Canto 10 - Deel IV:

Het Hoogste Goed

 

 

Hoofdstuk 69 Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

Hoofdstuk 70 Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

Hoofdstuk 71 De Heer Reist naar het Woord van Uddhava naar Indraprastha

Hoofdstuk 72 Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

Hoofdstuk 73 Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

Hoofdstuk 74 De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

Hoofdstuk 75 Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

Hoofdstuk 76 De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

Hoofdstuk 77 Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

Hoofdstuk 78 Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

Hoofdstuk 79 Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

Hoofdstuk 80 Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

Hoofdstuk 81 De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

Hoofdstuk 82 Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

Hoofdstuk 83 Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

Hoofdstuk 84 Vasudeva Offert voor de Wijzen die te Kurukshetra de Weg naar het Succes Wijzen

Hoofdstuk 85 Heer Krishna Instrueert Vasudeva en Haalt Devakî's Zoons Terug

Hoofdstuk 86 Arjuna Ontvoert Subhadrâ, en Krishna Instrueert Bahulas'va en S'rutadeva

Hoofdstuk 87 Het Onderliggende Mysterie: De Gebeden van de Veda's in Eigen Persoon

Hoofdstuk 88 Heer S'iva Gered uit Handen van Vrikâsura

Hoofdstuk 89 Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

Hoofdstuk 90 De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

 

 

 Hoofdstuk 69

Nârada Muni's Visioen van Krishna in Zijn Huishouding

(1-6) S'rî S'uka zei: 'Toen hij hoorde dat Heer Krishna Naraka ter dood had gebracht [zie 10. 59] en dat Hij als enkeling was getrouwd met zo vele vrouwen, wilde Nârada dat wel eens zien [en dacht:]: 'Hoe wonderlijk dit met één enkel lichaam tegelijkertijd getrouwd zijn, in zestienduizend afzonderlijke woningen alleen zijnd met de vrouwen.' Aldus er benieuwd naar kwam de wijze der goden naar Dvârakâ, bloemrijk met zijn parken en lusthoven die weerklonken van de groepjes vogels en zwermen bijen. Bloeiende blauwe lotussen [indîvara's], overdag bloeiende exemplaren [ambhoja's], witte eetbare lotussen [kahlâra's], bij maanlicht bloeiende lotussen [kumuda's] en waterlelies [utpala's] vulden de vijvers luidruchtig met de geluiden van de zwanen en kraanvogels. Er waren, versierd met kristalglas, zilver en grote smaragden, negenhonderdduizend paleiselijke woningen weelderig ingericht met goud en juwelen. Systematisch gepland met vele lanen, wegen, kruispunten en pleinen; met sociale ruimten en bekoorlijke tempels voor de goden, waren zijn paden en hoven, winkelstraten en veranda's, allen besprenkeld met water en werd de zon tegengehouden door de vaandels die aan de vlaggenmasten wapperden. (7-8) In de stad was er een luxueuze wijk waar al de verschillende autoriteiten naar bogen alwaar Tvashtâ [de architect Vis'vakarmâ] voor de Heer zijn kunnen ten volle ten toon had gespreid. Daar ging hij een groot paleis binnen, één van de zestienduizend verblijfplaatsen voor S'auri's echtgenotes die de stad verfraaiden. (9-12) Het werd omhoog gehouden door zuilen van koraal zeer mooi ingelegd met vaidûrya ['kattenoog' edelgesteente], had muren overdekt met saffieren en een immer glanzende vloer, was opgetrokken met baldakijnen door Tvashtâ gebouwd met paarlen neerhangend aan de randen en kende zitplaatsen en bedden gemaakt van ivoor versierd met de fijnste juwelen. Er waren daar goed aangeklede, opgesierde dienstmaagden met hangers om hun nekken en goed geklede mannen met tulbanden en wapenrusting, juwelen en oorhangers. Vele met edelstenen ingelegde lampen verdreven met hun licht het duister en op de dakranden met reliëf, mijn beste, dansten de pauwen luidkeels schreeuwend in het hun voor wolken aanzien van de aguru-rook die opkringelde uit het lattenwerk van de ramen. (13) Binnen zag de geleerde man de Heer van de Sâtvata's samen met Zijn vrouw die Hem koelte toewuifde met een yakstaarten-wuifkwast met een gouden handvat, die op ieder moment ondersteuning verkreeg van een duizendtal dienstmeisjes qua persoonlijke kwaliteiten, schoonheid, jeugd en kwaliteit van kleding gelijk aan haar. (14) De Allerhoogste Heer, de beste van Allen ten Dienste van het Dharma, hem opmerkend, stond direct op van S'rî haar bank en liet hem Zich neerbuigend met samengebrachte handpalmen plaats nemen op Zijn eigen zitplaats. (15) Zelfs al was Hij de Allerhoogste Goeroe van het Levende Wezen, waste Hij zijn voeten en nam Hij dat water op Zijn hoofd; [het water waarmee] Hij als de Meester der Geheiligden met recht de naam draagt van 'de Heer die er voor de Brahmanen is' [Brâhmanya deva] daar het van het heiligdom van Zijn voeten is dat de volledige wassing wordt gevonden [zie ook de verhalen over de Ganges 5.17 & 9.9]. (16) Na zoals in de geschriften voorgeschreven van volle aanbidding te zijn geweest voor de devarishi ging de Grootste Wijze, de Oorspronkelijke Nârâyana, de vriend van Nara, een gesprek met hem aan in afgemeten woorden zo zoet als nectar en vroeg: 'O Meester, wat mogen We betekenen voor de Fortuinlijke?'.

(17) S'rî Nârada zei: 'Het wekt in het geheel geen verbazing dat U, o Almachtige Heerser van Al de Werelden die de afgunstigen onderwerpt, [desondanks] van vriendschap bent voor de mensen, daar U, alom geprezen, er bekend om staat uit eigen beweging te zijn nedergedaald voor het hoogste goed van de continuering en de bescherming van het Levende Wezen [*]. (18) Na het gezien hebben van Uw voetenpaar, die voor Uw toegewijden de weg der bevrijding vormen waarop heer Brahmâ en de andere goden met hun onpeilbare intelligentie mediteren in het hart en die voor hen die gevallen zijn in de put van een materieel bestaan de toevlucht voor hun verlossing vormen, vraag ik om Uw zegen U te mogen herinneren zodat ik tijdens mijn reizen voortdurend aan U kan denken.'

(19) Vervolgens ging Nârada, mijn beste, een ander paleis van een vrouw van Krishna binnen, met het verlangen de mystieke macht der illusie [yoga-mâyâ] van de Meester Aller Yogameesters te leren kennen. (20-22) Er daar, voorwaar, zag hij Hem eveneens, met Uddhava een potje aan het dobbelen, van aanbidding zijnde met bovenzinnelijke toewijding en opstaand met de bedoeling hem te doen plaats nemen enzovoorts, hem vragend, alsof Hij er geen weet van had, 'Wanneer is Uw goede zelf hier aangekomen? Hoe kunnen diegenen [de huishouders] die niet zo compleet zijn, zoals Wij, doen wat behoort te worden gedaan voor hen [de sannyâsî's] die compleet zijn? Hoe dan ook, alstublieft zeg Ons, o brahmaan, hoe in deze geboorte succesvol te zijn', maar Nârada, verbluft, stond op en ging stilletjes naar een ander paleis. (23) En daar zag hij Govinda die Zijn kleine kindjes knuffelde. Toen, in een ander huis, zag hij Hem Zich voorbereidend op een bad. (24) Hier zag hij Hem offers brengen en daar zag hij Hem van aanbidding voor de vijf offervuren [zie mahâ-yajña's] met de gebruikelijke rituelen; dan weer voedde Hij de tweemaal geborenen en ergens anders at Hij de overblijfselen. (25) Ergens van zonsondergang-aanbidding zijnd reciteerde Hij, Zijn spraak beheersend, de mantra [zie gayâtri en japa] en elders bewoog Hij zich rond met Zijn zwaard en schild in de oefengangen. (26) Hier weer bereed de Oudere broer van Gada, paarden, olifanten en wagens en daar weer lag Hij op Zijn sofa bezongen door barden. (27) Op deze plek hield Hij ruggespraak met Zijn adviseurs, Uddhava en anderen en op die plek vermaakte Hij Zich in het water omringd door dansmeisjes en andere vrouwen. (28) Ergens schonk Hij excellente, fraai opgesierde koeien weg aan de tweemaal geborenen en weer elders luisterde Hij naar de zegenrijke klassieke verhalen [de purâna's] en historische epossen [de itihâsa's]. (29) Lachend en grappen makend met Zijn geliefde in deze woning, beoefende Hij ergens anders de religie [dharma], de economie [artha] en de [kâma] fysieke lusten [ter regulatie, zie ook de purushârtha's]. (30) Op een plaats alleen neerzittend om te mediteren op de Oorspronkelijke Persoon Verheven Boven de Materiële Natuur, verrichtte Hij op een andere plaats klusjes voor de ouderen van aanbidding zijnd met gewenste artikelen. (31) Plannen makend voor oorlog met bepaalde lieden hier en elders vrede sluitend, waren Kes'ava samen met Râma ergens anders het welzijn der vromen aan het behartigen. (32) [Hij zag Hem] weelderige huwelijken regelen van dochters en zoons op het juiste tijdstip overeenkomstig de vidhi met echtgenotes en echtgenoten die bij hen pasten. (33) [Hij zag hoe] met de mensen in verwondering met grote vieringen de kinderen van de Meester der Yogameesters van huis werden weggezonden en weer terug werden gebracht. (34) Met uitvoerige offeranden in aanbidding van al de goden druk in de weer hier, was Hij daar overeenkomstig het dharma in publieke dienst voorzieningen aan het treffen als putten, parken en kloosters en dergelijke. (35) Voor een jachtpartij beklom Hij op deze plaats een paard afkomstig uit Sindhî terwijl Hij op een andere plaats, omringd door de meest ondernemende Yadu's, de dieren doodde voor het brengen van offers bestemd [zie **]. (36) Op de ene plek hing de Yogameester in de buurt in vermomming rond in de woningen van Zijn ministers, benieuwd om bij ieder van hen er achter te komen wat hun mentaliteit was. (37) Daarop zei Nârada tot Hrishîkes'a, zijn lachen inhoudend met wat zich zo had ontvouwen van Zijn yogamâyâ van het aannemen van de menselijke rol: (38) 'Zoals waargenomen met de dienst aan Uw voeten hebben we [nu] weet van Uw mystieke vermogens, die zelfs voor de grote mystici moeilijk voorstelbaar zijn, o Heer van de Yoga, o Allerhoogste Ziel. (39) Sta het me toe te volgen in nederigheid, o Godheid, ik zal rondtrekken langs Uw plaatsen doordrongen van Uw faam, luidkeels Uw tijdverdrijf bezingend dat al de werelden zuivert.'

(40) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, Ik ben er de spreker van, Ik ben er de uitvoerder van en Ik ben degene die de sancties stelt het de wereld onderrichtend; met het hierin verwijlen, o zoon, weest niet verstoord.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus zag hij [zoals niemand anders dat kon zien ***] Hem aanwezig in één gedaante in al de woningen de zuiverende spirituele plichten nalevend die er voor de huishouders zijn. (42) Na getuige te zijn geweest van Krishna's onbegrensde kunnen in de uitgebreide, herhaalde manifestatie van Zijn yogamâyâ, stond de ziener vervuld van verwondering verbaasd te kijken. (43) Met de artha, de kâma en het dharma [van het huishoudelijk bestaan, zie ook 7.14] aldus door Heer Krishna's trouwe hart grondig eer aangedaan, ging hij waarlijk verheugd heen Hem in gedachten houdend. (44) Met het aldus volgen van het pad der menselijke wezens genoot Nârâyana, voor ieders welzijn Zijn vermogens gemanifesteerd hebbend, mijn beste, in Zijn voldoening over de verlegen toegenegen blikken en het lachen van zestienduizend van de fijnste gemalinnen. (45) Wie dan ook, mijn beste, die ook maar zingt, luistert of waardering opbrengt [leest over] de zinnelijke activiteiten die, onnavolgbaar in deze wereld, aan de dag worden gelegd door Hem die de oorzaak is van de voleinding, de opwekking en de voortgaande zaak van het universum, zal toewijding ontwikkelen voor de Allerhoogste Heer, hetgeen waarlijk het pad der bevrijding is.

Voetnoten:

 * De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals aangegeven door S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî, zijn alle levende wezens in feite dienaren van de Heer. De âcârya haalt ter verduidelijking er het volgende vers uit de Padma Purâna bij aan:

a-kârenocyate vishnuh
s'rîr u-kârena kathyate
ma-kâras tu tayor dâsah
pañca-vims'ah prakîrtitah

"[In de mantra aum] betekent de letter a Heer Vishnu, de letter u betekent de godin S'rî, en de letter m heeft betrekking op hun dienaar, die het vijfentwintigste element is." Het vijfentwintigste element is de jiva, het levende wezen. Ieder levend wezen is een dienaar van de Heer, en de Heer is de ware vriend van ieder levend wezen. Zelfs dus als de Heer afgunstigen als Jarâsandha de les leest, leidt die afstraffing tot ware vriendschap, aangezien zowel de Heer Zijn bestraffing als Zijn Zegen er zijn voor het heil van het levend wezen.'

** Hoewel deze aktiviteit door de vidhi-regel van dayâ verboden is voor de gewone man en de brahmanen, teneinde fundamenteel van mededogen te zijn met alle levende wezens, is het in bepaalde gevallen toegestaan in de vedische orde dieren te doden. S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: "Overeenkomstig de vedische voorschriften, is het de kshatriya's toegestaan bij bepaalde gelegenheden dieren te doden, dan wel om de vrede in de bossen te handhaven dan wel om dieren te offeren in het offervuur. Kshatriya's wordt het toegestaan de kunst van het doden te beoefenen omdat ze genadeloos vijanden moeten kunnen doden om de vrede in de samenleving te handhaven." [zie ook b.v. 4: 26, 7: 15, 10.1: 4 en 10.56: 13, en 10.58: 13-16].

*** De paramparâ voegt hier aan toe: 'Zoals gesteld in text 2 van dit hoofdstuk, werden al de handelingen in de vele paleizen van de Heer uitgevoerd door de Heer Zijn enkele geestelijke gedaante (ekena vapushâ), welke zich op vele plaatsen tegelijk manifesteerde. Dit visioen werd Nârada vergund vanwege zijn verlangen het te aanschouwen en de Heer Zijn verlangen het hem te tonen. S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî duidt uit dat de andere ingezetenen van Dvârakâ Krishna alleen maar konden zien in dat deel van de stad waar ze zelf zaten, en niet ergens anders, zelfs al gingen ze soms naar een andere wijk voor zaken. Aldus gunde de Heer Zijn geliefde toegewijde Nârada Muni een bijzondere kijk op Zijn spel en vermaak.'

 

 

 

Hoofdstuk 70

Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, met het aanbreken van de dag, werden de kraaiende hanen verwenst door de vrouwen van de Lieve Heer die, bij hun hoofden vastgehouden door hun echtgenoten [de Ene Yogamâyâ Heer in Velen], verstoord waren over [de onvermijdelijke] scheiding. (2) Vogels ontwakend uit hun slaap door de bries van de parijâta-bomen met hun bijen, wekten Krishna luidruchtig zingend als waren ze de dichters aan het hof. (3) Maar Vaidarbhî [Rukminî] hield niet van die zo gunstige tijd van de dag omdat die haar de armen van Krishna om haar heen zou ontzeggen. (4-5) Opstaand tijdens de brahma-muhûrta [het uur voor zonsopgang] beroerde Mâdhava water en maakte Hij Zijn geest vrij, mediterend op het ongeëvenaarde, enige, zelfverlichtende Zelf voorbij alle traagheid der materie dat, onfeilbaar naar zijn [Zijn] eigen aard onophoudelijk de onzuiverheid verdrijft en, gekend als Brahman in de oorzaken van zijn [Zijn] eigen energieën van schepping en vernietiging hierin [in dit universum], de vreugde van het bestaan manifesteert [zie ook 3.29: 31 & 36-37, B.G. 7: 5 & 6 en *]. (6) Toen, overeenkomstig de vidhi een bad genomen hebbend in zuiver water, volbracht Hij, de Meest Waarachtige, na Zich eerst in boven- en onderkleding te hebben gestoken, de gehele reeks van het eerbetoon bij het ochtendgloren en dergelijke en chantte Hij, volgende op uitgietingen in het vuur, rustig Zijn spraak beheersend de vedische mantra [de Gâyatrî, zie ook **]. (7-9) Consequent naar Zijn eigen aard in aanbidding van de opkomende zon Zijn eigen expansies gunstig stemmend - de goden, de wijzen en de voorvaderen, Zijn senioren en mannen van geleerdheid het verschuldigde respect tonend - schonk Hij dag na dag vele, vele gezeglijke koeien met goud op hun horens, zilver voorop hun hoeven en paarlen halssnoeren, die rijk aan melk waren en maar één kalf ter wereld hadden gebracht. Zij, fraai opgetuigd werden aan de geschoolden gepresenteerd met linnen, hertenvellen, sesamzaad en sierselen [zie ook ***]. (10) Met het de koeien, de mannen van scholing, de goddelijken, de ouderen, de geestelijk leraren en alle levende wezens die enkel maar expansies van Hemzelf waren Zijn respect tonend, beroerde Hij [darshan verlenend, alle personen en] goedgunstige dingen. (11) Hij, het sierraad van de samenleving Zelve, kleedde Zich aan met de kleren, de goddelijke bloemenslingers, de kleuren en de juwelen die bij Hem pasten. (12) Met het zowel zorgdragen voor de ghee [gebruikt in de offers] als voor de spiegel bekommerde Hij zich om de koeien, de stieren, de tweemaal geborenen, de goden en de voorwerpen van begeerte, met het voorzien in giften naar de voldoening van alle maatschappelijke groeperingen levend in de stad en het paleis en begroette Hij Zijn ministers ten volle al hun noden lenigend. (13) Allereerst bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta verdelend onder de geschoolden, [en dan] onder Zijn vrienden, Zijn ministers en Zijn vrouwen, was Hij gewoon vervolgens Zelf Zijn deel te nemen. (14) Zijn menner, die tegen die tijd Zijn allerprachtigste strijdwagen had gebracht met ingespannen de paarden Sugrîva en zo voorts [zie 10.53: 5], stond gebogen klaar voor Hem. (15) De wagenmenner zijn handen beethoudend klom Hij toen vergezeld door Sâtyaki en Uddhava naar binnen als was Hij de zon opkomend boven de heuvels in het oosten. (16) Met moeite Zich losmakend van de vrouwen in het paleis die Hem aankeken met blikken verlegen en liefdevol, vertrok Hij, een glimlach prijsgevend die hun geesten vervoerde. (17) Opgewacht door al de Vrishni's betrad hij de zaal bekend als Sudharmâ [zie ook 10.50: 54] die voor hen die er binnengingen de zes golven afweert, mijn beste [zie shath-ûrmi]. (18) De Almachtige, de Beste van de Yadu's, aldaar hoog op Zijn troon gezeten temidden van de Yadu's, de leeuwen onder de mannen, verlichtte alle richtingen in Zijn gloed stralend als de maan aan de hemel omringd door de sterren. (19) Daar waren de hofnarren, o Koning, de Almachtige met verschillende vormen van amusement van dienst, zoals ook op hun beurt de beroeps entertainers [zoals de goochelaars] en de vrouwen die energiek dansten dat deden. (20) Zij dansten op de geluiden van vînâ's, mridanga's en muraja-trommels, fluiten, cymbalen en schelphoorns, terwijl de hofzangers, verhalenvertellers en lofprijzers zongen en de loftrompet staken. (21) Daar spraken brahmanen neergezeten vloeiend vedische mantra's uit terwijl anderen verhalen ophaalden van koningen uit het verleden die beroemd waren om hun vroomheid.

(22) Op een dag werd de aankomst gemeld van een persoon, o Koning, die, door de wachters bij de deur de toegang verleend tot de Fortuinlijke, nog nooit eerder daar gezien was. (23) Na zijn eerbetoon met samengebrachte handpalmen voor Krishna, de Allerhoogste Heerlijkheid, legde hij het lijden voor van de koningen gevangen gehouden door Jarâsandha. (24) Gedurende een campagne van hem in alle windrichtingen waren al die koningen die hem niet in volmaakte onderwerping van dienst waren - zo'n twintigduizend van hen - met geweld vastgezet in de vesting Girivraja. (25) De koningen brachten over: 'Krishna, o Krishna, o onmetelijke Ziel, o U die de angst wegneemt van de overgegevenen; zo uiteenlopend van mentaliteit komen we, bevreesd in ons materiële bestaan, naar U voor onze toevlucht! (26) De hele wereld neigend tot het verkeerde handelen is verbijsterd over de plichten alhier die ten gunste werken in de aanbidding van U naar Uw woord, die, in zoverre men het eigene daarin doet, de macht van het bestaan vormen dienend met langlevendheid en hoop; mogen er de eerbetuigingen zijn voor Hem, de Altijd Waakzame ['die niet aflaat met de Tijd'] die zomaar opeens dit alles afkapt [ten tijde van het stervensuur]. (27) U, de overwegende autoriteit van dit universum, bent nedergedaald met Uw expansie [Balarâma] om de geheiligden te beschermen en de slechten te onderwerpen; we begrijpen niet, o Heer, hoe ook maar iemand anders in overtreding met Uw wet [zoals Jarâsandha] of anders op gezag van zijn eigen creativiteit [zoals wij] dat zou kunnen bereiken. (28) Het voorwaardelijke geluk van koningen, o Heer, is als een droom, altijd vol van angst zijnde met de last van dit sterfelijke lichaam; met het afwijzen van dat geluk van de ziel dat wordt verworven door onzelfzuchtige dienstverlening aan U, hebben wij, met Uw verstandsverbijsterende werkelijkheid van mâyâ alhier, te lijden onder de grootste ellende. (29) Derhalve, o Goedheid wiens voetenpaar het leed verdrijven, verlos alstUblieft ons, de overgegevenen, die in de boeien van het karma werden geslagen door hem die de naam van Maghada voert die, gelijk de koning der dieren met de schapen, in zijn eentje het gezag uitoefenend van een tienduizendtal kwaaie olifanten ons in zijn woonstede gevangen heeft gezet. (30) Achttien maal Uw cakra geheven en hem verpletterd hebbend versloeg Hij U, die zeker in Uw onbegrensde macht in beslag werd genomen door menselijke aangelegenheden, één enkele keer in de slag [zie 10.50: 41 & 10.52: 7]; en nu, vol van trots, kwelt hij ons, Uw onderdanen, o Onoverwinnelijke; alstUblieft zet dat recht!' (31) De boodschapper zei: 'Aldus smachten degenen gevangen gehouden door Jarâsandha, overgegeven aan de basis van Uw voeten, ernaar de aanblik van U te mogen genieten; alstUblieft laat deze arme zielen delen in Uw welvaart!'

(32) S'rî S'uka zei: 'Toen de boodschapper van de koningen zich aldus had uitgedrukt, verscheen de allerhoogste rishi [Nârada] ten tonele die met zijn geelgekleurde, samengeklitte lokken een gloed had gelijk die van de zon. (33) Hem ziend bracht de Allerhoogste Heer Krishna, de Allerhoogste Beheerser van de Beheersers van Alle werelden, met Zijn hoofd Zijn eerbetuigingen, verheugd opstaand tezamen met Zijn volgelingen en de leden van de vergadering. (34) Na met zijn aanvaarden van een zitplaats met hem van eerbetoon te zijn geweest overeenkomstig de regels, sprak Hij met waarachtige, aangename woorden van respect naar de tevredenheid van de wijze: (35) 'Het is een feit dat vandaag de drie werelden volledig zijn bevrijd van alle angst, want dat is nu de kwaliteit van de grote en fortuinlijke [die u bent] rondreizend door de werelden. (36) Er is voorwaar, met de drie werelden zoals ingesteld door hun Beheerser, niets dat u niet bekend is en dus, om die reden, laten we dan van u vernemen wat de plannen van de Pândava's zijn.'

(37) S'rî Nârada zei: 'Vele keren was ik getuige van Uw onoverkomelijke mâyâ, o Almachtige, o U die [zelfs] de Schepper van het Universum Begoochelt [zie 10.14]; bij mij wekt het geen verbazing, o Allesomvattende Ene, dat U door Uw eigen energieën zich beweegt onder de geschapen wezens als een vuur waarvan het licht afgedekt is. (38) Wie is er toe in staat naar behoren de bedoeling te doorgronden van U die middels Zijn eigen energie schept en dit universum weer terugtrekt dat zich manifesteert [voor zijn wezens] om te bestaan in relatie tot U; eerbetuigingen aan Hem, aan U ondoorgrondelijk in Uw wezensaard. (39) Hij die voor de individuele ziel in samsara, die geen bevrijding weet uit de problemen meegebracht door het materiële lichaam, met Zijn avatâra's voor Zijn spel en vermaak Zijn eigen toorts van roem ontsteekt; U, die Heer, benader Ik voor mijn toevlucht. (40) Niettemin zal ik U, o Hoogste Waarheid die de Menselijke Gang van Zaken Imiteert, vertellen wat Uw toegewijde de koning [Yudhishthhira], de zoon van Uw vaders zuster, zich heeft voorgenomen. (41) De koning, de zoon van Pându, de toppositie verlangend wil te Uwent wille de grootste offerplechtigheid die bekend staat als Râjasûya, alstUblieft geef dat Uw zegen. (42) O Heer naar die beste van alle offerplechtigheden zullen alle verlichte zielen en soortgelijk als ook de koningen van zege en glorie toekomen, ernaar uitziend U daar te aanschouwen. (43) Als van het luisteren naar, bezingen van en mediteren op U, het Volle van het Absolute, degenen die buiten de boot zijn gevallen zuivering vinden, wat moet men dan zeggen van hen die U zien en U aanraken? (44) De smetteloze roem van U zich uitbreidend [als een overkapping] in alle richtingen wordt verkondigd in de hemel, in de lagere regionen en op aarde, o Brenger van Al het Geluk voor Al de Werelden, en wordt Mandâkinî genoemd met het goddelijke, Bhogavatî in het lagere en Ganga hier op aarde - het is het water van Uw voeten dat het gehele universum zuivert.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn eigen aanhangers [de Yâdu's] er niet mee instemden omdat ze de overwinning [op Jarâsandha] verlangden sprak Kes'ava glimlachend tot Zijn dienaar Uddhava met een bekoorlijke woordkeuze. (46) De Fortuinlijke zei: 'Jij inderdaad als Onze oogappel en welgezinde vriend weet om die reden volmaakt welke uitdrukking van nut zou zijn in dit opzicht, zeg alsjeblieft wat er moet worden gedaan, We stellen er volkomen vertrouwen in en zullen dat ten uitvoer brengen.'

(47) Aldus verzocht door zijn Behoeder die, alwetend, Zich gedroeg alsof Hij het niet meer wist, gaf Uddhava, die opdracht op zijn hoofd aanvaardend, een antwoord.' 

Voetnoten

* Wat betreft de aangelegenheid van het Brahman in relatie tot de persoon van Krishna voegt de paramparâ toe: 'Iemand die de gunst geniet van de Heer Zijn inwendige vermogen kan de aard doorgronden van de Absolute Waarheid [of het Brahman]; dit begrip wordt het Krishna bewustzijn genoemd'.

** Volgens S'îdhara Svâmî zou Heer Krishna met het in dezen voor zonsopgang eerst brengen van offers en het dan pas doen van de mantra navolgen in de erfopvolging van Kanva Muni [vermeld in 9.20].

*** Met de bevestiging in het M.W. woordenboek van de term badva hier gebruikt in de zin van 'een groot aantal' haalt S'rîdhara Svâmî verschillende vedische geschriften aan om aan te tonen dat in de context van het vedisch ritueel, een badva hier betrekking heeft op 13.084  koeien en geeft hij er verder bewijs van dat het de gebruikelijke praktijk van grote geheiligde koningen in voorgaande tijdperken was om 107 van zulke badva, of groepen van 13.084  koeien weg te schenken. Aldus kan het totaal aantal koeien weggegeven in dit offer, bekend als Mañcâra, hebben opgelopen tot 14 lakhs, ofwel 1.400.000.

 

 

 Hoofdstuk 71

De Heer Reist naar het Woord van Uddhava naar Indraprastha

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij aldus vernam van de woorden uitgesproken door de deva-rishi, sprak de begaafde Uddhava met begrip voor het standpunt ingenomen door de koninklijke vergadering en Krishna. (2) S'rî Uddhava zei: 'O Heer, U moet doen wat de rishi zegt, en hem, de zoon van Uw vader, bijstaan die van zins is een offerplechtigheid te houden, als ook van bescherming zijn voor hen [de koningen] die hun toevlucht zoeken. (3) Aangezien het Râjasûya offer behoort te worden gebracht door degene die het geheel en al in alle windstreken heeft gewonnen, o Almachtige, zal U, naar mijn mening, met het overwinnen van de zoon van Jarâ beide doeleinden dienen. (4) Hieruit zal een groot voordeel voor ons en voor U ressorteren, o Govinda die de gevangen koningen zal bevrijden; dat zal zo gedaan de glorie zijn. (5) Hij [Jarâsandha] een koning qua kracht zo sterk als een duizend olifanten, is inderdaad niet te overwinnen door andere mannen aan de macht, behalve dan door Bhîma die net zo sterk is. (6) Alleen in een wagen-tot-wagen gevecht kan hij worden verslagen, niet met een honderd akshauhinî's bij elkaar; ook zal hij, het brahmaanse toegewijd, nimmer weigeren wat de geschoolden van hem vragen. (7) Aangekleed als een brahmaan op hem afgaand moet Bhîma bedelen om liefdadigheid en zonder aarzeling hem in een man-tot-man gevecht doden in Uw aanwezigheid. (8) Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn van de Beheerser van het Universum, Uw vormeloosheid van de Tijd, enkel het instrument in de schepping en vernietiging. (9) In hun huizen zingen de godbewuste vrouwen van de [gevangen genomen] koningen over Uw onberispelijke daden erop rekenend dat U hun vijand zal doden en U ze zal bevrijden; net als de gopî's [toen ze U misten, zie 10.31] en de heer der olifanten [Gajendra vast gegrepen, zie 8.3], net als de dochter van Janaka [Râmacandra's Sîtâ, zie 9.10] en Uw ouders [in Kamsa's gevangenis, zie 10.3], net als de wijzen met het verworven hebben van Uw beschutting [zie b.v. 9.5] en wij eveneens dat doen. (10) Het doden van Jarâsandha, o Krishna, zal ons zeker een immens voordeel opleveren: de bijkomstige uitnemendheid [der koningen] èn het offer waar Uw voorkeur naar uitgaat.'

(11) S'rî S'uka zei: 'De woorden van Uddhava aldus geuit, in ieder opzicht goedgunstig en feilloos o Koning, werden in reactie door de deva-rishi, de yadu-ouderen en door Krishna eveneens geprezen. (12) De Almachtige Allerhoogste, de zoon van Devakî, van Zijn bovengeschikten [in navolging der menselijke manieren] de toestemming krijgend, droeg toen Zijn dienaren Dâruka, Jaitra en anderen op om voorbereidingen te treffen om te vertrekken. (13) Zijn vrouwen en zoons wegsturend voor de bagage en afscheid nemend van Sankarshana [Balarâma] en de yadu-koning [Ugrasena], o doder van de vijanden, klom Hij in Zijn wagen gebracht door Zijn menner, waarop de vlag van Garuda wapperde. (14) Toen, omringd door Zijn aanvoerders en stoere wacht, wagens, olifanten, infanterie, en cavalerie - Zijn persoonlijke leger - trok Hij er op uit met van alle kanten het weerklinken van de geluiden van mridanga's, bherî hoorns, gomukha hoorns, pauken en schelphoorns. (15) In gouden draagstoelen gedragen door mannen kwamen daarop volgend in mooie kleren, met sieraden, met geparfumeerde olie en met bloemenslingers, Acyuta's vrouwen samen met hun kinderen goed bewaakt door soldaten met schilden en zwaarden in hun handen. (16) De fraai opgesmukte dames van de huishouding en de courtisanes kwamen mee samen met menselijke dragers, kamelen, stieren, buffels, ezels, muildieren, ossenwagens, en wijfjesolifanten beladen met grashutten, dekens, kleding en meer van dat soort zaken. (17) Het enorme leger met een keur aan vlaggenstokken, banieren, parasols, yak-staartenwaaiers, wapens, juwelen, helmen en wapenuitrustingen voor de dag in de stralen van de zon schitterend en glanzend, was met het tumult van zijn geluiden als een oceaan rusteloos met timingila's en golven. (18) Nadat hij van Zijn plan had vernomen en het had goedgekeurd, boog de muni [Nârada], geëerd door de Heer van de Yadu's en gelukkig met de ontmoeting die hij had met Mukunda, zich voor Hem en ging hij, Hem in zijn hart plaatsend, weg door de lucht. (19) De boodschapper van de koningen werd door de Allerhoogste Heer, om hem te behagen met Zijn woord, aangesproken met: 'Vreest niet, o gezant, alle geluk aan u [en de uwen]. Ik zal zorg dragen voor het ter dood brengen van de koning van Mâgadha.'

(20) Aldus toegesproken vertrok de boodschapper en stelde hij de koningen tot in detail op de hoogte, waarop zij, uitziend naar hun bevrijding er toen op wachtten S'auri te ontmoeten. (21) Reizend door Ânarta [het gebied van Dvârakâ], Sauvîra [oostelijk Gujarat], Marudes'a [de woestijn van Rajasthan] en Vinas'ana [het Kurukshetra district], kwam de Heer door heuvels, rivieren, steden, dorpen, graslanden en delfplaatsen. (22) Mukunda eerst de rivier de Drishadvatî overstekend stak toen de Sarasvatî over, trok toen door de provincies Pañcâla en Matsya en bereikte ten slotte Indraprastha. (23) Horend dat Hij, die zich zo zelden laat zien bij de mensen, was aangekomen, kwam hij wiens vijand nog niet ter wereld was gekomen [koning Yudhishthhira] naar buiten, omringd door zijn priesters en verwanten. (24) Met een stortvloed aan geluiden van gezangen en instrumentale muziek en met het weerklinken van hymnen stapte hij op Hrishîkes'a af zo eerbiedig als de zinnen ingesteld op het leven. (25) Toen hij Heer Krishna na zo een lange tijd weer zag smolt het hart van de Pândava van genegenheid waarop hij Hem, zijn innigste vriend, keer op keer omhelsde. (26) De heerser der mensen die het lichaam van Mukunda in zijn armen sloot, het foutloze verblijf van Ramâ, zag al zijn ongeluk vernietigd en bereikte de hoogste verrukking, uitgelaten met tranen in zijn ogen de illusoire aangelegenheid vergetend van het belichaamd zijn in de materiële wereld. (27) Bhîma vervuld van vreugde Hem, zijn neef van moeders zijde, omhelzend lachte het uit van de liefde met ogen overlopend van de tranen en ook van de tweeling [Nakula en Sahadeva], en van Kirîtî ['hij met de helm' ofwel Arjuna] vloeiden rijkelijk de tranen toen ze met vreugde Acyuta, hun innigste vriend, omhelsden. (28) Omarmd door Arjuna, en van de tweeling hun eerbetuigingen hebben ontvangen boog Hij, zoals de etiquette het voorschreef, voor de brahmanen, de ouderen en de achtenswaardige Kuru's, Sriñjaya's en Kaikaya's. (29) De barden, de geschiedschrijvers, de hemelse zangers, de lofsprekers en de grappenmakers, gebruik makend van mridanga's, schelpen, pauken, vînâ's, trommeltjes en gomukha hoorns, zongen, dansten en verheerlijkten met lofzangen allen Hem met de Lotusogen zoals ook de brahmanen dat deden. (30) De Allerhoogste Heer, het Kroonjuweel van de Vermaarden der Vroomheid, ging aldus verheerlijkt door Zijn weldoeners om Hem heen, de versierde stad binnen. (31-32) In de stad van de koning der Kuru's zag Hij de straten besprenkeld met water geurig van de mada [het bronstvocht] van olifanten, kleurige vlaggen, doorgangen versierd met gouden potten vol met water en jonge mannen en vrouwen allen in nieuwe kleren met sieraden, bloemenslingers en sandelhout op hun lichamen. In ieder huis waren lampen aangestoken en offergaven als eerbetoon uitgestald waarbij de rook van wierook door het lattenwerk voor de ramen kringelde en wimpels wapperden vanaf de daken die waren opgesierd met gouden koepels met een brede zilveren onderbouw. (33) Horend van de aankomst van het Reservoir voor de Ogen van de Mens om uit te Drinken, gingen de jonge vrouwen, om toe te kijken, de hoofdstraat van de koning op, onverwijld hun huishoudingen of echtgenoten in bed achterlatend, waarbij in hun gretigheid de knopen in hun haar en kleding losschoten. (34) Daar, zeer druk met olifanten, paarden, wagens en soldaten te voet, kregen ze Krishna in het oog met Zijn vrouwen, en strooiden, terwijl ze Hem in hun harten omhelsden, de vrouwen die op de daken geklommen waren, bloemen met het Hem, breed glimlachend bij hun blikken, bereiden van een hartelijk welkom. (35) Toen ze Mukunda's vrouwen op staat zagen als sterren rondom de maan, riepen de dames uit: 'Wat hebben zij gedaan dat het Diadeem der Mannen hun ogen, met het kleine aandeel van Zijn speelse glimlachen en blikken, de eer van het [hele] feest vergunt? (36) Her en der naderden burgers met zegenrijke gaven in hun handen en waren de meesters der gilden, die hun zonden hadden uitgebannen, van aanbidding voor Krishna. (37) Met het betreden van het paleis van de koning naderden hals over kop de leden van de koninklijke huishouding om vol van liefde met stralende ogen Mukunda te begroeten. (38) Prithâ [koningin Kuntî], toen ze de Zoon van haar broer zag, Krishna, de Beheerser van de drie Werelden, rees samen met haar schoondochter [Draupadî] op van haar bank met een hart vol van liefde om Hem te omhelzen. (39) De koning die Govinda, de Allerhoogste God der Goden, naar Zijn vertrekken bracht kon, overweldigd door zijn grote vreugde, zich niet meer herinneren wat hij allemaal ook weer moest doen voor het eerbiedig vertoon van de aanbidding. (40) Krishna gaf een vertoning van eerbetuigingen ten beste voor de zuster van Zijn vader en de oudere vrouwen, o Koning, en zo ook verbogen zich voor Hem Zijn zuster [Subhadrâ] en Krishnâ [Draupadî]. (41-42) Ertoe aangezet door haar schoonmoeder [Kuntî] bewees Krishnâ met kleding, bloemenslingers, juwelen en zo voorts, al Krishna's vrouwen de eer: Rukminî, Satyabhâmâ, Bhadrâ, Jâmbavatî, Kâlindî, Mitravindâ de nakomelinge van S'ibi, de kuise Nâgnajitî als ook de anderen die waren gekomen. (43) De koning van het dharma [Yudhishthhira] die het Janârdana met Zijn leger, Zijn dienaren en ministers en Zijn vrouwen naar de zin maakte, zag er op toe dat het hen op ieder moment aan niets zou mankeren. (44-45) Verschillende maanden verblijvend naar Zijn wens de koning te behagen, ging Hij, sportief met Arjuna en omringd door lijfwachten, uit rijden met Zijn wagen en stelde Hij, vergezeld van Arjuna, de vuurgod tevreden met het Khândava woud waartoe Maya [een demon] die Hij toen redde, een hemelse raadszaal bouwde [in Hastinâpura].'    

 

Hoofdstuk 72  

Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Eens aan zijn hof zittend temidden van de wijzen, de edelen, de populaire persoonlijkheden, de zakenlieden en zijn broers, nam Yudhishthhira het woord, en zei hij met al de âcârya's, de familie, de ouderen, zijn bloedverwanten, aangetrouwden en vrienden op die manier luisterend, het volgende: (3) S'rî Yudhishthhira zei: 'O Govinda, ik zou graag de veelvoudige glorie van U met de zuiverende koning van alle vuuroffers genaamd râjasûya eren; alstUblieft sta het ons toe dat dat plaats vindt o Meester. (4) Zij die constant in volledige dienstbaarheid mediteren op en van verheerlijking zijn voor Uw slippers, welke de vernietiging afroepen van alles dat ongunstig is, worden gezuiverd; zij, en niet andere personen, o U wiens Navel als een Lotus is, verwerven het beëindigen van een materieel bestaan of verkrijgen, in geval ze wensen koesteren, de voorwerpen van hun verlangen. (5) Derhalve, o God der Goden, toon de bevolking de macht in deze wereld van de dienst aan de lotusvoeten; alstUblieft toon, o Almachtige, de status van die Kuru's en Sriñjaya's die U aldus aanbidden, in verhouding tot de status van diegenen die niet van aanbidding zijn. (6) In Uw geest van Absolute Waarheid kan er geen verschil zijn met wat het Uwe is en van wat van anderen is, daar U de Ziel van Alle Wezens bent die gelijk in Uw visie binnen in Uzelf het geluk ervaart; voor hen die naar behoren van dienst zijn vergunt U als de wensboom de verlangde resultaten in overeenstemming met de dienstbaarheid en hierin [in Uw beantwoorden aan verlangens] schuilt geen tegenspraak.'

(7) De Allerhoogste Heer zei: 'Dit hebt u volmaakt besloten o Koning, hiermee zal de hele wereld getuige zijn van uw zegenrijke roem, o kweller van de vijand! (8) Voor de wijzen, de voorvaderen, de goden en ook de vrienden, o meester van Ons, als ook voor alle levende wezens is deze koning aller offers [de letterlijke betekenis van râjasûja] wenselijk. (9) Met het onder controle brengen van de aarde, al de koningen overwinnend en al de benodigdheden inzamelend, moet u [daarna] de grote offerplechtigheid uitvoeren. (10) Deze broers van u, o Koning, werden geboren als individuele delen van de halfgoden die over de werelden heersen [zie stamboom], en Ik, niet te overwinnen voor hen die zichzelf niet in de hand hebben, geef Me voor u in uw zelfbeheersing gewonnen. (11) Geen persoon, zelfs niet een halfgod of wat te zeggen van een aardse heerser, kan door zijn kracht, schoonheid, roem of macht in deze wereld iemand te boven gaan die Mij is toegewijd.'

(12) S'rî S'uka zei: 'Met een gezicht bloeiend als een lotus, blij het lied [de Gîtâ] van de Allerhoogste Heer te horen, betrok hij, gesterkt met het vermogen van Vishnu, zijn broers in het veroveren van alle windrichtingen. (13) Sahadeva met de Sriñjaya's stuurde hij naar het zuiden, Nakula met de Matsya's in westelijke richting, Arjuna met de Kekaya's naar het noorden en Bhîma met de Madraka's naar het oosten. (14) Zij, de helden, die bij de genade van hun kracht vele koningen onderwierpen brachten van overal een overmaat aan rijkdommen mee naar hem van wie, van plan zijnde de offerplechtigheid uit te voeren, de vijand niet geboren was, o Koning. (15) De koning zich bezinnend op het nieuws dat Jarâsandha niet was verslagen, werd door de Heer, de Oorspronkelijke Persoon, op de hoogte gesteld van de manier daaromtrent door Uddhava geopperd [in 10.71: 2-10]. (16) En zo gingen Bhîmasena, Arjuna en Krishna uitgedost in de kleding van brahmanen gedrieën naar Girivraja, mijn beste, alwaar de zoon van Brihadratha [Jarâsandha] zich ophield. (17) Op het uur vastgelegd voor ongenode gasten naar zijn verblijfplaats gaand bedelden de edelen, zich voordoend als brahmanen, bij de religieuze huishouder die van respect was voor brahmanen: (18) 'O Koning, weet dat behoeftige gasten zijn gearriveerd die van verre kwamen; u al het beste wensend, geef ons alstublieft al wat we verlangen. (19) Wat zou er voor de geduldige niet te verdragen zijn, wat alles is voor de onzedigen onmogelijk te volbrengen, wat kunnen de vrijgevigen allemaal niet wegschenken, wie sluit nu hen die van een gelijke blik zijn buiten? (20) Hij waarlijk is verachtelijk en zielig die, voor zichzelf ertoe in staat, met het tijdelijke lichaam niet de eeuwige roem verwerft zoals bezongen door de geheiligden. (21) Velen als daar zijn Haris'candra, Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali, en de legendarische jager en duif [zie*] inderdaad, begaven zich van het niet-blijvende naar het blijvende.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Echter, uit hun stemmen, hun fysieke voorkomen en de sporen van de boogpees op hun armen zelfs, herkende hij hen als edelen, als leden van de familie die hij al eens eerder had gezien: (23) [hij dacht:] 'Deze verwanten van de adelstand met de kentekenen van brahmanen moet ik geven wat ze ook maar vragen; zelfs mijn eigen zo moeilijk op te geven lichaam. (24-25) Weet men niet van Bali dat de glorie zich wijd en zijd verbreidde door het vlekkeloze van zijn machtsbekleding, ook al werd hij ten val gebracht door Heer Vishnu [Vâmana] die, in de uitdossing van een brahmaan zich voordoend als een tweemaal geborene van Vishnu, Indra's weelde wilde wegnemen. Ofschoon er zich van bewust schonk hij de hele aarde weg, ook al was het de daitya koning [Bali] ontzegd [door zijn goeroe, zie 8.19]. (26) Wat voor zin heeft het ook voor een gevallen kshatriya om te leven, als hij met zijn vergankelijke lichaam zich niet beijvert ten gunste van de meerdere eer en glorie van de brahmanen? (27) Aldus breed van opvattingen zei hij tot Krishna, Arjuna en Vrikodara ['wolvenbuik' ofwel Bhîma]: 'O mannen van de leer, vraag me wat u maar wilt, ik geef u zelfs mijn eigen hoofd!'

(28) De Opperheer zei: 'Alstublieft hoogmogende Koning, lever strijd met ons in een man-tot-man gevecht als u dat aanstaat; wij, leden van de adelstand, zijn naar hier gekomen met de wens te vechten en verlangen niets anders. (29) Die daar is Bhîma, de zoon van Prithâ en deze andere hier voorwaar is Arjuna en Ik, Ik ben Krishna hun neef van moeders zijde, uw vijand moet u weten [zie 10.50].'

(30) Aldus uitgedaagd moest de koning van Magadha hard lachen inderdaad en zei hij vol minachting: 'In dat geval, zal ik jullie slag leveren, jullie dwazen! (31) Maar ik ga het gevecht niet aan met Jij, die laf, in de strijd in kracht tekort schietend, je eigen stad Mathurâ hebt achtergelaten vertrekkend naar een veilig plaatsje in de oceaan. (32) En wat betreft hem hier, Arjuna, hij, niet oud genoeg en ook niet zo heel sterk, is geen partij voor mij en moet niet de tegenstander vormen; Bhîma is degene die net zo sterk is als ik.'

(33) Met die uitspraak gaf hij Bhîma een grote knots en begaf hij, zelf een andere ter hand nemend zich buiten de stad. (34) Toen, tegenover elkaar in het strijdperk, sloegen de twee helden op elkaar in met hun bliksemschicht-gelijke strijdknotsen, door het gevecht tot een dolle woede gedreven. (35) Kundig links- en rechtsom cirkelend lieten de twee, zich in het gevecht rondbewegend, zo schitterend zien als acteurs op een toneel. (36) Vervolgens zwaaiden ze met hun knotsen in botsing, met een geluid lijkend op de inslag van de bliksem, o Koning, samenkletterend als de slagtanden van olifanten. (37) In woede ontstoken hevig vechtend als een paar olifanten werden, met de snelle kracht van hun armen ze machtig tegen elkaars schouders, heupen,voeten, handen dijen en sleutelbeenderen zwaaiend, de knotsen in het contact stukgeslagen als betrof het een stel arka-takken. (38) Met hun strijdknotsen aldus aan gruzelementen bewerkten de twee grote helden onder de mensen elkaar kwaad met hun vuisten, in het slaan zo hard als ijzer, waarbij, met hen twee vechtende olifanten, het geluid voortgebracht door de klappen van hun handen aanzwol tot het geluid van donderslagen. (39) Met de twee, gelijk qua training en kracht in uithoudingsvermogen, aldus toeslaand was het gevecht onbeslist en duurde het onafgebroken voort, o Koning. [**] (40) Op de hoogte van de geboorte en dood van de vijand en hoe hij in het leven was geroepen door Jarâ [zie 9.22: 8 en ***], begiftigde Krishna de zoon van Prithâ met Zijn eigen denkvermogen. (41) Na vastgesteld te hebben wat de manier was om hun vijand te doden toonde Hij wiens visie Onfeilbaar is het aan Bhîma door bij wijze van teken een twijg in tweeën te splijten. (42) Dat begrijpend greep de immens sterke Bhîma, de beste aller vechters, zijn vijand bij de voeten beet en liet hij hem op de grond vallen. (43) Met zijn voet boven op één been staande greep hij met beide handen het andere vast en reet hij, als een olifant met een boomtak, hem van zijn anus naar boven uiteen. (44) De koning zijn onderdanen zagen twee stukken met ieder een been, een dij, een heup, een rugdeel, een schouder, een arm, een oog, een wenkbrauw en een oor. (45) Met de dood van de heer van Magadha steeg een grote schreeuw van treurnis op, terwijl Arjuna en Acyuta beiden Bhîma omhelsden hem feliciterend. (46) Door de Ondoorgrondelijke Ene Allerhoogste Heer en Onderhouder van Alle Levende Wezens werd zijn zoon Sahadeva gekroond tot de heer en meester der Magadha's en werden de door de koning van Magadha gevangen genomen koningen vrijgelaten.

Voetnoten

* Het verhaal luidt dat de duif en zijn partner hun eigen vlees aan een jager gaven als bewijs van hun gastvrijheid, en zo naar de hemel werden overgebracht in een hemels voertuig. Toen de jager hun positie vanuit de geaardheid goedheid doorzag, raakte hij ook verzaakt, en gaf hij aldus het jagen op en vertrok hij om boete te doen. Omdat hij bevrijd was van alle zonde werd hij, nadat zijn lichaam in een bosbrand verbrandde, tot de hemel bevorderd.  

** Sommige âcârya's nemen de volgende twee verzen mee in de tekst van dit hoofdstuk, en S'rîla Prabhupâda vertaalde ze ook in 'Krishna':

evam tayor mahâ-râja
yudhyatoh sapta-vims'atih
dinâni niragams tatra
suhrid-van nis'i tishthhatoh

ekadâ mâtuleyam vai
prâha râjan vrikodarah
na s'akto 'ham jarâsandham
nirjetum yudhi mâdhava

"Aldus, o Koning, gingen ze tweeënzeventig dagen door met vechten. Aan het eind van iedere dag vechten, leefden beiden 's nachts als vrienden in Jarâsandha's paleis. Toen op de achtentwintigste dag, o Koning, zei Vrikodara [Bhîma] zijn neef van moeders zijde, 'Mâdhava, ik kan Jarâsandha niet in de strijd verslaan.' "

*** S'rîla Prabhupâda schrijft "Jarâsandha werd in twee verschillende delen geboren uit twee verschillende moeders. Toen zijn vader zag dat de baby geen nut had, wierp hij de twee delen in het woud, waar ze later werden gevonden door een heks met een zwart hart genaamd Jarâ. Zij slaagde erin de twee delen van de baby van top tot teen samen te voegen. Hiermee bekend, wist Heer Krishna daarom ook hoe hem te doden."

 

Hoofdstuk 73

Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

(1-6) S'rî S'uka zei: 'De achtentwintighonderd [koningen] die in de strijd waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt, dronken ze zich vol met hun ogen en was het alsof ze met hun tongen aan het likken waren, alsof ze met hun neusgaten op konden snuiven en in hun armen konden sluiten, Hem, donkergrijs als een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het s'rîvatsateken, met vier armen, bekoorlijke ogen roze als de werveling van een lotus, een aangenaam gezicht, de glimmende makara [zeemonster-vormige] oorhangers; met een lotus, een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen; een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel en de armbanden die Hem opsierden en met het schitterend mooie juweel en een bosbloemenslinger om Zijn nek. Zij, wiens zonden waren vernietigd, bogen voor Zijn voeten met hun hoofden voorover. (7) En met dat de koningen met samengebrachte handen met hun woorden de Meester der Zinnen prezen, werd door de extase van het ontmoeten van Krishna de zwaarmoedigheid van de gevangenschap weggevaagd.

(8) De koningen zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan U, o God der Goden, o Heer der Overgegevenen en Verdrijver van het Leed, o Onuitputtelijke; alstUblieft, o Krishna, redt ons overgegevenen, wanhopig van de verschrikking van het materiële bestaan. (9) O Mâdhava, we wijzen niet met onze vinger, o Meester, naar de heerser van Magadha, aangezien het door Uw beijveren van de goede zaak is, o Almachtige, dat koningen [in weerwil] uit hun positie ten val komen. (10) Gestimuleerd met de heerschappij en weelde de stem verheffend slaagt een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het ware voordeel te behalen. (11) Op dezelfde manier als een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas water, zien zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen het illusoire onderhevig aan verandering voor iets substantieels aan. (12-13) Wij die voorheen met het verlustigen over de weelde het zicht verloren, ruziënd met elkaar over het veroveren van deze aarde, belaagden zeer genadeloos onze eigen burgers, o Meester, en hebben met de dood voor ogen hoogmoedig U buiten beschouwing gelaten. Zij, wij inderdaad o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde, in onze trots vernietigd door de genade van Uw persoonlijke gedaante, de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt; mogen wij alstUblieft leven met Uw voeten in gedachten. (14) Van nu af aan smachten we niet langer naar een koninkrijk dat, zich vertonend als een luchtspiegeling, voortdurend moet worden gediend met het materiële lichaam dat onderhevig aan verval, een bron van ziekte vormt; noch, o Almachtige, verlangen we naar de vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals zo aantrekkelijk voor het oor [vergelijk B.G. 1.32-35]. (15) AlstUblieft onderricht ons in de manier waarop we Uw lotusgelijke voeten mogen herinneren, ook al blijven we telkens weer naar deze wereld terugkeren [zie B.G. 8: 14]. (16) Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen voor Krishna, de zoon van Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen; voor Govinda, de Vernietiger van het Leed.'

(17) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht, loffelijk geprezen door de koningen bevrijd uit hun gebondenheid, mijn beste, sprak hen genadig toe in aangename bewoordingen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik verzeker jullie, van nu af aan, o Koningen, zal, zoals jullie dat wensen, jullie zeer ferme toewijding zich opwerpen voor Mij, het Zelf en de Beheerser van Allen. (19) Jullie besluit is een gelukkig besluit, o heersers, daar Ik zie dat jullie naar waarheid spreken over de schreeuwerige verdwazing met de weelde en de macht die de mensheid zo tot waanzin drijft. (20) Haihaya [of Kârtavîryârjuna 9.15: 25], Nahusha [9.18: 1-3], Vena [zie 4.14], Râvana [9.10], Naraka [of Bhauma 10.59: 2-3] en anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en mensen omdat ze door de weelde onder de invloed geraakt waren. (21) Jullie, met in gedachten dat dit materiële lichaam en dergelijke is onderworpen aan geboorte en dood, behoren, verbonden met Mij in aanbidding met offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma te beschermen. (22) Geplaatst voor lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je er mee bezig houden generaties nageslacht te verwekken, met geesten gefixeerd in het aanvaarden van Mij. (23) Neutraal t.o.v. het lichaam en dat alles en standvastig in de geloften innerlijk tevreden, zullen jullie, met de volle concentratie van de geest op Mij, ten slotte Mij bereiken, het Absolute van de Waarheid [vergelijk B.G. 4: 9; 8: 7; 9: 28; 12: 3-4].'

(24) S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Beheerser van al de Werelden, aldus de koningen instruerend zette dienaren en dienstmaagden aan het werk ze een bad te geven. (25) O afstammeling van Bharata, hij liet Sahadeva [Jarâsandha's zoon] ze, zoals dat hen paste, voorzien van kleding, sierselen, bloemenslingers en sandelhoutpasta. (26) Naar behoren gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen waardig, zoals betelnoot en dergelijke. (27) Geëerd door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten aan het eind van het regenseizoen. (28) Na ze op wagens met fijne paarden versierd met goud en edelstenen te hebben gezet, stuurde Hij, ze bevredigend met aangename woorden, heen naar hun eigen koninkrijken. (29) Zij, de grootste persoonlijkheden, aldus door Krishna bevrijd van alle moeilijkheden gingen weg, uitsluitend mediterend op de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum is. (30) Tot hun ministers en andere medewerkers spraken ze van de handelingen van de Hoogste Persoonlijkheid en brachten ze alles zonder laksheid ten uitvoer zoals de Heer het had opgedragen. (31) Na Jarâsandha door Bhîmasena te hebben laten doden, vertrok, aanbeden door Sahadeva, Kes'ava, begeleid door de twee zoons van Prithâ. (32) Aankomend in Indraprastha bliezen ze op hun schelphoorns waarmee ze de vijanden die ze versloegen misnoegden en [nu] hun weldoeners vreugde bereidden. (33) De ingezetenen van Indraprastha in hun harten verheugd dat te horen, begrepen dat Jarâsandha de vrede was opgelegd en dat de koning [Yudhishthhira] zijn doelen waren bereikt. (34) De koning toen hun respect betonend verhaalden Arjuna, Bhîma en Janârdana over alles wat ze gedaan hadden. (35) De koning van het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde, in extase door Krishna's genade tranen plengend uit liefde.

 

 

Hoofdstuk 74

De Râjasûya: Krishna Nummer Een en S'is'upâla Gedood

(1) S'rî S'uka zei: 'Yudhishthhira, de koning, die aldus vernam over het ter dood brengen van Jarâsandha en het machtsvertoon van de almachtige Krishna, richtte zich verheugd daarover tot Hem. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'Al de geestelijk leraren, de inwoners en de grote beheersers die er zijn van de drie werelden, dragen de waarlijk zelden verworven beschikking [van U] op hun hoofden. (3) Dat Hij, de Lotusogige Heer, Uzelve, instructies aanneemt van die bij de dag levende mensen [zoals wij] die zichzelf de beheersers achten, steekt, o Allesdoordringende, me nog het meest. (4) Zoals met de zon inderdaad, neemt van de ene Zonder Zijns Gelijke, de Absolute Waarheid, de Superziel, de macht niet af noch neemt die toe met [Zijn] activiteiten [zie: B.G. 2: 40]. (5) O Mâdhava, de verwrongen mentaliteit van het verschil maken met 'jij' en het 'jouwe' en 'ik' en het 'mijne', alsof men van de dieren is, is waarlijk niet de Uwe, o Onoverwinnelijke, noch hoort die Uw bhakta's toe.'

(6) S'rî S'uka zei: 'Aldus sprekend koos de zoon van Prithâ, op de juiste tijd voor de offerplechtigheid, met de toestemming van Krishna de geschikte priesters uit, de brahmanen die de vedische experts waren: (7-9) Dvaipâyana [Vyâsa], Bharadvâja, Sumantu, Gotam, Asita, Vasishthha, Cyavana, Kanva, Maitreya, Kavasha, Trita, Vis'vâmitra, Vâmadeva, Sumati, Jaimini, Kratu, Paila, Parâs'ara, Garga, Vais'ampâyana, als ook Atharvâ, Kas'yapa, Dhaumya, Râma van de Bhârgava's [Pâras'urâma], Âsuri, Vîtihotra, Madhucchandâ, Vîrasena en Akritavrana. (10-11) Eveneens uitgenodigd waren anderen als Drona, Bhîshma, Kripa en Dhritarâshthra met zijn zoons, en de hoogst intelligente Vidura; koningen met hun koninklijk gevolg, brahmanen, kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's, die graag het offer wilden bijwonen, kwamen allen, o Koning. (12-13) Toen trokken de brahmanen met gouden ploegscharen voren op de plaats waar de goden zouden worden aanbeden, en wijdden ze de koning overeenkomstig de voorschriften. (14-16) De hulpmiddelen waren van goud inderdaad zoals in het verleden met Varuna [vergelijk 9.2: 27]. De heersers der werelden met Indra voorop, met inbegrip van Brahmâ en S'iva; de vervolmaakten en de hemelse zangers met hun toegehorigen; de geleerden, de grote serpenten [v.i.p.'s, ego's], de wijzen, de behoeders van de rijkdom en de wildemannen; de vogels van de hemel [zie khaga], de machtigen, de achtenswaardigen en de aardse koningen uitgenodigd, als ook de vrouwen van de koningen kwamen van overal naar het Râjasûya-offer dat zij, in het geheel niet verrast, voor een toegewijde van Krishna heel gepast vonden. (17) Op de dag van het extraheren van het soma-sap vereerde de koning heel aandachtig de offeraars en de verheven persoonlijkheden in de vergadering. (18) De leden gezeten in de vergadering, zich bezinnend op wie van hen het verdiende als eerste te worden vereerd, konden niet tot een besluit komen daar er velen waren [die in aanmerking kwamen]; toen sprak Sahadeva [de Pândava] zich uit: (19) 'Acyuta is het voorzeker die de allerhoogste positie verdient, Hij is de Opperheer, de leider van de Sâtvata's, Hij zonder twijfel staat borg voor al de halfgoden zowel als de plaats, de tijd en de benodigdheden en dergelijke. (20-21) Dit universum zowel als de grote offerplechtigheden, het offervuur, de offergaven en de aanheffingen zijn op Hem gegrondvest en het analytische en de yoga doelen op Hem. Hij is de Ene zonder Zijns gelijke waarop het Levende wezen bouwt; de Ongeborene op Zichzelf alleen vertrouwend, o leden van de vergadering, die schept, handhaaft en vernietigt. (22) Hij brengt de verschillende handelingen alhier teweeg; naar Zijn genade beijvert de hele wereld zich en volgt ze haar idealen bekend staande als de religiositeit en zo voorts [de purushartha's]. (23) Derhalve komt de grootste eer Krishna toe, de Allerhoogste; als we het op deze manier doen, zullen we alle levende wezens eer aan doen zowel als ons zelf. (24) Het moet Krishna worden gegund, de Ziel van alle wezens die niemand als afzonderlijk beziet; aan de Ene der Vrede Volmaakt en Volkomen die voor hem die het wederkerige verlangt, het Onbegrensde is [het Oneindige van de Wederkerigheid].'

(25) Sahadeva zich aldus uitlatend viel stil en allen goed en waarachtig die dit hoorden zeiden, wel bekend met Krishna's invloed, gelukkig: 'Dit is uitstekend, heel goed!'

(26) De koning, toen hij hoorde wat de twee maal geborenen onder woorden brachten, aanbad, blij te weten van de tevredenheid van de leden van de vergadering, overweldigd door liefde Hrishîkes'a ten volle. (27-28) Zijn voeten wassend en het water dat de wereld zuivert op zijn eigen hoofd nemend, het met genoegen naar zijn vrouw, zijn broers, zijn ministers en familie brengend, was hij, Hem met kostbare zijden kledingstukken en juwelen vererend, met zijn ogen gevuld met tranen niet in staat Hem recht aan te kijken. (29) Hem vereerd ziend op deze manier riepen al de mensen met samengebrachte handpalmen uit: 'De eerbetuigingen aan U, U zij de glorie!' en daarbij voor Hem voorover buigend regende het bloemen.

(30) De zoon van Damaghosha [S'is'upâla, zie 10.53] die dit hoorde kwam, geprikkeld over de beschrijvingen van Krishna's kwaliteiten, kwaad met zijn armen zwaaiend van zijn zitplaats overeind en zei, zich resoluut tot de Fortuinlijke richtend in ruwe taal, dit temidden van de vergadering: (31) 'Het vedische woord van waarheid dat de Tijd de onvermijdelijke beheerser is, is bewaarheid aangezien zelfs de intelligentie van de ouderen door de woorden van een jongen op een dwaalspoor kon worden gezet! (32) U allen weet zelf het beste wie de meest lofwaardige is; alstublieft, u allen leiders van de vergadering, besteed geen aandacht aan de uitspraken van de jongen dat Krishna zou moeten worden verkozen om te worden geëerd. (33-34) U laat leiders in de vergadering buiten beschouwing, beste wijzen de Absolute Waarheid toegewijd die, door lokaal gezag hooggehouden, middels geestelijk verstaan, verzaking, vedische kennis en geloften hun onzuiverheden uitbanden - hoe kan een koeherder, de schande van Zijn familie, het verdienen - niet meer dan een kraai de heilige rijstcake verdient - te worden aanbeden? (35) Hoe kan Hij, onafhankelijk optredend, die het ontbreekt aan kula [een juiste opvoeding] varna [beroepsmatig behoren] en âs'rama [plichtbesef naar leeftijd], de kwaliteiten missend, het verdienen te worden vereerd? (36) Met hun [Yadu-] dynastie vervloekt door Yayâti [zie 9.18: 40-44], uitgestoten door personen van goed gedrag [zie 10.52: 9] en begeertig verslaafd aan de drank [e.g. 10.67: 9-10], hoe kan er zo een de aanbidding nu waard zijn? (37) Met het achter zich laten van de gronden [van Mathurâ] gezegend door de brahmaanse wijzen namen dezen hun toevlucht tot een vesting in zee [10.50: 49] alwaar het brahmaanse niet wordt nageleefd [10.57: 30], als dieven de mensen moeilijkheden bezorgend [e.g. 10.61].'

(38) Tegen hem van wie, zich bediendend van dergelijke en nog meer grove bewoordingen, het goede geluk was geruïneerd, zei de Allerhoogste Heer geen stom woord, als een leeuw zo stil tegenover het gehuil van een jakhals. (39) Toen de leden van de vergadering die onverdragelijke kritiek hoorden, bedekten ze hun oren en liepen ze weg, de koning van Cedi kwaad vervloekend. (40) Een persoon Hem toegewijd die niet weggaat van de plaats waar kritiek op de Opperheer wordt gehoord; gaat zonder meer onderuit, weggevallen van zijn goede daden. (41) De zoons van Pându en de Matsya's, Kaikaya's en S'rinjaya's stonden toen, kwaad geworden, hun wapens heffend op, klaar om S'is'upâla te doden. (42) Daarop, o nazaat van Bharata, nam S'is'upâla in het geheel niet onder de indruk zijn zwaard en schild ter hand, en beledigde hij de koningen in de vergadering die voorstanders van Krishna waren. (43) Op dat moment hield de Opperheer Zijn toegewijden tegen en scheidde Hij vertoornd de vijand zijn hoofd van zijn romp met Zijn scherpgerande schijf. (44) Met S'is'upâla ter dood gebracht was er een enorm tumult van protest toen de koningen die partij voor hem hadden gekozen vrezend voor hun leven het gehoor ontvluchtten. (45) Voor ogen van alle levenden rees uit het lichaam van S'is'upâla een licht omhoog dat Krishna binnenging als was het een meteoor die vanuit de hemel op de aarde viel [zie 10.12: 33]. (46) Zich uitstrekkend over drie geboorten geobsedeerd door een geest van vijandigheid, werd aldus mediterend de Eenwording met Hem bereikt [B.G. 4: 9]; waarlijk, is iemands houding de oorzaak van zijn wedergeboorte! [zie B.G. 8: 6 & Jaya en Vijaya] (47) De keizer gaf uit dankbaarheid de priesters en de leden van de vergadering een overvloed aan geschenken, ze allen naar behoren respecterend zoals de geschriften het voorschreven, en voerde de avabhritha ceremonie op [van het zichzelf en de benodigdheden wassen om het offer te beëindigen]. (48) Krishna, de Beheerser van de Beheersers der Yoga, er op toe ziend dat de offerplechtigheid van de koning werd uitgevoerd, bleef een paar maanden [in Indraprastha] op het verzoek van Zijn weldoeners. (49) Toen, met permissie van een weigerachtige koning, ging de zoon van Devakî, Is'vara, met Zijn vrouwen en Zijn ministers weg naar Zijn eigen stad. (50) Het verhaal over de twee ingezetenen van Vaikuntha die als gevolg van een vloek van de geleerden keer op keer geboorte moesten nemen, is door mij tot in detail aan u uiteengezet [zie 3.16]. (51) Koning Yudhishthhira temidden van de brahmanen en kshatriya's zich badend met de avabhritha van de rajasûja straalde zo schitterend als de koning der halfgoden. (52) Al de goden, mensen en wezens in de hemel [de mindere goden, de pramâtha's] keerden, geëerd door de koning, gelukkig terug naar hun eigen rijken, vol van lof over Krishna en de offerplechtigheid. (53) [Allen waren gelukkig], behalve de zondige Duryodhana, de plaag van de Kuru dynastie en verpersoonlijking van het Tijdperk van de Redetwist, die, met de bloei van de weelde voor ogen, dat van de Pândava's niet kon verdragen.

(54) Hij die deze handelingen van Heer Vishnu, van het bevrijden van de koningen, de offerplechtigheid en het doden van de koning van Cedi en dergelijke hoort, raakt verlost van alle zonde.

 

 

Hoofdstuk 75

Het Afronden van de Râjasûya en Duryodhana Uitgelachen

(1-2) De achtenswaardige koning zei: 'Al de goden der mensen, o brahmaan, die bijeenkwamen voor het râjasûya offer van Ajâtas'atru [hij wiens vijand nog geboren moest, ofwel Yudhishthhira], waren verrukt over de grote feestelijkheid die ze zagen: de koningen, de wijzen en de goddelijken, zo vernam ik mijn heer, behalve dan Duryodhana; alstublieft stel ons op de hoogte van de reden hiervan.

(3) De zoon van Vyâsa zei: 'Bij het râjasûya offer van de grote ziel die je grootvader is, waren al de familieleden verbonden in goddelijke liefde, in alle bescheidenheid erbij betrokken hem van dienst te zijn. (4-7) Bhîma was belast met de keuken, Duryodhana zag toe op de financiën, Sahadeva regelde de ontvangst en Nakula bracht al het nodige bij elkaar. Arjuna was de leermeesters van dienst, Krishna waste de voeten, de dochter van Drupada diende het voedsel op en de edelmoedige Karna deelde de giften uit. Yuyudhâna,Vikarna, Hârdikya, Vidura en anderen als de zonen van Bâhlîka met Bhûris'ravâ voorop en Santardana, waren, volijverig de koning te behagen, ermee druk tijdens de uitvoerige offerplechtigheid te zijn ingezet voor de uiteenlopende plichten, o beste der koningen. (8) De priesters, zij van aanzien die voorgingen, de hoog geleerden en allen goed en welgezind, gepast vereerd met aangename woorden, zegenrijke gaven en geschenken uit dank, voerden, nadat de koning van Cedi de voeten van de meester der Sâtvata's was binnengegaan, het avabhritha-baden in de rivier van de hemel [de Yamunâ] uit. (9) Ter aanvang van de avabhritha viering weerklonk de muziek van een keur aan gomukha hoorns, pauken, grote trommen, mridanga's, kleinere trommels en schelphoorns. (10) Dansmeisjes dansten en zangers zongen vreugdevol in groepen toen de luide klanken van hun vînâ's, fluiten en hand-cymbalen de hemel roerden. (11) De koningen met ketenen van goud gingen op weg [naar de Yamunâ] met voetvolk, vlaggen en banieren van verschillende kleuren, uitstekende majestueuze olifanten, en fijn opgetuigde wagens en paarden. (12) De Yadu's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kuru's, Kekaya's en Kos'ala's met hun legers, met voorop geplaatst [de koning,] de uitvoerder van het offer, deden de aarde schudden. (13) De voorgangers, de priesters, de brahmanen met een overweldigend geluid uitblinkend in de Veda's, de goden en de wijzen, de voorvaderen en de zangers van de hemel, reciteerden verzen terwijl de bloemen neerregenden. (14) Mannen en vrouwen fraai opgesierd met sandelhoutpasta, bloemenslingers, juwelen en kleding, besmeurden en besprenkelden elkaar spelend met verschillende vloeistoffen. (15) De courtisanes werden door de mannen in het spel, met yoghurt en geparfumeerd water vol met turmeric- en vermiljoenpoeder ondergesmeerd, en zo besmeurden ook zij hen op hun beurt [*]. (16) De koninginnen bewaakt door de soldaten gingen, net als de vrouwen van de goden in hun hemelwagens in de lucht, er op uit om dit met eigen ogen te aanschouwen en terwijl ze door hun neven en vrienden werden natgespoten, kwamen ze prachtig voor de dag met bloeiende gezichten en bedeesde glimlachen. (17) Zij, hun zwagers, hun vrienden enzovoorts, spoten elkaar allemaal nat met spuiten waarbij hun armen, borsten, dijen en middel als gevolg van de opwinding ontbloot raakten met hun kleren doorweekt en uit hun verband, en de bloemen in hun haar gevlochten losgeschoten; en aldus brachten ze op die manier bekoorlijk verder spelend hen van streek die onrein van geest waren. (18) Hij, de keizer klom in zijn wagen met de beste paarden ervoor en straalde, met goud omhangen, het met zijn vrouwen in alle richtingen uit als was hij de koning der offers, de râjasûya met al zijn rituelen, in eigen persoon. (19) Na de patnî-samyâja [**] en avabhritha plechtigheden te hebben uitgevoerd, lieten de priesters hem de âcamana van het sippen van water ter zuivering uitvoeren, en hem samen met Draupadî een bad nemen in de Ganges. (20) De pauken van de goden weerklonken tezamen met die van de mensen terwijl de goden, de wijzen, de voorvaderen en de mensen een stortvloed van bloemen lieten neerregenen. (21) Hierna namen de mensen van alle rangen en standen een bad aldaar, op de manier waarop zelfs de grootste zondaar op slag kan worden bevrijd van alle smetten. (22) Daarna trok de koning een nieuw stel zijden kleren aan en vereerde hij fraai opgesierd de priesters, de voorgangers en de brahmanen met juwelen en kleding. (23) Op verschillende manieren putte de koning, Nârâyana toegewijd, zich uit in zijn respectbetoon voor de koningen, zijn vrienden, weldoeners, naaste verwanten, aangetrouwde familie als ook anderen. (24) Al de mannen, met juwelen en oorhangers, bloemen dragend en tulbanden, jasjes en zaken van zijde, zowel als met de meest kostbare parelkettingen om, straalden als de halfgoden; en zo ook deden dat de vrouwen die met de schoonheid van hun gezichten opgesierd met paren oorhangers en haarlokken en met gouden gordel om, prachtig schitterden. (25-26) Toen, met zijn permissie, gingen de hoog geëerde priesters, de voorgangers, de experts in de Veda's, de brahmanen, de kshatriya's, de vais'ya's, de s'ûdra's en de koningen die waren gekomen en, o koning, tezamen met hun gevolg, de plaatselijke autoriteiten, de geesten, de voorvaderen en de halfgoden waren vereerd, terug naar hun eigen verblijfplaatsen. (27) Als sterfelijke lieden met het drinken van de amrita konden ze er werkelijk geen genoeg van krijgen de loftrompet te steken over de grote viering van het râjasûya-offer van de geheiligde koning, de dienaar van Heer Krishna. (28) Er door gekweld van Krishna te zijn gescheiden hield koning Yudhishthhira zoals gezegd [in 10.74: 48] door liefde gedreven zijn familieleden en verwanten tegen. (29) Mijn beste, handelend terwille van zijn genoegen bleef de Allerhoogste Heer daar, waarbij Hij de yaduhelden die aldus door Sâmba werden aangevoerd wegstuurde naar Dvârakâ. (30) Op deze manier raakte de koning, de zoon van Dharma [Yamarâja ofwel Dharma, de heer der plichten]  die met succes de moeilijk over te steken oceaan van zijn verlangens overstak, door Krishna bevrijd van de koorts [zie ook 10.63: 23].

(31) Duryodhana deed het zeer toen hij eenmaal in het paleis de weelde zag van de râjasûya en de grootheid van hem [Yudhishthhira] wiens eigenlijke ziel Acyuta was. (32) Daarin vertoonden zich de uiteenlopende vormen van weelde van de koningen der mensen, de koningen der demonen en de koningen van de goddelijken; zij inderdaad verschaft door de kosmische architect [Maya Dânava], stonden ten dienst van de dochter van koning Drupada met haar echtgenoten [de Pândava's], over wie het hart van de Kuru-prins in gehechtheid lamenteerde. (33) De duizenden koninginnen van de Heer van Mathurâ waren daar de hele tijd aanwezig, hoogst aantrekkelijk met hun tailles en volle heupen, zich langzaam rondbewegend met hun voeten charmant tinkelend, met hun paarlen halskettingen rood van de kunkum van hun borsten en met hun mooie gezichten rijk versierd met oorbellen en haarlokken. (34-35) In de ontvangstzaal gebouwd door Maya viel het zo voor dat de zoon van Dharma, de keizer in eigen persoon, in het gezelschap van zijn toegehorigen, zijn familie en ook Krishna, zijn Eigenlijke Blik, was gezeten op een troon van goud als was hij, met de rijkdom van het hoogste leiderschap, Indra, vergezeld van en geprezen door de hofdichters. (36) Daar, o Koning, kwam toen Duryodhana binnen omringd door zijn broers, apetrots, een kroon dragend en een halsketting, terwijl hij met een zwaard in zijn hand kwaad aan het fulmineren was [tegen de deurwachters]. (37) Begoocheld door de toverkunsten van Maya de harde vloer die hij zag voor water houdend, hield hij het einde van zijn kleed omhoog, maar verderop tuimelde hij in water dat hij aanzag voor een vaste vloer. (38) Bhîma die het zag schaterde het uit zoals ook de vrouwen, de koningen en de rest dat deden, die, mijn beste, ook al werd hun door de koning de wacht aangezegd, de goedkeuring van Krishna genoten. (39) Hij [Duryodhana], laaiend van de woede, beschaamd met zijn gezicht naar beneden, vertrok, innerlijk in beroering, naar Hastinâpura waartoe van de kant van de waarachtigen een zeer luidruchtig 'Helaas, helaas!' oprees, Ajâtas'atru ietwat de moed liet zakken en de Opperheer, uit wiens blik de verbijstering voortkwam, er stil bij was, klaar ervoor om de last van de aarde weg te nemen [zie ook 1.15: 25-26, 10.2: 38 and 10.63: 27].

(40) Naar wat u me gevraagd hebt, o Koning, betreffende de verdorvenheid van Duryodhana gedurende het grote râjasûya offer, heb ik nu gesproken.'

Voetnoten:

*: In het huidige India kent men de traditie van het holi-feest, of kleurenfeest eens per jaar op de ochtend na volle maan begin Maart, waarbij men dit spel speelt. Men viert er het begin van de lente mee en de dood van de demone Holika. Holika was de zuster van Hiranyakasipu die met het bestrijden van Prahlâda er maar niet in slaagt hem te doden [zie 7.5]. Zij, tegen vuur bestand zo heette het, zittend met hem in een vuur kan hem echter zo niet deren. Hij blijft ongedeerd, maar zij gaat in vlammen op. Zo worden er met holi de nacht tevoren ook grote vreugdevuren ontstoken ter nagedachtenis aan dit verhaal. Hoewel holi over het gehele noorden van India wordt gevierd, is er speciale aandacht en vreugde voor in Mathurâ, Vrindâvana, Nandgaon, en Barsnar (de plaatsen waar Heer Krishna en S'ri Râdhâ opgroeiden). Heer Krishna, toen Hij opgroeide in Vraja, maakte het feest populair met Zijn inventieve streken. De Gopî's van Vraja reageerden met een gepast enthousiasme en de festiviteiten zijn sedertdien volgehouden. Rolomdraaiing met travestie, feminisme etc. zijn aanvaarde gebruiken gedurende dit festival. Mannen en vrouwen in Vraja vechten met elkaar in een kleurig vertoon van een nepgevecht tussen de sexen. Een in de natuur gevonden roodoranje kleurstof, kesudo, wordt gebruikt om alle deelnemers te besmeuren en doordrenken.

**: Het patnî-samyâja ritueel is het ritueel dat uitgevoerd wordt door de sponsor van het offer en zijn vrouw; het bestaat uit uitgietingen voor Soma, Tvashthâ, de vrouwen van bepaalde halfgoden, en Agni.

 

     

Hoofdstuk 76

De Veldslag tussen S'âlva en de Vrishni's

(1) S'rî S'uka zei: 'Alstublieft, o Koning, luister nu hoe Krishna, in Zijn lichaam voor mens spelend, met nog weer een andere wonderbaarlijke heldendaad van Hem de heer van Saubha ter dood bracht. (2) Hij, S'âlva geheten, kwam als een vriend van S'is'upâla naar Rukminî's huwelijk en werd door de Yadu's in de strijd verslagen tezamen met Jarâsandha en anderen [zie 10: 54 en ook 10.50]. (3) In het bijzijn van al de koningen legde hij de eed af: 'Wacht maar, ik zal met al wat in me is de aarde van de Yâdava's bevrijden!'

(4) De dwaze koning hiertoe gezworen slechts eenmaal daags een handje stof etend, aanbad als zijn meester de heer die de dierlijkheid beschermt [Pas'upati ofwel S'iva afgebeeld met S'âlva als een jongen biddend samen met Yama]. (5) Nadat een jaar was verstreken verleende de grote heer zo snel behaagd [Âs'utosha], de meester van Umâ, S'âlva, die bij hem zijn toevlucht had gezocht, een gunst naar zijn keuze. (6) Hij verkoos een voertuig verschrikkelijk voor de Vrishni's waarmee hij zou kunnen reizen zoals hij dat wilde en dat niet te vernietigen zou zijn voor de goden, de demonen, de mensen, de zangers van de hemel, de serpenten en de wildemannen. (7) Met de heer van de berg zeggende 'Zo zij het' werd het Maya Dânava, die er was om de steden van de vijanden te overtreffen [zie 7.10: 53], opgedragen een [vliegend] fort van ijzer genaamd Saubha te bouwen en aan te bieden aan S'âlva. (8) Toen hij het voertuig in zijn bezit kreeg dat, als een plaats van duisternis en zich bewegend zoals hij maar wilde, ongenaakbaar was, ging S'âlva naar Dvârakâ, met in gedachten gehouden de vijandschap die de Vrishni's hadden getoond. (9-11) O beste van de Bharata's, S'âlva, die de stad met een grote strijdmacht belegerde, veranderde al de parken, de tuinen en de torens, de stadspoorten, de woningen, buitenmuren, uitkijkposten en recreatiegebieden erom heen in een puinhoop. Van die bovenste beste vimâna die hij had kwam een stortvloed aan wapens, stenen en bomen als ook bliksenschichten, slangen en hagelstenen naar beneden en raakten met het opsteken van een heftige wervelwind alle richtingen door een laag stof overdekt. (12) De stad van Krishna aldus verschikkelijk geteisterd door Saubha kon, net als de aarde met Tripura [zie 7.10: 56], o Koning, geen vrede vinden.

(13) De Gote Heer Pradyumna ziende hoe Zijn onderdanen werden geplaagd zei toen tot hen: 'Wees niet bang!', waarna de grote held van een ongekende glorie in Zijn strijdwagen klom. (14-15) Sâtyaki, Cârudeshna, Sâmba, Akrûra en zijn jongere broers, Hârdikya, Bhânuvinda als ook Gada, S'uka en Sârana en andere eminente leiders van de aanvoerende krijgers-boogschieters, gingen er op af in kuras beschermd door strijdwagens, olifanten, cavalerie en infanterie. (16) Daarop nam tussen de Yadu's en de volgelingen van S'âlva een huiveringwekkende strijd zijn aanvang zo tumultueus als de strijd tussen de demonen en de halfgoden [zie 8:10]. (17) Zoals de duisternis van de nacht wordt verdreven door de warme stralen van de zon, werden door de zoon van Rukminî in een ogenblik met wapens door God verleend de toverkunsten van de meester van Saubha vernietigd. (18-19) Met vijfentwintig ijzergepunte, in hun voegen perfect vereffende pijlen met gouden schachten trof Hij S'âlva's opperbevelhebber [Dyumân], met een honderdtal raakte hij S'âlva en met één ieder van zijn soldaten, met tien ieder van zijn wagenmenners en met drie ieder zijn draagdieren. (20) Dat verbazingwekkende, machtige wapenfeit van Pradyumna, de grote persoonlijkheid, aanschouwend, werd Hij geëerd door al de zijnen en de soldaten van de vijand. (21) Dan weer waargenomen in vele vormen, dan weer als een enkele vorm en dan weer helemaal niet te zien, was die magische illusie geschapen door Maya veranderd in iets dat onmogelijk door de tegenstander kon worden gelokaliseerd. (22) Zich her en der bewegend als een wervelende toorts, van het ene moment op het andere gezien op de aarde, dan weer in de lucht, dan op een bergtop en dan in het water, bleef die Saubha nooit op één plaats. (23) Waar ook S'âlva met zijn soldaten opdook met zijn Saubha, vuurden de legerbevelhebbers van de Yadu's daar en dan hun pijlen af. (24) S'âlva verloor door de vijand zijn greep op de zaak toen zijn leger en fort ondraaglijk te lijden hadden onder de pijlen die gelijk vuur en zon hun doel treffend in aanraking als slangengif waren. (25) Hoewel de vrishni-helden, begerig naar de overwinning in deze wereld en de volgende, uitermate gepijnigd werden door de stortvloed aan wapens van S'âlva's bevelhebbers, gaven ze hun stellingen niet op. (26) S'âlva's metgezel genaamd Dyumân - voordien getroffen door Pradyumna - zich opstellend met een strijdknots van maura-ijzer, sloeg met een machtige brul toe. (27) Pradyumna, de onderwerper van de vijanden, die door de knots buiten westen was gemept, werd toen door Zijn wagenmenner, een zoon van Dâruka, getrouw de zeden en gebruiken van het slagveld afgevoerd.

(28) In een mum van tijd Zijn bewustzijn herwinnend, zei de zoon van Krishna tot Zijn wagenmenner: 'Hoe fout van je, menner, om Me van het slagveld weg te halen! (29) Buiten Mij, was er nog nooit van iemand geboren in het huis van Yadu bekend dat hij het slagveld verliet; mijn eer te grabbel vanwege een menner die denkt als een eunuch! (30) Wat moet ik, met M'n vege lijf voor de strijd gevlucht, nu zeggen als ik Mijn vaders Râma en Krishna onder ogen kom? Wat zou desgevraagd dan passend zijn ter verdediging? (31) Ongetwijfeld zullen Mijn schoonzussen de spot met me drijven en zeggen: 'Hoe o hoe, o held, lukte het Je vijanden om van Jou zo'n lafaard in de strijd te maken?'

(32) De wagenmenner zei: 'O Langlevende, wat ik deed werd met het volste vertrouwen in het dharma gedaan, o Heer; een menner behoort zijn meester te beschermen als die in moeilijkheden is geraakt, net zoals de meester ook de menner moet beschermen. (33) Dit wetende werd U, door de knots van de vijand feitelijk buiten westen geslagen, van het veld afgevoerd door mij denkende dat U gewond was geraakt!'

 

 

Hoofdstuk 77

Een Einde aan S'âlva en het Saubha-fort

(1) S'rî S'uka zei: 'Met het beroeren van water, aansjorren van Zijn kuras en het oppakken van Zijn Boog zei Hij [Pradyumna] tot Zijn wagenmenner: 'Breng Me naar waar de krijger Dyumân zich ophoudt.'  (2) Met Dyumân die huishield onder Zijn troepen sloeg Rukminî's zoon terug met een glimlach, in de tegenaanval met acht nârâva-pijlen [van ijzer]. (3) Hij sloeg toe met vier voor de vier paarden, een voor de menner, met twee voor de boog en vlag en met een voor zijn hoofd. (4) Gada, Sâtyaki, Sâmba en anderen maakten een einde aan het leger van de meester van Saubha; allen in Saubha vielen in de oceaan met hun nekken doorklieft. (5) Het gevecht tussen de elkaar aanvallende Yadu's en de volgelingen van S'âlva, dat om die reden tumultueus en angstwekkend was, duurde zevenentwintig dagen en nachten voort. (6-7) Krishna die geroepen door de zoon van Dharma weg was naar Indraprastha [zie 10.71] nam toen, met de râjasûya beëindigd, S'is'upâla ter dood gebracht en met kwade voortekenen voor ogen, afscheid van de Kuru-ouderen, de wijzen en Prithâ en haar zoons, en ging naar Dvârakâ. (8) Hij zei tot Zichzelf: 'Terwijl Ik, vergezeld van Mijn vermaarde oudere broer, naar deze plaats kwam, zouden ondertussen de koningen van S'is'upâla's kant wel eens Mijn stad aan het belegeren kunnen zijn.' 

(9) Kes'ava, toen Hij koning S'âlva's Saubha en de vernietiging die zich voltrok van al het Zijne zag, trof Zijn maatregelen ter bescherming van de stad en zei tot Dâruka:  (10) 'Breng me Mijn strijdwagen, en breng me snel in de nabijheid van S'alva; en pas op, wordt niet het slachtoffer in de war rakend van deze heer van Saubha, hij is een groot magiër.'

(11) Aldus opgedragen de teugel ter hand nemend reed hij de wagen er naar toe en zag, [met Hem] daar aankomend, ieder van Zijn eigen mannen en van de tegenpartij het embleem [van Garuda]. (12) S'âlva, die als de meester van een vrijwel geheel vernietigde strijdmacht Heer Krishna op het slagveld zag, smeet zijn speer met een angstwekkend geluid op Krishna's menner af. (13) Er op af vliegend alle richtingen in het licht zettend als was hij een grote meteoor, werd hij snel door Krishna in zijn vlucht in honderd stukken gebroken.  (14) Zoals de zon met zijn stralen in de lucht, belaagde Hij hem met zes doorborende pijlen en had Hij voor het rondbewegende Saubha-fort een hele stortvloed. (15) Maar toen S'âlva S'auri's linkerarm trof, de arm met Zijn boog, viel, hoogst verbazingwekkend, de S'ârnga uit handen van S'ârngadhanvâ. (16) Terwijl van de kant van alle levende wezens die hier getuige van waren een grote schreeuw van teleurstelling oprees, brulde de heer van Saubha, dit tegen Janârdana uitbrengend:  (17-18) 'Aangezien door Jou, o dwaas, recht onder onze ogen de bruid van Je broeder [neef in feite], een vriend [S'is'upâla], werd weggekaapt en hij, een vriend van mij dus, door Jou temidden van de vergadering werd gedood [10.74], zal Jij zelf, die zo overtuigd bent van Je eigen onoverwinnelijkheid, nu vandaag door mijn scherpe pijlen naar het land waar je niet van terugkeert worden gestuurd, als Je het waagt Je tegenover Mij op te stellen!' 

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Jij, zwakzinnige, staat met de dood voor ogen niet in de gaten maar wat uit je nek te kletsen; helden daarentegen tonen hun kunsten, ze staan niet te ratelen!'

(20) Zich aldus uitlatend sloeg de Allerhoogste Heer vertoornd met een angstaanjagende macht en snelheid met Zijn knots hem bovenop het sleutelbeen zodat hij trillend op zijn benen bloed opgaf. (21) Maar toen de knots weer werd binnengehaald was S'âlva verdwenen en verscheen een ogenblik later voor Krishna een man met het hoofd gebogen die jammerend de woorden sprak: 'Moeder Devakî heeft me gestuurd! (22) Krishna, o Krishna, o Machtig Gearmde vol van genegenheid voor Uw ouders, Uw vader is gevangen genomen en meegevoerd door S'âlva, als was het een slager die een tam beest te pakken neemt.'

(23) Met het aanhoren van deze verontrustende woorden sprak Krishna, in het aangenomen hebben van de menselijke aard, uit liefde met mededogen ontgoocheld, als was Hij een gewoon man: (24) 'Hoe kan met Balarâma nimmer van slag, onoverwinnelijk sura en asura verslaand, nu die zielige S'âlva Mijn vader ontvoeren; hoe machtig is het lot wel niet!' 

(25) Met Govinda zich aldus uitend kwam de meester van Saubha op Krishna af alsof hij Vasudeva vooruit duwde en zei hij het volgende: (26) 'Deze hier is degene die Jou verwekte, hij voor wie Jij in deze wereld rondloopt; ik zal hem hier recht voor je neus afmaken; redt hem maar als Je kunt, Jij kleuter!' 

(27) De magiër aldus van minachting sloeg de 'Ânakadundubhi' het hoofd af en klom, het hoofd meenemend, in het Saubha-vehikel dat in de lucht hing. (28) Hoewel Hij er alles van wist, was Hij voor een ogenblik verzonken in het normale vasthouden aan Zijn genegenheid voor degenen Hem dierbaar, maar toen drong het, met Zijn grote vermogens van waarnemen, tot Hem door als zijnde de demonische begoochelende toverkunst ingezet door S'âlva naar de ontwerpen van Maya Dânava. (29) Toen Hij als was het in een droom niet meer de boodschapper noch het lichaam van Zijn vader zag en opmerkte dat Zijn vijand zittend in zijn Saubha zich door de lucht bewoog, maakte Acyuta, scherp erbij op het slagveld, Zich op om hem ter dood te brengen (30) Dat is hoe sommige wijzen die het niet goed beredeneren zeggen, o ziener onder de koningen; zij voorzeker verkeren in tegenspraak met hun eigen uitlatingen als ze er niet in slagen zich te herinneren hoe het in feite is. [vergelijk b.v. 10.3: 15-17; 10.11: 7; 10.12: 27; 10.31: *; 10.33: 37; 10.37: 23; 10.38: 10; 10.50: 29; 10.52: 7 en 10.60: 58]. (31) Wat is nu het weeklagen, de verbijstering, de genegenheid of de angst allemaal voortgekomen uit onwetendheid, in verhouding tot de oneindige waarneming, kennis en weelde van de Oneindige? (32) Hij aan wiens voeten zij die, gesterkt door de dienst in zelfverwerkelijking, de foutieve identificatie naar het Zelf zonder een begin uitbannen en in een persoonlijke relatie de eeuwige glorie bereiken - hoe ter wereld kan er voor Hem, de Hoogste Bestemming der Waarachtigen verbijstering bestaan? (33) En terwijl S'âlva met veel geweld Hem aanviel met een stortvloed aan wapens, doorboorde Heer Krishna onfeilbaar in Zijn kunnen, met Zijn pijlen zijn kuras, boog en kroonjuweel en sloeg Hij met Zijn knots het Saubha-voertuig van Zijn vijand stuk. (34) In duizenden stukken uiteen geslagen door de knots gehanteerd door Krishna, stortte het in het water waarop S'âlva het verlatend, staande op de grond, zijn knots opnam en tegenover Krishna in de aanval op Hem afstormde.  (35) Op Hem af hollend met zijn knots omhoog werd zijn arm van zijn romp gescheiden met een bhalla snij-pijl en hield Hij, stralend als een berg tegen de rijzende zon, om S'âlva te doden vervolgens Zijn wapenschijf omhoog die er precies zo uitzag als de explosie van licht aan het einde der tijden. (36) Daarmee ging de Heer er toe over het hoofd van die meester der toverkunsten af te snijden, compleet met oorhangers en helm, net zoals heer Indra met zijn bliksemschicht dat deed met Vritrâsura [zie 6.12]; waarop er van de kant van zijn mannen een luid prijsgegeven 'Helaas, helaas!' te horen was. 

(37) Met de zondaar gevallen en het Saubha-fort door de knots vernietigd, weerklonken de pauken in de hemel bespeeld door de groepen halfgoden, o Koning, terwijl Dantavakra woedend, om zijn vrienden te wreken, naar voren stormde.

 

 

Hoofdstuk 78

Dantavakra Gedood en Romaharshana Geslagen met een Grasspriet

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Als een daad van vriendschap tegenover de overledenen, S'is'upâla, S'âlva en Paundraka die naar een andere wereld waren geholpen, vertoonde zich, geheel in zijn eentje, te voet en met een knots in zijn hand, o grote koning, de slechterik [Dantavakra, zie 9.24: 37] die in zijn woede met enkel zijn fysieke macht de aarde deed schudden onder zijn voeten. (3) Toen Hij hem op Zich af zag komen nam Heer Krishna snel Zijn knots van Zijn wagen springend en bracht Hij hem tot stilstand zoals de kust dat doet met de zee. (4) Zijn strijdknots heffend zei de koning van Karûsha verdwaasd tot Mukunda: 'Wat een geluk, wat een geluk om vandaag Jou, mijn weg kruisend, voor ogen te hebben. (5) Jij Krishna als onze neef van moeders zijde, die van geweld bent geweest met mijn vrienden, bent er op uit om mij te doden; daarom, Jij aardige vent, zal ik Je doden met mijn bliksemknots. (6) Alleen dan, Jij onbenul, zal ik, die om zijn vrienden geeft, met het doden van de vijand in de gedaante van een familielid die is als een ziekte in je lichaam, mijn schuld aan mijn vrienden hebben ingelost.'

(7) Aldus met grove taal Krishna belasterend zoals men een olifant aanspoort met stokken, brulde hij als een leeuw en sloeg hij Hem met zijn strijdknots op het hoofd. (8) Ondanks te zijn geraakt door de knots week Krishna, de verlosser van de Yadu's, geen centimeter van het slagveld en deelde Hij hem een zware klap midden op zijn borst uit met Zijn Kaumodakî [Zijn knots]. (9) Met zijn hart verpletterd door de knots bloed spuwend stortte hij levenloos ter aarde met zijn haar, armen en benen wijd uitgespreid. (10) Toen, o koning, ging, zo dat alle levende wezens het konden zien, net zoals bij S'is'upâla [zie 10.74: 45], een zeer subtiel, wonderbaarlijk licht Heer Krishna binnen. (11) Daarop kwam Vidûratha, zijn broer, verzonken in treurnis over zijn verwant, met zwaard en schild naar voren, zwaar ademend in zijn verlangen Hem te doden. (12) Van hem in de aanval sneed Krishna vervolgens met de messcherpe rand van Zijn cakra, o koning der koningen, het hoofd met de helm en de oorhangers eraf. (13-15) Na aldus de voor anderen onoverkomelijke S'âlva met zijn Saubha-fort tezamen met Dantavakra en zijn jongere broer Vidûratha te hebben gedood, werd Hij geprezen door de goden en de mensen, de wijzen en vervolmaakten, de zangers van de hemel en de wetenschappers, de groten der uitnemendheid en de dansmeisjes, de voorvaderen en de hoeders der weelde zowel als de achtenswaardigen en de machtigen die allen Zijn heerlijkheid bezongen onder het uitstrooien van bloemen terwijl Hij met de meest eminente Vrishni's om Zich heen Zijn opgesierde hoofdstad binnenkwam. (16) Het is op die manier dat de Beheerser van de Yoga, Krishna de Allerhoogste Heer en Meester van het Levende Wezen zegerijk is; het is voor hen wiens blik is als die van dieren dat Hij onder nederlagen gebukt lijkt te gaan [*].

(17) Heer Râma toen Hij vernam dat de Kuru's en de Pândava's zich op oorlog aan het voorbereiden waren, vertrok, bekend staande als neutraal, zeggende dat Hij Zich zou baden in heilige plaatsen. (18) Na Zich te hebben gebaad in Prabhâsa en de halfgoden en wijzen, de voorvaderen en menselijke wezens te hebben geëerd, ging Hij omringd door brahmanen naar de Sarasvatî waar ze in de westelijke richting naar de zee stroomt. (19-20) O zoon van Bharata, Hij legde een bezoek af aan de grote watervlakte van Bindu-saras, Tritakûpa, Sudars'ana, Vis'âla en Brahma-tîrtha, Cakra-tîrtha, de Sarasvatî waar ze naar het oosten stroomt en al [de heilige plaatsen] langs de Yamunâ en de Ganges als ook aan het Naimisha woud alwaar de rishi's zich bezighielden met het uitvoeren van een uitgebreide offerplechtigheid [zie ook 1.1: 4]. (21) Hem bij Zijn aankomst herkennend, begroetten zij die met het offer bezig waren Hem, naar behoren opstaand en zich buigend in eerbetoon. (22) Toen Hij tezamen met Zijn metgezellen was vereerd en een zitplaats had ingenomen merkte Hij op dat de leerling [Romaharshana, zie tevens 1.4: 22] van de grootste der wijzen [Vyâsa] was blijven zitten. (23) Met voor ogen dat de sûta [een zoon van een gemengd huwelijk van een brahmaanse vader en een kshatriya moeder] die zich niet had verbogen of zijn handen had samengebracht, neerzat hoger dan de rest van de geschoolden, raakte de lieve Heer vertoornd: (24) 'Omdat hij, als pratiloma geboren, hoger zit dan deze geleerden en ook hoger dan Ik, de Beschermer der Religie, verdient hij het, arrogant als hij is, te sterven. (25-26) Na als een leerling van de Heer onder de wijzen [Vyâsa dus] in extenso de vele itihâsa's, purâna's en s'âstra's over de religie te hebben bestudeerd, is hij, zichzelf niet in de hand hebbend, ijdel de nederigheid missend en zijn geest niet onderworpen hebbend met het zichzelf voor een geleerde autoriteit houden, een acteur geworden die, door er een schone schijn van te maken, niet tot goede eigenschappen inspireert (27) Het is voor dit doel inderdaad dat Ik nederdaalde in deze wereld: om aan hen een einde te maken die zich voordoen als religieus maar in feite het meest zondig zijn.'

(28) Dat gezegd hebbend, sloeg de Opperheer, daar Hij [in Zijn bedevaart] er ook mee was gestopt de ongelovigen te doden, onvermijdelijk als het was, hem met de punt van een grasspriet door Hem als de Meester in Zijn hand gehouden. (29) 'Ohhh, ohhh' brachten al de wijzen uit en zeiden verstoord van geest tot Sankarshana deva: 'U hebt zich schuldig gemaakt aan een daad van ongeloof, o Meester. (30) Samen met een lang leven en de vrijheid van materiële zorgen hebben we hem de zitplaats van de meester vergund totdat de offerplechtigheid is afgerond, o Lieveling van de Yadu's. (31-32) Hoewel natuurlijk, voor U, Meester der Mystieke Macht, de schriftuurlijke voorschriften niet de dienst uitmaken, hebt U zonder het te weten iets begaan dat gelijk staat met het vernietigen van een brahmaan; maar als U voor dit ter dood brengen van een brahmaan boete doet, o Zuiveraar van de Wereld, zullen de gewone mensen, die zich aan niemand anders spiegelen, hun voordeel doen met Uw voorbeeld.'

(33) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik, die het verlang voor de gewone man van mededogen te zijn, zal de inlossing opbrengen voor de schade die Ik heb aangericht; alstublieft schroom U niet te zeggen wat het voorgeschreven ritueel is dat voorop zou staan. (34) Oh, alstublieft spreek dat woord, en Mijn mystiek vermogen zal het lange leven, de kracht en het zinnelijk vermogen teweeg brengen dat u voorspiegelde.'

(35) De wijzen zeiden 'AlstUblieft, o Râma, regel het zo dat zowel het vermogen van de dood door Uw [kus'a-]wapen als dat wat wij gezegd hebben overeind blijft.'

(36) De Opperheer zei: 'Het kind geboren, zo zeggen het ons de Veda's, is waarlijk iemands eigen zelf, derhalve behoort het zijne [het 'bijproduct', de zoon, de leerling of de purâna, in dit geval Sûta Gosvâmî , zie 1.2: 1] de spreker te zijn met een lang leven, sterke zinnen en fysiek vermogen [zie ook **]. (37) O besten der wijzen, zeg Me alstublieft wat u verlangt, ik zal het naleven, en wederom, bedenk alstublieft, o intelligenten, wat de juiste vorm van loutering zou zijn voor Mij die inderdaad niet weet.'

(38) De rishi's zeiden: 'Ilvala's angstwekkende zoon genaamd Balvala bevuilt als een duivel onze offerplechtigheid hier iedere nieuwe maan. (39) De beste dienst die U ons kan bewijzen is die zondaar die pus, bloed, uitwerpselen, urine en vlees over ons uitstort te verslaan, o Afstammeling van Bharata. (40) Daarna dient U, voor de duur van twaalf maanden boete doend, in alle sereniteit rond te gaan door het land van Bhârata [India] en gezuiverd te raken door te baden in de heilige plaatsen.'

Voetnoten 

* Het staat dus hier in het Bhâgavatam beschreven dat men de visie van een beest heeft als men denkt dat de Heer ooit ten onder zou gaan zoals met Krishna wegvluchtend voor Jarâsandha [10.52], Krishna die doet alsof Hij onder de indruk is van S'âlva's truuks [10.77: 27-32], de Buddha die ten onder ging aan voedselvergiftiging of Jezus Christus die werd gekruisigd; aan het eind is er met Zijn neiging tot verdwijnen de victorie, de verlichting, de wederopstanding, de tweede geboorte in het aanvaarden van de leringen.

** Om het principe te verduidelijken hier verkondigd door Heer Balarâma wordt door de paramparâ in de persoon van S'rîla S'rîdhara Svâmî het volgende vedische vers aangehaald, dat zowel te vinden is in de S'atapatha Brâhmana (14.9.8.4) als in de Brihad-âranyaka Upanishad (6.4.8):

angâd angât sambhavasi
hridayâd abhijâyase
âtmâ vai putra-nâmâsi
sañjîva s'aradah s'atam

"U bent geboren uit mijn verschillende ledematen en bent ontsprongen aan mijn eigen hart. U bent mijn eigen zelf in de gedaante van mijn zoon. Moge een honderd herfsten uw deel zijn."

 

Hoofdstuk 79

Heer Balarâma Doodt Balvala en Bezoekt de Heilige Plaatsen

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, op de dag van de nieuwe maan, stak een hevige wind op die het stof verspreidde, o Koning, met overal de geur van pus. (2) Daarop kwam er daar in het offerperk een regen van abominabele zaken neer voortgebracht door Balvala, waarna hij ten tonele verscheen met een drietand omhoog. (3-4) De aanblik van dat immense lichaam dat er net zo uitzag als een berg roet met een haarknot en een baard van vlammend koper, angstaanjagende tanden en een gezicht met samengeknepen wenkbrauwen, deed Râma denken aan Zijn knots, die vijandige legers onderuithaalt, en Zijn ploeg, die de daitya's onderwerpt, die beiden direct aan Zijn zijde klaar stonden. (5) Met de punt van Zijn ploeg Balvala die zich in de lucht bewoog dichterbij naar beneden trekkend, bracht Balarâma met Zijn knots de plaaggeest van de brahmanen een slag op zijn hoofd toe. (6) Hij, een noodkreet slakend, stortte met zijn voorhoofd opengebarsten stromend van het bloed ter aarde als een roodaarden berg getroffen door een blikseminslag. (7) De wijzen tezamen van lof beloonden Râma met gegarandeerde zegeningen, Hem in ceremonie besprenkelend met water, zoals de grote zielen het deden met de doder van Vritrâsura [Indra, zie 6.13]. (8) Ze gaven Râma een vaijayantî bloemenslinger thuis aan S'rî van nimmer verwelkende lotussen en een goddelijk stel kleren met goddelijke sieraden.

(9) Na van hen afscheid genomen te hebben kwam Hij tezamen met de brahmanen bij de Kaus'ikî rivier aan alwaar ze een bad namen en ging Hij vandaar naar het meer waaruit de Sarayû stroomt. (10) De Sarayû stroom volgend baadde Hij aangekomen in Prayâga zich daar met het gunstig stemmen van de halfgoden en dergelijke en begaf Hij zich naar de hermitage van Pulaha Rishi [zie ook 5.7: 8-9]. (11-15) Na zich te hebben ondergedompeld in de Gomatî, de Gandakî, de S'ona en de Vipâs'â rivier, ging Hij naar Gayâ, om Zijn voorvaderen te aanbidden en naar de monding van de Ganges voor rituele wassingen. Op de berg Mahendra Heer Paras'urâma ziend en vererend nam Hij vervolgens een bad in de Saptagodâvarî ['zeven Godâvarî's'] zowel als in de rivieren de Venâ, de Pampâ en de Bhîmarathî. Na Heer Skanda [Kârttikeya] te hebben gezien, bezocht Râma S'rî-s'aila, de verblijfplaats van Heer Giris'a [S'iva], en zag de Meester in Dravida-des'a [de zuidelijke provincies] de berg die het heiligst is, de Venkatha [van Balajî]. Na de steden Kâmakoshnî en Kâñcî ging Hij naar de rivier de Kâverî en naar de grootste van hen allen, de allerheiligste S'rî-ranga, alwaar de Heer Zich manifesteerde [als Ranganatha]. Op weg naar de plaats van de Heer de berg Rishabha, ging Hij naar zuidelijk Mathurâ [Madurai waar de godin Mînâkshî verblijft] en naar Setubandha [Kaap Comorin], waar de zwaarste zonden worden vernietigd. (16-17) Daar schonk de Hanteerder van de Ploeg, Halâyudha, een groot aantal koeien weg aan de brahmanen. Toen naar de rivieren de Kritamâlâ en de Tâmraparnî en de Malaya bergketen, boog Hij zich aldaar voorover om Âgastya Muni de eer te bewijzen die neerzat in meditatie en Hem zijn zegen gaf. Met zijn toestemming weer verder begaf Hij Zich naar de zuidelijke oceaan naar Kanyâkumârî ['kuis meisje'] alwaar Hij de godin Durgâ zag [bekend als Kanyâ]. (18) Toen Phâlguna bereikend en een bad nemend in het heilige meer van de vijf Apsara's waar Heer Vishnu Zich vertoonde, gaf Hij een talloos aantal koeien uit handen [ze wegschenkend in liefdadigheid]. (19-21) Vervolgens reisde de Opperheer door Kerala en Trigarta en kwam Hij toen in Gokarna [noordelijk Karnataka] aan, een plaats heilig voor de manifestatie van Dhûrjathi ['hij met de massa samengeklitte lokken'], S'iva. Met het zien van de vereerde godin [Pârvatî] verblijvend op een eiland voor de kust ging Balarâma naar S'ûrpâraka om zich onder te dompelen in de wateren van de Tâpî, de Payoshnî en de Nirvindhyâ. Toen betrad Hij het Dandakawoud en ging Hij naar de Revâ waar men de stad Mâhishmatî aantreft; daar beroerde Hij het water van de Manu-tîrtha en keerde Hij terug in Prabhâsa.

(22) Van de brahmanen hoorde Hij dat in een slag [bij Kurukshetra] tussen de Kuru's en de Pândava's al de koningen hun vernietiging ondergingen, waartoe hij concludeerde dat de aarde verlost raakte van de last [zie ook b.v. 10.50: 9]. (23) Hij, de geliefde Zoon van de Yadu's, ging toen naar de veldslag met de bedoeling Bhîma en Duryodhana te stoppen die elkaar op het slagveld bestreden met knotsen [zie ook 10.57: 26]. (24) Maar toen Yudhishthhira, de tweeling Nakula en Sahadeva, Krishna en Arjuna Hem zagen, waren ze stil in het brengen van hun eerbetuigingen met de brandende vraag: 'Wat wil Hij, hier komend, ons nu vertellen?' (25) De twee ziend die met knotsen in hun handen, zich vaardig in cirkels bewegend, verwoed streefden naar de overwinning, zei Hij dit: (26) 'O Koning, o Grote Eter, jullie twee krijgsheren zijn gelijk qua kunnen; de een is denk ik van een grotere lichaamskracht, terwijl de ander technisch beter getraind is. (27) Ik zie niet in hoe van ieder van jullie hier, van een gelijk vermogen zijnde, dan een zege of het tegengestelde kan worden verwacht; stop daarom met dit vruchteloze vechten.'

(28) De twee, hoewel zinnig, sloegen geen acht op Zijn woorden, o Koning, erop gebrand als ze waren in hun vijandigheid zich constant elkaars grove taal en wangedrag te herinneren. (29) Concluderend dat het hun lot was ging Râma naar Dvârakâ waar Hij werd begroet door een uitgelaten familie onder leiding van Ugrasena. (30) Met Hem weer terugkerend naar Naimishâranya betrokken de wijzen Hem, de Verpersoonlijking Aller Offers die van alle krijg had afgezien, met genoegen bij al de verschillende soorten rituelen [*]. (31) De Allerhoogste Heer, de Almachtige, verleende hen de volmaakt zuivere, geestelijke kennis waarmee ze daadwerkelijk dit universum konden waarnemen als zich in Hem bevindend zowel als Hemzelf alomtegenwoordig in de schepping. (32) Tezamen met Zijn vrouw [Revatî: zie 9.3: 29-33] het afsluitende rituele avabhritha bad genomen hebbend verscheen Hij, goed gekleed, fraai opgesierd en omringd door Zijn familie en andere verwanten en vrienden, zo schitterend als de maan met haar eigen licht [de sterren].

(33) Van dit soort [spel en vermaak] van de machtige, onbegrensde en ondoorgrondelijke Balarâma, die middels Zijn illusiewekkende energie zich vertoont als een menselijk wezen, zijn er zeker vele andere. (34) Wie ook die met regelmaat bij zonsopkomst en zonsondergang zich de handelingen van Râma herinnert welke allen even verbazingwekkend zijn, zal Heer Vishnu lief zijn.' 

Voetnoot

* S'rîla Prabhupâda schrijft hier: 'Feitelijk heeft Heer Balarâma niets van doen met het houden van de offerplechtigheden die voor de gewone man zijn weggelegd; Hij is de Hoogste Persoonlijkheid van God, en daarom is hij de genieter van al dergelijke offers. Als zodanig, was Zijn voorbeeldige handelen in het uitvoeren van de offers er alleen maar ter lering van de gewone man, om te laten zien hoe het te houden op de voorschriften van de Veda's'.

 

 Hoofdstuk 80

Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Mijn heer, ik zou graag vernemen, o meester, welke heldendaden er nog meer zijn van Heer Krishna, de Opperziel van Onbegrensde Macht. (2) Wie ook werkelijk, die moe materiële verlangens na te jagen weet heeft van de essentie, o brahmaan, kan daar van afzien, herhaaldelijk kennis genomen hebbend van de bovenzinnelijke onderwerpen van de Heer Geprezen in de Geschriften? (3) De eigenlijke macht van het woord is de macht die Zijn kwaliteiten beschrijft, de handen zijn degene die Zijn werk doen, de geest is de geest die zich [Hem] herinnert verblijvend bij hen die zich rondbewegen en die niet-bewegen en wat luistert is het oor naar Zijn heiligende onderwerpen [vergelijk 2.3: 20-24]. (4) Het is het hoofd dat buigt voor de manifestaties [bewegend/nietbewegend] van Hem, het is het oog inderdaad dat enkel Hem ziet en het zijn de ledematen welke regelmatig het water eren dat de voeten wast van Vishnu of Zijn toegewijden'."

(5) Sûta [1.2: 1] zei: "Naar behoren bevraagd door Vishnurâta [Parîkchit als zijnde door Vishnu gezonden] sprak de machtige wijze, de zoon van Vyâsa volledig opgegaan in Vâsudeva, naar zijn hart. (6) S'rî S'uka zei: 'Er was een zekere vriend van Krishna [genaamd Sudâmâ, 'goedgeefs', niet dezelfde als vermeld in 10.41: 43], een brahmaan goed thuis in de Veda's, die vreedzaam van geest en met zijn zinnen in bedwang onthecht van de zinsobjecten leefde. (7) Levend als een huishouder van wat zonder moeite voor handen was, was zijn vrouw, net als hij, armzalig gekleed en uitgemergeld van de honger. (8) Met haar gezicht ingevallen, gebukt onder de armoe trillend op haar benen, benaderde ze, haar echtgenoot trouw, hem en zei: (9) 'Is het niet zo, o brahmaan, dat je vriend, o meester der toewijding, de Echtgenoot van S'rî Vol Mededogen voor de Brahmanen isen als de beste der Sâtvata's bereid is bescherming te bieden? (10) Benader Hem, o genadige van mij, en Hij, de Uiteindelijke Toevlucht der Geheiligden, zal weelde in overvloed brengen voor jou die het zo zwaar heeft met het onderhouden van zijn gezin. (11) Als de Heer van de Bhoja's, Vrishni's en Andhaka's nu aanwezig in Dvârakâ, zelfs Zichzelf wegschenkt aan hij die zich de lotusvoeten herinnert van Hem, de Meester van het Universum; wat zou dat dan, voor hen die van aanbidding zijn, niet inhouden wat betreft het niet zo begeerlijke van economisch succes en zinnelijke bevrediging?'

(12-13) De geschoolde ziel op deze manier telkens weer door zijn vrouw er uitvoerig toe verzocht dacht aldus: 'De aanblik van Uttamas'loka is waarlijk het hoogste dat men kan bereiken', en met het besluit genomen om te gaan vroeg hij haar: 'Is er iets in huis dat als een gift kan dienen mijn beste vrouw, geef het me dan alsjeblieft!' (14) Vier handen vol gepelde en geroosterde rijst bij elkaar bedelend van de geschoolden, wikkelde ze die in een stuk stof en gaf ze dat als gift aan haar man mee.

(15) Hij, de beste onder de geschoolden, het meenemend, ging naar Dvârakâ al denkend: 'Hoe moet nou ooit die ontmoeting van mij met Krishna plaats vinden?' (16-17) Samen met [een paar andere] tweemaal geborenen drie poorten en drie wachtposten passerend, liep hij tussen de huizen van Acyuta's trouwe volgelingen, de Andaka's en de Vrishni's, waar men zich normaal niet kon begeven en voelde hij, met het betreden van een van de weelderige achttienduizend woningen van de koninginnen van de Heer [*], zich alsof hij de gelukzaligheid van de Zuivere Geest had bereikt. (18) Acyuta die op het bed van Zijn gemalin zat en hem van een afstand aan zag komen, kwam onmiddellijk overeind en trad naar voren om hem verheugd in Zijn armen te sluiten. (19) De Lotusogige, in aanraking met het geheiligde en wijze lijf van Zijn beminde vriend, liet bovenmate in vervoering een paar tranen de vrije loop. (20-22) Nadat Hij hem vervolgens op het bed liet plaats nemen kwam Hij voor de dag met wat zaken om Zijn vriend de eer te bewijzen en zijn voeten te wassen. Het water nam de Opperheer Aller Werelden op Zijn hoofd, o Koning, waarna de Zuiveraar hem insmeerde met goddelijk geurende sandel- en aloe-hout [lignaloes of aguru]pasta en kunkuma. Blij Zijn vriend de eer bewijzend met geurige wierook en reeksen lampen, heette Hij hem welkom, onder het aanbieden van betelnoot en een koe. (23) Zorgvuldig de vuile en schamel geklede, uitgehongerde tweemaal geborene, wiens aderen konden worden gezien, koelte toewuivend met een yakstaart was de godin [Rukminî] persoonlijk van dienst. (24) De mensen in het paleis die Krishna smetteloos in Zijn glorie zagen, raakten hogelijkst verbaasd over de intense liefde waarmee de verschoppeling [de avadûta] werd geëerd: (25-26) 'Welke vrome daden heeft deze onreine, verstoten en lage bedelaar, verstoken van alle weelde in de wereld, wel niet verricht om met eerbied te worden bediend door de Geestelijk Leraar van de Drie Werelden, het Verblijf van S'rî? Zittend op haar bed omhelsde Hij zonder nog acht te slaan op de godin hem als een oudere broer!'

(27) Elkaars handen vast grijpend, o Koning, bespraken ze de onderwerpen uit het verleden toen ze samen op school zaten bij hun geestelijk leraar [zie 10.45: 31-32]. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, nadat de goeroe zijn vergoeding van jou ontving, o kenner van het dharma, en je weer terugkwam, ben je toen met een geschikte vrouw getrouwd of niet? (29) Met je geest in beslag genomen door huishoudelijke zaken liet je je niet door begeerten voortdrijven, noch, zo weet Ik is waar, schep je er veel behagen in, o wijze, materieel geluk na te jagen. (30) Sommige mensen kwijten zich van hun wereldse verplichtingen, zonder in hun geesten verstoord te zijn door begeerten; net zoals Ik dat doe om een voorbeeld te stellen, schudden zij de materiële geneigdheden die zich van nature opwerpen van zich af. (31) Kan jij, o brahmaan, je nog herinneren dat we leefden in de gurukula, vanwaar een tweemaal geboren persoon, van kennis met wat moet worden geweten, dat wat ontstegen is aan de onwetendheid ervaart? (32) De eerste geboorte van iemand die tweemaal geboren is, mijn vriend, is dit materiële leven dat inderdaad onder het directe toezicht van een geestelijk leraar, de verlener van de geestelijke kennis die is als Ikzelf, wordt geheiligd [in een 'tweede geboorte'] door de plichten die hij onderricht voor alle afdelingen van het geestelijk leven [zie as'râma's en 7.12]. (33) Voorzeker zijn van hen betrokken bij het varnâs'rama systeem [zie ook B.G. 4.13] in deze wereld zij, o brahmaan, de experts van kennis in de ware welvaart die de oceaan van het materieel bestaan oversteken met behulp van de woorden van Mij als de geestelijk leraar. (34) Ik, de Ziel van Alle Levenden, ben niet zo tevreden met de rituele aanbidding, de brahmaanse inwijding, de verzaking of de zelfbeheersing als Ik ben met trouwe dienstverlening [vergelijk 7.14: 17]. (35-36) O brahmaan, herinner je je wat we, levend bij onze geestelijk leraar, deden toen we eens door de vrouw van onze goeroe er op uit werden gestuurd voor sprokkelhout? Na een groot bos te zijn ingelopen stak er, o tweemaal geborene, geheel tegen het seizoen in, een felle, zwaar bulderende wind met regen op. (37) Met de zon reeds onder overvallen door de duisternis kon met al het water om ons heen geen richting, hoog of laag gebied worden uitgemaakt. (38) Wij, onophoudelijk zwaar belaagd door de hevige wind en het water aldaar, waren in de overstroming niet in staat te bepalen in welke richting we ons moesten begeven en hielden toen, in nood door het bos dolend, elkaar bij de handen vast. (39) Dit wetende trof onze goeroe Sândipâni, als de âcârya bij zonsopkomst op zoek naar ons discipelen, ons aan in hoge nood: (40) 'Oh jullie kinderen, hoe zwaar hebben jullie moeten lijden terwille van ons; met minachting voor het lichaam dat inderdaad voor alle levende wezens het meest dierbar