Canto 10: deel I:

Het Hoogste Goed

 

 

Hoofdstuk 1 De Komst van Heer Krishna: Inleiding

Hoofdstuk 2 De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

Hoofdstuk 3 De Geboorte van Heer Krishna

Hoofdstuk 4 De Wreedheden van Koning Kamsa

Hoofdstuk 5 Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

Hoofdstuk 6 Het Doden van de Demone Pûtanâ

Hoofdstuk 7 Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

Hoofdstuk 8 De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

Hoofdstuk 9 Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

Hoofdstuk 10 De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

Hoofdstuk 11 Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen

Hoofdstuk 12 Het Einde van de Demon Aghâsura

Hoofdstuk 13 Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren

Hoofdstuk 14 Brahmâ's Gebeden tot Heer Krishna

Hoofdstuk 15 Het Doden van Dhenuka de Ezel-demon en Gif in de Rivier

Hoofdstuk 16 Krishna Bestraft de Slang Kâliya

Hoofdstuk 17 De Geschiedenis van Kâliya en Zijn Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 18 Heer Balarâma Doodt de Demon Pralamba

Hoofdstuk 19 Opnieuw het Opslokken van een Bosbrand

Hoofdstuk 20 Het Regenseizoen en de Herfst in Vrindâvana

Hoofdstuk 21 De Gopî's Verheerlijken het Lied van Krishna's Fluit

Hoofdstuk 22 Krishna Steelt de Kleren van de Ongehuwde Gopî's

Hoofdstuk 23 De Echtgenotes van de Brahmanen Gezegend

 

 

 

 

 

 Hoofdstuk 1

 De Komst van Heer Krishna: Inleiding

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Uwe Heerlijkheid heeft uitgebreid zowel de dynastieën van de koningen van de zonne- en de maangod beschreven als ook de verheven en wonderbaarlijke karakters van hun leden [*]. (2) Alstublieft beschrijf ons Heer Vishnu die verscheen als een incarnatie in delen [d.w.z.: het volle van Hem tezamen met Zijn Volkomen expansie Sankarshana die hier Baladeva is] in de lijn van de dharma-getrouwe, welgemanierde Yadu's die u eveneens beschreef, o beste onder de muni's. (3) Wees zo goed ons alles te vertellen over wat de Allerhoogste Heer, de Oorzaak van de Manifestatie, deed na nedergedaald te zijn in de Yadu-dynastie. (4) Het aanhoren [middels de paramparâ] van de aangename klanken van de verheerlijking van de Heer Geprezen in de Geschriften is het juiste medicijn waarmee de geest wordt verlost van de materiële ziekte van zijn verlangens; een persoon, tenzij hij een doder van dieren is, kan door dergelijke beschrijvingen, aangehoord of gezongen, zichzelf verre houden [van de valsheid, zichzelf beheersen, zie ook B.G. 2: 44]. (5-7) Mijn grootvaders [de Pândava's] op het slagveld met onoverwinnelijke strijders als Devavrata [Bhîshma] en andere grote bevelhebbers die waren als timingila's [haaien-eters], staken in het verleden met behulp van de boot die Hij is net zo gemakkelijk de zo moeilijk te overwinnen oceaan van Kaurava-soldaten over als men over de hoefafdruk van een kalf heen stapt. Dit lichaam van mij, het enige zaadje dat nog over is van de Kuru's en Pândava's, werd, gedoemd ten onder te gaan door As'vatthâmâ's wapen, door Hem, met de cakra in Zijn hand, beschermd, zich bevindend in de schoot van mijn moeder die eveneens haar toevlucht tot Hem gezocht had [zie 1.8: 11 en 1.12: 7]. O man van scholing, beschrijf alstublieft de glorie van de Heer die verscheen als een normaal menselijk wezen, van Hem die het eeuwige leven en de dood schenkt zoals men dat zegt, van Hem die in gedaanten van de Tijd de Oorspronkelijke Persoon is aanwezig zowel binnen als buiten het geheel van de belichaamde wezens. (8) Balarâma, die Sankarshana is, kennen we van u als de zoon van Rohinî; hoe kan Hij zonder van het ene naar het andere lichaam over te stappen verband houden met de schoot van Devakî? (9) Waarom ging Mukunda, de Opperheer weg uit het huis van Zijn vader naar Vraja en waar vestigde Hij, de Meester van de aanhangers van Vishnu, Zich met Zijn verwanten? (10) Wat deed Hij verblijvend in Vraja en de stad Mathurâ en waarom bracht Hij, de doder van Kes'î, Kamsa de broer van Zijn moeder ter dood, hetgeen iets is dat recht tegen de geschriften indruist!? (11) Voor de duur van hoeveel jaren leefde Hij, een menselijk lichaam aannemend, onder de Vrishni's en woonde Hij in de stad van de Yadu's [Dvârakâ]; en hoeveel vrouwen waren er daar met de Meester? (12) O wijze, overal van op de hoogte bent u in staat uit te wijden over de handelingen van Heer Krishna; beschrijf mij, zo vol van geloof en overgave, in detail dit alles en al wat er nog meer te zeggen valt. (13) Zelfs niet de moeilijk te verdragen honger of mijn afzien van water is mij nog tot last nu ik drink van de nectar van de verhandelingen over de Heer die komt uit uw lotusmond.'

(14) Sûta [zie: 1.1] zei: "O zoon van Bhrigu [S'aunaka], de machtige zoon van Vyâsa, de zuiverste van alle toegewijden, bewees, na deze vragen te hebben aangehoord, hem die door Vishnu was gezegend de eer en begon met de beschrijving van de onderwerpen aangaande Krishna die een einde maken aan de duisternis van het Kali-tijdperk [vergelijk 1.7: 2-8]. (15) S'rî S'uka zei: 'Met uw intelligentie hebt u de juiste overtuiging ontwikkeld, o beste van de wijze koningen, want als gevolg daarvan heeft zich in uw hart een duurzame toewijding voor de verhalen over Vâsudeva ontwikkeld [Krishna dus als de zoon van Vasudeva]. (16) Zoals de wereld wordt gezuiverd door het [Ganges-]water van Zijn tenen [5.17: 1], zijn de drie soorten personen van de spreker, de vragensteller en de toehoorder gezuiverd met het zich baden in de gesprekken over Vâsudeva. (17) Moeder aarde overbelast met de eindeloze aantallen van de ingebeelde, nodeloze, daitya strijdkrachten [9.24: 67] en hun namaak edelen ging [eens] naar Heer Brahmâ om bij hem haar toevlucht te zoeken. (18) De gedaante van een koe aannemend verscheen ze zeer van streek deerniswekkend huilend voor de Almachtige [zie ook 1.16: 18] en legde ze hem haar klachten voor. (19) Heer Brahmâ, die alles begrijpt, benaderde daarop samen met haar, de goddelijken en de Drie-ogige [Heer S'iva] de oever van de melk-oceaan [alwaar Vishnu verblijft, zie ook 8.7: 41]. (20) Daar aangekomen aanbaden ze met de grootste aandacht met de [Purusha-sûkta]hymnen voor de Oorspronkelijke Persoon de Allerhoogste Persoonlijkheid, de God der Goden en de Meester van het Universum die zorg draagt voor allen.

(21) De heer van de Veda [Brahmâ] hoorde in trance een weerklinken van woorden in de hemel [zie ook 1.1: 1] en zei tot de dienaren der drie werelden, de halfgoden: 'Verneem van mij wat de Oorspronkelijke Persoon Zijn gebod is, o onsterfelijke zielen, en hervat terstond zonder te talmen uw plichten daarmee aangegeven. (22) Reeds voor we hier aankwamen wist de Persoonlijkheid van God van het leed van de aarde; Hij zal middels u allen als Zijn delen Zich verbreiden in de familie der Yadu's en zo geboorte nemend zolang op aarde verblijven als Hij, de Heer der Heerscharen, nodig vindt om middels Zijn eigen hoogmogende Tijd de last van de planeet terug te dringen. (23) In het huis van Vasudeva zal de Opperheer, de oorspronkelijke bovenzinnelijke persoon, in eigen persoon verschijnen en dus moeten [ook] de vrouwen van de goddelijken, teneinde Hem te behagen, allen hun geboorte nemen. (24) Het deel van Vâsudeva voorheen bekend staand als de onafhankelijke Ananta met de duizenden kragen [Sankarshana, zie ook 5.25] zal als de Heer voor de Heer ten tonele verschijnen [als Baladeva] met het verlangen tot Zijn genoegen op te treden. (25) De genade van Vishnu [Vishnu-mâyâ], zo goed als de Opperheer door wie al de werelden in beslag worden genomen, is met al haar verschillende vermogens door de meester opgedragen te verschijnen en Zijn aangelegenheden te behartigen [zie ook B.G. 9: 12 & 13].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Na aldus de onsterfelijken op de hoogte te hebben gesteld keerde de almachtige meester der stamvaders, na moeder aarde tot kalmte te hebben bewogen met aangename woorden, naar zijn eigen hemelse woning terug. (27) S'ûrasena de koning van de Yadu's [zie 9.23: 27] ging in de stad Mathurâ wonen alwaar hij de koninkrijken van Mâthura en S'ûrasena genoot. (28) Mathurâ, nauw verbonden met de Allerhoogste Heer Hari, was sedertdien de hoofdstad voor al de koningen van Yadu [zie ook de bhajan Sâvarana S'rî Gaura Mahimâ]. (29) Het was in die plaats van God dat een tijd geleden de godspersoon Vasudeva, nadat hij met Devakî getrouwd was, met zijn pas getrouwde vrouw een wagen besteeg om naar huis terug te keren. (30) Kamsa, de zoon van Ugrasena voerde, om zijn zuster voor die gelegenheid een plezier te doen, de teugels van de paarden temidden van duizenden gouden wagens. (31-32) Met haar het huis verlatend had koning Devaka, die dol was op zijn dochter, als bruidsschat vierhonderd olifanten behangen met goud meegegeven, tienduizend paarden met achttienhonderd wagens en een honderdtal dienstmaagden, jong en mooi, compleet met juwelen. (33) O mijn beste Koning, schelphoorns, trompetten, trommels en pauken weerklonken tezamen om de bruid en de bruidegom bij hun vertrek het beste toe te wensen. (34) Met hen onderweg, richtte zich een stem uit de hemel tot Kamsa die de teugels hield: 'Het achtste kind van dit meisje dat je met je meevoert jij dwaas, zal jou ter dood brengen!'

(35) Aldus aangesproken nam hij, die kwaadwillig en zondig de Bhoja-familie te schande had gemaakt, een zwaard ter hand gericht tegen zijn zuster en greep hij haar bij haar haar met de bedoeling haar te doden. (36) Om hem die bereid was zo een gruwelijke en schaamteloze misdaad te begaan tot vrede te bewegen richtte zich toen Vasudeva, die hoogst fortuinlijke ziel, tot hem. (37) S'rî Vasudeva zei: 'Een man van zoveel kwaliteiten, zulk een schitterende ster onder de heldhaftige Bhoja's als de goedheid van jou, hoe kan jij nu je zuster ter dood brengen, een vrouw nota bene, ten tijde van haar huwelijk [zie ook 1.7: 53-54]? (38) Tezamen met het lichaam dat geboren wordt is er de dood voor allen die ter wereld kwamen, o held; of men nu vandaag sterft of over honderd jaar, op het laatst is ieder levend wezen zeker van de dood [zie ook B.G. 2: 27-28]. (39) Als het lichaam terug moet keren naar de vijf elementen ontvangt de bewoner overeenkomstig zijn eigen karma automatisch een nieuw lichaam als hij zijn voormalige lijf opgeeft. (40) Zoals een persoon die loopt van het staan op het ene been verandert naar het andere been en zoals een rups bezig is op een plant [van het ene blad naar het andere gaand], vergaat het evenzo het levend wezen dat de gevolgen van zijn karma ondergaat [zie ook B.G. 2: 22 en 2: 13]. (41) Als men zich in het geval van een droom, als men in zijn bewustzijn volledig in beslag wordt genomen door mentale beelden, zich in zijn denken, voelen, willen moet overgeven aan wat men allemaal gezien heeft en hoorde, wat dan zou het zijn als men zijn huidige lichaam moet vergeten [zie ook 4.29: 60-79 en 5.26]? (42) De geest voortgedreven door God of door de eigen wil begeeft zich in gissingen van deze positie naar andere zodat op het laatst, naar de verandering in gedachten, voelen, willen en handelen, de belichaamde ten tijde van de dood, overeenkomstig de materiële geaardheid waaraan hij onderworpen is zijn geboorte neemt [B.G. 13: 22, 14: 14-15 en 6: 34-35]. (43) Zoals het inderdaad is met hemellichten gezien in water of andere vloeistoffen die reflecterend door de voortdrijvende wind vertekeningen geven in verschillende vormen, raakt op dezelfde manier, het levend wezen in de situatie geschapen door zijn eigen inbeelding naar de geaardheden, verbijsterd al naar gelang zijn eigen gehechtheden [zie ook 5.5: 4 en B.G. 9: 12-13, 12: 5]. (44) Doe daarom niemand kwaad, een persoon die kwaad is op iemand moet met dit gezegd, als hij zijn eigenbelang wil behartigen, handelen in vrees voor [de belangen van] anderen. (45) Deze onschuldige vrouw, je jongere zus, is volledig van jou afhankelijk als was ze je eigen dochter - breng haar niet ter dood; ze betekent iets goeds voor je en is je zorg en mededogen waardig!'

(46) S'rî S'uka zei: 'Hij genadeloos, kon door de pogingen van goed advies op deze manier niet gestopt worden of tot vrede bewogen, o zoon van Kuru, daar hij het pad volgde van de menseneters [de râkshasa's]. (47) Zich bewust van dat besluit dacht Vasudeva diep na over hoe hij, met de acute dreiging van de dood, hem ervan kon afhouden en zo kwam hij uit op die andere manier. (48) Door een intelligent persoon moet, zolang als hij zijn zaken onder kontrole heeft, de dood worden vermeden, maar er schuilt geen kwaad in als dat voor de belichaamde niet meer mogelijk is. (49-50) En zo bedacht hij: 'Als ik beloof mijn zoons uit te leveren aan deze man van de dood zou ik mijn onschuldige Devakî kunnen ontzetten, of deze heer Dood nu weer opnieuw zijn geboorte zou moeten nemen of niet zou sterven; zo niet dan kan het tegenovergestelde zich voordoen, maar men kan moeilijk vooraf uitmaken hoe het lot zich zal keren [zou hij niet door mijn eigen zoon ter dood worden gebracht?]. Deze situatie kan zich weer voordoen in de toekomst, maar met zoals het er nu voorstaat kan ik haar leven redden. (51) Vuur in een stuk hout kan zich daarin ophouden of aanleiding geven tot een grote brand, dat is de voorzienigheid, er is geen andere reden voor zijn oorzaak; op dezelfde manier kan men gewis niet uitmaken wat er de oorzaak van zou zijn dat men zich in een lichaam bevindt of dat men er uit zou moeten. (52) Na dit alles te hebben overwogen, betoonde de godvrezende man met alle verstand die in hem was, de zondaar zijn respect, het in lof aan hem voorleggend. (53) Met een brede lach uitwendig zich voor de hardvochtige, schaamteloze man voordoend als gelukkig sprak hij met een geest vol van angst en verdriet. (54) S'rî Vasudeva zei: 'Van Devakî heb je inderdaad, naar wat de stem uit de hemel liet horen, niets te vrezen, o nuchtere geest; ik zal al de zoons aan je uitleveren die van haar ter wereld komen daar zij het waren door wie die angst bij je opkwam.'

(55) S'rî S'uka zei: 'Kamsa, zich neerleggend bij de waarheid van wat hij zei, was er voorlopig van weerhouden zijn zuster om het leven te brengen zodat met hem meer op zijn gemak Vasudeva gelukkig was thuis te komen. (56) Na de nodig tijd gaf daarna Devakî, de moeder van alle goddelijkheid [zie 4.31: 14 en B.G. 10: 2], jaar na jaar geboorte aan inderdaad [zoals gezegd in 9.24: 53-55] acht zoons en een dochter. (57) Er heel bang voor niet waarachtig over te komen gaf Ânakadundubhi [ofwel Vasudeva, zie 9.24: 28-31] met veel moeite Kîrtimân, de eerstgeborene, over aan Kamsa. (58) Wat zou er voor geheiligden te pijnlijk zijn, wat is afhankelijkheid voor de geschoolden, wat zou er voor het lagere echelon verboden zijn en wat zou er voor de zelfgerealiseerden moeilijk te verzaken zijn? (59) O Koning, toen hij zag dat Vasudeva onverstoord, waarachtig en zeker van zichzelf was, was Kamsa verheugd en zei hij met een grijns op zijn gezicht: (60) 'Neem dit kind met je mee, mijn angst is er inderdaad niet vanwege hem, het was met de achtste zwangerschap die jij met je vrouw hebt dat mijn dood was voorspeld.'

(61) 'Goed dan' zei Ânakadundubhi, zijn zoon weer terug nemend en vertrok toen, zonder veel waarde te hechten aan de woorden van hem die karakterloos was en zichzelf niet in de hand had. (62-63) Van Nanda [Krishna's pleegvader] af aan waren allen in Vraja, al de koeherders en ingezetenen en de vrouwen, zowel als de Vrishni's te beginnen bij Vasudeva en Devakî en de Yadu-vrouwen, beiden in waarheid daadwerkelijk goden uit de hemel, o nazaat van Bharata; en zo was dat zelfs ook met de verwanten, vrienden en weldoeners in het gevolg van Kamsa [zie ook vers 22 en B.G. 6: 41-42]. (64) Dit alles werd Kamsa duidelijk gemaakt door de almachtige Nârada [**]; hem benaderend zei hij hem dat al de Daitya's en dergelijken die een overlast voor de aarde vormden zouden worden gedood [zie vers 17 en ook 9.24: 56]. (65-66) Na het vertrek van de rishi dacht Kamsa dat al de Yadu's goddelijk waren en dat dus ieder kind geboren uit Devakî Vishnu zou kunnen zijn. Aldus in angst verzet over zijn eigen dood arresteerde hij Vasudeva en Devakî ze thuis gevangen zettend in boeien en doodde hij de een na de ander ieder van hun pasgeboren kinderen niet wetend of het nu de 'Nimmer-geboren' Heer was of niet [***]. (67) Moeders, vaders, broers, vrienden of wie dan ook worden ter dood gebracht door koningen als hij, die op deze aarde voortgedreven worden door afgunst en hebzucht. (68) Hij, zich er wel van bewust dat hij in een voorgaand leven als de grote Asura Kâlanemi [letterlijk: 'de band om het wiel van de tijd'] persoonlijk ter dood gebracht was door Vishnu [zie 8.10: 56], werd, opnieuw geboren in deze wereld, een vijand van de [zoals Nârada hem had gezegd door Vishnu gezegende] Yadu-dynastie. (69) Zijn eigen vader Ugrasena, de koning van de Yadu's, Bhoja's en Andhaka's werd door hem, de almachtige, onderworpen [eveneens gevangen gezet] zodat hij in S'ûrasena het rijk voor zichzelf alleen had.

 Voetnoten :

*: Om in herinnering te brengen wat in vorige hoofdstukken is gezegd: Heer Râma verscheen in de sûrya-vams'a van Iksvâku ofwel de zonnedynastie en Heer Krishna verscheen in de candra-vams'a ofwel de maan-dynastie.

**: Een bijkomend vers in dit hoofdstuk van het S'rîmad Bhâgavatam wordt door de Madhvâcârya-sampradâya, vertegenwoordigd door Vijayadhvaja Tîrtha aanvaard. Het vers luidt als volgt:

atha kamsam upâgamya
nârado brahma-nandanah
ekântam upasangamya
vâkyam etad uvâca ha

Woord-voor-woord:
atha: op deze manier; kamsam: jegens Kamsa; upâgamya: na te gaan; nâradah: de grote wijze Nârada; brahma-nandanah: die de zoon is van Brahmâ; ekântam upasangamya: nadat hij naar een zeer afgelegen plek ging; vâkyam: de volgende instructie; etat: deze; uvâca: zei; ha: in het verleden.
Vertaling:
"Daarna benaderde Nârada, de geestelijke zoon van Heer Brahmâ, Kamsa en stelde hij hem, op een zeer afgelegen plaats, op de hoogte van het volgende nieuws."

***: Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Voorheen had een asura genaamd Kâlanemi zes zoons, genaamd Hamsa, Suvikrama, Krâtha, Damana, Ripurmardana en Krodhahantâ. Ze stonden bekend als de Shad-garbha's, of zes Garbha's, en zij waren allen even machtig en bedreven in militaire aangelegenheden. Deze Shad-garbha's gaven de omgang op met Hiranyakas'ipu, hun grootvader, en ondergingen zware boetedoeningen om Heer Brahmâ tevreden te stemmen, die, toen dat naar zijn genoegen was, instemde hen welke gunst ze ook maar verlangden te verlenen. Toen hen door Heer Brahmâ werd gevraagd te zeggen wat ze wilden, gaven de Shad-garbha's ten antwoord: "Beste Heer Brahmâ, als u ons een gunst wilt verlenen, schenk ons dan de zegen dat we niet zullen worden gedood door welke halfgod, Mahâ-roga, Yaksha, Gandharva-pati, Siddha, Cârana of menselijk wezen dan ook, noch door grote wijzen die volmaakt zijn in hun boetedoeningen en verzakingen." Brahmâ begreep waar ze op uitwaren en vervulde hun wens. Maar toen Hiranyakas'ipu achter deze gang van zaken kwam, was hij zeer kwaad op zijn kleinzoons. "Jullie hebben de omgang met mij opgegeven en zijn vertrokken om Heer Brahmâ te aanbidden" zei hij, "en daarom koester ik geen enkele genegenheid meer voor jullie. Jullie hebben geprobeerd jezelf te redden uit handen van de halfgoden, maar ik vervloek jullie op deze manier: Jullie vader zal geboorte nemen als Kamsa en jullie allen ter dood brengen omdat jullie geboorte zullen nemen als de zoons van Devakî." Vanwege die vloek, moesten de kleinzoons van Hiranyakas'ipu geboorte nemen uit de schoot van Devakî en door Kamsa worden omgebracht, hoewel hij voordien hun vader was geweest. Deze beschrijving staat vermeld in de Hari-vams´a, Vishnu-parva, tweede Hoofdstuk. Overeenkomstig de commentaren van de Vaishnava-toshanî, was de zoon van Devakî bekend als Kîrtimân de derde incarnatie. In zijn eerste incarnatie stond hij bekend als Smara en was hij de zoon van Marîci, en later werd hij de zoon van Kâlanemi. Zo staat het vermeld in de geschiedenissen.'

 

Hoofdstuk 2  

De Gebeden van de Halfgoden tot Heer Krishna in de Moederschoot

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Onder de hoede van de machtige koning van Maghada, Jarâsandha [zie 9.22:8], was er met de medewerking van Pralamba, Baka, Cânûra, Trinâvarta, Aghâsura, Mushthika, Arishtha, Dvivida, Pûtanâ, Kes'î, Dhenuka, [Narakâsura] en dergelijken en asura koningen als Bâna, Bhaumâsura en meer van dat soort, een systematische vervolging van de koningen van Yadu. (3) Zij, geplaagd, zochten hun toevlucht in de landen van de Kuru's en de Pañcâla's, de Kekaya's, de S'âlva's, de Vidharba's, de Nishada's, de Videha's en de Kos'ala's. (4-5) Sommigen van hun verwanten echter begonnen dezelfde politiek te volgen die hij, de zoon van Ugrasena [Kamsa], erop nahield met zijn vermoorden van zes van de kinderen die werden geboren uit Devakî. De zevende, een volkomen expansie van Vishnu die werd geëerd met de naam Ananta, was [zodoende] als een vrucht in de schoot van Devakî een bron van zowel vreugde als smart. (6) De Allerhoogste Heer die ook de Superziel is van ieder levend wezen [zie ook B.G. 10: 11], gaf, met begrip voor de angst voor Kamsa van de Yadu's die Hem zochten als hun Hoogste Toevlucht, Zijn spiritueel vermogen [Yogamâyâ] als volgt opdracht. (7) 'O Devî, zo goedgunstig, ga naar Vraja zo prachtig met haar koeherders en koeien, waar Rohinî en andere vrouwen van Vasudeva, in afzondering uit angst voor Kamsa leven in de koeherders-gemeenschap [Gokula] van Nanda. (8) In de schoot van Devakî bevindt zich de vrucht bekend als [Ananta-] S'esha die een volkomen expansie van Mij is; zorg voor een probleemloze overdracht door Hem er toe te bewegen vanuit haar over te gaan in de schoot van Rohinî [*]. (9) Dan zal Ik met Mijn volle vermogen Mijn bijdrage leveren door Devakî's zoon te worden, o heil voor allen, terwijl jij ook zal verschijnen als de dochter van Yas'odâ, de vrouw van Nanda. (10) De mensen [de s'âkta's in tegenstelling tot de vaishnava's] zullen je in verschillende vormen van offeren met wierook aanbidden als de vervulling van al hun wensen, daar jij, voor alles waar het hart naar uitziet, degene bent die in staat is de zegeningen te verlenen. (11-12) Afhankelijk van de plaats op aarde [**] zal je verschillende namen krijgen zoals Durgâ, Bhadrakâli, Vijaya, Vaishnavî en Kumudâ, Candikâ, Krishnâ, Mâdhavî, Kanyakâ [of Kanyâ-kumâri], en Mâyâ, Nârâyanî, Îs'ânî, S'âradâ en ook Ambikâ [***]. (13) Vanwege het wisselen van schoot zullen de mensen in de wereld Hem [de zoon van Rohinî] inderdaad aanspreken met de naam Sankarshana, vanwege het feit dat hij de mensen genoegen verschaft [toegewijden van ze maakt] wordt Hij [Bala-]Râma genoemd en vanwege Zijn grote fysieke kracht wordt Hij Balabhadra genoemd.'

(14) Aldus geïnstrueerd door de Allerhoogste Heer reageerde ze met 'Zo zij het' en 'Om', aldus Zijn opdracht aannemend en na om Hem heen te zijn gelopen daalde ze rechtstreeks neer om precies zoals was opgedragen te werk te gaan [vergelijk B.G. 16: 24]. (15) Toen Devakî's vrucht door de sluimering der yoga [ofwel Yogamâyâ, zie B.G. 2: 69] werd overgedragen naar Rohinî jammerde iedereen 'Helaas, de baby is verloren' [denkende dat het een miskraam was]. (16) De Allerhoogste Heer, de ene ware liefde voor iedereen die altijd een einde maakt aan de angst van Zijn toegewijden, ging toen met al wat Zijn genade vermag de geest van Vasudeva binnen [zie ook 3.2:15]. (17) Hij, met het met zich meedragen van de geestelijke gloed van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, straalde als de zon en was voor een ieder beslist moeilijk in het gelaat te zien of te benaderen. (18) Daarna werd Hij, de Zegen van Heel het Universum Onfeilbaar in al Zijn Delen, van geest tot geest in Zijn geheel overgedragen door de zoon van S'ûrasena [Vasudeva] zodat de Allerhoogste Ziel en Oorzaak Aller Oorzaken werd gedragen door zijn devî [Devakî] die van puur geluk bloeide als de oostelijke hemel ['met het overdragen van het licht van de ondergaande zon naar een rijzende maan']. (19) Die Devakî met in haar schoot de Instandhouder van Alle Universa, kon, als de vlammen van een vuur opgesloten in het Bhoja-huis, haar licht niet laten schijnen precies zoals dat is met de kennis van een persoon die niet in staat is zich uit te drukken [*4]. (20) Kamsa toen hij haar zag, die met de schoonheid van de uitstraling van het in zich dragen van de Onoverwinnelijke heel de levenssfeer deed opklaren met haar schitterende glimlachen, zei tot zichzelf: 'Degene die nu de schoot van Devakî is binnengegaan moet wel haast de Heer zijn die me ter dood zal brengen; ze heeft er nog nooit eerder zo uitgezien! (21) Hoe moet ik, ervan uitgaande dat het Heilige Voorbeeld Zijn aanspraken niet op zal geven, nu verder als ik mijn eigenbelang niet wil verwaarlozen? Het vermoorden van een vrouw, van mijn zuster, juist nu ze zwanger is, zal voor altijd mijn naam, faam en weelde vernietigen en mijn levensduur bekorten. (22) Die persoon die zijn leven doorbrengt met veel wreedheid is al gestorven terwijl hij nog leeft; als de tijd voor het lichaam erop zit zullen alle mensen hem verdoemen en zal hij met zijn lichamelijke begrip voor het leven [zie ook 7.5: 30 en 5.5: 5 en B.G. 16: 18-21] zonder twijfel in de diepste duisternis belanden [Andhatama, zie ook 3.20: 18 en 5.26: 9].'

(23) Met aldus het gruwelijke idee van moord in zijn gedachten, zag hij er, zichzelf in bedwang houdend, van af op die manier te werk te gaan. Volhardend in vijandigheid wachtte hij het moment af dat de Heer Zijn geboorte zou nemen. (24) Of hij nu zat of neerlag, waar hij ook was, at, liep of naartoe ging, dacht hij [in haat dus] aan Hrisîkes'a, de Heer der Zinnen, met het idee dat Hij de hele wereld was en niets anders. (25) Maar Heer Brahmâ en Heer S'iva die daar aankwamen met de wijzen, Nârada en andere goddelijke persoonlijkheden en hun gevolg behaagden allen tezamen Hem, die van Allen de Zegen is, met hun bovenzinnelijke gebeden: (26) 'De waarheid van de gelofte [zie 9.24:56 en B.G. 9.22], de waarheid van het Allerhoogste, de waarheid in het drievoudige [van b.v. verleden, heden en toekomst] bent U; U bent de bron van alle waarheid die alle waarheden doordringt en die van de waarheid van de elementen en van al [het relatieve] dat voor waar wordt gehouden de oorspronkelijke waarheid bent; van iedere heilige waarheid de oorsprong is alles waar wat betrekking heeft op U, die wij onze volledige overgave bieden. (27) Eén in afhankelijkheid [van de materie], twee in het vruchtdragende [geluk/ongeluk], drie in zijn wortels [de geaardheden] vier in smaken [de purushârtha's], vijf in het kennen [de zinnen], zes in omstandigheden [van weeklagen, illusie, ouderdom, dood, honger en dorst], zeven in lagen ['de bast' of de kosha's], acht in zijn takken [de elementen, de geest, de intelligentie en het ego], met negen lichaamsopeningen, met het tienvoudige in zijn dek ['de bladeren' of de tien luchten, zie 7.15: 42] en met twee vogels [de ziel en de Superziel] er in, is inderdaad dat lichaam [individueel als ook in zijn volledigheid] de oorspronkelijke boom. (28) U als de Ene Ware bent van dit zichtbare universum voorwaar de Eigenlijke Bron. Aan U is het behoud met de vernietiging; degenen wiens intelligentie is overdekt door Uw mâyâ zien U niet in de veelvoud - niet zij zien die het ontbreekt aan spiritueel onderricht. (29) Met het aannemen van allerlei soorten van gedaanten blijft U niettemin de intelligentie boven hen verheven als U voor het heil van ieder levend wezen overal, bewegend of niet bewegend, als het transcendentaal geluk keer op keer al het ongunstige, niet-toegewijde vernietigt dat de waarachtigen in de weg staat. (30) Ten volle opgaand in een niet aflatende meditatie op U als de thuishaven van het volledige van het bewustzijn, o Lotusogige, klimt men, door die éénpuntigheid zoals beoefend door de grootsten, aan boord van die boot van Uw lotusvoeten die de grote oceaan van onwetendheid terugbrengt tot de hoefafdruk van een kalf [vergelijk 10.1: 5-7]. (31) Zelf de weerspannige oceaan der duisternis overstekend die zo moeilijk te boven te komen is, o Licht van de Wereld, laten zij die meer dan genoeg liefde hebben voor de gevallen zielen [de gevorderde toegewijden] de boot van Uw lotusvoeten achter zich in deze wereld met het afgaan op het uiteindelijke van U, die altijd zo aardig bent voor de volgelingen [zie ook B.G. 6: 44]. (32) Alle anderen, o Lotusogige, die, in de illusie bevrijd te zijn er met een onzuivere intelligentie op los speculeren - ook al zijn ze succesvol in ernstige boetepraktijken -, vallen in minachting voor Uw voeten neer uit de hoogste positie weer terug in de materiële wereld [zie ook B.G. 8: 15-16 en 5.6: 11]. (33) In tegenstelling tot de niet-toegewijden vallen zij, de volgelingen van toewijding o Mâdhava, niet weg van het pad omdat zij, tot U, ten volle zijn aangetrokken zodat door U beschermd zij zich zonder angst over de hoofden bewegen, o Meester, van hen die tegen hen in het geweer treden [zie ook 1.5: 17 en B.G. 18: 78]. (34) Voor het doel van Uw handhaven neemt Uwe Heerlijkheid Bestaand Voorbij de Geaardheden een gedaante aan voor het welzijn en het voordeel van al de belichaamden die, als mensenkinderen verenigd te werk gaand volgens de Veda, in verzaking en volledige verzonkenheid in Uw eerbetoon U hun offers bereiden [zie ook B.G. 3: 9 & 18: 3]. (35) Als het zuivere van het bestaan, o Bron van de Wereld, niet dit constante van U zou zijn, hoe zou dan de wijsheid tot stand zijn gekomen die het onbenul verdrijft; de onwetendheid wordt volledig weggevaagd op het ontwaken van die kwaliteit van U die Uwe heerlijkheid ten toon spreidt en waarvoor er geen alternatief bestaat. (36) Van Uw naam en gedaante kan men zich niet verzekeren met de woorden en stellingen van hen die zich [enkel] op de geest beraden, o Heer, zij inderdaad worden nog altijd gerealiseerd in hun aktie [zie ook 1.3: 37-38, 4.18: 5 7.15: 58 en B.G: 6: 24 & 18: 55]. (37) Voortdurend over Uw goedgunstige namen en gedaanten vernemend, er over reciterend, ze herinnerend en ze becontemplerend [zie 7.5: 23-24] is hij die van een onverdeelde aandacht in aktie aan Uw lotusvoeten is, niet in staat zich iets in te beelden [zich een werkelijkheid los staande van U voor te stellen, zie ook 6.17: 28-31]. (38) Het is ons grote geluk alhier, o Heer, om met deze aarde als de plaats van de voeten Uwer Heerlijkheid de [asura-]last weggenomen te zien; dankzij de grondeloze genade van de verschijning van U als de Beheerser zullen wij zo gelukkig zijn in de hemel zowel als op de aarde getuige te zijn van de kentekenen van Uw [met de schelphoorn, de lotus, de knots en de schijf] bovenzinnelijk toegeruste lotusvoeten. (39) Voor U die onze levens stuurt is er geen geboorte of dood, echter, het staat buiten kijf dat de zaak van het verschijnen niet zonder het genoegen van Uw spel en vermaak kan zijn; de geboorte, dood en handhaving van de normale zielen wordt door de uitwendige energie zo beschikt vanwege U, onze Vluchthaven tegen Iedere Angst. (40) Als een vis, als een paard, als een schildpad, als een leeuw, als een zwijn, als een zwaan [of zelfgerealiseerde wijze], als een koning en als een geleerd man onder de godvruchtigen [zoals Heer Vâmana] is Uwe heerlijkheid ten tonele verschenen als avatâra's; redt ons en de drie werelden nu alstUblieft, o Beheerser, neem de last van de wereld weg, o Beste der Yadu's, al onze gebeden dragen we aan U op [zie ook 1.3]. (41) [en tot Devakî:] Tot ons geluk, o moeder kan de Allerhoogste Persoonlijkheid met al Zijn energieën nu worden waargenomen in uw schoot; maakt u zich dus, gezien de Opperheer Zijn welwillendheid jegens een ieder, nimmer zorgen over de Bhoja-meester [Kamsa] die erop gefixeerd is door Hem, de beschermer van de Yadu-dynastie die Uw zoon zal worden, te worden gedood.'

(42) S'rî S'uka zei: 'Na op deze manier gebeden te hebben gebracht voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid wiens gedaante bovenzinnelijk is [ofwel Vishnu], keerden al de halfgoden met Brahmâ en S'iva voorop naar hun verblijfplaatsen terug.' 

Voetnoten:

*: Svâmi Prabhupâda geeft als commentaar: 'Symbolisch, zuiverde moeder Devakî's voortdurende angst voor Kamsa haar. Een zuivere toegewijde behoort altijd de materiële omgang te vrezen, en op die manier zullen al de Asura's van materiële associatie worden gedood, zoals de Shad-garbhâsura's werden gedood door Kamsa. Het wordt gezegd dat door de geest, Marîci verschijnt. Met andere woorden, Marîci is een incarnatie van de geest. Marîci heeft zes zonen: Kâma, Krodha, Lobha, Moha, Mada en Mâtsarya (lust, woede, hebzucht, illusie, waanzin en afgunst). De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschijnt in zuivere toegewijde dienst. Dit wordt bevestigd in de Veda's : 'bhaktir evainam dars'ayati'. Alleen bhakti kan iemand in kontakt brengen met de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verscheen uit de schoot van Devakî, en daar representeert Devakî symbolisch de bhakti, en Kamsa representeert symbolisch de materiële angst. Als een zuivere toegewijde altijd materiële omgang vreest, manifesteert zich zijn werkelijke positie van bhakti, en verliest hij op een natuurlijke manier zijn interesse voor materiële genoegens. Als de zes zonen van Marîci door een dergelijke angst de dood vinden en men bevrijd is van materiële besmetting, zal in de schoot van de bhakti de Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschijnen. Aldus houdt de zevende zwangerschap van Devakî de verschijning in van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. Nadat de zes zoons van Kâma, Krodha, Lobha, Moha, Mada en Mâtsarya zijn gedood, schept de S'esha incarnatie een situatie geschikt voor het verschijnen van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. Met andere woorden, als men zijn natuurlijke Krishna-bewustzijn opwekt, verschijnt Heer Krishna. Dit is de verklaring gegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura.'

**: De namen waarmee Mâyâdevî bekend staat op verschillende plaatsen zijn als volgt opgesomd door Vallabhâcârya. In Vârânasî staat ze bekend als Durgâ, in Avantî kent men haar als Bhadrakâlî, in Orissa is ze bekend als Vijayâ, en in Kulahâpura kent men haar als Vaishnavî of Mahâlakshmî. (De vertegenwoordigers van Mahâlakshmî en Ambikâ bevinden zich in Bombay.) In het land bekend als Kâmarûpa kent men haar als Candikâ, in Noord-India als S'âradâ, en in Kaap Comorin als Kanyakâ. Aldus is ze verdeeld naar de verschillende namen en plaatsen.

*** S'rîla Vijayadhvaja Tîrthapâda, heeft in zijn Pada-ratnâvalî-tîkâ, de betekenis uiteengezet van de verschillende representaties. Mâyâ staat bekend als Durgâ omdat ze met moeite wordt benaderd, als Bhadrâ omdat ze goedgunstig is, en als Kâlî omdat ze diepblauw is. Omdat ze de meest machtige energie is, staat ze bekend als Vijayâ; Omdat ze een van de verschillende energieën van Vishnu is, staat ze bekend als Vaishnavî; en omdat ze geniet in deze wereld en gelegenheid bied voor materiële genoegens, staat ze bekend als Kumudâ. Omdat ze het zeer ernstig meent met haar vijanden, de Asura's, staat ze bekend als Candikâ, en omdat ze voorziet in allerhande materiële faciliteiten, wordt ze Krishnâ genoemd. Op deze manier is de materiële energie verschillend benoemd en geplaatst in verschillende plaatsen op het oppervlak van de aarde.

*4: S'rî Caitanya Mahâprabhu zei:

yâre dekha, târe kaha 'Krishna'-upades'a
âmâra âjnâya guru hanâ târa' ei des'a

"Instrueer iedereen te volgen naar de opdrachten van Heer S'rî Krishna zoals die worden gegeven in de Bhagavad-gîtâ en het S'rîmad-Bhâgavatam. Wordt op deze manier een geestelijk leraar en probeer een ieder in dit land te bevrijden." (Cc. Madhya 7.128)

 

 

 

Hoofdstuk 3  

De Geboorte van Heer Krishna

(1-5) S'rî S'uka zei: 'Toen was er daar het hoogste uur alles welgezind en meest geschikt met het teken Rohinî rijzend en al de sterren en planeten in een gunstige stand. Overal was er vrede, het gesternte twinkelde aan de hemel en de steden, dorpen, weidegronden en delfplaatsen waren op hun best. Met de rivieren kristalhelder, de meren prachtig met lotussen en groepjes vogels en zwermen bijen lieflijk hun lof zingend in de bloeiende wouden, waaide een briesje met een zachte streling geurig en stofvrij en brandden de vuren der tweemaal geborenen stabiel en onverstoord. De geesten der geheiligden, onderdrukt als ze waren geweest door de asura [Kamsa en zijn mannen], raakten helemaal verguld toen in die situatie de pauken gezamenlijk weerklonken met de op handen zijnde geboorte van de Ongeborene. (6) De allerbesten en de bewoners van de hemel zongen; de vervolmaakten en de halfgoden baden en de [vidyâdhara-]vrouwen van kennis dansten in grote vreugde tezamen met de dansmeisjes van God. (7-8) De wijzen en de goddelijken deden blij de fijnste bloemen neerregenen en de wolken rommelden zachtjes gelijk de golven van de oceaan toen in het holst van de nacht [om middernacht] Janârdana, de Begunstiger van de Hele Wereld, verscheen uit de [als een expansie van Krishna] goddelijke gedaante van Devakî; Heer Vishnu, Hij die verblijft in ieders hart had zich compleet in ieder opzicht gemanifesteerd, zoals de volle maan dat doet in het oosten. (9-10) Dat wonderbaarlijke kind was, schitterend met lotusgelijke ogen en vier armen die de verschillende wapens omhoog hielden, gesierd met het S'rîvatsa-teken, het schitterende Kaustubhajuweel om Zijn nek, Zijn gele kleding en een huidskleur mooi als die van regenwolken. Vasudeva zag Hem prachtig opgesierd sprankelen met een met Vaidûrya bezette helm en oorhangers bij weelderig loshangende haarlokken, een uitgelezen gordel om Zijn middel en arm- en polsbanden om Zijn armen. (11-12) Hij, Ânakadundubhi, die versteld stond toen hij de prachtige verschijning van de Heer als zijn zoon zag, droomde op dat moment overweldigd door grote blijdschap van het houden van een feestelijke plechtigheid ter gelegenheid van de nederdaling van Krishna waarbij hij een tienduizendtal koeien zou kunnen wegschenken aan de tweemaal geborenen.

(12) Begrijpend dat Hij de Oorspronkelijke Persoonlijkheid was, richtte hij, met onder Zijn invloed zijn angsten verdreven, met gevouwen handen ter aarde gevallen gebeden tot het kind, o zoon van Bharata, in staat van vervoering over Zijn schoonheid die de gehele plek waar Hij was geboren alom verlichtte. (13) Vasudeva zei: 'Ik ben me volledig van U bewust, mijn Heer, als rechtstreeks de Oorspronkelijke Persoon bovenzinnelijk aan de geaardheden der natuur, als het absolute begrip en de gelukzaligheid [sat-cit-ânanda] in zijn ware gedaante, de intelligentie die waakt over een ieder. (14) U voorzeker staat bekend als Hem die, na in den beginne door Zijn persoonlijk vermogen deze wereld geschapen te hebben bestaande uit de drie geaardheden [zie B.G 7: 4-6], toen inderdaad schijnt te zijn binnengegaan [als avatâra's] zonder werkelijk erin binnen gegaan te zijn [zie ook 7.12: 15 en B.G. 9: 11]. (15-17) Het is zoals men de elementen der materie kent die in hun niet-getransformeerde staat gevangen zijn in combinaties [van moleculen] die tezamen inderdaad het gehele universum uitmaken; na op hun samengaan te zijn geschapen doen ze zich voor alsof ze zijn binnengegaan, maar dat binnengaan kan niet waar zijn aangezien ze, in deze scheppingskwestie, er met U vanaf het begin reeds waren. Op deze manier bezien, uitgaande van de ware intelligentie en wat haar eigen is, o mijn Heer, wordt U, alhoewel gearriveerd met de zinsobjecten en de geaardheden der natuur, niet bepaald door de materiële kwaliteiten aangezien U zich [in feite] overal bevindt; er is niet zoiets als een binnen en een buitenkant aan [het volledige van] U omdat, met alles wat bij U hoort, U de bestaansgrond bent van alles en iedereen [zie ook B.G. 9.4-6]. (18) Een ieder die, zich bevindend in de positie van een waarneembaar voorwerp, het volhoudt te handelen alsof hij een apart bestaan voor zichzelf zou hebben los van het oorspronkelijke zelf of de ziel, is een dwaas; hij is een persoon die, van valse vereenzelviging, als dom wordt afgewezen daar hij verstoken is van de juiste analyse en het ontbreekt aan een volledig besef van 'dat' [of tat]. [zie ook B.G. 18: 16, B.G. 7: 4-5 en *] (19) O Almachtige Heer, de geboorte, het verblijven en eindigen van dit alles is, zo concluderen de geletterden, er vanwege U, die onverdorven bent, vrij van toeneigingen en vrij van de geaardheden; in U, de Beheerser, het Hoogste Brahman, is er geen tegenstrijdigheid in het beheerst zijn door de geaardheden die U overschouwt [zie B.G. 9: 10]. (20) U als zodanig, neemt voor de handhaving van de drie werelden middels Uw eigen vermogen, het witte aan [van de goedheid] zowel als de kleur die hoort bij het creatieve, het rood van het vol zijn van de hartstocht en de kleur van het duister in de onwetendheid over het uiteindelijke van de vernietiging. (21) U hier op deze planeet, o Machtige, bent nu als het Volledige van de Kontrole verschenen in mijn huis om de wildemannen te weren - en hun legers te vernietigen - die met miljoenen tegelijk over de gehele wereld onverlicht zich voordoen als koningen en staatslieden [zie ook B.G 4:8]. (22) Maar deze ene zo goddeloos [Kamsa] die, nadat hij vernam over Uw geboorte bij ons thuis, al de broers vermoordde vóór U, o Heer der Godvruchtigen zal, door zijn gezagvoerders op de hoogte gesteld van Uw verschijnen, nu voorzeker terstond de wapens ter hand nemen.'

(23) S'uka zei: 'Nadat ze hadden gezien dat die zoon van hun al de eigenschappen had van de Allerhoogste Persoonlijkheid, bracht Devakî, bang voor Kamsa maar ook zeer verrast, Hem haar gebeden. (24) S'rî Devakî zei: 'Als de vorm die God aanneemt wordt U somtijds als ongezien beschouwd, oorspronkelijk, het Brahman, het licht, de vrijheid boven de geaardheden, het onveranderlijke en de maat van alle goedheid; U bent die Ene onverdeeld, vrij van materiële motieven, die rechtstreeks die Heerlijkheid is, Vishnu, het licht van de Superziel [vergelijk: B.G. 14: 27]. (25) Als de kosmos op zijn einde loopt na miljoenen en miljoenen jaren en de primaire elementen opgaan in het subtiele en al het gemanifesteerde door de kracht van de Tijd in het ongemanifesteerde verandert, is Uwe Heerlijkheid, Hij met de Vele Namen, de enigste die overblijft. (26) Deze Tijd zo almachtig, waardoor, van de kleinste maat tot aan de maat van een jaar, deze gehele schepping werkt, wordt gezegd Zijn bewegen te zijn, de Autoriteit van het Ongemanifesteerde dat U bent, de veilige haven, de Allerhoogste Beheerser die ik mijn overgave bied. (27) De sterfelijken bevreesd voor het serpent van de dood vluchten naar overal maar kunnen de onbevreesdheid niet bereiken; maar met het geluk de lotusvoeten te verwerven slapen ze nu onverstoord en slaat de dood voor hen op de vlucht. (28) O Heerlijkheid, kan U, in Uw gedaante als degene die alle vrees van Uw dienaren verdrijft, ons beschermen tegen de verschrikkelijke zoon van Ugrasena waar we zo bang voor zijn en, alstUblieft, U als deze Oorspronkelijke Persoonlijkheid waar we in ons mediteren op gericht zijn, weest niet rechtstreeks zichtbaar voor hen die kijken met een materiële blik [vergelijk B.G. 11: 8]. (29) O Madhusûdana, vanwege Uw verschijnen ben ik in angst verzet benauwd voor Kamsa; moge Uw geboorte uit mijn schoot aan de aandacht ontsnappen van die grote zondaar. (30) Trek, o Alles-doorvarende Heer, die bovennatuurlijke vierarmige gedaante van U in zo rijk met de voorwerpen van de lotus, de schelphoorn, de schijf en de knots. (31) De ganse schepping met alles erin wordt door de transcendentale Oorspronkelijke Persoonlijkheid van Uwe Heerlijkheid met gemak geborgen en behouden binnen in Uw lichaam ten tijde van de vernietiging; het is werkelijk onmogelijk dat in deze menselijke wereld, o God, het zich zo voordeed dat deze gedaante mijn schoot is binnengegaan!'

(32) De Opperheer gaf ten antwoord: 'U raakte in een voorgaand tijdperk bekend als Pris'ni, o kuise dame, en hij [Vasudeva] was toentertijd een prajâpati bekend als Sutapâ, een onberispelijk vrome persoon. (33) Toen jullie beiden in die tijd er door Heer Brahmâ toe werden opgedragen nageslacht te verwekken, waren jullie vervolgens van zware boetedoeningen met het volledig onder kontrole houden van jullie zinnen. (34-35) De regen, de wind, de brandende zon en de strenge koude en hitte van de seizoenswisselingen verdragend, werd middels het beoefenen van de onthouding de geest vrijgemaakt; enkel gevallen blad en lucht etend werden jullie zuiver en vredig en volbrachten jullie sereen Mijn verering biddend om een gunst van Mij. (36) Met jullie zo van ernstige boete beoefenen van de moeilijkste verzakingen verstreken zo'n twaalfduizend hemelse jaren van eenvoudig aan Mij denken. (37-38) Door deze innerlijke vastbeslotenheid en constante, trouwe dienst en boetvaardigheid o zondelozen, verscheen Ik, uitgeroepen tot de gunstigste van alle wensvervullers, zeer tevreden over jullie tweeën toen in deze gedaante voor jullie bereid om aan jullie verlangens tegemoet te komen en werd, toen jullie er door Mij toe werden verzocht jullie geesten open te stellen voor een gunst, Ik gevraagd een zoon gelijk Ik nu ben te worden. (39) Als man en vrouw zonder een kind vroegen jullie, vanwege het zinnelijk leven om dit te bereiken zo sterk aangetrokken tot Mijn goddelijke energie, Mij nimmer om bevrijd te raken uit deze wereld [zie ook 4.9: 30-35]. (40) Na Mijn vertrek gingen jullie, na de zegening te hebben ontvangen, ertoe over sexueel te genieten en werd door jullie tweeën het verlangde resultaat bereikt van het hebben van een zoon als Ik. (41) Niemand anders in deze wereld aantreffend gelijk van karakter en kwaliteiten werd Ik jullie zoon en sta Ik aldus bekend als Pris'nigarbha. (42) Uit jullie tweeën verscheen Ik door Kas'yapa uit Aditi nogmaals en stond Ik, gevierd als Upendra, omdat Ik een dwerg was, ook wel bekend als Vâmana [zie 8.17-22]. (43) Neem voor waar aan, o kuise dame, dat Ik met jullie voor de derde keer inderdaad in deze zelfde verschijning [nu ten volle als Krishna], weer met de lichamen van jullie tweeën, Mijn geboorte heb genomen. (44) Deze [vierhandige] gedaante is jullie getoond terwille van de herinnering aan Mijn voorgaande verschijningen, anders zou het spiritueel begrip van Mijn identiteit zich niet voordoen met dit sterfelijke beeld. (45) Mij met liefde en zorg behandelend zullen jullie twee in het voortdurende bewustzijn van Mij als zijnde zowel jullie zoon als het Spiritueel Volkomene, beiden Mijn bovenzinnelijk verblijf bereiken.'

(46) S'rî S'uka zei: 'Na aldus te hebben gesproken hield de Persoonlijkheid van God, de Allerhoogste Heer zich stil terwijl Hij voor ogen van Zijn ouders de gedaante aannam van een gewoon mensenkind. (47) En daarna, toen de zoon van S'ûrasena zoals hem was gezegd door de Opperheer zorgzaam zijn zoon wegvoerde van zijn geboorteplaats, nam precies op het ogenblik dat hij Hem naar buiten wilde brengen Yogamâyâ [zie 10.2: 6-12], de ongeborene der transcendentie, haar geboorte uit de vrouw van Nanda. (48-49) Onder haar invloed hadden de wachters als ook de rest van de mensen, diep in slaap hun bewustzijn van al hun zinnen verloren en waren ook al de zwaar uitgevoerde deuren en poorten die waren vergrendeld met bouten en kettingen uit zichzelf wijd open gezwaaid zoals de duisternis wijkt voor de zon, toen Vasudeva die Krishna droeg naderde. De wolken bescheiden rommelend lieten de regen stromen, maar gevolgd door S'esha Nâga werd de regen tegengehouden door de uitgespreide kragen. (50) Vanwege Indra's gedurige regenval was van het diepe water van Yamarâja's jongere zuster, de Yamunâ, het oppervlak aan het schuimen van de gewelddadige golven maar de kolkende, onrustige, woeste stroom week uiteen precies zoals de oceaan dat voorheen had gedaan voor de Echtgenoot van Sîtâ [Heer Râma, zie 9.10: 13-15]. (51) De zoon van S'ûrasena trof met het bereiken van het koeiendorp van Nanda al de koeherders daar diep in slaap aan en met hen onder zeil plaatste hij zijn zoon op Yas'odâ's bed en pakte hij haar dochter op om terug te keren naar zijn verblijfplaats. (52) Daar plaatste hij het meisje op Devakî's bed en legde hij zichzelf weer de ketenen aan voor zijn voeten zodat hij als voorheen gevangen bleef. (53) Yas'odâ, de vrouw van Nanda die ook een kind had gebaard, had er geen idee van hoe het er precies uitzag daar overmand door slaap van het zware bevallen haar geheugen haar in de steek had gelaten.

 Voetnoot:

*: Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we deze wereld als vals beschouwen, vallen we in de categorie van de asura's, die zeggen dat deze wereld onwerkelijk is, geen reden van bestaan heeft noch een controlerende God kent (asatyam apratistham te jagad âhur anîs´varam). Zoals beschreven in het zestiende Hoofdstuk van de Bhagavad-gîtâ, is dit de conclusie der demonen.'

 

Hoofdstuk 4

De Wreedheden van Koning Kamsa

(1) S'rî S'uka zei: 'Met de buiten- en binnendeuren van het gebouw weer vergrendeld als voorheen, werden de wachters in de gevangenis wakker toen ze het huilen hoorden van het pasgeboren kind. (2) Ze haastten zich toen om dat aan de koning van Bhoja over te brieven die vol zorg de tijd afwachtte dat Devakî zou baren. (3) Hij kwam snel uit bed, zei 'De Tijd is daar' en ging met dat in gedachten onverwijld, met het haar op zijn hoofd in de war, naar waar de moeder zich bevond.

(4) De kuise Devakî er ellendig aan toe in haar lijden zei tot Kamsa, haar broer: 'Deze hier is voor jouw zoon bestemd, o goedheid, ze is een vrouw die je niet moet doden. (5) Vele kleintjes zo helder als het vuur zijn door jou, naar wat je van boven hoorde, ter dood gebracht, mijn broeder, gun me nu dan deze ene dochter. (6) Ik ben nog steeds je jongere zus, is het niet? Slecht af zonder mijn kinderen, o meester, beste broer, ben je mij zo behoeftig dit laatste kind schuldig.'

(7) S'rî S'uka zei: 'In tranen haar baby omklemmend smeekte ze hoogst deerniswekkend maar hij, allerwreedst, rukte het met een snauw uit haar handen. (8) Met geweld het zich toeëigenend wilde hij het nieuwgeboren kind van zijn zus bij de beentjes vastgehouden tegen de stenen vloer slaan, egocentrisch als hij was zonder enig gevoel voor de familiale genegenheid. (9) Maar halverwege gleed het uit zijn handen en verscheen het datzelfde moment in de lucht als Devî [Durgâ] de jongste zuster van Vishnu, met al de acht wapens bij haar machtige armen [zie ook 8.12: 40]. (10-11) Gesierd met sandelhoutpasta, bloemenkransen, kostbare juwelen en fraai aangekleed hield ze Vishnu's wapens vast: een boog, een lans, pijlen, een schild, een zwaard, een schelphoorn, een lotus en een werpschijf. Onder de aanbidding der vervolmaakten, de eerbiedwaardigen en de zangers van de hemel, de dansmeisjes, de excellenten [Uraga's, de 'goddelijke slangen'] en de bijzonder getalenteerden zei ze, terwijl ze op allerlei manieren bediend werd: (12) 'Wat heeft het voor nut mij te doden, dwaas die je bent, Hij, je oude vijand [zie 1.68] die je zal doden, is reeds ter wereld gekomen, [en is nu] ergens anders, hou ermee op nog langer onnodig arme zieltjes te vermoorden.'

(13) De godin met de ontzagwekkende macht van mâyâ hem op deze manier aansprekend raakte inderdaad onder verschillende namen bekend op de verschillende plaatsen op aarde [zie 10.2: 10 & 11]. (14) Kamsa toen hij haar woorden hoorde was met stomheid geslagen en liet meteen Devakî en Vasudeva vrij nederig zeggend: (15) 'Helaas, o beste zus en zwager van me, zoals een mensenverslinder met zijn eigen kroost doet, werden, als gevolg van mijn zonden, door mij jouw zoons gedood. (16) Ik voorwaar ben er zo een die zonder genade wreed verwanten en vrienden ontkende; naar wat voor een wereld ben ik, me gedragend als een brahmanen-moordenaar, op weg met mijn ademtocht hier of in het hiernamaals? (17) Ook de hemel kan een leugen bezigen, niet enkel menselijke wezens; alleen maar omdat ik geloof hechtte aan de profetie heb ik, de grootste aller zondaars, die kinderen van mijn zus gedood! (18) O gezegende zielen, treur niet over jullie zoons; allen die worden geboren hebben te lijden als gevolg van hun eigen handelen [zie voetnoot 3 hfstk.1] en bijgevolg is het naar de wil van God niet altijd gegeven op dezelfde plaats te leven. (19) Op aarde verschijnt en verdwijnt alles wat is samengesteld uit aarde, zo ook doet het zich voor dat, met het behartigen van de ziel, men in dezen veranderingen ondergaat maar dat men net als de aarde zelf niet verandert [vergelijk 10.3: 15-17]. (20) Als een persoon zonder kennis van het verschil [tussen lichaam en zelf] het idee heeft dat hij het lichaam is, dan is zo een iemand, verenigd met zijn omhulsel, van valse eenwording in oppositie met anderen en is hij niet in staat te ontsnappen aan de gevangenschap in het rad van wedergeboorte. (21) Beklaag je, met mij je het allerbeste toewensend, daarom niet over de zoons die door mij hun dood vonden; is het niet zo dat iedereen naar wat er gegeven is wordt geconfronteerd met wat hijzelf heeft gedaan? (22) Zolang als hij die zichzelf niet heeft leren kennen over zichzelf denkt in termen van doden of gedood worden is hij, voor de duur van die misvatting, een dwaas gebonden aan wereldse verantwoordelijkheden die hun einde niet kennen [zie ook B.G. 3: 9 & 18: 17 en nitya-mukta]. (23) Vergeef me mijn wreedheden, jullie beiden geheiligden zorgzaam voor de gevallen zielen!' en terwijl hij dit zei met tranen langs zijn wangen biggelend, klampte de zwager de voeten van zijn verwanten vast.

(24) Met geloof in de woorden van Durgâ hen uit hun ketenen bevrijdend, bewees hij Vasudeva en Devakî zijn familiehart. (25) Jegens haar spijtige broer was Devakî toen verlost van haar woede en zo gaf ook Vasudeva zijn woede op hem met een glimlach zeggend: (26) 'Je hebt gelijk, o genadige, met wat je zei over de belichaamde ziel die gedreven door onwetendheid zijn eigen belangen scheidt van die van anderen. (27) Het is weeklagen, gejubel, angst, haat, begeerte, illusie en waanzin wat mensen krijgen die, alles als op zichzelf bestaand beschouwend [wat slechts de aanleiding is], elkaar naar het leven staan als ze van dat onderscheid niet zien wat de werkelijke situatie is met de Heer [die de achterliggende oorzaak is].'

(28) S'rî S'uka zei: 'Kamsa die aldus in zuiverheid een antwoord kreeg van de tot rust bewogen Devakî en Vasudeva, nam afscheid en ging zijn paleis binnen. (29) Toen de nacht voorbij was riep Kamsa al zijn raadslieden bijeen en stelde hij ze op de hoogte van alles wat de 'Sluimer der Yoga', Durgâ, had gezegd. (30) Toen ze hadden vernomen wat hun meester te zeggen had gaven de daitya tegenstanders der godsbewusten, die kwaadwillig jegens de halfgoden niet al te ter zake kundig waren [zie ook B.G. 9: 12] ten antwoord: (31) 'Welnu, als dit het geval is, o Koning van Bhoja, laten we dan nu meteen al de kinderen ter dood brengen die zo ongeveer tien dagen oud zijn of jonger in iedere stad, dorp of landstreek. (32) Wat kunnen de goddelijken zo bang om te vechten nu uitrichten, zij die altijd zo nerveus zijn het geluid van uw boogpees te horen? (33) Her en der verslagen, getroffen door uw vele pijlen, zijn ze, voor hun leven vrezend, weggevlucht en hebben ze moedwillig het slagveld de rug toegekeerd! (34) Enkele van die hemelse types vouwden allerberoerdst verstoken van al hun wapenen hun handen voor u met al hun haar en kleding in de war en sommigen zeiden dingen als 'We zijn zo bang voor u geworden!' (35) En u met hen, zo doodsbang zonder hun strijdwagens en de wapens die ze opgaven, brengt niemand van hen ter dood die met gebroken bogen als pacifisten meer gehecht zijn aan andere dingen dan aan het leveren van strijd. (36) Wat valt er te vrezen van de kant van de zo machtige goddelijken? Ver van de strijd geven ze hoog op! En van de kant van Heer Hari dan? Hij houdt zich schuil in het hart! Moeten we dan bang zijn voor S'iva? Hij leeft in het woud! En Indra dan? Die is ook niet zo'n held! En Brahmâ? Die zit altijd te mediteren! (37) Niettemin, zo houdt u staande, moeten de goddelijken als vijanden niet over het hoofd worden gezien; laat ons, uw getrouwen, daarom korte metten met ze maken! (38) Zoals met een verwaarloosde ziekte van het lichaam die door de mens in zijn acute fase niet meer kan worden behandeld en zoals het is met de zinnen als die niet van het begin af aan worden beheerst, wordt zo ook een grote vijand te sterk om nog langer de baas te zijn. (39) De wortel van dit alles is Vishnu, in Hem vinden de godsbewusten hun traditionele verplichtingen en is er het brahmaanse met de koeien, de geleerden, de boetedoeningen en de offerplechtigheden waarvoor ze zich laten betalen [zie ook 7.5: 31]. (40) Derhalve, zullen we, o Koning, alles in het werk stellen om een einde te maken aan de brahmanen zo ijverig met het brahmaanse, die boetelingen zo druk met hun offers en koeienzaken voor wat melk! (41) De geschoolden en de koeien, de Veda's, de verzaking, de waarheidsliefde en zinsbeheersing, de kalmte, het geloof, de genade, de tolerantie als ook de plechtigheden maken allen deel uit van Hari. (42) Hij inderdaad is de leider van al de Sura's en waarlijk de vijand van de Asura's; Hij is die ene in het hart onder wiens hoede al de godvrezenden, met inbegrip van hun beheerser [S'iva] en hij met de vier gezichten [Brahmâ], hun bestaan hebben; werkelijk, de enige manier om Hem te raken is al Zijn zieners te vervolgen.'

(43) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier zonder veel verstand lang uitweidend met zijn slechte raadgevers accepteerde Kamsa, die als demon werd beheerst door de Heer van de Dood, dat het beste dat hij kon doen was de brahmanen te vervolgen. (44) Met zijn instemmen met de Dânava's om de boetvaardigen te bestrijden, verspreidden de liefhebbers van geweld en vernietiging, die iedere gedaante konden aannemen die ze maar wilden, zich in alle richtingen en keerde Kamsa naar zijn verblijven terug. (45) Vol van een hartstocht van de diepste duisternis zijnde gingen zij, allen in wezen volslagen onwijs, met de schaduw van de dood reeds over hen over tot de vervolging van de waarachtigen. (46) Van een persoon die moedwillig ingaat tegen grote persoonlijkheden worden de zegeningen van een lang leven, schoonheid, roem, religiositeit, talenten en een plaatsje in de hemel, alle vernietigd.'

 

Hoofdstuk 5

Krishna's Geboorteplechtigheid en de Ontmoeting van Nanda Mahârâja en Vasudeva

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nanda dolblij dat er een zoon was geboren, nodigde grootmoedig de geschoolden thuis in de Veda uit, reinigde zichzelf middels een bad en kleedde zich netjes aan. Om de geboorte te vieren [in jâtakarma*] liet hij de mantra's chanten en voorzag hij eveneens in de eredienst van de voorvaderen en de halfgoden zoals dat was voorgeschreven. (3) Aan de brahmanen schonk hij in liefdadigheid talloze volledig opgesierde melkkoeien en zeven bergen sesamzaad, bezaaid met juwelen en met goud bestikte stof. (4) Door de tijd, door te baden, door zuiveringsrituelen, door verzaking en door aanbidding raakt in liefdadigheid en tevredenheid al wat men heeft gezuiverd, maar de ziel raakt gezuiverd door zelfrealisatie. (5) Onder het voortdurend weerklinken van bherî's en dundubhi's [trommels] bedienden de geleerden, de verhalenvertellers, de reciteerders en de zangers zich van woorden die alles en iedereen zuiverden. (6) Heel Vraja werd schoongemaakt; alle doorgangen, binnenplaatsen en binnenkamers werden schoongewassen en een keur aan slingers en vlaggen sierden erebogen van bloemslingers, stukken stof en mangobladeren. (7) De koeien, stieren en kalveren werden ingesmeerd met turmeric-olie en versierd met grondkleuren, pauwenveren, stoffen, gouden sierselen en bloemen. (8) O Koning, de koeherders [de gopa's] die zich verzamelden waren uitgedost met de meest kostbare ornamenten en kledingstukken als overjassen en tulbanden en brachten allerlei gaven met zich mee. (9) De koeherdersvrouwen [de gopî's] waren eveneens blij te horen dat moeder Yas'odâ het leven had geschonken aan een jongen en toonden zich op hun best verschijnend in feestelijke kleding met hun ogen opgemaakt en juwelen om en dergelijke. (10) Met hun allerprachtigste lotusgezichten en sieraden, saffraan en verse kunkum, haastten ze zich met deinende boezems en heupen derwaarts met offergaven in hun handen. (11) De gopî's droegen prachtige oorbellen met edelstenen, hadden kettingen van gouden munten om hun nek en hadden hun kledingstukken fraai bestikt terwijl op weg naar het huis van Nanda een regen van bloemen naar beneden kwam van hun slingers; met de kledij en hun slingerende armbanden, oorhangers, borsten en bloemenslingers waren ze een lust voor het oog. (12) Allen spraken langdurig zegeningen uit voor de pasgeborene zoals 'pâhi' ['weest beschermd'] en besprenkelden met gebeden de Ongeboren Heer met turmeric-olie. (13) Met de komst in Nanda's koeiengemeenschap van Krishna, de Onbegrensde Beheerser van het Ganse Universum, weerklonk een verscheidenheid aan muziekinstrumenten in één groot feest. (14) Zich vermakend gooiden de gopa's yoghurt, melk en karnemelk naar elkaar en smeerden ze elkaar in met de boter. (15-16) Hen zowel als de verhalenvertellers, de reciteerders en de zangers en allen die met hun scholing de kost verdienden het ruimste hart toedragend was, om zijn kind de beste vooruitzichten te bieden, die nobele ziel, Nanda, met de bedoeling Heer Vishnu te behagen van eerbetoon met wat ze ook maar konden gebruiken of zich konden wensen aan kleding, sierselen en koeien [zie ook 7.14: 17]. (17) De hoogst fortuinlijke Rohinî [de moeder van Baladeva die zich daar schuilhield, zie 10.2: 7] was het ook naar de zin gemaakt door de beschermer die Nanda was; ze was druk in de weer prachtig met haar kleding, bloemenslinger en de opsmuk van een halsketting. (18) O Koning, van die tijd af aan ontstond in het koeiengebied van Nanda de grootste weelde met alle rijkdom daar het, als de plaats waar de Heer zich ophield, door Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten de plaats was geworden voor het spel en vermaak van Ramâ [de Godin van het geluk, zie 8.8: 8].

(19) Nanda, nadat hij de bescherming over Gokula [het koeiendorp] had overgedragen aan de koeherders, ging naar Mathurâ om van zijn winst zijn jaarlijkse belasting af te dragen aan Kamsa, o beste van de Kuru-dynastie. (20) Vasudeva, toen hij hoorde dat zijn [jongere stief-]broer Nanda [**] was vertrokken - naar verluid om de koning de eer te bewijzen - begaf hij zich naar waar hij verbleef. (21) Hem [Vasudeva] zo opeens voor zich ziend stond hij verheugd op alsof zijn lichaam een nieuw leven had gevonden en overmand door liefde en genegenheid omarmde hij zijn dierbare vriend. (22) Met alle eerbetoon verwelkomd, naar zijn gezondheid gevraagd en met een zitplaats bedacht vroeg hij [Vasudeva], gehecht als hij was, naar zijn eigen twee zoons het volgende zeggend, o heerser over de wereld. (23) 'Beste broeder Nanda, welk een geluk is je ten deel gevallen nu het zich heeft voorgedaan dat je de zoon hebt gekregen waar je, op leeftijd zijnde en er geen hebbend, zo wanhopig naar uitzag. (24) En wat een geluk ook om jou vandaag hier te treffen, het is als een wedergeboorte; hoe lastig is het niet om, ookal verblijft men in deze wereld van geboorte en dood, je dierbaren weer opnieuw te treffen! (25) Zoals dingen drijvend in een rivier worden meegevoerd door de kracht van de golven houden wij, met de nauwe band die we hebben, ons niet op één en dezelfde plaats op met het uiteenlopen van onze karmische wegen. (26) Gaat alles goed met de koeienzaken, is er genoeg water, gras, planten en dat alles in het grote bos waar je nu leeft met je vrienden? (27) O broeder, beschouwt mijn zoon, met Zijn moeder bij jou in huis levend, je als Zijn vader en is Hij een lieve jongen onder jullie beider zorg? (28) De drie voorgeschreven levensdoelen van een persoon [van geregelde lusten, financiën en rituelen] vinden hun betekenis en werking in het samenzijn, maar dat is niet zo als dat samenzijn moeilijk is geworden, dan verliezen ze hun zeggingskracht.'

(29) S'rî Nanda zei: 'Hoe spijtig is het dat de vele zoons die je had met Devakî door Kamsa ter dood werden gebracht en dat ook die ene die overbleef, de jongste, een dochter, naar de hemel is vertrokken. (30) Door de Ongeziene inderdaad vindt alles zijn vervulling, de Ongeziene vormt het uiteindelijke voor iedereen die leeft; die lotsbestemming is iemands uiteindelijke waarheid en hij die dat weet zal niet verbijsterd raken.' 

(31) S'rî Vasudeva zei: 'Nu dat je de koning zijn jaarlijkse penningen hebt betaald en wij elkaar getroffen hebben, zouden we beiden hier niet nog langer moeten blijven, er zou zich iets kunnen hebben voorgedaan in Gokula!'

(32) S'rî S'uka zei: 'Met dat advies afscheid nemend spanden Nanda en zijn metgezellen hun ossen voor hun ossenwagens en vertrokken ze naar Gokula.'

Voetnoot:

 * De jâtakarma geboorteplechtigheid, welke plaats kan vinden zo gauw de navelstreng, waarmee het kind aan de placenta vast zit, is doorgesneden, bestaat er uit dat de tong van de nieuwgeborene driemaal met ghee wordt aangestipt voorafgegaan door inleidende gebeden. De geboorteceremonie van Krishna wordt ook wel Nandotsava genoemd.  De dag dat jaarlijks Zijn geboorte wordt gevierd wordt Janmâshthamî genoemd [de achtste dag van de maand Bhâdra of S'râvana (Augustus-September)]

** De paramparâ verduidelijkt: 'Vasudeva en Nanda Mahârâja waren dermate nauw verbonden dat ze leefden als broers. Verder, leren we van de notities van S'rîpâda Madhvâcârya dat Vasudeva en Nanda Mahârâja stiefbroers waren. Vasudeva's vader, S'ûrasena, trouwde met een vais'ya meisje, en uit haar nam Nanda Mahârâja zijn geboorte. Later, trouwde Nanda Mahârâja zelf met een vais'ya meisje, Yas'odâ. Daarom wordt deze familie gerespecteert als een vais'ya familie, en nam Krishna, Zich identificerend als hun zoon, de zorg op zich voor vais'ya zaken (krishi-go-rakshya-vânijyam, B.G. 18: 44)'.  

 

Hoofdstuk 6

Het Doden van de Demone Pûtanâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Nanda op weg gegaan [naar huis] bedacht dat de woorden van de zoon van S'ûra [Vasudeva] niet zomaar gevallen waren en dus nam hij zijn toevlucht tot de Heer, beducht op eventuele moeilijkheden. (2) Zoals beschikt door Kamsa [zie 10.4: 43] was er een afgrijselijke moordenares die in de steden, dorpen en gehuchten rondwaarde en kleine baby's doodde. (3) [Welnu,] waar men ook zijn plicht doet en men het luisteren heeft en dat alles [van de bhakti] kan er, met de Beschermer van de Toegewijden, geen sprake zijn van geschreeuw om moord van wildemannen en kwade elementen. (4) Zij die Pûtanâ werd genoemd, en in staat was door de lucht te reizen, vloog op een dag op het dorp van Nanda af, transformeerde zichzelf middels haar mystiek vermogen in een mooie vrouw en drong er binnen, gaand en staand waar ze maar wilde. (5-6) Met haar haar opgeschikt met mallikâ [jasmijn] bloemen, haar zeer weelderige borsten en heupen haast te zwaar voor haar slanke middel, met haar fijne uitdossing en de oorhangers die ze droeg, de schittering en grote aantrekkingskracht van haar gezicht omlijst door haar zwarte haar en met haar uitdagende blikken geworpen naar iedereen, trok ze met haar schoonheid ieders aandacht in Gokula; het scheen de gopî's toe dat zij, zo oogstrelend met een lotus in haar hand, de godin van de schoonheid was die was gekomen om haar Echtgenoot te zien. (7) De baby-moordenares aldaar in het huis van Nanda ongehinderd op zoek naar kinderen zag het Kind dat een Einde Maakt aan Alle Onwaarheid wiens onbegrensde vermogen overdekt was, precies zoals vuur verborgen in de as. (8) Begrijpend dat ze eropuit was kinderen te vermoorden sloot Hij als de Onbegrensde Ziel van al wat Leeft en Niet Leeft Zijn ogen toen zij, zich van niets bewust als iemand die een slapende slang aanziet voor een stuk touw, Hem, haar eigen ondergang, op haar schoot zette. (9) Kwaadgezind het proberend als een moeder was ze als een scherp zwaard in een fraaie schede zoals de twee moeders, die onder de indruk van de invloed van haar schoonheid als aan de grond genageld stonden, haar in de kamer zagen. (10) Zij, verschrikkelijk, plaatste Hem op haar schoot en duwde ter plekke Hem haar borst, als een wapen met gif ingesmeerd, in Zijn mond, maar in reaktie daarop kneep de Allerhoogste Heer haar pijnlijk hard met Zijn beide handjes en zoog Hij, verwoed, zowel het gif als het leven uit haar. (11) In heel haar wezen geraakt, schreeuwde ze luid jammerend uit: 'Help, help me; genoeg!' en spreidde ze haar ogen wijd open, hevig zwetend en aanhoudend om zich heen slaand met haar armen en benen. (12) Het kabaal dat ze maakte deed de aarde met haar bergen en de buitenruimte met al zijn sterren in het firmament en de lagere werelden in alle richtingen op hun grondvesten schudden waarbij mensen voor het geluid plat op de grond vielen bang te worden getroffen door de bliksem. (13) Aldus spartelend, gekweld aan haar borsten, gaf ze met haar mond wijd open en haar armen en benen en haren allemaal uitgespreid, de geest; ze expandeerde toen naar haar oorspronkelijke demonische gedaante, ter aarde stortend in de weidegronden o Koning, als Vritrâsura toen die werd getroffen door de schicht van Indra [zie 6.12]. (14) Haar lichaam verpletterde in zijn val alle bomen in een straal van zo'n twintig kilometer, o Koning, daar het hoogst wonderbaarlijk gigantisch groot was.

(15-17) De gopa's en de gopî's die in hun harten, oren en hoofden al diep geschokt waren door het luide gekrijs waren ontsteld dat massieve lichaam te zien waarvan de mond tanden had hoog als een ploeg, de neusgaten groot waren als berggrotten, de borsten waren als rotsblokken, het wilde uitgespreide haar er uitzag als koper, de diepe oogkassen waren als overwoekerde putten, de dijen waren als rivieroevers met de ledematen als bruggen en de buik er uit zag als een opgedroogd meer. (18) En er bovenop was er daar het kind, zorgeloos spelend, dat snel door de gopî's, die allen naderbij komend in hoge staat van opwinding verkeerden, werd opgepakt. (19) Tezamen met Yas'odâ en Rohinî voerden ze, teneinde het kind volledig te behoeden tegen alle gevaren, het rondzwaaien met een koeienstaart uit. (20) Met koeienurine werd het kind grondig schoongewassen en opnieuw bedekt met het stof opgeworpen door koeien, waarna zij voor de bescherming van het kind eveneens met koemest de heilige Naam aanbrachten op twaalf plaatsen [*]. (21) De gopî's namen een teugje water [âcamana] en na het plaatsen van de letters van de [volgende **] mantra op hun eigen lichamen en twee handen, gingen ze toen zo verder met het kind: (22-23) 'Moge Aja Je benen beschermen, moge Manimân Je knieën beschermen, moge Yajña Je dijen beschermen, moge Acyuta Je boven Je middel beschermen, moge Hayagrîva Je onderbuik beschermen, moge Kes'ava Je hart beschermen, moge Îs'a Je borst beschermen, moge Sûrya Je nek beschermen, moge Vishnu Je armen beschermen, moge Urukrama Je mond beschermen en moge Îs'vara Je hoofd beschermen. Moge Cakrî Je van voren beschermen; moge de Allerhoogste Persoonlijkheid Gadâdharî, die de knots draagt, Je van achteren beschermen; en moge de doder van Madhu en Ajana, de drager van de boog en het zwaard Je twee zijden beschermen. Moge Heer Urugâya, de drager van de schelphoorn, Je vanuit iedere hoek beschermen; moge Upendra Je van boven beschermen; moge [Hij die rijdt op] Garuda Je op de grond beschermen; en moge de Allerhoogste Persoon Haladhara, Je van alle kanten beschermen. (24) Moge Je zinnen worden beschermd door Hrisîkes'a, Je levensadem door Nârâyana, moge de Meester van S'vetadvîpa de kern van Je hart beschermen en moge Je geest worden behoed door Yoges'vara. (25-26) Moge Pris'nigarbha Je Intelligentie beschermen, moge Je ziel worden beschermd door Bhagavân, moge Govinda Je beschermen als Je speelt en moge Mâdhava Je beschermen in Je slaap. Moge de Heer van Vaikunthha Je beschermen als Je loopt, de Echtgenoot van de Godin van het geluk Je beschermen als Je zit en moge Heer Yajñabhuk, de vrees van al de kwade werelden, Je beschermen als Je van het leven geniet. (27-29) De duivelinnen, duivels en haters van kinderen die zijn als slecht gesternte; de boze geesten, kwaaie dwergen, kwelgeesten en spoken, de wildemannen, monsters en heksen als Kotarâ, Revatî, Mâtrikâ en Pûtanâ die mensen tot waanzin drijven, zijn degenen die het geheugen bederven en het iemand in zijn lichamelijkheid, levensadem en vitaliteit moeilijk maken. Mogen die nachtmerrie-wezens die zoveel ellende veroorzaken met het aanvallen van de grootste wijzen en de kinderen allen hun ondergang vinden, afgeschrikt door het zingen van de namen van Vishnu'.

(30) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier werden door de oudere gopî's zo gebonden door hun moederlijke genegenheid alle maatregelen genomen om het kwaad af te wenden. Vervolgens gaf ma Hem de borst en stopte ze haar zoon in bed. (31) Ondertussen kwamen de gopa's met Nanda voorop terug uit Mathurâ en toen ze in Vraja Pûtanâ's lichaam zagen stonden ze allen stomverbaasd [en zeiden]: (32) 'Het moet wel zo zijn, o vrienden, dat Ânakadundubhi uitgegroeid is tot een grote yogameester of zoiets, dit inderdaad zien we nu hier omdat dit het soort van voorval is dat hij voorspelde!' (33) De massa van het lichaam werd met behulp van bijlen door al de bewoners van Vraja in stukken gehakt en, meegevoerd over een lange afstand, neergegooid, met hout bedekt en verbrand. (34) Toen het lichaam werd gecremeerd bleek de rook die vrijkwam zo sereen geurig te zijn als aguru wierook omdat, met het zuigen van Krishna, het direkt was bevrijd van alle smetten [zie 1.2: 17]. (35-36) Als Pûtanâ, die kindermoordenares en duivelin zinnend op bloed, niettegenstaande haar moordlust, na de Heer haar borst geboden te hebben, erin slaagde het hoogste doel te bereiken, wat zou dat dan niet inhouden voor hen met geloof en toewijding die een affiniteit hebben gelijk inderdaad die van zijn toegenegen moeder(s) voor wie Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de meest geliefde is? (37-38) Met Zijn lotusvoeten, welke de toegewijden altijd in hun harten dragen en welke in toewijding worden vastgehouden door hen die overal worden geprezen [zoals Brahmâ en S'iva], trad de Allerhoogste Heer op haar lichaam en haar borst en ging ze, hoewel een moordenares, met het innemen van de positie van een moeder, naar de hemel; wat zou dat niet betekenen voor de moederlijke koeien van wiens spenen Krishna de melk genoot? (39-40) Van allen met liefde voor het kind van wie de melk vloeide die Hij, de Allerhoogste Heer, de Schenker der Eenheid en Bevrijding en zoon van Devakî, naar Zijn voldoening dronk; van al degenen die voortdurend Krishna tot hun voorwerp van moederlijke zorg maakten, mag men nooit denken, o Koning, dat ze weer terug zouden keren naar de materiële oceaan waar men zich verlustigt in onwetendheid [zie ook B.G. 4: 9].

(41) Met het opsnuiven van de geur van de rook die vrijkwam vroegen al de bewoners van Vrajabhûmi zich af: 'Waar komt het vandaan?' en aldus met elkaar sprekend bereikten ze het koeiendorp. (42) Daar aangekomen waren ze hoogst verrast om te vernemen wat de gopa's allemaal te vertellen hadden over de ophef die Pûtanâ had veroorzaakt, hoe ze was gestorven en wat allemaal voor het heil van de baby was gedaan. (43) Nanda die zijn zoon op schoot nam alsof die uit de dood was weergekeerd, besnoof simpel en eenvoudig Zijn hoofdje en bereikte de hoogste vrede, o beste van de Kuru's. (44) Iedere sterveling met geloof en toewijding die verneemt over wonderbaarlijke avontuur van Krishna over de verlossing van Pûtanâ zal liefde opvatten voor Govinda ['de Beschermer van de Koeien'].  

Voetnoten:

* Het zwaaien met een koeienstaart rondom een kind is een occulte rite waarin de staart van de koe wordt beschouwd als de zetel van Laxmî, de godin van het fortuin. Dit is ook waar voor de urine, het stof, de melk en de mest van de koeien die met hun producten als heilig worden beschouwd. De urine heeft antiseptische kwaliteiten, de mest fungeert als brandstof en de melk brengt alle gezondheid en weelde.

**Met de mantra kent men de eerste of zaad-letter toe van de namen van de Heer vermeld in het volgende vers, gevolgd door anusvâra en het woord namah.  

 

Hoofdstuk 7

Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

(1-2) De vereerde koning zei: 'De verschillende lotgevallen van de avatâra's van de Allerhoogste Heer die ons het beeld geven van de Heer, onze Beheerser, zijn hoogst aangenaam voor onze oren en inspirerend voor onze geesten, o meester. Wie ook maar die ze verneemt zal in de grond van zijn wezen zeer spoedig zuivering vinden van de ongepaste, opdringerige verlangens en als een persoon toegewijd met de Heer eveneens vriendschap vinden met de mensen die Hem als de enige ware koesteren. Als het u zint, spreek dan alstublieft voor ons over alles met betrekking tot Hem. (3) Vertel ons meer over Krishna; het spel en vermaak waarin Hij hier in onze menselijke samenleving optrad zich voordoend als een menselijk kind zijn zo wonderbaarlijk!' [*]

(4) S'ri S'uka zei: 'In de tijd dat de maan in het sterrenteken Rohinî stond [na drie maanden] kon Hij Zichzelf naar boven keren in Zijn wiegje en werd er een feest met een baad-ritueel georganiseerd door de moeders die bijeen kwamen met muziek, gezang en hymnen die werden gezongen door de brahmanen terwijl moeder Yas'odâ de baadceremonie deed. (5) Nadat Nanda's vrouw en de andere leden van de huishouding ermee klaar waren, werden de brahmanen die hun plicht hadden gedaan bedacht met voedsel, kleding, bloemenslingers en koeien en werd het kind, met slaperige oogjes, zolang apart gelegd. (6) Voor de utthâna [of 'omkeer']-ceremonie bezig het de gasten uit heel Vraja naar de zin te maken, hoorde ze werkelijk niets van het schreeuwen van het kind dat huilend om te worden gevoed boos met Zijn beentjes in het rond trappelde. (7) Getroffen door Zijn kleine voetjes zo teer als een bloemblaadje kieperde de kar waaronder Hij was gelegd om zodat al de kommen en schalen en het zoete dat ze bevatten naar beneden kwam, de wielen en as uit hun verband raakten en de dissel brak [**]. (8) Alle dames en heren van Vraja met Yas'odâ en Nanda voorop die, bijeengekomen voor de utthâna-ceremonie, getuige waren van die wonderbaarlijke gebeurtenis, verwonderden zich erover hoe de kar zo maar uit zichzelf dermate in het ongerede was geraakt. (9) De kinderen vertelden de met stomheid geslagen gopa's en gopî's dat er geen twijfel over bestond dat, zo gauw het kind was begonnen te huilen, het met één beentje de hele kar uit elkaar had geschopt. (10) Zich niet bewust van de ongekende macht van die kleine baby konden ze het niet geloven; de gopa's hielden het allemaal voor kinderpraat wat ze zeiden. (11) Moeder Yas'odâ, die haar huilende zoon oppakte, ervan uitgaande dat het een verkeerde planeet betrof, riep de geschoolden op een plechtigheid uit te voeren met vedische lofzangen en bood het kind haar borst. (12) Nadat enkele stoere gopa's de kar weer in elkaar hadden gezet en de potten en alles er weer op hadden geplaatst, voerden de priesters met yoghurt, rijst, kus'agras en water de rituelen voor het vuuroffer uit. (13-15) Van hen die begiftigd zijn met de volmaakte waarheid en vrij zijn van ongenoegen, onwaarheid, valse trots, afgunst, geweld en zelfmisleiding zijn de zegeningen nooit tevergeefs [zie ook B.G. 18: 42]. Met dit in gedachten zorgdragend voor het kind getrouw de Sâma, Rig en Yajur Veda en het reinigend met behulp van water vermengd met kruiden, vroeg Nanda de aanvoerder der koeherders zo vrijgezind en goed, nadat het kind was gebaad, die bovenstebeste tweemaal geborenen om goedgunstige hymnen te zingen en werden die zielen van wedergeboorte na de offerandes door hem vergast op een zeer uitgelezen maaltijd. (16) Om zijn zoon van al het beste te verzekeren schonk hij hen - bij het welkom dat ze ook hem bereidden - de beste kwaliteit melkkoeien fraai opgesierd met bloemen en gouden kettinkjes. (17) De wijzen die verenigd zijn met welke woorden ze ook maar uitspreken brengen je, als deskundigen in de mantra's, alle zegeningen daar de geldige woorden waar ze zich van bedienen voor zeker nooit en te nimmer hun effect zullen missen.

(18) Op een dag [met Hem ongeveer een jaar oud] toen Yas'odâ met Hem zittend op haar schoot Hem aan het liefkozen was, kon ze omdat Hij zo zwaar als een bergtop werd het gewicht van het kind niet langer dragen. (19) Met Zijn tot haar verbazing zo zwaar zijn als het universum [zie garimâ] zette de gopî Hem met tegenzin op de grond, wendde ze zich tot Nârâyana en ging over tot het verrichten van huishoudelijke taken. (20) Terwijl het kind daar zat werd het meegevoerd door een Daitya in de gedaante van een wervelwind genaamd Trinâvarta die een huurling was gestuurd door Kamsa. (21) Met een groot rumoer bedekte hij zwaar bulderend heel Gokula met stof dat in alle hoeken en gaten doordrong zodat alles aan het zicht was onttrokken. (22) Bijna een uur lang was heel het weidegebied door de dichte stofwolk gehuld in duisternis en kon Yas'odâ haar zoon niet weervinden waar ze Hem op de grond had neergezet. (23) Noch zichzelf noch elkaar nog langer ziend waren de mensen door het opgewaaide zand verstoord en in de war. (24) De hulpeloze vrouw die aldus door de stofwolken van de sterke wervelwind niets meer zag, begon bezorgd om haar zoon jammerlijk te huilen en viel op de grond neer als een koe die haar kalfje verloren heeft. (25) Toen ze haar hoorden huilen huilden al de overige gopî's met gezichten vol tranen vol medeleven met haar mee over het niet kunnen vinden van Nanda's zoon toen de heftige stofstorm van de wervelwind was opgehouden. (26) De kracht van Trinâvarta die de gedaante van een wervelwind had aangenomen nam af toen, Krishna met zich meegevoerd hebbend, hij de bovenste regionen van de hemel bereikte en niet hoger kon komen met Hem die alsmaar zwaarder en machtiger werd. (27) Toen hij ondervond hoe Hij, zwaar als een steen, zijn furie de baas was, moest hij het met Krishna die zijn keel dichtkneep opgeven, machteloos als hij was tegenover de wonderbaarlijke baby. (28) Met Hem in een wurggreep puilden de ogen van de demon uit toen hij stikte en levenloos samen met het kind ter aarde viel. (29) De verzamelde treurende gopî's zagen die verschrikking met al zijn ledematen gebroken, uit de lucht neergestort op een rotsige bodem gelijk Tripura geveld door de pijlen van S'iva [zie 7.10]. (30) Totaal verrast Krishna in goede gezondheid aan te treffen op de borst van de Râkshasa die Hem in de lucht had meegevoerd, pakten ze Hem die aan de dood was ontrukt op en leverden ze, als Nanda's gopî's en gopa's dolblij zich verheugend in het opperste geluk over de terugkomst, Hem af bij Zijn moeder. (31) [Ze zeiden:] 'Hoe enorm wonderbaarlijk inderdaad deze baby die meegevoerd door de wildeman ons achterliet maar nu zonder een schrammetje is teruggekeerd; nu dat die akelige duivel vanwege zijn eigen zonden is gedood in de krachtmeting kan iedere toegewijde ziel opgelucht ademhalen in gelijkheid en onbevreesdheid. (32) Van welk een lang volgehouden verzaking zijn wij wel niet geweest, wat was ons eerbetoon voor Hem in het Voorbije en welke dienstverlening brachten wij publiekelijk op [pûrta], welke vrome diensten leverden wij wel niet [ishta] of van welke liefdadigheid [datta] of andere liefde voor onze naaste zijn wij geweest als gevolg waarvan het kind dat zo goed als verloren was gegaan, wederom tot onze vroomheid hier aanwezig is voor het geluk en het genoegen van al de zijnen?' (33) Als getuige van de verschillende verbazingwekkende gebeurtenissen in het grote woud herhaalde de leider der koeherders Nanda geheel verbaasd telkens maar weer hoe waar de woorden van Vasudeva wel niet waren geweest [zie ook 10.6: 32]. 

(34) Op een dag trok de moeder het kleintje op haar schoot om Hem de borst te geven, waaruit door haar grote genegenheid de melk druppelde. (35-36) O Koning, toen het bijna klaar was en moeder Yas'odâ het tevreden en lachende kind in het gelaat keek terwijl ze het zachte klopjes gaf, zag ze toen het gaapte het volgende: de hemel, de planeten en de aarde, de hemellichten in alle richtingen, de zon en de maan, vuur, de lucht en de zeeën met de continenten, de bergen, hun dochters de rivieren, de wouden en alle schepselen bewegend en niet bewegend [zie ook B.G. 11]. (37) Toen ze zo maar opeens het hele universum te zien kreeg, o Koning, begon ze, verstijfd met ogen als die van een ree, over haar hele lijf te rillen van de verbazing die zich van haar meester maakte.'

Voetnoten:

* Aan het begin van dit Hoofdstuk, doen zich soms twee extra verzen voor:

evam bahûni karmâni
gopânâm s'am sa-yoshitâm
nandasya gehe vavridhe
kurvan vishnu-janârdanah

"Op deze manier, om de demonen te straffen en te doden, legde het kind Krishna vele activiteiten aan de dag bij Nanda Mahârâja thuis, en de inwoners van Vraja vermaakten zich met deze gebeurtenissen."

evam sa vavridhe vishnur
nanda-gehe janârdanah
kurvann anis'am ânandam
gopâlânâm sa-yoshitâm

"Om het bovenzinnelijk genoegen van de gopa's en de gopî's te verhogen, werd Krishna, de doder van alle demonen, aldus opgevoed door Zijn vader en moeder, Nanda en Yas'odâ."

S'rîpâda Vijayadhvaja Tîrtha voegt ook nog een ander vers toe aan dit Hoofdstuk:

vistareneha kârunyât
sarva-pâpa-pranâs'anam
vaktum arhasi dharma-jña
dayâlus tvam iti prabho

"Parîkchit Mahârâja verzocht toen S'ukadeva Gosvâmî om door te gaan met het vertellen van dergelijke verhalen over de wederwaardigheden van Krishna, zodat de koning door hen bovenzinnelijke gelukzaligheid kon genieten."

** Swâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Krishna was onder een huishoudkar neergelegd, maar deze handkar was in werkelijkheid een andere gedaante van S'akathâsura, een demon die daar was gekomen om het kind te doden. Toen nam, met de wens dat Hij wilde zogen van Zijn Moeders borst, Krishna de kans waar de duivel om te brengen. Zo gebeurde het dat Hij S'akathâsura schopte alleen maar om hem te ontmaskeren. Hoewel Krishna's moeder bezig was met het ontvangen van gasten, wilde Heer Krishna haar aandacht trekken door de S'akathâsura te doden, en daarom schopte Hij die demon in de vorm van een kar.'

 

Hoofdstuk 8

De Naam-plechtigheid, Zijn Streken en Opnieuw het Universum in Zijn Mond

(1) S'rî S'uka zei: 'Garga de familiepriester van de Yadu's, hoog verheven in de boete, o Koning, begaf zich op verzoek van Vasudeva naar Nanda's koeiengemeenschap. (2) Toen Nanda hem zag kwam hij hem zeer verheugd tegemoet om hem met gevouwen handen met eerbetoon welkom te heten hem kennende als iemand die boven het zintuiglijke staat [adhokshaja] en wierp hij zich ter aarde om zijn eerbetuigingen te brengen. (3) Met de grootste gastvrijheid en de zoetste woorden liet hij de wijze plaats nemen en het hem op deze manier naar de zin makend zei hij: 'O brahmaan zo volledig in uw zelfverwerkelijking, wat kan ik voor u betekenen? (4) Als de groten zich bewegen in de richting van de gewone man, de eenvoudig ingestelde huishouders, is dat iets dat nooit moet worden beschouwd als plaatsvindend om enige andere reden dan voor hun eigen bestwil. (5) Een ieder is in staat zich een idee te vormen van zijn verleden en toekomst door de kennis over de loop der hemellichamen die het verstand van de gewone man te boven gaat en die u zo genadevol, voor iedereen na te gaan, hebt vastgelegd [in een boek over astrologie]. (6) U inderdaad als de beste van de kenners van het Brahman bent de brahmaan van geboorte [*] die er is als de goeroe van iedereen; voert u dus alstublieft de naamgevingsplechtigheid uit [de samskâra] voor deze twee jongens [Krishna en Balarâma].'

(7) S'rî Garga zei: 'Ik ben, zoals iedereen weet, de leraar van het voorbeeld van de Yadu's; altijd hebben de zonen met mij de zuiveringsriten ondergaan, maar in uw geval zouden de mensen ervan kunnen denken dat we dat deden voor de zoon van Devakî. (8-9) Kamsa, die grote zondaar, met uw vriendschap met Vasudeva in gedachten en het feit dat het achtste kind van Devakî niet een meisje kan zijn, zou, met de notie die hij nam van het bericht van Devakî's dochter [Durgâ 10.4: 12], zelfs kunnen overwegen het ter dood te brengen en derhalve is het niet verstandig voor ons om dat te gaan doen.'

(10) S'rî Nanda zei: 'Voer dan zonder dat hij of zelfs maar mijn verwanten er weet van hebben nu hier ter plekke op een afgezonderde plaats, in de koeienstal, het tweedegeboorte zuiveringsritueel uit met de heilbrengende zang van de klassieke hymnen.'

(11) S'rî S'uka zei: 'Op dit dringende verzoek voerde de geleerde man voor de twee jongens in geheime afzondering de naamgevings-plechtigheid uit waarvoor hij was gekomen. (12) S'rî Garga zei: 'Deze hier inderdaad is de zoon van Rohinî die met Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten er is voor het genoegen van al de Zijnen en om die reden Râma zal heten; zo ook zal Hij bekend staan als Bala vanwege Zijn buitengemene kracht en zal Hij voor het feit dat Hij de beide families verenigt [van Nanda en Vasudeva, zie ook 10.2: 8] ook wel Sankarshana heten [de samenbrenger]. (13) Er zijn drie kleuren die uw zoon heeft aangenomen in het aanvaarden van gedaanten overeenkomstig de yuga: wit, rood alsook geel en nu is Hij Krishna [donker van kleur, zie **]. (14) Kort hiervoor werd dit kind geboren uit Vasudeva en daarom zullen zij die hiervan op de hoogte zijn over uw kind spreken als de in alle opzichten prachtige Vâsudeva. (15) Van deze zoon van u zijn er vele namen en gedaanten naar de aard van Zijn kwaliteiten en handelingen; ik heb daar weet van, maar de gewone man weet het niet. (16) Dit kind zal altijd handelen naar wat voor jullie allen het gunstigst is in Zijn rol als een Nanda-Gokula koeherder; door Hem zullen jullie allen met gemak alle gevaar trotseren [*3]. (17) In vervlogen tijden werden door Hem, o Koning van Vraja, de vromen die waren verstoord door de schurken van een foute regering beschermd zodat zij, met de slechten verslagen, konden floreren [zie ook 1.3: 28]. (18) Zoals degenen trouw aan Vishnu niets te vrezen hebben van de Asura's, zullen zij die zo fortuinlijk zijn jegens dit kind te handelen uit genegenheid niet door vijanden worden overweldigd. (19) Daarom, o Nanda, draag nauwgezet zorg voor de opvoeding van dit kind: in Zijn kwaliteiten, rijkdom, naam en faam is deze zoon van u zo goed als Nârâyana!'

(20) S'rî S'uka zei: 'Nadat Garga hen aldus volledig op de hoogte had gesteld van de Allerhoogste Ziel [zoals die zich met de twee jongens had gemanifesteerd] en naar zijn eigen plaats was vertrokken, beschouwde Nanda zichzelf, gezegend met al het fortuinlijke, een zeer gelukkig man. (21) Een tijdje later waren in Gokula Râma en Kes'ava [Krishna] op hun handjes en knietjes rondkruipend van hun jeugd aan het genieten. (22) Zij, als slangen door de modder van die koeienplaats kruipend produceerden, met hun voetjes achter zich aan slepend, een lief geluid met hun enkelbelletjes, maar bekoord door de geluiden enthousiast achter andere mensen aankruipend, werden ze bang en keerden ze snel weer terug naar hun moeders. (23) De moeders met het omarmen van de door de modder schattig gekleurde lichaampjes lieten hen dan drinken van de melk die vanuit de grote liefde voor ieder van hun zoontjes uit hun borst vloeide, en als ze, terwijl ze zoogden, in hun mondjes keken waren ze als de hemel zo gelukkig om de doorkomende tandjes te ontdekken. (24) Van binnen hun huizen de kinderen gadeslaand die buiten in Vraja aan het spelen waren vergaten ze lachend hun huishoudelijke taken geamuseerd bij de aanblik van hun beiden die met het vastgrijpen van de uiteinden van de staarten van de kalfjes zich in het rond lieten slepen. (25) In hun onvermoeibare spelen bezig met de koeien, met vuur, met scherpgetande beestenmuilen, met zwaarden, water, vogels en doornen, raakten de moeders ontmoedigd als ze, met het doen van hun huishouding, er niet iets op konden vinden ze een halt toe te roepen. (26) Binnen de kortste keren, o Koning, begonnen Râma en Krishna met gemak zonder de hulp van hun knietjes op enkel hun twee beentjes in Gokula rond te lopen. (27) Daaropvolgend wekte de Allerhoogste Heer, in Zijn samen met Balarâma blij spelen met andere kinderen in Vraja, bij de dames van Vraja een hemelse verrukking op. (28) De gopî's, die met ogen voor Krishna er enkel op belust om telkens weer opnieuw over Zijn kinderstreken te vernemen, kwamen bijeen in de aanwezigheid van Zijn moeder en zeiden: (29) 'Hij heeft eens zonder dat het er de tijd voor was de kalveren losgelaten en zat toen te lachen over de woede die daarover bestond; op één of andere manier stal Hij en at Hij uit de potten de smakelijke yoghurt, melk en boter en gaf Hij de apen ieder ervan een deel te eten; als die [zat zijn en] niet meer willen eten breekt hij de pot en als Hij niets kan vinden [om de apen te eten te geven] gaat Hij boos op de mensen in het huis de babytjes knijpen. (30) [Met de potten] buiten Zijn bereik opgehangen vindt Hij er wat op door dingen op te stapelen of een stampblok om te keren en weet Hij de inhoud te bereiken door een gat te maken in de hangende pot. De tijd afwachtend dat de gopî's druk bezig zijn met hun huishoudelijke bezigheden, weet Hij Zijn weg te vinden in een donkere kamer met genoeg licht om te zien van de stralende juwelen op Zijn lichaam! (31) Hij is zo stout dat Hij soms vrijelijk plast op een schoon plekje in onze huizen en die slimme, vindingrijke dief zit daar nu als een lief jongetje!' Aldaar bijeen bespraken de gopî's al dit soort zaken, maar als ze Hem voor zich zagen zitten, bang kijkend met Zijn mooie gezichtje, konden de gopî's blij om Hem te zien met hun klachten tegen Hem ingebracht enkel glimlachen en zich vermaken en konden ze waarlijk niet boos op Hem zijn. (32) Op een dag, toen Hij wat ouder was, kwamen Balarâma en de andere kinderen uit de buurt om Zijn moeder te zeggen: 'Krishna heeft aarde gegeten!'

(33) Yas'odâ bezorgd over Zijn welzijn nam Krishna berispend bij de hand en keek bezorgd in Zijn mondje om Hem aan een nader onderzoek te onderwerpen en zei: (34) 'Waarom heb jij, ongehoorzame jongen, stiekem modder gegeten, wat hoor ik nu van Je oudere broertje en je speelkameraadjes?'

(35) 'O mammie ik heb geen modder gegeten, ze hebben het helemaal verkeerd; als dat wat zij zeggen waar zou zijn, kijk dan nu meteen in Mijn mond!'

(36) 'Doe Je mondje dan maar eens wijd open als dat zo is', droeg ze Hem op en Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer wiens weelde onbegrensd is, opende toen, in Zijn spel als een mensenkind, Zijn mond. (37-39) Binnenin Zijn mond zag ze [voor de tweede keer, zie hoofdstuk 10.7: 35-37] het hele universum met alle bewegende en niet-bewegende levensvormen en de hemel in alle richtingen, de bergen, de continenten, de oceanen, de oppervlakte van de aarde, de waaiende wind, het vuur, de maan en de sterren. Ze zag de planetenstelsels, de wateren, het licht, het uitspansel met de hele buitenruimte en al die [godheden] gebonden aan verandering, de zinnen, de geest en de drie geaardheden. De schakering van dat alles ziend tezamen met de tijd van leven van iedere ziel, de natuurlijke instincten, het karma, wat er allemaal begeerd wordt en de verschillende subtiele lichamen, met inbegrip van Vraja en haarzelf binnenin de wijd open mond van het lichaam van haar zoontje, deed haar vol ongeloof versteld staan: (40) 'Is dit allemaal een droom, een waanidee van God of misschien een drogbeeld van mijn eigen intelligentie, of zou anders dat wat ik zie een of ander yogafenomeen zijn eigen aan mijn kind? (41) Omdat ik, voor zover ik dat kan zien, niet vermag te begrijpen wat allemaal het bewustzijn, de geest, het handelen en de woorden te boven gaat, geef ik mezelf over aan de voeten van Hem buiten mijn gezichtsbereik onder wiens gezag ik leef en door wie ik kan ontwaken. (42) In het idee van ik als hebbende deze echtgenoot en die zoon, als zijnde de echtgenote die het allemaal zou bezitten met de heerser van Vraja, met al de gopî's en gopa's onder mijn gezag met de koeien en de kalveren, heb ik het helemaal bij het verkeerde eind omdat alleen maar Hij mijn vooruitgang is [zie 5.5: 8, 7.9: 19 en B.G. 5: 29].' (43) Nadat ze op deze manier haar werkelijkheid had begrepen zoals die was, bereidde Hij, de Heer, voor die dame van leiding over de gopî's [wederom] Zijn bijzondere genade als Vishnu zodat zij, met haar genegenheid voor haar zoontje, aangetrokken kon zijn tot de Almachtige. (44) Met de herinnering [aan het visioen] abrupt verdwenen zette zij, de gopî, geraakt in haar hart haar zoontje op haar schoot met een liefde hersteld naar de situatie zoals die voorheen was geweest. (45) Door de drie [Veda's] en ook door de filosofische oefeningen [de Upanishads], de yoga-analyse [sânkhya-yoga] en door middel van de toegewijden [pañcarâtra's] wordt de Heer verheerlijkt in al Zijn grootheid, maar zij dacht simpelweg over Hem na als zijnde haar zoon.'

(46) De achtenswaardige koning zei: 'Wat waren de vrome handelingen [zie B.G. 7: 16] o brahmaan, volbracht door Nanda en Yas'odâ, van wiens moedermelk de Heer dronk, waardoor ze de hoogste vervolmaking bereikten van het aldus gezegend zijn? (47) Zelfs niet Zijn eigen vader en moeder konden van de verheffende kinderavonturen van Krishna genieten die de ongerechtigheid van de wereld wegnemen en welke zelfs vandaag de dag nog worden bezongen door de intelligenten!'

(48) S'rî S'uka zei: 'Drona, de beste der goddelijken [de Vasu's] zei samen met zijn vrouw Dharâ in het verleden tot Heer Brahmâ, enkel om uit te vinden wat zijn opdracht was: (49) 'Mogen wij [als Zijn ouders] geboorte nemen op deze aarde om, terwille van de grootheid van God, er te zijn in toegewijde dienst voor de Heer, de Heerser van het ganse Universum, die het uiteindelijke doel is in de wereld en dankzij wie moeiteloos een miserabel leven kan worden vermeden?' (50) 'Het zij zo', klonk het daarop zodat hij, de Grootheid [de Bhagavân voor de Bhagavân], Drona, die hoogst verheven ziel, geboren werd in Vraja en daar bekend stond als Nanda en zij, Dharâ, er verscheen als Yas'odâ [vergelijk 10.3: 32-45 en zie *4]. (51) O zoon van Bharata, als gevolg daarvan was er van de echtgenoot zowel als van de echtgenote en al de gopa's en gopî's, de onophoudelijke [liefde] van de toegewijde dienst voor de Heer die was verschenen als hun zoon en die een ieder het beste toewenst. (52) Om de woorden van Brahmâ gestand te doen verbleef Krishna toen samen met de almachtige [of Bala-]Râma in Vraja om, tot hun grote genoegen, Zijn spel en vermaak [Zijn 'lîlâ'] tentoon te spreiden.'

Voetnoten: 

* Het Sanskriet zegt hier 'bij geboorte', maar de paramparâ benadrukt de tweede geboorte of initiatie. Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Niemand komt als een brâhmana ter wereld; iedereen wordt geboren als een s'ûdra. Maar onder de leiding van een brâhmana en door samskâra, kan men dvija worden, tweemaal geboren, en dan stap voor stap een brâhmana worden. Brahmanisme is niet een systeem bedoeld om een monopolie te creëren voor een bepaald soort mensen. Iedereen zou er toe moeten worden opgevoed een brâhmana te worden. Er moet ten minste een gelegenheid bestaan om het iedereen mogelijk te maken het doel van het leven te bereiken.' Zie ook 7.11: 35.

** Het woord Krishna betekent behalve donker nog meer, Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Als we het nirukti, of de semantische afleiding analyseren van het woord "Krishna," ontdekken we dat na betekent dat Hij de herhaling van geboorte en dood stopt, en dat krish sattârtha, ofwel "bestaan" betekent (Krishna vormt het geheel van het bestaan.) Ook betekent krish "aantrekking," en betekent na ânanda, of "gelukzaligheid." Zijn kleuren worden later in het elfde Canto besproken onder: 11.5: 21, 24, 27 en 34.

*3 Een van de mantra's die de Vaishnava's gebruiken om hun voedsel te offeren voor Krishna luidt:

namo brahmanya-devâya
go-brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah

'Mijn eerbetuigingen voor de godheid der brahmanen altijd bezorgd om de koeien, de brahmanen en het ganse universum; voor Krishna, Govinda, mijn respectbetoon.'

*4 Wat betreft dit verschil tussen het privilege van het zijn van de eigenlijke ouders Vasudeva en Devakî en het zijn van Zijn pleegouders Nanda en Yas'odâ, legt Prabhupâda uit dat er twee soorten van siddha's, vervolmaakte of bevrijde zielen zijn: nitya siddha's en sâdhana siddha's: zij die eeuwig zijn bevrijd zoals Nanda en Yas'odâ en die Krishna's eeuwige metgezellen zijn of expansies van Krishna's persoonlijke lichaam, en die normale levende wezens die een bijzondere positie verwerven door gedurige sâdhana, de spirituele praktijk van het uitvoeren van vrome handelingen en het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst.

 

 

Hoofdstuk 9

Moeder Yas'odâ Bindt Heer Krishna Vast

(1-3) S'rî S'uka zei: 'Op een dag, toen de dienstmaagden druk waren met andere zaken, karnde en maakte moeder Yas'odâ, Nanda's koningin, persoonlijk al het dikke van de melk [de yoghurt en de boter]. Voor de tijd dat ze aan het karnen was zong ze liedjes over wat ze zich allemaal kon herinneren van de dingen die haar zoon had gedaan. (3) Gekleed als ze was in linnen dat bijeen werd gehouden door een ceintuur om haar bewegende heupen deinden, terwijl ze aan het karnen was, haar borsten mee die bij de tepels nat waren vanwege haar liefde voor haar zoon, en in harmonie met die beweging bewogen ook de armbanden om haar polsen en haar oorhangers terwijl, door het karwei van het trekken aan het touw van de karnstok, de transpiratie van haar gezicht liep en naar beneden viel samen met de jasmijnbloemen in haar haar. (4) Met het verlangen te drinken benaderde de Heer haar tijdens het karnen en stopte Hij, lief voor Zijn moeder zijnd, de karnstok door hem beet te pakken. (5) Zij lief voor Hem liet Hem op haar schoot om Hem van haar van liefde overlopende borsten te laten drinken en keek met een glimlach toe hoe gelukkig Hij was, maar met Hem nog niet voldaan moest ze Hem snel naast zich neerzetten en weg toen ze zag hoe een pan met melk aan het overkoken was. (6) Boos geworden bijtend op Zijn rode volle lippen brak Hij, met waterlanders, met een steen de pot waarin de boter werd gekarnd en begon Hij aan het zicht onttrokken in een zijkamertje te eten van wat er allemaal zo was gekarnd. (7) De gopî die de hete melk van het fornuis haalde keerde naar haar werkplek terug en trof de karnpot gebroken aan. Hem daar niet aantreffend kwam ze met een glimlach tot de slotsom dat het door haar kind moest zijn gedaan. (8) Staande bovenop een naar boven gedraaid stampvat deelde Hij, zich verdacht gedragend als een dief, naar Zijn zin aan een aap een portie van het melklekkers uit vanuit een neerhangende pot, terwijl zij, haar zoon van achteren in Zijn activiteiten bespiedend, Hem stapje voor stapje naderde. (9) Toen Hij haar zag naderen met een stok in haar handen klom Hij daar snel naar beneden en ging Hij er bang vandoor met de gopî achter zich aan, Hij die zelfs niet door de grootste yogi's die boetvaardig in meditatie toegang tot Hem proberen te krijgen kon worden bereikt [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Hoewel de Hem nazittende moeder, in haar hoge snelheid met de bloemen vallend uit haar haar, zwaarborstig als ze was bij haar slanke middel het langzaam aan moest doen, slaagde ze er op 't laatst toch in Hem te pakken te krijgen. (11) Toen ze zag hoe Hij als de deugniet schuldbewust aan het huilen was, Zijn ogenzwart helemaal over Zijn gezichtje smerend met Zijn handjes, was zij met Hem, die ze met Zijn angstige oogjes bij de hand had vastgegrepen, enkel van een milde terechtwijzing. (12) Zich rekenschap gevend van haar verdrietige zoontje gooide ze met een goed hart voor haar kleintje de stok aan de kant en besloot ze Hem met een touw vast te binden, niet beseffend met welk een macht ze te maken had.

(13-14) Er bestaat geen binnen- of buitenkant aan Hem, noch een begin of een einde; Hij, zowel het einde als het begin, de binnenkant zowel als de buitenkant van de ganse schepping, is die Ene Totaliteit van die schepping. Hem, de Ongemanifesteerde in de gedaante van een sterfelijke ziel, voor haar zoontje houdend, bond ze, zoals men dat met een normaal kind doet, Hem aan een stampvat vast. (15) Toen het touw dat ze gebruikte om haar ondeugende kind vast te binden te kort uitviel met een lengte van twee vingers, knoopte de gopî er een ander aan vast. (16) Toen zelfs dat te kort uitviel probeerde ze het er met nog een die eveneens, met het knopen en knopen, niet toereikend was twee vingers te kort blijvend. (17) Yas'odâ op deze manier zonder succes doorgaand met alle touw in huis, was, met al de gopî's die met de pret meededen, vol van verwondering aan het lachen. (18) Toen Hij zag hoe zeer Zijn moeder aan het zweten was met alle bloemen uit haar haar gevallen en hoe vermoeid ze raakte, was Krishna zo genadig er in toe te stemmen te worden vastgebonden. (19) Mijn beste, hiermee liet de Heer in feite zien hoe Hij, Krishna, door wie inderdaad het hele universum met al zijn halfgoden wordt beheerst, zich gewonnen geeft voor hen [de toegewijden] die zich schikken naar Zijn wensen [vergelijk 7.3: 14-21]. (20) Noch Heer Brahmâ, noch Heer S'iva noch de Godin van het Geluk ondanks het feit dat ze aan Zijn zijde verkeert, kan van de Schenker der Uiteindelijke Bevrijding de soort van genade bereiken die de gopî verwierf. (21) De Allerhoogste Heer, de Zoon van de Gopî, kunnen zij die gebonden zijn aan het fysieke [de geldmensen, de profijtzoekers], de jñâni's [de boekenwurmen, de transcendentalisten] of zij die enkel op de ziel uit zijn [de escapisten, de impersonalisten] niet zo gemakkelijk voor zich winnen als zij die in deze wereld van bhakti [ofwel de toegewijde dienst] zijn [zie ook B.G. 11: 54 en 18: 16].

(22) Onderwijl, toen Zijn moeder zeer druk bezig was in haar huishouding, zag de Heer twee arjunabomen buiten die, als de zonen van hem die de weelde schenkt [Kuvera], halfgoden waren geweest [Yaksha's]. (23) Ze stonden voorheen bekend als de zeer vermogende Nalakûvara en Manigrîva, maar waren vanwege hun inbeelding door Nârada vervloekt te veranderen in bomen.'

 

   

Hoofdstuk 10

De Verlossing van de Zoons van Kuvera 

(1) De Koning zei: 'Alstublieft o machtige, beschrijf de wandaad om reden waarvan de devarishi boos werd en de twee [zoons van Kuvera] werden vervloekt.'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Er trots op het zover gebracht te hebben als tot de associatie van Rudra waren zij die geboren waren uit de Behoeder der Weelde als gekken bezeten van een prachtig park aan de Mandâkinî rivier [boven-Ganges] nabij Kailâsa [S'iva's berg]. Bedwelmd door het drinken van vârunî hielden ze zich in de tuin vol bloemen met rollende ogen op met vrouwen die hen liedjes toezongen. (4) De Ganges ingaand vol met bedden lotusbloemen genoten ze het gezelschap van de jonge meisjes als waren ze twee mannetjesolifanten met hun wijfjes. (5) En zo gebeurde het dat Nârada, de oppermachtige devarishi ze te zien kreeg, o zoon van Kuru, en uit de verdwaasde ogen van de halfgoden kon opmaken in welke staat ze verkeerden. (6) Hem ziend was hun aanhang beschaamd en bedekten ze uit angst te worden vervloekt snel met hun kleding de naaktheid van hun lichamen, maar zij, de twee bewakers van Kuvera's schatten [S'iva-guhyaka's] die ook naakt waren deden dat niet. (7) Met het aantreffen van het stel dronken, onder de invloed blind met hun prestige en weelde, sprak hij, om de twee zonen van het licht een lesje te leren, een vloek uit ze het volgende zeggend. (8) Nârada zei: 'Er is inderdaad voor hem die in de geaardheid hartstocht van de dingen van de wereld geniet niets zo verstandsverbijsterend als de arrogantie van de weelde, de goede geboorte], een fraai lijf, scholing en rijkdom] en dat alles waarin men belangstelt in vrouwen,wijn en gokken. (9) In die positie dieren dodend denken de ongenadigen die zichzelf niet meer in de hand hebben dat dit lichaam, dat gedoemd is te vergaan, niet zou verouderen, niet zou sterven [zie ook 7.15: 7, B.G. 9: 26]. (10) Het lichaam echter, hoezeer ook voor goddelijk gehouden, is er na de dood voor de wormen en verandert in uitwerpselen en as; iemand die dermate [destructief] handelt schaadt zijn eigen belang - wat weet hij van de hel die hem te wachten staat [zie ook 5.26: 17]? (11) Dit lichaam, behoort het aan de werkgever toe, aan iemand zelf, aan hem die het het zaad schonk, aan de moeder, of behoort het toe aan de vader van iemands moeder of aan hem die het zich met geweld toeëigende, aan een koper, aan het vuur of aan de aaseters zelfs? (12) De vraag is: wie zou op basis hiervan die persoon [die Eigenaar] nou eigenlijk zijn die bij dat lichaam hoort dat, gemanifesteerd vanuit het ongemanifesteerde, weer verdwijnt? Wie anders dan de onbenulligen [de dieren] zouden, het lichaam voor hun ware zelf houdend, arme schepselen ter dood brengen [zie ook 4.11: 10]? (13) Voor materialisten die gek van de weelde verblind zijn is het berooid zijn de beste zalf voor hun ogen, omdat een behoeftig man, vergeleken met anderen, veel beter in staat is om de dingen te zien zoals ze zijn [*]. (14) Het is als iemand die geprikt door een naald begrijpt dat het voor andere zielen met een lichaam ook zo is: hij wenst geen ander schepsel een dergelijke pijn toe, maar dat geldt niet voor een persoon die nooit door een naald is geprikt. (15) Een arm man vrij van de valsheid van het zelf is verlost van alle eigenwaan er over; dat, de grote moeilijkheid die iemand in deze wereld door het lot ten deel kan vallen is voor hem inderdaad de beste verzaking. (16) Zwak van de honger voortdurend smachtend naar voedsel [**] zijn van het lichaam van een man [met de gelofte] van armoede de zinnen minder en minder dominant en is ook het geweld [dat de keerzijde vormt van de (eet-)lust] teruggedrongen. (17) Geheiligde mensen hebben er inderdaad weinig moeite mee het gezelschap van de nooddruftigen op te zoeken; de ontmoeting [van de armen] met dergelijke eerlijke mensen dringt de oorzaak van het lijden terug als ook de hunkering zodat spoedig daarna de zuivering wordt gevonden [zie ook 10.8: 4]. (18) Zou het de zaak van de heiligen [de sâdhu's] zijn, zij die allen gelijkgezind zijn en wiens enige belang het is Mukunda te dienen, om omgang te hebben met de rijke en trotse materialisten die het gezelschap zoeken van de niet-toegewijden? Ze slaan geen acht op hen! [zie ook B.G. 7: 15] (19) Derhalve zal ik van deze rok