CANTO 11:

Algemene Geschiedenis

  

Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële

Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

Hoofdstuk 13 De Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer

Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

Hoofdstuk 19 De Volmaaktheid van de Spirituele Kennis

Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana

Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ

Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God

Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna

 

 

 

 

 Hoofdstuk 1

De Vloek over de Yadu-dynastie

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen met Râma de uitroeiing van de daitya's realiseerde en de last van de aarde terugbracht, deed zich zeer spoedig een conflict voor [onder de Yadu's]. (2) De Allerhoogste Heer, de aarde verlossend van haar last door al de koningen ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich tegenover elkaar op te stellen, maakte dat degenen die telkens weer tot waanzin werden gedreven door het valse gokken, de beledigingen, het aan de haren [van Draupadî] trekken en de andere overtredingen van hun vijanden, de onmiddellijke aanleiding vormden [van de dynastieke strijd, zie ook Yayâti en 10.49 & 10.68]. (3) De Ondoorgrondelijke Heer overdacht het van de aarde wegvagen van de last aan koninklijke legers door de Yadu's, door Zijn armen beschermd: 'Men zou waarlijk kunnen zeggen dat de aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat die nog niet weggenomen is, omdat van de Yadu-dynastie het onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook 4.16: 13]. (4) Van dezen nimmer gefrustreerd in hun beheersing die alleszins tot Mij hun toevlucht namen, zal er zeer zeker nimmer een nederlaag te verwachten zijn vanuit een andere hoek; met het inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof het een brand in een bamboebos, zal Ik Mijn [doel: Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook 3.3: 14 en 8.8: 37].'

(5) Aldus het Zich voornemend, o Koning, trok de Beheerser, de Almachtige van wie ieder verlangen ingang vindt, Zijn familie terug door een vloek van de geleerden over hen af te roepen. (6-7) Door middels Zijn eigen gedaante, de schoonheid van alle werelden, de ogen vrij te maken van alle mensen, door middels Zijn woorden de geesten te bevrijden van allen die zich hen herinnerden en door middels Zijn voeten de handelingen vrij te maken van hen die ze zagen, was de Heer, die aldus van aantrekking geweest Zijn eigen positie bereikte, er zeker van dat de mensen die werkelijk onwetend waren, met het over de aarde verspreiden van Zijn heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, met gemak met [het luisteren en zingen met] hen hun doel zouden bereiken [zie ook 7.5.23-24].'

(8) De Koning zei: 'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden tegen de Vrishni's, die geheel verzonken in Krishna, altijd liefdadig en respectvol met de brahmanen de ouderen van dienst waren? (9) Wat veroorzaakte het zich opwerpen van die ernstige vloek, hoe luidde ze precies, o zuiverste der tweemaal geborenen; alstublieft vertelt u me nu hier hoe, met hen die dezelfde ziel [van Krishna] deelden, er deze tweedracht kon bestaan?'

(10) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam waarin alles wat mooi was samenviel, met het op aarde volbrengen van de meest gunstige handelingen en met het geheel bevredigd genieten van Zijn leven Zich ophoudend in Zijn verblijfplaats [ Dvârakâ], wilde Hij, zo groots bezongen, Zijn dynastie vernietigen; het enige dat Hem te doen stond. (11-12) Met het hebben verricht van zegenrijke rituelen die de vroomheid afroepen logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, tezamen met Nârada en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva]. Door Hem uitgewuifd, de Ziel van de Tijd met over wie het gaan zingen, zo goedgunstig voor de hele wereld, de onzuiverheden van Kali-yuga worden weggenomen, begaven ze zich naar Pindâraka [een pelgrimsoord]. (13-15) De jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] spelend benaderden hen met Sâmba de zoon van Jâmbavatî [zie ook 10.68] verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige zwangere vrouw die zich een zoon wenst, beste geleerden, vraagt u, te verlegen als ze is om het zelf te vragen, of u, met uw visie nimmer verduisterd, kunt zeggen of ze al dan niet een zoon ter wereld zal brengen?'

(16) O Koning, de wijzen aldus in de luren gelegd zeiden kwaad tegen de jongens: 'Ze zal voor jullie, dwazen, geboorte geven aan een knots welke de dynastie zal vernietigen!'.

(17) Zij, hevig geschrokken dat te horen, haasten zich de buik van Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots gemaakt van ijzer aantroffen. (18) 'Wat hebben we gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen van ons zo heel onfortuinlijk?', en aldus overweldigd zich uitlatend namen ze de knots en gingen ze naar huis. (19) Hem bijgevolg in de bijeenkomst opbrengend met de schoonheid van hun gelaten weggevallen, stelden ze de koning [Ugrasena] in de aanwezigheid van alle Yadu's op de hoogte. (20) Versteld de knots te zien horend over de onfeilbare vloek van de geleerden, o Koning, raakten de bewoners van Dvârakâ verscheurd door angst. (21) Met het tot gruzelementen vermalen van de knots wierp Âhuka [Ugrasena], de Yadu-koning, ze samen met het ijzer dat van de knots over was gebleven in het water van de oceaan. (22) Een of andere vis slokte de klomp op terwijl het gruis door de golven meegevoerd aanspoelde om aan de kust uit te groeien tot scherpe roeden [genaamd eraka]. (23) De vis in zee werd samen met anderen door een visser gevangen in een net. Het stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard was gebleven werd door een jager [genaamd Jarâ] op een pijl bevestigd [als pijlpunt]. (24) De Opperheer, zeer goed in staat, bekend met de betekenis aller dingen, wilde het echter niet anders maken en was, met het Zich vertonen als de Tijd, er blij mee met de vloek der geleerden in te stemmen.

 

 

Hoofdstuk 2  

Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

(1) S'rî S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd met Krishna van aanbidding als hij was, o beste der Kuru's, hield Nârada zich regelmatig op in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd door de armen van Govinda [zie ook 6.5: 43 & 10.69]. (2) Wie ook begiftigd met zinnen, geplaatst voor de dood die van alle kanten komt, o Koning, zou niet van aanbidding zijn voor de lotusvoeten van Mukunda zo aanbiddelijk voor de besten der onsterfelijken? (3) Op een dag zei Vasudeva het volgende tot de deva-rishi, die bij zijn huis was aangekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden was met de hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was gegeven. (4) S'rî Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf is, als van al degenen op het pad van Uttamas'loka aanwezig voor de meest miserabelen, als de komst van een goede vader present ten voordele van alle belichaamde zielen. (5) Wat de goden doen, resulteert in zowel de misère als het geluk van de levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen die de Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden, resulteert enkel in geluk [zie ook 1.2: 25-26, 3.25: 21]. (6) Zoals men de halfgoden aanbidt zullen de goden op dezelfde manier in wederkeer van respect zijn; zoals met een schaduw zijn zij de knechten van het karma, terwijl de heiligen degenen zijn die zorg dragen voor de gevallenen [zie ook 1.3: 12, 1.4: 12, 1.7: 20-23]. (7) O brahmaan, niettemin doe ik navraag bij u over het dharma van het zich verhouden tot de Allerhoogste Heer, waarover met geloof te vernemen hij die gedoemd is te sterven bevrijd raakt van alle angst [vergelijk 10.2: 30-33]. (8) Ik inderdaad een lange tijd geleden op aarde, begoocheld zijnde door de Heer Zijn mâyâ, een kind wensend en niet strevend naar de bevrijding, aanbad Ananta, de Heer die de Bevrijding Schenkt [zie ook 10.3: 32-45 en 4.1: 20]. (9) O u waarachtig in de gelofte, alstublieft instrueer ons, zodat door u wij voorzeker en met gemak zelfs, bevrijding mogen vinden uit deze wereld die vol van gevaren overal angst aanjaagt.'

(10) S'rî S'uka zei: 'O koning, aldus verzocht door de intelligente Vasudeva sprak de deva-rishi, die door de kwaliteit werd herinnerd aan de Heer, verheugd tot hem. (11) S'rî Nârada zei: 'Dit vragen van u naar het bhâgavata-dharma is de juiste benadering, o beste van de Sâtvata's, daar het het hele universum zuivert. (12) Erover vernomen hebbend, in reactie erover gezongen hebbend, erop gemediteerd hebbend, het met geloof aanvaard hebbend of geprezen hebbend als het werd uitgevoerd door anderen, zuivert de zuivere toegewijde dienst terstond zelfs hen die zich negatief opstellen tegenover de goden en het universum. (13) Vandaag bracht u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de Persoonlijkheid van God Nârâyana [zie ook 10.87: 5] over wie te zingen en te horen men hemels gelukkig en vroom wordt. (14) Aangaande deze aangelegenheid wordt als voorbeeld deze oude geschiedenis geboden van een gesprek van de zonen van Rishabha met de koning van Videha die een ruimdenkende ziel was. (15) De zoon van Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had er een genaamd Âgnîdhra; van hem was er Nâbhi en zijn zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie ook 5.1]. (16) Hij verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht te geven in het proces van het bereiken van de bevrijding, wordt gezien als een volkomen expansie van Vâsudeva; van hem waren er honderd zoons die volmaakt de Veda's in acht namen. (17) Van hen was inderdaad [zie 5.7] de oudste, Bharata, volledig Nârâyana toegewijd; het is bij de genade van zijn naam dat dit wonderschone deel van de aarde befaamd is als Bhârata-varsha [of India]. (18) Hij aan het eind van alle genoegens dit aardse bestaan afzwerend, verliet zijn thuis en bereikte in aanbidding van Heer Hari Zijn bestemming met het beoefenen van verzakingen in drie geboorten. (19) Negen van Zijn [Rishabha's] zoons waren de meesters van volledige soevereiniteit over de negen afzonderlijke delen [nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl eenentachtig anderen tweemaal geboren brahmanen waren die het [karma-kânda] pad van vruchtbare vedische offerplechtigheden openlegden [zie 5.2: 19-21]. (20-21) De negen overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana, waren wijzen inderdaad die zich bezighielden met de uitleg van de Absolute Waarheid; geleerd in de geesteswetenschap aldus van een grote inzet trokken ze rond aangekleed door de wind [ofwel naakt]. (22) Zij [genaamd de nava-yogendra's] over de aarde rondzwervend zagen het ganse universum, bestaande uit het grove en subtiele, als een gedaante van de Allerhoogste Heer niet-verschillend van het Zelf [zie ook 1.5: 20 en B.G. 13: 14 & 15: 7]. (23) Ongehinderd naar believen zich bewegend naar de werelden van de goddelijken, de vervolmaakten, zij die overheerst zijn, de zangers van de hemel, de schatbewaarders, de [gewone] mensen, zij van bovennatuurlijke gaven en de slangachtigen, bereizen ze vrijelijk welk bereik ook van de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen, de wetenschappers, de tweemaal geborenen of de koeien dat ze maar willen. (24) Eens in Ajanâbha [de naam van India voor Bharata] kwamen ze aan bij de soma-offerplechtigheid van de grote ziel Nimi [zie ook 9.13] welke werd opgevoerd naar de wensen van de zieners. (25) Met het zien van die zuivere toegewijden die in hun schittering wedijverden met de zon, o Koning, stonden de uitvoerder van de offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de vuren, recht uit respect. (26) De heerser van Videha [Nimi], die ze herkende als toegewijden van Nârâyana liet erover tevreden ze plaats nemen en betoonde ze de volle eer die ze verdienden. (27) Nederig voor hen negen neerbuigend die net als de zonen van Brahmâ [zie 4.22: 6] straalden in hun eigen gloed, ging de koning, helemaal in staat van bovenzinnelijke verrukking, er toe over hen vragen te stellen. (28) S'rî Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als directe metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu; inderdaad als zijnde dienaren van Vishnu die zich rondbewegen voor de zuivering van alle werelden. (29) Ik denk dat het reiken tot de omgang met hen die de Heer van Vaikunthha dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor belichaamde wezens is het menselijk lichaam te verwerven dat men ieder moment weer kan verliezen [zie ook B.G. 8: 16 & 16: 19-20]. (30) Derhalve vraag ik u, o zondenlozen, wat het hoogste goed is in deze materiële oceaan, alwaar het maar voor een seconde genieten van het gezelschap van de waarachtigen de grootste schat inhoudt voor de menselijke wezens. (31) Alstublieft spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst voor zover we er toe in staat zijn het te volgen; er bevrediging door vindend zal Hij, de Ongeboren Heer, zelfs Zichzelf geven aan degenen die Zijn toevlucht zochten.'

