaring. Diep in slaap verliest hij zijn bewustzijn. Maar één in zijn herinnering wordt hij in zijn getuige zijn van het functioneren van de drie opeenvolgende bewustzijnsstaten heer en meester over zijn zinnen [zie ook 4.29: 60-79 en B.G. 15: 7-8]. (33) Als men in Mij verkerend de drie staten van bewustzijn overziet die voortkomen uit de natuurlijke geaardheden van Mijn begoochelend vermogen, wees dan vastbesloten over het doel Mij te aanbidden als aanwezig zijnde in het hart. Snijdt voor dat doel met het zwaard des onderscheids dat werd aangescherpt met de logica en de instructies omtrent het ware, de banden door met de [ahankâra] oorzaak van alle twijfels. (34) Bezie deze bedrieglijke staat van de geest die, met voorstellingen die zich vandaag voordoen en morgen weer verdwenen zijn, zo flakkert als het brandende uiteinde van een bewegende fakkel. Het is de Ene geestelijke ziel die misleidend verschijnt in vele onderverdelingen die zich manifesteren als een illusie van een drievoudig onderscheiden vorm van dromen die in het leven werd geroepen door de geaardheden der natuur [zie ook B.G. 9: 15, 15: 16, linga en siddhânta]. (35) Als men de blik afwendt van die [misleidende materiële] werkelijkheid moet men, stil geworden met het beëindigen van de materiële hunkering, komen tot de realisatie van het eigenlijke geluk. Dat geluk ziet men ontstaan als men vrij van materieel gemotiveerd handelen is. De keren dat men van de aarde is, behoort men, in gedachten houdend dat dat niet van substantieel belang is, vast te houden aan het beëindigen van het aardse om niet te dolen tot het leven ten einde is. (36) Net zoals iemand die verblind door de drank zich niet bewust is van de kleren die hij draagt, slaat hij die van de volmaaktheid is, zie je, er geen acht op of het lichaam nu zit of staat, of hij nu naar Gods wil het leven verlaat of door het lot beschikt [een nieuw lichaam] verwerft, omdat hij zijn oorspronkelijke positie heeft bereikt [zijn svarûpa]. (37) Zolang als het lichaam er door het lot beschikt nog is en er nog karma is, zal het op eigen kracht volhouden met zijn levensadem en zinnen en zijn verscheidenheid aan manifestaties. Hoog geklommen echter in de volledige verzonkenheid van de yoga zal degene die ontwaakt is wat betreft de essentie niet langer dat gedroom cultiveren. (38) O geleerden, nu Ik u deze vertrouwlijke analyse en de yoga, de wetenschap van de bewustzijnsvereniging, heb uitgelegd, begrijp alstublieft dat Ik kwam als Yajña [Vishnu, de Heer van het Offer] om de aandacht te vestigen op de eigenlijke verplichtingen. (39) Beste van de tweemaal geborenen, Ik ben de Hoogste Weg van de yoga, de analyse, de waarheid en de heilige wet alsook de schoonheid, de roem en de zelfbeheersing. (40) Alle kwaliteiten zoals het vrij zijn van de geaardheden en vrij zijn van verwachtingen, de Weldoener zijn, de Meest Geliefde, het Ware Zelf, Hij die Gelijk is, de onthechting enzovoorts, vinden, omdat ze geen affiniteit hebben met de geaardheden, hun toevlucht en dienst in Mij.

(41) Aldus werd er door Mij een einde gemaakt aan de twijfels van al de wijzen die werden aangevoerd door Sanaka en die, volledig van aanbidding in bovenzinnelijke liefdevolle dienst, met prachtige hymnen Mijn heerlijkheden bezongen. (42) Ik volmaakt aanbeden en verheerlijkt door de grootsten onder de wijzen keerde toen, voor het oog van Brahmâ, terug naar Mijn verblijfplaats.'

 Voetnoten:

* In het Sanskriet is de term sattva, behalve dat dat goedheid, innerlijke kracht, verstandig zijn en ware aard betekent, een ander woord voor karakter. Karakter, zedelijke ruggengraat, wordt ook omschreven als s'ila of svarûpa; 'vorm, vroomheid, moraliteit, gewoonte of gebruik' of 'de eigen vorm, je ware aard' of de constitutionele positie in de omgang met Krishna zoals Svâmî Prabhupâda dat het liefst noemde.

  

Hoofdstuk 14  

De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

(1) S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, superieur als je ze combineert of is anders één van hen het belangrijkste? (2) Het werd door Jou duidelijk gemaakt o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder dat men er verlangens bij koestert alleszins het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.'

(3) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die onder de invloed van de tijd verloren ging toen de eindvernietiging plaatsvond werd ten tijde van de schepping door Mij onder woorden gebracht voor Brahmâ. Ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43]. (4) Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu. De zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu namen het op hun beurt aan van Manu [zie 8.1 & 8.13 en B.G. 4: 1-3]. (5-7) Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de Kimdeva's], de halfmensen [Kinnara's], de slangentypes [de Nâga's], de wildemannen [de Râkshasa's], en de aapachtigen [Kimpurusha's]. Uit de levende wezens die vanwege hun geneigdheden verdeeld zijn in evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort. (8) Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld. Daarin vormen sommige filosofieën geestelijke erfopvolgingen terwijl andere van een ketterse aard zijn [pâshanda]. (9) De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn begoochelend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat overeenkomstig hun eigen karma en smaak beter zou zijn. (10) Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten terwijl anderen het hebben over roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid. De één staat het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking of consumptie, terwijl andere mensen pleiten voor opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama]. (11) Met een onvermijdelijk begin en einde aan de schamele doelen die men bereikt met zijn karma is er het vooruitzicht van de ellende die daaruit resulteert. Zich bevindend in onwetendheid is men miserabel vol van jammerklachten. (12) Iemand die zijn bewustzijn op Mij gevestigd heeft, o geschoolde, en die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, kent het geluk van Mijn geestelijk lichaam. Hoe kan een dergelijk geluk nu bereikt worden door hen die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]? (13) Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is onder alle omstandigheden en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat. (14) Iemand die zijn bewustzijn op Mij, Mij en niemand anders dan Mij, heeft vastgelegd verlangt niet de positie in te nemen van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch wil hij een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch begeert hij de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of een tweede geboorte [zie 40 5.1: 6]. (15) Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de Godin van het Geluk [S'rî], noch zelfs Mijn eigen Zelf is Mij zo dierbaar als jij dat bent [zie ook B.G 12: 20]. (16) De wijze die vredig is zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig is jegens wie dan ook en van een gelijkgezinde blik is, volg Ik altijd op de voet zodat er zuivering is bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17]. (17) Niet uit op zinsbevrediging en van een geest die steeds aan Mij gehecht is ervaren de grote zielen die innerlijk vrede hebben en zich inzetten voor alle individuele zielen wiens bewustzijn niet beheerst wordt door het lustmatige, Mijn geluk dat niet op een andere manier kan worden gekend dan door volledige onthechting. (18) Ook al wordt hij geplaagd door zinnelijke verlangens, dan nog is de toegewijde van Mij die niet zijn zinnen de baas werd - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die soort van invloed [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2: 62-64]. (19) Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, worden op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, in de toewijding de zonden volledig verbrand, o Uddhava. (20) Het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, vrome handelingen noch vedische studie, boete noch verzaking ontwikkelen zo goed een greep op Mij als een sterk ontwikkelde toegewijde dienst. (21) Men verwerft Mijn genade door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde. Met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs zij die honden eten zuiveren van de last van hun geboorte. (22) Zeker is dat noch dharma begaan met waarachtigheid en genade, noch kennis gekoppeld aan verzaking het bewustzijn volledig zuivert als men het moet stellen zonder de toegewijde dienst aan Mij. (23) Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind staan, hoe kan nu zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken en kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken? (24) Door degene wiens spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, door hem van wie er onbeschaamd een luidkeels zingen is en er sprake is van dansen in de verbondenheid van Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka en 11.2: 40]. (25) Zoals goud dat gesmolten in het vuur zijn onzuiverheden prijsgeeft en terugkeert naar zijn oorspronkelijke staat wordt van de geestelijke ziel de smet van het karma verdreven als men in Mijn liefdevolle dienst van aanbidding is voor Mij. (26) Zo goed als het gezichtsvermogen zich herstelt als het oog eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel die schoongewassen werd door het luisteren naar en het bezingen van de vrome verhalen over Mij, op precies dezelfde manier weer de Ene Subtiele Essentie. (27) Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2: 62-63]; evenzo raakt de geest systematisch in Mij verzonken als men Mij in gedachten houdt. (28) Daarom zijn de materiële zorgen die men heeft als de drogbeelden die men heeft in een droom; in Mij verzonken geeft men ze op. Als men geheel in Mijn liefde opgaat raakt de geest gezuiverd. (29) Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [seksuele omgang met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en zich met grote zorg te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *]. (30) Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19: 17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44-45 & 48].'

(31) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijn van degene die bevrijd wil raken? Wil Je alsJeblieft uitweiden over de meditatie?'

(32-33) De Allerhoogste Heer zei: 'Rechtop en comfortabel zittend op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren waarop men ademt - het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd - moet men stap voor stap beoefenen terwijl men zijn zinnen in bedwang houdt [zie prânâyâma, en B.G. 4: 29]. (34) Met behulp van de levensadem [prâna] in de geest het geluid AUM oproepend, moet men dat geluid opwaarts stuwen, als de vezels in een lotusstengel, om het luid te laten vibreren [in de neus] als een bel zodat de geluiden der recitatie weer tot eenheid worden gebracht [anusvâra **]. (35) Het ademen dat aldus is verenigd met de Pranava [zie ook 9.14: 46] moet zorgvuldig tien keer herhaald worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand zijn ademen onder controle heeft [***]. (36-42) Met de ogen half gesloten en rechtop zittend moet men, waakzaam vanbinnen terwille van de hoogste bevrijding, zich concentreren op de lotus in het hart die naar boven is gericht. In de werveling van haar acht kelkbladeren stelt men vervolgens de één na de ander zich de zon, de maan en het vuur voor. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorstellen, zo bevorderlijk voor de meditatie, die zachtgeaard en vriendelijk is en is toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk is de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach alsmede de oren met stralende, haaienvormige oorhangers. Men moet mediteren op de goudkleurige kleding, de huid met de kleur van regenwolken, de krul op de borst die de schuilplaats vormt voor de godin, de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, en de rijkdom van de woudbloemenslinger. Men moet mediteren op alle prachtige en bekoorlijke delen van Mijn lichaam: de voeten met de glanzende belletjes, het rijk gloeiende Kaustubhajuweel, de stralende kroon en de polsbanden, de gordel en de armbanden, op het genadige glimlachen en op de allerfijnst besnaarde oogopslag. Dit moet men doen door de geest terug te trekken van de zinnen. Op deze manier moet men intelligent de wagenmenner [de ziel, de meester der intelligentie], sober en ernstig, [met liefde] leiden in de richting van Mijn volledigheid. (43) Als men met deze oefening al de lichaamsdelen overziet moet men vervolgens het bewustzijn terugtrekken en, zich concentrerend op één plek en nergens anders, opnieuw met liefde mediteren op de prachtige glimlach van het gezicht. (44) Aldus met het terugtrekken van de geest gevestigd geraakt in de ether, moet men ook deze concentratie weer opgeven en naar Mij opgestegen aan niets anders meer denken. (45) Zodoende volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel Mij in het zelf en al de zelven in Mij, net zoals de stralen van de zon zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9: 29]. (46) Van de yogi die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefent zal snel heel de begoochelde staat van geest van hem die zich de eigenaar, de kenner en de doener noemt, zijn oplossing vinden [vergelijk: 2.2: 8-14].'

 

Voetnoten: * Om dit vers niet verkeerd te interpreteren met het Sanskriet woord sangam dat men de omgang met vrouwen zou moeten schuwen in plaats van het intiem zijn met ze te schuwen, werd door Svâmî Prabhupâda benadrukt, in tegenspraak met de Indiase traditie, dat vrouwen en mannen heel goed vanuit de cultuur van het Krishna-bewustzijn omgang kunnen hebben als ze samenleven in een tempel of in een huishouden. Dit was een van de grote wapenfeiten van hervoming naar aanleiding van een traditionele tempelroutine die negatief was over het samenleven met vrouwen.

** Als men als een cultuur niet bij wijze van een geregelde praktijk van recitatie is met het Sanskriet en men dus geen enkele anusvâra, geen nagalm in de neus heeft ter integratie, luidt het advies voor dit Tijdperk van de Redetwist om deor the Mahâmantra of Lord Caitanya, te beoefenen om de met de moderne tijd ongedurige geest tot vrede te bewegen: hare Krishna, hare Krishna, Krishna Krishna, hare hare; hare Râma, hare Râma, Râma Râma, hare hare en dan AUM te zeggen en de Gâyatrî als men neerzit voor de meditatie. Een praktijk nageleefd door alle geïnitieerde toegewijden.

*** Gezien een sterk variërende daglengte over de gehele wereld is het gebruikelijk dit te doen op de vaste tijden van de regelmatige uren van een [meditatie-]klok bij voorkeur met de zon gelijk gezet op twaalf uur als de zon in het zuiden staat [zie ook cakra].  

 

Hoofdstuk 15  

Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als een yogi zijn aandacht op Mij fixeert en zich zo verbonden heeft met het overwonnen hebben van zijn zinnen en ademen, verwerft hij de mystieke perfecties van de yoga.'

(2) Uddhava zei: 'O Jij die alle yogi's de volmaaktheid schenkt, zeg me alsJeblieft welke methode men moet volgen om zich te concentreren en hoe die mystieke perfectie precies werkt. En, Acyuta, hoeveel volmaaktheden zijn er? 

(3) De Allerhoogste Heer zei: 'De meesters van de yoga spreken van achttien mystieke volmaaktheden [siddhis] en meditaties [die tot hen leiden], waarbij acht van hen primair in Mij te vinden zijn en er zich tien [secundaire] manifesteren uit de kwaliteit [der goedheid]. (4-5) Het vermogen om, wat betreft de vorm, zich in te leven in het kleinste [animâ], in het grootste [mahimâ] of in het lichtste [laghimâ in verhouding tot garimâ, het zwaarste], het vermogen om welk materieel voorwerp dan ook te verwerven [prâpti], om zintuiglijk te genieten wat er maar te zien en te horen is [prâkâmya], om de overhand te hebben met het aanwenden van de krachten [îs'itâ of îs'itvâ], om ongehinderd door de geaardheden op magische wijze zaken onder controle te krijgen [vas'itvâ] en om aan ieder verlangen te beantwoorden dat [Zijn] genade zoekt [kâmâvasâyitâ], zijn de acht mystieke volmaaktheden, o zachtgeaarde. Weet dat dat degenen zijn die oorspronkelijk bij Mij horen. (6-7) Om in dit lichaam niet te worden geplaagd door honger en dorst en dergelijke, om dingen ver weg te zien en te horen, om met de snelheid van de geest zich te verplaatsen, om naar believen iedere willekeurige vorm aan te nemen, om de lichamen van anderen binnen te gaan, te sterven bij wilsbesluit, getuige te zijn van het spel [van de meisjes van de hemel] met de goden, om naar eigen besluit van volmaakt succes te zijn, en om zijn wilsuiting ongehinderd nageleefd te krijgen [zijn de tien secundaire siddhis]. (8-9) Kennis te hebben van het verleden, het heden en de toekomst, om vrij te zijn van de dualiteiten, weet te hebben van wat anderen denken, om de werking van het vuur, de zon, het water, vergif enzovoorts te stoppen en niet door anderen overweldigd te zijn, zijn de perfecties die worden beschreven als zijnde het resultaat van het zich concentreren in de yoga. Verneem alsjeblieft nu van Mij met behulp van welke meditatiemethoden zich welke volmaaktheden voordoen. 

(10) Degene die Mij aanbidt, Ik die alle fijnstoffelijke vormen van bestaan beziel, verwerft de animâ-perfectie [om het kleinste binnen te gaan] door zich te concentreren op de werkelijkheid der elementen. (11) Men verwerft de mahimâ-perfectie [om het grootste binnen te gaan] door de aandacht te vestigen op het totaal van de materie door Mij tot leven gewekt alsook, naar gelamg de situatie, op ieder van de materiële elementen afzonderlijk [van het grote van de ether te zijn, het vuur, het water, de lucht en de aarde]. (12) De yogi kan laghimâ [lichtheid] verwerven door zijn bewustzijn tot rust te brengen in Mij als zijnde de fijnstoffelijke substantie van de [natuurlijke verdeling van de] tijd [als de basis of oersubstantie] voor de materiële elementen die er zijn in de vorm van atomen [zie ook cakra]. (13) Hij die met zijn geest op Mij gefixeerd zijn denken geheel concentreert binnen het emotionele van het Ik-principe, verkrijgt de siddhi van de prâpti [het mystiek verwerven] waarmee hij zich de eigenaar kan noemen van de zinnen van alle levende wezens. (14) Om van Mij, wiens verschijning zintuiglijke waarneming teboven gaat, de buitengewoon bijzondere siddhi der prâkâmyam te verkrijgen [om van wat dan ook wanneer dan ook te genieten] moet men zijn geestelijke activiteit verankeren in Mij als zijnde de Superziel die de draad vormt die door het grote van de materie heenloopt [zie ook sûtra]. (15) Als men zijn bewustzijn in Vishnu plaatst, de Oorspronkelijke Beheerser van de Drie [guna's, zie ook B.G. 7: 13] in de vorm van de Tijd, zal men de siddhi van îs'itvâ [de oppermacht] verwerven waarmee men het geconditioneerde lichaam [het veld] en zijn kenner kan beheersen [*]. (16) De yogi die zijn geest plaatst in Mij, Nârâyana als gekenschetst door het woord Fortuinlijk [bhagavat] en bekendstaand als het vierde [vlak voorbij de andere drie **], vermag, begiftigd met Mijn natuur, het mystieke vermogen te verwerven van vas'itva [te onderwerpen met magie]. (17) Met de geest die in Mij zuiver is zich concentrerend op het onpersoonlijke [brahman] dat vrij is van materiële kwaliteiten [bovenzinnelijk], verwerft men het opperste geluk waarin het verlangen zijn volledige bevrediging vindt [kâmâvasâyitâ]. 

(18) Zich op Mij concentrerend, de Heer van S'vetadvîpa, de personificatie van de goedheid, de optelsom van alle dharma, verkrijgt een persoon de vrijheid van de zes golven [anûrmi-mattvam, zie ook shath-ûrmi]. (19) Gevestigd in Mij, de verpersoonlijking van de ether, zich concentrerend op het bovenzinnelijk geluid dat aanwezig is in de prâna [zie 11.14: 35], neemt men de Zwaan waar [Heer Hamsa of de heilige persoon, zie 11.13: 19] en hoort men de woorden die worden uitgesproken door alle levende wezens [dûra-s'ravana, zie ook divyam s'rotam]. (20) Met het samenvoegen van zijn ogen met de zon en de zon met zijn ogen [dat bovenzinnelijk doend en niet fysiek erin starend] kan men, met zijn geest in meditatie, alles zien wat ver weg is [dûra-dars'ana, zie ook 2.1: 30]. (21) Met het volledig verzinken van de geest in Mij kan men met de wind [de adem, de subtiele lucht], die de geest volgt zodat het lichaam op Mij gericht is, door de kracht van die meditatie het [fysieke] zelf zich zien bewegen in de richting waar de geest zich beweegt [manojava]. (22) Als men zijn toevlucht neemt tot de macht van Mijn Yoga [waarmee Ik verschillende gedaanten aanneem], is men in staat, onverschillig de vorm die men wenst aan te nemen, de vorm die men in gedachten had laten verschijnen [kâmarûpa]. (23) Als men het als een siddha verlangt het lichaam van een ander binnen te gaan moet men, met het loslaten van het eigen lichaam, zichzelf in dat lichaam projecteren, door er, net als de wind, in binnen te gaan via de vitale adem, zoals een bij die van bloem verwisselt [para-kâya-praves'anam]. (24) Met de hiel de anus blokkerend en de vitale adem van het hart omhoog brengend naar de borst en dan van de keel naar het hoofd gaand, moet men, zich bevindend op de top van de schedel [de brahma-randhrena], [om te kunnen sterven] het materiële lichaam opgeven en zichzelf sturen in de richting van de geestelijke wereld [svacchandu-mrityu, zie ook 2.2: 19-21]. (25) Als men de hemelen der goddelijken wenst te genieten moet men, zich in Mij bevindend, mediteren op de geaardheid goedheid zodat men de in goedheid verkerende vrouwen van de halfgoden eraan ziet komen per vimâna [devânâm saha-krîdânudars'anam]. (26) Als iemand volledig van Mij overtuigd is en weet dat hij in Mij zijn vervulling zal vinden, Ik die er ben terwille van het ware, zal hij als gevolg daarvan krijgen waar hij op uit was [yathâ-sankalpa-samsiddhi]. (27) Degene die tot de realisatie kwam van Mijn aard, oppermacht en heerschappij, is iemand die geen strobreed in de weg kan worden gelegd daar zijn wilsbesluit en gezag zo goed is als het Mijne [âjñâpratihatâ gatih, zie ook B.G. 9: 31].

(28) Een yogi die zuiver van karakter middels zijn toewijding voor Mij zich weet te concentreren [dharâna], krijgt inzicht in de drie fasen van de tijd [verleden, heden en toekomst], met inbegrip van de kennis omtrent geboorte en dood [zie tri-kâlika]. (29) Van een wijze onderlegd in de yoga wiens bewustzijn tot vrede is gebracht middels Mijn yoga kan het lichaam geen schade oplopen als gevolg van vuur en dergelijke elementen, net zoals waterdieren geen schade ondervinden van het water waarin ze leven [zie ook 7.5: 33-50]. (30) Hij [mijn toegewijde] wordt onoverwinnelijk als hij mediteert op Mijn expansies die zijn opgesierd met de S'rîvatsa en de wapens, de vlaggen, ceremoniële parasols en verschillende waaiers [zie ook B.G. 11: 32]. 

(31) De man van wijsheid die Mij aldus aanbidt middels het proces van het zich concentreren in de yoga zal de mystieke volmaaktheden bereiken zoals beschreven, in ieder opzicht [naar gelang de aard van zijn praktijk]. (32) Welke perfectie zou er nou moeilijk te verwerven zijn voor een wijze die in Mij, met het doen van zijn meditaties, de zaak in z'n greep kreeg nadat hij de zintuigen, zijn ademen en zijn geest de baas werd? (33) Men zegt wel dat ze [de siddhi's], voor degene die de hoogste vorm van yoga beoefent waarmee men alle volmaaktheid in het leven rechtstreeks van Mij verkrijgt, belemmeringen vormen waarmee men zijn tijd verspilt. (34) De vele volmaaktheden die men in deze wereld heeft van geboorte, van kruiden, verzakingen en door mantra's worden allen verkregen door de yoga; met geen enkele andere methode kan men de eigenlijke perfectie van de yoga bereiken [***]. (35) Van alle perfecties ben Ik inderdaad de oorzaak en de beschermer. Ik ben de Heer van de Yoga [de uiteindelijke vereniging], de Heer van de analyse, het dharma en de gemeenschap van vedische leraren. (36) Op dezelfde manier als de materiële elementen binnenin en buiten de levende wezens bestaan besta Ik Zelve, de Ziel, die zich niet [door iets groters] laat overdekken, binnen en buiten al de belichaamde wezens [zie ook B.G. 2: 29-30].'

Voetnoten:

* Vers 15 heeft betrekking op het realiseren van de spirituele volmaaktheid door te mediteren op het persoonlijke, transcendentale aspect van de tijd van Vishnu als de essentiële samenhangende substantie, in tegenstelling tot het mediteren van de tijd zoals vermeld in vers 12, dat meer betrekking heeft op het onpersoonlijk aspect van de natuurlijke orde eigen aan de elementen, van de cakra, welke het wapen van Vishnu is.

** Behalve de drie guna's in relatie tot Heer Nârâyana, is er ook sprake van de drie vlakken van bestaan van het fysieke grove van het grote van het universum bestaande uit de vijf elementen; het astrale, subtiele, van de tien werkende en waarnemende zintuigen en hun voorwerpen, de geest en de intelligentie, en het causale vlak van het bewustzijn en de kenner; ofwel kort gezegd: de wereld, het zinnelijk lijf en de individuele kenner waarbij er dan de Oorspronkelijke Persoon van God is als de vierde [zie ook B.G. 13: 19].

***: De eigenlijke perfectie van de yoga wordt, indachtig vers 35 erop volgend, Krishna-bewustzijn genoemd door de vaishnava's die het Bhâgavatam in het Westen verdedigen.

 

Hoofdstuk 16  

De Volheden van de Heer

(1) S'rî Uddhava zei: 'Jij bent de grootste, het Allerhoogste Zelve. Aan Jouw zijn geen grenzen gesteld, Je bent zonder een begin en een eind. Je bent de ware beschermer en de handhaving, vernietiging en schepping van alles wat bestaat. (2) O, Allerhoogste Heer, terwijl Je voor de goddelozen moeilijk te begrijpen bent, aanbidden de brahmanen Jou in Je werkelijkheid van aanwezig zijn in zowel de hogere als de lagere levensvormen van de schepping. (3) AlsJeblieft vertel me over de verschillende gedaanten [van Jou, zie catur vyûha] met behulp waarvan de grote wijzen die Je met toewijding aanbidden die volmaaktheid [die de allerhoogste is] bereiken. (4) O handhaver van Alle Wezens, aan het oog onttrokken ben Je bezig als de Eigenlijke Ziel van de levende wezens. Jij slaat hen gade terwijl zij, door Jou(w uiterlijkheid) begoocheld, Jou niet kunnen zien. (5) En, alsJeblieft, leg me uit o grootste Macht, wat al Je potentieel is door Jou gemanifesteerd in alle richtingen op aarde, in de hemel en in de hel; mijn eerbetuigingen aan Jouw lotusvoeten, die het verblijf vormen van alle heilige plaatsen.'

(6) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze vraag, o beste van alle vragenstellers, werd door Arjuna ten tijde van de vernietiging gesteld toen hij met zijn rivalen de strijd wilde aanbinden [te Kurukshetra, zie B.G. 2: 54, 13: 1-2, 14: 21, 18: 1]. (7) Zich bewust van het feit dat het doden van zijn verwanten een goddeloze, abominabele daad was met de heerschappij voor ogen, zag hij er van af en zei hij met een wereldse geest: 'Dan ben ik degene die afslacht en zijn zij degenen die worden afgeslacht' [B.G. 1: 37-45, vergelijk 2: 19]. (8) Hij, die net als jij een tijger is onder de mensen, stelde Mij voorafgaande aan de veldslag vragen en werd toen door Mij met logische argumenten voorgelicht inzake de materie.

(9) Ik ben van al deze levensvormen hun Ziel, o Uddhava, hun Begunstiger en Beheerser, Ik ben de handhaving, schepping en vernietiging van al de levende wezens. (10) Ik ben het doel van hen die naar vooruitgang streven, de Tijd van hen die controle uitoefenen, van de geaardheden der natuur ben Ik het evenwicht en de natuurlijke deugd der godvruchtigen ben Ik ook. (11) Van alles wat kwaliteit heeft ben Ik de leidraad, van alles wat groot is ben Ik de totaliteit, van het subtiele ben Ik de geestelijke ziel en onder de zaken die moeilijk te overwinnen zijn ben Ik de geest. (12) Ik ben Hiranyagarbha [Brahmâ de oorspronkelijke leraar] van de Veda's, van de mantra's ben Ik de drie-letterige Omkâra, van de letters ben Ik de eerste [de 'a'], en van de heilige versvoeten ben Ik de drievoetige [de Gâyatrî-mantra]. (13) Van al de goden ben Ik Indra, onder de Vasu's ben Ik Agni, onder de zoons van Aditi ben Ik Vishnu [Vâmana] en onder de Rudra's ben Ik de Rood-Blauwe [S'iva, zie ook 3.12: 7]. (14) Bhrigu ben Ik onder de brahmaanse wijzen, van de brahmaanse koningen ben Ik Manu, van de brahmaanse halfgoden ben Ik Nârada en onder de koeien ben Ik Kâmadhenu [de koe van overvloed]. (15) Van de volmaakten van beheersing ben Ik Kapila, Garuda ben Ik onder de vogels, Daksha onder de stamvaders, en Aryamâ onder de voorvaderen. (16) O Uddhava ken Mij onder de zoons van Diti als Prahlâda, de beheerser der onverlichten, ken Mij als de [orde van de] maan voor de sterren en de kruiden, en als Kuvera, de heer der rijkdom onder de Yaksha's en Râkshasa's. (17) Airâvata ben Ik onder de statige olifanten, Varuna, de meester ben Ik onder de wezens van het water, van de dingen die verhitten en licht geven ben Ik de zon, en onder de menselijke wezens ben Ik de heerser over het rijk. (18) Uccaihs'ravâ ben Ik onder de paarden, onder de metalen ben Ik het goud, Yamarâja ben Ik onder de regelaars en ook ben Ik Vâsuki onder de serpenten. (19) Anantadeva ben Ik onder de gekraagde slangen, van alle beesten met tanden en hoorns ben Ik de leeuw, van de geestelijke orden [de statusgroepen, de âs'rama's] ben Ik de vierde [de sannyâsî's] en onder de roepingen [varna's] ben Ik de eerste [de brahmanen] o zondeloze . (20) Onder de heilige plaatsen en dat wat stroomt ben Ik de Ganges, de oceaan ben Ik onder de watervlakten, de boog onder de wapens en de vernietiger van Tripura [S'iva] onder hen die de boog hanteren. (21) Meru ben Ik onder de bergen, onder de onbegaanbare plaatsen ben Ik de Himalaya's, van de bomen de as'vattha, en onder de planten ben Ik de planten die graankorrels hebben [gerst]. (22) Onder de priesters ben Ik Vasishthha, onder hen die zweren bij de Veda ben Ik Brihaspati, Kârttikeya [Skanda] ben Ik onder de legeraanvoerders en onder hen die van geestelijke vooruitgang zijn ben Ik de hoogste heer die ongeboren is [Brahmâ, de Schepper]. (23) Van de offers ben Ik de studie van de Veda, van de geloften ben Ik de gelofte der geweldloosheid [vegetarisme], en van alle zuiveraars ben Ik het zuivere vuur, de wind, de zon, het zuivere water en de spraak in eigen persoon. (24) Van het yogaproces ben Ik het eindstadium van de samâdhi, omzichtig advies ben Ik onder hen die de overwinning verlangen, van alle onderscheidingsvermogen ben Ik de metafysische logica [of de spirituele wetenschap van het onderscheiden van geest en stof], en onder de speculatieve filosofen ben Ik de keuze. (25) Onder de dames ben Ik S'atarûpâ [de vrouw van Manu, zie 3.12: 54] en onder de mannen ben Ik Svâyambhuva Manu, de wijze Nârâyana [zie 10.87: 4] ben Ik onder de wijzen alsook Sanat-kumâra onder de celibatairen. (26) Van de religieuze beginselen ben Ik de verzaking, van alle zaken die fundamenteel zijn ben Ik het innerlijk besef, van de geheimhouding ben Ik de vriendelijkheid en de stilte, en van het seksuele paar ben Ik de ongeborene [de stamvader, de Prajâpati die Brahmâ is]. (27) Van wat steeds waakzaam is ben Ik het zonnejaar, van de seizoenen ben Ik het voorjaar, van de maanden ben Ik Mârgas'îrsha [November-December], en van de huizen van de maan [de zevenentwintig nakshatra's] ben Ik Abhijit. (28) Van de yuga's ben Ik Satya-yuga, onder de nuchteren ben Ik Devala en Asita, van de bewerkers van de Veda ben Ik Dvaipâyana [Vyâsadeva], en onder de geleerden geschoold in de spiritualiteit ben Ik S'ukrâcârya. (29) Van hen die aanspraak kunnen maken op de naam Bhagavân [de Allerhoogste Heer] ben Ik Vâsudeva, onder Mijn toegewijden ben Ik jou inderdaad [Uddhava], onder de aapachtigen ben Ik Hanumân, en onder de wetenschappers ben Ik Sudars'ana. (30) Van de juwelen ben Ik de robijn, van alles wat mooi is ben Ik de lotuskelk, van alle grassoorten ben Ik het kus'agras en van de rituele uitgietingen ben Ik de ghee van de koe. (31) Van het ondernemen ben Ik het fortuin, van de bedriegers ben Ik het gokken, de vergevingsgezindheid ben Ik onder de toleranten en het karakter ben Ik van hen die van de geaardheid goedheid zijn. (32) De geestelijke en lichamelijke kracht ben Ik van de sterken. Alsjeblieft, weet dat Ik onder de toegewijden de verrichte [toegewijde] arbeid ben en dat onder Mijn negen gedaanten [de nava mûrti], waarmee deze Sâtvata's Mij aanbidden, Ik de Opperste Oorspronkelijke Gedaante ben [Vâsudeva]. (33) Onder de zangers van de hemel ben Ik Vis'vâvasu en onder de hemelse dansmeisjes ben Ik Pûrvacitti. Ik ben de onverzettelijkheid van de bergen en het aroma waargenomen van de aarde. (34) Ik ben de fijne smaak van water en van de zaken die het meest schitterend zijn ben Ik de Zon. Ik ben het schijnsel van de maan, de sterren en de zon, en Ik ben de bovenzinnelijke geluidsvibratie in de hemel [zie ook 11.15: 19]. (35) Onder hen die van de brahmaanse cultuur zijn ben Ik Bali, van de helden ben Ik Arjuna en inderdaad ben Ik het zich opwerpen, het zich handhaven en het uiteindelijke opgaan van alle levende wezens. (36) Van de macht der zinnen ben Ik het lopen, de spraak, de uitscheiding, het hanteren en de seksuele vreugde [de karmendriya's] alsmede de aanraking, het zicht, de tast, het gehoor en de reuk [de jñânendriya's].

(37) Dit alles wat Ik opsomde - de subtiele vorm van de aarde [de reuk], van de lucht [de tast], van de ether [het geluid], van het water [de smaak], van het vuur [het licht]; het geheel van de materie, de zestien elementen [die vijf basiselementen, de indriya's en de geest], de persoon, het ongemanifesteerde en de geaardheden rajas, tamas en sattva - staat met inbegrip van de geestelijke kennis en de vaste overtuiging [ermee] voor Mijn persoon, Ik die de Allerhoogste ben. (38) Ik ben de Opperste Beheerser van het levende wezen, de guna's en de grotere werkelijkheid. Ik, de Ziel van allen, ben waarlijk alles, Hij buiten wie er hoe dan ook niets bestaat. (39) Het kan Me lukken in een zekere tijd de atomen te tellen maar dat lukt Me niet met de volheden van Mij, Ik die de universa schep met miljoenen tegelijk [vergelijk 10.14: 7]. (40) Welke macht, schoonheid, roem, heerschappij [zie 11.15], bescheidenheid, verzaking, plezier, fortuin, kracht, tolerantie of wijsheid het ook betreft, het vormt allemaal een integraal onderdeel van Mij. (41) Al deze geestelijke volheden die Ik kort voor je opsomde [zie ook B.G. 7, 9 en 10] zijn, met ieder van hen vervat zijnde in toepasselijke termen [in de geschriften, in de leringen], er dienovereenkomstig ook als transformaties van de geest. (42) Beheers [om die reden] de geest, beheers de spraak, beheers je ademen en zinnen. Beheers jezelf met je ziel zodat je nimmer weer zult struikelen op het pad van het materieel bestaan. (43) Zeker is iemand die met behulp van zijn intelligentie niet geheel zijn spraak en geest beheerst, een transcendentalist wiens geloften, boetedoening en liefdadigheid wegsijpelen als water uit een ongebakken pot. (44) Daarom moet degene die in zijn toewijding voor Mij zich heeft ingepast in Mijn bhakti zijn woorden, levensadem en geest beheersen en aldus, met die intelligentie, aan zijn levensdoel beantwoorden.'

 

Hoofdstuk 17  

Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

(1-2) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen die de bhakti voorschrijft en die worden gerespecteerd door alle varnâs'rama volgelingen en zelfs door hen die dat systeem niet volgen. Je zou me dit proces moeten uitleggen waarin de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult met Jouw genade tot liefdevolle toegewijde dienst kan komen. (3-4) De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarover Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen, zoals ze vandaag de dag door Jou zijn onderwezen, nadat ze zolang gegolden hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet langer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en Kali-yuga]. (5-6) Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar Je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jezelf [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is verlaten, o Madhusûdana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o Heer, zal dan spreken over de kennis die verloren ging? (7) Beschrijf daarom zolang Je nog onder ons verkeert alsJeblieft voor mij o Meester, o Kenner van Alle Dharma, wie ervoor in aanmerking komt om de oorspronkelijke plichten, die kenmerkend zijn voor Jouw bhakti, uit te voeren en op welke manier dat moet geschieden.'

(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, die blij was met dat verzoek van de beste van Zijn toegewijden, sprak toen terwille van het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de gewone man de oorzaak van het hoogste welbevinden. Alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hoe ze [de plichten] worden nageleefd door hen die respect hebben voor het varnâs'rama-systeem. (10) In het begin was er het tijdperk van Krita waarin de menselijke wezens tot één klasse behoorden die hamsa wordt genoemd. De burgers van die tijd zijn van hun geboorte af aan goed op de hoogte van de uit te voeren plichten - om die reden kennen de geschoolden dat tijdperk als Krita-yuga, het tijdperk van de plichtsbetrachting. (11) Om te beginnen wordt aan de [onverdeelde] Veda uitdrukking gegeven met de Pranava, waarbij men Mij kent als plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1.17: 24]. Daarmee aanbidden zij die verankerd in de verzaking vrij zijn van zonden Mij als Heer Hamsa. (12) Aan het begin van Tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, ontstond vanuit de prânâ in Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's Rig, Sâma en Yajur] waarmee Ik verscheen in de drie vormen van offeren [vandaar de naam Tretâ, zie ritvik]. (13) Uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid kwamen de geschoolden, de krijgers, de kooplieden en de arbeiders voort [de varna's] waarvan de individuele handelingen te herkennen zijn als [respectievelijk] die van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37]. (14) De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst houden zich degenen op die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde houdt zich op in Mijn hoofd [zie âs'rama]. (15) Afhankelijk van de superieure danwel inferieure positie die men overeenkomstig zijn geboorte inneemt in Mijn lichaam ontwikkelde de hogere en lagere menselijke aard zich van de mensen behorende tot de verschillende maatschappelijke klassen [varna's] en statusvormen [âs'rama's]. (16) Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding voor Mij, mededogen en waarachtigheid zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42]. (17) IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, aandacht hebben voor het brahmaanse en leiderschap vormen de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43]. (18) Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, liefde voor het brahmaanse en altijd druk in de weer met het vergaren van geld zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44]. (19) Betrouwbaar te zijn in het dienen van de brahmanen, de koeien en de godvrezenden en volmaakt tevreden zijn met wat ermee verdiend wordt vormen de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44]. (20) Onrein, achterbaks, diefachtig, ongelovig, ruziezoekerig, wellustig, licht ontvlambaar zijn en steeds maar smachten naar vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen]. (21) Het is de plicht van alle leden van de samenleving om geweldloos, waarheidlievend en eerlijk te zijn, vrij te zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk na te streven van alle levende wezens.

(22) Als hij zoals het hoort [middels samskâra's] een nieuw leven begint met het zich kwijten van zijn taken [de zonden overwint, het karma afwerpt, en daar traditioneel aan gepaard met initiatie in de Gâyatrî de heilige draad ontvangt], behoort een tweemaal geborene verblijvend in de leefgemeenschap van de goeroe, met zijn zinnen in bedwang het voorschrift na te leven dat men de heilige boeken moet bestuderen [zie ook B.G. 16: 24]. (23) Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel. (24) Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer hanteren en het zich ontdoen van ontlasting en urine doet hij in stilte [vaishnava's mompelen met hun japa]. Hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, ook niet het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'ikhâ]. (25) Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zichzelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de Gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah]. (26) Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtends en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35]. (27) In de leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men Mij herkennen. De âcârya moet men nooit en te nimmer afgunstig het respect misgunnen met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de vuistregel en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10.81: 39, 10.45: 32 en 11.15: 27]. (28) 's Avonds en 's morgens moet men hem het voedsel brengen dat werd ingezameld en het overhandigen tezamen met andere artikelen. Daarbij behoort men met ingetogenheid blij te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen. (29) Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen repect te tonen voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan. (30) Aldus bezig moet hij [de brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er zonder te breken met de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook Kumâra's]. (31) Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het Ware Zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met het in acht nemen van de grote gelofte [zie yama]. (32) Vedisch verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita]. (33) Met [seksueel ontvankelijke] vrouwen - of met op seks beluste levende wezens - blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen eigen huishouding op nahoudt [die niet getrouwd is: de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68]. (34-35) Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer hanteren, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken - dit alles vormt de vrijwillige boete die met Mij, Ik die zich ophoudt in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen [alle âs'rama's] o Uddhava. (36) Een brahmaan die zich aldus houdt aan de grote gelofte wordt helder als vuur een onberispelijke toegewijde van Mij waarvan het karma verbrandde door de intensiteit van de boete. (37) Na aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd te hebben behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met zijn toestemming.

(38) Hij moet een gezin stichten of anders leven in het woud [een kluizenaar worden] of, behorende tot de besten der tweemaal geborenen [de brahmanen], een [bedel-]monnik worden. Iemand die zich niet aan Mij heeft overgegeven kan niets anders doen dan zich systematisch van de ene geestelijke afdeling ontwikkelen tot de volgende. (39) Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kwaliteiten die jonger is. Met de eerste echtgenote van eenzelfde levensroeping mag er een andere volgen [die van een lagere klasse of kaste is]. (40) Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid vormt de praktijk van alle tweemaal geborenen, maar alleen de brahmanen houden zich bezig met het aanvaarden van liefdadigheid, vedisch onderricht en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14]. (41) Als een intellectueel [de brahmaan] het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor zijn boetvaardigheid, geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee niet kan verenigen met zijn spiritualiteit, leven van het vergaren van korenaren die werden achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22]. (42) Zeker is dat een een brahmaan een lichaam heeft om de last te dragen van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld zodat hij een onbegrensd geluk in het hiernamaals vindt en niet voor doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19]. (43) Geheel tevreden met het zich bezighouden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuisblijvend, degene die zijn geest op Mij vestigde - en aldus niet zo erg gehecht is - de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69]. (44) Zij die zowel de geschoolden verheffen als zij die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, net als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende. (45) Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14]. (46) Een menselijke vorst geniet, met het op aarde verdrijven van alle zonden, aldus de hemel, samen met Indra zich in een hemels voertuig verplaatsend zo schitterend als de zon. (47) Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]. In geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen]. (48) Een koning mag in geval van nood zichzelf in leven houden door tewerk te gaan als een koopman, of door te jagen of door naar voren te treden als een man van kennis. De weg van een hond kan hij echter nooit volgen. (49) Een vais'ya kan het werk doen van een s'ûdra en een s'ûdra kan het werk verrichten van een handwerksman en manden en matten vervaardigen om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar als dat voorbij is moet men niet een kostwinning beneden zijn stand willen [zie ook 7.11: 17]. (50) Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke vergezeld van [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41]. (51) Er met hen die van je afhankelijk zijn niet over in verlegenheid verkerend of men nu zijn geld verkrijgt zonder zich in te spannen of door zich eerlijk in te spannen, behoort men van gepast respect te zijn met behulp van vedische rituelen. (52) Voor familieleden moet men geen gehechtheid koesteren, noch moet men zich gaan opwinden [met het idee de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat dat wat in het verschiet ligt net zo tijdelijk is als dat wat zich heeft afgespeeld. (53) Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; net als met een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer verdwenen als men van lichaam verwisselt [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28]. (54) Daarvan overtuigd zal een bevrijde ziel die zich niet met het lichaam identificeert en onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, niet verstrikt raken in huiselijke aangelegenheden. (55) Als men met de activiteiten van een gezinsleven Mij aanbidt, mag men als toegewijde thuis blijven of het woud ingaan, of ook, als nazaten de verantwoordelijkheid over kunnen nemen, de wereldverzakende orde oppakken. (56) Hij die gebrand is op vrouwen echter en wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in zijn gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'. (57) 'Och mijn arme oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen en mijn kleine, weerloze kindjes! Hoe moeten zij nu leven als ze ellendig het zwaar te verduren hebben als ik er niet ben?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57]. (58) Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, het hart van zo iemand in beslag zijn genomen en zal hij ontevreden over hen piekerend met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.'

Voetnoten:

* De term adhauta hier gebruikt betekent, volgens het Monier Williams woordenboek, het negatieve van dhauta, hetgeen wit, gewassen en gezuiverd betekent alsook verwijderd en vernietigd. Met betrekking tot tanden en kleren zou dit zowel niet gepoetste tanden en ongewassen kleren kunnen betekenen als tanden die niet zijn gebroken of verrot en kleren die naar behoren het lichaam bedekken. Aldus hangt het van de context van de andere waarden der verzaking af om uit te maken welke betekenis van toepassing zou zijn. Aangezien adhauta in de eerste zin in tegenspraak zou verkeren met de waarde der reinheid, s'aucam [zie b.v. vers 20 van dit hoofdstuk en 1.17: 24], is er, in tegenstelling tot voorgaande interpretaties gekozen voor de tweede zin van goed onderhouden tanden en kleren die naar behoren het lichaam bedekken, hetgeen meer in overeenstemming is met de normale gang van zaken bij vaishnava toegewijden in aanvaarding van een geestelijk leraar [zie ook pp. 11.17: 23].

** Dit proces van 'in orde brengen' wordt de samâvartana-samskâra genoemd die de voltooiing van de studie markeert en de terugkeer naar huis na met de goeroe te hebben geleefd.

