Canto 10: deel I:
Het Hoogste Goed
Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding
Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot
Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna
Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa
Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva
Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ
Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum
Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond
Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast
Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera
Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen
Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura
Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren
Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna
Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier
Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya
Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand
Hoofdstuk 18 Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba
Hoofdstuk 19 Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand
Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana
Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit
Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's
Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend
De Komst van Heer Krishna: Inleiding
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven als ook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*]. (2) Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's. (3) Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie. (4) Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2: 44]. (5-7) Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door As'vatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens. (8) Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî? (9) Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten? (10) Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!? (11) Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester? (12) O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt. (13) Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last nu ik drink van de nectar van de verhandelingen over de Heer die komt uit uw lotusmond.'
(14) Sûta [zie: 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de zuiverste van alle toegewijden, bewees, na deze vragen te hebben aangehoord, hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8]. (15) S'rî S'uka zei: 'Met uw intelligentie hebt u de juiste overtuiging ontwikkeld, o beste van de wijze koningen, want als gevolg daarvan heeft zich in uw hart een duurzame toewijding voor de verhalen over Vâsudeva ontwikkeld [Krishna dus als de zoon van Vasudeva]. (16) Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17: 1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vragensteller en de toehoorder gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva. (17) Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken. (18) De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor. (19) Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 41]. (20) Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de [Purusha-sûkta]hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen.
(21) De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten daarmee aangegeven. (22) Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zich verbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend zolang op aarde verblijven als Hij, de Heer der Heerscharen, nodig vindt om middels Zijn eigen hoogmogende Tijd de last van de planeet terug te dringen. (23) In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen. (24) Het deel van Vâsudeva voorheen bekend staand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden. (25) De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].'
(26) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug. (27) S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot. (28) Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ]. (29) Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren. (30) Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden temidden van duizenden gouden wagens. (31-32) Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen. (33) O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen. (34) Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels hield: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!'
(35) Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand gericht tegen zijn zuster en greep hij haar bij haar haar met de bedoeling haar te doden. (36) Om hem die bereid was zo een gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem. (37) S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]? (38) Tezamen met het lichaam dat geboren wordt is er de dood voor allen die ter wereld kwamen, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28]. (39) Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft. (40) Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been verandert naar het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13]. (41) Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen, willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat dan zou het zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]? (42) De geest voortgedreven door God of door de eigen wil begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood, overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35]. (43) Zoals het inderdaad is met hemellichten gezien in water of andere vloeistoffen die reflecterend door de voortdrijvende wind vertekeningen geven in verschillende vormen, raakt op dezelfde manier, het levend wezen in de situatie geschapen door zijn eigen inbeelding naar de geaardheden, verbijsterd al naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5]. (44) Doe daarom niemand kwaad, een persoon die kwaad is op iemand moet met dit gezegd, als hij zijn eigenbelang wil behartigen, handelen in vrees voor [de belangen van] anderen. (45) Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!'
(46) S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de râkshasa's]. (47) Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon afhouden en zo kwam hij uit op die andere manier. (48) Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder kontrole heeft, de dood worden vermeden, maar er schuilt geen kwaad in als dat voor de belichaamde niet meer mogelijk is. (49-50) En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood zou ik mijn onschuldige Devakî kunnen ontzetten, of deze heer Dood nu weer opnieuw zijn geboorte zou moeten nemen of niet zou sterven; zo niet dan kan het tegenovergestelde zich voordoen, maar men kan moeilijk vooraf uitmaken hoe het lot zich zal keren [zou hij niet door mijn eigen zoon ter dood worden gebracht?]. Deze situatie kan zich weer voordoen in de toekomst, maar met zoals het er nu voorstaat kan ik haar leven redden. (51) Vuur in een stuk hout kan zich daarin ophouden of aanleiding geven tot een grote brand, dat is de voorzienigheid, er is geen andere reden voor zijn oorzaak; op dezelfde manier kan men gewis niet uitmaken wat er de oorzaak van zou zijn dat men zich in een lichaam bevindt of dat men er uit zou moeten. (52) Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respect, het in lof aan hem voorleggend. (53) Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig sprak hij met een geest vol van angst en verdriet. (54) S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.'
(55) S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om het leven te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva gelukkig was thuis te komen. (56) Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter. (57) Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, over aan Kamsa. (58) Wat zou er voor geheiligden te pijnlijk zijn, wat is afhankelijkheid voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealiseerden moeilijk te verzaken zijn? (59) O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht: (60) 'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap die jij met je vrouw hebt dat mijn dood was voorspeld.'
(61) 'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terug nemend en vertrok toen, zonder veel waarde te hechten aan de woorden van hem die karakterloos was en zichzelf niet in de hand had. (62-63) Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de Yadu-vrouwen, beiden in waarheid daadwerkelijk goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en zo was dat zelfs ook met de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42]. (64) Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de Daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56]. (65-66) Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***]. (67) Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht. (68) Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote Asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie. (69) Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had.
Voetnoten :
*: Om in herinnering te brengen wat in vorige hoofdstukken is gezegd: Heer Râma verscheen in de sûrya-vams'a van Iksvâku ofwel de zonnedynastie en Heer Krishna verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.
**: Een bijkomend vers in dit hoofdstuk van het S'rîmad Bhâgavatam wordt door de Madhvâcârya-sampradâya, vertegenwoordigd door Vijayadhvaja Tîrtha aanvaard. Het vers luidt als volgt:
atha kamsam upâgamya
nârado brahma-nandanah
ekântam upasangamya
vâkyam etad uvâca ha
Woord-voor-woord:
atha: op deze manier; kamsam: jegens Kamsa; upâgamya: na te
gaan; nâradah: de grote wijze Nârada; brahma-nandanah:
die de zoon is van Brahmâ; ekântam upasangamya: nadat hij
naar een zeer afgelegen plek ging; vâkyam: de volgende
instructie; etat: deze; uvâca: zei; ha: in het verleden.
Vertaling:
"Daarna benaderde Nârada, de geestelijke zoon van Heer
Brahmâ, Kamsa en stelde hij hem, op een zeer afgelegen plaats,
op de hoogte van het volgende nieuws."
***: Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Voorheen had een asura genaamd Kâlanemi zes zoons, genaamd Hamsa, Suvikrama, Krâtha, Damana, Ripurmardana en Krodhahantâ. Ze stonden bekend als de Shad-garbha's, of zes Garbha's, en zij waren allen even machtig en bedreven in militaire aangelegenheden. Deze Shad-garbha's gaven de omgang op met Hiranyakas'ipu, hun grootvader, en ondergingen zware boetedoeningen om Heer Brahmâ tevreden te stemmen, die, toen dat naar zijn genoegen was, instemde hen welke gunst ze ook maar verlangden te verlenen. Toen hen door Heer Brahmâ werd gevraagd te zeggen wat ze wilden, gaven de Shad-garbha's ten antwoord: "Beste Heer Brahmâ, als u ons een gunst wilt verlenen, schenk ons dan de zegen dat we niet zullen worden gedood door welke halfgod, Mahâ-roga, Yaksha, Gandharva-pati, Siddha, Cârana of menselijk wezen dan ook, noch door grote wijzen die volmaakt zijn in hun boetedoeningen en verzakingen." Brahmâ begreep waar ze op uitwaren en vervulde hun wens. Maar toen Hiranyakas'ipu achter deze gang van zaken kwam, was hij zeer kwaad op zijn kleinzoons. "Jullie hebben de omgang met mij opgegeven en zijn vertrokken om Heer Brahmâ te aanbidden" zei hij, "en daarom koester ik geen enkele genegenheid meer voor jullie. Jullie hebben geprobeerd jezelf te redden uit handen van de halfgoden, maar ik vervloek jullie op deze manier: Jullie vader zal geboorte nemen als Kamsa en jullie allen ter dood brengen omdat jullie geboorte zullen nemen als de zoons van Devakî." Vanwege die vloek, moesten de kleinzoons van Hiranyakas'ipu geboorte nemen uit de schoot van Devakî en door Kamsa worden omgebracht, hoewel hij voordien hun vader was geweest. Deze beschrijving staat vermeld in de Hari-vams´a, Vishnu-parva, tweede Hoofdstuk. Overeenkomstig de commentaren van de Vaishnava-toshanî, was de zoon van Devakî bekend als Kîrtimân de derde incarnatie. In zijn eerste incarnatie stond hij bekend als Smara en was hij de zoon van Marîci, en later werd hij de zoon van Kâlanemi. Zo staat het vermeld in de geschiedenissen.'
De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot
(1-2) S'rî S'uka zei: 'Onder de hoede van de machtige koning van Maghada, Jarâsandha [zie 9.22:8], was er met de medewerking van Pralamba, Baka, Cânûra, Trinâvarta, Aghâsura, Mushthika, Arishtha, Dvivida, Pûtanâ, Kes'î, Dhenuka, [Narakâsura] en dergelijken en asura koningen als Bâna, Bhaumâsura en meer van dat soort, een systematische vervolging van de koningen van Yadu. (3) Zij, geplaagd, zochten hun toevlucht in de landen van de Kuru's en de Pañcâla's, de Kekaya's, de S'âlva's, de Vidharba's, de Nishada's, de Videha's en de Kos'ala's. (4-5) Sommigen van hun verwanten echter begonnen dezelfde politiek te volgen die hij, de zoon van Ugrasena [Kamsa], erop nahield met zijn vermoorden van zes van de kinderen die werden geboren uit Devakî. De zevende, een volkomen expansie van Vishnu die werd geëerd met de naam Ananta, was [zodoende] als een vrucht in de schoot van Devakî een bron van zowel vreugde als smart. (6) De Allerhoogste Heer die ook de Superziel is van ieder levend wezen [zie ook B.G. 10: 11], gaf, met begrip voor de angst voor Kamsa van de Yadu's die Hem zochten als hun Hoogste Toevlucht, Zijn spiritueel vermogen [Yogamâyâ] als volgt opdracht. (7) 'O Devî, zo goedgunstig, ga naar Vraja zo prachtig met haar koeherders en koeien, waar Rohinî en andere vrouwen van Vasudeva, in afzondering uit angst voor Kamsa leven in de koeherders-gemeenschap [Gokula] van Nanda. (8) In de schoot van Devakî bevindt zich de vrucht bekend als [Ananta-] S'esha die een volkomen expansie van Mij is; zorg voor een probleemloze overdracht door Hem er toe te bewegen vanuit haar over te gaan in de schoot van Rohinî [*]. (9) Dan zal Ik met Mijn volle vermogen Mijn bijdrage leveren door Devakî's zoon te worden, o heil voor allen, terwijl jij ook zal verschijnen als de dochter van Yas'odâ, de vrouw van Nanda. (10) De mensen [de s'âkta's in tegenstelling tot de vaishnava's] zullen je in verschillende vormen van offeren met wierook aanbidden als de vervulling van al hun wensen, daar jij, voor alles waar het hart naar uitziet, degene bent die in staat is de zegeningen te verlenen. (11-12) Afhankelijk van de plaats op aarde [**] zal je verschillende namen krijgen zoals Durgâ, Bhadrakâli, Vijaya, Vaishnavî en Kumudâ, Candikâ, Krishnâ, Mâdhavî, Kanyakâ [of Kanyâ-kumâri], en Mâyâ, Nârâyanî, Îs'ânî, S'âradâ en ook Ambikâ [***]. (13) Vanwege het wisselen van schoot zullen de mensen in de wereld Hem [de zoon van Rohinî] inderdaad aanspreken met de naam Sankarshana, vanwege het feit dat hij de mensen genoegen verschaft [toegewijden van ze maakt] wordt Hij [Bala-]Râma genoemd en vanwege Zijn grote fysieke kracht wordt Hij Balabhadra genoemd.'
(14) Aldus geïnstrueerd door de Allerhoogste Heer reageerde ze met 'Zo zij het' en 'Om', aldus Zijn opdracht aannemend en na om Hem heen te zijn gelopen daalde ze rechtstreeks neer om precies zoals was opgedragen te werk te gaan [vergelijk B.G. 16: 24]. (15) Toen Devakî's vrucht door de sluimering der yoga [ofwel Yogamâyâ, zie B.G. 2: 69] werd overgedragen naar Rohinî jammerde iedereen 'Helaas, de baby is verloren' [denkende dat het een miskraam was]. (16) De Allerhoogste Heer, de ene ware liefde voor iedereen die altijd een einde maakt aan de angst van Zijn toegewijden, ging toen met al wat Zijn genade vermag de geest van Vasudeva binnen [zie ook 3.2:15]. (17) Hij, met het met zich meedragen van de geestelijke gloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, straalde als de zon en was voor een ieder beslist moeilijk in het gelaat te zien of te benaderen. (18) Daarna werd Hij, de Zegen van Heel het Universum Onfeilbaar in al Zijn Delen, van geest tot geest in Zijn geheel overgedragen door de zoon van S'ûrasena [Vasudeva] zodat de Allerhoogste Ziel en Oorzaak Aller Oorzaken werd gedragen door zijn devî [Devakî] die van puur geluk bloeide als de oostelijke hemel ['met het overdragen van het licht van de ondergaande zon naar een rijzende maan']. (19) Die Devakî met in haar schoot de Instandhouder van Alle Universa, kon, als de vlammen van een vuur opgesloten in het Bhoja-huis, haar licht niet laten schijnen precies zoals dat is met de kennis van een persoon die niet in staat is zich uit te drukken [*4]. (20) Kamsa toen hij haar zag, die met de schoonheid van de uitstraling van het in zich dragen van de Onoverwinnelijke heel de levenssfeer deed opklaren met haar schitterende glimlachen, zei tot zichzelf: 'Degene die nu de schoot van Devakî is binnengegaan moet wel haast de Heer zijn die me ter dood zal brengen; ze heeft er nog nooit eerder zo uitgezien! (21) Hoe moet ik, ervan uitgaande dat het Heilige Voorbeeld Zijn aanspraken niet op zal geven, nu verder als ik mijn eigenbelang niet wil verwaarlozen? Het vermoorden van een vrouw, van mijn zuster, juist nu ze zwanger is, zal voor altijd mijn naam, faam en weelde vernietigen en mijn levensduur bekorten. (22) Die persoon die zijn leven doorbrengt met veel wreedheid is al gestorven terwijl hij nog leeft; als de tijd voor het lichaam erop zit zullen alle mensen hem verdoemen en zal hij met zijn lichamelijke begrip voor het leven [zie ook 7.5: 30 en 5.5: 5 en B.G. 16: 18-21] zonder twijfel in de diepste duisternis belanden [Andhatama, zie ook 3.20: 18 en 5.26: 9].'
(23) Met aldus het gruwelijke idee van moord in zijn gedachten, zag hij er, zichzelf in bedwang houdend, van af op die manier te werk te gaan. Volhardend in vijandigheid wachtte hij het moment af dat de Heer Zijn geboorte zou nemen. (24) Of hij nu zat of neerlag, waar hij ook was, at, liep of naartoe ging, dacht hij [in haat dus] aan Hrisîkes'a, de Heer der Zinnen, met het idee dat Hij de hele wereld was en niets anders. (25) Maar Heer Brahmâ en Heer S'iva die daar aankwamen met de wijzen, Nârada en andere goddelijke persoonlijkheden en hun gevolg behaagden allen tezamen Hem, die van Allen de Zegen is, met hun bovenzinnelijke gebeden: (26) 'De waarheid van de gelofte [zie 9.24:56 en B.G. 9.22], de waarheid van het Allerhoogste, de waarheid in het drievoudige [van b.v. verleden, heden en toekomst] bent U; U bent de bron van alle waarheid die alle waarheden doordringt en die van de waarheid van de elementen en van al [het relatieve] dat voor waar wordt gehouden de oorspronkelijke waarheid bent; van iedere heilige waarheid de oorsprong is alles waar wat betrekking heeft op U, die wij onze volledige overgave bieden. (27) Eén in afhankelijkheid [van de materie], twee in het vruchtdragende [geluk/ongeluk], drie in zijn wortels [de geaardheden] vier in smaken [de purushârtha's], vijf in het kennen [de zinnen], zes in omstandigheden [van weeklagen, illusie, ouderdom, dood, honger en dorst], zeven in lagen ['de bast' of de kosha's], acht in zijn takken [de elementen, de geest, de intelligentie en het ego], met negen lichaamsopeningen, met het tienvoudige in zijn dek ['de bladeren' of de tien luchten, zie 7.15: 42] en met twee vogels [de ziel en de Superziel] er in, is inderdaad dat lichaam [individueel als ook in zijn volledigheid] de oorspronkelijke boom. (28) U als de Ene Ware bent van dit zichtbare universum voorwaar de Eigenlijke Bron. Aan U is het behoud met de vernietiging; degenen wiens intelligentie is overdekt door Uw mâyâ zien U niet in de veelvoud - niet zij zien die het ontbreekt aan spiritueel onderricht. (29) Met het aannemen van allerlei soorten van gedaanten blijft U niettemin de intelligentie boven hen verheven als U voor het heil van ieder levend wezen overal, bewegend of niet bewegend, als het transcendentaal geluk keer op keer al het ongunstige, niet-toegewijde vernietigt dat de waarachtigen in de weg staat. (30) Ten volle opgaand in een niet aflatende meditatie op U als de thuishaven van het volledige van het bewustzijn, o Lotusogige, klimt men, door die éénpuntigheid zoals beoefend door de grootsten, aan boord van die boot van Uw lotusvoeten die de grote oceaan van onwetendheid terugbrengt tot de hoefafdruk van een kalf [vergelijk 10.1: 5-7]. (31) Zelf de weerspannige oceaan der duisternis overstekend die zo moeilijk te boven te komen is, o Licht van de Wereld, laten zij die meer dan genoeg liefde hebben voor de gevallen zielen [de gevorderde toegewijden] de boot van Uw lotusvoeten achter zich in deze wereld met het afgaan op het uiteindelijke van U, die altijd zo aardig bent voor de volgelingen [zie ook B.G. 6: 44]. (32) Alle anderen, o Lotusogige, die, in de illusie bevrijd te zijn er met een onzuivere intelligentie op los speculeren - ook al zijn ze succesvol in ernstige boetepraktijken -, vallen in minachting voor Uw voeten neer uit de hoogste positie weer terug in de materiële wereld [zie ook B.G. 8: 15-16 en 5.6: 11]. (33) In tegenstelling tot de niet-toegewijden vallen zij, de volgelingen van toewijding o Mâdhava, niet weg van het pad omdat zij, tot U, ten volle zijn aangetrokken zodat door U beschermd zij zich zonder angst over de hoofden bewegen, o Meester, van hen die tegen hen in het geweer treden [zie ook 1.5: 17 en B.G. 18: 78]. (34) Voor het doel van Uw handhaven neemt Uwe Heerlijkheid Bestaand Voorbij de Geaardheden een gedaante aan voor het welzijn en het voordeel van al de belichaamden die, als mensenkinderen verenigd te werk gaand volgens de Veda, in verzaking en volledige verzonkenheid in Uw eerbetoon U hun offers bereiden [zie ook B.G. 3: 9 & 18: 3]. (35) Als het zuivere van het bestaan, o Bron van de Wereld, niet dit constante van U zou zijn, hoe zou dan de wijsheid tot stand zijn gekomen die het onbenul verdrijft; de onwetendheid wordt volledig weggevaagd op het ontwaken van die kwaliteit van U die Uwe heerlijkheid ten toon spreidt en waarvoor er geen alternatief bestaat. (36) Van Uw naam en gedaante kan men zich niet verzekeren met de woorden en stellingen van hen die zich [enkel] op de geest beraden, o Heer, zij inderdaad worden nog altijd gerealiseerd in hun aktie [zie ook 1.3: 37-38, 4.18: 5 7.15: 58 en B.G: 6: 24 & 18: 55]. (37) Voortdurend over Uw goedgunstige namen en gedaanten vernemend, er over reciterend, ze herinnerend en ze becontemplerend [zie 7.5: 23-24] is hij die van een onverdeelde aandacht in aktie aan Uw lotusvoeten is, niet in staat zich iets in te beelden [zich een werkelijkheid los staande van U voor te stellen, zie ook 6.17: 28-31]. (38) Het is ons grote geluk alhier, o Heer, om met deze aarde als de plaats van de voeten Uwer Heerlijkheid de [asura-]last weggenomen te zien; dankzij de grondeloze genade van de verschijning van U als de Beheerser zullen wij zo gelukkig zijn in de hemel zowel als op de aarde getuige te zijn van de kentekenen van Uw [met de schelphoorn, de lotus, de knots en de schijf] bovenzinnelijk toegeruste lotusvoeten. (39) Voor U die onze levens stuurt is er geen geboorte of dood, echter, het staat buiten kijf dat de zaak van het verschijnen niet zonder het genoegen van Uw spel en vermaak kan zijn; de geboorte, dood en handhaving van de normale zielen wordt door de uitwendige energie zo beschikt vanwege U, onze Vluchthaven tegen Iedere Angst. (40) Als een vis, als een paard, als een schildpad, als een leeuw, als een zwijn, als een zwaan [of zelfgerealiseerde wijze], als een koning en als een geleerd man onder de godvruchtigen [zoals Heer Vâmana] is Uwe heerlijkheid ten tonele verschenen als avatâra's; redt ons en de drie werelden nu alstUblieft, o Beheerser, neem de last van de wereld weg, o Beste der Yadu's, al onze gebeden dragen we aan U op [zie ook 1.3]. (41) [en tot Devakî:] Tot ons geluk, o moeder kan de Allerhoogste Persoonlijkheid met al Zijn energieën nu worden waargenomen in uw schoot; maakt u zich dus, gezien de Opperheer Zijn welwillendheid jegens een ieder, nimmer zorgen over de Bhoja-meester [Kamsa] die erop gefixeerd is door Hem, de beschermer van de Yadu-dynastie die Uw zoon zal worden, te worden gedood.'
(42) S'rî S'uka zei: 'Na op deze manier gebeden te hebben gebracht voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid wiens gedaante bovenzinnelijk is [ofwel Vishnu], keerden al de halfgoden met Brahmâ en S'iva voorop naar hun verblijfplaatsen terug.'
Voetnoten:
*: Svâmi Prabhupâda geeft als commentaar: 'Symbolisch, zuiverde moeder Devakî's voortdurende angst voor Kamsa haar. Een zuivere toegewijde behoort altijd de materiële omgang te vrezen, en op die manier zullen al de Asura's van materiële associatie worden gedood, zoals de Shad-garbhâsura's werden gedood door Kamsa. Het wordt gezegd dat door de geest, Marîci verschijnt. Met andere woorden, Marîci is een incarnatie van de geest. Marîci heeft zes zonen: Kâma, Krodha, Lobha, Moha, Mada en Mâtsarya (lust, woede, hebzucht, illusie, waanzin en afgunst). De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschijnt in zuivere toegewijde dienst. Dit wordt bevestigd in de Veda's : 'bhaktir evainam dars'ayati'. Alleen bhakti kan iemand in kontakt brengen met de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verscheen uit de schoot van Devakî, en daar representeert Devakî symbolisch de bhakti, en Kamsa representeert symbolisch de materiële angst. Als een zuivere toegewijde altijd materiële omgang vreest, manifesteert zich zijn werkelijke positie van bhakti, en verliest hij op een natuurlijke manier zijn interesse voor materiële genoegens. Als de zes zonen van Marîci door een dergelijke angst de dood vinden en men bevrijd is van materiële besmetting, zal in de schoot van de bhakti de Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschijnen. Aldus houdt de zevende zwangerschap van Devakî de verschijning in van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. Nadat de zes zoons van Kâma, Krodha, Lobha, Moha, Mada en Mâtsarya zijn gedood, schept de S'esha incarnatie een situatie geschikt voor het verschijnen van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. Met andere woorden, als men zijn natuurlijke Krishna-bewustzijn opwekt, verschijnt Heer Krishna. Dit is de verklaring gegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura.'
**: De namen waarmee Mâyâdevî bekend staat op verschillende plaatsen zijn als volgt opgesomd door Vallabhâcârya. In Vârânasî staat ze bekend als Durgâ, in Avantî kent men haar als Bhadrakâlî, in Orissa is ze bekend als Vijayâ, en in Kulahâpura kent men haar als Vaishnavî of Mahâlakshmî. (De vertegenwoordigers van Mahâlakshmî en Ambikâ bevinden zich in Bombay.) In het land bekend als Kâmarûpa kent men haar als Candikâ, in Noord-India als S'âradâ, en in Kaap Comorin als Kanyakâ. Aldus is ze verdeeld naar de verschillende namen en plaatsen.
*** S'rîla Vijayadhvaja Tîrthapâda, heeft in zijn Pada-ratnâvalî-tîkâ, de betekenis uiteengezet van de verschillende representaties. Mâyâ staat bekend als Durgâ omdat ze met moeite wordt benaderd, als Bhadrâ omdat ze goedgunstig is, en als Kâlî omdat ze diepblauw is. Omdat ze de meest machtige energie is, staat ze bekend als Vijayâ; Omdat ze een van de verschillende energieën van Vishnu is, staat ze bekend als Vaishnavî; en omdat ze geniet in deze wereld en gelegenheid bied voor materiële genoegens, staat ze bekend als Kumudâ. Omdat ze het zeer ernstig meent met haar vijanden, de Asura's, staat ze bekend als Candikâ, en omdat ze voorziet in allerhande materiële faciliteiten, wordt ze Krishnâ genoemd. Op deze manier is de materiële energie verschillend benoemd en geplaatst in verschillende plaatsen op het oppervlak van de aarde.
*4: S'rî Caitanya Mahâprabhu zei:
yâre
dekha, târe kaha 'Krishna'-upades'a
âmâra âjnâya guru hanâ târa' ei
des'a
"Instrueer iedereen te volgen naar de opdrachten van Heer S'rî Krishna zoals die worden gegeven in de Bhagavad-gîtâ en het S'rîmad-Bhâgavatam. Wordt op deze manier een geestelijk leraar en probeer een ieder in dit land te bevrijden." (Cc. Madhya 7.128)
De Geboorte van Heer Krishna
(1-5) S'rî S'uka zei: 'Toen was er daar het hoogste uur alles welgezind en meest geschikt met het teken Rohinî rijzend en al de sterren en planeten in een gunstige stand. Overal was er vrede, het gesternte twinkelde aan de hemel en de steden, dorpen, weidegronden en delfplaatsen waren op hun best. Met de rivieren kristalhelder, de meren prachtig met lotussen en groepjes vogels en zwermen bijen lieflijk hun lof zingend in de bloeiende wouden, waaide een briesje met een zachte streling geurig en stofvrij en brandden de vuren der tweemaal geborenen stabiel en onverstoord. De geesten der geheiligden, onderdrukt als ze waren geweest door de asura [Kamsa en zijn mannen], raakten helemaal verguld toen in die situatie de pauken gezamenlijk weerklonken met de op handen zijnde geboorte van de Ongeborene. (6) De allerbesten en de bewoners van de hemel zongen; de vervolmaakten en de halfgoden baden en de [vidyâdhara-]vrouwen van kennis dansten in grote vreugde tezamen met de dansmeisjes van God. (7-8) De wijzen en de goddelijken deden blij de fijnste bloemen neerregenen en de wolken rommelden zachtjes gelijk de golven van de oceaan toen in het holst van de nacht [om middernacht] Janârdana, de Begunstiger van de Hele Wereld, verscheen uit de [als een expansie van Krishna] goddelijke gedaante van Devakî; Heer Vishnu, Hij die verblijft in ieders hart had zich compleet in ieder opzicht gemanifesteerd, zoals de volle maan dat doet in het oosten. (9-10) Dat wonderbaarlijke kind was, schitterend met lotusgelijke ogen en vier armen die de verschillende wapens omhoog hielden, gesierd met het S'rîvatsa-teken, het schitterende Kaustubhajuweel om Zijn nek, Zijn gele kleding en een huidskleur mooi als die van regenwolken. Vasudeva zag Hem prachtig opgesierd sprankelen met een met Vaidûrya bezette helm en oorhangers bij weelderig loshangende haarlokken, een uitgelezen gordel om Zijn middel en arm- en polsbanden om Zijn armen. (11-12) Hij, Ânakadundubhi, die versteld stond toen hij de prachtige verschijning van de Heer als zijn zoon zag, droomde op dat moment overweldigd door grote blijdschap van het houden van een feestelijke plechtigheid ter gelegenheid van de nederdaling van Krishna waarbij hij een tienduizendtal koeien zou kunnen wegschenken aan de tweemaal geborenen.
(12) Begrijpend dat Hij de Oorspronkelijke Persoonlijkheid was, richtte hij, met onder Zijn invloed zijn angsten verdreven, met gevouwen handen ter aarde gevallen gebeden tot het kind, o zoon van Bharata, in staat van vervoering over Zijn schoonheid die de gehele plek waar Hij was geboren alom verlichtte. (13) Vasudeva zei: 'Ik ben me volledig van U bewust, mijn Heer, als rechtstreeks de Oorspronkelijke Persoon bovenzinnelijk aan de geaardheden der natuur, als het absolute begrip en de gelukzaligheid [sat-cit-ânanda] in zijn ware gedaante, de intelligentie die waakt over een ieder. (14) U voorzeker staat bekend als Hem die, na in den beginne door Zijn persoonlijk vermogen deze wereld geschapen te hebben bestaande uit de drie geaardheden [zie B.G 7: 4-6], toen inderdaad schijnt te zijn binnengegaan [als avatâra's] zonder werkelijk erin binnen gegaan te zijn [zie ook 7.12: 15 en B.G. 9: 11]. (15-17) Het is zoals men de elementen der materie kent die in hun niet-getransformeerde staat gevangen zijn in combinaties [van moleculen] die tezamen inderdaad het gehele universum uitmaken; na op hun samengaan te zijn geschapen doen ze zich voor alsof ze zijn binnengegaan, maar dat binnengaan kan niet waar zijn aangezien ze, in deze scheppingskwestie, er met U vanaf het begin reeds waren. Op deze manier bezien, uitgaande van de ware intelligentie en wat haar eigen is, o mijn Heer, wordt U, alhoewel gearriveerd met de zinsobjecten en de geaardheden der natuur, niet bepaald door de materiële kwaliteiten aangezien U zich [in feite] overal bevindt; er is niet zoiets als een binnen en een buitenkant aan [het volledige van] U omdat, met alles wat bij U hoort, U de bestaansgrond bent van alles en iedereen [zie ook B.G. 9.4-6]. (18) Een ieder die, zich bevindend in de positie van een waarneembaar voorwerp, het volhoudt te handelen alsof hij een apart bestaan voor zichzelf zou hebben los van het oorspronkelijke zelf of de ziel, is een dwaas; hij is een persoon die, van valse vereenzelviging, als dom wordt afgewezen daar hij verstoken is van de juiste analyse en het ontbreekt aan een volledig besef van 'dat' [of tat]. [zie ook B.G. 18: 16, B.G. 7: 4-5 en *] (19) O Almachtige Heer, de geboorte, het verblijven en eindigen van dit alles is, zo concluderen de geletterden, er vanwege U, die onverdorven bent, vrij van toeneigingen en vrij van de geaardheden; in U, de Beheerser, het Hoogste Brahman, is er geen tegenstrijdigheid in het beheerst zijn door de geaardheden die U overschouwt [zie B.G. 9: 10]. (20) U als zodanig, neemt voor de handhaving van de drie werelden middels Uw eigen vermogen, het witte aan [van de goedheid] zowel als de kleur die hoort bij het creatieve, het rood van het vol zijn van de hartstocht en de kleur van het duister in de onwetendheid over het uiteindelijke van de vernietiging. (21) U hier op deze planeet, o Machtige, bent nu als het Volledige van de Kontrole verschenen in mijn huis om de wildemannen te weren - en hun legers te vernietigen - die met miljoenen tegelijk over de gehele wereld onverlicht zich voordoen als koningen en staatslieden [zie ook B.G 4:8]. (22) Maar deze ene zo goddeloos [Kamsa] die, nadat hij vernam over Uw geboorte bij ons thuis, al de broers vermoordde vóór U, o Heer der Godvruchtigen zal, door zijn gezagvoerders op de hoogte gesteld van Uw verschijnen, nu voorzeker terstond de wapens ter hand nemen.'
(23) S'uka zei: 'Nadat ze hadden gezien dat die zoon van hun al de eigenschappen had van de Allerhoogste Persoonlijkheid, bracht Devakî, bang voor Kamsa maar ook zeer verrast, Hem haar gebeden. (24) S'rî Devakî zei: 'Als de vorm die God aanneemt wordt U somtijds als ongezien beschouwd, oorspronkelijk, het Brahman, het licht, de vrijheid boven de geaardheden, het onveranderlijke en de maat van alle goedheid; U bent die Ene onverdeeld, vrij van materiële motieven, die rechtstreeks die Heerlijkheid is, Vishnu, het licht van de Superziel [vergelijk: B.G. 14: 27]. (25) Als de kosmos op zijn einde loopt na miljoenen en miljoenen jaren en de primaire elementen opgaan in het subtiele en al het gemanifesteerde door de kracht van de Tijd in het ongemanifesteerde verandert, is Uwe Heerlijkheid, Hij met de Vele Namen, de enigste die overblijft. (26) Deze Tijd zo almachtig, waardoor, van de kleinste maat tot aan de maat van een jaar, deze gehele schepping werkt, wordt gezegd Zijn bewegen te zijn, de Autoriteit van het Ongemanifesteerde dat U bent, de veilige haven, de Allerhoogste Beheerser die ik mijn overgave bied. (27) De sterfelijken bevreesd voor het serpent van de dood vluchten naar overal maar kunnen de onbevreesdheid niet bereiken; maar met het geluk de lotusvoeten te verwerven slapen ze nu onverstoord en slaat de dood voor hen op de vlucht. (28) O Heerlijkheid, kan U, in Uw gedaante als degene die alle vrees van Uw dienaren verdrijft, ons beschermen tegen de verschrikkelijke zoon van Ugrasena waar we zo bang voor zijn en, alstUblieft, U als deze Oorspronkelijke Persoonlijkheid waar we in ons mediteren op gericht zijn, weest niet rechtstreeks zichtbaar voor hen die kijken met een materiële blik [vergelijk B.G. 11: 8]. (29) O Madhusûdana, vanwege Uw verschijnen ben ik in angst verzet benauwd voor Kamsa; moge Uw geboorte uit mijn schoot aan de aandacht ontsnappen van die grote zondaar. (30) Trek, o Alles-doorvarende Heer, die bovennatuurlijke vierarmige gedaante van U in zo rijk met de voorwerpen van de lotus, de schelphoorn, de schijf en de knots. (31) De ganse schepping met alles erin wordt door de transcendentale Oorspronkelijke Persoonlijkheid van Uwe Heerlijkheid met gemak geborgen en behouden binnen in Uw lichaam ten tijde van de vernietiging; het is werkelijk onmogelijk dat in deze menselijke wereld, o God, het zich zo voordeed dat deze gedaante mijn schoot is binnengegaan!'
(32) De Opperheer gaf ten antwoord: 'U raakte in een voorgaand tijdperk bekend als Pris'ni, o kuise dame, en hij [Vasudeva] was toentertijd een prajâpati bekend als Sutapâ, een onberispelijk vrome persoon. (33) Toen jullie beiden in die tijd er door Heer Brahmâ toe werden opgedragen nageslacht te verwekken, waren jullie vervolgens van zware boetedoeningen met het volledig onder kontrole houden van jullie zinnen. (34-35) De regen, de wind, de brandende zon en de strenge koude en hitte van de seizoenswisselingen verdragend, werd middels het beoefenen van de onthouding de geest vrijgemaakt; enkel gevallen blad en lucht etend werden jullie zuiver en vredig en volbrachten jullie sereen Mijn verering biddend om een gunst van Mij. (36) Met jullie zo van ernstige boete beoefenen van de moeilijkste verzakingen verstreken zo'n twaalfduizend hemelse jaren van eenvoudig aan Mij denken. (37-38) Door deze innerlijke vastbeslotenheid en constante, trouwe dienst en boetvaardigheid o zondelozen, verscheen Ik, uitgeroepen tot de gunstigste van alle wensvervullers, zeer tevreden over jullie tweeën toen in deze gedaante voor jullie bereid om aan jullie verlangens tegemoet te komen en werd, toen jullie er door Mij toe werden verzocht jullie geesten open te stellen voor een gunst, Ik gevraagd een zoon gelijk Ik nu ben te worden. (39) Als man en vrouw zonder een kind vroegen jullie, vanwege het zinnelijk leven om dit te bereiken zo sterk aangetrokken tot Mijn goddelijke energie, Mij nimmer om bevrijd te raken uit deze wereld [zie ook 4.9: 30-35]. (40) Na Mijn vertrek gingen jullie, na de zegening te hebben ontvangen, ertoe over sexueel te genieten en werd door jullie tweeën het verlangde resultaat bereikt van het hebben van een zoon als Ik. (41) Niemand anders in deze wereld aantreffend gelijk van karakter en kwaliteiten werd Ik jullie zoon en sta Ik aldus bekend als Pris'nigarbha. (42) Uit jullie tweeën verscheen Ik door Kas'yapa uit Aditi nogmaals en stond Ik, gevierd als Upendra, omdat Ik een dwerg was, ook wel bekend als Vâmana [zie 8.17-22]. (43) Neem voor waar aan, o kuise dame, dat Ik met jullie voor de derde keer inderdaad in deze zelfde verschijning [nu ten volle als Krishna], weer met de lichamen van jullie tweeën, Mijn geboorte heb genomen. (44) Deze [vierhandige] gedaante is jullie getoond terwille van de herinnering aan Mijn voorgaande verschijningen, anders zou het spiritueel begrip van Mijn identiteit zich niet voordoen met dit sterfelijke beeld. (45) Mij met liefde en zorg behandelend zullen jullie twee in het voortdurende bewustzijn van Mij als zijnde zowel jullie zoon als het Spiritueel Volkomene, beiden Mijn bovenzinnelijk verblijf bereiken.'
(46) S'rî S'uka zei: 'Na aldus te hebben gesproken hield de Persoonlijkheid van God, de Allerhoogste Heer zich stil terwijl Hij voor ogen van Zijn ouders de gedaante aannam van een gewoon mensenkind. (47) En daarna, toen de zoon van S'ûrasena zoals hem was gezegd door de Opperheer zorgzaam zijn zoon wegvoerde van zijn geboorteplaats, nam precies op het ogenblik dat hij Hem naar buiten wilde brengen Yogamâyâ [zie 10.2: 6-12], de ongeborene der transcendentie, haar geboorte uit de vrouw van Nanda. (48-49) Onder haar invloed hadden de wachters als ook de rest van de mensen, diep in slaap hun bewustzijn van al hun zinnen verloren en waren ook al de zwaar uitgevoerde deuren en poorten die waren vergrendeld met bouten en kettingen uit zichzelf wijd open gezwaaid zoals de duisternis wijkt voor de zon, toen Vasudeva die Krishna droeg naderde. De wolken bescheiden rommelend lieten de regen stromen, maar gevolgd door S'esha Nâga werd de regen tegengehouden door de uitgespreide kragen. (50) Vanwege Indra's gedurige regenval was van het diepe water van Yamarâja's jongere zuster, de Yamunâ, het oppervlak aan het schuimen van de gewelddadige golven maar de kolkende, onrustige, woeste stroom week uiteen precies zoals de oceaan dat voorheen had gedaan voor de Echtgenoot van Sîtâ [Heer Râma, zie 9.10: 13-15]. (51) De zoon van S'ûrasena trof met het bereiken van het koeiendorp van Nanda al de koeherders daar diep in slaap aan en met hen onder zeil plaatste hij zijn zoon op Yas'odâ's bed en pakte hij haar dochter op om terug te keren naar zijn verblijfplaats. (52) Daar plaatste hij het meisje op Devakî's bed en legde hij zichzelf weer de ketenen aan voor zijn voeten zodat hij als voorheen gevangen bleef. (53) Yas'odâ, de vrouw van Nanda die ook een kind had gebaard, had er geen idee van hoe het er precies uitzag daar overmand door slaap van het zware bevallen haar geheugen haar in de steek had gelaten.
Voetnoot:
*: Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we deze wereld als vals beschouwen, vallen we in de categorie van de asura's, die zeggen dat deze wereld onwerkelijk is, geen reden van bestaan heeft noch een controlerende God kent (asatyam apratistham te jagad âhur anîs´varam). Zoals beschreven in het zestiende Hoofdstuk van de Bhagavad-gîtâ, is dit de conclusie der demonen.'
De Wreedheden van Koning Kamsa
(1) S'rî S'uka zei: 'Met de buiten- en binnendeuren van het gebouw weer vergrendeld als voorheen, werden de wachters in de gevangenis wakker toen ze het huilen hoorden van het pasgeboren kind. (2) Ze haastten zich toen om dat aan de koning van Bhoja over te brieven die vol zorg de tijd afwachtte dat Devakî zou baren. (3) Hij kwam snel uit bed, zei 'De Tijd is daar' en ging met dat in gedachten onverwijld, met het haar op zijn hoofd in de war, naar waar de moeder zich bevond.
(4) De kuise Devakî er ellendig aan toe in haar lijden zei tot Kamsa, haar broer: 'Deze hier is voor jouw zoon bestemd, o goedheid, ze is een vrouw die je niet moet doden. (5) Vele kleintjes zo helder als het vuur zijn door jou, naar wat je van boven hoorde, ter dood gebracht, mijn broeder, gun me nu dan deze ene dochter. (6) Ik ben nog steeds je jongere zus, is het niet? Slecht af zonder mijn kinderen, o meester, beste broer, ben je mij zo behoeftig dit laatste kind schuldig.'
(7) S'rî S'uka zei: 'In tranen haar baby omklemmend smeekte ze hoogst deerniswekkend maar hij, allerwreedst, rukte het met een snauw uit haar handen. (8) Met geweld het zich toeëigenend wilde hij het nieuwgeboren kind van zijn zus bij de beentjes vastgehouden tegen de stenen vloer slaan, egocentrisch als hij was zonder enig gevoel voor de familiale genegenheid. (9) Maar halverwege gleed het uit zijn handen en verscheen het datzelfde moment in de lucht als Devî [Durgâ] de jongste zuster van Vishnu, met al de acht wapens bij haar machtige armen [zie ook 8.12: 40]. (10-11) Gesierd met sandelhoutpasta, bloemenkransen, kostbare juwelen en fraai aangekleed hield ze Vishnu's wapens vast: een boog, een lans, pijlen, een schild, een zwaard, een schelphoorn, een lotus en een werpschijf. Onder de aanbidding der vervolmaakten, de eerbiedwaardigen en de zangers van de hemel, de dansmeisjes, de excellenten [Uraga's, de 'goddelijke slangen'] en de bijzonder getalenteerden zei ze, terwijl ze op allerlei manieren bediend werd: (12) 'Wat heeft het voor nut mij te doden, dwaas die je bent, Hij, je oude vijand [zie 1.68] die je zal doden, is reeds ter wereld gekomen, [en is nu] ergens anders, hou ermee op nog langer onnodig arme zieltjes te vermoorden.'
(13) De godin met de ontzagwekkende macht van mâyâ hem op deze manier aansprekend raakte inderdaad onder verschillende namen bekend op de verschillende plaatsen op aarde [zie 10.2: 10 & 11]. (14) Kamsa toen hij haar woorden hoorde was met stomheid geslagen en liet meteen Devakî en Vasudeva vrij nederig zeggend: (15) 'Helaas, o beste zus en zwager van me, zoals een mensenverslinder met zijn eigen kroost doet, werden, als gevolg van mijn zonden, door mij jouw zoons gedood. (16) Ik voorwaar ben er zo een die zonder genade wreed verwanten en vrienden ontkende; naar wat voor een wereld ben ik, me gedragend als een brahmanen-moordenaar, op weg met mijn ademtocht hier of in het hiernamaals? (17) Ook de hemel kan een leugen bezigen, niet enkel menselijke wezens; alleen maar omdat ik geloof hechtte aan de profetie heb ik, de grootste aller zondaars, die kinderen van mijn zus gedood! (18) O gezegende zielen, treur niet over jullie zoons; allen die worden geboren hebben te lijden als gevolg van hun eigen handelen [zie voetnoot 3 hfstk.1] en bijgevolg is het naar de wil van God niet altijd gegeven op dezelfde plaats te leven. (19) Op aarde verschijnt en verdwijnt alles wat is samengesteld uit aarde, zo ook doet het zich voor dat, met het behartigen van de ziel, men in dezen veranderingen ondergaat maar dat men net als de aarde zelf niet verandert [vergelijk 10.3: 15-17]. (20) Als een persoon zonder kennis van het verschil [tussen lichaam en zelf] het idee heeft dat hij het lichaam is, dan is zo een iemand, verenigd met zijn omhulsel, van valse eenwording in oppositie met anderen en is hij niet in staat te ontsnappen aan de gevangenschap in het rad van wedergeboorte. (21) Beklaag je, met mij je het allerbeste toewensend, daarom niet over de zoons die door mij hun dood vonden; is het niet zo dat iedereen naar wat er gegeven is wordt geconfronteerd met wat hijzelf heeft gedaan? (22) Zolang als hij die zichzelf niet heeft leren kennen over zichzelf denkt in termen van doden of gedood worden is hij, voor de duur van die misvatting, een dwaas gebonden aan wereldse verantwoordelijkheden die hun einde niet kennen [zie ook B.G. 3: 9 & 18: 17 en nitya-mukta]. (23) Vergeef me mijn wreedheden, jullie beiden geheiligden zorgzaam voor de gevallen zielen!' en terwijl hij dit zei met tranen langs zijn wangen biggelend, klampte de zwager de voeten van zijn verwanten vast.
(24) Met geloof in de woorden van Durgâ hen uit hun ketenen bevrijdend, bewees hij Vasudeva en Devakî zijn familiehart. (25) Jegens haar spijtige broer was Devakî toen verlost van haar woede en zo gaf ook Vasudeva zijn woede op hem met een glimlach zeggend: (26) 'Je hebt gelijk, o genadige, met wat je zei over de belichaamde ziel die gedreven door onwetendheid zijn eigen belangen scheidt van die van anderen. (27) Het is weeklagen, gejubel, angst, haat, begeerte, illusie en waanzin wat mensen krijgen die, alles als op zichzelf bestaand beschouwend [wat slechts de aanleiding is], elkaar naar het leven staan als ze van dat onderscheid niet zien wat de werkelijke situatie is met de Heer [die de achterliggende oorzaak is].'
(28) S'rî S'uka zei: 'Kamsa die aldus in zuiverheid een antwoord kreeg van de tot rust bewogen Devakî en Vasudeva, nam afscheid en ging zijn paleis binnen. (29) Toen de nacht voorbij was riep Kamsa al zijn raadslieden bijeen en stelde hij ze op de hoogte van alles wat de 'Sluimer der Yoga', Durgâ, had gezegd. (30) Toen ze hadden vernomen wat hun meester te zeggen had gaven de daitya tegenstanders der godsbewusten, die kwaadwillig jegens de halfgoden niet al te ter zake kundig waren [zie ook B.G. 9: 12] ten antwoord: (31) 'Welnu, als dit het geval is, o Koning van Bhoja, laten we dan nu meteen al de kinderen ter dood brengen die zo ongeveer tien dagen oud zijn of jonger in iedere stad, dorp of landstreek. (32) Wat kunnen de goddelijken zo bang om te vechten nu uitrichten, zij die altijd zo nerveus zijn het geluid van uw boogpees te horen? (33) Her en der verslagen, getroffen door uw vele pijlen, zijn ze, voor hun leven vrezend, weggevlucht en hebben ze moedwillig het slagveld de rug toegekeerd! (34) Enkele van die hemelse types vouwden allerberoerdst verstoken van al hun wapenen hun handen voor u met al hun haar en kleding in de war en sommigen zeiden dingen als 'We zijn zo bang voor u geworden!' (35) En u met hen, zo doodsbang zonder hun strijdwagens en de wapens die ze opgaven, brengt niemand van hen ter dood die met gebroken bogen als pacifisten meer gehecht zijn aan andere dingen dan aan het leveren van strijd. (36) Wat valt er te vrezen van de kant van de zo machtige goddelijken? Ver van de strijd geven ze hoog op! En van de kant van Heer Hari dan? Hij houdt zich schuil in het hart! Moeten we dan bang zijn voor S'iva? Hij leeft in het woud! En Indra dan? Die is ook niet zo'n held! En Brahmâ? Die zit altijd te mediteren! (37) Niettemin, zo houdt u staande, moeten de goddelijken als vijanden niet over het hoofd worden gezien; laat ons, uw getrouwen, daarom korte metten met ze maken! (38) Zoals met een verwaarloosde ziekte van het lichaam die door de mens in zijn acute fase niet meer kan worden behandeld en zoals het is met de zinnen als die niet van het begin af aan worden beheerst, wordt zo ook een grote vijand te sterk om nog langer de baas te zijn. (39) De wortel van dit alles is Vishnu, in Hem vinden de godsbewusten hun traditionele verplichtingen en is er het brahmaanse met de koeien, de geleerden, de boetedoeningen en de offerplechtigheden waarvoor ze zich laten betalen [zie ook 7.5: 31]. (40) Derhalve, zullen we, o Koning, alles in het werk stellen om een einde te maken aan de brahmanen zo ijverig met het brahmaanse, die boetelingen zo druk met hun offers en koeienzaken voor wat melk! (41) De geschoolden en de koeien, de Veda's, de verzaking, de waarheidsliefde en zinsbeheersing, de kalmte, het geloof, de genade, de tolerantie als ook de plechtigheden maken allen deel uit van Hari. (42) Hij inderdaad is de leider van al de Sura's en waarlijk de vijand van de Asura's; Hij is die ene in het hart onder wiens hoede al de godvrezenden, met inbegrip van hun beheerser [S'iva] en hij met de vier gezichten [Brahmâ], hun bestaan hebben; werkelijk, de enige manier om Hem te raken is al Zijn zieners te vervolgen.'
(43) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier zonder veel verstand lang uitweidend met zijn slechte raadgevers accepteerde Kamsa, die als demon werd beheerst door de Heer van de Dood, dat het beste dat hij kon doen was de brahmanen te vervolgen. (44) Met zijn instemmen met de Dânava's om de boetvaardigen te bestrijden, verspreidden de liefhebbers van geweld en vernietiging, die iedere gedaante konden aannemen die ze maar wilden, zich in alle richtingen en keerde Kamsa naar zijn verblijven terug. (45) Vol van een hartstocht van de diepste duisternis zijnde gingen zij, allen in wezen volslagen onwijs, met de schaduw van de dood reeds over hen over tot de vervolging van de waarachtigen. (46) Van een persoon die moedwillig ingaat tegen grote persoonlijkheden worden de zegeningen van een lang leven, schoonheid, roem, religiositeit, talenten en een plaatsje in de hemel, alle vernietigd.'
Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva
(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nanda dolblij dat er een zoon was geboren, nodigde grootmoedig de geschoolden thuis in de Veda uit, reinigde zichzelf middels een bad en kleedde zich netjes aan. Om de geboorte te vieren [in jâtakarma*] liet hij de mantra's chanten en voorzag hij eveneens in de eredienst van de voorvaderen en de halfgoden zoals dat was voorgeschreven. (3) Aan de brahmanen schonk hij in liefdadigheid talloze volledig opgesierde melkkoeien en zeven bergen sesamzaad, bezaaid met juwelen en met goud bestikte stof. (4) Door de tijd, door te baden, door zuiveringsrituelen, door verzaking en door aanbidding raakt in liefdadigheid en tevredenheid al wat men heeft gezuiverd, maar de ziel raakt gezuiverd door zelfrealisatie. (5) Onder het voortdurend weerklinken van bherî's en dundubhi's [trommels] bedienden de geleerden, de verhalenvertellers, de reciteerders en de zangers zich van woorden die alles en iedereen zuiverden. (6) Heel Vraja werd schoongemaakt; alle doorgangen, binnenplaatsen en binnenkamers werden schoongewassen en een keur aan slingers en vlaggen sierden erebogen van bloemslingers, stukken stof en mangobladeren. (7) De koeien, stieren en kalveren werden ingesmeerd met turmeric-olie en versierd met grondkleuren, pauwenveren, stoffen, gouden sierselen en bloemen. (8) O Koning, de koeherders [de gopa's] die zich verzamelden waren uitgedost met de meest kostbare ornamenten en kledingstukken als overjassen en tulbanden en brachten allerlei gaven met zich mee. (9) De koeherdersvrouwen [de gopî's] waren eveneens blij te horen dat moeder Yas'odâ het leven had geschonken aan een jongen en toonden zich op hun best verschijnend in feestelijke kleding met hun ogen opgemaakt en juwelen om en dergelijke. (10) Met hun allerprachtigste lotusgezichten en sieraden, saffraan en verse kunkum, haastten ze zich met deinende boezems en heupen derwaarts met offergaven in hun handen. (11) De gopî's droegen prachtige oorbellen met edelstenen, hadden kettingen van gouden munten om hun nek en hadden hun kledingstukken fraai bestikt terwijl op weg naar het huis van Nanda een regen van bloemen naar beneden kwam van hun slingers; met de kledij en hun slingerende armbanden, oorhangers, borsten en bloemenslingers waren ze een lust voor het oog. (12) Allen spraken langdurig zegeningen uit voor de pasgeborene zoals 'pâhi' ['weest beschermd'] en besprenkelden met gebeden de Ongeboren Heer met turmeric-olie. (13) Met de komst in Nanda's koeiengemeenschap van Krishna, de Onbegrensde Beheerser van het Ganse Universum, weerklonk een verscheidenheid aan muziekinstrumenten in één groot feest. (14) Zich vermakend gooiden de gopa's yoghurt, melk en karnemelk naar elkaar en smeerden ze elkaar in met de boter. (15-16) Hen zowel als de verhalenvertellers, de reciteerders en de zangers en allen die met hun scholing de kost verdienden het ruimste hart toedragend was, om zijn kind de beste vooruitzichten te bieden, die nobele ziel, Nanda, met de bedoeling Heer Vishnu te behagen van eerbetoon met wat ze ook maar konden gebruiken of zich konden wensen aan kleding, sierselen en koeien [zie ook 7.14: 17]. (17) De hoogst fortuinlijke Rohinî [de moeder van Baladeva die zich daar schuilhield, zie 10.2: 7] was het ook naar de zin gemaakt door de beschermer die Nanda was; ze was druk in de weer prachtig met haar kleding, bloemenslinger en de opsmuk van een halsketting. (18) O Koning, van die tijd af aan ontstond in het koeiengebied van Nanda de grootste weelde met alle rijkdom daar het, als de plaats waar de Heer zich ophield, door Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten de plaats was geworden voor het spel en vermaak van Ramâ [de Godin van het geluk, zie 8.8: 8].
(19) Nanda, nadat hij de bescherming over Gokula [het koeiendorp] had overgedragen aan de koeherders, ging naar Mathurâ om van zijn winst zijn jaarlijkse belasting af te dragen aan Kamsa, o beste van de Kuru-dynastie. (20) Vasudeva, toen hij hoorde dat zijn [jongere stief-]broer Nanda [**] was vertrokken - naar verluid om de koning de eer te bewijzen - begaf hij zich naar waar hij verbleef. (21) Hem [Vasudeva] zo opeens voor zich ziend stond hij verheugd op alsof zijn lichaam een nieuw leven had gevonden en overmand door liefde en genegenheid omarmde hij zijn dierbare vriend. (22) Met alle eerbetoon verwelkomd, naar zijn gezondheid gevraagd en met een zitplaats bedacht vroeg hij [Vasudeva], gehecht als hij was, naar zijn eigen twee zoons het volgende zeggend, o heerser over de wereld. (23) 'Beste broeder Nanda, welk een geluk is je ten deel gevallen nu het zich heeft voorgedaan dat je de zoon hebt gekregen waar je, op leeftijd zijnde en er geen hebbend, zo wanhopig naar uitzag. (24) En wat een geluk ook om jou vandaag hier te treffen, het is als een wedergeboorte; hoe lastig is het niet om, ookal verblijft men in deze wereld van geboorte en dood, je dierbaren weer opnieuw te treffen! (25) Zoals dingen drijvend in een rivier worden meegevoerd door de kracht van de golven houden wij, met de nauwe band die we hebben, ons niet op één en dezelfde plaats op met het uiteenlopen van onze karmische wegen. (26) Gaat alles goed met de koeienzaken, is er genoeg water, gras, planten en dat alles in het grote bos waar je nu leeft met je vrienden? (27) O broeder, beschouwt mijn zoon, met Zijn moeder bij jou in huis levend, je als Zijn vader en is Hij een lieve jongen onder jullie beider zorg? (28) De drie voorgeschreven levensdoelen van een persoon [van geregelde lusten, financiën en rituelen] vinden hun betekenis en werking in het samenzijn, maar dat is niet zo als dat samenzijn moeilijk is geworden, dan verliezen ze hun zeggingskracht.'
(29) S'rî Nanda zei: 'Hoe spijtig is het dat de vele zoons die je had met Devakî door Kamsa ter dood werden gebracht en dat ook die ene die overbleef, de jongste, een dochter, naar de hemel is vertrokken. (30) Door de Ongeziene inderdaad vindt alles zijn vervulling, de Ongeziene vormt het uiteindelijke voor iedereen die leeft; die lotsbestemming is iemands uiteindelijke waarheid en hij die dat weet zal niet verbijsterd raken.'
(31) S'rî Vasudeva zei: 'Nu dat je de koning zijn jaarlijkse penningen hebt betaald en wij elkaar getroffen hebben, zouden we beiden hier niet nog langer moeten blijven, er zou zich iets kunnen hebben voorgedaan in Gokula!'
(32) S'rî S'uka zei: 'Met dat advies afscheid nemend spanden Nanda en zijn metgezellen hun ossen voor hun ossenwagens en vertrokken ze naar Gokula.'
Voetnoot:
* De jâtakarma geboorteplechtigheid, welke plaats kan vinden zo gauw de navelstreng, waarmee het kind aan de placenta vast zit, is doorgesneden, bestaat er uit dat de tong van de nieuwgeborene driemaal met ghee wordt aangestipt voorafgegaan door inleidende gebeden. De geboorteceremonie van Krishna wordt ook wel Nandotsava genoemd. De dag dat jaarlijks Zijn geboorte wordt gevierd wordt Janmâshthamî genoemd [de achtste dag van de maand Bhâdra of S'râvana (Augustus-September)]
** De paramparâ verduidelijkt: 'Vasudeva en Nanda Mahârâja waren dermate nauw verbonden dat ze leefden als broers. Verder, leren we van de notities van S'rîpâda Madhvâcârya dat Vasudeva en Nanda Mahârâja stiefbroers waren. Vasudeva's vader, S'ûrasena, trouwde met een vais'ya meisje, en uit haar nam Nanda Mahârâja zijn geboorte. Later, trouwde Nanda Mahârâja zelf met een vais'ya meisje, Yas'odâ. Daarom wordt deze familie gerespecteert als een vais'ya familie, en nam Krishna, Zich identificerend als hun zoon, de zorg op zich voor vais'ya zaken (krishi-go-rakshya-vânijyam, B.G. 18: 44)'.
Het Doden van de Demone Pûtanâ
(1) S'rî S'uka zei: 'Nanda op weg gegaan [naar huis] bedacht dat de woorden van de zoon van S'ûra [Vasudeva] niet zomaar gevallen waren en dus nam hij zijn toevlucht tot de Heer, beducht op eventuele moeilijkheden. (2) Zoals beschikt door Kamsa [zie 10.4: 43] was er een afgrijselijke moordenares die in de steden, dorpen en gehuchten rondwaarde en kleine baby's doodde. (3) [Welnu,] waar men ook zijn plicht doet en men het luisteren heeft en dat alles [van de bhakti] kan er, met de Beschermer van de Toegewijden, geen sprake zijn van geschreeuw om moord van wildemannen en kwade elementen. (4) Zij die Pûtanâ werd genoemd, en in staat was door de lucht te reizen, vloog op een dag op het dorp van Nanda af, transformeerde zichzelf middels haar mystiek vermogen in een mooie vrouw en drong er binnen, gaand en staand waar ze maar wilde. (5-6) Met haar haar opgeschikt met mallikâ [jasmijn] bloemen, haar zeer weelderige borsten en heupen haast te zwaar voor haar slanke middel, met haar fijne uitdossing en de oorhangers die ze droeg, de schittering en grote aantrekkingskracht van haar gezicht omlijst door haar zwarte haar en met haar uitdagende blikken geworpen naar iedereen, trok ze met haar schoonheid ieders aandacht in Gokula; het scheen de gopî's toe dat zij, zo oogstrelend met een lotus in haar hand, de godin van de schoonheid was die was gekomen om haar Echtgenoot te zien. (7) De baby-moordenares aldaar in het huis van Nanda ongehinderd op zoek naar kinderen zag het Kind dat een Einde Maakt aan Alle Onwaarheid wiens onbegrensde vermogen overdekt was, precies zoals vuur verborgen in de as. (8) Begrijpend dat ze eropuit was kinderen te vermoorden sloot Hij als de Onbegrensde Ziel van al wat Leeft en Niet Leeft Zijn ogen toen zij, zich van niets bewust als iemand die een slapende slang aanziet voor een stuk touw, Hem, haar eigen ondergang, op haar schoot zette. (9) Kwaadgezind het proberend als een moeder was ze als een scherp zwaard in een fraaie schede zoals de twee moeders, die onder de indruk van de invloed van haar schoonheid als aan de grond genageld stonden, haar in de kamer zagen. (10) Zij, verschrikkelijk, plaatste Hem op haar schoot en duwde ter plekke Hem haar borst, als een wapen met gif ingesmeerd, in Zijn mond, maar in reaktie daarop kneep de Allerhoogste Heer haar pijnlijk hard met Zijn beide handjes en zoog Hij, verwoed, zowel het gif als het leven uit haar. (11) In heel haar wezen geraakt, schreeuwde ze luid jammerend uit: 'Help, help me; genoeg!' en spreidde ze haar ogen wijd open, hevig zwetend en aanhoudend om zich heen slaand met haar armen en benen. (12) Het kabaal dat ze maakte deed de aarde met haar bergen en de buitenruimte met al zijn sterren in het firmament en de lagere werelden in alle richtingen op hun grondvesten schudden waarbij mensen voor het geluid plat op de grond vielen bang te worden getroffen door de bliksem. (13) Aldus spartelend, gekweld aan haar borsten, gaf ze met haar mond wijd open en haar armen en benen en haren allemaal uitgespreid, de geest; ze expandeerde toen naar haar oorspronkelijke demonische gedaante, ter aarde stortend in de weidegronden o Koning, als Vritrâsura toen die werd getroffen door de schicht van Indra [zie 6.12]. (14) Haar lichaam verpletterde in zijn val alle bomen in een straal van zo'n twintig kilometer, o Koning, daar het hoogst wonderbaarlijk gigantisch groot was.
(15-17) De gopa's en de gopî's die in hun harten, oren en hoofden al diep geschokt waren door het luide gekrijs waren ontsteld dat massieve lichaam te zien waarvan de mond tanden had hoog als een ploeg, de neusgaten groot waren als berggrotten, de borsten waren als rotsblokken, het wilde uitgespreide haar er uitzag als koper, de diepe oogkassen waren als overwoekerde putten, de dijen waren als rivieroevers met de ledematen als bruggen en de buik er uit zag als een opgedroogd meer. (18) En er bovenop was er daar het kind, zorgeloos spelend, dat snel door de gopî's, die allen naderbij komend in hoge staat van opwinding verkeerden, werd opgepakt. (19) Tezamen met Yas'odâ en Rohinî voerden ze, teneinde het kind volledig te behoeden tegen alle gevaren, het rondzwaaien met een koeienstaart uit. (20) Met koeienurine werd het kind grondig schoongewassen en opnieuw bedekt met het stof opgeworpen door koeien, waarna zij voor de bescherming van het kind eveneens met koemest de heilige Naam aanbrachten op twaalf plaatsen [*]. (21) De gopî's namen een teugje water [âcamana] en na het plaatsen van de letters van de [volgende **] mantra op hun eigen lichamen en twee handen, gingen ze toen zo verder met het kind: (22-23) 'Moge Aja Je benen beschermen, moge Manimân Je knieën beschermen, moge Yajña Je dijen beschermen, moge Acyuta Je boven Je middel beschermen, moge Hayagrîva Je onderbuik beschermen, moge Kes'ava Je hart beschermen, moge Îs'a Je borst beschermen, moge Sûrya Je nek beschermen, moge Vishnu Je armen beschermen, moge Urukrama Je mond beschermen en moge Îs'vara Je hoofd beschermen. Moge Cakrî Je van voren beschermen; moge de Allerhoogste Persoonlijkheid Gadâdharî, die de knots draagt, Je van achteren beschermen; en moge de doder van Madhu en Ajana, de drager van de boog en het zwaard Je twee zijden beschermen. Moge Heer Urugâya, de drager van de schelphoorn, Je vanuit iedere hoek beschermen; moge Upendra Je van boven beschermen; moge [Hij die rijdt op] Garuda Je op de grond beschermen; en moge de Allerhoogste Persoon Haladhara, Je van alle kanten beschermen. (24) Moge Je zinnen worden beschermd door Hrisîkes'a, Je levensadem door Nârâyana, moge de Meester van S'vetadvîpa de kern van Je hart beschermen en moge Je geest worden behoed door Yoges'vara. (25-26) Moge Pris'nigarbha Je Intelligentie beschermen, moge Je ziel worden beschermd door Bhagavân, moge Govinda Je beschermen als Je speelt en moge Mâdhava Je beschermen in Je slaap. Moge de Heer van Vaikunthha Je beschermen als Je loopt, de Echtgenoot van de Godin van het geluk Je beschermen als Je zit en moge Heer Yajñabhuk, de vrees van al de kwade werelden, Je beschermen als Je van het leven geniet. (27-29) De duivelinnen, duivels en haters van kinderen die zijn als slecht gesternte; de boze geesten, kwaaie dwergen, kwelgeesten en spoken, de wildemannen, monsters en heksen als Kotarâ, Revatî, Mâtrikâ en Pûtanâ die mensen tot waanzin drijven, zijn degenen die het geheugen bederven en het iemand in zijn lichamelijkheid, levensadem en vitaliteit moeilijk maken. Mogen die nachtmerrie-wezens die zoveel ellende veroorzaken met het aanvallen van de grootste wijzen en de kinderen allen hun ondergang vinden, afgeschrikt door het zingen van de namen van Vishnu'.
(30) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier werden door de oudere gopî's zo gebonden door hun moederlijke genegenheid alle maatregelen genomen om het kwaad af te wenden. Vervolgens gaf ma Hem de borst en stopte ze haar zoon in bed. (31) Ondertussen kwamen de gopa's met Nanda voorop terug uit Mathurâ en toen ze in Vraja Pûtanâ's lichaam zagen stonden ze allen stomverbaasd [en zeiden]: (32) 'Het moet wel zo zijn, o vrienden, dat Ânakadundubhi uitgegroeid is tot een grote yogameester of zoiets, dit inderdaad zien we nu hier omdat dit het soort van voorval is dat hij voorspelde!' (33) De massa van het lichaam werd met behulp van bijlen door al de bewoners van Vraja in stukken gehakt en, meegevoerd over een lange afstand, neergegooid, met hout bedekt en verbrand. (34) Toen het lichaam werd gecremeerd bleek de rook die vrijkwam zo sereen geurig te zijn als aguru wierook omdat, met het zuigen van Krishna, het direkt was bevrijd van alle smetten [zie 1.2: 17]. (35-36) Als Pûtanâ, die kindermoordenares en duivelin zinnend op bloed, niettegenstaande haar moordlust, na de Heer haar borst geboden te hebben, erin slaagde het hoogste doel te bereiken, wat zou dat dan niet inhouden voor hen met geloof en toewijding die een affiniteit hebben gelijk inderdaad die van zijn toegenegen moeder(s) voor wie Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de meest geliefde is? (37-38) Met Zijn lotusvoeten, welke de toegewijden altijd in hun harten dragen en welke in toewijding worden vastgehouden door hen die overal worden geprezen [zoals Brahmâ en S'iva], trad de Allerhoogste Heer op haar lichaam en haar borst en ging ze, hoewel een moordenares, met het innemen van de positie van een moeder, naar de hemel; wat zou dat niet betekenen voor de moederlijke koeien van wiens spenen Krishna de melk genoot? (39-40) Van allen met liefde voor het kind van wie de melk vloeide die Hij, de Allerhoogste Heer, de Schenker der Eenheid en Bevrijding en zoon van Devakî, naar Zijn voldoening dronk; van al degenen die voortdurend Krishna tot hun voorwerp van moederlijke zorg maakten, mag men nooit denken, o Koning, dat ze weer terug zouden keren naar de materiële oceaan waar men zich verlustigt in onwetendheid [zie ook B.G. 4: 9].
(41) Met het opsnuiven van de geur van de rook die vrijkwam vroegen al de bewoners van Vrajabhûmi zich af: 'Waar komt het vandaan?' en aldus met elkaar sprekend bereikten ze het koeiendorp. (42) Daar aangekomen waren ze hoogst verrast om te vernemen wat de gopa's allemaal te vertellen hadden over de ophef die Pûtanâ had veroorzaakt, hoe ze was gestorven en wat allemaal voor het heil van de baby was gedaan. (43) Nanda die zijn zoon op schoot nam alsof die uit de dood was weergekeerd, besnoof simpel en eenvoudig Zijn hoofdje en bereikte de hoogste vrede, o beste van de Kuru's. (44) Iedere sterveling met geloof en toewijding die verneemt over wonderbaarlijke avontuur van Krishna over de verlossing van Pûtanâ zal liefde opvatten voor Govinda ['de Beschermer van de Koeien'].
Voetnoten:
* Het zwaaien met een koeienstaart rondom een kind is een occulte rite waarin de staart van de koe wordt beschouwd als de zetel van Laxmî, de godin van het fortuin. Dit is ook waar voor de urine, het stof, de melk en de mest van de koeien die met hun producten als heilig worden beschouwd. De urine heeft antiseptische kwaliteiten, de mest fungeert als brandstof en de melk brengt alle gezondheid en weelde.
**Met de mantra kent men de eerste of zaad-letter toe van de namen van de Heer vermeld in het volgende vers, gevolgd door anusvâra en het woord namah.
Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum
(1-2) De vereerde koning zei: 'De verschillende lotgevallen van de avatâra's van de Allerhoogste Heer die ons het beeld geven van de Heer, onze Beheerser, zijn hoogst aangenaam voor onze oren en inspirerend voor onze geesten, o meester. Wie ook maar die ze verneemt zal in de grond van zijn wezen zeer spoedig zuivering vinden van de ongepaste, opdringerige verlangens en als een persoon toegewijd met de Heer eveneens vriendschap vinden met de mensen die Hem als de enige ware koesteren. Als het u zint, spreek dan alstublieft voor ons over alles met betrekking tot Hem. (3) Vertel ons meer over Krishna; het spel en vermaak waarin Hij hier in onze menselijke samenleving optrad zich voordoend als een menselijk kind zijn zo wonderbaarlijk!' [*]
(4) S'ri S'uka zei: 'In de tijd dat de maan in het sterrenteken Rohinî stond [na drie maanden] kon Hij Zichzelf naar boven keren in Zijn wiegje en werd er een feest met een baad-ritueel georganiseerd door de moeders die bijeen kwamen met muziek, gezang en hymnen die werden gezongen door de brahmanen terwijl moeder Yas'odâ de baadceremonie deed. (5) Nadat Nanda's vrouw en de andere leden van de huishouding ermee klaar waren, werden de brahmanen die hun plicht hadden gedaan bedacht met voedsel, kleding, bloemenslingers en koeien en werd het kind, met slaperige oogjes, zolang apart gelegd. (6) Voor de utthâna [of 'omkeer']-ceremonie bezig het de gasten uit heel Vraja naar de zin te maken, hoorde ze werkelijk niets van het schreeuwen van het kind dat huilend om te worden gevoed boos met Zijn beentjes in het rond trappelde. (7) Getroffen door Zijn kleine voetjes zo teer als een bloemblaadje kieperde de kar waaronder Hij was gelegd om zodat al de kommen en schalen en het zoete dat ze bevatten naar beneden kwam, de wielen en as uit hun verband raakten en de dissel brak [**]. (8) Alle dames en heren van Vraja met Yas'odâ en Nanda voorop die, bijeengekomen voor de utthâna-ceremonie, getuige waren van die wonderbaarlijke gebeurtenis, verwonderden zich erover hoe de kar zo maar uit zichzelf dermate in het ongerede was geraakt. (9) De kinderen vertelden de met stomheid geslagen gopa's en gopî's dat er geen twijfel over bestond dat, zo gauw het kind was begonnen te huilen, het met één beentje de hele kar uit elkaar had geschopt. (10) Zich niet bewust van de ongekende macht van die kleine baby konden ze het niet geloven; de gopa's hielden het allemaal voor kinderpraat wat ze zeiden. (11) Moeder Yas'odâ, die haar huilende zoon oppakte, ervan uitgaande dat het een verkeerde planeet betrof, riep de geschoolden op een plechtigheid uit te voeren met vedische lofzangen en bood het kind haar borst. (12) Nadat enkele stoere gopa's de kar weer in elkaar hadden gezet en de potten en alles er weer op hadden geplaatst, voerden de priesters met yoghurt, rijst, kus'agras en water de rituelen voor het vuuroffer uit. (13-15) Van hen die begiftigd zijn met de volmaakte waarheid en vrij zijn van ongenoegen, onwaarheid, valse trots, afgunst, geweld en zelfmisleiding zijn de zegeningen nooit tevergeefs [zie ook B.G. 18: 42]. Met dit in gedachten zorgdragend voor het kind getrouw de Sâma, Rig en Yajur Veda en het reinigend met behulp van water vermengd met kruiden, vroeg Nanda de aanvoerder der koeherders zo vrijgezind en goed, nadat het kind was gebaad, die bovenstebeste tweemaal geborenen om goedgunstige hymnen te zingen en werden die zielen van wedergeboorte na de offerandes door hem vergast op een zeer uitgelezen maaltijd. (16) Om zijn zoon van al het beste te verzekeren schonk hij hen - bij het welkom dat ze ook hem bereidden - de beste kwaliteit melkkoeien fraai opgesierd met bloemen en gouden kettinkjes. (17) De wijzen die verenigd zijn met welke woorden ze ook maar uitspreken brengen je, als deskundigen in de mantra's, alle zegeningen daar de geldige woorden waar ze zich van bedienen voor zeker nooit en te nimmer hun effect zullen missen.
(18) Op een dag [met Hem ongeveer een jaar oud] toen Yas'odâ met Hem zittend op haar schoot Hem aan het liefkozen was, kon ze omdat Hij zo zwaar als een bergtop werd het gewicht van het kind niet langer dragen. (19) Met Zijn tot haar verbazing zo zwaar zijn als het universum [zie garimâ] zette de gopî Hem met tegenzin op de grond, wendde ze zich tot Nârâyana en ging over tot het verrichten van huishoudelijke taken. (20) Terwijl het kind daar zat werd het meegevoerd door een Daitya in de gedaante van een wervelwind genaamd Trinâvarta die een huurling was gestuurd door Kamsa. (21) Met een groot rumoer bedekte hij zwaar bulderend heel Gokula met stof dat in alle hoeken en gaten doordrong zodat alles aan het zicht was onttrokken. (22) Bijna een uur lang was heel het weidegebied door de dichte stofwolk gehuld in duisternis en kon Yas'odâ haar zoon niet weervinden waar ze Hem op de grond had neergezet. (23) Noch zichzelf noch elkaar nog langer ziend waren de mensen door het opgewaaide zand verstoord en in de war. (24) De hulpeloze vrouw die aldus door de stofwolken van de sterke wervelwind niets meer zag, begon bezorgd om haar zoon jammerlijk te huilen en viel op de grond neer als een koe die haar kalfje verloren heeft. (25) Toen ze haar hoorden huilen huilden al de overige gopî's met gezichten vol tranen vol medeleven met haar mee over het niet kunnen vinden van Nanda's zoon toen de heftige stofstorm van de wervelwind was opgehouden. (26) De kracht van Trinâvarta die de gedaante van een wervelwind had aangenomen nam af toen, Krishna met zich meegevoerd hebbend, hij de bovenste regionen van de hemel bereikte en niet hoger kon komen met Hem die alsmaar zwaarder en machtiger werd. (27) Toen hij ondervond hoe Hij, zwaar als een steen, zijn furie de baas was, moest hij het met Krishna die zijn keel dichtkneep opgeven, machteloos als hij was tegenover de wonderbaarlijke baby. (28) Met Hem in een wurggreep puilden de ogen van de demon uit toen hij stikte en levenloos samen met het kind ter aarde viel. (29) De verzamelde treurende gopî's zagen die verschrikking met al zijn ledematen gebroken, uit de lucht neergestort op een rotsige bodem gelijk Tripura geveld door de pijlen van S'iva [zie 7.10]. (30) Totaal verrast Krishna in goede gezondheid aan te treffen op de borst van de Râkshasa die Hem in de lucht had meegevoerd, pakten ze Hem die aan de dood was ontrukt op en leverden ze, als Nanda's gopî's en gopa's dolblij zich verheugend in het opperste geluk over de terugkomst, Hem af bij Zijn moeder. (31) [Ze zeiden:] 'Hoe enorm wonderbaarlijk inderdaad deze baby die meegevoerd door de wildeman ons achterliet maar nu zonder een schrammetje is teruggekeerd; nu dat die akelige duivel vanwege zijn eigen zonden is gedood in de krachtmeting kan iedere toegewijde ziel opgelucht ademhalen in gelijkheid en onbevreesdheid. (32) Van welk een lang volgehouden verzaking zijn wij wel niet geweest, wat was ons eerbetoon voor Hem in het Voorbije en welke dienstverlening brachten wij publiekelijk op [pûrta], welke vrome diensten leverden wij wel niet [ishta] of van welke liefdadigheid [datta] of andere liefde voor onze naaste zijn wij geweest als gevolg waarvan het kind dat zo goed als verloren was gegaan, wederom tot onze vroomheid hier aanwezig is voor het geluk en het genoegen van al de zijnen?' (33) Als getuige van de verschillende verbazingwekkende gebeurtenissen in het grote woud herhaalde de leider der koeherders Nanda geheel verbaasd telkens maar weer hoe waar de woorden van Vasudeva wel niet waren geweest [zie ook 10.6: 32].
(34) Op een dag trok de moeder het kleintje op haar schoot om Hem de borst te geven, waaruit door haar grote genegenheid de melk druppelde. (35-36) O Koning, toen het bijna klaar was en moeder Yas'odâ het tevreden en lachende kind in het gelaat keek terwijl ze het zachte klopjes gaf, zag ze toen het gaapte het volgende: de hemel, de planeten en de aarde, de hemellichten in alle richtingen, de zon en de maan, vuur, de lucht en de zeeën met de continenten, de bergen, hun dochters de rivieren, de wouden en alle schepselen bewegend en niet bewegend [zie ook B.G. 11]. (37) Toen ze zo maar opeens het hele universum te zien kreeg, o Koning, begon ze, verstijfd met ogen als die van een ree, over haar hele lijf te rillen van de verbazing die zich van haar meester maakte.'
Voetnoten:
* Aan het begin van dit Hoofdstuk, doen zich soms twee extra verzen voor:
evam bahûni karmâni
gopânâm s'am sa-yoshitâm
nandasya gehe vavridhe
kurvan vishnu-janârdanah
"Op deze manier, om de demonen te straffen en te doden, legde het kind Krishna vele activiteiten aan de dag bij Nanda Mahârâja thuis, en de inwoners van Vraja vermaakten zich met deze gebeurtenissen."
evam sa vavridhe vishnur
nanda-gehe janârdanah
kurvann anis'am ânandam
gopâlânâm sa-yoshitâm
"Om het bovenzinnelijk genoegen van de gopa's en de gopî's te verhogen, werd Krishna, de doder van alle demonen, aldus opgevoed door Zijn vader en moeder, Nanda en Yas'odâ."
S'rîpâda Vijayadhvaja Tîrtha voegt ook nog een ander vers toe aan dit Hoofdstuk:
vistareneha kârunyât
sarva-pâpa-pranâs'anam
vaktum arhasi dharma-jña
dayâlus tvam iti prabho
"Parîkchit Mahârâja verzocht toen S'ukadeva Gosvâmî om door te gaan met het vertellen van dergelijke verhalen over de wederwaardigheden van Krishna, zodat de koning door hen bovenzinnelijke gelukzaligheid kon genieten."
** Swâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Krishna was onder een huishoudkar neergelegd, maar deze handkar was in werkelijkheid een andere gedaante van S'akathâsura, een demon die daar was gekomen om het kind te doden. Toen nam, met de wens dat Hij wilde zogen van Zijn Moeders borst, Krishna de kans waar de duivel om te brengen. Zo gebeurde het dat Hij S'akathâsura schopte alleen maar om hem te ontmaskeren. Hoewel Krishna's moeder bezig was met het ontvangen van gasten, wilde Heer Krishna haar aandacht trekken door de S'akathâsura te doden, en daarom schopte Hij die demon in de vorm van een kar.'
De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond
(1) S'rî S'uka zei: 'Garga de familiepriester van de Yadu's, hoog verheven in de boete, o Koning, begaf zich op verzoek van Vasudeva naar Nanda's koeiengemeenschap. (2) Toen Nanda hem zag kwam hij hem zeer verheugd tegemoet om hem met gevouwen handen met eerbetoon welkom te heten hem kennende als iemand die boven het zintuiglijke staat [adhokshaja] en wierp hij zich ter aarde om zijn eerbetuigingen te brengen. (3) Met de grootste gastvrijheid en de zoetste woorden liet hij de wijze plaats nemen en het hem op deze manier naar de zin makend zei hij: 'O brahmaan zo volledig in uw zelfverwerkelijking, wat kan ik voor u betekenen? (4) Als de groten zich bewegen in de richting van de gewone man, de eenvoudig ingestelde huishouders, is dat iets dat nooit moet worden beschouwd als plaatsvindend om enige andere reden dan voor hun eigen bestwil. (5) Een ieder is in staat zich een idee te vormen van zijn verleden en toekomst door de kennis over de loop der hemellichamen die het verstand van de gewone man te boven gaat en die u zo genadevol, voor iedereen na te gaan, hebt vastgelegd [in een boek over astrologie]. (6) U inderdaad als de beste van de kenners van het Brahman bent de brahmaan van geboorte [*] die er is als de goeroe van iedereen; voert u dus alstublieft de naamgevingsplechtigheid uit [de samskâra] voor deze twee jongens [Krishna en Balarâma].'
(7) S'rî Garga zei: 'Ik ben, zoals iedereen weet, de leraar van het voorbeeld van de Yadu's; altijd hebben de zonen met mij de zuiveringsriten ondergaan, maar in uw geval zouden de mensen ervan kunnen denken dat we dat deden voor de zoon van Devakî. (8-9) Kamsa, die grote zondaar, met uw vriendschap met Vasudeva in gedachten en het feit dat het achtste kind van Devakî niet een meisje kan zijn, zou, met de notie die hij nam van het bericht van Devakî's dochter [Durgâ 10.4: 12], zelfs kunnen overwegen het ter dood te brengen en derhalve is het niet verstandig voor ons om dat te gaan doen.'
(10) S'rî Nanda zei: 'Voer dan zonder dat hij of zelfs maar mijn verwanten er weet van hebben nu hier ter plekke op een afgezonderde plaats, in de koeienstal, het tweedegeboorte zuiveringsritueel uit met de heilbrengende zang van de klassieke hymnen.'
(11) S'rî S'uka zei: 'Op dit dringende verzoek voerde de geleerde man voor de twee jongens in geheime afzondering de naamgevings-plechtigheid uit waarvoor hij was gekomen. (12) S'rî Garga zei: 'Deze hier inderdaad is de zoon van Rohinî die met Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten er is voor het genoegen van al de Zijnen en om die reden Râma zal heten; zo ook zal Hij bekend staan als Bala vanwege Zijn buitengemene kracht en zal Hij voor het feit dat Hij de beide families verenigt [van Nanda en Vasudeva, zie ook 10.2: 8] ook wel Sankarshana heten [de samenbrenger]. (13) Er zijn drie kleuren die uw zoon heeft aangenomen in het aanvaarden van gedaanten overeenkomstig de yuga: wit, rood alsook geel en nu is Hij Krishna [donker van kleur, zie **]. (14) Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva. (15) Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten naar de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik heb daar weet van, maar de gewone man weet het niet. (16) Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder; door Hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3]. (17) In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (18) Zoals degenen trouw aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen zij die zo fortuinlijk zijn jegens dit kind te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (19) Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!'
(20) S'rî S'uka zei: 'Nadat Garga hen aldus volledig op de hoogte had gesteld van de Allerhoogste Ziel [zoals die zich met de twee jongens had gemanifesteerd] en naar zijn eigen plaats was vertrokken, beschouwde Nanda zichzelf, gezegend met al het fortuinlijke, een zeer gelukkig man. (21) Een tijdje later waren in Gokula Râma en Kes'ava [Krishna] op hun handjes en knietjes rondkruipend van hun jeugd aan het genieten. (22) Zij, als slangen door de modder van die koeienplaats kruipend produceerden, met hun voetjes achter zich aan slepend, een lief geluid met hun enkelbelletjes, maar bekoord door de geluiden enthousiast achter andere mensen aankruipend, werden ze bang en keerden ze snel weer terug naar hun moeders. (23) De moeders met het omarmen van de door de modder schattig gekleurde lichaampjes lieten hen dan drinken van de melk die vanuit de grote liefde voor ieder van hun zoontjes uit hun borst vloeide, en als ze, terwijl ze zoogden, in hun mondjes keken waren ze als de hemel zo gelukkig om de doorkomende tandjes te ontdekken. (24) Van binnen hun huizen de kinderen gadeslaand die buiten in Vraja aan het spelen waren vergaten ze lachend hun huishoudelijke taken geamuseerd bij de aanblik van hun beiden die met het vastgrijpen van de uiteinden van de staarten van de kalfjes zich in het rond lieten slepen. (25) In hun onvermoeibare spelen bezig met de koeien, met vuur, met scherpgetande beestenmuilen, met zwaarden, water, vogels en doornen, raakten de moeders ontmoedigd als ze, met het doen van hun huishouding, er niet iets op konden vinden ze een halt toe te roepen. (26) Binnen de kortste keren, o Koning, begonnen Râma en Krishna met gemak zonder de hulp van hun knietjes op enkel hun twee beentjes in Gokula rond te lopen. (27) Daaropvolgend wekte de Allerhoogste Heer, in Zijn samen met Balarâma blij spelen met andere kinderen in Vraja, bij de dames van Vraja een hemelse verrukking op. (28) De gopî's, die met ogen voor Krishna er enkel op belust om telkens weer opnieuw over Zijn kinderstreken te vernemen, kwamen bijeen in de aanwezigheid van Zijn moeder en zeiden: (29) 'Hij heeft eens zonder dat het er de tijd voor was de kalveren losgelaten en zat toen te lachen over de woede die daarover bestond; op één of andere manier stal Hij en at Hij uit de potten de smakelijke yoghurt, melk en boter en gaf Hij de apen ieder ervan een deel te eten; als die [zat zijn en] niet meer willen eten breekt hij de pot en als Hij niets kan vinden [om de apen te eten te geven] gaat Hij boos op de mensen in het huis de babytjes knijpen. (30) [Met de potten] buiten Zijn bereik opgehangen vindt Hij er wat op door dingen op te stapelen of een stampblok om te keren en weet Hij de inhoud te bereiken door een gat te maken in de hangende pot. De tijd afwachtend dat de gopî's druk bezig zijn met hun huishoudelijke bezigheden, weet Hij Zijn weg te vinden in een donkere kamer met genoeg licht om te zien van de stralende juwelen op Zijn lichaam! (31) Hij is zo stout dat Hij soms vrijelijk plast op een schoon plekje in onze huizen en die slimme, vindingrijke dief zit daar nu als een lief jongetje!' Aldaar bijeen bespraken de gopî's al dit soort zaken, maar als ze Hem voor zich zagen zitten, bang kijkend met Zijn mooie gezichtje, konden de gopî's blij om Hem te zien met hun klachten tegen Hem ingebracht enkel glimlachen en zich vermaken en konden ze waarlijk niet boos op Hem zijn. (32) Op een dag, toen Hij wat ouder was, kwamen Balarâma en de andere kinderen uit de buurt om Zijn moeder te zeggen: 'Krishna heeft aarde gegeten!'
(33) Yas'odâ bezorgd over Zijn welzijn nam Krishna berispend bij de hand en keek bezorgd in Zijn mondje om Hem aan een nader onderzoek te onderwerpen en zei: (34) 'Waarom heb jij, ongehoorzame jongen, stiekem modder gegeten, wat hoor ik nu van Je oudere broertje en je speelkameraadjes?'
(35) 'O mammie ik heb geen modder gegeten, ze hebben het helemaal verkeerd; als dat wat zij zeggen waar zou zijn, kijk dan nu meteen in Mijn mond!'
(36) 'Doe Je mondje dan maar eens wijd open als dat zo is', droeg ze Hem op en Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer wiens weelde onbegrensd is, opende toen, in Zijn spel als een mensenkind, Zijn mond. (37-39) Binnenin Zijn mond zag ze [voor de tweede keer, zie hoofdstuk 10.7: 35-37] het hele universum met alle bewegende en niet-bewegende levensvormen en de hemel in alle richtingen, de bergen, de continenten, de oceanen, de oppervlakte van de aarde, de waaiende wind, het vuur, de maan en de sterren. Ze zag de planetenstelsels, de wateren, het licht, het uitspansel met de hele buitenruimte en al die [godheden] gebonden aan verandering, de zinnen, de geest en de drie geaardheden. De schakering van dat alles ziend tezamen met de tijd van leven van iedere ziel, de natuurlijke instincten, het karma, wat er allemaal begeerd wordt en de verschillende subtiele lichamen, met inbegrip van Vraja en haarzelf binnenin de wijd open mond van het lichaam van haar zoontje, deed haar vol ongeloof versteld staan: (40) 'Is dit allemaal een droom, een waanidee van God of misschien een drogbeeld van mijn eigen intelligentie, of zou anders dat wat ik zie een of ander yogafenomeen zijn eigen aan mijn kind? (41) Omdat ik, voor zover ik dat kan zien, niet vermag te begrijpen wat allemaal het bewustzijn, de geest, het handelen en de woorden te boven gaat, geef ik mezelf over aan de voeten van Hem buiten mijn gezichtsbereik onder wiens gezag ik leef en door wie ik kan ontwaken. (42) In het idee van ik als hebbende deze echtgenoot en die zoon, als zijnde de echtgenote die het allemaal zou bezitten met de heerser van Vraja, met al de gopî's en gopa's onder mijn gezag met de koeien en de kalveren, heb ik het helemaal bij het verkeerde eind omdat alleen maar Hij mijn vooruitgang is [zie 5.5: 8, 7.9: 19 en B.G. 5: 29].' (43) Nadat ze op deze manier haar werkelijkheid had begrepen zoals die was, bereidde Hij, de Heer, voor die dame van leiding over de gopî's [wederom] Zijn bijzondere genade als Vishnu zodat zij, met haar genegenheid voor haar zoontje, aangetrokken kon zijn tot de Almachtige. (44) Met de herinnering [aan het visioen] abrupt verdwenen zette zij, de gopî, geraakt in haar hart haar zoontje op haar schoot met een liefde hersteld naar de situatie zoals die voorheen was geweest. (45) Door de drie [Veda's] en ook door de filosofische oefeningen [de Upanishads], de yoga-analyse [sânkhya-yoga] en door middel van de toegewijden [pañcarâtra's] wordt de Heer verheerlijkt in al Zijn grootheid, maar zij dacht simpelweg over Hem na als zijnde haar zoon.'
(46) De achtenswaardige koning zei: 'Wat waren de vrome handelingen [zie B.G. 7: 16] o brahmaan, volbracht door Nanda en Yas'odâ, van wiens moedermelk de Heer dronk, waardoor ze de hoogste vervolmaking bereikten van het aldus gezegend zijn? (47) Zelfs niet Zijn eigen vader en moeder konden van de verheffende kinderavonturen van Krishna genieten die de ongerechtigheid van de wereld wegnemen en welke zelfs vandaag de dag nog worden bezongen door de intelligenten!'
(48) S'rî S'uka zei: 'Drona, de beste der goddelijken [de Vasu's] zei samen met zijn vrouw Dharâ in het verleden tot Heer Brahmâ, enkel om uit te vinden wat zijn opdracht was: (49) 'Mogen wij [als Zijn ouders] geboorte nemen op deze aarde om, terwille van de grootheid van God, er te zijn in toegewijde dienst voor de Heer, de Heerser van het ganse Universum, die het uiteindelijke doel is in de wereld en dankzij wie moeiteloos een miserabel leven kan worden vermeden?' (50) 'Het zij zo', klonk het daarop zodat hij, de Grootheid [de Bhagavân voor de Bhagavân], Drona, die hoogst verheven ziel, geboren werd in Vraja en daar bekend stond als Nanda en zij, Dharâ, er verscheen als Yas'odâ [vergelijk 10.3: 32-45 en zie *4]. (51) O zoon van Bharata, als gevolg daarvan was er van de echtgenoot zowel als van de echtgenote en al de gopa's en gopî's, de onophoudelijke [liefde] van de toegewijde dienst voor de Heer die was verschenen als hun zoon en die een ieder het beste toewenst. (52) Om de woorden van Brahmâ gestand te doen verbleef Krishna toen samen met de almachtige [of Bala-]Râma in Vraja om, tot hun grote genoegen, Zijn spel en vermaak [Zijn 'lîlâ'] tentoon te spreiden.'
Voetnoten:
* Het Sanskriet zegt hier 'bij geboorte', maar de paramparâ benadrukt de tweede geboorte of initiatie. Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Niemand komt als een brâhmana ter wereld; iedereen wordt geboren als een s'ûdra. Maar onder de leiding van een brâhmana en door samskâra, kan men dvija worden, tweemaal geboren, en dan stap voor stap een brâhmana worden. Brahmanisme is niet een systeem bedoeld om een monopolie te creëren voor een bepaald soort mensen. Iedereen zou er toe moeten worden opgevoed een brâhmana te worden. Er moet ten minste een gelegenheid bestaan om het iedereen mogelijk te maken het doel van het leven te bereiken.' Zie ook 7.11: 35.
** Het woord Krishna betekent behalve donker nog meer, Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we het nirukti, of de semantische afleiding analyseren van het woord "Krishna," ontdekken we dat na betekent dat Hij de herhaling van geboorte en dood stopt, en dat krish sattârtha, ofwel "bestaan" betekent (Krishna vormt het geheel van het bestaan.) Ook betekent krish "aantrekking," en betekent na ânanda, of "gelukzaligheid." Zijn kleuren worden later in het elfde Canto besproken onder: 11.5: 21, 24, 27 en 34.
*3 Een van de mantra's die de Vaishnava's gebruiken om hun voedsel te offeren voor Krishna luidt:
namo brahmanya-devâya
go-brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah
'Mijn eerbetuigingen voor de godheid der brahmanen altijd bezorgd om de koeien, de brahmanen en het ganse universum; voor Krishna, Govinda, mijn respectbetoon.'
*4 Wat betreft dit verschil tussen het privilege van het zijn van de eigenlijke ouders Vasudeva en Devakî en het zijn van Zijn pleegouders Nanda en Yas'odâ, legt Prabhupâda uit dat er twee soorten van siddha's, vervolmaakte of bevrijde zielen zijn: nitya siddha's en sâdhana siddha's: zij die eeuwig zijn bevrijd zoals Nanda en Yas'odâ en die Krishna's eeuwige metgezellen zijn of expansies van Krishna's persoonlijke lichaam, en die normale levende wezens die een bijzondere positie verwerven door gedurige sâdhana, de spirituele praktijk van het uitvoeren van vrome handelingen en het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst.
Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast
(1-3) S'rî S'uka zei: 'Op een dag, toen de dienstmaagden druk waren met andere zaken, karnde en maakte moeder Yas'odâ, Nanda's koningin, persoonlijk al het dikke van de melk [de yoghurt en de boter]. Voor de tijd dat ze aan het karnen was zong ze liedjes over wat ze zich allemaal kon herinneren van de dingen die haar zoon had gedaan. (3) Gekleed als ze was in linnen dat bijeen werd gehouden door een ceintuur om haar bewegende heupen deinden, terwijl ze aan het karnen was, haar borsten mee die bij de tepels nat waren vanwege haar liefde voor haar zoon, en in harmonie met die beweging bewogen ook de armbanden om haar polsen en haar oorhangers terwijl, door het karwei van het trekken aan het touw van de karnstok, de transpiratie van haar gezicht liep en naar beneden viel samen met de jasmijnbloemen in haar haar. (4) Met het verlangen te drinken benaderde de Heer haar tijdens het karnen en stopte Hij, lief voor Zijn moeder zijnd, de karnstok door hem beet te pakken. (5) Zij lief voor Hem liet Hem op haar schoot om Hem van haar van liefde overlopende borsten te laten drinken en keek met een glimlach toe hoe gelukkig Hij was, maar met Hem nog niet voldaan moest ze Hem snel naast zich neerzetten en weg toen ze zag hoe een pan met melk aan het overkoken was. (6) Boos geworden bijtend op Zijn rode volle lippen brak Hij, met waterlanders, met een steen de pot waarin de boter werd gekarnd en begon Hij aan het zicht onttrokken in een zijkamertje te eten van wat er allemaal zo was gekarnd. (7) De gopî die de hete melk van het fornuis haalde keerde naar haar werkplek terug en trof de karnpot gebroken aan. Hem daar niet aantreffend kwam ze met een glimlach tot de slotsom dat het door haar kind moest zijn gedaan. (8) Staande bovenop een naar boven gedraaid stampvat deelde Hij, zich verdacht gedragend als een dief, naar Zijn zin aan een aap een portie van het melklekkers uit vanuit een neerhangende pot, terwijl zij, haar zoon van achteren in Zijn activiteiten bespiedend, Hem stapje voor stapje naderde. (9) Toen Hij haar zag naderen met een stok in haar handen klom Hij daar snel naar beneden en ging Hij er bang vandoor met de gopî achter zich aan, Hij die zelfs niet door de grootste yogi's die boetvaardig in meditatie toegang tot Hem proberen te krijgen kon worden bereikt [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Hoewel de Hem nazittende moeder, in haar hoge snelheid met de bloemen vallend uit haar haar, zwaarborstig als ze was bij haar slanke middel het langzaam aan moest doen, slaagde ze er op 't laatst toch in Hem te pakken te krijgen. (11) Toen ze zag hoe Hij als de deugniet schuldbewust aan het huilen was, Zijn ogenzwart helemaal over Zijn gezichtje smerend met Zijn handjes, was zij met Hem, die ze met Zijn angstige oogjes bij de hand had vastgegrepen, enkel van een milde terechtwijzing. (12) Zich rekenschap gevend van haar verdrietige zoontje gooide ze met een goed hart voor haar kleintje de stok aan de kant en besloot ze Hem met een touw vast te binden, niet beseffend met welk een macht ze te maken had.
(13-14) Er bestaat geen binnen- of buitenkant aan Hem, noch een begin of een einde; Hij, zowel het einde als het begin, de binnenkant zowel als de buitenkant van de ganse schepping, is die Ene Totaliteit van die schepping. Hem, de Ongemanifesteerde in de gedaante van een sterfelijke ziel, voor haar zoontje houdend, bond ze, zoals men dat met een normaal kind doet, Hem aan een stampvat vast. (15) Toen het touw dat ze gebruikte om haar ondeugende kind vast te binden te kort uitviel met een lengte van twee vingers, knoopte de gopî er een ander aan vast. (16) Toen zelfs dat te kort uitviel probeerde ze het er met nog een die eveneens, met het knopen en knopen, niet toereikend was twee vingers te kort blijvend. (17) Yas'odâ op deze manier zonder succes doorgaand met alle touw in huis, was, met al de gopî's die met de pret meededen, vol van verwondering aan het lachen. (18) Toen Hij zag hoe zeer Zijn moeder aan het zweten was met alle bloemen uit haar haar gevallen en hoe vermoeid ze raakte, was Krishna zo genadig er in toe te stemmen te worden vastgebonden. (19) Mijn beste, hiermee liet de Heer in feite zien hoe Hij, Krishna, door wie inderdaad het hele universum met al zijn halfgoden wordt beheerst, zich gewonnen geeft voor hen [de toegewijden] die zich schikken naar Zijn wensen [vergelijk 7.3: 14-21]. (20) Noch Heer Brahmâ, noch Heer S'iva noch de Godin van het Geluk ondanks het feit dat ze aan Zijn zijde verkeert, kan van de Schenker der Uiteindelijke Bevrijding de soort van genade bereiken die de gopî verwierf. (21) De Allerhoogste Heer, de Zoon van de Gopî, kunnen zij die gebonden zijn aan het fysieke [de geldmensen, de profijtzoekers], de jñâni's [de boekenwurmen, de transcendentalisten] of zij die enkel op de ziel uit zijn [de escapisten, de impersonalisten] niet zo gemakkelijk voor zich winnen als zij die in deze wereld van bhakti [ofwel de toegewijde dienst] zijn [zie ook B.G. 11: 54 en 18: 16].
(22) Onderwijl, toen Zijn moeder zeer druk bezig was in haar huishouding, zag de Heer twee arjunabomen buiten die, als de zonen van hem die de weelde schenkt [Kuvera], halfgoden waren geweest [Yaksha's]. (23) Ze stonden voorheen bekend als de zeer vermogende Nalakûvara en Manigrîva, maar waren vanwege hun inbeelding door Nârada vervloekt te veranderen in bomen.'
De Verlossing van de Zoons van Kuvera
(1) De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.'
(2-3) S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen. (4) De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes. (5) En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (6) Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet. (7) Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend. (8) Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte], een fraai lijf, scholing en rijkdom] en dat alles waarin men belangstelt in vrouwen,wijn en gokken. (9) In die positie dieren dodend denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (10) Het lichaam echter, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die dermate [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]? (11) Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs? (12) De vraag is: wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen [de dieren] zouden, het lichaam voor hun ware zelf houdend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]? (13) Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen, omdat een behoeftig man, vergeleken met anderen, veel beter in staat is om de dingen te zien zoals ze zijn [*]. (14) Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt. (15) Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan er over; dat, de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen is voor hem inderdaad de beste verzaking. (16) Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de keerzijde vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen. (17) Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (18) Zou het de zaak van de heiligen [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15] (19) Derhalve zal ik van deze rokkenjagende dronkaards, die door het drinken van vârunî arrogant verblind zijn met de weelde en zichzelf niet meer onder controle hebben, deze bedriegelijke eigenwaan wegnemen. (20-22) Omdat deze twee zonen vanweghe hun wereldse gemakken dermate in beslag werden genomen door de geaardheid onwetendheid en zich er in hun trots, onverschillig naar getuigen toe, niet om bekommerden hun lichamen te bedekken, verdienen ze het onbeweeglijk te worden [als bomen] zodat ze niet nog eens zo zullen worden. Daarenboven is het mijn genade dat hun heugenis mag voortduren en is het mijn bijzondere gunst dat ze na een honderdtal jaren gerekend naar de goden [: een dag is een jaar] de persoonlijke omgang verwerven met Vâsudeva zodat ze weer opnieuw hun hemelse leven kunnen oppakken met het herleven van hun bhakti.'
(23) S'rî S'uka zei: 'De devarishi na zich aldus te hebben uitgelaten liet die plaats achter zich op weg naar Nârâyana-âs'rama [zijn eigen plaats], Nalakûvara en Manigrîva achterlatend om in een stel arjunabomen [***] te veranderen. (24) [en nu..] Om de woorden van de ziener, Zijn allerbeste toegewijde, gestand te doen bewoog de Heer [aan het stampvat gebonden] zich heel langzaam naar de plek waar de twee arjunabomen stonden. (25) [Hij dacht:] 'De devarishi is Mij hoogst dierbaar en hoewel deze twee werden geboren in het huis van een rijkaard zal Ik niettemin alleen om die reden gevolg geven aan de woorden zoals gesteld door de grote ziel.' (26) Met dat besluit bewoog Krishna zich tussen de arjuna's door en kwam daarmee het stampvat overdwars vast te zitten. (27) De jongen die het houten stampvat dat aan Zijn buik was vastgebonden achter zich aan sleepte, trok met grote kracht de twee bomen omver die door Zijn superieure macht zwaar schudden en met stam, takken en bladeren, onder een donderend geraas naar beneden kwamen met de wortels naar boven [*4]. (28) En op diezelfde plek kwamen vanuit de twee bomen toen schitterend prachtig, aan alle kanten stralend, twee personen als het vuur zelve tevoorschijn, die Krishna met gevouwen handen en het hoofd gebogen hun eerbetuigingen brachten, terwijl ze voor de Heer van de Ganse Wereld volkomen gelouterd het volgende uitbrachten: (29) 'Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, U bent de grondoorzaak, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije van deze wereld, van deze schepping grofstoffelijk en subtiel, die de brahmanen kennen als Uw gedaante. (30-31) U bent de Ene voor alle levende wezens, U bent de meester van de levenskracht, van het lichaam, van de ziel en van de zinnen; U bent inderdaad de tijd, de Allerhoogste Heer Vishnu, de Onvergankelijke Beheerser. U als de Grootste, de kosmische schepping èn het subtiele, bestaande uit de hartstocht, de goedheid en de traagheid, bent voorwaar de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Eigenaar, de kenner van de rusteloze geest in alle bereiken. (32) Wie, opgesloten in een lichaam met een geest in beroering door de geaardheden der natuur, is in staat om U te kennen die niet beperkt bent tot een lichaam; wie nu alhier overdekt door de geaardheden, is U waardig die reeds vóór de schepping bestond? (33) Daarom voor U, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Oorsprong der Schepping, voor U wiens eigen licht wordt overdekt door het grote van Uw natuurlijke geaardheden, voor het Brahman [de binnen- en de buitenkant], onze respectvolle eerbetuigingen. (34-35) Van het niet-materiële van Uw verschillende belichamingen als avatâra's, kunnen we stukje bij beetje getuige zijn van de onvergelijkelijke, onbegrensde macht die buiten het bereik ligt van diegenen die belichaamd zijn. Die zelfde Heerlijkheid, die Meester Weldoener aanwezig voor de verlossing en verheffing van iedereen, is nu verschenen met al Zijn vermogens en expansies! (36) Ons respect voor de Hoogste Deugd, ons respect voor de Opperste Goedgunstigheid; voor Vâsudeva, de Vredige, voor de Meester der Yadu's, ons eerbetoon. (37) Mogen wij, die door de genade van de rishi, die meest intieme toegewijde, als dienaren U mochten zien, de Allerhoogste Heer in eigen persoon, onze levens weer oppakken, o Grootste Universele Gedaante? (38) Mogen onze woorden altijd Uw wederwaardigheden betreffen, mogen onze oren staan naar de verhandelingen over U, mogen onze ledematen voor U werkzaam zijn, moge de geest steeds Uw lotusvoeten indachtig zijn, mogen onze hoofden buigen voor U, de Alles-doorvarende, mogen onze blikken gericht zijn op de waarachtigen [de Vaishnava's m.n.] en mogen wij hen allen zien als niet verschillend van U!'
(39) S'rî S'uka zei: 'Op deze wijze verheerlijkt door de twee sprak de Opperheer, de Meester van Gokula die met een touwen was vastgebonden aan het stampvat, glimlachend tot de guhyaka's. (40) De Allerhoogste Heer zei: 'Alles wat zich in het verleden van dit voorval met Nârada voordeed is Mij bekend: welk een grote gunst verleende hij u zo aardig voor u zijnde toen hij u verloekte vanwege uw blind gevallen zijn in het verzot zijn op de weelde. (41) Zoals de ogen van een persoon die de zon is toegewend [vrij zijn van duisternis] raakt men eenvoudigweg bevrijdt door in de aanwezigheid te verkeren van de geheiligden die allen gelijkgezind zijn, van personen mij ten volle toegedaan, verlost van alle gebondenheid. (42) Nu, jullie rieten [*5] van Kuvera, doordrongen van de liefde jegens Mij, keer naar huis terug met Mij als de Hoogste Bestemming, Mij, het Opperste van uw verlangen, van wie men nimmer meer terugkeert [zie ook B.G. 5: 17].'
(43) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken liepen de twee terwijl ze voortdurend baden om Hem heen die aan het stampvat was gebonden, en namen zij afscheid vertrekkend in de noordelijke richting [waar Kailâsa is].'
Voetnoten:
*: Hierbij geeft Prabhupâda het commentaar: 'Er is een verhelderend verhaal genaamd punar mûshiko bhava, "Opnieuw een Muis Worden." Er was er eens een muis die zeer geplaagd werd door een kat, en daarom benaderde die muis een geheiligde persoon om te vragen of hij een kat mocht worden. Toen de muis een kat werd, werd hij geplaagd door een hond, en toen hij een hond werd, werd hij belaagd door een tijger. Maar toen hij een tijger werd staarde hij naar die heilige, en toen de gelouterde ziel hem vroeg, "Wat wil je nu?" zei de tijger, "Ik wil u opvreten." Toen vervloekte die gezuiverde persoon hem, zeggende, "Moge u weer een muis worden".'
**: In feite is systematische honger of geregeld vasten voor de toegewijden een standaardprocedure . Ze vasten geregeld voor de duur van een dag zoals met ekâdasi: iedere elfde dag na de nieuwe en volle maan vast de Vaishnava van granen en bonen en chant hij. De moderne medische wetenschap bevestigt dat regelmatig vasten, of systematische honger iemands levensduur verlengt. Zie ook 8.16: payo vrata, het vasten van vast voedsel als het beste van alle offers.
***: Arjuna bomen treft men nog steeds in de bossen aan. De bast word door cardiologen gebruikt om medicijnen te vervaardigen tegen hartaandoeningen.
*4: Het is vanwege deze dâmodara-lîlâ dat Heer Krishna als kleuter soms Dâmodara wordt genoemd: aan de buik gebonden [zie ook de bhajan damodarâstaka].
*5: 'Rieten' heeft betrekking op het hol zijn van de overgave.
Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen
(1) S'rî S'uka zei: 'De koeherders onder leiding van Nanda die het tumult hoorden van de bomen die neervielen gingen, bang dat het de donder was, naar de plek des onheils, o beste van de Kuru's. (2) Daar de twee arjuna's op de grond gevallen aantreffend hadden ze er stomverbaasd geen idee van wat de oorzaak zou zijn van dit klaarblijkelijke ter aarde storten. (3) Wie zou dit gedaan hebben? Het kind, het houten stampvat achter zich aanslepend aan Hem vastgebonden met het touw? Hoe kon zoiets wonderbaarlijks zich hebben afgespeeld? Ze stonden versteld. (4) De andere kinderen zeiden: 'Hij heeft het gedaan, met de vijzel overdwars tussen de bomen in getrokken! En er waren ook twee personen. We hebben het met eigen ogen gezien!' (5) Ze konden niet geloven wat ze zeiden, 'Dat kan niet 't geval zijn; hoe kan nu zo'n klein kind die bomen ontworteld hebben?', maar sommigen van hen twijfelden bij zichzelf [en achtten het heel goed mogelijk]. (6) Toen hij zag hoe zijn zoon met het touw vastgebonden zat aan de grote vijzel moest Nanda glimlachen en maakte hij Hem los.
(7) Door de gopî's aangemoedigd zong bij tijden de Allerhoogste Heer zich voor de domme houdend en leidde Hij ze zo om de tuin alsof Hij een gewoon kind zou zijn dat ze als een marionet onder hun controle hadden. (8) Soms als erom gevraagd werd bracht Hij een houten kruk, een maatbeker of schoenen, voor de grap voor Zijn verwanten op Zijn armen slaand [alsof Hij een sterke kerel was]. (9) Opdat de hele wereld het zou weten liet Hij zien hoezeer de Opperheer zich voor Zijn dienaren gewonnen geeft, door als een kind bezig zijnd naar ieders genoegen te handelen in Vraja.
(10) 'O mensen hier in de buurt, haal uw fruit!', hoorde aldus Krishna een fruitverkoopster uitroepen, en snel wat graankorrels grijpend haastte de Onfeilbare, de Schenker van alle Vruchten, Zich derwaarts om fruit te gaan kopen. (11) Wat Hij te bieden had was uit de palmen van Zijn handjes op de grond gevallen, maar de fruitdame vulde ze [niettemin] met vruchten. In ruil vulde zich de gehele mand voor de vruchten zich met goud en juwelen!
(12) Na het voorval met de arjuna's riep Rohinî Devî eens om Krishna en Râma die aan de rivieroever hadden de tijd uit het oog hadden verloren in hun spel met de andere kinderen. (13) Toen de zoons opgegaan in hun spelletjes niet reageerden op haar oproep, stuurde Rohinî moeder Yas'odâ achter hen aan met haar liefdevolle zorg voor de zoontjes. (14) Roepend om Krishna, haar zoon en de andere jongetjes waar Hij zo laat nog mee aan het spelen was, vloeide in haar liefde de melk uit haar borsten. (15) 'Krishna, o Krishna mijn lotusoogje, o liefje, stop met spelen, drink wat melk; Je bent vast moe en hongerig mijn zoon!' (16) O Râma, kom nu meteen alsJeblieft samen met Je jongere broertje, o liefde van de familie, Je hebt zo genoten van Je ontbijt vanmorgen, dus wil je vast nog wel wat meer! (17) O Dâs'ârha ['de dienstbaarheid waardig'], de koning van Vraja wil graag eten en wacht op Jullie beiden, kom hier, wees zo lief en laat de andere jongens naar hun huis toe gaan. (18) Je zit helemaal onder het vuil mijn zoon, kom Je nu wassen; het is vandaag de dag van Je geboortester, wees schoon en dan gaan we koeien weggeven aan de brahmanen! (19) Kijk, zie hoe de jongens van Jouw leeftijd, gewassen door hun moeders, allemaal netjes gekleed zijn, zo moet Jij ook met een bad en na gegeten te hebben met hun plezier hebben in Je beste kleren.' (20) Yas'odâ op deze manier in haar intense liefde de Hoogste van hen Allen als haar zoon beschouwend, o heerser der mensen, nam Krishna en Râma bij de hand en bracht ze toen naar huis om ze toonbaar te krijgen.
(21) S'rî S'uka zei: 'De oudere gopa's die zich vergewist hadden van de ernstige onregeldheden in het Grote Woud, belegden een vergadering met Nanda om te bespreken wat er gaande was in Vraja. (22) Daar liet Upânanda [Nanda's oudere broer], de oudste en wijste met de grootste ervaring, zich uit over wat gezien de tijd en omstandigheid met Râma en Krishna het beste zou zijn om te doen: (23) 'Wij allen die ons Gokula de beste plaats wensen om te wonen, zouden van hier moeten vertrekken; vele dingen doen zich hier voor met de kwade bedoeling de jongens te doden. (24) Dat vanwege het feit dat, op de een of andere manier, bij de genade van de Here God Hij, deze jongen, werd verlost uit de greep van de Râkshasî [Pûtanâ] die hier naartoe kwam om kinderen te doden en om het feit dat de handkar Hem maar net miste toen die omviel. (25) En toen was er die duivel in de gedaante van een wervelwind, die Hem meevoerde de lucht in om vervolgens zo gevaarlijk op de rotsige bodem neer te storten, waarbij de Heer der Gelovigen Hem weer redde. (26) Noch stierf dat kind, noch andere kinderen, door de twee bomen waar Hij tussen was geraakt; zelfs toen werd Hij gered door de Onfeilbare. (27) Zolang als de duivel ons hier lastig valt kunnen we niet in deze koeienplaats blijven en moeten we voordat het te laat is in het belang van de jongens van hier vertrekken; laten we, met z'n allen, naar elders verhuizen. (28) Er is een ander bos genaamd Vrindâvana [het 'groepjes bos' *] met veel nieuw groen dat een zeer geschikte plek is voor gopa, gopî en koe met zijn serene rotsformaties, een rijke schakering aan planten en veel gras. (29) Laten we daarom meteen allemaal vandaag nog daar naar toe gaan en onze tijd niet verspillen, maak de karren klaar en ga samen op weg met de weelde van onze koeien voorop - als jullie het hier mee eens kunnen zijn dan.'
(30) Toen ze dat hoorden zeiden al de gopa's eenstemmig 'Juist zo, dat is goed', en begonnen ze de koeien samen te brengen en hun bezittingen op te laden. (31-32) De ouden van dagen, de vrouwen en de kinderen kwamen met de grootste zorg als eersten aan de beurt en vervolgens, o Koning, vertrokken met al hun levensbehoeften op de ossenkarren de gopa's compleet met hun bogen en pijlen samen met de priesters en de koeien voor zich uit, onder het luide geschal in de wijde omtrek van hun hoorns en trompetten. (33) De gopî's fraai uitgedost met al het goud om hun nekken en met hun lichamen opgesierd met verse kunkum, zongen met veel plezier tijdens de rit op de karren over Krishna's spel en vermaak. (34) Yas'odâ en Rohinî, tezamen gezeten op één kar prachtig met Krishna en Balarâma, waren zeer gelukkig de verhalen te horen die ze zongen. (35) Vrindâvana bereikend, waar het prettig toeven is in alle seizoenen, vormden ze een afscherming voor de koeien door de karren maanvormig in een halve cirkel te plaatsen. (36) O heerser der mensen, toen Râma en Mâdhava Vrindâvana zagen met de heuvel Govardhana en de oevers van de Yamunâ, waren ze in hun nopjes zo blij. (37) Al de bewoners van de koeiengemeenschap [het nieuwe Vraja] waren aldus verrukt over het kinderspel en de gebroken taal van Zij die in de loop van de tijd oud genoeg waren om zorg te dragen voor de kalveren. (38) In de omgeving van het grondgebied van hun Vraja hoedden Ze samen met de andere jongens die leefden voor de koeien, de kalfjes, op verschillende manieren zich vermakend met allerlei gespeel. (39-40) Soms op hun fluiten blazend, soms met een slinger gooiend [voor de vruchten], soms met hun voeten bewegend voor het getinkel [van hun enkelbelletjes], soms koetje en stiertje spelend, hard loeiend de dieren nadoend die met elkaar aan het vechten waren en soms de geluiden van andered dieren imiterend, zwierven ze rond als twee gewone kinderen.
(41) Op een dag aan de oever van de Yamunâ hun kalveren hoedend met hun speelkameraadjes kwam er daar een demon [Vatsâsura] met de bedoeling Krishna en Balarâma te doden. (42) Hem in de gaten krijgend die onder het aannemen van de gedaante van een kalf zich had gemengd onder de andere kalveren, vestigde de Heer de aandacht op hem naar Baladeva gebarend, terwijl Hij ondertussen onopvallend zich langzaam in zijn richting bewoog. (43) Hem samen met zijn staart bij de achterpoten vattend slingerde Acyuta hem hard in het rond en gooide Hij hem levenloos bovenin een kapittha boom [**] alwaar het lichaam van de demon tot een gigantisch formaat uitdijde en toen, samen met de boom, dood op de grond smakte. (44) De jongens die dit voorval allen had gadegeslagen waren hogelijkst verwonderd en prezen Hem hoog, uitroepend: 'Goed gedaan, goed zo!', en de goden lieten tevreden een regen van bloemen op Hem neerdalen. (45) Zij, de Ene Beschermers van Al de Werelden die waren veranderd in de beschermers van de jongeren, voltooiden die ochtend hun ontbijt en trokken verder de kalveren hoedend.
(46) Met ieder van hen verantwoordelijk voor zijn eigen groepje kalveren arriveerden ze op een dag bij een waterplaats om de dieren te drenken waarna ook zij dronken van het water. (47) Daar zagen ze recht voor zich een gigantische gestalte die, als een door de bliksem getroffen, naar beneden gevallen bergpiek, hen schrik aanjaagde. (48) Het was van een demon genaamd Bakâsura, een enorm monster die de gedaante had aangenomen van een gigantische reiger [een baka ***]; van waar hij was verzwolg hij allermachtigst zo maar opeens Krishna met zijn scherpe snavel. (49) Ziend hoe Krishna door de reiger werd opgeslokt waren al de jongens met Râma voorop verbijsterd en stonden ze geheel overweldigd stomverbaasd te staren. (50) Hij, die zoon van een koeherder, de Gebieder van de Heer van het Universum, begon diep in zijn keel te branden als een vuur en werd terstond weer kwaad losgelaten zonder een schrammetje, waarop de reiger meteen weer probeerde om Hem met zijn scherpe snavel te doden. (51) Hij met Bakâsura opnieuw in de aanval, ving de snavel van die vriend van Kamsa op met Zijn armen, waarna Hij als de Meester der Waarachtigen in dienst van de bewoners van de hemel, voor ogen van de jongens, die bek uiteenreet met het gemak waarmee men een grassprietje doormidden splijt. (52) Op dat moment strooiden de goden van alle werelden jasmijn en andere bloemen over Hem uit en feliciteerden ze Hem begeleid door trommels, schelphoorns en gebeden; toen ze dit zagen waren al de jongens met stomheid geslagen. (53) Zoals het is met de zinnen [als ze weer bij bewustzijn komen] kwamen, met Hem bevrijdt uit de bek van de reiger, al de jongens weer tot leven die door Balarâma werden aangevoerd. Bevrijd van het gevaar omhelsden ze Hem en keerden ze, na hun kalveren te hebben verzameld, terug naar Vraja, alwaar ze luidruchtig melding maakten [van wat zich had voorgedaan]. (54) De gopa's en hun gopî's stonden, nadat ze al de verhalen aangehoord hadden, versteld, en waren zielsverrukt niet in staat hun ogen af te wenden van de jongens die door hen gretig werden aangestaard alsof ze uit de dood waren opgestaan. (55) Hoe wonderlijk dat deze jongen, die al zo vaak met de dood was bedreigd, er nog steeds was, terwijl zij die angst hadden aangejaagd zelf allemaal de dood hadden gevonden. (56) Hoewel ze op Hem afkwamen met de bedoeling deze jongen te doden, was geen van hen die zich in hun kwaadaardigheid zo grotesk vertoonden erin geslaagd; Hem belagend vonden ze allen, als vliegen in het vuur, de dood. (57) Hoe opmerkelijk dat de woorden van de kenners van het Brahman zich nimmer als onwaar bewijzen; dat wat door de hoogste meester [Garga] was voorspeld had zich precies zo voorgedaan [zie 10.8: 8-9]! (58) En zo waren al Nanda's gopa's er verrukt over telkens weer de verhalen te vertellen over Krishna en Balarâma en genoten zij met die praktijk van hun levens zonder dat ze ooit tegen de pijnen van de wereld opliepen [zie ook 1.7: 6]. (59) Op deze manier brachten ze hun jeugd door in de koeiengemeenschap met verschillende soorten van kinderlijk tijdverdrijf als verstoppertje spelen, dammen bouwen en in de rondte springen alsof ze apen waren.
Voetnoten:
*: Vrindâvana is gelegen tussen Nandes'vara en Mahâvana.
** De kapittha word soms kshatbelphala genoemd. Het vruchtvlees is zeer smakelijk. Het is zoet-zuur en geliefd bij iedereen.
***: De reiger is een zeer slimme vogel, vol van list, bedrog en opzet en staat zo model voor de hypocriet, de bedrieger, de schurk.
Het Einde van de Demon Aghâsura
(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag vatte de Heer het plan op om te gaan picknicken in het bos. Vroeg in de ochtend opgestaan wekte Hij Zijn kameraadjes en de kalfjes door fraai op Zijn hoorn te blazen. Daarna vertrokken ze vanuit Vraja terwijl ze hun groepjes kalveren voor zich uit dreven. (2) Zij allen in hun sas, prachtig stralend samen met Hem eropuit trekkend met hun herdersstaven, hoorns, fluiten en de vele kalveren die ieder van hen had en die samen wel meer dan duizend stuks bedroegen, boden een hoogst aantrekkelijke aanblik. (3) Met Krishna's eigen kalfjes erbij hadden zich er niet te tellen hoe veel verzameld en samen met hen genoot Hij toen, her en der [in het woud], opgaand in hun jongensspelletjes. (4) Hoewel ze met kleurige steentjes, schelpen, goud en parels reeds waren opgesierd, maakten ze ook gebruik van vruchten, groene bladeren, bossen prachtige bloemen, pauwenveren en grondkleuren om zichzelf te verfraaien. (5) Elkaars eigendommen weggrissend wierpen ze die op een afstand van degene die zich erom bezorgde en werden ze door hen die hem zagen aankomen verder overgegooid, maar dan weer met een lach teruggegeven. (6) Als Krishna wegdwaalde met oog voor de schoonheid van het woud maakten ze lol door met 'ik was 't eerst, ik was 't eerst', te proberen Hem aan te raken. (7-11) Sommigen bliezen op hun fluiten, sommigen schalden hun hoorns, sommigen zoemden mee met de hommels en anderen deden de koekoeken na. Sommigen holden achter de schaduwen van de vogels aan, sommigen schreden elegant met de zwanen of zaten met de eenden net zo stil of dansten met de pauwen. Ze zochten naar jonge aapjes en sprongen samen met hen tussen de bomen op de manier zoals zij tussen de bomen heen en weer slingerden. Ze sprongen samen met de kikkers mee nat rakend in het water, lachten om hun schaduwen en dreven de spot met hun eigen echo's. Op deze manier genoten ze van de verdienste van hun voorgaande levens in vriendschap met Hem die voor hen die in mâyâ verstrikt zijn de Allerhoogste Goddelijkheid is, die voor de transcendentalisten die het aanvaardden om van dienst te zijn, bijgevolg het spiritueel geluk is [zie * en 1.1: 2, 1.7: 6 en 2.1: 6]. (12) Ookal zijn ze vele levens lang vol van boete, dan nog bereiken yogi's bedreven in de zelfbeheersing niet het stof van Zijn lotusvoeten; hoe fortuinlijk zijn dan niet de bewoners van Vraja voor wie Hij daadwerkelijk persoonlijk aanwezig het voorwerp werd van hun persoonlijke getuigenis?
(13) En toen verscheen hij, genaamd Agha ['de kwaadaardige'], daar ten tonele, een grote demon die de aanblik van hun gelukkige tijdverdrijf niet kon verdragen en wiens levenseinde steeds door al de onsterfelijken, ondanks de nectar die ze dronken, werd afgewacht. (14) De jongens ziend aangevoerd door Krishna dacht de door Kamsa gezonden Aghâsura, die de jongere broer was van Bakî [Pûtanâ] en Bakâsura: 'Dit moet de moordenaar zijn van de twee die samen met mij ter wereld kwamen; dus omwille van hen, laat me dan nu Hem en Zijn jongetjes om zeep helpen! (15) Als dezen voor mijn broer en zus het sesamzaad en het water zijn geworden voor hun begrafenisrituelen, zullen alle inwoners van Vraja bij elkaar met hun levenskracht verdwenen dood zijn; beschouwen zij in feite niet die levende wezens als werkelijk de eigenlijke belichaming van hun liefde en hun leven?' (16) Aldus vastbesloten nam hij de wonderlijke gedaante aan van een zeer, zeer grote python die zich kilometers ver uitstrekte en versperde hij, zo hoog als een berg en met een bek ver open als een berggrot, op dat moment zeer listig de weg om de picknickers te verzwelgen. (17) Met de gapende binnenkant van zijn bek, rustte zijn onderlip op de aarde en beroerde de bovenlip de hemel; zijn tanden waren als bergpieken en binnenin was het aardedonker, zijn tong leek op een brede weg, zijn adem was als een warme wind en zijn felle blik was als vuur. (18) Hem ziend in die positie bezgaen ze het allen als Vrindâvana op zijn best; voor hen was het inderdaad een sport [te doen] alsof ze naar de vorm van de bek van een python keken: (19) 'Kijk eens vrienden, een dooie python die daar voor ons ligt om ons allemaal op te slokken met zijn slangenbek wijd open, denk je ook niet? (20) Werkelijk, zo klaar als een klontje, daar heb je de bovenlip en daaronder, die grote zandbank is zijn onderlip met die roodachtige gloed... (21) En rechts en links, die holten, die zien er net uit als zijn mondhoeken, en die pieken daar, die zien d'r precies uit als de tanden van het beest. (22) Het brede pad, zo weids en lang, is als de tong en de duisternis daar tussen de bergen in, dat inderdaad is de binnenkant van zijn bek. (23) Let maar eens op hoezeer de hete wind die inderdaad als vuur naar buiten komt zijn adem is die net zo kwalijk als brandlucht stinkt van het dode vlees dat in zijn buik zit. (24) Zou dit beest er zijn om allen te verzwelgen die het wagen er binnen te gaan? Als dat zo is, dan zal hij net als Bakâsura door Hem onverwijld een kopje kleiner worden gemaakt!' en daarbij een blik werpend op het stralende gezicht van Krishna, Baka's vijand, gingen ze luid lachend, met hun handen klappend de bek binnen.
(25) Van hen horend hoe ze op verschillende manieren bezijden de waarheid aan het praten waren zonder te weten wat het was, kwam Krishna, denkend dat de rakshasa waarvan Hij wist dat die maar al te echt was maar deed alsof, tot de konklusie dat Hij, de Allerhoogste Heer, het Volkomene van alle levende wezens zich bevindend in het hart, Zijn kameraden moest tegenhouden. (26) Ondertussen waren alle jongens en hun kalveren de buik van de demon binnengegaan, maar ze werden niet verzwolgen; de Rakshasa, aan zijn dode verwanten denkend, wachtte erop dat Baka's vijand naar binnenging. (27) Krishna, voor een ieder de bron der onbevreesdheid, was ontsteld het gade te slaan en betreurde vol mededogen de gang van zaken die zich afspeelde zoals zij, die niemand anders dan Hem hadden, nu hulpeloos aan Zijn beheersing waren ontsnapt en als strootjes in het vuur van de buik van Aghâsura, die verpersoonlijking van de dood, beland waren. (28) Wat nu te beginnen; deze schurk zou er niet moeten zijn, noch zouden de onschuldige getrouwen moeten komen te overlijden; hoe kon Hij dat allebei tegelijkertijd bewerkstelligen? Zijn gedachten bij elkaar rapend wist de Heer, de Ziener van het Onbegrensde, wat hem te doen stond en ging Hij de bek binnen. (29) Op dat ogenblik riepen van achter de wolken al de goden bevreesd uit: 'Helaas, helaas!' en jubelden Kamsa en de andere lijkenpikkende vrienden van Aghâsura het uit. (30) Dat horend zette Krishna, de Allerhoogste Heer die inderdaad nooit wordt verslagen, onmiddellijk Zichzelf uit binnenin de keel van de demon [zie siddhi] die probeerde de jongens en kalveren in zijn maag te pletten. (31) Met die aktie werden al de openingen geblokkeerd en sprongen de ogen van de worstelende en kronkelende gigant uit zijn kassen; de levensadem tot staan gebracht binnenin het volledig opgevulde lichaam brak toen uit en ging weg via het schedeldak. (32) Toen alle levensadem het lichaam had verlaten en Krishna zag dat al de jongens en kalveren dood neerlagen, wekte Hij, Mukunda, de Opperheer, ze weer tot leven en kwam Hij, begeleid door hen, uit de mond weer tevoorschijn. (33) Vanuit het wellustige lijf kwam een prachtig licht voort dat op eigen kracht al de tien richtingen verlichtte; het wachtte af zich in de hemel ophoudend totdat de Allerhoogste Persoonlijkheid naar buiten kwam en ging toen, voor ogen van al de goden, Zijn lichaam binnen [sâyujya-mukti]. (34) Vervolgens deed iedereen hoogst verheugd zijn eigen bijdrage met het in aanbidding vieren van Zijn heerlijkheid [zie ook 1.2: 13]: men liet bloemen neerregenen, de zangers van de hemel zongen, de hemelse dansmeisjes dansten, alle halfgoden speelden ieder op hun eigen instrumenten en de brahmanen brachten hun gebeden. (35) De Ongeborene [Brahmâ] nabij in zijn verblijf die het wonder aanhoorde van die voor iedereen zo hoogst gunstige gebeden, zoete geluiden, liederen en gejuich voor de Ene Allerhoogste Heer, kwam daar zeer spoedig aan om getuige te zijn van de verheerlijking van God die hem versteld deed staan.
(36) O Koning, de huid van de python, uitgedroogd, was voor een lange tijd een bezienswaardigheid van Vrindâvana en werd als grot een plaats van spel en vermaak. (37) Dit voorval van dood en geboorte over de verlossing van Zijn metgezellen en de python, dat plaatsgreep toen de Heer vijf jaar oud was [kaumâra], werd pas een jaar later [pauganda] door de jongens in Vraja doorverteld alsof het diezelfde dag nog was gebeurd. (38) Het feit dat door het kleine beetje omgang met de Allerhoogste Persoon van het Brahman, van het zichtbare en onzichtbare, die voor de mensen als een kind van genade was, ook Agha werd bevrijd van alle materiële smetten en ertoe werd verheven om op te gaan in de Superziel, was in het geheel niet zo verbazingwekkend, hoe moeilijk het ook is voor hen ver bezijden de waarheid dat te bereiken. (39) Als zij, die [gelijk Aghâsura] op een of andere manier een enkele keer of zelfs met geweld maar een beeld van Hem in hun harten geïnstalleerd kregen, door Hem de bestemming toegekend krijgen, wat dan zou dat voor hen betekenen in wie Hij immer aanwezig is als de verdrijver van de illusie, altijd iedere levende ziel zo zeker het resulterende genoegen vergunnend?' "
(40) S'rî Sûta [zie 1: 12-15] zei: "Hij [Parîkchit] die werd beschermd door de God van de Yadu's [Yâdavadeva of Krishna] op deze wijze, o tweemaal geborene, horend over de o zo wonderbaarlijke handelingen van zijn redder [zie 1.8], deed aldus gefixeerd in zijn bewustzijn navraag bij de zoon van Vyâsa naar nog meer van dergelijke verdienstelijke daden. (41) De achtenswaardige koning zei: 'O brahmaan wat zich voordeed in een andere tijd, werd beschreven alsof het zich precies toen had afgespeeld, hoe kan dat zo zijn; hoe kon wat de Heer deed op vijfjarige leeftijd door al de jongens worden beschreven op Zijn zesde? (42) Ik brand van nieuwsgierigheid opdat u, o grote yogi, me er over vertelt, o goeroe, daar tot dusverre dit van de Heer schijnt te zijn voortgekomen uit werkelijk niets dan illusie [yoga-mâyâ]. (43) Als slechts maar een werelds heerser zijn we in deze wereld er zeer mee gezegend o leraar, dat we altijd mogen drinken van de nectar van uw heilzame verhalen over Krishna'."
(44) S'rî Sûta zei: "Toen hij, de man van boete, op deze manier zo door hem werd ondervraagd had hij, op het moment dat hij werd herinnerd aan de Onbegrensde, volledig het contact met zijn zinnen verloren; met moeite langzaam zijn uitwendige visie herwinnend gaf hij toen de Heer Zijn meest uitnemende, allerbeste aanhanger antwoord."
Voetnoot:
*: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Mensen zijn over het algemeen niet bekend met het geheim van het succes, en derhalve heeft S'rîla Vyâsadeva, vol van mededogen jegens de gevallen zielen in deze materiële wereld, speciaal in dit tijdperk van Kali, ons het S'rîmad-Bhâgavatam gegeven. S'rîmad-Bhâgavatam purânam amalam yad vaishnavânâm priyam (S.B. 12.13.18). Voor Vaishnava's die enigszins gevorderd zijn, of die zich volledig bewust zijn van de heerlijkheden en vermogens van de Heer, is het S'rîmad-Bhâgavatam een geliefd Vedisch boek. Per slot van rekening, moeten we van lichaam veranderen (tathâ dehântara-prâptih). Als we ons niet bekommeren om de Bhagavad-gîtâ en het S'rîmad-Bhâgavatam, weten we niet wat ons volgende lichaam zal zijn. Maar als men vasthoudt aan deze twee boeken - Bhagavad-gîtâ en S'rîmad-Bhâgavatam - kan men er zeker van zijn in het volgende leven de associatie te verkrijgen (tyaktvâ deham punar janma naiti mâm eti so 'rjuna [B.G. 4.9]). Derhalve, is de distributie van het S'rîmad-Bhâgavatam over de gehele wereld een welzijns-activiteit voor theologen, filosofen, transcendentalisten en yogi's (yoginâm api sarveshâm [B.G. 6.47]), zowel als voor de mensen in het algemeen'.
Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren
(1) S'rî S'uka zei: 'U hebt heel goede vragen gesteld en bent zo een fortuinlijk mens, o beste van de toegewijden, omdat u een nieuwe glans verleent met uw wens de verhalen over de Heer telkens weer opnieuw te willen horen. (2) Het is dit wat de waarachtigen onderscheidt die de essentie van het leven aanvaardden: dat wat het doel van het leven is, wat hun begrijpen is en waar hun geesten vol van zijn, doet, als ze het ter sprake brengen in verband met de Onfeilbare, zich voor hen ondanks de herhalingen telkens weer voor als zijnde nieuw, precies zoals voor een rokkenjager elke vrouw weer nieuw lijkt. (3) Alstublieft luister goed o Koning, ik zal u erover vertellen hoewel het een vertrouwelijke aangelegeheid is, omdat voor een liefdevolle toegewijde goeroes zelfs over verborgen zaken uitleg verschaffen.
(4) Nadat Hij al de jongens en kalveren uit de bek had gered van die dodelijke Agha, bracht de Allerhoogste Heer ze naar de oever van de rivier en sprak Hij deze woorden: (5) 'O hoe prachtig deze oever, beste vrienden, met alle gelegenheid die hij biedt om te spelen, zijn zachte schone zand, de geur van de bloeiende lotussen die de hommels aantrekt en de geluiden van de tjilpende vogels overal eromheen in de vele bomen! (6) Laten we hier eten, het is al laat en we zijn slapjes van de honger; na het drenken van de kalveren in het water, kunnen ze op hun gemak van het gras hier in de buurt eten.' (7) Zoals gezegd lieten ze de kalveren drinken van het water, brachten ze ze naar het malse gras, openden ze hun lunchpakketten en genoten ze heel gelukkig samen de maaltijd met de Allerhoogste Heer. (8) In een grote kring naar binnen kijkend met een gelukkig gezicht groepeerden de jongens van Vraja zich rondom Krishna en zagen er op die manier neerzittend in het woud zo prachtig uit als de blaadjes en bladeren die de werveling van een lotusbloem vormen. (9) Om als bord te dienen bij het eten gebruikten sommigen bloembladeren terwijl anderen zich bedienden van hoopjes bladeren, vruchten en twijgjes, hun eigen pakketten, boomschors of een stuk steen. (10) Ieder van hen liet de rest proeven van zijn eigen favoriete eten en zo hadden ze er lol in samen met de Heer hun middageten te genieten. (11) Met Zijn fluit weggestopt in Zijn gordel en de hoorn en de staf aan Zijn linker zijde, nam Hij de yoghurtrijst en de smakelijke vruchten tussen Zijn vingers. Terwijl Hij zo in het midden zat van de kring van Zijn kameraadjes maakte Hij ze aan het lachen met grappen uit eigen koker. En zo zagen de bewoners van de hemel hoe de Genieter van alle Offers opging in Zijn spel en vermaak als een kind. (12) O nazaat van Bharata, terwijl de Onfeilbare op deze manier samen met de koeherdertjes zo intiem aan het eten was, waren de kalveren op zoek naar gras diep het bos ingelopen. (13) Toen Krishna, de Vrees der Vrees, dat ontdekte zei Hij tot de jongens die zich zorgen maakten: 'O vrienden, blijf zitten waar je zit, ik zal de kalfjes hier weer netjes terugbrengen!' (14) Ze dit gezegd hebbend ging Krishna, de Allerhoogste Heer, met een beetje eten in Zijn hand, eropuit om overal in de bergen, grotten, bosschages en beschutte plekken te speuren naar de kalveren van Zijn vriendjes.
(15) Hij geboren uit de lotus [Brahmâ] zich ophoudend in het voorbije was zeer gecharmeerd van de manier waarop de Heer de jongens betoverde en alleen maar om er meer van te zien voerde hij de jongens en de kalfjes weg om ze elders te verbergen, o man van de Kuru-band. Deze autoriteit van de hemel die voordien getuige was geweest van de verlossing van Aghâsura, was zeer verbaasd geraakt over de Alvermogende Persoonlijkheid [zie voetnoot*]. (16) Toen Hij noch de kalveren noch de jongens kon vinden zocht Krishna het hele bos af. (17) De kalfjes noch hun zorgdagers ook maar ergens bekennend in het woud begreep Krishna, Zich bewust van alles wat er gaande is in het universum, meteen dat dit het werk was van Vidhi [Heer Brahmâ]. (18) Daarop breidde Krishna, als de Beheerser die het ganse universum bestiert, zich uit tot de twee gedaanten [van zowel de jongens als de kalfjes], om zowel hun moeders als hem [Brahmâ] een plezier te doen. (19) Exact hetzelfde als de koeherdersjongens en hun kwetsbare kalfjes met dezelfde afmetingen van benen en handen, met dezelfde hoorns, fluiten, stokken en pakketten en dergelijke; met dezelfde sierselen en uitdossing in alle opzichten; met precies hun karakter, gewoonten, trekken, kenmerken en neigingen, en van hetzelfde spel en spelen, nam de Ongeborene als Vishnu zich uitbreidend feilloos hun identiteit aan in ieder detail overeenkomend qua woorden en voorkomen. (20) Persoonlijk zo op verschillende manieren genietend van het gezelschap dat Hij Zichzelf bood aan kalveren en hoedende koeherders, ging Hij, de Ziel van Allen, toen Vraja binnen. (21) Afzonderlijk Zichzelf in de vorm van de verschillende kalveren naar de verschillende koeienschuren brengend ging Hij toen, met het Zich in Zijn expanderen verdeeld hebben in verschillende personen, o Koning, de verschillende huizen binnen. (22) Hun moeders vergaten, zo gauw ze het geluid van hun fluiten hoorden, waar ze mee bezig waren en tilden de jongens als veertjes op in hun armen om ze te knuffelen en ze, nat van de liefde, te laten drinken van hun naar nectar smakende moedermelk; aldus hun zoons voedend waren ze van respect voor de Hoogste Heer. (23) Iedere keer dat Mâdhava 's avonds thuis zo kwam, o heerser der mensen, klaar met wat er moest worden gedaan, droegen ze zorg door Hem te masseren, te baden, te oliën, Hem op te sieren, mantra's te zingen voor Zijn bescherming, met tilaka tekens aan te brengen en [al de jongens die Hij was] goed te eten te geven. (24) Ook de kalfjes die naar hun schuren waren gebracht werden meteen geroepen door hun luid loeiende moeders die, ieder door hun eigen kalf gevolgd, hen steeds weer likten en ze voedden met de melk vloeiend uit hun uiers. (25) Koe en gopî waren hierin even liefdevol als gebruikelijk, zij het dat er extra liefde van hen uitging voor hen op een manier die ze nog niet eerder hadden gevoeld, en ook was er een onmiddelijke reactie van hun kinderen die echter, nu ze Hem als hun zoon hadden, geheel vrij was van de begoocheling [van het 'ik' en 'mijn']. (26) Voor de duur van een jaar groeide aldus zonder ophouden geleidelijk aan bij alle bewoners van Vraja de wingerd van de toewijding voor hun kinderen met de manier waarop ze nu, als nooit tevoren, van zoveel liefde waren voor hun eigen kinderen als ze voorheen waren voor Krishna. (27) Op deze manier handhaafde Zich de Opperziel, die middels Zichzelf in de gedaante van de koeherdersjongens Zichzelf hoedde in de vorm van de kalveren, voor de tijd van een jaar, gelukkig spelend in de gemeenschap en het bos.
(28) Op een dag, toen op vijf of zes dagen na een heel jaar was verstreken, ging de Ongeboren Heer, met Balarâma zorgdragend voor de kalveren, het woud in. (29) Niet ver van Vraja op zoek naar gras voor hun kalfjes, werden zij vervolgens van niet al te ver opgemerkt door de moederkoeien die graasden op de Govardhana heuvel (30) Op het moment dat ze ze zagen vergaten ze, in de greep van de liefde, de kudde en braken ze, ondanks het lastige pad, met hun nekken omhoog tegen hun bulten in galop weg van hun verzorgers, kop en staart geheven en melk druppelend terwijl ze luid loeiend zich derwaarts haastten. (31) Toen de koeien zich bij hun kalveren voegden aan de voet van de heuvel likten ze, ondanks dat ze reeds opnieuw hadden gekalfd, hun ledematen en voedden ze ze zorgzaam met de melk die van hen vloeide alsof ze pasgeboren kalfjes waren. (32) De gopa's gefrustreerd in hun pogingen ze van het moeilijke en gevaarlijke pad te houden, schaamden zich er diep over dat ze zo boos waren geworden toen ze, daar aangekomen, hun zonen met de koeien en kalveren zagen. (33) Met hun geesten badend in een staat van opperste, bovenzinnelijke liefde verdween met die grote aantrekking hun boosheid als sneeuw voor de zon waarop zij, hun jongens vervolgens optillend in hun armen om ze te omhelzen, het hoogste genoegen beleefden toen ze hun neus in hun haar konden drukken. (34) Daarna, helemaal blij van de omhelzingen, maakten de gopa's zichzelf met moeite los van hen en hadden ze de tranen in hun ogen als ze er weer aan terugdachten. (35) Toen Balarâma de overmaat aan liefde zag en de niet aflatende gehechtheid van alle bewoners van Vraja, hoe zeer hun kinderen ook de moederborst waren ontgroeid, kon Hij niet begrijpen wat hier de reden van was en overwoog Hij voor zichzelf: (36) 'Wat voor een wonder speelt zich hier af? De goddelijke liefde [prema] van allen hier in Vraja en Mezelf inbegrepen voor de kinderen en voor Vâsudeva, de Ziel van het Volkomen Geheel, is nog nooit zo groot geweest! (37) Wie zou hier achter zitten, wat is haar oorsprong; betreft het een goddelijk wezen, is het een vrouw of is het een duivelin? In ieder geval moet het de bijzondere genade [Mâyâ-devî] van Mijn Handhaver zijn, wie anders zou Mij nu kunnen betoveren?' (38) Het overdenkend zag Hij door de ogen van de transcendentie al de kalveren tezamen met hun begeleiders als [niemand anders dan] de Heer van Vaikunthha. (39) 'Deze jongens zijn geen [geïncarneerde] meesters der verlichting, noch zijn deze kalveren grote wijzen. U aleen o Allerhoogste Heer, bent de Ene die Zich manifesteert in al de verscheidenheid van het bestaan; hoe kan U nu tegelijkertijd alles zijn wat er bestaat? Zeg Me wat precies Uw woord is in dezen'; en met deze beheersing en tegenwoordigheid van geest kwam Baladeva tot begrip voor de situatie [**].
(40) De zelfgeborene [Brahmâ] die na zo'n lange tijd terugkeerde, hoewel het slechts een ogenblik was naar zijn eigen tijdrekening [zie kalpa], zag dat een jaar later de Heer tezamen met Zijn expansies als voorheen aan het spelen was. (41) [Hij zei tot zichzelf:] 'Omdat al de jongens van Gokula tezamen met hun kalveren diep in slaap verzonken zijn op het bed van mijn begoochelende macht kan het niet zo zijn dat zij vandaag weer zouden zijn opgestaan. (42) Daarom vraag ik me af waar dezen hier vandaan kwamen; ze verschillen van degenen die begoocheld zijn door mijn macht van illusie, niettemin tref ik een zelfde aantal van hen aan een heel jaar samen spelend met Vishnu! (43) Op deze manier een lange tijd zich bezinnend op het verschil tussen hen kon hij, de uit zichzelf geborene, met geen mogelijkheid uitmaken wie nu echt was en wie niet. (44) En zo was zelfs hij, die ongeziene, in feite door zijn eigen mystieke macht begoocheld - hij inderdaad die Vishnu in nevelen wilde hullen, Vishnu die Zelf boven alle misvatting verheven, het ganse universum in raadselen hult. (45) Zo zinloos als een moeilijk te onderscheiden mist gedurende de nacht en het licht van een gloeiworm gedurende de dag zal een persoon van een minder mystiek vermogen niets anders dan zijn zelfvernietiging realiseren als hij zijn vermogen probeert in te zetten tegen een grote persoonlijkheid. (46) En terwijl hij, de zelfgeborene, hen gadesloeg werden kalf en koeherder datzelfde moment door hem gezien als hebbende een huid met de kleur van een regenwolk en een aankleding van gele zijde. (47-48) Met vier armen, met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, met helmen, oorhangers, halssnoeren en slingers van woudbloemen; met de s'rîvatsa, het juweel bij Hun schelp-gestreepte nekken en met armbanden om Hun polsen; met versieringen aan Hun voeten en banden om Hun enkels, schenen Ze allerprachtigst toe met Hun gordels en ringen om Hun vingers. (49) Van kop tot teen waren al Hun leden bedekt door strengen verse, zachte tulsî geofferd door hen die van grote verdienste zijn [zie ook 10.12: 7-11]. (50) Met Hun glimlachen stralend als de maneschijn en de heldere blikken van Hun rossige ogen waren Ze, gelijk de geaardheden van [de witte] goedheid en [rode] hartstocht, de scheppers en beschermers van de verlangens van Hun toegewijden [vergelijk 10.3: 20]. (51) Het Loffelijk Oerwezen [Vishnu alzo] werd van het eerste levende wezen [Brahmâ] tot aan het kleinste polletje gras, met gedaanten bewegend en niet bewegend, uiteenlopend aanbeden met dans en gezang. (52) Ieder van Hen werd omringd door al de heerlijkheid der volmaaktheden [siddhi's, zijn als de kleinste etc.], de mystieke vermogens met Ajâ [***] voorop en de vierentwintig elementen van de schepping met het geheel van hen [de mahat-tattva] als eerste. (53) Ze werden aanbeden door de tijdsfactor [kâla], de individuele aard [svabhâva], de reformatie [samskâra], het verlangen [kâma], het vruchtdragend handelen [karma], de geaardheden [guna] en anderen van wie, met het door een ieder van Hen aannemen van een gedaante, de grootheid werd verslagen door Zijn heerlijkheid [zie ook B.G. 13: 22]. (54) Zij als niets anders dan eeuwigheid, geestelijke kennis, het onbegrensde en het gelukzalige, daar aanwezig in gedaanten van de Ene Vervoering, waren in Hun heerlijkheid van een grootsheid die zelfs buiten het bereik lag van de zieners die zich bezighouden met de filosofie [zie ook 1.2: 12 en *4]. (55) Aldus zag de zelfgeboren Brahmâ, tegelijk op hetzelfde moment, het geheel van Hen als expansies van de Allerhoogste Absolute Waarheid [para-brahman] door wiens gloed dit alles, bewegend of niet-bewegend, wordt gemanifesteerd. (56) Toen door Hun uitstraling gevangen in gelukzaligheid en geschokt in al zijn elf zinnen, viel de zelfgeborene stil als de pop van een kind in de aanwezigheid van de plaatselijke beeltenis van God.
(57) Begrijpend dat de heer van Irâ [Brahmâ's metgezel Sarasvatî] aldus in raadselen verkeerde door de weerlegging van al het irrelevante, door dat [Opperste Brahman] gekend in de Veda's, door dat zelfgemanifesteerde gelukzalige boven de materiële energie dat zijn heerlijkheid overtrof en dat hij er geen hoogte van kon krijgen wat dit alles was, rukte Hij die Nimmer wordt Geboren [Krishna] in één keer de sluier van yogamâyâ weg [zie ook 7.7: 23]. (58) Toen, met zijn uitwendige bewustzijn weer tot leven gewekt, stond hij als een dodeman met moeite op en opende hij zijn ogen om dit universum te aanschouwen met zichzelf erbij. (59) Op dat moment inderdaad in alle richtingen kijkend zag hij, zich recht voor hem bevindend, Vrindâvana dat rijk zo met haar bomen en aangenaam in alle seizoenen haar bewoners onderhoudt.(60) Aldaar, in die verblijfplaats van de Onoverwinnelijke, leven mens en dier, van nature elkaar vijandig gezind, tezamen als vrienden en is alle woede, dorst en dat alles op de vlucht geslagen. (61) Daar zag hij die zich ophoudt in het voorbije [Brahmâ], Hem, de Absolute Waarheid zonder Zijns gelijke, het Allerhoogste Onbegrensde van een onpeilbare kennis, in Zijn aannemen van de rol van een kind in een koeherdersgezin, zoals Hij voordien was, helemaal alleen overal op zoek naar Zijn kalfjes en jongens met een beetje eten in Zijn hand [*5]. (62) Toen hij dat zag kwam hij snel van zijn draagdier [de zwaan] naar beneden en viel hij als een gouden staf plat op de grond met de tippen van zijn vier kronen Zijn twee voeten beroerend en volbracht hij al buigend een baadceremonie met het zuivere water van zijn vreugdetranen. (63) Keer op keer denkend over wat hij voorheen had gezien, zeeg hij gedurende een lange tijd neer en stond hij weer op aan de voeten van Krishna, de grootheid daar aanwezig. (64) Geleidelijk aan toen weer overeind komend wreef hij zijn ogen uit opkijkend naar Mukunda en met zijn hoofd voorover gebogen, een trillend lijf en een haperende stem prees hij Hem nederig met gevouwen handen en een bezonken geest.'
Voetnoten:
* Het Sanskriet zegt hier 'bij geboorte', maar de paramparâ benadrukt de tweede geboorte of initiatie. Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Niemand komt als een brâhmana ter wereld; iedereen wordt geboren als een s'ûdra. Maar onder de leiding van een brâhmana en door samskâra, kan men dvija worden, tweemaal geboren, en dan stap voor stap een brâhmana worden. Brahmanisme is niet een systeem bedoeld om een monopolie te creëren voor een bepaald soort mensen. Iedereen zou er toe moeten worden opgevoed een brâhmana te worden. Er moet ten minste een gelegenheid bestaan om het iedereen mogelijk te maken het doel van het leven te bereiken.' Naast deze tweede geboorte is er ook de derde geboorte die men heeft vanwege de offers die men brengt: men bereikt de onafhankelijkheid met het internaliseren van de goeroe (zie ook 4.31: 10, 7.11: 35).
** Het woord Krishna betekent behalve donker nog meer, Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we het nirukti, of de semantische afleiding analyseren van het woord "Krishna," ontdekken we dat na betekent dat Hij de herhaling van geboorte en dood stopt, en dat krish sattârtha, ofwel "bestaan" betekent (Krishna vormt het geheel van het bestaan.) Ook betekent krish "aantrekking," en betekent na ânanda, of "gelukzaligheid." Zijn kleuren worden later in het elfde Canto besproken onder: 11.5: 21, 24, 27 en 34.
*3 Een van de mantra's die de Vaishnava's gebruiken om hun voedsel te offeren voor Krishna luidt:
namo brahmanya-devâya
go-brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah
'Mijn eerbetuigingen voor de godheid der brahmanen altijd bezorgd om de koeien, de brahmanen en het ganse universum; voor Krishna, Govinda, mijn respectbetoon.'
*4 Wat betreft dit verschil tussen het privilege van het zijn van de eigenlijke ouders Vasudeva en Devakî en het zijn van Zijn pleegouders Nanda en Yas'odâ, legt Prabhupâda uit dat er twee soorten van siddha's, vervolmaakte of bevrijde zielen zijn: nitya siddha's en sâdhana siddha's: zij die eeuwig zijn bevrijd zoals Nanda en Yas'odâ en die Krishna's eeuwige metgezellen zijn of expansies van Krishna's persoonlijke lichaam, en die normale levende wezens die een bijzondere positie verwerven door gedurige sâdhana, de spirituele praktijk van het uitvoeren van vrome handelingen en het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst.
Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna
(1) S'rî Brahmâ zei: 'Mijn lof voor U, o Zoon van de Koning der Koeherders, o aanbiddelijke Heer wiens schoonheid we mogen kennen in de vorm van een lichaam, een prachtig gezicht en zachte voeten zo donker als een regenwolk, kleding zo helder als de bliksem, guñjâ[-zaad]-sieraden [aan Uw oren], pauwenveren, een slinger van woudbloemen, een handje voedsel [zie 10.13: 14], een staf, een hoorn en een fluit. (2) O Godheid zo van genade met mij, zelfs met inderdaad dit lichaam van U recht voor me, dat naar het verlangen van Uw toegewijden zich manifesteerde maar anderzijds in het geheel geen product van de materie is, ben ik, Brahmâ, met mijn innerlijke geest niet in staat Uw grootheid te doorgronden, om nog maar te zwijgen over de ervaring van Uw ziel van geluk. (3) Hoewel onoverwinnelijk geeft U niettemin Uzelf gewonnen voor hen in de drie werelden die regelmatig hun lichaam, woorden en geest oefenend, in het behouden van hun materiële posities oren hebben naar de verhalen met betrekking tot U zoals ze worden verteld door de waarachtigen, de waarachtigen die eenvoudig levend, hun eerbetuigingen brengen met het niet langer meer proberen iets te bereiken op het gebied van de geestelijke kennis. (4) Het pad van bhakti zo allergunstigst, dat wordt afgewezen door hen, o Almachtige Heer, die enkel maar worstelen voor de prestatie van de kennis, houdt voor hen niets dan moeilijkheden in, precies zoals het lege kaf alleen maar lastig is voor hen die dorsen. (5) Lang geleden, o Grootste, was er in deze wereld menig een yoga-aanhanger die, met het aan U hebben opgedragen van al zijn ondernemen, tot het begrip kwam dat men verwerft met het doen van de eigen specifieke plicht; het is inderdaad zo dat men door het verrichten van toegewijde dienst in het cultiveren van het luisteren en het zingen heel makkelijk Uw Allerhoogste Bestemming kan bereiken o Onfeilbare![zie ook 7.5: 23-24] (6) Niettemin, o Volledige van het Bestaan, kan alleen maar hij het vermogen van U doorgronden als zijnde zonder materiële kwaliteiten [ofwel nirguna] die onberispelijk is met een geest en met zinnen die vrij zijn van strubbelingen en die, in navolging van Uw liefde als zijnde iemand met geen andere leidraad voor Zichzelf, geenszins is gehecht aan deze of gene verschijningsvorm. Er bestaat geen andere manier. (7) Op den duur slagen grote wetenschappers er misschien in alle deeltjes die er in het universum zijn van de aarde, van de lucht, van de sneeuw en het licht van de sterren te tellen, maar wie zou ertoe in staat zijn de kwaliteiten op te sommen van U, het Zelf van Alle Kwaliteiten [gunâtma], die nederdaalde voor het heil van alle wezens? [vergelijk 8.5: 6] (8) Vurig hopend op Uw mededogen en de dingen verdragend die zonder twijfel het gevolg zijn van het eigen baatzuchtig handelen, zal daarom een ieder, die U in zijn hart, zijn woorden en met het lichaam zijn eerbetuigingen brengt, een leven leiden gericht op de positie der bevrijding, omdat je dan in aanmerking komt voor de genade [zie ook 1.5: 17, 1.19: 32, 2.1: 12, 3.33: 6, 4.20: 11, 4.29: 38 etc.]. (9) Bezie enkel, o Heer, hoe ik die zo laakbaar ben in relatie tot U, de Onbegrensde, Voorwereldlijke Superziel, alleen maar om getuige te zijn van de macht van U, de Begoochelaar van Alle Begoochelaars, mijn macht over de illusie uit heb gebreid; was het formaat van wat ik verlangde werkelijk niet slechts als een vonkje in verhouding tot het vuur? (10) Derhalve, o Onfeilbare, mijn excuses, ik, geboren uit de hartstocht, ben werkelijk een onwetende die, niet aan een nieuw leven begonnen zijnde, zichzelf hoogmoedig als een op zichzelf staande autoriteit beschouwde; mijn ogen waren blind door de duisternis der onwetendheid - verdient iemand als ik, in het aanvaarden van U als mijn meester, niet Uw genade? (11) Wat heb ik nu te betekenen met mijn materiële aard, die zeven maten van dit lichaam van het geheel van de materie, het valse ego, de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, dat me als een vat omsluit? Wat stelt dit voor vergeleken bij de Onbegrensde Universa die als atomair stof wegbewegen van de openingen en poriën van Uw lichaam, Uw grootheid [zie ook 1. 3: 3 en 3: 11]? (12) O Heer van het Voorbije, neemt een moeder het haar kind kwalijk als het met zijn beentjes schopt in de baarmoeder - wat al niet dat wordt gelabeld met omschrijvingen als 'bestaand' en 'niet-bestaand' zou er in werkelijkheid buiten Uw schoot bestaan? (13) De woorden zijn werkelijk niet onwaar die stellen dat Brahmâ, de 'zelfgeborene' [aja *5], met de drie werelden die aan hun einde komen in de oceanen van het water van de zondvloed, voortkwam uit de lotusstengel groeiend uit de buik van Nârâyana; ben ik niet uit U voortgekomen? [zie 3.8] (14) Bent U niet Nârâyana, de Ziel van alle levende wezens? U bent de Leraar van Binnen in het Hart, de Getuige van Alle Werelden, de Nârâ-yana: het deel [of de leidraad] van God met betrekking tot de mens, die bron van waaruit de wateren ontsprongen - dat is wat U werkelijk bent en niet zozeer Uw specifieke gedaante [mâyâ]. (15) Als dat bovenzinnelijke lichaam van U dat het ganse universum herbergt zich bevindt op het water, waarom werd het dan door mij niet gezien o Allerhoogste Heer, of waarom was U, toen U niet zoals het moest door mij werd waargenomen in het hart, anderzijds toen plotseling weer te zien [zie 3.8: 22]? (16) In deze incarnatie inderdaad verjaagt U door Uw macht over de begoochelende energie de illusie van dit gehele, geschapen universum dat uitwendig zichtbaar is alsook aanwezig in Uw buik, zoals U dat feitelijk hebt laten zien aan Uw moeder [door Uw mond te openen zie 10.7: 35-36 & 10.8: 37-39]. (17) Zoals het kosmisch geheel zich hier buiten ons bevindt, was dit alles met inbegrip van Uzelve ook te zien in Uw binnenste; dit kon zich alleen maar voordoen dankzij de invloed van Uw ondoorgrondelijk vermogen! (18) Is mij niet net vandaag door U getoond hoe, op Uzelf na, dit alles is gebaseerd op Uw begoochelend vermogen? Eerst was U er helemaal alleen en toen werd U alle jongens en kalveren van Vraja, vervolgens werd U zelfs een zelfde aantal vierhandigen die met mij erbij door allen werden gediend en toen werd U een gelijk aantal universa [10.13: 53]; en nu bent u weer de Ene Unieke, Onbegrensde Absolute Waarheid... (19) Voor hen die zich, het op de materiële manier begrijpend, niet bewust zijn van Uw positie verschijnt U, middels Uzelf Uw mâyâ uitbreidend, voor de zaken der schepping als Ikzelf, als Uzelf voor het belang van het handhaven en als de Drieogige [Heer S'iva] aan het einde. (20) Onder de verlichten en de zieners, o Heer en Meester, zowel als inderdaad onder de menselijke wezens, de dieren en de wezens in het water, neemt U, die in feite ongeboren bent, o Meester, o Schepper, Uw geboorte om van genade te zijn voor de waarachtigen en om de onwaarachtigen die verblind zijn door de illusie terecht te wijzen [zie ook B.G. 4: 8]. (21) Wie, o Grootste, Allerhoogste Heer, o Superziel en Beheerser van de Yoga, weet waar, hoe, hoeveel of wanneer in de drie werelden al het spel en vermaak, alle avonturen van Uwe Heerlijkheid, het toneel van Uw geestelijke energie [yoga-mâyâ] zich alzo afspeelt? (22) Daarom is dit volkomen geheel, dat onwaar [asat, tijdelijk] in zijn vorm is, net als een droom waarin het bewustzijn word overdekt door allerlei vormen van ellende; terwijl binnenin Uzelf zich Uw ongegrensde gedaanten bevinden van het bewustzijn, het eeuwige en het geluk, hebben we [daarbuiten] de begoochelende energie die zich voordoet als zijnde het ware [sat, permanent, zie ook B.G. 2: 16 en **]. (23) De ene Ziel bent U, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de Oudste, de Waarheid, het Licht van Binnenuit dat zonder een begin of een einde is, het voor eeuwig, nimmer afnemende, onbelemmerde geluk dat vrij van onzuiverheden is, het Volkomene Zonder een Tweede dat onvergankelijk alle beschrijving te boven gaat. (24) U als zodanig omschreven bent inderdaad de eigenlijke Ziel van alle zielen, zo mogen zij dat zien die van de stralende geestelijk leraar de volmaakte visie van de vertrouwelijke filosofie mochten verkrijgen; zij zijn het die gemakkelijk de oceaan oversteken van een onwaar werelds bestaan. (25) Met hen, die U inderdaad niet begrijpen als zijnde de Opperziel, werpt zich enkel om die reden een geheel materieel leven op dat door de kennis der spiritualiteit dan weer verdwijnt, precies zoals met een touw [het beeld van] het lichaam van een slang verschijnt en verdwijnt. (26) Omschrijvingen als zijnde gebonden aan de materie of bevrijd zijn komen voort uit niet weten, feitelijk zijn de twee er niet los van elkaar [maar zijn ze hetzelfde in het gebonden zijn aan wat geen illusie is] als men, zoals met dagen en nachten voor de zon, naar behoren onderscheid maakt naar gelang de ware kennis van de zuivere transcendentale, geestelijke ziel waarvan het bewustzijn niet belemmerd is [zoals-het-is, vrij van mâyâ]. (27) Oh, hoe onwetend die dwaasheid van personen die denken over U, de Oorspronkelijke Ziel, als zijnde iets anders en over het Zelf als [zijnde iemand die is] na te trekken in de buitenwereld! [zie B.G. 18: 16] (28) De waarachtigen, die vanbinnen verwerpen wat niet 'dat' is [zie neti neti 7.7: 23], zijn inderdaad naar U op zoek, o Onbegrensde; zou zelfs maar een man van waarheid, die gevangen is in het onware van de 'slang' die altijd vlakbij is, [er meteen toe] in staat zijn waardering op te brengen voor het ware van het 'touw'? [zie ook 10.6: 8, en B.G. 18: 37] (29) Daarom is het zo mijn Heer dat men, al werd men maar met een spoor van Uw lotusvoeten gezegend, dan in feite de zekere waarheid kent van de grootheid van de Allerhoogste Persoonlijkheid, en dat gaat niet op voor iemand anders, hoe lang hij ook speculeert. (30) Mag het daarom zo zijn o Meester, dat, in deze geboorte, een volgende inderdaad of zelfs een leven waar we liever niet over nadenken, er dat grootste geluk is waardoor ik, met het alleen maar worden van een van Uw toegewijden, ten volle van dienst ben bij de lotusknoppen van Uw voeten? (31) Hoe fortuinlijk is Vraja niet en zijn de koeien en de gopî's niet van wie U, naar Uw volle bevrediging, in de gedaante van de kalfjes en de jongens de nectargelijke moedermelk hebt gedronken, o Almachtige Heer, en van wie de voldoening vooralsnog door geen vedisch offer kon worden geëvenaard. (32) Welk een geluk, o wat een fortuin houdt het voor Nanda, de gopa's en de andere bewoners van Vraja in, om als hun vriend het Allerhoogste Verblijf van de Gelukzaligheid te hebben, de Volledige, Absolute en Eeuwige Waarheid. (33) En hoe groot het goede van hun geluk ook moge zijn, o Onfeilbare, wij, de elf [***], S'iva en alle andere goden inderdaad, o Wonder, zijn zo gelukkig telkens weer opnieuw middels de bekers van de zinnen van deze toegewijden te mogen drinken van de ambrozijne, bedwelmende honing van Uw lotusvoeten. (34) Welke geboorte ik ook maar hier in dit woud zou nemen [als dit of dat dier of als een plant] zou me dat allergrootste geluk brengen; enkel en alleen maar door te kunnen baden in het stof van wie van hen ook wiens leven waarlijk volledig van de Allerhoogste Heer Mukunda Zijn voeten is; de voeten waarvan het stof zelfs tot op vandaag wordt gezocht door de S'ruti's [de Veda's]. (35) Wat anders ook dan Uzelve, die waarlijk de bron bent van alle zegeningen, o Godheid, zou U als beloning schenken aan deze leden van de koeherdersgemeenschap wiens huizen, welvaart, vrienden, beminden, lichamen, kinderen, levensadem, en geesten alle U toewijd zijn - onze geest denkend aan enig ander iets vervalt in illusie, daar U het zelfs niet te betwijfelen zo regelde dat Pûtanâ die zich vermomde als een waarachtige en ook haar familieleden [Bakâ en Agha] U konden bereiken, o goddelijke persoonlijkheid. (36) Zolang als mensen niet de Uwe zijn, zijn de gehechtheden en dergelijke allemaal dieven, is het huis een gevangenis en is het verzot zijn als een stel boeien aan hun voeten. (37) Hoewel U geheel bovenzinnelijk bent bootst U op deze aarde dat na wat materieel is, o Meester, met de bedoeling de mensen die van overgave zijn te onderrichten in Uw verschillende vormen van spiritueel geluk. (38) Er zijn mensen die hun zekerheid ontlenen aan het gebruik van vele woorden - laat ze hun gang maar gaan, maar wat voor nut heeft het voor ons o mijn Heer, Uw weelde valt immers buiten het bereik van mijn lichaam, mijn geest en mijn woorden [zie B.G. 2: 42-44]! (39) Laat me afscheid van U nemen o Krishna, U weet alles, U ziet alles, U alleen bent de Meester van alle universa, ik stel U dit universum ter beschikking. (40) S'rî Krishna, U verleent de lotus van de Vrishni-dynastie het geluk; van de zeeën van de aarde, de halfgoden, de brahmanen en de dieren bent U de oorzaak van hun ontwikkeling; als er een gebrek aan rechtschapenheid is verdrijft U de duisternis; van de monsters bent U de tegenstander; voor zolang de zon schijnt, tot het einde der tijden, breng ik, o aanbiddelijke Heer zo hoog Verheven, U mijn eerbetuigingen.'
(41) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de Weelde van de Wereld te hebben geprezen wenste de schepper van het universum het, met een drietal keren om Hem heen lopen en zich verbuigen voor Zijn voeten, om terug te keren naar zijn verblijfplaats. (42) De Allerhoogste Heer, die hem die uit Hem was voortgekomen Zijn goedkeuring gaf, bracht toen de kalveren van waar ze zich hadden opgehouden terug naar de oever van de rivier waar, net als voorheen, Zijn vrienden allen aanwezig waren. (43) Hoewel er een jaar was verstreken en zij, zonder de Heer van hun levens, overdekt waren geweest door Krishna's mâyâ, was er voor de jongens slechts een halve seconde verstreken, o Koning. (44) Wat, o wat vergeten personen die in de ban zijn van mâyâ allemaal niet in deze wereld; het daarmee verbijsterd zijn in het bewustzijn zorgt ervoor dat de ganse wereld zichzelf voortdurend kwijt is. (45) De vrienden zeiden tot Krishna: 'Wat ben Jij snel weer terug, we hebben nog geen hap kunnen eten ondertussen, kom alsJeblieft hier en eet netjes Je eten op.' (46) Hen toelachend genoot de Heer der Zinnen toen Zijn maaltijd met de koeherdersjongens die Hij, toen ze vanuit het bos terugkeerden naar huis in Vraja, de huid liet zien van de python Aghâsura [zie 10.12]. (47) Terwijl de jongens luid speelden op de bamboefluit en de hoorn en ze Zijn zegenrijke heerlijkheden bezongen, riep Hij, met Zijn lichaam opgesierd met een pauwenveer en met bloemen en kleuren uit het bos, uit naar de kalveren terwijl Hij met Zijn kameraden de weidegronden betrad [nabij Gokula]; de aanblik vormde voor de gopî's een lust voor het oog. (48) 'Vandaag heeft Hij, de zoon van Yas'odâ en Nanda, ons van de grote slang gered door hem te doden', zo zongen de jongens in Vraja.'
(49) De koning zei: 'Alstublieft, o brahmaan, hoe kon er zo ongehoord veel liefde zijn voor het kind van iemand anders dat Krishna was, zelfs de liefde overtreffend [die de gopa's en gopî's hadden] voor hun eigen kroost?'
(50) S'rî S'uka zei: 'Voor ieder levend wezen is in waarheid, o heerser der mensen, het eigen zelf het meest dierbaar, de liefde voor anderen, de kinderen, de weelde enzovoorts is allemaal daarop gebaseerd. (51) Om die reden o beste der koningen, is de liefde van belichaamde wezens zelfzuchtig en ongelijk aan de liefde voor dat wat tot hen behoort zoals zoons, rijkdom, huizen enzovoorts. (52) Voor die personen die in feite spreken over het lichaam als zijnde henzelf [zie ook ahankâra], o beste der koningen, is het lichaam net zo dierbaar en is zo voorzeker dat wat er mee samenhangt niet zo dierbaar. [zie ook B.G. 2: 71] (53) Als het lichaam [echter] doorgaat voor iets dat men bezit zal het bijgevolg niet zo dierbaar zijn als de ziel, omdat als het oud wordt het verlangen om in leven te blijven onverminderd sterk blijft. (54) Derhalve is voor alle belichaamde wezens [het zelf van] iemands eigen ziel het meest dierbaar, de ziel vormt feitelijk de zin van het bestaan voor heel dit universum aan bewegende en niet bewegende levende wezens. (55) In dezen moet u Krishna zien als de Volkomen Ziel van de levende wezens die, middels Zijn eigen vermogen verschijnend als een menselijk wezen, hier bestaat voor het heil van het ganse universum. (56) Zij die in deze wereld Krishna kennen zoals Hij werkelijk is begrijpen het statische en dynamische als zijnde twee verschillende verschijningsvormen van de Allerhoogste Heer die voor het Volkomen Geheel staat, de essentie waarbuiten er alhier in het geheel niets te vinden is [vergelijk B.G. 7: 26]. (57) De Opperheer vormt voor alle levensvormen voorwaar de reden van bestaan, aan Hem ontlenen ze Hun stabiliteit; is er ook maar iets denkbaar dat buiten Hem om zou bestaan?(58) Voor hen die hun toevlucht hebben genomen tot de lotusknoppen van de voeten, die als een boot zijn, de voeten die voor zelfs de grootsten de veilige haven vormen van de opperste vroomheid zo befaamd voor het bestrijden van Mura [de demon], zijn die voeten de Allerhoogste Verblijfplaats [Vaikunthha] waar geen enkele van de vormen van ellende wordt aangetroffen en is met hen, met iedere stap genomen, de oceaan van het materiële bestaan [niet meer dan het water in] de hoefafdruk van een kalf. [vergelijk 10.1: 5-7 en 10.2: 30].
(59) Alles waar u naar vroeg wat betreft dat wat de Heer deed op Zijn vijfde jaar en werd uitgedragen op Zijn zesde, heb ik nu voor u beschreven. (60) De persoon die verneemt of zingt over dit spel en vermaak van Heer Murâri die Agha vernietigde, over hoe Hij met Zijn vrienden de maaltijd gebruikte op een open plek in het woud, en over de bovenwereldse [meervoudige Vishnu]-gedaante die Hij aannam met de zelfgeborene die zo uitvoerig is in zijn gebeden, zal het allesomvattende van zijn belangen bereiken [spirituele volmaaktheid]. (61) *4
Voetnoten:
*: Gebaseerd op dit vers stelt S'rîla Prabhupâda in de Caitanya-caritâmrita, Âdi-lîlâ, Hoofdstuk Twee, Tekst 30 dat Krishna wordt gezien als de ware bron van alle andere expansies van de Vishnu-gedaanten en andere halfgoden die aan hen ontsproten: 'Heer Krishna is Nârâyana, de vader van Brahmâ, omdat Heer Krishna's volkomen expansie Garbhodakas'âyî Vishnu, na zichzelf te hebben neergelegd in de Garbha Oceaan, Brahmâ schiep uit Zijn eigen lichaam. Mahâ-Vishnu in de causale Oceaan en Kshîrodakas'âyî Vishnu, de Supersoul in ieders hart, zijn ook transcendentale expansies van de Allerhoogste Waarheid."
**: In zijn commentaar op de Vedanta-sûtra, haalt S'rîla Madhvâcârya de volgende uitspraak aan van de Vedische s'ruti-mantra's: 'satyam hy evedam vis'vam asrijata'. "Dit universum, geschapen door de Heer, is werkelijk."
***: De 'elf' heeft betrekking op de halfgoden die heersen over de zintuigen van het handelen en de waarneming plus de geest: de Digdevatâ's over het gehoor, de Vayu's over de tastzin, Sûrya over het zien, Varuna over de smaak, de As'vinî-kumâra's over het ruiken, Agni over de spraak, Indra over de handen, Upendra over de voeten, Mitra over de uitscheiding, de Prajâpati over het voortplantingsorgaan en Candra over de geest. S'iva is de halfgod die heerst over ahankâra, het valse ego.
*4: Er is een laatste vers bij dit hoofdstuk dat identiek is aan dat van hoofdstuk elf: vers 10.11: 59.
Op deze manier brachten ze hun jeugd door in de koeiengemeenschap met verschillende soorten van kinderlijk tijdverdrijf als verstoppertje spelen, dammen bouwen en in de rondte springen alsof ze apen waren.
[vertaald door de leerlingen van Prabhupâda als]: In this way the boys spent their childhood in the land of Vrindâvana playing hide-and-go-seek, building play bridges, jumping about like monkeys and engaging in many other such games.
Waarschijnlijk hoort dit vers, aanwezig in het oorspronkelijke Sanskriet, hier niet thuis en is het abusievelijk overgebracht van hoofdstuk 11 tijdens het met de hand kopiëren door de eeuwen heen.
*5: In dit hoofdstuk wordt Brahmâ evenals Krishna de ongeborene of aja genoemd, om verwarring te voorkomen is het hier vertaald met 'zelfgeborene', svâyam-bhu, een andere naam voor Brahmâ als hij die rechtstreeks uit Nârâyana voortkwam, terwijl Krishna ondanks de schijn van Zijn nederdalen in een materiële gedaante feitelijk de nimmer geboren oerbron is [zie ook de voetnoot *** bij het vorige hoofdstuk].
Het Doden van Dhenuka de Ezeldemon en Gif in de Rivier
(1) S'rî S'uka zei: 'Op het moment dat ze in Vraja de leeftijd van jonge jongens [van zes tot tien] hadden bereikt, waren de twee, die Vrindâvana allergunstigst maakten met hun voetafdrukken, oud genoeg om koeherders te zijn en werd het hen opgedragen samen met hun vrienden de koeien te hoeden [*]. (2) Temidden van de gopa's die Zijn roem bezongen ging Mâdhava ['de Lieve Heer'], ernaar uitziend om te spelen, het bos binnen dat rijk was aan bloemen en voedsel voor de koeien terwijl Hij Zijn fluit liet weerklinken en Hij met de hulp van Balarâma de dieren voor zich uit dreef. (3) Het bekoorlijke bos was vol van de geluiden van bijen, dieren en vogels, had een meer met water zo helder als dat van de geesten der groten en kende een geur meegevoerd door de wind van honderdbladige lotussen; de aanblik ervan deed de Allerhoogste Heer besluiten daar te gaan spelen. (4) Toen Hij, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid overal om Zich heen de schoonheid zag van de statige bomen die met de toppen van hun takken Zijn voeten beroerden met hun zware last aan vruchten, bloemen en roze knoppen, richtte Hij Zich, bijna lachend van de vreugde, tot Zijn oudere broer. (5) De Allerhoogste Heer zei: 'O Beste der Goden, deze bomen hier, aan Jouw lotusvoeten die aanbeden worden door de onsterfelijken, bieden met hun hoofden buigend offerandes van bloemen en vruchten opdat ze bevrijd mogen raken uit de onwetendheid als gevolg waarvan ze hun geboorte namen als bomen. (6) Ondanks Je schuilen in het bos, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid, laten deze bijen als de meest vertrouwelijke grote wijzen onder Je toegewijden, Jou als hun persoonlijke godheid niet in de steek, o Zondeloze, met het de gehele weg al zingend aanbidden van Jou, het pelgrimsoord voor al de werelden! (7) Deze pauwen, o Aanbiddelijke, dansen van vreugde; deze reeën behagen Je met hun blikken als waren ze de gopî's en de koekoeken bidden een vedisch gebed; ze zijn allemaal gezegend zijnde met een dergelijke heilige aard zo fortuinlijk Jou nu als bewoners van het bos te zien arriveren in hun woonplaats. (8) Gezegend is zo deze aarde, haar grassen en bosschages met het verwerven van de aanraking van Jouw voeten; de bomen en klimplanten beroerd door Jouw vingernagels; de rivieren, bergen, vogels en beesten met de genade van Jouw blikken; en de gopî's in Jouw armen overeenkomstig het verlangen van de Godin van het Geluk.'
(9) S'rî S'uka zei: 'Heer Krishna op deze manier ingenomen met Vrindâvana in al zijn pracht had er plezier in samen met Zijn metgezellen de dieren te laten grazen aan de rivieroevers beneden aan voet van de berg [de Govardhana]. (10-12) Somtijds, terwijl Zijn metgezellen samen met Balarâma onderweg Zijn faam bezongen, zong Hij mee met de zoemende bijen die blind waren onder de invloed, bootste Hij soms het gekwetter van de gebroken praat van de papegaaien na en deed Hij dan weer het bekoorlijke gekoekoek van een koekoek na; soms imiteerde Hij het geluid van de zwanen en soms danste Hij vermakelijk vlak voor een pauw; met een stem gelijk de wolken [rommelend]; riep Hij nu en dan de dieren die waren afgedwaald bij hun namen en sprak Hij beminnelijk vol genegenheid met de koeien en hun beschermers. (13) Met de andere schepselen, de cakora-vogels, de wulpen, de rotganzen, de veldleeuweriken en de pauwen schreeuwde Hij hen na alsof Hij bang was voor de tijgers en de leeuwen. (14) Soms als Zijn oudere broer moe was van het spelen en Hij de schoot van een gopa als hoofdkussen gebruikte, bracht Hij Hem in eigen persoon verlichting door Zijn voeten te masseren en andere diensten te verlenen. (15) Met elkaar bij de hand vast lachten en prezen ze de koeherdersjongens als ze zo nu en dan dansten, zongen, zich rond bewogen en worstelden. (16) Soms moe van het gestoei lag Hij, Zijn heil zoekend aan de voet van een boom, uitgeput op bedden gemaakt van twijgjes en bladeren, met de schoot van een gopa als kussen. (17) Sommigen van hen, die allen grote zielen waren, masseerden Zijn voeten terwijl anderen, vrij van alle zonden, Hem lieflijk koelte toewuifden met waaiers. (18) Anderen, met hun harten steeds voller van de liefde, hieven een lied aan gepast voor de gelegenheid, o grote Koning, een lied dat geest van de Grote Ziel weerspiegelde.(19) In Zijn optreden Zich voordoend als een koeherder verhulde Hij op deze manier middels Zijn mystiek vermogen de weelde van Zijn persoon en genoot Hij aan wiens delicate voeten de Geluksgodin klaar staat gelijk een dorpeling met de dorpelingen, ongeacht Zijn wapenfeiten als zijnde Heer en Meester.
(20) De gopa S'rîdâmâ, een vriend van Râma en Kes'ava, en anderen als Subala en StokaKrishna zeiden [op een dag] met liefde het volgende: (21) 'Râma, o Râma, o Machtig-gearmde, o Krishna, Vernietiger van de Booswichten, niet ver van hier is er een heel groot bos vol palmbomen [genaamd Tâlavana]. (22) Er valt en ligt daar veel fruit van de bomen, dat echter wordt achtergehouden door Dhenuka, de kwaaierik. (23) Hij, die de gedaante van een ezel heeft aangenomen, omringd door vele metgezellen net zo sterk als hij, is o zo'n machtige duivel, o Râma, o Krishna! (24) Mensen heeft ie gedood, en iedereen is bang er naar toe te gaan, o Doder der Vijanden, en allerlei soorten dieren en zwermen vogels blijven er weg. (25) Er zijn daar geurige vruchten die we tot dusverre nooit hebben kunnen proeven waarvan het zich verspreidend aroma zo sterk is dat je het overal kan opmerken. (26) AlsJeblieft Krishna, geef ze aan ons wiens geesten hunkeren van de geur; het verlangen is zo sterk, o Râma, laten we er op af gaan als Je dat een goed idee lijkt.'
(27) Nadat ze naar deze woorden van hun vrienden hadden geluisterd gingen de twee meesters, die het wensten hun vrienden een plezier te doen, omringd door de gopa's lachend [vergelijk 3.28: 31-33] naar het Tâlavana bos. (28) Balarâma daar aangekomen schudde, Zijn grote kracht aanwendend, als een kwaaie olifant met Zijn twee armen de bomen naar alle kanten zodat de vruchten naar beneden vielen. (29) Toen de ezeldemon de vruchten naar beneden hoorde vallen rende hij er op af met een denderende galop waarvan de aarde en de bomen schudden. (30) Met Hem voor zich trapte hij vliegensvlug met zijn twee achterpoten tegen Balarâma's borst en rende toen rond met het ten beste geven van een akelig ezelgebalk.(31) Het furieuze, schreeuwende beest Hem nogmaals benaderend sloeg kwaad, met zijn achterste naar voren, met zijn twee poten naar Balarâma, o Koning. (32) Hij greep hem echter bij de hoeven, slingerde hem met één hand rond en gooide hem, met het leven uit hem gecentrifugeerd, boven in de top van een palmboom. (33) Met die klap schudde de grote palmboom hevig met zijn grote kruin en brak toen af samen met een andere die ernaast kwam te schudden, die op zijn beurt weer een volgende naar beneden haalde en zo ging dat verder. (34) Balarâma die in Zijn spel met het lijk van de ezel smeet, deed alle bomen elkaar ermee rakend, als door een orkaan bewogen schudden. (35) Dit wapenfeit is in het geheel niet zo verrassend voor de Fortuinlijke omdat Hij daadwerkelijk de Onbegrensde Ene Beheerser van het Universum is. Op Hem berust het lang en breed zoals een stuk stof berust op zijn schering en inslag. (36) Toen, woedend over de dood van hun vriend, wierpen de ezels die Dhenuka's getrouwen waren zich op Krishna en Râma. (37) Maar de een na de ander werden ze, Krishna en Râma aanvallend o Koning, met gemak bij de achterpoten gegrepen en in de palmen gegooid. (38) De aarde die was overdekt met hopen vruchten en de bomen met de levenloze daitya lichamen in hun toppen, bood net zo'n prachtig stralende aanblik als de hemel gesierd met zijn wolken. (39) Horend van die immens grote overwinning lieten de goden en godsbewusten bloemen neerregenen, speelden ze muziek en brachten ze gebeden. (40) Nu dat Dhenuka was gedood konden de mensen, niet langer bang zijnde, eten van de vruchten van de palmbomen en konden de dieren grazen in het woud.
(41) Krishna met Zijn lotusblaadjesogen - over wie het zo gunstig is te vernemen en te zingen -, keerde met Zijn oudere broer terug naar Vraja, verheerlijkt door de gopa's die Hen volgden. (42) De gopî's wiens ogen ernaar dorstten Hem te zien kwamen Hem allemaal samen tegemoet, Hij met het stof nog in Zijn haar dat was opgeworpen door de koeien, met de pauwenveer, de woudbloemen, Zijn charmante blikken en mooie glimlach, de klanken van Zijn fluit en Zijn heerlijkheden bezongen door de gopa's. (43) Toen ze het koeherdersdorp binnenkwamen nam Hij hartelijk de huldeblijken van de dames van Vraja in ontvangst die verlegen, bescheiden en giechelend, als bijen uitkijkend naar de nectar, met geloken blikken het gezicht indronken van Mukunda, Hij die hun bevrijding vormde. En daarmee gaven ze het verdriet op waaronder ze die dag hadden geleden vanwege het feit dat ze van Hem gescheiden waren geweest. (44) Moeder Yas'odâ en Rohinî beantwoordden vol van liefde aan de verlangens van hun twee zoons door ze op gezette tijden de meest uitgelezen offergaven voor te zetten. (45) De vermoeienissen van onderweg verdwenen met een bad en een massage en dergelijke, waarna ze met een fraaie doek om hun middel aangekleed werden opgesierd met hemelse bloemenslingers en geuren. (46) Met de heerlijke spijzen die Hen werden aangeboden aten ze zich vol en aldus in de watten gelegd door hun moeders vielen ze in Vraja gelukkig in hun fijne bedden in slaap.
(47) O Koning, Krishna, de Opperheer aldus bezig in Vrindâvana, ging eens zonder Balarâma in het gezelschap van Zijn vrienden naar de Kâlindi [de Yamunâ, zie ook **]. (48) De koeien die toen samen met de gopa's geplaagd werden door de zinderende zomerzon dronken, gekweld door de dorst, van het rivierwater, maar het was bedorven door vergif. (49-50) Het lot trof hen dat ze enkel door de aanraking met dat vergiftigde water hun bewustzijn verloren, zodat ze allen levenloos aan de waterkant neervielen, o beste der Kuru's. Ze in die toestand ziend wekte Heer Krishna, de Beheerser van alle Meesters van de Yoga, door slechts Zijn blik - welke als een nectarregen is - hen toen weer tot leven die Hem hadden aanvaard als hun meester. (51) Bij bewustzijn, stonden ze weer op van bij het water en raakten ze allen hoogst verbaasd elkaar aankijkend. (52) Ze kwamen tot de conclusie dat ze, van het gif gedronken hebbend en dood neergevallen, o Koning, dankzij de genadevolle blik van Govinda weer tot hun volle kracht waren opgestaan.'
Voetnoten:
*: Het staat vermeld in het Kârttika-mâhâtmya gedeelte van de Padma Purâna:
s'uklâshthamî kârttike tu
smritâ gopâshthamî budhaih
tad-dinâd vâsudevo 'bhûd
gopah pûrvam tu vatsapah
"De achtste maankalenderdag van de heldere twee weken van de maand Kârttika staat bij gezaghebbenden bekend als Gopâshthamî. Vanaf die dag, diende Heer Vâsudeva als koeherder, terwijl Hij voordien de kalveren hoedde."
**: De Kalinda is de naam van de berg waarop de rivier de Yamunâ ontspringt.
Krishna Bestraft de Slang Kâliya
(1) S'rî S'uka zei: 'De Zwarte Heer [Krishna], de Almachtige, die het zwarte water zag dat vervuild was door de zwarte slang wilde de zuivering van de rivier en een einde maken aan het serpent.'
(2) De koning zei: 'Hoe onderwierp de Allerhoogste Heer het serpent in de diepe wateren en hoe kon het daar zo vele eeuwen verblijven o geleerde, legt u dat alstublieft uit. (3) O brahmaan, wie kan er genoeg krijgen van het delen van de nectar van de grootmoedige avonturen van Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Heer, die als een koeherdersjongen handelde op eigen gezag.'
(4) S'rî S'uka zei: 'Bij de Kâlindi van Kâliya [de naam van de slang] was er een zeker meer dat kookte van het vuur van zijn vergif; de vogels die er overheen vlogen vielen in het water. (5) In aanraking met de giftige dampen van de golven die werden meegevoerd door de wind stierf al het planten- en dierenleven op de oever. (6) Toen Hij zag hoezeer de rivier vervuild was geraakt door het enorm werkzame, sterke gif, klom Krishna, die was nedergedaald om de slechten te onderwerpen, in een kadamba-boom, sloeg Zich op Zijn armen, trok Zijn gordel strak en sprong in het vergiftigde water. (7) Door de kracht van de val van de Persoon der Essentie stroomde al het water van de slangenpoel, dat kolkte vanwege het gif dat de slang spuwde, over aan alle kanten, zodat haar angstwekkende golven over zo'n honderd booglengten uitvloeiden; het gebeurde werkelijk met een onmetelijke kracht! (8) Mijn beste, toen hij [de slang] het rumoer hoorde dat Hij voortbracht toen Hij al spelend met Zijn machtige armen als een machtige olifant bezig was het water rond te wervelen, ging hij, niet in staat die inbreuk op zijn leefgebied te verdragen, erop af. (9) Terwijl Hij zo onbevreesd aan het spelen was, zo aantrekkelijk in Zijn gele kleding en zo delicaat als een oplichtende witte wolk, met het S'rîvatsa-teken, Zijn glimlachende prachtige gezicht en met Zijn voeten die waren als het binnenste van een lotus, werd Hij door hem kwaadaardig in de borst gebeten en omsloten door zijn kronkels. (10) Hem ziend, onbeweeglijk in de greep van de windingen van de slang, waren Zijn beminde vrienden, de hoeders van de dieren [en allen die daar toevallig nog meer aanwezig waren], volledig van hun stuk en vielen ze, met hun verstand verbijsterd, pijnlijk getroffen, vol van spijt en angst op de grond aangezien ze zichzelf, hun relaties, hun rijkdom, vrouwen en de dingen waar ze aan hechtten allemaal aan Krishna hadden geofferd. (11) De koeien, de stieren en de koekalfjes, schreeuwden, met hun blikken gevestigd op Krishna, het hardop uit, angstig en geschokt als ze waren het uitjammerend in grote nood.
(12) Drie soorten van zeer angstaanjagende, onheilspellende onregelmatigheden deden zich toen voor in Vraja: er vertoonden zich tekenen aan de hemel, op aarde en in de levende wezens die de voorboden waren voor dreigend onheil. (13-15) Voor deze voortekenen geplaatst waren de koeherders die door Nanda werden geleid geplaagd door angst, wetende dat Krishna zonder Balarâma op pad was gegaan om de koeien te hoeden. Zij, niet doordrongen van waar Hij allemaal toe in staat is, konden, overweldigd als ze door die kwade tekenen waren door pijn, verdriet en angst, aan niets anders denken dan aan Hem, hun feitelijke levensadem. Zij allen, de kinderen, de ouderen en de dames, mijn beste, gingen, zich zo ellendig voelend als een koe zonder haar kalf, er bezorgd op uit om Krishna te vinden. (16) Toen Balarâma, de Lieve Opperheer, ze zozeer van streek zag glimlachte Hij liefdevol en zei helemaal niets, geheel op de hoogte als Hij was van de macht van Zijn jongere broer. (17) Zij op zoek naar hun zozeer beminde Krishna volgden het spoor gevormd door de symbolen van de Heer Zijn voetafdrukken dat leidde naar de oever van de Yamunâ. (18) Hier en daar, verspreid tussen andere voetsporen op het koeienpad, de met de lotus, de graanhalm, de olifanten-drijfstok, bliksemschicht en vlag opgesierde voetafdrukken van de meester van hun gemeenschap ziend, haastten ze zich derwaarts, mijn beste. (19) Toen ze Krishna roerloos aantroffen omsloten door de windingen van het slangenlijf, de koeherdersjongens buiten westen met de overgestroomde watermassa's en de dieren er rondom heen het uitschreeuwend, waren ze geheel van streek aan de grootste wanhoop overgeleverd. (20) De gopî's die in hun harten zozeer gehecht waren aan Hem, de Allerhoogste Onbegrensde Persoonlijkheid, werden bij de herinnering aan Zijn liefdevolle glimlachen, blikken en woorden, nu dat hun lieveling was gegrepen door het serpent, gekweld door het grootste verdriet en ervoeren, verstoken van hun lieveling, al de drie werelden als zijnde één grote leegte [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers zeven]. (21) Zij die samen met de evenzo gekwelde moeder van Krishna hun blik op haar zoon gevestigd hadden, hielden zich flink met het intomen van hun stortvloed aan emoties en brachten ieder afzonderlijk de verhalen in herinnering over de Lieveling van Vraja terwijl ze verstijfd aan de grond genageld naar Krishna's gezicht staarden. (22) Nanda en zijn mannen die Krishna zagen, hun hart en ziel, werden er door de Almachtige Heer Balarâma, die heel goed wist wat de macht van Krishna was, ervan weerhouden het meer in te gaan. (23) Toen Hij, de enige die ze hadden, een tijdje in die positie verkerend, Zijn koeherdersvolkje daar zag staan samen met de vrouwen en kinderen in de grootste wanhoop om Zijnentwille, maakte Hij daarop een einde aan de illusie van Zijn sterfelijkheid en bevrijdde Hij zich uit de omknelling van het serpent. (24) Zichzelf uitzettend werd Hij door het serpent opgegeven dat het toen te verduren kreeg als gevolg van Zijn bovenzinnelijke lichaam; hij hief zijn kragen hoog op in woede, ademde zwaar door zijn neusgaten die als twee vaten vol kokend gif waren en keek, roerloos met zijn ogen als toortsen, de Heer strak in het gelaat. (25) Hij met zijn gespleten tong van links naar rechts tussen zijn lippen en zijn blik zo schrikwekkend vol van giftig vuur ijverig spiedend naar een gelegenheid om aan te vallen, werd door Hem al spelend omkruist, Zich om hem heen bewegend als de koning der vogels [Garuda]. (26) Op deze manier om hem heen draaiend putte Hij hem uit en liet Hij hem zijn hoog geheven schouders voorover buigen; bovenop de brede koppen geklommen, begon Hij als de Oorspronkelijke, de Eerste Geestelijk Leraar van Al de Kunsten, te dansen, waarbij Zijn lotusvoeten in aanraking [met de slang] rood kleurden van de vele juwelen op de koppen. (27) Toen ze in de gaten kregen dat Hij aan het dansen was verschenen toen datzelfde moment Zijn dienaren ten tonele: de zangers van de hemel en de vervolmaakte zielen, de wijzen en eerbiedwaardigen met hun echtgenotes die zich allen met het grootste genoegen bij Hem voegden met dubbelzijdige kleitrommen, trommeltjes en grote trommels, liederen, en andere vormen van eerbetoon. (28) Welke van zijn honderd-en-één koppen hij ook maar weigerde voorover te buigen, mijn beste, werd meteen naar beneden getrapt; de Heer, die met Zijn trappende voeten hen straft die kwaadaardig zijn, deed het serpent, nog bewegend maar met zijn levenseinde naderend, een golf van vreselijk [giftig] bloed braken uit zijn monden en neusgaten, zodat hij de ergste smarten onderging. (29) Uit zijn ogen droop het gif en welke brakende kop hij ook maar hevig sissend van de woede hief, werd al dansend met Zijn voet door Hem tot overgave gedwongen, en iedere keer dat zich dat voordeed werd Hij met bloemen vereerd als zijnde de Oorspronkelijke Persoon. (30) Hevig bloed brakend met zijn talrijke kragen gebroken en zijn lijf verslagen door Zijn bijzondere dansen, o heerser der mensen, herinnerde hij zich de oudste persoon, Heer Nârâyana, de geestelijk leraar van alle zich bewegende en niet bewegende levende wezens en wendde hij zich in de geest tot Hem als zijn toevlucht. (31) Ziende dat de slang moe was van de zware last van de hakken van Heer Krishna in wiens onderbuik het ganse universum wordt aangetroffen, en dat zijn paraplu-achtige kragen waren verpletterd door Zijn getrap, benaderden zijn vrouwen, van streek en met hun kleding, sieraden en haarlokken in de war, de Oorspronkelijke Heer. (32) Zij, innerlijk volledig ontdaan toenadering zoekend ter beschutting, legden hun lijven en kinderen neer op de grond voor Hem, de Heer en Toevlucht van Alle Schepselen, en verbogen zich heilig hun handen samenvouwend om de verlossing van hun zondige echtgenoot te bedingen.
(33) De vrouwen van het serpent zeiden: 'Gerecht is feitelijk de straf voor deze persoon die handelde in overtreding; U daalde neder in deze wereld om, met een naar vriend en vijand gelijkgezinde blik, de slechten te onderwerpen en straf uit te delen met het oog op een positief resultaat. (34) Dit afstraffen van de onwaarachtigen waar U ons mee aanpakte is eigenlijk een vorm van genade omdat met het verdrijven van hun kwalijke invloed U, zoals U dat deed met zijn verschijnen als een serpent, zelfs vertoornd van genade bent in het aanvaarden van de belichaamden. (35) Van welke boete naar behoren uitgevoerd moet hij wel niet in zijn voorgaande levens zijn geweest, vrij van trots en denkend aan anderen, religieus of anderszins van mededogen voor al de mensen, waarmee U, het Goede Zelf van alle levende wezens, tevreden bent gesteld? (36) We weten niet wat van hem leidde tot dit resultaat, o Heer van ons; dat het iemand gegeven is het stof van Uw lotusvoeten te mogen beroeren is iets waarvoor de godin van het geluk, de beste van alle vrouwen, boetedoeningen heeft gedaan, al haar verlangens een lange tijd voor heeft verzaakt, vasthoudend aan haar gelofte. (37) De hemel noch de heerschappij over allen, niet de hoogste schepper te zijn noch de baas over de wereld, niet de perfecties van de yoga of vrijheid van wedergeboorte wordt door hen verlangd die het gebracht hebben tot het stof van Uw voeten [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (38) Hij, die werd geboren uit onwetendheid en in de ban van de woede verkeerde, heeft bereikt wat voor anderen zo moeilijk te bereiken is; door dat [stof] manifesteert voor hen, die ingekapseld rondwaren in de kringloop van het materieel bestaan, zich alle weelde. (39) Voor U, de Allerhoogste Heer van de Oorspronkelijke Persoon, de Grotere Ziel, de Beschutting voor al het Bestaande en de Hoogste Voorwereldlijke Oorzaak, de Allerhoogste van het Voorbije, onze eerbetuigingen. (40) Voor de Oceaan van Spirituele Kennis en Wijsheid, voor de Absolute Waarheid van een onbegrensd vermogen, jegens Hem vrij van de geaardheden en los van alle verandering van vorm, voor U, de Oorspronkelijke Beweger, ons eerbetoon. (41) Voor de Tijd, voor het Zekere van de Tijd, voor de Getuige van de Indelingen van de Tijd, voor Hem in de gedaante van het Universum, voor Degene die het Allemaal Overziet, voor haar Schepper; voor de Uiteindelijke Oorzaak van het Universum [ons respectvolle eerbetoon]. (42-43) Van het geschapene van de zinnen, de levensadem, de geest, de intelligentie en het bewustzijn bent U de grond der waarneming, die Uiteindelijke Ziel die met de geaardheden der natuur het verkeerde idee teweegbrengt van het zich foutief identificeren van het ware zelf met wat haar overdekt. Onze eerbetuigingen voor de Onbegrensde Heer zo hoogst subtiel, gevestigd in het centrum, de Alwetende die de verschillende zienswijzen sanctioneert, die Ene macht van het uitdrukken van ideeën en woorden. (44) Ons respect keer op keer voor de basis van alle gezaghebbende bewijsvoering, voor de auteur van de geopenbaarde geschriften, voor de bron van de passages die aanzetten en inperken. (45) We buigen voor Heer Krishna en Heer Râma [Sankarshana], de zoons van Vasudeva, en voor Pradyumna en Aniruddha [zie 4.24: 35-36]; onze eerbetuigingen voor de Meester van de Sâtvata's. (46) Onze heilwensen voor Hem, die de verschillende kwaliteiten laat zien, Zichzelf verhullend middels de geaardheden en [niettemin] door het functioneren van de geaardheden kan worden onderkend; Hij die door Zijn toegewijden wordt gekend als de afzonderlijke getuige tegenover de geaardheden. (47) O Beheerser van de Zinnen, laat er voor U, zo ondoorgrondelijk in Uw spel en vermaak vertoond voor de realisatie van de gehele schepping, ons eerbetoon zijn; voor U, die zo stilletjes tewerk gaat met hen die van de stilte zijn. (48) Jegens Hem, de Kenner der Bestemmingen Hoger en Lager, Hij die Alles Bestiert, onze aanbidding voor U, die los staat van het Universum en niettemin het Universum zelf is, Hij die Dat overziet en de Grondoorzaak is van alles. (49) U waarlijk bent de Almachtige Heer der Schepping, Handhaving en Vernietiging van dit universum die, zonder een aanvang met het vermogen van de Tijd met de geaardheden de erbuiten staande gangmaker bent; met Uw blik de afzonderlijke, sluimerende kenmerken opwekkend van ieder van hen [de geaardheden] speelt U Uw spel onberispelijk. (50) De vredigen, de rustelozen en zij die geboren zijn in traagheid zijn erdoor [door de Tijd] Uw materiële manifestaties in de drie werelden; [maar] voor de vredelievenden en de geheiligden alhier die U dierbaar zijn, bent U er, in het verlangen het dharma te handhaven, om ze bescherming te bieden. (51) Voor één keer zou door de meester de overtreding begaan door zijn eigen toegehorige moeten worden getolereerd; U, o Vrede In Eigen Persoon, moet het deze dwaas [onze echtgenoot] die er in mislukte U te begrijpen maar vergeven. (52) O Allerhoogste Heer weest genadig, het serpent loopt op zijn einde; voor ons vrouwen koesteren de geheiligden mededogen, de echtgenoot [aldus] moet het leven worden vergund. (53) AlstUblieft zeg ons, Uw dienstmaagden, wat er zou moeten worden gedaan; door Uw gebod trouw nageleefd zal men gegarandeerd worden bevrijd van alle angst.'
(54) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer, aldus uitvoerig geprezen door de vrouwen van de slang, liet hem toen los wiens koppen waren verslagen door Zijn trappende voeten. (55) Langzaam met moeite zijn zinnen herwinnend en op adem komend sprak Kâliya, zwaar ademend, miserabel en onderdanig tot Krishna. (56) Kâliya zei: 'Wij van geboorte zo gemeen en onwetend zijn, met een voortdurende woede begaan, van een aard die moeilijk te verzaken is voor normale mensen die zich daardoor verlaten op het onware, o meester! (57) Dit universum geschapen door U, o Onderhouder van de geaardheden en de verscheidenheid der schepping, is er, van de schoot en het zaad, in gedaanten en mentaliteiten, persoonlijke geaardheden, verschillende talenten en fysieke vermogens. (58) En wij hier verzeild geraakt, o Opperheer, zijn met door de aard van de serpentensoort begaan met woede; hoe kunnen wij met ons verstand kwijt nu op eigen kracht Uw begoochelende materie opgeven die zo moeilijk los te laten is? (59) Laat er het zekere zijn van dat wat U, vanuit Uw goede zelf als de oorzaak daarin, de Kenner van Alles, de beheerser van het Universum, voor ons zal regelen, of het nu een gunst is of een bestraffing.'
(60) S'rî S'uka zei: 'Aldus de woorden aanhorend sprak toen de Allerhoogste Heer die tewerk ging als een menselijk wezen: 'U, serpent, moet hier niet langer blijven; ga samen met uw getrouwen, uw kinderen en vrouwen rechtstreeks naar de oceaan; gun de menselijke wezens en de koeien het genot van de weelde van de rivier. (61) Ieder sterfelijk wezen dat zich dit gebod van Mij voor u herinnert en het reciteert aan het begin en het einde van de dag, zal niet langer bang voor u zijn. (62) Hij die op de plek van dit spel van Mij zich baadt en met het water de goden en zo tevredenstelt, zal, met het met zijn aanbidding naleven van een vastenperiode, bevrijd raken van alle zonden. (63) Bang voor Garuda verliet u het eiland Ramanaka en zocht u uw heil in deze poel; maar nu dat u door Mijn voeten bent getekend zal hij u niet verslinden.'
(64) De achtenswaardige wijze zei: 'Bevrijd door Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid wiens handelingen zo wonderbaarlijk zijn, o Koning, aanbad de slang samen met zijn vrouwen Hem met genoegen en respect. (65-67) Met de fijnste kleding, strengen bloemen en hoogst kostbare juwelen, alsook met versieringen, hemelse geuren en smeersels en een slinger van lotusbloemen de Heer van het Universum aanbiddend en tevredenstellend, werd het hem door Hij die Garuda in Zijn vaandel heeft toegestaan te vertrekken, tevreden als Hij was over het feit dat Hij werd omlopen en vereerd door hem en zijn vrouwen, kroost en vrienden. Meteen toen hij naar het eiland in zee vertrok raakte het nectargelijke water van de Yamunâ bij de gratie van de Opperheer, die voor Zijn spel en vermaak een menselijke gedaante had aangenomen, vrij van vergif.'
De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand.
(1) De koning zei: 'Waarom gaf Kâliya Ramanaka, de verblijfplaats der serpenten, op en wat veroorzaakte de vijandigheid die Garuda voor hem in het bijzonder koesterde?'
(2-3) S'rî S'uka zei: 'De slangenmensen die hier offers brengen [in Nâgâlaya] werden er in het verleden toe bewogen om maandelijks aan de voet van een boom een offer te brengen voor de serpenten, o machtig gearmde. Ieder van de serpenten gaf naar gelang de maanfase een deel aan Garuda, de grote macht die over hen heerste, om zich van hun bescherming te verzekeren. (4) Ingebeeld onder de invloed van zijn gif en kracht at Kâliya, de zoon van Kadru, in weerwil van Garuda die offergaven zelf op. (5) Toen hem dat ter ore kwam o Koning, haastte die grote meester en toegewijde van de Allerhoogste Heer zich met grote vaart om Kâliya te doden. (6) Garuda in de aanval stortte zich met grote vaart op hem die gewapend met zijn vergif en geheven met zijn vele kragen breeduit er angstaanjagend uitzag met zijn tongen en verschrikkelijke ogen. De slang beet hem toen met zijn wapens, de giftanden. (7) Hij, de zoon van Kadru, werd, in het afweren van de kleinzoon van Târkshya [zie 6.6: 21-22], de formidabel machtige drager van Madhusûdana die zich vol van woede met grote snelheid bewoog, getroffen door zijn linkervleugel die gloeide als goud. (8) Verslagen door Garuda's vleugel ging Kâliya volkomen ontmoedigd een moeilijk te bereiken meer van de Kâlindi binnen waar Garuda niet zou komen.
(9) Ooit werd het Garuda door Saubhari Muni verboden daar een schepsel van het water, zijn dagelijkse kost, te eten [zie 9.6], maar hongerig als hij was had hij het lef het toch te doen. (10) Toen hij zag hoe de vissen die daar leefden miserabel, hoogst ongelukkig waren omdat de koning der vissen was gedood, zei Saubhari, om de zaken recht te zetten uit mededogen ter verdediging: (11) 'Als Garuda ooit dit meer ingaat om de vissen te eten zal hij ter plekke zijn leven verliezen; zowaar als ik het zeg!' (12) Alleen Kâliya wist dat, geen ander serpent, en zo hield hij zich beducht voor Garuda op die plek op vanwaar hij door Krishna werd verdreven.
(13-14) Op het moment dat de koeherders Heer Krishna op zagen rijzen uit het meer, goddelijk met bloemenslinger, geuren en kleding, gesierd met menig een prachtig juweel en behangen met goud, leefden zij allen weer op in al hun zinnen en omhelsden ze Hem geëmotioneerd vol van vreugde. (15) Toen Yas'odâ, Rohinî en Nanda, de gopî's en de gopa's, o zoon van Kuru, zich herenigden met Krishna, keerden al hun levensfuncties terug en zo gebeurde dat zelfs ook met de uitgedroogde bomen. (16) En Râma die Acyuta, de Onfeilbare, omhelsde, lachte het, bekend met Zijn Almacht, uit van de liefde, trok Hem op Zijn schoot om Hem van alle kanten te bewonderen en genoot zo met de toekijkende koeien, de stieren en de jongste koetjes het hoogste genoegen. (17) De geschoolden en de achtenswaardige persoonlijkheden kwamen allen met hun echtgenotes naar Nanda toe en zeiden: 'Gegrepen door Kâliya is uw zoon nu bij goddelijke beschikking bevrijd. (18) Doe omwille van Krishna's veiligheid schenkingen aan de tweemaal geborenen', en Nanda, blij van geest, o Koning, gaf ze koeien en goud. (19) De kuise Yas'odâ die haar zoon, Hem van het Grote Geluk, was kwijtgeraakt en weer had teruggekregen, trok Hem op haar schoot en liet, Hem knuffelend, een stortvloed van tranen de vrije loop.
(20) Die nacht, o beste van de koningen, bleven de koeien en de mensen van Vraja, verzwakt als ze zich voelden van de dorst, de honger en de vermoeidheid, daar aan de oever van de Kâlindi. (21) Toen, midden in de nacht, laaide door de zomerhitte in het bos van alle kanten een grote brand op die de slapende Vrajasi's insloot en hen begon te verschroeien. (22) De luitjes van Vraja werden toen wakker en in nood verkerend dat ze zouden verbranden zochten ze hun toevlucht bij Krishna, de Heer en Meester, die zich vanuit de macht van Zijn spiritueel vermogen had gemanifesteerd als een menselijk wezen [vergelijk 10.8: 16]. (23) 'Krishna, Krishna, o Grootste van het Geluk; o Râma van een Onbegrensde Macht, dit allerverschrikkelijkste vuur dreigt ons, die Jouw toebehoren, te verslinden! (24) Bescherm alsJeblieft ons, Jouw mensen, Jouw vrienden, tegen dat onoverkomelijke vuur van de Tijd [van de dood], o Meester, we peinzen er niet over om ooit Je Voeten, die alle vrees verdrijven, te verlaten.' (25) Op deze manier met de wanhoop van Zijn volkje geconfronteerd, slokte de Heer van het Universum, de Onbegrensde in het bezit van oneindige vermogens, dat verschrikkelijke vuur op.
Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba
(1) S'rî S'uka zei: 'Omringd door Zijn vrolijk geaarde volkje dat Zijn heerlijkheden bezong ging Krishna toen [na de bosbrand] Vraja binnen dat zo prachtig was met zijn kudden koeien. (2) Op die manier vermomd als een koeherder rondspelend in Vraja, brak het seizoen van de zomer aan dat door de levende wezens niet zo prettig gevonden wordt. (3) Desalniettemin toonde Vrindâvana, waar de Allerhoogste Heer Kes'ava tezamen met Râma Zich persoonlijk ophield, de kwaliteiten van de lentetijd. (4) Het voortdurende geraas van de watervallen aldaar overstemde het geluid van de krekels terwijl de groepjes bomen die het gebied fraai opsierden bevochtigd werden door hun waterdamp. (5) Vanaf de golven van de stroompjes, de rivieren en de meren voerden koele briesjes het stuifmeel mee van de kahlâra, kañja en utpala lotussen zodat er, voor de mensen die in het bos leefden, niet de kwellende hitte was van de zon of de bosbranden van het zomerseizoen, maar wel een overdaad aan weelderig goeiend gras. (6) Het water van de zeer diepe rivieren doordrenkte de oevers, hetgeen aan alle kanten zorgde voor modderige zandbanken, waarover de felle zon brandend met zijn giftige stralen niet het vocht en het groen van de aarde kon verdringen. (7) Het bos zeer prachtig vol met bloemen weerklonk van allerhande dieren en zingende vogels, pauwen en bijen en de roepen van de koekoeken en de kraanvogels. (8) Met zin om te spelen ging Krishna, de Allerhoogste Heer, die Zijn fluit liet weerklinken in het gezelschap van Balarâma, de gopa's en de koeien, dat bosgebied binnen. (9) Met verse blaadjes, pauwenveren, bosjes kleine bloemen, bloemenslingers en kleurige steentjes als versieringen waren Krishna, Râma en de gopa's aan het zingen, dansen en rondstoeien. (10) Terwijl Krishna danste, zongen sommigen van hen, speelden er een paar op fluiten, schelletjes en hoorns terwijl anderen de loftrompet staken. (11) Verkleed als het koeherdersvolkje bewezen de halfgoden [zie 10.1: 22] Krishna en Râma de eer in Hun gedaante van koeienbeschermers, precies zoals professionele dansers dat doen als ze een andere danser aanmoedigen, o Koning. (12) Ronddraaiend, springend, gooiend, elkaar op de rug slaand en rondslepend speelden ze en hielden ze soms, als ze worstelden, elkaar bij hun haarlokken vast. (13) Bij tijden als de anderen dansten waren Zij de zangers en bespeelden Zij de instrumenten, zelf van lofprijzing zijnde, o Koning, en zeiden Ze: 'Wat goed, wat goed is dat!' (14) Nu en dan speelden ze met bilvavruchten en dan weer met kumbhavruchten of met handen vol met âmalaka [myrobalaan] vruchten; ze speelden tikkertje [aspris'ya] of blindemannetje [netra-bandha] en dat soort spelletjes en soms deden ze de dieren en vogels na. (15) Dan sprongen ze als kikkers, vertelden ze allerlei grappen en dan weer waren ze aan het schommelen of speelden ze koninkje. (16) De twee op deze manier als gewone mensenkinderen spelend trokken rond door de bossen, de bergen, de rivieren en dalen, de schaduwrijke plekken, meren en perken alom.
(17) Op een dag, toen Râma en Krishna samen met de gopa's de dieren in dat bos aan het hoeden waren, verscheen er daar de demon Pralamba in de gedaante van een gopa met het voornemen Hen te ontvoeren. (18) Hem kennende, aangezien Hij die van het huis Das'ârha stamde de Alwetende Opperheer was, aanvaardde Hij het, erop zinnend hem ter dood te brengen, om vriendjes met hem te zijn. (19) Daarop de gopa's bijeenroepend zei Krishna, Hij die alle spelletjes kent: 'O gopa's, laten we spelen en ons in twee gelijke teams verdelen'. (20) Daartoe riepen de gopa's Râma en Janârdana uit tot hun aanvoerders zodat sommigen bij Krishna's groep hoorden terwijl de anderen zich aansloten bij Râma. (21) Ze gingen over tot verschillende spelletjes hakkepak [harinâkrîdanam] die bekend stonden onder de regel dat de winnaars degenen die verslagen waren mochten beklimmen en dan door hen moesten worden gedragen. (22) Dragend en gedragen wordend hoedden zij onderwijl de koeien en gingen ze, geleid door Krishna, naar een banyanboom genaamd Bhândîraka [*]. (23) Toen Râma's partij met S'rîdâmâ, Vrishabha en anderen de wedstrijd had gewonnen, werd ieder van hen gedragen door Krishna en de leden van Zijn team, o Koning. (24) Verslagen zijnd droeg Krishna, de Allerhoogste Heer, S'rîdâmâ; Vrishabha werd door Bhadrasena gedragen en Pralamba [de Asura] droeg de zoon van Rohinî [Râma]. (25) Krishna voor onverslaanbaar houdend zette die demon nummer één het in grote vaart op een rennen [zijn passagier Râma] wegdragend voorbij de finish waar moest worden afgestapt. (26) Hem hoog optillend verloor de demon zijn gang echter met Hem [opeens] zo zwaar [wordend] als de koning van de aarde en de planeten [de berg Meru]. Daarop nam hij weer zijn oorspronkelijke gedaante aan die was overdekt met gouden sierselen, waardoor hij straalde als een wolk flitsend van de bliksem in het meevoeren van de maan. (27) Toen Hij dat lichaam zich snel door de ruimte zag bewegen met zijn vuurschietende ogen, een gefronst voorhoofd, rijen verschrikkelijke tanden, zijn woeste haar, met de banden om zijn armen, zijn kroon en zijn oorhangers, raakte de Drager van de Ploeg, versteld over de gloed, een beetje beduusd. (28) ZichZelf weer herinnerend, sloeg de onbevreesde Balarâma die Zich wegbewoog van Zijn gezelschap alsof Hij werd ontvoerd, hem boos hard met Zijn vuist op zijn kop, zo hevig als de koning der goden dat zou als hij een berg treft met zijn bliksemschicht. (29) Getroffen spleet ter plekke zijn schedel open en stortte de demon, bloed opgevend uit zijn mond, levenloos ter aarde met een luid geluid dat weerklonk alsof er een berg getroffen werd door Indra's wapen. (30) Toen ze Pralamba gedood zagen door de vanzelfsprekende kracht van Balarâma waren de gopa's zeer verrast en drukten ze zich uit met de woorden 'Goed zo, goed gedaan!' ['sâdhu, sâdhu']. (31) Zegeningen uitsprekend prezen ze Hem die zo verdienstelijk was, als was Hij teruggekeerd uit de dood en sloten ze Hem in hun armen met hun harten overweldigd door liefde. (32) Met de zondige Pralamba gedood bedolven de halfgoden hoogst voldaan Hem met bloemenslingers en brachten ze gebeden onder het uitroepen van 'Bravo, uitstekend!' '
Voetnoot:
* S'rîla Sanâtana Gosvâmî haalt de volgende verzen aan van de S'rî Harivams'a (Vishnu-parva 11.18 - 22), waarin de banyan wordt beschreven:
dadars'a vipulodagra-
s'âkhinam s'âkhinâm varam
sthitam dharanyâm meghâbham
nibidam dala-sañcayaih
gaganârdhocchritâkâram
parvatâbhoga-dhârinam
nîla-citrânga-varnais' ca
sevitam bahubhih khagaih
phalaih pravâlais' ca ghanaih
sendracâpa-ghanopamam
bhavanâkâra-vithapam
latâ-pushpa-sumanditam
vis'âla-mûlâvanatam
pâvanâmbhoda-dhârinam
âdhipatyam ivânyeshâm
tasya des'asya s'âkhinâm
kurvânam s'ubha-karmânam
nirâvarsham anâtapam
nyagrodham parvatâgrâbham
bhândîram nâma nâmatah
"Zij zagen die beste van alle bomen, welke vele lange takken had. Met zijn dichte bladerdek, leek het wel een wolk die op de aarde rustte. Daadwerkelijk was hij dermate groot dat hij de halve hemel leek te beslaan. Vele vogels met bekoorlijke blauwe vleugels kwamen daar regelmatig in die grote boom waarvan de vele vruchten en bladeren hem er uit deden zien als een wolk met een regenboog ernaast of als een huis gesierd met klimop en bloemen. Hij reikte met zijn wortels naar beneden en droeg op zijn rug de geheiligde wolken. Die banyanboom was als de Hoogste Heer en Meester van alle andere bomen er in de buurt, daar hij zorg droeg voor de alleszins gunstige functies van het afweren van de regen en de hitte van de zon. Aldus zag de nyagrodha boom die bekend stond als Bhândîra er uit, precies als de top van een berg."
Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand
(1) S'rî S'uka zei: 'Terwijl de gopa's verdiept waren in hun spel, dwaalden hun koeien ver af en gingen ze, in hun eentje grazend, belust op gras het struikgewas in. (2) De geiten, koeien en de buffels die van het ene deel van het bos naar het andere gedeelte gingen belandden in een bamboebos en klaagden toen luid dorstig zijnde van de hitte. (3) De gopa's onder leiding van Krishna en Râma die de dieren nergens zagen hadden er toen spijt van dat ze ze niet in de gaten hadden gehouden en gingen op zoek naar het spoor van de koeien. (4) Allen bang voor het verlies van hun bestaandsmiddel volgden ze de hoefafdrukken van de koeien op het pad aan de hand van de grashalmen die waren omgeknakt door de hoeven en de tanden van de koeien. (5) In het Muñjâ woud vonden ze hun koeien en de andere beesten die de weg kwijt geraakt weer, moe geklaagd van de dorst, waarna ze samen teruggingen. (6) Ze reageerden dolblij toen ze het geluid van hun namen hoorden geroepen door de Allerhoogste Heer die een stem had die zo luid klonk als een rommelende wolk. (7) Toen opeens verscheen van alle kanten een enorme, verschrikkelijke brand die likkend alle bewegende en niet-bewegende levende wezens in het woud bedreigde met een gruwelijke storm van vonken voortgedreven door hun wagenmenner, de wind. (8) De bosbrand die hen van alle kanten overviel maakte dat de gopa's en de koeien, angstig om zich heen kijkend, zich tot Krishna en Zijn kracht Balarâma wendden voor hun toevlucht, zoals ook alle mensen geplaagd door de angst voor de dood de Allerhoogste Persoonlijkheid zoeken: (9) 'Krishna, o Krishna, o Grootste Held, o Râma van een nimmer falende macht, redt ons die van overgave zijn er alsJeblieft van te worden verschroeid door de bosbrand. (10) We kunnen het toch nooit verdienen dat wij, Je vrienden o Krishna, met Jou, de volmaakte kenner van ieders aard, als onze Heer, in de steek worden gelaten als we te lijden hebben?!'
(11) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Hari die de deerniswekkende woorden van Zijn vrienden zo hoorde zei: 'Wees niet bang, doe enkel jullie ogen dicht'. (12) 'Afgesproken', zeiden ze en met hun ogen gesloten verloste de Allerhoogste Heer, de Beheerser van de Yoga, hen van het gevaar door via Zijn mond het verschrikkelijke vuur in Zich op te nemen. (13) Toen ze daarna hun ogen weer open deden stonden ze versteld dat, met henzelf en de koeien gered, ze waren overgebracht naar Bhândîra [de banyan, zie 10.18: 22, naar verluid zestien kilometer verderop]. (14) Getuige van hun verlossing uit het brandende bos tot stand gebracht door de yogamacht van Krishna's innerlijke beheersing van de begoochelende materiële energie, dachten ze van Hem dat Hij een Onsterfelijke Godheid was. (15) Krishna die samen met Râma en de koeien onderweg Zijn fluit liet weerklinken terwijl Hij werd geprezen door de gopa's, keerde die middag laat terug naar het koeherdersdorp. (16) De jonge koeherdersmeisjes raakten in de hoogste staat van vervoering toen ze Govinda weer terugzagen, omdat het voor hen wel duizend eeuwen leek te duren als ze Hem ook maar voor een moment moesten missen.'
Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana
(1) S'rî S'uka zei: 'De koeherdersjongens beschreven voor de dames [van Gokula] de verbazingwekkende daden van de twee door wiens toedoen ze waren verlost van de bosbrand en Pralamba ter dood was gebracht. (2) De oudere gopa's en gopî's die er eveneens van opkeken toen ze dat hoorden beschouwden het duo Krishna en Râma als boodschappers van God die naar Vraja waren gekomen.
(3) Toen, met bliksemflitsen aan de horizon en rommelende luchten, namen de regens hun aanvang die al de levende wezens het leven schenken. (4) De hemel vol van samengepakte donkere wolken en begeleid door donder en bliksem, was, met haar verstrooide licht, als de geestelijke ziel die zich vertoont met zijn materiële kwaliteiten. (5) Acht maanden lang had de zon met zijn stralen gedronken van de weelde van de aarde in de vorm van het water en nu was de tijd rijp om dat water weer los te laten. (6) Grote wolken oplichtend van de bliksem en voortgestuwd door de woeste winden stortten voorwaar, net zoals personen van genade in deze wereld dat doen, hun begenadiging van al wat leeft uit. (7) Opgedroogd door de hitte herstelde de aarde, besprenkeld door het goddelijke, zich volledig, net zoals het sensueel gemotiveerde lichaam van de boetvaardige zich laaft na het verkrijgen van de vruchten van die praktijk. (8) Door de duisternis kon in het avondschemer de gloeiworm schijnen, maar niet zo de hemellichten, precies zoals in Kali-yuga door de zonden de ketterijen stralen en zeker niet de Veda's. (9) Zou gauw ze het geluid van de regenwolken hoorden lieten de kikkers, die voorheen er stilletjes bijzaten, hun geluiden horen net zoals degenen van Brahmâ hun stem laten klinken na hun ochtendroutines [zie niyama]. (10) De rivieren die waren opgedroogd traden, na eerst onbeduidende stroompjes te zijn, vervolgens buiten hun oevers net zoals dat gebeurt met het lichaam, het eigendom en de middelen van een persoon die beheerst wordt door zijn zinnen. (11) Smaragd van het groen van het pas gegroeide gras, rood van de indragopa insecten en de paddestoelen een plaats biedend, manifesteerde de aarde zich als een persoon die opeens rijk is geworden. (12) De velden rijk van het graan brachten de boeren vreugde maar maakte anderen spijtig [de dingen niet bij de genade Gods te hebben, anderen] die valselijk trots zijnde niet de wil van God begrijpen. (13) De schepselen van het water en het land, allen nieuw van het water dat weer terug was gekomen, presenteerden zich in aantrekkelijke gedaanten zoals men dat doet als men de Heer dienst verleent. (14) De rivieren turbulent uitmondend in de oceaan gaven golven opgestuwd door de wind, precies zoals de geest voortgedreven door verlangens is met een onvolgroeide yogi die nog vastzit aan de materiële kwaliteiten. (15) De bergen belaagd door wolken die zwaar waren van de regen stonden er onverschrokken bij onder hun aanval, net zoals de geesten van degenen die geplaatst voor moeilijkheden onverschrokken zijn als ze de Heer in het Voorbije zijn toegewijd. (16) De wegen niet langer in gebruik vervaagden overgroeid door gras precies zoals geschreven Teksten die, niet bestudeerd door de brahmanen, uiteenvallen onder de invloed van de tijd. (17) De bliksem in de wolken die de vrienden van de hele wereld zijn, kon, onstandvastig in zijn vriendschap, precies zoals een wellustige vrouw met deugdzame mannen is, niet zijn plaats houden. (18) Toen de [regen-]boog van de grote Indra onbespannen maar duidelijk afgetekend aan de hemel verscheen, was het alsof de Allerhoogste Persoonlijkheid die Vrij is van de Geaardheden was verschenen in het manifeste van de natuur die door de geaardheden wordt bepaald. (19) De maan scheen niet omdat het licht verhuld was door de wolken die wel [daarvan] straalden, precies zoals het levende wezen van binnenuit straalt terwijl zijn luister overdekt wordt door het valse ego. (20) Vanwege de komst van de wolken schreeuwden de pauwen vreugdevol in een feeststemming, precies zoals degenen die geestelijk te lijden hebben zich verheugen en in hun huizen verheugd raken als de toegewijden van Acyuta arriveren. (21) De bomen die door hun voeten heen het water hadden gedronken vertoonden verschillende lichamelijke kenmerken [zoals bloesems, bladeren en twijgen] zoals zich dat ook voordoet als, voorheen uitgemergeld en vermoeid door verzakingen, men zich [eindelijk] mag verheugen in het voorwerp van zijn verlangen. (22) De kraanvogels bleven aan de oevers van de rusteloze meren, mijn beste, ongeveer zoals de burgers zich koortsachtig bezig blijven houden in hun huizen met een geest in beroering. (23) Als Indra zijn regens doet neerkomen breken door het vloedwater de irrigatiedijken precies zoals de valse theorieën van de ketters in Kali-yuga breken met het pad van de Veda's. (24) De wolken voortgedreven door de winden lieten hun nectargelijke water neerstromen over alle levende wezens zoals koningen van tijd tot tijd, aangemoedigd door de brahmanen, dat doen met hun schenkingen in liefdadigheid.
(25) Aldus werd dat allerschitterendste woud met zijn rijpe dadels en jambuvruchten waaromheen de koeien en de jongens samendromden, betreden door de Heer en Balarâma met de bedoeling daar te gaan spelen. (26) De koeien, vanwege hun zo heel erg zware uiers zich langzaam voortbewegend, kwamen rap aangezet op het roepen van de Heer, met hun uiers nat geworden van hun liefde. (27) Soms als het regende ging de Allerhoogste Heer een holle boom of een grot binnen en genoot Hij etend van wortels en vruchten. (28) Hij keek naar de vreugdevolle meisjes die leefden in het bos met de van zoet sap druipende bomen en de watervallen van de berg die weergalmden in grotten daar in de buurt. (29) Tezamen met de jongens de maaltijd delend op een steen bij het water at Hij in het gezelschap van Sankarshana van de meegenomen yoghurtrijst. (30-31) Op een grasperk zaten de stieren, herkauwend met hun ogen dicht, met de kalveren en de koeien moe van het gewicht van hun melkbuidels. De rijkdom te zien van het regenseizoen, dat zich vanuit Zijn inwendige vermogen had geëxpandeerd, schonk de Allerhoogste Heer plezier en deed Hem Zijn respect betuigen.
(32) Met Râma en Kes'ava zich getweeën op deze manier ophoudend in Vraja brak het herfstseizoen aan in zijn volle glorie, met een wolkenloze hemel, het helderste water en een zachte bries. (33) In het najaar kwamen de lotussen weer tot leven en hervonden de wateren naar hun oorspronkelijke staat [van zuiverheid], zoals de geesten der gevallenen zich herstellen met de praktijk van de toegewijde dienst. (34) Net zoals het toegewijd dienen van Heer Krishna alle statusgroepen [âs'ramas] vrijmaakt van alle ongunstige zaken, verdreef het herfstseizoen de vertroebeling van het water, de modderige staat van de aarde, het opeengepakt zijn van de dieren [in hun stallen] en de wolken in de hemel. (35) De wolken die alles gegeven hadden wat ze hadden straalden het uit met een gloed zuiver als die van de wijzen die, met het opgegeven hebben van alle verlangens, bevrijd van alle neigingen tot vrede zijn gekomen. (36) Dan weer gaven de bergen hun zuivere water vrij en dan weer deden ze dat niet, precies zoals de nectar van de geestelijke kennis enkel bij tijden wordt vergund door de jñâni's [de spirituele filosofen]. (37) Zij die zich bewogen in het ondiepe water [de vissen] konden het niet waarderen dat het water steeds minder werd [na de regens], precies zoals dwaze mensen in gezinsverband geen waardering kunnen opbrengen voor het dag na dag afnemen van hun tijd van leven. (38) Zij, zich bewegend in het ondiepe water, hadden het als gevolg van de herfstzon zwaar te verduren zoals een berooid man zich miserabel voelt als hij met zijn zinnen niet onder controle in beslag genomen wordt door het gezinsleven. (39) Geleidelijk aan moest het land zijn modder prijsgeven en moesten de planten hun onrijpe staat achter zich laten zoals zij die nuchter zijn het egotisme en de bezitsdrang eraan moeten geven van het gebrand zijn op het niet-spirituele van het materiële lichaam en alles wat erbij hoort. (40) De wateren werden roerloos zoals ook de oceaan tot rust kwam met het aanbreken van het najaar, precies zoals met het zelf dat afziet, van een wijze van volledige verzaking, het heilige werk eraan wordt gegeven [zie ook avadhûta en 7.13]. (41) Met stevige irrigatiedijken damden de boeren het water van de rijstvelden in precies zoals yogi's dat doen in als ze de stroom van het bewustzijn stoppen die naar buiten reikt door de zintuigen. (42) Het lijden van alle schepselen als gevolg van de stralen van de najaarszon werd weggenomen door de maan zoals ook het lijden, gebaseerd op het zich valselijk identificeren met het lichaam of met [het missen van] Mukunda - zoals de dames van Vraja doen -, wordt verdreven door de wijsheid. (43) De wolkenloze lucht in de herfst straalde schitterend helder vol van sterren precies zoals de geest begaan met goedheid dat doet in de directe ervaring van de strekking van de Veda's. (44) De maan en de sterren straalden helder ongebroken in het hemelgewelf gelijk de meester der Yadu's, Krishna, dat deed op aarde omringd door de kring der Vrishni's [zie stamboom]. (45) De wind te koesteren die niet te koud en niet te warm woei uit het woud vol van bloemen, deed de mensen de ontberingen vergeten, maar niet de gopî's wiens harten waren gestolen door Krishna. (46) De koeien, de reeën, de vogelwijfjes en de vrouwen vonden hun vruchtbaarheid in de herfst, net zoals de daden in dienst van de Allerhoogste Heer worden gevolgd door hun trouwe maten de goede resultaten. (47) O Koning, de lotussen bloeiden overal met het rijzen van de zon met uitzondering van de 's nachts bloeiende kumut-lotus, net zo goed als de bevolking, met uitzondering van de dieven, tot bloei komt als ze niet bang zijn voor een [rechtgeaarde] koning. (48) In de steden en dorpen straalde de aarde met oogstrituelen en andere wereldse feesten en grote vieringen, rijp als ze was met haar granen, als een expansie van Hem gezegend zijnd met de twee [van Krishna en Balarâma] die zo helemaal de Allerhoogste Heer waren. (49) Zoals de vervolmaakten hun levensonderhoud vinden [of verlangde gedaante] als de tijd er rijp voor is, konden de kooplieden, de verzakers, de koningen en de geïnitieerden, [die voorheen waren] tegengehouden door de regens, [nu] eropuit om hun doelen te bereiken.'
De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit
(1) S'rî S'uka zei: 'Alzo betrad Acyuta met de koeien en de gopa's die plaats koel gehouden door de briesjes die zoet geurden van de lotussen die volop aanwezig waren in de meren waarvan het water helder was door het najaarsseizoen. (2) Terwijl Hij, langs de meren, rivieren en door de heuvels trekkend, de dieren aan het hoeden was in het gezelschap van Balarâma en de koeherdersjongens, bespeelde de Lieve Heer Zijn fluit die Hij liet meeklinken met de doldwaze bijen en de groepjes vogels. (3) Van de dames van Vraja die het lied van de fluit hoorden dat de bloei [van het hele bestaan] in gedachten bracht, onthulden sommigen in vertrouwen hun hartsvriendinnen wat ze van Krishna dachten. (4) Toen ze met die beschrijving begonnen waren ze, met de herinnering aan al wat Krishna deed opgewonden rakend in staat van vervoering, niet langer bij machte daarmee door te gaan, o heerser der mensen. (5) Met een pauwenveer op Zijn hoofd, met het lichaam van de beste der dansers, een blauwe karnikâra lotus achter Zijn oren, goudgeel gekleurde kledingstukken en met de vaijayantî slinger om ['van de victorie' met bloemen in vijf verschillende kleuren], vulde Hij de gaten van Zijn fluit met de nectar van Zijn lippen toen Hij het Vrindâvana-woud dat zo betoverend was door Zijn voetafdrukken binnenging onder het bezingen van Zijn heerlijkheden door de groep koeherders. (6) O Koning, met het horen van het geluid van de fluit dat de geest van alle levende wezens vervoerde, omhelsden, terwijl ze Hem beschreven, al de vrouwen van Vraja elkaar.
(7) De gopî's zeiden: 'O vriendinnen, voor ons die ogen hebben is dit het hoogste wat men bereiken kan: de liefdevolle blikken in te mogen drinken die afstralen van de gezichten van de twee zoons van de koning van Vraja terwijl Ze spelen op Hun fluiten en samen met Hun kameraden de koeien van het ene naar het andere bos drijven. (8) Met de mangospruiten, pauwenveren, slingers van bloemknoppen, lotussen en lelies in combinatie met de kleurrijke kleding waarmee Ze Zich uitdossen, komen de twee schitterend tot hun recht temidden van de koeherdersjongens, nu en dan zingend als waren ze twee ervaren dansers op een podium. (9) O gopî's, hoe verdienstelijk moeten de daden wel niet zijn geweest van deze fluit van Krishna om enkel voor zichzelf te mogen genieten van de smaak achtergelaten door de nectar van de lippen die de gopî's toebehoren? Zijn voorvaderen de bamboebomen plengen tranen van vreugde net zoals de rivier [waar ze groeiden] met haar begroeiing vol van vreugde is [honingtranen afscheidend via haar lotussen]. (10) Vrindâvana, o vriendinnen, voegt toe aan de glorie van de aarde omdat ze de schat mocht verwelkomen van de lotusvoeten van de zoon van Devakî. Daarbij maakt het geluid van Govinda's fluit de pauwen gek over wiens dansen alle andere schepselen versteld staan die neerkijken vanaf de berghellingen. (11) Hoe gelukkig die reeën die, hoe onwetend ze ook geboren zijn, met het horen van het geluid van de fluit van de zo fraai uitgedoste zoon van Nanda, met hun liefdevolle blikken van aanbidding waren in het gezelschap van hun zwarte echtgenoten. (12) Voor al de vrouwen is het een feest om naar Krishna te kijken met Zijn schoonheid en karakter en om het heldere geluid van Zijn fluit te horen. Van de vrouwen van de goden der hemel rondvliegend in hun hemelse voertuigen glijden, van streek en verbijsterd als ze zijn met Hem in gedachten, de bloemen die ze in hun haar vlochten eruit en raken hun gordels los. (13) De koeien zetten hun oren recht overeind om in die vaten de nectar op te vangen van de geluiden voortgebracht door Krishna met Zijn mond aan de fluit. De kalveren, met monden vol van de melk vloeiend uit de uiers, staan er stil bij met in hun ogen en geesten Govinda die hen raakt en hun ogen vult met tranen. (14) O moeders, voorzeker zijn de vogels in het woud [als] grote wijzen daar aanwezig om Krishna te zien. Omhoog gevlogen naar de takken van de bomen zo rijk met hun weelde aan klimplanten en twijgen, luisteren ze met hun ogen dicht naar de lieflijke klanken van de fluit die de rest het zwijgen oplegt. (15) De [dames, de] rivieren als ze het lied van Krishna opvangen, lopen vanwege hun geesten vol van liefde uit op draaikolken met hun stroming onderbroken. In de omhelzing met hun armen van golven grijpen ze en houden ze vast de twee voeten van Murâri die ze offergaven brengen van lotusbloemen. (16) Met het zicht op Hem in de hitte van de zon de hele tijd spelend op Zijn fluit terwijl Hij samen met Râma en de gopa's de dieren van Vraja hoedt, breidde zich uit vriendschappelijke liefde zich hoog een wolk uit om van zijn lichaam een parasol te maken met grote aantallen [koele druppeltjes die naar beneden kwamen als] bloemen. (17) De vrouwen van de Pulindya-stam [de oorspronkelijke bewoners van Vraja] zijn geheel bevredigd met de lotusvoeten van de Heer Verheerlijkt door de Groten, als zij, met het zien van het roodkleurige, op het gras achtergebleven kunkumapoeder dat voorheen de borsten van Zijn vriendinnetjes sierde, gepijnigd bij die gedachte, in de gelegenheid verkeren die pijn te boven te komen door het poeder op hun borsten en gezichten te wrijven. (18) En oh, deze heuvel [Govardhana], o vriendinnen, is de Heer Zijn beste dienaar omdat hij, beroerd door de lotusvoeten van Krishna en Râma, dolgelukkig van respect is met offergaven van drinkwater, mals gras en eetbare wortels voor de koeien, de kalveren en de koeherders. (19) Wonderbaarlijk genoeg zijn, met het in alle vrijheid samen met de koeherdersjongens begeleiden van de koeien naar iedere plek in het woud, door de trillingen van de zoete tonen van de fluit, o vriendinnen, de levende wezens die kunnen bewegen roerloos en zijn de anders zo onbeweeglijke bomen bewogen tot extase door Hen beiden, Zij die te herkennen zijn aan de touwen [*] die ze hebben voor het samenbinden van de achterpoten van de koeien.'
(20) Op deze wijze voor elkaar een beeld schetsend van het tijdverdrijf van de Allerhoogste Heer rondtrekkend in Vrindâvana, raakten de gopî's geheel in Hem verzonken.'
Voetnoot:
* : S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura verklaart dat die touwen van Krishna en Balarâma gemaakt zijn van gele stof met groepjes parels aan beide uiteinden. Soms dragen ze deze touwen om Hun tulbanden, en worden die touwen zo prachtige versieringen.
**: De paramparâ verduidelijkt: 'Vasudeva en Nanda Mahârâja waren dermate nauw verbonden dat ze leefden als broers. Verder, leren we van de notities van S'rîpâda Madhvâcârya dat Vasudeva en Nanda Mahârâja stiefbroers waren. Vasudeva 's vader, S'ûrasena, trouwde met een vais'ya meisje, en uit haar nam Nanda Mahârâja zijn geboorte. Later, trouwde Nanda Mahârâja zelf met een vais'ya meisje, Yas'odâ. Daarom wordt deze familie gerespecteert als een vais'ya familie, en nam Krishna, Zich identificerend als hun zoon, de zorg op zich voor vais'ya zaken (krishi-go-rakshya-vânijyam, B.G. 18: 44)'.
Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's
(1) S'rî S'uka zei: 'Tijdens de eerste maand van het winterseizoen [hemanta: nov./jan.] namen de ongetrouwde meisjes van Nanda's Vraja, zich voedend met ongekruide khichrî [een mengsel van rijst en linzen], een gelofte in acht in aanbidding van Kâtyâyanî. (2-3) Met het ochtendgloren een bad nemend in het water van de Yamunâ maakten ze van klei een beeltenis van de godin om, weelderig doch eenvoudig, van aanbidding te zijn, o heerser der mensen, met sandelhoutpasta, geurige bloemenslingers, giften [van voedsel, kleding, etc.], wierook en lampen en met offergaven van verse bladeren, vruchten en betelnoten. (4) De jonge meisjes waren van aanbidding met het chanten van een mantra met de woorden: 'O Kâtyâyanî, voor u onze eerbetuigingen, o grote macht, grootste van alle yoginî's, o allerhoogste beheersing, alstublieft maak de zoon van Nanda de gopa mijn echtgenoot!' [*] (5) Op deze manier brachten de meisjes voor de duur van een maand hun gelofte in de praktijk voor Bhadrakâlî van gepast eerbetoon zijnde met 'Moge Hij, Nanda's zoon mijn man worden'. (6) Iedere dag, bij zonsopkomst elkaar erbij roepend, hielden ze elkaars handen vast en gingen ze luidkeels zingend ter ere van Krishna naar de Kâlindî om te baden. (7) Op een dag al zingend over Krishna daar bij de rivier aangekomen lieten ze zoals gebruikelijk op de oever hun kleren achter en vermaakten ze zich spelend in het water.
(8) Krishna, de Allerhoogste Heer, als de Meester van alle meesters van de yoga bekend met wat ze van zins waren, ging omringd door Zijn metgezellen erheen om de meisjes te verzekeren van het resultaat van hun handelen. (9) Hun kleren wegkapend klom Hij snel in een kadamba-boom lachend samen met de jongens lol trappend door te zeggen: (10) 'Kom dan hier meisjes, en wees zo lief ieder van jullie naar wens je eigen kledingstuk uit te zoeken; het is geen grap, Ik meen het serieus, daar jullie vast uitgeput zijn van de verzaking. (11) Het staat vast dat Ik nog nooit ook maar iets onwaars beweerd heb, dat weten al deze jongens; derhalve, o slanke meisjes, wees er zeker van jullie keuze te maken, dan wel een voor een dan wel allemaal samen.'
(12) Met die streek van Hem zag Hij hoe de gopî's, vol van liefde voor Hem, elkaar aankijkend moesten lachen, maar in verlegenheid gebracht kwamen ze niet uit het water. (13) Govinda aldus het woord voerend had met Zijn grappenmakerij de geesten in Zijn greep gekregen van hen die, tot hun nek bibberend in het koude water, tot Hem zeiden: (14) 'O Jij, wees nou eerlijk, gedraag Je nu als degene die Je ook kan zijn, als de beminde zoon van gopa Nanda die we kennen, o liefste, als hij die beroemd is in heel Vraja; overhandig ons alsJeblieft onze kleren, we hebben het koud. (15) O S'yâmasundara ['mooie donkerhuidige'] wij, Jouw dienstmaagden zullen doen wat Je ons maar zegt, geef ons alsJeblieft onze kleren terug, o Kenner van het Dharma, of anders wacht Je, dan zeggen we het tegen de koning!'
(16) De Allerhoogste Heer zei: 'Als jullie Mijn dienaren zijn moeten jullie dan niet doen wat Ik je zeg en met jullie onschuldige glimlachen uit het water komen om je kleren uit te zoeken; zo niet dan krijg je ze niet, en met de koning er boos over, wat kan hij er aan doen?' (17) Toen kwamen al de meisjes, geplaagd door de koude, rillend tevoorschijn uit het water, hun schaamstreek bedekkend met hun handen. (18) De Allerhoogste Heer die ze verslagen zag legde tevreden over de zuiverheid van hun liefde hun kledingstukken over Zijn schouder en zei met een liefdevolle glimlach: (19) 'Omdat jullie, met het uitvoeren van een vedisch offer, naakt in het water aan het baden waren, hebben jullie een overtreding begaan jegens Varuna en de andere goden; om die zonde ongedaan te maken moeten jullie je eerbetuigingen brengen met jullie handen samengevouwen boven jullie hoofden en dan je kleren weer terugpakken.'
(20) Met wat de Onfeilbare Heer hen zo uitduidde beschouwden de meisjes van Vraja hun naaktzwemmen als een val van hun gelofte en voornemens met succes die gelofte, alsook een oneindig aantal soortgelijke vrome activiteiten te volbrengen, boden ze het rechtstreeks voor hen zichtbare resultaat in de gedaante van de Zuiveraar van Alle Zonden hun eerbetuigingen. (21) De Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, er tevreden over dat ze zich verbogen gaf, vol van mededogen op die daad, hen toen de kledingstukken terug. (22) Ondanks het feit dat ze met hun kleren weggestolen behoorlijk bij de neus waren genomen, in hun schaamte ontkend waren, waren uitgelachen en waren gemanipuleerd alsof ze marionetten waren, koesterden ze, er blij mee in het gezelschap te verkeren van hun geliefde, niettemin geen vijandigheid jegens Hem. (23) Toen ze hun kleren weer aanhadden waren ze, verrukt over de omgang met hun geliefde, met hun geesten op hol er werkelijk niet toe in staat zich te bewegen en wierpen ze Hem uiterst verlegen hun blikken toe. (24) Van hen begrijpend dat ze er vast toe besloten waren de gelofte na te leven met het verlangen de Allerhoogste Heer Zijn voeten te beroeren, sprak Dâmodara tot de meisjes: (25) 'O vrome zielen, met begrip voor jullie motief Me te aanbidden keur Ik dat goed als zijnde waarachtig en moet het zo zijn gevolg hebben. (26) Van hen wiens bewustzijn ten volle in beslag wordt genomen door Mij zal het verlangen niet leiden tot materiële lust, zoals geroosterd en gekookt graan ook niet in staat is tot nieuw leven uit te groeien [zie ook b.v. 1.6: 35, 3.15: 20, 7.7: 51-52]. (27) Ga nu, beste meisjes, naar Vraja; met het gerealiseerd hebben van jullie verlangen, zullen jullie samen met Mij één dezer nachten genieten op een manier die zuiver zal zijn, jullie leverden immers het bewijs van deze gelofte door het volbrengen van jullie eerbetoon voor de godin.'
(28) S'rî S'uka zei: 'Aldus geïnstrueerd door de Allerhoogste Heer mediteerden de jonge meisjes, met hun verlangens in vervulling gegaan, op Zijn lotusvoeten terwijl ze met moeite weer teruggingen naar het koeherdersdorp. (29) Enige tijd daarna begaf de zoon van Devakî temidden van de gopa's zich een eind buiten Vrindâvana om de koeien te hoeden samen met Zijn broer. (30) Met de zon zinderend heet van het seizoen kijkend naar de bomen die Hem met hun schaduw als parasol van dienst waren, zei Hij tot de jongens: (31-32) 'O Stoka Krishna en Ams'u; o S'rîdâma, Subala en Arjuna; o Vis'âla, Vrishabha en Ojasvî; o Devaprastha en Varûthapa, zie toch eens dezen hier zo fortuinlijk wiens leven er enkel uit bestaat er voor het hogere doel te zijn van het afweren van de regen, de wind, de hitte en de sneeuw die ze voor ons verdragen. (33) O hoe verheven de geboorte van deze bomen die, zoals grote zielen dat doen, alle levende wezens ondersteuning verlenen; zeker zal niemand die ze nodig heeft ooit teleurgesteld bij hen vandaan komen. (34) Met hun bladeren, bloesems en vruchten; schaduw en wortels, bast en hout; met hun geur, hun sap en as, pulp en spruiten vervullen ze al je verlangens. (35) Het is aan ieder levend wezen deze volmaaktheid van geboren zijn na te leven in deze wereld: namelijk om met je leven, je welvaart, intelligentie en woorden jegens ieder levend wezen steeds van het allerhoogste te zijn in je plichtsbetrachting.'
(36) Van tussen de bomen die voorover bogen met hun overvloed aan bladeren, trossen vruchten, bloesems en twijgen, kwam Hij op deze manier sprekend aan bij de Yamunâ. (37) Aldaar drenkten de gopa's de koeien in het heldere, frisse en koele, heilzame water, o heerser, en dronken ze zichzelf ook vol met het zoet smakende nat. (38) In een bosje langs de Yamunâ waar ze de dieren los lieten lopen, o heerser der mensen, zeiden ze, gekweld door de honger Râma en Krishna benaderend, dit:'
Voetnoot:
*: het onderscheid tussen het inwendige van yoga-mâyâ en het uitwendige, of illusoire, vermogen van de Heer van mahâ-mâyâ wordt beschreven in de Nârada-pañcarâtra, in het gesprek tussen S'ruti en Vidyâ:
jânâty ekâparâ kântam
saivâ durgâ tad-âtmikâ
yâ parâ paramâ s'aktir
mahâ-vishnu-svarûpinî
yasyâ vijñâna-mâtrena
parânâm paramâtmanah
mahûrtâd deva-devasya
prâptir bhavati nânyathâ
ekeyam prema-sarvasva
svabhâvâ gokules'varî
anayâ su-labho jñeya
âdi-devo 'khiles'varah
asyâ âvârika-s'aktir
mahâ-mâyâkhiles'varî
yayâ mugdam jagat sarvam
sarve dehâbhimâninah
"De Heer Zijn lagere vermogen, dat bekend staat als Durgâ, is Zijn liefdevolle dienst toegewijd. Het vermogen van de Heer zijnde, verschilt deze lagere energie niet van Hem. Er is een andere hogere energie, waarvan de vorm zich op hetzelfde spirituele niveau bevindt als dat van God zelve. Eenvoudig door wetenschappelijk deze hogere energie te begrijpen, kan men onmiddellijk de Allerhoogste Ziel aller zielen bereiken, die de Heer aller heren is. Er bestaat geen ander proces om Hem te bereiken. Dat allerhoogste vermogen van de Heer staat bekend als Gokules'varî, de godin van Gokula. Het ligt in haar aard volledig verzonken te zijn in liefde voor God, en door Haar kan met gemak de voorwereldlijke God, de Heer van al wat er is worden bereikt. Dit inwendig vermogen van de Heer heeft een overdekkend vermogen, bekend als Mahâ-mâyâ, dat de materiële wereld bestiert. In feite begoochelt ze het ganse universum, en dus identificeert iedereen in dat universum zich valselijk met het materiële lichaam." Zie ook 8.12: 40 voor Durgâ.
De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend
(1) De gopa's zeiden: 'Râma, o Râma, o machtig-gearmde, o Krishna, vernietiger van de kwaadwilligen, we hebben last van honger, er moet iets aan gedaan worden.'
(2) S'rî S'uka zei: 'Aldus door de gopa's op de hoogte gesteld sprak de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, met de wens om een aantal brahmanenvrouwen die Hem toegewijd waren tevreden te stellen, het volgende: (3) 'Ga, als je dat wilt, naar het offerperk van de brahmanen die, met het oog op een plaatsje in de hemel, overeenkomstig de vedische voorschriften momenteel bezig zijn met het uitvoeren van een offerplechtigheid genaamd Ângirasa. (4) Als jullie daar naar toe gaan, beste gopa's, vraag dan om voedsel en zeg ze dat jullie zijn gestuurd door de Allerhoogste Heer Mijn oudste broer alsook in Mijn naam.'
(5) Met deze opdracht van de Allerhoogste Heer daar, zoals hen was gezegd, naar toe gegaan, wiepen ze, verzoekend met gevouwen handen als een stok plat op de grond neer voor de brahmanen: (6) 'O aardse goden, al het goede zij u toegewenst, luister alstublieft, wij, gezonden door Râma, zo moet u begrijpen, zijn hier naartoe gekomen gehoorgevend aan een opdracht van Krishna. (7) Râma en Acyuta weiden Hun koeien niet ver van hier en vragen door de honger geplaagd u om Hen van voedsel te voorzien, o tweemaal geborenen; dus, als u van enig geloof bent, doe dan een schenking, o fijnste kenners der religie. (8) Van het begin van een offerande tot aan het eind van het offeren van het dier, o getrouwen der waarheid, is het, behalve wanneer er sprake is van een [Sautrâmani-]offer voor Indra [*], zelfs niet voor een ingewijde een overtreding om van voedsel te genieten [of het uit te delen].'
(9) Aldus op de hoogte van de Allerhoogste Heer Zijn verzoek gingen ze er niettemin niet op in. Oppervlakkig druk in de weer met hun rituele bezigheden dachten ze dat ze het beter wisten. (10-11) Hoewel plaats en tijd, de artikelen gebruikt, de lofzangen, de rituelen, de priesters en het vuur, de godbewusten die voorgingen, de uitvoerder van de offerande, de uitvoering en het resultaat van dharma allen het rechtstreeks zichtbare uitmaken van de Absolute Waarheid van Hem, de Allerhoogste Heer voorbij de zinnen, beschouwden ze Hem in hun geleende intelligentie als een gewoon iemand. (12) Met hen nog niet eens een ja of nee laten horend, keerden de gopa's aldus ontmoedigd, o bestraffer der vijanden, terug om Krishna en Râma erover te vertellen. (13) Toen ze dat hoorden moest de Allerhoogste Heer, de Beheerser van het Universum, lachen en richtte Hij zich wederom tot de koeherdersjongens om hen te laten zien hoe het er aantoe gaat in de wereld: (14) 'Meld hun echtgenotes maar dat Ik tezamen met Sankarshana ben aangekomen; zij zullen jullie al het verlangde voedsel verschaffen, omdat zij met hun intelligentie steeds op Mij gericht vol van liefde zijn voor Mij.'
(15) Toen ze vervolgens naar het huis gingen van de echtgenotes verbogen de gopa's zich voor die kuise vrouwen van de tweemaal geborenen die ze daar fraai met sieraden omhangen bijeen zagen zitten, en zeiden ze nederig: (16) 'Weest gegroet, o echtgenotes van de geschoolden, luister alstublieft naar onze woorden: niet ver van hier trekken we rond met Krishna die ons hier naartoe gestuurd heeft. (17) De koeien hoedend met de gopa's en met Râma is Hij van verre gekomen; Hij die met Zijn metgezellen rammelen van de honger zouden wat te eten moeten krijgen'.
(18) Toen ze hoorden dat Krishna in de buurt was die zij, met hun geesten bekoord door de verhalen over Hem, altijd graag wilden zien, gaf dat een hoop opwinding. (19) Als rivieren die naar de oceaan stromen werden de vier soorten [kauwbare, zuigbare, likbare en drinkbare] etenswaren in de vorm van allerlei smakelijke gerechten bijeen gebracht en in potten en pannen naar hun aller beminde vervoerd. (20-21) Hoewel hun echtgenoten, broers, zoons en andere verwanten ze probeerden tegen te houden, richtten ze zich, nu ze al zo lang over Hem gehoord en naar Hem verlangd hadden, tot de Allerhoogste Heer Geprezen in de Geschriften. De dames troffen Hem aan rondtrekkend met de gopa's en Zijn oudere broer in een stukje bos met bloeiende as'oka's nabij de Yamunâ. (22) Met Zijn donkere huidskleur, gouden kledingstuk, slinger van woudbloemen, pauwenveer, kleurige steentjes en bloesemtakken, stond Hij, aangekleed als een danser op een podium, met Zijn hand over de schouder van een vriend en met de andere zwaaiend met een lotus, daar te glimlachen met Zijn lotusgezicht, Zijn haar langs Zijn gezicht en de lelies achter Zijn oren. (23) Keer op keer gehoord hebbend over de heerlijkheden van hun teerbeminde, het sieraad voor hun oren waarin hun geesten waren verzonken, omhelsden ze Hem, die nu binnen hun gezichtsveld was gekomen, voor een lange tijd en gaven ze hun innerlijke smart op, o vorst der mensen, die het resultaat was van het feit dat ze zich met hun lichaam identificeerden. (24) Als degene die het overzicht heeft over de gezichtspunten van alle schepselen richtte Hij met een glimlach op Zijn gezicht het woord tot hen, begrijpend dat daar aangekomen om Hem persoonlijk te ontmoeten ze in die staat gebroken hadden met alle wereldse verwachtingen. (25) 'Ik heet jullie allen van harte welkom, alsjeblieft neem plaats, wat kan Ik voor jullie betekenen; wat goed van jullie dat jullie hier naartoe gekomen zijn om Mij te zien! (26) Mensen van onderscheid zich wel bewust van wat goed voor hen is houden zich steeds direct gericht op Mij, hun meest geliefde Zelf, bezig met een niet aflatende toegewijde dienst die naar behoren is zonder enig nevenmotief. (27) Wat anders ook zou zo dierbaar zijn als dat voorwerp van liefde waarvan het contact het gekoesterde teweegbracht van iemands levenskracht, intelligentie, geest, verwanten, lichaam, echtgenote, kinderen, weelde enzovoorts? (28) Ga derhalve naar het offerperk zodat jullie brahmaanse echtgenoten samen met jullie als huishouders in staat zullen zijn hun offerplechtigheden te volbrengen.'
(29) De vrouwen antwoordden: 'Wees niet zo streng met ons, o Almachtige, wees trouw aan Uw [schriftuurlijke] belofte dat met het verworven hebben van de basis van Uw lotusvoeten wij, met het afzien van alle relaties, op ons hoofd de tulsi-slinger mogen dragen weggeschopt door Uw voet. (30) Onze echtgenoten, vaders, zoons, en broers, andere verwanten en vrienden zullen ons niet weer terugnemen en hoe zouden andere mensen dan reageren? Daarom kan er voor ons, wiens lichamen zijn neergevallen aan Uw voeten, geen andere bestemming zijn o bestraffer der Vijanden; alstUblieft gun ons dat!'
(31-32) De Allerhoogste Heer zei: 'Jullie echtgenoten zullen niet kwaad zijn van de jaloezie noch zullen jullie vaders, broers, zoons of andere mensen dat zijn; zelfs de halfgoden zullen, op Mijn woord, jullie gunstig gezind zijn. (33) Luisterend, samenkomend [voor de beeltenis en/of bijeenkomst van toegewijden], mediterend op en zingend over Mij, zijn jullie van liefde voor Mij, en niet zozeer door Mij fysiek nabij te zijn; keert daarom allen naar huis terug.'
(34) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij dit tegen de echtgenotes van de tweemaal geborenen gezegd had gingen ze terug naar de offerplaats waar hun mannen die hen niet terechtwezen samen met hen de uitvoering afrondden. (35) Een van hen, die met geweld tegen was gehouden door haar echtgenoot, omarmde, van de anderen vernemend over de Allerhoogste Heer, Hem in haar hart en gaf haar lichaam op dat de basis vormde voor de karmische gebondenheid. (36) De Allerhoogste Heer, ook wel bekend als Govinda, gaf met datzelfde voedsel in vier soorten de gopa's te eten, waarna ook Hij, de Almachtige, een deel nam. (37) En zo genoot Hij ervan in Zijn wederwaardigheden, met Zijn bovenzinnelijke verschijning de gang van zaken volgend met de menselijke aangelegenheid, om de koeien, de gopa's en de gopî's te behagen met Zijn schoonheid, woorden en daden. (38) Nadien kwamen de brahmanen weer bij zinnen en voelden ze zich zeer bezwaard zo in overtreding te zijn geweest met hun verbeelding in relatie tot het nederige verzoek van de Heren van het Universum die waren verschenen als menselijke wezens. (39) Toen ze zagen hoe bij de echtgenotes jegens Krishna, de Allerhoogste Heer, hun toewijding een geweldige vlucht had genomen, een toewijding die bij hen totaal ontbrak, veroordeelden ze zichzelf al weeklagend: (40) 'Vervloekt al die drie geboorten van ons [biologisch, brahmaans en ritueel], onze geloften, onze uitgebreide geestelijke kennis, onze afstamming en onze deskundigheid met de rituelen, als wij ons hebben afgekeerd van Hem, de Ongeziene. (41) Waarlijk is de Allerhoogste Heer Zijn mâyâ, die zelfs de grootste yogi's misleidt, er de oorzaak van dat wij, de tweemaal geborenen, de geestelijk leraren van de samenleving, verbijsterd zijn geraakt wat betreft ons ware eigenbelang. (42) Zie toch hoe er zelfs met deze vrouwen voor Krishna, de geestelijk leraar van het universum, een onbegrensde toewijding is die de band met de dood heeft doorbroken die bekend staat als het gezinsleven. (43-44) Van hun kant waren er geen zuiveringsriten van wedergeboorte, ze woonden niet bij de goeroe en hielden zich niet bezig met verzakingen, noch waren ze van filosofisch onderzoek naar de ware aard van het zelf of van enige bijzondere reinheid of vroom handelen; niettemin zijn ze, in tegenstelling tot ons - hoe vol we van die zuivering ook allemaal zijn-, stevig verankerd in hun toegewijde dienst voor Krishna, de Heer Geprezen in de Verzen en de Meester van alle Meesters van de Yoga. (45) Och, hoezeer heeft Hij niet, middels de woorden van de bovenzinnelijke zielen van die koeherdersjongens, ons herinnerd aan de uiteindelijke bestemming die er bestaat voor ons die inderdaad door ons verzot zijn in onze huishoudelijke aangelegenheden verbijsterd waren wat betreft ons ware eigenbelang. (46) Om welke andere reden zou Hij, de Meester der Bevrijding en alle andere zegeningen die voldaan is in ieder opzicht, met ons, degenen die moeten worden beheerst, van deze aanspraak zijn? (47) Met Zijn verzoek [om voedsel] dat de menselijke wezens verbijstert, is de Godin van het Geluk, anderen vergetend en een eind makend aan de fouten [van trots en wispelturigheid] in haar eigen wezen, van aanbidding voor Hem in een constant verlangen Zijn voeten aan te raken. (48-49) De plaats en de tijd, de gebruikte artikelen, de lofzangen, de rituelen, de priesters en het vuur, de voorzittende godsbewusten, de uitvoerder van het offer, de plechtigheid en het dharmische resultaat ervan [zie vers 10-11] uitmakend, heeft Hij, de Allerhoogste Heer van Vishnu, de Meester der Yogameesters, inderdaad rechtstreeks zichtbaar geboorte genomen onder de Yadu's, maar ondanks het feit dat we hiervan gehoord hadden slaagden wij er verdwaasd niet in het te begrijpen. (50) Hem, de Allerhoogste Heer Krishna van een onmetelijke intelligentie, door wiens begoochelend vermogen wij met verbijsterde geesten ronddolen op de wegen van het baatzuchtig handelen, bieden we onze eerbetuigingen. (51) Hij, onze Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God wiens invloed we met onze geesten verbijsterd door mâyâ niet kunnen peilen, moet ons onze overtreding maar vergeven.'
(52) Aldus hun eigen overtreding overpeinzend tegen Krishna wensten zij na hun acte van berouw het toen om Hem in Vraja te zien maar, bang om Kamsa (zijn aandacht dan teveel op Hem te vestigen], gingen ze er niet naar toe.'
Voetnoot:
*: Er wordt beweerd dat iedereen geheiligd door het Sautrâmani offer voor Heer Indra zich onder de goden begeeft en sarva-tanûh geboren wordt, dat wil zeggen, met zijn gehele lichaam.
Aldus eindigt deel een van het tiende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Het Hoogste Goed'.
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2003 srimadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en
niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming:
email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html
De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Svâmî Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/