(32) S'rî Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten, aldus door Nimi verzocht, o Vasudeva, spraken in reactie eerbiedig vol genegenheid tot de koning in het gezelschap van de priesters en de leden van de bijeenkomst voor de offerplechtigheid. (33) S'rî Kavi zei: 'Ik zie het zo dat het met de intelligentie voortdurend verstoord aanwezig zijn in deze wereld, het tijdelijke [lichaam] houdend voor het ware zelf, de staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen hebben wordt gevonden met de aanbidding van de lotusvoeten van de Onfeilbare, aangezien daarin alle vrees zijn einde vindt. [zie 3.9: 6 en b.v. B.G. 2: 56, 2: 71, 4: 10, 12: 13-14]. (34) De juiste methode is besproken door de Allerhoogste Heer en staat bekend als het bhâgavata dharma waarmee de mensen, worstelend met hun intelligentie, met gemak inzicht kunnen krijgen in de Allerhoogste Ziel. (35) Een mens die dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd en zal, zelfs nog niet als hij met zijn ogen dicht rent, in dezen komen te struikelen of te vallen [zie ook de catuh-s'loki van B.G. 10: 8-11 en vers 5: 17]. (36) Wat men ook doet met het navolgen van de eigen aard met het lichaam, de spraak, het denken, de zinnen, met de intelligentie of het gezuiverde bewustzijn, behoort men allemaal op te dragen aan het Allerhoogste met de gedachte: 'Dit is voor Nârâyana' ['nârâyanâya iti', vergelijk B.G. 3: 9 en 9: 27]. (37) Voor degenen die geleid door de illusieverwekkende energie, vergeetachtig met God, zich afkeerden in misidentificatie zal de angst zich opwerpen vanwege het verzonken zijn in dingen die de Heer op de tweede plaats stellen; om die reden behoort een intelligent persoon, met het beschouwen van zijn goeroe als zijn Heer en Ziel [zie ook B.G. 4: 34], Hem, de Heer, volledig met onvermengde toewijding te aanbidden [zie ook 1.5: 12 en B.G. 7: 14, 15: 7]. (38) Door de intelligentie van de dualistische ervaring inderdaad zoals in een droom zich dingen zien manifesterend of verlangens bemerkend die er in werkelijkheid niet zijn, moet een intelligent persoon om die reden de geest onder controle brengen die vanuit de materiële handelingen begaan is met positieve en negatieve verlangens, en aldus onbevreesd zijn [zie ook B.G. 6: 35]. (39) Vernemend over de alleszins gunstige verschijningen en handelingen van Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van wie de bijbehorende namen worden bezongen in deze wereld, moet men, zonder de materiële omgang [van een vrouw, een huis en kinderen] zingend, vrijelijk, en zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen. (40) Aldus gezworen ontwikkelt men door het zingen van Zijn eigen, zo dierbare, heilige naam, de gehechtheid van een geest die op is gegaan met luidkeels lachen en huilen, en opgewonden raken als een waanzinnige met zingen en dansen zonder zich te bekommeren om buitenstaanders [*]. (41) Voor de ether, de lucht, het vuur, het water, de aarde en de hemellichten, voor alle levende wezens, de windrichtingen, de bomen en andere niet bewegende wezens, de rivieren en oceanen en wat er ook moge bestaan in het lichaam der schepping van de Allerhoogste Heer, moet men zich verbuigen, daarbij niets als losstaand beschouwend [**]. (42) Toewijding, rechtstreeks waarnemen van de Allerhoogste Heer en onthechting van al het overige, zijn de drie die zich op hetzelfde moment voordoen voor degene in het proces verkerend van toevlucht zoeken - op de zelfde manier als voor degene die bezig is met eten, zich de bevrediging voordoet met de voeding en het terugdringen van de honger. (43) Voor de toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich manifesteren, o koning Nimi, waarop hij dan rechtstreeks de bovenzinnelijke vrede zal bereiken [zie ook B.G. 2: 71 ].'

(44) De koning zei: 'Alstublieft vertel me vervolgens over de toegewijde van de Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat is zijn aard, hoe gedraagt hij zich onder de mensen, wat zegt hij en door welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'

(45) S'rî Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor de Heer [een uttama adhikâri] die deze Ziel, dit basis principe van het gehele bestaan, ziet in alle voorwerpen [van de materie en de geest] èn in staat is van toegewijde dienst te zijn voor de Allerhoogste Geestelijke Ziel met het zien van alle wezens [als bestaande] in de [gigantische universele gedaante van de] Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 6: 29 & 30]. (46) Hij daarop volgend, op het middelste platform [de madhyâma], is van liefde voor de Allerhoogste Heer, van vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van genade voor de nieuwkomers en heeft geen oog voor de afgunstigen [zie ook 4.24: 57, 7.9: 43, B.G. 4: 8 & 15: 7 en ***]. (47) Hij die zeker van aanbidding voor de Heer gewetensvol aan de slag gaat met de beeltenis [de mûrti] maar niet zo is met de toegewijden noch naar mensen toe in het algemeen, is een materialistische toegewijde [een prâkrita of een beginner, een kanishthha, zie ook B.G. 7: 20 en 3.29: 24-25 7.14: 40 ]. (48) Ook al aanvaardt hij met zijn zinnen de zinsobjecten is hij die, hatend noch zich verheugend, dit universum ziet als de begoochelende materiële energie van Vishnu, inderdaad een eersteklas toegewijde [zie ook B.G. 5: 3]. (49) Hij die door de geboorte, het verval, de honger, de angst en de dorst van het lichaam, de levensadem, de geest en de intelligentie niet is begoocheld; hij die niet is begoocheld door de onvermijdelijke kenmerken van een materieel leven met het houden van de Heer in zijn gedachten [zie ook 6.2: 14], is de meest vooraanstaande toegewijde [zie ook B.G. 2: 56-57]. (50) In de geest van degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva bestaat er geen kans dat de lust [zie B.G. 3: 37-43] of het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G. 6: 4] zich zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk een eersteklas toegewijde. (51) Hij is de Heer dierbaar die niet gehecht is in het egotistische sentiment van een lichamelijk begrip van het zijn van een goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, van een bepaalde varnâs'rama statusoriëntatie of van een bepaalde groepering of ras [zie B.G. 2: 71 & 12: 13-14]. (52) Met hem bij wie er niet het dualistisch denken is van 'het mijne' en 'het jouwe' wat betreft bezittingen of het lichaam; zo een iemand, van gelijkheid en vrede met alle levende wezens, is waarachtig de beste der toegewijden [zie B.G. 13: 28-31 & 14: 22-25]. (53) Hij die niet terwille van de vormen van weelde van de drie werelden, noch zelfs niet een ogenblik, een seconde of een onderdeel van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, welke worden gezocht door de goddelijken en anderen van wie - onverstoord in hun heugenis - de Onoverwinnelijke hun eigen ziel is, is de grootste vaishnava [zie ook 18: 66]. (54) Hoe kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten die zo groots zijn in hun heldhaftigheid, van de maneschijn van zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de harten wegneemt, dan andermaal met hen die van aanbidding zijn die pijn nog van enig effect zijn; precies zoals de brandende hitte van de zon geen effect kan hebben als de maan is gerezen [zie ook 10.14: 58]. (55) Hij verlaat nimmer het hart van degene - te worden betiteld als de meest vooraanstaande toegewijde - die maar slechts toevalligerwijze rechtstreeks [door Zijn namen] riep om de Heer die, gebonden door de banden der liefde, de zonden vernietigt hoezeer die zich ook hadden opgehoopt [zie ook B.G. 4: 36 en *4].'

 

Voetnoten:

*: S'rî Caitanya Mahâprabhu benadrukte dit ook citerend: 'harer nâma harer nâma harer nâmaiva kevalam kalau nâsty eva nâsty eva nâsty eva gatir anyathâ [Adi 17.21]': 'In dit tijdperk van Kali bestaat er geen alternatief, er is geen alternatief, er is geen alternatief voor de geestelijke vooruitgang anders dan de heilige naam, de heilige naam, de heilige naam van de Heer.' Ook S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura beveelt hierbij aan dat men het volgende vers bestudeert: 'parivadatu jano yathâ tathâ vâ nanu mukharo na vayam vicârayâmah hari-rasa-madirâ-madâti-mattâ bhuvi viluthhâmo nathâmo nirvis'âmah': 'Laat de praatzieke bevolking zeggen wat ze maar wil; we zullen geen acht op ze slaan. Tot in de kern gek van de extase van de bedwelmende drank van de liefde voor Krishna, zullen we van het leven genieten door rond te rennen, over de grond te rollen en te dansen in extase.' (Padyâvalî 73) Dit is wat het Krishna-bewustzijn definieert.

**: S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft ons gewaarschuwd dat als we niet alles zien als een manifestatie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, we het slachtoffer zullen worden van phalgu-vairâgya, of onvolwassen verzaking.

***: De Paramparâ voegt hier toe: 'S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft een fraai voorbeeld gegeven van het verschil tussen arcana en bhajana. Arcana heeft betrekking op het platform van de sâdhana-bhakti, waarin men de Heer dient om gevolg te geven aan de regels en voorschriften van het proces. Iemand die de toevlucht van de Heer Zijn heilige namen heeft bereikt en geheel opgaat in de poging de Heer te dienen moet worden geacht te verkeren op het bhajana platform, ook al mogen zijn uiterlijke handelingen somtijds minder strikt zijn dan die van de nieuwkomer bezig met arcana. Dit klaarblijkelijke gebrek aan striktheid echter, heeft geen betrekking op laksheid in de basis principes of een verstandige gedragswijze en verzaking van zinsbevrediging, maar eerder in de details van de Vaishnava-ceremoniën.'

*4: Nimi, de koning van Videha, stelde, zo helpt ons de paramparâ, de volgende negen vragen aan de negen Yogendra's, de heilige zonen van Rishabha. (1) Wat is het hoogste goed? (2.30); (2) Wat zijn de religieuze beginselen (dharma), de natuurlijke geneigdheden (svabhâva), het gedrag (âcâra), de spraak (vâkya) en de uiterlijke kenmerken (lakshana) van een bhâgavata, een Vaishnava toegewijde van de Heer? (2.44); (3) Wat is de uitwendige energie van Vishnu, de Opperheer? (3.1); (4) hoe kan men zich losmaken van deze mâyâ? (3.17); (5) Wat is de ware identiteit van Brahman? (3.34); (6) Wat zijn de drie soorten van karma, namelijk karma gebaseerd op het genieten van de vruchten van de arbeid, karma opgedragen aan de Allerhoogste Heer, en naishkarmya? (3.41); (7) Wat zijn de verschillende vormen van spel en vermaak van de verschillende incarnaties van God? (4.1); (8) Wat is het doel of de bestemming van iemand die tegen de Opperheer is en het ontbreekt aan bhakti (of in andere woorden, een niet-toegewijde)? (5.1); en (9) Wat zijn de respectievelijke kleuren, gedaanten en namen van de vier yugâvatâra's, de vier incarnaties van de Allerhoogste Heer die verschijnt in de vier tijdperken, en wat is het proces van het aanbidden van ieder van Hen? (5.19).

De bovenzinnelijke antwoorden op deze vragen werden gegeven door de grote toegewijden Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana. Deze negen paramahamsa's beantwoordden de negen vragen, ieder op zijn beurt, in de volgende verzen- (1) 2.33-43; (2) 2.45-55; (3) 3.3-16; (4) 3.18-33; (5) 3.35-40; (6) 3.43-55; (7) 4.2-23; (8) 5.2-18; en (9) 5.20-42.

 

 

Hoofdstuk 3  

Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Mijne heren, alstublieft zeg ons, we willen van de Allerhoogste Heer Vishnu het begoochelend vermogen [ofwel de mâyâ, zie ook 11.2: 48] doorgronden, dat zelfs de grote mystici verbijstert. (2) Met het koesteren van de nectar van uw woorden over de gespreksonderwerpen van Hari, ben ik, als een sterveling geplaagd door de misère van samsâra, nog niet voldaan met dat als de remedie tegen die pijn.'

(3) S'rî Antarîksha zei: 'Met de elementen van de gigantische schepping ontwikkelde [conditioneerde] de Ziel der Gehele Schepping, de schepselen hoog en laag [zie B.G. 13: 22 & 14: 18], o machtig gearmde, zodat voor hen [de delen en gehelen] die de Oorspronkelijke toebehoren er [de keuze van] het succes was met de zinsbevrediging en met de zelfrealisatie [zie ook 10.87: 2]. (4) Met het door Hem binnengegaan zijn in de levende wezens aldus geschapen middels de vijf grofstoffelijke elementen en met het Zich als de Ene [getuige, geest] verdelen naar de tien [zinnen van waarnemen en handelen], zet Hij ze in gang met de drie geaardheden. (5) Het levende wezen, opgewekt door de Opperziel, als de meester [zie ook B.G. 15: 8], door de geaardheden genietend met de geaardheden en aldus verstrikt rakend in dezen, denkt dat het geschapen lichaam de essentie is [vergelijk 11.2: 37]. (6) Door de organen van handelen naar gelang zijn verlangens er baatzuchtige aktiviteiten op na houdend, plukt de eigenaar van het lichaam de verschillende vruchten van de arbeid, in geluk en met andere emoties zich rondbewegend in de wereld [zie B.G. 2.62]. (7) Op deze manier door zijn karma reikend tot bestemmingen die veel zaken met zich meebrengen die niet zo goed zijn, ondergaat het levende wezen hulpeloos geboorte en dood tot aan de zondvloed. (8) Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51]. (9) Zeer zeker zal er een verschrikkelijke droogte zijn op aarde die een honderdtal jaren aanhoudt en gedurende welke de oplopende hitte van de zon in ernstige mate de drie werelden zal verschroeien. (10) Beginnend vanuit de lagere regionen [Pâtâla], zal het vuur uit de mond van Sankarshana met zijn vlammen omhoogschietend, aangewakkerd door de winden, in alle windrichtingen branden. (11) Grote massa's wolken zullen honderd jaren lang regenen met stromen zo dicht als olifantenslurven waardoor het universum ondergedompeld zal raken. (12) De Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Universele Gedaante die dan het universum [als zijnde Zijn lichaam] aflegt, o Koning, gaat het subtiele, niet-gemanifesteerde binnen, precies als een vuur dat zonder brandstof kwam te zitten [zie ook B.G. 8: 19, 3.32: 12-15]. (13) De aarde door de wind verstoken van haar aroma verandert terug in het water en het water door hetzelfde proces verstoken van zijn smaak gaat [weer, zie *] over in vuur. (14) Vuur, door het duister ontdaan van zijn vorm, verandert onvermijdelijk in lucht en de lucht, die door de ether zijn aanraking verliest, lost op in de ether, terwijl het etherische door de Opperziel van de Tijd niet langer meer tastbaar zijnd overgaat in het ego [van niet-weten]. (15) De zinnen, de geest en de intelligentie tezamen met de goden [die de emoties vertegenwoordigen], o Koning, gaan het ego-element binnen en het ik-bewustzijn tezamen met al zijn guna-kwaliteiten gaat over in het Allerhoogste Zelf [zie ook 3.6 en 3.26: 21-48]. (16) Met het aldus door ons hebben beschreven van deze begoochelende energie bestaande uit de drie kwaliteiten, van deze instantie van schepping, handhaving en uiteenvallen van de Allerhoogste Heer, wat zou u graag nog meer willen vernemen?'