 

Hoofdstuk 18  

Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als men in de derde levensfase zich in het woud wil terugtrekken moet men tewerk gaan in vrede. Terwille van die vrede moet men de echtgenote met zich meenemen of anders haar aan de zoons toevertrouwen. (2) Men moet zorgen voor een zuiver [*] levensonderhoud op basis van de knollen, wortels en vruchten van het woud, en zich kleden in boombast, gras, bladeren of dierenvellen. (3) Met het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar, de nagels en het lichaam zelf vuil en de tanden niet gereinigd [op andere tijden], behoort men drie maal daags zich te baden en ['s nachts] op de grond te slapen. (4) Ascetisch de vijf vuren gedurende de zomer [de offervuren in vier richtingen en de zon daarboven], de stortregens tijdens het regenseizoen en de kou van het in de winter je tot aan je nek onderdompelen in water verdragend, behoort men, bezig zijnd zoals hiervoor vermeld, de boetedoening uit te voeren [zie ook 4.23: 6]. (5) Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden. (6) Met een praktische instelling naar gelang de plaats, de tijd en waar hij toe in staat is, moet hij persoonlijk dat verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19]. (7) Een vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van dieren. (8) Als voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de volle maan en houdt hij zich ook aan de door de vedische experts voorgeschreven geloften voor de wijze met betrekking tot de viermaandelijkse offerplechtigheid [van câturmâsya]. (9) Als hij er die praktijk op nahoudt zal de wijze, vanwege de boete, zo vermagerd zijn dat men zijn aderen kan zien. Aldus van aanbidding voor Mij, het Doel van Alle Boete, bereikt hij Mij in de wereld der zieners [zie ook Maharloka]. (10) Bestaat er dan een grotere dwaas dan iemand die voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke en tot de bevrijding leidende boete is, maar die beoefent met het doel van oppervlakkige zinsbevrediging [zie ook vântâs'î]? (11) Als hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12: 23]. (12) Als alles wat werd verworven door het karma, met inbegrip van een hogere leefwereld, voor hem niets anders is dan de hel en zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt aangeland het offervuur opgeven en zich aansluiten bij de wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].

(13) Met het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met het positioneren van het offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*]. (14) Aan de geschoolde die uit respect voor de waarheid sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbijgaand moet de sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6: 25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7]. (15) Zo de wijze het al wenst kleding te dragen, bedekt hij zich met een lendendoek [of kaupîna]. Niet meer meedragend dan het hoogst noodzakelijke van een staf en een waterpot geeft hij al het overige op. (16) Hij behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen hem zeggen dat het velig is [om niet te trappen op levende wezens], hij behoort water te drinken dat hij filtreerde met zijn kleed, hij behoort zich te bedienen van waarachtige en zuivere woorden en hij moet dat doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde zuiver. (17) Zwijgzaamheid, terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling vormen de strikte discipline voor de stem, het lichaam en de geest. Van hem bij wie er geen sprake is van dezen, Mijn beste, kan men ondanks zijn bamboestokken niet zeggen dat hij een echte sannyâsî is [zie ook tridanda]. (18) Als hij uit gaat bedelen bij de vier varna's moet hij de onreine huishoudens [de zondige, vervuilde] uit de weg gaan als hij willekeurig zeven verschillende huizen benadert waar hij genoegen moet nemen met wat hem wordt toebedeeld [zie ook cakra, vergelijk 1.4: 8]. (19) Ergens buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, erdoor schoon gewassen, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld en vervolgens wat ervan overbleef schoonmaken en in zijn geheel verorberen. (20) Zich alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met zijn zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in zijn realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18, zie bhajan]. (21) Zich ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en met zijn bewustzijn gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze zich te concentreren op enkel de ziel als zijnde niet-verschillend van Mij. (22) Mediterend op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie 11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen die zich laten leiden door zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige controle over hen en de bevrijding. (23) Met de zes afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder controle dankzij het bewustzijn dat hij van Mij heeft, moet de wijze, met het ervaren hebben van het grotere geluk in de ziel, derhalve leven in onthechting van de zinledigheid van de lust. (24) Hij behoort te reizen naar de zuivere toevluchtsoorden op aarde met rivieren, bergen en wouden. De steden, dorpen en weidegronden moet hij enkel betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven terwille van het lichaam. (25) De levensorde die zich ophoudt in het woud moet altijd de positie innemen van het bedelen, omdat door het voedsel dat wordt verkregen door verzamelen [of van de bijstand leven] men snel de bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal vinden. (26) Men moet nimmer het vergankelijke dat men waarneemt in de directe ervaring aanzien voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van alle materieel gemotiveerde handelingen in deze wereld en in de volgende. (27) Met moet met de aandacht naar binnen gericht zich afkeren van het universum dat in het Zelf geheel is verknoopt met de geest, de spraak en de levensadem [zie ahankâra]. Men moet niet aan die begoochelende materiële energie blijven denken. (28) Of het nu iemand betreft die zich heeft overgegeven aan de kennis der zelfverwerkelijking en onthecht is van uiterlijke verschijningsvormen, of dat het nu gaat om iemand die als Mijn toegewijde niet [meer] naar de bevrijding verlangt [als een paramahamsa], in beide gevallen geeft men het op met wat er aan rituelen en kentekenen staat voorgeschreven voor de levensfase [de âs'rama]; zo iemand wordt verondersteld de regels en voorschriften te zijn ontgroeid [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5: 1*]. (29) Hoewel intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder enige terughoudendheid ['ronddolen als een koe']. (30) Hij moet zich nimmer strikt houden aan wat volgens de Veda's zou moeten [te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig enkel maar praten terwille van het argument. (31) Iemand die de heiligheid vond moet zich nooit storen aan andere mensen, noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook een negatieve sfeer creëren voor het belang van het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren [zie ook B.G. 12: 15]. (32) De Allerhoogste is de Ziel die zich bevindt in zowel alle levende wezens als in het eigen lichaam. Net zoals de maan in verschillende waterbekkens wordt weerspiegelt zijn ook de materiële lichamen individuele vonken [of reflecties] van de Ene [zie ook B.G. 6: 29 & 13: 34]. (33) Hecht verankerd in de eigen overtuiging moet men [de sannyâsî] er niet over in zitten als er soms geen [of niet het juiste] voedsel voorhanden is, en ook moet men niet staan te juichen als er genoeg van is; beide zaken zijn bij God geregeld. (34) Men moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden. Met die kracht immers bezint men zich op de spirituele waarheid welke, eenmaal begrepen, tot bevrijding leidt [zie B.G. 6: 16]. (35)  Al het voedsel, alle kleding en al het beddegoed dat hij op zijn weg vindt moet de wijze accepteren, of het nu van een goede of een slechte kwaliteit is [zie ook 7.13]. (36) Algemene reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en andere reguliere plichten moeten door degene die tot spiritueel inzicht is gekomen zonder enige dwangmatigheid worden uitgevoerd, precies zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit. (37) Aan het idee dat men een afgezonderd bestaan zou leiden komt een einde als men zich Mij realiseert. In een enkel geval houdt zo'n idee stand totdat het lichaam het begeeft, maar dan zal daarna zich met Mij alles ten goede keren. (38) Ongelukkig over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die Mij nog niet serieus in overweging heeft genomen, met de weerzin die zich opwierp in het verlangen naar de spirituele volmaaktheid, het als zijn plicht zien een wijze [bonafide] persoon [van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie ook B.G. 16: 23-24, 4: 34 & 17: 14]. (39) De toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang de geestelijk leraar die Mij belichaamt dienen, totdat hij een duidelijk inzicht heeft verkregen in het spirituele [zie ook 11.17: 27]. (40-41) Hij dan die niet de zes ondeugden de baas is [de anartha's], hij die zich als de wagenmenner van het lichaam laat leiden door de zinnen, hij die niet onthecht verstoken is van de kennis, hij die de staf met de drie stokken aanwendt voor het verwerven van een inkomen en hij die Mij, zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf ontkent, is, omdat hij niet heeft afgerekend met de besmetting en aldus het dharma bederft, zowel in deze wereld als in de volgende het spoor bijster.

(42) Het is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn, boete en onderscheidingsvermogen kenmerkt degene die in het woud leeft, de huishouder biedt onderdak en houdt offerplechtigheden en een celibataire novice dient de âcârya. (43) Het celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk zijn voor alle levende wezens zoals men dat kan zien bij allen die Mij aanbidden, vormt ook de weg van de huishouder die zijn vrouw benadert als de tijd er rijp voor is [zie ook B.G. 7: 11]. (44) Degene die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt en niets en niemand anders toegewijd is, zal zich Mij realiseren in alle levende wezens en komt tot een vastberaden toegewijde dienst tot Mij. (45) Middels een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan alles een einde maakt. (46) Als hij zo overeenkomstig zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd heeft, en begiftigd met kennis en wijsheid geheel doordrongen is van Mijn verheven positie, zal hij Mij zeer spoedig bereiken. (47) Allen die het varnâs'rama-systeem volgen kenmerken zich door een traditionele gedragscode die het dharma verzekert. Dit plichtsbesef gecombineerd met Mijn bhakti geeft de hoogste volmaaktheid des levens. (48) O vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven waarmee men zich als toegewijde volmaakt kan inzetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste kan komen.'

Voetnoot:

* S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkur citerend uit de Manu-Samhitâ wijst erop dat het woord medhyaih ofwel 'zuiver' in deze context betekent dat terwijl hij verblijft in het woud een wijze niet dranken gebaseerd op honing moet aanvaarden, noch het vlees van dieren, schimmels, paddestoelen, mierikswortel of welke hallucinogene of bedwelmende kruiden dan ook, ook niet onder het voorwendsel van medicinaal gebruik.

** Shastri C.L. Goswami geeft hier als commentaar bij zijn vertaling van het boek: 'De s'ruti stelt vast dat een brâhmana een kluizenaar kan blijken te zijn wanneer ook maar vairâgya zich in hem voordoet, ongeacht het levensstadium waarin hij zich bevindt'.  

 

Hoofdstuk 19

De Perfectie van de Spirituele Kennis

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Iemand die, toegerust met de kennis overeenkomstig de orale traditie, zelfgerealiseerd is en zich niet verliest in gissingen over wat ware kennis is, moet, op de hoogte van het feit dat dit universum zowel als de kennis erover in hoge mate illusoir is, zijn schreden naar Mij richten. (2) Voor de spiritueel filosoof ben Ik de enige ware liefde, het eigenbelang, het motief en de slotconclusie alsook de verheffing en de weg naar de hemel; buiten Mij als zijnde de favoriet bestaat er voor hem geen ander doel. (3) Zij die in ieder opzicht volkomen zijn in de kennis en de wijsheid, kennen Mijn lotusvoeten als het allerhoogste voorwerp [van aanbidding] en om die reden is de geleerde transcendentalist die op basis van de spirituele kennis aan Mij vasthoudt, Mij het meest dierbaar [zie ook B.G. 7: 17-18]. (4) Dat wat het loon is van verzakingen, het bezoeken van heilige plaatsen, het doen van japa, het beoefenen van liefdadigheid en het verrichten van andere vrome daden is niet te vergelijken met de volmaaktheid die men verwerft met slechts een fractie van deze spirituele kennis [vergelijk 10.46: 32-33]. (5) Aanbid daarom liefdevol gestemd Mij met de spirituele kennis waarmee je je ziel kent o beste Uddhava, en waarmee je van succes bent met de kennis en de wijsheid. (6) De wijzen verzekerden zich van de hoogste volmaaktheid door met het offer van de vedische kennis en wijsheid Mij, de Heer van Alle offers, te aanbidden die de Opperziel in henzelf is. (7) O Uddhava, de manifeste wereld die is verdeeld in drie afdelingen en zich voortdurend omvormt, bestaat uit de begoochelende energie die zich in het heden doet gelden. Maar omdat die manifestatie niet aanwezig is in den beginne en er ook niet meer is als het einde daar is, mag je je afvragen in welke relatie ze [de geaardheden] dan tot [het ware van] jou staan. Ze hebben slechts betrekking op het geboren worden en zo meer van je materiële lichaam. Dat wat er eerst niet was en er op het einde ook niet is, is er enkel maar tijdelijk.'

(8) S'rî Uddhava zei: 'O Beheersing van het Universum, o Jij in de Gedaante van het Universum, verklaar alsJeblieft de bhakti-yoga jegens Jou waar ook de groten op uit zijn, en die deze uitgebreide, terdege gevestigde kennis omvat die zo traditioneel is als de [oorspronkelijke] onthechting en wijsheid [van Brahmâ]. (9) O Heer, voor degene die gekweld op de gewelddadige materiële weg is overweldigd door de drievoudige misère [zie 1.17: 19], zie ik geen andere beschutting dan het bladerdak van Jouw twee lotusvoeten die de nectar doen neerregenen. (10) AlsJeblieft beur deze persoon op die, gebeten door de slang van de tijd, hopeloos ten val kwam in dit donkere gat. Beur deze persoon op die zo erg smacht naar wat onbeduidend geluk. O Macht van het Verstaan, stort uit Je woorden van genade die iemand tot de bevrijding wekken!'

(11) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat je nu vraagt werd in het verleden door de koning die niemand als zijn vijand beschouwt [Yudhishthhira] gevraagd aan Bhîshma, de beste van de verdedigers van het dharma, terwijl wij allen aanwezig aandachtig luisterden [zie 1.9: 25-42]. (12) Toen de oorlog tussen de nazaten van Bharata voorbij was, vroeg hij, overmand door de vernietiging van zijn geliefde weldoeners, wat, met alles wat hij had gehoord over de vele religieuze beginselen, nu uiteindelijk de aard van de bevrijding is. (13) Ik zal je de vedische kennis beschrijven die bestaat uit onthechting, zelfverwerkelijking, geloof en toegewijde dienst, zoals die vernomen werd uit de mond van degene die voor God een eed had afgelegd [te weten Bhîshma]. (14) Als men met de negen, elf, vijf en drie elementen die men terugvindt in alle levende wezens getrouw de waarheid het ene element [van de Geest van het Absolute, de Superziel, de Heer, zie 1.2: 11] in hen ziet, draagt die spirituele kennis Mijn goedkeuring weg. (15) Niet van al de elementen onderhevig aan de drie geaardheden zijnd maar meer de Ene die dit universum handhaaft, schept en vernietigt voor zich ziend, is men feitelijk van de kennis der zelfverwerkelijking [vijñâna]. (16) Met moet alleen datgene als het ware en eeuwige beschouwen wat zowel aanwezig is in den beginne, als in de tussentijd waarin het met de ene vorm overgaat in de andere, als op het laatst wanneer het zich handhaaft als alles zijn vernietiging vindt. (17) Met de vier soorten van bewijs - de vedische waarheid [s'ruti], de waarheid van de directe ervaring [pratyaksha], de waarheid per traditie [aitihya of smriti], en de waarheid van het logisch doorredeneren [anumâna] - ontwikkelt men onthechting van de wisselvallige aard van de werkelijkheid der tegenstellingen [zie pramâna]. (18) Omdat alle materiële activiteiten van voorbijgaande aard zijn is er tot aan de wereld van Viriñca [brahmaloka] het ongeluk te vinden. Een intelligente persoon die inziet dat al wat men ervaren heeft tijdgebonden is zal ook begrijpen dat dat evenzo geldt voor al het overige in het universum [zie tevens shath-ûrmi, 11.3: 20 en B.G. 8: 16]. (19) Omdat je van Me houdt sprak Ik voorheen met je over bhakti-yoga, o zondeloze. Laat Me nu ook uitweiden over de manier waarop men de verheffing van Mijn toegewijde dienst bereikt. (20-24) Geloof in de nectar van de vertellingen over Mij, steeds Mijn heerlijkheden bezingen, verankerd zijn in de gehechtheid van de ceremoniële aanbidding, zich met lofzangen en gebed tot Mij verhouden; van een hoge achting zijn voor Mijn toegewijde dienst, met het hele lichaam zijn eerbetuigingen brengen, van de eersteklas aanbidding van Mijn toegewijden zijn, zich bewust zijn van Mij als zijnde aanwezig in alle levende wezens, alles wat men normaal doet aan Mij opdragen alsook het metwoorden hooghouden van Mijn kwaliteiten , de geest op Mij richten en alle materiële begeerten afwijzen; te Mijnentwille het met het geld op te geven alsook met het zinnelijk genot, het materieel geluk en de hartstochten; aan liefdadigheid doen en offers brengen in eerbetoon, de namen herhalen om Mij te bereiken en zich aan geloften en verzakingen houden; dat zijn de manieren waarop, Uddhava, bij die mensen die zich daadwerkelijk inzetten voor het dharma, zich de liefdevolle dienst voor Mij ontwikkelt - welk ander doel zou er voor Mijn toegewijde nou overblijven? (25) Als in vrede verkerend het bewustzijn is verzonken in de ziel, bereikt men, met de kracht van de geaardheid goedheid, religiositeit, spirituele kennis, onthechting en volheid. (26) Als men echter gefixeerd op de materiële verscheidenheid, zijn zinnen najaagt in alle richtingen en men aan de hartstocht verslingerd raakt, moet je weten dat men met dat [materialistische] bewustzijn gewijd aan zaken van voorbijgaande aard, het tegenovergestelde bereikt. (27) Van dharma zegt men dat het leidt tot Mijn toegewijde dienst. Spirituele kennis acht men als de visie van de aanwezigheid van de Superziel. Onthechting ziet men als het verlies van de belangstelling voor zinsobjecten en de volheid herkent men in de animâ en dergelijke [perfecties en vermogens zie 11.15 & 11.16 en bhaga].'

(28-32) S'rî Uddhava zei: 'Van hoeveel soorten van onthoudingen [yama] en inachtnemingen [niyama] is er sprake, o Onderwerper van de Vijand, wat is evenwicht, wat is zelfbeheersing, beste Krishna, wat is tolerantie en wat heet stabiliteit, mijn Heer? Wat is liefdadigheid, wat is boete, heldhaftigheid, wat zegt men over waarheid en werkelijkheid, wat is verzaking en weelde, wat is wenselijk, wat een offer en wat is een religieuze vergoeding? Wat denk Je dat de kracht van een persoon is, o Fortuinlijke, de volheid en de winst, o Kes'ava, wat heet scholing, bescheidenheid, wat is superieur, wat is schoonheid en wat is geluk en ook het ongeluk? Wie heet geschoold, wie is een dwaas, wat is de ware weg en wat de dwaalweg, wat is de hemel en wat is de hel en wie noem Je een vriend en wat heet een thuis? Wie is welvarend, wie is arm, wie is een ellendeling en wie een beheerser; alsJeblieft praat met me over al deze zaken alsook over de tegengestelde kwaliteiten, o Heer der Waarachtigen.'

(33-35) De Allerhoogste Heer zei: 'Geweldloosheid, waarheidsliefde, het niet begeren of toeëigenen van het bezit van anderen, onthechting, bescheidenheid, zonder bezitsdrang zijn, geloven in God, celibatair en stil zijn, standvastigheid, vergevingsgezindheid en onbevreesdheid enerzijds, en reinheid [vanbinnen en vanbuiten], het bidsnoer hanteren, boete doen, opofferen, vertrouwen koesteren, gastvrij zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, handelen en streven terwille van het Allerhoogste, tevreden zijn en het dienen van de geestelijk leraar anderzijds zijn de twaalf onderdelen die men van yama in gedachten houdt en die samen met die van de niyama door mensen toegewijd worden gecultiveerd, mijn beste, en afhankelijk van wat iemand wil resultaat opleveren [in de zin van zaligheid of voorspoed]. (36-39) Evenwichtigheid houdt de gedurige verzonkenheid van de intelligentie in Mij in [zie ook 11.16: 10] en zelfbeheersing is de volmaakte discipline van de zintuigen; tolerantie betekent dat men het ongeluk moet verdragen en stabiliteit is het overwinnen van de tong en de geslachtsdelen. De hoogste liefdadigheid is het opgeven van de roede [anderen te bestraffen], boete herinnert men zich als het opgeven van de lust, heldhaftigheid bestaat eruit je eigenliefde te overwinnen en werkelijkheid impliceert dat men de Heer overal ziet. Waarachtigheid houdt in dat men van de ware en aangename bewoordingen is die door de wijzen worden goedgekeurd, reinheid betekent dat men onthecht is van het verrichten van productieve arbeid [zie ook b.v. 1.1: 2 en B.G. 18: 6] en van de verzaking zegt men dat die van sannyâsa, de wereldverzakende orde is. Voor mensen vormt religiositeit de na te streven weelde, ben Ik de Meest Fortuinlijke, is religieuze vergoeding de donatie [ter compensatie] van de genoten spirituele kennis en vormt de adembeheersing de grootste kracht. (40-45) De volheid is Mijn goddelijke aard [zie 11.16 en bhaga], de winst is Mijn bhakti, scholing houdt het tenietdoen van de verdeeldheid van het zelf in [zie siddhânta en advaita] en bescheidenheid is de weerzin tegen nalatigheid wat betreft voorgeschreven plichten [tegen zonde dus]. Schoonheid is het hebben van goede eigenschappen als onthecht zijn van materieel verlangen en dergelijke, geluk betekent dat men boven voor- en tegenspoed staat, ongeluk bestaat uit het mediteren op het geluk van de lust, en een wijs iemand is iemand die weet heeft van de bevrijding uit de gebondenheid. Een dwaas is degene die zich identificeert met zijn lichaam en zo meer [het denken etc.], de juiste weg is de weg die tot Mij leidt, de dwaalweg moet worden begrepen als de weg die leidt tot de verbijstering van het verstand, en de hemel moet men zien als het overwegen van de geaardheid goedheid. De hel is het domineren van de geaardheid der onwetendheid, de ware vriend is de geestelijk leraar die Ik ben, Mijn beste vriend en je thuis is het menselijk lichaam. Voorzeker wordt iemand rijk genoemd die rijk is aan goede kwaliteiten terwijl een armoedzaaier iemand is die ontevreden is. De ellendeling is degene die zijn zintuigen niet de baas is, een beheerser is iemand die zijn intelligentie niet vastlegt op de materiële aangelegenheid en van het tegengestelde [in kwaliteiten] is degene die gehecht is aan zijn zinsbevrediging. Dit, Uddhava, zijn de onderwerpen waar je naar vroeg en die Ik zo allemaal netjes heb toegelicht. Maar wat heb je aan de uitvoerige beschrijving van de kenmerken van goede en kwade eigenschappen als het zien van goed en kwaad nog steeds de fout inhoudt dat men het ware goede [van de transcendentie] niet voor zich heeft dat losstaat van die twee [vergelijk met 3.10: 28-29, 6.16: 10-11, 11.7: 8, 11.11: 16 en B.G. 7: 5].'

 

 

Hoofdstuk 20

Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

(1) S'rî Uddhava zei: 'Naar de eer van Jou de Beheerser, o Lotusogige, concentreren de heilige geschriften, die de positieve en negatieve voorschriften bevatten, zich op de deugd en de ondeugd van het karma [akarma en vikarma]. (2) Ze handelen ook over de verscheidenheid van het varnâs'rama-systeem waarin de vader van een hogere [anuloma] dan wel een lagere klasse [pratiloma] kan zijn dan de moeder, ze gaan over hemel en hel en behandelen de onderwerpen van het hebben van bezittingen, de leeftijd, de plaats en de tijd [zie ook 4.8: 54 en *]. (3) Hoe kunnen mensen die deugd en ondeugd niet uit elkaar kunnen houden nu bevrijd raken zonder Jouw verbodsbepalende en regulerende woord [vergelijk 11.19: 40-45]? (4) De vedische kennis die uit Jou voortvloeit biedt zowel de voorvaderen, de goden als de menselijke wezens een superieur inzicht in de niet zomaar voor iedereen duidelijke zin van het leven, dat waar we naar streven en wat we daarvoor moeten aanwenden. (5) Het verschil tussen deugd en ondeugd ziet men met behulp van Jouw vedische kennis, het is een inzicht dat niet uit zichzelf ontstaat, maar het zijn ook Jouw Veda's die een dergelijk verschil weer uitvlakken en dus duidelijk verwarring stichten...'

(6) De Allerhoogste Heer zei: 'De drie wegen van de yoga die Ik heb beschreven met het verlangen het menselijk wezen de volmaaktheid te schenken, zijn het pad van de filosofie [jñâna], het pad van de arbeid [karma] en het pad van de devotie [bhakti]; er zijn buiten hen geen andere wegen te vinden [zie ook B.G. inhoud en trikânda]. (7) Voor hen die het niet meer zien zitten met prestatiegerichte werkzaamheden en zich op dat punt onthouden van handelingen is er de yoga van de spirituele kennis en voor hen die daar bewust niet afkerig van zijn en wèl voelen voor materieel geluk is er het pad van de karma-yoga. (8) Als het voorviel dat er zich geloof in mijn verhalen en wat er allemaal zo bijhoort ontwikkelde, zal voor zo een persoon die noch afkerig, noch al te gehecht is, het pad van de bhakti-yoga de volmaaktheid brengen. (9) Zolang men geen genoeg heeft van baatzuchtige arbeid en geen geloof hecht aan mijn verhandelingen of luisteren etc. [7.5: 23-24], moet men maar zo doorgaan [zie ook 1.2: 7, 11.5: 41]. (10) Iemand zal niet naar de hemel gaan, maar ook niet in de hel belanden, Uddhava, als hij eraan vasthoudt niets anders te doen dan zijn voorgeschreven plichten en hij zonder nevenmotieven van aanbidding is met het brengen van offers [zie ook B.G. 8: 16]. (11) Als men, in deze wereld levend, zonder te zondigen vasthoudt aan zijn plichten en zuiver is [in zijn motieven], verwerft men bovenzinnelijke kennis en bereikt men eventueel, als het lot gunstig gezind is, Mijn bhakti [vergelijk 1.5: 23-31]. (12) Net als de bewoners van de hel, verlangen zelfs de bewoners van de hemel naar deze planeet aarde die zo bevorderlijk is voor de spirituele kennis en de toegewijde dienst die in beide posities van weinig waarde lijken te zijn (13) Een menselijk wezen zou nimmer naar de hemel moeten streven of in de hel moeten willen belanden, noch zou een wijs iemand naar deze planeet aarde moeten verlangen, omdat men op basis van een dergelijke lichamelijke betrokkenheid een dwaas wordt. (14) Dit wetende behoort iemand, voordat hij doodgaat, zich te beijveren voor de transcendentie in de wetenschap dat, hoewel [het lichaam is] onderworpen aan de dood, het [materieel bestaan] de volmaaktheid van de levensbestemming binnen bereik brengt. (15) Een vogel die het nest opgeeft dat hij bouwde in een boom die werd omgezaagd door een paar boodschappers van de dood, bereikt het geluk bij de genade van het niet gehecht zijn. (16) Wetend dat met iedere dag en nacht de levensduur bekort wordt heeft men, gegrepen door de angst, begrip voor de bovenzinnelijke positie en bereikt men vrij van begeerte de volmaakte vrede. (17) Het menselijk lichaam dat de bron vormt van alle zegeningen verkrijgt men zomaar ookal komt dat maar zelden voor [gezien de enorme keuze aan levensvormen op de planeet]. Het vormt een schip dat buitengewoon geschikt is voor zijn taak, gegeven een geestelijk leraar als de kapitein en voortgedreven door de gunstige winden die Ik vertegenwoordig. Maar als iemand de oceaan van het materieel bestaan er niet mee oversteekt is hij de moordenaar van zijn eigen ziel. (18) Een yogi, die geen hoop koestert in materiële aangelegenheden, heeft zijn zinnen geheel in bedwang en is onthecht. Hij moet zich concentreren om de geest te stabiliseren in de discipline die hij erop nahoudt met de ziel. (19) Geconcentreerd op het spirituele vlak moet de geest, als die plots wordt weggetrokken uit zijn positie, zorgvuldig, volgens de regels van de kunst, onder controle van het zelf worden gebracht [zie ook B.G. 6: 26]. (20) Men moet, als men vanuit het goede opererend zijn adem en zijn zinnen onderwerpt, niet vergeten wat de zin van het denken is. De geest moet steeds met behulp van de intelligentie worden teruggeleid naar het toezicht van de ziel [om die te dienen, zie B.G. 3: 42]. (21) Dit waarlijk allerverhevenste yogaproces bestaat eruit dat men nauwlettend steeds de geest observeert met het doel om hem geheel in bedwang te krijgen. Men moet er vertrouwenwekkend mee omgaan alsof het een paard is dat men wil temmen [zie ook B.G. 6: 33-34]. (22) Door te analyseren hoe de verschillende onderdelen en beginselen van de spirituele kennis samenhangen en in strijd verkeren, hoe ze ontstaan en weer verloren gaan, moet men de aandacht er steeds bijhouden totdat de geest zijn vervulling heeft bereikt. (23) Van degene die met afdoende tegenzin de materie heeft losgelaten geeft de geest, die aan de hand van de vedische voorschriften steeds bezig wordt gehouden met het analyseren van alles waar die op gericht is, het op zich met dat onderwerp valselijk te vereenzelvigen. (24) Men moet de geest op geen andere manier richten op het doel van de yoga dan met de onthoudingen en procedures van de [achtvoudige] yogamethode, met de logische analyses van de spirituele beschouwing of middels de oefeningen van respect voor Mijn gedaante [karma-, jñâna- en bhakti-yoga]. (25) Als een yogi door nalatigheid een verwerpelijke daad begaat, moet hij met enkel de yogamethode die zonde weer verzengen. Met dit soort zaken moet hij nooit en te nimmer anders tewerk gaan [vergelijk 1.5: 17, B.G. 4: 19, 9: 30]. (26) De gestadige praktijk die een ieder er met zijn eigen methode op nahoudt vormt een lovenswaardige deugd, maar door de aard der vruchtdragende [karmische] handelingen is men niet zuiver bezig. Aan de hand van deze deugd en ondeugd worden de disciplinaire inachtnemingen [van de niyama] ingesteld vanuit het verlangen de verschillende vormen van gehechtheid los te laten. (27-28) Als bij hem het geloof in Mijn vertellingen is ontwaakt en hij afkeer koestert voor al het karma moet hij [de âtmânandi bhakta] die bekend is met de misère die gevormd wordt door de lust - ondanks dat hij niet volledig van beheersing is in het proces van de verzaking - door dat inzicht gesterkt in zijn overtuiging overgaan tot het verheerlijken van Mij [bhajana]. Aldus blijft hij in zijn geloof gelukkig en heeft hij daarbij spijt van de zinsbevrediging die leidde tot het ongeluk. (29) Al de lusten die een wijze in zijn hart heeft worden vernietigd als hij, Mij voortdurend aanbiddend in de bhakti-yoga zoals beschreven, zijn hart stevig in Mij heeft verankerd [zie sthita-prajña]. (30) De knopen in het hart worden doorsneden, alle twijfels worden aan stukken gesneden en de keten van de baatzuchtige handelingen komt ten einde als Ik wordt gezien als de Opperziel van Allen. (31) Om die reden is voor een yogi die, verbonden in Mijn toegewijde dienst, zijn geest op Mij vestigde, over het algemeen noch het pad van de kennis, noch het pad der onthechting [van baatzuchtig handelen] de manier om gelukkig te worden in deze wereld. (32-33) Mocht hij op de een of andere manier de hemel, de zaligheid of Mijn verblijf begeren, dan wordt alles wat wordt verkregen door baatzuchtig handelen, door boete te doen, de kennis te cultiveren en door de dingen los te laten; werkelijk alles wat wordt bereikt door de mystieke yoga, liefdadigheid, religieuze inachtnemingen, gunstige handelingen of anderszins, met gemak door Mijn toegewijde bereikt in de liefdevolle dienst aan Mij. (34) De geheiligden die nuchter zijn, de toegewijden die zonder twijfel één zijn van hart jegens Mij, verlangen het inderdaad nimmer dat Ik ze de verlichting of de vrijheid van geboorte en dood verleen. (35) Men stelt dat men maar beter niets kan begeren, opdat zich bij hem die niet uit is op enig persoonlijk voordeel, bij hem die begeerteloos is, zich als het hoogste stadium van bevrijding de bhakti voor Mij kan voordoen [zie ook 2.3: 10]. (36) Ongunstige kwaliteiten ontspruitend aan zwakheden kunnen zich in de zuivere toegewijden met Mij nimmer [weer] opwerpen omdat zij vrij van begeerte onder alle omstandigheden stabiel zijn in het bewustzijn. Ze behoren nu tot degenen die zich hebben bewogen voorbij dat wat met een materieel ingesteld verstand kan worden begrepen [zie ook B.G. 9: 30].

(37) Zij die deze methoden volgen zoals Ik ze nu heb onderricht, bereiken de geborgenheid van Mijn verblijfplaats in de rechtstreekse waarneming van dat wat de Absolute Waarheid is.'

Voetnoot:

*: De vaidehaka's bestaan uit hen geboren uit een s'ûdra vader en een brâhmana moeder, de sûta's zijn zij die geboren zijn uit een kshatriya vader en een brâhmana moeder of van een s'ûdra vader en een kshatriya moeder. De mûrdhâvasikta's zijn zij geboren uit een brâhmana vader en een kshatriya moeder. Ambashthha's zijn zij die geboren zijn uit een brâhmana vader en een vais'ya moeder [dezen werken vaak in de gezondheidszorg]. Karana is de naam voor hen die geboren zijn uit een vais'ya vader en een s'ûdra moeder of een kshatriya vader en een vais'ya moeder.

 

Hoofdstuk 21

Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het opgeven met deze manieren om Mij te bereiken, bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan, komen met het onbeduidende van de wisselvallige lusten die ze cultiveren met de zintuigen, te staan voor de eindigheid van het materieel bestaan. (2) Van de standvastigheid die een ieder in zijn positie heeft zegt men dat dat de feitelijke deugd is en het tegengestelde [ofwel de onstandvastigheid] is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16]. (3) Wat zuiver of onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken die men moet beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze [wat deugt voor het lichaam b.v. deugt nog niet in religieus opzicht]. (4) Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] stel Ik aan de orde terwille van hen die gebukt gaan onder de last der religieuze beginselen. (5) Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van Heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, deel uitmaken van de lichamen van de levende wezens die allen verbonden zijn in de Opperziel. (6) Hoewel ze bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe die de behartiging van hun eigenbelang ten dienste staan [zie varnâs'rama].

(7) Wat de juiste en onjuiste overwegingen zouden zijn wat betreft de plaats, de tijd, de dingen en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen. (8) Van alle plaatsen zijn die plaatsen verdorven waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en waar de gevlekte antilopen niet te vinden zijn. En zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats waar de heilige mannen van de cultuur niet te vinden zijn, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *]. (9) De tijd noemt men juist en geschikt als die ofwel door zijn eigen natuurlijke aard [d.w.z. niet tegen de natuur in gemanipuleerd] ofwel begrepen naar de persoon [de Heer, maar ook naar het seizoen, het geld - de lakshmî-, de beschikbaarheid van iets] geschikt is voor het uitvoeren van de voorgeschreven plicht. Verkeerd en ongeschikt is de tijd die iemand in zijn plichtsvervulling belemmert, de tijd die niet geschikt is om arbeid te verrichten [een lustmatig, willekeurig idee van de tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. (10) Het zuivere en onzuivere van een ding [of van een substantie] stelt men vast aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***]. (11) Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, intelligentie en weelde, toestand en plaats, leidt het [te weten de kwaliteit van iets] bij een persoon tot een overeenkomstige zondige [dan wel deugdzame] reactie. (12) Onder de invloed van een combinatie van de tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk [raken dingen gezuiverd zoals b.v.] granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur. (13) Men beschouwt dat als zuiverend wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp. (14) Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [als zijnde de doener] in de heugenis van Mij, tewerk te gaan naar het zuivere, de reinheid van het [oorspronkelijke] zelf. (15) De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan en de zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Religiositeit is het gevolg van [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid resulteert uit het tegenovergestelde.

(16) Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd. Met het inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan voor het feit dat het onderscheid [tussen wat wel en wat niet deugt] feitelijk door hen vervaagd [4*]. (17) Hetzelfde karma op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde...] valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke gehechtheid in een deugd. (18) Waar men ook van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het religieuze leven dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt. (19) Ervan uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en door de lust is er strijd onder de mensen. (20) Door de strijd is er de moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede is er onwetendheid; en zo raakt iemand's bewustzijn snel overweldigd door de duisternis. (21) O heilige ziel, een levend wezen aldus verstoken [van een helder verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, vanwege het feit dat zijn levensdoelen voor hem wegvielen, net als de trage materie zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2: 62-63]. (22) Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig een leven erop nahoudend als van een boom, zichzelf niet, noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp. (23) De beloningen in het vooruitzicht gesteld door de geschriften vormen voor de mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de smaak voor het uiteindelijke goed te pakken te krijgen, net zoals men iemand aanspoort om een medicijn in te nemen. (24) Alleen al door hun geboorte weerstreven stervelingen het belang van hun ziel omdat hun geesten verstrikt zijn in de belangenbehartiging van de zaken die ze begeren, van hun levensfuncties en van hun beminden. (25) Onderworpen [in religieuze zin] dolen ze, zich niet bewust zijnde van hun ware eigenbelang, rond op het pad van de rampspoed. Waarom zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan aanzetten tot nog meer zinsgenoegens [zie ook 5.5: 17]? (26) Sommige mensen, zij die op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpen, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44]. (27) De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen positie niet [dat ze een individuele ziel zijn i.p.v. een lichaam]. (28) Gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum dat Ik ook ben ontsprong - uit op het zinnelijke zijn ze als mensen die in de mist staren. (29-30) Zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn ze, opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat kan voorkomen [in de natuur], maar dat zeker nimmer wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid er behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die terwille van het eigen zinsgeluk werden afgeslacht, zijn ze in hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen. (31) Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die, aardig klinkend, gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze zakenlieden, de feitelijke bedoeling eraan hebben gegeven [van het realiseren van de ziel]. (32) Gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid aanbidden ze de goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid. Mij echter aanbidden ze zo niet op de juiste wijze [zie ook B.G. 9: 23en 10: 24 & 25]. (33-34) 'Als we hier op aarde met onze offerplechtigheden vol van aanbidding zijn voor de goden zal ons het hemels geluk ten deel vallen en zullen we daarna op aarde allen in een kast van een huis wonen en van een goede komaf zijn.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks die taal als trotse en hoogst begeertige mensen niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

(35) De trikânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware zelf, de ziel, als hun onderwerp maar ook de vedische zieners die zich meer esoterisch uitdrukken op eigen gezag zijn Mij dierbaar [de 'andere goeroes']. (36) Het bovenzinnelijk geluid [de s'abda-brahman] dat zich manifesteert in de prâna, de zinnen en de geest [van de zelfverwerkelijkte, verlichte persoon], is iets dat heel moeilijk te begrijpen is, het is onbegrensd en is onmetelijk diep als de oceaan. (37) Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra], wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd door een enkele vezel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15]. (38-40) Net zoals een spin vanuit het hart zijn web weeft via zijn lichaamsopening, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme, onbegrensde uitgebreidheid [van de vedische klankmanifestatie, zie ook B.G. 15: 15]. (41) Bijvoorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anushthup; Brihatî en Pankti alsook Trishthup, Jagatî, Aticchanda, en Atyashthi, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen]. (42) Wat zij [karma-kânda] voorschrijven [dat men zou moeten doen], waar zij [upâsana-kânda] op duiden [als zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden [als filosofie], de kern van deze zaak is in deze wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk 11.20, B.G. 4: 5, 7: 26, 10: 41]. (43) Ik ben het voorwerp der aanbidding, Mij geldt de voorgeschreven handeling en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en wegverklaard [5*]. De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft uitvoerig de materiële dualiteit als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.'

Voetnoten:

* S'rîla Madhvâcârya citeert als volgt uit de Skanda Purâna: 'Religieuze personen behoren zich op te houden binnen een straal van dertien kilometer van rivieren, oceanen, bergen, hermitages, bossen, spirituele gemeenschappen of plaatsen waar de s'âlagrâma-s'îlâ [een zwarte ovale riviersteen geschikt om te aanbidden] wordt aangetroffen. Alle andere plaatsen moeten als kîkatha worden beschouwd, ofwel als besmet. Maar zelfs als men in zulke besmette plaatsen zwarte en gevlekte antilopen aantreft, mag men zich daar ophouden zo lang als er geen zondige personen aanwezig zijn. Zelfs als er zondige personen aanwezig zijn mag men zich daar ophouden, mits het burgerlijk gezag in handen is van respectabele autoriteiten. Zo ook mag men zich daar ophouden waar de Beeltenis van Vishnu naar behoren is geïnstalleerd en wordt aanbeden.'

**: De paramparâ voegt hier toe: 'Politieke, sociale of economische verstoringen die iemand belemmeren in de uitvoering van zijn religieuze plichten worden beschouwd als tijden die ongunstig zijn.' Derhalve is de - vorm van, de soort van - tijd waarmee men de omgang met de Opperheer of de Heer Zijn zuivere toegewijde bereikt, de tijd die gunstig heet, terwijl de vorm van tijd die politiek, economisch of sociaal bepaald wordt en waarmee men die omgang verliest, een tijd is die hoogst ongelukkig wordt genoemd. Religieuze timing - overeenkomstig de zon en de maan b.v. - is sat kâla, of ware timing en juiste conditionering, terwijl menselijk bepaalde timing zoals de standaardtijd asat kâla is, ofwel een tijdconditionering inhoudt die is gebaseerd op vals gezag, een karma gemotiveerde tijd gedreven door nevenmotieven. Wetenschappelijk betreft het een biologisch conflict op het niveau van het zenuwstelsel tussen de natuurlijke prikkels van de tijd, zoals de regelmaat van het daglicht, en de culturele prikkels van de tijd die hier met lineaire en gegeneraliseerde tijdsbegrippen als de gemiddelde tijd en de zonetijd, haaks op staan. De tijdzin van de moderne mens is daardoor gestoord, hij lijdt onder de psychologische tijd, een instabiel gevoel van de tijd dat fundamenteel is voor de cultuurneurose.

*** Een voorbeeld ter illustratie bij deze nogal abstracte formulering wordt gevormd door de klok: de klok is zuiver of onzuiver naar gelang het object van meting: de tijd van de natuur als een ander 'ding' van de tijd. Dit wordt het criterium van de wetenschappelijke validatie genoemd ofwel het bepalen van het nulpunt van de meting. Maar ook erover sprekend in een wetenschappelijk betoog en uitleggen dat de gemiddelde tijd, de klok die afwijkt van de natuur, is afgeleid uit en refereert aan de natuur zelf middels een wetenschappelijke formule die uitdrukking geeft aan de zogenaamde tijdvereffening, is een manier om een klaarblijkelijk afwijkende klok te heiligen ofwel er op een politieke manier de waarheid van te verklaren. Verder is er ook het religieuze ritueel dat het kruis presenteert van Jezus Christus bijvoorbeeld, of de Mahâmantra van Heer Caitanya, naar aanleiding van de aangehangen standaard van de tijd, ter vergeving van de zonde van het pragmatisch afwijken van Gods natuur en de wetenschappelijke rationalisatie erover. Vervolgens kunnen we eenvoudig de klok instellen op de tijd van de natuur, op de tijd van Krishna, om in overeenstemming te verkeren met het religieuze inzicht [zie f.c.o.]. En tenslotte, inziend dat de vertrouwelijkheid van Krishna's tijd politiek gezien niet kan worden opgelegd, is er de zuiverheid afgemeten aan de relatieve maat, zoals dit vers stelt, die men met de moderne complexiteit van het tijdbewustzijn kan respecteren met een dubbele tijdsaanduiding die door sommige klokken wordt geboden of door twee klokken die men tegelijk gebruikt: één tijdsaanduiding ingesteld naar de natuur en een andere naar de politiek van de pragmatische manier van omgaan met de tijd. Aldus kunnen we met dit vers de onzuiverheid tolereren van de baatzuchtig gemotiveerde, karmische tijdmanipulaties en nog steeds als toegewijden met zuiverheid tewerk gaan [Prabhupâda die enerzijds uitdrukkelijk verzocht om punctualiteit, verzocht zijn toegewijden verder het onderwerp van de tijd te bestuderen. 'Alle dagen en uren zijn mij hetzelfde. Ik laat die aangelegenheid aan jullie over', vertrouwde hij toe in 'A Transcendental Diary' door Hari S'auri Dâsa].

4* De paramparâ geeft een voorbeeld: 'Iemand die zijn vrouw en kinderen verlaat is zeker een onnadenkend en onverantwoordelijk iemand. Als men echter sannyâsa neemt, en verankerd blijft op een hoger spiritueel nivo, beschouwt men hem als de heiligste persoon. Trouw en zonde derhalve hangen af van specifieke omstandigheden en zijn bij tijden moeilijk van elkaar te onderscheiden.' Volgens S'rîla Madhvâcârya, worden personen boven de veertien jaar in staat geacht onderscheid te maken tussen goed en kwaad en zijn ze aldus verantwoordelijk voor hun vrome dan wel zondige activiteiten.

5* Het 'wegverklaren' hangt samen met de relatie tussen vorm en inhoud. In de bhakti staat men voor Zijn vorm, die van de âcârya en die van de medetoegewijden als de toegangspoort tot de vedische kennis. Is men eenmaal door die poort naar binnen, dan speelt de poort waar de Heer met zijn gedaante voor staat minder een rol dan de inhoud die de jñâna dan voor zijn rekening neemt. Dringt men door tot de inhoud, dan is de vorm aldus net zo overbodig als de verpakking van een product dat men wil gebruiken nadat het gekocht is. Maar Heer Krishna is natuurlijk zowel de vorm als de inhoud. In die zin vindt men Hem juist op de weg naar binnen. Het wegverklaren geldt de vorm dus. Een en ander toont de noodzaak van de trikânda drieledigheid van de yoga aan: karma-yoga vormt de weg, bhakti-yoga vormt de winkel en de jñâna-yoga toont de spirituele boodschappen die men daar kan halen.  

Hoofdstuk 22

Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

(1-3) S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basiselementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester, ik hoorde je spreken over negen, elf en vijf plus drie basiselementen [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat het er [niet achtentwintig maar] zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.'

(4) De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen zoals het hen uitkomt; per slot van rekening, wat zouden zij die zich inlaten met [het mystieke vermogen] van Mijn mâyâ, nu niet mogen beweren? (5) 'Het is niet zoals jij het zegt, het is zoals ik het stel': dit is wat mijn ondoorgrondelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie darshana's en 6.4: 31]. (6) Omdat Mijn energieën op elkaar inwerken ontstaan er meningsverschillen onder hen die dit onderwerp bespreken, maar als men vrede vind in het beheersen van zijn zinnen komt er een einde aan het meningsverschil en houdt het argumenteren op [men bereikt de ware aard van de allerhoogste geest, âtmatattva]. (7) Omdat de verschillende elementen [subtiel en grofstoffelijk] elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil een spreker een indeling geven van oorzaken en gevolgen. (8) Met die indelingen verwijst het ene element weer naar de andere elementen: of het er nu is als oorzaak of gevolg, in één enkel element [de ether m.n.] vindt men al de andere elementen weer terug en omgekeerd [*]. (9) Als men aan de hand van een zekere indeling zich daarom uitdrukt in termen van oorzaak en gevolg, aanvaard Ik wat men met zo'n standpunt [logisch] onder woorden brengt mits het geleid wordt door de rede [wetenschappelijk bewezen wordt, duidelijkheid verschaft omtrent de tijd en de plaats]. (10) Een persoon die onvermijdelijk onwetend ter wereld komt kan niet van zichzelf weten wat zelfverwerkelijking inhoudt, die kennis ontleent hij aan iemand anders die bekend is met het principe van de werkelijkheid [vergelijk 11.21: 10]. (11) Er bestaat overeenkomstig deze kennis in de materiële aard der goedheid niet het geringste verschil tussen de purusha, de oorspronkelijke persoon, en îs'vara, de beheerser. Er vanuit gaan dat er een dergelijk verschil zou zijn is een zinloze onderneming [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **]. (12) De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt. Deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, die overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid heten te zijn, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27]. (13) In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19-21]. (14) De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus Mijn negen elementen van de schepping waarnaar verwezen werd [in vers 1]. (15) Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o Mijn beste, en de geest is er voor beiden. (16) Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden. (17) In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum, het universum dat door de werking van sattva en de andere geaardheden de vorm aanneemt van de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken [zie ook 2.10: 10]. (18) Al de elementen die hun vermogens verwierven omdat de blik van de Heer op hen rustte, ondergaan in de manifeste werkelijkheid transformatie en vormen, vermengd dankzij de kracht van de natuur, het eivormig universum [zie ook 2.5: 35, 3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16]. (19) Als men over de schepping spreekt als bestaand uit slechts zeven elementen: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether enerzijds met de individuele kenner en de Opperziel anderzijds, zijn er als gevolg van deze tweevoudige, fundamentele basis het lichaam, de zinnen en de levensadem. (20) En als men uitgaat van zes elementen: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element dat met hen is samengevoegd, projecteerde Hij eerst deze schepping en ging Hij er vervolgens naar binnen. (21) Als men het heeft over vier elementen ontstaan het vuur, het water en de aarde uit het Oorspronkelijke Zelf; door deze elementen is er dan het zichtbare resultaat van deze kosmos. (22) Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende. (23) Zo ook rekent men met zestien elementen als men de ziel gelijk stelt aan de geest. Met dertien elementen zijn er de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel. (24) Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen. Ook kent men er negen met de acht natuurlijke elementen [de vijf grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] en de Genieter die daar boven staat. (25) Aldus werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten, dat is de schittering die men aantreft onder de geschoolden.'

(26) S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel ze fundamenteel verschillend zijn, elkaar wederzijds omvatten o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan: men ziet de ziel in de materiële natuur en de natuur in de ziel [zie ook B.G. 18: 16]. (27) AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren, maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart. (28) De levende wezens hebben inderdaad van Jou de kennis en door de macht van Jouw uiterlijkheid raken ze die kennis weer kwijt. Alleen Jij bent ervan op de hoogte wat dat begoochelend vermogen van Jou allemaal inhoudt en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].'

(29) Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] zijn twee van elkaar verschillende zaken, o beste van alle personen, die beiden onderhevig zijn aan de omvorming die er is dankzij de werking van de guna's der schepping. (30) Beste Uddhava, Mijn begoochelende energie bestaande uit de drie geaardheden is verantwoordelijk voor een veelvoud aan manifestaties zowel als voor een verscheidenheid aan vormen van waarneming. Deze veranderlijkheid op basis van de guna's kent drie aspecten: het ene heet adhyâtma, dan is er adhidaiva en het andere heet adhibhûta [zie ook kles'a's en 1.17: 19]. (31) Zoals er de op zichzelf bestaande Superziel is die de eigenlijke oorzaak vormt van zowel de subjectieve ervaring [adhyâtma], de natuur die de bron van de waarneming is [adhidaiva], als het waar te nemen fenomeen [adhibhûta], is er ook de zon, die onafhankelijk aan de hemel staat en zorgt voor het gezichtsvermogen [adhyâtma], de uiterlijkheid van de natuur [adhidaiva] en het specifieke, gereflecteerde beeld [adhibhûta] die samen bijdragen tot dat wat er te zien is door de opening van het oog. (32) En dat [drievoudige] geldt behalve voor de ogen ook voor de tastzin en wat men daarmee ervaart, het gehoor en zo, de tong en waar die mee bezig is, de neus met wat er te ruiken valt en het bewustzijn en dat wat erbij hoort. (33) De veranderingen, die het gevolg zijn van deze onrust van de geaardheden die zijn oorsprong heeft in de primaire natuur [pradhâna], is er de oorzaak van dat er verbijstering is en er van alles aan de hand is met het door de grotere werkelijkheid opgewekte drievoudige, valse ego dat, onderhevig aan verandering, in onwetendheid de zaken naar zijn hand wil zetten [mahat-tattva, zie ook ***]. (34) Als het ontbreekt aan de volle kennis van de Superziel raakt men, in zijn ijver dingen te bespreken, verwikkeld in zinloze speculaties over het feit of er nu wel of niet een verschil bestaat [tussen purusha en prakriti], met uitspraken als 'dit is werkelijk en dat niet', en die speculaties duren voort zolang iemand zijn aandacht van Mij heeft afgewend, Ik die [kwalitatief] gelijk ben aan hemzelf.'

(35-36) S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten als gevolg van de baatzuchtige handelingen die ze verrichten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen omdat ze, hoofdzakelijk op de hoogte van materiële kennis, in staat van illusie verkeren.'

(37) De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van de mens die wordt bepaald door zijn baatzuchtig handelen is, van de ene wereld naar de volgende, gebonden aan de vijf zintuigen. De ziel, die los daarvan bestaat, volgt die geest [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22]. (38) De geest die trouw mediteert op wat hij hoort [van de tradities] of ziet van de zinsobjecten, ontwikkelt zich door zijn gebondenheid aan het karma en lost weer op [met het verdwijnen van de zinsobjecten]. Als gevolg daarvan gaat de herinnering verloren [aan voorgaande levens]. (39) Deze complete vergeetachtigheid van het zich niet herinneren van een voorgaand zelf dat om een of andere reden in beslag werd genomen door de voorwerpen van de zintuigen, is wat men de dood noemt. (40) O man van liefdadigheid, wat men een geboorte noemt is de volledige identifcatie van een persoon met het lichaam dat hij aannam, zoals men dat doet in een droom of als men fantaseert. (41)  En net zoals men in een droom of een fantasie zich niet een voorgaande droom of fantasie herinnert, denkt men ook dat men geen voorgaand bestaan zou hebben [*4 en B.G. 4: 5]. (42) Omdat men een nieuw grofstoffelijk lichaam krijgt en een geest die daarbij hoort, dringt zich in de ziel de waarheid op van de drievoudige werkelijkheid met als gevolg een innerlijk besef dat verschilt van het uiterlijke, alsof men kinderen kreeg met een slechte inborst. (43) Want geschapen lichamen, Mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan door de kracht van de tijd die onzichtbaar zijn werk doet, die men in zijn subtiliteit niet kan waarnemen. (44) De levensduur, de omstandigheden en zomeer van alle geschapen wezens worden erdoor bepaald, zoals ook de vlam van een kaars, de stroom van een rivier of de vrucht van een boom erdoor bepaald worden. (45) Net zo goed als men het verkeerd heeft als men zegt 'dit licht staat gelijk aan de lamp' en 'deze stroom water staat gelijk aan de rivier', is het ook fout om te zeggen 'dit lichaam staat gelijk aan de persoon', het is een manier van redeneren van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]! (46) Een persoon overlijdt niet, noch spruit hij voort uit het zaad van zijn handelen, hij is onsterfelijk. Het is door illusie dat men als vuur in hout is verenigd [met zijn materiële bestaan. Zie B.G. 2: 24] (47) Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen de negen staten van het lichaam die men aldus heeft. (48) Deze meer en minder verheven toestanden van het lichaam dat men te danken heeft aan zijn eigen motieven, worden vanwege zijn gebondenheid aan de geaardheden door de ene ziel aanvaard als het eigene, terwijl de andere ziel er [met de nodige inspanning in de yoga] afstand van neemt [bij de genade Gods]. (49) Men kan zijn eigen geboorte afleiden uit de geboorte van zijn zoon en men kan zijn eigen dood achterhalen aan de hand van de dood van zijn vader [of zijn voorouders], [maar] hij die zichzelf herinnert met al de zaken van geboorte en dood is nimmer onderhevig aan dat wat wordt geregeerd door deze dualiteit. (50) Zoals hij die, bekend met de boom zijn zaad en zijn wasdom, de getuige is die losstaat van de geboorte en dood van die boom, is men analoog daaraan de getuige die losstaat van [de geboorte en dood van] het fysieke lichaam. (51) De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, beland, geheel verbijsterd materiële vormen voor het ware houdend, in de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5]. (52) Ronddolend op basis van zijn karma gaat hij dan, als hij de geaardheid goedheid volgt, naar de wijzen en de goden; volgt hij de leidraad van de hartstocht dan begeeft hij zich onder de mensen of raakt hij in de greep van de duisternis, en richt hij zich naar de onwetendheid dan beland hij tussen de geesten en de spoken of bereikt hij het dierenrijk [zie ook B.G. 6: 41-42, 9: 25; 17: 4]. (53) Zoals men geneigd is mee te doen als men personen ziet dansen en zingen, raakt men, ook al is men een stille getuige die op zich niets doet, als men geplaatst wordt voor de kwaliteiten van de materie op dezelfde manier in de ban van het materiële denken [zie ook 11.21: 19-21]. (54-55) Zoals bomen lijken te bewegen met water dat beweegt en de wereld lijkt rond te draaien met ogen die worden rondgedraaid, zijn ook de mentale indrukken die men heeft van zinsobjecten niet werkelijk. Net zoals de dingen die men in een droom ziet drogbeelden zijn, is ook de ziel zijn voorstelling van een materieel leven waarin hij zijn zinsbevrediging ervaart een drogbeeld. (56) Voor iemand die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële leven niet op, ookal is het een illusoire aangelegenheid, net zoals de nare dingen die men in een droom ervaart [zich steeds weer herhalen kunnen *5]. (57) Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die een spelletje spelen met de zintuigen, bedenk hoe op basis van de illusie van de materiële dualiteit men faalt in de realisatie van de ziel. (58-59) Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of als anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft wordt of opgesloten, of als men bij herhaling wordt bespuugt of ondergeplast door onwetende mensen, behoort iemand die het Allerhoogste voor ogen heeft en aldus geschokt in moeilijkheden verkeert, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].'

(60) S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten? AlsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat. (61) De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt. Behalve voor hen die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, weegt zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële bepaaldheid het zwaarst.'

Voetnoten:

* Twee voorbeelden: potten zijn gemaakt van aarde die er bestond als een voorgaand element of behoren tot het gruis dat er was als een latere substantie, of anders nam de tijd ze als een ander element allen tezamen door in ze door te dringen. Of de elementen van de natuur verschenen zich uitbreidend in de ruimte die aan hen vooraf ging en alle behoren ze tot de fysieke vorm die naderhand tot stand kwam, en de vitale adem ging ze allen binnen als een ander element.

**: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rî Caitanya Mahâprabhu beschreef de eigenlijke situatie als acintya-bhedâbheda-tattva - de hoogste genieter en de beheerste levende wezens zijn gelijktijdig één en verschillend. In de materiële geaardheid goedheid wordt de eenheid waargenomen. Als men dan vordert, tot het stadium vis'uddha-sattva, of gezuiverde spirituele goedheid, vindt men geestelijke verscheidenheid in de kwalitatieve eenheid, waarmee men zijn kennis van de Absolute Waarheid vervolmaakt' [zie ook siddhânta].

*** Om de basistermen die in dit hoofdstuk worden gebruikt van elkaar te onderscheiden: Prakriti is de materiële natuur met haar levende wezens en guna's, pradhâna is de voorwereldlijke, ongedifferentieerde staat van de materie zonder de specifieke schepselen en guna's en de mahat-tattva vormt de totaliteit van de grotere werkelijkheid van dat alles, die ook wel bekend staat als het principe van het intellect of de kosmische intelligentie. De purusha is de Oorspronkelijke Persoon die de genieter is: de Heer en de levende wezens die kwalitatief gelijk aan elkaar zijn.

*4: Overeenkomstig de welbekende uitzondering die de regel bevestigt stelt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura hier dat met de mystieke macht van jâti-smara men zich zijn voorgaande geboorte kan herinneren. Patañjali in de Yoga Sutra III.18 zegt: 'Indrukken die, meegedragen in het zelf, naar de oppervlakte komen, geven inzicht in voorgaande levensstaten'.

*5: Het klassieke filosofische standpunt hier verdedigd is: 'Als men een lichaam heeft is men een ziel, als men een lichaam is is men een varken', waar het varken hier de gevallen ziel is die telkens weer terugkeert naar een materialistisch bestaan.

 

Hoofdstuk 23

Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana.

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Na er aldus toe verzocht te zijn door Uddhava, de grootste van de toegewijden, begon de leider der Das'ârha's wiens heldenmoed het zo waard is te worden besproken, te praten met lofprijzingen voor de woorden van Zijn dienaar. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er bestaat vrijwel geen brave ziel in deze wereld die in staat is zijn geest in bedwang te houden als die verstoord wordt door de beledigende woorden van een slecht iemand. (3) Een persoon wordt niet zo pijnlijk getroffen door pijlen die het hart doorboren, als door het met zich mee moeten dragen van pijlen die bestaan uit de ruwe woorden van onwaarachtige mensen. (4) Wat dit betreft Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal verteld. Luister alsjeblieft goed, Ik zal je het nu vertellen. (5) Het verhaal stamt van een bedelmonnik die, nadat hij werd beledigd door slechte mensen, zijn kalmte bewaarde door zichzelf voor te houden dat het een gevolg was van zijn daden in het verleden. (6) In Avantî [in het district Malwa] leefde eens een zekere brahmaan die het zeer goed had met veel rijkdom door zijn brood te verdienen met zaken doen. Maar hij was een miserabel mens vol van lust en hebzucht, geneigd in woede te vervallen [zie ook B.G. 2: 49]. (7) Hij had geen achting voor zijn verwanten en gasten, zelfs niet in woorden. En met zijn gebrek aan religiositeit bekommerde hij zich ook niet om zijn eigen noden als het er tijd voor was. (8) Met hem zo slecht gemanierd ontwikkelden zijn zoons, aangetrouwde familie, zijn vrouw, dochters en bedienden een afkeer jegens de ellendeling. Vijandig onthielden ze hem hun genegenheid. (9) Op deze manier in het dharma en het plezier tekortschietend werden de vijf eisers van het geofferde [de godheden, zie pañca-bhâga], boos op die obsessieve schatbewaarder die wat betreft de beide werelden verstek liet gaan [deze en de volgende]. (10) Door hen te verwaarlozen verloor hij al zijn vrome krediet, o grootmoedige, en al de weelde waar hij zich met zo veel moeite voor had ingespannen ging verloren. (11) Omdat hij slechts in naam een brahmaan was Uddhava, werd een deel van zijn welvaart ingepalmd door zijn verwanten, een deel door dieven, een deel door de voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door de gewone man en een deel door het hoger geplaatste gezag [zie ook 10.49: 22]. (12) Toen hij aldus verstoken van religiositeit en liefde zijn weelde had verloren, ontwikkelde zich bij hem, verwaarloosd als hij was door zijn familie, een moeilijk te dragen zorgelijkheid. (13) Voor een lange tijd treurde hij verstikt in tranen om zijn verloren rijkdom en daaropvolgend overviel hem een grote minachting voor alle wereldse zaken.

(14) Hij hield zichzelf toen voor: 'Hoe jammer om mezelf zo pijnlijk in te spannen met al dit gezwoeg dat geen genoegen verschaft en voor de liefde van God ook niet goed is. (15) Over het algemeen resulteert de rijkdom van ellendelingen nooit en te nimmer in enig geluk: in dit leven leidt het tot een kwelling en als je dood gaat beland je ermee in de hel. (16) Hoe zuiver de roep ook die beroemdheden mogen genieten of hoe lofwaardig de kwaliteiten der deugdzamen ook zijn, het gaat allemaal teloor met slechts een klein beetje hebzucht, net als wat witte lepra doet met een bekoorlijke, lichamelijke schoonheid. (17) Met het opbouwen, beschermen, spenderen, verliezen van en zich verheugen over het kapitaal, moet de mens zwoegen, vrezen, zich zorgen maken en in onzekerheid verkeren. (18-19) Diefstal, geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede, verbijstering, trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek aan geloof, wedijver en [de drie] gevaren [van bedwelming, promiscuïteit en gokken [zie ook 1.17: 24] zijn de vijftien ongewenste zaken die bekend staan als het gevolg van het koesteren van rijkdom. Daarom moet hij die het uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen zich verre houden van het onwenslijke dat voor weelde doorgaat. (20) De broeders, de echtgenote, de ouders en de vrienden die één zijn in de liefde, veranderen allen voor een enkele rooie cent van het ene op het andere moment in vijanden. (21) Zelfs maar voor een beetje geld geven ze, van streek en geïrriteerd, zich over aan de woede en vergeten ze als een tegenstander die uit is op vernietiging zomaar in een oogwenk hun welgezindheid. (22) Met het hebben bereikt van de menselijke geboorte waar de onsterfelijken voor bidden en het in dat leven bereiken van de status van de beste der tweemaal geborenen, hebben ze, destructief wat betreft hun eigenbelang, daar geen waardering voor. En zo begeven ze zich op het hellend vlak [zie ook B.G. 16: 19-20]. (23) Welke persoon die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht, deze toegang tot de hemel en de bevrijding, hecht zich nu aan eigendom en zou ervoor kiezen zich op te houden in het rijk der betekenisloosheid waar hij onderhevig is aan de dood? (24) Gelijk een geldbeluste Yaksha niet delend met de aandeelhouders, te weten de grotere familie van de goden, de zieners, de voorvaderen, de verwanten, de levende wezens en zichzelf, komt men ten val. (25) Verdwaasd door mijn jeugd, kracht en weelde, door de middelen waar de slimme jongen zich van bedient om alles voor elkaar te krijgen, heb ik mijn leven verspild met het najagen van geld. Wat kan ik als een oude man daar nu mee bereiken [zie B.G. 3: 35]? (26) Waarom zou een intelligent man constant moeten lijden in een vruchteloos najagen van rijkdom? Zeker is dat iemand in deze wereld hoogst verbijsterd raakt als gevolg van haar begoochelende macht. (27) Wat voor nut hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat zou het gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de mensen die bevrediging schenken? Of anders gezegd, wat zou het voor nut hebben voor degene die verkeert in de greep van de dood, om van het baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een volgende geboorte oplevert? (28) De Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat en die tevreden over mij, me tot deze toestand van onthechting voerde, vormt zonder twijfel de boot die de ziel vervoert [zie ook 11.17: 44]. (29) Met de tijd die me rest zal ik, opdat ik de vrede in mezelf mag vinden, zonder [nog langer] in de war te zijn over mijn ware eigenbelang mijn lichaam de nodige beperkingen opleggen [zie ook 2.2: 3, 7.12: 6]. (30) Mogen de goden, de heersers over de drie werelden, hier blij mee zijn. Was het niet Khathvânga die in een mum van tijd de geestelijke wereld bereikte?'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd de hoogst godvruchtige brahmaan van Avantî, die de knopen in zijn hart ontwarde, een vreedzame en stille bedelmonnik. (32) Hij trok alleen en onopvallend rond door de wijde wereld, en ging, met zijn zelf, zijn zinnen en zijn levensadem daarmee beheerst [zie tridanda], haar steden en dorpen binnen om te leven van de liefdadigheid. (33) Toen ze hem die zich vertoonde als een oude vieze bedelaar zagen, werd hij door mensen van lagere komaf onteerd met een hoop beledigingen, mijn beste. (34) Sommigen van hen pakten hem de drievoudige staf af, zijn bedelnap, zijn waterpot en zijn zitplaats, en sommigen grepen zijn gebedskralen en zijn gescheurde vodden. Die lieten ze hem dan zien en boden ze opnieuw aan, en dan pakten ze ze weer van hem af. (35) En als hij aan de oever van de rivier zijn deel van het voedsel wilde genieten dat hij had vergaard met zijn bedelen, urineerden de grote zondaars erop en spuugden ze op zijn hoofd. (36) Hij die volgens de gelofte van de stilte niet sprak ranselden ze af en maakten ze met hun woorden belachelijk zeggend: 'Deze hier is een dief'; aldus zich uitlatend bonden ze hem met touwen vast terwijl sommigen daarbij uitriepen: 'Bindt hem vast, knevel hem!' (37) Sommigen kritisee rden hem beledigingen toeslingerend als: 'Deze hier is een religieuze hypocriet, een bedrieger die, met het verloren hebben van zijn rijkdom nadat ie door zijn familie werd uitgestoten, zich hier maar op heeft toegelegd'. (38-39) 'Kijk eens hoe deze persoon zo machtig en standvastig als een grote berg, in stilte zijn doel nastrevend, zo vastbesloten is als een eend'. Sommigen dreven met dergelijke opmerkingen de spot met hem, terwijl anderen een kwalijke lucht lieten waaien en, terwijl ze hem vastketenden, de tweemaal geborene gevangen zetten als was hij een huisdier. (40) Aldus onderworpen aan alles wat anderen hem aandeden, de hogere machten voor hem in petto hadden en hij aan zichzelf te danken had [zie kles'a], begreep hij dat wat hem ook overkwam hem door het lot werd toebedeeld. (41) Beledigd door laag bij de grondse mensen die hem uit zijn tent probeerden te lokken, zong hij, zich strak aan zijn plichten houdend en vastbesloten vanuit het goede, het volgende lied [zie ook B.G. 18: 33].

(42) De brahmaan zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk of ongeluk, noch is het te wijten aan de halfgoden, mijn lichaam, de planeten, mijn karma of de tijd. Het is, zoals het heersend gezag dat stelt [de s'ruti], niets dan de geest die de oorzaak is. Het is de geest die er de oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het materiële leven. (43) De geest die blijk geeft van de kwaliteiten der geaardheden wordt sterk door hen bepaald en geeft aanleiding tot de verschillende soorten van witte [goedheid], rode [hartstocht] en zwarte [onwetendheid] handelingen die leiden tot de omstandigheden [de maatschappelijke klassen] die corresponderen met dezelfde kleuren. (44) De Superziel die niet erbij betrokken zijnde en goud [stralend in zijn eigen licht] zijn bestaan heeft naast de worstelende geest, mijn vriend, ziet van boven neer op de geest die, met het beeld van de wereld dat hij in zich draagt, de zinsobjecten koestert. Het is in die betrokkenheid bij de geaardheden van de natuur dat men [als de vonk van God die de individuele ziel is] verstrikt raakt in de gehechtheid [zie ook B.G. 3.42: 43]. (45) Liefdadigheid, het doen van je plicht, de niyama, de yama, het luisteren naar [de geschriften], de vrome werken en de zuivering door geloften houden alle het onderwerpen van de geest in. En daarbij is het opperste van de yoga, de verzonkenheid van de geest [samâdhi], het doel van de activiteiten. (46) Zeg me wat voor nut rituelen en dergelijke voor iemand nog hebben wiens geest eenmaal tot rust is gekomen in het volmaakt verankerd zijn in liefdadigheid en andere processen? En [omgekeerd] hoe kan men zich bezighouden met deze processen van liefdadigheid en dergelijke als men de weg kwijt is met een geest die men niet onder controle heeft? (47) Sedert mensenheugenis valt al het overige, de [zinnen en hun] goden bijvoorbeeld, onder de controle van de geest en valt de geest nimmer onder de controle van ook maar iets of iemand anders [dan de Allerhoogste]. Angstwekkend als een god [Aniruddha] is hij dienovereenkomstig sterker dan de sterksten - waarlijk is Hij die de geest onder controle weet te krijgen de God der goden [zie ook B.G. 6: 35-36, *]. (48) Erin mislukkend [als men werelds betrokken is] die moeilijk te overwinnen vijand te onderwerpen [zie B.G. 6: 6] die in zijn aandrang zo moeilijk te beheersen kwelt en toeslaat, veroorzaken sommigen die om die reden volledig het spoor bijster zijn, onnodige tweestrijd en zijn dan met de stervelingen in deze wereld vrienden, neutralen en rivalen. (49) Met het aanvaard hebben van het materiële lichaam als een deel van hun geest, in de zin van 'ik' en 'mijn', dwalen de mensen rond in duisternis wiens intelligentie verblind is door deze moeilijk te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat is iemand anders'. (50) Met het stellen dat [adhibhautika] deze of gene mensen de oorzaak van mijn geluk en leed zouden zijn, kan men zich afvragen welke ruimte dit begrip dan aan de ziel biedt; geluk en leed behoren de aarde toe [en niet de ziel]. Op wie zou je boos moeten zijn als je tong toevallig wordt gebeten door je eigen tanden? (51) Als men zegt dat [adhidaivika] de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het lijden, hoe houdt dat lijden dan verband met de ziel als die pijn geheel en al onderhevig is aan verandering [terwijl de ziel dat niet is]. Op wie zou het levende wezen ooit boos moeten zijn als het ene lichaamsdeel het andere pijn doet? (52) Als de ziel zelf [adhyâtmika] de oorzaak zou zijn van het geluk en het leed, kan er door een andere aard dan die van iemand zelf er geen sprake zijn van lief en leed. Het is immers zo dat niets losstaat van de ziel. Zo'n claim zou vals zijn. Maar kan men [zichzelf of de ziel als] de schuldige aanwijzen als er geen geluk en leed is [in de ziel die de getuige is. Zie B.G. 2: 14]? (53) Als de planeten de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe kan dat dan verband houden met de ziel die niet geboren wordt. De hemellichamen hebben betrekking op dat wat geboren werd, zoals ze [de astrologen] het zeggen. Een planeet verkeert enkel in moeilijkheden door andere planeten. Op wie moet het levend wezen, als men het onderscheidt van zijn [hemel-]lichaam, nu kwaad worden? (54) Als we aannemen dat het karma de oorzaak is van geluk en leed, wat heeft dat karma dan voor de ziel te betekenen? Duidelijk is dat de verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven gewekte lichaam dat toegerust is met bewustzijn en [op zichzelf] niet leeft anderzijds, geen van beiden de grondoorzaak van het karma vormen natuurlijk. Wat blijft er dan nog over om je druk over te maken? (55) Als we zeggen dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn, hoe zit het dan met de ziel met dat idee? De ziel blijft [onaangedaan] bij de tijd, zoals een vuur zich niet aan zijn vlammen brandt of de sneeuw niet [onder zijn kou zal lijden]. Op wie moet je nu kwaad worden als de dualiteit niet opgaat voor het allerhoogste [zie ook B.G. 18: 16en tijdcitaten]? (56) Niet door wie dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook bestaat er voor hem, [de geestelijke ziel] superieur in bovenzinnelijkheid, de invloed van de dualiteit waarin het valse ego zich opwerpt dat gestalte geeft aan het materiële bestaan. Hij die tot dit inzicht komt heeft niets te vrezen van andere levende wezens. (57) Door de verering van de voeten van Mukunda zal ik de zo moeilijk te overwinnen oceaan van materiële onwetendheid over kunnen steken. Hier ben ik zeker van dankzij de genade van de grote zieners uit het verleden [of de âcârya's] die verankerd zijn in de aanbidding van de Allerhoogste Ziel [zie ook B.G. 6: 1-2].'

(58) De Allerhoogste Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan onthecht geraakt, met zijn huis achter zich gelaten en met zijn vrij van neerslachtigheid over de aarde rondtrekken en desondanks beledigd zijn door schurken, zond de wijze die zijn plichtsbetrachting niet had opgegeven dit lied op. (59) Wat betreft de oorzaak van het verdriet en leed van een individuele ziel is er geen andere dan de geest. Het is de geest die begoocheld uit onwetendheid zich een materieel leven schiep van vrienden, neutralen en vijanden [zie ook 10.32: 17-22 en B.G. 9: 29]. (60) Daarom in alle opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie die in Mij is verzonken de geest onder controle en [bereik] aldus verbonden het volledige [het huwelijk, het alomvattende begrip] van de yoga [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka-vers 1]. (61) Wie dan ook die met volle aandacht mediteert op, anderen doet luisteren of zelf luistert naar dit [lied] gebaseerd op de kennis van het Absolute zoals gezongen door de bedelmonnik, zal voorzeker nimmer overweldigd worden door de dualiteiten.'

 Voetnoten:

* Sommigen denken dat de essentie van de yoga eruit bestaat de geest helemaal te stoppen, maar Krishna benadrukt in dit hoofdstuk duidelijk dat het om de controle gaat, niet zo zeer het stoppen. Dat stoppen is een impersonalistische mâyâvâda-boeddhistische techniek om je op je essentie te concentreren en vormt een bewust gecreëerde illusie [zie Boeddhisme]. Neti-neti zeggend zoals Prahlâda b.v. zal de geest zich inderdaad concentreren op de essentie hetgeen nou juist de geest uitbouwt, bevordert, in die richting. Aldus neemt met het stoppen van het op de wereld betrokken denken, de ware bezigheid van de geest in gebeden en filosofie zijn aanvang. Niet op de siddhi's afgaand, de mystieke perfecties, moet de geest zo ingezet worden voor de Fortuinlijke, voor Krishna, middels het zich concentreren op Zijn namen, mantra's en verhalen; door s'ravanam, kîrtanam etc. moet men leren te luisteren, te zingen en te volgen naar de schrift, de goeroe en de mede-gelovigen. De eerste twee yoga sûtra's I.1 & 2 atha yogânus'ânamam, yogah citta vritti nirodah, moeten worden vertaald met 'nu, als de les van de yoga, ga het gepieker tegen van de geest over wereldse zaken' en niet met 'de yogales nu bestaat eruit de werking van de geest te stoppen'. Natuurlijk moet je je verstand gebruiken, je geest inzetten in gehoorzaamheid aan de Heilige Geest, naar de stem van God; de geest is per slot van rekening een aspect van het goddelijke bestuurd door Aniruddha in de catur vyûha (zie ook vritti en siddhi).

 

Hoofdstuk 24

De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'En nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken zoals die werd ontwikkeld door de klassieke autoriteiten. Daarvan op de hoogte is een persoon meteen in staat de verbijstering die is gebaseerd op de dualiteit los te laten. (2) In den beginne, in het tijdperk der plichtmatigheid [Krita] en voor die tijd bestonden er mensen van een hoog onderscheidingsvermogen voordien, waarin de ziener en het geziene eenvoudigweg één en hetzelfde waren [zie ook 11.22: 29]. (3) Dat ene ongedifferentieerde ware waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben, veranderde in de tweevoud van de vormen die de materiële natuur voortbracht enerzijds en het grote geheel [de integriteit van de natuur zelf] anderzijds [prakriti en purusha, zie 11.22]. (4) Een van de twee is inderdaad zij, de substantie van de materiële natuur, die bestaat uit een dubbel zelf [voortbrengselen en oorzaken, symmetrie en complementariteit] en het andere wezen is hij, de kenner, die de Oorspronkelijke Persoon wordt genoemd [de genieter of het mannelijk principe]. (5) Als antwoord op de verlangens van het levende wezen manifesteerden zich door Mijn beroering [in de vorm van de tijd, van Kâla], zich de geaardheden: tamas, rajas en sattva [de guna's]. (6) Vanuit de realisatie van dezen deed zich de mogelijkheid van de leidraad van de oer-natuur voor [de sûtra] omdat in de transformatie van de grotere werkelijkheid [de mahat-tattva] die daarmee gemoeid is zich de identificatie ontwikkelde [van de purusha die leidde tot ahankâra of vals ego], hetgeen de oorzaak van de verbijstering is. (7) Dat ik-bewustzijn [of valse ego] is aldus van de drie categorieën en [bedient overeenkomstig afwisselend] met emotie, helderheid en onwetendheid [zich van] de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriya's] en de geest [manas]. Zo vormt het [geïdentificeerde zelf] de oorzaak van het begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste]. (8) Uit de traagheid van het valse ego ontwikkelden zich de subtiele gevoelens met de grove materie, aan de helderheid ervan ontsproten de zintuigen, en uit de goedheid van het geïdentificeerde zelf ontwikkelden zich de elf goden [zie deva]. (9) Door het onder Mijn invloed samengaan van al de elementen kwam het ei van het universum tot stand dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18].

(10) In het water van de oceaan der oorzaken verscheen Ik binnenin dat ei [als Nârâyana] en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als het universum. Op die lotus vond de uit zichzelf geborene zijn bestaan [Brahmâ, zie 3.8]. (11) Hij, de ziel van het universum gedreven door de passie, schiep door zijn boete bij Mijn genade de drie verschillende werelden genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], samen met hun heersers [zie Gâyatrî en loka]. (12) De hemel werd het thuis voor de goden, de atmosfeer het thuis voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen vormen het thuis voor de mensen en de andere levende wezens en het voorbije van deze drie is er voor hen die van de volmaaktheid zijn [Siddhaloka]. (13) De plaatsen van de onderwereld werden door de meester geschapen als het verblijf voor de onverlichte zielen en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]. Al de bestemmingen van de drie werelden ontlenen hun bestaan aan de vruchtdragende handelingen van de zielen die verstrikt zijn in de geaardheden [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43]. (14) Door boete, yoga en zelfs door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [Vaikunthha] is er met toegewijde dienst. (15) Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, het Zelf van de Tijd, ontworstelt men zich aan of verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld waarin men gebonden is aan het verrichten van baatzuchtige arbeid. (16) Wat het kleine, het grote, het dunne of het massieve ook moge zijn van de manifestatie, is allemaal het product van de combinatie van de twee van de materiële natuur en de genieter [zie ook B.G. 18: 16]. (17) Dat wat de oorzaak vormt van iets is er zowel in het begin, tijdens het leven als aan het einde van dat wat werd voortgebracht. De transformatie [zowel als het ingrediënt en hij die transformeert en niet zozeer deze of gene vorm] is het werkelijke van alledaagse gebruiksvoorwerpen als zaken van goud en dingen van klei [vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8]. (18) Iets dat werkzaam is als een voorafgaand ingrediënt in de productie van een ander ding dat aldus een modificatie van dat ingrediënt is, wordt het ware van iets genoemd als het aanwezig is van het begin tot het einde [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16]. (19) De materiële natuur die de basis vormt [âdhâra] van het oorzakelijke ingediënt [het getransformeerde], het ware van de Oorspronkelijke Persoon [Hij die transformeert], en dat wat in beroering brengt, te weten de Tijd [de transformatie], deze drie [resp. prakriti, Purusha en kâla] vormen tezamen de Absolute Waarheid [het Brahman] die Ik ben. (20) Zolang Ik erop toezie zal de rijke schepping voor het doel van de verscheidenheid van haar kwaliteiten generatie na generatie zonder ophouden worden gehandhaafd tot aan haar voleinding [zie ook B.G. 3: 24]. (21) Als de universele gedaante die van Mij doordrongen is de volle planetaire verscheidenheid tentoon heeft gespreid van zijn tijdperken [van schepping, handhaving en verval], komt [omdat het einde van de synergie is bereikt] deze verscheidenheid met zijn verschillende werelden ervoor in aanmerking om [weer op te lossen in] haar vijf samenstellende grofstoffelijke elementen [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (22-27) Het sterfelijk omhulsel wordt [ten tijde van de vernietiging] opgenomen in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur gaat over in het water, het water in de kwaliteit ervan, die smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de aanraking, de aanraking vervolgens in de ether, de ether in het subtiele voorwerp van het geluid en de zinnen [van het geluid etc.] in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen [als het ahankâra ego van de passie] gaan op in de emoties [het ego der goedheid], Mijn beste, en zij gaan op in de geest, de beheerser van het geluid, welke oplost in het oorspronkelijke van de elementen [het ego der traagheid], en dat almachtige primair elementaire gaat op in de kosmische intelligentie [mahat]. Dat grotere van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij in hun uiteindelijke verblijftplaats van het ongemanifesteerde dat zijn rustplaats vind in de onfeilbare Tijd. De tijd gaat over in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, volmaakt in Zichzelve verblijvend alleen overblijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (28) Net zoals de duisternis zich niet kan handhaven met de zon die oprijst aan de hemel, kan ook van degene die dit nauwlettend bestudeert de verbijstering van de geest der dualiteit zich niet handhaven in het hart. (29) Dit is wat Ik, Hij die zowel de Geestelijke als de Materiële Wereld overziet, had te zeggen wat betreft deze Sânkhya instructie van analyse [zie ook 3.25 - 3.33] welke de band der twijfels doorbreekt van mensen die in hun levens met de stroom mee en tegen de stroom inroeien.'

 

Hoofdstuk 25

De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

(1) De Opperheer zei: 'O beste van alle personen, probeer te begrijpen wat Ik je nu ga zeggen over de manier waarop iemand wordt beïnvloed door een bepaalde geaardheid van Mijn materiële natuur [*]. (2-5) Met de geaardheid goedheid vindt men gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, tolerantie, onderscheidingsvermogen, boetvaardigheid, waarachtigheid, mededogen, heugenis, tevredenheid, verzaking, begeerteloosheid, gelovigheid, bescheidenheid en innerlijke tevredenheid. Met de geaardheid hartstocht loopt men op tegen lusten, ondernemingszin, zelfmisleiding, ongenoegen, hoogmoed, een verlangen naar complimenten [m.n. bij vrouwen], partijdigheid, zinsbevrediging, overhaast tewerk gaan, behoefte aan erkenning, hoon, machtsvertoon en straffen met harde hand. Met de geaardheid onwetendheid is er intolerantie, hebzucht, bedrieglijkheid, geweld, hysterie, huichelarij, lusteloosheid, ruzie, weeklagen, begoocheling, depressiviteit, laksheid, valse hoop, angst en indolentie. Dezen, de een na de ander beschreven, vormen het leeuwendeel van de effecten van de geaardheden. Verneem nu over hun combinaties [zie ook B.G. 14]. (6) Het idee van 'ik' en 'mijn' dat de mensen erop nahouden O Uddhava, is in feite gebaseerd op een combinatie van de geaardheden. Wat ze normaal met hun geest, zinnen, en hun ademhalen doen in relatie tot de zinsobjecten wordt door de geaardheden beheerst [zie ook 11.23: 49, 11.24: 7, 11.24: 13]. (7) Als een persoon zich baseert op religiositeit, economische ontwikkeling en zinsbevrediging is het resulterende geloof, de welvaart en het zinsgenoegen eveneens een uiting van de wisselwerking van de verschillende geaardheden. (8) In het geval iemand in de rol van een huishouder [rajas] van een toewijding is die zich kenmerkt door een materieel gemotiveerde praktijk [tamas] en als gevolg daarvan vasthoudt aan zijn persoonlijke [religieuze] plichtsvervulling [sattva] is er duidelijk sprake van een combinatie van geaardheden. (9) Uit een persoon zijn kalmte kan men afleiden dat hij bewogen wordt door goedheid, zijn lust duidt op de geaardheid hartstocht en uit zijn woede kan men opmaken dat hij in de greep van onwetendheid verkeert. (10) Als iemand Mij, met het vervullen van zijn plichten, onafhankelijk van het behalen van resultaten aanbidt met toewijding, moet men begrijpen dat een dergelijke man, danwel vrouw, zich bevindt in de geaardheid goedheid. (11) Mij met zijn plichten aanbidden in de hoop op zegeningen moet men begrijpen als zijnde van de geaardheid hartstocht, en als men het doet met geweld op het oog behoort dat tot de onwetendheid [zie ook B.G. 17: 20-22]. (12) Men zou kunnen zeggen dat de geaardheden sattva, tamas en rajas betrekking hebben op de individuele ziel en niet op Mij; men is aan hen gebonden omdat ze, zoals ze zich in de geest opwerpen, leiden tot iemands gehechtheid aan materiële resultaten [zie ook B.G. 4: 14]. (13) Als de geaardheid goedheid - welke zuiver is, van het licht en goedgunstig - heerst over de andere twee, zal een man gezegend zijn met geluk, religiositeit, kennis en andere goede eigenschappen [zie ook B.G. 14: 11, 18: 37]. (14) Als de hartstocht het wint van zowel de goedheid als de traagheid raakt men verstrikt in baatzuchtige arbeid, het verdedigen van een goede naam en het welvarend zijn, omdat men dan door de gehechtheid van het partijdige en veranderlijke is en dus ongelukkig [zie ook B.G. 14: 12, 18: 38]. (15) Als onwetendheid hartstocht en goedheid overvleugelt is men zijn onderscheidingsvermogen kwijt, is het bewustzijn oversluierd, verliest men zijn initiatief en beland men in verbijstering en geklaag, met te veel slapen, geweld en valse verwachtingen [zie ook B.G. 14: 13, 18: 39]. (16) Als het bewustzijn weer helder wordt en de zinnen niet langer worden afgeleid, heeft men lichamelijk zelfvertrouwen en is men van een onthechte geest; dan kan men spreken van de goedheid van Mijn toevlucht. (17) De hartstocht herken je aan de volgende symptomen: de intelligentie is verstoord door te veel drukte, men slaagt er niet in zich los te maken van het zintuiglijke, men voelt zich niet op zijn gemak met zijn lichaam en de geest is wispelturig. (18) Falen in de hogere functies van het bewustzijn, versuffen, je niet kunnen concentreren, je verstand verliezen, in het duister tasten en neerslachtig zijn moet je begrijpen als behorend tot de geaardheid onwetendheid. (19) Neemt de geaardheid goedheid toe, dan neemt de kracht van de godsbewusten toe, neemt de hartstocht toe dan winnen de onverlichte zielen aan kracht en als de geaardheid onwetendheid toeneemt, o Uddhava, treedt de wildeman naar voren. (20) Weet dat de bewustzijnstoestand van het waken er is bij genade van de geaardheid goedheid, dat slaap een aanduiding vormt voor de hartstocht, dat de diepe slaap er is met de onwetendheid van het levende wezen, terwijl de vierde staat [turîya, het transcendentale] de drie doordringt [zie ook 7.7: 25 en B.G. 6: 16]. (21) In de geaardheid goedheid klimmen spirituele mensen hoger en hoger op, in de geaardheid onwetendheid zakt men, het hoofd eerst, steeds verder af en in de geaardheid hartstocht blijft men halverwege steken [zie ook B.G. 6: 45, 16: 19]. (22) Zij die sterven in de geaardheid goedheid gaan naar de hemel, zij die heengaan in hartstocht gaan naar de wereld der mensen en zij die dood gaan in onwetendheid gaan naar de hel. Maar zij die vrij zijn van de geaardheden komen naar Mij [zie ook B.G. 9: 25, 14: 18]. (23) Werk plichtmatig gedaan als een offer voor Mij zonder de resultaten te verlangen, verkeert in de geaardheid goedheid, werk gedaan met het oog op een of ander resultaat verkeert in de geaardheid hartstocht en als men gewelddadig tewerk gaat of jaloers en zo, verkeert men in de geaardheid onwetendheid [B.G. 17: 20-22]. (24) Kennis in de geaardheid goedheid is emancipatoir [van de verlichting], in hartstocht is men meningen toegedaan en in onwetendheid is men van een materialistische overtuiging. Spirituele kennis daarentegen die op Mij is gericht beschouwt men als vrij van de geaardheden [zie ook 6.14: 2]. (25) Als men zijn verblijf heeft in het woud [men een kluizenaar is] is men van de geaardheid goedheid, als men onder de mensen verblijft [familie] is men van de hartstocht zo zegt men, en als men zich ophoudt in een gokhuis is men van de geaardheid onwetendheid, maar Mijn verblijf bevindt zich boven de geaardheden [zie ook 7.12: 22, 11.18: 25]. (26) Een werker vrij van gehechtheid is van de geaardheid goedheid, verblind door persoonlijke verlangens is men een man van de hartstocht, en bij iemand die het niet meer helder voor ogen staat spreekt men van onwetendheid [zie 11.22: 38-39]. Hij [echter] die bij Mij zijn toevlucht heeft gezocht is vrij van de geaardheden. (27) Als men van de ziel is verkeert het geloof in goedheid, maar als men van de hartstocht is hecht men geloof aan vruchtdragend handelen, aan karma. Areligieus zijnd is men van de geaardheid onwetendheid, maar dat geloof dat Mij ten dienste staat is ontstegen aan de geaardheden. (28) Voedsel dat zonder moeite verkregen wordt, goedgunstig is en zuiver beschouwt men als zijnde van de geaardheid goedheid, [sterk] appellerend aan de zintuigen is het van de geaardheid hartstocht en onzuivere voeding die iemand doet lijden is van de onwetendheid [zie ook B.G. 17: 7-10]. (29) Geluk ontleend aan de ziel is van de geaardheid goedheid maar opgewekt door zinsobjecten is het van de hartstocht. Men spreekt van de geaardheid onwetendheid als men zijn geluk ontleent aan misvatting en ontaarding, maar geluk dat vrij is van de geaardheden treft men in Mij aan [zie 11.15: 17 & B.G. 5: 21, maar ook 6: 7].

(30) En aldus behoren de materiële substantie, de plaats, de vrucht van het handelen, de tijd, de kennis, de handeling, degene die handelt, het geloof, de staat van bewustzijn en de bestaansvormen en levensbestemmingen, allen tot de drie guna's. (31) Alle vormen van bestaan die men ziet, hoort of die men zich voor de geest haalt, worden, samengesteld als ze zijn uit de guna's, gereguleerd en bewaakt door de genieter die subtiel van aard is, o beste onder de mannen [zie ook linga]. (32) Deze bestaansvormen [en levensstadia] van de genieter ontstaan uit het karma dat men heeft met de geaardheden der natuur. O zachtmoedige, door de individuele ziel die Mij toegewijd is in bhakti-yoga worden de zich in de geest manifesterende geaardheden overwonnen. Een dergelijke ziel komt in aanmerking voor Mijn bovenzinnelijke liefde. (33) Daarom moeten zij die dit menselijk lichaam verwierven, zo slim zijn de geaardheden uit hun hoofd te zetten en Mij aanbidden, de bron van de kennis en wijsheid. (34) Een geschoold, wijs mens die vrij van begoocheling is moet Mij zonder gehechtheid aanbidden en, met zijn zinnen onder controle zich wendend tot de geaardheid goedheid, de geaardheden van de hartstocht en de onwetendheid overwinnen. (35) En ook de geaardheid goedheid moet hij aldus verbonden [in toewijding] overwinnen. De ziel wiens intelligentie de vrede vond door zich niet te bekommeren om de geaardheden, raakt bevrijdt van hen met het opgegeven hebben van dat wat de oorzaak vormde van de verhulling van zijn ziel en bereikt Mij. (36) Het levende wezen, dat als een individuele ziel door Mij aldus is bevrijd van de geaardheden der natuur die zich in zijn geest nestelden, vindt zo, door de werking van de Absolute Waarheid, de volkomenheid en hoeft noch wat betreft het innerlijk noch wat betreft het uiterlijke bestaan nog langer rond te dolen.'

Voetnoot:

* Het woord natuur kan letterlijk worden genomen als de geaardheden in de zin van de seizoenen en hun bijbehorende primaire godheden. Krishna zegt dat Vishnu, die de oorspronkelijke beheerser boven de geaardheden is, de beste van alle goden is [10.89: 14-17], van de goedheid is [11.15: 15], de zuiverste geaardheid [B.G. 14: 6], die leidt tot de goddelijkheid die Hij is [B.G. 14: 14] en dat van de seizoenen Hij het lenteseizoen is [B.G. 10: 35]. Als zodanig is de lente/herfst Zijn seizoen van evenwicht en de geaardheid goedheid. Op dezelfde manier is de onbeweeglijkheid van de koude representatief voor de geaardheid onwetendheid die beheerst wordt door S'iva en is de hyperactiviteit en hitte van de zomer een verto0n van de geaardheid hartstocht waarover Brahmâ heerst.

 

Hoofdstuk 26

Het Lied van Purûravâ

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Met het hebben verworven van dit menselijk lichaam bereikt men, vanuit Mijn dharma op Mij gericht, de Opperziel van het Spiritueel Geluk, Mij, die Zich bevindt in het hart. (2) Toegewijd in de spirituele kennis raakt een persoon die bevrijd is van de oorzaak van een afzonderlijk bestaan dat is gebaseerd op de geaardheden der natuur, levend temidden van deze natuurlijke kwaliteiten, niet verstrikt in de trivialiteit van die effecten van de natuur - die met hun begoochelen van de zinnen niet wezenlijk zijn ondanks het feit dat men ze ziet. (3) Men moet nooit en te nimmer de omgang zoeken met de onwaarachtigen die zich wijden aan het bevredigen van hun geslachtsdelen en magen daar hij die dergelijke mensen navolgt in de donkerste put beland, net als een blinde die zich laat leiden door een blinde. (4) De nakomeling van Ilâ [Aila of Purûravâ, zie ook 9.14: 15-16], de welbekende grote keizer, zong dit machtige lied met het, verbijsterd als hij was, in gescheidenheid van Urvas'î uiteindelijk zijn weeklagen onder controle krijgen in de onthechting die hij voelde. (5) Toen ze hem verliet rende hij bij haar vertrek haar als een waanzinnige naakt achterna tegen haar schreeuwend: 'O mijn echtgenote, jij vreselijke vrouw, stop alsjeblieft!' (6) Nog steeds niet voldaan met het bevredigen van onbeduidende lusten voor zo vele jaren, besefte hij, in zijn geest aangetrokken tot Urvas'î, niet hoe de dagen en nachten waren gekomen en gegaan.

(7) Aila zei: 'Hoe betreurenswaardig de mate waarin ik begoocheld raakte! Met mijn bewustzijn besmet door de lust was ik, in de kraag gegrepen door deze godin, me niet bewust van het verstrijken van mijn tijd van leven. (8) Onder haar invloed had ik, helaas, voor zo vele jaren die zo vele dagen omvatten, er werkelijk geen idee van of de zon nu op- of onderging. (9) Hoe onfortuinlijk die totale verbijstering van mij waardoor het lichaam van deze machtige keizer, dit kroonjuweel der koningen, een knuffelbeest werd voor de vrouwen! (10) Toen ze mij, de machtige heerser, met mijn hele koninkrijk erbij achterliet als was ik een grasspriet, holde ik, schreeuwend als een waanzinnige, naakt achter de vrouw aan. (11) Waar nu blijf ik met de invloed, kracht en macht van de persoon die ik ben? Ik holde achter deze vrouw aan die wegliep bij mij, net als een ezel die met de hoef ter afstraffing in het gezicht wordt getrapt! (12) Wat voor nut heeft de kennis, de verzaking en de boete, het aandacht besteden aan de geschriften, of wat voor zin heeft de afzondering en stilte voor hem wiens geest in beslag wordt genomen door vrouwen? (13) Naar de hel met de dwaas die ik ben en die niet weet wat goed voor hem is, ik die dacht een geleerde te zijn met het bereiken van een oppermachige positie, maar in de greep van de vrouwen belandde als was ik een os of een ezel! (14) Met al die jaren dat ik Urvas'î's lippen bediende kreeg ik, met de lust die aan mijn geest ontsproot, nimmer genoeg van de nectar, net als een vuur dat men nimmer tevreden kan stellen met offergaven. (15) Wie, behalve de Innerlijk Voldane Heer der Wijzen, de Opperheer die Boven het Zintuiglijke staat, zou ertoe in staat zijn iemand anders te verlossen die zijn verstand verloor met een dame van plezier? (16) Mezelf niet in de hand hebbend zag ik, traag van begrip, geen einde komen aan mijn verwarring, ookal werd ik door de godin welbespraakt met adviezen bijgestaan [zie 9.14: 20-22]. (17) Wat kan zij t.o.v. een 'ziener' als ik nu verkeerd gedaan hebben, ik die een stuk touw voor een slang houdend niet doorheeft wat hij werkelijk voor zich heeft? Ben ik niet degene die zijn zinnen niet de baas was? (18) Wat heeft dit vuile lijf, onrein, vol van kwalijke luchten, nu te bieden, wat stellen die 'bloeiende kwaliteiten' enzovoorts nu voor eigenlijk, ze vormen duidelijk een valse schijn die is gebaseerd op onwetendheid! (19-20) Het valt niet uit te maken of dit lichaam toebehoort aan je ouders, echtgenote, werkgever, het vuur, de honden en jakhalzen, de ziel of je vrienden. Aan die afstotelijke materie raakt men [niettemin] gehecht en men steekt als het om een vrouw gaat de loftrompet over een lief neusje, een mooie glimlach en een mooi gezicht, maar men stevent er recht mee op de laagste bestemming af. (21) In welk opzicht verschilt men nu van wormen als men geniet van dat wat is samengesteld uit huid, vlees, bloed, spieren, vet, beenmerg en been, urine, ontlasting en pus? (22) Als je doorhebt wat het beste voor je is, moet je er niet over peinzen vrouwen achterna te lopen of met mannen om te gaan die vrouwen achterna lopen, dit enkel vanwege het feit dat de geest verenigd met de zinnen reikt naar de zinsobjecten en zo van streek raakt [vergelijk 5.5: 2, 7.12: 9, 9.19: 17, 9.14: 36]. (23) Een ding dat men niet ziet of hoort geeft geen aanleiding tot mentale beroering, hij immers die zijn zintuigen niet inzet vindt de vrede, hij heeft zijn geest in bedwang. (24) Als de zintuigen met de zes vijanden van de geest [shath-varga], nog zelfs niet door de wijzen kunnen worden vertrouwd, wat zou iemand als ik dan moeten doen? Daarom moet men zich niet hechten aan vrouwen of omgang zoeken met mannen die aan vrouwen gehecht zijn [zie ook yoshita].'

(25) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij die als de god der goden en mensen aldus zijn [klaag]lied zong, gaf toen de wereld van Urvas'i op. Met het zich realiseren van Mij, de Superziel, in zijn hart vond hij de vrede en kwam door de bovenzinnelijke kennis een einde aan zijn illusie. (26) Iemand die verstandig is rekent daarom af met slecht gezelschap. Hij kan zich maar beter hechten aan toegewijden, omdat men alleen maar door de woorden van heiligen kapt met de diepe gehechtheid van de geest. (27) De toegewijden die hun geesten op Mij hebben gericht zijn niet afhankelijk [van lusten] en zijn met een gelijkgezinde blik geheel vreedzaam, vrij van bezitsdrang, vals ego, tegenstellingen en begeerte. (28) O allerfortuinlijkste ziel, deze hoogst fortuinlijke zielen bespreken voortdurend Mijn verhalen. Deze gesprekken hebben het vermogen om van een ieder die eraan deelneemt de zonden geheel uit te wissen. (29) Zij die luisteren, zingen en ze daadwerkelijk met respect ter harte nemen, zij trouw van ziel die van dat besluit zijn, bereiken Mijn toegewijde dienst. (30) anders zou er verder nog overblijven [nog te berevoor de toegewijde die het heeft gebracht tot Mijn toegewijde dienst, de dienst van Mij van de Talloze Kwaliteiten, Ik die de Absolute Waarheid ben die de Ervaring van het Geestelijk Geluk Omvat. (31) Net als de koude, de angst en de duisternis zich zal oplossen voor hem die zijn beroep doet op de allerhoogste zegening van het vuur [Agni], wordt evenzo de traagheid van begrip, het gevoel van onveiligheid en de onwetendheid weggenomen van degene die de godsvruchtigen van dienst is. (32) Voor hen die kopje onder gaan en weer boven komen drijven in de angstwekkende oceaan van het materieel bestaan vormen de vrome toegewijden, die zo vreedzaam zijn in hun begrip van het Absolute, een hoogst verheven toevlucht zo goed als een sterk schip in het water voor een drenkeling [vergelijk 11.23: 28 en 11.17: 44]. (33) Met het voedsel als dat wat de levende wezens doet leven, met Mij als de toevlucht van hen die in nood verkeren en de religie als dé verworvenheid voor mensen die overlijden, vormen de toegewijden de toevlucht voor hen die er beducht voor zijn af te glijden. (34) De toegewijden schenken je de ogen terwijl de zon je de wereld laat zien nadat hij opging; de toegewijden zijn degenen die te aanbidden zijn, je [ware] familie, evenzogoed als ze je eigenlijke ziel zijn en ook Mij vertegenwoordigen [zie ook b.v. 1.1: 15, 3.5: 47, 3.6: 28, 11.2: 6]. (35) Hij [Purûravâ] die zich om die reden aan het Allerhoogste had overgegeven, reisde, aldus bevrijd van het verlangen naar de wereld van Urvas'î, verlost van alle gehechtheid en waarlijk in zichzelf tevreden rond over deze aarde.' 

 

Hoofdstuk 27

Over het Respecteren van de Vorm van God

(1) S'rî Uddhava zei: Kan Je alsJeblieft de yoga uitleggen van het dienen van Jou als beeltenis, o Meester. Wie is van die aanbidding, welke vorm respecteert men in die aanbidding en op welke manier aanbidt men Je dan, o Meester van de Sâtvata's [zie ook mûrti en 11.3: 48-55]? (2) De wijzen Nârada, Bhagavân Vyâsa en mijn leermeester de zoon van Angirâ [Brihaspati] zeggen herhaaldelijk dat er niets zo bevorderlijk is voor iemands welzijn. (3-4) De woorden die hierover uit Jouw lotusmond vloeiden werden gebezigd door de grote ongeboren Heer [Brahmâ] sprekend tot zijn zoons met Bhrigu aan het hoofd, en door de grote Heer S'iva pratend met de godin [Pârvatî, zie B.G. 3: 9-10]. Dit [dienen van Uw beeltenis] wordt op prijs gesteld door alle klassen en geestelijke orden van de samenleving en is, denk ik, het meest geschikt voor vrouwen en de werkende klasse, o Grootmoedige. (5) O Heer met de Lotusogen, alsJeblieft, o Beheerser van Alle Beheersers van het Universum, spreek tot Je bhakta, die zo vol gehechtheid is, over deze manier om bevrijd te raken van de karmische gebondenheid.'

(6) De Allerhoogste Heer zei: 'Er is geen einde aan de talloze voorschriften voor wat men moet doen in [bhakti-]yoga [zie b.v. B.G. 1-6]; dus, Uddhava, laat Me het in het kort netjes, stap voor stap uitleggen. (7) Men moet naar behoren van aanbidding zijn door te kiezen voor een van de drie soorten van processen van eerbetoon: zoals het moet overeenkomstig de Veda's, overeenkomstig de verklarende literatuur [tantra's als de Pañcarâtra] en overeenkomstig een combinatie van hen. (8) Alsjeblieft luister goed naar de manier waarop een persoon, die naar de voor hem relevante voorschriften [*] de status van een tweede geboorte verwierf, met toewijding van aanbidding moet zijn voor Mij. (9) Met de noodzakelijke hulpmiddelen moet hij, verbonden in de bhakti, vrij van nevenmotieven Mij, zijn aanbiddelijke goeroe, vereren met behulp van een beeltenis, of met een altaar, met een vuur, met de [stand van de] zon, met water of met Mij als zijnde aanwezig in het tweemaal geboren hart zelf [**]. (10) Wat betreft de twee soorten van zuivering moet men eerst een bad nemen en zijn tanden poetsen en ten tweede een bad nemen in de mantra's met gebruikmaking van klei en dergelijke [zie tilaka, kavaca en 6.8: 3-10]. (11) Teneinde zijn karma af te schudden behoort hij die volmaakt gefixeerd is in zijn overtuiging over te gaan tot Mijn rituele aanbidding [pûjâ] met het naleven van in de Veda's voorgeschreven plichten [zie ook 11.14: 35] als het respecteren van ceremonies en dergelijke op de drie overgangstijden van de dag.

(12) Er zijn acht soorten van vormen waarmee men zich Mij herinnert: in steen, hout, metaal, een smeerbare substantie [zoals klei], geschilderd, in zand, in juwelen en als een beeld dat men vasthoudt in de geest. (13) De persoonlijke gedaante die er aldus in twee soorten is - te weten, wel en niet aan verandering onderhevig - hoeft, in geval van een permanente installatie in de tempel, o Uddhava, niet tevoorschijn worden gehaald (âvâhana) of weer worden opgeborgen (udvâsa). (14) Tijdelijk geïnstalleerd heeft men deze twee opties, maar met het toewijzen van een vaste plaats doen zich de volgende twee mogelijkheden voor: niet uit een smeerbare substantie bestaand [of van verf of hout] wordt het gewassen, maar in alle andere gevallen wordt het gereinigd zonder water. (15) Er is de aanbidding van de verschillende vormen van Mij met hulpmiddelen van de beste kwaliteit en er is de aanbidding van een toegewijde vrij van materiële verlangens die gebruik maakt van wat er maar zonder moeite voorhanden is, zowel als voorzeker de aanbidding in het hart met behulp van wat men zich in de geest voorstelde.

(16-17) Gewoontegetrouw baden en opsieren wordt het meest op prijs gesteld met een beeltenis [in de tempel], Uddhava, voor een altaar is dat een oefening van respect in mantra's [tattva-vinyâsa] en voor het vuur worden offergaven [van sesam, granen e.d.] verzadigd van de ghee het beste geacht. Voor de zon is dat een respectvolle begroeting met een meditatie in âsana's [zie Sûrya-namskar] en voor het water zijn offergaven van water en dergelijke [Mij] het liefst. (18) Als zelfs maar een beetje water dat door Mijn bhakta wordt aangeboden met geloof [Mij] het meest dierbaar is [zie ook B.G. 9: 26], hoeveel te meer zou dat dan niet voor voedsel, bloemen, lampen, geuren en wierook gelden? Daarentegen zal het vele dat wordt geofferd door niet-toegewijden zal niet Mijn bevrediging teweegbrengen [zie ook B.G. 16]. (19) Goed gewassen, de noodzakelijke hulpmiddelen bijeen gebracht hebbend, met de halmen [van het kus'agras] van de zitplaats die werd geregeld naar het oosten gericht, en neerzittend met het gezicht naar het oosten of het noorden, of anders direct met de beeltenis voor zich, moet hij dan van eerbetoon zijn [vergelijk 1.19: 17, 4.24: 10, 8.9: 14-15]. (20) Met het zingen van mantra's en het toewijzen ervan aan zijn eigen lichaam en het lichaam van Mijn beeltenis moet hij [het altaar en de beeltenis] met de hand schoonvegen en op de goede manier de heilige dienschaal en het vat voor het sprenkelen van het water voorbereiden. (21) Met het water van het vat de plek van de beeltenis, de gebruiksartikelen en zijn eigen lichaam besprenkelend, moet hij vervolgens drie vaten met water klaarzetten en voorzien in de nodige goedgunstige zaken die beschikbaar zijn [zoals bloemen, granen, grashalmen, sesamzaad, etc., zie ***]. (22) Met de drie watervaten die er zijn voor het water voor Zijn voeten [pâdya], Zijn handen [arghya], en Zijn mond [âcamana] moet de aanbidder dan van zuivering zijn met de mantra's voor [respectievelijk] het hart [hridayâya namah], het hoofd [s'îrase svâhâ] en de pluk met haar [s'ikhâyai vashath] alsook met de Gâyatrî. (23) Hij wordt geacht te mediteren op de Oorspronkelijke Individualiteit van alle Expansies, de hoogste subtiele bovenzinnelijke gedaante van Mij die, binnenin dit lichaam dat volledig zuiver is dankzij de lucht en het vuur, zich bevindt op de lotus van het hart en wordt ervaren in het laten weerklinken van de Pranava [zie ook 2.2]. (24) Met behup van die, vanuit zijn eigen realisatie begrepen, bemediteerde gedaante volmaakt van aanbidding zijnde in het lichaam dat, van Zijn aanwezigheid doordrongen geraakt, zich oplaadde, moet hij gewetensvol het eerbetoon uitvoeren waarbij hij Hem uitnodigt [nyâsa] door Zijn ledematen te beroeren met mantra's zodat hij zich met de gerespecteerde beeltenis en met alles wat er nog meer bij kwam kijken kan verenigen. (25-26) Men moet terwille van het realiseren van beide [het plezier en de bevrijding], met achting voor zowel de Veda's als de tantra's, met behulp van de artikelen der aanbidding voor Mij de offers brengen van het pâdya, arghya en âcamana water, na zich voor zichzelf een voorstelling te hebben gemaakt van Mijn zitplaats met de negen s'akti's en [de beeltenissen van] het dharma enz. [*4] als zijnde een stralende lotus met acht kelkbladen met binnenin de werveling de saffranen meeldraden. (27) De een na de ander moet hij de Heer Zijn schijfwapen [de Sudars'ana cakra], Zijn schelphoorn [de Pâñcajanya], Zijn knots [de Kaumodaki] en Zijn pijlen en boog achten [de S'ârnga], Zijn [Balarâma voorwerpen van de] ploeg en het kaakbeen [hala en mushala], Zijn juweel [de Kaustubha], Zijn bloemenslinger [de Vaijayantî] en Zijn krul met witte haren op Zijn borst [de S'rîvatsa]. (28) Garuda, Nanda, Sunanda, Pracanda, Canda, Mahâbala Bala, Kumuda en Kumudekshana [zijn de namen van Zijn draagvogel en acht metgezellen]. (29) Durgâ, Vinâyaka [Ganes'a], Vyâsa, Vishvaksena [zie 6.8: 29, 9.21: 25-26], de geestelijk leraren en de goddelijken behoren ieder vanaf hun eigen plaats met hun gezicht naar de beeltenis van de Heer toegedraaid te worden aanbeden met het sprenkelen van water en andere rituelen [*5]. (30-31) gebruikmakend van met sandelhout, us'îra-wortel, kamfer, kunkuma en aguru geparfumeerd water, behoort de aanbidder iedere dag [de beeltenis] te baden voor zover zijn middelen het toestaan; ook moet hij hymnen aanheffen, zoals die van het vedisch hoofdstuk bekendstaande als Svarna-gharma, de aanhef genaamd mahâpurusha, de Purusha-sûkta [uit de Rig Veda] en gezangen uit de Sâma Veda zoals de Râjana en dergelijke. (32) Met kleding, een heilige draad, sierselen, tilaka tekens, bloemenslingers en geurige oliën behoort Mijn toegewijde Mij met liefde op te sieren zoals is voorgeschreven. (33) Hij die van aanbidding is moet met geloof Mij pâdya en âcamana water, geuren en bloemen, ongebroken granen, wierook, lampen en dergelijke artikelen aanbieden. (34) Naar gelang de draagkracht moet men voorzien in offergaven van voedsel als kandij, zoete rijst, rijstmeelcake met ghee [s'ashkulî], zoete cake [âpûpa], zoete rijstmeelballen met kokosnoot [modaka], hartigzoete tarwecake met ghee en melk [samyâva], yoghurt en groentesoepen. (35) Het masseren met zalf, het reinigen van de tanden met gebruikmaking van een spiegel, het baden, voedsel om te kauwen en voedsel dat niet moet worden gekauwd, het dansen en het zingen moet er zijn op speciale dagen of anders iedere dag. (36) In een offerperk opgezet zoals staat voorgeschreven behoort men, met een gordel om, met een vuurplaats en een hoogte om op te offeren, met de hand een vuur aan te leggen en aan te steken dat gelijkmatig is opgebouwd. (37) Met het uitspreiden [van kus'agras, matten] en het dan besprenkelen en ceremonieel [anvâdhâna] volgens de regels plaatsen van hout in het vuur behoort hij, met het hebben voorzien in het âcamana water, de artikelen om te offeren te besprenkelen en op Mij te mediteren als Me bevindend in het vuur. (38-41) Met het mediteren op Hem, met Zijn schelphoorn, schijf, knots en lotus, Zijn vier armen en de rust die van Hem uitgaat, als zijnde schitterend met een kleur van gesmolten goud; met Zijn kledingstuk met de kleur van de meeldraden van een lotus, glanzende helm, armbanden, gordel, de sierselen aan Zijn armen, de S'rîvatsa op Zijn borst, de stralende Kaustubha en een bloemenslinger; met het werpen van stukken hout gedrenkt in ghee in het vuur en het in de loop van het arghya-ritueel doen van de twee offers van het sprenkelen van de ghee [op twee manieren genaamd Âghâras] en het doen van [twee verschillende] uitgietingen van ghee [genaamd Âjyabhâgas], behoort de intelligente persoon in het vuur, met basismantra's en de [zestien regels van de] Purusha-sûkta lofzang, de offergaven genaamd Swishthakrit te offeren voor Yamarâja en de andere halfgoden, met voor ieder op zijn beurt de gepaste mantra [zie ook 11.14: 36-42, 11.19: 20-24, 11.21: 15]. (42) Na aldus van aanbidding te zijn geweest en vervolgens eerbetuigingen te hebben gebracht aan Zijn metgezellen, behoort hij offers te brengen met het zingen van de mantra voor de godheid in kwestie, daarbij in gedachten houdend dat de Absolute Waarheid het Oorspronkelijke Zelf van Nârâyana is. (43) Nadat hij het âcamana water heeft aangeboden en aan Vishvaksena de resten van het voedsel heeft gegeven, dient hij vervolgens toebereide betelnoot aan te bieden alsmede reukwater voor de mond [zie ook 11.3: 48-53, 11.25: 28]. (44) Hij moet zich [dan] voor een zekere tijd [zie kâla, 11.21: 9] verliezen in viering door zelf te luisteren en anderen te doen luisteren naar Mijn verhalen, door Mijn bovenzinnelijke handelingen uit te beelden en door hardop te reciteren, met elkaar mee te zingen en te dansen [zie ook b.v. 11.5: 36-37, 11.14: 23-24]. (45) Met gebeden uit de Purâna's, met grote of kleine gebeden uit andere oude geschriften en met gebeden geschreven door anderen [zie bhajans] of afkomstig uit meer algemene bronnen, moet men ter aarde geworpen de eer betonen en zeggen: 'O Heer, alstUblieft schenk mij Uw genade'. (46) Met het hoofd naar Mijn voeten gebracht en met de handpalmen bijeen [kan hij een gebed doen als:] 'O Heer, alstUblieft, bescherm deze overgegeven ziel die in deze materiële oceaan er bang voor is door de dood te worden verzwolgen' [vergelijk B.G. 11: 19]. (47) Aldus biddend moet hij de offerrestanten van Mijn genade naar zijn hoofd heffen en moet hij dit gebed nog een keer doen als hij respectvol afscheid moet nemen van de beeltenis opdat het licht [van de beeltenis] zijn plaats vindt in het licht [van het eigen hart *6].

(48) Wanneer men ook geloof ontwikkelt in Mij in de vorm van welke beeltenis of andere manifestatie ook, moet men voor die vorm van eerbetoon zijn, want Ik, de Oorspronkelijke Ziel van Allen, bevind Me zowel in alle levende wezens als in iemand zelf [zie ook B.G. 6: 31 en *7]. (49) Op deze manier zal door de processen van handelen in yoga een persoon met achting voor de Veda en meer toegespitste teksten in zowel dit leven als het volgende leven bij Mijn genade de verlangde vervolmaking verwerven. (50) Teneinde Mijn beeltenis naar behoren een plaats te geven moet de toegewijde een stevige tempel bouwen en fraaie bloementuinen aanleggen [om bloemen te verschaffen] voor de dagelijkse pûjâ, feestelijke bijeenkomsten en jaarlijkse evenementen. (51) Hij die land, winkels, steden en dorpen ter beschikking stelt teneinde de continuïteit te verzekeren van de dagelijkse aanbidding en de jaarlijkse feestdagen, zal een weelde verwerven gelijk aan die van Mij. (52) De beeltenis installeren geeft heerschappij over de gehele aarde, het bouwen van een tempel geeft de zeggenschap over de drie werelden en het uitvoeren van de pûjâ en andere soortgelijke diensten verschaft iemand het bereik van Brahmâ. Doet men alle drie, dan zal men een status verwerven gelijk aan die van Mij. (53) Hij [echter] die vrij van nevenmotieven overgaat tot bhakti-yoga bereikt dat wat het resultaat is van toewijding in yoga: als hij zo van aanbidding is verwerft hij Mij [zie ook 5.5: 14, 11.12: 24 en B.G. 6: 44]. (54) Hij die het eigendom wegsteelt dat door hemzelf werd geschonken of door anderen werd gedoneerd aan de goden en de brahmanen, is een worm in de ontlasting die honderdmiljoen jaar lang zijn geboorte moet nemen [vergelijk 10.64: 39]. (55) De dader [schuldig aan dat stelen] en zijn medeplichtige alsook degene die er toe aanzet en degene die dat goedkeurde, delen allen in de karmische terugslag ervan in het leven dat erop volgt waarin zij al naar gelang hun betrokkenheid daarvan de gevolgen zullen ondervinden.'

Voetnoten:

* De paramparâ zegt hiertoe dat leden van de drie hogere klassen van de samenleving allen de status van tweemaal geboren zijn bereiken door inwijding in de Gâyatrî-mantra. Naar de traditie mogen brâhmana jongens na de nodige voorbereiding worden geïnitieerd op hun achtste, kshatriya jongens als ze elf zijn en vais'ya jongens als ze twaalf zijn.  

**: De materialistische toegewijde - bijna iedereen dus - is van toewijding met behulp van een beeld van God in de vorm van een tijdtabel, met het altaar in de vorm van zijn bureau op kantoor, met het vuur in het fornuis waarop hij regelmatig zijn maaltijden gekookt krijgt, met de zon met de datum die hij respecteert en met de klok die hij pragmatisch manipuleert, met het water met de dagelijkse douche die hij neemt en met de afwas die hij doet, en met het tweemaal geboren hart met de dagelijkse contemplaties overeenkomstig de wijsheid die hij verwierf als een volwassene uit de persoonlijke ervaring en van zijn leraren. Aldus is iedereen, min of meer van toegewijde dienst naar de praktijken der devotie hier vermeld, zij het op een onbewust, materialistisch en nogal onpersoonlijk niveau (zie prâkrita).

*** 'S'rîla S'rîdhara Svâmî geeft citaten uit de vedische literatuur die stellen dat water bestemd voor het wassen van de voeten moet worden gecombineerd met gierstzaden, dûrvâgras vermengd met water, vishnukrânta bloemen en andere zaken. Het water gebruikt voor arghya behoort met de acht volgende zaken samen te gaan - geurige olie, bloemen, ongebroken graankorrels, gepelde graankorrels, de tippen van kus'agras, sesamzaad, mosterdzaad en dûrvâgras. Het water voor het sippen moet jasmijnbloemen bevatten, gemalen kruidnagel en kakkola bessen.' (p.p. 11.27: 21).

*4: De zetel van dharma stelt men zich hier voor als bestaande uit rechtschapenheid, wijsheid, onthechting en heerschappij als de poten, het tegengestelde ervan als de zijkanten en de drie guna's als de drie planken voor de bodem.

*5: Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî zijn de persoonlijkheden hier vermeld eeuwig bevrijde zielen van de Heer die zich ophoudt in de geestelijke hemel, voorbij de materiële manifestatie. Niet zo zeer de Ganes'a die hier in de wereld, als de zoon van heer S'iva, beroemd is voor het schenken van financieel succes, en de godin Durgâ, de vrouw van Heer S'iva, die beroemd is als het uitwendige, begoochelend vermogen van de Opperheer.' (p.p. 11.27: 29).

*6: Toegewijden accepteren bloemen, voedsel of vuur dat van de beeltenis komt naar gebruik met het eerst naar hun hoofd toebrengen ervan als een teken van respect.

*7: De paramparâ voegt hier aan toe: 'Door geregeld, trouw aanbidden begrijpt men geleidelijk aan dat de beeltenis volledig identiek is aan de Allerhoogste Heer Zelve. In dat stadium, rijst men, bij machte van de mûrti-verering, op tot het tweede-klas platform van de toegewijde dienst. In dit meer ontwikkelde stadium verlangt men er meer naar vriendschap te sluiten met andere toegewijden van de Heer, en geeft men, terwijl men stevig gevestigd raakt in de gemeenschap der Vaishnava's, het materiële leven volledig op zodat men geleidelijk aan zijn volmaaktheid vindt in het Krishnabewustzijn' (p.p. 11.27: 48).

 

Hoofdstuk 28

Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als men inziet dat de wereld, deze combinatie van materie en persoon, is gebaseerd op één en dezelfde werkelijkheid, moet men ervan afzien de aard en handelwijze van iemand anders te prijzen of te kritiseren. (2) Hij die de aard en handelingen van iemand anders prijst of kritiseert verliest snel de greep op dat wat voor hemzelf van belang is omdat hij verstrikt raakt in een zelfgeschapen werkelijkheid. (3) Iemand die zich bewust is van de objectieve verscheidenheid is [zich net zo min bewust van de ene werkelijkheid] als een ziel van wie de zinnen overweldigd door de slaap in het fysieke omhulsel het illusoire ervaren van een droom of het doodse van een toestand van bewusteloosheid. (4) Hoe kan men nu goed van kwaad onderscheiden met deze tot de verbeelding behorende materiële dualiteit? Als we die overwegen in de geest en uitdrukken in woorden schieten we tekort in waarheid [*]. (5) Schaduwen, echo's en drogbeelden, hoewel enkel maar projecties, geven aanleiding tot motieven [in de mens]; op dezelfde manier geeft het lichaam en al het materiële begrip dat erbij hoort aanleiding tot angst tot op de dag dat men sterft. (6-7) De Opperziel die alleen het universum schept en wordt geschapen in de vorm van de Heer, beschermt en wordt beschermd als het Zelf van de Ganse Schepping en trekt zich terug en wordt teruggetrokken als de Beheerser. Zo kan men dan niet van een levensvorm spreken die los van Hem zijn bestaan zou hebben, en zodoende bestaat er voor de drievoudige manifestatie [van de wereld] die als onlosmakelijk deel van het Allerhoogste Zelf bestaat uit de geaardheden, geen [andere of van Hem onafhankelijk bestaande] basis. Weet dat het drievoudige [van het zien, het geziene en de ziener naar gelang respectievelijk de rajas, de tamas en de sattva] een voortbrengsel is van de begoochelende materiële energie [die onder de invloed staat van Hem in de vorm van de Tijd, zie ook B.G. 14: 19]. (8) Iemand die verankerd in de kennis zoals vastgelegd en gerealiseerd door Mij hier weet van heeft, verwijt of prijst niet [denkend aan een andere oorzaak], hij beweegt zich zo vrij door de wereld als de zon doet [zie B.G. 2: 57, 13: 13, 13: 32, 14: 22-25]. (9) As men door persoonlijke ervaring, logische afleiding, schriftuurlijke waarheid en door zelfverwerkelijking er weet van heeft dat het niet-essentiële een begin en een einde kent, behoort men zich vrij van gehechtheid in deze wereld rond te te bewegen [zie ook B.G. 2: 16].'

(10) S'rî Uddhava zei: 'O Heer wie is het nu precies die de ervaring ondergaat van het [veranderlijke] materiële bestaan? Die ervaring is niet echt eigen aan de [onveranderlijke] ziel, de ziener die zelfbewust is, noch is ze van het lichaam, het geziene dat [als datgene wat zelf verandert] op zich geen ervarend zelf heeft. (11) De onuitputtelijke ziel, vrij van de geaardheden, is net als een vuur zuiver, zelfverlicht en onbedekt, terwijl het materiële lichaam is als brandhout dat van niets weet. Wie van de twee is nu de ervaring eigen van een materieel leven in deze wereld?'

(12) De Opperheer zei: 'Zolang de ziel zich aangetrokken voelt tot het lichaam, de zinnen en de levenskracht, zal het materiële bestaan dat voor een bepaalde tijd zijn vruchten afwerpt desondanks betekenisloos zijn vanwege een gebrek aan onderscheidingsvermogen. (13) Ook al is de materiële substantie er niet werkelijk [d.w.z. niet permanent], de materiële omstandigheid houdt [wat betreft de elementen waaruit ze is ogebouwd] niet op te bestaan en men moet, met het als in een droom overwegen van de zinsobjecten, daarvan de nadelen onder ogen zien [vergelijk 3.27: 4, 4.29: 35 & 73, 11.22: 56 en B.G. 2: 14]. (14) Dat [dromen] wat voor degene die niet wakker is in zijn slaap vele onwenselijke ervaringen biedt, zal echter degene die ontwaakt is geenszins in de war brengen. (15) Geweeklaag, uitgelatenheid, angst, vrees, begeerte, verwarring en gesmacht en dergelijke, ziet men met het tot stand komen en afsterven van iemands identificatie met het lichaam [ahankâra] en is niet afhankelijk van de ziel [die geen geboorte neemt of sterft, zie 11.22: 12, 11.23: 50-56, 11.25: 30]. (16) Voor het valse gemotiveerd zich ophoudend in het zelf van het materiële lichaam, de zinnen, de levensadem en de geest, neemt het levende wezen zijn vorm aan naar gelang de guna's en het karma. Hem worden dan, afhankelijk van zijn relatie met de leidraad van de grotere natuur, verschillende namen toegedacht als hij onder het gestrenge regime van de Tijd zich rondbeweegt in de materiële oceaan. (17) Dit zonder een vaste basis in de vele vormen vertegenwoordigd zijn van de geest, de spraak, de levenskracht, het grofstoffelijk lichaam en de baatzuchtige arbeid, zal, met het zwaard van bovenzinnelijke kennis dat werd aangescherpt in de aanbidding, worden afgekapt door een nuchtere wijze die zich zonder verlangens over de aarde rondbeweegt. (18) Spirituele kennis [impliceert] het onderscheiden [van geest en stof en wordt gevoed door] de Schrift en boetedoening, persoonlijke ervaring, historische verslagen en logische afleidingen. [Zij is gebaseerd op] dat wat er gelijkelijk is aan het begin en het einde van dit [scheppingsgebeuren] en wat hetzelfde is in het midden als de Tijd en de Uiteindelijke Oorzaak [van brahman, de Absolute Waarheid, zie ook B.G. 10: 30, 33, 11: 32 en kâla]. (19) Net zoals goud de constante factor vormt die aanwezig is voordat het wordt verwerkt, als het wordt verwerkt en in het eindproduct na het verwerken, ben Ik aanwezig vermomd in de verschillende geaardheden [van de verwerking] van deze schepping. (20) Mijn beste, deze geest van gecondenseerde kennis in zijn drie condities [van waken, slapen en onbewuste slaap], vormt met zijn manifestatie in de vorm van de geaardheden als het veroorzaken [van rajas], het veroorzaakte [van tamas] en de veroorzaker [van sattva, vergelijk 11.22: 30], de vierde factor [het 'goud'] die als een onafhankelijke grootheid staat voor de enkelvoudige waarheid van ieder van hen. (21) Dat wat er voorheen niet was noch er nadien is, en er halverwege ook niet is [als iets onafhankelijks] vormt enkel maar een aanduiding; wat er ook maar geschapen werd en wordt gekend aan de hand van iets anders, is feitelijk alleen maar dat andere iets; dat is hoe Ik het zie. (22) De geestelijke werkelijkheid van God zoals die bestaat in zijn eigen licht openbaart de Absolute Waarheid als de verscheidenheid aan zinnen, hun voorwerpen, de geest en de transformaties. Om die reden treedt deze schepping, die door de geaardheid rajas onderhevig is aan verandering, naar voren als zelf-verlicht, ook al is hij er niet werkelijk [zie ook siddhânta]. (23) Als men op deze manier door de logica van het onderscheid duidelijkheid heeft verkregen over het Absolute van de Spirituele Waarheid, moet men zich ter zake kundig uitspreken tegen en kappen met de twijfel omtrent het Zelf en in de tevredenheid van zijn eigen geestelijke geluk afzien van alle lustmatige [ongereguleerde] zaken [zie B.G. 3: 34]. (24) Het lichaam uit de aarde gevormd is niet het ware zelf, noch zijn dat de zinnen, hun goden of de levensadem, de buitenlucht, het water, het vuur of een geest die enkel maar uit is op voedsel; noch zijn dat de intelligentie, het materiële bewustzijn, het ik dat zichzelf de doener acht, de ether, de aarde, materiële zaken of de inperking. (25) Wat is de verdienste van hem die naar behoren Mijn identiteit heeft vastgesteld en in zijn concentratie zijn zinnen - die door de geaardheden worden bestuurd - volmaakt heeft weten te richten? En omgekeerd wat zou men hem verwijten die door zijn zinnen wordt afgeleid? Wat kan het de zon nou schelen als er wolken voor langstrekken of als het opklaart? (26) Zo goed als de hemel zelf niet anders wordt van de komende en gaande kwaliteiten van de lucht, het vuur, het water en de aarde of van de kwaliteiten der seizoenen [de hitte en de kou], staat ook de Onvergankelijke Allerhoogste boven de invloed van de natuurlijke geaardheden van sattva, rajas en tamas, die ervoor zorgen dat hij die zijn lichaam voor het ware zelf aanziet in de materie gevangen zit [zie ook 1.3: 36, 3.27: 1, B.G. 7: 13]. (27) Desondanks moet, totdat door hecht verankerd te zijn in Mijn bhakti-yoga de onzuiverheid van de geest der hartstocht is uitgebannen, de gehechtheid worden geschuwd die samenhangt met de kwaliteiten die eigen zijn aan de begoochelende materiële energie [zie B.G. 7: 1, 14 en **]. (28) Op dezelfde manier als een ziekte die niet goed behandeld werd regelmatig zich doet gelden en de mens ellende bezorgt, zal de geest die niet gezuiverd is van zijn karmische besmetting een onervaren yogi kwellen die er nog allerlei gehechtheden op nahoudt. (29) Onvolkomen yogi's die zich laten leiden door beperkingen in de vorm van de menselijke wezens [familieleden, volgelingen etc., zie o.a. S'rî S'rî S'ikshâshthaka-4] die door de dertig goden op hen af worden gestuurd [zie tridas'a] zullen, vanwege hun vasthoudendheid in hun voorgaande leven hun yogapraktijk [in een nieuw leven] weer oppakken, maar nimmer weer in de ban raken van baatzuchtige arbeid [zie ook 11.18: 14, B.G. 6: 41-42]. (30) Het normale levende wezen dat de gevolgen moet ondervinden van zijn baatzuchtige arbeid bevindt zich bewogen door deze of gene impuls in die staat tot op het moment dat hij sterft. Maar hij die intelligent is is, ondanks dat hij zich bevindt in de materiële positie, niet zo [wankelmoedig] omdat hij met de ervaring van het geluk dat hij vond zijn materiële verlangens heeft opgegeven. (31) Hij wiens bewustzijn is verankerd in het ware zelf staat er geen moment bij stil of hij nu staat, zit, loopt of neerligt, urineert, voedsel tot zich neemt of wat hij nog meer doet dat voortkomt uit zijn geconditioneerde aard. (32) Een intelligent iemand houdt niets anders voor essentieel. Telkens als hij de niet werkelijk [onafhankelijk] bestaande dingen van de zintuigen ziet, weerlegt hij vanuit zijn logica het afzonderlijke bestaan ervan, zodat ze zijn als de dingen van een droom die hun waarde verliezen als men wakker wordt. (33) De materiële onwetendheid die onder invloed van de materiële geaardheden vele vormen aanneemt ziet de geconditioneerde ziel aan voor een onlosmakelijk deel van zichzelf, maar met die onwetendheid is het afgelopen als men enkel maar Zijn visie ontwikkelt, Mijn beste. De ziel daarentegen is niet iets wat men aanneemt of achter zich kan laten. (34) Als de zon opkomt wordt de duisternis voor het menselijk oog verdreven, maar dat opkomen schept nog niet de dingen die er dan te zien zijn. Zo ook maakt een doortastend en gedegen onderzoek van het ware van Mij een einde aan de duisternis van iemand's intelligentie [maar is dat nog niet de oorsprong van zijn ziel]. (35) Deze zelfverlichte, ongeboren, onmetelijke Grootheid van Verstaan die zich van alles bewust is, is de Ene Zonder Zijns Gelijke in wie de woorden hun afronding vinden, en door wiens drijvende kracht de spraak en de adem zich bewegen. (36) Ieder idee van dualiteit in het zelf is voor de unieke ziel slechts een hersenschim; voor zo'n idee bestaat er geen andere basis [om tot rust te komen] dan de eigen ziel [vergelijk 7.13: 7]. (37) De dualistische, fantasierijke interpretatie [in termen van goed en kwaad, zie ook 11.21: 16] door de zogenaamde geleerden van deze, in namen en vormen waarneembare, dualiteit welke onmiskenbaar bestaat uit de vijf elementen, is tevergeefs [zie ook 5.6: 11].

(38) Het lichaam van een yogi die met een gebrek aan ervaring overgaat tot de yogapraktijk, kan ten prooi vallen aan zich opwerpende stoornissen. In dat geval is het volgende de voorgeschreven gedragswijze: (39) Sommige stoornissen kunnen worden overwonnen door meditatiehoudingen [âsana's] in combinatie met concentratie [dhâranâ], boetedoening [tapas ***], mantra's en geneeskrachtige kruiden. (40) Sommige nadelige zaken kan men stap voor stap te boven komen door voortdurend aan Mij te denken [Vishnu-smarana] middels het hooghouden van Mijn namen en dergelijke [japa, sankîrtana] en door te treden in het voetspoor van de meesters van de yoga [zie ook B.G. 6: 25]. (41) Enkelen [onder de yogi's] maken hun zelfbeheerste lichaam geschikt door zich met behulp van verschillende methoden op het jeugdige vast te leggen en proberen aldus perfect te zijn in hun materiële beheersing [siddhis]. (42) Door hen die in een goede conditie verkeren wordt dat niet hooggehouden, er zeker van dat dat ondernemen nogal zinloos is, omdat het lichaam, net als de vrucht van een boom, toch zal sterven [zie ook 11.15: 33]. (43) Iemand met een toegewijde geest hecht er geen waarde aan om regelmatig de yoga te beoefenen met het oog op het realiseren van een gezond lichaam, hij die Mij is toegewijd geeft de yoga [voor dat doel] op [*4]. (44) De yogi die dit proces van de yoga volgt laat zich, bevrijd van verlangens met het zich op Mij beroepen, niet ontmoedigen door tegenslagen en ervaart [zo] zijn zielsgeluk.'

 

Voetnoten:

* In tegenstelling tot populaire inzichten dat het medium de booschap zou zijn, wordt hier duidelijk gesteld dat het medium dus niet de boodschap is. De woorden en de ideeën, en ook de z.g. vaste vorm der dingen, zijn allen vals in verhouding tot de oorspronkelijke waarheid, het bericht, de essentie. Dat wat uitgedrukt wordt is de essentie, niet de uitdrukking zelve. Zo is het ene levende wezen van de persoon en de levende materiële natuur met haar Tijd als het mannelijk aspect de essentie, en zijn alle ideeën, gefixeerde dingen ervan en woorden erover in feite vals. Aldus hebben we de paradox van de in zichzelf valse uitdrukking in dingen, woorden en ideeën, deze zin voor u als lezer b.v., van wat op zich waar is als de heelheid van het leven. Zo zijn er dan beelden van Krishna die worden vereerd met de waarschuwing ze beslist niet als materieel te mogen zien. Aldus zijn kritiek en lof, goed en kwaad, noties die de plank misslaan van wat objectief de waardevrije werkelijkheid is van brahman, de Absolute Waarheid van de werkelijkheid die vanbinnen zowel als vanbuiten vrij is van illusie. Of zoals men dat heden ten dage zegt: wetenschap is waardevrij.

**: De strekking van dit vers is dat, ook al is de materiële natuur, als Zijn gigantische virâth-rûpa gedaante, niet verschillend van de Opperheer (zoals uitvoerig beschreven in dit en andere hoofdstukken), degene die het materiële verlangen nog moet overwinnen niet kunstmatig zijn heil moet zoeken in materiële zaken, met de verklaring dat ze toch niet van de Heer zouden verschillen [zie p.p. 11.28: 27].

*** Met betrekking tot boete zij de beginner eraan herinnerd dat vrijwillige boete, vrijwillig lijden en afzien, beter is dan opgelegde boete in de vorm van een ziekte, vervolging door de wet, nood lijden en calamiteiten e.d. Zoals het is met de Joden in Exodus die er klaar voor waren om Egypte te verlaten moet men klaar staan voor de komst van de Heer [zie ook 11.17: 42 en B.G. 2: 40, 12: 16].

*4: Men zij er hier aan herinnerd dat types als Râvana en Hiranyakas'ipu eveneens aan yoga deden en de geschiktheid verwierven; het verwerven van perfecties op die manier kan evenzogoed een demonisch iets zijn en vormt dus geen geloofsartikel zoals dat hier wordt gesteld. Het gaat meer om het motief dat de yogi de Heer bereikt. Beheersing, gezondheid en orde is een schone zaak om te realiseren, maar zonder de Heer is het evenzogoed een zaak van de duivel.

 

Hoofdstuk 29

Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

(1) S'rî Uddhava zei: 'Dit yogaproces is, zo denk ik, allermoeilijkst in de praktijk te brengen voor iemand die niet spiritueel is. AlsJeblieft o Acyuta, zeg me in eenvoudige bewoordingen hoe iemand er met gemak in kan slagen [zie ook B.G. 6: 33-34]. (2) Over het algemeen, o Lotusogige, raken yogi's gefrustreerd als ze hun geest willen oefenen en worden ze, als het ze niet lukt de verzonkenheid te bereiken, het moe te proberen de geest te onderwerpen. (3) Om die reden, o Lotus-ogige, zijn de zwaangelijken er gelukkig mee hun toevlucht te zoeken bij Jouw lotusvoeten, o Heer van het Universum. Maar zij die prat gaan op de resultaten van hun yoga doen dat niet en worden verslagen door Jouw materiële energie. (4) Het wekt geen verbazing Acyuta, dat Jij een vriend bent voor alle dienaren die, zonder een andere toevlucht, vereend zijn in de vertrouwlijkheid met Jou, Jij die vol genegenheid was voor de dier-gelijken [Vânara's] terwijl de zijkanten van je voetenbankje werden overdekt door de stralende helmen van de grote beheersers [Brahmâ b.v.]. (5) Wie zou, bekend met het voordeel dat Jij biedt, o Allerhoogste Ziel, Verlener van Alle Volmaaktheden en Heer het meest geliefd bij hen die hun toevlucht zoeken, Jou nu van de hand wijzen of ooit iets anders toegewijd zijn om enkel maar een goed gevoel te hebben en dan [Jou] te vergeten? Zou er ook maar iets te wensen overblijven als we het stof van Jouw voeten dienen [zie ook 10.44: 15, 10.47: 46]? (6) Zelfs niet met een levensduur zolang als die van Brahmâ zouden de geschoolden - al hun werk ten spijt - er toe in staat zijn uitdrukking te geven aan de dankbaarheid [die we Jou verschuldigd zijn] o Heer. Want Jij toont Je weg op twee manieren: in de vorm van het verstandelijk begrepene [gezag van de Superziel] vanbinnen teneinde zich de vreugde te heugen en de âcârya vanbuiten om het onfortuinlijke te verdrijven van het belichaamd zijn [de caittya- en de paramparâ-guru].'

(7) S'rî S'uka zei: 'Aldus door Uddhava die zeer aan Hem was verknocht ertoe verzocht, sprak de Heer liefdevol met een aantrekkelijke glimlach, Hij die het universum als Zijn speeltje heeft en middels Zijn eigen energieën de drie verschillende persoonlijke gedaanten van de Beheersers [de guna-avatâra's] heeft aangenomen. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik zal nu hier voor jou het dharma uitleggen dat in relatie tot Mij het meest zegenrijk is en waarmee een sterfelijk wezen, met geloof tewerkgaand, de zo onoverwinnelijke dood overwint. (9) Als men aan Mij zijn geest en intelligentie heeft opgedragen, behoort men stapsgewijze alle arbeid te Mijnentwille [leren] te verrichten, en daarbij, bij de genade van de eigen liefdevolle geest, de manier waarop Ik Mijn plichten nakom in gedachten te houden. (10) Men moet zijn toevlucht zoeken in de heilige plaatsen die worden bezocht door Mijn vrome toegewijden en [het voorbeeld te volgen van] de handelingen van Mijn toegewijden optredend onder de goddelijken, hen die van de duivel zijn bezeten en onder de menselijke wezens. (11) Alleen dan wel in samenkomst behoort men overeenkomstig de maanstand, bij speciale gelegenheden en met feestdagen zich bezig te houden met zang en dans en dergelijke, en gul te zijn met bijdragen. (12) Men moet Mij met een zuiver hart in zichzelf aanwezig zien als de Superziel die zich, net als de onbegrensde ether, binnen en buiten alle levende wezens bevindt alsook in jezelf [zie ook B.G. 13: 16 en 1.7: 10]. (13-14) O heldere geest, als men met Mijn liefde aldus van respect is voor alle levende wezens, heeft men met zo'n benadering zijn toevlucht genomen tot zuiver spirituele kennis. Als men op deze manier de brahmaan en de uitgestotene, de dief en degene die trouw is aan de brahmaanse cultuur, de zon en de vonk, de zachtgeaarde en de wreedaard gelijkgezind beziet, mag men zich een wijs mens noemen [zie B.G. 5: 18]. (15) Van de persoon die voortdurend op Mijn aanwezigheid in alle mensen aan het mediteren is, zal snel de rivaliteit, de afgunst, het neerkijken op anderen en het valse ego verdwijnen. (16) Onverschillig erover uitgelachen te worden door vrienden of zonder zich te schamen voor uiterlijkheden, moet men als een stok op de grond gevallen zijn eerbetuigingen brengen aan [allen,] zelfs [aan] honden, uitgestotenen, koeien en ezels [zie ook de S'rî S'rî S'ikshâshthaka-3]. (17) Zolang men niet de visie heeft ontwikkeld van Mij als zijnde aanwezig in alle levende wezens, zal men op deze wijze met wat men zegt, denkt en doet met het lichaam van aanbidding moeten zijn [zie ook tridanda]. (18) Voor degene die door kennis en realisatie de alomtegenwoordige Superziel ziet, is alles gebaseerd op de Absolute Waarheid. Aldus vrij van alle twijfel bestaat er voor zo iemand de plicht zich uit de wereld terug te trekken. (19) Dit met de functies van je geest, je woorden en je lichaam gaan voor de waarheid van Mij in alle levende wezens, acht Ik de meest geëigende van alle processen. (20) Mijn beste, omdat deze door Mij op volmaakte wijze ingestelde methode vrij is van de geaardheden en geen nevenmotieven kent is er, Uddhava, in het pogen van Mijn plichtsbetrachting te zijn dienovereenkomstig niet het geringste verlies [zie ook B.G. 2: 40]. (21) O beste onder de vromen, van welk werelds ondernemen ook zal de angst en dat alles niks om het lijf hebben als het, aan Mij, het Allerhoogste, opgedragen zijnde, religieus is in de neiging tot een handelen dat vrij is van nevenmotieven [zie ook B.G. 18: 6]. (22) Het in dit leven op deze manier via het valse en sterfelijke bereiken van Mij, het onsterfelijke, vormt de schranderheid der schranderen en de intelligentie der intelligenten. (23) Hiermee is zowel in het kort als tot in detail het volledige overzicht geboden van de Absolute Waarheid die een wetenschap vormt die zelfs voor de goden moeilijk toegankelijk is. (24) Met het naar behoren hebben doorgrond van deze kennis die steeds weer met logische argumenten voor je werd uiteengezet, zal een persoon zijn twijfels uitgebannen zien en bevrijd zijn. (25) Hij die zich enkel maar concentreert op deze vraag van jou die naar behoren door Mij werd opgehelderd, reikt tot het eeuwige geheim van de Veda's, het Allerhoogste Absolute van de Waarheid. (26) Ik zal als vanzelf Mijn gezag verlenen aan degene die deze Allerhoogste Spirituele Waarheid zonder enig voorbehoud verkondigt als de traditie voor Mijn toegewijden. (27) Hij die hardop dit Allerhoogste reciteert dat zo heiligend en helder is, zal, omdat hij met de lamp der kennis Mijn aanwezigheid gestalte geeft, alle dagen zuivering vinden. (28) De persoon die aandachtig, met geloof hier regelmatig naar luistert is Mij bovenzinnelijk toegewijd [is een bhakta] en raakt niet verstrikt in karmische terugslagen [zie ook B.G. 3: 9]. (29) Uddhava, o vriend, heb je het spirituele nu duidelijk voor de geest en heeft het weeklagen en de illusie die in je geest opkwam nu het veld geruimd [zie 11.6: 42-49 en ook B.G. 18: 72]? (30) Vertel dit niet aan een schijnheilig iemand, een atheïst of een bedrieger, en zeg het ook niet aan iemand die niet wil luisteren of een opstandige niet-toegewijde [vergelijk met B.G. 18: 67]. (31) Deel dit met de persoon die vrij is van deze slechte eigenschappen, met hem die geheiligd en zuiver is, hij die vriendelijk toegenegen is en het welzijn van de brahmanen voor ogen heeft, zowel als met arbeiders en vrouwen als ze van bhakti zijn [vergelijk B.G. 9: 32]. (32) Voor de onderzoekende geest die hiervoor volledig begrip heeft, is er verder niets meer om in te drinken; wat zou iemand nog meer in zich op moeten nemen als hij gedronken heeft van de smakelijkste ambrozijnen drank die er is? (33) Ongeacht wat mensen van succes met de vier levensdoelen [catuh-vidah] ook vinden in geestelijke kennis, in baatzuchtige arbeid, in mystieke yoga, in alledaagse bezigheden of in politiek besturen, kan je in gelijke mate in Mij vinden. (34) Als een sterveling zich opoffert en al zijn baatzuchtige arbeid opgeeft in het verlangen naar het bijzondere van Mij, komt hij in dat proces van het bereiken van de onsterfelijkheid met Mij op dat moment in aanmerking voor het delen in de weelde die bij Mij hoort.'

(35) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij de woorden van Uttamas'loka had aangehoord en hem aldus het pad van de yoga was getoond, zei Uddhava met zijn handen samengevouwen niets omdat zijn keel was dichtgesnoerd door de liefde en zijn ogen overstroomden van de tranen. (36) Volledig door de liefde van de kaart zichzelf intomend om zijn geest in evenwicht te krijgen o Koning, sprak hij, zich dankbaar voelend, met gevouwen handen voor de Grote Held der Yadu's en raakte daarbij met zijn hoofd Zijn lotusvoeten aan. (37) S'rî Uddhava zei: 'De grote duisternis van de begoocheling waar ik in belandde, werd in de aanwezigheid van de Zon die Jij bent verdreven. Welke kou, duisternis en vrees zou zich kunnen doen gelden met degene die Jou benaderde, o Ongeboren Oorspronkelijke Persoon? (38) Door Jou die in Je goedheid zo genadig bent werd aan mij, Je dienaar, als antwoord de fakkel geboden die bestaat uit Jouw wijsheid. Wie ook die dankbaarheid voelt is er toe in staat af te zien van de basis van Jouw voeten en elders zijn heil te zoeken? (39) Het door Jouw mâyâ stevig bindende touw van mijn genegenheid voor de zich naar Jouw wil uitbreidende schepping [de familie] van de Dâs'ârha's, Vrishni's, Andhaka's en Sâtvata's, werd doorkliefd met het zwaard van de juiste kennis omtrent de ziel. (40) Mogen er mijn eerbetuigingen voor Jou zijn, o Grootste der Mystici, leg me alsJeblieft uit hoe ik stabiel kan zijn met de transcendentale aantrekking van Jouw lotusvoeten.'

(41-44) De Allerhoogste Heer zei: 'Alsjeblieft, o Uddhava, aanvaard Mijn advies om naar Mijn hermitage genaamd Badârika te gaan. Zuiver je aan de oevers aldaar met het water wegstromend van Mijn voeten door er in te baden en het te beroeren [zie 5.17]. Wees met je ogen gericht op de Alakanandâ [een zijrivier van de Ganges] gezuiverd van alle smetten en kleed je met boombast Mijn beste, leef van wat het bos je biedt en vindt vrij van begeerte het geluk. Oefen met je intelligentie, spirituele kennis en wijsheid, verdraagzaamheid met alle dualiteiten, houdt heilig vast aan je principes, beteugel je zinnen, en verkeer in vrede en verzonkenheid. Hecht geloof aan en mediteer op dat wat je van Mij leerde te onderscheiden. Als je met je woorden en geest in Mij verzonken je ertoe wijdt om Mijn deugd te verwerkelijken zal je, met die disipline de oversteek wagend tot voorbij de drie bestemmingen [de guna's], vervolgens Mij bereiken.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Heer Vol van Begrip, omliep Uddhava Hem linksom en ondanks dat hij op het moment van zijn vertrek vrij was van de invloed der materiële tegenstellingen, doordrenkte hij, met een brekend hart met zijn hoofd voorover, Zijn voeten met zijn tranen. (46) Het er moeilijk mee hebbend om te vertrekken was hij niet in staat Hem te verlaten zodat hij buiten zichzelf overweldigd door grote pijn afscheid nam en daarbij keer op keer zijn eerbetuigingen bracht en de slippers van Zijn Handhaver op zijn hoofd nam [*]. (47) Daarna Hem in zijn hart installerend, ging de grote toegewijde naar het luisterrijke pelgrimsoord [dat als zodanig ookwel Vis'âlâ wordt genoemd] waar de Enige Vriend van het Universum het over had. Daar bereikte hij, nadat hij gewetensvol de boetedoeningen had volbracht, de bestemming van de Heer [Vaikunthha]. (48) Onverschillig wie ter wereld die oprecht gelovig de dienst aanvaardt van deze oceaan van vervoering, deze nectarzee van kennis die door Krishna, Hij wiens voeten worden gediend door de meesters van de Yoga, voor Zijn toegewijde werd bijeengebracht, zal bevrijd raken. (49) Ik buig voor de Eerste en Grootse Persoonlijkheid genaamd Krishna, die zorgt dat Zijn vele toegewijden de nectar van de oceaan te drinken krijgen, de essentie van de Veda's, de essentie van de genoten spirituele kennis en wijsheid die Hij, als de auteur van de Veda's, gelijk een bij levert teneinde de angst weg te nemen van het materieel bestaan.' 

Voetnoot:

* De paramparâ voegt hier toe: 'Volgens het S'rîmad Bhâgavatam [3.4: 5], vernam Uddhava toen hij onderweg was naar Badarikâs'rama over de Heer Zijn reis naar Prabhâsa. Terugkerend en Heer Krishna achterna komend, trof hij de Heer alleen, vlak na het zich terugtrekken van de Yadu-dynastie. Na opnieuw genadevol geïnstrueerd te zijn door de Persoonlijkheid van God (tezamen met Maitreya, die juist was aangekomen), voelde Uddhava dat zijn kennis van de waarheid nieuw leven was ingeblazen, en begaf hij zich toen, op last van de Heer, op weg.'

  

Hoofdstuk 30

Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

(1) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Wat deed de Opperheer en Beschermer van Alle Levende Wezens in Dvârakâ nadat Uddhava, de grote toegewijde, was vertrokken? (2) Vertel alsjeblieft hoe Hij, de Leider van de Yadu's die in Ieders Ogen het Meeste Geliefd is, Zijn lichaam opgaf toen Zijn familie de vernietiging vond na door de brahmanen vervloekt te zijn [zie 11.1]? (3) Gehecht aan Zijn gedaante konden de vrouwen hun ogen er niet van afwenden, en doorgedrongen tot de oren van de wijzen wilde de gedaante met het veroveren van een vaste plaats in hun geest niet meer verdwijnen. En welk een aantrekkingskracht ging er niet uit van de woorden die de eerzuchtige dichters bezigden om uitdrukking te geven aan de schoonheid ervan? En wat te zeggen van hen op het slagveld die, toen ze de gedaante zagen op Arjuna's strijdwagen, een soortgelijke status verwierven?'

(4) De machtige rishi [S'uka] zei: 'Met voor ogen het aantal grote verstoringen welke zich vertoonden in de hemel, op aarde en in het uitspansel, richtte Krishna zich als volgt tot de Yadu's die bijeen zaten in de Sudharmâ-hal [zie 10.50: 54 en ook 1.14]. (5) De Allerhoogste Heer zei: 'O beste der Yadu's, met deze beangstigende, grote en onheilspellende voortekenen, die zijn als de vlaggen van de koning van de dood, moeten we geen moment langer in Dvârakâ blijven. (6) De vrouwen, de kinderen, en de ouden van dagen moeten naar S'ankhoddhâra [halverwege Dvârakâ en Prabhâsa] en wij zullen naar Prabhâsa vertrekken alwaar de Sarasvatî westwaarts stroomt. (7) Daar moeten we ons zuiveren door te baden, te vasten en onze geesten te concentreren, en zullen dan de goden [de beeltenissen] aanbidden met verschillende offerandes, wassingen en âlepa [insmeren met sandelhout]. (8) Als de brahmanen vol van genade de plechtigheden hebben opgevoerd, zullen we ze koeien, land, goud, kleding, olifanten, paarden, wagens en huizen schenken [zie ook 3.3: 26-28]. (9) Zo moet het allemaal gaan willen we het onheil afwenden en het geluk afroepen, want als je de besten onder de levende wezens eer aandoet - de goden, de brahmanen en de koeien - roept dat het allerhoogste af [vergelijk met 10.24: 25].' (10) Toen ze allen aldus naar de Vijand van Madhu hadden geluisterd, zeiden de ouderen onder de Yadu's 'Zo zij het!', en staken ze per boot over [naar het vaste land] om zich in wagens op weg te begeven naar Prabhâsa. (11) Aldaar volbrachten ze overeenkomstig de instructies van de Heer van de Yadu's, de Allerhoogste Persoonlijkheid, met bovenzinnelijke toewijding en wat nog meer hen kracht zou verlenen, al de gelukbrengende offerrituelen. (12) Toen, zoals het was voorbeschikt [zie 11.1: 4] verloren ze hun verstand toen ze dronken van een grote hoeveelheid zoetsmakende maireya [honingdrank] die door zijn ingrediënten hun geest benevelde [zie ook 6.1: 58-60]. (13) Onder de helden die waren verbijsterd als gevolg van Krishna's begoochelend vermogen deed zich een verschrikkelijke ruzie voor omdat ze beschonken van het overmatig drankgebruik arrogant werden. (14) In woede ontstoken pakten ze hun wapens op - hun bogen, zwaarden, bhalla-pijlen [pijlen met een speciale pijlpunt], knotsen, lansen en speren - en bevochten elkaar daar aan de kust. (15) Met wapperende vlaggen in hun wagens rijdend, op olifanten en andere draagdieren - ezels, kamelen, stieren, buffels, muildieren en zelfs mensen - traden ze elkaar kwaad tegemoet, aanvallend met pijlen als waren ze olifanten die elkaar in het bos met hun slagtanden te lijf gaan. (16) Met hun vijandschap gewekt in de slag vocht Pradyumna verwoed tegen Sâmba, Akrûra tegen Bhoja, Aniruddha tegen Sâtyaki, Subhadrâ tegen Sangrâmajit, Sumitra tegen Suratha en de twee Gada's [de broer en een zoon van Krishna] tegen elkaar. (17) Ook anderen zoals Nis'athha, Ulmuka en meer onder leiding van Sahasrajit, S'atajit en Bhânu, traden tegen elkaar in het geweer en doodden elkaar verblind als ze waren door de bedwelming en compleet in de war door Mukunda. (18) Met het volledig laten varen van hun vriendschap slachtten de Kunti's, de Kukura's, de Visarjana's, de Madhu's en Arbuda's, Vrishni's en Andhaka's, de Bhoja's, de Sâtvata's, de Das'ârha's en de inwoners van Mâthura en S'ûrasena elkaar af. (19) In staat van begoocheling doodden verwanten verwanten en vrienden vrienden; zoons vochten met hun vaders en met hun broers, neven met ooms, ooms van vaders zijde tegen ooms van moeders zijde en weldoeners vochten tegen weldoeners. (20) Toen hun pijlen opraakten, hun bogen gebroken waren en hun projectielen opgebruikt, namen ze bamboestaken [eraka, zie 11.1: 22] ter hand. (21) Die staken vastgeklemd in hun vuisten veranderden in ijzeren staven zo sterk als bliksemstralen toen ze hun vijanden ermee te lijf gingen, en hoewel Krishna ze probeerde te stoppen, vielen ze Hem ook aan. (22) In de war met hun geesten vol moord en doodslag, zagen ze Balarâma voor een vijand aan o Koning en hieven ze hun wapens ook tegen Hem op. (23) De Twee mengden zich toen ook allerverwoedst in de strijd, o zoon van de Kuru's, en gingen, de staken in Hun vuisten als knuppels hanterend, in de strijd er toe over te doden. (24) In de greep van de vloek der brahmanen en met hun geesten beneveld door Krishna's mâyâ, leidde de furie van de wedijver nu tot hun vernietiging, zoals een vuur van bamboestaken dat doet met een bos.

(25) Toen al Zijn clans waren vernietigd op deze manier, concludeerde Krishna dat zoals gepland [11.1: 1-4] wat er nog restte van de last van de aarde was weggenomen. (26) Balarâma ging aan de kust van de oceaan over tot meditatie op de Oorspronkelijke Persoon en liet toen met het doen opgaan van Zichzelf in Zichzelf de wereld der mensen achter zich. (27) Toen Hij zag dat Râma was heengegaan vlijde de Allerhoogste Heer, de Zoon van Devakî, Zich in stilte bij een pippala boom neer op de schoot der aarde [zie ook 3.4]. (28-32) Met het vertonen van Zijn vierarmige gedaante verdreef Zijn schitterende gloed, als een vuur zonder rook, de duisternis in alle richtingen. Bij Zijn S'rîvatsa-teken en Zijn wolken-grijsblauwe kleur droeg Hij een hemels stel geelzijden kledingstukken en straalde Hij als gesmolten goud. Zijn gezicht dat als een blauwe lotus prachtig glimlachte met Zijn bekoorlijke lotusogen, werd opgesierd door Zijn haarlokken en glanzende haaienvormige oorhangers. Magnifiek met een gordel, een heilige draad, een helm en armbanden; armversieringen, halssnoeren, enkelbelletjes en koninklijke tekenen, was er daar het Kaustubha kleinnood. En zo zat Hij daar met Zijn rechtervoet roze als een lotus op Zijn dijbeen geplaatst, met de vormen van Zijn persoonlijke wapens in Zijn handen en met een slinger van woudbloemen om Zijn nek. (33) Zijn voet die de vorm had van de kop van een hert werd [toen] getroffen door de pijl van een jager genaamd Jarâ die dacht dat hij een hert zag. De pijl die was vervaardigd uit een fragment dat was overgebleven van het ijzer [van de door de brahmanen vervloekte en vernietigde knots 11.1: 23]. (34) Toen hij de vierarmige persoonlijkheid zag viel hij, bang dat hij een overtreding had begaan, met zijn hoofd naar beneden neer aan de voeten van de Vijand der Asura's: (35) 'Dit is gedaan door een zondige persoon die uit onwetendheid handelde; o Madhusûdana, alstUblieft vergeef deze zondaar zijn daad, o Uttamas'loka, o Zondeloze. (36) O Meester, wat ik Hem, Vishnu, heb aangedaan, U heb aangedaan, was verkeerd; o U, van wie de voortdurende herinnering de duisternis der onwetendheid van alle mensen vernietigt, zo zegt men. (37) Om die reden, doodt me alstUblieft nu meteen o Heer van Vaikunthha, zodat ik, die in werkelijkheid een zondige hertenjager ben, niet nogmaals een dergelijke overtreding zal begaan tegen de Enige Ware [*]. (38) Wat kunnen wij, onzuiver van geboorte, nu over Hem, over U [en de vernietiging van de Yadu's], zeggen? Uw mystieke macht wordt immers [zelfs] niet doorgrond door Viriñca, Rudra en zijn andere meesters en zoons van het vedisch woord omdat hun blik op Uw wezen is verduisterd door Uw begoochelend vermogen!'

(39) S'rî Bhagavân zei: 'Vrees niet o Jarâ, alsjeblieft sta op, want wat jij deed was Mijn verlangen; je hebt Mijn permissie je naar de geestelijke wereld te begeven, de plaats voor hen die het goede doen.'

(40) Na aldus te zijn geïnstrueerd door Krishna, de Fortuinlijke die Zijn eigen belichaming voortbracht, omliep hij Hem drie keer en vertrok hij, zich voor Hem verbuigend, met een verheven geest [een 'vimâna', ook wel: hemelvoertuig] naar de hemel. (41) Dâruka die probeerde te ontdekken waar Krishna was gebleven, kon, toen hij bij Hem in de buurt kwam de aromatische tulasî ruiken en benaderde Hem toen. (42) Hij trof Hem daar schitterend en gloeiend aan, omringd door Zijn wapens en rustend aan de voet van de as'vattha. Met zijn hart overweldigd door emoties haastte hij zich van de wagen en viel hij met tranen in de ogen neer aan Zijn voeten. (43) 'O Meester, Uw lotusvoeten niet ziend ben ik mijn visie kwijt en heb ik geen weet van de windrichtingen, noch kan ik de vrede vinden; net zoals het is als men met een nieuwe maan 's nachts in de duisternis beland.'

(44) En terwijl hij dat zei rees recht voor de ogen van de wagenmenner de wagen hoog op in de lucht samen met de paarden en de vlag van Garuda die hem sierde, o Koning der koningen. (45) Met Vishnu's goddelijke wapens die volgden, sprak Janârdana tot de menner die stomverbaasd was door die gebeurtenis: (46) 'O menner, begeef je op weg naar Dvârakâ en stel Onze familieleden op de hoogte van de wederzijdse vernietiging van hun naaste verwanten, van Mijn toestand en van het heengaan van Sankarshana. (47) Jij en je verwanten moeten niet langer in Dvârakâ blijven. Nu dat de Yaduhoofdstad door Mij is verlaten zal hij in zee zinken. (48) Jullie moeten ieder je eigen familie en ook Onze ouders meenemen, en samen, onder de hoede van Arjuna, naar Indraprastha gaan. (49) Jij echter, die goed doordrongen bent van de kennis en je niets aantrekt van Mijn mâyâ, zal als je goed standhoudt in Mijn toegewijde dienst, begrijpen wat Ik allemaal arrangeerde en er vrede mee hebben.'

(50) Na aldus door Hem te zijn aangesproken omliep hij Hem met het keer op keer bieden van zijn eerbetuigingen. Toen ging hij, nadat hij zijn hoofd naar Zijn lotusvoeten had gebracht, zwaar te moede op weg naar de stad.'

Voetnoot:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura vraagt zich af, aangezien herten van nature angstig en timide zijn, hoe zich welk hert dan ook ooit kon ophouden op het schouwtoneel van die grote veldslag, en hoe een jager kalmpjes zijn gang kon gaan temidden van al dat vergoten bloed. Daarom waren het zich terugtrekken van de Yadu-dynastie en Heer Krishna's eigen verdwijnen van deze aarde geen materiële historische gebeurtenissen; ze vormen daarentegen meer een vertoon van de Heer Zijn innerlijk vermogen voor het doel van het afronden van Zijn aardse spel en vermaak [p.p. 11.30: 37]. Ook vormt de naam van de jager, Jarâ, wat oude dag betekent, aanduiding van de metaforische strekking van deze gebeurtenis [zie ook voetnoot 10.87: *]. In de Mahâbhârata-tâtparya-nirnaya schreef S'rî Madhvâcârya-pâda dat de Heer voor Zijn missie weliswaar een lichaam van materiële energie had geschapen waarin de pijl werd geschoten, maar dat de eigenlijke vierarmige gedaante nimmer werd geraakt door de pijl van Jarâ, die feitelijk een incarnatie van de Heer Zijn toegewijde Bhrigu Rishi is. In een voorgaand leven had Bhrigu Muni offensief zijn voet geplaatst op de borst van Heer Vishnu.

 

Hoofdstuk 31

De Hemelvaart van Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen arriveerden aldaar Brahmâ met zijn gemalin Bhavânî samen met S'iva en de halfgoden onder leiding van Indra en de wijzen samen met de heren der mensen. (2-3) De voorvaderen, de volmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de grote ego's, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders en de wildemannen, zij van bijzondere vermogens en de dansmeisjes van de hemel en allen horend bij Garuda [de dvijâ's] die graag getuige wilden zijn van het heengaan van de Allerhoogste Heer, bezongen en prezen vol enthousiasme de geboorte en handelingen van S'auri. (4) Zij, samendrommend in de hemel in een groot aantal vimâna's, o Koning, strooiden, verenigd in bovenzinnelijke toewijding, bloemen uit. (5) Toen de Opperheer de grote vader en zijn machtige expansies zag concentreerde Hij Zich in Zichzelf, de Almachtige, en sloot Zijn lotusogen. (6) Zonder in een mystieke trance het voorwerp te verbranden dat gunstig is voor alle vervoering en meditatie, te weten Zijn lichaam dat hoogst aantrekkelijk is voor al de werelden, ging Hij Zijn eigen verblijf binnen [vergelijk 4.4]. (7) En terwijl in de hemel pauken weerklonkenn en er bloemen neerregenden volgden Hem toen Hij de aarde verliet de Waarheid, Rechtschapenheid, Bestendigheid, Roem en Schoonheid [zie ook 10.39: 53-55]. (8) De halfgoden en anderen met Brahmâ aan het hoofd die niet op de hoogte waren van [alles] wat Krishna had gedaan, zagen Hem niet allemaal Zijn verblijf binnengaan, maar zij die dat wel deden waren hoogst verbaasd. (9) Net zoals de weg van de bliksem die zich via de wolken door de hemel beweegt, door stervelingen niet kan worden vastgesteld, konden zo ook de goden niet uitmaken welke weg Krishna volgde. (10) Brahmâ, S'iva en de anderen echter, ervan getuige, verheerlijkten verwonderd het yogavermogen van de Heer, waarna een ieder zich naar zijn eigen wereld begaf. (11) O Koning, u moet begrijpen dat het verschijnen, de handelingen van Zijn begoochelend vermogen en het verdwijnen van de Allerhoogste op de manier zoals dat gebeurt met normale belichaamde wezens, een vertoning vormt. Het is een schouwspel waarmee Hij net als een acteur met behulp van Zichzelf dit universum in gang zet door erin binnen te gaan, erin op te treden en tenslotte er een eind aan te maken. Na opgehouden te zijn [met de vertoning] verwijlt Hij dan in de grootheid van het Allerhoogste Zelf. (12) Hij die de zoon van Zijn goeroe in zijn eigen lichaam weer terugbracht na te zijn weggevoerd naar de wereld van Yamarâja [10.45] en Hij die tevens bescherming bood tegen het oppermachtige wapen dat jou verbrandde [1.12]; Hij die zelfs S'iva overwon die de dood vormt voor de boodschappers van de dood [10.63], waarom zou Hij, die de hertenjager [Jarâ] compleet met zijn lichaam naar de geestelijke wereld overbracht, er niet toe in staat zijn Zichzelf te behouden? (13) Ondanks het feit dat Hij, in het bezit van onbegrensde vermogens, de enige oorzaak is van de handhaving, schepping en vernietiging van alle geschapen wezens, verlangde Hij het niet Zijn lichamelijkheid hier in de sterfelijke wereld te behouden. Wat voor nut heeft het voor Hem, die de bestemming vormt voor hen die zich op Hem fixeerden, om vast te houden aan de uiterlijkheid [zie ook 3.2: 10-11]? (14) Een ieder die, 's morgens vroeg opstaand, met zorg deze allerhoogste bestemming van Krishna verheerlijkt, zal met de toewijding ongetwijfeld die onovertroffen bestemming bereiken [zie ook B.G. 8: 6].

(15) Dâruka die zonder Krishna in Dvârakâ arriveerde, bevochtigde met zijn tranen de voeten van Vasudeva en Ugrasena voor wie hij zich ter aarde wierp. (16-17) Hij verhaalde van de voltallige vernietiging van de Vrishni's, o heerser der mensen, en dat vernemend waren de mensen met hun harten van slag buiten hun zinnen van verdriet. Overweldigd door de scheiding van Krishna sloegen ze zich op hun gezicht en haastten ze zich naar de plaats waar hun verwanten levenloos lagen. (18) Toen Devakî, Rohinî en Vasudeva daarop hun zoons niet konden vinden, verloren ze getroffen vol tranen hun bewustzijn. (19) Gekweld door hun scheiding van de Allerhoogste Heer gaven ze toen ter plekke hun levens op en klommen de echtgenotes met het omhelzen van hun [dode] echtgenoten, mijn beste, op de brandstapel. (20) En zo gingen ook de vrouwen van Balarâma, Zijn lichaam omhelzend, het vuur binnen en traden eveneens de echtgenotes van Vasudeva tezamen met zijn lichaam alsook de schoondochters van de Heer die bij Pradyumna en de anderen hoorden in het vuur. En zo verging het ook de vrouwen van Krishna die volkomen in Hem verzonken met Rukminî, de eerste koningin voorop, het vuur ingingen. (21) Arjuna van streek vanwege de scheiding van Krishna, zijn geliefde vriend, troostte zich met de bovenzinnelijke woorden van Krishna's lied [zoals 2: 11-12, 2: 20-21, 2: 27, 4: 7, 4: 6, 7: 25 en 14: 27 van de Bhagavad Gîtâ]. (22) Voor de verwanten, waarvan er geen familieleden meer over waren, liet Arjuna als voorgeschreven, voor hen die de dood hadden gevonden, naar de orde van de leeftijd van de overledenen, de begrafenisrituelen voltrekken. (23) Dvârakâ verlaten door de Heer, raakte direct daarop overstroomd door de oceaan met uitzondering van, o Koning, de residentie van de Hoogste Persoonlijkheid van God [zie een archeologische afbeeldingen 1,2 & 3 van de plaats]. (24) Precies daar is Madhusûdana, de Allerhoogste Heer, eeuwig aanwezig; de enkele herinnering eraan, als het goedgunstigste van alles wat goedgunstig is, neemt al het ongunstige weg. (25) Arjuna, die de overlevenden - de vrouwen, de kinderen en de bejaarden van degenen die de dood vonden - herhuisvestte in Indraprastha, plaatste daar Vajra [Aniruddha's zoon] op de troon. (26) Toen ze van Arjuna vernamen over de dood van hun vriend, o Koning, vertrokken al uw grootvaders om de grote reis te maken, nadat ze eerst u tot de handhaver van de dynastie hadden uitgeroepen [ze gingen noordwaarts, zie ook 1.15: 34-51]. (27) Een sterveling die met geloof zingt over de geboorte en handelingen van Vishnu, de God der Goden, zal volledig verlost raken van al zijn zonden [zie S'rî Das'âvatâra Stotra]. (28) Aldus werden de aantrekkelijke en allergunstigste heldendaden en kindertijd-wederwaardigheden van de incarnatie [met al Zijn expansies, zie 10.1: 62-63] van de Allerhoogste Heer Hari hier [in dit verhaal van de Fortuinlijke] beschreven alsook elders [in andere geschriften]. De persoon die ze bezingt zal de bestemming bereiken van de bovenzinnelijke toegewijde dienst die het doel is van alle volmaakte wijzen [de paramahamsa's].'

 

Aldus eindigt het elfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam. 

 

CANTO 12: Het Tijdperk van Verval

 

Hoofdstuk 1

Het Verval van de Dynastieën en de Corrupte Aard van de Heersers van Kali-yuga

(0) S'rî Parîkchit zei: 'Alstublieft o wijze kan u me vertellen wiens dynastie over de aarde heerste nadat Krishna, het juweel van de Yadu-dynastie, was vertrokken naar Zijn hemelverblijf?' [*]

(1-2) S'rî S'uka zei: 'De laatste nazaat die er van Brihadratha in de toekomst zal zijn [zie 9.22: 49] wordt Purañjaya genoemd [niet die in 9.6: 12]; maar zijn minister S'unaka zal zijn meester vermoorden om zijn eigen zoon genaamd Pradyota [historisch: Bimbisâra] tot koning uit te roepen, van wie de zoon Pâlaka, Vis'âkhayûpa als zijn zoon zal hebben met Râjaka daarop als de volgende. (3) Zijn zoon zal Nandivardhana zijn; deze vijf pradyotana-koningen zullen de aarde honderdachtendertig jaar genieten. (4) Dan zal S'is'unâga geboorte nemen en zal Kâkavarna zijn zoon zijn, van wiens zoon Kshemadharmâ, Kshetrajña zal worden geboren. (5) De zoon Vidhisâra [van Kshetrajña], zal Ajâtas'atru op de wereld zetten en Darbhaka zal zijn zoon zijn van wie men zich Ajaya zal heugen. (6-8) Van Ajaya zal er [een andere] Nandivardhana zijn wiens zoon Mahânandi is. Deze tien S'is'unâga-koningen, o beste van de Kuru's, zullen in het Kali-tijdperk driehonderdenzestig jaar over de aarde heersen. O Koning, de zoon van Mahânandi, een zekere Nanda, zijn geboorte nemend uit de schoot van een vrouw uit de arbeidersklasse, zal, machtig als hij is als een heerser over miljoenen, de vernietiging van de heersende klasse vormen; de koningen dan zullen, vervallend in goddeloosheid, niet beter dan s'ûdra's worden. (9) Hij, die heerser over miljoenen [ookwel bekend als Ugrasena], zal als de enige leiding over de ganse aarde ongeslagen zijn en in zijn alleenheerschappij als een tweede Paras'urâma zijn [zie 9.15 & 16]. (10) De acht zoons met Sumâlya voorop die aldus van hem ter wereld zullen komen, zullen als koningen deze aarde honderd jaar genieten. (11) Een zekere tweemaal geboren brahmaan [genaamd Cânakya] die het vertrouwen geniet van de negen Nanda's zal hen omverwerpen, waarna als zij verdwenen zijn de Maurya's in Kali-yuga over de aarde zullen heersen [**]. (12) De brahmaan zal Candragupta op de troon zetten en zijn zoon Vârisâra zal op zijn beurt weer door As'okavardhana worden opgevolgd. (13) Suyas'â zal door hem ter wereld komen; Sangata, Suyas'â's [klein-] zoon [geboren uit zijn zoon Das'aratha] zal S'âlis'ûka zijn van wie er daarna Somas'armâ zal zijn die aan de wieg zal staan van S'atadhanvâ van wie er Brihadratha zal zijn. (14) Deze tien Maurya-koningen, o voortreffelijke held van de Kurudynastie, zullen in Kali-yuga meer dan honderdzevenendertig jaar over de aarde heersen. (15-17) Agnimitra [die volgt als de zoon van de generaal Pushpamitra die Brihadratha vermoordde] zal Sujyeshthha op de wereld zetten van wie er Vasumitra zal zijn met op hem volgend Bhadraka en zijn zoon Pulinda. Zijn zoon zal Ghosha zijn wiens zoon Vajramitra zal zijn; door hem zal Bhâgavata worden geboren door wie er Devabhûti zal zijn, o verheven Kuru. Deze tien S'unga's zullen de aarde genieten voor meer dan honderd [112] jaar waarna deze aarde zal vallen onder de heerschappij van de Kânva-dynastie die weinig goede kwaliteiten heeft, o heerser der mensen. (18) Vasudeva, een hoogst intelligente minister van de Kânva-familie, die [met de hulp van een slavin] de wellustige S'unga-koning Devabhûti zal doden, zal dan zelf het bestuur op zich nemen. (19) Zijn zoon zal Bhûmitra zijn en zijn zoon Nârâyana. Deze Kânva-koningen zullen in Kali-yuga nog weer driehonderdvijfenveertig jaar over de aarde heersen. (20) Een man van het Andhra-ras van lage afkomst genaamd Balî, zal als bediende Sus'armâ doden, de [laatste] Kânva-koning en zeer ontaard enige tijd over de aarde heersen. (21-26) Zijn broer, genaamd Krishna, zal dan de volgende heerser over de aarde zijn en de zoon van S'ântakarna, zijn zoon, zal Paurnamâsa zijn. Na Lambodara, zijn zoon, zal Cibilaka de koning zijn en door Cibilaka zal Meghasvâti er komen die Athamâna op de wereld zet, gevolgd door Anishthakarmâ. Door Hâleya, zijn zoon, zal Talaka ter wereld komen wiens zoon Purîshabhîru dan Sunandana krijgt die de volgende koning zal zijn. Cakora [zijn zoon] zal worden opgevolgd door de acht Bahu's, van wie S'ivasvâti een grote onderwerper van de vijand zal zijn. Van Gomatî, zijn zoon, zal Purîmân er zijn, wiens zoon Medas'irâ zal heten. S'ivaskanda van hem zal Yajñas'rî als zijn zoon hebben, en daarna zal zijn komeling Vijaya, Candravijña en Lomadhi krijgen. Deze dertig koningen zullen vierhonderdvijfenzestig jaar over de wereld heersen, o zoon van de Kuru's [***]. (27) Uit de stad Avabhriti zullen dan zeven Âbhîra-koningen voortkomen, tien Gardabhî's, en zestien Kanka-koningen die als aardse heersers hoogst inhalig zullen zijn. (28) Dan zullen acht Yavana's volgen, veertien Turushka's en verder nog tien Gurunda's en elf Maula's. (29-31) Deze [eerste zes dynastieën] zullen duizendnegenennegentig jaar over de aarde heersen, en de elf Maula's zullen driehonderd jaar heersen, mijn beste. Met hen allen dood en verdwenen zullen in de stad Kilakilâ honderdenzes jaar lang de koningen Bhûtananda, gevolgd door Vangiri met daarna S'is'unandi en dan zijn broer Yas'onandi en Pravîraka heersen. (32-33) Van hen [de Kilakilâ's] zullen er dertien zoons zijn genaamd de Bâhlika's. Na hen zullen er Pushpamitra en vervolgens zijn zoon koning Durmitra zowel alsook zeven Andhra's, zeven Kaus'ala's en ook de heersers van Vidûra en de Nishadha's die daarna in dezelfde periode als koningen de scepter zullen voeren. (34) Voor de provincie Mâgadha zal er Vis'vasphûrji zijn, die als een andere Purañjaya de mensen van alle klassen zal veranderen in inferieure Pulinda's, Yadu's en Madraka's [onbeschaafde mensen, mensen van een lager allooi, zie *4]. (35) De onintelligente koning, die vanuit de beschutting van de stad Padmavatî van de bron van de Ganges tot aan Prayâga over de aarde zal heersen, zal, zich ten opzichte van de burgers overwegend gedragen in strijd met het brahmaanse, de almachtige klasse der kshatriya's te gronde richten. (36) De tweemaal geborenen die leven in de provincies S'aurâshthra, Avantî, Âbhîra, S'ûra, Arbuda en Mâlava zullen [te dien tijde] van hun geloften vallen en zij die vooraanstaande posities bekleden zullen niet beter dan s'ûdra's zijn. (37) De landen aan de rivier de Sindhu, zowel als de districten Candrabhâgâ, Kauntî en Kâs'mîra, zullen worden geregeerd door onbeschaafde lieden [mleccha's], s'ûdra's en anderen die, geestkracht missend, afwijken van de standaard.

(38) O Koning, deze overwegend onwetende aardse zorgdragers die zich wijden aan goddeloze en onrealistische praktijken zullen, [wedijverend om te heersen] met een heetgebakerd gemoed tegelijkertijd hun burgers weinig vrijheid gunnen [in economisch opzicht]. (39) Met het vernietigen van de levens van vrouwen, kinderen, koeien en bekeerde mensen, hebben ze, met het begeren van andermans vrouwen, dan weer opgetogen, dan gematigd en dan weer terneergeslagen, zwak qua goedheid hoofdzakelijk maar korte levens te leven [of loopbanen]. Tekortschietend in het brengen van offers en zodoende niet geschikt voor het werk zullen zij, deze onnozelaars die zich voordoen als koningen, overschaduwd door hartstocht en onwetendheid, de burgers als het ware verslinden. (40) De mensen in de steden zullen, geleid door het karakter en de manier van spreken en handelen van deze heersers, lijdend onder die 'koningen' en onder elkaar, de vernietiging vinden [in oorlogen, economische rampspoed en natuurrampen, zie ook kles'a, Kali-yuga en B.G. 16: 6-12].'

 

Voetnoten:

* De paramparâ van ISKCON liet deze eerste regel van de vragenstellende Parîkchit weg, waar andere bronnen zoals S'astri C.L. Gosvâmî dit hoofdstuk er wel mee beginnen.

**: De paramparâ voegt toe: 'De grote historische vertelling het S'rîmad Bhâgavatam, welke begint met de gebeurtenissen voorafgaande aan de kosmische manifestatie, strekt zich nu uit tot in het domein van de moderne geschreven geschiedenis. Moderne geschiedkundigen erkennen zowel de Maurya dynastie als Candragupta, de koning vermeld in het volgende vers.' [pp. 12.1.11]

*** Volgens een academische vertaler van het Bhâgavatam, Ganesh Vasudeo Tagare [1989, Morilal Banarsidass], zou deze periode in de geschiedenis zich afspelen kort voor de aanvang van de christelijke jaartelling. Met het analyseren van deze tekst met betrekking tot historische bronnen concludeert hij eveneens, stellend dat er vele discrepanties zijn met de culturele [gemanipuleerde?] verslagen, dat historisch gezien de Kânva-dynastie slechts voor vijfenveertig jaar zou hebben geheerst van 75 tot 30 B.C., en niet voor de driehonderdvijfenveertig jaar zoals de Sanskriet tekst hier stelt. Volgens hem zou dit deel van het Bhâgavatam van een latere datum zijn en bestaan uit een allegaartje van historische kennis uit de tweede hand, hetgeen een stellingname is aangevochten door de paramparâ natuurlijk, daar het waarschijnlijker is dat men zich vergist in de strijdigheid van het wereldse belang dan in de harmonie van het bewustzijn gemotiveerd door een spirituele discipline.

*4 De totale tijdspanne van de generaties die hier behandeld zijn van de eerste Purañjaya af aan tot aan de laatste in de lijn van het verval van Kali-yuga, zou zich zo hebben uitgestrekt van ongeveer 2000 v. Chr. tot ongeveer de twaalfde eeuw n. Chr.

 

Hoofdstuk 2

Hoop en Wanhoop in het Tijdperk van de Redetwist

(1) S'rî S'uka zei: 'En dan, o Koning, zal dag na dag onder de sterke invloed van de tijd [van Kali-yuga] de religiositeit, waarheidsliefde, reinheid, tolerantie en de genade zowel als de levensduur, de kracht en het geheugen een neergang ondergaan [zie ook 1.16]. (2) In het Kali-tijdperk zal onder de mensen enkel rijkdom gelden als een teken van een goede geboorte, goed gedrag en goede kwaliteiten en zal materiële macht het enige criterium vormen om te bepalen wat gerecht en goed zou zijn. (3) Huwelijksbanden zullen gebaseerd zijn op uiterlijke aantrekkingskracht, in zaken zal misleiding de dienst uitmaken, of men als mannelijk of vrouwlijk wordt beschouwd zal afhangen van iemands seksualiteit en een heilige draad is al voldoende om voor geschoold door te gaan. (4) Een uiterlijk kenteken zal volstaan om vast te stellen wat iemands geestelijke status is en zal ook als afdoende gelden als men van overtuiging verandert, als men niet zo veel geld verdient verliest men zijn geloofwaardigheid en met wat gegoochel met woorden gaat men al door voor een geleerde. (5) Armoede ziet men als iets onheiligs en hypocrisie houdt men voor een deugd; een belofte wordt voldoende geacht om getrouwd te zijn [om seks voor het huwelijk te hebben] en een bad nemen [zonder enige andere ochtendroutine] volstaat om voor de dag te verschijnen. (6) Een waterbekken ergens ver weg ziet men aan voor een heilige plaats, schoonheid hangt af van je kapsel, het doel van het leven bestaat eruit je maag te vullen, brutaliteit gaat door voor eerlijkheid, in staat een gezin te onderhouden is men een deskundige en men doet aan religieuze erediensten terwille van een goede naam. (7) Met de aarde overbevolkt met een bevolking die aldus is gecorrumpeerd, zal ongeacht wie er ook maar onder de intellectuelen, de kooplieden of de heersende dan wel werkende klasse de sterkste is, die persoon de baas mogen spelen. (8) De burgers waarvan de echtgenotes en eigendommen worden weggekaapt door een genadeloze en begeertige heersende klasse die zich gedraagt als een stel ordinaire dieven, zullen hun toevlucht zoeken in de bergen en de wouden. (9) Overgaand tot het consumeren van groenten, wortelen, vlees, honing, vruchten, bloemen, en zaden zijn ze geruïneerd, gebukt gaande onder droogte en gekweld door hongersnoden en belastingen [zie ook 1.16: 20, 4.20: 14, 4.21: 24, B.G. 3: 14]. (10) Door koude, wind, hitte, regen en sneeuw geplaagd, zowel als door honger, dorst en ziekten, gaan ze als gevolg daarvan gebukt onder grote zorgen. (11) De maximum levensduur voor menselijke wezens in Kali-yuga zal vijftig jaar bedragen. (12-16) Als de lichamen van alle levende wezens door de besmetting van Kali-yuga in verval verkeren, het plichtsbesef van al de leden van de statusoriëntaties is verloren gegaan, als de vedische weg die er voor alle mensen is veranderd is in een atheïstische plichtsopvatting, als de koningen hoofdzakelijk optreden als rovers en de mensen in hun verschillende beroepen in werkelijkheid allen leugenachtige bandieten zijn van een betekenisloos afslachten, als de klassen overwegend gericht zijn op het verrichten van [betaalde] arbeid, de koeien niet meer waard zijn dan geiten, de geestelijke toevluchtsoorden net als materialistische huishoudens zijn, de familiebanden niet verder reiken dan de banden van het huwelijk, als de planten en kruiden qua formaat zijn geslonken en alle bomen als s'amî-bomen zijn, als het altijd bliksemt in de wolken en in de huizen de eenzaamheid regeert [het onpersoonlijke en de filosofie van de leegte, zie Pranâti], als Kali-yuga op zijn einde loopt en de mensen als ezels zijn geworden, zal op dat moment de Opperheer nederdalen in de geaardheid der zuivere goedheid om het dharma veilig te stellen.

(17) De geestelijk leraar van al de bewegende en de niet bewegende wezens, Heer Vishnu, de Beheerser van Allen, zal voor de bescherming van de religie en zij die zuivering vonden een einde maken aan de vruchtdragende handelingen en het [bij herhaling] geboren zijn. (18) In de plaats S'ambhala zal Heer Kalki verschijnen in het huis van de grote ziel, de brahmaan Vishnuyas'â ['de glorie van Vishnu']. (19-20) Zijn snelle paard Devadatta bestijgend, zal de Heer van het Universum toegerust met Zijn zwaard, bovenzinnelijke eigenschappen en de acht mystieke volheden [siddhis], zij die zich afkeerden van het heilige onderwerpen. Met Zijn paard gezwind over de aarde rondbewegend zal Hij, ongeëvenaard in Zijn schittering, de dieven vermomd in de uitdossing van koningen neersabelen. (21) Als de rovers zijn gedood, zullen de geesten van al de stedelingen en plattelanders ophelderen in aanraking gekomen zijnde met de bries die de hoogst gewijde geur meevoert van het [met sandelhoutpasta] opgesierde lichaam van Heer Vâsudeva. (22) Als Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, Zich in Zijn bovenzinnelijke gedaante van de goedheid in hun harten bevindt, zal de cultuur van hun nageslacht bloeien als nooit tevoren. (23) Als de Allerhoogste Heer Kalki, de Heer en Meester van het Dharma, incarneert, zal Satya-yuga en het voortbrengen van nageslacht in de geaardheid goedheid zijn aanvang nemen [zie yuga]. (24) Als de maan en de zon tegelijkertijd met Jupiter [Bhrihaspatî] in hetzelfde sterrenteken [Karkatha ofwel Kreeft] het maanhuis Tishyâ ingaan [d.w.z. Pushyâ, 3° 20´ tot 16° 40´ zie zodiak], zal op dat moment Krita- of Satya-yuga beginnen.

(25) Aldus heb ik in het kort al de koningen van het verleden, het heden en de toekomst beschreven die behoren tot de dynastieën van de zon en de maan [zie ook vams'a]. (26) Van de geboorte van uw goede zelf af aan tot aan de kroning van koning Nanda [zie 12.1: 12] zullen elfhonderdvijftig jaren verstrijken (*). (27-28) Als het sterrenbeeld der zeven wijzen (Ursa Major, de Grote Beer) rijst worden de eerste twee van hen (Pulaha en Kratu) in de hemel waargenomen; tussen hen in op dezelfde lijn [noordwest] in de nachtelijke hemel wordt hun [heersende] maanhuis gezien. De wijzen [de sterren] ermee verbonden blijven in dat maanhuis voor een honderdtal menselijke jaren. Nu, in uw tijd, bevinden de tweemaal geborenen zich in de nakshatra genaamd Maghâ. (29) Toen Vishnu, de Opperheer, de zon die bekend staat als Krishna weer terugkeerde naar de hemel, ging deze wereld het Kali-tijdperk binnen waarin de mensen zich verheugen in de zonde. (30) Zolang als Hij, de Echtgenoot van Ramâ, de aarde beroerde met Zijn lotusvoeten, was Kali niet werkelijk in staat haar in bezit te nemen. (31) Het tijdstip waarop [het sterrenbeeld van] de zeven wijzen onder de goden Maghâ ingaan [ingaat] is de tijd dat Kali-yuga begint. Dat tijdperk beslaat twaalfhonderd [goden-] jaren [of 432.000 menselijke jaren, zie ook kâla]. (32) Als de zeven wijzen van Maghâ doorlopen naar het maanhuis Pûrvâsâdhâ, zal vanaf de tijd van [Mahâpadma] Nanda en zijn nageslacht, dit Kali-tijdperk zijn volle wasdom bereiken. (33) De geschiedkundigen zeggen dat de dag dat S'rî Krishna vertrok naar het hemelrijk het Kali-tijdperk zijn aanvang nam. (34) Aan het einde van de duizend hemelse jaren van het vierde [Kali-]tijdperk, zal Krita-yuga weer opnieuw beginnen, de tijd dat de geesten van de mensen zelfverlicht zullen zijn.

(35) Alzo werd deze dynastie van [Vaivasvata] Manu opgesomd zoals die nederdaalde op aarde; ook de posities van tijdperk tot tijdperk van de geschoolden, de handelaren en de arbeiders kunnen op dezelfde manier begrepen worden. (36) Van deze persoonlijkheden, deze grote zielen, herinnert men zich alleen maar hun namen; alles wat er van hun roem overblijft op deze aarde zijn hun verhalen. (37) Devâpi, de broer van S'ântanu [9.22: 12-17] en Maru [9.12: 5-6] geboren in de Ikshvâku dynastie, leven beide in Kalâpa, toegerust met grote mystieke macht. (38) Zij zullen aan het einde van het Kali-tijdperk terugkeren naar de menselijke samenleving en, uitgaand van de instructies die ze ontvingen van Vâsudeva, als voorheen het varnâs'rama-dharma uitdragen. (39) De vier tijdperken van Krita, Tretâ, Dvâpara en Kali die de levende wezens in deze wereld doorlopen herhalen zich telkens weer opnieuw in dezelfde volgorde [zie ook mahâyuga]. (40) O Koning, deze koningen, deze goden onder de mensen en de anderen die ik beschreef die op aarde hun bezitsdrang komen uitleven, moeten uiteindelijk allemaal deze wereld opgeven en hun ondergang onder ogen zien. (41) Ookal draagt iemands lichaam de naam van koning is het niettemin voorbestemd te eindigen als ontlasting, voer voor de wormen of tot as te vergaan. Terwille van dat lichaam stond hij andere levende wezens naar het leven en eindigt hij om die reden in de hel. Hoe kan men van zo iemand nu zeggen dat hij weet heeft van wat goed voor hem is [vergelijk 6.18: 35, 7.15: 37, 10.10: 10, 10.51: 50]? (42) [Zo'n koning denkt:] 'Deze wereld behoorde in zijn geheel toe aan mijn voorgangers en staat nu onder mijn gezag. Hoe speel ik het klaar dat dat gezag overgaat in handen van mijn zoon, kleinzoon en andere nakomelingen?'(43) Als men dit lichaam dat bestaat uit aarde, water en vuur aanvaardt met een idee van 'ik' en als men 'mijn' zegt tegen deze aarde, schiet men tekort in intelligentie, want uiteindelijk moet men met het bereiken van zijn eigen afwezigheid dit lichaam zowel als deze aarde opgeven [zie ook 4.9: 34-35]. (44) De Tijd laat van alles wat koningen met hun macht ook mogen genieten in de wereld niets meer over dan wat verslagen en verhalen [vergelijk met 2.9: 33, 5.19: 28, 11.19: 16, 11.28: 21].'

Voetnoot:

 * Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat de Candragupta die na Nanda door Cânakya op de troon werd gezet een andere Candragupta moet zijn geweest dan degene waarvan beweerd wordt dat hij 1500 jaar later Alexander de Grote versloeg in de vierde eeuw voor Chr. De paramparâ voegt hier wat betreft de discrepantie van zo'n drie eeuwen verder nog aan toe: 'Hoewel S'ukadeva Gosvâmî voorheen ongeveer vijftienhonderd jaar aan koninklijke dynastieën heeft beschreven, wordt begrepen dat er sprake is van enige overlapping tussen de koningen onderling.'

 

Hoofdstuk 3

Het Lied van Moeder Aarde en de Remedie voor Kali-yuga

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de aarde de koningen druk bezig zag met het veroveren van haar, lachte ze en zei: 'Ach, zie hoe deze koningen, deze speeltjes van de dood, mij wensen te veroveren! (2) Deze lust van de heersers der mensen en zelfs de wijzen is gedoemd te mislukken met die koningen die geloof hechten aan deze klomp [van aardse materie] die te vergelijken is met bubbels [schuim op water]. (3-4) Ze mogen dan denken: 'Allereerst de verdeling van zes de baas zijnd [de zinnen en de geest], zullen we de ministers die de leiding hebben overwinnen, dan de adviseurs en ons dan bevrijden van de doornen [het boeventuig], de burgers, de vrienden en de olifantenhouders. Op deze wijze zullen we, stap voor stap de aarde veroveren met inbegrip van haar gordel van zeeën', maar aldus gebonden aan de hoop in hun harten, hebben ze geen besef van hun eindigheid [vergelijk B.G 16: 13-18]. (5) Nadat ze de landen die aan zee liggen hebben veroverd bevaren ze met al hun macht de zeeën; wat is nu het nut van een dergelijke victorie van de zelfbeheersing? Spirituele bevrijding is de [eigenlijke] vrucht der zelfbeheersing!

(6) O zoon van de Kuru's [ze zei:] 'Onintelligent proberen zij in die worsteling mij te veroveren [terwille van hun eeuwige 'roem'] terwijl de Manu's en hun zonen het allen moesten opgeven en weer [uit deze wereld] moesten vertrekken zoals ze gekomen waren [d.w.z. hulpeloos]. (7) Vanwege mij ontstaat er zo een conflict tussen materialistische personen, een conflict waarin vaders vechten met zoons en zoons met elkaar, omdat in hun streven naar macht ze in hun harten gebonden zijn aan de politiek. (8) Dingen zeggend als 'Dit is toch zeker mijn land en niet het jouwe, jij dwaas', zaaien aldus ruziënd de heersers over de mensen dood en verderf en worden ze ook vanwege mij gedood [vergelijk b.v. 2.5: 13, 2.7: 42, 4.29: 5, 5.5: 8, 6.16: 41; 7.8: 7-10; 9.4: 2-12]. (9-13) Prithu, Purûravâ, Gâdhi, Nahusha, Bharata, Kârtavîryârjuna, Mândhâtâ, Sagara, Râma [*], Khathvânga, Dhundhuhâ [ofwel] Kuvalayâs'va [9.6: 23-24], Raghu [9.10: 1], Trinabindu [9.2: 30], Yayâti, S'aryâti [9.3: 1], S'ântanu [9.22: 12-13], Gaya [5.15: 6-13], Bhagîratha [9.9: 2-17], Kakutstha [9.6: 12], Naishadha [Nala, 9.9: 16-17,9.23: 20-21, van de nakomelingen van Nishadha, 9.12: 1], Nriga [Nâbhâga, 10.64: 10], Hiranyakas'ipu, Vritra, Râvana, die de hele wereld deed weeklagen, Namuci [8.11: 29-49], S'ambara [10.36: 36], Bhauma, Hiranyâksha en Târaka [8.10: 19-24], zowel als vele andere demonen en vorsten die veel macht hadden over anderen, waren stuk voor stuk helden die goed van alles op de hoogte niet te overwinnen waren en allen onderwierpen. Voor mij levend, o machtige, gaven ze blijk van een grote bezitsdrang maar, omdat ze in de greep van de Tijd onderworpen waren aan de dood, bereikten ze niet hun doel, er bleven alleen maar historische verhandelingen van hen over [zie ook B.G. 4: 7].'

(14) [S'uka ging verder:] Deze verhalen die u werden verteld over grote koningen wiens roem zich in al de werelden verspreidde waarna ze weer vertrokken, drukken niet het hoogste levensdoel uit; zij, o machtige, vormen niet meer dan een weldaad aan woorden [een decor] om uit te kunnen weiden over de verzaking en wijsheid [van God]. (15) Het is nog steeds het altijd weer vertellen over en bezingen van de kwaliteiten van de Heer die wordt geprezen in de Verzen dat alles tenietdoet wat ongunstig is; hij die Heer Krishna Zijn zuivere toegewijde dienst verlangt moet dan ook direct ertoe overgaan regelmatig van dat luisteren te zijn.'

(16) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Welke methoden, mijn Heer, staan de mensen levend in Kali-yuga ter beschikking om de fouten die er zich als gevolg van dat tijdperk ophoopten te bestrijden; alstublieft vertel het me zoals-het-is. (17) [Vertel me over] de yuga's, de plichten die erbij horen, de tijd die ze beslaan en wanneer ze eindigen, en over de Tijd zelf die de beweging van de Beheerser is, van Heer Vishnu, de Opperziel [zie ook tijdcitaten-pagina]'.

(18) S'rî S'uka zei: 'In Krita-yuga wordt door de mensen van die tijd de religie gehandhaafd met al haar vier poten van waarheid [satya], mededogen [dayâ], boete [tapas] en liefdadigheid [dâna, of ook wel s'auca, zuivering [**], vergelijk 1.17: 24, 3.11: 21 en zie niyama]. (19) De [hamsa-]mensen [van dat tijdperk] zijn tevreden, genadig, vriendelijk, vreedzaam, zelfbeheerst, tolerant, innerlijk voldaan, gelijkgezind en overwegend ascetisch [zie ook 3.13: 35 en 11.17: 10]. (20) In Tretâ-yuga gaat een kwart van [de kracht van ieder van] de poten van het dharma geleidelijk aan verloren als gevolg van tegengestelde, goddeloze kwaliteiten: valsheid, gewelddadigheid, ontevredenheid en tweestrijd [vergelijk 1.17: 25]. (21) Ze zijn dan toegewijd met rituelen en boetedoeningen, zonder een overmaat aan geweld of lustige verlangens. Welvarend in hun respect voor de drie Veda's volgen ze de drie wegen [van de regulatie der religie, de economie en de zinsbevrediging] en zijn de vier klassen overwegend op het brahmaanse georiënteerd, o Koning. (22) De dharmische kwaliteien van verzaking, mededogen, waarheidsliefde en liefdadigheid zijn in Dvâpara-yuga teruggedrongen tot de helft vanwege het adharma dat zich kenmerkt door geweld, misnoegen, leugens en hatelijkheid. (23) Men is [in dat tijdperk] van een hoog moreel gehalte en men houdt van de glorie en van vedische studie. Men is vermogend met grote families en vreugdevol, waarbij de vier klassen voor het grootste deel van een brahmaanse adel zijn. (24) Vervolgens nemen in Kali-yuga, vanwege de toename van de adharma principes, de poten van de religiositeit af tot een kwart [vergelijk 1.17: 25] en zal op het laatst ook dat ene kwart tenondergaan. (25) In die tijd zullen de mensen begeertig zijn, ongemanierd, tekortschieten in mededogen, geneigd zijn tot zinloos geruzie [gepolitiseer], onfortuinlijk zijn, geobsedeerd zijn door materiële verlangens en overwegend verslingerd zijn aan het verrichten van [baatzuchtige] arbeid. (26) De geaardheden van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid van een persoon worden in beweging gebracht door de Tijd en zijn in verschillende combinaties waar te nemen in de menselijke geest [***]. (27) Als de geest, de intelligentie en de zinnen floreren in de geaardheid goedheid, moet die tijd van behagen scheppen in kennis en verzaking worden begrepen als de tijd van Krita. (28) O man van intelligentie, als de geconditioneerde zielen er in hun plichtsbetrachting nevenmotieven op nahouden en in hun toegewijde dienst op de eer uit zijn, moet u een dergelijk overwegen van de hartstocht beschouwen als de tijd van Tretâ. (29) Als begeerte ongenoegen, valse trots, afgunst en hypocrisie op de voorgrond staan en wat men doet wordt beheerst door zelfzucht spreekt men met die [voorkeur voor de] hartstocht en onwetendheid van het Dvâpara-tijdperk.

(30) Als er sprake is van misleiding, valse getuigenis, luiheid en slaperigheid, geweld, neerslachtigheid, weeklagen, en begoocheling, angst en armoede, dan denkt men aan die tijd als de tijd van Kali, het tijdperk der onwetendheid. (31) Als gevolg daarvan zullen de stervelingen kortzichtig zijn, onfortuinlijk, teveel eten, wellustig zijn, gebrek lijden en zullen de vrouwen naar eigen inzicht handelen en onkuis zijn. (32) De bevolkte gebieden zullen worden gedomineerd door onzalige lieden [of dieven], aan de vedische geschriften zullen valse doctrines [ketters] afbreuk plegen, de politieke leiders zullen de mensen voor zich opeisen [ze 'verslinden'] en de tweemaal geborenen zullen hun magen en geslachtsdelen zijn toegewijd. (33) De jongeren [de studenten] zullen vreemd aan de geloften onzuiver bezig zijn, de huishouders zullen [met wat ze claimen] geneigd zijn zich als bedelaars te gedragen, de teruggetrokkenen [de middelbaren zonder een vrije natuur om zich in terug te trekken] zullen stedelingen zijn en de wereldverzakende orde zal zich begeertig inspannen voor financieel gewin [aan 'reli-business' doen]. (34) Kort van stuk en vraatzuchtig met vele kinderen aan hun rokken [zullen de vrouwen] hun bedeesdheid hebben afgeschud en zich voortdurend ongevoelig uitlaten met een grote brutaliteit en zo bedrieglijk zijn als de dieven. (35) De kooplieden zullen, zonder reden vol van bedrog zijn zodat ze in hun zakelijk handelen waarlijk ellendig bezig zijn en de mensen zullen een laag-bij-de-gronds beroep [zoals bijvoorbeeld in de seks-industrie] een goede baan noemen. (36) Dienaren zullen een meester in de steek laten die het aan bezit ontbreekt, zelfs al is hij de beste die er is; meesters zullen een gehandicapte dienaar in de steek laten zelfs als hij al generaties lang bij de familie hoorde en de koeien zullen worden [gedood] als ze zijn opgehouden melk te geven. (37) In Kali-yuga zullen de mannen beheerst als ze zijn door hun echtgenotes er ellendig aan toe zijn en, hun naaste verwanten, hun vrienden, broers en vaders opgevend, in een seksueel begrip van vriendschap op een geregelde basis omgang hebben met de zussen en broers van hun echtgenotes. (38) Mensen uit op een baan zullen voor hun levensonderhoud zich vertonen als wereldverzakers en religieus fondsen werven en op een hoge zetel klimmend spreken over de religieuze beginselen zonder enig plichtsbesef wat betreft de kennis [van offers brengen, ofwel valse predikers...]. (39-40) Met hun geesten voortdurend van streek, geplaagd door belastingen en hongersnood in tijden van schaarste met droogten die de aarde teisteren, zullen ze vol van zorgen in angst leven. Met een tekort aan kleding, voedsel, drinken, rust, afwisseling, het zich baden en sieraden zullen de mensen in Kali-yuga lijken op geestverschijningen. (41) In het Kali-tijdperk zal men zelfs over een enkele rooie cent hatelijkheid ontwikkelen [5.14 en 5.14: 26]. Met het afwijzen van vriendschappelijke relaties zal men zichzelf ter dood brengen en zelfs familieleden ombrengen. (42) Zelfs niet als men uit een fatsoenlijke familie afkomstig is zal men de ouden van dagen, de ouders, de echtgenote en de kinderen in bescherming nemen; eenvoudigweg vanwege het zielige belang van de eigen maag en geslachtsdelen. (43) O Koning, in Kali-yuga zullen de stervelingen doorgaans slechts uit atheïstische overwegingen offers brengen met hun intelligentie die feitelijk zijn oorsprong vindt in de Onfeilbare, de Hoogste Persoonlijkheid van God die de Allerhoogste Geestelijk Leraar is van de drie werelden en aan wiens voeten de verschillende meesters zich verbuigen. (44) In Kali-yuga zijn de mensen niet van aanbidding voor Hem dankzij wie een persoon die op sterven ligt, in zijn leed instortend en met een haperende stem hulpeloos Zijn naam herhalend, bevrijd raakt van de ketenen van het karma en de hoogste bestemming bereikt [zie ook B.G. 8: 10 en 6.2]. (45) De dingen, de plaats en de individuele aard der mensen zijn als gevolg van Kali-yuga vol van fouten, maar als men Bhagavân, de Allerhoogste Persoon in zijn hart toelaat, neemt Hij dat allemaal weg.

(46) Bij die menselijke wezens die zelfs maar hoorden, de lof bezongen, mediteerden, baden tot of de Opperheer verheerlijkten, wordt het ongeluk dat zich van een duizend geboorten in hun harten ophoopte weggezuiverd. (47) Net zoals de verkleuring die men als gevolg van andere metalen aantreft in goud teniet wordt gedaan door vuur, worden de onzuiverheden van de geest van yogabeoefenaren teniet gedaan als ze de ziel bereiken waar Heer Vishnu Zich ophoudt. (48) Kennis ['het aanbidden van halfgoden'], boete, het stoppen van de adem, vriendschap, het baden in heilige wateren, geloften, liefdadigheid en het bidden met het bidsnoer geven niet de zuivering van de geest die men kan bereiken met Hem, de Onbegrensde Persoonlijkheid van God, aanwezig in het hart. (49) Daarom o Koning, span u met heel uw wezen er voor in Heer Kes'ava in uw hart te vestigen; u zal, als u sterft [alhier na deze week], met een dergelijke concentratie de hoogste bestemming bereiken. (50) Als zij die sterven mediteren op de Opperheer die de Allerhoogste Beheerser is, de Ziel en Toevlucht van iedereen, zal Hij hen leiden naar hun ware identiteit, mijn beste. (51) In de oceaan van fouten van Kali-yuga bestaat er gelukkig één goede kwaliteit: door enkel maar te zingen over Krishna [zie bhajans] kan men bevrijd van de materiële gebondenheid het koninkrijk der hemelen bereiken [zie ook bhâgavata dharma en kîrtana]. (52) Hetzelfde resultaat dat men in Satya-yuga bereikt door te mediteren op Vishnu, dat men in Tretâ-yuga bereikt door te aanbidden met offerplechtigheden en dat men in Dvâpara-yuga bereikt door het dienen van de lotusvoeten [van Hem als een Koning], bereikt men in Kali-yuga door het bezingen van de Heer [zie ook 11.5: 38-40].'

Voetnoot:

* Volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, en zoals bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura, is de koning Râma hier vermeld niet de incarnatie van God Râmacandra. Dit wordt ondersteund door het M.W. woordenboek dat melding maakt van de halfgod Varuna, schrijvers, leraren en andere grote persoonlijkheden met die naam. Waarschijnlijk wordt Bhârgava ofwel Us'anâ bedoeld die hoogst machtig een dynastie vormde vanuit de wijzen Bhrigu en Mârkandeya [zie 9.16: 32 en 4.1: 45].

** In het M.W. woordenboek worden drie betekenissen gegeven voor het woord dâna: 1. doneren, het doen van schenkingen 2. delen of communiceren en 3. zuivering. De laatste betekenis bevestigt het gebruik van de term s'auca in het Eerste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam als de vierde poot van de stier der religie. Deze alternatieve definitie van het woord dânam wordt bevestigd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura.

***: De paramparâ voegt hier aan toe: 'De specifieke tijd gerepresenteerd door de goedheid (Satya), de hartstocht (Tretâ), de hartstocht gecombineerd met onwetendheid (Dvâpara) of de onwetendheid (Kali) bestaat binnen ieder van de andere tijdperken als een subfactor.'

 

Hoofdstuk 4

Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging

(1) S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa. (2) Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's]. (3) Als zij klaar zijn met hun leven is er de desintegratie beschreven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; de drie werelden blijven ontbonden tot aan het eind van die tijd. (4) Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum zich te ruste legt op Zijn slangenbed Ananta om het universum met inbegrip van Heer Brahmâ in Zich op te nemen. (5) Na het verstrijken van twee parârdha's [d.w.z. de levenshelften] van het hoogst geplaatste levende wezen, Heer Brahmâ, zijn de zeven elementen [mahat, ahankâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging. (6) Dit, o Koning vormt de elementaire vernietiging. Daarna, als de tijd voor zijn vernietiging is aangebroken, valt dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] uiteen. (7) Honderd jaar lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde. De mensen verward door die tijd, zullen dan, met de eropvolgende hongersnood, als gevolg van de honger die ze lijden [zelfs] elkaar consumeren en aldus geleidelijk aan hun vernietiging vinden. (8) De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste [aan neerslag] terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen. (9) Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (10) Het ei van het universum zal aan alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, gloeien als een bal koeienmest. (11) Daarna zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel met grijs stof zal verduisteren. (12) Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (13) Het omhulsel van het universum zal dan vollopend één enkele [kosmische] zee van water vormen. (14) Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur verdrijft zal het aarde-element, verstoken van haar geur, zich oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27]. (15-19) Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht verstoken raakt van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire van de natuur [of het valse ego in onwetendheid]. Met de ether die vervolgens opgaat neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden die onderhevig zijn aan verandering gegrepen [door het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva enzovoorts opgenomen. Deze drie geaardheden o Koning worden daarna, onder de druk van de Tijd, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd [shath-ûrmi]; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak. (20-21) Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - treft men er niet aan, noch zijn er daar de goden of de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon. Dat wat is als een leegte of als iemand die diep in slaap is vormt iedere verklaring tebovengaand de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo stellen de autoriteiten. (22) Dit vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging waarin al de materiële elementen van de natuur en de energieën van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon volledig onttakeld raken door de Tijd en reddeloos opgaan.

(23) Het is [niets dan] de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten. Wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat losstaat van zijn oorzaak [maar er slechts een aanduiding van vormt, vergelijk 11.28: 21]. (24) Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm staan niet los van het licht [dat door hen behandeld wordt]. Op dezelfde manier staat de intelligentie, staan de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen ook niet los van de [ene] werkelijkheid die geheel iets anders is [zie ook siddhânta en B.G. 9: 15]. (25) Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd. Dit o Koning is de dualiteit zoals de ziel die ervaart. (26) Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum dat zijn verschillende delen ontwikkelt en weer opgeeft wel en niet aanwezig. (27) Het oorzakelijk element, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, is een werkelijk iets zo stelt men [in de Vedânta-sûtra], precies zoals dat met de draden van een stof is die men los kan waarnemen van het product dat zij vormen [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (28) Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een bepaald gevolg is een vorm van illusie, daar alles wat onderling afhankelijk zijnde onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. gefixeerde materie vormt een illusie, maar de daaraan ten grondslag liggende energie van de materie zelf is echt]. (29) Een enkel atoom aan verandering onderhevig is, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs [in de vorm van de Tijd] van het Opperste Zelf niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het op dezelfde manier [als de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen. (30) Er kunnen geen verschillende soorten Absolute Waarheid zijn; als een onwetende persoon erover denkt in termen van tegenstellingen is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden. (31) Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon. (32) Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en feitelijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft. (33) Als een wolk voortgebracht door de zon uiteengedreven wordt kan het oog daarop de eigenlijke verschijning van de zon zien; zo ook verwerft men de juiste heugenis zo gauw men het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert vernietigt door spiritueel onderzoek. (34) Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], spreekt men in dat geval van de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.

(35) O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen van het subtiele wordt gesteld dat de schepping en vernietiging die al de levende wezens beginnende bij Brahmâ ondergaan iets is dat voortdurend plaatsvindt. (36) De verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] van de dingen die zijn onderworpen aan verandering worden gezwind weggevaagd door de kracht van de machtige maalstroom van de Tijd; ze vormen het bewijs van hun constant geboren en vernietigd worden [dat we nityah pralaya noemen]. (37) De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd - die zelf, zonder een begin en een eind te kennen, Îs'vara [de Beheerser] vertegenwoordigd [in het onpersoonlijke] - worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14]. (38) Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging.

(39) Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen. (40) Voor de persoon die te lijden heeft als gevolg van het vuur van de verschillende vormen van ongeluk en ernaar verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst aan de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid, overeenkomstig de persoonlijke smaak voor de vertellingen van Zijn wederwaardigheden. (41) Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna Dvaipâyana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15]. (42) Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing die een status geniet gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja. (43) Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, zal het [op zijn beurt] doorvertellen aan de wijzen die aanwezig zijn in het Naimishâranyawoud voor een langdurig offer onder leiding van S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1].'  

 

Hoofdstuk 5

De Laatste Instructies voor Mahârâja Parîkchit

(1) S'rî S'uka zei: 'In deze [vertelling] ben ik uitgebreid ingegaan op de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel van Een Ieder door wiens genade Heer Brahmâ werd geboren [3.8] uit wiens woede Heer S'iva [3.12: 7] geboorte nam. (2) O Koning, u die denkt 'Ik ga sterven', moet deze dierlijke mentaliteit opgeven; in tegenstelling tot het lichaam dat er voorheen niet was en weer zal sterven werd u nooit geboren en zal u ook nooit vernietigd worden [zie ook B.G. 2: 12 & 2: 20]. (3) U zal niet opnieuw een leven krijgen als een kind van u of in de gedaante van een kleinkind, zoals een plant uit zijn eigen zaad voortspruit; u bent net zo verschillend van het lichaam en wat er bij hoort als een vuur verschilt van het hout waarin het schuilgaat [verschilt van brandhout *]. (4) Zoals je in een droom erbij kan zijn dat je hoofd wordt afgehakt [terwijl je gewoon verder leeft] ben je ook getuige van het fysieke lichaam dat is samengesteld uit de vijf elementen en om die reden is de ziel van het lichaam ongeboren en onsterfelijk van aard [zie ook B.G. 2: 22]. (5) Als er een pot wordt gebroken blijft de lucht in de pot de lucht als voorheen; zo keert, als het lichaam wordt opgegeven, ook de individuele ziel terug naar zijn spirituele oorsprong. (6) De lichamen, de kwaliteiten en de handelingen van de geestelijke ziel worden voortgebracht door een materieel georiënteerde geest; en het is mâyâ, het begoochelend vermogen van de Heer, dat de geest en het erbij behorende materiële bestaan van het individuele levende wezen in het leven roept [middels het ahankâra, zie ook 2.5: 25, 3.26: 31-32, 3.27: 2-5]. (7) De combinatie van olie, een houder, een pit en vuur is wat men samen ziet in het functioneren van een lamp, zo ook is er, ontwikkeld en vernietigd door de actie van de geaardheden van de hartstocht, de onwetendheid en de goedheid, het materiële bestaan van [een individuele ziel als de bewoner van] een functionerend lichaam. (8) De ziel onderscheidt zich van het grofstoffelijke [de deha] en het subtiele [de linga], ze produceert haar eigen licht en vormt, omdat ze zo onveranderlijk is als de ether, de basis [âdhâra] die eeuwig is en alle beschrijving te boven gaat. (9) O prabhu, door met het op deze manier mediteren op Vâsudeva uw verstand aan het werk te zetten terwille van het ware moet u zorgvuldig uw essentie die door het stoffelijk omhulsel wordt overdekt in overweging nemen. (10) Takshaka [de slangenvogel] die werd afgeroepen door de woorden van de brahmaan [1.18] zal u niet verbranden; de boodschappers van de dood kunnen u [uw ziel] die deze oorzaken van de dood en de dood zelf [nu] de baas bent niet overtreffen [zie ook 11.31: 12]. (11-12) 'Ik ben de Oorspronkelijke, Allerhoogste Geest, de Verblijfplaats van het Absolute en de Hoogste Bestemming'; als u met deze overweging uzelf plaatst in het Allerhoogste Zelf dat vrij is van materiële aanduidingen, zal u, als u zo de ganse wereld hebt weten te scheiden van het zelf, zelfs geen weet hebben van Takshaka of uw eigen lichaam als hij, zijn lippen likkend en met zijn bek vol gif, in uw voet bijt. (13) Beste ziel, wat wilt u nog meer weten na wat ik in reactie op uw vragen, o Koning, allemaal vertelde over de wederwaardigheden van de Heer?'

Voetnoot:

* In de s'ruti-mantra wordt gezegd: pitâ putrena pitrimân yoni-yonau: "Een vader heeft een vader in zijn zoon, zodat hij geboorte kan nemen als zijn eigen kleinzoon."  

 

Hoofdstuk 6

Mahârâja Parîkchit Bevrijd en de Veda in Vieren Doorgegeven

(1) S'rî Sûta zei: "Toen Mahârâja Parîkshit, hij die beschermd wordt door Vishnu, hoorde wat er door de wijze, de gelijkgezinde ziener van de Opperziel, de zoon van Vyâsa, was gezegd, naderde hij zijn lotusvoeten, boog hij zijn hoofd voorover en zei hij tot hem met gevouwen handen het volgende. (2) De koning zei: 'Met de grote genade getoond door uwe goedheid heb ik de perfectie bereikt, omdat een mededogende ziel als u rechtstreeks voor mij de Heer Zonder een Begin en een Einde heeft beschreven. (3) Ik zie het in het geheel niet als iets verrassends voor grote zielen om verzonken in de Onfeilbare van genade te zijn voor de onwetende geconditioneerde zielen die worden gekweld door leed. (4) Wij [alzo] vernamen van u deze verzameling van klassieke verhalen waarin inderdaad de Allerhoogste Heer Uttamas'loka naar behoren wordt beschreven [*]. (5) Mijn heer, ik vrees Takshaka niet of enig ander levend wezen, noch ben ik bang voor een herhaald sterven; Ik ben de Geest van het Absolute binnengegaan die u onthulde als losstaand van al het materiële en vrij van angst. (6) Sta het me alstublieft toe, o brahmaan, dat ik mijn spraak [en andere zintuiglijke functies] opdraag aan Adhokshaja zodat ik, met verzonkenheid van geest alle zinnelijke verlangens verzaakt hebbend, mijn levensadem kan opgeven. (7) Met behulp van u die de alleszins gunstige, allerhoogste toevlucht toonde van de Opperheer, heb ik me kunnen concentreren op de onstoffelijke kennis en wijsheid en is mijn onwetendheid uitgebannen.' "

(8) Sûta zei: "Aldus aangesproken verleende de machtige heilige, de zoon van Vyâsa, hem toestemming. Na te zijn aanbeden door die god onder de mensen en door de verzaakte wijzen, ging hij toen weg. (9-10) Parîkchit, de heilige koning, die met de macht van de rede zijn geest richtte op zijn ziel en mediteerde op de Allerhoogste, stopte zijn ademen en was zo bewegingloos als een boom. Met het gezicht naar het noorden gericht zittend op darbha gras dat naar het oosten was gelegd op de oever van de Ganges brak de grote yogi in het volmaakte besef van God met alle twijfels. (11) Beste geleerden, toen Takshaka, ertoe aangezet door de kwaad geworden zoon van de tweemaal geborene [Samika], zich op weg begaf om de koning te doden, kwam hij Kas'yapa Muni tegen [zie 1.18]. (12) Hij die een deskundige was op het gebied van het bestrijden van vergif, werd door Takshaka tevreden gesteld met kostbaarheden en ertoe overgehaald huiswaarts te keren. Daarna vermomde hij, die elke gedaante kon aannemen die hij maar wenste, zich als een brahmaan en beet hij de koning. (13) Met alle belichaamde zielen toekijkend veranderde, verteerd door het vuur van het slangengif, het lichaam van de volledig zelfverwerkelijkte heilige onder de koningen terstond tot as. (14) Er deed zich een luide jammerkreet voor uit alle richtingen van de aarde en de hemel die uitdrukking gaf aan de ontzetting van vrijwel al de halfgoden, demonen, menselijke wezens en andere schepselen. (15) De godsbewusten lieten pauken klinken, de Gandharva's en Apsara's zongen en deden een regen van bloemen neerdalen en de wijzen spraken woorden van lof. (16) Toen Janamejaya hoorde dat zijn vader door Takshaka was gebeten, offerde hij in woede ontstoken in reactie daarop samen met de tweemaal geborenen de slangen [van de hele wereld] als offergaven in een grote offerplechtigheid. (17) Takshaka die zag hoe de grote serpenten werden verbrand in het laaiende vuur van het slangenoffer, ging zeer verstoord door de angst naar Indra om bij hem zijn toevlucht te zoeken. (18) Koning Janamejaya die Takshaka er niet bij zag zei tot de brahmanen: 'Waarom is Takshaka, de laagste van alle serpenten, niet verbrand?'

(19) [Ze antwoordden:] 'O beste der koningen, hij heeft zijn toevlucht genomen tot Indra en door zijn bescherming is de slang aldus niet in het vuur beland.'

(20) De machtig intelligente zoon van Parîkchit die deze woorden hoorde gaf de priesters ten antwoord: 'O geleerden, waarom werpen we dan niet Takshaka samen met Indra in het vuur?'

(21) Toen zij dat hoorden volbrachten de geleerden het ritueel om Takshaka samen met Indra te offeren: 'O Takshaka, moge je spoedig hier in het vuur belanden samen met Indra en zijn schare halfgoden'. (22) Toen Indra samen met Takshaka en zijn vimâna zijn positie zag wankelen door de beledigende woorden van de brahmanen was hij hoogst verstoord over wat hem ter ore kwam. (23) Op het moment dat Brihaspati hem met Takshaka in zijn vimâna uit de hemel naar beneden zag vallen, richtte de zoon van Angirâ zich tot de koning: (24) 'Deze slangenvogel verdient het niet door u te worden gedood, o grote heerser der mensen. Hij, deze koning der slangen, dronk van de nectar der goden en is derhalve ongetwijfeld gevrijwaard van ouderdom en praktisch onsterfelijk! (25) Het leven en de dood van een levend wezen en zijn bestemming in zijn volgende leven o Koning, zijn enkel het resultaat van zijn karma; voor hem is er geen andere instantie dan deze die hem geluk en ongeluk verschaft. (26) Iemand die geboren werd kan de dood vinden door slangen, dieven, vuur en bliksem, honger, dorst, ziekte en andere instanties o Koning, maar hij ondergaat daarbij telkens de terugslagen van dat wat hij deed in het verleden. (27) Daarom o Koning moet met dit offer, dat wordt uitgevoerd met de bedoeling om de slangen geweld aan te doen, worden gestopt. Als we onschuldigen verbranden zullen er zeker personen voor dat voornemen moeten boeten' [zie ook de Mahâbhârata 1.43]."

(28) Sûta zei: "Aldus toegesproken zei hij met achting voor de woorden van de grote wijze: 'Zo zij het!', en een einde makend aan het slangenoffer vereerde hij de heer der welsprekendheid [Brihaspati]. (29) Deze vorm van mahâmâyâ van Vishnu kan niet worden herkend of tegengehouden door hen die, als geestelijke zielen die een deel en geheel van Hem vormen, vanwege Hem verbijsterd raken als gevolg van hun gewone lichamelijke functioneren overeenkomstig de geaardheden van de natuur. (30-31) De zichtbare begoochelende energie waarin men verkerend en de vrede ontberend, denkt in de trant van 'dat is een bedrieger', zal niet [overwegen] als men steeds onderzoekt wat er in de ziel omgaat. Dit omdat men in dat waarvan de transcendentalisten spreken niet de materialistische argumenten heeft die zo vele vormen aannemen en men ook niet de geest heeft vol van beslissingen en twijfels die daaruit voortvloeit. Daarin [in dat bovenzinnelijk bewustzijn] is het levende wezen niet van wereldse zaken of dat wat daartoe leidt en ook niet van de voordelen die men door hen behaald, noch van het ik-besef dat zo sterk is in het verbonden zijn met de geaardheden. Deze zaken vallen daarbuiten. Een wijs iemand behoort er behagen in te scheppen zich verre te houden van de golven van de wereldse conditioneringen alsmede van een ieder die aldus verstrikt is [zie ook b.v. 6.4: 31-32]. (32) De allerhoogste toevlucht van Heer Vishnu wordt door hen die naar de verzaking verlangen omschreven als dat wat 'noch dit, noch dat' is [zie ook neti neti]. En zo komen zij, die met hun emoties nergens anders op gericht zijn, ertoe het kleinzielige materialisme af wijzen waarbij ze in hun harten het 'niet-dat' [van de Ziel, van Hem] omarmen waaraan zij die daarin verzonken zijn vasthouden. (33) Zij voor wie er niet de corruptie is van het 'ik' en 'mijn' dat is gebaseerd op het hebben van een huis en een lijf, komen er op die manier dan achter wat de allerhoogste toevlucht van Vishnu is. (34) Beledigende woorden moet men verdragen, men moet nooit enig iemand minachten, noch moet men zich identificeren met dit materiële lichaam of wrok koesteren jegens wie dan ook. (35) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Allerhoogste Persoonlijkheid S'rî Krishna, wiens macht nimmer overschaduwd wordt en op wiens lotusvoeten ik mediterend mij deze verzameling van wijsheden [Samhitâ] heb eigen gemaakt.' "

(35) S'rî S'aunaka zei: "Alstublieft, zeg ons dit: hoe spraken Paila en de andere hoogst intelligente discipelen van Vyâsa die het vedische gezag vormen, over de Veda's en hoe verdeelden ze ze?"

(37) Sûta zei: "O brahmaan, Heer Brahmâ, het meest verheven levende wezen, had zijn geest volmaakt in bedwang en hoorde in zijn hart het subtiele bovenzinnelijke geluid [van ta-pa, 2.9: 6] dat oprees vanuit de ether. Men kan dat horen als men met zijn oren sluit voor geluiden van buiten [zie ook s'abda]. (38) Door dat geluid te aanbidden, o brahmaan, zuiveren yogi's zich van de besmetting van hun harten die bekend staat als de substantie, de handeling en de doener [**], en raken ze ervan bevrijd weer opnieuw geboren te worden. (39) In die activiteit vond de drieledige Omkâra zijn bestaan die, zich manifesterend zonder dat men de invloed ervan waar kan nemen, de representatie vormt van de Opperheer [Bhagavân], de Absolute Waarheid [Brahman] en de Superziel [Paramâtmâ, zie ook 1.2: 11, B.G. 7: 8]. (40-41) Hij [het Allerhoogste Zelf] neemt dit ongemanifesteerde, subtiele geluid waar buiten de fysieke gehoorzin en het visueel vermogen om. Het geheel aan vedisch geluid waar men zich van bedient is daar een uitwerking van: een uitwerking van het omkâra dat zich voordoet vanuit de ziel in de ether. Van het uit zichzelf voortkomende Brahman en het Paramâtmâ vormt het de rechtstreekse uitdrukking. Het is het eeuwige zaad van de Veda's dat het geheim vormt van alle mantra's [zie ook 7.15: 31, 9.14: 48, 11.14: 34-35, 11.21: 36-40]. (42) O eminentie van Bhrigu, daaruit [uit dat geluid] vonden de drie klanken [A, U en M] van het alfabet beginnende met de A hun bestaan. Deze klanken liggen ten grondslag aan het drievoudige aspect van het materiële bestaan, te weten de guna's, de namen [van de drie Veda's], de bestemmingen [de drie soorten loka's] en de staten van bewustzijn [avasthâtraya]. (43) De machtige ongeboren heer [Brahmâ] schiep de verschillende geluiden eruit die het geheel vormen van klinkers, sisklanken, semi-vocalen en medeklinkers zoals men ze kent in hun lange en korte maten. (44) De almachtige schiep met hen vanuit zijn vier gezichten de vier Veda's, met inbegrip van zijn Omkâra en zijn vyâhriti aanheffingen [van de namen van de zeven loka's]. Hij deed dit met de bedoeling uitleg te verschaffen over de vier offerplechtigheden [zie ritvik]. (45) Hij onderwees ze aan zijn zoons, de grote rishi's onder de brahmanen die hoogst bedreven zijn in de kunst van de vedische recitatie, en zij op hun beurt gaven ze door aan hun eigen zoons als hun leraren van het dharma [âcârya's]. (46) Zo werden ze [de Veda's] gedurende al de vier yuga's de een na de ander, generatie na generatie [in paramparâ] ontvangen door discipelen die standvastig waren in hun geloften. Aan het einde van Dvâpara-yuga werden ze toen opgedeeld door de vooraanstaande wijzen. (47) Toen ze zagen dat onder de invloed van kâla [de mensen] minder intelligent werden en korter leefden en dat hun kracht was afgenomen, deelden de belangrijkste wijzen, geïnspireerd door de Onfeilbare Heer die Zich in hun harten bevindt, de Veda's op [zie ook 1.4: 16-18]. (48-49) O brahmaan, in deze periode [van Manu], verzochten de heersers over de werelden - Brahmâ, S'iva en anderen - de Allerhoogste Heer, de Beschermer van het Universum, de principes van de religie te beschermen. De Heer [in de gedaante van Krishna Dvaipâyana Vyâsa] daalde toen, door Parâs'ara verwekt in de schoot van Satyavatî, neder als een deelaspect van Zijn volkomen expansie [als een deelaspect van Sankarshana dus], met het doel de Veda in vieren op te splitsen. (50) Hij deelde, net als met het sorteren van juwelen, de verzameling van mantra's op door te voorzien in vier specifieke categorieën van verzamelingen [of Samhitâ's]: de Rig, Atharva, Yajur en Sâma Veda [zie Veda's]. (51) De hoogst intelligente en machtige wijze, riep de een na de ander vier van zijn leerlingen bij zich om aan ieder van hen een van de [vier] verzamelingen over te dragen, o brahmaan. (52-53) Hij onderrichte Paila de eerste verzameling [de Rig Veda] die hij de Bahvrica noemde ['vele verzen'], voor Vais'ampâyana sprak hij de verzameling van de yajur-mantra's uit en die noemde hij Nigada ['het gereciteerde'], de sâma-mantra's genaamd Chandoga ['de zanger van het metrum'] leerde hij Jaimini, en de mantra's genaamd Atharva en Angirâ vertrouwde hij zijn geliefde leerling Sumantu toe [zie ook 4.21: 22]. (54-56) Paila sprak zijn Samhitâ [in tweeën gedeeld] voor Indrapramiti en Bâshkala. De laatstgenoemde verdeelde zijn verzameling in vieren en gaf ze verder door, o zoon van Bhrigu [S'aunaka], aan zijn discipelen Bodhya, Yâjñavalkya, Parâs'ara en Agnimitra. Indrapramiti, zelf-beheerst, onderwees zijn verzameling aan de geschoolde ziener [zijn zoon] Mândûkeya en zijn discipel Devamitra droeg ze over aan Saubhari en anderen. (57) S'âkalya, zijn zoon, verdeelde zijn verzameling in vijf delen die hij afzonderlijk doorgaf aan Vâtsya, Mudgala, S'âlîya, Gokhalya en S'is'ira. (58) De wijze Jâtûkarnya, ook een leerling van hem, voegde aan de collectie die hij ontving een woordenlijst toe, toen hij hem doorgaf aan Balâka, Paila, Jâbâla en Viraja. (59) Bâshkali [de zoon van Bâshkala] stelde uit al de verschillende afdelingen [van de Rig Veda] de verzameling genaamd de Vâlakhilya-Samhitâ samen die daarop werd verwelkomd door [de Daitya zonen] Vâlâyani, Bhajya en Kâs'âra. (60) Op deze manier werden de verzamelingen van al deze verzen door deze brahmaanse rishi's vol overtuiging [in erfopvolging] hoog gehouden. Degene die verneemt over de verdeling van deze heilige verzen raakt bevrijd van alle zonden.

(61) De leerlingen van Vais'ampâyana ontwikkelden zich tot autoriteiten van de Atharva Veda en staan bekend als de Caraka's ['de gezworenen'] omdat ze zich hielden aan strikte geloften om af te doen met de zonde van hun goeroe die een brahmaan had gedood. (62) Yâjñavalkya, één van zijn discipelen, had in dezen gezegd: 'O meester, wat is nu de waarde van de pogingen van deze zwakke makkers? Ik zal een hoogst moeilijke boetedoening volbrengen!'

(63) Aldus aangesproken werd zijn geestelijk leraar kwaad en zei: 'Ga weg, genoeg heb ik van dat beledigen van de geschoolden; geef nu meteen alles op wat je van me geleerd hebt!'

(64-65) De zoon van Devarâta hoestte toen de verzamelde yajur-mantra's op en vertrok daarna. De wijzen die begeertig keken naar deze yajur-mantra's veranderden in patrijzen en pikten ze op. Aldus raakten deze gedeelten van de Yajur Veda bekend als de allerprachtigste Taittirîya-Samhitâ ['de patrijzen-verzameling']. (66) O brahmaan, Yâjñavalkya, die daarop naar aanvullende mantra's zocht die zelfs zijn geestelijk leraar niet kende, droeg met zorg gebeden op aan de machtige heerser die de zon is.

(67) S'rî Yâjñavalkya zei: 'Mijn eerbetuigingen voor de Hoogste Persoonlijkheid van God die, verschijnend als de zon, als de Superziel in de vorm van de Tijd aanwezig is [als de Beheerser] in de harten van de vier soorten van levende wezens vanaf Brahmâ tot aan de grassprieten [als geboren uit eieren, baarmoeders, vocht en zaad, zie ook 2.10: 37-40]. U die, net als de hemel [door haar wolken], niet door materiële termen te omvatten bent, volbrengt in Uw eentje, met de stroom der jaren die bestaat uit de kleine fragmenten van de kshana's, lava's en nimesha's [zie 3.11: 7], de handhaving van dit universum door het water weg te nemen en weer te retourneren [in de vorm van regen]. (68) O Heer van de Zon, o Stralende, o Beste onder de Ontwaakten, met de regels van de heilige traditie mediteer ik dagelijks tijdens de [drie] keerpunten van de dag met volle aandacht op de gloeiende bol van U, de machtige heerser, die van een ieder die gebeden opdraagt alle zonden verbrandt, alsmede het lijden dat ermee samenhangt en dat wat er aanleiding toe gaf [zie ook 11.14: 35 en de Gâyatrî]. (69) U, die inderdaad in deze wereld de Heer bent die verblijft in de harten van de bewegende en niet-bewegende levende wezens die afhankelijk zijn van Uw beschutting, wekt de niet-levende materie van de geest, de zinnen en de verschillende vormen van de vitale adem [de vâyu's] tot leven. (70) U alleen, die hoogst grootmoedig genadevol Uw blik werpt, wekt, met het schenken van inzicht, de slapende geesten op van deze wereld die, gegrepen en verzwolgen door de schrikwekkende bek van de python die bekend staat als de duisternis, in het onbewuste verviel als ging ze dood. Aan het begin, halverwege en aan het eind van de dag betrekt U zo, dag na dag, opdat de ziel wordt gevonden, de vromen in het uiteindelijke goed dat bekend staat als hun persoonlijke plichtsbetrachting en aard van dienstverlenen [svadharma]. (71) Gelijk een aardse koning trekt U rond overal angst opwekkend bij de zondaren, terwijl de godheden die de windrichtingen beheersen ieder van hun kant met lotusbloemen in hun handen met hun handpalmen bijeen hun eer betuigen. (72) Aldus o Heer, benader ik, verlangend naar yajur-mantra's die niet bekend zijn bij anderen, met gebed Uw twee lotusvoeten die worden vereerd door de geestelijk leraren van de drie werelden [de loka's, en zie 5.23: 8].' "

(73) Sûta zei: "Sûta zei: "Hij, de Allerhoogste Heer van de Zon die tevreden was gesteld, nam de gedaante van een paard aan en presenteerde aan de wijze de yajur-mantra's die nimmer eerder door een andere sterveling gekend werden [zie ook 5.18: 6]. (74) De honderden yajur-mantra's verdeelde de machtige wijze over vijftien afdelingen en werden overgedragen aan de discipelen Kânva en Mâdhyandina onder de naam Vâjaseneyi: 'voortgebracht uit de manen van het paard'. (75) Van Jaimini Rishi, de reciteerder van de Sâma Veda, was er een zoon Sumantu zowel als zijn kleinzoon Sutvân; voor ieder van hen sprak hij een van de twee delen van de verzameling. (76-77) Sukarmâ, een andere leerling [van Jaimini] en een groot denker, verdeelde de drie van de Sâma Veda in een duizendtal verzamelingen van sâma-mantra's waarna, o brahmaan, de twee discipelen Hiranyanâbha - de zoon van Kus'ala - en Paushyañji, plus een andere, Âvantya die ver gevorderd was in het spirituele inzicht, de zorg voor hen op zich namen. (78) Er waren in totaal vijfhonderd discipelen van Paushyañji en Âvantya die de sâma-veda zangers van het noorden worden genoemd, maar ook daarentegen [in latere tijden, enkelen van hen] bekend staan als de oostelijke zangers. (79) Andere leerlingen van Paushyañji, namelijk Laugâkshi, Mângali, Kulya, Kus'îda en Kukshi, namen ieder de zorg op zich voor een honderdtal verzamelingen mantra's. (80) Krita, de discipel van Hiranyanâbha, droeg vierentwintig Samhitâ's over aan zijn leerlingen; de resterende Samhitâ's werden doorverteld door de zelfverwerkelijkte wijze Âvantya."

 

Voetnoten: * Het S'rîmad Bhâgavatam staat ook bekend onder de naam 'Paramahamsa Samhitâ': de verzameling van verhalen over de Allerhoogste Zwaangelijke Heer.

**: De substantie, de handeling en de doener als onzuiverheden worden begrepen als manifestaties van de tot ego inspirerende geaardheden van de onwetendheid van de inerte materie, de hartstocht van de beweging en de goedheid van de kennis, ookwel bekend als de adhibhautika hindernis van het lichaam, de adhyâtmika hindernis van de organen van handelen en de adhidaivika hindernis van de waarnemende zinnen [zie kles'a].

   

Hoofdstuk 7

De Toewijding in Samhitâ Afdelingen en de Tien Onderwerpen van de Purâna's

(1) S'rî Sûta zei: "Sumantu Rishi, de deskundige van de Atharva Veda onderrichtte zoals u weet [zie 6: 52-53] deze verzameling aan zijn leerling [genaamd Kabandha], die [die in tweeën delend] zich erin verheugde hem uit te spreken voor Pathya en Vedadars'a. (2) Alstublieft luister: S'auklâyani, Brahmabali, Modosha en Pippalâyani, de discipelen van Vedadars'a en de discipelen van Pathya, mijn beste brahmaan, Kumuda, S'unaka en Jâjali, waren allen eveneens autoriteiten op het gebied van de Atharva Veda. (3) Babhru en Saindhavâyana, discipelen van S'unaka, namen toen op dezelfde manier kennis van twee Samhitâ's en zo deden dat andere discipelen met Sâvarna voorop [weer van hen]. (4) Met Nakshatrakalpa, S'ântikalpa alsook Kas'yapa en Ângirasa behorend tot deze âcârya's van de Atharva Veda, verneem nu, o wijze, over de autoriteiten van de Purâna's.

(5) Trayyâruni, Kas'yapa, Sâvarni, Akritavrana, Vais'ampâyana en Hârîta vormen de zes meesters van de Purâna's (6) Zij namen kennis van de verzameling uit de mond van Vyâsa's leerling, mijn vader [Romaharshana], en ik, als een discipel van ieder van hen één gedeelte lerend, raakte goed onderlegd in hen allemaal. (7) Kas'yapa, ik, Sâvarni en Akritavrana, die een leerling is van Râma [van de Bhârgava's ofwel Pâras'urâma, zie ook 10.74: 7-9], hebben zich door de leerling van Vyâsa vier basisverzamelingen eigengemaakt. (8) O brahmaan, luister alstublieft aandachtig naar wat de kenmerken zijn van een Purâna, welke in overeenstemming met de vedische geschriften door de intelligentste brahmaanse zieners zijn vastgesteld. (9-10) De schepping [van dit universum, sarga], de daaropvolgende schepping [van verschillende werelden en wezens, visarga], de handhaving [het onderhoud, de vritti of sthâna] en bescherming [de rakshâ of poshana van de levende wezens], de tijdperken van heersen [van de verschillende Manu's], de dynastieën [vams'a's], de vertellingen over hen [vams'a-anucaritam], de vernietiging [van verschillende aard, pralaya of samsthâ], de motivatie [van het individuele of hetu] en de allerhoogste toevlucht [van de Fortuinlijke of apâs'raya], o brahmaan, vormen de tien onderwerpen van een Purâna zoals begrepen door de autoriteiten op dit gebied; sommigen stellen dat in verhouding tot de grotere, de minder grote Purâna's handelen over vijf onderwerpen [zie ook S'uka hierover 2.10: 1-7 en *].

(11) Schepping [sarga] is wat het genereren wordt genoemd uit de oerstaat. Uit die staat wordt, door de verstoring door de geaardheden, de kosmische intelligentie opgewekt waaruit de identificatie met de materie zich opwierp die is verdeeld in drie aspecten [of soorten van wezens naar de geaardheden]. Dit leidt verder tot de manifestatie van de subtiele vormen van waarnemen, de zintuigen en de waargenomen voorwerpen [formatie door de conditionering van en identificatie met Tijd, vergelijk 2.10: 3].

(12) De tweede schepping [visarga] is het samenstel bestaande uit de voor de bewegende en niet-bewegende levende wezens specifieke eigenschappen [de vâsanâ's]. Deze geneigdheden worden, bij genade van de Oorspronkelijke Persoon [purusha], op dezelfde manier voortgebracht als zaad dat meer zaad voortbrengt.

(13) Levende wezens houden zich in leven [vritti] met levende wezens die zich rondbewegen dan wel zich niet rondbewegen. Voor menselijke wezens in het bijzonder geldt dat men voor zijn levensonderhoud handelt in overeenstemming met de persoonlijke aard waarin men ofwel leeft naar zijn lust dan wel zich houdt aan de [religieuze] regels.

(14) Rakshâ [of bescherming] is er met de incarnaties van de Onfeilbare. Tijdperk na tijdperk aanwezig zijnde onder de dieren, de stervelingen, de zieners en de halfgoden, worden door deze incarnaties de vijanden van de drievoudige Veda gedood [zie ook B.G. 4: 7].

(15) In ieder tijdperk van het heersen van een Manu is er het zesvoudige van de Heer: de Manu, de halfgoden, de zoons van de Manu, de verschillende heersers over de verlichte zielen [de Indra's], de zieners [of rishi's], en de gedeeltelijke incarnaties [de Heer Zijn ams'a-avatâra's].

(16) Dynastieën [vams'a's] stammend van Brahmâ strekken zich uit in het drievoudige van de tijd [trikâlika] als series van koningen, en hun geschiedenissen [vams'a-anucaritam] beschrijven de handelingen van de elkaar opvolgende vooraanstaande leden.

(17) De incidentele, elementaire, voortdurende en uiteindelijke vernietiging die door Zijn vermogen plaatsvindt vormt de vier aspecten van wat de geleerden het zich weer oplossen van dit universum noemen [de samsthâ in relatie tot de pralaya, zie ook 12.4].

(18) Het motief [hetu] van de schepping [sarga] en alles wat erbij hoort, wordt gevormd door de individuele levende ziel [jîva], die uit onwetendheid degene is die baatzuchtige handelingen verricht [karma]. Anderen daarentegen spreken van de ongemanifesteerde onderliggende persoonlijkheid.

(19) God als de allerhoogste toevlucht [apâs'raya] is, op Zichzelf staand en verbonden, aanwezig in het waken, het slapen en de droomloze slaap, in de zaken voorgespiegeld door de begoochelende energie en in de functies van de individualiteit. (20) De grondsubstantie van materiële voorwerpen is verbonden met, en staat tevens los van hun afzonderlijke bestaan als dingen die een naam en een vorm hebben. Zo ook is dat het geval [met God], die door de verschillende fasen van een lichamelijk bestaan heen, [verbonden is met en losstaat] van het zaad in het begin tot aan de vijf elementen [waarnaar men terugkeert] op het eind [vergelijk 8.6: 10]. (21) Uit zichzelf of door yogabeoefening, kan het denken stoppen in het overstijgen van de drievoudige staat [vritti-traya]. Als men afziet van materieel ondernemen kent men de Opperziel [zie ook 3.25: 32-33].

(22) Op deze manier onderscheiden door hun kenmerken zijn er, zo zeggen de wijzen die thuis zijn in de antieke verhalen, achttien grote en [achttien] kleine Purâna's [van 9.000 tot aan 81.000 verzen, zie ook Upa-purâna]. (23-24) Zij staan bekend als de drie keer zes Purâna's [naar iedere guna-avatâra] genaamd Brahmâ, Padma, Vishnu, S'iva, Linga, Garuda, Nârada, Bhâgavata, Agni, Skanda, Bhavishya, Brahma-vaivarta, Mârkandeya, Vâmana, Varâha, Matsya, Kûrma en Brahmânda [zie Purâna's]. (25) O brahmaan, ik beschreef aldus grondig de kennis die het geestelijk vermogen bevordert zoals die is onderverdeeld door de wijze [Vyâsadeva], zijn discipelen en de discipelen van zijn discipelen."

Hoofdstuk 8

Mârkandeya Weerstaat Alle Verleiding en Bidt tot Nara-Nârâyana Rishi

(1) S'rî S'aunaka zei: "O Sûta, moge u lang leven, o heilige man; o beste der sprekers, spreekt u alstublieft tot ons, omdat u voor een mensheid die in de eindeloze duisternis ronddoolt de ziener bent van het tegendeel. (2-5) Mensen zeggen dat de zoon van Mrikandu, de ziener [genaamd Mârkandeya] die gezegend is met een buitengewoon lange levensduur, de enige was die overbleef aan het einde van de kalpa als dit gehele universum wordt overspoeld. Hij, de meest vooraanstaande afstammeling van Bhrigu, werd deze kalpa geboren in mijn eigen familie en we hebben in ons tijdperk tot nu toe nog geen grote zondvloed die de hele schepping omvat zien plaatsvinden. Geheel alleen in deze grote oceaan ronddolend trof hij, zo gaat het verhaal, één enkele, wonderbaarlijke persoonlijkheid aan, een babyjongetje dat in de vouw van een banyan-blad lag. Hierover verkeren wij in grote twijfel; alstublieft, o yogi die door iedereen beschouwd wordt als zijnde de grootste autoriteit op het gebied van de Purâna's, maak voor ons die er zo begerig naar uitzien daar een einde aan."

(6) Sûta zei: "O grote wijze, deze vraag van u neemt de lichtzinnigheid weg van de ganse wereld omdat ze leidt tot de bespreking van het verhaal van Nârâyana dat het vuil van Kali-yuga wegneemt. (7-11) Mârkandeya die, ordelijk de vedische lofzangen met inbegrip van de religieuze verplichtingen bestuderend, van zijn vader de wedergeboorte-initiatie rituelen had ontvangen, was volkomen in zijn verzakingen en studies. Zich aan de grote gelofte houdend [zie yama] droeg hij vredig met samengeklit haar en met boombast als zijn kleren de waterpot, de bedelstaf, de heilige draad en de gordel van het celibaat. Met het vel van een zwart hert en gebedskralen van lotuszaden aanbad hij voor het heil van zijn geregelde praktijk [zie niyama] bij de overgangen van de dag tot de Heer in de gedaante van het vuur, de zon, de goeroe, de geschoolden en de Allerhoogste Ziel. 's Ochtends en 's avonds bracht hij met zijn stem onder controle dat wat hij had ingezameld met bedelen naar zijn geestelijk leraar en at hij mee als hij ertoe was uitgenodigd of vastte hij indien dat niet zo was [zie ook 7.12; 5 en 7.14: 17]. Toen hij op deze manier van boete en studie voor een eindeloos aantal [miljoenen] jaren van aanbidding was geweest voor de Meester der Zinnen, had hij overwonnen wat onmogelijk te overwinnen was: de dood. (12) Brahmâ, Bhrigu, S'iva, Daksha, de zoons van Brahmâ en de andere menselijke wezens, de halfgoden, de voorvaderen en de geesten verbaasden zich daar allen over. (13) Met het op deze manier middels zijn verzakingen, recitaties en zinsbeteugeling standhouden met de grote gelofte, mediteerde de yogi op de Heer in het Voorbije en ontdeed zich zo met zijn geest inwaarts gekeerd van alle hindernissen. (14) Met het aldus middels de yoga concentreren van zijn geest, verstreek de enorme tijdspanne van zes manvantara's [van 71 mahâyuga's ieder]. (15) In de zevende periode van Manu vernam Purandara [Indra] van de verzakingen. Hij raakte bevreesd, o brahmaan, en besloot hij hem te dwarsbomen. (16) Hij stuurde hemelse zangers en dansmeisjes, Cupido, het lenteseizoen, de [naar sandelhout geurende] Malaya-bries, het kind van de hartstocht en het kind van de bedwelming op de wijze af. (17) O machtige, zij begaven zich allen naar zijn hermitage die aan de noordzijde van de Himalaya's was gesitueerd alwaar men de rivier de Pushpabhadrâ en de bergpiek genaamd Citrâ aantreft. (18-20) De goede plek van de âs'rama waar vele tweemaal geboren zielen op af waren gekomen om er te leven, werd omlijst door fijn geboomte en klimplanten en kende overal bekkens vol van kristalhelder water. Zoemend van de doldwaze bijen was er een drukte van allerlei vogelfamilies - opgewonden roepende koekoeken en druk dansende, trotse pauwen. De winden die er waaiden voerden de verkoelende mistdruppels van de watervallen met zich mee en vormden, omarmd door de bekoring der bloemen, een uitnodiging voor de god van de liefde. (21) Met de maan die in de nacht rijzend zijn gezicht toonde, deed zich daar de lente voor in reeksen van nieuwe spruiten en bloesems met de veelvoud aan klimplanten die innig verstrengeld waren met de bomen. (22) Gevolgd door groepen zingende en muziekinstrumenten bespelende Gandharva's, liet de god van de liefde, de meester van hordes van hemelse vrouwen, zich daar zien met zijn boog en pijlen in zijn hand. (23) De dienaren van Indra troffen hem daar op die plek aan, hij die, met het gebracht hebben van zijn offers, met gesloten ogen neerzat in meditatie zo onoverwinnelijk als het vuur zelve. (24) De vrouwen dansten recht voor zijn neus en de zangers van de hemel zongen en maakten muziek met trommels, cimbalen en vînâ's. (25) Terwijl de dienaren van Indra, het kind van de lente en het kind van de begeerte poogden de geest van de wijze af te leiden, legde de vijfkoppige Cupido (naar het zien, het horen, het ruiken, het voelen en het proeven) een pijl aan op zijn boog. (26-27) Uit de haarvlecht van Puñjikasthalî [een Apsara] die met haar middel zwaar overhangen door haar geweldige borsten aan het spelen was met een aantal ballen, vielen de bloemen naar beneden. Achtera de ballen aanhollend, met haar ogen van links naar rechts schietend, gleed de gordel van haar dunne kleed los en tilde de wind de fijne stof van haar kledingstuk op [zie ook 3.20: 35-36, 3.22: 17, 5.2: 14, 8.12: 17-24]. (28) Cupido, denkend dat hij hem verslagen had, schoot toen zijn pijl op hem af. Maar dit alles gericht op de wijze bleek zo nutteloos als de pogingen van een ongelovige. (29) O wijze, op deze manier trachtend de wijze in verlegenheid te brengen, voelden ze hoe ze zich brandden aan zijn vermogen en dus zagen ze ervan af als waren ze kinderen die een slang hebben uitgelokt. (30) O brahmaan, hoewel de volgelingen van Indra de grote muni grof hadden verstoord, gaf hij geen strobreed toe aan de sentimenten van het ego. En dat is voor een grote ziel helemaal niet zo verrassend.

(31) Ziend en horend hoe, door de kracht van de brahmaanse ziener, Kâmadeva samen met zijn metgezellen machteloos stonden, stond de machtige koning van de hemel versteld. (32) Toen Mârkandeya in zijn verzaking met recitatie en ingetogenheid aldus zijn geest concentreerde, manifesteerde de Allerhoogste Heer Zichzelf om als Nara-Nârâyana Zijn genade te tonen. (33-34) Van Hen twee was de ene blank en de andere zwart; Hun ogen waren als bloeiende lotussen, van Hun armen waren er vier, Hun kleding bestond uit zwart hertenvel en uit boombast, Hun handen allerzuiverst, droegen een waterpot en een rechte staf van bamboe, en Hun heilige draad bestond uit drie draden. Met gebedskralen van lotuszaden die alle menselijke wezens zuiveren en met de Veda's [in de vorm van bundels darbha] representeerden zij, aanbeden door de belangrijkste halfgoden, gloedvol geel van kleur en lang van stuk, stralend van het licht de verzaking. (35) Toen hij Nara en Nârâyana zag, de directe persoonlijke manifestaties van de Hoogste Persoonlijkheid van God, stond hij op om met het grootste respect zijn eer te betonen en zich plat voorover te werpen. (36) Omdat hij, toen hij Hen te zien kreeg, geluk ervoer door zijn hele lijf, geest en zinnen waarbij de haren op zijn lichaam recht overeind gingen staan, kon hij, door de tranen die zijn ogen vulden, zijn blik niet meer helder op Hen richten. (37) Deemoedig voor Hen staand met gevouwen handen richtte hij zich vol verlangen tot Hen als wilde hij Hen omarmen en uitte hij verstikt tegenover de twee Heren de lettergrepen 'na-ma-ha, na-ma-ha' (mijn eerbetuigingen, mijn eerbetuigingen). (38) Hij bood Hen zitplaatsen, waste Hun voeten, smeerde met sandelhout en andere geurige substanties en was van aanbidding met wierook en bloemenslingers. (39) Toen ze comfortabel zaten op Hun zitplaatsen en er klaar voor waren om Hun genade te tonen zei hij, opnieuw voor Hun voeten neerbuigend, het volgende tot de Hoogst Aanbiddelijke Persoonlijkheden.

(40) S'rî Mârkandeya zei: 'O Almachtige hoe kan ik U onder woorden brengen dankzij wie van alle belichaamde levende wezens zowel als van Brahmâ, S'iva als van mijzelf de vitale adem met daaraan gekoppeld het spraakvermogen, de geest en de zinnen in gang wordt gezet; niettemin wordt U [ondanks deze fysieke dwang] de liefdevolle vriend van hen die van aanbidding zijn. (41) Deze persoonlijke gedaante van de Fortuinlijke, o Opperheer, toont U voor het uiteindelijke heil van het beëindigen van de materiële ellende en het overwinnen van de dood; en net zoals U, voor de bescherming op verschillende manieren andere bovenzinnelijke lichamen manifesteert, verzwelgt U als U eenmaal dit universum hebt geschapen, net als een spin, het in zijn geheel weer. (42) Vanwege Hem, de Beschermer, de Allerhoogste Beheerser van hen die zich wel en niet rondbewegen, raakt degene die zich bevindt aan Zijn voetzolen nimmer in de greep van de emoties van karma, guna en kâla; U bent degene voor wie de wijzen met de Veda in hun hart zich ieder moment ter verering en meditatie in lof neerbuigen om U te kunnen bereiken. (43) Niets anders dan het bereiken van Uw voeten, de eigenlijke vorm van de bevrijding, brengt de persoon, die van alle kanten te vrezen heeft o Heer, zijn heil. We weten dat Brahmâ, wiens tijd twee parârdha's beslaat, op grond hiervan hoogst bevreesd is, hij is bang vanwege de Tijd die U bent - en hoezeer geldt dat dan niet voor de wereldse levensvormen die door hem zijn geschapen [zie 10.13: 56]? (44) Laat mij om die reden deze overdekking van het zelf verzaken, het materiële lichaam en alles wat erbij hoort dat tijdelijk van aard, slechts voor een ogenblik herinnerd, niet-essentieel zijnde zo betekenisloos is. Laat me van aanbidding voor Uw voetzolen, U die de Intelligentie bent van wat werkelijk is en de Meester van de Ziel die de Absolute Waarheid is van Wie men alles krijgt wat men zich maar wensen kan. (45) O Heer, o Vriend van de Ziel, alhoewel de voortbrengselen van Uw begoochelende vermogen bekend onder de namen sattva, rajas en tamas, er voor de doelstellingen van de handhaving, vernietiging en schepping van dit universum zijn bij wijze van [Uw] vermaak, is het de [sattvische] goedheid die [met U] voortbestaat voor de bevrijding en niet de andere twee [van de hartstocht en de onwetendheid] die de mens gevaar, verbijstering en angst bezorgen [zie ook guna-avatâra's en 10.89: 18]. (46) Omdat de onbevreesdheid, het geluk van de ziel en de geestelijke wereld worden bereikt via de geaardheid der goedheid zijn de Sâtvata's van die overtuiging en nimmer van enige andere [geaardheid of] vorm van de Oorspronkelijke Persoon. Om die reden aanbidden de geestelijke autoriteiten in deze wereld Uw transcendentale persoonlijke gedaante [Vishnu], alsmede de gedaante van degenen met enkel U voor ogen [de Vaishnava's], als zijnde het dierbaarst, o Allerhoogste Heer [zie ook 1.2: 26]. (47) Hij, de Allesdoordringende, Alomvattende Manifestatie en Meester van het Universum, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, bied ik mijn eerbetuigingen, daar Hij de hoogst aanbiddelijke godheid Nârâyana is, de wijze die de beste der mensen is die zich bevindt in volmaakte zuiverheid als de meester van de vedische geschriften die Zijn woord beheerst [zie hamsa]. (48) Hij inderdaad van wie, misleid door de begoochelende sluier over zijn ogen, zijn intelligentie op een dwaalspoor raakt wat betreft Zijn aanwezigheid in zijn eigen zinnen, zijn hart en zelfs in waargenomen voorwerpen, kan U, de Geestelijk Leraar van Allen, kennen als hij de vedische kennis verwerft, ook al was zijn begrip oorspronkelijk overdekt door Uw mâyâ. (49) De visie van de Opperziel, het mysterie onthuld door de vedische teksten, is waar de grote geleerden met de Ongeborene [Brahmâ] voorop verbijsterd over raken als ze proberen met allerlei filosofieën de kwestie van Zijn persoon aan hun manier van leven aan te passen. Want het is Hij die het begrip van de [geconditioneerde] geestelijke ziel tebovengaat, Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid die ik de eer betuig [vergelijk 1.3: 37, 4.31: 11, 4.18: 5, 5.6: 11, 5.14: 1, 7.15: 58, 11.19: 1, 11.20: 7 en B.G. 16: 23-24].

 

Hoofdstuk 9

Mârkandeya Wordt de Heer Zijn Begoochelend Vermogen Getoond

(1) S'rî Sûta zei: "De Allerhoogste Heer Nârâyana, de vriend van Nara, op deze manier door Mârkandeya, de intelligente wijze, naar behoren gerespecteerd, sprak voldaan tot de eminente navolger van Bhrigu. (2) De Opperheer zei: 'O genoegen van Mij, u, volmaakt in uw concentratie op de ziel, bent de beste van alle brahmaanse zieners; niet afwijkend in Uw toegewijde dienst, verzakingen, recitaties en concentratie bent u op Mij gericht. (3) We zijn geheel tevredengesteld door u met uw vasthouden aan de gelofte van een levenslang celibaat; alstublieft doe een wens naar uw keuze, want Ik ben de Verlener van Alle Zegeningen die u het beste wenst'.

(4) De achtenswaardige rishi zei: 'U, o Heer der Heerscharen, o Onfeilbare, bent zegerijk als de Verdrijver van Al het Leed van de Overgegevene en aan zoveel als de zegening van het hebben mogen aanschouwen van Uw goede Zelf hebben we genoeg. (5) Brahmâ en anderen verkregen met een geest gerijpt in de yoga allen het zicht op Uw almachtige lotusvoeten en Hij, Uzelf, bent nu waarneembaar voor onze ogen. (6) Niettemin o Lotusogige Kroonjuweel van de Roem, zou ik graag getuige willen zijn van Uw begoochelend vermogen als gevolg waarvan de ganse wereld tezamen met haar leiders de materiële differentiatie van het Absolute voor ogen heeft [vergelijk B.G. 11: 3-4].'

(7) Sûta zei: 'Nadat Hij in deze bewoordingen door de rishi was verheerlijkt zei Hij, de Opperheer die tot Zijn tevredenheid was aanbeden, glimlachend: 'Zo zij het'. Daarna vertrok de Heer naar Badarikâs'rama. (8-9) De rishi die aan niets anders dacht dan aan dat doel [van het getuige zijn van de energie van de Heer] hield zich aldus op in zijn hermitage, om onder alle omstandigheden op de Heer te mediteren met alles wat in zijn vermogen lag: het vuur, de zon, de maan, het water, de aarde, de wind, de bliksem alsook zijn eigen hart. Aldus van aanbidding vergat hij soms zijn eerbewijzen als hij was verzonken in de vloed van de zuivere liefde van God [prema]. (10) Toen de wijze op een dag, o beste van Bhrigu, met zijn avondritueel bezig was op de oever van de Pushpabhadrâ, o brahmaan, stak er een hevige wind op. (11) Die gaf een verschrikkelijk rumoer gevolgd door het verschijnen van dreigende wolken zo compact als wagenwielen die luid rommelend met blikseminslagen de regen overal in bakken deden neerstromen. (12) Toen verschenen er van alle kanten de vier oceanen die de oppervlakte van de aarde in bezit namen met hoog door de wind opgestuwde golven waarin, gepaard aan onheilspellende geluiden, zich angstwekkende draaikolken en verschrikkelijke zeemonsters bevonden. (13) Vol verbijstering sloeg de wijze de schrik om het hart toen hij zag hoe de aarde onderstroomde en al de vier soorten bewoners van het universum [zoals geboren uit vocht, zaad, embryo's en eieren], met inbegrip van hemzelf, innerlijk en uiterlijk werden geteisterd door het water dat hoger dan de hemel steeg, de felle winden, de bliksemschichten en de golven die torenden tot in de ruimte. (14) En terwijl hij toekeek werden de wateren van de grote oceaan, die aanzwollen door de regen uit de wolken die de ganse aarde met zijn continenten, eilanden en bergen overdekten, door orkanen tot kolken gebracht met angstwekkende golven. (15) Met de drie werelden, de aarde, de ruimte, de hemellichamen en hemelse oorden van alle kanten overstroomd, zwierf de wijze, als de enige die was overgebleven, met zijn samengeklitte haar in wanorde rond als was hij een blinde zonder verstand. (16) In de greep van de honger en de dorst, aangevallen door monsterachtige krokodillen en walvis-eters en geplaagd door de winden doolde hij, gekweld door de golven en overmand door vermoeidheid, door het eindeloze duister waarin hij was beland, niet meer wetend in welke richting van de hemel of de aarde hij zich begaf. (17-18) Soms verdrinkend in een grote draaikolk en dan weer gegeseld door de golven werd hij af en toe belaagd door de monsters die hem wilden opeten en dan weer elkaar aanvielen. Noodlijdend voelde hij zich soms ziek en leed hij pijn met depressies bij gelegenheid terwijl hij op andere tijden verbijsterd was of ellendig en dan weer een gelukkig moment had of doodsangsten uitstond. (19) Talloze en talloze, honderden en duizenden jaren verstreken waarin hij met zijn geest in beslag genomen ronddoolde in die mâyâ, die begoochelende materiële energie van Vishnu. (20) Op een keer, toen hij daar zo rondzwierf, zag de tweemaal geborene op een hoger gelegen stukje aarde een prachtige, jonge banyanboom met vruchten en bloesems. (21) Op een tak van die boom zag hij in noordoostelijke richting bovendien een baby, een jongetje liggen in de vouw van een blad dat de duisternis met zijn uitstraling opslokte [zie ook 3.33: 4]. (22-25) Verbaasd dronk die koning onder de geleerden met zijn ogen de aanblik in van Zijn huidskleur die zo donkerblauw was als een geweldige edelsteen, Zijn mooie lotusgezichtje, Zijn als een schelphoorn gestreepte nek, Zijn brede borst, fijne neusje en prachtige wenkbrauwtjes. Hij laafde zich aan Zijn mooie haartjes die meetrilden met Zijn ademhaling, Zijn fraaie schelpvormige oortjes die op de bloemen van een granaatappel leken, Zijn lippen van koraal die met hun gloed Zijn nectargelijke glimlach ietwat rood kleurden, Zijn aangezicht met een bekoorlijke glimlach en met Zijn ooghoeken zo roze als de werveling van een lotus, de door Zijn ademen bewogen plooien in Zijn buikje ingedeukt door de op een generfd blad lijkende diepe navel, en ... zag hij hoe het kindje met de genadige vingertjes van Zijn twee handjes één van Zijn lotusvoetjes beetgreep en die in Zijn mondje stak [*]. (26) Toen hij het zag was zijn matheid bij toverslag verdwenen en spreidden zich uit vreugde de lotus van zijn hart en zijn lotusogen wijd open. Verward over de identiteit van de wonderlijke verschijning naderde hij met zijn haren recht overeind het kindje recht van voren om een antwoord te vinden. (27) Precies op dat moment werd de man van Bhrigu als een mug met de adem van de baby in Zijn lichaam gezogen en stond hij versteld toen hij vanuit die positie het ganse universum weer zag zoals het voorheen was geweest. (28-29) Hij aanschouwde het ganse uitspansel van al de sterren, de bergen en de oceanen, en de richtingen van de grote eilanden en de continenten. Hij zag de verlichte en onverlichte zielen, de bossen, de landen, de rivieren, steden en mijnen; de boerengehuchten, de weilanden en de verschillende bezigheden van de varnâs'rama samenleving. Hij aanschouwde de basiselementen van de natuur en al hun grofstoffelijke manifestaties, alsook de Tijd zelve van de verschillende yuga's en kalpa's en elk ander materieel voorwerp van nut in het universum dat was gemanifesteerd alsof het echt was. (30) Toen hij de Himâlaya's bekeek, de Pushpabhadrâ-rivier en zijn hermitage waar hij de rishi's had ontmoet [Nara en Nârâyana], werd hij, met het universum aldus voor ogen, via de adem van de baby opnieuw naar buiten geworpen om terug te vallen in de oceaan der vernietiging. (31-32) Op het hogere stuk grond in het water waar de banyan groeide, was er daar het kind weer liggend in de vouw van Zijn blad, dat met een nectargelijke blik vol liefde hem aankeek vanuit Zijn ooghoeken. Met die aanblik voor ogen plaatste hij de baby in zijn hart en rende hij hoogst opgewonden op de Heer van het Voorbije af om Hem in zijn armen te sluiten. (33) Op dat ogenblik werd Hij, de Allerhoogste Heer, die de Oorspronkelijke Heer van de Yoga is die schuilgaat in het hart van alle levende wezens in eigen persoon, opeens onzichtbaar voor de rishi, op dezelfde manier als dat wat door een incompetent iemand is vervaardigd het plots kan laten afweten. (34) O brahmaan, Hem volgend verdwenen daarop de banyan en de wateren der vernietiging van de wereld, en trof hij zichzelf het volgende moment, als voorheen, recht voor zijn eigen âs'rama aan."

Voetnoot:

* Het kindje dat Zijn voetje in Zijn mondje stak werd door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura geïnterpreteerd als zijnde de Heer die zegt, 'zie hoe lieflijk mijn voeten zijn naar de smaak van de toegewijde'.

 

Hoofdstuk 10

S'iva, Heer en Helper Verheerlijkt Mârkandeya Rishi

(1) S'rî Sûta zei: "Hij die op deze manier de macht ervoer van de yoga-mâyâ zoals beschikt door Nârâyana, ging enkel nog voor de toevlucht die Hij was. (2) S'rî Mârkandeya zei [hierover]: 'Ik heb me overgegeven aan de voetzolen van U die de overgegeven zielen de onbevreesdheid brengt, o Heer die met Uw begoochelende macht in de vorm van de kennis zelfs de wijzen verbijstert'."

(3) Sûta zei: "De grote heer [S'iva] vergezeld door Rudrânî [Umâ] en omringd door zijn gevolg, zag, reizend door de hemel op zijn stier, hem aldus in trance verzonken. (4-5) Umâ die ziener gadeslaand zei toen tot Girîs'a: 'Bezie deze man van scholing, die roerloos met zijn lichaam, zinnen en geest zo rustig is als het water en de vissen van de oceaan als de wind eenmaal is gaan liggen. Alsjeblieft, o jij die de verlener van de volmaaktheid der boete bent, zorg dat het voor hem bewaarheid wordt.'

(6) De grote heer zei: 'Ik ben er zeker van dat de brahmaanse ziener op geen enkel terrein welke zegening dan ook verlangt, zelfs niet de bevrijding; hij heeft de bovenzinnelijke toegewijde dienst bereikt voor de Allerhoogste Heer, de Onuitputtelijke Oorspronkelijke Persoon. (7) Laten we niettemin, Bhavânî, een gesprek met deze zuivere toegewijde aangaan; waarlijk is omgang te hebben met de heiligen het hoogste wat de mens kan bereiken.' "

(8) Sûta zei: "Na zich aldus uitgelaten te hebben ging hij, de meester van alle kennis, de beheerser van al de belichaamden en de grote heer en toevlucht van de rechtgeaarden, naar hem toe. (9) Hij, met het hebben stilgelegd van de functies van zijn denken, had geen weet van zichzelf of van de wereld om hem heen, noch van de aankomst van de twee over het universum heersende machten in eigen persoon. (10) Dat begrijpend, drong Girîs'a de Beheerser, de grote heer, middels zijn mystiek vermogen binnen in de etherische beslotenheid van Mârkandeya's hart, net zoals de wind door een opening waait. (11-13) In hemzelf arriveerde toen S'iva met lokken helder als de bliksem, in het bezit van drie ogen en tien armen, oprijzend zo hoog als de zon. Samen met een tijgervel als kledingstuk, toonde hij zijn boog en drietand, pijlen en zwaard, schild, gebedskralen, damaru (een klein trommeltje), een bijl en een schedel. Toen hij hem waarnam zich zo plotseling manifesterend in zijn hart, zag de wijze daarop af van zijn vervoering en vroeg zich verwonderd af: 'Wie is dit en waar komt hij vandaan?'

(14) Zijn ogen openend en ziend dat Heer Rudra was gearriveerd met Umâ en zijn metgezellen, bood de wijze met zijn hoofd de ene goeroe van de drie werelden zijn eerbetuigingen. (15) Hij vereerde hem samen met zijn gezelschap en Umâ met woorden ter verwelkoming, zitplaatsen, water voor de voeten, water om te drinken, geparfumeerde olie, bloemenslingers, wierook en lampen. (16) Hij zei: 'O machtige, wat kan ik voor u betekenen, o Heer, u geheel voldaan in de ervaring van uw extase door wie de ganse wereld tot vrede wordt bewogen? (17) Mijn respect voor u die de geaardheid onwetendheid bent toegewijd, voor u die verschrikkelijk bent in de keuze voor de geaardheid hartstocht en voor u die het plezier vergunt ten gunste van de geaardheid goedheid.' "

(18) Sûta Gosvâmî zei: "Met deze woorden geprezen richtte hij, de machtige heer, de belangrijkste van de halfgoden en de toevlucht voor de waarachtigen, volmaakt tevredengesteld met een gelukkige geest glimlachend het woord tot hem. (19) De grote heer zei: 'Alstublieft, doe een wens naar uw keuze bij ons, de drie [guna-avatâra] heren van beheersing door de aanblik van wie een sterfelijk wezen de onsterfelijkheid bereikt. (20-21) De plaatselijke heersers en bewoners van alle werelden, ik, de grote Heer Brahmâ en Hari, de Beheerser in eigen persoon, verheerlijken, aanbidden en staan die brahmanen bij die vroom zijn, vredig, vrij van gehechtheid, zorg dragen voor al de levende wezens en, vrij van vijandigheid met een gelijkgezinde blik, doelbewust onze toegewijden zijn. (22) Zij [deze toegewijden] maken zelfs niet het geringste onderscheid tussen mij, de Onfeilbare en de ongeborene, noch tussen henzelf en andere mensen en om die reden prijzen wij u. (23) Watervlakten zijn op zich nog geen heilige oorden en beeltenissen zijn op zich levenloos; zij zuiveren de ziel pas na een lange tijd, maar u doet dat door enkel gezien te worden [zie ook 10.48: 31]. (24) De brahmanen die onze gedaanten zoals ze worden vertegenwoordigd door de drie Veda's met zich dragen, en die door boetedoeningen, studie en concentratie in de yoga, [samyama] verzonken zijn in het Ware Zelf, betonen wij ons respect. (25) Zelfs de grootste zondaars en uitgestotenen vinden zuivering als ze u zien en over u vernemen, en wat zou dat dan wel niet inhouden als men zich rechtstreeks tot u richt [zie ook 7.14: 17, 10.64: 41-42]?"

(26) Sûta Gosvâmî zei: "Aldus vervuld van de woorden van hem gesierd met de maan die de essentie weerspiegelt van de religie, was de wijze die via zijn oren dronk van dit nectarreservoir niet voldaan. (27) Hij die vanwege Vishnu's mâyâ zolang had moeten ronddolen en enorm was uitgeput, zag hoe door S'iva's nectargelijke woorden een berg van moeilijkheden was overwonnen en sprak tot hem. (28) S'rî Mârkandeya zei: 'Ach, hoe ondoorgrondelijk is voor belichaamde zielen met achting voor de heersers van het universum dit spel en vermaak van de grote beheersers die respect aan de dag leggen voor hen die door hen beheerst worden! (29) Doorgaans zetten de gezaghebbende sprekers zich in voor het aanvaarden van de religie en geven voor dat doel uiting aan hun medeleven en waardering voor het juiste gedrag van de geconditioneerde zielen. (30) Net zoals de truuks van een goochelaar niets afdoen aan zijn kunde, wordt ook Zijn gezag geenszins ondergraven door deze handelingen in de schepping van Zijn begoochelende energie. (31-32) Hij die als de Superziel vanuit Zijn geest [middels Hemzelf in de vorm van de Tijd] dit universum schept en er vervolgens in binnengaat [als avatâra's] lijkt, bij de macht van Zijn natuurlijke geaardheden, de doener te zijn als was Hij iemand in een droom. Laat me mijn eerbetuigingen brengen voor Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid die optredend middels de drie guna's het ware Zelf is dat over hen heerst. Hij is de zuivere ongeëvenaarde geestelijk leraar die de oorspronkelijke gedaante van de Absolute Waarheid is. [zie B.G. 4: 13, 13: 30, 14: 19]. (33) Welke andere zegening inderdaad zou ik van u moeten verlangen, o alles doorvarende, wiens aanwezigheid zelve het hoogste is [dat men kan bereiken]; met de aanblik van u kan een persoon alles bereiken dat hij zich wenst, ongeacht wat. (34) Van Hem die staat voor het Volkomene dat de vervulling brengt van alle verlangens, vraag ik echter één zegening: de onophoudelijke liefde van de toegewijde dienst voor zowel de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als voor hen die, net als u, Hem zijn toegewijd.' "

(35) Sûta Gosvâmî zei: "Aldus aanbeden en verheerlijkt met de goed geformuleerde woorden van de wijze, zei S'arva de grote heer, daartoe aangemoedigd door zijn wederhelft: (36) 'O grote wijze zo vol van devotie voor Adhokshaja, moge wat door u is gewenst in vervulling gaan. En moge u ook roem ten deel vallen tot het einde van de kalpa, vroomheid en vrijheid van ouderdom en dood. (37) Moge u kennis hebben van het drievoudige van de tijd [tri-kâlika] o brahmaan, alsmede wijsheid en verzaking. Moge er voor hem die het brahmaanse vermogen gegeven is, voor u, de status zijn van leraar van de Purâna.' "

(38) Sûta Gosvâmî zei: "Nadat hij de wijze deze zegeningen had toegekend ging hij, de beheerser met de drie ogen, weg waarbij hij aan de godin uiteenzette wat hij [Mârkandeya] in het verleden had gedaan en ervaren. (39) Hij, de beste van Bhrigu, die het grootste van het grote van de yoga had bereikt, reist vandaag de dag nog rond naar believen, steeds onderweg in de dienst van zijn exclusieve toewijding voor de Heer. (40) Dit is wat ik u kon beschrijven van het verbazingwekkende vermogen van de begoochelende energie van de Hoogste Persoonlijkheid zoals ervaren door de intelligente Mârkandeya. (41) Ongekend als het is [dit zeven kalpa's durende leven van de wijze], spreken sommigen die niet zo goed op de hoogte zijn erover als [zijnde niets meer dan] het sedert mensenheugenis rondgaan van de geconditioneerde levende wezens door de verstandsverbijsterende schepping van de Allerhoogste Persoon. (42) Voor de twee soorten mensen, o beste van Bhrigu, die aldus ofwel luisteren of dit [verhaal] beschrijven dat doortrokken is van het vermogen van de Heer met het Wiel [van de Tijd] in Zijn hand, zal er nooit de wereldse gang van zaken zijn die is gebaseerd op karma."  

  

Hoofdstuk 11

Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

(1) S'rî S'aunaka zei: "En nu, o grote toegewijde van God welbekend met de essentie, informeren we bij u, die het meest onderlegd bent, over deze aangelegenheid van de definitieve conclusie beschreven in al de aanvullende geschriften [de tantra's]. (2-3) Op welke manier zijn de tântrika's van hun geregelde aanbidding voor de Echtgenoot van de Godin, die Zuivere Geest is, en hoe maken zij zich een voorstelling van Zijn ledematen, Zijn metgezellen, Zijn wapens en Zijn ornamenten? Al het goede u toegewenst! Beschrijf alstublieft voor ons, die het graag willen weten, de praktische methode van het cultiveren van de yoga [kriyâ-yoga] waarmee een sterfelijk wezen erin bedreven de onsterfelijkheid kan bereiken."

(4) Sûta zei: "Met het brengen van eerbetuigingen voor de goeroes zal ik zelfs [al is het moeilijk] spreken over de volheden die horen bij Heer Vishnu welke door de gevestigde autoriteiten beginnende bij hem die zijn geboorte vond op de lotus [Padmaja of Heer Brahmâ] worden beschreven in de Veda's en tantra's. (5) De negen onderdelen van de schepping [tattva's] die, beginnende met mâyâ [of prakriti]], de transformaties uitmaken [vikâra's], vindt men terug in de geschapen heerschappij [de virâth-rûpa], in het bewuste bestaan waarin men de drie werelden [loka's] onderscheidt [zie ook 11.22: 4-25]. (6-8) Deze gedaante van de Purusha, de Meester, heeft de aarde als Zijn voeten, de hemel als Zijn hoofd, de [interplanetaire] ruimte als Zijn navel, de zon als Zijn ogen, de lucht als Zijn neusgaten, de windrichtingen als Zijn oren, de Prajâpati als Zijn geslachtsdeel, de dood als Zijn anus, de plaatselijke heersers [de halfgoden] als de vele armen van de Absolute Beheerser, de maan als Zijn geest, yama [of Yama] als Zijn wenkbrauwen, de schaamte als Zijn bovenlip, begeerte als Zijn onderlip, het maanlicht als Zijn tanden, begoocheling als Zijn glimlach, de bomen als de haren op het lichaam van de Almachtige Heer, en de wolken als het haar op het hoofd van de Purusha [zie ook b.v. 2.6: 1-11, 2.10: 24-32, 10.40: 13-14, 11.12: 18-20]. (9) Precies zoals men de afmetingen kan bepalen van een normaal individu door de positie van zijn ledematen op te meten, kan men op dezelfde manier eveneens de afmetingen vaststellen van Hem, de Gigantische Persoon, overeenkomstig de posities van de zonnestelsels [zie ook 5.20-24]. (10) Het geestelijk licht van de individuele ziel wordt vertegenwoordigd door het Kaustubha-juweel dat door de Ongeborene wordt gedragen. Het S'rîvatsa-teken op de borst van de Almachtige representeert de zich uitbreidende gloed daarvan [van dat juweel/die ziel]. (11-12) Zijn materiële energie samengesteld uit de verschillende geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor de vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor het drie letters tellende AUM. Het proces van sânkhya en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara ['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die voor al de werelden de onbevreesdheid brengt, vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke] positie. (13) De persoonlijke zitplaats waarop Hij zich bevindt staat bekend als Ananta [het slangenbed] en staat voor de niet-geëvolueerde materie, en de lotus waarop men Hem naar verluid kan aantreffen is [het zuivere van] de goedheid geassocieerd met de religie, de spirituele kennis enzovoorts. (14-15) De knots die Hij draagt is het hoofdelement [de prâna of vitale adem] met betrekking tot het zinsvermogen, de lichaamskracht en de geesteskracht; Zijn uitstekende schelphoorn is het waterelement en Zijn Sudars'ana-schijf is het principe van de tejas [het vitaal vermogen, de waardigheid, het vuur in de strijd]. Zijn zwaard is, [zuiver] als de atmosfeer, het ether-element, Zijn schild bestaat uit de geaardheid onwetendheid, Zijn boog S'ârnga is de specifieke orde [of geest, de rûpa] van de tijd, en Zijn pijlenkoker bestaat uit het karma [de actie of de karmendriya's]. (16) De zinnen, zo zegt men, zijn Zijn pijlen, Zijn strijdwagen vormt de aanzet tot actie, Zijn uiterlijke verschijning vormt de voorwerpen der waarneming [de tanmâtra's], en Zijn gebaren [mudrâ's] representeren de essentie van het doelbewust handelen. (17) Het cyclische [van de tijd, te weten de zon en de maan] vormt de grondslag voor de oefening van respect voor de Godheid, spirituele initiatie [dîkshâ] vormt voor de geestelijke ziel de manier om tot zuivering te komen, en de toegewijde dienst van de Fortuinlijke is er voor iemand om een einde te maken aan een slechte gang van zaken. (18) Bhagavân draagt - naar de betekenis van het woord bhaga [Zijn volheden] - de lotus van Zijn spel en vermaak, en de waaier en wuifkwast die de Opperheer aanvaardde voor Zijn aanbidding staan voor de religie en de roem. (19) O beste tweemaal geborenen, Zijn parasol is Vaikunthha, Zijn spiritueel verblijf waar geen angst bestaat, de drievoudige Veda is er bij name van Suparna [Garuda], de drager van de Persoonlijkheid van het Offer [Vishnu of Yajña]. (20) De Heer Zijn onafscheidelijke godin S'rî is de rechtstreeks waarneembare innerlijke aard [*]; Vishvaksena staat bekend als de personificatie van de tantra geschriften, en de acht van Nanda en de andere vooraanstaande metgezellen die de wacht houden [**] zijn de animâ en dergelijke [siddhis] van de Heer Zijn kwaliteiten. (21) Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zijn, zoals je weet, de namen van de manifeste gedaanten [de vyûha expansies] van de Oorspronkelijke Persoon Zelve, o brahmaan. (22) Bhagavân wordt aan de hand van de functie van de uiterlijke voorwerpen [vis'va, Pradyumna], de lichaamskracht [taijasa, Sankarshana], het denken [prâjña, Aniruddha] en de spirituele realisatie [turîya, Vâsudeva] in dit verband begrepen in de termen van het waakbewustzijn, het dromen, de diepe slaap en de transcendentale positie [zie avasthâtraya]. (23) In Zijn vier persoonlijke gedaanten handhaaft Bhaga-vân [Hij in het bezit van de volheden], de Heer en Beheerser, deze vier staten met Zijn grotere [armen; zoals in vers 14-15] en kleinere ledematen [Zijn toegevoegde leden, Zijn wachters], wapens en sierselen. (24) O beste der tweemaal geborenen, Hij alleen is de zelfverlichte bron van de Ene Op Zichzelf Bestaande Geest die, volmaakt in Zijn eigen grootheid en volledigheid, middels Zijn eigen materiële energie dit universum schept, handhaaft en terugtrekt. In die hoedanigheid [als de uitvoerder van verschillende materiële functies] somtijds gezien alsof Hij - niet overdekt als Hij is in Zijn transcendentale bewustzijn - materieel verdeeld zou zijn, kan Hij door hen die Hem zijn toegewijd worden gerealiseerd als hun ene ware zelf, hun Ziel. (25) S'rî Krishna, o vriend van Arjuna, o leider van de Vrishni's, o Vernietiger van de Opstandige Adellijke Geslachten wiens kunnen nimmer vergaat, o Govinda, bedevaartsoord wiens heerlijkheden, die het heil brengen door enkel maar erover te vernemen, worden bezongen door Vraja's koeherdersmannen en -vrouwen en hun dienaren; alstUblieft bescherm Uw dienaren! (26) Een ieder die, bij het ochtendgloren opstaand, met zijn geest op God gericht voor zichzelf deze kenmerken van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon bezingt [reciteert], komt tot de realisatie van de Absolute Waarheid die zich in het hart bevindt."

(27-28) S'rî S'aunaka zei: "Kan u aangaande de beschrijving van S'ukadeva Gosvâmî voor de aandachtige die de genade van Vishnu is [Parîkchit] betreffende de zonnegod zijn metgezellen die maand na maand zich ophouden in groepen van zeven, alstublieft aan ons, trouwe toehoorders, uitleggen wat de namen en handelingen zijn van hen die, betrokken bij zijn verschillende vormen van controle, de expansies van de Heer zijn in Zijn manifestatie als Sûrya [zie ook 5.21: 18]?"

(29) Sûta zei: "Deze regulator van al de planeten [de zon] die in hun midden ronddraait [rondom de berg Meru, zie 5.22: 2] werd [door de heer in de gedaante van de Tijd] geschapen uit de zijn aanvang niet kennende materiële energie van Vishnu, de Opperziel van alle belichaamde wezens. (30) De zon als de enige echte [gelijk de] Heer, de oorspronkelijke schepper en het zelf inderdaad van al de [planetaire] werelden, vormt de basis voor alle rituele activiteiten van de Veda's die door de wijzen verschillend worden beschreven. (31) De Heer in termen van de materiële energie wordt aldus verdeeld in negenen beschreven als de tijd, de plaats, de onderneming, de uitvoerder, het instrument, het specifieke ritueel, de schrift, de hulpmiddelen en het resultaat, o brahmaan [vergelijk B.G. 18: 13-15].

(32) De Opperheer is er, met het [als de zonnegod] aannemen van de gedaante van de Tijd, voor de [regulatie van de] planeetbeweging overeenkomstig de regel van twaalf, beginnende met Madhu [in maanden of mâsa's, zie ook B.G. 10: 21], waarbij Hij Zich in ieder van de twaalf afzonderlijk beweegt met een ander stel [van zes] metgezellen [die naast de Deva bestaan uit een Apsara, een Râkshasa, een Nâga, een Yaksha, een wijze en een Gandharva]. (33) Dhâtâ [als de Deva], Kritasthalî [als de Apsara], Heti [als de Râkshasa], Vâsuki [als de Nâga], Rathakrit [als de Yaksha], Pulastya [als de wijze] en Tumburu [als de Gandharva] zijn degenen die heersen over de maand Madhu [of Caitra bij de lente-equinox, maart/april]. (34) Aryamâ, Puñjikasthalî, Praheti, Kacchanîra, Athaujâ, Pulaha en Nârada zijn [op dezelfde manier zo respectievelijk] degenen die heersen over de maand Mâdhava [Vais'âkha, april/mei]. (35) Mitra, Menakâ, Paurusheya, Takshaka, Rathasvana, Atri en Hâhâ zijn degenen die heersen over de maand S'ukra [Jyaisthha or Jeshthha, mei/juni]. (36) Varuna, Rambhâ, Citrasvana, S'ukra, Sahajanya, Vasishthha en Hûhû zijn degenen die heersen over de maand S'uci [Âshâdha, juni/juli]. (37) Indra, Pramlocâ, Varya, Elâpatra, S'rotâ, Angirâ en Vis'vâvasu zijn degenen die heersen over de maand Nabhas [S'râvana, juli/augustus]. (38) Vivasvân, Anumlocâ, Vyâghra, S'ankhapâla, Âsârana, Bhrigu en Ugrasena zijn degenen die heersen over de maand Nabhasya [Bhâdrapada, augustus/september ***]. (39) Pûshâ, Ghritâcî, Vâta, Dhanañjaya, Suruci, Gautama en Sushena zijn degenen die heersen over de maand Tapas [Mâgha, januari/februari]. (40) Parjanya, Senajit, Varcâ, Airâvata, Ritu, Bharadvâja en Vis'va zijn degenen die heersen over de maand Tapasya [Phâlguna, februari/maart]. (41) Ams'u, Urvas'î, Vidyucchatru, Mahâs'ankha, Târkshya, Kas'yapa en Ritasena zijn degenen die heersen over de maand Sahas [Mârgas'îrsha, november/december]. (42) Bhaga, Pûrvacitti, Sphûrja, Karkothaka, Ûrna, Âyu en Arishthânemi zijn degenen die heersen over de maand Pushya [Pausha, december/januari]. (43) Tvashthâ, Tilottamâ, Brahmâpeta, Kambalâs'va, S'atajit, Jamadagni de zoon van Ricîka en Dhritarâshthra als de Gandharva zijn degenen die heersen over de maand Isha [Âs'vina, september/oktober]. (44) En Vishnu, Rambhâ, Makhâpeta, As'vatara, Satyajit, Vis'vâmitra en Sûryavarcâ zijn degenen die heersen over de maand Ûrja [Kârttika, oktober/november].

(45) Al dezen [deze persoonlijkheden] vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die op de keerpunten van de dag aan hen terugdenken, de terugslagen van de zonde weg. (46) Aldus met ieder van de twaalf maanden en zes typen van metgezellen zich door het universum bewegend, is de Deva, de godheid [van de zon], terwille van haar bewoners, in het hier en het hiernamaals er zeker van het zuivere bewustzijn uit te dragen. (47-48) Met de wijzen die Hem verheerlijken met de sâma-, rig- en yajur- hymnen welke Zijn identiteit openbaren, zingen de Gandharva's hardop over hem, dansen de Apsara's recht voor Hem, maken de Nâga's de wagen klaar, spannen de Yaksha's de paarden in en duwen de Râkshasa's hem vooruit. (49) Voor de wagen uit gaan de zestigduizend Vâlakhilya brahmaanse wijzen zuiver van lof met gebeden voor de Almachtige [zie ook 4.1: 39]. (50) De Ongeboren Heer Hari, de Hoogste Beheerser, Hij die Zijn Begin Niet Kennend Behept is met Alle Volheden, beschermt al de werelden door Zich aldus in iedere kalpa in verscheidene gedaanten uit te breiden."

 

Voetnoten: * Volgens de Skanda Purâna in de verzen beginnend met 'aparam tv aksharam yâ sâ' zijn er drie onfeilbare energieën aldus: de uitwendige materiële energie van mâyâ, het inwendig vermogen van Sr'î en de Allerhoogste energie van de Purusha, de Heer Zelve.  

**: De Padma Purâna (256.9-21) somt achttien bewakers of begeleiders van de Heer op: Nanda, Sunanda, Jaya, Vijaya, Canda, Pracanda, Bhadra, Subhadrâ, Dhâtâ, Vidhâtâ, Kumuda, Kumudâksha, Pundarîksha, Vâmana, S'ankukarna, Sarvanetra, Sumukha en Supratishthhita.  

*** Op dit punt is gebroken met de reguliere orde van de maanden. De verschillende vertalers zijn het niet eens over de oorzaak van deze volgorde en sommigen hebben het voorstel gedaan om de volgorde van de verzen aan te passen om dit recht te zetten.

 

Hoofdstuk 12

De Onderwerpen van het S'rîmad Bhâgavatam Samengevat

(1) Sûta zei: "Met mijn eerbetuigingen voor Heer Krishna, voor de schepper, voor de brahmanen en voor het allerhoogste van het dharma, zal ik nu de eeuwige aard ervan bespreken [in termen van de onderwerpen besproken in het Bhâgavatam]. (2) Ik vertelde u, o wijzen, over deze wonderbaarlijke handelingen van Heer Vishnu die zich bij uitstek lenen voor mensen met respect voor de persoon. (3) In dit [verhaal] gaat het zonder meer om de verheerlijking van de Heer, Hij Die Alle Zonden Wegneemt, Nârâyana, de Heer der Zinnen, de Allerhoogste Persoonlijkheid en Meester van de Sâtvata's. (4) Hierin wordt de schepping en vernietiging van dit universum en de vertrouwelijke kennis van de Ene Op-zichzelf-bestaande Allerhoogste Geest besproken, tezamen met het zuivere waarnemen en hoe die realisatie moet worden gecultiveerd.

(5-6) Bhakti-yoga en de verzaking die erbij hoort wordt uitvoerig besproken [in 1.2, 7.5-10 & Canto 11.29], evenals de geschiedenis van Nârada [1.4-6] en het verhaal van Parîkchit dat beschrijft hoe de wijze onder de koningen vast tot de dood erop volgt omdat hij door [de zoon van] een wijze werd vervloekt en hij toen een gesprek had met S'uka, de beste der brahmanen [zie Canto 1.8-18]. (7) Wat volgt is een bespreking van hoe men, als men moet sterven, de bevrijding kan bereiken door zich te concentreren in de yoga [2.2: 15-21], een gesprek tussen Nârada en Brahmâ [2.5], de reeks van avatâra's [1.3 & 2.7] en hoe het evolutieproces tot stand komt vanuit de primaire natuur [de pradhâna, 3.26: 10-72]. (8) Vervolgens is er het gesprek dat Vidura voerde met Uddhava [3.1: 25-3.4], het gesprek dat Vidura had met Maitreya [3.5-4.31], [voorafgegaan door] wat een Purâna inhoudt [in algemene zin, zie 2.10: 1 en 12.7: 9-10], en dan wordt het onderwerp besproken van het weer in Zich opnemen van de schepping door de Mahâpurusha [2.10: 6, 3.11: 30, 8.5: 35, 11.3: 8-15, 12.4]. (9) Wat volgt is de schepping zoals die plaatsvindt vanuit de [geaardheden van de] materiële natuur en de totstandkoming van de zeven afgeleiden [van mahat, ahankâra en de tanmâtra's, zie 3.20: 12-17], die ontstaan met de evolutie van het ei van het universum waaruit zich de universele gedaante van de Heer ontwikkelt [3.6]. (10) De grove en subtiele bewegingen van de tijd [3.11], [komen eveneens aan bod alsook] het genereren van de lotus [3.8] en het doden van Hiranyâksha in verband met het bevrijden van de aarde uit de oceaan [3.17-19]. (11) [En zo zijn er] de schepping van de hogere wezens, de dieren en de lagere schepselen [3.12: 37-48], de geboorte van Rudra [3.12] en het verschijnen van Svâyambhuva Manu vanuit de man/vrouw verdeling van de Heer [zie 3.12: 49-53, 4.1]. (12-13) [Besproken zijn] de nakomelingen van de uitnemende gemalin, de eerste vrouw die S'atarûpâ heette, en het nageslacht van [de negen dochters van] de vrome echtgenote [Devahûti] van de stamvader Kardama [zie 3.24: 20-25 en 4.1], het nederdalen van de Opperziel, de Allerhoogste Persoon Heer Kapila, en de conversatie van de geleerde Kapila met Devahûti [4.25-33]. (14-15) De nakomelingen van de negen brahmanen [die met Kardama's dochters trouwden, 4.1], de vernietiging van Daksha's offerplechtigheid [4.2-7] en de geschiedenis van Dhruva [4.8-13] wordt dan gevolgd door de verhalen over Prithu [4.15-23] en Prâcînabarhi [4.24-29], zijn gesprek met Nârada [4.29], de verhalen van Priyavrata [5.1], o brahmanen, Nâbhi [5.3], het leven van Rishabha [5.3-6], en Bharata Mahârâja [5.7-13]. (16) De continenten, subcontinenten en de oceanen, de bergen en rivieren worden in detail beschreven [5.19-20], het uitspansel [5.21-23] en hoe de lagere werelden en de hel zijn geregeld [5.24-26]. (17) [Beschreven zijn] Daksha's [weder-]geboorte als de zoon van de Pracetâ's [6.4] en de nakomelingen van zijn dochters van wie er de halfgoden, de demonen en de menselijke wezens zijn, de [zoog-]dieren, de serpenten, de vogels en de andere diersoorten [6.6]. (18) [Ook is er] de geboorte en dood van [Vritra, 6.9-12] de zoon van Tvashthâ en de twee zoons van Diti, Hiranyâksha [3.14-19] en Hiranyakas'ipu, o brahmanen, tezamen met de geschiedenis van de grote ziel Prahlâda, de beheerser van de Daitya's [7.2-8]. (19-20) In detail zijn beschreven de regeerperioden van de Manu's [8.1], de verlossing van de koning der olifanten [Gajendra, 8.2-4] en de avatâra's van Heer Vishnu voor iedere periode van Manu [8.5 & 13] zoals Hayas'îrshâ [8.24: 8 & 57; 5.18: 1], Nrisimha [7.9-10], Vâmana [8.18-22], Mâtsya [8.24] en Kûrma die er was voor het doel van het karnen van de nectar uit de melkoceaan door de bewoners van de hemel [8.7-8]. (21) De grote oorlog tussen de demonen en de goden wordt beschreven [8.10] alsook systematisch de dynastieën van de koningen [9.2, 7, 9, 12, 13, 17, 20 -24]; de dynastie van Sudyumna [9.1] en de geboorte van Ikshvâku en zijn dynastie [9.6]. (22) Er is verslag gedaan van de verhalen over Ilâ [9.1: 16-27] en Târâ [9.14: 4: 13] alsook een vertelling over de afstammelingen van de Sûrya-vams'a, zoals daar zijn S'as'âda [Vikukshi, 9.6: 6-11] en Nriga [9.1: 11-12, 9.2: 17 & 10: 64]. (23) Er zijn de verhalen over Sukanyâ [9.3], [de dochter van] S'aryâti, de intelligente Kakutstha [Purañjaya, 9.6: 12-19], Mândhâtâ [9.6: 33-37 & 9.7], Saubhari [9.6], Sagara [9.8] en Khathvânga [9.9: 41-47]. (24) [Gepresenteerd zijn] de wederwaardigheden van Heer Râmacandra, de Koning van Kosala, welke alle zonde verdrijven [9.10 & 11], Nimi, die zijn materiële lichaam opgaf [9.13], en het verschijnen van de nakomelingen van koning Janaka [of S'îradhvaja, 9.13: 18-27]. (25-26) [Gesproken is over] het uitroeien van de heersende klasse door Heer Paras'urâma, de Grootste van Bhrigu [9.15 & 16]; over Aila [Purûravâ, 9.14 & 15], Nahusha [9.18: 1], Yayâti [9.18 & 19], Dushmanta's zoon Bharata [9.20], S'ântanu [9.22: 12-13] en S'ântanu's zoon Bhîshma [9.22: 18-19] van de candra-vams'a, alsook over de gevierde dynastie van Yadu, de oudste zoon van Yayâti [9.23: 18-29]. (27) [Het is] de dynastie waarin - in het huis van Vasudeva - de Opperheer bekendstaande als Krishna, de Beheerser van het Levende Wezen, nederdaalde; [vervolgens wordt beschreven] Zijn geboorte [10.3] en hoe Hij opgroeide in Gokula [10.4-10]. (28-30) Zijn talloze wapenfeiten worden [vervolgens] verheerlijkt [in de beschrijvingen van]: hoe Hij de melk samen met de levensadem wegzoog uit Pûtanâ [10.6], hoe Hij als een kind de kar kapot maakte en Trinâvarta eronder kreeg [10.7], en Hij Baka, Vatsa [10.11] en Agha doodde [10.12], [hoe Hij tewerk ging met] Brahmâ die de kalveren en de jongens had weggeborgen [10.13 & 14], hoe Hij met Zijn metgezellen een eind maakte aan Dhenuka [10.15] en Pralamba [10.18], en hoe Hij hen [de gopa's] redde uit een bosbrand die hen had ingesloten [10.17 & 19]. (31-33) [Verslag werd gedaan van] het onderwerpen van de slang Kâliya [10.16-17]; de geloften die naar de tevredenheid van de Onfeilbare in acht werden genomen door de jonge gopî's [10.21 & 22]; de genade voor de spijtige brahmaanse vrouwen [10.23]; het optillen van de berg Govardhana [10.25] en de aanbidding en het rituele baden dat vervolgens werd uitgevoerd door Indra en Surabhi [10.27]; Krishna's spel en vermaak met de gopî's gedurende de nachten [10.29-33], het redden van Nanda Mahârâja [uit de bek] van een groot serpent [10.34] en het doden van de dwaze S'ankhacûda [10.34], Arishtha [10.36] en Kes'î [10.37]. (34) Daarna arriveert Akrûra [10.38] en is er het vertrek van Râma en Krishna, het treuren van de vrouwen van Vraja [10.39] en de rondgang door Mathurâ [10.41]. (35) Er is het doden van de olifant Kuvalayâpîda [10.43], de worstelaars Mushthika, Cânûra, en Kamsa en anderen [10.44], alsook het weer terughalen van de zoon van Sândîpani, de goeroe [10.45]. (36) Verblijvend in Mathurâ in het gezelschap van Uddhava en Balarâma, werden, o brahmanen, door de Heer avonturen aan de dag gelegd om de kring der Yadu's een plezier te doen [10.48]. (37) [Vervolgens is er] de vele malen herhaalde vernietiging van de troepen bijeengebracht door Jarasândha [10.50], het grondvesten van Dvârakâ en het doden van de barbaarse koning [10.51]. (38) Er is de ontvoering van Rukminî waarbij de Heer Zijn rivalen in de strijd versloeg [10.53] en het [van Indra, 10.50: 54] in ontvangst nemen van de pârijâta uit de hemel samen met de Sudharmâ-vergaderzaal. (39) Het ter dood brengen van de meester van Prâgjyotishapura [Bhauma ofwel Naraka] en het redden van de jonge maagden [komt ter sprake in 10.59] met vervolgens het afgedwongen gapen van S'iva in de slag met Bâna en het wegsnijden van Bâna's armen [10.63]. (40-41) Het [Bhâgavatam verschaft ook uitleg over] het kunnen en de dood van Pañcajana [10.45: 40-41], S'ambara [10.55], Pîthha [10.59], Mura [10.59], Dvivida [10.67], de koning van Cedi [10.74], S'âlva [10.76-77], de dwaze Dantavakra [10.78], en anderen, hoe de Pândava's de directe aanleiding vormden [voor Krishna] om de last van de aarde weg te nemen [10.49], en het afbranden van Vârânasî [10.66]. (42-43) [Ook kwam aan bod] het terugtrekken van Zijn eigen familie [11.30] onder het voorwendsel van de vloek van de geleerden [11.1] en de schitterende conversatie die Vâsudeva had met Uddhava waarin de wetenschap van het ware zelf zijn volle uitdrukking vond met het vaststellen van het dharma [hoe men moet leven nu Krishna niet meer lijfelijk aanwezig is, zie 11.6-29], met vervolgens Zijn verzaken van de wereld der sterfelijken bij machte van Zijn eigen mystieke vermogen [11.31]. (44) [Ook besproken zijn] de kenmerken van de verschillende yuga's en de handelingen die daarmee overeenkomen [11.17 & 12.3], de algehele verstoordheid van de mensen in Kali-yuga [12.1-3] en de vier typen van vernietiging en drie [guna] soorten van schepping [12.4]. (45) [tenslotte is er een verslag van] Vishnurata [Parîkchit], de intelligente godvruchtige koning die zijn lichaam moest opgeven [12.6-7], hoe de ziener [Vyâsa en anderen] de verschillende takken van de Veda overdroeg [12.6-7], de vrome geschiedenis van Mârkandeya [12.8-10] en de inrichting van de [ledematen van de] Mahâpurusha alsmede de regeling [van de tijd] in relatie tot de zon, het Zelf van het levende wezen dat het Universum is [12.11].

(46) Aldus zijn door mij, naar aanleiding van uw vragen, o beste van de tweemaal geborenen, in dit relaas de handelingen van de lîlâ-avatâra's in hun volle glorie beproken. (47) Als men valt, struikelt, zich bezeert of niest en dan spontaan hardop uitroept 'haraye namah' (eerbetuigingen aan Hari), raakt men bevrijd van alles wat tot een val leidt. (48) Van personen die zoals het hoort zingen over de Opperheer en kennis nemen van waar de Onbegrensde toe in staat is, wordt de ellende die in het hart doordringt geheel weggewassen, precies zoals de zon de duisternis wegneemt of een sterke wind de wolken verdrijft. (49) IJdel inderdaad zijn die woorden over en besprekingen van de relatieve waarheid waarin van Hem die in het Bezit is van de Volheden, de Heer in het Voorbije, geen gewag wordt gemaakt; enkel dat is waar, alleen dat is goedgunstig, enkel dat is verdienstelijk wat de kwaliteiten van de Fortuinlijke naar boven haalt. (50) Datgene voorzeker is aantrekkelijk, is nieuwer en nieuwer; datgene inderdaad wat een voortdurend, groot feest inhoudt; dat [zich uitdrukken] wat voor personen feitelijk de oceaan der misère drooglegt, is waarin de heerlijkheden van de Beste van de Verzen, Uttamas'loka, bij herhaling worden bezongen. (51) Een uitdrukking in verduidelijkende termen die nimmer de zegenrijke heerlijkheden van de Heer beschrijft is te vergelijken met een bedevaartsoord voor kraaien en daarvan zullen zich nimmer de zwaangelijken bedienen, de zuivere heiligen die alleen maar aan Acyuta denken [als in 1.5: 10]. (52) Die creatie van woorden die de revolutie afkondigt over de zonden van de mensen en waarin, hoewel onvolkomen van samenstelling, ieder vers verwijst naar de namen en de heerlijkheden van de Heer zonder beperkingen, wordt gehoord, bezongen en aanvaard door hen die gezuiverd en oprecht zijn [identiek aan 1.5: 11]. (53) Ondanks dat de zelfverwerkelijking vrij is van materiële motieven, ziet de kennis van het onfeilbare die is verstoken van liefde [of toewijding voor de Opperheer] er niet goed uit. Zou inderdaad het zich inspannen voor een resultaat ook maar iets uithalen als men er niet in slaagt het onovertroffen werk te volbrengen dat men verricht voor de Heer [als in 1.5: 11]? (54) Als men boetvaardig is en luistert naar de geschriften en dergelijke is men, terwille van zijn reputatie en een materieel resultaat, van grote inspanning in het dienen van het varnâs'rama-systeem. Maar als men luistert naar en respect oefent voor - en zo meer - de lotusvoeten van de Instandhouder van de Godin van het Fortuin, is men van de heugenis omdat men dan leeft in bevestiging van de kwaliteiten. (55) De heugenis van Heer Krishna's lotusvoeten doet al het ongunstige teniet, leidt tot het grootste geluk, tot zuivering van het hart en, verbonden in de wijsheid en onthechting, tot spiritueel weten en toewijding voor de Allerhoogste Ziel. (56) U allen o hoogst eminente brahmanen, bent zo gelukkig uw stabiliteit gevonden te hebben met Nârâyana, de Oorspronkelijke Ziel en Godheid van allen, nu u de Heer van de Hemel Voorbij Wie er Geen Andere te Vinden is in uw hart hebt geïnstalleerd. Wees dan nu onversaagd in uw liefde van aanbidding. (57) Ook mij werd deze wetenschap van de Ziel in herinnering gebracht toen ik haar, net als u aanwezig in een vergadering van aandachtig luisterende grote wijzen, vernam uit de mond van S'uka, de grootste der wijzen, toen koning Parîkchit tot de dood toe aan het vasten was. (58) Dit wat ik u, o geschoolden, vertelde over de heerlijkheden van Vâsudeva, Hij van de Grote Daden Allerwaardigst om te Worden Beschreven, maakt geheel en al een einde aan al het ongunstige. (59) Hij die met een niet aflatende aandacht iedere yâma [periode van drie uur] en iedere kshana [een moment of 1.6 seconde] met geloof anderen doet luisteren of trouw zelf luistert naar slechts een enkel vers of zelfs maar een half vers, een enkele versregel of zelfs maar een halve, zal de ziel zelf zuiveren. (60) Als men, niet gegeten hebbend, nauwlettend reciteert uit of luistert [naar het Bhâgavatam] op de elfde dan wel de twaalfde dag [van een vijftiendaagse halve maanmaand, met Ekâdas'î dus, zie 3.11: 10], zal een hoge leeftijd bereiken en verlost worden van alles wat hem ten val brengt. (61) Als men zelfbeheerst zonder te hebben gegeten deze verzameling van verzen reciteert in [de heilige plaatsen] Pushkara, Mathurâ of Dvârakâ, zal men bevrijd raken van de angst [voor de Tijd, of voor een materieel leven, zie ook 1.13: 19]. (62) Als men bezingt of luistert als men van die verheerlijking is, zullen de halfgoden en de wijzen, de vervolmaakten en de voorvaderen, de stamvaders en de koningen, alles vergunnen wat er wordt verlangd. (63) Een tweemaal geboren ziel die [op deze tekst] studeert verkrijgt als resultaat dezelfde rivieren van honing, ghee en melk die men verwerft met het bestuderen van de rig-, yajur- en sâma-verzen. (64) IJverig deze essentiële verzameling van klassieke verhalen bestuderend zal een tweemaal geborene bijgevolg de allerhoogste positie bereiken zoals die werd beschreven door de Allerhoogste Persoonlijkheid. (65) Een man van scholing die het bestudeert bereikt geestelijk inzicht, een koning bereikt het overwicht ermee, een zakenman de heerlijkheid der schatten en een werknemer ontdoet zich ermee van alles wat hem ten valt brengt. (66) Omdat in Kali-yuga Hari, de Heer van een Ieder en de Vernietiger van de Besmetting, niet [werkelijk of in die mate] op een andere plaats dan hier wordt beschreven, wordt, om ter compensatie voldoende gewicht in de schaal te leggen, Bhagavân die Zich expandeert in talloze gedaanten in ieder vers beschreven in de vorm van de verhalen zoals ze zijn verteld. (67) Ik buig mij voor Hem het Ongeboren, Onbegrensde, Ware Zelf door wiens energieën er de schepping, handhaving en vernietiging van het universum is, voor Hem de Onfeilbare Heer die niet te doorgronden is in Zijn heerlijkheid voor [zelfs] de meesters van de hemel die onder leiding staan van de ongeziene [Aja of Brahmâ], de machtige [S'akra of Indra], en de goedgunstige [S'ankara of S'iva]. (68) Mijn eerbetuigingen voor de Eeuwige Heer, de beste van Al de Goden, voor de Fortuinlijke wiens Manifestatie Zuiver Bewustzijn is en die middels Zijn negen machten [s'akti's of vermogens] voorzag in Zijn eigen Zelf als de veilige haven voor de zich bewegende en niet-bewegende levende wezens.

(69) Ik verbuig me voor hem, de zoon van Vyâsa die al het ongunstige verslaat en die, aangetrokken in zijn hart door de wederwaardigheden van Zijn handelingen, teneinde de Onoverwinnelijke te behagen, met het ontkennen van ieder ander type van bewustzijn zo intelligent was zijn solitaire geluk op te geven en genadevol de [Bhâgavata] Purâna, het licht van de werkelijkheid, te openbaren."

 

Hoofdstuk 13

De Heerlijkheden van het S'rîmad Bhâgavatam

(1) Sûta zei: "De Godheid die met bovenzinnelijke gebeden wordt geprezen door Brahmâ, Indra, Rudra en de kinderen van de hemel [Maruts]; de Godheid waar de Sâma Veda zangers met arrangementen van mantra's uit de Veda's, hun leden [de anga's], en de Upanishads over zingen; de Godheid waar de yogi's, Hem in hun geest ziend, zich in de meditatieve positie op concentreren; Hij wiens einde niet bekend is aan welke verlichte of onverlichte ziel ook - Hem biedt ik mijn eerbetuigingen. (2) Door de schurende randen van de stenen van de berg Mandara die allerzwaarst op Zijn rug roteerde werd de Hoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van een schildpad [Kûrma] slaperig. Mogen jullie allen beschermd worden door de winden die de sporen vormen die door het ademen van de Heer werden achtergelaten en de immer actieve getijden van de eb en vloed van het water dat tot op de dag van vandaag dat voorbeeld van in- en uitademen volgt. (3) Luistert alstublieft naar een opsomming van het aantal [verzen van de Purâna], wat de behandelde onderwerpen beogen, hoe het boek iemand cadeau moet worden gedaan en wat de glorie van een dergelijk schenken is, alsmede wat de zegen is van het voorlezen, reciteren en dergelijke van deze tekst.

(4.9) De Brahmâ Purâna telt tienduizend verzen, de Padma Purâna telt er vijfenvijftigduizend, de S'rî Vishnu Purâna drieëntwintigduizend en de S'iva Purâna vierentwintigduizend. Het S'rîmad Bhâgavatam heeft er achttienduizend, de Nârada Purâna vijfentwintigduizend, de Mârkandeya Purâna negenduizend en de Agni Purâna vijftienduizend-vierhonderd. De Bhavishya Purâna heeft veertienduizend-vijfhonderd verzen, de Brahma-vaivarta Purâna achttienduizend en de Linga Purâna elfduizend. De Varâha Purâna telt vierentwintigduizend verzen, de Skanda Purâna eenentachtigduizend-eenhonderd verzen en de Vâmana Purâna wordt beschreven in tienduizend verzen. Van de Kûrma Purâna zegt men dat het er zeventienduizend zijn, de Matsya Purâna heeft er veertienduizend, verder zijn er de Garuda Purâna met negentienduizend verzen en de Brahmânda Purâna met twaalfduizend. In totaal staan er in de Purâna's op deze manier zo'n vierhonderdduizend verzen geschreven [*]. Achttienduizend, zoals gezegd, behoren er tot het Bhâgavatam [zie verder onder Purâna].

(10) Dit [relaas van wijsheid] werd door de Allerhoogste Persoonlijkheid van God [Narâyâna, zie 3.8-10] genadig allereerst ten volle geopenbaard aan Brahmâ die beducht voor een materieel bestaan neerzat op de lotus die groeide uit Zijn navel [zie ook 1.1: 1]. (11-12) Van het begin tot het einde vol van verslagen over de onthechting brengt het de geheiligden en goddelijken in verrukking met de nectar van zijn vele vertellingen over de Heer Zijn spel en vermaak. Overeenkomstig de essentie van alle vedânta-filosofie heeft het de Ene Werkelijkheid, die Zijns Gelijke Niet Kent en die men omschrijft als de Absolute Waarheid [brahma, het onpersoonlijke] die niet verschilt van de Ene Ziel [âtma, het persoonlijke], als zijn belangrijkste onderwerp en de zaligheid [van emancipatie in toegewijde dienst ofwel kaivalya] als het ene uiteindelijke doel [**]. (13) Hij die het Bhâgavatam in zijn volle glorie ['op een gouden troon'] als geschenk cadeau doet op de dag van de volle maan in de maand Bhâdra [augustus/september] bereikt de hoogste bestemming. (14) Andere klassieke verzamelingen van verhalen [andere bijbels, Purâna's, of heilige geschriften] staan in de bijeenkomst van de vromen alleen maar op de voorgrond voor zolang men niet luistert naar de grote oceaan van nectar die het Bhâgavatam is. (15) Van het S'rîmad Bhâgavatam wordt inderdaad gezegd dat die de essentie is van alle vedânta filosofie; iemand die bevredigd is door de nectargelijke smaak ervan voelt zich nimmer aangetrokken door andere invloeden. (16) Van alle Purâna's komt deze overeen met wat de Ganges betekent in verhouding tot alle rivieren die naar de zee stromen, wat Acyuta is in verhouding tot al de godheden en wat S'ambhu [S'iva] is in verhouding tot alle toegewijden. (17) Op dezelfde manier als Kâs'î [Benares] onovertroffen is onder al de heilige plaatsen, kent het S'rîmad Bhâgavatam zijns gelijke niet onder de Purâna's, o tweemaal geborenen. (18) Het S'rîmad Bhâgavatam is de onberispelijke Purâna die onder de Vaishnava's het meest geliefd is en waarin de volmaakt zuivere en allerhoogste spirituele, geestelijke kennis wordt bezongen van niemand minder dan de allerbeste toegewijden; daarin wordt, tezamen met de kennis, de onthechting en de toewijding, de vrijheid van alle vruchtdragende arbeid geopenbaard welke die persoon zal verlossen die het meent met zijn overtuiging door met toewijding zoals het hoort te luisteren, te studeren en de mantra's te doen.

(19) Ik mediteer op het onvergelijkelijke licht van de toorts van de Onvergankelijke Waarheid die Vrij is van Zorgen en lang geleden geopenbaard werd aan de godheid ['Ka' ofwel Brahmâ], die deze transcendentale kennis zuiver en onbesmet overdroeg aan Nârada, de grote wijze die haar in de gedaante van zijn persoon doorgaf aan Krishna Dvaipâyana Vyâsa, die haar toen uiteenzette voor de koning van de yogi's [S'ukadeva] die uit mededogen toen [Parîkchit] de genade van de Fortuinlijke ervan op de hoogte stelde. (20) Eerbetuigingen voor Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, Heer Vâsudeva, de Opperste Getuige die dit genadevol overdroeg aan de godheid die verlangde naar bevrijding. (21) Eerbetuigingen voor hem, de koning van de yogi's, S'ukadeva Gosvâmî, de persoonlijke manifestatie van de Absolute Waarheid die de verlossing bracht voor [Parîkchit] de genade van Vishnu die werd gebeten door de slang van het materieel bestaan. (22) O Heer, U bent onze Meester, de Heer der Goddelijkheid, zorg er daarom alstUblieft voor dat wij leven na leven aan Uw voeten de bhakti mogen vinden. (23) Ik biedt Hem, de Allerhoogste Heer mijn eerbetuigingen, in wiens gezamelijke zingen van de heilige naam een einde komt aan alle zonden en bij wie voor Hem buigend aan alle ellende een einde komt."

 

Aldus eindigt het twaalfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Het Tijdperk van Verval. 

Met dit laatste Canto eindigt het Verhaal van de Fortuinlijke, de Bhâgavata Purâna, ook wel bekend als het S'rîmad Bhâgavatam en de Paramahamsa Samhitâ. Alle eer aan de Brahmâ-Mâdhva-Gaudiyâ Sampradâya paramparâ van de voorgaande vaishnava âcârya's met Heer Gauranga, S'rî Krishna Caitanya Mahâprabhu voorop, die door hun commentaren, vertalingen, bhajans en lezingen deze presentatie mogelijk maakten en het volle van de vaishnava cultuur hebben overgebracht naar de nederige dienaar van Krishna, Anand Aadhar Prabhu, die in waarheid nimmer klaar is met zijn werk.

 

Voetnoten:

* Vervolgens, zo bevestigt de Matsya Purâna, komen er bij de Purâna ook nog eens de honderdduizend verzen gevonden in de Itihâsa (het afzonderlijke verhaal) van Vyâsa's Mahâbhârata en een vijfentwintigduizend van de Itihâsa van Vâlmîki's Ramâyana. Aldus bedraagt het totale aantal verzen van de volledige verzameling van klassieke verhalen vijfhonderdvijfentwintigduizend [de kleinere Upa-purâna's niet meegerekend].

** Dit herinnert aan het thema van Krishna als de Tijd, Kâla, en Krishna als de persoon, de Opperziel, de Oorspronkelijke Persoon. De wereld lijkt verdeeld te zijn in impersonalistische wetenschap, filosofie en regeren enerzijds en personalistische religie van onthechting en persoonlijk sentiment in burgerlijke gehechtheid nanderzijds. Maar met het respecteren van de Tijd zoals het hoort vinden van de persoon en met het respecteren van de persoon zoals het hoort vinden van de Tijd is het probleem opgelost wetende dat de eenheid van het persoonlijke en het onpersoonlijke onze gelijkgezinde vriend en begeleidende vader in het voorbije Heer Krishna is die er als het laatste woord aan toe voegt: (in B.G. 18: 6) 'Maar met al deze handelingen moet zonder twijfel, ze verrichtend uit plichtsbesef, de associatie met hun resultaten worden opgegeven; dat, o zoon van Prithâ, is Mijn laatste en beste woord erover.' Aldus zijn we, vrij van nevenmotieven - zoals dit boek werd geschreven in dankbaarheid voor een sociale uitkering -, van emancipatie in toegewijde dienst.

 

 

 

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  

© 2008 bhagavata.org

Downloaden en uitprinten alleen voor niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming: stuur een email.

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http: //bhagavata.org/index.ned.html

Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer