Canto 10 - Deel III:

Het Hoogste Goed

 

 

Hoofdstuk 46 Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

Hoofdstuk 47 De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

Hoofdstuk 48 Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

Hoofdstuk 49 Akrûra's Missie in Hastinâpura

Hoofdstuk 50 Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

Hoofdstuk 51 De Verlossing van Mucukunda

Hoofdstuk 52 De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

Hoofdstuk 53 Krishna Ontvoert Rukminî

Hoofdstuk 54 Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

Hoofdstuk 55 De Geschiedenis van Pradyumna

Hoofdstuk 56 Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

Hoofdstuk 57 Satrâjit Vermoord, het Juweel Gestolen en Weer Teruggegeven

Hoofdstuk 58 Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ

Hoofdstuk 59 Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

Hoofdstuk 60 Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

Hoofdstuk 61 Heer Balarâma Maakt een Einde aan Rukmî op Aniruddha's Huwelijk

Hoofdstuk 62 Ûshâ Verliefd en Aniruddha Ingerekend

Hoofdstuk 63 De Koorts in de Strijd en Bâna Verslagen

Hoofdstuk 64 Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

Hoofdstuk 65 Heer Balarâma in Vrindâvana en de Stroom Verdeeld

Hoofdstuk 66 De Valse Vâsudeva Paundraka en Zijn Zoon Verzengd door Hun Eigen Vuur

Hoofdstuk 67 Balarâma Slays the Ape Dvivida

Hoofdstuk 68 Het Huwelijk van Sâmba en de Kuru Stad Gesleept Bevend voor Zijn Woede

 

 

 

 

 Hoofdstuk 46

Uddhava Brengt de Nacht in Gokula door Pratend met Nanda

(1) S'rî S'uka zei: 'De beste raadgever van de Vrishni's was Krishna's geliefde vriend Uddhava [zie ook 3.2], een directe leerling van Brihaspati van de fijnste intelligentie. (2) Tot hem, Zijn meest geliefde, unieke toegewijde sprak op een dag de Allerhoogste Heer Hari, die het leed wegneemt van de overgegeven zielen, waarbij Hij zijn hand in de Zijne nam. (3) 'Alsjeblieft Uddhava, o zachtgeaarde, ga voor het genoegen van Mijn ouders naar Vraja en bevrijdt, door mijn berichten over te brengen, de gopî's van de zielepijn gescheiden van Mij te zijn. (4) Zij verzonken in Mij, met hun geesten op Mij gevestigd, hebben Mij tot hun levensdoel gemaakt met het afzien van al het fysieke [van een echtgenoot, thuis en kinderen, zie 10.29: 4]. Met begrip voor hen die te Mijnentwille deze wereld en haar morele verplichtingen achter zich lieten, onderhoud Ik hen die Mij alleen als hun geliefde en meest beminde Zelf hebben. (5) De vrouwen van Gokula aan Mij terugdenkend, hun gekoesterde voorwerp van de liefde zo ver van hen vandaan, mijn beste, verliezen hun verstand overweldigd als ze zijn door de zorgen van hun gescheidenheid [zie ook B.G. 2: 62-64]. (6) De koeherdersvrouwen Mij volledig toegewijd houden het, met Mijn beloften weer terug te keren, met grote moeite uit, op de een of andere manier hun levens gaande houdend.'

(7) S'rî S'uka zei: 'Met Hem aldus gesproken hebbend, o Koning, aanvaardde Uddhava vol respect de boodschap van zijn Instandhouder, klom hij in zijn wagen en begaf hij zich in de richting van het koeherdersdorp van Nanda. (8) Juist toen de zon aan het ondergaan was bereikte de fortuinlijke ziel Nanda's weidegronden, alwaar hij onopgemerkt passeerde vanwege het stof van de hoeven van de dieren die naar huis kwamen. (9-13) Met de geluiden van de stieren die bronstig elkaar om de vruchtbaren bevochten, met de koeien die met volle uiers achter hun kalveren aanzaten, met de sier van witte kalfjes die ronddartelden hier en daar en met het melken en de luide klanken van de fluiten, waren de fijntjes behangen gopî's en gopa's, goedgunstig zingend over de daden van Balarâma en Krishna, schitterend. Het was allemaal hoogst aantrekkelijk met de huizen van de gopa's vol van de wierook, lampen en bloemenslingers voor het eerbetoon voor het vuur, de zon, de gasten, de koeien, de brahmanen, de voorvaderen en de goden [zie ook 10.24: 25]. Het bos aan alle kanten bloeiend weerklonk van de zwermen bijen, de zangvogels en de kârandava-eenden en de zwanen die zich verzamelden rond de lotusbedden die het geheel opluisterden. (14) Met hem aangekomen naderde Nanda de geliefde volgeling van Krishna en omhelsde hij hem, gelukkig erover van eerbetoon te kunnen zijn met Heer Vâsudeva voor de geest. (15) Hij vergastte hem op de fijnste spijzen, liet hem plaatsnemen op een gemakkelijke sofa om van zijn vermoeidheid te bekomen en zorgde voor een massage voor zijn voeten en dergelijke, en vroeg: (16) 'O beste en allerfortuinlijkste, gaat alles goed met de zoon van S'ûra [Vasudeva] die zijn weldoeners zo toegewijd is, nu dat hij is vrijgekomen en herenigd met zijn kinderen? (17) Welk een geluk dat de kwaaie Kamsa, die voortdurend de immer rechtschapen en deugdzame Yadu's haatte, vanwege zijn zonden samen met zijn volgelingen ter dood is gebracht! (18) Denkt Krishna nog aan ons, Zijn moeder, Zijn weldoeners en vrienden, de gopa's van Vraja van wie Hij de meester is, de koeien, het bos Vrindâvana en de berg? (19) Komt Govinda terug om nog één keer Zijn mensen te treffen zodat we een blik kunnen werpen op Zijn gelaat, Zijn prachtige neus, Zijn vriendelijke glimlach en Zijn ogen? (20) Door Krishna, die zo heel grote Ziel, werden we beschermd tegen onoverkomelijke doodsbedreigingen als een bosbrand, de wind en de regen, alsook tegen een stier en een serpent. (21) De herinnering aan Krishna's heldendaden, speelse zijdelingse blikken, glimlachen en woorden, mijn beste, deed ons allen onze materiële zorgen vergeten. (22) Bij hen die de locaties zien waar Hij speelde, de rivieren, de heuvels en de verschillende delen van het woud die door Zijn voetstappen werden opgesierd, vindt de geest volledige verzonkenheid in Hem. (23) Ik denk dat Krishna en Râma, zoals beaamd door Garga [zie 10.8: 12], van al de halfgoden de twee meest hoogstaande zijn op deze planeet, hier aanwezig voor een grote en heilige zaak van God. (24) Immers werden Kamsa, die zo sterk was als tienduizend olifanten, de worstelaars en de koning der olifanten als betrof het een spelletje door Hen beiden gedood, zo eenvoudig als dieren door koning leeuw. (25) Een boog zo massief als vijftig centimeter dik [drie tâla's] werd door Hem zo koninklijk als een olifant gebroken als was het een stokje en voor de duur van zeven dagen hield Hij met één hand een berg omhoog! (26) Pralamba, Dhenuka, Arishtha, Trinâvarta, Baka en andere demonen, die zowel Sura als Asura de baas waren, werden door Hen met gemak gedood.'

(27) S'rî S'uka zei: 'Nanda aldus keer op keer herinneringen ophalend, raakte, volledig opgegaan in Krishna, uiterst van streek en viel toen stil overmand door de kracht van zijn eigen zuivere liefde. (28) Moeder Yas'odâ, die de beschrijvingen aanhoorde van de activiteiten van haar zoon, liet haar tranen de vrije loop waarbij haar borsten nat werden van haar liefde.  (29) Met het zien van hen twee, in deze toestand van hun opperste aantrekking in liefde voor de Allerhoogste Heer, sprak Uddhava in extase. (30) S'rî Uddhava zei: 'Jullie tweeën zijn ongetwijfeld, met het hebben ontwikkeld van een mentaliteit als deze voor Nârâyana die de geestelijk leraar is van iedereen, de meest lovenswaardige van alle belichaamde wezens hier in deze wereld, o respectvolle. (31) De twee van Mukunda en Râma vormen voorwaar het zaad en de baarmoeder van het universum; Zij zijn het Oorspronkelijke Mannelijk Beginsel en Zijn Creatieve Vermogen die de levende wezens met kennis en beheersing bijstaan in al hun [verwarring en] verscheidenheid. (32-33) Die persoon die in dit leven innerlijk verdeeld enkel maar een ogenblik zijn geest doet opgaan [in Hem] zal op dat moment meteen alle sporen van karmische onzuiverheden uitwissen en zich op weg bevinden naar de hoogste bestemming in een geestelijke gedaante met de kleur van de zon. Met jullie goede zelf die Hem, de grote Ziel en het grote Zelf dat voor een ieder de reden van bestaan vormt, die Hem, Nârâyana, de Uiteindelijke Oorzaak in een sterfelijke gedaante, met alles wat jullie kunnen de hoogste en zuiverste liefde geven, welke goede daden zouden er dan nog voor jullie overblijven om te verrichten? (34) Over een niet al te lange tijd zal Acyuta, [als] de Opperheer, de Meester en Beschermer van de Toegewijden, om Zijn ouders voldoening te schenken, terugkeren naar [het volle inzicht van de mensen van] Vraja. (35) Met het gedood hebben van Kamsa, de vijand van alle Yadu's, in de worstelring, [en alle andere kwaad in de wereld...] zal Krishna waarachtig zijn in dat wat Hij u zei over Zijn weer terugkeren. (36) Alstublieft laat de moed niet zakken, o hoogst fortuinlijke zielen, jullie zullen Krishna in de nabije toekomst zien; Hij is aanwezig in de harten van alle levende wezens zoals vuur dat is in brandhout. (37) In werkelijkheid is niemand Hem in het bijzonder dierbaar of niet dierbaar, noch houdt Hij, vrij van valse trots met een gelijk respect voor iedereen, wie dan ook voor superieur of inferieur [vergelijk de S'ikshâshthaka en B.G. 9: 29]. (38) Voor Hem bestaan er geen vader en moeder, geen echtgenote, geen kinderen enzovoorts; niemand is Zijn verwant, noch is ook maar iemand een buitenstaander en bestaat er ook geen [materieel] lichaam of een geboorte voor Hem [vergelijk 10: 3]. (39) Voor Hem bestaat er geen karma in deze wereld om te verschijnen in baarmoeders die zuiver, onzuiver of er tussenin zijn en niettemin verschijnt Hij voor Zijn spel en vermaak met de bedoeling Zijn deugdzame toegewijden te verlossen [zie B.G. 3: 22; 4: 7; 13: 22]. (40) Hoewel Zich bevindend voorbij de geaardheden genaamd de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid aanvaardt Hij het, geheel bovenzinnelijk, om met de geaardheden een spel te spelen, en is Hij aldus, als zijnde de Ongeborene, van schepping, handhaving en vernietiging.  (41) Net zoals men ziet dat als men ronddraait, de grond lijkt rond te draaien, zo ook lijkt het, als men het lichaam voor het ware zelf aanziet, dat men zelf de doener is, terwijl het de geest is die bezig is [vergelijk B.G. 3: 27]. (42) Hij is niet enkel de zoon van jullie tweeën, Hij is de Allerhoogste Heer Hari die de zoon, het eigenlijke zelf, de vader èn de moeder is; Hij is de Heer der Beheersing. (43) Van wat men ziet of hoort, van wat zich in het heden, het verleden of in de toekomst bevindt; van wat vaststaat, zich rondbeweegt, groot of klein is kan in het geheel niet worden gezegd dat het iets is dat losstaat van Acyuta; Hij alleen, zich manifesterend als de Superziel, is alles.'

(44) Terwijl Nanda en Krishna's dienaar zich aldus onderhielden liep de nacht op een einde, o Koning, ontstaken de vrouwen uit hun slaap opgestaan lampen in aanbidding voor hun beeltenissen en begonnen ze de boter de karnen. (45) In het licht van de lampen aan de touwen trekkend, met de reeksen armbanden om hun armen, met hun juwelen en met hun gezichten rood van de kunkum opgloeiend bij hun oorhangers en halssnoeren, straalden de vrouwen terwijl hun heupen en borsten heen en weer bewogen. (46) Met de lotusogige vrouwen van Vraja die met het weerklinken van hun luide gezang dat zich vermengde met de geluiden van het karnen voor de boter de lucht bezwangerden, werd al het ongunstige in iedere uithoek verdreven. (47) Toen de opperheerser, de zon, opkwam zagen de inwoners van Gokula de gouden wagen bij Nanda voor de deur staan en vroegen ze zich af: 'Van wie mag die wel zijn?'. (48) Misschien is Akrûra gekomen, die knecht van Kamsa's bedoelingen door wie Krishna met Zijn lotusogen naar de stad Mathurâ werd gebracht. (49) Zou hij dan, met zijn meester tevreden, hier zijn om de begrafenisriten met ons te vieren?' en terwijl de vrouwen zich aldus uitlieten kwam Uddhava eraan, klaar met zijn ochtendverplichtingen.'

 

 

Hoofdstuk 47

De Gopî Onthult haar Emoties: Het Lied van de Bij

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Toen de vrouwen van Vraja hem, de dienaar van Krishna, zagen met zijn lange armen, zo jong als hij was, met zijn lotusogen, met een geel gewaad aan en een lotusslinger om en met zijn stralende lotusgezicht en gepolijste oorhangers, vroegen ze zich nogal verbluft af waar die knappe man vandaan was gekomen en bij wie hij, met Krishna's kleren en opsier, hoorde. Allen zo pratend dromden ze zich benieuwd om hem heen die werd beschut door de lotusvoeten van Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Geschriften]. (3) Met gepast respect nederig voor hem buigend en verlegen glimlachend met hun blikken, lieve woorden en dat alles, deden ze bij hem navraag, nadat ze hem apart hadden genomen en plaats hadden doen nemen op een kussen, want ze hadden begrepen dat hij een boodschapper was van de Meester van de Godin van het Fortuin. (4) 'We weten dat u naar hier bent gekomen als de persoonlijke metgezel van de aanvoerder van de Yadu's die als uw Meester u hierheen gestuurd heeft om met uw bemiddeling Zijn ouders een genoegen te doen. (5) We zouden echt niet weten wat er voor Hem anders voor gedenkwaardigs zou zijn in dit koeiengebied; de banden der genegenheid voor iemands verwanten zijn zelfs voor een wijze moeilijk te verzaken. (6) Het belang gesteld in anderen manifesteert zichzelf als vriendschap voor zolang als het duurt; het is een voorwendsel zo goed als de interesse die bijen tonen voor bloemen of die mannen tonen voor vrouwen. (7) Publieke vrouwen keren zich af van een berooid man, burgers keren zich af van een incompetente koning, afgestudeerden gaan weg bij hun leraar en priesters verlaat men na ze een vergoeding gegeven te hebben. (8) Vogels doen dat met een boom die zijn vruchten kwijt is en gasten met het huis waar ze aten; dieren verlaten het bos dat afbrandde en zo ook doet een minnaar dat als hij eenmaal een bekoorde vrouw heeft genoten.'

(9-10) De gopî's met Uddhava, de boodschapper van Krishna die in hun midden was aangekomen, zetten op die manier, met hun praten, hun lichamen en hun geesten gericht op Krishna, hun wereldse zorgen van zich af, zonder schroom zingend en huilend in de intense herinnering aan wat hun Lieveling allemaal had gedaan in Zijn kinder- en jeugdjaren. (11) Een [aangemerkt als Râdhâ, zie ook *] die een honingbij zag tijdens haar mediteren op de omgang met Krishna, stelde zich die voor als een boodschapper gestuurd door haar Geliefde en zei het volgende. (12) De gopî zei: 'O honingbij, jij vriend van een bedrieger, raak mijn voeten niet aan met je haartjes waaraan de kunkum nog kleeft van Zijn bloemenslinger die kwam van de borsten van onze rivale; van Hem die een boodschapper als jij eropuit stuurt heeft men een lage dunk in de vergadering der Yadu's - laat de Heer van Madhu [in plaats daarvan Zelf] van genade zijn voor de vrouwen! [prajalpa **] (13) Nu Hij ons eenmaal liet drinken van de nectar van Zijn verstandsverbijsterende lippen, heeft Hij ons plotsklaps verlaten alsof we maar wat bloemetjes zijn; ik vraag me af waarom, net als jij [o bij], de godin van het geluk [Padmâ] Zijn lotusvoeten dient - dat is zeker zo omdat, helaas, door de praatjes van Krishna ze van haar verstand werd beroofd [parijalpa ***]. (14) O meneertje zespoot, waarom zing je hier voor ons zo druk over de Meester van de Yadu's, oude vriendinnen van de Vriend van Vijaya [Arjuna], die hun thuis achter zich lieten; je kan maar beter over Zijn wederwaardigheden zingen voor de [huidige] vriendinnetjes van wie Hij [nu] de pijn van hun borsten heeft weggenomen - Zijn liefjes zullen je het soelaas bieden dat je zoekt [vijalpa *4]. (15) Welke vrouwen in de hemel, op aarde of lager zouden niet ter beschikking staan van Hem zo misleidend met Zijn charmante glimlachen en wenkbrauwbogen; wat is, als de echtgenote van de Fortuinlijke van aanbidding is met het stof van de voeten, nu de waarde van ons, wij voor wie zo miserabel Hij er tenminste is met de geluidsklank 'Uttamas'loka' [ujjalpa *5]? (16) Hou je koppetje weg van mijn voet! Ik ken je wel, jij expert die als een boodschapper van Mukunda de diplomatie van de vleierij leerde! Waarom zou ik me met Hem verzoenen die ons zo ondankbaar heeft verlaten, wij die ter wille van Hem in dit leven hun kinderen, echtgenoten, en al het overige hebben opgegeven [sañjalpa *6]? (17) Tegen de regels in schoot Hij [als Râma, zie 9.10 & 11] zo wreed als een jager de koning der apen neer [Vâlî], liet Hij zich inpalmen door een vrouw [Sîtâ], verminkte Hij een door lust geplaagde vrouw [S'ûrpanakhâ, de zuster van Râvana] en bond Hij, na Zijn eerbewijzen te hebben genoten [als Vâmana], Bali vast als was hij een kraai [zie 8.21]; daarom, genoeg over die Zwarte Knaap die van alle vriendschappen zo moeilijk op te geven is met het ons verliezen in de onderwerpen die Hem betreffen [avajalpa *7]. (18) De oren, slechts een enkele keer in een druppel delend van de nectar van het spel en vermaak dat Hij voortdurend aan de dag legde, verwijderen iemand geheel van de dualiteit en richten terstond het persoonlijke plichtsbesef te gronde, om reden waarvan vele mensen alhier, met het afwijzen van hun armzalige huisjes en families, als vogels er het levensonderhoud van het bedelen op nahouden [abhijalpa *8]. (19) Wij, met het voor waar houden van Zijn misleidende woorden, hebben als de dwaze ree-wijfjes van het zwarte hert vertrouwen stellend in de lokroep van de jager, bij herhaling deze scherpe pijn van de lust ervaren teweeggebracht door de aanraking van Zijn vingernagels; o boodschappenjongen, ik smeek je, heb het ergens anders over [âjalpa * 9]! (20) O lief vriendje, ben je er door mijn Geliefde wederom op uitgestuurd? Alsjeblieft kies wat je maar wilt, je verdient alle lof mijn beste - waarom wek je bij ons hier deze strijdigheid van gevoelens op met Hem die zo onmogelijk op te geven is; o aardig beestje, bevindt aan Zijn zijde op Zijn borst zich niet altijd Zijn metgezellin, de godin van het geluk S'rî [pratijalpa * 10]? (21) Het is zeker spijtig dat de zoon van Nanda zich nu in Mathurâ ophoudt; herinnert Hij zich zo nu en dan de zaken van Zijn vaders huishouden, Zijn vrienden en de koeherdersjongens, o grote ziel, of ..., heeft Hij het in gesprekken nog over ons, de dienstmaagden? Wanneer bestaat er een kans dat Hij Zijn naar aguru ruikende hand op onze hoofden zal leggen [sujalpa * 11]?'

(22) S'rî S'uka zei: 'Uddhava, die hoorde hoezeer de koeherdersmeisjes ernaar verlangden Krishna te zien, sprak toen teneinde ze tot vrede te bewegen over de boodschappen van hun Lieveling. (23) S'rî Uddhava zei: 'Jullie die op deze manier jullie geesten hebben gewijd aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva, zijn voorzeker aanbiddenswaardig voor alle mensen omdat jullie aan het levensdoel van jullie goede zielen hebben beantwoord [van het gestalte geven aan de emoties van het omgaan met Hem]. (24) Door schenkingen, geloften [van armoe, celibaat en vasten], offers, het bidsnoer [japa], door studie, en door je naar binnen te keren je concentrerend en mediterend, en door allerlei andere soorten van goedgunstige praktijken [zie ook yama, niyama, vidhi en bhâgavata dharma] wordt werkelijk in verhouding tot Krishna de bhakti, de toegewijde dienst, gerealiseerd. (25) Door jullie goede zelven is in relatie tot de Allerhoogste Heer die in verheven verzen wordt verheerlijkt, is - en mijn complimenten daarvoor - een toewijding zonder weerga neergezet die zelfs voor de wijzen moeilijk te bereiken is. (26) Tot jullie goede geluk kozen jullie ervoor om jullie zonen, echtgenoten, materiële gemakken, verwanten en huizen achter te laten om omgang te hebben met die superieure mannelijke persoonlijkheid genaamd Krishna. (27) Door de terechte claim van jullie welgemeende liefde in gescheidenheid van Adhokshaja, o glorieuze dames, hebben jullie mij [de Heer en iedereen] een grote dienst bewezen. (28) Alstublieft, goede dames, luister naar het bericht voor jullie van je Geliefde, om reden waarvan ik, als een trouwe uitvoerder van mijn Meester Zijn opdrachten, naar hier ben gekomen.

(29) De Opperheer heeft gezegd: 'Jullie vrouwen zijn feitelijk nimmer gescheiden van Mij, die er altijd is als de Ziel van Allen; net zoals al de elementen, de ether, het vuur, de lucht, het water en de aarde deel uitmaken van alle levende wezens, ben Ik net zo, naar de elementen van de geest, de levensadem, de zinnen, en hun natuurlijke geaardheden [guna, rasa en jalpa] er als hun haven. (30) In Mij schep, vernietig en onderhoudt Ik waarlijk middels Mijzelf, met behulp van de macht van Mijn begoochelend vermogen dat bestaat uit de elementen, de zinnen en de geaardheden. (31) De ziel vol van zuivere geestelijke kennis is naar het effect van de geaardheden onberoerd met wat wordt waargenomen middels de functies van de diepe slaap, de droomslaap en het waakbewustzijn. (32) Wat men mediteert met de zintuigen die hun voorwerpen najagen is vals, zoals een droom dat is bij het ontwaken; alert blijvend behoort men datgene onder controle te brengen wat zich [in de geest] via de zinnen verzamelt [vergelijk B.G. 2: 68 en 6: 35-36]. (33) Dit, net als al de rivieren die eindigen in de oceaan, is van de intelligenten de eindconclusie van alle vedische studies, yoga, analyse, verzaking, boete, zinsbeheersing en waarheidlievendheid [vergelijk B.G. 2: 70]. (34) Het feit dan dat Ik, voor jullie ogen zo dierbaar, inderdaad Me zo ver van jullie vandaan bevindt, is naar Mijn wilsbeschikking dat jullie, in jullie grote zorg om Mij, aan Mij zijn gehecht in de geest. (35) Want de geesten van vrouwen blijven verzonken als degene die hen het meest dierbaar is ver weg is en niet zo zeer de geesten van hen die hem rechtstreeks lijfelijk voor zich hebben. (36) Jullie geesten die volledig zijn opgegaan in Mij zullen, met het - omdat jullie Mij voortdurend herinneren - opgegeven hebben van al de rusteloosheid, Mij spoedig verwerven. (37) Zij die hier in Vraja bleven terwijl Ik Me 's nachts vermaakte in het bos [zie 10.29: 9], en zodoene de râsadans niet meebeleefden, genoten het geluk Mij te bereikten door hun gedachten te richten op Mijn heldendaden.'

(38) S'rî S'uka zei: 'De vrouwen van Vraja die kennis hadden genomen van de op deze wijze doorgegeven aanwijzingen van hun Geliefde, richtten zich toen tot Uddhava, blij als ze waren met de berichtgeving die hun geheugen opfriste. (39) De gopî's zeiden: 'Gelukkig is de oorzaak van het lijden, de vijand van de Yadu's Kamsa, tezamen met zijn volgelingen ter dood gebracht. Hoe goed dat Acyuta op het ogenblik gelukkig en wel leeft met degenen Hem welgezind die alles hebben bereikt wat ze verlangden. (40) O zachtgeaarde, misschien schenkt de oudere broer van Gada [Krishna, zie 9.24: 46] de vrouwen van de stad de liefde die ons toebehoort, wij die Hem vol genegenheid en verlegen vereren met uitnodigende glimlachen en blikken. (41) Hoe raakt onze Lieveling, die zo goed thuis is in al de zaken van de liefde, nu niet in de ban van de zinsbegoochelende gebaren en woorden van de vrouwen in de stad, die ook [net als wij] constant van aanbidding zijn? (42) En... herinnert Krishna, o vrome, Zich ons wel; brengt Hij ons, dorpsmeisjes, ooit ter sprake als Hij vrijuit praat in het gezelschap van de vrouwen van de stad? (43) Herinnert Hij zich die nachten waarin Hij zich vermaakte in Vrindâvana de plaats die zo betoverend was door de lotus, de jasmijn en de maan, toen Hij met tinkelende enkelbelletjes samen met ons danste, Zijn geliefde vriendinnen, die altijd vol lof over Hem zijn in de bekoorlijke verhalen over Hem? (44) Zal die nazaat van Das'ârha naar hier komen om, met Zijn aanraking wellicht, ons, die gekweld zijn door het verdriet waar hij Zelf aanleiding toe gaf, weer tot leven te wekken, net zoals Indra dat zou met [het weer opnieuw doordrenken van] een bos met zijn wolken? (45) Maar waarom zou Krishna naar hier komen nu dat Hij, omringd door al Zijn aanhangers, er gelukkig mee is dat Hij een koninkrijk heeft verworven, Zijn vijanden heeft gedood en getrouwd is met de dochters van koningen? (46) Wat zouden wij, vrouwen van het bos - of ook andere vrouwen, nou jegens Hem, de grote Ziel en echtgenoot van de godin van het geluk van Wie alle wensen in vervulling zijn gegaan, ons nog als een te vervullen taak kunnen stellen; Hij is volkomen in Zichzelf! (47) Het hoogste geluk vindt men inderdaad in het niet hopen op enig ander iets, zo stelde dat zelfs Pingalâ [een courtisane, zie 11.8], niettemin is het voor ons, die zo gebrand op Krishna zich daarvan bewust zijn, moeilijk om geen hoop te koesteren. (48) Wie kan het verdragen de intieme gesprekken met Uttamas'loka te moeten vergeten, Hij, van wiens zijde de godin, ookal begeert Hij haar niet, nimmer wijkt? (49) Met Sankarshana als Zijn metgezel leefde Krishna, o prabhu, met de rivieren, de heuvels en de plaatsen in het bos, de koeien en de geluiden van de fluit. (50) Ah!, keer op keer doen die plaatsen met de goddelijke afdrukken van Zijn voeten ons weer denken aan de zoon van Nanda die we echt nooit meer kunnen vergeten. (51) O, hoe kunnen wij, wiens harten werden gestolen door Zijn gang, Zijn speelse blikken, Zijn gulle charmante glimlachen en nectargelijke woorden, nu Hem vergeten? (52) O Meester, Meester van de Godin, Meester van Vraja, o Vernietiger van het Lijden, o Govinda hef Gokula op uit de oceaan van de misère waarin ze is ondergedompeld!'

(53) S'rî S'uka zei: 'Zij, met de koorts van hun gescheidenheid verdreven door Krishna's boodschappen, aanbaden hem toen, omdat ze hem als Adhokshaja Zelve herkenden. (54) Daar nog een paar maanden verblijvend al zingend over de onderwerpen van Krishna's spel en vermaak, bracht hij Gokula grote vreugde met het verdrijven van het verdriet van de gopî's. (55) Al de dagen dat Uddhava zich ophield in Nanda's koeherdersdorp verstreken voor de bewoners van Vraja als in een oogwenk, omdat ze allen vol waren van hun gesprekken over Krishna. (56) Met de aanblik van de rivieren, de bossen, de bergen, de valleien en de bloesemende bomen, schiep de dienaar van de Heer er genoegen in de mensen van Vraja te inspireren over Krishna. (57) Toen hij dit alles en nog meer van de gopî's hun volledige verzonkenheid in Krishna opmerkte alsmede de mate waarin ze van streek waren, was Uddhava buitenmate verheugd en zong hij, ze alle respect betuigend, het volgende: (58) 'Deze vrouwen, die met succes hun lichamen handhaven op deze aardkloot als koeherdersvrouwen die er uitsluitend voor Govinda zijn, de Ziel van Allen, hebben geheel zelfstandig de volmaaktheid bereikt in hun liefdevolle extase - een liefde die wordt begeerd door zowel ons als door de wijzen beducht op een materieel bestaan; wat heeft het voor een nut om gezegend te zijn met de [drie] geboorten van een brahmaan [uit zijn moeder, zijn goeroe en zijn offeranden] als men de smaak te pakken heeft van de verhalen over de Onbegrensde Heer? (59) Waar bevindt men zich vergeleken met deze vrouwen die, onzuiver in hun gedrag jegens Krishna, rondtrekken door de bossen; wat is nu iemands positie vergeleken met dit stadium van volmaakte liefde voor de Opperziel? - zeker vergunt de Heer aan degene die van constante aanbidding is, zelfs al is die niet zo geschoold, rechtstreeks het hoogste goed, het goede dat in zich opgenomen werkt als de allerbeste van alle medicijnen [d.w.z.: ongeacht de persoon]. (60) De zegen van de dames van Vraja die in dezen gezegend waren met de omhelzing van Uttamas'loka in de râsa-dans was er niet voor de vrouwen van de hemel die de geur en de luister van een lotusbloem hebben, en hij was al helemaal niet gegeven aan andere wereldse schoonheden [10.33]. (61) Oh, laat mij verkeren in toewijding tot het stof van de lotusvoeten van de gopî's in Vrindâvana; laat mij een van de struiken, klimplanten of kruiden zijn [daar in verhouding] tot hen die, in aanbidding van de voeten van Mukunda naar wie men op zoek is met behulp van de Veda's, het opgaven met het pad van de burgerlijke correctheid en met de familieleden die zo moeilijk achter te laten zijn. (62) De voeten van de Opperheer van wie de godin, de ongeborene, en de andere goden, zelfs al zijn ze volleerd als meesters in de yoga, alleen maar kunnen dromen, werden door hen werkelijk in de bijeenkomst van de râsa-dans op hun borsten geplaatst, zodat door die omhelzing hun nood werd bedwongen. (63) Bij het stof van de voeten van de koeherdersvrouwen van Vraja, door wiens luide bezingen van de verhalen over Krishna de drie werelden worden gezuiverd, breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen.'

(64) S'rî S'uka zei: 'Toen met het van de gopî's, van Yas'odâ en Nanda alsook van de gopa's verkrijgen van toestemming om te vertrekken, besteeg de nazaat van Das'ârha, klaar om eropuit te rijden, zijn wagen. (65) Hem bij zijn vertrek benaderend spraken Nanda en de anderen, met de verschillende artikelen van aanbidding in hun handen, vol genegenheid met tranen in hun ogen. (66) 'Mogen onze geesten zich immer beroepen op de beschutting van de lotusvoeten van Krishna, mogen onze woorden uitdrukking geven aan Zijn namen en mogen onze lichamen zich vooroverbuigend en zo meer, dat doen te Zijnentwille. (67) Waar we voor ons werk naar de bechikking van de Heer ook worden geleid om rond te trekken, moge er daar, met wat we doen en wegschenken in liefdadigheid, het goedgunstige zijn in onze gehechtheid aan Krishna onze Heer.'

(68) Nadat de gopa's hem aldus hadden geëerd met Krishna-bhakti, o eerste onder de mensen, keerde Uddhava terug naar de stad Mathurâ die zich nu onder Krishna's hoede bevond. (69) Nadat hij Krishna ten voeten was gevallen om Hem de eer te bewijzen, vertelde hij Hem over de intense toewijding van de ingezetenen van Vraja en overhandigde hij aan Vasudeva, Balarâma en de koning [Ugrasena] de geschenken die waren meegegeven.'   

Voetnoten:

* Om de claim kracht bij te zetten dat het hier om Râdhâ handelt, citeert S'rîla Jîva Gosvâmî de volgende verzen uit de Agni Purâna:  "Bij het ochtendgloren deden de gopî's navraag bij de dienaar van Krishna, Uddhava, over de Heer Zijn tijdverdrijf en wederwaardigheden. Alleen S'rîmatî Râdhârânî, verzonken in gedachten over Krishna, zag af van haar belang in de gesprekken. Toen sprak Râdhâ, die wordt aanbeden door de bewoners van Haar Vrindâvana dorp, zich uit temidden van Haar vriendinnen. Haar woorden waren vol van zuivere transcendentale kennis en gaven uitdrukking aan het allerbeste gedeelte van de Veda's."

** S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan dat deze en de volgende negen verzen een voorbeeld vormen van de tien soorten van impulsieve spraak [citra-jalpa of vreemde praatjes] geuit door een geliefde als uitdrukkingen van hemelse gekte of goddelijke waanzin [divyonmâda]. S'rîla Rûpa Gosvâmî in de Ujjvala-nîlamani (14.182) zegt over deze uitdrukking: "Prajalpa is de spraak die de tactloosheid van iemands geliefde aan de kaak stelt met uitdrukkingen van disrespect. Het wordt uitgesproken in een jaloerse en trotse gesteldheid."

*** Ujjvala-nîlamani (14.184): 'Parijalpa is die spraak welke, met verschillende middelen, bewijs levert van de eigen slimheid door te wijzen op de genadeloosheid, dubbelhartigheid, onbetrouwbaarheid enzovoorts van iemands Heer van aanbidding.'

*4 Ujjvala-nîlamani (14.186): "Volgens de geschoolde autoriteiten, is vijalpa sarcastische spraak die gericht is op de doder van Agha en die openlijk uitdrukking geeft aan de jaloezie terwijl tegelijkertijd de aandacht wordt gevestigd op de eigen kwaaie trots."

*5 Ujjvala-nîlamani (14.188): "De verklaring van Heer Hari's dubbelhartige natuur in een verwijtende toon geboren uit trots, tezamen met jaloers uitgesproken beledigingen tegen Hem gericht, is door de wijzen met ujjalpa aangeduid."

*6 Ujjvala-nîlamani (14.190): "De geschoolden beschrijven sañjalpa als die spraak welke zich met diepe ironie en beledigende gebaren beklaagt over de ondankbaarheid enzovoorts van de geliefde."

*7 Ujjvala-nîlamani (14.192): "Geheiligde personen hebben geconcludeerd dat als een minnares, gedreven door jaloezie en vrees, verklaart dat Heer Hari haar gehechtheid niet waard is vanwege zijn wreedheid, lustmatigheid en oneerlijkheid, dat dergelijke spraak dan avajalpa heet."

*8 Ujjvala-nîlamani (14.194): "Als een minnares indirect met grote spijt stelt dat haar geliefde in aanmerking komt de bons te krijgen, dat dergelijke spraak, geuit als het klagelijke schreeuwen van een vogel, abhijalpa wordt genoemd."

*9 Ujjvala-nîlamani (14.196): "Een uitlating vol van weerzin, die beschrijft hoezeer de minnaar vol van bedrog is en iemand ellende brengt, en eveneens in zich sluit dat Hij anderen geluk brengt, staat bekend als âjalpa."

*10 Ujjvala-nîlamani (14.198): "Als de minnares nederig stelt dat hoewel ze het niet waard is haar geliefde te bereiken ze de hoop op een liefdesrelatie met Hem niet op kan geven, worden dergelijke woorden, uitgesproken met respect voor de boodschap van haar geliefde, pratijalpa genoemd."

S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî verklaart dat de godin van het geluk, S'rî, de macht heeft om vele verschillende gedaanten aan te nemen. Dus als Krishna andere vrouwen geniet, blijft ze op Zijn borst aanwezig in de vorm van een gouden lijn. Als Hij zich niet ophoud met andere vrouwen, legt ze deze gedaante af en schenkt ze hem plezier in haar natuurlijke mooie gedaante van een jonge vrouw.

*11 Ujjvala-nîlamani (14.200): "Als, eerlijk en oprecht, een minnares S'rî Hari op een ernstige wijze, nederig, wijfelachtig en gretig betwijfelt, staat een dergelijke spraak bekend als sujalpa." 

 

 

 Hoofdstuk 48

Krishna Behaagt Zijn Toegewijden

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Ziel van Allen en Ziener van Alles, met begrip [voor wat Uddhava had gerapporteerd] het wensend te behagen [zoals Hij had beloofd 10.42: 12], begaf Zich naar het huis van het dienstbare meisje [Trivakrâ] dat zo geplaagd werd door de lust [zie 10.42: 10]. (2) Het was rijkelijk voorzien van dure spullen, stond vol met zinnelijke artikelen en werd verfraaid door strengen parels en baldakijnen, bedden en zetels alsook door wierook, olielampen, bloemenslingers en sandelhout. (3) Zij, toen ze Hem bij haar thuis zag arriveren, kwam inderdaad onmiddellijk overeind om zich met haar vrouwlijke metgezellen te haasten Acyuta naar behoren te onvangen, die respectvol werd welkom geheten met een prima zitplaats enzovoorts. (4) Uddhava eveneens geëerd, heilig als hij was, beroerde de zetel [hem geboden] en ging op de vloer zitten, en Krishna, trouw aan zoals dat zo gaat in de menselijke samenleving, vleide Zichzelf zonder aarzelen neer op een luxueus bed [in de kamers erachter]. (5) Zij door te baden, zich in te smeren, zich aan te kleden met sieraden, bloemenslingers en parfum, betelnoot en het drinken van geurige substanties en dergelijke, maakte haar lichaam er voor klaar en benaderde toen verlegen met speelse glimlachen en verleidelijke blikken Mâdhava. (6) De lieftallige vrouw bij Zich roepend, die bang voor het nieuwe contact [als een maagd] verlegen was, greep Hij haar twee handen opgesierd met armbanden vast en plaatste Hij de schone op het bed om te genieten met haar wiens enige bewijs van vroomheid bestond uit het hebben aangeboden van zalf. (7) Het ruiken van de voeten van de Onbegrensde Heer en het Hem, haar Minnaar, de Verpersoonlijking van Alle Extase, tussen haar borsten in haar armen sluiten, vaagde de pijn weg die vanwege Cupido brandde in haar borsten, binnenste en ogen, zodat ze het verdriet dat zo lang had aangehouden kon laten varen. (8) Zij met het aan Hem, de Meester der Verlichting, geboden hebben van smeersels voor het lichaam, had de Beheerser voor zich gewonnen die zo moeilijk te winnen is, en smeekte, o hoe onfortuinlijk [vergelijk 4.9: 31], om het volgende: (9) 'AlstJeblieft blijf hier een paar dagen samen met mij o Geliefde, geniet ervan, ik kan het niet verdragen het zonder Je gezelschap te moeten stellen, o Lotusbloemen-ogen.'

(10) Hij van Respect voor Anderen, met respect voor haar, gaf gehoor aan die wens van haar materieel verlangen [door te beloven daar later op terug te komen] waarna de Heer van Iedereen, samen met Uddhava, terugging naar Zijn zo hoogst weelderige woning. (11) Hij die in de volle aanbidding van Vishnu, de Beheerser van alle Beheersers, die zo moeilijk in gedachten te houden is, als zegening kiest voor iets dat makkelijk is voor de geest, is met het daarmee behalen van een onbeduidend resultaat een persoon die maar traag van begrip is [zie ook 7.15: 36].

(12) Krishna, de Meester, die wilde dat er wat zaken werden geregeld ging toen met Uddhava en Râma naar het huis van Akrûra, met ook de bedoeling Akrûra een plezier te doen. (13-14) Toen hij Hen, de grootsten der luisterrijke persoonlijkheden, zag aankomen, stond hij verheugd op met zijn verwanten om Hen ter verwelkoming te omhelzen. Neergebogen voor Krishna en Râma werd hij door Hen begroet en was hij van eerbetoon zoals dat was voorgeschreven nadat ze Hun zitplaatsen hadden ingenomen. (15-16) Het water dat hij had gebruikt om Hun voeten te wassen sprenkelde hij over heel zijn hoofd, o Koning, waarna hij Hen geschenken aanbood, de fijnste kleding, sandelhout, bloemenslingers en de fraaiste sierselen. Met zijn hoofd naar beneden gebogen in zijn eerbetoon plaatste hij Zijn voeten op zijn schoot voor een massage, en richtte hij zich neerwaarts kijkend in alle bescheidenheid als volgt tot Krishna en Râma: (17) 'Tot ons grote geluk hebben Jullie tweeën de zondige Kamsa en ook zijn broers en volgelingen gedood en is deze dynastie door U bevrijd van eindeloze moeilijkheden en hebben Jullie voorspoed gebracht. (18) Jullie twee zijn de essentiële personen die de oorzaak en de inhoud van het Universum vormen en los van wie niet één enkele oorzaak of gevolg kan worden gevonden. (19) Dit universum door U geschapen, ging U vervolgens binnen middels Uw eigen energieën zodat U kan worden waargenomen in vele gedaanten kenbaar door het luisteren naar de geschriften en door directe ervaring. (20) De manier waarop inderdaad de aarde- en andere elementen zich verschillend manifesteren in levensvormen die rondbewegen en zich niet rondbewegen, doet U, het Ene Op Zichzelf Berustende Zelf, de Superziel, op dezelfde manier Zich in verscheidene levensvormen voor als een veelvoud onder hen. (21) U schept en vernietigt weer; U behoedt het universum maar bent door Uw kwaliteiten, de persoonlijke energieën, de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid, of door hun materiële activiteiten, niet aan deze wereld gebonden; want als U de kennis Zelve bent, wat zou voor U dan een oorzaak van gebondenheid zijn? (22) Omdat U niet bepaald bent door de overdekkingen van het lichaam enzovoorts bestaat er geen letterlijke geboorte of dualiteit voor Uzelf en daarom bestaat er voor U geen gebondenheid, noch in feite enige bevrijding [vergelijk 10.14: 26]; en als die zich tonen is dat naar Uw liefdevolle wilsbeschikking zo [zie b.v. 10.11: 7] of anders door onze noties van wanbegrip voor U [zoals in 10.23: 10-11]. (23) Voor het heil van dit universum hebt U het oude pad van de Veda uitgedragen en neemt U gedaanten in de geaardheid goedheid aan op het moment dat het pad wordt geblokkeerd door de slechten die vasthouden aan de goddeloosheid. (24) U als diezelfde persoon o Meester, bent nu nedergedaald in het huis van Vasudeva met Uw eigen volkomen deelaspect [Balarâma] om van deze aarde de last weg te nemen van de honderden legers door middel van het doden van hun koningen [zie ook 1.11: 34], die expansies zijn van de tegenstanders der godvrezenden [zie b.v. 7.1: 40-46], en om de roem te verspreiden van de [Yadu-]dynastie. (25) Vandaag, o Heer, is onze woning waarlijk bijzonder gezegend met U, Adhokshaja, nu U daar bent binnengetreden; U, de Geestelijk Leraar van het Universum, de God van al de voorvaderen en levende wezens, de mensen en de goden; U als de belichaming van Hem van wiens voeten het water [van de Ganges, zie 5.17] spoelde dat de drie werelden zuivert. (26) Welke andere geleerde dan U is er voor ons; tot wie anders moeten wij ons voor onze toevlucht wenden dan tot U, de weldoener die in Uw woorden van liefde voor Uw toegewijden altijd waarachtig bent; want U, dankbaar jegens de toegewijden die positief met U van aanbidding zijn, geeft U alles wat wordt verlangd, zelfs Uzelf - U voor wie er nimmer sprake is van toename of vermindering [zie ook B.G. 2: 40]. (27) Tot ons geluk hebben we hier bij ons U voor ogen die zelfs voor de meesters van de yoga en de beheersers van de goddelijken een doel bent dat moeilijk te bereiken is; alstUblieft doorbreek snel de banden van ons misverstaan teweeggebracht door Uw materiële energie: onze kinderen, echtgenote, weelde, eerbare vrienden, ons thuis, ons lichaam enzovoorts.'

(28) Aldus uitvoerig aanbeden door zijn toegewijde glimlachte Krishna, de Opperheer, tot Akrûra en sprak Hij tot hem in woorden waarvan hij diep onder de indruk raakte. (29) De Allerhoogste Heer zei: 'U, onze oom van vaders zijde en lovenswaardige vriend, bent onze geestelijk leraar en altijd zijn Wij het als degenen van U afhankelijk die moeten worden beschermd, onderhouden en begenadigd. (30) Mensen gelijk uw goede zelf zijn onder de aanbiddelijken de meest excellente en het waard te worden gediend door de mensen die het meest heilige, het hoogste goed verlangen, daar, terwijl de halfgoden altijd uit zijn op hun eigen belangen, de geheiligde toegewijden dat niet zijn. (31) Niet om iets af te doen aan de heilige plaatsen bestaande uit water en ook niet aan de beeltenissen gemaakt van klei en steen - ze zuiveren op de lange duur, maar de heiligen doen dat als men ze slechts één enkele keer tegemoet treedt. (32) Van alle weldoeners bent u ongetwijfeld de allerbeste; Ik zou graag willen dat u voor Ons naar de stad die is vernoemd naar de olifant gaat [Hastinâpura] om erachter te komen wat in het belang van hun welzijn voor de Pândava's zou moeten worden gedaan. (33) Toen hun vader stierf werden ze als jonge jongens, tezamen met hun moeder er ellendig aan toe zijnd, door de koning [Dhritarâshthra] naar zijn hoofdstad overgebracht, alwaar ze zich aldus ophouden, naar Ik vernam. (34) De zoons van zijn broer [Pându] was de koning, de zoon van Ambikâ [zie 9.22: 25], miserabel van geest, werkelijk niet gelijkelijk gezind, blind als hij was onder de controle staand van zijn doortrapte zoons [een honderdtal aangevoerd door Duryodhana, 9.22: 26]. (35) Ga en zoek uit of hij in zijn optreden op het ogenblik goed of kwaadaardig bezig is zodat We met die kennis kunnen voorzien in dat wat onze beste vrienden ten voordeel strekt.'

(36) Na Akrûra volledig te hebben geïnstrueerd met deze woorden, begaf de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid der Beheersing, Zich met Uddhava en Sankarshana toen naar Zijn eigen verblijf.'  

 

Hoofdstuk 49  

Akrûra's Missie in Hastinâpura

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Toen hij [Akrûra] naar Hastinâpura ging, de stad die zich kenmerkte door de glorie van de koningen van de Pûru-dynastie [zie stamboom], trof hij daar de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra, zie 9.22: 25] tezamen met Bhîshma, Vidura en Prithâ [Kuntî] aan, alsook Bâhlika en zijn zoon [Somadatta], Dronâcârya en Kripâcârya, Karna, Duryodhana, de zoon van Drona [As'vatthâmâ], de Pândava's en andere vrienden. (3) Nadat de zoon van Gândinî [Akrûra, zie 9.24: 15] naar behoren zijn verwanten en vrienden had begroet deden zij bij hem navraag wat voor nieuws er was over hun naasten en informeerde hij op zijn beurt hoe het hun verging. (4) Hij bleef daar een paar maanden om er achter te komen wat de koning, die niet zo sterk in zijn schoenen stond met zijn slechtgeaarde zoons, allemaal deed met het beantwoorden aan de verlangens van de kwaadwilligen [als Karna]. (5-6) Zowel Vidura als Kuntî vertelden hem alles van het onwelvoeglijke, zoals het toedienen van gif, waaraan de zoons van Dhritarâshthra zich schuldig hadden gemaakt in hun intolerante houding wat betreft de invloed, de vaardigheid, de kracht, heldenmoed enzovoorts van de zoons van Prithâ, voor wiens hoogstaande kwaliteiten de burgerij een grote voorliefde had. (7) Prithâ, nu ze haar [Vrishni-]broeder Akrûra voor zich zag, richte zich tot hem en zei, terwijl ze zich, met tranen in haar ogen, haar geboorteplaats [Mathurâ] herinnerde: (8) 'O zachtmoedige, denken onze ouders en broers, mijn zussen, neven en de vrouwen van de familie alsook mijn [oude jeugd-]vriendinnen nog steeds aan ons? (9) Denkt de zoon van mijn broer, Krishna, de Almachtige Heer, de zorgzame toevlucht van de toegewijden en Râma met Zijn lotusblaadjesogen, nog aan de zoons van de zus van Zijn vader? (10) En... zal Hij me met Zijn woorden komen troosten, ik die met jonge jongens verstoken van hun vader temidden van vijanden te klagen heeft als een hert tussen de wolven? (11) Krishna, o Krishna, o Grootste van de Yoga, o Ziel en Beschermer van het Universum, alsJeblieft waak over deze overgegeven ziel die tezamen met haar kinderen verdrinkt in verdriet, o Govinda! [zie ook 1.8: 17-43] (12) Voor de mensheid die bang is voor de dood en voor wedergeboorte zie ik geen andere toevlucht dan de lotusvoeten van Jou, de Heer en Meester die de bevrijding schenkt. (13) Mijn eerbetuigingen voor Krishna, de zuivere Absolute Waarheid en Superziel, de Beheerser van de Yoga en Vereniger van het Bewustzijn; Jou die ik benader voor mijn toevlucht.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Uw eigen overgrootmoeder o Koning, zich op deze manier haar verwanten en Krishna, de Beheerser van het Universum herinnerend, begon toen hardop in haar ongeluk te huilen. (15) Akrûra, gelijkgestemd in leed en vreugd, en de luisterrijke Vidura troostten Kuntî met de uitleg dat haar zoons uit goden waren voortgekomen [zie stamboom]. (16) Toen het tijd was om weer te vertrekken maakte hij zijn opwachting bij de koning die zich temidden van zijn aanhangers bevond en zo zwaar bevooroordeeld was ten gunste van zijn zoons, met de bedoeling hem te spreken over wat in vriendschap was medegedeeld door zijn, hem het beste toewensende, verwanten [Krishna en Râma]. (17) Akrûra zei: 'O beste, geliefde zoon van Vicitravîrya [9.22: 21-25], jij hebt tot de meerdere eer en glorie van de Kuru's, met je broer Pându die overleed, nu de troon bestegen. (18) Volgens het dharma de aarde en de burgers beschermend zal je, de mensen vreugde verschaffend met een goed karakter, de volmaaktheid en de roem bereiken als je je verwanten gelijkelijk gezind blijft! (19) Maar als je daarmee in tegenspraak handelt echter, zal je, vervloekt in deze wereld, in de duisternis belanden; blijf daarom de Pândava's en zij die uit jou geboren zijn gelijkelijk gezind. (20) Voor onverschillig wie is er in deze wereld geen omgang met wie dan ook die stand zal houden, o Koning, zelfs niet de omgang met het eigen lichaam; dus wat dan te zeggen van een vrouw, kinderen enzovoorts? (21) Men komt alleen op de wereld, alleen komt men aan zijn einde, en alleen geniet men van zijn verdienste zoals men zeker ook alleen de gevolgen van zijn kwaad onder ogen moet zien. (22) Als een onintelligent persoon met behoefte aan ondersteuning wordt men door anderen die zich vermomd hebben [als verwanten] van de weelde beroofd die tegen het dharma in werd verworven, precies zoals een waterwezen in het water [het territorium kwijtraakt aan zijn eigen kroost]. (23) Zich te buiten gaand tegen het dharma in, onopgevoed denkend dat de dingen waar hij van leeft zijn eigendom zijn, raakt hij in zijn opzet door hen gefrustreerd met het verlies van zijn levensadem, weelde, kinderen en anderen [zie 4.31 6.15: 21-23 en 7.15]. (24) Door hen in de steek gelaten de last op zich nemend, niet naar behoren bekend met het doel van het leven, beland hij met zijn doelstellingen onbevredigd blind voor zijn eigen religieuze plichten in de diepste duisternis [zie ook 3.30; 5: 26; 6.1: 40]. (25) Breng daarom, met het idee van deze wereld, o Koning, als zijnde een droom, als iets magisch, als iets van het denken, de geest met intelligentie onder controle en wordt gelijkmoedig en vredig, prabhu.'

(26) Dhritarâshthra zei: 'Van de woorden zo goedgunstig zoals je ze hier uitspreekt, o meester der liefdadigheid, kan ik, als een sterveling, nimmer genoeg krijgen; ze zijn als de nectar der onsterfelijkheid! (27) Hoe aangenaam ze ook zijn echter, o zachtgeaarde, ze zijn, als gebliksem in de wolken, niet verankerd in mijn hart dat onstandvastig is, met mijn bevooroordeeld zijn in de genegenheid voor mijn zoons. (28) Op welke manier zou ooit een persoon kunnen ontsnappen aan dat wat beschikt is door de Heer die, om de last van de aarde weg te nemen, is nedergedaald in de Yadu-familie? [zie B.G. 9: 8] (29) Hij wiens pad onvoorstelbaar is, schept dit universum middels Zijn eigen creatieve vermogen, verdeelt de geaardheden en gaat er in binnen; voor Hem wiens wegen ondoorgrondelijk zijn, de Allerhoogste Beheerser door wie we de bevrijding vinden uit de kringloop van geboorte en dood, mijn eerbetuigingen.'

(30) S'rî S'uka zei: 'Zichzelf aldus overtuigend van de mentaliteit van de koning, nam Akrûra afscheid van zijn weldoeners en ging hij terug naar de stad van de Yadu's. (31) Overeenkomstig de bedoeling waarvoor hij gestuurd was, deed hij verslag aan Râma en Krishna over de positie die Dhritarâshthra had ingenomen in relatie tot de Pândava's, o nazaat van Kuru. 

 

Hoofdstuk 50

Krishna Gebruikt Jarâsandha en Vestigt de Stad Dvârakâ

(1) S'rî S'uka zei: 'Asti en Prâpti, de twee koninginnen van Kamsa, o held van de Bharata's, ongelukkig dat hun echtgenoot gedood was, gingen vol verdriet naar het huis van hun vader. (2) Hun vader, de koning van Magadha genaamd Jarâsandha [zie 1.15: 9, 9.22: 8, 10.2: 1-2, 10.36: 36], vertelden ze alles over de oorzaak van hun weduwschap. (3) Toen hij dat slechte nieuws hoorde, zette hij vol van leed en wrok o Koning, zich tot het extreme plan de Yâdava's van de aarde weg te vagen. (4) Met drieëntwintig akshauhinî's groepeerde hij zich rondom Mathurâ om de residentie van de Yadu's van alle kanten te belegeren. (5-6) Toen Krishna, de Allerhoogste Heer Hari, zag hoe door zijn troepenmacht, als een oceaan die buiten zijn oevers was getreden, Zijn stad werd belegerd en Zijn burgers door de angst bevangen waren, overdacht Hij als de Uiteindelijke Oorzaak in een Menselijke Gedaante wat voor de bedoeling van Zijn nederdaling in deze wereld gepast zou zijn gezien de tijd en plaats: (7-8) 'Ik zal zeker zijn leger vernietigen, deze last van de aarde op de been gebracht door de koning van Magadha waarin hij allen verzameld heeft die ondergeschikt de leiding op zich namen en nu kunnen worden geteld in akshauhinî's van infanterie, cavalerie, strijdwagens en vechtolifanten; Jarâsandha echter, moet Ik sparen zodat hij het opnieuw zal proberen om een leger bijeen te brengen. (9) Dit is de bedoeling van Mijn nederdalen: dat de last van deze aarde wordt weggenomen, dat de geheiligden ten volle beschermd zijn en dat zij die tegenstreven de dood vinden. (10) Ook andere lichamen worden door Mij aangenomen voor het verdedigen van het dharma, zo gauw na een zekere tijd het onrecht overheerst [zie ook 2.7, en B.G. 4: 7].'

(11) Terwijl Hij op deze manier mediteerde verschenen er op datzelfde moment uit de hemel [uit Vaikunthha] twee strijdwagens met een gloed als die van de zon compleet met wagenmenners en een uitrusting. (12) En zo deden dat ook op eigen gelegenheid de Heer Zijn klassieke en goddelijke wapens, en hen ziende zei de Heer der Zinnen tot Sankarshana: (13-14) 'AlsJeblieft sla acht, o Gerespecteerde, op deze acute dreiging voor de Yadu's die door Jou beschermd worden Prabhu, en op deze strijdwagen die is gearriveerd met Je favoriete wapens. Het is inderdaad voor deze bedoeling dat Wij geboren werden: om te handelen o Heer, ten gunste van de geheiligden; wees dus zo goed de last van deze drieëntwintig legers van de aarde weg te nemen.'

(15) Hem er aldus toe uitnodigend reden de twee nazaten van Das'ârha, in wapenrusting schitterend met Hun wapens, de stad uit in Hun strijdwagens vergezeld door een heel minieme troepenmacht. (16) Toen de Allerhoogste Persoonlijkheid met Dâruka aan de teugels tevoorschijn kwam, blies Hij op Zijn schelphoorn welke de harten van de vijandige soldaten deed beven van schrik. (17) Jarâsandha wierp een blik op Hen beiden en zei: 'Krishna jij slechtste van alle personen, ik verlang het niet om me te meten met Jou, een jongen slechts, die zich uit schaamte verbergt! Met een dwaas als Jij zal ik de strijd niet aangaan, ga nou gauw Jij moordenaar van Je verwanten ! (18) En als Jij, Râma, het lef hebt te vechten, raap dan Je moed maar bijeen; ofwel leg Je doorkliefd door mijn pijlen het loodje en ga Je naar de hemel of Je brengt mij ter dood!'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Waarlijk, helden hoeven niet zo op te snijden, ze geven simpel blijk van hun kunnen; hoe kunnen We de woorden nu serieus nemen o Koning, van een man die met de dood voor ogen aan het ijlen is?'

(20) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Jarâ, marcheerde met zijn gigantische overmacht aan troepen toen voorwaarts op de twee afstammelingen van Madhu af, die toen werden omringd door de soldaten, strijdwagens, vlaggen, paarden en wagenmenners zoals de wind de zon verhuld met wolken of een vuur met stof. (21) Toen Hari's en Râma's twee strijdwagenvaandels gemerkt met de palmboom en Garuda niet meer te zien waren in het strijdgewoel, vielen de vrouwen van de stad die zich hadden opgesteld op de wachttorens, de paleizen en de doorgangen, in zwijm getroffen als ze waren door verdriet. (22) De Heer, Hij die wordt aanbeden door verlicht en onverlicht, ziende hoe Zijn leger werd belaagd door de woeste wolken pijlen die de vijandige strijdkrachten niet aflatend op Hen deden neerregenen, liet daarop S'ârnga, Zijn hoogst uitnemende boog zingen. (23) Vanuit Zijn pijlenkoker toen een stortvloed aan scherpe pijlen aanleggend, aanspannend en afvurend, trof Hij zonder ophouden, als een brandende toorts rondgedraaid, de strijdwagens, olifanten, paarden en soldaten te voet. (24) Olifanten vielen met koppen opengespleten, en vele paarden van de cavalerie en de strijdwagens hadden tegelijk hun halzen en vlaggen doorkliefd door de pijlen en van de strijdwagenmenners, hun meesters en het voetvolk werden armen, benen en schouders eraf geschoten. (25-28) Van de ledematen van de tweebenigen, de olifanten en de paarden die eraf lagen, stroomde het bloed in honderden rivieren die vol lagen met armen die eruit zagen als slangen, mensenhoofden die waren als schildpadden, dode olifanten als eilanden en dode paarden die waren als krokodillen. Vol van handen en bovenbenen als vissen, mensenhaar gelijk waterplanten, bogen gelijk golven en wapens gelijk apart staande struiken leken de wagenwielen op beangstigende draaikolken en de kostbare edelstenen en fraaie juwelen op de stenen en het grind. De schuchteren schrik aanjagend en de intelligenten inspirerend met vreugde, maaide Sankarshana, met Zijn onbegrensde vermogen, met Zijn ploeg de een na de ander Zijn furieuze vijanden neer. Die troepen voor de vernietiging geleid door de koning van Magadha, mijn beste, die zo onafzienbaar, beangstigend en onoverkomelijk grenzeloos als de oceaan waren, vormden voor de Heren van het Universum, de twee zoons van Vasudeva, niet meer dan een spelletje. (29) Het wekt geen verwondering als Hij, van Oneindige Kwaliteiten, die de handhaving, schepping en vernietiging van de drie werelden bewerkstelligt, een tegenstrevende partij onderwerpt, maar niettemin [in reactie op filosofen die Zijn afzijdigheid verkondigen] wordt het omschreven als een spel van Hem in navolging van de menselijke manier van doen. (30) De zo heel sterke Jarâsandha, wiens leger was vernietigd en die verstoken van zijn strijdwagen alleen nog maar zijn adem restte, werd door Râma zo krachtdadig beetgegrepen als een leeuw die een andere leeuw te pakken neemt. (31) Maar, terwijl Hij hem die zo vele tegenstanders had gedood aan het knevelen was, met de touwen van Varuna [vergelijk 5.24: 23] en die van normale mensen, werd Hij tegengehouden door Govinda daar Hij hem nodig had om een ander doel te dienen.

(32-33) Hij, geëerd door helden, schaamde zich ervoor vrijgelaten te zijn door de twee Heren van het Universum en dacht eraan zich te onderwerpen aan boetedoeningen, maar werd in zijn besluit op weg naar huis halverwege tegengehouden door de rest van de edellieden die hem in klare termen, betekenisvolle woorden alsook met praktische argumenten uitlegden: 'Dit verslagen zijn door de Yadu's heeft zich voorgedaan als gevolg van je eigen karmische gebondenheid'. (34) De zoon van Brihadratha met al zijn soldaten gedood en achtergelaten door de Opperheer, kwam toen zwaar terneergeslagen terug in Magadha.

(35-36) Mukunda die met Zijn troepen ongebroken de oceaan van de legers van Zijn vijand had overgestoken, werd door de dienaren der drie werelden vol lof bestrooid met bloemen. Tegemoetgekomen door de mensen van Mathurâ, die met hun koorts bezworen in grote vreugde verzet waren, werd Zijn glorie bezongen door hofzangers, boodschappers en lofredenaars. (37-38) Toen Hij de stad binnenkwam met zijn besprenkelde straten en vele vaandels, weerklonken schelphoorns, pauken, trommels en hoorns allen tezamen met vînâ's, fluiten en mridanga's [tweezijdige trommels voor de toewijding] en reciteerden de uitgelaten burgers luidkeels vedische verzen bij de feestelijk versierde doorgangen. (39) Met wijdopen ogen starend vol van liefde en genegenheid overlaadden de vrouwen Hem met bloemenslingers, yoghurt, geroosterde rijst en spruiten. (40) De talloze kostbaarheden van de helden die in de slag gevallen waren werden door de Heer allen tezamen gepresenteerd aan de koning van de Yadu's [Ugrasena]. (41) En zo deed zich het zeventien keer voor dat de koning van Magadha met zijn akshauhinî's de Yadu's bevocht die werden beschermd door Krishna's militaire kracht. (42) De Vrishni's vernietigden met de macht van Krishna de macht van de koning in zijn geheel: iedere keer dat zijn soldaten gedood waren werd hij achtergelaten en ging hij weer weg. (43) Juist toen de achttiende veldslag op handen was verscheen er een strijder uit het buitenland [Kâlayavana] die was gestuurd door Nârada. (44) Over de Vrishni's vernomen hebbend arriveerde hij daar met drie croren [dertig miljoen] barbaren [mleccha's] en belegerde hij Mathurâ, daar hij onder de mensen niemand had gevonden die zich met hem kon meten. (45) Toen Hij hem zag dacht Krishna met Sankarshana Zijn helper: 'Ah, van twee kanten; nu staan de Yadu's voor een groot probleem! (46) Deze Yavana vandaag tegenover Ons opgesteld is van dezelfde grote kracht als Jarâsandha, die hier ook vandaag, morgen of overmorgen zal aankomen. (47) Terwijl Wij tweeën met hem in gevecht zijn zal de zoon van Jarâ, als hij komt, onze verwanten doden of ze anders met zich meevoeren naar zijn eigen vesting. (48) Laten we daarom vandaag de barbaren doden en ons een stad bouwen waar onze getrouwen zich kunnen vestigen, een fort ondoordringbaar voor de tweebenigen.'

(49) De Opperheer met aldus de zaak voor ogen voorzag in een vesting van twaalf yojana's [in omtrek] gelegen in zee alwaar Hij een stad had [genaamd Dvârakâ of 'veel-poortig', zie ook 1: 11] die van allerlei wonderbaarlijks was voorzien. (50-53) Daarin kon de wetenschap van de architectuur van Tvashthâ [Vis'vakarmâ] worden bewonderd die met zijn kennis van zaken de hoofdwegen aanlegde, de hoven en de bedieningswegen bij de vele grondstukken. Hij herbergde vele prachtige tuinen en parken met daarin de bomen en struiken van de goddelijken en doorgangen van kwarts met een bovenbouw die met torentjes van goud de hemel raakte. De dienstgebouwen met zilver en brons waren opgesierd met gouden vaten, hadden daken met edelstenen en de huizen hadden vloeren ingelegd met kostbare smaragden. De huishoudens bevolkt door de vier varna's van de mensen hadden tempels voor de huisvesting van hun heersende goden en waren uitgerust met uitkijktorens; en nog het mooist daarbij waren de paleizen van de Yadu-godheid. (54) Heer Indra leverde de Heer de pârijâta [koraal-]boom en de Sudharmâ-hal ['de goede wet'] waarin een sterveling die zich er ophoudt niet onderhevig is aan de wetten der sterfelijkheid. (55) Varuna leverde paarden zo snel als de wind die wit waren en exclusief donkergrijs gekleurd; de schatbewaarder der goddelijken leverde de acht mystieke schatten [zie nidhi] en ieder van de lokale heersers droeg met zijn eigen weelde bij. (56) Welke macht van beheersing ook die de Allerhoogste Heer had geschonken als hun eigen volmaaktheden werd allemaal weer terug aangeboden aan Krishna, nu dat Hij op aarde was gekomen. (57) Krishna nadat Hij, middels de macht van Zijn yoga, al Zijn onderdanen naar daar had overgebracht [*], ging toen op aanraden van Balarâma, de beschermer van de burgers, ongewapend de stadspoort uit, met een slinger van lotusbloemen om.'

 Voetnoot:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt hierbij de volgende verzen aan uit de S'rî Padma Purâna, Uttara-khanda: "In het holst van de nacht, toen de burgers van Mathurâ sliepen, haalde Heer Janârdana ze plotseling weg uit die stad en plaatste hij ze in Dvârakâ. Toen de mannen wakker werden, stonden ze allen versteld dat ze zich met hun kinderen en vrouwen bevonden in paleizen gemaakt van goud. "

 

 

Hoofdstuk 51

De Verlossing van Mucukunda

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij [Kâlayavana] Hem naar buiten zag komen [zie 50: 57] als de rijzende maan, zeer mooi om te zien, met een donkere huidskleur, een geel zijden gewaad, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel dat Zijn hals sierde, Zijn machtige, vier lange armen en ogen zo roze als pas gegroeide lotussen; Zijn altijd stralende, schone, vreugdevolle glimlach bij Zijn fraaie kaaklijn, Zijn lotusgelijke gezicht en de aanblik van Zijn haaienvormige oorhangers, dacht hij: 'Deze persoon moet werkelijk Vâsudeva met de S'rîvatsa, de vier armen, de lotusogen, het dragen van woudbloemen en met de grote schoonheid zijn. Gezien de kentekenen waar Nârada het over had kan Hij, die zich daar te voet zonder wapens begeeft, niemand anders zijn; ik zal Hem zonder wapens bestrijden!' De yavana aldus besloten, Hem vervolgend wilde Hem grijpen, die Zijn gezicht had afgewend en vluchtte; Hij, die zelfs voor de mystieke yogi's onbereikbaar is. (7) Met iedere stap bracht Hij zichzelf bijna binnen het bereik van zijn handen en aldus ver weg gaand plaatste Hij die heer van de yavana's voor een berggrot. (8) In zijn jacht hem beledigend met opmerkingen als 'Vluchten is voor Jou als lid van de yadu-dynastie onbehoorlijk!', kon hij, aan wiens ondeugd [nog] geen einde was gekomen, Hem niet bereiken. (9) Ondanks dat Hij aldus was uitgescholden, ging de Allerhoogste Heer de berggrot binnen en toen hij dat ook deed zag hij daar een andere man liggen. (10) 'En nu, me over zo'n grote afstand hebben meegevoerd ligt Hij hier als een heilige!' en aldus in de waan dat hij Acyuta was, schopte hij hem met zijn voet uit alle macht. (11) Hij, ontwakend na een lange periode van slaap, opende langzaam zijn ogen en zag, in alle richtingen om zich heen kijkend, hem aan zijn zijde staan. (12) O afstammeling van Bharata hij als zodanig, werd door de blik, die de kwaad geworden man op hem wierp, in een oogwenk tot as verbrand door een vuur dat ontstond vanuit zijn eigen lichaam [*].'

(13) De edele koning [Parîkchit] zei: 'Wie precies was die persoon, o brahmaan, van welke familie was hij en wat waren zijn krachten; waarom was hij een grot ingegaan om te slapen en uit wiens zaad werd hij geboren, die vernietiger van de yavana?'

(14) S'rî S'uka zei: 'Hij staat bekend als Mucukunda, geboren in de Ikshvâku dynastie als de zoon van Mândhâtâ [zie 9.6: 38 en 9.7]; een grote persoonlijkheid het brahmaanse toegewijd en trouw aan zijn gelofte in de strijd. (15) Hij, op verzoek van de goddelijken met Indra aan het hoofd die doodsbang voor de asura's waren, was voor een lange tijd van dienst om hen te verzekeren van hun bescherming. (16) Zij, nadat ze Guha ['van de grot'; Skanda of Kârttikeya] voor zich wonnen als hun beschermer van de hemel zeiden tot Mucukunda: 'O Koning, alstublieft zie af van de moeite die het uw goede zelf kost om ons te beschermen. (17) U met het verwaarlozen van uw persoonlijke verlangens hebt, met het achter u laten van een koninkrijk in de wereld der mensen, om ons te beschermen die [asura-]doorns uit de weg geruimd, o held. (18) Uw kinderen, uw koninginnen en andere verwanten, ministers, adviseurs en onderdanen zijn nu niet meer in leven, ze behoren niet meer tot deze tijd; de tijd scheidt. (19) De Tijd, machtiger dan het machtigste, is de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer van Beheersing die, een spel spelend van herder en kudde, de sterfelijke wezens in beweging zet. (20) Al het goede u toegewenst, vraag ons vandaag om welke gunst u maar wilt behalve dan die der bevrijding, daar alleen de Allerhoogste Onuitputtelijke Heer S'rî Vishnu daar toe in staat is.'

(21) Hij, voor zijn grote roem aldus inderdaad toegesproken door de halfgoden, groette hen vol respect en legde zich te ruste in een grot om de slaap te genieten die de goden hem vergund hadden [**]. (22) Nadat de barbaar in de as was gelegd onthulde de Opperheer, de grote held der Sâtvata's, Zich aan de wijze Mucukunda. (23-26) Naar Hem kijkend - donker als een wolk, in geel zijden kleding, de S'rîvatsa op Zijn borst, het schitterende Kaustubha-juweel stralend, de vier armen en de Vaijayantî bloemenslinger die de schoonheid verhoogde; Zijn aantrekkelijke kalme gezicht en glinsterende haaienvormige oorhangers, Zijn toegenegen glimlach zo aantrekkelijk voor de hele mensheid, Zijn blik, Zijn jeugdige knappe verschijning, Zijn nobele gang en Zijn vuur als dat van een leeuw - was hij, zo hoogst intelligent, overweldigd door Zijn uitstraling, welke inderdaad van een niet te weerstane schittering was, en stelde hij in twijfel aarzelend een vraag. (27) Sr'î Mucukunda zei: 'Wie bent U die zich hier bij me voegt in het woud in een berggrot, met Uw voeten als de blaadjes van lotussen hier lopend over de doornige bodem. (28) Misschien bent U wel de Allerhoogste Heer, de oorsprong van alle wezens die het leven werden geschonken, of anders de god van het vuur, de zonnegod, de maangod, de koning van de hemel of misschien een heerser van een andere planeet? (29) Ik denk dat U de God van de drie persoonlijkheden der halfgoden bent, de Grootste, omdat U de duisternis van de grot ['het hart'] verdrijft zoals een lamp met zijn licht. (30) O Meest Volmaakte van de Mensen, als U dat wilt, als U dat kan, beschrijf dan zonder omhaal voor ons die dat graag willen horen, Uw geboorte, handelingen en afstamming. (31) Wij van onze kant, o tijger onder de mensen, zijn nakomelingen van Ikshvâku, een familie van kshatriya's met mij, geboren uit de zoon van Yuvanâs'va, genaamd Mucukunda, o Heer. (32) Omdat ik een lange tijd wakker was gebleven was ik, moe in mijn zinnen en overmand door de slaap, voor mijn gemak hier op deze afgezonderde plaats gaan liggen en ben ik nu door iemand wakker geschud. (33) Die persoon verbrandde tot as inderdaad enkel vanwege zijn eigen zondige manier van doen, en Uw goede Zelf zo glorieus, o Bestraffer der Vijanden, zag ik vervolgens direct daarna. (34) Vanwege Uw ondraaglijke gloed zijn we, in onze vermogens beperkt, niet in staat U te aanschouwen, o Hoogste Genade; U verdient de lof van al de belichaamde wezens!'

(35) Aldus toegesproken door de koning gaf de Allerhoogste Heer en Oorsprong van de Ganse Schepping, breed glimlachend, met woorden diep als de rommelende wolken antwoord. (36) De Opperheer zei: 'Mijn geboorten, handelingen en namen zijn er bij de duizenden, Mijn beste, onbegrensd als ze zijn kunnen ze zelfs door Mij nog niet worden opgesomd! (37) Ooit zou men eens, na vele levens, de stofdeeltjes van de aarde kunnen tellen, maar nimmer lukt dat met Mijn vele kwaliteiten, handelingen, namen en geboorten. (38) Zelfs niet de grootste wijzen kunnen met het tellen van Mijn geboorten en handelingen die zich afspelen naar de drie van de tijd [verleden, heden, toekomst], o Koning, tot een einde komen [vergelijk 8.5: 6 en 8.23: 29]. (39-40) Niettemin, o vriend, verneem enkel van Mij over de huidige geboorte, die van Ondergetekende. In het verleden werd Ik verzocht door Heer Brahmâ [zie 3.9 en ook 10.14] het dharma veilig te stellen en de demonen te vernietigen die een overlast voor de aarde vormen, en zo daalde Ik neder in de Yadu-dynastie ten huize van Vasudeva en noemen de mensen Mij als zodanig Vâsudeva, de zoon van Vasudeva. (41) Kâlanemi bracht Ik ter dood [zie 10.8: 56], Kamsa [10.44], Pralamba [10.18] en anderen jaloers op de deugdzamen, en deze Yavana, o Koning werd verbrand door uw verzengende blik. (42) Ik, diezelfde persoon met zorg voor de toegewijden, ging naar deze grot met de bedoeling u een gunst te verlenen, omdat u daar in het verleden vaak om gebeden hebt. (43) Zegt u Me waarmee u gezegend wilt zijn, o geheiligde Koning, Ik zal u alles geven wat u verlangt; ongeacht wie Mij tevredenstelt, zal nooit meer hoeven te treuren.'

(44) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken zich voor Hem buigend sprak Mucukunda met de woorden van Garga in gedachten [***], vol van vreugde in de wetenschap dat Hij Nârâyana was, de [oorspronkelijke] Godheid. (45) S'rî Mucukunda zei: 'Deze persoon, niet van aanbidding voor U, kan, begoocheld door Uw verbijsterend vermogen mâyâ o Heer, zijn eigen voordeel niet vinden als hij, uit op het geluk, bedrogen raakt als een man - of ook als een vrouw - met een gezinsleven die verstrikt zijnde zich druk maakt over zaken die ellende geven. (46) De persoon die het op de een of andere manier gebracht heeft tot wat zo moeilijk te verwerven is in deze wereld - een menselijke gedaante en niet die met poten, maar zonder van eerbetoon te zijn het niet probeert, o Zondeloze, met Uw lotusgelijke voeten, is, onzuiver van mentaliteit, als een dier gevallen in de overwoekerde put van zijn thuis. (47) O Onoverwinnelijke, hiermee mijn tijd verspillend bouwde ik een koninkrijk en een weelde op dat nu allemaal is verdwenen; onder de invloed als een aardse heerser die het sterfelijk lichaam voor zichzelf aanziet, had ik eindeloos te lijden onder angsten omdat ik gehecht raakte aan kinderen, echtgenotes, rijkdommen en land. (48) Me bekommerend om dit lichaam, dat je omsluit als een pot of een muur, dacht ik aldus over mezelf als zijnde een god onder de mensen, omringd als ik was door strijdwagens, olifanten, paarden, voetvolk en generaals waarmee ik over de aarde rondtrok zonder serieus acht te slaan op U in mijn grote trots. (49) Onverschillig over wat er zou moeten worden gedaan, talend naar zinsobjecten, zonder ophouden piekend met een immer groeiende begeerte, wordt men plotseling voor U geplaatst, degene die er wel om geeft; de dood voor een muis zich bevindend voor een slang die zijn giftanden likt. (50) Voorheen genaamd 'de koning' rijdend in wagens beslagen met goud of op machtige olifanten wordt die zelfde [gedaante] onvermijdelijk met de Tijd van Uw Lichaam 'ontlasting', 'wormen' en 'as' genoemd [zie ook 16.4: 2-6]. (51) Alom alle richtingen veroverd hebbend, zonder tegenstanders om bang voor te zijn en gezeten op een troon onder de lofprijzingen van koningen die ook zo zijn, loopt de persoon in zijn huis als een huisdier aan de leiband, sexueel zijn geluk ontlenend aan de vrouwen, o Heer. (52) Daarin met een scheef oog reikhalzend naar meer, verricht hij boetvaardig zijn plicht strikt pleziertjes vermijdend, maar over zichzelf denkend als 'Ik de grote onafhankelijke' kan hij, wiens driften zo uitgesproken zijn, het geluk niet bereiken. (53) Als het zich voordoet dat de dolende persoon voor het einde van zijn materiële bestaan komt te staan, zal te dien tijde, o Onfeilbare, de omgang met de goeden en eerlijken [de sat-sanga] worden gevonden waarna vervolgens de toewijding zijn ontstaan vindt die gericht is op Hem die voor de deugdzamen als de Heer van het Hogere [de oorzaken] en het Lagere [de gevolgen] het enige doel vormt. (54) Ik denk, o Heer, dat, met het spontane wegvallen van de gehechtheid aan mijn koninkrijk, U voor mij van genade bent geweest: dat is waar de gelouterde heersers over eindeloze stukken land voor bidden als ze, de afzondering zoekend, het bos ingaan. (55) Ik verlang niets anders dan Uw voeten te dienen die voor hen die niet talen naar een materieel leven het voorwerp van verlangen vormen, de gunst waarnaar werd gezocht, o Almachtige; welke trouwe ziel van aanbidding voor U die het Pad der Persoonlijke Ontwikkeling Openlegt, o Heer, zou als gunst kiezen voor dat wat zijn gebondenheid veroorzaakt? (56) Derhalve o Heer nader ik tot U in mijn volledig de wereldse zegeningen naast mij neerleggen waardoor men verstrikt raakt in de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid; U, de Oorspronkelijke Persoon van de Zuivere Waarheid die vrij is van wereldse betrekkingen, die vrij is van de tweevoud en verheven is boven de geaardheden. (57) Een lange tijd werd ik, o zo spijtig, vol van leed in de wereld geplaagd door verstoringen; met mijn zes vijanden [de zinnen en de geest] nimmer zat bestond er geen mogelijkheid om de vrede te vinden, o Verlener der Toevlucht, alstUblieft o Heer bescherm mij die geplaatst voor deze gevaren, o Allerhoogste Ziel, Uw lotusvoeten benaderde die staan voor de waarheid vrij van zorgen die bevrijdt van angst.'

(58) De Allerhoogste Heer zei: 'O grote Koning, keizer van allen, ook al werd u verleid met zegeningen maakte u, capabel van geest, een onberispelijke keuze, niet bedorven als u was door begeerten. (59) Alstublieft weet dat Ik u verleidde met zegeningen om te beproeven of u vrij bent van begoocheling; nimmer wordt de exclusieve [Mij enkel toegewijde] intelligentie van de bhakta's geleid door materiële zegeningen. (60) Met hen die, Mij niet toegewijd, zich bezighouden met ademhalingsoefeningen en dergelijke kan men waarnemen dat dat hun geesten weer opnieuw worden opgewekt [tot zinsbevrediging], omdat ze niet de sporen van het materieel verlangen hebben uitgewist [de vâsanâ's], o Koning. (61) Trek rond in deze wereld zoals u wil en moge, met uw geest gevestigd op Mij, er aldus steeds de toewijding voor Mij zijn die niet faalt. (62) Met het naleven van het dharma van de heersende klasse hebt u levende wezens gedood tijdens de jacht of bij andere gelegenheden; die zonde moet u nu uitwissen door geheel op te gaan in boetedoeningen waarin u Mij als uw toevlucht heeft. (63) In de geboorte meteen hierna o Koning, zal u, met het u ontwikkelen tot een bovenste beste weldoener van alle levende wezens, een fijne brahmaan zijn die enkel en alleen Mij voor ogen heeft [zie ook B.G. 5: 29].'

Voetnoten:

* Mucukunda, de slapende man, zoals hierna uitgelegd vocht voor een lange tijd ten behoeve van de halfgoden en koos uiteindelijk als zijn zegening het recht om ongestoord te mogen slapen. De paramparâ middels S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt de Hari-vams'a aan die verklaart dat hij verder nog de gunst bedong dat hij in staat zou zijn een ieder te vernietigen die hem zou storen in zijn slaap. Hij maakt verder duidelijk dat Mucukunda dit nogal morbide verzoek deed om heer Indra af te schrikken, die, zo dacht Mucukunda, hem anders misschien bij herhaling zou wakker maken met een verzoek om zijn hulp bij het bestrijden van Indra's cosmische vijanden. Indra's instemmen met Mucukunda's verzoek wordt beschreven in de S'rî Vishnu Purâna als volgt: "De halfgoden verklaarden, 'Wie u ook uit de slaap haalt zal plotseling tot as verbranden door een vuur voortgebracht uit zijn eigen lichaam' ".

** S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura geeft de volgende regels uit een alternatieve lezing van dit hoofdstuk. Deze regels moeten worden ingevoegd tussen de twee helften van dit vers:

nidrâm eva tato vavre
sa râjâ s'rama-karshitah
yah kas'cin mama nidrâyâ
bhangam kuryâd surottamâh
sa hi bhasmî-bhaved âs'u
tathoktas' ca surais tadâ
svâpam yâtam yo madhye tu
bodhayet tvâm acetanah
sa tvayâ drishtha-mâtras tu
bhasmî-bhavatu tat-kshanât

"De Koning, uitgeput door zijn arbeid, koos toen voor de slaap als zijn zegening. Hij stelde verder, 'O beste der halfgoden, moge wie dan ook die mij in mijn slaap verstoord terstond tot as verbranden.' De halfgoden antwoordden, 'zo zij het,' en zeiden hem, 'Die intense persoon die u midden in uw slaap wekt zal eenvoudig meteen tot as verbranden door het werpen van uw blik op hem'."

*** De paramparâ stelt: 'S'rîla S'rîdhara Svâmî zegt ons dat Mucukunda zich bewust was van de voorspelling van de klassieke wijze Garga dat in het achtentwintigste millennium de Allerhoogste Heer zou nederdalen. Volgens Âcârya Vis'vanâtha, stelde Garga Muni Mucukunda er verder van op de hoogte dat hij persoonlijk de Heer zou ontmoeten. En nu gebeurde het dan allemaal.'

 

 

Hoofdstuk 52

De Heren Springen van een Berg en Rukminî's Bericht aan Heer Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier, mijn beste, begenadigd door Krishna omliep de nazaat van Ikshvâku Hem terwijl hij zich verboog en ging hij weg door de opening van de grot. (2) Toen hij merkte dat de menselijke wezens, de dieren, planten en bomen er slecht aan toe waren concludeerde hij dat Kali-yuga was aangebroken en begaf hij zich in de noordelijke richting [vergelijk 1.15: 44]. (3) Met geloof in het proces der boetedoening raakte hij, serieus onthecht van een materieel gemotiveerde omgang met mensen, bevrijd van twijfels en met het aldus hebben gevestigd van zijn aandacht op Krishna kwam hij toen aan bij de berg Gandhamâdana ['de prettige geur']. (4) Met het bereiken van Badarikâs'rama [zie b.v. 3.4: 4; 4.12: 16; 5.4: 5; 7.11: 6], de verblijfplaats van Nara-Nârâyana, aanbad hij, met behoud van respect voor al de dualiteit, de Heer vanuit de vrede waarin hij verkeerde met zijn verzaking.

(5) De Allerhoogste Heer keerde terug naar Zijn stad Mathurâ die was omsingeld door de Yavana's en bracht, na het leger der barbaren te hebben gedood, hun schatten naar Dvârakâ. (6) Terwijl Acyuta met os en man bezig was met het verzamelen van de rijkdommen, arriveerde daar Jarâsandha aan het hoofd van een drieëntwintigtal legers. (7) Toen ze de machtige golven van soldaten van de vijandige legers zagen renden de twee Mâdhava's, met het aannemen van een menselijke gedragswijze, o Koning, snel weg. (8) De lading goederen achterlatend als waren ze bange lafaards, legden ze, in feite helemaal niet bang, met Hun lotusblaadjesvoeten vele yojana's af. (9) De machtige heerser van Mâghada moest hard lachen toen hij de Twee zag wegvluchten en achtervolgde met wagenmenners en soldaten de Heren, zich niet helemaal bewust van Hun bijzondere aard. (10) Met hun krachten beproefd na zo'n lange afstand gerend te hebben, beklommen ze een zeer hoge berg bekendstaande als Pravarshana ['waar het regent'] alwaar de machtige [Indra] het altijd doet regenen. (11) Wetende dat Ze zich schuilhielden op de berg, maar niet precies waar o Koning, zette hij de berg in lichterlaaie door met brandhout aan alle kanten vuren aan te steken. (12) Snel van die hoogte van elf yojana's van de berg die aan alle kanten brandde afspringend, vielen Ze naar beneden. (13) Niet opgemerkt door Hun tegenstander of zijn helpers keerden de twee beste Yadu's terug naar hun eigen stad die de oceaan als zijn gracht had. (14) De koning van de Magadha's van zijn kant ging er onterecht vanuit dat Balarâma en Kes'ava waren verbrand in het vuur en keerde, zijn immense troepenmacht terugtrekkend, om naar Magadha. (15) Zoals voorheen gezegd schonk op last van Brahmâ de heerser van Ânarta, genaamd Raivata, aan Balarâma zijn dochter Raivatî ten huwelijk [9.3: 33-36]. (16-17) Govinda, waarlijk de Allerhoogste Heer, trouwde, o held onder de Kuru's, naar haar eigen verkiezing Vaidarbhî [Rukminî] de dochter van Bhîshmaka, een volkomen deelaspect van de godin van het geluk. Met geweld S'âlva en de andere koningen die S'is'upâla ondersteunden buiten spel zettend, speelde Hij dat klaar [door haar weg te kapen] voor ogen van iedereen, precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] de nectar van de hemel [wegstal].'

(18) De achtenswaardige koning zei: 'Op de manier van de râkshasa [dus door ontvoering], naar ik vernam, huwde de Opperheer aldus Rukminî, de dochter van Bhîshmaka met het bekoorlijke gezicht. (19) O heer, ik zou er graag over vernemen hoe Krishna, met Zijn onmetelijke vermogen, de bruid wegstal koningen verslaand als Jarâsandha en S'âlva. (20) O brahmaan! Wie is er ooit in staat om alles te begrijpen van wat er wordt gezegd en genoeg te krijgen over de altijd nieuwe [zie 10.45: 48], gunstig stemmende, zoete verhalen over Krishna te horen welke de smet van de wereld wegnemen?'

(21) De zoon van Vyâsa zei: 'Er was een koning genaamd Bhîshmaka, de grote heerser van Vidarbha, van wie er vijf zoons waren en één dochter met een buitengewoon knap gezicht. (22) Rukmî was de eerstgeboren zoon, gevolgd door Rukmaratha, Rukmabâhu, Rukmakes'a en Rukmamâlî; Rukminî hun zus had een heilig karakter [rukma betekent: 'wat helder en stralend is']. (23) Zij, toen ze hoorde van Mukunda's schoonheid, Zijn kunnen, karakter en weelde zoals bezongen door hen die bij haar thuis kwamen, achtte Hem een geschikte echtgenoot. (24) Krishna, die haar als een schat van intelligentie, gunstige merktekenen, grootmoedigheid, schoonheid, goed gedrag en andere kwaliteiten een geschikte echtgenote vond, nam het besluit met haar te trouwen. (25) Ook al wilde de familie de zus aan Krishna geven, o Koning, stak Rukmî, die Krishna haatte, er een stokje voor; hij dacht aan S'is'upâla. (26) De prinses van Vidarbha met haar donkere ogen ongelukkig met die wetenschap, zat er diep over in en zond met spoed een bepaalde vertrouwde brahmaan naar Krishna. (27) Hij, in Dvârakâ aangekomen, zag, door de poortwachters binnengelaten, de Oorspronkelijke Persoon gezeten op een gouden troon. (28) De Heer Goed voor de Brahmanen kwam toen Die hem zag van Zijn troon naar beneden, deed hem plaats nemen en bewees hem de eer op de manier zoals de bewoners van de hemel Hem de eer bewijzen. (29) Met hem uitgerust en gegeten benaderde de Bestemming der Geheiligde Toegewijden hem om zijn voeten met Zijn hand een massage te geven en vroeg Hij hem geduldig: (30) 'Mijn beste, verlopen de religieuze praktijken zoals voorgestaan door uw eersteklas, tweemaal geboren senioren, voorspoedig zonder al te veel moeilijkheden en is uw geest steeds tevreden? (31) Als een brahmaan tevreden doorgaat met wat dan ook [zijn pad kruist], zal, niet tekort schietend in zijn religieuze plicht, daarmee [met die praktijken] voor hem er alleszins de koe van overvloed zijn. (32) Onvoldaan zal hij, ook al is hij dan de meester der godvrezenden, keer op keer belanden in verschillende werelden; maar voldaan zal hij, ook al is hij berooid, met al zijn leden rusten vrij van pijn en koorts. (33) Voor de geschoolden voldaan over wat ze bereikten [in hun zelfverwerkelijking] buig ik Mij het hoofd keer op keer daar zij, vrij van vals ego, van de geheiligden en van al de levende wezens, vreedzaam de beste weldoeners zijn [zie ook B.G. 2: 71, 12: 13-14]. (34) Gaat het uw koning goed, o brahmaan, immers, de koning wiens onderdanen er gelukkig mee zijn beschermd te leven in de staat is Mij zeer dierbaar. (35) Vanwaar, de [oceaan van] moeilijkheden overstekend, bent U hier aangekomen en met welk doel voor ogen; zegt u Ons alstublieft alles, als het geen geheim is; wat precies mogen We voor u doen?'

(36) Met het Opperwezen, die terwille van Zijn spel en vermaak Zijn lichamen aanneemt, aldus deze vragen stellend, vertelde de brahmaan Hem alles: (37) 'S'rî Rukminî heeft gezegd: 'O Allermooiste van Al de Werelden, horende dat voor al diegenen die vernemen over Jouw kwaliteiten Jij, met het binnendringen door de openingen van hun oren, het leed wegneemt in hun lichamen en dat voor hen die er de ogen voor hebben om Je schoonheid te zien alle wensen in vervulling gaan, heb ik Je zonder me te schamen in mijn geest op de eerste plaats gezet! (38) Wie, o Mukunda, is gelijk aan Jou qua adellijke komaf, karakter, schoonheid, kennis, jeugd, bezittingen en invloed? Welke nuchtere en huwbare dame zou op haar tijd niet voor Jou van zulke goede huize als haar echtgenoot kiezen, o leeuw onder de mensen, die zulk een genoegen is voor de geesten van de hele mensheid? (39) Derhalve is Jouw goede Zelf, o beste Heer, door mij verkozen als echtgenoot inderdaad en biedt ik Jou mezelf aan als Je vrouw, o Almachtige, alsJeblieft aanvaard me; moge de koning van Cedi [S'is'upâla] nimmer, gelijk een jakhals er vandoor met wat de koning der dieren toebehoort, in handen krijgen wat aan de held is voorbehouden. (40) Laat met de Allerhoogste Heer, de Hoogste Beheerser, afdoende aanbeden middels verdienstelijke werken, offers, liefdadigheid, inachtnemingen, geloften, het eren van de goden, de goeroes en de geschoolden, en met andere activiteiten, de oudere broer van Gada [9.24: 46] komen om mijn hand te nemen en niet de zoon van Damaghosha of anderen van dat slag. (41) De dag vóór het huwelijk plaatsvindt moet Je naar Vidharbha komen, o Onoverwinnelijke, in het geheim omringd door Je officieren ervoor te vechten het gewapende verzet weg te vagen van de koningen van Caidya en Magadha en met me te trouwen op de râkshasa-manier als het loon voor je heldenmoed. (42) Je kan Je afvragen hoe Je mij, die zich ophoudt in de paleisruimten, met Je mee moet voeren zonder mijn verwanten te doden; laat me Je uitleggen hoe: op de dag ervoor wordt er buiten voor de heersende godheid van de familie een grote feestelijke processie gehouden waarin de nieuwe bruid zich begeeft naar de godin Girijâ [Ambikâ]. (43) Grote zielen, als de echtgenoot van Ûma [S'iva], zien er, teneinde hun eigen onwetendheid te boven te komen, naar uit te baden in het stof van Jouw lotusvoeten; als ik, o Lotusogige, niet Jouw genade kan verwerven behoor ik, verzwakt door de geloften, mijn levensadem op te geven, zodat het mij dan een honderdtal geboorten later [uiteindelijk] lukt.' (44) [De brahmaan eindigde met:] Dit is het vertrouwelijke bericht door mij overgebracht, o Heer der Yadu's, dus alstUblieft neem in overweging wat meteen hier op volgend in dezen moet worden gedaan.'

     

Hoofdstuk 53

Krishna Ontvoert Rukminî

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de nazaat van Yadu [Krishna] het vertrouwelijke bericht aanhoorde van de prinses van Vidarbha, nam Hij de hand van de boodschapper in de Zijne en zei glimlachend het volgende. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Ook Ik moet op dezelfde manier steeds weer aan haar denken en kan 's nachts de slaap niet vatten; Ik weet dat Rukmî in zijn vijandigheid er tegen is dat Ik met haar trouw. (3) Ik zal haar, die onbetwistbare schoonheid die Mij de beste acht, naar hier halen en in het gevecht korte metten maken met die halfwas edellieden, zoals men een vuur stookt van brandhout!'

(4) S'rî S'uka zei: 'En bekend met de precieze tijd van Rukminî's trouwen zei Madhusûdana tegen Zijn wagenmenner: 'Dâruka, maak onmiddellijk de wagen klaar'. (5) Hij naar wat Krishna zei de wagen brengend met de paarden genaamd S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [*], stond daarop voor Hem met gevouwen handen. (6) S'auri samen met de brahmaan in Zijn wagen klimmend reed gezwind met Zijn paarden in een enkele nacht naar het Vidarbha koninkrijk. (7) Koning Bhîshmaka die in zijn genegenheid gehoor gaf aan de wensen van zijn zoon [Rukmî], was bereid zijn dochter weg te schenken aan S'is'upâla en zag erop toe dat aan de nodige verplichtingen werd voldaan. (8-9) De stad grondig gereinigd en met haar lanen, straten en kruispunten overvloedig besprenkeld met water, werd versierd met vaandels op vlaggenmasten en met erebogen. Met hun huizen geurend van de aguru stelden de vrouwen en mannen van de stad zich op in smetteloze kleding, behangen met juwelen, geurend en opgesierd met bloemen en ander fraais. (10) Volgens de regels op de juiste manier de voorvaderen en de halfgoden aanbiddend, o Koning, en de geleerden zoals het hoorde te eten gevend, liet hij [Bhîshmaka] de gunstige mantra's chanten. (11) De bruid baadde zich uitgebreid en deed, met haar tanden gereinigd, de gelukbrengende huwelijksdraad om. Ook stak ze zich in een gloednieuw stel kleren en sierde ze zich met de meest uitgelezen juwelen. (12) Voor de bescherming van de bruid werden, door de besten der tweemaal geborenen, mantra's gezongen uit de Sâma-, Rig- en Yajurveda en deden de priesters bedreven in de Atharva-mantra's zoals het hoorde uitgietingen van ghee terwille van de vrede der heersende planeten. (13) Als de besten bekend met de vidhi doneerde de koning goud, zilver, kleding en sesamzaad vermengd met grove suiker aan de brahmanen. (14) Op dezelfde manier liet de heer van Cedi, koning Damaghosha, voor zijn zoon [de bruidegom] zo door de kenners van de mantra's alles doen wat bevorderlijk was voor zijn voorspoed. (15) Hij reisde naar Kundina [Bhîshmaka's hoofdstad] vergezeld door een menigte olifanten druipend van de bronst en reeksen gouden strijdwagens opgesierd met bloemenslingers met daar omheen legers voetsoldaten en paarden. (16) De meester van Vidarbha die hem halverwege tegemoet kwam voorzag met genoegen eervol in een plaats speciaal voor hem gebouwd. (17) S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en Vidûratha die voor de kant van S'is'upâla kozen, kwamen tezamen met Paundraka en duizenden anderen. (18-19) Zij vijandig jegens Krishna en Râma hadden het zich aldus voorgenomen: 'Om ons te verzekeren van de bruid voor S'is'upâla zullen wij, mocht Krishna vergezeld door Râma en andere Yadu's komen en haar wegkapen, aaneengesloten de strijd met Hem aanbinden', en aldus besloten waren al de koningen compleet met een contingent aan troepen gekomen.

(20-21) Toen Heer Balarâma hoorde van deze vijandige voorbereidingen door de koningen en dat Krishna er in Zijn eentje op uit was gegaan om de bruid te stelen, ging Hij, beducht voor een gevecht, vervuld van liefde voor Zijn broer snel naar Kundina samen met een machtig contingent aan olifanten, paarden, strijdwagens en soldaten te voet. (22) De dochter van Bhîshmaka met haar fraaie heupen in afwachting van Krishna, die de brahmaan niet zag terugkeren, vroeg zich toen af: (23) 'Helaas, drie yama's [negen uur] resten slechts voordat ik, zonder enig geluk te smaken, zal trouwen; de Lotusogige komt niet en ik weet niet wat er de reden van is, ook is tot nu toe de drager van mijn boodschap niet teruggekeerd. (24) Wellicht ziet Hij Foutloos van Geest en Lichaam, bereid als Hij oorspronkelijk zeker is, iets afkeurenswaardigs in mij dat hij niet voor mijn hand is komen opdagen. (25) Hoe onfortuinlijk, de schepper is me niet gunstig gezind, noch is de grote Heer S'iva dat, of misschien heeft Devî zijn gezellin, [bekend als] Gaurî, Rudrânî, Girijâ of Satî zich tegen mij gekeerd.'

(26) Aldus piekerend deed het jonge meisje, wiens hart door Krishna was gestolen, haar ogen die vol stonden met tranen dicht, denkend aan de tijd [die nog restte]. (27) Terwijl de bruid aldus in afwachting verkeerde van Govinda's aankomst, o Koning, trilde haar linkerdij, arm en oog als voorbode van iets wenselijks. (28) Op dat moment verscheen die zuiverste der tweemaal geborenen door Krishna gestuurd ten tonele, om de goddelijke dochter van de koning te zien die zich ophield in het binnenste van het paleis. (29) Toen ze zijn opgetogen gezicht zag en de ontspannen bewegingen van zijn lichaam deed ze, als expert in het herkennen der tekenen, navraag met een zuivere lach. (30) Hij vertelde haar van de aankomst van dat Kind van de Yadu's en bracht de woorden over die Hij had uitgesproken in de verzekering dat Hij met haar zou trouwen. (31) Concluderend dat Hij was aangekomen, monterde de geest van Vaidarbhî op, waarop ze geen beter antwoord had dan zich te verbuigen voor de beminde brahmaan. (32) Horende dat Hij, om getuige te zijn van zijn dochter's huwelijk, was gearriveerd kwam hij [koning Bhîshmaka] met het weerklinken van muziekinstrumenten en met overvloedige offergaven naar Râma en Krishna toe. (33) Zoals voorgeschreven was hij van eerbetoon met gewenste zaken als honingmelk [madhu-parka] en bracht hij nieuwe kleren. (34) Genereus voorziend in een luxe verblijf bood hij Hen, tezamen met Hun soldaten en metgezellen, gepast gastvrijheid. (35) Aldus was hij naar gelang ieder zijn macht, leeftijd, kracht en weelde met alles wat wenselijk was van respect voor de koningen die waren samengekomen. (36) De inwoners van Vidarbha-pura die hoorden dat Krishna was gekomen, kwamen allen om Zijn lotusgezicht in te drinken met de gevouwen handpalmen van hun ogen [en zeiden]: (37) 'Alleen Hij, wiens lichaam net zo volmaakt is, verdient Rukminî als echtgenote, en niemand anders; Hij is de meest geschikte echtgenoot voor prinses Bhaishmî! (38) Moge, met welke van onze goede daden ook, de Schepper der Drie Werelden zo genadig zijn, dat Acyuta de hand neemt van Rukminî.'

(39) Aldus overlopend van liefde spraken de burgers in hun fascinatie en verliet de bruid beschermd door bewakers de binnenruimten van het paleis om naar de tempel van Ambikâ te gaan [zie ook 10.52: 42]. (40-41) En zij, te voet eropuit om de lotusvoeten van Bhavânî te zien, hield zich, volledig opgegaan in het mediteren op Krishna's lotusvoeten, stil temidden van haar moeders en vrouwelijke metgezellen. Bewaakt door de kloeke, gewapende soldaten van de koning die met hun wapens geheven klaar stonden, werd er op cimbalen en mridanga's, schelphoorns, hoorns en andere blaasinstrumenten gespeeld. (42-43) De bruid begeleidend waren er daar de fraai uitgedoste echtgenotes van de tweemaal geborenen, duizenden van vooraanstaande uitverkorenen met verscheidene artikelen van aanbidding en cadeaus, bloemenslingers, geuren, kleding en sieraden; zangers die gebeden zongen, muzikanten alsook hofzangers, geschiedschrijvers en herauten. (44) Met het bereiken van de tempel van de godin waste ze haar voeten en lotusgelijke handen, sipte ze water ter zuivering en betrad ze geheiligd en vredig de plaats waar Ambikâ was. (45) Het zo heel jonge meisje werd door de oudere vrouwen van de brahmanen die goed op de hoogte waren van de bepalingen, begeleid in haar eerbetoon voor Bhavânî, de vrouw van Heer Bhava [S'iva]. (46) 'Ik tezamen met uw kinderen biedt u keer op keer mijn eerbetuigingen o Ambikâ, alstublieft sta het toe dat Krishna, de Opperheer, mijn echtgenoot wordt.'

(47-48) Met verscheidene offergaven en offers van water, geurige substanties, ongebroken granen, wierook, kleding, bloemenslingers, halskettingen, sierselen en een reeks lampen, was ieder van de brahmaanse dames van aanbidding uitgerust met deze artikelen alsook met lekkernijen, gebak, toebereide betelnoot, heilige draden, vruchten en suikerriet. (49) Nadat ze haar hadden gegeven wat er van het offer over was gebleven alsmede hun zegen verleenden, boog de bruid zich voor hen en voor de beeltenis en nam ze wat van het geofferde voedsel. (50) Toen, haar gelofte van stilte beëindigend, verliet ze de tempel van Ambikâ, met haar hand, die was opgesierd met een ring met een edelsteen, een dienstmaagd vasthoudend. (51-55) Als was ze het begoochelend vermogen [Mâyâdevî, zie ook 8.12: 38-40; 10.2***] van de Heer zelve dat zelfs de nuchteren verbijstert, raakten de verzamelde, respectabele helden bevangen toen ze haar zagen met haar oorbellen die de maagdelijke schoonheid van haar gezicht opsierden, haar met juwelen bestikte gordel om haar heupen, haar ontluikende borsten, haar ogen verlegen bij haar haarlokken, haar zuivere glimlach en tanden rood van de gloed van haar bimba-lippen, de knoppen van haar zich verplaatsende jasmijnvoeten, haar gang zo gracieus als een koninklijke zwaan en het getinkel van de kunstig gemaakte enkelbelletjes die [haar voeten] verfraaiden met hun gloed. Er wierp zich bij deze koningen met het zien van haar brede glimlachen, verlegenheid en verbijsterende blikken een lust op die ze van hun verstand beroofde, hun harten verscheurde en waardoor ze hun wapens op de grond lieten vallen. Zittend op hun paarden, olifanten en wagens vielen ze, met hun geesten op hol, neer op de grond toen ze, in het kader van de processie, Heer Hari haar schoonheid bood. Langzaam lopend, de ene voet voor de andere zettend schreed ze voort met de wervelingen van haar lotusbloemenvoeten, onderwijl vol verlangen uitziend naar de komst van de Hoogste Persoonlijkheid. Haar haar naar achteren werpend met de nagels van haar hand ontwaarde ze, bedeesd kijkend vanuit haar ooghoeken naar een ieder aanwezig, op dat moment Acyuta. Recht voor de ogen van Zijn vijanden, pakte Krishna toen de dochter van de koning die klaar stond om in de wagen te stappen. (56) Haar in Zijn strijdwagen gemerkt met [de vlag van] Garuda tillend dreef Hij de kring van edelen terug en vertrok Hij langzaam aan, met Balarâma voor Zich uit, vandaar zoals een leeuw temidden van de jakhalzen dat zou doen met het wegslepen van zijn prooi. (57) De tegenstanders met Jarâsandha aan het hoofd, ingebeeld als ze waren, konden met hun eer te grabbel, de nederlaag niet verkroppen: 'Vervloekt zijn wij met onze eer als boogschutters gestolen door die koeherders die als een stelletje onderkruipers ons, de leeuwen, voor aap zetten!'

Footnote:

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî haalt de volgende tekst aan van de Padma Purâna die een omschrijving geeft van Heer Krishna's paarden: "S'aibya was zo groen als de vleugels van een papegaai, Sugrîva goudgeel, Meghapushpa had de kleur van een wolk, en Balâhaka was wit."  

 

Hoofdstuk 54

Rukmî Verslagen en Krishna Getrouwd

(1) S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus [beseffend dat ze bestolen waren] bestegen in grote woede in kuras hun transportmiddelen en gingen, ieder omringd door zijn eigen troepen, achter hen aan, met hun bogen klaar. (2) Toen het Yâdava-leger ze eraan zag komen in hun achtervolging, stopten de officieren om ze tegemoet te treden, o Koning, en lieten ze hun bogen klinken. (3) Vanaf hun paarden, vanaf de ruggen van de olifanten en vanuit hun posities in hun wagens schoten die [vijandige] wapenmeesters wolken van pijlen die neerregenden zoals water dat doet over de bergen. (4) Toen het volslanke meisje zag dat het leger van haar Heer werd belaagd door zware stortbuien van pijlen keek ze Hem in verlegenheid met ogen vol angst in het gelaat. (5) De Opperheer zei lachend: 'Wees niet bevreesd, o mooie ogen, nu meteen zal deze strijdmacht door jouw troepen worden vernietigd'. (6) De helden Gada [Krishna's jongere halfbroer], Sankarshana en de anderen konden het machtsvertoon van de vijandige troepen niet tolereren en dus schoten ze met pijlen van ijzer hun paarden, olifanten en wagens neer. (7) Van hen die op de wagens, de paarden en de olifanten zaten vielen bij duizenden de hoofden op de grond, compleet met oorringen, helmen en tulbanden. (8) Er waren mensenhoofden, koppen van paarden, ezels, muildieren, olifanten en kamelen zowel als [afgeschoten] handen met zwaarden, knotsen en bogen, handen zonder vingers, dijen en hele benen. (9) De koningen aangevoerd door Jarâsandha die begerig de overwinning te behalen hun troepen vernietigd zagen door de Vrishni's, dropen toen ontmoedigd af. (10) Ze gingen naar en spraken met S'is'upâla die, met de vrouw die hij in gedachten had weggestolen,, geheel ontgoocheld het er moeilijk mee had met een hangend gezicht waar alle kleur uit was verdwenen. (11) [Jarâsandha zei:] 'O heer, tijger onder de mensen, laat alstublieft deze zwaarmoedigheid varen, voor de belichaamden is er met het gewenste en het ongewenste geen duurzaamheid te vinden. (12) Zoals een vrouw vervaardigd uit hout danst naar het verlangen van een poppenspeler wordt op dezelfde manier deze wereld, begaan met vreugde en verdriet, beheerst door haar Beheerser. (13) Ikzelf verloor met drieëntwintig legers zeventien keer het in veldslagen van S'auri [Krishna] en ik won slechts éénmaal. (14) Niettemin beklaag of verheug ik mij nooit en te nimmer, wetende dat de wereld wordt bestierd door de tijd in combinatie met het lot. (15) Zelfs nu zijn wij allen, leiders van de aanvoerders van helden, verslagen door het maar kleine gevolg aan Yadu's onder de bescherming van Krishna. (16) Momenteel, nu onze vijanden hebben gewonnen, werkt de tijd in hun voordeel en dan weer zullen wij overwinnen als de tijden zijn veranderd in ons voordeel.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus overgehaald door zijn vrienden ging S'is'upâla terug naar zijn stad en zo keerde ook ieder van de overlevende koningen die hem volgden terug naar zijn woonplaats. (18) De machtige Rukmî echter, die, Krishna hatend, het niet kon verkroppen dat zijn zuster was getrouwd op de râkshasa manier, achtervolgde Krishna omringd door een complete akshauhinî. (19-20) Rukmî, machtig bewapend met zijn boog en wapenrusting, zwoor allerkwaadst vol van weerzin in het bijzijn van alle koningen: 'Laat me jullie dit in waarheid zeggen: ik zal niet naar Kundina terugkeren zonder Krishna in de strijd ter dood gebracht te hebben en Rukminî te hebben teruggewonnen'. (21) Zich aldus uitlatend beklom hij zijn wagen en zei hij tot zijn wagenmenner: 'Snel, leidt de paarden naar waar Krishna zich ophoudt, er moet een gevecht plaats vinden tussen Hem en mij. (22) Vandaag zal ik met mijn scherpe pijlen, de waanzin een halt toeroepen van die grootste ondeugd, die Koeherder die het lef had om met geweld mijn zuster te ontvoeren!' 

(23) Aldus dwaas opsnijdend zonder zich te realiseren waar Krishna allemaal toe in staat was, riep hij vervolgens met een enkele strijdwagen naar voren komend naar Krishna: 'Kom op en vecht!' (24) Zijn boog aanspannend trof hij ferm Krishna [Zijn wagen] met drie pijlen en zei: 'Wacht eens even, Jij bederf van de Yadu-dynastie! (25) Waarheen Je Je ook begeeft met het wegstelen van mijn zus alsof je een kraai bent die er vandoor is met de offerboter, vandaag nog zal ik een eind maken aan die valse trots van Je, Jij dwaze bedrieger, Jij slinkse strijder!! (26) Als je niet wilt dat mijn pijlen Je doden, laat het er dan bij zitten en laat het meisje gaan', maar Krishna, met een glimlach, trof Rukmî, met zes pijlen waarmee Hij zijn boog aan stukken schoot. (27) Met van Krishna acht pijlen gericht op zijn vier paarden, met twee voor zijn wagenmenner en met drie voor zijn vlag, greep hij een andere boog ter hand en trof hij er Krishna met vijf. (28) Hoewel hij door al deze pijlen getroffen werd brak Krishna de boog opnieuw net zoals de Onfeilbare er nog een aan stukken brak die hij opnam. (29) De gepunte knots, de drietand, de lans, het schild en het zwaard, de piek, de speer of welk wapen hij ook ter hand nam werd ieder door Hem, de Heer, in stukken gebroken. (30) Toen van zijn wagen springend met het zwaard in de hand rende hij, van zins Krishna te doden, naar voren zo verbeten als een vogel in de wind. (31) Door met Zijn pijlen het zwaard en het schild te breken van Zijn aanvaller, nam Hij, bereid om Rukmî om te brengen, Zijn eigen scherpe zwaard ter hand. (32) Toen ze zag dat Hij haar broer wilde doden, viel de vrome Rukminî doodsbang haar echtgenoot ten voeten en sprak ze klagelijk. 

(33) S'rî Rukminî zei: 'O Beheerser van de Yoga, o Ondoorgrondelijke Ziel, o God der Goden, o Meester van het Universum, o Goedgunstige, alsJeblieft breng mijn broer niet om, o Machtig-gearmde.' 

(34) S'rî S'uka zei: 'Met Zijn voeten beetgegrepen door haar van wie in het volle van haar angst de leden beefden, de mond droog werd in haar leed, de keel was verstikt en het gouden halssnoer in haar opwinding scheef hing, zag Hij er mededogend van af. (35) Met een stuk stof hem vastbindend schoor Hij toen de booswicht, er een zooi van makend met slechts wat plukken van zijn haar en snor overlatend. Ondertussen verpletterde het uitzonderlijke leger van de Yadu-helden zijn tegenstanders zoals olifanten een lotusbloem plattrappen [vergelijk 1.7]. (36) Toen ze Krishna naderden zagen ze daar Rukmî voor dood in zijn jammerlijke toestand. De almachtige Opperheer Sankarshana, door medelijden bewogen, bevrijdde daarop de gevangene en zei tot Krishna: (37) 'O Krishna, hoe onbehoorlijk dit slechte scheerwerk van Je met zijn snor en haar; het is iets dat zo erg is als het doden van een familielid!' 

(38) [Tot Rukminî:] 'O heilige dame, wees er niet boos over dat We je broer zo toegetakeld hebben; er is wat betreft de zaak wie er nu geluk en leed veroorzaakt niemand anders dan de persoon in kwestie zelf die verantwoordelijk is, daar een mens de vruchten plukt van zijn eigen handelen.' 

(39) [En weer tot Krishna:]'Ookal verdient een verwant het vanwege zijn wandaden te worden gedood, behoort hij door een familielid niet ter dood gebracht te worden, maar dient hij in plaats daarvan te worden uitgebannen [uit de familie]; waarom zou hij die door zijn eigen wandaden de dood [van zijn eer] vond, voor een tweede keer ter dood moeten worden gebracht?'

(40) [Tot Rukminî:] 'De heilige code van de krijgsheren zoals ingesteld door de vader der oorsprong [Brahmâ] is dat een broeder zelfs er niet voor moet terugdeinzen zijn eigen broeder te doden. En dat is waarlijk iets heel verschikkelijks.'

(41) [En weer terug tot Krishna:] 'Zij die prat gaan op een koninkrijk, land, rijkdommen, vrouwen, eer en macht of iets anders [dan de ziel] begaan, verblind als ze zijn in hun dwaasheid met de weelde, om die reden inderdaad overtredingen.' 

(42) [En weer tot Rukminî:] 'In deze opstelling van jou jegens alle levende wezens, waarin je hen die vijandig zijn het kwade toewenst en zij die je gunstig gezind zijn met het goede bedenkt, ben je net zo partijdig als welk stuk onbenul ook. (43) Door de begoochelende macht van God wordt bewerkstelligd dat de mensen in de wegen die ze bewandelen verbijsterd zijn over het Ware Zelf zodat zij, die aldus het lichaam aanzien voor de ziel, spreken in termen van het hebben van een vriend, een vijand of van neutraal zijn met iemand. (44) Zij die begoocheld zijn nemen de Ene Ware Opperziel van Alle Dingen en Ieder Belichaamd Wezen waar als zijnde een veelvoud, precies zoals men dat doet met de sterren [ze niet herkennend als een samenhangend sterrenstelsel] of de lucht [die anders zou zijn voor een afgesloten ruimte, zie ook B.G. 18: 20-21 en 1.2: 32]. (45) Het fysieke lichaam dat een begin en een einde kent is samengesteld uit de materiële elementen, de zinnen en de geaardheden der natuur. Door materiële onwetendheid is het iets dat opgelegd is aan het zelf en vormt zo de oorzaak van het ervaren van de kringloop van dood en geboorte. (46) Voor de ziel die in contact staat met onverschillig wat, o kuise, bestaat er geen gescheidenheid vanwege het er uit voortkomen [zoals met een individuele ziel] of onwaarheid vanwege het er door onthuld zijn [als een fysieke gedaante]; zoals dat ook is met de zon in verhouding tot het zien en de vorm waargenomen. (47) Geboren worden en dergelijke zijn enkel transformaties van het lichaam, nooit en te nimmer van de ziel, net als de fasen van de maan niet inhouden dat die is doodgegaan op de dagvan de nieuwe maan. (48) Zoals een slapende persoon zichzelf, zinsobjecten en resultaten van handelen ervaart ookal zijn ze niet echt, ondergaat op dezelfde manier de onintelligente persoon zijn materiële bestaan [zie ook 6.16: 55-56]. (49) Derhalve, o jij met de zuivere lach, wees alsjeblieft jezelf weer [als de godin van het geluk] met de kennis van de essentie die de droefenis resulterend uit onwetendheid verdrijft en die je liefde deed opdrogen en je verwarde.' 

(50) S'rî S'uka zei: 'Zij met haar slanke middel aldus ingelicht door Balarâma, de Opperheer, gaf haar mismoedigheid op en kreeg met intelligentie zichzelf weer in de hand. (51) Met slechts zijn levensadem nog over, uitgestoten door zijn vijanden en beroofd van zijn kracht en luister kon hij [Rukmî] zijn vernedering niet vergeten. Gefrustreerd in zijn persoonlijke verlangens bouwde hij zich toen een verblijfplaats. Het werd een grote stad genaamd Bhojakatha ['de eed ondergaan hebben']. (52) Met het gezegd hebben van 'Zonder dat ik die slechterik Krishna heb gedood, zonder mijn zuster terug te halen, zal ik niet naar Kundina terugkeren', richtte hij kwaad precies op die plek zijn verblijfplaats op. (53) De Allerhoogste Heer, alzo de aardse heersers verslaand, bracht de dochter van Bhîshmaka naar Zijn hoofdstad en trouwde met haar overeenkomstig de vidhi, o beschermer van de Kuru's. (54) Toen dat zich afspeelde was er een grote feestvreugde in iedere woning in de Yadu-stad waar, o Koning, de mensen niemand anders dan Krishna, de leider van de Yadu's, als het voorwerp van hun liefde hadden. (55) De mannen en vrouwen boden, blij met glimmende juwelen en oorhangers, respectvol huwelijksgeschenken aan de bruid en bruidegom, die prachtig waren uitgedost. (56) De stad van de Vrishni's zag er prachtig uit met de feestzuilen die waren opgericht, de keur aan bloemenslingers, de vaandels, de edelstenen en de bogen met bij iedere voordeur een schikking van zegenrijke zaken als potten vol met water, aguru wierook en lampen. (57) Haar straten werden natgesproeid met behulp van olifanten die dropen van de bronst en toebehoorden aan de populaire persoonlijkheden die waren uitgenodigd en bij de deuropeningen werden, om aan de pracht nog toe te voegen, plataan- en betelnootstammen geplaatst.  (58) De leden van de Kuru-, Sriñjaya-, Kaikeya-, Vidarbha-, Yadu- en Kunti-families genoten ervan bij die gelegenheid elkaar te ontmoeten temidden van het volk dat opgewonden druk in de weer was. (59) Vernemend over de ontvoering van Rukminî die alom werd bezongen, raakten de koningen en hun dochters hoogst onder de indruk. (60) O Koning, in Dvârakâ waren al de burgers van de stad dolblij om te zien dat Krishna, de Meester van alle Weelde zich in de echt had verbonden met Rukminî, de godin van het geluk.'

 

 

Hoofdstuk 55

De Geschiedenis van Pradyumna

(1) S'rî S'uka zei: 'Cupido [Kâmadeva], een expansie van Vâsudeva die voorheen door de woede van Rudra werd verbrand, keerde, teneinde een nieuw lichaam te verkrijgen, was naar Hem teruggekeerd [zie ook 3.1: 28 en 8.10: 32-34 en B.G. 10.28]. (2) Hij, uit het zaad van Krishna verwekt in de dochter van de koning van Vidarbha [Rukminî], stond aldus bekend als Pradyumna ['de machtige boven alle anderen', zie ook vyûha] en deed in geen enkel opzicht onder voor Zijn Vader. (3) S'ambara ['de goochelaar' zie 7.2: 4-5, 10.36: 36], die naar believen gedaanten kon aannemen, ging er vandoor met het kind dat nog geen tien dagen oud was. In de wetenschap dat Hij zijn vijand was, gooide hij Hem in zee en keerde toen naar huis terug. (4) Pradyumna werd opgeslokt door een grote vis die tezamen met anderen gevangen in een groot net werd meegenomen door vissers. (5) De vissers boden die wonderlijke vis aan S'ambara aan die het geschenk naar de koks stuurde die het in de keuken opengesneden met een mes. (6) Het kind in de buik aangetroffen werd aan Mâyâvatî gegeven aan wie, verbijsterd als ze was, Nârada uitleg verschafte over de geboorte van het kind en hoe het was beland in de buik van de vis. (7-8) Zij, die door S'ambara was aangesteld om rijst en groenten klaar te maken, was in feite Cupido's beroemde vrouw genaamd Rati die [na bij Heer S'iva te hebben gesmeekt naar S'ambara was gestuurd en daar] wachtte tot haar verbrande echtgenoo een nieuw lichaam had verworven. Inziend dat het kind Kâmadeva was ontwikkelde ze genegenheid voor het kind. (9) Niet zo lang daarna vormde Hij, de zoon van Krishna, tot een jongeling uitgegroeid, een grote bekoring voor de vrouwen die hem zagen. (10) Mijn beste, vol van liefde benaderde zij met een bedeesde glimlach, geheven wenkbrauwen en blikken en gebaren van sexuele aantrekking Hem, haar echtgenoot, de mooiste die er in de samenleving te vinden was met Zijn lange armen en ogen die de vorm hadden van een lotusblaadje. (11) Tot haar zei de Opperheer als Krishna's eigen zoon: 'O moeder in uw houding u afwijkend opstellend als een vriendin, gaat u de gemoedsgesteldheid van de moederlijke genegenheid te buiten.'

(12) Rati gaf ten antwoord: 'Jij bent de zoon van Nârâyana die van thuis werd weggestolen door S'ambara en ik ben Je wettige echtgenote Rati, o Cupido mijn Meester! (13) Jij nog geen tien dagen oud werd door hem, die demon S'ambara, in de oceaan geworpen alwaar een vis Je verslond uit de buik waarvan we Jou toen hier zagen verschijnen o meester! (14) AlsJeblieft, maak een eind aan die moeilijk te benaderen en lastig te verslane vijand van Je die honderden van toverformules kent; dat kan Je lukken met behulp van de begoocheling der magie en zo! (15) Je arme moeder met haar zoon verdwenen, zielig in tranen als een koe zonder haar kalf, is overweldigd als ze is door liefde voor haar kind aan het huilen als een visarend.'

(16) Zich aldus uitlatend gaf Mâyâvatî die grote ziel Pradyumna de mystieke kennis van Mahâmâyâ ['de grote verbijsterende macht'] die een einde maakt aan alle begoochelende bezweringen. (17) Toen Hij daarop S'ambara benaderde om te vechten, beschimpte Hij hem met ondraaglijke beledigingen om een gevecht uit te lokken. (18) Hij beledigd door de krasse termen kwam woest met ogen rood als koper, als was hij een slang geraakt door een voet, op Hem af met een knots in zijn hand. (19) Hard ronddraaiend met zijn strijdknots wierp hij die naar Pradyumna de Grote Ziel, daarmee een geluid voortbrengend zo hard als dat van een blikseminslag. (20) Die werd in zijn vlucht door de Opperheer met Z