(17) De achtenswaardige koning zei: 'O grote wijze, zeg ons alstublieft hoe personen traag van begrip met gemak deze materiële energie van de Heer te boven kunnen komen, die zo onoverkomelijk is voor hen die zichzelf niet in de hand hebben.

(18) S'rî Prabuddha zei: 'Van mensen levend als man en vrouw moet men inzien dat het ondernemen in baatzuchtige handelingen, met de bedoeling het lijden terug te dringen en er in geluk op vooruit te gaan, leidt tot tegengestelde resultaten. (19) Welk geluk verwerft men met het niet-duurzame van het hebben van een huis, kinderen, verwanten en huisdieren en met de zo lastig te vergaren weelde die, met het daarvoor constant in pijn verkeren, de dood van de ziel vormt? (20) Men moet inzien dat de volgende wereld [de hemel, 'een hogere planeet'] op deze manier geregeld vanuit het vruchtdragend handelen niet permanent is en gekenmerkt wordt door het ten ondergaan door [de rivaliteit van] gelijken en hoger geplaatsten [B.G. 8: 16], net zoals dat is met het zich bewegen in hogere kringen [in deze wereld]. (21) Derhalve moet men, leergierig wat betreft het hoogste goed, zijn toevlucht nemen tot een geestelijk leraar die verblijft in de opperste vrede van de Absolute Waarheid en goed bekend is met het brahmaanse woord [zie b.v. 5.5: 10-13, 7.11: 13, 7.12: 1-16, 7.15: 25-26, 10.86: 57 & B.G. 4: 34]. (22) Aldaar, met de goeroe als zijn ziel en godheid, moet men het bhâgavata dharma [zie ook 11.2: 34] leren waarmee, zonder te misleiden trouw van dienst zijnd, de Opperziel, de Heer die Zijn eigen Zelf Vergunt, kan worden tevreden gesteld [**]. (23) Om te beginnen moet de geest in ieder opzicht van onthechting zijn en behoort men aldus, zoals het past, met genade, vriendschap en eerbied voor alle levende wezens van omgang te zijn met de geheiligden [vergelijk 11.2: 46]. (24) Men moet van [innerlijke en uiterlijke] reinheid zijn, boete, tolerantie en stilte; studie van de heilige geschriften, eenvoud, het celibaat, geweldloosheid en van gelijkmoedigheid indien geplaatst voor tegenstellingen [zie ook yama & niyama en B.G. 12: 13-20]. (25) Op een eenzame plek zonder een vaste verblijfplaats, met overgebleven vodden aan zijn lijf, en tevreden met wat dan ook, behoort men met de Beheerser voortdurend voor ogen, te mediteren ter wille van het Ware Zelf Alomtegenwoordig [zie ook 2.2: 5, 7.13: 1-10]. (26) Met geloof in de geschriften met betrekking op de Allerhoogste Heer en zonder te spotten met andere geschriften, behoort men met respect voor de waarheid, met de geest, met zijn woorden en met zijn handelingen strikt beheerst, van innerlijke vrede te zijn alsook van zinsbeheersing [zie ook B.G. 15: 15]. (27-28) Luisterend naar, zingend over en mediterend op de wederwaardigheden en de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer, van wiens incarnaties de handelingen allen even wonderbaarlijk zijn, moet men alles doen te Zijnent wille. Met welke aanbidding ook die men er op na houdt, van welke liefdadigheid, boetedoening, japa, vroomheid, men ook is, moet men dat, met inbegrip van alles wat dierbaar is, de echtgenote, de zoons, het huis en de eigen levensadem, doen als een offer voor het Allerhoogste [zie ook B.G. 9: 27]. (29) Met de dienst geleverd èn voor beide [bewegende en niet-bewegende wezens] en voor de mensen, èn voor hen eenduidig in de heiliging en voor de grootsten, moet men aldus van vriendschap zijn en dienstbaarheid voor de mensen die Krishna aanvaarden als de Heer van hun ziel. (30) In gezamenlijke discussies, in wederzijdse aantrekking en in wederzijdse bevrediging, is er, door de heerlijkheden van de Heer, in het gezamenlijke beëindigen van materiële activiteiten, de zuivering van de [relatie tot de] ziel [zie ook 3: 38]. (31) Zich heugend en elkaar helpen herinnerend is men met de bhakti voor de Heer die een einde maakt aan de aaneenschakeling van zonden, ontwaakt en heeft men van de toewijding een lichaam in beroering van de extase [zie ook 11.2: 40]. (32) Soms huilt men bij de gedachte aan Acyuta, soms lacht men, schept men er groot genoegen in en spreekt men, handelt men wonderlijk, danst men en zingt men en soms is men, in navolging van de Ongeborene stil wordend, bevrijd van het leed en bereikt men het Allerhoogste [zie ook 10.35]. (33) Aldus het bhâgavata dharma lerend en door de resulterende bhakti volledig van toewijding zijnd voor Nârâyana, komt men gemakkelijk de mâyâ te boven die zo moeilijk te overwinnen is [zie ook 1.1: 2].'

(34) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft, u allen experts in de kennis van het spirituele, wees zo goed ons de bovenzinnelijke situatie te beschrijven van de Superziel van de Absolute Waarheid geassocieerd met de naam van Nârâyana [zie ook 1.2: 11].'

(35) S'rî Pippalâyana zei: 'Alstublieft o Koning, weet dat het Allerhoogste [van de Persoonlijkheid van God] dat is: de Oorzaak Zonder Oorzaak van de schepping, handhaving en vernietiging van dit universum, welke in de waaktoestand, de droomstaat en in de diepe slaap, als ook buiten hen om bestaat en waardoor de lichamen, de zinnen, de levensadem van ieder afzonderlijk en de geesten tot leven gewekt zich bewegen. (36) Dit kan door de geest, de spraak, het zien, de intelligentie, de levensadem noch door de zinnen worden omvat, precies zoals het vuur niet kan worden omvat door zijn eigen vonken; zelfs niet het vedisch woord vermag het uit te drukken daar het ontkent dat dat van het Allerhoogste Zelf - waarzonder de schriftuurlijke restricties geen eindbestemming zouden hebben - zo kan zijn anders dan bewezen middels een omhaal van woorden [vergelijk 10.87]. (37) In het begin Eén zijnd raakte de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid bekend als het drievoudige, dat met de macht van handelen, de macht van het bewustzijn en het egobesef aldus het individuele levende wezen wordt genoemd [de jîva] met het aannemen van gedaanten van geestelijke kennis [de goden], de handelingen [de zinnen] en de vruchten [van goede en slechte resultaten]; aldus is het, met het hebben van een grote variëteit aan energieën, het Opperste Brahman alleen dat gemanifesteerd is voorbij zowel het grofstoffelijke als het subtiele [van gedaanten erdoor aangenomen, zie ook mahât-tattva, pradhâna, 4.29: 79, B.G. 10: 42, 13: 13 & 7: 14]. (38) Deze Ziel, nimmer geboren, nimmer stervend, groeit noch vergaat; hij is de kenner van de tijden van leven van de levende wezens onderhevig aan verandering, en die Ziel, waarlijk steeds overal nimmer verdwijnend, is zuiver bewustzijn inderdaad precies zoals de [ene] levensadem [prâna] van binnen dat is, door de macht der zinnen voorgesteld rakend als zijnde verdeeld [zie ook B.G. 2: 23-30 en ***]. (39) [Met wezens] van eieren, van embryo's, van planten en van wat moeilijk is te onderscheiden in het vochtige, volgt het vitale beginsel van de lucht de individuele ziel [zie ook linga] inderdaad van de ene [levensvorm] naar de andere; precies zoals er, los van de staat van denken als de zinnen en het ego allen zijn opgegaan in de diepe slaap, de verandering is [van het eeuwige zelf] met de daaropvolgende herinnering [bij het ontwaken, zie B.G. 2: 22]. (40) Als men zich de voeten van de Ene met de Lotusnavel wenst wordt het vuil in het hart, voortspruitend uit het baatzuchtig handelen naar de geaardheden van de natuur, weggezuiverd door de macht van de bhakti en wordt, volledig gezuiverd, rechtstreeks de waarheid van de ziel gerealiseerd, zoals men met het blote oog de zonneschijn kan waarnemen [B.G: 2: 55 & 6: 20-23 en nyâyika].'

(41) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft leg ons de karma yoga uit waarmee verfijnd een persoon in dit leven snel zich ontdoet van vruchtdragende handelingen en, bevrijd van karmische terugslagen, het bovenzinnelijke geniet [zie ook B.G. 1-6 of 3.5]. (42) In mijn vaders bijzijn [Ikshvâku zie 9.6: 4] stelde ik de wijzen [de kumâra's] in het verleden een soortgelijke vraag, maar de zoons van Brahmâ gaven geen antwoord, alstublieft, om die reden, spreek erover.'

(43) S'rî Âvirhotra gaf ten antwoord: 'Karma, akarma en vikarma zijn, omdat zij hun oorsprong vindend in de Beheerser niet van het wereldse zijn, als kwesties begrepen middels de Veda's, iets waarover zelfs de grote geleerden in verwarring verkeren [zie ook B.G. 4.16-17 en 4.29: 26-27]. (44) In bedekte termen schrijven de Veda's, in het begeleiden van de kinderlijke mens om bevrijd te raken van zijn karma, inderdaad materiële handelingen voor, precies zoals men ook een medicijn voorschrijft [zie ook B.G. 3: 26, 5.5: 17 en 10.24: 17-18]. (45) Hij die, zijn zinnen niet onderworpen hebbend, onwetend niet uitvoert wat de Veda's voorschrijven, bereikt, door zijn gebrek aan religie tegen de plicht handelend, de dood telkens weer [zie ook B.G. 3.8, 16: 23-24, 17: 5-6, 18: 7]. (46) Zeker zal men, naar wat de Veda's voorschrijven zonder gehechtheid te werk gaand en offers brengend voor de Allerhoogste Beheerser, de volmaaktheid bereiken die om de belangstelling op te wekken is geformuleerd in termen van tastbare resultaten [karma-kânda & B.G. 4.17-23]. (47) Iemand die snel de knoop [der gehechtheid] in het hart wil doorhakken moet Heer Kes'ava aanbidden en eveneens de goddelijkheid bestuderen zoals beschreven in de aanvullende vedische literatuur [de tantra's, zie ook B.G. 12: 6-7]. (48) Met het hebben verkregen van de genade [de initiatie] van de leraar van het voorbeeld die hem toont wat bij genade van de traditie is doorgegeven, behoort de toegewijde van aanbidding te zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid in de specifieke gedaante van zijn voorkeur [zie ook B.G. 3: 35, 7: 20]. (49) Schoon gewassen, er recht voor zittend, de adem beheersend en zo voorts [zie ashthânga-yoga] moet hij, het lichaam zuiverend met het in verzaking aanroepen van de bescherming, de Heer aanbidden [door de delen van zijn lichaam aan Hem toe te wijzen door ze met mantra's te markeren, zie ook B.G. 5: 27-28 en 6.8: 4-6]. (50-51) Met welke ingrediënten dan ook beschikbaar zichzelf in hart en ziel voorbereidend, de beeltenis en alles wat erbij hoort, de zaken die moeten worden geofferd, de vloer en de zitplaats besprenkelend, behoort men, het water klaarzettend voor de offerplechtigheid, geconcentreerd de beeltenis op zijn geëigende plaats te zetten met het hebben geplaatst van heilige merktekens op Zijn hart en andere delen en met de daartoe bestemde mantra van aanbidding te zijn [4*]. (52-53) Met het aanbidden van iedere afzonderlijke beeltenis en Zijn ledematen, speciale kenmerken [zoals zijn cakra], en metgezellen [zoals de pañca-tattva] met Zijn eigen mantra's [zoals b.v. de S'is'umâra-mantra of de Ambaris'a gebeden voor de cakra vermeld in 5.23: 8 en in 9.5], met water voor Zijn voeten, reukwater ter verwelkoming, fijne kleding, ornamenten, geuren, halssnoeren, ongebroken graankorrels [om tilaka aan te brengen] en met bloemenslingers, wierook, lampen, en dergelijke offergaven in alle respect de aanbidding zoals vastgelegd complementerend, behoort men van eerbetoon met gebed zich voor de Heer te verbuigen. (54) Met zichzelf daarin opgaand [als een dienaar en niet zich valselijk identificerend] behoort men aldus mediterend volledig van aanbidding voor de mûrti van de Heer te zijn en, met het op zijn hoofd aanvaarden van wat er over blijft, Hem respectvol op de voor Hem bestemde plaats te zetten. (55) Hij die aldus de Beheerser, de Opperziel, aanwezig in het vuur, de zon, het water en zo voorts, als ook in de gast en in het eigen hart [zie ook 2.2: 8] aanbidt, raakt zonder meer werkelijk bevrijd.

 

 

Voetnoten: *: Als een kwaliteit word weggenomen, raakt een element niet-verschillend van het element dat vroeger in de evolutie van het universum zijn bestaan vond en gaat het er aldus in op, verandert het erin, of lost ze erin op: aldus vindt de vernietiging van het universum plaats.

** S'rîla Rûpa Gosvâmî formuleerde vier vereisten waaraan men moet voldoen om vooruit te komen in dezen: '[1] Het aanvaarden van de toevlucht van een bona fide geestelijk leraar, [2] het worden ingewijd door de geestelijk leraar en het leren hem van dienst te zijn, [3] het met geloof en toewijding opvolgen van de opdrachten van de geestelijk leraar, en [4] het volgen in de voetsporen van de grote âcârya's [leraren] onder leiding van de geestelijk leraar.' (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.74)

*** S'rîla Madhvâcârya citeert hierbij, uit de Moksha-dharma sectie van Vyâsadeva's Mahâbhârata, de Heer die zegt:

aham hi jîva-samjño vai
mayi jîvah sanâtanah
maivam tvayânumantavyam
dristho jîvo mayeti ha
aham s'reyo vidhâsyâmi
yathâdhikâram îs'varah

'Het levende wezen, bekend als de jîva, verschilt niet van Mij, daar Hij mijn expansie is. Aldus is het levende wezen eeuwig, zoals Ik, en bestaat het altijd in Mij. Maar je moet niet gekunsteld denken, 'Nu heb ik de ziel aanschouwd.' Het is eerder zo dat Ik, als de Hoogste Persoonlijkheid van God, je deze zegen zal vergunnen als jij er werkelijk voor in aanmerking komt.'

*4 Precies zoals iedere prâkrita, onpersoonlijke, materialistische toegewijde de Heer aan het aanbidden is in Zijn gedaante van de Tijd met pragmatisch verdraaide klokken en niet-geschrikkelde weekindelingen [zie de Orde van de Tijd en kâla om dit recht te zetten] als zijnde de godheid van voorkeur met mantra's als 'wees op tijd' en 'tijd is geld', zo voorziet de klassieke bhakti met de kanishthha of beginnende, personalistische toegewijde meer waarachtig naar de vedische autoriteit erin ook de persoonlijke gedaante van de Heer in de vorm van een beeltenis te aanbidden met 'om namo bhagavate vâsudevâya' [4.8: 54], de gâyatrî, de mahâmantra en andere mantra's. In al deze gevallen moet worden gedacht aan wat Vyâsa in 11.2: 47 zegt over mûrti-aanbidding in het algemeen. 

 

Hoofdstuk 4

De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft vertel ons over de handelingen van ieder van deze verschijningen uit Zichzelf aangenomen, waarmee de Heer optrad, heeft opgetreden en zal optreden in deze wereld [zie ook 2.7].'

(2) S'rî Drumila zei: 'Waarlijk, hij die tracht de onbegrensde, bovenzinnelijke kwaliteiten van de Onbegrensde op te sommen is voorzeker een persoon met de intelligentie van een kind; men kan er op de een of andere manier op den duur in slagen het aantal stofdeeltjes van de aarde te tellen, maar dat lukt niet met de kwaliteiten van het Reservoir van alle Vermogens [zie ook 10.14: 7, 10.51: 38]. (3) Toen de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God Nârâyana Zijn volkomen deelaspect binnenging, het vanuit Hemzelf gegenereerde lichaam van het universum geschapen uit de vijf materiële elementen, raakte Hij aldus bekend als de purusha [zie ook 1.3:1]. (4) Aanwezig in dit uitgebreide drie-werelden-lichaam van Hem is Hij voor de belichaamde wezens, door Zijn zinnen zowel de zinnen van waarnemen als handelen zijnde, door Zijn aard de geestelijke kennis zijnde en van Zijn traditie de kracht en het vermogen zijnde, de oerbeweger [de oorspronkelijke doener èn niet-doener] die met de goedheid en de andere kwaliteiten van schepping, vernietiging en behoud is [zie B.G. 3: 27, 13: 30 en S.B. 6.17: 19, 3. 26: 7, 3.27: 2, 3.32: 12-15, 10.46: 41, 10.83: 3]. (5) In den beginne werd Hij in de hartstocht van het scheppen van dit universum de Ene die de honderden [wijzen] sturing gaf [Heer Brahmâ]; in het handhaven als de beschermer van het dharma van de tweemaal geborenen werd Hij Vishnu, de Heer van het Offer en voor de vernietiging in de geaardheid onwetendheid werd Hij Rudra [Heer S'iva]; aldus is Hij de Oorspronkelijke Persoon altijd van schepping, handhaving en vernietiging onder de geschapen wezens [zie ook 2.10: 41-46, 4.29: 79, 4.30: 23].

(6) Als Nara-Nârâyana, de beste der wijzen volmaakt van vrede, werd Hij geboren uit Mûrti, de dochter van Daksha en echtgenote van Dharma [*]; gekenmerkt door het beëindigen van alle materiële arbeid sprak Hij die zelfs vandaag nog leeft en wiens voeten worden gediend door de grootste wijzen, over het werk en bracht Hij ook dat werk ten uitvoer dat [in feite] moest worden verricht [zie B.G. 9: 27 en ook 2.7: 6, 4.1: 49-57, 5.19: 9]. (7) Heer Indra angstig denkend 'Hij wil mijn koninkrijk inpalmen', zette Cupido in die zich begevend naar Badarikâs'rama met zijn metgezellen de Apsara's, met zijn pijlen, de blikken van de vrouwen, en de zachte bries van de lente, niet wetend van Zijn grootheid, het probeerde Hem te treffen. (8) De Oorspronkelijke Godheid met begrip voor de overtreding begaan door Indra, sprak vrij van trots lachend tot hen die op hun benen stonden te trillen: 'Alstublieft, vreest niet, o machtige Madana [Heer der Liefde], o god van de wind en echtgenotes van de halfgoden, alstublieft aanvaard deze gaven van Ons, laat deze âs'rama niet de leegte'.

(9) O god der mensen [Nimi], toen de Schenker der Onbevreesdheid op deze manier had gesproken, bogen de goden zich beschaamd neer voor Hem, met hun hoofden naar beneden smekend om mededogen zeggend: 'O Almachtige, dit is voor U niet zo verrassend, U de Allerhoogste Onveranderlijke voor wiens voeten in grote getalen zij die nuchter zijn en in zichzelf tevreden zich verbuigen [zie ook 1.7: 10]. (10) Voor hen die U van dienst zijn, die met het voorbij gaan aan hun eigen verblijf proberen het Uwe te bereiken, zijn er vele obstakels opgeworpen door de goddelijken, maar voor de andere toegewijde, die in offerplechtigheden offers brengend hen hun aandeel toekent, is er geen sprake van iets dergelijks daar hij met U, de Beschermer, met zijn voet heenstapt over de kop opgestoken door die stoornis [zie ook 9.4: 9 en 10.2: 33]. (11) Sommige personen die de onbegrensde oceanen van ons van de lust en van de tong en de geslachtsdelen, de winden, de honger en de dorst naar de drie kwaliteiten van de tijd [zomer winter en lente-herfst] te boven zijn gekomen, werpen, verdronken als ze zijn in de hoefafdruk van een kalf in de greep beland van een woede die nergens toe leidt, hun lastig uit te voeren boetedoeningen ter zijde als zijnde zonder enig nut of doel [zie B.G. 17: 5-6: en ook 6.1: 16 en vergelijk 5.8: 23 en 10.12: 12].'

(12) Met hen aldus van lofprijzing manifesteerde Hij voor hun ogen [een reeks van] vrouwen hoogst wonderbaarlijk van verschijning, die allen fraai aangekleed de eredienst verrichtten voor de Almachtige [zie ook 2.7: 6]. (13) Zij, de volgelingen van de goddelijken, deze vrouwen ziend waren, verbijsterd over de pracht van de vrouwen die zo mooi waren als de godin van het geluk, verslagen in hun eigen rijkdom. (14) Voor hen die zich hadden neergebogen zei de Heer der Heerscharen met een flauwe glimlach: 'Alstublieft kiest u zich een van deze dames zo geschikt als een sieraad van de hemel.'

(15) Daartoe 'om' laten klinkend, boden die dienaren van de halfgoden Hem hun eerbetuigingen en keerden ze terug naar de hemel met het voor hen uit laten gaan van Urvas'î, de beste der Apsara's. (16) Neerbuigend voor heer Indra in zijn vergadering vertelden ze hem, terwijl de ingezetenen der drie hemelen toehoorden, over de kracht van Nârâyana, waardoor hij in grote verwondering en twijfel belandde. (17) Acyuta in de gedaante van de [bovenzinnelijke] zwaan sprekend over zelfverwerkelijking, Dattâtreya, de Kumâra's en Rishabha, is de Vader, de Allerhoogste Heer Vishnu, die voor het welzijn van de ganse wereld middels Zijn expansies nederdaalt in deze wereld [B.G. 14: 4]; door Hem, de doder van Madhu, werden in Zijn paard-incarnatie [Hayagrîva] de oorspronkelijke teksten van de Veda's teruggebracht. (18) In zijn vis-incarnatie [Matsya] werden Vaivasvata Manu [Satyavrata], de planeet aarde en de kruiden beschermd; in Zijn zwijn-incarnatie [Varâha] de aarde bevrijdend uit de wateren, werd [Hiranyâksha] de demonische zoon van Diti gedood; als een schildpad [Kurma] hield Hij toen de nectar werd gekarnd de berg op Zijn rug en [als Vishnu] bevrijdde Hij de koning van de olifanten [Gajendra] die zich overgaf in zijn nood vanwege de krokodil. (19) De ascetische wijzen [de Vâlakhilya's] die gebeden brengend ten val waren gekomen [in het water van de hoefafdruk van een koe] verloste Hij van [een lachende] Indra; Hij verloste Indra van de duisternis van het gedood hebben van Vritrâsura; Hij verloste de echtgenotes van de halfgoden [door Bhaumâsura] gevangen gezet in het asurapaleis; als Nrisimhadeva doodde Hij Hiranykas'ipu, de asurakoning, teneinde de geheiligde toegewijden de onbevreesdheid te bezorgen. (20) Voor het heil van de godvrezenden doodde Hij de daityaleiders in de slag tussen de goden en de demonen [zie 8.10], middels Zijn verschillende verschijningen [de ams'a-avatâra's] gedurende de heerschappij van iedere Manu beschermt Hij al de werelden en als Heer Vâmana nam Hij met het voorwendsel van de liefdadigheid de aarde weg van Bali en gaf Hij haar in handen van de zoons van Aditi. (21) Als Heer Paras'urâma de aarde vrijmakend van de leden van de kaste der krijgers, vernietigde het vuur, dat Hij afstammend van Bhrigu was, zevenentwintig keer de dynastie van Haihaya; als de echtgenoot van Sîtâ [Râmacandra] de oceaan onderwerpend doodde hij Tienkop [Râvana] met inbegrip van de soldaten van Lankâ - met het verhalen over de heerlijkheden van Hem altijd zegerijk, wordt de besmetting van de hele wereld vernietigd. (22) De Ongeboren Heer [als Krishna] Zijn geboorte nemend in de Yadu-dynastie, zal, teneinde de overlast terug te dringen van de aarde, daden volbrengen die zelfs voor de goddelijken moeilijk op te brengen zijn; als [de Boeddha] zal Hij met argumenten van speculatieve aard degenen verbijsteren die niet geschikt zijn de vedische offers te brengen en aan het einde van Kali-yuga zal Hij [als Heer Kalki] een einde maken aan de heersers van twijfelachtig allooi. (23) Van de zo heel glorieuze Heer van het Levend Wezen [Jagadîs'vara] aldus omschreven, o machtig gearmde, zijn er ontelbare verschijningen en handelingen precies als deze.

Voetnoot:

*: Volgens de Matsya Purâna (3.10), werd Dharma, de vader van Nara-Nârâyana Rishi, geboren uit de rechterborst van Brahmâ en trouwde hij later met dertien van de dochters van Prajâpati Daksha.

 

Hoofdstuk 5

Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend [zie ook 11.3: *4], niet in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt zijn?'

(2) S'rî Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties *] de vier geestelijke orden [of âs'rama's] en roepingen [of varna's] met de brahmanen voorop gaand gegenereerd [zie ook B.G. 4: 13]. (3) Welk lid van hen dan ook die, niet van aanbidding, minachting koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die rechtstreeks de uitnemendheid van hun ziel en de Allerhoogste Beheerser is, zal, van zijn positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G. 16: 23]. (4) Er zijn vele mensen verre van de verhandelingen over de Vernietiger [van de zonde; de Heer] die nimmer denken aan de heerlijkheden van de Onfeilbare; zij, wat dat betreft slechts vrouwen [vergelijk 5.17: 15] en s'ûdra's en dergelijke, zijn degenen die de genade van persoonlijkheden als u verdienen. (5) En dan nog raken zelfs de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die het [door initiatie] is toegestaan de Heer Zijn lotusvoeten te benaderen, verbijsterd in hun betrokkenheid bij [allerlei soorten van] filosofieën [zie ook 5.6: 11, B.G. 2: 42-43]. (6) Onwetend over het karma en arrogant, spreken studiehoofden, zichzelf heel geleerd achtend, verrukt met mooie woorden zich uit in ophemelende verhandelingen waardoor ze de draad kwijt raken [zie ook B.G. 9: 3]. (7) Vol van hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot met hen die Acyuta dierbaar zijn. (8) Als vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen met het aanmoedigen en aanbidden van de sex als het hoogste goed; zonder het uitdelen van voedsel en doen van schenkingen uit dankbaarheid [voor de spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen], in acht te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de gevolgen, de dieren [zie ook B.G. 16]. (9) Met hun intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde, speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid, kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een hart van steen minachting voor de geheiligden die de Heer lief zijn en de Beheerser Zelve erbij inbegrepen [zie ook e.g.: 1.8: 26, 4.2: 24, 4.31: 21, 5.1: 12, 7.15: 19, 8.22: 26 en B.G. 2.42-43]. (10) De Ziel van de Meest Aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken van de onderwerpen van hun eigen grillige zingenoegens. (11) Het verslingerd zijn aan de sex en het consumeren van vlees en alcohol dat inderdaad steeds wordt aangetroffen in het geconditioneerde levende wezen wordt waarlijk door geen schriftuurlijk gebod ondersteund; wat in dezen is voorgeschreven voor [respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en het ritueel gebruik van wijn, is er voor het doel daar een einde aan te maken [zie ook 1.17: 38-39]. (12) Van alle [te vergaren] weelde is de religiositeit de enige vrucht van welke er inderdaad de kennis is tezamen met de wijsheid en de daarop volgende bevrijding; zij die zo geslaagd zijn in hun huizen realiseren zich niet de onoverkomelijke greep van de dood op hun lichamen [zie ook 3.30: 7, 7.6: 8, 4.29: 52-55 maar ook: 4.22: 10]. (13) Het staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te ruiken en dat dienovereenkomstig een beest volgens de voorschriften moet worden gedood en niet in een begerige vorm van geweld [met het slachten van dieren op een grote schaal]; op dezelfde manier is sex er voor het verwekken van kinderen en niet voor het zinnelijk genot [op zich] [B.G. 7-11]; voor dit allerzuiverste, hun eigen plicht zoals het hoort, hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie ook 7.15]. (14) Zij die geen weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren hen opeten [vergelijk 5.26: 11-13 en 4.25: 7-8]. (15) Afgunstig op hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser levend in de lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles wat er bij hoort, ten val. (16) Zij die [aldus] niet de emancipatie [of de moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke dwaasheid te boven kwamen, zijn de drie doelen van het vrome leven toegewijd [het ritueel, een inkomen en gereguleerde verlangens], maar zijn, zonder zich ook maar een moment van reflectie te gunnen [te hard werkend], [niettemin druk] bezig zichzelf te doden [zie ook de purushârtha's 10.2: 32]. (17) Deze zelfmoordenaars de vrede ontberend, denken in hun onwetendheid kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet in slagend hun plichten na te komen, mettertijd onder de vernietiging van al hun hoop en hun dromen. (18) Zij die hun gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt door de illusie-verwekkende energie van de Allerhoogste Ziel, zonder het te willen, de duisternis binnen, hun huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes in de steek latend.'

(19) De achtenswaardige koning zei; 'In welke tijd had de Heer welke kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in onze aanwezigheid duidelijkheid over.'

(20) S'rî Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze [yuga's] genaamd Krita [of Satya], Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het hebben van verschillende huidskleuren [zie ook 10.26: 16], namen en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren aanbeden. (21) In Satya-yuga is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad, aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een waterpot. (22) De menselijke wezens zijn dan vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor de Heer. (23) Aldus wordt Hij verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna ['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'], Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga', Amala ['de Onberispelijke '], Îs'vara ['de Allerhoogste Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en Paramâtmâ ['de Superziel']. (24) In Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen, draagt hij drie gordels [naar de initiaties van de eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de offerlepels [**] en dergelijken als Zijn symbolen. (25) Dan aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de Godheid in Al de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's [zie ook 1.16: 20]. (26) In Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu ['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni, 10.3: 32], Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi [de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'], Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya ['Hij het Meest Verheerlijkt']. (27) In Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt hij gele kleren en voert Hij Zijn toepassingen met zich mee [de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het kaustubha-juweel]. (28) In dat tijdperk, o Koning, aanbidden de sterfelijken die kennis willen verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de Veda's en de Tantra's [zoals e.g. in 1.10: 16-18 en 10: 74: 17-24 en ***] met: (29-30) 'Onze eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U, Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Grotere Ziel, de Beheerser van de Schepping, de Gedaante van het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens [zie catur-vyûha].' (31) O Koning, aldus prijzen ze in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum; alstublieft verneem op welke manier naar de schriftuurlijke voorschriften men eveneens van aanbidding is in Kali-yuga [zie ook 7.9: 38]. (32) De intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere [niet-donkere of gouden] luister samen met [Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en toegehorigen, middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk bezingen, van lof [is] voor [spreekt over, verspreidt of gekleurd is door] Krishna met: (33) 'O Allerhoogste Persoonlijkheid, aan Uw voeten, waarop men steeds mediteert, die de vernedering onder de invloed der materie te niet doen, die in ruime mate het ware verlangen van de ziel honoreren, die het verblijf en het pelgrimsoord zijn waarvoor S'iva en Brahmâ zich verbuigen, die de meest achtenswaardige toevlucht vormen die het leed wegneemt van Uw dienaren en die de boot voor de oceaan van geboorte en dood zijn, draag ik mijn eerbetoon op. (34) Naar de woorden van een brahmaan [als Akrûra, S'rî Advaita of Johannes de Doper], als de Meest Religieuze de zo moeilijk achter te laten weelde van S'rî opgevend zo sterk begeerd door de goddelijken, ging Hij [als Râma, Krishna, de Buddha, als Jezus, als Caitanya etc.], van genade voor hen die gevangen zijn in de dierlijke aard, naar het gebied ver weg [India, de wildernis, het woud, de woestijn, met sannyas] Zijn object van verlangen najagend [Zijn missie, Zijn dharma, Zijn aanwezigheid als de Heer der toegewijden]; mijn eerbetoon geldt de lotusvoeten van U, o Allerhoogste Persoonlijkheid. [4*]' (35) Aldus wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle Zegeningen, naar Zijn namen en gedaanten zoals gepast voor iedere yuga aanbeden door de mensen van dat tijdperk, o Koning. (36) De gelovigen [van geestelijke vooruitgang] bekend met de waarde, prijzen het tijdperk van Kali, erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het [enkele] gezamenlijke bezingen zo goed als alle doeleinden worden bereikt. (37) Daadwerkelijk, voor de belichaamden ronddolend in dit universum, bestaat er geen grotere winst dan dit [sankîrtana-zingen] waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en waardoor de herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook 2.1: 11, 3.33: 7, 8.23: 16 en 8.23 *]. (38-40) Zij die leven in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in Kali-yuga hun geboorte nemen daar men voorzeker in die tijd, o grote monarch, links en rechts de toegewijden die Nârâyana zijn toegewijd aantreft; in het bijzonder in grote getalen in de provincies van Zuid-India alwaar die mensen die drinken van het water van de rivieren de Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de Mahânadî en de Pratîcî, o heer der mensen, grotendeels toegewijden zuiver van hart van de Allerhoogste Heer Vâsudeva zijn. (41) O Koning, een persoon die, met het verzaken van de materiële verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de voorvaderen [zie ook B.G. 3: 9]. (42) Verankerd aan Zijn voeten bezig met aanbidden en aldus Heer Hari dierbaar, de Allerhoogste Beheerser die met het opgeven van de toeneiging naar anderen toe het hart is binnengetreden, worden welke soort van onregelmatigheden die zich op de ene of de andere manier ook voordeden allen weggenomen [zie 8.23: 16 en B.G. 9: 22, 9: 30, 18: 56].'

(43) S'rî Nârada zei: 'Op deze manier vernomen hebbend over de wetenschap van de toegewijde dienst voelde de meester van Mithilâ zich waarlijk voldaan en bracht hij vervolgens tezamen met de priesters gebeden voor de wijze zonen van Jayantî [de yogendra's 5.4: 8]. (44) Toen, voor ogen van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning, trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste bestemming. (45) U [Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de toegewijde dienst waar u over vernam, bevrijd van alle materiële omgang zich naar het Allerhoogste begeven. (46) De aarde raakte vol van inderdaad de heerlijkheden van jullie twee als man en vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de positie innam van uw zoon. (47) Voor Krishna de liefde ten toon spreidend van het zien, het omhelzen, en converseren, gaan slapen, zitten en eten met een zoon, zijn de harten van jullie gezuiverd geraakt. (48) Koningen als S'is'upâla, Paundraka en S'âlva die met afgunst zich wedijverend betrokken op Zijn bewegingen, blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten concentreerden op Hem neerliggend, zittend etc., hebben een positie bereikt op het zelfde niveau; wat dan niet te zeggen van hen die gunstig gezind waren [zie mukti en ook Jaya &Vijaya]? (49) Verwaardig u niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie verscheen Hij als een normaal menselijk wezen Zijn volheid verhullend als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook B.G. 4: 6]. (50) Van Hem die nederdaalde teneinde de asura-leden van de adelstand die de aarde belastten te doden en de bevrijding te vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in de wereld [zie ook B.G. 4: 7].'

(51) S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze de dwaasheid die ze met zichzelf hadden op. (52) Hij die eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome historische vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en de spirituele volmaaktheid bereiken.

 

Voetnoten:

*: Met de Rik-samhitâ (8.4: 19), de S'ukla-yajur Veda (34: 11) en de Atharva Veda (19: 66) die allemaal zeggen 'De brahmaan verscheen als Zijn gezicht, de koning als Zijn armen, de vais'ya als Zijn dijen, en de s'ûdra werd geboren uit Zijn voeten' worden, volgens S'rîdhara Svâmî, de brahmanen geacht geboren te zijn uit de geaardheid goedheid, de kshatriya's uit een combinatie van goedheid en hartstocht, de vais'ya's uit een combinatie van hartstocht en onwetendheid en de s'ûdra's uit de geaardheid onwetendheid.

** Hier vermeld worden de vikankata houten sruk en de khadira houten sruvâ die de sruk bediend voor het gieten van ghee in het vuur.

***: De paramparâ, om ons te helpen herinneren aan de neergang van de toewijding in de loop van de yuga's [zie ook 1.16: 20] verduidelijkt: 'De mensen levend in Satya-yuga werden omschreven als s'ântâh, nirvairâh, suhridah en samâh, of vreedzaam, vrij van afgunst, de weldoeners van ieder levend wezen, en gefixeerd op het spiritueel platform voorbij de geaardheden der materiële natuur. Zo ook werden de mensen levend in Tretâ-yuga omschreven als dharmishthhâh en brahma-vâdinah, of diep-religieus, en deskundige navolgers van de Vedische voorschriften. In het voorliggende vers, wordt van de mensen levend in Dvâpara-yuga gezegd dat ze eenvoudig jijñâsavah zijn, ofwel begerig zijn om de Absolute Waarheid te kennen. Anderszins worden ze omschreven als martyâh, of onderhevig aan de zwakheid van sterfelijke wezens.' Het ene na het andere tijdperk is men dus aan het aanbidden met meditatie, het brengen van offers, tempelaanbidding en het gezamenlijk zingen.

4* De paramparâ voegt hier aan toe: 'Bevestiging leverend voor de verklaring van dit vers, aanbidden de volgelingen van Caitanya Mahâprabhu Hem ook in Zijn zesarmige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de danda van de sannyâsî Caitanya Mahâprabhu, twee armen dragen de fluit van Heer Krishna, en twee armen dragen de pijl en de boog van S'rî Râmacandra. Deze shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van dit vers van het S'rîmad-Bhâgavatam'.

 

 

 

Hoofdstuk 6

Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen [nadat Nârada was vertrokken] kwam heer Brahmâ omringd door zijn zoons, de goden en de heersers der mensen, aan [in Dvârakâ] samen met heer Bhava [S'iva], de voor alle levende wezens goedgunstige beheerser, die werd vergezeld door een schare van spookachtige wezens. (2-4) Indra de oppermachtige beheerser en zijn goden [de Marut's], de zoons van Aditi, de goedgeaarden helder van geest [de Vasu's], de beschermers van de gezondheid [de As'vin's], de kunstenaars [de Ribhu's], de afstammelingen van Angirâ, de expansies van S'iva [de Rudra's], de goden van het intellect [de Vis'vedeva's], de goden van de handel [de Sâdhya's] en andere halfgoden; de zangers en dansmeisjes van de hemel [Ghandarva's en Apsara's], zij die uitmuntten [de Nâga's], de vervolmaakten [de Siddha's] en de eerbiedwaardigen [de Cârana's], de schatbewaarders [de Guhyaka's], de zieners [de Rishi's], de voorvaderen [de Pita's] als ook de wetenschappers [de Vidyâdhara's] en zij die bijzondere talenten hebben [de Kinnara's] kwamen allen tezamen aan in Dvârakâ begerig Krishna te zien, de Allerhoogste Heer die de onzuiverheden van alle plaatsen wegneemt en die met Zijn bovenzinnelijke gedaante de ganse menselijke samenleving betoverend Zijn faam verbreidde in alle werelden. (5) In die schitterende stad rijk in een grote overvloed zagen ze met hun hongerige ogen Heer Krishna zo prachtig om te zien.

(6) Met het Hem, de beste der Yadu's, overladen met bloemenslingers meegebracht uit de tuinen van de hemel, prezen ze Hem, de Heer van het Levende Wezen, zich uitdrukkend in bekoorlijke denkbeelden en woorden. (7) De goden zeiden: 'Wij met onze intelligentie, zinnen, levensadem, geest en woorden buigen ons neer voor Uw lotusvoeten, o Heer, waarop in het hart wordt gemediteerd door hen verenigd in de liefde van het streven naar bevrijding uit de grote gebondenheid van de karmische verwikkelingen. (8) U, door de materiële energie bestaande uit de drie geaardheden, beschermt en vernietigt met het ondoorgrondelijke van Uzelf de manifestatie, maar U bevindend in die materiële natuur raakt U door deze geaardheden in het geheel niet verstrikt in karmische aktiviteiten, o U Onoverwinnelijke, daar U, de Onbelemmerde en Onbetwijfelbare, altijd verzonken bent in Uw gelukzaligheid [zie ook B.G. 3.22]. (9) O Aanbiddelijke, de loutering van die personen die een besmet bewustzijn hebben wordt door bezweringen, het volgen van de voorschriften, het bestuderen van de s'âstra's, door liefdadigheid, boetedoeningen en rituelen niet zo in gang gezet als door het trouw luisteren naar de grootsten van hen die zich in de goedheid bevinden en die volledig gerijpt zijn in Uw bovenzinnelijke heerlijkheden [zie ook 4.29: 36-38]. (10) Mogen er voor ons de lotusvoeten zijn, het vuur dat onze ongunstige mentaliteit verteert en door de wijzen die uit zijn op het ware voordeel wordt gedragen in harten die tot vrede zijn gekomen, het vuur dat door de waarachtigen van zelfbeheersing wordt gedragen voor het verwerven van een gelijksoortige weelde; het is door het drie maal daags aanbidden van het opwekkende van U [de catur-vyûha] dat men reikt voorbij de hemelen [zie ook 11.5: 34]. (11) Op hen mediteren zij die, met het samengevouwen hebben van hun handen, de ghee in het offervuur brengen met het [nirukta] proces van begrip krijgen voor de drie Veda's; op hen mediteren de yogabeoefenaren die, van onderzoek naar Uw [yoga-]mâyâ, verenigd zijn in het zich realiseren van het Ware Zelf; en ze zijn [daarenboven] volmaakt aanbeden door de toegewijden die het meest verheven zijn [zie uttama en 11.2: 45-47]. (12) S'rî, Uw gezellin, voelt met de verwelkte bloemenslinger van U, o Almachtige, zich in dezen zo uitgedaagd als een jaloerse bijvrouw omdat U onze offergave aanvaardt als zijnde naar behoren gebracht [zie ook B.G. 9: 26]; mogen er altijd de lotusvoeten, het vuur van de vernietiging van onze onzuivere verlangens zijn! (13) Uw voeten met drie machtige stappen [met het water van de Ganges] neerkomend in ieder van de drie werelden [zie 8.20] en als een vlag die een vlaggenmast siert, angst en onbevreesdheid creërend onder de asura's en de goddelijken hun respectievelijke strijdmachten, zijn er voor de geheiligden voor het bereiken van de hemel en voor de afgunstigen er voor precies het tegenovergestelde, o Meest Machtige; mogen deze voeten, o Opperheer, ons die U aanbidden zuiveren van onze zonden. (14) Als ossen bijeen gehouden door de neus hebben Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hun bestaan, onderling in strijd verkerend onder de controle van de Tijd; mogen die lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid in het voorbije van zowel de materiële natuur als de individuele persoon, voor ons het bovenzinnelijk geluk verspreiden [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12]. (15) U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid; men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de beheersende tijdfactor bent die zich voordoet als een drievoudig rad, die, als de Tijd die ononderbroken in zijn voortgang de afname van alles bewerkstelligt, de Allerhoogste Persoonlijkheid bent [*]. (16) Het mannelijke [van Mahâvishnu], van U [als de Tijd] het potente zaad van deze schepping verkrijgend, bevrucht de uitgebreidheid van de materie waarvan Hij, wiens zaad nimmer wordt verspild, verenigd samen met die zelfde natuur gegenereerd vanuit het Zelf, zoals een gewone foetus wordt voortgebracht, het gouden voorwereldlijk ei van het universum in het leven schiep toegerust met zijn [zeven, zie kosha] omhullende lagen. (17) U bent daarom van alles wat beweegt en op zijn plaats blijft staan de Oorspronkelijke Beheerser, omdat, ookal raakt U o Meester van Ieder Zijn Zinnen doende met de zinsobjecten Zelf nimmer door hen aangetast, anderen, op eigen houtje controle uitoefenend, in angst verkeren vanwege die objecten die, naar voren getreden uit de transformatie van de geaardheden van de onderhavige materiële natuur, zich ophoopten [zie ook B.G. 16: 23-24]. (18) De zestienduizend [vrouwen van U], zo betoverend tijdens de momenten dat ze blijk gaven van hun gevoelens als ze met hun wenkbrauwen, glimlachen en blikken de pijlen van Cupido afvuurden, waren met hun berichten en avances van de echtelijke liefde zijnde, met al hun methoden niet in staat Uw zinnen te begoochelen [zie ook 1.11: 36]. (19) De brede rivieren van Uw nectargelijke onderwerpen en de rivieren die wegstromen van het baden van Uw voeten zijn ertoe in staat alle besmetting van de drie werelden te vernietigen; het is van het luisteren met de oren naar de traditie en van het in fysiek contact staan [met de wateren] met de gang naar Zijn voeten dat zij die streven naar zuivering hun toenadering zoeken om omgang te hebben met deze twee doelen van het pelgrimeren naar U.'

(20) De eerbiedwaardige zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Tezamen met S'iva en de halfgoden aldus van lof voor Govinda, de Heer, bracht hij die de honderden onder zijn gezag heeft [Brahmâ], vanuit zijn positie in de hemel, zijn eerbetuigingen. (21) S'rî Brahmâ zei: 'U o Heer, o Onbegrensde Ziel, er door ons voor het doel van het terugdringen van de last van de aarde voorheen toe verzocht, hebt gehoor gegeven aan het verzoek zoals het werd voorgelegd. (22) Met het gevestigd hebben van de principes van het dharma onder de vromen en de zoekers naar de waarheid, zijn het waarlijk de heerlijkheden van U, aldus door U in alle richtingen verspreid, welke de besmetting van alle werelden wegnemen. (23) Nederdalend in de Yadu-dynastie hebt U, voor het heil van het universum een gedaante aannemend, met grootmoedige daden aktiviteiten zonder weerga aan de dag gelegd. (24) O Heer, die geheiligde mensen die in het Kali-tijdperk horen en zingen over Uw handelingen, zullen met gemak de duisternis te boven komen [zie ook 10.14]. (25) O Allerhoogste Persoonlijkheid, nedergedaald in de Yadu-vams'a zijn honderdvijfentwintig herfsten verstreken, o Meester. (26-27) O, U Grondvesting van Alles, voor U bestaat er niet langer een plicht aan de godbewusten, en het resterende deel van de dynastie is feitelijk vernietigd door deze vloek van de brahmanen [zie 11.1]. Daarom verzoeken wij U om, zo het U zint, Uw hemelverblijf binnen te gaan, en er alstUblieft met ons, de beschermers van alle werelden en hun bewoners, mee door te gaan om de dienaren van Vaikunthha [Heer Vishnu] te beschermen.'

(28) De Opperheer zei: 'Ik heb begrip voor wat u gezegd heeft, o heerser der halfgoden; te uwent wille is al het werk volbracht nodig om de last van de aarde weg te nemen. (29) Deze zelfde Yadu-familie is, met de dreiging die ze vormt de hele wereld te verzwelgen in de uitbreiding van haar macht, moed en overdaad, door Mij een halt toegeroepen precies zoals een oceaan wordt tegengehouden door haar kust. (30) Als Ik zou vertrekken zonder de enorme dynastie van al te trotse Yadu's, zou om die reden de hele wereld door deze vloed worden vernietigd. (31) Op dit zelfde moment is vanwege de brahmanenvloek de vernietiging van de familie begonnen; nadien zal Ik, o zondenloze Brahmâ, een bezoek afleggen aan uw verblijfplaats.'

(32) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken door de Heer van de Wereld, viel de zelfgeborene neer aan Zijn voeten om Hem tezamen met de verschillende goden zijn eerbetuigingen te brengen en keerde de godheid terug naar zijn verblijfplaats. (33) Daarna, toen de Opperheer in de stad Dvârakâ zich ernstige verstoringen zag ontwikkelen, sprak Hij tot de verzamelde Yadu-ouderen. (34) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze werkelijk zeer grote verstoringen die zich hier van alle kanten voordoen zijn het gevolg van de vloek die er van de kant van de brahmanen was tegen onze familie; het is onmogelijk die tegen te gaan. (35) We zouden er niet naar moeten verlangen om hier te blijven leven, o eerbiedwaardigen; laat ons niet talmen en vandaag nog naar Prabhâsa gaan, naar die zo heel heilige plaats der vroomheid [**]. (36) De koning van de sterren [de maangod] gegrepen door de tering vanwege een vloek van Daksha, nam er eens een bad, raakte terstond bevrijd van de terugslag van zijn zonde en hervatte het wassen met zijn fasen. (37-38) Ook wij naar de voldoening der voorvaderen een bad nemend in die plaats, de goddelijken en de aanbiddelijken der geleerdheid te eten gevend met offers van verschillende smaken voedsel en eveneens giften uitdelend met geloof in hen als zijnde geschikte kandidaten voor de liefdadigheid, zullen door onze goedgeefsheid, als met boten over een oceaan, het gevaar overwinnen.'

(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Yâdava's, aldus door de Fortuinlijke geïnstrueerd tot een besluit gekomen, spanden hun paarden voor hun wagens om zich te begeven naar de heilige plaats. (40-41) O Koning, Uddhava [zie ook 3.2 en 10.46 & 47], als een immer trouwe volgeling van Krishna vernemend over dat wat door de Heer was gezegd, benaderde, met voor ogen de angstwekkende, slechte voortekenen [zie ook 1.14: 2-5], in het privé de Ene Beheerser der Beheersers van Heel het Levende Universum en richtte, aan Zijn voeten zijn hoofd voorover buigend, zich tot Hem met gevouwen handen. (42) S'rî Uddhava zei: 'O Heer en God der Goden, o Meester van de Yoga, o Vroomheid van het Luisteren en Zingen, met het terugtrekken van deze familie uit deze wereld, zegt U dat, hoewel U er als de alles-doorvarende goedertierende Beheerser toe in staat bent de vloek der geschoolden te herroepen, U dat niet kunt doen! (43) Ik kan het zelfs niet voor een onderdeel van een seconde verdragen om Uw lotusvoeten te verlaten, o Kes'ava; alstUblieft neem ook mij mee naar Uw verblijfplaats o Meester [zie ook 3.29: 13]. (44) Uw zo hoogst goedgunstige spel en vermaak, o Krishna, is nectar voor mensenoren; als ze eenmaal de smaak te pakken hebben laten de mensen hun verlangens naar andere zaken varen. (45) Hoe kunnen wij, de toegewijden van U, het allerbeminste Zelf, in ons neerliggen, zitten, lopen, staan, baden, recreëren en eten en dergelijke, U nu ooit vaarwel zeggen? (46) Met het eten van het overgebleven voedsel en opgesierd zijn met de bloemenslingers, de geuren, de kleding en de sierselen reeds door U genoten, zullen wij, Uw dienaren, voorzeker de illusieverwekkende energie overwinnen. (47) De slechts in lucht geklede zondenloze leden van de wereldverzakende orde die als wijzen van strikte naleving steeds hun zaad omhoog laten gaan, gaan naar de verblijfplaats bekend als brahman [zie ûrdhva retah en ook 10.2: 32]. (48-49) Anderzijds zullen wij, o Grootste der Yogî's, rondtrekkend in deze wereld langs de wegen der baatzuchtige arbeid, samen met Uw toegewijden, de moeilijk te overwinnen duisternis te boven komen door de onderwerpen te bespreken waarmee we ons Uw daden, woorden, bewegingen, brede glimlachen, blikken en liefdesavonturen in navolging van de menselijke wereld heugen en verheerlijken.'

(50) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier verzocht, o Koning, sprak de Opperheer, de zoon van Devakî, in het privé uitvoerig tot de geliefde dienaar Uddhava.'  

 

 

Voetnoten: *: Tijd in drieën kan worden beschouwd als de drie soorten seizoenen, zomer, winter en voorjaar/herfst of als de drie naar de cyclische orde, de cakra, van de zon, de maan en de sterren, in de zin van verleden, heden en toekomst en als de tijd van de natuur, de cultuur en het psychologisch ervaren [zie ook tri-kâlika, 5.22: 2, tijdcitaten en de B.G. 10.30 & 33, 11: 32].

**: Prabhâsa is een beroemde heilige plaats zich bevindend in de buurt van het Veraval treinstation, in de streek van Junagarah. Aan de voet van dezelfde pippala-boom waaronder Heer Krishna werd beweerd te hebben neergelegen bevindt zich nu een tempel. Een mijl verderop van de boom vandaan, aan de kust, is er de Vîra-prabhañjana Mathha, en men zegt dat vanaf dat punt de jager Jarâ de pijl afschoot welke het einde markeerde van Zijn aardse bestaan [zoals beschreven in de laatste twee hoofdstukken van dit Canto].

 

 

Hoofdstuk 7

Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke, weerspiegelt zeker zo Mijn plan; daar Brahmâ, Bhava en de leiders van de werelden, Mij verlangen in Mijn verblijf. (2) Voorzeker heb Ik hier geheel beantwoord aan de bedoeling van de goddelijken, voor wie Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] incarneerde zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden. (3) Deze familie teneinde door de vloek zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag deze stad verdrinken in de oceaan. (4) Als, o man van deugd, deze wereld, niet te betwijfelen door Mij verlaten is, zal ze, in zich ten prooi gevallen aan Kali, zeer spoedig verstoken zijn van haar vroomheid [zie ook 1.16 & 17]. (5) Je moet niet blijven, wees er zeker van, in deze wereld door Mij verlaten, daar in Kali's tijd de mensen op aarde, verstrikt zullen zijn in zonde, o Mijn beste. (6) Je moet in feite alle zwak verzakend voor degenen je het meest nabij, met je geest geheel op Mij gevestigd, gelijkgezind rondgaan in de wereld [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25]. (7) Dat wat door het oor, het oog, de spraak en meer, aanvaard wordt als de wereld, moet je zien als tijdgebonden, illusie-energie geheel verbeeld [zie ook 10.40: 25]. (8) Een persoon niet verbonden is verward in vele meningen met wat juist is en verkeerd; dat werkt, dat niet, en dat gaat er weer tegenin en heeft aldus een geest tweevoudig van het goed en kwaad [B.G. 4: 16]. (9) Bezie dus met je zinnen in je greep en je geest verbonden, deze wereld als gespreid binnenin het Zelf en dat Zelf rustend in Mij, de Heer Erboven. (10) Met kennis, wijsheid, geheel toegerust, is men, in het zelf tevreden alomvattend met de Ziel die voor een ieder met een lijf het voorwerp van de liefde is, nimmer gehinderd door een tegenslag. (11) Ontstegen aan de twee, van het slecht achten wat is verboden en het als goed betitelen wat geen achter hield, handelt men niet zoals men het verwacht alsof men een jong kind is [en dat is niet ongepast]. (12) Voor de schepselen een weldoener hecht verankerd in de vrede, wijs het universum kennend als door Mij doorvaard, zal men waarlijk nimmer zijn degene die telkens weer opnieuw vernietigd is.'

(13) S'rî S'uka zei: 'O Koning, door de Opperheer aldus geïnstrueerd boog Uddhava, de verhevene fortuinlijk begerig het hoogste principe zo te kennen, neer voor de Onfeilbare om zijn eerbetoon te brengen. (14) S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die de eenheid ons vergunt, O Ziel die Ons Verbindt, o Bron van het Mystieke, tot mijn voordeel sprak U van verzaking zoals gekend door sannyâs. (15) Deze verzaking Heer, is moeilijk te volbrengen, door hen die leven voor de lol en zinsbevrediging, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6.33-34]. (16) Ik, met mijn bewustzijn, ben verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals beschikt is door Uw mâyâ en dus verzot van 'Ik' en 'Mijn'; daarom onderricht mij, zodat Uw geliefde dienaar met gemak te werk gaat naar het proces zoals door U is onderwezen. (17) Wie anders is er behalve U die van de Waarheid Zich onthult voor mij persoonlijk; welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking; zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik er een; in hun bewustzijn zijn zij die met Brahmâ aan het hoofd, als zielen belichaamd het uitwendige als wezenlijk ziend, allen verbijsterd door Uw mâyâ. (18) Daarom wil ik, met mijn geest, oh, op verzaking zo gekweld vol van het leed, U voor mijn toevlucht naderen Nârâyana, Vriend der Mens; U de volmaakte, onbegrensde, alwetende Beheerser altijd weer nieuw in Zijn verblijf Vaikunthha.'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich vrij, met behulp van hun eigen intelligentie, van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest]. (20) In zekere zin, is de ziel van een persoon voorwaar zijn eigen goeroe, daar men bij de rechtstreekse waarneming en de logica [van de ziel] in staat is het ware voordeel te behalen. (21) Aldus kunnen diegenen die wijs zijn door ervaring, in het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij duidelijk rechtstreeks zichtbaar zien, vol toegerust met al Mijn energieën [zie ook Kapila]. (22) Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9]. (23) Zich daarin bevindend is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen, met logische afgeleiden rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36]. (24) Aangaande dit wordt aangehaald een oude geschiedenis van een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.

(25) Yadu, zeer goed thuis in 't dharma, die ooit een jonge brahmaanse bedelmonnik onbevreesd voor wat dan ook zag rondtrekken, stelde hem vragen [zie ook 7.13]. (26) S'rî Yadu zei: 'Vanwaar kreeg u deze buitengewone intelligentie o brahmaan, zoals u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezig houdend, door de wereld reist net als een kind? (27) Voorzeker zijn mensen van de religiositeit, uit op een inkomen, van zinsbevrediging en met het najagen van kennis, normaal gesproken bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven. (28) U echter, capabel, geschoold, ervaren, knap en welbespraakt als u bent, bent niet iemand van daden; u verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden, spookverschijning. (29) Een ieder brandt in 't woud in vuur en vlam van lust en hebzucht, maar u, om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staand als een olifant, brandt in het geheel niet. (30) Alstublieft o brahmaan zeg ons, die het u verzoeken, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk van u die geheel op uzelf verkerend verstoken bent van ieder materieel genoegen.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Op deze manier verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse uit nederigheid zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene. (32) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Met het verstandelijk mij beroepend op vele geestelijk leraren, o koning, trek ik nu, met het aan intelligentie hebben gewonnen met hen, bevrijd rond in deze wereld; alstublieft verneemt over hen. (33-35) De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp: dezen zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning; mijn heil zoekend bij de lessen getrokken uit hun handelen heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf. (36) Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, als ik u uiteenzet, o zoon van Nâhusha [of Yayâti], hoe en wat ik zoal leerde van ieder van hen.

(37) Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet moet wijken van het pad en standvastig blijven moet, hoezeer hij ook wordt geplaagd door andere levende wezens die in feite simpelweg volgen naar wat door het lot zo is beschikt. (38) Van de berg [van aarde] moet men, als een leerling van de boom [zie s'ikshâstaka-3] die anderen is toegewijd [zie ook 10.22: 31-35], een vroom persoon zijn die, met het doen van alle moeite voor de anderen, leeft om de enkele reden van dat hogere doel [zie ook B.G. 17: 20-22].

(39) Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer met zaken die de zinnen een genoegen zijn, zodat zijn geestelijk weten niet vernietigd en zijn geest en spreken niet zijn afgeleid. (40) Gelijk de wind behoort een yogî, als een ziel van transcendentie, niet verstrikt te raken waar dan ook in contact komend met allerlei soorten van kwaliteiten goed en kwaad. (41) Een yogî die in deze wereld aardse lichamen is binnengegaan en hun karakteristieke kwaliteiten op zich nam, verstrikt, goed bewust van zichzelf, zich niet in dergelijke kwaliteiten precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.

(42) Overeenkomstig de ether aanwezig in de bewegenden en niet-bewegenden behoort een wijze, onthecht en naar de Superziel van de verschillende contacten inziend dat hijzelf puur geest is, te mediteren op het uitgebreide als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14]. (43) Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet geraakt wordt door de winden die de wolken blazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet aangetast door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die door de geaardheden der natuur in gang gezet zijn door de Tijd.

(44) Een wijze, van nature een zuiver, zachtgeaard, lief vriendelijk bedevaartsoord voor mensen, heiligt, zoals het water doet, hij die samenkomt [de vriend], door te zijn gezien, respectvol aangeraakt en geprezen [zie ook sâkhya].

(45) Briljant, gloeiend en onverstoorbaar in zijn verzaking, etend naar de noodzaak, raakt hij die verbonden is in de ziel, zelfs als hij alles eet [dus ook de noodzaak dan voorbijstreeft], niet besmet net als een vuur. (46) Somtijds [als een vuur aldus] verborgen, soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk voor hen die het hoogste verlangen, de offers gebracht van alle kanten, met het verbranden van het voorgaand en toekomstig ongeluk [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 13]. (47) De Almachtige die als waar of onwaar [als god of beest] dit alles is binnengegaan geschapen uit Zijn eigen energie, verschijnt als vuur in brandhout met het aannemen van de identiteit van een ieder.

(48) Door de Tijd die in de grond niet waar te nemen is, zijn er, zoals met de maan, beginnend bij de geboorte en eindigend met de crematie, de staten van het lichaam in zijn verschillende fasen; maar geen van dezen zijn van de ziel [B.G. 2: 13, 2: 20]. (49) De tijd dringend, voortsnellend als een stroom, met zijn voortdurend ontstaan en weer vergaan van schepselen die als de vlammen zijn met een vuur, is, vanuit de ziel bekeken, niet te zien echter [*].

(50) Een yogî met het aanvaarden van de objecten voor zijn zinnen verzaakt ze op de juiste tijd [naar de cakra]; hij raakt niet verstrikt in hen net zoals de zon niet als die met zijn stralen de wateren binnendringt [ze verdampend en weer retournerend met de regen]. (51) De zon, die gereflecteerd uiteengevallen schijnt te zijn, wordt in zijn oorspronkelijke vorm niet beschouwd in die termen van verscheidenheid; net zo is ook de ziel, die voor de tragen van begrip schijnt te zijn opgegaan in reflecties [van aparte zelven], van die positie.

(52) Geen buitengewone affectie of nauwe omgang met wie ook zou er ooit moeten zijn, daar daarin zwelgend men groot leed zal ondervinden, levend bij de dag zoals een duif [zie ook 7.2: 50-56]. (53) Een zekere duif die in het bos zijn nest in een boom had gebouwd hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwtjesduif als metgezel. (54) Als gehechte huishouders waren zij met hun harten van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest. (55) Er samen op vertrouwend als een paartje waren ze bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen en eten enzovoorts, temidden van de bomen in het bos. (56) Wat zij maar wenste, o Koning, is wat hij, proberend het haar naar de zin te maken, deed, zonder zinsbeheersing, genadig verschaffend, zelfs als dat dan moeilijk was. (57) De kuise wijfjesduif met het dragen van haar eerste zwangerschap bracht, toen de tijd daar was, in het nest de eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot. (58) Uit hen werden na de nodige tijd, met tere leden, tere veertjes, de kleintjes voortgebracht door de 0ndoorgrondelijke vermogens van de Heer. (59) Het paartje zeer verheugd voedde toen hun nageslacht, vol liefde in verrukking luisterend naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes. (60) Met de pluizige vleugeltjes van de kleintjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, werden de ouders helemaal blij als ze zo gelukkig waren. (61) Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze, volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu, hun kinderen, hun nageslacht. (62) Op een dag gingen de twee hoofden der familie er op uit voor voedsel voor de kinderen, ver weg afdwalend, vol zorg speurend in het hele bos. (63) Een zekere jager die toevallig door het bos trok, en ze [de jongen] zag, ving ze met een net gespreid zoals ze zich rondbewogen in de buurt van hun nest. (64) De mannetjes- en de vrouwtjesduif er op uit, altijd ijverig bezig in de zorg voor hun kindjes voedsel aanslepend, kwamen dichterbij hun nest. (65) De vrouwtjesduif met het zien van de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen in het net, haastte zich erheen in grote paniek naar hen roepend die ook aan het schreeuwen waren. (66) Zij, steeds gebonden door de liefde raakte, met het omzien naar de kinderen, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene zichzelf vergetend, ook in het net gevangen. (67) De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig de gevangenneming van zijn kinderen die hem meer dierbaar waren dan hemzelf en zijn wijfje dat zo veel op hem leek: (68) 'Helaas, zie toch de vernietiging van mij zo zwak van geest zonder verdienste, die [nu] onvervuld het drievoudig doel is misgelopen [de purushârtha's] van de familie die hij te gronde richtte! (69) Zij die mij geschikt en trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, vroom naar de hemel gaand tezamen met haar zoons, me achtergelaten met een leeg huis. (70) Met mij ellendig in het lege nest met mijn wijfje en mijn kinderen dood, voor welk doel zou ik dan nog leven, miserabel lijdend een leven in gescheidenheid?' (71) Met hem vol leed ze inderdaad gevangen ziend in 't net in de greep van de dood, belandde, zelfs hij, ontsteld met zijn verstand op nul, eveneens in het net. (72) De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had nam de huishouder-duif, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op, en begaf zich toen naar huis.

(73) Een gezinshoofd niet in vrede met de ziel genoegen belevend in materiële tweeledigheid, heeft aldus, zoals deze vogel ellendig in het behouden van zijn gezin, met zijn verwanten zwaar te lijden. (74) Iemand die met het bereikt hebben van de menselijke positie, met de poort der bevrijding wagenwijd open, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel; beschouw hem zo hoog geklommen als zijnde gevallen [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17 , 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39,7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].

 

Voetnoot:

*: Deze analytische methode, van het in dit geval terugkeren naar het onderwerp van het vuur na het reeds geïntroduceerd hebben van het volgende onderwerp van de maan, wordt simhâvalokana genoemd, of 'de blik van de leeuw', waarmee men tegelijkertijd voortgaat en achteruit kijkt om te zien of er iets over het hoofd werd gezien.  

 

 

Hoofdstuk 8

Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aangezien de belichaamden in de hemel en de hel voorzeker ook, o Koning, aan de zinnen geluk zowel als ongeluk ontlenen, behoort degene die van kennis is derhalve dat [zinservaren] niet te verlangen [zie ook B.G. 16: 16].

(2) Als een python onbezorgd moet men eten wat bij toeval wordt verkregen, of het nu veel of weinig is, smakeloos of zuiver, zalig voedsel [7.13: 37-38]. (3) Voor vele dagen vastend moet men zich schikken als het voedsel in het wachten op de gelegenheid niet verschijnt, net als de python etend wat de voorzienigheid verschaft [7.15: 15]. (4) Sterk, met geest en zinnen goed bijeen, het lichaam dragend zonder voor de baat te handelen, blijft men vredig vrij van slaperigheid; men moet niet van dat [karmisch] herhalen zijn, ookal heeft men de zinnen volledig ter beschikking.

(5) Een wijze aangenaam vol ernst, ondoorgrondelijk, onbegrensd en niet te overwinnen [in zijn weten] is zeer zeker nimmer verstoord als de kalme wateren van de oceaan [zie ook B.G. 12: 15]. (6) Berooid dan wel florerend met het verlangde, neemt een wijze, met Nârâyana als de Allerhoogste, als de oceaan met de rivieren [die dan weer vol zijn, dan weer opgedroogd] niet toe noch neemt hij af [B.G. 2.70].

(7) Bij het zien van een vrouw komt degene die niet zijn zinnen overwon, bekoord door die verleidelijke, bedrieglijke energie van God, blind ten val in de duisternis, precies zoals een mot in het vuur geraakt. (8) Met het zien van de kleding, gouden sieraden enzovoorts van de vrouwen zoals dat is beschikt door mâyâ, zal een persoon zonder onderscheid geprikkeld door lustige verlangens met de hang naar zinsbevrediging, zonder twijfel, op de manier waarop een mot vernietigd wordt, zijn verstand geruïneerd zien [B.G. 2.62-63].

(9) Met het nuttigen van kleine beetjes voedsel genoeg om het lichaam in leven te houden, behoort men wijs de [sociale] zekerheid [geweldloosheid] met de huishouders te beoefenen en aldus van de bezigheid van een honingbij te zijn. [5.5: 3, 7.2: 11-13, 7.12: 6. 7.14: 5, 7.15: 15 en B.G. 4: 21]. (10) Een man die intelligent is moet aan de kleinste als ook de grootste religieuze geschriften de essentie ontlenen, precies zoals een honingbij dat doet met al de bloemen groot en klein [11.7: 23, B.G. 15: 15]. (11) Niet als de bij een verzamelaar wezend, behoort men met de buik als zijn bergplaats en de hand als zijn bord voedsel te aanvaarden geschonken in liefdadigheid en het niet te bewaren voor de nacht of de dag erna. (12) Een bedelmonnik behoort noch wat voor de nacht is bedoeld noch wat is bedoeld voor morgen te aanvaarden, daar zoals dat gaat met het verzamelen van een honingbij die verzameling te loor gaat.

(13) Een bedelmonnik behoort een meisje niet aan te raken, zelfs niet een van hout of met zijn voet, daar men door het lichamelijke contact in de greep raakt zoals een olifant wordt gevangen met een wijfjesolifant. (14) Een man van wijsheid behoort - de dood voor hemzelf - nimmer een vrouw na te jagen, daar hij als een olifant [in de wedijver] de vernietiging zal vinden door anderen hem overtreffend in kracht.

(15) Hij die voor zichzelf geniet en niet uitdeelt wat met grote moeite werd vergaard, zal daarentegen zien dat ook anderen begeertig dat genieten zullen, precies zoals het gaat met de honing die degene wordt ontstolen die de overvloed ervan waardeert [de bij, zie ook 5.13: 10]. (16) Gelijk de honingdief is de asceet nog meer dan anderen, er zeker van, van hen die zweren bij een huishoudelijk bestaan, de zegeningen te genieten van fervent verlangde huishoudelijke rijkdommen verworven met heel veel problemen [zie b.v. 1.19: 39 en 7.14: 17].

(17) Een toegewijde rondbewegend in het bos moet zijn oren nooit laten hangen naar wereldse liedjes; men moet het leren van het hert dat gevangen werd verbijsterd door het jagerslied [zie de bhajans]. (18) Plezier belevend aan ordinair dansen, muzikaal vermaak en dergelijke liederen, viel Rishyas'ringa, de zoon van Mrigî, als een troeteldier geheel beheerst ten prooi aan de vrouwen [zie *, 5.8 en 5.25: 11].

(19) Gelijk een vis die, verstand op nul en aangetrokken tot de smaak inderdaad, bij de haken reikt tot zijn dood, is van een persoon o zo gemakkelijk, verstoord geraakt door de tong, het verstand buiten spel gezet. (20) De geschoolden in verzaking overwinnen snel de materiële zinnen, met uitzondering echter van de tong, waarvoor de smaak groeit met het vasten [zie het prasâdam-gebed]. (21) Zolang de tong niet is verslagen kan van een menselijk wezen, die al de andere zinnen heeft verslagen, nog steeds niet gezegd dat hij het won; maar eenmaal de tong verslagen hebbend, overwon hij alles [zie ook 8: 16 en B.G. 2: 59].

(22) Lang geleden, was er eens in de stad Videha een prostituee genaamd Pingalâ, verneem nu van mij o zoon der Koningen, over dat wat ik van haar zo leerde. (23) Zij als een dame van plezier stond op een avond, teneinde een klant haar huis in te krijgen, buiten in de deuropening haar mooie vorm ten toon te spreiden. (24) De mannen met geld die ze in de straat langs zag komen, o beste der mannen, beschouwde zij, uit op het geld, als haar minnaars die de prijs moesten betalen. (25-26) Met hun komen en gaan dacht ze, levend van het verkopen van haar liefde: 'Misschien zal een andere met genoeg op zak me voor de liefde benaderen en me er veel van bezorgen'; aldus met valse hoop verstoord in haar nachtrust in de deuropening leunend, de straat op en neer lopend en weer terugkerend naar haar huis, werd het middernacht. (27) Met haar gezicht hangend terneergeslagen in haar verlangen naar geld, ontwaakte in haar zorgelijkheid een allerverhevenste onthechting welke haar het geluk bracht. (28) Onthechting is zo zeker als een zwaard voor het verstikkende netwerk van hoop en verlangens; luister alstublieft naar het lied dat er was van haar wiens geest zich was begonnen te verzetten. (29) Mijn beste, voorzeker zal hij die geen onthechting ontwikkelde nimmer de gebondenheid van het materiële lichaam willen opgeven, precies zoals een menselijk wezen verstoken van wijsheid zijn idee van eigenaarschap niet op zal geven, o Koning. (30) Pingalâ zei: 'Zie hoezeer, met een geest niet in de hand, ik in staat van illusie verkeer die zo dwaas is in de jacht wellustig te zijn met een slechte minnaar. (31) Met het opgeven van het genoegen van Hem, Hij het Liefst en Meest Nabij, was ik, deze onnozele ziel, zo hoogst onbeduidend van een dienstbaarheid die, nimmer de begeerte temperend, misère geeft, angst, leed, treurnis en illusie. (32) O hoe nutteloos mijn ziel onderwerpend aan de marteling heb ik, bezig als een publieke vrouw - het meest berispelijke beroep van alle - met mijn lichaam geld en sexplezier verlangend, mij verkocht aan versierders die, belust op mij, zelf beklagenswaardig zijn. (33) Welke andere vrouw behalve ik zou zich wijden aan dit huis met negen deuren dat, gebouwd met de beenderen van een ruggengraat, de ribben, de handen en de benen, en bedekt met een huid, met haar en nagels, vol van ontlasting urine lekt [vergelijk B.G. 5:13 en 4.25-28]? (34) Van de bewoners van Videha ben ik degene met een werkelijk verdwaasd verstand, daar ik degene ben die zeer onkuis zinsgenot verlangt met een andere man dan Hij die Ons de Ziel Geeft, Acyuta. (35) De weldoener die absoluut de meest geliefde is, de Heer en Ziel die Hij van allen is die leven met een lichaam; door de prijs te betalen van het geven van mezelf aan Hem, zal ik voorzeker genieten als Ramâ. (36) Hoe veel feitelijk geluk heeft het zingenot en hebben die mannen die mijn zinnen streelden mij verschaft; om een vrouw te hebben en [zelfs] goden heeft allemaal, in de tijd verdeeld, zijn aanvang en zijn eind. (37) Deze hier zo wanhopig moet de Allerhoogste Heer Vishnu die het geluk brengt dat zich in mij opwerpt, daarom hebben behaagd met de een of andere handeling van afzien van de zinsbevrediging! (38) Met een vrouw die werkelijk onfortuinlijk is zouden die vormen van ellende zich niet voordoen, die oorzaken van onthechting waarvan een persoon die de gebondenheid van zich afschud de [ware] vrede verwerft. (39) Met het opgeven van de valse hoop in samenhang met de sexuele omgang kom ik nu, met het op mijn hoofd aanvaarden van de grote hulp geboden door Hem, voor mijn toevlucht tot Hem, de Oorspronkelijke Beheerser. (40) Tevreden in de volle overtuiging daarmee levend met wat ik ook op mijn weg vindt, zal ik met alleen die Ene het leven genieten, het Zelf van de Liefde en het Geluk zonder twijfel. (41) Wie anders dan de Oorspronkelijke Beheerser zou, met mijn in het behagen van de zinnen beroofd van de visie beland zijn in de diepe put van de materiële oceaan, er toe in staat zijn het levende wezen te verlossen dat in de greep verkeert van het serpent van de tijd [zie ook 10.34]? (42) Op het moment dat het zelf aldus het universum kan aanschouwen als verkerend in de greep van de slang der tijd, wordt hij, oplettend onthecht van al de materie, voorzeker zijn eigen beschermer.'

(43) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aldus ertoe besloten een einde te maken aan de wanhoop veroorzaakt door het begeren van minnaars, zat ze neer op haar bed met het gevonden hebben van de innerlijke vrede. (44) Het grootste ongeluk voorzeker het verlangen naar, en het grootste geluk het niet verwachten; op die manier het smachten naar minnaars afgeschud hebbend, sliep Pingalâ gelukkig.'

 

Voetnoot:

*: Rishyas'ringa, dat 'hoorn van een hert' betekent naar het hert dat muzikaal is aangetrokken, was de jonge zoon van de wijze Mrigî, met opzet door zijn vader grootgebracht in een atmosfeer van complete onschuld. Mrigî Rishi dacht dat als hij zijn zoon nooit bloot stelde aan de aanblik van vrouwen hij altijd en eeuwig een volmaakte brahmacârî zou blijven. Maar per toeval ontvingen de bewoners van het naburige koninkrijk, die te lijden hadden onder een langdurige droogte, het advies van boven dat de regen alleen maar naar hun koninkrijk zou terugkeren nadat de brahmaan genaamd Rishyas'ringa er zijn voet in gezet had. Om die reden zonden ze prachtige vrouwen naar de hermitage van Mrigî om Rishyas'ringa te verleiden en hem met zich mee te voeren. Daar Rishyas'ringa nog nooit van vrouwen had gehoord, liep hij met gemak in hun val [geciteerd van pp 11.8: 18].

 

 

Hoofdstuk 9

Onthechting van Al het Materiële

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer gekoesterd worden door de mens [een huis, de vrouw, de auto etc.], voert voorzeker tot ellende; wie dan ook die dat weet zal, vrij van een dergelijke gehechtheid, daarop het onbegrensde geluk bereiken.

(2) Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen heel sterk die zonder prooi zaten; op dat moment het vlees opgevend bereikte hij het geluk.

(3) Ik, als een kind enkel in de ziel genietend, trek hier rond; in mij vindt men geen eer en oneer; verkerend met het zelf is er niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen. (4) Vrij van zorgen zijn er zo twee types: hij niet goed bij zijn verstand die onwetend als een kind opgegaan is in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.

(5) Eens arriveerden ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten weg waren naar een andere plaats, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving. (6) Helemaal alleen als ze was sloeg ze, zodat haar gasten konden eten, de kaf van de rijst waardoor de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal maakten. (7) Zij verlegen van aard beschaamd over dat [dienstmeiden-] geluid, slim van geest brak een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, slechts twee overlatend aan iedere pols. (8) Nog steeds was er van de twee, met haar pellen van de rijst, het geluid natuurlijk, zodat, toen ze van ieder van de twee er een weghalend er nog maar een overbleef, er geen geluid meer was te horen. (9) Ik ronddolend langs alle plaatsen in mijn naspeuren van de waarheid van de wereld, o onderwerper der vijanden, was met eigen ogen getuige van de les van dit meisje. (10) In een plaats waar veel mensen zijn zullen zich ruzies voordoen, zelfs met alleen twee mensen die converseren; voorzeker behoort men daarom te leven zoals de armband van het jonge meisje. (11) Door onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] moet de geest worden bestendigd, met zorg geconcentreerd door het de baas zijn van de ademhaling in zithoudingen [zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47]. (12) Met het bereikt hebben van bestendigheid in die positie, stap voor stap de karmische besmetting opgevend, bereikt die zelfde geest het nirvâna met het in sattva sterk geworden zijnd verzaken van de brandstof van de rajas en de tamas [voor het vuur van het materieel bestaan, zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].

(13) Te dien tijde aldus verankerd in de ziel heeft men geen weet van wat ook [als bestaande] van buiten of van binnen, net als de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die vlak naast hem voorbij kwam [zie B.G. 7: 27-28].

(14) Alleen, zich bewegend zonder een vaste woonplaats [ook: tempel] en terughoudend niet herkend in zijn handelingen, spreekt een wijze, het zonder gezelschap stellend, zeer weinig. (15) Het bouwen van een huis als een zinledige bezigheid [zie B.G. 4: 18], leidt tot misère; ook de slang gedijt gelukkig met het zijn binnengegaan van een schuilplaats gebouwd door anderen.

(16) Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen inderdaad werd, is Nârâyana, de God die in het begin bij machte van Zijn eigen vermogen schiep en met het deel van de tijd aan het eind van de kalpa dit universum terugtrekt in Zichzelf. (17-18) Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva en zo voorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâