CANTO 11:

Algemene Geschiedenis

  

Hoofdstuk 1 De Vloek over de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 2 Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

Hoofdstuk 3 Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

Hoofdstuk 4 De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

Hoofdstuk 5 Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

Hoofdstuk 6 Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

Hoofdstuk 7 Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

Hoofdstuk 8 Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

Hoofdstuk 9 Onthechting van Al het Materiële

Hoofdstuk 10 De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

Hoofdstuk 11 Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

Hoofdstuk 12 Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

Hoofdstuk 13 De Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

Hoofdstuk 14 De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

Hoofdstuk 15 Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

Hoofdstuk 16 De Volheden van de Heer

Hoofdstuk 17 Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

Hoofdstuk 18 Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

Hoofdstuk 19 De Volmaaktheid van de Spirituele Kennis

Hoofdstuk 20 Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

Hoofdstuk 21 Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

Hoofdstuk 22 Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

Hoofdstuk 23 Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana

Hoofdstuk 24 De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

Hoofdstuk 25 De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

Hoofdstuk 26 Het Lied van Purûravâ

Hoofdstuk 27 Over het Respecteren van de Vorm van God

Hoofdstuk 28 Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

Hoofdstuk 29 Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

Hoofdstuk 30 Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

Hoofdstuk 31 De Hemelvaart van Krishna

 

 

 

 

 Hoofdstuk 1

De Vloek over de Yadu-dynastie

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Heer Krishna omringd door de Yadu's samen met Râma de uitroeiing van de Daitya's tot stand had gebracht en zo de last van de aarde verminderde, deed zich zeer spoedig een conflict voor [tussen de Kaurava's en de Pândava's]. (2) De Allerhoogste Heer die de aarde verloste van haar last door al de koningen ter dood te brengen die tezamen kwamen om zich tegenover elkaar op te stellen, zorgde ervoor dat zij die telkens weer tot waanzin werden gedreven door het valse gokken, de beledigingen, het aan de haren [van Draupadî] trekken en de andere overtredingen van hun vijanden, de onmiddellijke aanleiding vormden [van de dynastieke strijd, zie ook Yayâti en 10.49 & 10.68]. (3) Nadat de Yadu's onder de bescherming van Zijn armen de legers van de koningen had weggevaagd die een last voor de aarde vormden, kwam de Ondoorgrondelijke Heer tot de volgende afweging: 'Men kan wel zeggen dat de aarde van haar last is verlicht, maar Ik denk dat die nog niet weggenomen is omdat van de Yadu-dynastie het onverdraaglijke helaas aanhoudt [zie ook 4.16: 13]. (4) Zij die in alles tot Mij hun toevlucht namen raakten nimmer gefrustreerd met de controle die ze uitoefenden, vanuit een andere hoek valt er dan ook voor hen geen nederlaag te vrezen. Dus zal Ik inspireren tot een ruzie binnen de Yadu-dynastie als betrof het een brand in een bamboebos en zal Ik zo Mijn [doel: Mijn] verblijfplaats van de vrede bereiken [zie ook 3.3: 14 en 8.8: 37].'

(5) Met dat voornemen o Koning, trok de Beheerser, de Almachtige die alles wat Hij wilde gedaan kreeg, Zijn familie terug met behulp van een vloek die door de brahmanen over hen werd uitgesproken. (6-7) Door middels Zijn eigen gedaante, die de schoonheid vormt van alle werelden, alle mensen de ogen te openen, door middels Zijn woorden de geesten te bevrijden van allen die zich hen herinnerden en door het laten zien van Zijn voeten vrij baan te geven aan de [toegewijde] handelingen met hen, gaf de Heer, die aldus Zijn aantrekkingskracht had uitgeoefend en Zijn positie vestigde, er blijk van dat naar Zijn mening de mensen die in onwetendheid verkeren, met het over de aarde verspreiden van Zijn heerlijkheden in de meest uitgelezen verzen, zonder veel moeite met [het luisteren naar en zingen van] hen hun doel zouden bereiken [zie ook 7.5: 23-24].'

(8) De Koning zei: 'Hoe kwam het tot deze vloek van de geleerden tegen de Vrishni's? Zij, geheel verzonken in Krishna, waren altijd liefdadig en vol van respect voor de brahmanen en waren de ouderen van dienst. (9) Wat bracht hen ertoe zo'n ernstige vloek uit te spreken en hoe luidde hij, o zuiverste onder de brahmanen? Alstublieft vertel me hoe er deze tweedracht kon bestaan onder hen die dezelfde ziel [van Krishna] deelden.'

(10) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het meedragen van een lichaam waarin alles wat mooi was samenviel, met het op aarde volbrengen van de meest gunstige handelingen en met het geheel voldaan genieten van Zijn leven toen Hij Zich ophield in Zijn verblijfplaats [Dvârakâ], wilde Hij, zo groots bezongen, nu Zijn dynastie vernietigen. Dat was het enige dat Hem nog te doen stond. (11-12) Nadat ze zegenrijke rituelen hadden verricht om de vroomheid af te roepen, logeerden de wijzen Vis'vâmitra, Asita, Kanva, Durvâsâ, Bhrigu, Angirâ, Kas'yapa, Vâmadeva, Atri, Vasishthha, samen met Nârada en anderen, [eens] ten huize van de heer der Yadu's [Vasudeva]. Daarna begaven ze zich naar Pindâraka [een pelgrimsoord] en werden daarbij uitgewuifd door Hem, de Ziel van de Tijd over wie te zingen zo goedgunstig is voor de hele wereld omdat het de onzuiverheden van Kali-yuga verdrijft. (13-15) De jonge jongens van de Yadu-dynastie [aldaar] benaderden hen in een spel waarin Sâmba de zoon van Jâmbavatî [zie ook 10.68] zich had verkleed in vrouwenkleren. Hun voeten beetgrijpend vroegen ze, bescheidenheid veinzend, onbeschaamd: 'Deze zwartogige zwangere vrouw wil graag een zoon krijgen. Maar ze is te verlegen om het zelf te vragen. Daarom vragen wij u, wiens blik nimmer beneveld is, of u kunt zeggen of ze een jongen zal baren of niet?'

(16) O Koning, de wijzen die op die manier voor de gek werden gehouden zeiden kwaad tegen de jongens: 'Ze zal jullie, dwazen, een knots baren die de dynastie zal vernietigen!'

(17) Hevig geschrokken dat te horen, haasten ze zich de buik van Sâmba vrij te maken waarin ze inderdaad een knots gemaakt van ijzer aantroffen. (18) 'Wat hebben we gedaan, wat zal de familie wel niet zeggen? Wat een tegenslag!' Zich aldus overweldigd uitlatend pakten ze de knots en gingen ze naar huis. (19) Met de schoonheid uit hun gezichten verdwenen, brachten ze de knots naar de koning [Ugrasena] tijdens een vergadering van alle Yadu's en vertelden ze wat er gebeurd was. (20) Toen ze de knots zagen en hoorden over de onfeilbare vloek van de geleerden, o Koning, waren de bewoners van Dvârakâ ontsteld en raakten ze verscheurd door angst. (21) Âhuka [Ugrasena], de Yadu-koning, liet de knots tot gruis vermalen waarna hij het gruis samen met het ijzer dat van de knots over was in zee liet werpen. (22) Een of andere vis slokte de klomp op. Het gruis werd door de golven meegevoerd en spoelde aan om vervolgens aan de kust uit te groeien tot scherpe roeden [genaamd eraka]. (23) De vis werd uit zee samen met anderen door een visser opgevist met een net. Het stuk ijzer dat in de vis zijn maag bewaard was gebleven werd door een jager [genaamd Jarâ] op een pijl bevestigd [als pijlpunt]. (24) De Opperheer, zeer goed in staat alles te doorgronden wat zich had afgespeeld, wenste het echter niet de zaken terug te draaien en legde Zich, met het Zich vertonen als de Tijd, neer bij de vloek van de brahmanen.'

 

 

Hoofdstuk 2  

Mahârâja Nimi Ontmoet de Negen Yogendra's

(1) S'rî S'uka zei: 'Zeer gemotiveerd om met Krishna van aanbidding te zijn, o beste der Kuru's, hield Nârada zich regelmatig op in Dvârakâ, de hoofdstad beschermd door de armen van Govinda [zie ook 6.5: 43 & 10.69]. (2) Wie ook die begiftigd is met zinnen zou, geplaatst voor de dood die van alle kanten komt, o Koning, niet van aanbidding zijn voor de lotusvoeten van Mukunda die zo aanbiddelijk is voor zelfs de besten der onsterfelijken? (3) Op een dag zei Vasudeva het volgende tot de deva-rishi die bij hem was langsgekomen en respectvol was verwelkomd, aanbeden met de nodige hulpmiddelen en een comfortabele zitplaats was geboden. (4) S'rî Vasudeva zei: 'O grote heer, de komst van uw goede zelf, u die er evenzogoed bent voor de miserabelen als voor allen op het pad van Uttamas'loka, is als de komst van een goede vader omdat u verschijnt voor het heil van alle belichaamde zielen. (5) Wat de goden doen resulteert in zowel de misère als het geluk van de levende wezens, maar wat heiligen zoals u doen die de Onfeilbare als hun eigenlijke ziel aanvaardden, resulteert enkel in geluk [zie ook 1.2: 25-26, 3.25: 21]. (6) De goden die zich gedragen als je schaduw, zijn hun aanbidders van dienst naar gelang het karma dat men heeft en het respect dat men voor ze koestert, maar de heiligen zijn van genade voor de gevallen zielen [ongeacht wat ze doen. Zie ook 1.3: 12, 1.4: 12, 1.7: 20-23]. (7) O brahmaan, [ookal dacht u er misschien niet aan mij te instrueren,] niettemin vraag ik u naar wat we het best kunnen doen om de Allerhoogste Heer te behagen. Over Hem met geloof te vernemen is voor zij die gedoemd zijn te sterven de manier om bevrijd te raken van alle angst [vergelijk 10.2: 30-33]. (8) Toen ik lang geleden [in een voorgaand leven] Ananta, de Heer die de Bevrijding Schenkt, aanbad, wilde ik begoocheld door Zijn mâyâ een kind op de wereld zetten en streefde ik er niet naar om bevrijd te raken [zie ook 10.3: 32-45 en 4.1: 20]. (9) O u waarachtig in de gelofte, instrueer ons daarom alstublieft, zodat we door u zonder veel moeite bevrijding mogen vinden uit deze wereld die zo vol van gevaren ons steeds weer in angst verzet.'

(10) S'rî S'uka zei: 'O koning, aldus ertoe verzocht door de intelligente Vasudeva was de deva-rishi blij zich tot hem te kunnen richten want zijn kwaliteiten deden hem denken aan de Heer. (11) S'rî Nârada zei: 'De vraag die u stelde wat betreft het bhâgavata-dharma is de juiste, o beste van de Sâtvata's, want door dat dharma wordt het hele universum gezuiverd. (12) Door erover te horen of te praten, door erop te mediteren, het met eerbied te aanvaarden of het te waarderen als anderen het volbrengen, zuivert die rechtschapenheid met het ware terstond zelfs hen die zich negatief opstellen tegenover de goden en de hele wereld. (13) Vandaag bracht u mij de Allerhoogste Heer in herinnering, de Persoonlijkheid van God Nârâyana [zie ook 10.87: 5] over wie te zingen en te horen men hemels gelukkig en vroom wordt. (14) Om duidelijkheid in dezen te verschaffen haalt men vaak als voorbeeld de volgende oude geschiedenis aan van een gesprek tussen de zonen van Rishabha en de koning van Videha die een ruimdenkende ziel was. (15) De zoon van Svâyambhuva Manu genaamd Priyavrata had een zoon die Âgnîdhra heette. Van hem was er Nâbhi en zijn zoon herinnert men zich als Rishabhadeva [zie ook 5.3]. (16) Hij verschijnend in deze wereld met het verlangen om onderricht te geven in het proces van het bereiken van de bevrijding, beschouwt men als een volkomen expansie van Vâsudeva. Van Hem waren er honderd zoons die de Veda's perfect in acht namen. (17) Van hen was de oudste, Bharata [zie 5.7], volledig Nârâyana toegewijd. Dit wonderschone deel van de aarde genaamd Bhârata-varsha [of India] heeft aan hem haar naam te danken. (18) Toen er een eind kwam aan zijn aardse genoegens en hij zijn materiële bestaan afzwoer, verliet hij huis en haard en bereikte hij in drie opeenvolgende geboorten biddend tot Heer Hari zijn bestemming met het beoefenen van verzakingen. (19) Negen van zijn [Rishabha's] zoons waren de geheel souvereine meesters over de negen afzonderlijke delen [nava-dvîpa] van dit subcontinent terwijl eenentachtig andere zonen tweemaal geboren brahmanen waren die het [karma-kânda] pad van vruchtdragende vedische offerplechtigheden vrijmaakten [zie 5.2: 19-21]. (20-21) De negen overige zoons, Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana waren wijzen die zich bezighielden met de uitleg van de Absolute Waarheid. Door hun geleerdheid in de geesteswetenschap waren ze van een grote inzet en trokken ze rond slechts gekleed door de wind [ofwel naakt]. (22) Zij [genaamd de nava-yogendra's] trokken rond over de aarde en zagen het ganse universum, bestaande uit het grove en subtiele, als één en dezelfde gedaante van de Allerhoogste Heer en als gelijkstaande aan het Zelf [zie ook 1.5: 20 en B.G. 13: 14 & 15: 7]. (23) Ongehinderd naar believen gaan ze naar waar ze maar willen en reizen ze aldus vrijelijk door de werelden van de goddelijken, de vervolmaakten, de onderworpenen, de zangers van de hemel, de schatbewaarders, de [gewone] mensen, zij die bovennatuurlijke talenten hebben en de slangachtigen en bezoeken ze de wijzen, de engelen, de geesten die S'iva volgen, de wetenschappers, de tweemaal geborenen en de koeien. (24) Eens in Ajanâbha [zoals India voorheen heette] arriveerden ze tijdens de soma-offerplechtigheid van de grote ziel Nimi [zie ook 9.13] die werd uitgevoerd zoals de zieners het wensten. (25) Toen ze de zuivere toegewijden zagen die in hun schittering wedijverden met de zon, o Koning, kwamen de uitvoerder van de offerplechtigheid, de brahmanen, iedereen, neen zelfs de vuren, overeind uit respect. (26) De heerser van Videha [Nimi], die ze herkende als toegewijden van Nârâyana liet ze blij daarover plaats nemen en betoonde ze alle respect die ze verdienden. (27) Nederig zich verbuigend voor hen negen die zo straalden in hun luister als de zonen van Brahmâ [zie 4.22: 6] ging de koning, in opperste staat van bovenzinnelijke verrukking, ertoe over hen vragen te stellen. (28) S'rî Videha [Nimi] zei: 'Ik beschouw u als de directe metgezellen van de Allerhoogste Heer, de vijand van Madhu, als de dienaren van Vishnu die rondtrekken terwille van de zuivering van alle werelden. (29) Ik denk dat het bereiken van de omgang met hen die de Heer van Vaikunthha dierbaar zijn net zo moeilijk is als het voor belichaamde wezens is om een menselijk lichaam te verwerven dat men ieder moment weer kan verliezen [zie ook B.G. 8: 16 & 16: 19-20]. (30) Derhalve vraag ik u, o zondelozen, wat het hoogste goed zou zijn in deze materiële oceaan alwaar het voor menselijke wezens slechts voor de duur van een seconde genieten van het gezelschap van de waarachtigen de grootste schat inhoudt. (31) Alstublieft spreek over de wetenschap van de toegewijde dienst als u ons ertoe in staat acht daarover te vernemen; daarmee tevreden zal Hij, de Ongeboren Heer, Zich zelfs geven aan degenen die Zijn toevlucht zochten.'

(32) S'rî Nârada zei: 'Zij, de grootsten der groten spraken aldus er door Nimi toe verzocht, o Vasudeva, op hun beurt eerbiedig vol genegenheid tot de koning in de aanwezigheid van de priesters en de deelnemers aan de offerplechtigheid. (33) S'rî Kavi zei: 'Ik zie het zo dat als men in zijn intelligentie voortdurend verstoord aanwezig is in deze wereld omdat men het tijdelijke [lichaam] aanziet voor het ware zelf, de staat van het waarlijk van geen kant ook maar iets te vrezen hebben wordt gevonden als men de lotusvoeten aanbidt van de Onfeilbare, aangezien alle vrees zijn einde vindt in die staat [zie 3.9: 6 en b.v. B.G. 2: 56, 2: 71, 4: 10, 12: 13-14]. (34) De juiste methode is besproken door de Allerhoogste Heer en staat bekend als het bhâgavata dharma waarmee de mens die worstelt met zijn intelligentie met gemak inzicht kan krijgen in de Allerhoogste Ziel. (35) Een mens die dat aanvaardt, o Koning, is nooit verbijsterd en zal, zelfs nog niet als hij met zijn ogen dicht rent, in dezen komen te struikelen of te vallen [zie ook de catuh-s'loki van B.G. 10: 8-11 en vers 5: 17]. (36) Wat men met het volgen van de eigen aard ook doet met het lichaam, de spraak, het denken, de zinnen, de intelligentie of het gezuiverde bewustzijn, behoort men allemaal op te dragen aan het Allerhoogste met de gedachte: 'Dit is voor Nârâyana' ['nârâyanâya iti', vergelijk B.G. 3: 9 en 9: 27]. (37) Voor degenen die geleid door de begoochelende energie en vergeetachtig met God zich afkeerden in het zich valselijk identificeren [met het lichaam] zal de angst zich opwerpen vanwege het verzonken zijn in dingen die de Heer op de tweede plaats stellen. Om die reden behoort een intelligent persoon Hem, de Heer, volledig en zuiver toegewijd te aanbidden en zijn geestelijk leraar te beschouwen als zijn Heer en Ziel [zie ook B.G. 4: 34, 1.5: 12 en B.G. 7: 14, 15: 7]. (38) Door de intelligentie van de dualistische ervaring kan men als in een droom zich dingen zien manifesteren of kan men verlangens opmerken die buiten de werkelijkheid staan. Een intelligent iemand moet om die reden de geest onder controle krijgen die vanuit de materiële handelingen begaan is met positieve en negatieve verlangens, en aldus onbevreesd zijn [zie ook B.G. 6: 35]. (39) Vernemend over de in alle opzichten gunstige verschijningen en handelingen van Hem met het Wiel in de Hand [zie 1.9: 37] van Wie de daarmee samenhangende namen worden bezongen in deze wereld, moet men zingend zonder de materiële omgang die men heeft [met een vrouw, een huis en kinderen] vrij en zonder schaamte zich in alle richtingen bewegen. (40) Als men daarbij zweert ontwikkelt men door het zingen van Zijn zo dierbare, heilige naam, de gehechtheid van een geest die op is gegaan in een luidkeels lachen, hardop huilen en in een als een waanzinnige opgewonden raken waarbij gezongen en gedanst wordt zonder zich te bekommeren om buitenstaanders [*]. (41) Voor de ether, de lucht, het vuur, het water, de aarde en de hemellichten, voor alle levende wezens, de windrichtingen, de bomen en andere niet bewegende wezens, de rivieren en oceanen en wat er ook moge bestaan in het lichaam der schepping van de Allerhoogste Heer, moet men zich verbuigen, daarbij niets als losstaand [van Hem] beschouwend [**]. (42) Toewijding, de aanwezigheid ervaren van de Allerhoogste Heer en onthechting van al het overige, zijn de drie [kenmerken] die zich op hetzelfde moment voordoen bij iemand die in het proces verkeert van het toevlucht zoeken - ongeveer zoals dat gaat met iemand die bezig is met eten en dan de bevrediging vindt met de voeding die hij krijgt en de honger die hij terugdringt. (43) Voor de toegewijde die aldus de voeten van Acyuta vereert zal toewijding, onthechting en kennis van de Opperheer zich manifesteren, o koning Nimi, en als gevolg daarvan zal hij dan direct de bovenzinnelijke vrede bereiken [zie B.G. 2: 71].'

(44) De koning zei: 'Alstublieft vertel me nu over de toegewijde van de Fortuinlijke; wat zijn zijn plichten, wat is zijn aard, hoe gedraagt hij zich onder de mensen, wat zegt hij en dankzij welke kenmerken is hij de Heer dierbaar?'

(45) S'rî Havir zei: 'Hij is de meest gevorderde van toewijding voor de Heer [een uttama adhikârî] die deze Ziel, dit basisprincipe van het gehele bestaan, ziet in alle bestaansvormen [van de materie en de geest] èn tegelijkertijd in staat is van toegewijde dienst te zijn voor de Allerhoogste Geestelijke Ziel vanuit het gezichtspunt dat alle bestaansvormen zich bevinden in de [gigantische universele gedaante van de] Allerhoogste Heer [zie ook B.G. 6: 29 & 30]. (46) In de voorgaande fase, het middelste platform, is hij [de madhyama], van liefde voor de Allerhoogste Heer, van vriendschap voor personen die gevorderd zijn, van genade voor de nieuwkomers en slaat hij geen acht op de afgunstigen [zie ook 4.24: 57, 7.9: 43, B.G. 4: 8 & 15: 7 en ***]. (47) Hij die in zijn toewijding voor de Heer gewetensvol in de weer is met de beeltenis [de mûrti] maar niet zo respectvol omgaat met de toegewijden noch met mensen in het algemeen, is een materialistische toegewijde [een prâkrita of een beginner, een kanishthha, zie ook B.G. 7: 20 en 3.29: 24-25 & 7.14: 40]. (48) Hij die ondanks dat zijn zintuigen bezig zijn met de zinsobjecten geen afkeer koestert noch zich verheugt en dit universum ziet als de begoochelende materiële energie van Vishnu is daadwerkelijk een eersteklas toegewijde [zie ook B.G. 5: 3]. (49) Hij die door de geboorte, het verval, de honger, de angst en de dorst van het lichaam, de levensadem, de geest en de intelligentie niet is begoocheld, hij die niet is begoocheld door de onvermijdelijke kenmerken van een materieel leven omdat hij de Heer in gedachten houdt [zie ook 6.2: 14], is de meest vooraanstaande toegewijde [zie ook B.G. 2: 56-57]. (50) In de geest van degene die zich enkel ophoudt in Vâsudeva bestaat er geen kans dat de lust [zie B.G. 3: 37-43] of het karmisch hunkeren naar resultaten [zie ook B.G. 6: 4] zich zal ontwikkelen; zo een iemand is waarlijk een eersteklas toegewijde. (51) Hij is de Heer dierbaar die niet gehecht is in het egobepaalde sentiment van een lichamelijk begrip van bestaan in de zin van het hebben van een goede geboorte, het zijn van verdienstelijke daden, het behoren tot een bepaalde varnâs'rama statusoriëntatie of tot een bepaalde groepering of ras [zie B.G. 2: 71 & 12: 13-14]. (52) Hij die niet van het dualistisch denken is van 'mijn' en 'dijn' wat betreft bezittingen of het lichaam, iemand die van gelijkheid en vrede is met alle levende wezens, is waarachtig de beste der toegewijden [zie B.G. 13: 28-31 & 14: 22-25]. (53) Hij die niet verleidt door de vormen van weelde die er zijn in de drie werelden, nog niet een ogenblik, een seconde of een onderdeel van een seconde zich wegbeweegt van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer die de toevlucht vormen voor de goddelijken en anderen die - onverstoord in hun heugenis - de Onoverwinnelijke als hun eigen ziel zien, is de grootste Vaishnava [zie ook 18: 66]. (54) Nogmaals: hoe kan van de tenen van de Allerhoogste Heer Zijn voeten, de voeten van al die grootste heldendaden, hoe kan er van de maneschijn van zijn juweel-gelijke nagels die de pijn in de harten wegneemt, er voor hen die van aanbidding zijn nog enige pijn van betekenis zijn? De brandende hitte van de zon kan toch ook geen werking hebben als de maan is opgekomen [zie ook 10.14: 58]? (55) Hij verlaat nimmer het hart van degene die men beschouwt als Zijn meest vooraanstaande toegewijde, ookal riep die maar per toeval Hem direct aan [door Zijn namen], Hij die, gebonden door de banden der liefde, de zonden vernietigt ongeacht hoeveel die zich ook hadden opgehoopt [zie ook B.G. 4: 36 en *4].'

 

Voetnoten:

*: S'rî Caitanya Mahâprabhu benadrukte dit ook citerend: 'harer nâma harer nâma harer nâmaiva kevalam kalau nâsty eva nâsty eva nâsty eva gatir anyathâ [Adi 17.21]': 'In dit tijdperk van Kali bestaat er geen alternatief, er is geen alternatief, er is geen alternatief voor de geestelijke vooruitgang anders dan de heilige naam, de heilige naam, de heilige naam van de Heer.' Ook S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura beveelt hierbij aan dat men het volgende vers bestudeert: 'parivadatu jano yathâ tathâ vâ nanu mukharo na vayam vicârayâmah hari-rasa-madirâ-madâti-mattâ bhuvi viluthhâmo nathâmo nirvis'âmah': 'Laat de praatzieke bevolking zeggen wat ze maar wil; we zullen geen acht op ze slaan. Tot in de kern gek van de extase van de bedwelmende drank van de liefde voor Krishna, zullen we van het leven genieten door rond te rennen, over de grond te rollen en te dansen in extase.' (Padyâvalî 73) Dit is wat het Krishna-bewustzijn definieert.

**: S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft ons gewaarschuwd dat als we niet alles zien als een manifestatie van de Hoogste Persoonlijkheid van God, we het slachtoffer zullen worden van phalgu-vairâgya, of onvolwassen verzaking.

***: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkura heeft een fraai voorbeeld gegeven van het verschil tussen arcana en bhajana. Arcana heeft betrekking op het platform van de sâdhana-bhakti, waarin men de Heer dient om gevolg te geven aan de regels en voorschriften van het proces. Iemand die de toevlucht van de Heer Zijn heilige namen heeft bereikt en geheel opgaat in de poging de Heer te dienen moet worden geacht te verkeren op het bhajana platform, ook al mogen zijn uiterlijke handelingen somtijds minder strikt zijn dan die van de nieuwkomer bezig met arcana. Dit klaarblijkelijke gebrek aan striktheid echter, heeft geen betrekking op laksheid in de basis principes of een verstandige gedragswijze en verzaking van zinsbevrediging, maar eerder in de details van de Vaishnava-ceremoniën.'

*4: Nimi, de koning van Videha, stelde, zo helpt ons de paramparâ, de volgende negen vragen aan de negen Yogendra's, de heilige zonen van Rishabha. (1) Wat is het hoogste goed? (2.30); (2) Wat zijn de religieuze beginselen (dharma), de natuurlijke geneigdheden (svabhâva), het gedrag (âcâra), de spraak (vâkya) en de uiterlijke kenmerken (lakshana) van een bhâgavata, een Vaishnava toegewijde van de Heer? (2.44); (3) Wat is de uitwendige energie van Vishnu, de Opperheer? (3.1); (4) hoe kan men zich losmaken van deze mâyâ? (3.17); (5) Wat is de ware identiteit van Brahman? (3.34); (6) Wat zijn de drie soorten van karma, namelijk karma gebasee rd op het genieten van de vruchten van de arbeid, karma opgedragen aan de Allerhoogste Heer, en naishkarmya? (3.41); (7) Wat zijn de verschillende vormen van spel en vermaak van de verschillende incarnaties van God? (4.1); (8) Wat is het doel of de bestemming van iemand die tegen de Opperheer is en het ontbreekt aan bhakti (of in andere woorden, een niet-toegewijde)? (5.1); en (9) Wat zijn de respectievelijke kleuren, gedaanten en namen van de vier yugâvatâra's, de vier incarnaties van de Allerhoogste Heer die verschijnt in de vier tijdperken, en wat is het proces van het aanbidden van ieder van Hen? (5.19).

De bovenzinnelijke antwoorden op deze vragen werden gegeven door de grote toegewijden Kavi, Havir, Antarîksha, Prabuddha, Pippalâyana, Âvirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana. Deze negen paramahamsa's beantwoordden de negen vragen, ieder op zijn beurt, in de volgende verzen: (1) 2.33-43; (2) 2.45-55; (3) 3.3-16; (4) 3.18-33; (5) 3.35-40; (6) 3.43-55; (7) 4.2-23; (8) 5.2-18; en (9) 5.20-42.

 

 

Hoofdstuk 3  

Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Mijne heren, alstublieft zeg ons, we willen van de Allerhoogste Heer Vishnu het begoochelend vermogen [ofwel de mâyâ, zie ook 11.2: 48] doorgronden, dat zelfs de grote mystici verbijstert. (2) Met het koesteren van de nectar van de woorden die u bezigt in het bespreken van de onderwerpen betreffende Hari, ben ik nog niet verzadigd met die remedie voor de pijn die een sterveling ervaart als hij wordt geplaagd door de misère van samsâra.'

(3) S'rî Antarîksha zei: 'Met de elementen van de gigantische schepping ontwikkelde [conditioneerde] de Ziel der Gehele Schepping, de schepselen hoog en laag [zie B.G. 13: 22 & 14: 18], o machtig gearmde, zodat er voor hen [de delen en gehelen] die de Oorspronkelijke toebehoren er [de keuze van] het succes was met de zinsbevrediging en met de zelfrealisatie [zie ook 10.87: 2]. (4) Met het door Hem binnengegaan zijn in de levende wezens die aldus werden geschapen met behulp van de vijf grofstoffelijke elementen en met het Zich als de Ene [getuige, geest] verdelen naar de tien [zinnen van waarnemen en handelen], geeft Hij ze een leven met de drie geaardheden. (5) Het levende wezen nu dat door de Opperziel werd opgewekt geniet met de geaardheden van de geaardheden en denkt daardoor dat dit geschapen lichaam het ware zelf is en de meester en raakt aldus verstrikt [zie ook B.G. 15: 8, vergelijk 11.2: 37]. (6) Door de zintuiglijk gestuurde handelingen houdt de eigenaar van het lichaam zich op basis van verlangens bezig met verschilende karmische - baatzuchtige - activiteiten en plukt hij daar de verschillende vruchten van. En zo beweegt hij zich dan zowel in een staat van geluk door deze wereld als in het tegendeel daarvan [zie B.G. 2: 62]. (7) Op deze manier door zijn karma reikend tot bestemmingen die veel zaken met zich meebrengen die niet zo goed zijn, ondergaat het levende wezen tot aan het einde van de wereld hulpeloos geboorte en dood. (8) Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51]. (9) Zeer zeker zal er zich een verschrikkelijke droogte voordoen op aarde die een honderdtal jaren aanhoudt en zullen door de in die tijd oplopende hitte van de zon de drie werelden in ernstige mate verschroeien. (10) Beginnend vanuit de lagere regionen [Pâtâla], zal het vuur dat uit de mond van Sankarshana omhoogschiet door de winden aangewakkerd alle windrichtingen in lichterlaaie zetten. (11) Grote massa's wolken zullen honderd jaren lang regenen met stromen zo dicht als olifantenslurven en daardoor zal alles onder water komen te staan. (12) O Koning, als een vuur dat zonder brandstof komt te zitten, zal daarna het universum, de Oorspronkelijke Gedaante van de Allerhoogste Heer, door Hem worden opgegeven als hij de subtiele werkelijkheid van het ongeziene binnengaat [zie ook B.G. 8: 19, 3.32: 12-15]. (13) De aarde door de wind verstoken van haar aroma verandert terug in het water en het water door hetzelfde proces verstoken van zijn smaak gaat [weer, zie *] over in vuur. (14) Vuur, door het duister ontdaan van zijn vorm, verandert onvermijdelijk in lucht en de lucht, die geen greep meer krijgt, lost op in de ether. De ether door de Opperziel van de Tijd niet langer meer tastbaar zijnd gaat dan over in het ego [van het niet-weten]. (15) De zinnen, de geest en de intelligentie tezamen met de goden [die de emoties vertegenwoordigen], o Koning, gaan het ego-element binnen en het ik-bewustzijn tezamen met al zijn guna-kwaliteiten gaat over in het Allerhoogste Zelf [zie ook 3.6 en 3.26: 21-48]. (16) Met het aldus door ons hebben beschreven van deze begoochelende energie bestaande uit de drie kwaliteiten, van deze instantie van schepping, handhaving en uiteenvallen van de Allerhoogste Heer, wat zou u graag nog meer willen vernemen?'

(17) De achtenswaardige koning zei: 'O grote wijze, zeg ons alstublieft hoe personen die traag van begrip zijn met gemak deze materiële energie van de Heer te boven kunnen komen die zo onoverkomelijk is voor hen die zichzelf niet in de hand hebben.'

(18) S'rî Prabuddha zei: 'Als je kijkt naar mensen die leven als man en vrouw moet je begrijpen dat wat ze allemaal doen om resultaten te behalen met de bedoeling het lijden terug te dringen en er in geluk op vooruit te gaan, leidt tot tegengestelde resultaten. (19) Welk geluk valt er te verwachten van het niet-duurzame van het hebben van een huis, kinderen, verwanten en huisdieren en van de zo lastig te vergaren weelde waarvoor men pijn en moeite doet maar waarvan men de dood van de ziel als resultaat heeft? (20) Men moet inzien dat de volgende wereld [de hemel, 'een hogere planeet'] waar men zich op deze manier op instelt met het baatzuchtig streven, niet duurzaam is en gekenmerkt wordt door een daaruit resulterend [competitief] tegen elkaar afleggen van gelijken, hoger geplaatsten en lager geplaatsten [B.G. 8: 16]. (21) Daarom moet iemand die graag alles wil weten van het hoogste goed, zijn toevlucht zoeken bij een geestelijk leraar die verblijft in de opperste vrede van de Absolute Waarheid en goed bekend is met het brahmaanse woord [zie b.v. 5.5: 10-13, 7.11: 13, 7.12: 1-16, 7.15: 25-26, 10.86: 57 & B.G. 4: 34]. (22) Aan zijn voeten moet men, met de goeroe als zijn ziel en godheid, het bhâgavata dharma [of emancipatieproces, zie ook 11.2: 34] leren te respecteren waarmee zonder bedrog trouw van dienst zijnd de Opperziel, de Heer die Zijn eigen Zelf Vergunt, kan worden tevredengesteld [**]. (23) Op basis van een geest die in ieder opzicht van de onthechting is behoort men zoals het hoort, met genade, vriendschap en eerbied voor alle levende wezens, een relatie op te bouwen met de heiligen en de heiligheid [vergelijk 11.2: 46]. (24) Men moet van [innerlijke en uiterlijke] reinheid zijn, boete, tolerantie en stilte; studie van de heilige geschriften, eenvoud, het celibaat, geweldloosheid en van gelijkmoedigheid indien geplaatst voor tegenstellingen [zie ook yama & niyama en B.G. 12: 13-20]. (25) Op een eenzame plek zonder een vaste verblijfplaats, met oude vodden aan je lijf en tevreden met wat dan ook, behoort men met de Beheerser voortdurend voor ogen te mediteren terwille van het Ware Zelf dat Alomtegenwoordig is [zie ook 2.2: 5, 7.13: 1-10]. (26) Met geloof in de geschriften die betrekking hebben op de Allerhoogste Heer en zonder te spotten met andere geschriften, behoort men met respect voor de waarheid, met de geest, met zijn woorden en met zijn handelingen strikt beheerst, van innerlijke vrede te zijn alsook van zinsbeheersing [zie ook B.G. 15: 15]. (27-28) Luisterend naar, zingend over en mediterend op de wederwaardigheden en de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer van wiens incarnaties de handelingen allen even wonderbaarlijk zijn, moet men alles doen te Zijnentwille. Van welke aanbidding men ook is, welke liefdadigheid, boetedoening, japa, vroomheid, men er ook op nahoudt, met inbegrip van alles wat je lief is, de echtgenote, de zoons, het huis en de eigen levensadem, moet men allemaal aan het Allerhoogste opdragen [zie ook B.G. 9: 27]. (29) Met het van dienst zijn voor beide [bewegende en niet-bewegende wezens] moet men vriendschap koesteren voor zowel de [gewone] mensen als voor hen die een heilig respect hebben, voor de zuiverste zielen onder hen, zoals de mensen die Krishna aanvaarden als de Heer van hun ziel. (30) In gezamenlijke besprekingen, in het wederzijds tot elkaar aangetrokken zijn en in het elkaar tevreden stellen, is er dankzij de heerlijkheden van de Heer in het gezamenlijke beëindigen van materiële activiteiten, de zuivering van de [relatie tot de] ziel [zie ook B.G. 3: 38]. (31) Zich heugend en elkaar helpen herinnerend is men met de bhakti voor de Heer die een einde maakt aan de aaneenschakeling van zonden, ontwaakt en heeft men door de toewijding een lichaam dat bewogen is door extase [zie ook 11.2: 40]. (32) Soms huilt men bij de gedachte aan Acyuta, soms lacht men, soms schept men er groot genoegen in en spreekt men, soms handelt men wonderlijk, danst men en zingt men en soms is men, naar het voorbeeld van de Ongeborene stil wordend, bevrijd van het leed en bereikt men het Allerhoogste [zie ook 10.35]. (33) Aldus bekend rakend met het bhâgavata dharma en door de resulterende bhakti volledig van toewijding zijnd voor Nârâyana, komt men gemakkelijk de mâyâ te boven die zo moeilijk te overwinnen is [zie ook 1.1: 2].'

(34) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft, u allen experts in de kennis van het spirituele, wees zo goed ons de bovenzinnelijke situatie te beschrijven van de Superziel van de Absolute Waarheid die is geassocieerd met de naam van Nârâyana [zie ook 1.2: 11].'

(35) S'rî Pippalâyana zei: 'Alstublieft o Koning, weet dat het Allerhoogste [van de Persoonlijkheid van God] het volgende behelst: de Oorzaak Zonder Oorzaak van de schepping, handhaving en vernietiging van dit universum, welke in de waaktoestand, de droomstaat en in de diepe slaap, alsook buiten hen om bestaat en waardoor de lichamen, de zinnen, de levensadem en de geestelijke activiteit van een ieder apart tot leven worden gewekt en zich blijven bewegen. (36) Dit kan noch door de geest, de spraak, het zien, de intelligentie, de levensadem of door de zinnen worden omvat, precies zoals een vuur niet kan worden omvat door zijn eigen vonken. Zelfs niet het vedisch woord vermag het uit te drukken. De Veda's immers ontkennen dat het Allerhoogste Zelf in woorden uit te drukken zou zijn - dat lukt slechts in indirecte bewoordingen, woorden die verwijzen naar dat waarzonder de schriftuurlijk voorgeschreven beperkingen geen doel zouden hebben [vergelijk 10.87]. (37) In den beginne Eén zijnd raakte de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid daarna bekend als het drievoudige dat in het samengaan met de macht van handelen, de macht van het bewustzijn en het ik-besef het individuele levende wezen wordt genoemd [de jîva]. Die individualiteit nam de gedaanten aan van de geestelijke kennis [de goden], de handelingen [de zinnen] en de vruchten [van goede en slechte resultaten]. Aldus behept met een grote schakering aan energieën, is het het Allerhoogste voorbij zowel het grofstoffelijke als het subtiele alleen dat gemanifesteerd is [als de Absolute Waarheid of het Brahman, zie ook mahat-tattva, pradhâna, 4.29: 79, B.G. 10: 42, 13: 13 & 7: 14]. (38) Deze Ziel, nimmer geboren en nimmer stervend, groeit noch vergaat; hij is de kenner van de tijden van leven van de levende wezens die onderhevig zijn aan verandering, en die Ziel, alomtegenwoordig en onvergankelijk, is zuiver bewustzijn op dezelfde manier als de [ene] levensadem [prâna] dat vanbinnen is die met demacht der zinnen zich manifesteerde als zijnde verdeeld [zie ook B.G. 2: 23-30 en ***]. (39) [Met wezens] van eieren, van embryo's, van planten en van wat moeilijk is te onderscheiden in het vochtige [micro-organismen], begeleidt het vitale beginsel van de adem de individuele ziel [zie ook linga] van de ene [levensvorm] naar de andere. Precies zoals de ziel los van het denken onveranderlijk dezelfde blijft als het geheugen zich weer herstelt ontwakend uit een diepe slaap waarin het ego en de zinnen samen waren opgegaan [zie B.G. 2: 22]. (40) Als men zich de voeten van de Ene met de Lotusnavel wenst wordt het vuil in het hart, dat voortsproot uit het baatzuchtig handelen overeenkomstig de geaardheden van de natuur, weggezuiverd door de macht van de bhakti en wordt, als men volledig gezuiverd is, rechtstreeks de waarheid van de ziel gerealisee rd, op dezelfde manier als men met het blote oog de zonneschijn kan waarnemen [B.G: 2: 55 & 6: 20-23 en nyâyika].'

(41) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft leg ons de karma yoga uit waarmee verfijnd een persoon in dit leven snel zich ontdoet van vruchtdragende handelingen en, bevrijd van karmische terugslagen, het bovenzinnelijke geniet [zie ook B.G. 1-6 of 3. 5]. (42) In mijn vaders bijzijn [Ikshvâku zie 9.6: 4] stelde ik de wijzen [de Kumâra's] in het verleden een soortgelijke vraag, maar de zoons van Brahmâ gaven geen antwoord, alstublieft, om die reden, spreek erover.'

(43) S'rî Âvirhotra gaf ten antwoord: 'Karma, akarma en vikarma zijn, omdat zij hun oorsprong vindend in de Beheerser niet van het wereldse zijn, als kwesties begrepen middels de Veda's, iets waarover zelfs de grote geleerden in verwarring verkeren [zie ook B.G. 4: 16-17 en 4.29: 26-27]. (44) In bedekte termen schrijven de Veda's, in het begeleiden van de kinderlijke mens om bevrijd te raken van zijn karma, inderdaad materiële handelingen voor, precies zoals men ook een medicijn voorschrijft [zie ook B.G. 3: 26, 5.5: 17 en 10.24: 17-18]. (45) Hij die, zijn zinnen niet onderworpen hebbend, onwetend niet uitvoert wat de Veda's voorschrijven, bereikt, door zijn gebrek aan religie tegen de plicht handelend, de dood telkens weer [zie ook B.G. 3: 8, 16: 23-24, 17: 5-6, 18: 7]. (46) Zeker zal men, als men overeenkomstig wat de Veda's voorschrijven zonder gehechtheid tewerkgaat en offers brengt voor de Allerhoogste Beheerser, de volmaaktheid bereiken die, om de belangstelling op te wekken, is geformuleerd in termen van tastbare resultaten [karma-kânda & B.G. 4: 17-23]. (47) Iemand die snel de knoop [der gehechtheid] in het hart wil doorhakken moet Heer Kes'ava aanbidden en eveneens de goddelijkheid bestuderen zoals beschreven in de aanvullende vedische literatuur [de tantra's, zie ook B.G. 12: 6-7]. (48) Met het hebben verworven van de genade [de initiatie] van de leraar van het voorbeeld die hem toont wat bij de genade van de traditie werd doorgegeven, behoort de toegewijde van aanbidding te zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid in de specifieke gedaante van zijn voorkeur [zie ook B.G. 3: 35, 7: 20]. (49) Schoon gewassen, er recht voor zittend, de adem beheersend enzovoorts [zie ashthânga-yoga] moet hij, het lichaam zuiverend met het in verzaking aanroepen van de bescherming, de Heer aanbidden [door de verschillende delen van zijn lichaam aan Hem toe te wijzen door ze met mantra's te markeren, zie ook B.G. 5: 27-28 en 6.8: 4-6]. (50-51) Met het zich in hart en ziel voorbereiden met alle beschikbare ingrediënten, met de beeltenis en alles wat erbij hoort, de zaken die moeten worden geofferd en met het besprenkelen van de vloer en de zitplaats, behoort men, het water klaarzettend voor de offerplechtigheid, geconcentreerd de beeltenis op zijn geëigende plaats te zetten die men van heilige merktekens heeft voorzien op Zijn hart en andere delen van Zijn lichaam en vervolgens van aanbidding te zijn met de daartoe bestemde mantra [4*]. (52-53) Met de mantra's die bij Hem horen moet men van aanbidding zijn voor iedere afzonderlijke beeltenis en de ledematen ervan, Zijn speciale kenmerken [zoals zijn cakra] en Zijn metgezellen [zoals de pañca-tattva, zie b.v. de S'is'umâra-mantra of de Ambaris'a gebeden voor de cakra vermeld in 5.23: 8 en in 9.5]. Met alle respect de aanbidding zoals vastgelegd aanvullend met water voor Zijn voeten, reukwater ter verwelkoming, fijne kleding, ornamenten, geuren, halssnoeren, ongebroken graankorrels [bedoeld voor het aanbrengen van tilaka en met bloemenslingers, wierook, lampen en dergelijke offergaven, behoort men met eerbetoon en gebed zich voor de Heer te verbuigen. (54) Daarin opgaand [als een dienaar en niet zich valselijk identificerend] behoort men aldus mediterend volledig van aanbidding voor de mûrti van de Heer te zijn en, met het op het hoofd aanvaarden van de overblijfselen van de aanbidding, Hem weer respectvol op de voor Hem bestemde plaats terugzetten. (55) Hij die aldus de Beheerser, de Opperziel aanbidt die aanwezig is in het vuur, de zon, het water enzovoorts, alsook in de gast en in het eigen hart [zie ook 2.2: 8], zal snel bevrijd raken.'

 

 

Voetnoten: *: Als een kwaliteit word weggenomen verdwijnt het verschil tussen een element en dat element dat er vroeger in de evolutie van het universum aan voorafging, het verandert dan erin, of lost erin op: aldus vindt de vernietiging van het universum plaats.

** S'rîla Rûpa Gosvâmî formuleerde vier vereisten waaraan men moet voldoen om vooruit te komen in dezen: '[1] Het aanvaarden van de toevlucht van een bonafide geestelijk leraar, [2] het worden ingewijd door de geestelijk leraar en het van hem leren om van toegewijde dienst te zijn, [3] het met geloof en toewijding opvolgen van de opdrachten van de geestelijk leraar, en [4] het volgen in de voetsporen van de grote âcârya's [leraren] onder leiding van de geestelijk leraar.' (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.74)

*** S'rîla Madhvâcârya citeert hierbij, uit de Moksha-dharma sectie van Vyâsadeva's Mahâbhârata, de Heer die zegt:

aham hi jîva-samjño vai
mayi jîvah sanâtanah
maivam tvayânumantavyam
dristho jîvo mayeti ha
aham s'reyo vidhâsyâmi
yathâdhikâram îs'varah

'Het levende wezen, bekend als de jîva, verschilt niet van Mij, daar hij mijn expansie is. Aldus is het levende wezen eeuwig, zoals Ik, en bestaat het altijd in Mij. Maar je moet niet gekunsteld denken, 'Nu heb ik de ziel aanschouwd.' Het is eerder zo dat Ik, als de Hoogste Persoonlijkheid van God, je deze zegen zal vergunnen als jij er werkelijk voor in aanmerking komt.'

*4 Precies zoals iedere prâkrita, onpersoonlijke, materialistische toegewijde de Heer aan het aanbidden is in Zijn gedaante van de Tijd met pragmatisch verdraaide klokken en niet-geschrikkelde weekindelingen [zie de Orde van de Tijd en kâla om dit recht te zetten] als zijnde de godheid van voorkeur met mantra's als 'wees op tijd' en 'tijd is geld', zo voorziet de klassieke bhakti met de kanishthha of beginnende, personalistische toegewijde meer waarachtig naar de vedische autoriteit erin ook de persoonlijke gedaante van de Heer in de vorm van een beeltenis te aanbidden met 'om namo bhagavate vâsudevâya' [4.8: 54], de Gâyatrî, de Mahâmantra en andere mantra's. In al deze gevallen moet worden gedacht aan wat Vyâsa in 11.2: 47 zegt over mûrti-aanbidding in het algemeen. 

 

Hoofdstuk 4

De Handelingen van Nara-Nârâyana en de Andere Avatâra's Beschreven

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft vertel ons over de handelingen van ieder van deze zelfgekozen verschijningen waarmee de Heer optrad, heeft opgetreden en zal optreden in deze wereld [zie ook 2.7].'

(2) S'rî Drumila zei: 'Waarlijk, hij die tracht de onbegrensde, bovenzinnelijke kwaliteiten van de Onbegrensde op te sommen is voorzeker een persoon met de intelligentie van een kind; men kan er op de een of andere manier op den duur in slagen het aantal stofdeeltjes van de aarde te tellen, maar dat lukt niet met de kwaliteiten van het Reservoir van alle Vermogens [zie ook 10.14: 7, 10.51: 38]. (3) Toen de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God Nârâyana Zijn volkomen deelaspect binnenging, het vanuit Hemzelf gegenereerde lichaam van het universum geschapen uit de vijf materiële elementen, raakte Hij aldus bekend als de Purusha [zie ook 1.3: 1]. (4) In de uitgebreidheid van dit drie-werelden-lichaam van Hem zijn er van Zijn zinnen zowel de zinnen van waarnemen als handelen van de belichaamde wezens, is er van Zijn aard de geestelijke kennis en van Zijn traditie kracht en vermogen. Hij is de oerbeweger [de oorspronkelijke doener èn niet-doener] die met de goedheid en de andere kwaliteiten van schepping, vernietiging en behoud is [zie B.G. 3: 27, 13: 30 en S.B. 6.17: 19, 3.26: 7, 3.27: 2, 3.32: 12-15, 10.46: 41, 10.83: 3]. (5) In den beginne manifesteerde Hij in het scheppen van dit universum vanuit de geaardheid hartstocht de Ene die de honderden [wijzen] sturing gaf [Heer Brahmâ]; in het handhaven als de beschermer van het dharma van de tweemaal geborenen manifesteerde Hij zich als Vishnu, de Heer van het Offer en voor de vernietiging in de geaardheid onwetendheid nam Hij de gedaante aan van Rudra [Heer S'iva]; aldus is Hij die Oorspronkelijke Persoon altijd van schepping, handhaving en vernietiging onder de geschapen wezens [zie ook 2.10: 41-46, 4.29: 79, 4.30: 23].

(6) Als Nara-Nârâyana, de beste der wijzen volmaakt van vrede, werd Hij geboren uit Mûrti, de dochter van Daksha en echtgenote van Dharma [*]. Staande voor het beëindigen van alle materiële arbeid sprak Hij die zelfs vandaag nog leeft en wiens voeten worden gediend door de grootste wijzen, over het werk en bracht Hij ook Zelf het werk ten uitvoer dat moest worden verricht [zie B.G. 9: 27 en ook 2.7: 6, 4.1: 49-57, 5.19: 9]. (7) Heer Indra angstig denkend 'Hij wil mijn koninkrijk inpalmen', zette Cupido in die zich begevend naar Badarikâs'rama met zijn metgezellen de Apsara's, met zijn pijlen, de blikken van de vrouwen en de zachte bries van de lente, niet bekend met Zijn grootheid, het probeerde Hem te treffen. (8) De Oorspronkelijke Godheid die begrip had voor de overtreding van Indra, sprak vrij van trots lachend tot hen die op hun benen stonden te trillen: 'Alstublieft, vreest niet, o machtige Madana [Heer der Liefde], o god van de wind en echtgenotes van de halfgoden, alstublieft aanvaard deze gaven van Ons, ontzeg deze âs'rama niet uw genade'.

(9) O god der mensen [Nimi], nadat de Schenker van Onbevreesdheid aldus had gesproken, bogen de goden zich beschaamd voor Hem en zeiden smekend om mededogen met hun hoofden naar beneden: 'O Almachtige, dit is voor U niet zo verrassend, U de Allerhoogste Onveranderlijke voor wiens voeten in grote getalen zij zich verbuigen die nuchter zijn en genoeg aan zichzelf hebben [zie ook 1.7: 10]. (10) Voor hen die U van dienst zijn om daarmee hun materiële leefwerelden te transcenderen en Uw verblijf te bereiken, zijn er door de verlichte zielen [of de halfgoden] vele obstakels opgeworpen, maar voor de andere soort van toegewijde, de toegewijde die in offerplechtigheden met het brengen van offers die godsbewusten hun aandeel toekent, is er geen sprake van iets dergelijks omdat hij met U als zijn Beschermer immers met zijn voet heenstapt over de hindernis die [met die goden] de kop opstak [zie ook 9.4: * en 10.2: 33]. (11) Sommigen proberen de honger, dorst en andere seizoensgebonden fysieke toestanden die zich mettertijd met ons kunnen voordoen te boven te komen door hun adem, tong en seksuele aandrang te beheersen, maar ze vallen [door die frustratie] ten prooi aan de woede en verspelen daarmee de vrucht van hun lastige boetedoeningen. Met hun zinloos geworden verzaking zijn ze als mensen die grenzeloze oceanen wisten over te steken maar in het water van de hoefafdruk van een kalf verdrinken [zie B.G. 17: 5-6, 6.1: 16 en vergelijk 5.8: 23 en 10.12: 12].'

(12) Met deze lofuitingen van hen manifesteerde Hij toen voor hun ogen [een reeks van] vrouwen hoogst wonderbaarlijk van verschijning, die allen fraai aangekleed van toegewijde dienst waren voor de Almachtige [zie ook 2.7: 6]. (13) Toen ze deze vrouwen voor zich zagen waren de volgelingen van de goden verbijsterd door hun schoonheid en geur die wedijverde met die van de godin van het fortuin en waren ze verslagen in hun eigen weelde. (14) Voor hen die zich voor Hem hadden gebogen zei de Heer der Heerscharen met een flauwe glimlach: 'Alstublieft kies een van deze dames zo geschikt als een sieraad van de hemel.'

(15) Met het laten weerklinken van de lettergreep 'om', boden de dienaren van de halfgoden Hem hun eerbetuigingen en keerden ze terug naar de hemel, waarbij ze Urvas'î, de beste der Apsara's, voorop lieten gaan. (16) Neerbuigend voor heer Indra in zijn vergadering vertelden ze hem, terwijl de ingezetenen der drie hemelen toehoorden, over de kracht van Nârâyana. Hierdoor stond hij versteld. (17) Acyuta in de gedaante van de [bovenzinnelijke] zwaan sprekend over zelfverwerkelijking, Dattâtreya, de Kumâra's en Rishabha, is de Vader, de Allerhoogste Heer Vishnu, die voor het welzijn van de ganse wereld middels Zijn expansies nederdaalt in deze wereld [B.G. 14: 4]. Door Hem, de doder van Madhu, werden in Zijn paard-incarnatie [Hayagrîva] de oorspronkelijke teksten van de Veda's teruggebracht. (18) In zijn vis-incarnatie [Matsya] werden Vaivasvata Manu [Satyavrata], de planeet aarde en de kruiden beschermd; in Zijn zwijn-incarnatie [Varâha] de aarde bevrijdend uit de wateren, werd [Hiranyâksha] de demonische zoon van Diti gedood; als een schildpad [Kurma] hield Hij toen de nectar werd gekarnd de berg op Zijn rug en [als Vishnu] bevrijdde Hij de koning der olifanten [Gajendra] die zich aan Hem overgaf toen hij in nood verkeerde vanwege de krokodil. (19) De ascetische wijzen [de Vâlakhilya's] die gebeden brengend ten val waren gekomen [in het water van de hoefafdruk van een koe] verloste Hij van [een lachende] Indra; Hij verloste Indra van de duisternis van het gedood hebben van Vritrâsura; Hij verloste de echtgenotes van de halfgoden [die door Bhaumâsura waren] gevangen gezet in het asura paleis; als Nrisimhadeva doodde Hij Hiranykas'ipu, de asura koning, om de geheiligde toegewijden van angst te vrijwaren. (20) Voor het heil van de godsvrezenden doodde Hij de daitya leiders in de slag tussen de goden en de demonen [zie 8.10], middels Zijn verschillende verschijningen [de ams'a-avatâra's] gedurende de heerschappij van iedere Manu beschermt Hij al de werelden en als Heer Vâmana pakte Hij onder het voorwendsel van de liefdadigheid de aarde af van Bali en gaf Hij haar in handen van de zoons van Aditi. (21) Als Heer Paras'urâma bevrijdde Hij de aarde van de leden van de heersende kaste en vernietigde Hij, als het vuur dat Hij afstammend van Bhrigu was, zevenentwintig keer de dynastie van Haihaya. Als de echtgenoot van Sîtâ [Râmacandra] onderwierp Hij de oceaan en doodde hij Tienkop [Râvana] met inbegrip van de soldaten van Lankâ. Met het vertellen van de verhalen over de heerlijkheden van Hem die altijd zegerijk is, wordt de besmetting van de hele wereld tenietgedaan. (22) De Ongeboren Heer [als Krishna] Zijn geboorte nemend in de Yadu-dynastie, zal, teneinde de overlast terug te dringen van de aarde, daden volbrengen die zelfs voor de goddelijken moeilijk op te brengen zijn; als [de Boeddha] zal Hij met argumenten van speculatieve aard degenen verbijsteren die niet geschikt zijn de vedische offers te brengen en aan het einde van Kali-yuga zal Hij [als Heer Kalki] een einde maken aan de heersers van twijfelachtig allooi. (23) Van de zo heel glorieuze Heer van het Levend Wezen [de Heer van het Universum Jagadîs'vara] aldus omschreven, o machtig gearmde, zijn er ontelbare verschijningen en handelingen precies als deze.'

Voetnoot:

*: Volgens de Matsya Purâna (3.10), werd Dharma, de vader van Nara-Nârâyana Rishi, geboren uit de rechterborst van Brahmâ en trouwde hij later met dertien van de dochters van Prajâpati Daksha.

 

Hoofdstuk 5

Nârada Besluit Zijn Onderricht aan Vasudeva

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'O u volmaakt in de kennis van de ziel, wat is de bestemming van hen die, zo goed als nooit Hari de Allerhoogste Persoonlijkheid aanbiddend [zie ook 11.3: *4], niet in vrede met hun lusten de controle over zichzelf kwijt zijn?'

(2) S'rî Camasa zei: 'Van het gezicht, de armen, de dijbenen, en de voeten van de Oorspronkelijke Persoon werden met de drie geaardheden van de natuur [in verschillende combinaties *] de vier geestelijke orden [of âs'rama's] en roepingen [of varna's] met de brahmanen vooropgaand gegenereerd [zie ook B.G. 4: 13]. (3) Welk lid van hen dan ook die, niet van aanbidding zijnde, minachting koestert voor de Oorspronkelijke Persoon die de uitnemendheid van hun ziel is en de Allerhoogste Beheerser, zal, van zijn positie afgedwaald, ten val komen [zie B.G. 16: 23]. (4) Er zijn vele mensen die geen kans zien zich bezig te houden met de verhandelingen over de Vernietiger [van de zonde; de Heer] en nimmer denken aan de heerlijkheden van de Onfeilbare; het zijn zij die vallen in de categorie van de vrouwen [vergelijk 5.17: 15] en s'ûdra's en dergelijke die de genade van persoonlijkheden als u verdienen. (5) En dan nog raken ook de intellectuelen, de edelen en de kooplieden, die [door initiatie] toegang kregen tot de Heer Zijn lotusvoeten, verbijsterd in hun betrokkenheid bij [de meest uiteenlopende] levensopvattingen [zie ook 5.6: 11, B.G. 2: 42-43]. (6) Onwetend over karmische zaken drukken zij die feitelijk tekort schieten in ervaring maar arrogant zichzelf heel geleerd achten, verrukt over de schoonheid van de taal zich uit in [voor de halfgoden] flatterende verhandelingen waarmee ze de draad kwijtraken [zie ook B.G. 9: 3]. (7) Vol van hartstocht en ontaard in hun begeerten zijn ze zo kwaad als slangen, bedrieglijk en ingebeeld en drijven ze zondig de spot met hen die Acyuta dierbaar zijn. (8) Als vrouwenaanbidders onderhouden ze zich met elkaar in hun huizen met het aanmoedigen en aanbidden van de seks als het hoogste goed; zonder het uitdelen van voedsel en het doen van schenkingen uit dankbaarheid [voor de spirituele/geestelijke leiders en hun volgelingen] in acht te nemen, denken ze enkel en alleen aan hun eigen levensonderhoud en doden ze, zich niet bewust van de gevolgen, de dieren [zie ook B.G. 16]. (9) Met hun intelligentie verblind door de trots ontleend aan hun weelde, speciale talenten, afkomst, scholing, verzaking, schoonheid, kracht en het volbrengen van rituelen, koesteren ze met een hart van steen minachting voor zij die zich heiligden en de Heer lief zijn en hebben ze ook geen achting voor de Beheerser Zelf [zie ook b.v. 1.8: 26, 4.2: 24, 4.31: 21, 5.1: 12, 7.15: 19, 8.22: 26 en B.G. 2: 42-43]. (10) De Ziel van de hoogst aanbiddelijke Beheerser die net als de ether voor eeuwig zich ophoudt in alle belichaamde wezens, is de Uiteindelijke Beheerser verheerlijkt door de Veda's, maar de onintelligenten slaan er geen acht op; ze gaan liever door met het bespreken van de onderwerpen aangaande hun eigen grillige zingenoegens. (11) Met motivatie voor de seks en het consumeren van vlees en alcohol dat men steeds aantreft in het geconditioneerde levende wezen vormt een praktijk die in geen enkel heilig geschrift staat voorgeschreven; de voorschriften op dit punt voor [respectievelijk] het huwelijk, de offerplechtigheid en het ritueel gebruik van wijn, zijn er voor het doel daar een einde aan te maken [zie ook 1.17: 38-39]. (12) De enige weelde waar het om gaat is de vrucht te plukken van het dharma [de rechtschapenheid met de natuur, de religiositeit] waarvan er de kennis is in combinatie met de wijsheid en de daarop volgende bevrijding. Maar vanuit het familieleven heeft men geen oog voor de onoverkomelijke greep van de dood op het lichaam [zie ook 3.30: 7, 7.6: 8, 4.29: 52-55 maar ook 4.22: 10]. (13) Het staat voorgeschreven dat de wijn moet worden genoten door eraan te ruiken en dat evenzo een beest volgens de voorschriften moet worden gedood en niet met een begerige vorm van geweld [zoals met het grootschalig slachten van dieren]; op dezelfde manier is seksuele gemeenschap er voor het overwinnen [van de aandrang om kinderen te krijgen, zoals met het naar de w.c. gaan] en niet zozeer voor het zinnelijk genot [B.G. 7: 11]; voor dit allerzuiverste van de plichtsbetrachting zoals het hoort, hebben zij [de onintelligenten] geen begrip [zie ook 7.15]. (14) Zij die geen weet hebben van deze feiten en zeer onheilig ingebeeld zichzelf als geheiligd beschouwen, doen onschuldig vertrouwende dieren kwaad; nadat ze hun lichamen hebben verlaten zullen die dieren hen opeten [vergelijk 5.26: 11-13 en 4.25: 7-8]. (15) Afgunstig op hun ware Zelf, hun Heer en Beheerser die leeft [in hun lichaam en] in de lichamen van anderen, komen ze, gefixeerd in hun voorliefde voor hun eigen sterfelijke omhulsel en alles wat er bij hoort, ten val. (16) Zij die [aldus] niet de emancipatie [of de moksha] hebben bereikt maar wel de grofstoffelijke dwaasheid overwonnen, zijn de drie doelen van het vrome leven toegewijd [het ritueel, een inkomen en gereguleerde verlangens], maar zijn, zonder zich ook maar een moment van reflectie te gunnen [te hard werkend], [niettemin druk] bezig zichzelf te doden [zie ook de purushârtha's, 10.2: 32]. (17) Deze moordenaars van het eigen zelf die het ontbreekt aan vrede, denken in hun onwetendheid kennis van zaken te hebben maar lijden, er niet in slagend hun plichten na te komen, mettertijd onder de vernietiging van al hun hoop en hun dromen. (18) Zij die hun gezichten afkeerden van Vâsudeva gaan, zoals beschikt door de begoochelende energie van de Allerhoogste Ziel, zonder het te willen de duisternis binnen met achterlating van hun huizen, kinderen, vrienden en echtgenotes.'

(19) De achtenswaardige koning zei: 'In welke tijd had de Heer welke kleur en welke gedaante en met welke namen en welke methoden wordt Hij aanbeden; alstublieft verschaf hier in ons bijzijn duidelijkheid over.'

(20) S'rî Karabhâjana gaf ten antwoord: 'In deze [yuga's] genaamd Krita [of Satya], Tretâ, Dvâpara en Kali wordt de Heer, met het hebben van verschillende huidskleuren [zie ook 10.26: 16], namen en gedaanten, dienovereenkomstig op verschillende manieren aanbeden. (21) In Satya-yuga is Hij blank, heeft Hij vier armen, samengeklit haar, kleding van boombast, een zwart hertenvel, een heilige draad, aksha-zaad gebedskralen en draagt Hij een staf en een waterpot. (22) De menselijke wezens zijn in die tijd vreedzaam, vrij van afgunst, een ieder welgezind, gelijkmoedig en zowel middels boetedoeningen als door het beheersen van hun geest en zinnen van aanbidding voor de Heer. (23) Aldus wordt Hij verschillend gevierd als Hamsa ['de Zwaan'], Suparna ['Mooie Vleugels'], Vaikunthha ['de Heer van het Hemelrijk'], Dharma ['de Handhaver der Religie'], Yoges'vara ['de Beheerser van de Yoga'], Amala ['de Onberispelijke'], Îs'vara ['de Allerhoogste Beheerser'], Purusha ['de Oorspronkelijke Persoon'], Avyakta ['de Ongeziene'] en Paramâtmâ ['de Superziel']. (24) In Tretâ-yuga heeft Hij een rode huidskleur, vier armen, draagt hij drie gordels [overeenkomstig de initiaties van de eerste drie varna's], heeft Hij blonde lokken en heeft Hij, als de verpersoonlijking van de drie Veda's, de offerlepels [**] en dergelijken als Zijn symbolen. (25) In die tijd aanbidden de menselijke wezens die als zoekers van de Absolute Waarheid gefixeerd zijn in de religiositeit Hem, Hari, de Godheid in al de Goden, met de offerrituelen van de drie Veda's [zie ook 1.16: 20]. (26) In Tretâ-yuga wordt de Heer verheerlijkt met de namen Vishnu ['de Al-doordringende'], Yajña ['de Heer van het Offer'], Pris'nigarbha [de zoon van Pris'ni, 10.3: 32], Sarvadeva ['De God Aller Goden'], Urukrama ['Hij van de Bovenzinnelijke Wapenfeiten'], Vrishâkapi [de Gedenkwaardige Die Beloont en het Leed Verdrijft'], Jayanta ['Hij die Alles Overwint'] en Urugâya ['Hij het Meest Verheerlijkt']. (27) In Dvâpara-yuga is de Allerhoogste Heer grijsblauw, draagt hij gele kleren en voert Hij Zijn attributen met zich mee [de werpschijf, knots, lotus en schelphoorn] tezamen met de lichamelijke kenmerken van de S'rîvatsa en dergelijke en Zijn sierselen [zoals de pauwenveer en het Kaustubha-juweel]. (28) In dat tijdperk, o Koning, aanbidden de stervelingen die kennis willen verwerven over het Allerhoogste Hem, de Oorspronkelijke Persoon die de rol speelt van een grote koning, overeenkomstig de Veda's en de Tantra's [zoals e.g. in 1.10: 16-18 en 10.4: 17-24 en ***] met: (29-30) 'Onze eerbetuigingen voor Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha en U, Vâsudeva; U Nârâyana Rishi, de Oorspronkelijke en Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Grotere Ziel, de Heer van de Schepping, de Gedaante van het Universum Zelf en het Ware Zelf van alle levende wezens [zie catur-vyûha].' (31) O Koning, aldus prijst men in Dvâpara-yuga de Heer van het Universum; alstublieft verneem op welke manier men overeenkomstig de schriftuurlijke voorschriften ook van aanbidding is in Kali-yuga [zie ook 7.9: 38]. (32) De intelligenten aanbidden [dan Hem die] met een heldere [niet-donkere of gouden] luister samen met [Zijn] metgezellen, dienaren, wapens en begeleiders, middels de offerplechtigheid van hoofdzakelijk het gezamenlijk bezingen, van lof [is] voor [spreekt over, verspreidt of gekleurd is door] Krishna met: (33) 'O Allerhoogste Persoonlijkheid laat mij Uw voeten aanbidden. Steeds mediteert men erop want ze maken een eind aan de vernedering waaronder we te lijden hebben als gevolg van de invloed der materie. Alleszins beantwoordend aan het ware verlangen van de ziel, vormen ze het verblijf en het pelgrimsoord waarvoor S'iva en Brahmâ zich verbuigen. Zij, die het leed wegnemen van Uw dienaren, zijn de meest achtenswaardige toevlucht, ze zijn de boot voor de oceaan van geboorte en dood. (34) O Allerhoogste Persoonlijkheid, laat me de lotusvoeten eren van U die in reactie op de woorden van een brahmaan [als Akrûra, S'rî Advaita of Johannes de Doper], met het afzien van de weelde van S'rî die zo fel begeerd wordt door de goddelijken, [als Râma, Krishna, de Boeddha, als Jezus, als Caitanya etc.] genadevol voor hen die gevangen zijn in de dierlijke aard, zich begaf naar het afgelegen gebied [India, de wildernis, het woud, de woestijn, met sannyâsa] om Uw voorwerp van verlangen na te jagen [Uw missie, Uw dharma, Uw aanwezigheid als de Heer der toegewijden, 4*].' (35) O Koning, aldus wordt de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser van Alle Zegeningen, met Zijn namen en gedaanten zoals die passen bij iedere yuga aanbeden door de mensen van dat tijdperk. (36) De gelovigen [die van geestelijke vooruitgang zijn en] bekend met de waarde van het tijdperk van Kali, spreken er hun lof over uit erop wijzend dat zijn essentie eruit bestaat dat met het [enkel] gezamenlijk bezingen zo goed als alle doeleinden kunnen worden bereikt. (37) Werkelijk, er bestaat voor de belichaamden die ronddolen in dit universum geen grotere verworvenheid dan dit [sankîrtana-zingen] waardoor men de Opperste Vrede verkrijgt en de herhaling van geboorte en dood wordt doorbroken [zie ook 2.1: 11, 3.33: 7, 8.23: 16 en 8.23*]. (38-40) Zij die leven in Satya- en de andere yuga's, o Koning, willen in Kali-yuga hun geboorte nemen omdat men in die tijd, o grote monarch, in verschillende plaatsen de toegewijden aantreft die Nârâyana zijn toegewijd. Men vindt ze met name in grote getalen in de provincies van Zuid-India. De mensen daar die drinken van het water van de rivieren de Tâmraparnî, de Kritamâlâ, de Payasvinî, de o zo heilige Kâverî, de Mahânadî en de Pratîcî, o heer der mensen, zijn grotendeels toegewijden met een zuiver hart voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (41) O Koning, een persoon die, met het verzaken van de materiële verplichtingen, met zijn hele wezen toenadering zocht tot de toevlucht van Mukunda, Hij Die de Toevlucht Verleent, is niet de dienaar noch de schuldenaar van de goden, de wijzen, de normale levende wezens, van vrienden en verwanten of van de voorvaderen [zie ook B.G. 3: 9]. (42) Van degene die gefixeerd op Zijn voeten van aanbidding is en om die reden geliefd is bij Heer Hari, de Allerhoogste Beheerser die zich in het hart vestigde zo gauw men zich niet meer op andere zaken richtte, worden welke soort van onregelmatigheden ook die zich op de ene of de andere manier voordeden allemaal uitgezuiverd [zie 8.23: 16 en B.G. 9: 22, 9: 30, 18: 56].'

(43) S'rî Nârada zei: 'Nadat hij aldus had vernomen over de wetenschap van de toegewijde dienst voelde de heer van Mithilâ zich waarlijk voldaan en sprak hij vervolgens tezamen met de priesters gebeden uit voor de wijze zonen van Jayantî [de Yogendra's 5.4: 8]. (44) Toen, voor ogen van allen aanwezig, verdwenen de volmaakte zielen. De koning, trouw dit dharma nalevend, bereikte de allerhoogste bestemming. (45) U [Vasudeva], o hoogst fortuinlijke ziel, zult zich eveneens, toegerust met geloof in deze principes van de toegewijde dienst waar u over vernam, nadat u zich heeft vrijgemaakt van alle materiële zorgen, het Allerhoogste bereiken. (46) De aarde raakte vervuld van de heerlijkheden van jullie twee als man en vrouw, omdat de Allerhoogste Heer, de Beheerser Hari, de positie innam van uw zoon. (47) Toen jullie voor Krishna jullie liefde bewezen van het zien, het omhelzen, en converseren, gaan slapen, zitten en eten met Hem als zoon, zijn jullie harten gezuiverd geraakt. (48) Koningen als S'is'upâla, Paundraka en S'âlva die wedijverend zich afgunstig betrokken op Zijn bewegingen, blikken enzovoorts, en aldus mediterend hun geesten concentreerden op Hem terwijl ze neerlagen, zaten etc., hebben een positie bereikt op hetzelfde niveau; hoe zou het dan wel niet hen vergaan die Hem gunstig gezind waren [zie mukti en ook Jaya & Vijaya]? (49) Verwaardig u niet Krishna, de Opperziel en Beheerser van Allen, het idee op te dringen dat Hij uw zoon is; bij de macht van Zijn illusie verscheen Hij als een normaal menselijk wezen met het verhullen van Zijn volheid als de Allerhoogste Onfeilbare [zie ook B.G. 4: 6]. (50) Van Hem die nederdaalde om de asura leden van de adelstand die de aarde belastten te doden en om de [toegewijden de] bevrijding te vergunnen, heeft de faam zich wijd verspreid in de wereld [zie ook B.G. 4: 7].'

(51) S'rî S'uka zei: 'Toen ze dit hadden gehoord waren de hoogst fortuinlijke Vasudeva en Devakî zeer verrast en gaven ze de dwaasheid die ze gekoesterd hadden op. (52) Hij die eenpuntig van aandacht mediteert op deze vrome, historische vertelling, zal nog in dit leven van de besmetting afkomen en de spirituele volmaaktheid bereiken.'

 

Voetnoten:

*: Met de Rik-samhitâ (8.4: 19), de S'ukla-yajur Veda (34: 11) en de Atharva Veda (19: 66) die allemaal zeggen 'De brahmaan verscheen als Zijn gezicht, de koning als Zijn armen, de vais'ya als Zijn dijen, en de s'ûdra werd geboren uit Zijn voeten' worden, volgens S'rîdhara Svâmî, de brahmanen geacht geboren te zijn uit de geaardheid goedheid, de kshatriya's uit een combinatie van goedheid en hartstocht, de vais'ya's uit een combinatie van hartstocht en onwetendheid en de s'ûdra's uit de geaardheid onwetendheid.

** Hier vermeld worden de vikankata houten sruk en de khadira houten sruvâ die de sruk bediend voor het gieten van ghee in het vuur.

***: De paramparâ, om ons te helpen herinneren aan de neergang van de toewijding in de loop van de yuga's [zie ook 1.16: 20] verduidelijkt: 'De mensen levend in Satya-yuga werden omschreven als s'ântâh, nirvairâh, suhridah en samâh, of vreedzaam, vrij van afgunst, de weldoeners van ieder levend wezen, en gefixeerd op het spiritueel platform voorbij de geaardheden der materiële natuur. Zo ook werden de mensen levend in Tretâ-yuga omschreven als dharmishthhâh en brahma-vâdinah, of diep-religieus, en deskundige navolgers van de Vedische voorschriften. In het voorliggende vers, wordt van de mensen levend in Dvâpara-yuga gezegd dat ze eenvoudig jijñâsavah zijn, ofwel begerig zijn om de Absolute Waarheid te kennen. Anderszins worden ze omschreven als martyâh, of onderhevig aan de zwakheid van sterfelijke wezens.' Het ene na het andere tijdperk is men dus aan het aanbidden met meditatie, het brengen van offers, tempelaanbidding en het gezamenlijk zingen.

4* De paramparâ voegt hier aan toe: 'Bevestiging leverend voor de verklaring van dit vers, aanbidden de volgelingen van Caitanya Mahâprabhu Hem ook in Zijn zesarmige gedaante van de shad-bhuja. Twee armen dragen de waterpot en de danda van de sannyâsî Caitanya Mahâprabhu, twee armen dragen de fluit van Heer Krishna, en twee armen dragen de pijl en de boog van S'rî Râmacandra. Deze shad-bhuja gedaante is de eigenlijke strekking van dit vers van het S'rîmad-Bhâgavatam'.

 

 

 

Hoofdstuk 6

Retraite op Advies van Brahmâ en Uddhava Privé Toegesproken

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen [nadat Nârada was vertrokken] kwam Heer Brahmâ omringd door zijn zoons, de goden en de heersers der mensen, aan [in Dvârakâ] samen met Heer Bhava [S'iva], de voor alle levende wezens goedgunstige beheerser, die werd vergezeld door een schare van spookachtige wezens. (2-4) Indra de oppermachtige heerser en zijn goden [de Marut's], de zoons van Aditi, de goedgeaarden helder van geest [de Vasu's], de beschermers van de gezondheid [de As'vin's], de kunstenaars [de Ribhu's], de afstammelingen van Angirâ, de expansies van S'iva [de Rudra's], de goden van het intellect [de Vis'vedeva's], de goden van de handel [de Sâdhya's] en andere halfgoden; de zangers en dansmeisjes van de hemel [Ghandarva's en Apsara's], zij die uitmunten [de Nâga's], de vervolmaakten [de Siddha's] en de eerbiedwaardigen [de Cârana's], de schatbewaarders [de Guhyaka's], de zieners [de Rishi's], de voorvaderen [de Pita's] alsook de wetenschappers [de Vidyâdhara's] en zij die bijzondere talenten hebben [de Kinnara's] kwamen allen tezamen aan in Dvârakâ begerig Krishna te zien, de Allerhoogste Heer die overal in het universum de onzuiverheden verdrijft en die met Zijn bovenzinnelijke gedaante de ganse menselijke samenleving betoverend Zijn faam verbreidde in alle werelden. (5) In die schitterende stad rijk aan een grote overvloed zagen ze met hun hongerige ogen Heer Krishna die zo prachtig is om te zien.

(6) Met het Hem, de beste der Yadu's, overladen met bloemenslingers meegebracht uit de tuinen van de hemel, prezen ze Hem, de Heer van het Levende Wezen, waarbij ze zich uitdrukten in bekoorlijke denkbeelden en woorden. (7) De goden zeiden: 'Wij met onze intelligentie, zinnen, levensadem, geest en woorden buigen aan Uw lotusvoeten, o Heer, waarop in het hart wordt gemediteerd door hen die zijn verenigd in de liefde van het streven naar bevrijding uit de machtige gebondenheid aan karmische verwikkelingen. (8) U, die middels de materiële energie die bestaat uit de drie geaardheden, de manifestatie beschermt en vernietigt met het ondoorgrondelijke van Uzelf, bevindt zich in die materiële natuur, maar U raakt door deze geaardheden in het geheel niet verstrikt in karmische activiteiten, o U Onoverwinnelijke, omdat U, de Onbelemmerde en Onbetwijfelbare, altijd verzonken bent in Uw gelukzaligheid [zie ook B.G. 3: 22]. (9) O Aanbiddelijke, de loutering van die personen die een besmet bewustzijn hebben wordt niet zozeer tot stand gebracht door bezweringen, het respecteren van voorschriften, het bestuderen van de geschriften, door liefdadigheid, boetedoeningen en rituelen als door het trouw luisteren naar de grootsten onder de zielen die zich in de goedheid bevindend volledig gerijpt zijn in Uw bovenzinnelijke heerlijkheden [zie ook 4.29: 36-38]. (10) Mogen er voor ons de lotusvoeten zijn, het vuur dat onze ongunstige mentaliteit verteert en door de wijzen die uit zijn op het ware voordeel wordt gedragen in hun gepacificeerde harten, het vuur dat door de waarachtigen van zelfbeheersing wordt gedragen voor het verwerven van een gelijksoortige weelde; het is door het drie maal daags vereren van Uw gedaanten [van ziel, ego, geest en intelligentie, de catur-vyûha] dat men reikt voorbij de hemelen [zie ook 11.5: 34]. (11) Op hen [Uw voeten] mediteren zij die, met het samengevouwen hebben van hun handen, de ghee in het offervuur plengen in het [nirukta-]proces van begrip krijgen voor de drie Veda's; op hen mediteren de yogabeoefenaren die, met het kennis verwerven omtrent Uw [yoga-]mâyâ, verenigd zijn in het zich realiseren van het Ware Zelf; en ze zijn [zelfs meer] volmaakt aanbeden door de oudere, voorbeeldige toegewijden [zie uttama en 11.2: 45-47]. (12) S'rî, Uw gezellin, voelt met onze verwelkte bloemenslinger voor U, o Almachtige, zich in dezen zo uitgedaagd als een jaloerse bijvrouw omdat U onze offergave aanvaardt als zijnde naar behoren gebracht [zie ook B.G. 9: 26]; mogen er altijd de lotusvoeten, het vuur van de vernietiging van onze onzuivere verlangens zijn! (13) Uw voeten die als een vlag die een vlaggenmast siert met drie machtige stappen [de bezitsdrang verslaan en het water van de Ganges doen] neerkomen in ieder van de drie werelden [zie 8.20], creëren angst en onbevreesdheid onder respectievelijk de strijdkrachten van de Asura's en de goddelijken. Voor zij die zich heiligden zijn ze er voor het bereiken van de hemel en voor de afgunstigen zijn ze er voor precies het tegenovergestelde, o Meest Machtige. Mogen deze voeten, o Opperheer, ons die U aanbidden bevrijden van onze zonden. (14) Als ossen bijeengehouden door [het touw door] de neus hebben Brahmâ en al de andere belichaamde wezens hun bestaan, waarbij ze onder de controle staand van de Tijd onderling in strijd verkeren. Mogen die lotusvoeten van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid in het voorbije van zowel de materiële natuur als de individuele persoon, voor ons het bovenzinnelijk geluk verspreiden [vergelijk 1.13: 42, 6.3: 12]. (15) U bent de oorzaak van deze schepping, handhaving en vernietiging, de oorzaak van het ongeziene, de individuele ziel en het grotere van de manifeste werkelijkheid. Men zegt dat U, deze zelfde persoonlijkheid, de alles beheersende tijdfactor bent die zich doet gelden als een drievoudig rad, dat U de Allerhoogste Persoonlijkheid bent die in de gedaante van de Tijd ononderbroken in Zijn voortgang het einde afroept over alles [*]. (16) Het mannelijke [van Mahâ-Vishnu], dat van U [als Vadertje Tijd] het potente zaad van deze schepping krijgt, bevrucht de uitgebreidheid van de materie [mahat-tattva]. Van daaruit genereert Hij wiens zaad nimmer wordt verspild, verenigd met diezelfde natuur, vanuit het Zelf - zoals een gewone foetus wordt voortgebracht - het gouden voorwereldlijke ei van het universum dat zich onderscheidt door zijn [zevenvoudige] gelaagdheid [zie kosha]. (17) Daarmee bent U van alles wat beweegt en op zijn plaats blijft staan de Oorspronkelijke Beheerser omdat Uzelf, o Meester der Zinnen, in Uw bezigheden nimmer raakt aangetast door de zinsobjecten die zich manifesteerden als gevolg van de werking van de geaardheden der natuur, terwijl anderen die op eigen houtje bezig zijn ermee in angst verkeren [zie ook B.G. 16: 23-24]. (18) De zestienduizend [vrouwen van U] waren zo betoverend op de momenten dat ze, met het tonen van hun gevoelens middels hun wenkbrauwen, glimlachen en blikken de pijlen van Cupido op U afvuurden. Maar met hun berichten en avances van de echtelijke liefde, waren ze met al hun methoden niet in staat Uw zinnen te begoochelen [zie ook 1.11: 36]. (19) De brede rivieren van Uw nectargelijke onderwerpen en de heilige waterstromen afkomstig van het baden van Uw voeten zijn in staat alle besmetting van de drie werelden teniet te doen. Zij die streven naar zuivering en omgang willen hebben zoeken [daarom] op twee manieren hun toenadering [tot U], namelijk door hun oren te laten luisteren naar de verhalen van de traditie en door hun lichaam in contact te brengen [met de wateren] die wegvloeien van Uw voeten.'

(20) De eerbiedwaardige zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Tezamen met S'iva en de halfgoden aldus van lof voor Govinda, de Heer, bracht hij die honderden [wijzen] onder zijn gezag heeft [Brahmâ], vanuit zijn positie in de hemel, zijn eerbetuigingen. (21) S'rî Brahmâ zei: 'O Heer, we verzochten U voorheen om de last van de aarde terug te dringen. O Onbegrensde ziel, aan dat verzoek hebt U beantwoord zoals we het vroegen. (22) Met het gevestigd hebben van de principes van het dharma onder de vromen en de zoekers naar de waarheid, is het waarlijk Uw glorie door U in alle richtingen verspreid, die de besmetting van al de werelden wegneemt. (23) Nederdalend in de Yadu-dynastie hebt U, met het voor het heil van het universum aannemen van een gedaante, met grootmoedige daden activiteiten zonder weerga aan de dag gelegd. (24) O Heer, de mensen die zich heiligden in het Kali-tijdperk en luisteren naar en zingen over Uw handelingen, zullen met gemak de duisternis te boven komen [zie ook 10.14]. (25) O Allerhoogste Persoonlijkheid, sedert Uw nederdalen in de Yadu-vams'a zijn er honderdvijfentwintig herfsten verstreken, o Meester. (26-27) Voor U, o Grondvesting van Alles, bestaat er geen verplichting meer aan de godsbewusten, en het resterende deel van de dynastie is feitelijk vernietigd door deze vloek van de brahmanen [zie 11.1]. Daarom vragen wij U of U van zins bent naar Uw hemelverblijf te vertrekken en of U er alstUblieft samen met ons, de beschermers van alle werelden en hun bewoners, mee door wilt gaan om de dienaren van Vaikunthha [van Heer Vishnu] te beschermen.'

(28) De Opperheer zei: 'Ik heb begrip voor wat u zei, o heerser der halfgoden, naar uw wens is al het werk volbracht dat nodig was om de last van de aarde weg te nemen. (29) Deze zelfde Yadu-familie is, vanwege de dreiging die ze vormde de hele wereld te verzwelgen met de uitbreiding van haar macht, moed en overdaad, door Mij een halt toegeroepen precies zoals de kust dat doet met de oceaan. (30) Als Ik zou vertrekken zonder de enorme dynastie van al te trotse Yadu's terug te trekken, zou om die reden de hele wereld door deze vloed worden vernietigd. (31) Op dit moment is vanwege de brahmanenvloek de vernietiging van de familie begonnen; nadien zal Ik, o zondeloze Brahmâ, een bezoek afleggen aan uw verblijfplaats.'

(32) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Heer van de Wereld viel de zelfgeborene neer aan Zijn voeten om Hem tezamen met de verschillende goden zijn eerbetuigingen te brengen. Daarna keerde de godheid terug naar zijn verblijfplaats. (33) Toen de Opperheer vervolgens zag hoe er zich in de stad Dvârakâ allerlei kwalijke ontwikkelingen voordeden, richtte Hij zich tot de verzamelde Yadu-ouderen. (34) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze werkelijk zeer grote verstoringen die zich overal voordoen zijn het gevolg van de vloek die de brahmanen tegen ons uitspraken, hij is onmogelijk tegen te gaan. (35) Als we ons leven voort willen zetten zouden we niet langer hier moeten blijven, o eerbiedwaardigen. Laten we dat niet op de lange baan schuiven maar vandaag nog naar dat zo heilige oord Prabhâsa vertrekken [**]. (36) De koning van de sterren [de maangod] gegrepen door de tering vanwege een vloek van Daksha, nam er eens een bad, raakte terstond bevrijd van de terugslag van zijn zonde en hervatte toen het wassen met zijn fasen. (37-38) Als ook wij naar de voldoening der voorvaderen aldaar een bad nemen en verschillende soorten voedsel offeren voor de halfgoden en de achtenswaardigen der geleerdheid en tevens giften uitdelen met ons geloof in hen als zijnde geschikte kandidaten voor de liefdadigheid, zullen we door onze goedgeefsheid het gevaar weten te bezweren zoals men met boten erin slaagt de oceaan over te steken.'

(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Yâdava's die op deze manier door de Fortuinlijke werden geïnstrueerd kwamen tot een besluit en spanden hun paarden voor hun wagens om zich naar de heilige plaats te begeven. (40-41) O Koning, Uddhava [zie ook 3.2 en 10.46 & 47], die als een immer trouwe volgeling van Krishna ter ore kwam wat door de Heer was gezegd, benaderde met voor ogen de angstwekkende, slechte voortekenen [zie ook 1.14: 2-5], in het privé de Heer der heerscharen van heel het levende universum en richtte met zijn hoofd gebogen aan Zijn voeten zich met gevouwen handen tot Hem. (42) S'rî Uddhava zei: 'O Heer en God der Goden, o Meester van de Yoga, o Vroomheid van het Luisteren en Zingen, met het terugtrekken van deze familie uit deze wereld, zegt U dat, hoewel U er als de alles-doorvarende goedertierende Beheerser toe in staat bent de vloek van de brahmanen te herroepen, U dat niet kunt doen! (43) Ik kan het zelfs niet voor een onderdeel van een seconde verdragen om Uw lotusvoeten te verlaten, o Kes'ava; alstUblieft neem ook mij mee naar Uw verblijfplaats o Meester [zie ook 3.29: 13]. (44) Uw zo hoogst goedgunstige spel en vermaak, o Krishna, is nectar voor mensenoren. Als ze eenmaal de smaak te pakken hebben laten de mensen hun verlangens naar andere zaken varen. (45) Hoe kunnen wij, die U steeds toegewijd waren als we lagen, zaten, liepen, stonden, baadden, recreëerden en aten en zo meer, nu U, het allerbeminste Zelf, ooit vaarwel zeggen? (46) Met het eten van het overgebleven voedsel en opgesierd zijn met de bloemenslingers, de geuren, de kleding en de sierselen reeds door U genoten, zullen wij, Uw dienaren, voorzeker de illusieverwekkende energie overwinnen. (47) De slechts in lucht geklede zondeloze leden van de wereldverzakende orde die als wijzen van strikte naleving steeds hun zaad opwaarts sturen, gaan naar de verblijfplaats bekend als Brahman [zie ûrdhva retah en ook 10.2: 32]. (48-49) Daarentegen zullen wij, o Grootste der Yogi's, die langs de wegen der baatzuchtige arbeid rondtrekken door deze wereld, samen met Uw toegewijden, de moeilijk te overwinnen duisternis te boven komen door de onderwerpen te bespreken waarmee we ons Uw daden, woorden, bewegingen, brede glimlachen, blikken en de liefdesavonturen die U hebt in navolging van de menselijke wereld heugen en verheerlijken.'

(50) S'rî S'uka zei: 'Aldus op de hoogte gesteld, o Koning, sprak de Opperheer, de zoon van Devakî, onder vier ogen uitvoerig met Zijn geliefde dienaar Uddhava.'  

 

 

Voetnoten: *: Tijd in drieën kan worden beschouwd als de drie soorten seizoenen, zomer, winter en voorjaar/herfst of als de drie naar de cyclische orde, de cakra, van de zon, de maan en de sterren, in de zin van verleden, heden en toekomst en als de tijd van de natuur, de cultuur en het psychologisch ervaren [zie ook tri-kâlika, 5.22: 2, tijdcitaten en de B.G. 10: 30 & 33, 11: 32].

**: Prabhâsa is een beroemde heilige plaats zich bevindend in de buurt van het Veraval treinstation, in de streek van Junagarah. Aan de voet van dezelfde pippala-boom waaronder Heer Krishna werd beweerd te hebben neergelegen bevindt zich nu een tempel. Een mijl verderop van de boom vandaan, aan de kust, is er de Vîra-prabhañjana Mathha, en men zegt dat vanaf dat punt de jager Jarâ de pijl afschoot welke het einde markeerde van Zijn aardse bestaan [zoals beschreven in de laatste twee hoofdstukken van dit Canto].

 

 

Hoofdstuk 7

Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke [Uddhava], weerspiegelt Mijn plan [de dynastie terug te trekken], en om die reden zien Brahmâ, Bhava en de leiders der werelden uit naar Mijn terugkeer naar Mijn verblijf. (2) Voorzeker heb Ik hier [in Mijn aards verblijf] geheel de taak volbracht voor het heil van de godsbewusten. Terwille van hen incarneerde Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden. (3) Deze familie die door de vloek haar einde zal vinden zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag [na heden] deze stad verzwolgen worden door de oceaan. (4) Als Ik, o man van deugd, deze wereld heb verlaten, zal ze ten prooi vallen aan Kali en zeer spoedig verstoken zijn van alle vroomheid [zie ook 1.16 & 17]. (5) Wees ervan overtuigd dat je niet in deze wereld moet blijven als ze door Mij is verlaten, want in Kali's tijd zullen de mensen op aarde verstrikt zijn in zonde, o Mijn beste. (6) Je moet in feite met het afzien van alle emotionele banden, met je geest geheel op Mij gevestigd, je in deze wereld rondbewegen met een gelijkgezinde geest [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25]. (7) Deze tijdelijke wereld zoals je die voor de geest haalt, bespreekt, ziet, hoort en zomeer, moet je herkennen als een begoochelend schimmenspel waar je verbeelding mee op de loop gaat [zie ook 10.40: 25]. (8) Een persoon die niet [spiritueel] verbonden is, is in de war met al de meningen over wat juist en verkeerd zou zijn, wat zou werken, niet werken en in strijd zou verkeren en is aldus innerlijk verdeeld wat betreft goed en kwaad [B.G. 4: 16]. (9) Bezie daarom met je zinnen beheerst en je geest verbonden, deze wereld als een uitgebreidheid die zich bevindt in het Zelf en dat Zelf als rustend in Mij, de Heer Erboven. (10) Met kennis en wijsheid geheel toegerust is men, in het zelf tevreden en alomvattend met de Ziel die voor een ieder die belichaamd is het voorwerp van de liefde vormt, nimmer ontmoedigd door tegenslagen. (11) Ontstegen aan de twee van het slecht achten - en afzien van - wat verboden is en het goed achten - en het zich gedragen naar - wat iedereen doet, danst men niet naar de pijpen alsof men nog een onvolwassen kind zou zijn. (12) Als men voor zijn medeschepselen een weldoener is die hecht verankerd is in de vrede en men wijselijk het universum kent als zijnde doortrokken van Mijn wezen, zal men nooit en te nimmer degene zijn die telkens weer het onderspit delft.'

(13) S'rî S'uka zei: 'O Koning, met het ontvangen hebben van die instructie van de Opperheer boog de verheven en fortuinlijke Uddhava, ernaar verlangend het hoogste principe te leren kennen, zich neer voor de Onfeilbare om Hem de eer te bewijzen. (14) S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die ons verenigt, o Ziel die ons verbindt, o Bron van het Mystieke, strekkend tot mijn voordeel sprak U over de verzaking zoals die gekend wordt in sannyâsa. (15) Deze verzaking o Heer, is moeilijk te volbrengen als men leeft voor de lol en het behagen van de zinnen, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6: 33-34]. (16) Ik ben met mijn bewustzijn verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals dat beschikt is door Uw mâyâ en ben aldus dwaas van het idee van 'ik' en 'mijn'. Onderricht mij daarom, zodat Uw geliefde dienaar met gemak tewerk kan gaan overeenkomstig het proces zoals dat door U wordt onderwezen. (17) Wie anders is er behalve U die van de Waarheid bent en Zich voor mij persoonlijk onthult? Welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking? Zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik zo'n spreker. In hun bewustzijn zijn allen, tot aan degenen geleid door Brahmâ, belichaamde zielen die, als ze de zichtbare wereld voor wezenlijk houden, verbijsterd zijn door Uw mâyâ. (18) Daarom benader ik, die aan verzaking doend met mijn geest zo gekweld ben en vol van leed, U voor mijn toevlucht Nârâyana, o Vriend van de Mens, o U volmaakte, onbegrensde en alwetende Beheerser die altijd weer nieuw bent in Uw verblijf Vaikunthha.'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen die goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich met behulp van hun eigen intelligentie vrij van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest]. (20) In zekere zin vormt de intelligentie de goeroe van een persoon omdat hij met behulp van het intelligente zelf, ofwel zijn ziel, steeds zijn voordeel kan doen bij zijn redeneren en zijn rechtstreeks waarnemen. (21) En zo kunnen zij die wijs zijn door hun ervaring, met het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij helder voor zich zien in Mijn volle glorie met al Mijn energieën [zie ook Kapila]. (22) Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9]. (23) Zich ophoudend in een dergelijk lichaam is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen en met logische gevolgtrekkingen rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36]. (24) Dit aangaande is er een oude geschiedenis aan te halen betreffende een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.

(25) Yadu, zeer goed thuis in het dharma, zag eens een jonge brahmaanse bedelmonnik zonder enige angst voor wat dan ook rondtrekken, en nam toen de kans waar hem vragen te stellen [zie ook 7.13]. (26) S'rî Yadu zei: 'Hoe verwierf u deze buitengewone intelligentie o brahmaan? Hoe kan u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezighoudend, door de wereld reizen met het vertrouwen van een kind? (27) Normaal gesproken zijn mensen die religieus zijn, uit zijn op een inkomen, van zinsbevrediging zijn en op kennis jagen, bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven. (28) Een capabele, geschoolde, ervaren, knappe en welbespraakte persoon als U echter, bent niet iemand van daden. U verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden spookverschijning. (29) Een ieder brandt in 't duistere bos van de lust en begeerte, maar u, die om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staat als een olifant, brandt in het geheel niet. (30) Alstublieft o brahmaan verraad ons, die u erom vragen, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk dat u geheel op uzelf verkerend geniet terwijl u verstoken bent van ieder materieel genoegen.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse nederig zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene. (32) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Mij verstandelijk beroepend op vele geestelijk leraren o Koning, trek ik, nu ik aan intelligentie heb gewonnen met hen, bevrijd rond door deze wereld. Alstublieft luister naar hun beschrijving. (33-35) De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp. Dit zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning. Met het bestuderen van wat zij deden heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf. (36) Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, naar mijn uiteenzetting o zoon van Nâhusha [of Yayâti], van wat ik zoal van ieder van hen afzonderlijk leerde.

(37) Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet van het pad moet afwijken en standvastig moet blijven, hoezeer hij ook wordt geplaagd door de andere levende wezens die zich in feite eenvoudig schikken naar wat door het lot is bepaald. (38) Van de berg [die deel uitmaakt van de aarde] leert men altijd voor anderen klaar te staan, dat men alle handelingen voor het heil van anderen moet verrichten. Naar het voorbeeld van de boom [zie S'ikshâshthaka-3] anderen toegewijd te zijn is voor een vroom iemand de enige reden van bestaan [zie ook 10.22: 31-35 en B.G. 17: 20-22].

(39) Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer zijn bevrediging zoeken in zaken die de zinnen een genoegen zijn. Zodoende zal zijn geestelijk weten niet verloren gaan en zal zijn geest en spreken niet zijn afgeleid. (40) Naar het voorbeeld van de wind dient een yogi, in relatie tot de zinsobjecten met hun verschillende gunstige en nadelige kwaliteiten, als bovenzinnelijke ziel niet verstrikt te raken. (41) Een yogi mag dan in deze wereld leven in aardse lichamen en hun karakteristieke kwaliteiten met zich meedragen, maar hij verstrikt zich, goed bewust van zichzelf, niet in dergelijke kwaliteiten, precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.

(42) Overeenkomstig de ether die zich bevindt in de bewegende en niet-bewegende levende wezens behoort een wijze die onthecht - overeenkomstig de Superziel aanwezig in alle dingen - inziet dat hijzelf puur geest is, te mediteren op de uitgebreidheid als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14]. (43) Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet in beroering is van de winden die de wolken vooruitblazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet bewogen door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die overeenkomstig de geaardheden der natuur bewogen worden door de Tijd.

(44) Een wijze, die van nature een zuiver, zachtgeaard, lief en vriendelijk bedevaartsoord is voor de mensen, heiligt, zoals water doet, zij die samenkomen [de vrienden], door zich te laten zien en zich respectvol te laten aanraken en vereren [zie ook sâkhya].

(45) Briljant, gloeiend en onverzettelijk in zijn verzaking is hij die eet voorzover dat nodig is verbonden in de ziel. Zelfs als hij die van verzaking is alles eet [en dus wel de noodzaak voorbijstreeft] raakt hij er niet door besmet zoals een vuur ook niet besmet raakt. (46) Somtijds [als een vuur aldus] verborgen en soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk zijnde voor hen die het hoogste verlangen, de offers die men van alle kanten brengt en verbrandt hij het ongeluk uit het verleden en het ongeluk dat nog te gebeuren staat [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 14]. (47) Vanuit Zijn eigen vermogen de identiteit aannemend van een ieder gaat de Almachtige net als vuur dat zich voordoet in brandhout de verschillende soorten van hogere en lagere levensvormen binnen [de 'ware' en 'onware', god of dier].

(48) Afgedwongen door de bewegingen van de Tijd die zelf niet kan worden waargenomen, verandert de staat van het lichaam met de levensfasen van geboorte tot de dood. Maar dat raakt de ziel niet, net zo min als de maan anders is door zijn fasen [B.G. 2: 13, 2: 20]. (49) Zoals men de ziel(en) zelf niet ziet met de lichamen die voortdurend worden geboren en weer sterven als met de vlammen van een vuur, is ook de Tijd zelf niet te zien ondanks zijn voortsnellende, dwingende stroom [*].

(50) Een yogi verzaakt met het aanvaarden van de zinsobjecten ze op de juiste tijd [naar gelang de cakra-orde]. Hij raakt niet verstrikt met hen net zoals de zon niet gevangen wordt als die met zijn stralen de wateren binnendringt. (51) Als de zon uiteen lijkt te zijn gevallen in zijn reflecties, ziet men zijn oorspronkelijke vorm nog niet als verschillend. Zo ook wordt de ziel, die voor de tragen van begrip in reflecties [van verschillende zelven] uiteen lijkt te zijn gevallen, niet als verschillend gezien.

(52) Men zou zich nooit moeten verliezen in buitengewone genegenheid of een nauwe omgang met wie dan ook, omdat men daarin zwelgend groot leed zal ondervinden. Men leeft dan bij de dag alsof men een duif is [zie ook 7.2: 50-56]. (53) Een zekere duif bouwde eens in het bos zijn nest in een boom en hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwelijke metgezel. (54) Als gehechte partners in het huishouden waren zij met hun harten vol van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest. (55) Op elkaar vertrouwend als een paartje waren ze druk in de bomen bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen, eten enzovoorts. (56) Wat zij ook wenste, o Koning, was wat hij, die het haar naar de zin wou maken, deed. Zonder zich in te tomen beantwoordde hij aan haar verlangens, zelfs als dat moeilijk was. (57) De kuise wijfjesduif raakte voor het eerst zwanger en bracht, toen de tijd rijp was, in het nest haar eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot. (58) Uit hen kwamen na de nodige tijd de kleintjes tevoorschijn, met de tere leden en veertjes zoals geschapen door het ondoorgrondelijke vermogen van de Heer. (59) Het paartje zorgde dolblij toen voor hun nageslacht, waarbij ze vol liefde verrukt luisterden naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes. (60) De aanblik van het geluk van de kleintjes met hun pluizige vleugeltjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, vervulde de ouders van vreugde. (61) Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu hun kinderen, hun nageslacht. (62) Op een dag gingen de twee hoofden der familie eropuit om voedsel voor de kinderen te halen, en dwaalden ze ver weg vol zorg speurend in het hele bos. (63) Een zekere jager die toevallig door het bos trok zag hoe de jongen zich rondbewogen in de buurt van hun nest en ving ze toen met een net dat hij had uitgespreid. (64) De mannetjes- en de vrouwtjesduif die altijd ijverig bezig waren met de zorg voor hun kindjes keerden toen terug naar hun nest om het voedsel te brengen. (65) Toen de vrouwtjesduif zag dat de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen waren in het net, vloog ze in grote paniek schreeuwend op hen af die ook aan het schreeuwen waren. (66) Gebonden door haar liefde was ze vastbesloten naar haar kinderen om te zien en vergat ze, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene, zichzelf en raakte ze ook gevangen in het net. (67) De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig dat zijn kinderen waren gevangen die hem meer dierbaar waren dan zijn eigen leven en zijn wijfje dat zo veel op hem leek: (68) 'Kijk hoe helaas ik, die zo dom en van geringe verdienste ben, tenonderga. Ik mislukte erin te beantwoorden aan het drievoudig levensdoel [de purushârtha's] en heb aldus mijn gezin te gronde gericht! (69) Zij die geschikt als ze was mij trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, nu vroom vertrokken naar de hemel met haar zoons, me achtergelaten in een leeg huis. (70) Wat is nu nog de zin van mijn bestaan met mijn wijfje en mijn kinderen dood en ikzelf er miserabel en ellendig aan toe met een eenzaam leven in het lege nest?' (71) Toen hij ze vol leed gevangen zag in 't net in de greep van de dood, ging zijn verstand op nul en belandde ook hij in het net. (72) De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had pakte het gezinshoofd, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op en ging toen naar huis.

(73) Een gezinshoofd die [door minachting voor de burgerdeugden] in onvrede met de ziel behagen schept in de materiële tegenstellingen, krijgt het zwaar te verduren met zijn verwanten, net als deze vogel die er [zonder religiositeit, zinsbeheersing en economische regelingen] zo ellendig aan toe was met het behoud van zijn gezin. (74) De persoon die met het bereikt hebben van de menselijke positie, terwijl de poort der bevrijding wagenwijd openstaat, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel, mag men, ookal is ie nog zo opgeklommen, als gevallen worden beschouwd [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17, 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39, 7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].'

 

Voetnoot:

*: Deze analytische methode, van het in dit geval terugkeren naar het onderwerp van het vuur na het reeds geïntroduceerd hebben van het volgende onderwerp van de maan, wordt simhâvalokana genoemd, of 'de blik van de leeuw', waarmee men tegelijkertijd voortgaat en achteruit kijkt om te zien of er iets over het hoofd werd gezien.  

 

 

Hoofdstuk 8

Wat Men Leert van de Natuur en het Verhaal van Pingalâ

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aangezien er zowel voor hen die in de hemel verkeren als voor hen die in de hel zitten er het zinnelijk geluk is o Koning, en omdat er voor alle belichaamde wezens eveneens het ongeluk bestaat [van het logisch tegendeel, de schaduw, de terugslag], behoort een intelligent iemand niet een dergelijk geluk na te streven [zie ook B.G. 16: 16].

(2) Zo afwachtend als een python moet men eten wat bij toeval wordt verkregen, of het nu veel of weinig, smakeloos of zuiver en zalig voedsel is [7.13: 37-38]. (3) Voor vele dagen vastend moet men zijn vrede bewaren en rustig afwachten als er geen voedsel voor handen is, net als de python die eet wat de voorzienigheid verschaft [7.15: 15]. (4) Als men zowel geestelijk als fysiek sterk zijnde het lichaam in stand houdt zonder veel moeite te doen, blijft men vredig en heeft men geen last van slaperigheid. Ook al is men overal toe in staat, toch moet men [in dat geval] niets ondernemen.

(5) Een wijze die aangenaam is, vol van ernst, ondoorgrondelijk, onbegrensd en niet is te overwinnen [in zijn weten], is zeer zeker nimmer verstoord, net als de kalme wateren van de oceaan [zie ook B.G. 12: 15]. (6) Berooid dan wel florerend met het verlangde, neemt een wijze, met Nârâyana als de Allerhoogste, net zoals de oceaan met de rivieren, niet toe noch neemt hij af [B.G. 2: 70].

(7) Bij het zien van een vrouw komt degene die zijn zinnen niet de baas is, in de ban rakend van die verleidelijke, bedrieglijke energie van God, blind ten val in de duisternis, precies zoals een mot in het vuur beland. (8) Met het zien van de kleding, gouden sieraden enzovoorts van de vrouwen zoals dat is beschikt door mâyâ, zal een persoon zonder onderscheidingsvermogen met zijn hang naar zinsbevrediging zich geprikkeld voelen door lustige verlangens en zonder twijfel, zoals een mot zijn vernietiging vindt, zijn geestelijke orde teloor zien gaan [B.G. 2: 62-63].

(9) Met het nuttigen van kleine beetjes voedsel, afdoende om het lichaam in leven te houden, behoort men wijs de [sociale] zekerheid [in geweldloosheid] met de huishouders te beoefenen en aldus van de bezigheid van een honingbij te zijn [5.5: 3, 7.2: 11-13, 7.12: 6. 7.14: 5, 7.15: 15 en B.G. 4: 21]. (10) Een intelligent mens moet aan de kleinste alsook aan de grootste religieuze geschriften de essentie ontlenen, precies zoals een honingbij dat doet met al de grote en kleine bloemen [11.7: 23, B.G. 15: 15]. (11) Niet als de bij een verzamelaar wezend, behoort men met de buik als zijn bergplaats en de hand als zijn bord voedsel te aanvaarden dat werd geschonken in liefdadigheid en het niet te bewaren voor de nacht of de dag erna. (12) Een bedelmonnik moet geen voorraad aanleggen voor 's avonds of de volgende dag omdat hij anders als een honingbij die steeds meer verzameld teloor zal gaan.

(13) Een bedelmonnik behoort een meisje niet aan te raken, zelfs niet een van hout of met zijn voet, omdat hij anders, zoals een olifant wordt gevangen door een wijfjesolifant, door het lichamelijke contact in de greep van de materie komt. (14) Om de dood niet te vinden moet een man van wijsheid nimmer achter een vrouw aanzitten, omdat hij anders ten onder zal gaan zoals een olifant verslagen wordt door anderen die sterker zijn dan hij.

(15) Rijkdom die met grote moeite werd vergaard door een hebberige persoon wordt door zo iemand niet genoten noch weggegeven aan anderen; die rijkdom wordt eerder door iemand anders genoten die er toevallig tegenop loopt en het zich toeëigent zoals men de honing wegsteelt uit een bijenkorf [zie 5.13: 10]. (16) Zoals een honingdief vooropgaat in het genieten van de honing die met moeite werd verzameld, gaat ook de asceet voorop in het genieten van de fel begeerde zegening van de welvaart die met veel problemen werd verworven door huishouders [zie b.v. 1.19: 39 en 7.14: 17].

(17) Een toegewijde die in het bos leeft moet nooit luisteren naar wereldse liedjes en muziek; dat moet men inzien naar het voorbeeld van het hert dat gevangen werd nadat het verbijsterd raakte door de lokroep van de jager [zie de bhajans]. (18) Plezier belevend aan ordinair dansen, muzikaal vermaak en dergelijke liederen, kwam Rishyas'ringa, de zoon van Mrigî, ten val toen hij als een troeteldier helemaal in de ban raakte van de vrouwen [zie *, 5.8 en 5.25: 11].

(19) Zoals een vis met zijn verstand op nul aangetrokken door de smaak aan de haak geslagen wordt en de dood vindt, kan ook een persoon, verstoord door wat de tong hem influistert, tegen beter weten in zijn leven vergooien. (20) De geschoolden die zich inperken beteugelen snel de materiële zinnen, maar dat geldt niet voor de tong, want daarvan neemt de smaak voor voedsel toe met het vasten [zie het prasâdam-gebed]. (21) Zolang de tong niet is verslagen kan een mens, ook al heeft hij alle andere zinnen verslagen, niet zeggen dat hij zichzelf meester is; maar heeft hij eenmaal zijn tong in bedwang, dan is hij alles de baas [zie ook 8: 16 en B.G. 2: 59].

(22) In de stad Videha leefde vroeger een prostituee genaamd Pingalâ. Verneem nu van mij o zoon van koningen, wat ik van haar heb geleerd. (23) Zij als een dame van plezier stond op een avond, om een klant haar huis in te krijgen, buiten in de deuropening om haar mooie figuur te laten zien. (24) O beste onder de mannen, uit op geld bezag ze de mannen die ze voorbij zag komen op straat als klanten die bereid zouden zijn de prijs te betalen. (25-26) Met hun komen en gaan dacht ze, aldus levend van het verkopen van haar liefde: 'Misschien zal een of andere vent die genoeg op zak heeft me voor de liefde benaderen en me een bom duiten bezorgen.' Aldus vol van ijdele hoop niet slapend en in de deuropening leunend, de straat op en neer lopend en weer terugkerend naar haar huis, werd het middernacht. (27) Terneergeslagen liet ze in haar verlangen naar geld haar gezicht hangen en ontwaakte in haar zorgelijkheid toen een allerverhevenste onthechting welke haar het geluk bracht. (28) Onthechting werkt als een zwaard dat snijdt door het verstikkende netwerk van hoop en verlangens. Luister alstublieft naar het lied dat ze zong na deze omslag in haar denken. (29) Beste Koning, duidelijk is dat hij die zich niet van de wereld weet af te keren nimmer dat wat hem lichamelijk bindt wil loslaten, net zo min als een mens verstoken van wijsheid het idee van bezit op wil geven. (30) Pingalâ zei: 'Zie toch eens hoe fout ik zit! Ik lijk wel gek met wat ik me voorstel in mijn wellust met een nepminnaar. (31) Met het hebben afgezien van het genoegen dat van Hem is, Hij het Liefst en Meest Nabij, was ik, deze onnozele ziel, zo hoogst onbeduidend van een dienstbaarheid die, nimmer de begeerte temperend, ellende, angst, leed, treurnis en illusie veroorzaakt. (32) O hoe nutteloos heb ik, met het onderwerpen van mijn ziel aan de marteling, bezig zijnd als een publieke vrouw - het laakbaarste beroep van alle - in mijn verlangen met mijn lichaam seksueel te genieten en daar geld mee te verdienen, mij verkocht aan versierders die, belust op mij, zelf beklagenswaardig zijn. (33) Welke andere vrouw zou zich zo wijden aan dit huis met de negen deuren dat, opgetrokken met de beenderen van een ruggengraat, de ribben, de handen en de benen, en bedekt met een huid, met haar en nagels, vol ontlasting zit en urine lekt [vergelijk B.G. 5: 13 en 4.25-28]? (34) Van al de bewoners van Videha ben ik degene die werkelijk aan verstandsverbijstering lijdt, ik ben immers de persoon die zeer onkuis zinsgenot verlangt met een andere man dan Hij die ons de Ziel geeft, Acyuta.. (35) Door de prijs te betalen van het geven van mezelf aan Hem, de weldoener die absoluut het meest geliefd is, de Heer en Ziel van iedereen die leeft met een lichaam, kan ik erop rekenen te zullen genieten als Ramâ. (36) Hoeveel feitelijk geluk hebben het zingenot en de mannen die mijn zinnen streelden mij nu verschaft? Het voor ogen hebben van een vrouw of [zelfs] de goden heeft allemaal, verdeeld over de tijd, zijn begin en einde. (37) Mijn persoon zo wanhopig moet daarom de Allerhoogste Heer Vishnu die het geluk brengt dat ik nu ervaar, op de een of andere manier hebben behaagd met het afzien van mijn zinsbevrediging! (38) Een vrouw die het werkelijk slecht getroffen heeft zou niet met dergelijke hindernissen op het pad der zelfverwerkelijking te maken krijgen, want die vormen er de oorzaak van dat een persoon de gebondenheid van zich afschud en de [ware] vrede vindt. (39) Nu ik ermee ophou valse hoop te koesteren in samenhang met de seksuele omgang, zoek ik, met het op mijn hoofd aanvaarden van de grote hulp die Hij biedt, mijn toevlucht bij Hem, de Oorspronkelijke Beheerser. (40) Tevreden in de volle overtuiging dat ik het aldus zal redden ongeacht wat ik op mijn pad vindt, zal ik erin slagen het leven op prijs te stellen met enkel de Ene, het Zelf van de Liefde en het Geluk dat vrij is van twijfel. (41) Als men zoals ik in het behagen van zijn zinnen, verstoken is van inzicht en beland is in de diepe put van de materiële oceaan, is er toch niemand anders dan de Oorspronkelijke Beheerser ertoe in staat om het levende wezen te verlossen dat in de greep verkeert van het serpent van de tijd [zie ook 10.34]? (42) Op het moment dat het zelf aldus het universum kan aanschouwen als verkerend in de greep van de slang der tijd, wordt hij, oplettend onthecht van al de materie, voorzeker zijn eigen beschermer.'

(43) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Aldus ertoe besloten een einde te maken aan de wanhoop die teweeg gebracht wordt door het begeren van minnaars, zat ze neer op haar bed met de innerlijke vrede die ze gevonden had. (44) Met het inzicht dat het grootste ongeluk eruit bestaat dat men steeds verlangt en dat het vrij zijn van verlangens het tegendeel inhoudt, sliep Pingalâ gelukkig nu ze het smachten naar minnaars van zich af had geschud.'

 

Voetnoot:

*: Rishyas'ringa, dat 'hoorn van een hert' betekent naar het hert dat muzikaal is aangetrokken, was de jonge zoon van de wijze Mrigî, met opzet door zijn vader grootgebracht in een atmosfeer van complete onschuld. Mrigî Rishi dacht dat als hij zijn zoon nooit blootstelde aan de aanblik van vrouwen hij altijd en eeuwig een volmaakte brahmacârî zou blijven. Maar per toeval ontvingen de bewoners van het naburige koninkrijk, die te lijden hadden onder een langdurige droogte, het advies van boven dat de regen alleen maar naar hun koninkrijk zou terugkeren nadat de brahmaan genaamd Rishyas'ringa er zijn voet in gezet had. Om die reden zonden ze prachtige vrouwen naar de hermitage van Mrigî om Rishyas'ringa te verleiden en hem met zich mee te voeren. Daar Rishyas'ringa nog nooit van vrouwen had gehoord, liep hij zonder problemen in hun val [geciteerd van pp 11.8: 18].

 

 

Hoofdstuk 9

Onthechting van Al het Materiële

(1) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Gehechtheid aan welke van de bezittingen ook die zo zeer door de mens op prijs worden gesteld [een huis, de vrouw, de auto etc.], zal zeker tot ellende leiden; ongeacht wie men is zal men, als men zich vrijmaakt van een dergelijke gehechtheid, daaropvolgend een onbegrensd geluk bereiken.

(2) Een grote havik [de visarend] die vlees had werd aangevallen door anderen die heel sterk waren en die zonder prooi zaten; toen hij op dat moment het vlees opgaf bereikte hij het geluk.

(3) Ikzelf, die als een kind het geluk enkel in de ziel geniet, trek hier rond. In mij vindt men geen eer of oneer. Levend met het ware zelf ken ik niet de bezorgdheid van degene die een thuis heeft en kinderen. (4) Van hen die vrij van zorgen zijn bestaan er twee types: hij die niet goed bij zijn verstand is en die onwetend als een kind is opgegaan in het groot geluk en degene die de Allerhoogste Boven de Geaardheden der Natuur heeft bereikt.

(5) Eens arriveerden er ten huize van een jong meisje dat zich een echtgenoot wenste en van wie alle verwanten naar elders vertrokken waren, een paar mannen die ze met grote gastvrijheid ontving. (6) Helemaal alleen als ze was sloeg ze, om haar gasten te eten te geven, het kaf van de rijst en daardoor maakten de schelpen armbanden om haar onderarmen een hoop kabaal. (7) In haar verlegenheid schaamde ze zich over dat [dienstmeiden-] geluid, en brak ze, scherp van geest, een voor een de schelpenarmbanden van haar armen, er slechts twee overlatend aan iedere pols. (8) Nog steeds was er van de twee, toen ze de rijst aan het pellen was, het geluid natuurlijk. Toen ze daarop van ieder van de twee er een verwijderde en er nog maar één overbleef, was er geen geluid meer te horen. (9) Ik o onderwerper van de vijand, die in mijn naspeuren van de waarheid omtrent de wereld rondtrek door alle streken, was persoonlijk getuige van de les die dit meisje me leerde. (10) In een plaats waar zich veel mensen bevinden zullen zich ruzies voordoen, zelfs onder twee mensen die alleen praten. Daarom moet men leven zoals de armband van het jonge meisje. (11) De geest moet worden bestendigd middels onthechting en een geregelde praktijk [vairâgya en abhyâsa] waarin men de ademhaling de baas wordt in zithoudingen en zich zorgvuldig op één punt concentreert [het ware zelf, zie ook B.G. 6: 10-15 en 6: 46-47]. (12) Met het realiseren van bestendigheid in die positie bereikt men in die geest, nadat men stap voor stap de karmische besmetting heeft opgegeven, het nirvâna omdat men in sattva sterk geworden niet langer het vuur van de rajas en de tamas [het vuur van het materieel bestaan] van brandstof voorziet [zie ook B.G. 6: 26 en 14: 6-8].

(13) Aldus verankerd in de ziel bekommert men zich niet meer om wat dan ook vanbuiten of vanbinnen, net zoals de pijlenmaker die verdiept in de pijl de koning niet opmerkte die hem vlakbij passee rde [zie B.G. 7: 27-28].

(14) Alleen rondtrekkend zonder een vaste verblijfplaats [of tempel] en zich terughoudend opstellend niet opvallend in zijn handelingen, zal een wijze die het zonder gezelschap moet stellen maar weinig spreken. (15) Zich een huis bouwen maar niet slagen [in het opbouwen van een geestelijk leven, zie B.G. 4: 18] is iets ellendigs, denk maar aan de slang die er gelukkig mee is zich op te houden in een hol dat door een ander werd gemaakt.

(16) Het ene Zelf, de ene Opperheerser zonder Zijns gelijke, die de Grondvesting en het Reservoir van Allen werd, is Nârâyana, de Godheid die in den beginne bij de gratie van Zijn eigen vermogen dit universum schiep en middels Zijn vermogen van de Tijd aan het eind van de kalpa deze schepping weer terugtrekt in Zichzelf. (17-18) Als door Zijn vermogen, de tijdfactor, de materiële machten van sattva enzovoorts in balans zijn gebracht, bestaat de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de purusha van de primaire natuur [pradhâna], die de aanbiddelijke beheerser van de Goden en de normale zielen is, in de puurste ervaring van openbaring die men omschrijft als kaivalya [of zaligheid], het volledige van de gelukzaligheid die vrij is van materiële betrekkingen [zie ook B.G. 7: 5 en *]. (19) Middels het zuivere vermogen van Zijn Zelf, Zijn eigen energie die bestaat uit de drie geaardheden, manifesteert Hij het plan van de materie [dat de sûtra, de draad vormt, ofwel de regel danwel de directie aangeeft van de mahat-tattva]. Dat doet Hij door [met de Tijd] beroering te brengen in de aanvang van de schepping [zie ook 3.26: 19]. (20) Aan die draad, die zich laat herkennen als de oorzaak van de drie geaardheden die de verschillende categorieën van de manifestatie tot stand brengen, zo beweert men, is dit universum waarin het levende wezen zijn bestaan vindt geregen en gebonden [zie ook B.G. 7: 7]. (21) Zoals de spin tewerk gaat die de draad vanuit zichzelf voortbrengt, met zijn bek met die draad [van zijn maal] geniet en eventueel die draad inslikt, gaat de Opperheer ook tewerk.

(22) Ongeacht waar de geconditioneerde ziel uit liefde, afgunst of angst zijn geest op richt, zal hij, vanwege de volle concentratie van zijn intelligentie, die specifieke positie dan ook bereiken [zie B.G. 8: 6]. (23) O Koning, een wespenlarve die mediteert op de volwassen wesp die hem in het nest plaatste, zal, vasthoudend aan zijn eigen lichaamsvorm, dezelfde staat van een volgroeide vorm bereiken.

(24) Dit is wat ik weet door lering te trekken uit al deze goeroes. Alstublieft o Koning, verneem nu van mij wat ik te zeggen heb over de kennis die ik verwierf door te leren van mijn eigen lichaam. (25) Met het lichaam heeft men altijd te lijden onder de last van het onderhoud en van de toekomstige ondergang ervan. Ik bezin me ermee op de waarheden van de wereld en als zodanig vormt het, ookal is het er om anderen van dienst te zijn, voor mij een leraar van verzaking en onderscheid die mij ervan overtuigt dat ik onthecht in het leven moet staan. (26) Het lichaam zit vast aan de opdracht het al de categoriën van de vrouw, de kinderen, de dieren, de bedienden, het huis en de verwanten naar de zin te maken. Het heeft voordat het moet sterven aan uitbreiding gedaan met het verwekt hebben van een soortgelijk lichaam en voor dat doel spande het zich enorm in een goede financiële positie te bereiken. In die zin is het lichaam als een boom die alvorens te sterven zijn zaad afwerpt. (27) Aan de ene kant leidt de tong bij tijden dorstig het gekoesterde lichaam af, aan de andere kant doen de geslachtsdelen dat, vraagt de tastzin om aandacht, laat de maag van zich horen, leiden de oren af naar elders, wijst een geur in een richting of dwalen de rusteloze ogen af naar elders; en zo sturen alle delen van het lichaam als bijvrouwen het hoofd van de huishouding in vele richtingen. (28) Nadat de Allerhoogste de bomen, giftige insecten, zoogdieren, vogels, slangen en meer van de vele soorten materiële lichaamsvormen geschapen had middels Zijn begoochelend vermogen, schiep Hij, er niet tevreden over, het menselijk wezen dat Hij begiftigde met een intelligentie die geschikt is om zich een voorstelling te maken van de Absolute Waarheid en bereikte Hij zo het geluk. (29) Na vele geboorten het tot deze menselijke gedaante gebracht te hebben die zo moeilijk te bereiken is en die, alhoewel niet eeuwig, een grote waarde inhoudt, behoort een nuchter persoon zo lang als hij, gedoemd om te sterven, nog niet ten onder is gegaan [in zijn graf beland is], zonder omwegen zich in deze wereld in te spannen voor de uiteindelijke bevrijding die in alle gevallen van zinsbevrediging steeds binnen bereik is.

(30) Aldus [met al deze vierentwintig plus één meesters] het beziend vanuit de Ziel trek ik, met het ten volle hebben ontwikkeld van verzaking en wijsheid, bevrijd van gehechtheid en vals ego rond over deze aarde. (31) Voorzeker kan de kennis van één leraar niet erg solide zijn of volledig [zie 11.3: 21]; de Absolute Waarheid, die zijns gelijke niet kent, wordt door de wijzen daarom vanuit vele gezichtspunten benaderd.'

(32) De Opperheer zei: 'De zo heel erg wijze brahmaan [die in feite Heer Dattâtreya was, zie 2.7: 4 en **] nam, nadat hij aldus tot koning Yadu gesproken had en naar behoren door de koning geëerd was middels eerbetuigingen, van hem afscheid en ging zijns weegs, net zo tevreden als hij was gekomen. (33) Na de woorden van de avadhûta gehoord te hebben vond Yadu, de voorvader van onze voorouders, de bevrijding in een allen gelijkgezind bewustzijn.'

 

 

Voetnoten:  *: Vers 3.25: 34 in aanmerking genomen waarin gesteld wordt dat toegewijden gezelschap zoeken om voor Krishna met elkaar om te gaan, zeggen de âcârya's naar aanleiding van dit vers dat het enkel op de Heer gericht zijn, niet als jnâni's speculerend, hetzelfde is als het alleen zijn om niet in ruzies te belanden [zie pp. 11.9: 10].

**: De paramparâ [pp. 11.9: 32] bevestigt: 'Dit vers [2.7: 4] vermeldt dat Yadu gezuiverd raakte door in contact te verkeren met de lotusvoeten van Dattâtreya, en dienovereenkomstig stelt het huidige vers, vandito sv-arcito râjñâ - dat Koning Yadu de lotusvoeten van de brâhmana aanbad. Aldus, is volgens S'rîla S'rîdhara Svâmî, de avadhûta brâhmana de Persoonlijkheid van God zelve, en S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura bevestigt dit nog eens.' 

 

 

Hoofdstuk 10

De Ziel Vrij, de Ziel Gebonden

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Een ziel vrij van verlangen die Mijn toevlucht aanvaardt, moet met het verantwoordelijkheid dragen voor de persoonlijke plichten aan God waar Ik over sprak [zie ook in e.g. 10.60: 52 en B.G. 3: 35], het varnâs'rama-systeem van de samenleving praktiseren [B.G. 4: 13]. (2) Een gezuiverde ziel moet inzien hoe van de belichaamden die op zichzelf gericht het sensuele voor het ware houden, alle pogingen gedoemd zijn te mislukken [zie ook B.G. 13: 32]. (3) Wat de mediteerder ziet in het bereik van de slaap of in zijn fantasie heeft evenzo weinig te betekenen als het uiteenlopend van aard is. Zo ook maakt men niet echt gebruik van zijn intelligentie als men zich richt op het door de geaardheden afgezonderde zelf [B.G. 2: 41 & 9: 15]. (4) Mij toegedaan moet men de arbeid verrichten die nodig is voor de onthechting [nivritti] en het handelen in gehechtheid opgeven [pravritti]. Als men goed bezig is op zoek naar de spirituele waarheid hoort men geen acht te slaan op de voorschriften voor de baatzuchtige arbeid [zie 7.15: 47]. (5) Hij die van toewijding is moet steeds de basisregels in acht nemen [de geboden, de vidhi] en de nevengeschikte regels als de tijd er rijp voor is [de niyama]. Ook moet hij de vredelievende goeroe van dienst zijn die, bekend met Mijn gedaante, niet van Mij verschilt [zie ook 7.14: 41-42]. (6) Wees met nederigheid, jezelf niet als de doener ziend, arbeidzaam, vrij van bezitsdrang, gevestigd in vriendschap, zonder haast, belangstellend in het navraag doen en vrij van wrok en loze praat. (7) Zich neutraal opstellend wat betreft de echtgenote, de kinderen, de woning, het land, het eigen volk en het banksaldo en dergelijke, moet men z'n eigenbelang herkennen in dat van een ieder [zie B.G. 5: 18].

(8) De ziel is de zelfverlichte ziener die verschilt van het grofstoffelijke en subtiele lichaam, precies zoals het vuur dat licht geeft met zijn branden verschilt van het brandhout [zie ook B.G. 2: 16-24]. (9) Sluimerend vanbinnen [in het hout] neemt het vuur [na ontbranding] de verschillende kwaliteiten aan van groot of onbeduidend etc. Op dezelfde manier neemt de geestelijke ziel de kwaliteiten aan die bij het lichaam horen [zie ook 3.24: 6, 4.9: 7, 10.37: 10-11, 10.46: 36]. (10) Dat wat, met dit lichaam dat werd gevormd door de geaardheden, is gebonden aan de samsâra zee van materie die tot de Oorspronkelijke Persoon behoort [zie B.G. 8: 4], is wat men het levende wezen noemt waarvan de banden der gehechtheid worden verbroken door de kennis van de Ziel. (11) Daarom moet men, door het cultiveren van de kennis van de Ziel als zich bevindend in het eigen zelf [2.2 en B.G. 9: 5], zuiver in zijn toenadering met de realisatie van het Allerhoogste, geleidelijk aan dit begrip van de materiële kwestie opgeven [als zijnde een losstaande werkelijkheid]. (12) De âcârya kan men beschouwen als het onderliggende houtje voor het aanmaken van vuur, de discipel als het bovenste houtje en de instructies als de draaistok er tussenin, terwijl de kennis er is als het vuur dat geluk brengt [vergelijk 9.14: 44-46]. (13) Deze zuiverste intelligentie die wordt overgedragen door degenen met ervaring [de âcârya's], stoot de illusie af die stamt van de guna's en wordt, met het volledig opbranden van wat door de geaardheden in het leven werd geroepen, zelf tot vrede gebracht zoals een vuur tot rust komt dat zonder brandstof komt te zitten [zie ook 11.3: 12].

(14-16) Als je met dit in gedachten denkt aan de verschillende manieren waarop mensen hun brood verdienen, als je denkt aan al die genieters van geluk en ongeluk; als je dan denkt aan het onophoudelijk voortbestaan van de materiële wereld, de tijd, de geopenbaarde geschriften en de ziel; als je bedenkt dat alle kennis aan verandering onderhevig is omdat die zich baseert op het verschil dat al de bestaansvormen en de veranderingen van de zinsobjecten maken; dan [zo zal je enkel vanuit die materiële visie al moeten toegeven *], o Uddhava, heb je toch steeds de bestaanstoestanden van het geboren zijn [de ouderdom, de ziekte] enzovoorts. Iedere belichaamde heeft nu eenmaal een lichaam [dat zijn orde vond] dankzij de verschillende geledingen van de tijd [te weten de indelingen naar de zon en maan, zie 3.11]. (17) Van degene die handelt en als de genieter daarin bovendien van vruchtdragende handelingen is, openbaart zich duidelijk het gebrek aan onafhankelijkheid en kan men het geluk en ongeluk waarnemen; welke waarde kan men eraan ontlenen om niet [werkelijk terwille van het duurzaam geluk, zie B.G. 9: 3 en 11.9: 1] de zaak in de hand te hebben? (18) Onder de belichaamden zijn de verdwaasden soms ongelukkig en evenzo zijn zelfs de intelligenten niet altijd gelukkig. Altijd gelukkig willen zijn is een zinloos streven en iets heel egoïstisch [zie ook B.G. 2: 15 en 11.9: 4]. (19) En zelfs als ze erin slagen het geluk te bereiken en leed te vermijden, hebben ze nog steeds geen weet van het verenigen van het bewustzijn [het yogaproces] waarmee de dood zijn macht niet kan doen gelden [vergelijk B.G. 10: 34]. (20) Welke garantie gelukkig te zijn kan een materieel voorwerp, of de lust, de persoon nu bieden? Met de nimmer aangename dood voor ogen, is hij [met de materie] als een veroordeelde die naar zijn plaats van terechtstelling wordt geleid. (21) Zowel dat wat we van horen zeggen kennen [de hemel] als wat ons uit eigen ervaring bekend is [de aarde] wordt verpest door de rivaliteit, het fout-vinden, het afglijden en het verval. Net zoals met landbouwen vele obstakels een bevredigend resultaat in de weg staan is ook het streven naar volkomen materieel geluk zinloos [zie ook 11.3: 20]. (22) Als men in zijn rechtschapenheid geen last heeft van hindernissen en men weet uit te blinken in de praktijk, zal zelfs de status die men zo verwierf niet eeuwig standhouden. Luister alsjeblieft daarom naar het volgende [zie ook B.G. 2: 14].

(23) Met het alhier aanbeden hebben van de goden met offerplechtigheden gaat de offeraar naar de hemelse werelden alwaar hij als een god mag genieten van de hemelse genoegens die hij verwierf [zie B.G. 3: 11 en 4: 12]. (24) Als gevolg van zijn opgebouwde verdienste straalt hij in de tempel [de 'vimâna'] en wordt hij, omringd door bevallig geklede godinnen, onderweg [bij het achter zich laten van deze aarde] door de zangers van de hemel verheerlijkt met gezangen. (25) Terwijl het hem met de vrouwen van de hemel goed vergaat zoals hij wilde wordt hij indachtig die notie van orde omlijst door belgeklingel. In staat van verrukking denkt hij dan niet meer aan zijn neergang [op aarde] als hij zich comfortabel ontspant in de lusthoven van de godsbewusten [zie b.v. 7.15: 69-73]. (26) Hij, die net zolang de hemelen geniet tot zijn vrome tegoed verbruikt is en zijn geloof is uitgeput, valt vervolgens tegen zijn wil neer uit de hemel, daar hij zich van de tijd afkeerde [en er dus niet stabiel mee was, vergelijk B.G. 9: 20-22]. (27-29) Als hij als gevolg van zijn materiële betrokkenheid bezig is met handelingen die tegen het dharma indruisen of als hij, omdat hij zijn zinnen niet de baas is, wellustig leeft als een ellendige, begeertige rokkenjager, van geweld is jegens andere levende wezens, dieren doodt tegen de regels en van aanbidding is voor reeksen van geesten en spoken [vergelijk 7.12: 12], zal een menselijk wezen, na te zijn heengegaan, daaropvolgend hulpeloos belanden in de diepste duisternis van de helse werelden. Hij zal vanwege zijn daden opnieuw een materieel lichaam aannemen om handelingen te verrichten die hem in de toekomst [opnieuw] veel ongeluk zullen bezorgen. Welk geluk vindt men nu in het zweren bij activiteiten die steeds weer tot de dood leiden [zie ook 5.26: 37 en B.G. 16: 19-21]? (30) In al de werelden en onder al hun leiders is er angst voor Mij; de individuele zielen die een kalpa lang leven vrezen Mij en zelfs de allerhoogste, Brahmâ die voor de duur van twee parârdha's leeft, vreest Mij [zie ook 1.13: 17-20, 3.8: 20, 3.11: 33, 3.25: 42, 3.26: 16, 3.29: 37, 3.29: 40-45, 5.24: 15, 5.24: 28]. (31) De materiële zinnen geprikkeld door de geaardheden der natuur zetten aan tot handelingen en de individuele ziel, jîva, die geheel opgaat in de activiteit van de materieel georiënteerde zinnen en de guna's, ondergaat er de verschillende karmische gevolgen van [zie ook 3.32 en B.G. 3: 27]. (32) Zolang er het afzonderlijke bestaan van de natuurlijke geaardheden is zullen er de verschillende bestaanstoestanden van de [belichaamde] ziel zijn, en zolang er de verschillende bestaanstoestanden van de ziel zijn, zal er voorzeker dus [de karmische] afhankelijkheid zijn [zie ook B.G. 17: 2]. (33) Zolang men niet vrij is van de afhankelijkheid zal er de vrees voor de Beheerser zijn [de Tijd]. Zij die zich hieraan [aan deze afhankelijkheid] wijden zullen, verstandsverbijsterd, altijd vol van verdriet zijn. (34) Met de beroering die er door de geaardheden is, noemt men Mij aldus verschillend de Tijd, het Zelf, de Vedische Kennis, de Wereld, de Natuur, alsmede het Dharma.'

(35) S'rî Uddhava zei: 'Hoewel de belichaamde aanwezig is temidden van de geaardheden der natuur, hoeft hij nog niet vast te zitten aan wat zich opdringt vanuit het lichaam [het geluk en het leed]. Oftewel, hoe kan het gebeuren dat men als een vrije ziel door de geaardheden gebonden raakt, o Almachtige? (36-37) Waar staat hij, hoe geniet hij, of waaraan kan men hem herkennen? Wat zou hij eten of hoe zou hij zich ontlasten, neerliggen of zitten [vergelijk B.G. 14: 21]? Legt U alstUblieft uit wat ik U vraag, o Onfeilbare, o Beste van Allen die in Staat zijn Vragen te Beantwoorden. Dit tegelijkertijd eeuwig gebonden en eeuwig bevrijd zijn is iets dat me in de war brengt.'

 

Voetnoot:

*: Deze filosofie, weet men, wordt uitgedragen door de volgelingen van Jaimini Kavi die het pravritti mârga pad van de gereguleerde zinsbevrediging uitdragen boven dat van de nivritti-mârga van handelingen in verzaking; iets waartegen de paramparâ die dit boek overdraagt, met dit vers voor ogen, ernstig bezwaar aantekent erop wijzend dat men aldus voor altijd vastzit in, nitya-baddha, gebonden is aan herhaalde geboorte, dood, ziekte etc.

 

 

 

Hoofdstuk 11

Gebondenheid en Bevrijding Verklaard en de Geheiligde Persoon Zijn Toegewijde Dienst

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De verklaring van het als gevolg van Mijn geaardheden gebonden en bevrijd zijn is dat ze in werkelijkheid in het geheel niet van de geaardheden zijn; Mijn begoochelende energie is niet de oorzaak van de gebondenheid of de bevrijding van [het zich verhouden tot] Mij [*]. (2) Weeklagen en illusie, geluk en leed en het aanvaarden van een materieel lichaam onder de invloed van mâyâ zijn niet meer dan indrukken van het intelligente zelf die laten zien hoezeer de wereldse bestaanstoestanden net zo onwerkelijk zijn als wat men ervaart in een droom. (3) Alsjeblieft Uddhava, begrijp dat kennis en onwetendheid twee vormen van Mijn manifestatie zijn die, als de producten van Mijn oorspronkelijk vermogen, leiden tot gebondenheid en bevrijding. (4) Van het levende wezen, dat een deel en een geheel van Mijn Eenheid vormt o grote intelligentie, is sedert mensenheugenis de gebondenheid er als gevolg van de onwetendheid en is er ook het tegendeel van [de bevrijding door] kennis. (5) Laat me nu uitweiden, mijn beste, over de verschillende kenmerken van de tegengestelde aard van het geconditioneerd zijn en het bevrijd zijn, die er aldus is in één vertoning van karakter. (6) De twee vrienden vormen een paar vogels van een gelijke [spirituele] aard die een nest in een boom blijken te hebben. Daarbij eet de ene vogel van de vruchten van de boom terwijl de andere afziet van voedsel, hoewel hij de krachtigste van de twee is [zie ook 6.4: 24]. (7) Hij die niet van de vruchten van de boom eet, kent alwetend zichzelf [Zichzelf] zowel als de andere vogel. Zonder verder na te denken is de etende vogel altijd maar gebonden, terwijl hij die vol van kennis is steeds degene is die bevrijd is [zie ook B.G. 4: 5]. (8) De verlichte persoon beschouwt zichzelf niet als gelijk aan het lichaam dat hij bewoont, zoals een dromer bij het opstaan zijn gedroomde zelf vergeet. Een dwaas echter denkt daar, hoewel hij zich [als de zinsbeheerser] in het lichaam ophoudt, anders over, hij denkt alsof hij droomt [hij heeft zich vereenzelvigd, zie B.G. 16: 18]. (9) Vrij van de smet van het verlangen zal de verlichte persoon zichzelf niet zien als de doener, hij ziet het handelen meer als de werkzaamheid van de door de natuurlijke geaardheden gestuurde zintuigen die reageren op de door de geaardheden voortgebrachte zinsobjecten [zie B.G. 3: 28]. (10) Als gevolg van de handelingen die feitelijk door de geaardheden worden afgeroepen zit de onwetende ziel, die het door het lot beheerste lichaam bewoont, zodoende vast aan [het egoïstische idee van] 'ik ben degene die bezig is' [zie ook B.G. 3: 27]. (11) Een intelligent iemand die niet hecht aan uiterlijkheden is in zijn rusten, zitten, lopen, baden, zien, aanraken, ruiken, eten, luisteren enzovoorts, aldus nimmer gebonden, ongeacht in welke richting hij zich beweegt met zijn zintuiglijkheid. (12-13) Ookal bevindt hij zich in de materiële wereld, hij snijdt, zich afzijdig houdend van de heersende machten, alle twijfels aan stukken met behulp van de meest ervaren, door de onthechting aangescherpte zienswijze. Zoals de ether, de zon en de wind afzijdig zijn heeft hij, als iemand die ontwaakt uit een droom, zich afgekeerd van de veelheid van [of de eenzaamheid met] de dingen. (14) De persoon van wie de functies van de levensadem, de zinnen, de geest en de intelligentie niet gestuurd worden door verlangens, is geheel vrij, ookal bevindt hij zich in het door de zintuigen bepaalde lichaam. (15) Soms wordt het lichaam aangevallen [door vijanden of dieren], soms wordt het aanbeden [door geliefden of toegewijden], een intelligent iemand is daar echter nooit door van zijn stuk [zie B.G. 14: 22-25]. (16) Ontstegen aan het idee van goed en kwaad zal een wijze nimmer zij die zich uitmuntend gedragen en uitdrukken prijzen, noch zal hij degenen die het er slecht van afbrengen in woord en daad kritiseren [zie ook B.G. 5: 18]. (17) Hij die innerlijk tevreden is behoort niet handelend op te treden in, zich uit te laten over of zich te bezinnen op kwesties van goed en kwaad. Een wijze moet zich met die manier van doen door het leven bewegen als was hij een versuft, materialistisch iemand [zie ook 5.9]. (18) Iemand die volledig op de hoogte is van de vedische geschriften maar niet in die mate slim tewerk gaat met het allerhoogste belang [de Heer], zal als de vrucht van zijn inspanningen een resutaat bereiken dat te vergelijken is met dat van iemand die voor een koe zorgt die geen melk meer geeft. (19) O Uddhava, hij die zorgt voor een koe die haar melk gegeven heeft, een onkuise vrouw, een lichaam dat altijd maar afhankelijk is van anderen, kinderen die zich onwaardig gedragen, ontvangers van giften die niet terecht zijn, en zich wil uitlaten zonder kennis van Mij te hebben [zie ook 10.14: 4 en 5.6: 11], heeft de ene ellende na de andere te verduren. (20) Een wijs iemand, Mijn beste, moet zich niet uitlaten in termen van minachting voor Mijn zuiverende activiteiten of gewenste verschijnen in de vorm van de incarnaties van spel en vermaak [de lîlâ-avatâra's] terwille van het handhaven, scheppen en vernietigen van de wereld, o Uddhava. (21) Als men nu dit op een rijtje zet en aldus de waanvoorstelling van een los van de ziel bestaande [**] materiële verscheidenheid opgeeft, behoort men met het fixeren van zijn gezuiverde geest op Mij, de Allesdoordringende [zie ook B.G. 7: 19], een punt te zetten achter zijn materialistische bestaan [B.G. 18: 55]. (22) En als je er dan niet toe in staat bent je geest te bestendigen op het spirituele vlak, draag dan zonder [van de regulerende beginselen] af te wijken al je handelingen aan Mij op terwijl je er niets voor terugverwacht [B.G. 12: 11, 10: 10, 18: 54]. (23-24) Een gelovig persoon die luistert naar de verhalen over Mijn geboorte en handelingen, welke met iemands zuiveren, zingen, voortdurend heugen en ook dramatisch uitbeelden in ieder opzicht de wereld goed doen, zal, als hij onder Mijn bescherming terwille van Mij zijn religiositeit, zijn lusten en zijn geldzaken op orde brengt [de purushârta's], een onversaagde toewijding ontwikkelen voor Mij, de Eeuwige, o Uddhava. (25) Met de toewijding voor Mij zoals men die ontwikkelde in de sat-sanga [de omgang met de toegewijden], wordt men Mijn aanbidder. Zoals men dat kan zien bij Mijn toegewijden bereiken die mensen ongetwijfeld met gemak Mijn verblijf.'

(26-27) S'rî Uddhava zei: 'Wat voor iemand zou naar Jouw mening, o Uttamas'loka, nu de ware toegewijde zijn, en welke vorm van Jou aanbidden kan de goedkeuring wegdragen van Jouw zuivere toegewijden? AlsJeblieft laat Je hierover uit voor mij, Jouw overgegeven toegewijde die van Je houdt als zijn enige toevlucht, o Meester van het Universum, Jij die Waakt over de Wereld, o Gebieder van de Persoon. (28) Jij, de Allerhoogste God en Geest gelijk de ether, de Oorspronkelijke Persoon transcendentaal aan de materiële natuur, bent geïncarneerd zijnde, met het aangenomen hebben van verschillende lichamen, de Opperheer overeenkomstig het verlangen van hen die bij Je horen.'

(29-32) De Allerhoogste Heer zei: 'Als iemand genadig is, geen leed berokkent, tolerant is jegens alle belichaamden, stevig verankerd is in de waarheid en een ziel is die niets te verwijten valt; als iemand gelijkgezind is, altijd te goeder trouw handelt, van een intelligentie is die niet verstoord wordt door materiële verlangens, ingetogen, zachtgeaard, zuiver van hart, niet bezitterig, niet werelds is, weinig eet en vreedzaam is; als iemand stabiel is, Mij als zijn toevlucht heeft, bedachtzaam is, waakzaam, innerlijk bezonken is, zijn respect niet verliest, de shath-guna [de verschillende vormen van materiële ellende], overwonnen heeft, bescheiden is, van eerbetoon is en inspireert; als iemand vriendelijk, medelevend en onderlegd is en aldus bekend is met de kwaliteiten en tekortkomingen zoals het door Mij wordt onderricht, is zo iemand, zelfs als die zijn eigen religieuze voorkeuren opgeeft [zie ook B.G. 18: 66] met het van aanbidding zijn voor alles van Mij, de beste der waarheidlievenden [zie ook 5.18: 12, B.G. 12: 13-20]. (33) Zij die, of ze nu weten of niet wie Ik precies ben of hoe Ik precies tewerk ga, Mij toegewijd zijn zonder zich te laten afleiden door andere zaken, beschouw ik als de de beste toegewijden. (34-41) Mij ziend, Mij aanrakend en Mijn verschijning in deze wereld aanbiddend brengen Mijn toegewijden in hun persoonlijke dienstverlening gebeden die Mij verheerlijken en vereren en zingen ze regelmatig over Mijn kwaliteiten en handelingen. In het luisteren naar de onderwerpen over Mij mediteren ze steeds met geloof op Mij, o Uddhava, en offeren ze als dienaren ter verdediging van de Ziel alles wat ze verwerven. Met het bespreken van Mijn verschijnen en handelen beleven ze het grootste genoegen met muziekinstrumenten, liederen en dansen, met bijeenkomsten naar de orde van de maan [op zondagen of naar de maanfasen] en met feestelijke plechtigheden die ze organiseren in Mijn [gods-]huizen. Met alle vieringen en jaarlijkse feestelijkheden zoals vermeld in de vedische geschriften en hun tantra's brengen ze offers, nemen ze geloften in acht, en zijn ze van initiatie in relatie tot Mij. Met het installeren van Mijn beeltenis trouwhartig gehecht, ondernemen ze in het, voor zichzelf zowel als voor anderen, zich inspannen voor bloementuinen, boomgaarden, recreatiegebieden, steden en tempels. Recht-door-zee als dienaren zijn ze te Mijnentwille ten dienste van het huis [de tempel] bezig met het grondig reinigen en afstoffen, met het met water [en koeienmest, zie ook 10.6: 20*] schoonwassen, met het besprenkelen met reukwater en met het maken van mandala's. Bescheiden zonder trots, zonder te koop te lopen met de toegewijde dienst, en niet voor zichzelf het licht reserverend van de lampen aangeboden aan Mij, behoort iemand Mij datgene te offeren wat hem als persoon het meest lief is of wat dan ook dat begeerlijk is in de materiële wereld. Door dat soort van offeren komt iemand in aanmerking voor onsterfelijkheid.

(42) De zon, het vuur, de brahmanen, de koeien, de Vaishnava's, de ether, de wind, het water, de aarde, de ziel en alle levende wezens, Mijn beste, vormen allen een medium voor Mijn eredienst. (43-45) Via de zon kan men Mij vinden met een keur aan verzen [als de Gâyatrî], met behulp van eerbetoon en met eerbetuigingen [zoals met de Sûrya-namskar]. In het vuur vindt men Mij als men ghee offert. Men kan Mij vinden als de beste onder de geschoolden als men Mij respect betoont door gastvrij voor hen te zijn. Via de koeien, Mijn beste, bereikt men Mij met offergaven van gras en dergelijke zaken. In de Vaishnava vindt men Mij door die te eren met liefdevolle vriendschap. In het hart treft men Mij aan door zich in meditatie te concentreren op de innerlijke natuur. In lucht vindt men Mij door die te beschouwen als het levengevend beginsel [aanwezig als de prâna, door prânâyâma zie B.G. 4: 29]. In water vindt men Mij door te offeren met gebruiksvoorwerpen die water aanwenden [zie B.G. 9: 26]. In de aarde vindt men Mij door eetbare zaden te offeren met het toepassen van mantra's vanuit het hart [zie b.v. Prasâda Sevâya en de Bhoga-ârati]. En binnenin het belichaamde zelf treft men Mij aan als de kenner van het veld [zie Paramâtmâ en B.G. 13: 3] door Mij te aanbidden met een geest in evenwicht [zie niyama]. (46) Aldus devoot geheel in Mij verzonken op al deze manieren mediterend moet men van eerbied getuigen voor Mijn bovenzinnelijke gedaante die is uitgerust met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotusbloem [zie plaatje]. (47) Met de verlangde en goede werken aldus geheel met de aandacht op Mij gevestigd van eerbetoon zijnd, realiseert men dankzij de fijnzinnigheid van de dienstverlening een duurzame vorm van bhakti zodat men Mij in herinnering kan houden [zie ook B.G. 5: 29].

(48) O Uddhava, over het geheel genomen zijn er, zonder de bhakti-yoga gerealisee rd door de omgang met de toegewijden, niet echt methoden te vinden die echt werken, omdat Ik voor hen die van de deugd zijn de ware weg ben [zie ook 4.31: 12]. (49) Om die reden, o kind van de Yadu's, zal Ik tot jou, die er oren naar hebt, spreken over zelfs het hoogst vertrouwelijke opperste geheim [van de intieme omgang met Mij], aangezien je Mijn dienaar bent, Mijn weldoener en vriend [vergelijk B.G. 18: 63 & 68].'

 

 

Voetnoten: *: De paramparâ voegt toe: 'De Allerhoogste Persoonlijkheid van God verschilt niet van Zijn vermogens, niettemin is Hij altijd boven hen verheven als de hoogste beheerser.... Bevrijding houdt in dat het levende wezen zichzelf moet overbrengen in het spirituele vermogen van de Heer, welk kan worden verdeeld in drie categorieën - hlâdinî, het vermogen van de verrukking; sandhinî, het vermogen van het eeuwigdurend bestaan; en samvit, het vermogen der alwetendheid.' Dit is een andere formulering van de goddelijkheid in de termen van sat-cit-ânanda; Krishna als zijnde eeuwigheid, bewustzijn en gelukzaligheid.

**: Citerend uit de Viveka, stelt S'rîla Madhvâcârya dat nânâtva-bhramam, de fout die men maakt met de materiële verscheidenheid, wijst op de volgende illusies: denkend dat het levende wezen het Allerhoogste is; denkend dat alle levende wezens uiteindelijk één wezen zijn zonder een afzonderlijke identiteit; denken dat er vele Goden zijn [onafhankelijk van elkaar, zie 5.18: 12]; denken dat Krishna God niet is [d.w.z. niet zowel persoonlijk als onpersoonlijk het volkomen geheel is, vâsudeva sarvam iti, B.G. 7: 19]; en denken dat het materiële universum [het onpersoonlijke] de uiteindelijke werkelijkheid is [zie ook 1.2: 11]. Al deze illusies worden tezamen bestreden in het twee uur per dag zingen van de Mahâmantra of het zo lang aandacht besteden aan de andere bhajans.

 

 

Hoofdstuk 12

Het Vertrouwelijke Geheim Voorbij Verzaking en Kennis

(1-2) De Allerhoogste Heer zei: 'Mysticisme noch analyse, algemene vroomheid en ook niet de studie van geschriften; boetedoeningen, verzaking, gewenste en vrome werken noch liefdadigheid; het naleven van geloften, plechtigheden, vedische hymnen, pelgrimeren, algemene discipline noch de basisregels omvatten Mij in de mate waarin de sat-sanga [zie 11.11: 25] Mij omvat die alle gehechtheid aan zinsbevrediging wegvaagt. (3-6) Door alleen maar sat-sanga bereikten vele levende wezens zoals de zoons van Diti, de kwaadaardigen, de dieren, de vogels, de zangers en dansers van de hemel, de excellenten en vervolmaakten, de eerbiedwaardigen en de schatbewaarders, de wetenschappers onder de mensen en de handelaren, de arbeiders en de vrouwen, de ongecivilisee rden en zij die van de hartstocht en de traagheid zijn in ieder tijdperk steeds Mijn verblijf. En zo lukte dat ook Vritrâsura, de zoon van Kayâdhû [Prahlâda, zie 6.18: 12-13] en anderen zoals zij, Vrishaparvâ [zie 9.18: 26], Bali, Bâna, Maya als ook Vibhîshana [de broer van Râvana], Sugrîva [de leider van de Vânara's] en Hanumân, Jâmbavân, Gajendra, Jatâyu, Tulâdhâra, Dharma-vyâdha, Kubjâ en de gopî's in Vraja, alsook de vrouwen van de brahmanen [zie 10.23] en anderen. (7) Zij die niet de heilige schrift bestudeerden, noch de grote heiligen aanbaden, bereikten, zonder geloften te hebben afgelegd en zonder boetedoeningen, Mij door Mijn gezelschap. (8-9) Door enkel de liefde inderdaad bereikten de gopî's, de koeien, de onbeweeglijke schepselen, de dieren, de slangen [als Kâliya] en anderen die verbijsterd waren in hun intelligentie, zonder moeite de volmaaktheid door naar Mij te komen, Ik die niet kan worden bereikt met een groots opgezet ondernemen in de yoga, met analyseren, met liefdadigheid, geloften, boetepraktijken, rituele offerplechtigheden, exegese, persoonlijke studie of door zich aan te sluiten bij de wereldverzakende orde. (10) Toen Akrûra Mij en Balarâma naar Mathurâ bracht waren de bewoners steeds zeer gehecht aan Mij met geesten vervuld van de grootste liefde. Met Mij als de enige die ze gelukkig kon maken waren ze er allerellendigst aan toe nadat ze van Mij gescheiden waren [zie 10: 39]. (11) Al de nachten die ze in Vrindâvana met Mij, hun teer beminde Geliefde, hadden doorgebracht o Uddhava, schenen hen slechts een kortstondig moment toe, maar weer verstoken van Mij leken die nachten wel een kalpa te duren. (12) Zij die in hun bewustzijn aan Mij gebonden waren in de intimiteit waren zich niet meer bewust van hun eigen lichamen, net zoals wijzen die volledig verzonken het bewustzijn verliezen van zaken zo nabij als namen en vormen, als ze als rivieren die de oceaan instroomden zich ver verwijderd hebben [in het voorbije, zie B.G. 2: 70]. (13) De vrouwen met Mij, een bekoorlijke minnaar naar hun zin, de geliefde van de vrouw van een andere man, hadden geen idee van de eigenlijke positie van Mij, de Allerhoogste Absolute Waarheid, die ze met honderdduizenden tegelijk bereikten. (14-15) Derhalve o Uddhava, geef de voorschriften, de reglementen ermee en de cultuur der riten terwille van zichzelf op, geef dat op wat je te weten kwam en nog te weten zult komen; ga alleen voor Mij, de eigenlijke beschutting van de ziel binnenin al de belichaamden; met die enkele toewijding moet je bij Mijn genade niets te vrezen hebben van welke zijde ook [vergelijk B.G. 18: 66].'

(16) S'rî Uddhava zei: 'Het horen van Jouw woorden, o meester van alle yogameesters, heeft de twijfel niet weggenomen die zich nestelde in mijn hart en waardoor mijn geest de weg kwijt is.'

(17) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij, het levende wezen Zelve, is vanbinnen aanwezig samen met de prâna, want Hij ging het hart binnen Zijn plaats hebbend in de subtiele geluidsvibratie die de geest in beslag neemt in de grovere vorm van de verschillende intonaties van korte en langere klinkers en medeklinkers. (18) Precies zoals vuur opgesloten in hout, met behulp van lucht, door wrijving ontstoken heel klein wordt geboren en aangroeit met ghee, manifesteer Ik Mij dienovereenkomstig in dit gesproken [vedische] woord. (19) Aldus zijn er als [Mijn] transformaties de spraak, de functie van de handen en de benen, de geslachtsdelen en de anus [de karmendriya's]; de reuk, de smaak, het zien, de tastzin en het horen [de jñânendriya's] en de functies van iemands overtuiging, wijsheid en eigenbelang [of de 'geest, de intelligentie en het valse ego'] zowel als het primaire van de materie [de pradhâna of de draad, zie 11.9: 19] en de rajas, tamas en de sattva [de guna's]. (20) Waarlijk is dit levende wezen dat, één en ongemanifesteerd zijnde begaan is met de drievoudigheid, de bron van de lotus der schepping. Hij, eeuwig als Hij is, verschijnt, in de loop van de tijd Zijn vermogens opdelend, in vele verdelingen, net als zaden dat doen nadat ze vielen in een vruchtbare bodem. (21) Net zoals stof zich uitstrekt langs de schering en de inslag van zijn draden, bevindt het geheel van dit universum, zich lang en breed uitbreidend, zich in Hem [op Zijn draad, zie ook 6.3: 12 en B.G. 7: 7]. Van dit materiële bestaan is er sinds mensenheugenis deze boom [dit organisch lichaam], die van nature met het opbloeiend voortbrengen van vruchten is geneigd tot vruchtdragende arbeid [ofwel karma]. (22-23) Van deze boom die zich uitstrekt in de zon zijn er twee zaden [zonde en deugd], honderden van wortels [de levende wezens], drie stammen beneden [de geaardheden], vijf stammen boven [de elementen], vijf sappen voortgebracht [geluid, vorm, aanraking, smaak en geur], elf vertakkingen [de geest en de tien indriya's]; twee vogels die er hun nest hebben [de jîva en de âtmâ], drie soorten van bast [de lucht, de gal en het slijm] en twee vruchten [het geluk en het ongeluk]. De wellustige levend in een huishouding geniet van één vrucht van de boom, terwijl de zwaangelijke anderen die in het woud leven met de hulp van de aanbiddelijken [de toegewijden, de goeroes] de Ene kennen die bij machte van Zijn mâyâ verschijnt in vele gedaanten. (24) Aldus van een zuivere toegewijde dienst zijnd die zich ontwikkelde door het aanbidden van de goeroe, behoort de nuchtere persoon middels de scherpe bijl van de kennis te kappen met het subtiele lichaam van gehechtheid dat de individuele ziel er op nahoudt zodat hij met de grootste zorg spiritueel levend de Allerhoogste Ziel bereikt. Daarna moet hij afzien van de middelen waarmee hij zijn doel bereikte [zie ook B.G. 15: 3-4].'

 

 

Hoofdstuk 13  

De Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De goedheid, hartstocht en onwetendheid die we kennen van de guna's zijn zaken van de geest en niet van de ziel; middels de goedheid kan men de andere twee tegenspel bieden terwijl de goedheid zelf door karakter en verstandig zijn wordt beheerst [*]. (2) Karakter versterkt de religieuze beginselen die bepalend zijn voor de toegewijde dienst voor Mij. De geaardheid goedheid zal resulteren in [bhâgavata-]dharma als men op een bezonnen wijze de innerlijke kracht cultiveert.. (3) Dharma maakt met het groeien van de goedheid een eind aan de hartstocht en de onwetendheid. De goddeloosheid, hun wortel, is goeddeels snel overwonnen als die twee door de goedheid worden overtroffen. (4) De aangehangen doctrine, zoals men met water omgaat, de mensen waar men mee leeft, iemands leefomgeving en hoe men zich gedraagt met de tijd, de beroepsmatige bezigheid, iemands milieu alsook welke meditaties, mantra's en zuiveringsrituelen men erop nahoudt, zijn de tien factoren die bepalen welke geaardheid overheerst. (5) Dat wat de klassieke wijzen in dezen positief waarderen behoort tot de goedheid, dat wat ze kritiseren behoort tot de onwetendheid en dat waar ze onverschillig over zijn behoort tot de hartstocht. (6) Totdat er de [guna-]ontkennende zelfherinnering is, moet iemand de zaken behorende tot de geaardheid goedheid cultiveren zodat het karakter wordt ontwikkeld waarvan er de religiositeit is die tot geestelijk inzicht leidt. (7) Op dezelfde manier als vuur, dat in een bamboebos werd opgewekt door de wrijving van de staken, bedaart na te hebben gebrand [zie ook 1.10: 2, 3.1: 21] komt ook het vuur van het materiële lichaam tot bedaren dat werd opgewekt door de interactie van de natuurlijke geaardheden.'

(8) S'rî Uddhava zei: 'Stervelingen zijn over het algemeen goed op de hoogte van het feit dat zinsbevrediging een bron van moeilijkheden vormt, o Krishna, maar niettemin gaan ze zich eraan te buiten. Hoe komt het dat men zich willens en wetens gedraagt als honden, ezels en geiten?'

(9-10) De Allerhoogste Heer zei: 'Geobsedeerd door wat het zijne is denkt de dwaze persoon niet aan de gevolgen van zijn genieten en zo werpt in zijn geest zich de o zo verschrikkelijke hartstocht op. De geest die dan grillig in de hartstocht zich van alles inbeeldt met allerlei plannetjes raakt vanwege die begeertigheid geheel bepaald door de geaardheden en wordt zo onverdraaglijk. (11) Met de zinnen niet onder controle gaat men, begoocheld door de kracht der hartstocht en beheerst door verlangens, over tot baatzuchtige handelingen, ook al is men zich heel goed bewust van het resulterende ongeluk. (12) Hoewel de intelligentie van een geschoold iemand versluierd raakt door onwetendheid en hartstocht, ontwikkelt zich bij hem geen gehechtheid omdat hij, met die besmetting duidelijk voor ogen, de geest zorgvuldig weer op het goede spoor zet. (13) Met het beheersen van het proces van het ademen en het onder de knie hebben gekregen van de zithoudingen, behoort men aandachtig, stap voor stap, zonder nalatigheid zijn geest op orde te brengen door op gezette tijden zich op Mij te concentreren [overeenkomstig de posities van de zon en de maan, zie B.G. 7: 8 en 5: 26-28]. (14) Het yogasysteem dat in deze zin wordt onderricht door Mijn leerlingen onder leiding van Sanaka [de Kumâra's] komt erop neer dat de geest zich van alles afkeert en zonder omwegen zich in Mij verdiept zoals het hoort [met mantra's, zie ook 8.3: 22-24].'

(15) S'rî Uddhava zei: 'Wanneer, en in welke gedaante, beste Kes'ava, heb Je Sanaka en de anderen in deze yoga onderricht? Dat wil ik graag weten.'

(16) De Opperheer zei: 'De zoons aangevoerd door Sanaka die hun geboorte namen uit de geest van hem die van het innerlijk goud is [Hiranyagarbha of Brahmâ], deden bij hun vader navraag over het zo hoogst subtiele, allerhoogste doel van de wetenschap der yoga. (17) Sanaka en de anderen zeiden tegen hem: 'De geest is gericht op de zinsobjecten en zodoende nemen de zinsobjecten de geest in beslag. O Meester wat is voor iemand die wenst bevrijd te raken, voor iemand die graag de zinsbevrediging te boven wil komen, de aangewezen methode om zich aan die gebondenheid te ontworstelen [zie ook B.G. 2: 62-63]?'

(18) De Allerhoogste Heer zei: 'De grote uit zichzelf geboren god, de schepper van alle levende wezens, aldus verzocht, overdacht ernstig wat gevraagd was maar slaagde er niet in, met zijn geest die verbijsterd was door de creatieve arbeid, de essentiële waarheid onder woorden te brengen [zie ook 2.6: 34, 2.9: 32-37 en 10: 13]. (19) Met het verlangen het tot een een goed einde te brengen herinnerde hij zich de oorspronkelijke God [waaraan hij was ontsproten, zie 3.8], en op dat moment werd Ik zichtbaar in Mijn Hamsa-gedaante [de Zwaan]. (20) Toen ze naderbij komend Mij zo voor zich zagen brachten ze, met Brahmâ voorop, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen ze: 'Wie bent U?' (21) Aldus werd Ik er door de weetgierige wijzen toe verzocht om de uiteindelijke waarheid uiteen te zetten. Alsjeblieft Uddhava, verneem nu van Mij wat ik hen toen zei. (22)  Als jullie denken dat er met de eenheid van het zelf geen substantieel verschil zou bestaan tussen jullie en Mij, hoe zouden jullie dan een dergelijke vraag kunnen stellen o geleerden, of hoe zou Ik als spreker dan gezag kunnen uitoefenen [of een toevlucht kunnen vormen]? (23)  Julie vraag van 'Wie bent U' zou een loos gebaar van woorden zijn als jullie zouden doelen op de vijf elementen waaruit onze lichamen zijn samengesteld of als jullie zouden doelen op de essentie die we gemeen hebben. (24) Dat wat door de geest, de spraak, het zien alsook door de andere zinnen wordt gehanteerd ben Ik allemaal. Er is werkelijk niets dat buiten Mij bestaat; dat is wat jullie goed moeten begrijpen. (25) De geest gaat uit naar de zinsobjecten en de zinsobjecten nemen bezit van de geest beste mannen, maar voor het levende wezen waarvan Ik de Ziel ben, zijn zowel de geest als de zinsobjecten uiterlijke verschijningsvormen. (26) Met de geest die steeds weer opnieuw teruggrijpt op de zinsobjecten die genoten worden en met de zinsobjecten die [zo] weer het denken stimuleren moet degene die van Mijn bovenzinnelijke [Hamsa-]gedaante is afstand nemen van zowel het denken als het zinsobject [zie ook vritti en neti neti]. (27) Waken, dromen en diepe slaap zijn de functies van de intelligentie die voortvloeien uit de geaardheden der natuur. De individuele ziel staat met kenmerken verschillend van hen bekend als de getuige [zie ook 7.7: 25 en B.G. 7: 5]. (28) De materieel gemotiveerde intelligentie vormt de gebondheid die de ziel bezighoudt met de natuurlijke geaardheden, maar als men zich bevindend in Mij, in de vierde staat van bewustzijn [turîya], erin slaagt ermee te breken komt men op dat moment los van het denken en de zinsobjecten [zie 11.3: 35]. (29) De gebondenheid van de ziel die het gevolg is van het zich identificeren met het lichaam vormt het tegengestelde doel. Hij die onthecht in samsâra er weet van heeft behoort, zich bevindend in de vierde staat, de bezorgdheid [over die egokwesties] te laten varen. (30) Zolang als een persoon zijn aandacht verdeelt over verschillende doeleinden en hij niet zijn rust kan vinden met de daartoe geëigende methoden [zoals vermeld] is hij, ook al is hij wakker, met zijn ogen open aan het dromen en niet bewust aanwezig, net als iemand die in zijn slaap wat ziet [zie ook B.G. 2: 41]. (31) De vormen van bestaan gescheiden de de Opperziel zullen, niet van wezenlijk belang zijnde, vanwege de gescheidenheid die door hen in het leven is geroepen, voor de ziener die vol is van motieven en doelstellingen net zo begoochelend zijn als wat men heeft in een droom. (32) Als hij wakker is geniet hij de kwaliteiten van de uiterlijke wereld op dat moment. In zijn dromen ondergaat hij in de geest met al zijn zinnen dezelfde ervaring. Diep in slaap verliest hij zijn bewustzijn. Maar één in zijn herinnering wordt hij in zijn getuige zijn van het functioneren van de drie opeenvolgende bewustzijnsstaten heer en meester over zijn zinnen [zie ook 4.29: 60-79 en B.G. 15: 7-8]. (33) Als men in Mij verkerend de drie staten van bewustzijn overziet die voortkomen uit de natuurlijke geaardheden van Mijn begoochelend vermogen, wees dan vastbesloten over het doel Mij te aanbidden als aanwezig zijnde in het hart. Snijdt voor dat doel met het zwaard des onderscheids dat werd aangescherpt met de logica en de instructies omtrent het ware, de banden door met de [ahankâra] oorzaak van alle twijfels. (34) Bezie deze bedrieglijke staat van de geest die, met voorstellingen die zich vandaag voordoen en morgen weer verdwenen zijn, zo flakkert als het brandende uiteinde van een bewegende fakkel. Het is de Ene geestelijke ziel die misleidend verschijnt in vele onderverdelingen die zich manifesteren als een illusie van een drievoudig onderscheiden vorm van dromen die in het leven werd geroepen door de geaardheden der natuur [zie ook B.G. 9: 15, 15: 16, linga en siddhânta]. (35) Als men de blik afwendt van die [misleidende materiële] werkelijkheid moet men, stil geworden met het beëindigen van de materiële hunkering, komen tot de realisatie van het eigenlijke geluk. Dat geluk ziet men ontstaan als men vrij van materieel gemotiveerd handelen is. De keren dat men van de aarde is, behoort men, in gedachten houdend dat dat niet van substantieel belang is, vast te houden aan het beëindigen van het aardse om niet te dolen tot het leven ten einde is. (36) Net zoals iemand die verblind door de drank zich niet bewust is van de kleren die hij draagt, slaat hij die van de volmaaktheid is, zie je, er geen acht op of het lichaam nu zit of staat, of hij nu naar Gods wil het leven verlaat of door het lot beschikt [een nieuw lichaam] verwerft, omdat hij zijn oorspronkelijke positie heeft bereikt [zijn svarûpa]. (37) Zolang als het lichaam er door het lot beschikt nog is en er nog karma is, zal het op eigen kracht volhouden met zijn levensadem en zinnen en zijn verscheidenheid aan manifestaties. Hoog geklommen echter in de volledige verzonkenheid van de yoga zal degene die ontwaakt is wat betreft de essentie niet langer dat gedroom cultiveren. (38) O geleerden, nu Ik u deze vertrouwlijke analyse en de yoga, de wetenschap van de bewustzijnsvereniging, heb uitgelegd, begrijp alstublieft dat Ik kwam als Yajña [Vishnu, de Heer van het Offer] om de aandacht te vestigen op de eigenlijke verplichtingen. (39) Beste van de tweemaal geborenen, Ik ben de Hoogste Weg van de yoga, de analyse, de waarheid en de heilige wet alsook de schoonheid, de roem en de zelfbeheersing. (40) Alle kwaliteiten zoals het vrij zijn van de geaardheden en vrij zijn van verwachtingen, de Weldoener zijn, de Meest Geliefde, het Ware Zelf, Hij die Gelijk is, de onthechting enzovoorts, vinden, omdat ze geen affiniteit hebben met de geaardheden, hun toevlucht en dienst in Mij.

(41) Aldus werd er door Mij een einde gemaakt aan de twijfels van al de wijzen die werden aangevoerd door Sanaka en die, volledig van aanbidding in bovenzinnelijke liefdevolle dienst, met prachtige hymnen Mijn heerlijkheden bezongen. (42) Ik volmaakt aanbeden en verheerlijkt door de grootsten onder de wijzen keerde toen, voor het oog van Brahmâ, terug naar Mijn verblijfplaats.'

 

Voetnoten:

* In het Sanskriet is de term sattva, behalve dat dat goedheid, innerlijke kracht, verstandig zijn en ware aard betekent, een ander woord voor karakter. Karakter, zedelijke ruggengraat, wordt ook omschreven als s'ila of svarûpa; 'vorm, vroomheid, moraliteit, gewoonte of gebruik' of 'de eigen vorm, je ware aard' of de constitutionele positie in de omgang met Krishna zoals Svâmî Prabhupâda dat het liefst noemde.

 

 

Hoofdstuk 14  

De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

(1) S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, superieur als je ze combineert of is anders één van hen het belangrijkste? (2) Het werd door Jou duidelijk gemaakt o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder dat men er verlangens bij koestert alleszins het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.'

(3) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die onder de invloed van de tijd verloren ging toen de eindvernietiging plaatsvond werd ten tijde van de schepping door Mij onder woorden gebracht voor Brahmâ. Ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43]. (4) Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu. De zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu namen het op hun beurt aan van Manu [zie 8.1: 5 & 8.1:13 en B.G. 4: 1-3]. (5-7) Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de Kimdeva's], de halfmensen [Kinnara's], de slangentypes [de Nâga's], de wildemannen [de Râkshasa's], en de aapachtigen [Kimpurusha's]. Uit de levende wezens die vanwege hun geneigdheden verdeeld zijn in evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort. (8) Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld. Daarin vormen sommige filosofieën geestelijke erfopvolgingen terwijl andere van een ketterse aard zijn [pâshanda]. (9) De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn begoochelend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat overeenkomstig hun eigen karma en smaak beter zou zijn. (10) Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten terwijl anderen het hebben over roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid. De één staat het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking of consumptie, terwijl andere mensen pleiten voor opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama]. (11) Met een onvermijdelijk begin en einde aan de schamele doelen die men bereikt met zijn karma is er het vooruitzicht van de ellende die daaruit resulteert. Zich bevindend in onwetendheid is men miserabel vol van jammerklachten. (12) Iemand die zijn bewustzijn op Mij gevestigd heeft, o geschoolde, en die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, kent het geluk van Mijn geestelijk lichaam. Hoe kan een dergelijk geluk nu bereikt worden door hen die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]? (13) Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is onder alle omstandigheden en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat. (14) Iemand die zijn bewustzijn op Mij, Mij en niemand anders dan Mij, heeft vastgelegd verlangt niet de positie in te nemen van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch wil hij een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch begeert hij de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of een tweede geboorte [zie e.g. 5.1: 6]. (15) Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de godin van het geluk [S'rî], noch zelfs Mijn eigen Zelf is Mij zo dierbaar als jij dat bent [zie ook B.G 12: 20]. (16) De wijze die vredig is zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig is jegens wie dan ook toe en van een gelijkgezinde blik is, volg Ik altijd op de voet zodat er zuivering is bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17]. (17) Niet uit op zinsbevrediging en van een geest die steeds aan Mij gehecht is ervaren de grote zielen die innerlijk vrede hebben en zich inzetten voor alle individuele zielen wiens bewustzijn niet beheerst wordt door het lustmatige, Mijn geluk dat niet op een andere manier kan worden gekend dan door volledige onthechting. (18) Ook al wordt hij geplaagd door zinnelijke verlangens, dan nog is de toegewijde van Mij die niet zijn zinnen de baas werd - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die soort van invloed [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2: 62-64]. (19) Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, worden op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, in de toewijding de zonden volledig verbrand, o Uddhava. (20) Het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, vrome handelingen noch vedische studie, boete noch verzaking ontwikkelen zo goed een greep op Mij als een sterk ontwikkelde toegewijde dienst. (21) Men verwerft Mijn genade door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde. Met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs zij die honden eten zuiveren van de last van hun geboorte. (22) Zeker is dat noch dharma begaan met waarachtigheid en genade, noch kennis gekoppeld aan verzaking het bewustzijn volledig zuivert als men het moet stellen zonder de toegewijde dienst aan Mij. (23) Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind staan, hoe kan nu zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken en kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken? (24) Door degene wiens spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, door hem van wie er onbeschaamd een luidkeels zingen is en er sprake is van dansen in de verbondenheid van Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook S'rî S'rî S'ikshashthaka en 11.2: 40]. (25) Zoals goud dat gesmolten in het vuur zijn onzuiverheden prijsgeeft en terugkeert naar zijn oorspronkelijke staat wordt van de geestelijke ziel de smet van het karma verdreven als men in Mijn liefdevolle dienst van aanbidding is voor Mij. (26) Zo goed als het gezichtsvermogen zich herstelt als het oog eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel die schoongewassen werd door het luisteren naar en het bezingen van de vrome verhalen over Mij, op precies dezelfde manier weer de Ene Subtiele Essentie. (27) Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2: 62-63]; evenzo raakt de geest systematisch in Mij verzonken als men Mij in gedachten houdt. (28) Daarom zijn de materiële zorgen die men heeft als de drogbeelden die men heeft in een droom; in Mij verzonken geeft men ze op. Als men geheel in Mijn liefde opgaat raakt de geest gezuiverd. (29) Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [seksuele omgang met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en zich met grote zorg te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *]. (30) Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19:17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44,45,48].'

(31) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijn van degene die bevrijd wil raken? Wil Je alsJeblieft uitweiden over de meditatie?'

(32-33) De Allerhoogste Heer zei: 'Rechtop en comfortabel zittend op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren waarop men ademt - het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd - moet men stap voor stap beoefenen terwijl men zijn zinnen in bedwang houdt [zie prânâyâma, en B.G.: 29]. (34) Met behulp van de levensadem [prâna] in de geest het geluid AUM oproepend, moet men dat geluid opwaarts stuwen, als de vezels in een lotusstengel, om het luid te laten vibreren [in de neus] als een bel zodat de geluiden der recitatie weer tot eenheid worden gebracht [anusvâra **]. (35) Het ademen dat aldus is verenigd met de Pranava [zie ook 9.14: 46] moet zorgvuldig tien keer herhaald worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand zijn ademen onder controle heeft [***]. (36-42) Met de ogen half gesloten en rechtop zittend moet men, waakzaam vanbinnen terwille van de hoogste bevrijding, zich concentreren op de lotus in het hart die naar boven is gericht. In de werveling van haar acht kelkbladeren stelt men zich vervolgens de één na de ander zich de zon, de maan en het vuur voor. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorstellen, zo bevorderlijk voor de meditatie, die zachtgeaard en vriendelijk is en is toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk is de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach alsmede de oren met stralende, haaienvormige oorhangers. Men moet mediteren op de goudkleurige kleding, de huid met de kleur van regenwolken, de krul op de borst die de schuilplaats vormt voor de godin, de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, en de pracht van de woudbloemenslinger. Men moet mediteren op alle prachtige en bekoorlijke delen van Mijn lichaam: de voeten met de glanzende belletjes, het rijk gloeiende Kaustubhajuweel, de stralende kroon en de polsbanden, de gordel en de armbanden, op het genadige glimlachen en op de allerfijnst besnaarde oogopslag. Dit moet men doen door de geest terug te trekken van de zinnen. Op deze manier moet men intelligent de wagenmenner [de ziel, de meester der intelligentie], sober en ernstig, [met liefde] leiden in de richting van Mijn volledigheid. (43) Met het terugtrekken van het bewustzijn dat daarmee zich uitbreidde naar alle delen, moet men, zich concentrerend op één plek, en niet op de rest, opnieuw op de prachtige glimlach mediteren in liefde voor het gelaat. (44) Daarin gevestigd zijnd de geest terugtrekkend in de ether, moet men zich op die manier concentrerend ook dat weer opgevend en naar Mij opgestegen, niet aan iets anders denken. (45) Aldus volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel inderdaad Mij binnenin het zelf en al de zelven in Mij, gelijk de zonnestralen die zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9: 29]. (46) Van de yogî die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefend zal in zijn geheel snel de begoochelde staat van de geest van de eigenaar, de kenner en de doener te zijn oplossen [vergelijk: 2.2: 8-14].'

 

 

Voetnoten: * Om dit vers niet verkeerd te interpreteren met het Sanskriet woord sangam dat men de omgang met vrouwen zou moeten schuwen in plaats van het intiem zijn met ze te schuwen, werd door Svâmî Prabhupâda benadrukt, in tegenspraak met de Indiase traditie, dat vrouwen en mannen heel goed in de cultuur van het Krishna-bewustzijn omgang kunnen hebben als ze samenleven in een tempel of in een huishouden. Dit was een van de grote wapenfeiten van hervoming naar aanleiding van een traditionele tempelroutine die negatief was over het samenleven met vrouwen.

** Als men als een cultuur niet bij wijze van een geregelde praktijk van recitatie is met het Sanskriet en men dus geen enkele anusvâra, geen nagalm in de neus heeft ter integratie, luidt het advies voor dit Tijdperk van de Redetwist om de Mahâmantra te beoefenen om de met de moderne tijd ongedurige geest tot vrede te bewegen: hare Krishna, hare Krishna, Krishna Krishna, hare hare; hare Râma, hare Râma, Râma Râma, hare hare en dan AUM te zeggen en de Gâyatrî als men neerzit voor de meditatie. Een praktijk nageleefd door alle geïnitieerde toegewijden.

*** Gezien een sterk variërende daglengte over de gehele wereld is het gebruikelijk dit te doen op de vaste tijden van de regelmatige uren van een [meditatie-]klok bij voorkeur met de zon gelijk gezet op twaalf uur als de zon in het zuiden staat [zie ook cakra].  

 

 

Hoofdstuk 15  

Mystieke Volmaaktheid: de Siddhi's

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De yogî die in Mij zijn bewustzijn vestigend, zich verbonden hebbend, zijn zinnen en ademen heeft overwonnen, nadert tot de mystieke volmaaktheden. 

(2) Uddhava zei: 'AlsJeblieft, Jij Schenker van de Volmaaktheid aan Alle Yogî's, zeg met welk soort van concentreren of op welke manier men mogelijk van mystieke perfectie is en, Acyuta, hoeveel volmaaktheden zijn er? 

(3) De Allerhoogste Heer zei: 'De meesters van de yoga spreken van achttien mystieke volmaaktheden [siddhi's] en meditaties [die tot hen leiden], waarbij acht van hen primair in Mij te vinden zijn en zich er tien [secundaire] manifesteren uit de kwaliteit [der goedheid]. (4-5) Om, naar de vorm, in het kleinste te geraken [animâ], het grootste [mahimâ] of het lichtste [laghimâ in verhouding tot garimâ, het zwaarste], om welk materieel voorwerp dan ook te verwerven [prâpti], het vermogen om zinnelijk wat dan ook dat te zien en te horen is te genieten [prâkâmya], de overhand te hebben met het in gang zetten van de krachten [îs'itâ of îs'itvâ], om ongehinderd door de geaardheden op magische wijze te onderwerpen [vas'itvâ] en om aan ieder verlangen tegemoet te komen dat [Zijn] genade zoekt [kâmâvasâyitâ] zijn de acht mystieke volmaaktheden, o zachtgeaarde, waarvan je moet weten dat ze oorspronkelijk de Mijne zijn. (6-7) Om in dit lichaam niet te worden geplaagd door honger en dorst en dergelijke, om dingen ver weg te zien en te horen, om met de snelheid van de geest zich te verplaatsen, om naar believen iedere willekeurige vorm aan te nemen, om de lichamen van anderen binnen te gaan, te sterven bij wilsbesluit, getuige te zijn van het spel [van de meisjes van de hemel] met de goden, om naar eigen besluit van volmaakt succes te zijn, en om zijn wilsuiting ongehinderd nageleefd te krijgen [zijn de tien secundaire siddhi's]. (8-9) Kennis te hebben van het verleden, het heden en de toekomst, om vrij te zijn van de dualiteiten, weet te hebben van wat anderen denken, om de werking van het vuur, de zon, het water, vergif enzovoorts te stoppen en niet door anderen overweldigd te zijn, zijn de perfecties die men eveneens ziet als zijnde illustratief voor het zich concentreren in de yoga; alsjeblieft verneem nu van Mij met welke meditatiemethoden zich welke volmaaktheden voordoen. 

(10) De aanbidder van Mij, Ik die alle fijnstoffelijke vormen van bestaan bezielt, verkrijgt de animâ-perfectie [om het kleinste binnen te gaan] door de geest te concentreren op die werkelijkheid der elementen. (11) Men verwerft de mahimâ-perfectie [om het grootste binnen te gaan] door de geest te vestigen op het totaal van de materie door Mij tot leven gewekt als ook, afhankelijk van de situatie in kwestie, op ieder van de elementen der materie afzonderlijk [van het grote van de ether te zijn, het vuur, het water, de lucht en de aarde]. (12) De yogî kan laghimâ [lichtheid] verwerven door zijn bewustzijn tot rust te brengen in Mij als zijnde de fijnstoffelijke substantie van de [natuurlijke verdeling van de] tijd voor de materiële elementen die er zijn in de vorm van atomen [zie ook cakra]. (13) Hij die met zijn geest in Mij gevestigd de geest in zijn geheel concentreert binnen het emotionele van het Ik-principe, verkrijgt de siddhi van de prâpti [het mystiek verwerven] in het eigenaarschap van de zinnen van alle levende wezens. (14) Om van Mij, wiens verschijnen zich bevindt voorbij de waarneming, de buitengewoon bijzondere siddhi der prâkâmya te verkrijgen [om van wat dan ook wanneer dan ook te genieten] moet men zijn geestelijke activiteiten vastleggen in Mij als de Superziel die de draad vormt in het grote van de materie [zie ook sûtra]. (15) Als men het bewustzijn in Vishnu vestigt, de Oorspronkelijke Beheerser van de Drie [guna's, zie ook B.G. 7: 13] in de vorm van de Tijd, zal men de siddhi van îs'itvâ [de oppermacht] verwerven om het geconditioneerde lichaam [het veld] en zijn kenner aan te sporen [*]. (16) De yogî die zijn geest plaatst in Mij, Nârâyana als gekenschetst door het woord Fortuinlijk [bhagavat] en bekend staat als het vierde [vlak voorbij de andere drie **], vermag, begiftigd met Mijn natuur, het mystieke vermogen te verwerven van vas'itva [te onderwerpen met magie]. (17) Met de geest zuiver in Mij zich concentrerend in het onpersoonlijke [brahman] vrij van materiële kwaliteiten, verwerft men het opperste geluk waarin het verlangen zijn volledige bevrediging vindt [kâmâvasâyitâ]. 

(18) Het bewustzijn in Mij concentrerend, de Heer van S'vetadvîpa, de personificatie van de goedheid, de optelsom van alle dharma, verkrijgt een persoon de vrijheid van de zes golven [anûrmi-mattvam, zie ook shath-ûrmi]. (19) In Mij, de verpersoonlijking van de ether, zich met zijn geest concentrerend op het bovenzinnelijk geluid in de prâna [zie 11: 14: 35], wordt daar de Zwaan [Heer Hamsa of de heilige persoon 11.13: 19] waargenomen en hoort men de woorden gesproken door alle levende wezens [dûra-s'ravana, zie ook divyam s'rotam]. (20) Met het samenvoegen van zijn ogen met de zon [dat bovenzinnelijk doend en niet fysiek erin starend] ziet men, met zijn geest in meditatie, wat dan ook dat ver weg is [dûra-dars'ana, zie ook 2.1: 30]. (21) Met het volledig verzinken van de geest in Mij zal men met de wind [de adem, de subtiele lucht], die de geest volgt om het lichaam op Mij gericht te hebben, bijgevolg het zelf zien gaan waarheen de geest zich ook begeeft [mano-javah]. (22) Als de geest welke vorm dan ook in zich sluit die men verlangt aan te nemen, kan, met de macht van Mijn Yoga [om welke gedaante dan ook aan te nemen] als toevlucht, die zelfde vorm verschijnen die men in gedachten had [kâmarûpa]. (23) Als men het als een siddha verlangt het lichaam van een ander binnen te gaan moet men, met het loslaten van het eigen lichaam, zich in dat lichaam voorstellen [projecteren], er net als de wind in binnengaand via de vitale adem gelijk een bij die van bloem verwisselt [para-kâya-praves'anam]. (24) Met de hiel de anus blokkerend en de vitale adem van het hart omhoog brengend naar de borst en van de keel naar het hoofd, behoort men, zich bevindend op de top van de schedel [de brahma randhrena], met het opgeven van het materiële lichaam [om te sterven], zichzelf te leiden naar de geestelijke wereld [svacchandu-mrityu, zie ook 2.2: 19-21]. (25) Met het verlangen de plaatsen van de goddelijken te genieten moet men, zich in Mij bevindend, mediteren op de geaardheid goedheid en dan de bij de goedheid bestaande vrouwen van de halfgoden eraan zien komen per vimâna [devânâm saha-krîdânudars'anam]. (26) Als een man volledig in Mij gelooft of van geestelijke overtuiging is in Mij, Ik die er ben om waar te zijn, zal hij op die manier verkrijgen waar hij zich op had vastgelegd [yathâ-sankalpa-samsiddhi]. (27) De persoon die het zo ver bracht van Mijn aard, de Oppermacht en de Heerschappij, is iemand die geen strobreed in de weg kan worden gelegd daar zijn wilsbesluit en gezag zo goed is als het Mijne [âjñâpratihatâ gatih, zie ook B.G. 9.31].

(28) Van een yogî zuiver van karakter, die middels de toewijding tot Mij [anderen] kent door zich te concentreren, is er daar de intelligentie wat betreft de drie fasen van de tijd, met inbegrip van de kennis van [dualiteiten als] geboorte en dood [zie tri-kâlika]. (29) Van een wijze onderlegd in de yoga wiens bewustzijn tot vrede is gebracht kan van Mijn yoga het lichaam geen schade oplopen als gevolg van het vuur en dergelijke, net zoals dat bij waterdieren niet kan die van het water zijn [zie ook 7.5: 33-50]. (30) Hij wordt onoverwinnelijk mediterend op de expansies van Mij, die gesierd zijn met de s'rîvatsa en de wapens, de vlaggen, ceremoniële parasols en verschillende waaiers [zie ook B.G. 11: 32]. 

(31) De man van wijsheid die Mij aldus aanbidt middels het proces van het zich concentreren in de yoga [dhârana] zal de mystieke volmaaktheden bereiken als beschreven, in ieder opzicht [naar de aard van zijn praktijk]. (32) Welke perfectie zou moeilijk te behalen zijn voor een wijze die in Mij uit op meditatie de zaak in z'n greep kreeg met het overwinnen van de zintuigen, zijn ademen en zijn geest? (33) Men zegt dat dezen [de siddhi's] voor hem die zich inperkt in het allerhoogste van de yoga om met Mij volledig te zijn, als belemmeringen, er de oorzaak van zijn dat men zijn tijd verspilt. (34) De vele volmaaktheden die men in deze wereld heeft van geboorte, van kruiden, verzakingen en door mantra's worden allen verkregen door de yoga; met geen enkele ander methode kan men de eigenlijke perfectie van de yoga bereiken [***]. (35) Van alle perfecties ben Ik inderdaad de oorzaak en de beschermer; Ik ben de meester van de yoga [de uiteindelijke eenheid], de analyse, het dharma, en de gemeenschap van vedische leraren. (36) Op dezelfde manier als de materiële elementen inwendig en uitwendig van de levende wezens bestaan besta Ik Zelve, de Ziel, niet overdekt zijnd, binnen en buiten al de belichaamde wezens [zie ook B.G. 2: 29-30].

 

Voetnoten:

 *: Vers 15 heeft betrekking op het realiseren van de spirituele volmaaktheid in het mediteren van het persoonlijke, transcendentale aspect van de tijd van Vishnu als de essentiële samenhangende substantie, als tegengesteld aan het mediteren van de tijd zoals vermeld in vers 12, dat meer betrekking heeft op het onpersoonlijk aspect van de natuurlijke orde met de elementen, van de cakra, welke het wapen van Vishnu is.

**: Behalve de drie guna's in relatie tot Heer Nârâyana, is er ook sprake van de drie vlakken van bestaan van het fysieke grove van het grote van het universum bestaande uit de vijf elementen; het astrale, subtiele, van de tien werkende en waarnemende zintuigen en hun voorwerpen, de geest en de intelligentie, en het causale vlak van het bewustzijn en de kenner; ofwel kort gezegd: de wereld, het zinnelijk lijf en de individuele kenner waarbij er dan de Oorspronkelijke Persoon is van God als de vierde [zie ook B.G. 13: 19].

***: De eigenlijke perfectie van de yoga wordt, indachtig vers 35 erop volgend, Krishna-bewustzijn genoemd door de vaishnava's die het Bhâgavatam in het Westen verdedigen.

 

 

Hoofdstuk 16  

De Volheden van de Heer

(1) S'rî Uddhava zei: 'Jij bent de grootste, het Allerhoogste Zelve, niet beteugeld zonder een begin en een eind; de ware beschermer en de handhaving, vernietiging en schepping van alles wat bestaat. (2) O, Allerhoogste Heer, voor de goddelozen moeilijk te begrijpen als Je bent, aanbidden de brahmanen Jou in Je werkelijkheid van aanwezig zijn in zowel de hogere als in lagere levensvormen van de schepping. (3) AlsJeblieft spreek voor mij over de verscheidenheid en de gedaanten [zie catur vyûha], waarmee de grote wijzen, met toewijding Jou aanbiddend, die volmaaktheid bereiken. (4) O handhaver van Alle Wezens, aan het oog onttrokken ben Je bezig als de Eigenlijke Ziel van de levende wezens die, begoocheld door Jou hen gade slaand, Jou niet zien. (5) En, alsJeblieft, leg me uit o grootste Macht, wat al Je potentieel is door Jou gemanifesteerd in alle richtingen op aarde, in de hemel en in de hel; mijn eerbetuigingen aan Jouw lotusvoeten, die het verblijf vormen van alle heilige plaatsen.'

(6) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze vraag, o beste van hen die van navraag weten te zijn, stelde Arjuna Mij toen hij het verlangde met zijn rivalen de strijd aan te binden ten tijde van de vernietiging [te Kurukshetra, zie B.G. 2: 54, 13: 1-2, 14: 21, 18: 1]. (7) Zich bewust van het feit dat het doden van zijn verwanten een goddeloos, abominabel iets was om te doen met de heerschappij voor ogen, zag hij er van af zeggende met een wereldse geest, 'Dan ben ik degene die afslacht en zijn zij degenen die worden afgeslacht' [B.G.: 1: 37-45, vergelijk 2: 19]. (8) Hij, de tijger onder de mensen, net als jij, voorafgaande aan de veldslag, Mij vragen stellend, werd toen door Mij met logische argumenten voorgelicht inzake de materie.

(9) Ik ben van al deze levensvormen, de Ziel, o Uddhava, hun Begunstiger en Beheerser, Ik ben de handhaving, schepping en vernietiging van al de levende wezens. (10) Ik ben het doel van hen die naar vooruitgang streven, de Tijd van hen die controle uitoefenen, de geaardheden van de natuur ben Ik eveneens, en ook ben Ik het evenwicht en de natuurlijke deugd in de godvruchtigen. (11) Van alles wat van kwaliteit is ben Ik de primaire draad, van alles wat groot is ben Ik de totaliteit, van het subtiele ben Ik de geestelijke ziel voorwaar en van de zaken die moeilijk te overwinnen zijn ben Ik de geest. (12) Ik ben Hiranyagarbha [Brahmâ de oorspronkelijke leraar] van de Veda's, van de mantra's ben Ik de drie-letterige omkâra, van de letters ben Ik de eerste [de 'a'], en van de heilige versvoeten ben Ik de drievoetige [de Gâyatrî-mantra]. (13) Van al de goden ben Ik Indra, onder de Vasu's ben Ik Agni, onder de zoons van Aditi ben Ik Vishnu en onder de Rudra's ben Ik de Rood-Blauwe [S'iva, zie ook 3.12: 7]. (14) Bhrigu ben Ik onder de brahmaanse wijzen, van de brahmaanse koningen ben Ik Manu, van de brahmaanse halfgoden ben Ik Nârada en onder de koeien ben Ik Kâmadhenu [de koe van overvloed]. (15) Van de volmaakten van beheersing ben Ik Kapila, Garuda ben Ik onder de vogels, Daksha onder de stamvaders, en Aryamâ onder de voorvaderen. (16) O Uddhava ken Mij onder de zoons van Diti als Prahlâda, de beheerser der onverlichten, ken Mij als de maan voor de sterren en de kruiden, en als Kuvera, de heer der rijkdom onder de yaksha's en Râkshasa's. (17) Airâvata ben Ik onder de statige olifanten, Varuna, de meester onder de wezens van het water, van de dingen die verhitten en licht geven ben Ik de zon, en onder de menselijke wezens ben Ik de heerser over het rijk. (18) Uccaihs'ravâ ben Ik onder de paarden, het goud onder de metalen, Yamarâja onder de regelaars en ook ben Ik Vâsuki onder de serpenten. (19) Anantadeva ben Ik onder de gekraagde slangen, van alle beesten met tanden en hoorns ben Ik de leeuw, van de geestelijke orden [de statusgroepen, de âs'rama's] ben Ik de vierde [de sannyâsî's] en onder de roepingen [varna's] ben Ik de eerste [de brahmanen] o zondeloze. (20) Onder de heilige plaatsen en dat wat stroomt ben Ik de Ganges, de oceaan ben Ik onder de watervlakten, de boog onder de wapens en de vernietiger van Tripura [S'iva] onder hen die de boog hanteren. (21) Meru ben Ik onder de bergen, onder de onbegaanbare plaatsen ben Ik de Himalaya's, van de bomen de as'vattha, en onder de planten ben Ik de planten die graankorrels hebben [gerst]. (22) Onder de priesters ben Ik Vasishthha, onder hen die zweren bij de Veda ben Ik Brihaspati, Kârttikeya [Skanda] ben Ik onder de legeraanvoerders en onder hen die van geestelijke vooruitgang zijn ben Ik de hoogste heer die ongeboren is [Brahmâ, de Schepper]. (23) Van de offers ben Ik de studie van de Veda, van de geloften ben Ik de gelofte der geweldloosheid, en van alle zuiveraars ben Ik het zuivere vuur, de wind, de zon, het zuivere water en de spraak in eigen persoon. (24) Van het yogaproces ben Ik het eindstadium van de samâdhi, omzichtig advies ben Ik onder hen die de overwinning verlangen, van alle onderscheidingsvermogen ben Ik de metafysische logica [of de spirituele wetenschap van het onderscheiden van geest en stof], en onder de speculatieve filosofen ben Ik de keuze. (25) Onder de dames ben Ik S'atarûpâ [de vrouw van Manu, zie 3.12: 54] en onder de mannen ben Ik Svâyambhuva Manu, de wijze Nârâyana [zie 10.87: 4] ben Ik onder de wijzen als ook Sanat Kumâra onder de celibatairen. (26) Van de religieuze beginselen ben Ik de verzaking, van alle zaken die fundamenteel zijn ben Ik het innerlijk besef, van de geheimen ben Ik de vriendelijkheid en de stilte, en van het sexuele paar ben Ik inderdaad de ongeborene [Brahmâ]. (27) Van wat steeds waakzaam is ben Ik het zonnejaar, van de seizoenen ben Ik het voorjaar, van de maanden ben Ik Mârgas'îrsha [November-December], en van de huizen van de maan [de 27 nakshatra's] ben Ik Abhijit. (28) Van de yuga's ben Ik Satya-yuga, onder de nuchteren ben Ik Devala en Asita, van de bewerkers van de Veda ben Ik Dvaipâyana [Vyâsadeva], en onder de geleerden geschoold in de spiritualiteit ben Ik S'ukrâcârya. (29) Van hen die aanspraak kunnen maken op de naam Bhagavân [de Allerhoogste Heer] ben Ik Vâsudeva, onder Mijn toegewijden ben Ik jou inderdaad [Uddhava], onder de aapachtigen ben Ik Hanumân, en onder de wetenschappers ben Ik Sudars'ana. (30) Van de juwelen ben Ik de robijn, van alles wat mooi is ben Ik de lotuskelk, van alle grassoorten ben Ik het kus'agras en van de rituele uitgietingen ben Ik de ghee van de koe. (31) Van het ondernemen ben Ik het fortuin, van de bedriegers ben Ik het gokken, de vergevingsgezindheid ben Ik onder de toleranten en het karakter ben Ik van hen die van de geaardheid goedheid zijn. (32) De geestelijke en lichamelijke kracht ben Ik van de sterken; alsjeblieft, weet dat Ik onder de toegewijden de verrichte [toegewijde] arbeid ben en dat onder Mijn negen gedaanten [de nava mûrti], waarmee deze sâtvata's Mij aanbidden, Ik de Opperste Oorspronkelijke Gedaante ben [Vâsudeva]. (33) Onder de zangers van de hemel ben Ik Vis'vâvasu, en onder de hemelse dansmeisjes ben Ik Pûrvacitti; Ik ben de onverzettelijkheid van de bergen en het aroma waargenomen van de aarde. (34) Ik ben de fijne smaak van water en onder de zaken het meest schitterend ben Ik de Zon; de straling ben Ik van de maan, de sterren en de zon, en Ik ben de bovenzinnelijke geluidsvibratie in de hemel [zie ook 11.15: 19]. (35) Van hen die van de brahmaanse cultuur zijn ben Ik Bali, van de helden ben Ik Arjuna en inderdaad ben Ik het zich opwerpen, het zich handhaven en het uiteindelijke opgaan van alle levende wezens. (36) Van de sensuele macht der zinnen ben Ik het lopen, de spraak, de uitscheiding, het hanteren en de sexuele vreugde [de karmendriya's]; en de aanraking, het zicht, de tast, het gehoor en de reuk [de jñânendriya's].

(37) Dit alles wat Ik opsomde - de subtiele vorm van de aarde [de reuk], van de lucht [de tast], van de ether [het geluid], van het water [de smaak], van het vuur [het licht]; het geheel van de materie, de zestien elementen [die vijf basiselementen, de indriya's en de geest], de persoon, het ongemanifesteerde en de geaardheden rajas, tamas en sattva - ben Ik, de Allerhoogste, de geestelijke kennis en de vaste overtuiging [ermee]. (38) Ik ben de Opperste Beheerser van het levende wezen, de guna's en de grotere werkelijkheid; Ik, de Ziel van allen, ben waarlijk alles, Hij buiten wie er hoe dan ook niets bestaat. (39) Het natellen van de atomen kan door Mij worden bereikt na de nodige tijd maar dat geldt niet voor volheden van Mij, Ik die de universa schep met miljoenen tegelijk [vergelijk 10.14: 7]. (40) Welke macht, schoonheid, roem, heerschappij [zie siddhi's], bescheidenheid, verzaking, plezier, fortuin, kracht, tolerantie of wijsheid er ook moge zijn, vormt een integraal onderdeel van Mij. (41) Al deze geestelijke volheden die Ik in het kort opsomde voor jou [zie ook B.G. 7, 9 en 10] zijn, met ieder van hen [in expansies van de Heer en] vervat in overeenkomstige termen [in de geschriften, in de leringen], er dienovereenkomstig als transformaties van de geest. (42) Beheers de geest, beheers de spraak, beheers het ademen en de zinnen; beheers jezelf met je ziel zo dat je nimmer weer zult struikelen op het pad van het materieel bestaan. (43) Zeker is iemand die niet volledig met zijn intelligentie de spraak en de geest beheerst, een transcendentalist wiens geloften, boetedoening en liefdadigheid wegsijpelen als water uit een ongebakken pot. (44) Derhalve moet degene die Mij toegewijd is gelijkgericht in Mijn bhakti zijn woorden, levensadem en geest beheersen en aldus, met die intelligentie, aan zijn levensdoel beantwoorden.

 

 

 Hoofdstuk 17  

Het Varnâs'rama Systeem en de Boot van Bhakti: de Studenten en de Huishouders

(1-2) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, voorheen beschreef Je de religieuze beginselen, door de bhakti voorgeleefd, van alle varnâs'rama volgelingen en zelfs de [onwetende] tweebenige schepselen; Je zou me dit proces moeten uitleggen van de mens die zijn beroepsmatige plichten vervult, waarmee er, door Jou geschonken, de liefdevolle toegewijde dienst mag zijn. (3-4) De religieuze beginselen waarmee er het allerhoogste geluk is en waarvan Jij, zoals gezegd [11.13], voorheen, beste Mâdhava, o Machtig Gearmde, in de gedaante van Heer Hamsa tot Brahmâ sprak, zullen vandaag de dag na door Jou te zijn onderwezen en zolang gegolden te hebben, o Onderwerper der Vijanden, niet meer algemeen zijn in de menselijke samenleving [zie ook 5.6: 10 en 11.5: 36 en kali-yuga]. (5-6) Beste Acyuta behalve Jou is er geen andere spreker, schepper en beschermer van het dharma; niet op aarde, noch zelfs in de vergadering van Brahmâ alwaar je aanwezig bent in de gedaante van een deel van Jou [te weten de Veda's, zie ook 10: 87]. Als de aarde door Jouw heerlijkheid is achtergelaten, o Madhûsudana, o Schepper, Beschermer en Spreker, wie, o God, zal dan spreken over wat er verloren is gegaan? (7) Daarom, met Jou nog onder ons, beschrijf me alsJeblieft o Meester, o Kenner van Alle Dharma, de manier waarop en door wie de oorspronkelijke plichten, die het kenmerk van Jouw bhakti dragen, kunnen worden uitgevoerd.'

(8) S'rî S'uka zei: 'Hij, de Allerhoogste Heer Hari, aldus behaagd verzocht door de beste van Zijn toegewijden, sprak toen voor het hoogste welzijn van alle geconditioneerde zielen over de eeuwige plichten van het dharma. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze dharma-vraag van jou vormt voor de normale menselijke wezens de oorzaak van het hoogste welbevinden; alsjeblieft, Uddhava, verneem van Mij over hen [de plichten] zoals ze zijn nageleefd door hen van achting voor het varnâs'rama-systeem. (10) In het begin was er het tijdperk van krita waarin de klasse der menselijke wezens hamsa wordt genoemd; de burgers toen zijn van hun geboorte af aan goed bekend met het uitvoeren van de plichten - om die reden kennen de geschoolden het als krita-yuga, het tijdperk van de plichtsvervulling. (11) Aanvankelijk wordt de Veda inderdaad uitgedrukt met de Pranava , met Mij als de plicht in de gedaante van de stier der religie [zie 1.16: 18 en 1. 17: 24], waarmee zij, die verankerd in de verzaking bevrijd zijn van zonden, Mij, Heer Hamsa, aanbidden. (12) Aan het begin van tretâ-yuga, o hoogst fortuinlijke, verscheen van de prânâ uit Mijn hart de drievoud van het kennen [de drie Veda's] en daaruit verscheen Ik in drie vormen van offeren [vandaar de naam tretâ, zie ritvik]. (13) Voortgekomen uit de Oorspronkelijke Persoonlijkheid werden de geschoolden, de strijders, de kooplieden en de arbeiders [de varna's] geboren en aan de hand van hun persoonlijke activiteiten herkend als [respectievelijk] zijnde van de mond, de armen, de dijen en de benen van de universele gedaante [vergelijk 2.1: 37]. (14) De huishouders bevinden zich in mijn lendenen, de celibataire studenten in Mijn hart, in Mijn borst zijn er degenen die verblijven in het woud en de wereldverzakende orde bevindt zich in Mijn hoofd [zie âs'rama's]. (15) De hogere of lagere naturen van de menselijke wezens van de varna's en âs'rama's wierpen zich op naar gelang de superieure of inferieure positie van geboorte [in Mijn lichaam]. (16) Gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, verzaking, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, oprechtheid, toewijding tot Mij, mededogen en waarachtigheid; dezen dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de brahmanen [vergelijk 7.11: 21 en B.G. 18: 42]. (17) IJver, lichaamskracht, vastberadenheid, heldhaftigheid, tolerantie, vrijgevigheid, ondernemingszin, standvastigheid, bedacht zijn op het brahmaanse en leiderschap; dezen dan zijn de eigenschappen die de kshatriya's van nature hebben [vergelijk 7.11: 22 en B.G. 18: 43]. (18) Geloof in God en de liefdadigheid toegewijd, recht door zee, van liefde voor het brahmaanse en rusteloos aangaande het vergaren van geld; dezen dan zijn de natuurlijke eigenschappen van de vais'ya's [vergelijk 7.11: 23 en B.G. 18: 44]. (19) De brahmanen, de koeien en de godvrezenden van dienst zijn, betrouwbaar van aard zijn in dezen en vrede hebbend met wat werd verworven; dit dan zijn de natuurlijke kwaliteiten van de s'ûdra's [vergelijk 7.11: 24 en B.G. 18: 44]. (20) Onrein, achterbaks, stelend, ongelovig, van zinloos geruzie, wellustig, van woede en ook van smachten; dit vormt de aard van hen die zich in de laagste positie bevinden [de uitgestotenen]. (21) Geweldloos zijn, waarachtig zijn, eerlijk zijn, vrij zijn van lust, woede en begeerte en het welzijn en geluk nastreven van alle levende wezens; dit is de plicht van alle leden van de samenleving.

(22) Zoals het hoort [met samskâra's] een tweede geboorte bereikend met de kwijting [der zonden, traditioneel met initiatie in de Gâyatrî de heilige draad ontvangend], behoort een tweemaal geborene zich ophoudend in de leefgemeenschap van de goeroe, zelfbeheerst, zoals opgedragen, de geschriften te bestuderen [zie ook B.G. 16: 24]. (23) Met een gordel, een hertenvel [of dezer dagen: eenvoudige kleding], een staf [of een ander transportmiddel], gebedskralen, een brahmaanse draad, een waterpot, samengeklit haar [toegewijden zijn opgeschoren dezer dagen], met de tanden goed verzorgd en met kleren aan die het lichaam behoorlijk bedekken [*] is hij [de brahmacârî], kus'a dragend [van de gebedsmat zijnde], niet uit op de hoogste zetel. (24) Het zich baden en het eten, de offerplechtigheden bijwonen, het bidsnoer doen en het zich ontdoen van ontlasting en urine, doet hij in stilte [vaishnava's mompelen met hun japa]; hij behoort niet [in zijn geheel, dezer dagen] zijn nagels of haar te knippen, met inbegrip van het haar onder zijn armen en het schaamhaar [zie ook s'îkhâ]. (25) Hij die van de gelofte van het celibaat is, behoort nooit zijn zaad te verspillen en, als het uit zich zelf wegvloeide, een bad te nemen, zijn adem te beheersen en de Gâyatrî op te zeggen [zie ook ûrdhva-retah]. (26) Gezuiverd met het bewustzijn gefixeerd in respect voor de vuurgod, de zon [zie cakra], de koeien, de geschoolden, de geestelijk leraar, de ouderen en de godvrezenden, behoort hij, stilte in acht nemend, japa te doen op de twee snijvlakken van de tijd ['s ochtens en 's avonds, vergelijk: 11.14: 35]. (27) De leraar van het voorbeeld [de âcârya] moet men als was hij Mij beschouwen; hem moet nooit en te nimmer afgunstig het respect worden misgund met het idee dat hij maar een gewone sterveling zou zijn, daar de goeroe de representant is van al de goden [zie ook de heuristiek en vergelijk b.v. 7.14: 17, 10 81: 39, 10.45: 32 en 11.15: 27]. (28) 's Avonds en 's morgens hem het voedsel brengend dat werd ingezameld, en dat overhandigend tezamen met andere artikelen, behoort men in ingetogenheid er blij mee te zijn te aanvaarden wat [door hem] wordt toegewezen. (29) Altijd druk met het dienen van de âcârya behoort men bescheiden op een niet te grote afstand met gevouwen handen achting te hebben voor zijn pad, zijn rusten, zijn zitten en zijn staan. (30) Aldus bezig moet hij [de upakurvâna brahmacârî], vrij van [ongereguleerde] zinsbevrediging, er ongebroken in de eed [van het celibaat] mee doorgaan te leven in de school van de goeroe totdat de opleiding is voltooid [zie ook Kumâra's]. (31) Als hij [naishthhika, d.w.z. voor het leven] het verlangt op te klimmen naar de wereld der verzen [Maharloka] om bezig te zijn met de Absolute Waarheid moet hij voor het doel van de studie van het ware zelf zijn lichaam ten dienste stellen van de goeroe met achting voor de grote gelofte [zie yama]. (32) Vedisch verlicht en zondenloos moet men Mij in het vuur, in de geestelijk leraar, in zichzelf en in alle levende wezens aanbidden als het Allerhoogste Idee van Enkelvoudigheid [zie ook B.G. 5: 18, siddhânta en advaita]. (33) Met [seksueel ontvankelijke] vrouwen of met sex-beluste levende wezens, blikken uitwisselen, ze aanraken, zich ermee onderhouden en zich vermaken en dergelijke is het eerste waar iemand die er geen huishouding op nahoudt [de sannyâsî, de vânaprashtha en de brahmacârî] van behoort af te zien [zie 11.14: 29 en 6.1: 56-68]. (34-35) Reinheid, de handen wassen, baden, 's morgens en 's avonds van religieus dienstbetoon zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, het bidsnoer doen, het vermijden van dingen die men niet aan moet raken, dingen die niet geschikt zijn voor consumptie en dingen waar men niet over behoort te spreken; dit vormt de vrijwillige boete die met Mij, die bestaat in alle levende wezens, voor het inperken van de geest, de woorden en het lichaam is voorgeschreven voor alle geestelijke afdelingen, o Uddhava. (36) Een brahmaan aldus zich houdend aan de grote gelofte wordt helder als vuur Mijn toegewijde, smetteloos met het karma verbrand door de intensiteit van de boete. (37) Aldus naar behoren de vedische literatuur bestudeerd hebbend, behoort hij [als brahmacârî], zich bekommerend om wat daarop volgt [zie volgende paragraaf], de goeroe schadeloos te stellen, en zichzelf in orde te brengen [en te vertrekken **] met de toestemming van de goeroe.

(38) Hij moet ofwel het gezinsleven oppakken dan wel leven in het woud [een kluizenaar worden] of, als de beste der tweemaal geborenen, een monnik worden; niet aan Mij overgegeven, moet men van de ene geestelijke afdeling tot de andere âs'rama overgaan en het niet anders doen. (39) Een gezinsleven verlangend moet men een onbesproken vrouw trouwen met gelijksoortige kenmerken die jonger is, en met de eerste die van dezelfde roeping is mag er een andere volgen [van een lagere kaste]. (40) Offerplechtigheden, vedische studie en liefdadigheid zijn er voor alle tweemaal geborenen; maar alleen van de brahmaan is er het aanvaarden van liefdadigheid, het onderrichten in de vedische kennis en het voorgaan in offerplechtigheden [vergelijk 7.11: 14]. (41) Als men het aanvaarden van liefdadigheid als nadelig ziet voor de tapas, de geestelijke zeggingskracht en glorie, moet hij leven van de andere twee [van onderricht en offerplechtigheid] of, als hij deze twee in strijd ziet, leven van het vergaren van korenaren achtergelaten in het veld ['van de stenen', leven van de bijstand, zie ook 6.7: 36, 7.15: 30 en B.G. 9: 22]. (42) Voorzeker is het lichaam van een brahmaan bedoeld voor de last van [vrijwillige] boetedoeningen in deze wereld en voor een onbegrensd geluk in het hiernamaals en niet voor de doelloze zinsbevrediging [en de daarbij behorende onvrijwillige vormen van boete van oorlog, ziekte en opsluiting, zie ook 11.6: 9 en B.G. 17: 14-19]. (43) Geheel tevreden met het zich bezig houden met het vergaren van graankorrels en het grootmoedig, zonder hartstocht cultiveren van het dharma, kan, zelfs thuis blijvend, hij die zijn geest op Mij vestigde, niet zo erg gehecht de bevrijding bereiken [vergelijk B.G. 3: 22 en 10.69]. (44) Zij die de geschoolden verheffen en hen die overgegeven aan Mij te lijden hebben [onder armoede en ziekte], zal Ik, als een boot in de oceaan, zeer snel verlossen van alle ellende. (45) Zoals een olifantenstier onbevreesd zichzelf en andere olifanten beschermt, verlost een koning, als een vader, zichzelf door anderen te verlossen [zie ook 4.20: 14]. (46) Aldus geniet de menselijk heerser op die manier met Indra, met een hemels voertuig zo schitterend als de zon, met het op aarde verdrijven van alle zonden. (47) Als een geschoold iemand een schuld heeft moet hij die calamiteit verhelpen door, zich gedragend als een koopman, zaken te gaan doen of, nog steeds getroffen door ongeluk, het zwaard ter hand nemen [de politiek in te gaan]; in geen geval kan hij zich als een hond gaan gedragen [lager gezag gaan volgen]. (48) Een koning mag zichzelf in leven houden door te werk te gaan als een koopman, of noodlijdend dat doen door te jagen of in de gedaante van een man van kennis op te treden; in geen geval kan hij de weg van de hond volgen. (49) Een vais'ya mag de zaken oppakken van een s'ûdra en een s'ûdra mag de methode van een handwerksman volgen, manden en matten vervaardigend om bevrijd te raken uit een penibele situatie, maar met de arbeid verricht moet men een kostwinning beneden zijn stand niet begeren [zie ook 7.11: 17]. (50) Naar gelang zijn welvaart behoort men dagelijks van respect te zijn voor de manifestaties van Mijn vermogen - de goden, de wijzen, de voorvaderen en alle levende wezens - door de vedische kennis te bestuderen en door offergaven van voedsel en dergelijke met [de mantra's] svadhâ ['gezegend zij'] en svâhâ ['alle heil', deze regel is dus van toepassing op normale huishouders, zie ook 11.5: 41]. (51) Niet in verlegenheid met hen die van je afhankelijk zijn, of men nu van geld is verkregen zonder inspanning of van geld verkregen door eerlijk werk te doen, behoort men zo van gepast respect te zijn met vedische rituelen. (52) Aan de familieleden moet men niet gehecht zijn, noch moet men zich gaan opwinden [met de gedachte de baas te zijn]; neen, een wijs mens behoort in te zien dat zelfs dat wat niet geregeld is evenzo tijdelijk is als dat wat is geregeld. (53) Het gezelschap van kinderen, een vrouw, verwanten en vrienden is als het samenzijn met reizigers; als een droom die zich voordoet in de slaap zijn ze allen weer gescheiden met iedere wisseling van lichaam [zie ook 7.2: 21, 9.19: 27-28]. (54) Een bevrijde ziel van die overtuiging, die, zich niet met het lichaam identificerend, onzelfzuchtig thuis leeft als was hij te gast, moet zich niet verstrikken in de huiselijke omstandigheid. (55) Mij aanbiddend met de activiteiten van een gezinsleven mag men, een toegewijde zijnd, aldus thuis blijven of het woud ingaan, ofwel, in geval van verantwoordelijk nageslacht, de wereldverzakende orde oppakken. (56) Echter, hij die gebrand is op vrouwen, wiens bewustzijn wordt verstoord door het verlangen naar een thuis, kinderen en geld, is in gebondenheid onintelligent met een miserabele mentaliteit aan het denken 'Dit is van mij en dat ben ik dan'. (57) 'Och arme, mijn oude vader en moeder, mijn vrouw met een baby in haar armen, mijn kleine onbeschermde kindjes; hoe kunnen zij nu ooit leven, ellendig het zwaar te verduren hebbend zonder mij?' [zie b.v. ook 11.7: 52-57]. (58) Aldus zal, met zijn thuis als zijn vluchtplaats, zo een iemand, met zijn hart overweldigd onvoldaan over hen piekerend, met een verkeerd gezichtspunt verblind in de duisternis belanden als hij sterft.'

 

Voetnoten:

* De term adhauta hier gebruikt betekent, volgens het Monier Williams woordenboek, het negatieve van dhauta, hetgeen wit, gewassen en gezuiverd betekent als ook verwijderd en vernietigd. Met betrekking tot tanden en kleren zou dit zowel niet gepoetste tanden en ongewassen kleren kunnen betekenen als tanden die niet zijn gebroken of verrot en kleren die naar behoren het lichaam bedekken. Aldus hangt het van de context van de andere waarden der verzaking af om uit te maken welke betekenis van toepassing zou zijn. Aangezien adhauta in de eerste zin in tegenspraak zou verkeren met de waarde der reinheid, s'aucam [zie b.v. vers 20 van dit hoofdstuk en 1.17: 24], is er, in tegenstelling tot voorgaande interpretaties gekozen voor de tweede zin van goed onderhouden tanden en kleren die naar behoren het lichaam bedekken, hetgeen meer in overeenstemming is met de normale gang van zaken bij vaishnava toegewijden in aanvaarding van een geestelijik leraar [zie ook pp. 11.17: 23].

** Dit proces van 'in orde brengen' wordt de samâvartana-samskâra genoemd die de voltooiing van de studie markeert en de terugkeer naar huis na met de goeroe te hebben geleefd.

 

 

Hoofdstuk 18  

Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'In het derde deel van het leven het verlangend het woud in te gaan behoort men, door de echtgenote aan de zoons toe te vertrouwen of anders samen met haar in het bos verkerend, aldus te werk te gaan in vrede. (2) Men moet voorzien in het zuivere [*] levensonderhoud met de bloembollen, wortels en vruchten van het woud, daarbij boombast, gras, bladeren of dierenvellen gebruikend als kleding. (3) Met het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar en de nagels het vuil dragend, en de tanden niet reinigend [op andere tijden], behoort men drie maal daags zich in het water te begeven en ['s nachts] op de grond te slapen. (4) Ascetisch de vijf vuren gedurende de zomer, de stortregens tijdens het regenseizoen en de kou in de winter tot aan je nek ondergedompeld in het water verdragend, behoort men aldus bezig voortgang te boeken met de boete [zie ook 4.23: 6]. (5) Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden. (6) In eigen persoon behoort hij, met een praktische zin naar gelang de plaats en de tijd en zijn kracht, dat te verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19]. (7) Een vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van dieren. (8) Als voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de volle maan en houdt hij zich ook aan de voor de wijze door de vedische experts voorgeschreven geloften van de viermaandelijkse offerplechtigheid [van câturmâsya]. (9) Van die praktijk zal de wijze, van de boete zo vermagerd dat men zijn aderen kan zien, van aanbidding zijn voor Mij, het Doel van Alle Boete, Mij bereikend in de wereld der zieners [zie ook maharloka]. (10) Iemand die dan voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke boete is welke de bevrijding schenkt, maar die beoefent uit zijnde op oppervlakkige zinsbevrediging - bestaat er een grotere dwaas dan hij? [zie ook vântâs'î] (11) Als hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12: 23]. (12) Als alles wat is verkregen door het karma, met inbegrip van een hogere leefwereld, niets anders dan de hel is voor hem en zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt het offervuur opgeven en overgaan tot de wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].

(13) Met het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met het plaatsen van het offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*]. (14) Aan de geschoolde die waarachtig sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbij gaand moet de sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6.25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7]. (15) Als de wijze dan enige kleding zou dragen, zou hij zijn lendendoek [of kaupîna] ermee bedekken; met eigenlijk niets meer nodig hebbend behalve zijn staf en zijn waterpot, moet al het overige worden opgegeven. (16) Hij behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen zeggen dat het zuiver is [te weten, de afwezigheid van levende wezens], hij behoort water te drinken gefiltreerd door zijn kleed, hij behoort woorden te bezigen waarachtig naar zuiverheid; hij moet doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde zuiver. (17) Zwijgzaamheid, terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling zijn de strikte disciplines van de stem, van het lichaam en van de geest; hij inderdaad bij wie er geen sprake is van dezen, mijn beste, is met zijn bamboestokken nimmer een echte sannyâsî [zie ook tridanda]. (18) Uit bedelen bij de vier varna's moet men de onzuiveren [de zondige huishoudens] afwijzen terwijl men willekeurig zeven verschillende huizen benadert en tevreden is met de verworven hoeveelheid [zie ook cakra, vergelijk 1.4: 8]. (19) Ergens buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, er schoon van, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld en vervolgens wat er van over is schoongemaakt in zijn geheel verorberen. (20) Zich alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met de zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in de realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18, zie bhajan]. (21) Zich ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze in zijn bewustzijn zich te concentreren op de ziel alleen als zijnde niet-verschillend van Mij. (22) Mediterend op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie 11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen afgeleid door de zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige controle over hen en de bevrijding. (23) Daarom moet de wijze, met de zes afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder controle, onthecht van de zinledige zaken van de lust, met het ervaren hebben van het grote geluk in de ziel leven bij het bewustzijn van Mij. (24) Hij behoort te reizen naar de toevluchtsoorden die de aarde kent en die zuiver zijn met rivieren, bergen en wouden en [enkel] de steden, dorpen en weidegronden te betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven voor het lichaam. (25) De levensorde verblijvend in het woud moet altijd de positie innemen van het bedelen, daar door voedsel verkregen met het bijeen garen [of van de bijstand leven] men snel de bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal vinden. (26) Nimmer moet men het vergankelijke dat men ziet in de directe ervaring houden voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van activiteiten om er materieel op vooruit te gaan in deze wereld en in de volgende. (27) Geconcentreerd in zichzelf bij machte van de rede het opgevend met dit universum, welk in het Zelf verknoopt is met de geest, de spraak en de levensadem [zie ahankâra], moet men die begoochelende materiële energie niet in gedachten houden. (28) Ofwel als iemand levend voor de geestelijke kennis onthecht zijnde van uiterlijke verschijningsvormen, ofwel als Mijn toegewijde zelfs niet verlangend naar de bevrijding, behoort men [als een paramahamsa], het opgevend met de specifieke uiterlijke routines met betrekking tot de levensfase, te leven voorbij het bereik van de regels en regelingen [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5.1*]. (29) Hoewel intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder enige belemmering ['ronddolen als een koe']. (30) Hij moet nimmer strikt van aandacht zijn voor dat waar de Veda's over spreken [te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig zijn enkel pratend terwille van het argument. (31) De geheiligde persoon moet zich nooit storen aan andere mensen, noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook een negatieve sfeer creëren naar het belang van het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren [zie ook B.G. 12: 15]. (32) De Allerhoogste is voorzeker de Ziel die zich bevindt in alle levende wezens en ook in het eigen lichaam; precies zoals de maan is in verschillende waterbekkens zijn ook de materiële lichamen individuele vonken van de Ene [zie ook B.G. 6.29 & 13: 34]. (33) Verankerd in de eigen overtuiging behoort men, bij tijden geen voedsel verkrijgend, niet neerslachtig te zijn noch met wat men dan ook verwerft zich te verheugen; beiden staan onder controle van God. (34) Men moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden, daar men zich met die kracht bezint op de spirituele waarheid welke, eenmaal begrepen, bevrijding schenkt [zie B.G. 6: 16]. (35) Welk eerste klas voedsel of voedsel van een mindere kwaliteit de wijze ook verwerft moet hij eten, en evenzo moet hij ook de kleding en het beddengoed aanvaarden dat hij zonder enige inspanning verwerft [zie ook 7.13]. (36) Algemene reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en andere reguliere plichten moet hij die spiritueel tot inzicht is gekomen zonder dwangmatigheid naleven, net zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit. (37) Voorzeker is voor hem de waarneming van gescheidenheid dat wat wordt vernietigd door het zich realiseren van Mij; somtijds houdt zo'n idee aan totdat het lichaam sterft, maar dan zal alles zich met Mij ten goede keren. (38) Ongelukkig over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die nog niet serieus Mij in overweging heeft genomen, met de gerezen weerzin de spirituele volmaaktheid verlangend, het als zijn plicht zien een wijze [bona-fide] persoon [van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie ook B.G. 16: 23-24, 4.34 & 17: 14]. (39) De toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang de geestelijk leraar, die inderdaad Mij is, dienen, totdat hij duidelijk inzicht heeft in het spirituele [zie ook 11. 17: 27]. (40-41) Hij dan die niet de groep van zes beheerste [ook wel: de anartha's], hij die als de wagenmenner impulsief is met de zinnen, hij die verstoken is van de kennis en de onthechting, hij die de staf met de drie stokken aanwendt voor het verwerven van een inkomen en die Mij ontkent, zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf, is, met het niet hebben afgerekend met de besmetting en aldus het dharma bedervend, ongeschikt voor deze wereld zowel als voor de volgende.

(42) Het is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn; boete en onderscheidingsvermogen horen bij hem die in het woud leeft; de huishouder biedt onderdak en houdt offerplechtigheden en een celibataire novice dient de âcârya. (43) Het celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk zijn voor alle levende wezens van al degenen die Mij aanbidden, is [de plicht] van zelfs de huishouder die op de juiste tijd [zoals verwacht wordt van hem] zijn vrouw benadert [voor de voortplanting, zie ook voorgaand hoofdstuk en B.G. 7: 11]. (44) Degene die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt met geen ander voorwerp van toewijding, zal zich Mij realiseren in alle levende wezens en bereikt een onversaagde toegewijde dienst tot Mij. (45) Middels een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan alles een einde maakt. (46) Aldus naar zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd hebbend, volledig van begrip voor Mijn verheven positie en begiftigd met kennis en wijsheid, zal hij zeer spoedig samen zijn met Mij. (47) Gekenmerkt door een gevestigde gedragscode vergunt dit religieuze beginsel van de volgelingen van het varnâs'rama-systeem, die aldus verenigd zijn met deze toewijding tot Mij, de hoogste volmaaktheid des levens. (48) O vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven waarmee men als toegewijde zich volmaakt in kan zetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste kan komen.

 

Voetnoot:

* S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkur citerend uit de Manu-samhitâ wijst erop dat het woord medhyaih ofwel 'zuiver' in deze context betekent dat terwijl hij verblijft in het woud een wijze niet dranken gebasee rd op honing moet aanvaarden, noch het vlees van dieren, schimmels, paddestoelen, mierikswortel of welke hallucinogene of bedwelmende kruiden dan ook, zelfs die ingenomen als een zogenaamd medicijn.

** Shastri C.L. Goswami geeft hier als commentaar bij zijn vertaling van het boek: 'De s'ruti stelt vast dat een brâhmana een kluizenaar kan blijken te zijn wanneer ook maar vairâgya zich in hem voordoet, ongeacht het levensstadium waarin hij zich bevindt'.  

 

 

Hoofdstuk 19

De Volmaaktheid van de Spirituele Kennis

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Iemand die, toegerust met de kennis naar de orale traditie, zelfgerealisee rd niet aan het speculeren is moet, dit universum - zowel als de kennis erover - kennende als in hoge mate illusoir, zijn schreden naar Mij richten. (2) Voor de spiritueel filosoof ben Ik alleen waarlijk de geliefde, het eigenbelang, het motief en de overeenkomst als ook de verheffing en de weg naar de hemel; voorwaar buiten Mij als favoriet kent hij geen ander doel. (3) Zij die alleszins volkomen zijn in de kennis en de wijsheid, kennen Mijn lotusvoeten als het allerhoogste voorwerp en aldus is de geschoolde transcendentalist die middels de spirituele kennis vast houdt aan Mij, Mij het meest dierbaar [zie ook B.G. 7: 17-18]. (4) Dat wat het loon is van verzakingen, het bezoeken van heilige oorden, het doen van japa, het beoefenen van liefdadigheid en het doen van andere vrome daden kan zich niet meten met de volmaaktheid die het loon is van een fractie van deze spirituele kennis [vergelijk 10.46: 32-33]. (5) Aanbid daarom met de spirituele kennis je eigen ziel kennend, beste Uddhava, van succes met de kennis en de wijsheid, Mij [delend] in de stemming der toegewijde dienst. (6) Met het offer van de vedische kennis en wijsheid Mij aanbeden hebbend, de Opperziel in henzelve - Mij, de Heer van Alle Offers, waren de wijzen er zeker van de hoogste volmaaktheid te verwerven. (7) O Uddhava, dat wat zich heeft gevestigd, is verdeeld in drie afdelingen en zich voortdurend omvormt, is de begoochelende energie die zich doet gelden in het heden, maar aangezien die niet aanwezig is in den beginne noch aan het eind, in welke relatie zouden dan, als ze [deze drie, zie tri-kâlika en guna] slechts betrekking hebben op de geboorte en dat alles van je materiële lichaam, dezen dan staan tot [het ware van] jou? Dat wat er eerst niet was en er op het einde ook niet is, is er enkel maar tussentijds.'

(8) S'rî Uddhava zei: 'AlsJeblieft o Beheerser van het Universum, o Jij in de Gedaante van het Universum, verklaar Mij de bhakti-yoga voor Jou waar ook de groten op uit zijn, met inbegrip van deze uitgebreide, ter dege gevestigde kennis die zo traditioneel is als de [oorspronkelijke] onthechting en wijsheid [van Brahmâ]. (9) O Heer, voor degene die, gekweld op de gewelddadige materiële weg, is overweldigd door de drievoudige misère [zie 1.17: 19], zie ik geen andere beschutting dan het bladerdak van Jouw twee lotusvoeten die de nectar doen regenen. (10) AlsJeblieft beur deze persoon op die, gebeten door de slang van de tijd, hopeloos neerviel in dit donkere gat, beur deze persoon op die zo geweldig smacht naar wat onbeduidend geluk; o Macht van het Verstaan, stort uit Je woorden van genade die iemand tot de bevrijding wekken!'

(11) De Allerhoogste Heer zei: 'Dit wat je vraagt werd in het verleden door de koning die niemand als zijn vijand beschouwt [Yudhishthhira] gevraagd aan Bhîshma, de beste van de verdedigers van het dharma, in het bijzijn van ons allen die nauwgelet luisterden [zie 1.9: 25-42]. (12) Toen de oorlog tussen de nazaten van Bharata voorbij was, vroeg hij, overmand door de vernietiging van zijn geliefde weldoeners, met het vernomen hebben over de vele religieuze beginselen op het laatst naar de aard van de bevrijding. (13) Ik zal je de vedische kennis beschrijven bestaande uit onthechting, zelfverwerkelijking, geloof en toegewijde dienst, zoals die vernomen werd uit de mond van degene die voor God een eed had afgelegd [te weten Bhîshma]. (14) Met de negen, elf, vijf en drie elementen in alle levende wezens naar waarheid het ene element [van de Tijd, de Superziel, de Heer, zie 1.2: 11] in hen zien, is de spirituele kennis die Mijn goedkeuring wegdraagt. (15) Niet van al de elementen onderhevig aan de drie geaardheden zijnd moet men het bezien met de Ene die dit universum handhaaft, schept en vernietigt; het zo ziend is voorzeker de kennis der verwerkelijking [vijñâna]. (16) Dat [of Hij] wat van de ene productie naar de andere van begeleiding is in de aanvang, op het eind en in de tussentijd en zich handhaaft met de vernietiging wederom van dat alles, is voorwaar de Ware Doener. (17) Met de vier soorten van bewijs - de vedische waarheid [s'ruti], de waarheid van de directe ervaring [pratyaksha], de waarheid per traditie [aitihya of smriti], en de waarheid van het logisch doorredeneren [anumâna] - raakt men onthecht van de wisselvallige aard van de werkelijkheid der tegenstellingen [zie pramâna]. (18) Omdat alle materiële activiteiten van voorbijgaande aard zijn is er tot aan de wereld van Viriñca [brahmaloka] het ongeluk te vinden; een intelligente persoon behoort dat wat werd ervaren als ook dat wat niet werd ervaren als tijdelijk te zien [zie tevens shath-ûrmi, 11.3; 20 en B.G. 8: 16]. (19) Ik had het voorheen met jou, die de liefde heeft ontwikkeld, over bhakti-yoga, o zondeloze, laat Me ook uitweiden over de eigenlijke methoden van verheffing van de toegewijde dienst voor Mij. (20-24) Geloof in de nectar van de vertellingen over Mij, steeds Mijn heerlijkheden bezingend, verankerd zijn in de gehechtheid van de ceremoniële aanbidding, zich met lofzangen en gebed tot Mij verhouden; van een hoge achting zijn voor Mijn toegewijde dienst, met het hele lichaam zijn eerbetuigingen brengen, van de eersteklas aanbidding van Mijn toegewijden zijn, zich bewust zijn van Mij aanwezig in alle levende wezens, al zijn normale handelingen aan Mij opdragen als ook met woorden Mijn kwaliteiten hooghouden, de geest in Mij te plaatsen en alle materiële begeerten af te wijzen; te Mijnent wille het met het geld op te geven als ook met het zinnelijk genot, het materieel geluk en de hartstochten, aan liefdadigheid doen en offers brengen in eerbetoon, de namen te herhalen om Mij te bereiken en zich aan geloften en verzakingen te houden; aldus, Uddhava, doet zich bij die menselijke wezens die zich middels dergelijke dharmische handelingen ingezet hebben, de liefdevolle dienst jegens Mij voor - welk ander doel blijft er dan nog over voor Mijn toegewijde? (25) Als in vrede verkerend het bewustzijn is verzonken in de ziel, bereikt hij, met de kracht van de geaardheid goedheid, religiositeit, spirituele kennis, onthechting en volheid. (26) Als men daartoe, gefixeerd op de materiële verscheidenheid, met zijn zinnen jaagt in alle richtingen en men in de hartstocht wordt bekrachtigd, moet je weten dat dat [materialistische] bewustzijn gewijd aan het voorbijgaande van het tegenovergestelde is. (27) Van het dharma zegt men dat die leidt tot Mijn toegewijde dienst en de spirituele kennis acht men als de visie van de aanwezigheid van de Superziel; onthechting noemt men het verlies van de belangstelling voor zinsobjecten en de volheid herkent men in de animâ en dergelijke [perfecties en vermogens zie 11.15 & 11.16 en bhaga].'

(28-32) S'rî Uddhava zei: 'Van hoeveel soorten van onthoudingen [yama] en inachtnemingen [niyama] is er sprake, o Onderwerper van de Vijand, wat is evenwicht, wat is zelfbeheersing, beste Krishna, wat is tolerantie en wat heet stabiliteit, mijn Heer? Wat is liefdadigheid, wat is boete, heldhaftigheid, wat zegt men over waarheid en werkelijkheid, wat is verzaking en weelde, wat is wenselijk, wat een offer en wat is een religieuze vergoeding? Wat denk Je dat de kracht van een persoon is, o Fortuinlijke, de volheid en de winst, o Kes'ava, wat heet scholing, bescheidenheid, wat is superieur, wat is schoonheid en wat is geluk en ook het ongeluk? Wie heet geschoold, wie is een dwaas, wat is de ware weg en wat de dwaalweg, wat is de hemel en wat is de hel en wie zeg Je dat een vriend is en wat heet een thuis? Wie is welvarend, wie is arm, wie is een ellendeling en wie een beheerser; alsJeblieft spreek tot me over al deze zaken als ook over de tegengestelde kwaliteiten, o Heer der Waarachtigen.

(33-35) De Allerhoogste Heer zei: 'Geweldloosheid, waarheidsliefde, het niet begeren of toeëigenen van het bezit van anderen, onthechting, bescheidenheid, zonder bezitsdrang zijn, geloven in God, celibaat als ook van de stilte zijn, standvastigheid, vergevingsgezindheid en onbevreesdheid enerzijds, en reinheid [intern en extern], het bidsnoer doen, boete doen, opofferen, vertrouwen koesteren, gastvrij zijn, Mij aanbidden, heilige plaatsen bezoeken, optreden en verlangen ter wille van het Allerhoogste, tevreden zijn en het dienen van de geestelijk leraar anderzijds zijn de twaalf die men van yama in gedachten houdt en die samen met die van de niyama door menselijke wezens met toewijding worden gecultiveerd, mijn beste, en overeenkomstig iemands verlangen resultaat opleveren [van zaligheid of voorspoed]. (36-39) Evenwichtigheid houdt de gedurige verzonkenheid van de intelligentie in Mij in [zie ook 11.16: 10] en zelfbeheersing is de volmaakte discipline van de zintuigen; tolerantie betekent dat men het ongeluk moet verdragen en stabiliteit is het overwinnen van de tong en de geslachtsdelen. De hoogste liefdadigheid is het opgeven van de roede [anderen te bestraffen], boete herinnert men zich als het opgeven van de lust, heldhaftigheid bestaat eruit je eigenliefde te overwinnen en waarheid impliceert de Heer overal te zien. Het andere [d.w.z. de werkelijkheid] houdt in dat men van aangename bewoordingen is die door de wijzen worden goedgekeurd [*], reinheid betekent dat men onthecht is in vruchtdragende activiteiten [zie ook b.v. 1.1: 2 en B.G. 18: 6] en van de verzaking zegt men dat die van sannyâsa, de wereldverzakende orde is. Voor menselijke wezens is religiositeit de wenselijke weelde, ben Ik de Meest Fortuinlijke, is religieuze vergoeding de gift [ter compensatie] van de spirituele kennis en vormt de adembeheersing de grootste kracht. (40-45) De volheid is Mijn goddelijke aard [zie 11.16 en bhaga], de winst is Mijn bhakti, scholing houdt het teniet doen van de verdeeldheid van het zelf in [zie siddhânta en advaita] en bescheidenheid is de weerzin tegen het falen in voorgeschreven plichten [tegen zonde dus]; schoonheid is het hebben van goede eigenschappen als onthecht zijn van materiële hoop en dergelijke, geluk betekent dat men boven voor- en tegenspoed staat, ongeluk bestaat uit het mediteren op het geluk van de lust, en een wijs iemand is iemand die weet heeft van de bevrijding uit de gebondenheid. Een dwaas is degene die zich identificeert met zijn lichaam en zo meer [het denken etc.], de juiste weg is de weg die tot Mij leidt, de dwaalweg moet worden begrepen als de weg die leidt tot de verbijstering van het verstand, en de hemel als het overwegen van de geaardheid goedheid. De hel is het domineren van de geaardheid der duisternis, de ware vriend is de geestelijk leraar die Ik ben, mijn beste vriend, je thuis is het menselijk lichaam, voorzeker wordt iemand rijk genoemd die rijk is aan goede kwaliteiten terwijl een armoedzaaier iemand is die ontevreden is. De ellendeling is degene die zijn zintuigen niet de baas is, een beheerser is iemand wiens verstand niet gehecht is aan de materiële aangelegenheid en van het tegengestelde [in kwaliteiten] is degene die gehecht is aan zijn zinsbevrediging; dezen, Uddhava, zijn de onderwerpen waarnaar je vroeg die Ik allen netjes heb toegelicht. Maar wat heb je aan de uitvoerige beschrijving van de kenmerken van goede en kwade eigenschappen als het zien van goed en kwaad nog steeds een fout is in verhouding tot het ware goede dat zogezegd los staat van die twee [vergelijk met 3.10: 28-29, 6.16: 10-11, 11.7: 8, 11.11.16 en B.G. 7: 5].

 

Voetnoot:

*: Waarheid is hier het zien van de Heer overal en werkelijkheid is het spreken in gunstige termen. Hier is letterlijk weergegeven wat de tekst suggereert, terwijl het logischer lijkt om de werkelijkheid het zien van de Heer overal te noemen en de zin voor de waarheid het gebruik van de juiste termen. Niettemin kan men het ook zo heel goed zien als men niet liegt dat alles een deel van Hem is en alles dus die achting verdient en de liefde voor die waarheid dan inhoudt dat men zich niet onaangenaam uitdrukt, maar steeds achting heeft voor de woorden van de wijzen. In feite zijn beide vertalingen even waarachtig in verhouding tot deze dubbelzinnigheid van de tekst.

 

 

Hoofdstuk 20

Trikânda Yoga: Bhakti Overtreft Kennis en Onthechting

(1) S'rî Uddhava zei: 'Van Jou de Beheerser, o Lotusogige, concentreren de heilige geschriften van positieve en negatieve voorschriften zich op de deugd en de ondeugd van het karma [akarma en vikarma]. (2) De verscheidenheid van het varnâs'rama-systeem waarin de vader van een hogere [anuloma] dan wel een lagere klasse [pratiloma] kan zijn dan de moeder, geeft blijk van hemel en hel met de bezittingen, de leeftijd, de plaats en de tijd [zie ook 4.8: 54 en *]. (3) Hoe zijn voor menselijke wezens eigenlijk Jouw woorden, die van een verbiedende en regulerende aard zijn, en de volmaaktheid van het leven nu mogelijk, als ze niet het verschil zien tussen de deugd en de ondeugd [vergelijk 11.19: 40-45]? (4) Is het niet zo, o Heer, dat voor de voorvaderen, de goden en de menselijke wezens de vedische kennis die uit Jou voortkomt het middel en het doel vormt voor de levensbestemmingen en het superieure oog is voor dat wat niet rechtstreeks kan worden waargenomen? (5) Van de vedische teksten het verschil ziend tussen vroomheid en zonde is iets dat zich niet uit zichzelf voordoet; Jouw ontkenning van een dergelijk onderscheid sticht dus duidelijk verwarring!'

(6) De Allerhoogste Heer zei: 'De drie wegen van de yoga die Ik, met het verlangen de volmaaktheid van het menselijk wezen te vergunnen, heb beschreven zijn het pad van de filosofie [jñâna], het pad van de arbeid [karma] en het pad van de devotie [bhakti]; er bestaan hoe dan ook geen wegen buiten hen [zie ook B.G. inhoud en tri-kânda]. (7) Voor hen die weerzin voelen in de verzaking van het werken voor het resultaat is er de yoga van de spirituele kennis in dezen en voor hen die met een bewustzijn zonder weerzin daarin wèl voelen voor materieel geluk is er het pad van de karma-yoga. (8) Als het zo voorviel dat er zich geloof in mijn vertellingen en dat alles ontwikkelde, zal voor een dergelijke persoon - niet afkerig, noch al te gehecht - dan het pad van de bhakti-yoga belonen met de volmaaktheid. (9) Zolang als men niet genoeg heeft van het doen van baatzuchtige arbeid en niet het geloof in mijn verhandelingen of luisteren etc. [7.5: 23-24] is ontwaakt, moet men zo verder gaan [zie ook 1.2: 7, 11.5: 41]. (10) Als men vanuit zijn voorgeschreven plichten van aanbidding is met offerplechtigheden en niet de vruchten begeert, Uddhava, gaat zo een persoon, als hij er geen andere praktijk op na houdt, niet naar de hemel, noch naar de hel [zie ook B.G. 8: 16]. (11) Bestaand in deze wereld zich vrij van zonden en zuiver [van motief] vastklampend aan zijn plichten, reikt men tot de transcendentale kennis of, indien gelukkig, tot Mijn bhakti [vergelijk 1.5: 23-31]. (12) Net als de bewoners van de hel, verlangen zelfs de bewoners van de hemel naar deze planeet aarde die zo bevorderlijk is voor de spirituele kennis en de toegewijde dienst die in geen van beide posities van nut lijken. (13) Een menselijk wezen zou nimmer naar de hemel moeten streven of in de hel moeten willen belanden; noch zou een wijs iemand naar deze planeet aarde moeten verlangen, daar vol van het lichaam zijnd men een dwaas wordt. (14) Men zou moeten weten dat, ookal is men sterfelijk, dit [materiële bestaan] voor de dood, als men niet een dwaas zijnd de verantwoordelijkheid inziet het allemaal te overstijgen, de volmaaktheid van de levensbestemming kan geven. (15) Een vogel die zijn thuis opgeeft dat hij bouwde in een boom omgezaagd door een paar boodschappers van de dood, bereikt het geluk bij de genade van het niet gehecht zijn. (16) Wetend dat de levensduur wordt bekort door de dagen en de nachten bereikt men trillend van de angst en vrij van begeerte de Heer verstaand, de volmaakte vrede. (17) Met het menselijke en allerbelangrijkste lichaam, dat zonder moeite wordt verworven maar met inspanning moeilijk te verwerven is, als een boot die hoogst geschikt de geestelijk leraar als zijn kapitein kent en Mijn gunstige winden als de stuwende kracht heeft, is de persoon die niet de oceaan van het materiële bestaan oversteekt de moordenaar van zijn eigen ziel. (18) Als de yogî wanhopig in materiële aangelegenheden in de volle beheersing van zijn zinnen onthecht is, moet hij zich concentreren om de geest te stabiliseren in de discipline met de ziel. (19) Geconcentreerd op het spirituele vlak moet de geest, als die plots wordt weggetrokken uit zijn positie, zorgvuldig, volgens de regels van de kunst, onder controle van het zelf worden gebracht [zie ook B.G. 6: 26]. (20) Met het overwonnen hebben van zijn adem en zijn zinnen moet men de bestemming van de geest niet uit het oog verliezen maar eerder, begaan met de goedheid, op intelligente wijze de geest terugleiden onder het toezicht van de ziel [zie B.G. 3: 42]. (21) Men moet altijd nauwlettend toezien op dit waarlijk allerverhevenste yogaproces dat er is voor de volle controle over de geest die, als een paard om te temmen, zo bezien van binnen gekend wordt [zie ook B.G. 6: 33-34]. (22) Middels het analyseren van al de materiële elementen in regressie en progressie, in schepping en vernietiging, moet de geest voortdurend van aandacht zijn tot de [spirituele] bevrediging is bereikt. (23) Van een persoon die weerzin heeft en onthecht is geeft de geest, begeleid door de vedische voorschriften, met de constante analyse van wat becontempleerd wordt, het op met het valselijk geïdentificeerd zijn. (24) Met alles van de yama en de procedures van de yoga [het karma...] en met het logisch analyseren en de spirituele kennis [de jñâna] behoort men op geen enkele andere dan middels de aanbidding van Mijn gedaante of andere oefeningen van eerbied [de bhakti] de geest te richten op het voorwerp van de Yoga [de tijd ervan, de plaats en de persoon]. (25) Indien als gevolg van nalatigheid de yogî een verwerpelijke daad zou begaan, moet hij met enkel de yogamethode die zonde verbranden; in deze aangelegenheden moet hij nimmer te eniger tijd anders te werk gaan [vergelijk 1.5: 17, B.G. 4: 19, 9.30]. (26) Met de gestadige praktijk van ieder zijn eigen positie is dit de deugd die wordt geprezen terwijl, naar het verlangen de verschillende vormen van gehechtheid te verzaken, met deze disciplinaire beheersing de 'goed' en 'kwaad' -heerschappij van principes [, de grens,] werd gevestigd naar de onzuivere aard van de vruchtdragende handelingen. (27-28) Met het geloof in Mijn vertellingen ontwaakt en van weerzin voor al het karma moet hij [de âtmânandi bhakta] bekend met de misère die gevormd wordt door de lust, hoewel niet volledig van beheersing zijnd met het proces van de verzaking, van dat inzicht vastbesloten in zijn overtuiging overgaan tot het verheerlijken van Mij [bhajana] en aldus in geloof gelukkig blijven en daarbij spijt hebben van de zinsbevrediging die leidde tot het ongeluk. (29) Als het hart stevig in Mij is verankerd worden van de wijze die in de bhakti-yoga als beschreven voortdurend Mij aanbidt, al de lusten die in zijn hart zijn vernietigd [zie sthita-prajña]. (30) De knopen in het hart worden doorsneden, alle twijfels worden aan stukken gesneden en de keten van zijn baatzuchtige handelingen is teneinde als Ik wordt gezien als de Opperziel van Allen. (31) Om die reden is voor een yogî die verbonden in Mijn toegewijde dienst zijn geest op Mij concentreerde, over het algemeen noch het pad van de kennis, noch het pad der onthechting [van baatzuchtig handelen] de manier om gelukkig te worden in deze wereld. (32-33) Alles wat wordt verkregen door baatzuchtig handelen, door boete te doen, de kennis te cultiveren en door de dingen los te laten; voorwaar alles wat wordt bereikt door de mystieke yoga, liefdadigheid, religieuze inachtnemingen, gunstige handelingen en anderszins, wordt met gemak door Mijn toegewijde bereikt in de liefdevolle dienst aan Mij als hij op de een of andere manier de hemel, de zaligheid en Mijn verblijf begeert. (34) De geheiligden die nuchter zijn, de toegewijden die zonder twijfel één zijn van hart jegens Mij, begeren nimmer inderdaad de verlichting, de vrijheid van geboorte en dood, door Mij vergund. (35) Men stelt dat het het beste is niet ook maar iets te begeren, en aldus mag van hem die, niet uit op enig persoonlijk voordeel, begeerteloos is, als het hoogste stadium van bevrijding zich de bhakti voor Mij voordoen [zie ook 2.3: 10]. (36) Van de zuivere toegewijden kunnen zich in Mij, van wat ongunstig en zondig is, zich nimmer de kwaliteiten voordoen daar zij zich, vrij van begeren en stabiel in het bewustzijn, voorbij hen bevinden die resultaat hadden met een materiële intelligentie [zie ook B.G. 9: 30].

(37) Zij die deze voorstelling van zaken aldus door Mij onderricht navolgen bereiken de veiligheid van Mijn verblijf in het directe gewaarzijn van dat wat de Absolute Waarheid is.

 

Voetnoot:

*: De vaidehaka's bestaan uit hen geboren uit een s'ûdra father en een brâhmana moeder, de sûta's zijn zij die geboren zijn uit een kshatriya vader en een brâhmana moeder of van een s'ûdra vader en een kshatriya moeder. De mûrdhâvasikta's zijn zij geboren uit een brâhmana vader en een kshatriya moeder. Ambasthha's zijn zij die geboren zijn uit een brâhmana vader en een vais'ya moeder [dezen werken vaak in de gezondheidszorg]. Karana is de naam voor hen die geboren zijn uit een vais'ya vader en een s'ûdra moeder of een kshatriya vader en een vais'ya moeder.

 

 

Hoofdstuk 21

Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het met deze manieren bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan om Mij te bereiken opgeven, worden met het onbeduidende van de met de zintuigen wisselvallige lusten die ze cultiveren, geconfronteerd met het eindige van het leven. (2) De standvastigheid van een ieder in zijn positie als zodanig wordt verklaard de deugd te zijn en het tegengestelde is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16]. (3) Een bepaald voorwerp moet worden beoordeeld vanuit dezelfde categorie van voorwerpen en aldus wordt voor de bedoeling van de religie het zuivere en onzuivere, voor de normale aangelegenheden de deugd en de ondeugd en voor iemands fysieke overleven het gunstige en ongunstige vastgesteld, o zondeloze. (4) Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] wordt door Mij geopenbaard ter wille van hen die de last der religieuze beginselen dragen. (5) Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, de lichamen uitmaken van alle levende wezens die zich gelijkelijk verhouden tot de Opperziel. (6) Hoewel gelijk in hun elementen worden, in relatie tot hen, Uddhava, door de Veda verschillende namen en vormen opgeworpen terwille van het behartigen van hun eigenbelang [zie varnâs'rama].

(7) O meest waarachtige, de positieve kwaliteit en het nadelige van de tijd en de ruimte en zo voorts van de vormen van bestaan en van de dingen, worden door Mij ingesteld om zeker te zijn van de inperking van de baatzuchtige handelingen. (8) Onder de plaatsen zijn de plaatsen waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en de gevlekte antilopen niet te vinden zijn, verdorven; en zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats verstoken van heilige mannen van cultuur, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *]. (9) Die tijd is goed en geldig welke, dan wel door zijn eigen aard [de niet op winst begrepen tijd van de natuur] of op dezelfde manier naar de persoon [de Heer, of het voorwerp, de lakshmî, de tijd voor het oogsten etc.], geschikt is voor het doen van je voorgeschreven plicht; en slecht en in overtreding is die tijd die je in je plichtsvervulling belemmert, de tijd niet geschikt om arbeid te verrichten [de lustmatig en baatzuchtig begrepen tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. (10) Het zuivere en onzuivere van een ding [of: de substantie] is er aan de hand van een ander ding, bij wat men erover zegt en aan de hand van een ritueel of anders aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve grootte ervan [zie ***]. (11) Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, de intelligentie en de groei van de weelde, als ook naar gelang iemands toestand of plaats, veroorzaakt het bij iemand een overeenkomstige zondige [dan wel lofwaardige] reactie. (12) Met de tijd, met lucht, met vuur, met aarde en met water in combinatie of afzonderlijk [vergaan zo ook] de granen, zaken van been of hout, draad en vloeistoffen, zaken gewonnen uit het vuur en huiden en dingen van klei. (13) Dat wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp, dat wordt wat dat betreft beschouwd als zijnde zuiverend. (14) Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [: de doener] in de heugenis van Mij, te werk te gaan naar het zuivere, de reinheid van het zelf. (15) De zuivering ontleend aan een mantra volgt zo op de juiste kennis ervan en de zuivering door een bepaalde handeling volgt zo op de toewijding die men voor Mij heeft; de religiositeit wordt gerealisee rd door de zes [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling] maar het areligieuze volgt op het tegengestelde.

(16) Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd; het is in feite met betrekking tot deze beperking van beiden dat het onderscheid weg valt [4*]. (17) Het zelfde karma is voor hen die ten val zijn gekomen niet de oorzaak van een val; met hem die het onderspit dolf niet verder ten val komend wordt de natuurlijke gehechtheid een deugd. (18) Waar men ook van afziet, daarvan raakt men bevrijdt - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het dharma dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt. (19) Er van uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en aan de lust zo de ruzie onder de mensen. (20) Door de ruzie is er de woede moeilijk om mee om te gaan en de onwetendheid die volgt op de woede; aldus wordt een man zijn ruimdenkendheid snel gegrepen door de duisternis. (21) O heilige ziel, een levend wezen verstoken van dat [ruimere bewustzijn] wordt leeghoofdig zodat, als gevolg van het wegvallen van zijn levensdoelen, hij zo dom als de materie zo goed als dood is [vergelijk B.G.: 2: 62-63]. (22) Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig levend naar de levensstijl van een boom, niet zichzelf noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp. (23) Die beloningen waar de geschriften het over hebben zijn voor de mens niet het hoogste goed; ze zijn enkel maar prikkels met het idee om aan te sporen tot het uiteindelijke goed, precies zoals het is als men iemand aanspoort tot het innemen van een medicijn. (24) Enkel door geboren te zijn weerstaan stervelingen, in de geest gehecht aan de zaak van hun voorwerpen van begeerte, hun vitale functies en hun luitjes, de bedoeling van hun ziel. (25) Onderworpen [in religieuze zin] zijn ze onwetend qua hun ware eigenbelang verdoold op het pad van de rampspoed; om welke reden zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan ertoe aanzetten met dat alles door te gaan? [zie ook 5.5: 17] (26) Sommigen, op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpend, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's kent inderdaad niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44]. (27) De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen plaats niet [een individuele ziel te zijn i.p.v. een lichaam]. (28) Zij gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen Mij niet die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum ontsprong - zij, zelfzuchtig, zijn als personen met hun ogen in de mist. (29-30) Zij zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn, indien opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat weliswaar is toegestaan, maar zeker nimmer wordt aangemoedigd in de voorschriften voor het offeren. Er waarlijk behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die in het verlangen naar hun eigen geluk werden afgeslacht, zijn ze in hun met rituelen aanbidden van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen. (31) Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die aardig klinkend gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze een zakenman, het opgeven met de bedoeling [van het realiseren van de ziel]. (32) Mij niet aanbiddend op de juiste wijze aanbidden ze, gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid de goden en anderen onder leiding van Indra die zich verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25]. (33-34) 'Alhier vol van aanbidding zullen we met onze offerplechtigheden voor de goden in de hemel genieten en aan het eind van dat genoegen zullen we op aarde grootse huizenbezitters zijn van een goede komaf', aldus met hun geesten verbijsterd door de bloemrijke woorden voelen ze niettemin, als trotse en hoogst begeertige mensen, zich niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

(35) De tri-kânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het zelf als hun onderwerp maar ook zijn Mij dierbaar de vedische zieners die zich esoterisch uitdrukken in indirecte bewoordingen [de 'andere goeroes']. (36) Het spirituele geluid [de s'abda-brahman] zich manifesterend in de prâna, de zinnen en de geest kent geen grenzen en is onmetelijk diep als de oceaan. (37) Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens [dat Ik ben], is, zoals door Mij wordt uitgedragen [zie omkâra], vertegenwoordigd in de levende wezens in de vorm van de geluidsvibraties, zoals een enkele vezel is in een lotusstengel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15]. (38-40) Net zoals een spin vanuit zijn lichaamsopening van binnen uit een web afscheidt, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Al de vormen vol van nectar omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme grenzeloze uitgebreidheid [van de vedische literatuur, zie ook B.G. 15: 15]. (41) Bij voorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik and Anusthup; Brihatî en Pankti als ook Tristhup, Jagatî, Aticchanda, en Atyasthi, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen]. (42) Wat zij [karma-kânda] voorschrijven, waar zij [upâsana-kânda] op duiden, welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden, dat hart in deze wereld, is buiten Mij aan niemand anders bekend [vergelijk 11.20, B.G. 5: 5, 7: 26, 10: 41]. (43) Ik ben het voorwerp van de voorgeschreven aanbidding en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en beargumenteerd; Ik aldus ben de betekenis van al de Veda's die Mij, de bovenzinnelijke geluidsvibratie, vestigen en uitvoerig de materiële dualiteit beschrijven als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.

 

Voetnoten:

*: S'rîla Madhvâcârya citeert als volgt uit de Skanda Purâna: 'Religieuze personen behoren zich op te houden binnen een straal van dertien kilometer van rivieren, oceanen, bergen, hermitages, bossen, spirituele gemeenschappen of plaatsen waar de s'âlagrâma-s'îlâ [een zwarte ovale riviersteen geschikt om te aanbidden] wordt aangetroffen. Alle andere plaatsen moeten als kîkatha worden beschouwd, ofwel als besmet. Maar zelfs als men in zulke besmette plaatsen zwarte en gevlekte antilopen aantreft, mag men zich daar ophouden zo lang als er geen zondige personen aanwezig zijn. Zelfs als er zondige personen aanwezig zijn mag men zich daar ophouden, mits het burgerlijk gezag in handen is van respectabele autoriteiten. Zo ook mag men zich daar ophouden waar de Beeltenis van Vishnu naar behoren is geïnstalleerd en wordt aanbeden.'

**: De paramparâ voegt hier toe: 'Politieke, sociale of economische verstoringen die iemand belemmeren in de uitvoering van zijn religieuze plichten worden beschouwd als tijden die ongunstig zijn. (...) Derhalve is dat moment waaop men de omgang met de Opperheer bereikt of de Heer Zijn zuivere toegewijde, de tijd die gunstig heet, terwijl het moment van het verliezen van die omgang hoogst ongelukkig wordt genoemd.'

***: Een voorbeeld bij deze nogal abstracte formulering wordt gevormd door de klok: de klok is zuiver of onzuiver naar gelang het object van meting: de tijd van de natuur als een ander 'ding' van de tijd. Dit wordt het criterium van de wetenschappelijke validatie genoemd ofwel het bepalen van het nulpunt van de meting. Maar ook erover sprekend in een wetenschappelijk betoog en uitleggen dat de gemiddelde tijd, de klok die afwijkt van de natuur, is afgeleid uit en refereert aan de natuur zelf middels een wetenschappelijke formule die uitdrukking geeft aan de zogenaamde tijdvereffening, is een manier om een klaarblijkelijk afwijkende klok te heiligen ofwel er de zuiverheid van te verklaren. Verder is er ook het religieuze ritueel dat het kruis presenteert van Jezus bij voorbeeld, of de Mahâmantra van Caitanya, naar aanleiding van de aangehangen standaard van de tijd, teneinde de zonde van het pragmatisch afwijken van God's natuur en de wetenschappelijke rationalisatie erover te vergeven. Vervolgens kunnen we eenvoudig de klok naar de natuur van de tijd instellen om waarachtig te zijn naar het religieuze inzicht [zie f.c.o.]. En ten slotte, inziend dat de vertrouwelijkheid van Krishna's tijd politiek gezien niet kan worden opgelegd, is er de zuiverheid naar de relatieve grootte, zoals dit vers stelt, die met de moderne complexiteit van het tijdbewustzijn eenvoudigweg weet heeft van het verschil middels een dubbele tijdsaanduiding die door sommige klokken wordt geboden: één tijdsaanduiding ingesteld naar de natuur en een andere naar de politiek van de pragmatische manier van omgaan met de tijd. Aldus kunnen we met dit vers de onzuiverheid tolereren van de baatzuchtig gemotiveerde karmische tijdmanipulaties en nog steeds als toegewijden met zuiverheid te werk gaan [Prabhupâda die enerzijds uitdrukkelijk verzocht om punctualiteit, verzocht zijn toegewijden verder het onderwerp van de tijd te bestuderen. 'Alle dagen en uren zijn mij hetzelfde. Ik laat die aangelegenheid aan jullie over', vertrouwde hij toe in ' A Transcendental Diary' door Hari S'auri Dâsa].

4*: De paramparâ geeft een voorbeeld: 'Iemand die zijn vrouw en kinderen verlaat is zeker een onnadenkend en onverantwoordelijk iemand. Als men echter sannyâsa neemt, en verankerd blijft op een hoger spiritueel nivo, beschouwt men hem als de heiligste persoon. Trouw en zonde derhalve hangen af van specifieke omstandigheden en zijn bij tijden moeilijk van elkaar te onderscheiden.' Volgens S'rîla Madhvâcârya, worden personen boven de veertien jaar in staat geacht onderscheid te maken tussen goed en kwaad en zijn ze aldus verantwoordelijk voor hun vrome dan wel zondige activiteiten.

 

 

Hoofdstuk 22

Prakriti en Purusha: de Natuur en de Genieter

(1-3) S'rî Uddhava zei: 'O Heer van het Universum, hoeveel basislementen van de schepping zijn er opgesomd door de zieners? O Meester over negen, elf en vijf plus drie hoorde ik Je spreken [zie ook 11.19: 14]. Sommigen zeggen dat er zesentwintig zijn, anderen spreken van vijfentwintig of van zeven, sommigen hebben het over negen, sommigen over vier en anderen over elf, terwijl weer anderen spreken van zestien, zeventien of dertien. Je zou ons, o Eeuwige Allerhoogste, moeten uitleggen wat het is dat de wijzen in gedachten hebben die zich zo verschillend uitdrukken.'

(4) De Allerhoogste Heer zei: 'Met hen [de elementen] alomtegenwoordig spreken de brahmanen, die het met Mijn mâyâ opnemen, dienovereenkomstig zoals het hen het beste past; wat zou er per slot van rekening onmogelijk zijn voor hen als ze zich uitspreken? (5) 'Dit is niet zoals jij het zegt, wat ik zeg is dat het zo is': dit is wat mijn onoverkomelijke energieën doen met hen die logisch argumenteren [zie ook 6.4: 31]. (6) Van hen die in de omgang met elkaar argumenteren over het onderwerp zal, als men gelijkmoedigheid en zinsbeheersing heeft bereikt, het verschil in hun standpunt verdwijnen en bijgevolg de tweestrijd tot een einde komen. (7) Omdat de verschillende elementen elkaar wederzijds doordringen, o beste onder de mannen, wil de spreker dienovereenkomstig een beschrijving geven met het opsommen van hun oorzaken en resulterende effecten. (8) In ieder van dezen [deze beschrijvingen] ziet men dat andere elementen zich in een voorgaand element voordoen of anders in een later element zelfs, of dat een bepaald element in anderen is binnengegaan [*]. (9) Om die reden is het zo dat, hoezeer deze sprekers uit op berekeningen zich ook uitdrukken in termen van voorgaande of erop volgende elementen, We het aanvaarden daar het ontspruit aan de rede. (10) Het proces van zelfverwerkelijking neemt bij een persoon bevangen door onwetendheid zijn aanvang niet; het kan zich niet voordoen op basis van zijn eigen kracht, en dus moet er iemand zijn die bekend met de werkelijkheid de geestelijke kennis kan verlenen [vergelijk 11.21: 10]. (11) De dienovereenkomstige kennis is een kwaliteit van de materiële natuur [genaamd sattva]; er bestaat wat dit [deze kwaliteit] betreft niet de geringste ongelijkheid tussen de persoon en de Beheerser - de gedachte dat ze verschillend zouden zijn [als zodanig] is zinloos [zie B.G. 18: 20 en 9: 15 en **]. (12) De materiële natuur [prakriti] is wat de geaardheden samenbindt; deze geaardheden als de oorzaken van behouden, voortbrengen en eindigen, en overeenkomstig van de goedheid, hartstocht en onwetendheid zijnde, behoren tot de materiële wereld en niet tot de geestelijke ziel [zie ook B.G. 3: 27]. (13) In deze wereld is de geaardheid van de goedheid van kennis, de geaardheid hartstocht van vruchtdragende arbeid [karma] en de geaardheid duisternis van onwetendheid; de interactie van de geaardheden wordt de Tijd genoemd en wat er van nature is vormt de draad [de mahat-tattva is de sûtra, zie ook 11.12: 19 -21]. (14) De ziel die geniet [purusha], de materiële natuur [prakriti], het kenbare [mahat-tattva], de vereenzelviging met de vorm [ahankâra], de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde vormen aldus de negen elementen der schepping door Mij beschreven. (15) Horen, aanraken, zien, ruiken en proeven zijn de vijf [zintuigen] waarmee kennis wordt vergaard; het spraakorgaan, de handen, de geslachtsdelen, de anus en de benen staan voor hun werking, o mijn beste, en de geest is er voor beiden. (16) Geluiden, tactiele kwaliteiten, smaken, geuren en vormen [of kleuren] zijn de categorieën van de zinsobjecten [zie vishaya] en de spraak, het vervaardigen, het uitscheiden [via anus en genitaliën] en het voortbewegen zijn de functies die door hen gedekt worden. (17) In het begin van de schepping is de persoon van de genieter onbetrokken overgeleverd aan het getuige zijn van de materiële natuur van dit universum dat middels de geaardheden van sattva en de anderen de grofstoffelijke manifestaties en meer subtiele oorzaken belichaamt [2.10: 10]. (18) De elementen in de gehele manifeste werkelijkheid die transformatie ondergaan vormen, vermengd door de kracht van de natuur, het ei van het universum, met het door het overschouwen van de Heer bereikt hebben van hun vermogens [2.5: 35,3.20: 14-15, 3.26: 51-53, 3.32: 29, 5.26: 38, 11.6: 16]. (19) Erover sprekend als slechts zeven elementen hebbend: de vijf van de materiële elementen beginnend met de ether en de individuele kenner met de Opperziel, zijn er van de fundamentele basis van deze twee het lichaam, de zinnen en de levensadem [ofwel worden er al de materiële fenomenen voortgebracht]. (20) Hierin aldus ook uit zes bestaande: de vijf elementen met de Bovenzinnelijke Persoon als het zesde element samengev0egd met hen, werd deze schepping uit Hemzelf geschapen uitgezonden met Hem erin binnengaand. (21) In het geval van er zo vier te hebben doen zich het vuur, het water en de aarde voor uit het Zelf en kwam er door hen dan de geboorte van het zichtbare eindresultaat van deze cosmos tot stand. (22) Er zeventien tellend is er de overweging van de vijf grofstoffelijke elementen, de vijf zinsobjecten en de vijf zinnen samen met de ene geest en de ziel als de zeventiende. (23) Op dezelfde manier telt men er zestien met inderdaad de ziel aangewezen als de geest en er evenzo dertien met de grofstoffelijke elementen, de vijf zinnen, de geest en [het individuele en het superieure van] de ziel. (24) Naar het getal elf heeft men in dezen de ziel, de grofstoffelijke elementen en de zinnen; en negen heeft men er ook met de acht natuurlijke elementen [de grofstoffelijke, de geest, de intelligentie en het valse ego] als zeker ook de Genieter daarboven. (25) Op deze manier werden er verschillende opsommingen van de elementen bedacht door de wijzen. Ze worden allen logisch onderbouwd met rationele argumenten; aan welke schittering zou het ook ontbreken met de geschoolden?'

(26) S'rî Uddhava zei: 'Omdat zowel de natuur als de genieter, hoewel in de grond verschillend, elkaar wederzijds herbergen o Krishna, lijkt er geen verschil tussen hen te bestaan; de ziel ziet men in de materiële natuur als ook de natuur in ziel [zie ook B.G. 18: 16]. (27) AlsJeblieft, o Lotusogige, als de Alwetende, de Eigenlijke Expert in het Weten en het Redeneren; maak met Je woorden een einde aan de grote twijfel in mijn hart. (28) De kennis hebben de levende wezens inderdaad van Jou en met het vermogen van Jou van buiten wordt ze weggestolen; Jij alleen kent de volmaaktheid van het illusieverwekkend vermogen van Jouwzelf en niemand anders [zie ook B.G. 15: 15].'

(29) De Allerhoogste Heer zei: 'Prakriti en purusha [de natuur en de genieter] onderhevig aan deze transformatie gebasee rd op het vermengen van de guna's van de schepping, zijn aldus verschillend, o beste van alle personen. (30) Mijn beste, de begoochelende energie bestaande uit de geaardheden vestigt de veelvoud van de manifestaties en de waarnemingen van deze verschillen die, onderhevig aan verandering, drie aspecten kennen: die van adhyâtma - de ene, van adhidaiva [- de natuur] en van adhibhûta, de ander [zie ook kles'a's en 1.17: 19]. (31) Zoals het aanzien [de ene], de vorm [natuur] en het gereflecteerde beeld [de ander] van de zon, op zichzelf staand in de hemel, in dezen samenwerken voor de opening van het oog om zich te kunnen manifesteren, is de Superziel, die van deze [drie] afzonderlijk aanwezig is als de bovenzinnelijke ervaring [de Ene], de oorzaak [de Natuur], en het waar te nemen fenomeen [de Ander], er als de perfectie van de realisatie. (32) Zo is het ook met het [orgaan, het voorwerp en de functie van de] tastzin en dergelijken, het horen en dergelijken, de tong en dergelijken, de neus en dergelijken en met dat wat behoort tot het bewustzijn [de ziener]. (33) De transformatie bewerkstelligd door deze onrust van de geaardheden welke zijn wortel vond in de primaire natuur [pradhâna] is de oorzaak van de verbijstering en verscheidenheid van het valse ego - onderhevig aan verandering in onwetendheid de zaken naar zijn hand zettend - dat in de drie aspecten [als vermeld] werd opgewekt door de grotere werkelijkheid [van het mahat-tattva, zie ook ***]. (34) De volle kennis van de Superziel ontberend is inderdaad de speculatie van te zeggen 'het is er' en te zeggen 'het is er niet' [aangaande het verschil tussen prakriti en purusha], gebrand als men is op het bespreken van het verschil, een zinloze - alhoewel die welzeker aanhoudt met mensen die hun aandacht hebben afgewend van Mij die [kwalitatief] gelijk is aan henzelf.'

(35-36) S'rî Uddhava zei: 'Op welke manier nemen zij wiens geesten door de vruchtdragende handelingen die ze verrichtten zijn afgeleid van Jou, o Meester, hogere en lagere materiële lichamen aan en laten ze die weer los? AlsJeblieft Govinda leg me dat uit wat door hen die niet zo spiritueel zijn niet wordt begrepen aangezien ze, merendeels van kennis over de materiële wereld, onder de dominantie ervan gebukt gaan.'

(37) De Allerhoogste Heer zei: 'De geest van mensen verenigd met hun vijf zintuigen wordt gevormd door het karma; dat de geestelijke ziel volgt welke, daarvan gescheiden, van de ene wereld naar de andere reist [zie ook linga, vâsanâ en B.G. 2: 22]. (38) De geest die trouw op de waargenomen zinsobjecten of dat wat in navolging werd gehoord [als de vedische autoriteit] mediteert, verheft zich en lost weer op afhankelijk van het karma, waarna de herinnering verloren gaat. (39) Opgegaan in de voorwerpen van de waarneming herinnert hij [in een ander lichaam] zich niet langer zijn voorgaande zelf; de volledige vergeetachtigheid wat betreft deze of gene oorzaak staat inderdaad bekend als zijnde de dood. (40) Wat men geboorte noemt, o grote gever, is, net als in een droom of in een fantasie, de identificatie van een persoon in alle opzichten. (41) En op deze manier ziet hij, zoals in een droom of een fantasie zich niet het voorgaande herinnerend, daarin zichzelf alsof hij geen verleden zou hebben [*4 en B.G. 4: 5]. (42) Vanwege het vergroven berustend bij de zinnen doet zich in deze ene objectieve werkelijkheid deze drievoudige werkelijkheid voor [in de kwaliteiten van een hogere, lagere geboorte of een er tussenin] welke, zoals een persoon de verwekker van slecht nageslacht kan zijn, het verschil van de innerlijke en uiterlijke werkelijkheid tot gevolg heeft. (43) Want geschapen lichamen, mijn beste, vinden en verliezen hun bestaan met de stuwkracht van de tijd die men niet opgemerkt, die men in zijn subtiliteit niet kan zien. (44) Als van de vlammen van een kaars en de stromen van een rivier of de vruchten van een boom zijn net zo van alle materiële lichamen de situaties en dergelijke van de verschillende stadia geschapen. (45) 'Dit is dezelfde fysieke persoon' is evenzogoed een onjuiste uitdrukking als 'dit licht dat van de lamp afstraalt is hetzelfde' of 'dat water stromend in de rivier is hetzelfde'; dit is het denken van mensen die hun leven vergooien [zie ook 6.16: 58, 7.6: 1-2]! (46) Zoals met het vuur opgesloten in hout neemt hij uit het zaad van zijn handelingen niet zijn geboorte noch komt deze persoon te overlijden; hij heeft het bij het verkeerde eind. (47) Bevruchting, ontwikkeling in de baarmoeder, geboorte, kleutertijd, kindertijd, jeugd, middelbare leeftijd, ouderdom en dood vormen zo de negen staten van het lichaam. (48) Van het omgaan met de geaardheden neemt iemand somtijds aan en legt hij weer af deze voorzeker grootse en ook mindere lichamelijke toestanden bereikt door zijn mentale strevingen. (49) Men kan zijn eigen geboorte en dood afleiden uit de geboorte van zijn eigen zoon en dood van zijn eigen vader; van zelf-herinnering zijnde is men niet langer van dat alles wat, onderhevig aan ontwikkeling en vernietiging, wordt gekenmerkt door deze dualiteiten. (50) Hij die in kennis van een boom zijn zaad en zijn wasdom de getuige is losstaand van de geboorte en dood van die boom, is op dezelfde manier de getuige die los staat van de [geboorte en dood van] het fysieke lichaam. (51) De onintelligente persoon die er niet in slaagt op deze manier de persoon van de materiële natuur te onderscheiden, keert, door dat kontakt met de werkelijkheid volledig verbijsterd, terug naar de materiële oceaan [zie ook B.G. 9: 21-22 en 1.7: 5]. (52) In samenhang met de geaardheid goedheid gaat hij naar gelang zijn karma naar de wijzen en de goden, met de geaardheid hartstocht gaat hij naar de mensen en de onverlichte zielen [of demonisch bezetenen] en met de geaardheid der duisternis gaat hij naar de geesten en het dierenrijk [zie ook B.G. 6.41-42, 9.25; 17: 4]. (53) Precies zoals met het gadeslaan van dansende en zingende personen men er toe komt ze na te doen, wordt op dezelfde manier de afgewendde [de ziel], in zijn intelligentie geplaatst voor de kwaliteiten der geaardheden, er niettemin toe aangezet ze te volgen [zie ook 11.21: 19-21]. (54-55) Zoals bomen bewegen met het water dat ook beweegt en de aarde lijkt rond te draaien met ogen die rond draaien, is de ervaring van de mentale indrukken van de zinsobjecten niet werkelijk aangezien zij drogbeelden zijn als de dingen die men ziet in een droom, zoals het ook het geval is met het materiële leven van de ziel [d.w.z. het verkeerde leven dat moet worden gemeden door de wijzen]. (56) Voor degene die mediteert op de zinsobjecten houdt het materiële bestaan, ookal is het afwezig [ofwel dat men als een ziel niet de materie is], niet op, precies zoals de onaangename dingen niet ophouden die in een droom naar voren treden[*5]. (57) Daarom Uddhava, schep geen behagen in de zinsobjecten die onwaar zijn met de zintuigen, zie hoe gebasee rd op de illusie van de materiële dualitiet men faalt in de realisatie van de ziel. (58-59) Als men beledigd, verwaarloosd, belachelijk gemaakt of benijd wordt door slechte mensen, of anderszins de middelen van bestaan ontzegd worden, men bestraft of vastbindt; of men bij herhaling wordt bespuugt of ondergeplast wordt door onwetende mensen, behoort hij die zich het Allerhoogste wenst aldus geschokt in moeilijkheden verkerend, zichzelf te redden door zijn toevlucht te nemen tot zijn essentie [zie ook 5.5: 30].'

(60) S'rî Uddhava zei: 'Hoe hou ik dat in gedachten, alsJeblieft, o Beste Aller Sprekers, zeg ons dat. (61) De aanvallen van andere mensen op mijzelf is wat ik het allermoeilijkst vindt; behalve voor hen dan die gefixeerd in Jouw dharma in vrede verwijlen aan Jouw lotusvoeten, is zelfs voor de geschoolden, o Ziel van het Universum, zonder twijfel de materiële conditionering het sterkst.'

 

Voetnoten:

*: Twee voorbeelden: potten zijn gemaakt van aarde die er bestond als een voorgaand element of behoren tot het gruis dat er was als een latere substantie, of anders nam de tijd ze als een ander element allen tezamen door in ze door te dringen. Of de elementen van de natuur verschenen zich uitbreidend in de ruimte die aan hen vooraf ging en alle behoren ze tot de fysieke vorm die naderhand tot stand kwam, en de vitale adem ging ze allen binnen als een ander element.

**: De paramparâ voegt hier toe: 'S'rî Caitanya Mahâprabhu beschreef de eigenlijke situatie als acintya-bhedâbheda-tattva - de hoogste genieter en de beheerste levende wezens zijn gelijktijdig één en verschillend. In de materiële geaardheid goedheid wordt de eenheid waargenomen. Als men dan vordert, tot het stadium vis'uddha-sattva, of gezuiverde spirituele goedheid, vindt men geestelijke verscheidenheid in de kwalitatieve eenheid, waarmee men zijn kennis van de Absolute Waarheid vervolmaakt' [zie ook siddhânta].

***: Om de basistermen in dit hoofdstuk gebruikt van elkaar te onderscheiden: Prakriti is de materiële natuur met haar levende wezens en guna's, pradhâna is de voorwereldlijke, ongedifferentieerde staat van de materie, zonder de specifieke schepselen en guna's en de mahat-tattva vormt de totaliteit van de grotere werkelijkheid van dat alles, die ook wel bekend staat als het principe van het intellect of de kosmische intelligentie. De purusha is de oorspronkelijke persoon die de genieter is: de Heer en de levende wezens die qua kwaliteit hetzelfde zijn.

*4: Naar de welbekende uitzondering die de regel bevestigt stelt S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura hier dat met de mystieke macht van jâti-smara men zich zijn voorgaande geboorte kan herinneren. Patañjali in de Yoga Sutra III.18 zegt: 'In de waarneming van de subliminale impressies of samskâra's is er de kennis van een voorgaand leven'.

*5: Het klassieke filosofische standpunt hier verdedigd is: 'Als men een lichaam heeft is men een ziel, als men een lichaam is is men een varken', waar het varken hier de gevallen ziel is die telkens weer terug keert naar een materialistisch bestaan.

 

Hoofdstuk 23

Verdraagzaamheid: het Lied van de Avantî Brâhmana.

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen Hij aldus respectvol er door Uddhava, de grootste van de toegewijden, toe was verzocht begon de leider der Dâs'ârha's wiens heldenmoed het zo waard is te bespreken, te praten, met lof voor de woorden van Zijn dienaar. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'O discipel van Brihaspati, er bestaat vrijwel geen brave ziel in deze wereld die in staat is zijn geest in bedwang te houden als die verstoord wordt door de beledigende woorden gebezigd door een slecht iemand. (3) Een persoon wordt niet zo pijnlijk getroffen met pijlen die zijn hart doorboren, als dat hij getroffen wordt door het met zich mee moeten dragen van de pijlen van ruwe woorden van onwaarachtige mensen. (4) In dit opzicht Uddhava, wordt er een allerstichtelijkst verhaal verteld, alsjeblieft luister met grote aandacht als Ik je het uit de doeken doe. (5) Er werd verslag van gedaan door een bedelmonnik die, beledigd als hij was door slechte mensen, zijn kalmte bewarend, het herinnerde als het gevolg van zijn daden in het verleden. (6) In Avantî [in het district Malwa] leefde er eens een zekere brahmaan die het zeer goed had met veel rijkdom door zijn brood te verdienden met zaken doen; maar hij was een miserabel mens vol van lust en hebzucht, geneigd in woede te vervallen [zie ook B.G. 2: 49]. (7) Voor zijn verwanten en gasten was hij zelfs niet in woorden van respect met het, met zijn gebrek aan religiositeit, zich ook niet op de juiste tijdstippen bekommeren om zijn eigen noden. (8) Met hem zo slecht van manieren ontwikkelden zijn zoons, aangetrouwde familie, zijn vrouw, dochters en bedienden vijandschap jegens de ellendeling, hem in afkeer hun genegenheid onthoudend. (9) Op deze manier in het dharma en het plezier tekort schietend werden de vijf eisers van het geofferde [pañca-bhâga], met die obsessieve schatbewaarder die voor beide werelden verstek liet gaan [deze en de volgende], boos op hem. (10) Door hen te verwaarlozen putte hij zijn vrome tegoed uit, o grootmoedige, en al de weelde waar hij zich met zo veel moeite voor had ingespannen ging verloren. (11) Slechts in naam een brahmaan zijnde werd een deel ervan weggenomen door zijn verwanten, een deel door dieven, Uddhava, een deel door de voorzienigheid, een deel door de tijd, een deel door de gewone man en een deel door het hoger geplaatste gezag [zie ook 10.49: 22]. (12) Toen hij verstoken van religiositeit en liefde aldus zijn eigendom was kwijt geraakt, deed zich, verwaarloosd als hij was door zijn familie, zich een zwaar te dragen zorgelijkheid bij hem voor. (13) In hem die voor een lange tijd verstikt in tranen in zijn leed de verloren rijkdom betreurde, rees toen een grootse minachting voor wereldse zaken op.

(14) Hij zei toen hiertoe: 'Helaas, hoe pijnlijk mezelf zo te bemoeien met al dit gezwoeg dat noch het genoegen, nog de liefde van God tot dienst is. (15) Over het algemeen resulteren de kostbare zaken van ellendelingen nooit en te nimmer in enig geluk: in dit leven leiden ze tot een kwelling en met degene die stierf voeren ze tot de hel. (16) Welke zuivere roem de beroemdheden ook mogen genieten of welke lofwaardige kwaliteiten er ook zouden zijn met de deugdzamen, zelfs dezen gaan teloor met slechts een klein beetje hebzucht, precies als wat witte lepra doet met een bekoorlijke, lichamelijke schoonheid. (17) In het realiseren, de opbouw, het beschermen, spenderen, het verlies en de vreugde van het geld verdienen, bestaat er voor de mens arbeid, angst, zorgelijkheid en verwarring. (18-19) Diefstal, geweld, leugens, dubbelhartigheid, lust, woede, verbijstering, trots, onenigheid, vijandschap, een gebrek aan geloof, wedijver en [de drie] gevaren [van bedwelming, promiscuïteit en gokken [zie ook 1.17: 24]: dit zijn de vijftien die men inderdaad kent als de ongewenste zaken gebasee rd op rijkdom; derhalve moet degene die het uiteindelijke voordeel in het leven wil behalen het onwenselijke vallend onder het hoofdstuk weelde verre van zich houden. (20) De broeders, de echtgenote, de ouders en de vrienden die één zijn in de liefde, veranderen over een enkel muntje allen meteen in vijanden. (21) Zelfs maar voor een beetje geld geven ze, van streek en geïrriteerd, zich over aan de woede en geven ze het als een tegenstander die uit is op vernietiging, rap, in een oogwenk, op met het laten varen van de welgezindheid. (22) Met het hebben bereikt van de menselijke geboorte waar de onsterfelijken voor bidden en het in dat leven bereiken van de status van de beste der tweemaal geborenen, hebben ze, destructief wat betreft hun eigenbelang, daar geen waardering voor; ze zijn op weg naar een onzalige bestemming [zie ook B.G. 16: 19-20]. (23) Welke persoon die het tot dit menselijke bestaan heeft gebracht, deze toegang tot de hemel en de bevrijding, zou zich, met de dood voor ogen, nu hechten aan eigendom en zich ophouden in het rijk der betekenisloosheid? (24) Gelijk een geldbeluste yaksha niet delend met de aandeelhouders, te weten de grotere familie van de goden, de zieners, de voorvaderen, je verwanten, de levende wezens en jezelf, komt men ten val. (25) Wat nu kan ik, een oude man, bereiken in het zinloze streven naar geld, jeugd en kracht, waarin er gek van, mensen van onderscheid zich bemoeien perfect te zijn [zie B.G. 3: 35]? (26) Waarom zou een wijs mens constant moeten lijden onder het vruchteloze najagen van rijkdom; welzeker is iemand in deze wereld, vanwege haar begoochelende macht, hoogst verbijsterd. (27) Wat voor nut hebben de goederen of zij die ze verschaffen of wat zou het gebruik van de zinsobjecten voor nut hebben of de mensen die bevrediging schenken; of wat anders zou het voor nut hebben voor degene verkerend in de greep van de dood, om van het baatzuchtig handelen te zijn dat je alleen maar een volgende geboorte oplevert? (28) De Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die al de goden omvat, die mij tot deze toestand van onthechting heeft gebracht, is voorzeker, verheugd over mij, de boot voor de ziel [zie ook 11.17: 44]. (29) Met de tijd die me rest zal ik, om de tevredenheid in mezelf te vinden, zonder in de war te zijn over mijn ware eigenbelang, mijn lichaam [tot het minimale] beperken [zie ook 2.2: 3, 7.12: 6]. (30) Mogen de goden, de heersers over de drie werelden, in dezen verheugd zijn; was het niet Khathvânga die het in een enkel moment tot het spiritueel bereik bracht?'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus zich in de geest vindend werd de hoogst godvruchtige brahmaan van Avantî, de knopen in zijn hart losmakend, in vrede een stille bedelmonnik. (32) Hij trok alleen en onopvallend rond door de wijde wereld, en ging, hierin met zijn zelf, zijn zinnen en zijn levensadem beheerst [zie tri-danda], haar steden en dorpen binnen om te leven van de liefdadigheid. (33) Toen ze hem, inderdaad een oude vieze bedelaar, zagen, werd hij met menig een belediging onteerd door mensen van lagere komaf, mijn beste. (34) Sommigen van hen pakten de drievoudige staf van hem af, zijn bedelnap, zijn waterpot en zijn zitplaats, en sommigen grepen zijn gebedskralen en zijn gescheurde vodden, waarbij ze, ze tonend met het ze hem weer terug aanbieden, ze opnieuw weer van de wijze afpakten. (35) En op een rivieroever op het punt staand zijn deel te genieten van het voedsel dat hij had vergaard door zijn bedelen, urineerden de grote zondaars op hem en spuugden ze op zijn hoofd. (36) Hij die naar de gelofte van de stilte niet sprak maakten ze met hun woorden belachelijk zeggend 'Deze hier is een dief'; aldus zich uitlatend bonden ze hem met touwen vast terwijl sommigen daarbij uitriepen 'Bindt hem vast, knevel hem!'. (37) Sommigen kritisee rden hem beledigingen toeslingerend als 'Deze hier is een religieuze hypocriet, een bedrieger die, met het verloren hebben van zijn rijkdom en zijn uit de familie gezet zijn, zich hier maar op heeft toegelegd'. (38-39) 'Kijk eens hoe deze persoon machtig en standvastig als een massieve berg, met zijn stilte zijn doel nastrevend, zo vastbesloten is als een eend'. Sommigen dreven de spot aldus sprekend, terwijl anderen een kwalijke lucht lieten waaien en, hem in de ketenen slaand, de tweemaal geborene gevangen zetten als was hij een huisdier. (40) Aldus, als gevolg van andere levende wezens, als gevolg van hogere machten en te danken aan hemzelf, ertoe gedoemd te lijden onder dat alles [zie kles'a], begreep hij dat, wat hij ook op zijn weg vond, hem dat door zijn lot werd toebedeeld. (41) Beledigd door mensen van een lager allooi die hem ten val probeerden te brengen, zong hij, stevig vasthoudend aan zijn eigen plichtsbetrachting, vastbesloten in de goedheid, dit lied [zie ook B.G. 18: 33]:

(42) De tweemaal geborene zei: 'Deze mensen zijn niet de oorzaak van mijn geluk of ongeluk, noch zijn de halfgoden dat, mijn lichaam, de planeten, mijn karma of de tijd; het is, naar de heersende autoriteit [de s'ruti], niets dan de geest die de oorzaak is, het is de geest die er de oorzaak van is dat men ronddraait in de kringloop van het materiële leven. (43) De geest die inderdaad de geaardheden weerspiegelt is maar al te sterk door hen en door de verschillende soorten van witte [goedheid], rode [hartstocht] en zwarte [onwetendheid] handelingen waaruit zich de omstandigheden [de maatschappelijke klassen] opwerpen naar dezelfde kleuren. (44) De ziel die, zich naast de worstelende geest ophoudend, erbuiten staat [en de verlichting uitstraalt], mijn vriend, ziet van boven neer op de geest die met zijn beeld van de wereld de zinsobjecten omarmt; en in die bezigheid raakt hij gebonden in gehechtheid aan de geaardheden van de natuur [zie ook B.G. 3.42: 43]. (45) Liefdadigheid, het doen van je plicht, de niyama, de yama, het luisteren naar [de geschriften], de vrome werken en de zuivering door geloften, houden alle het onderwerpen van de geest in, met het opperste van de yoga, de verzonkenheid van de geest [samâdhi], als hun doel. (46) Zeg me wat er voor hem te bereiken valt wiens geest tot rust is gebracht, volmaakt verankerd door liefdadigheid en andere processen; en wat ook anders kan met deze processen van liefdadigheid en dergelijke worden bereikt als men verloren is met zijn geest niet onder controle? (47) Zolang we weten vielen anderen, de [zinnen en hun] goden bijvoorbeeld, al onder de controle van de geest en viel de geest nimmer onder de controle van ook maar iemand anders [dan de Allerhoogste]; angstwekkend als een god [Aniruddha] is hij overeenkomstig sterker dan de sterksten - waarlijk is Hij die de geest onder controle weet te krijgen de God der goden [zie ook B.G. 6: 35-36, *]. (48) Erin mislukkend die moeilijk te overwinnen vijand te onderwerpen [indien werelds betrokken, zie B.G. 6: 6] die in zijn aandrang zo onbeheersbaar kwelt en toeslaat, veroorzaken sommigen die om die reden volledig het spoor bijster zijn, onnodige tweestrijd, met de stervelingen in deze wereld vrienden, neutralen en rivalen zijnd. (49) Met het aanvaard hebben van het materiële lichaam als een deel van hun geest, in de zin van 'ik' en 'mijn', is het zo dat menselijke wezens verblind qua intelligentie door de moeilijk te boven te komen illusie van 'dit ben ik' en 'dat is iemand anders', rondwaren in duisternis. (50) Met het stellen dat [adhibhautika] deze mensen de oorzaak van mijn geluk en leed zouden zijn, welke ruimte biedt dit begrip dan aan de ziel; zij als zodanig behoren de aarde toe [en niet de ziel] - op wie moet je boos zijn als je tong toevallig wordt gebeten door je eigen tanden? (51) Als men zegt dat [adhidaivika] de goden verantwoordelijk zouden zijn voor het lijden wat heeft dat lijden dan met de ziel te maken; die pijn is geheel en al onderhevig aan verandering [terwijl de ziel dat niet is] - op wie ooit zou het levende wezen boos moeten zijn als het ene deel van zijn eigen lichaam het andere pijn doet? (52) Als de ziel zelf [adhyâtmika] de oorzaak zou zijn van het geluk en het leed, door wat anders dan door zijn eigen aard zou het dan in die optiek zo zijn; het is inderdaad zo dat er niets los staat van de ziel daar dat vals zou zijn - en op wie moet je boos zijn als er geen geluk en leed is [in de ziel die de getuige is, zie B.G. 2: 14]? (53) Als de planeten de oorzaak zouden zijn van geluk en leed, hoe zit het dan met de ziel die niet geboren wordt; zij hebben betrekking op dat wat geboren werd, zoals ze [de astrologen] het zeggen, de planeet verkeert enkel in moeilijkheden door andere planeten - op wie moet het levend wezen, onderscheiden van dat lichaam, dan kwaad worden? (54) Als we aannemen dat het karma de oorzaak is van geluk en leed, wat heeft dat karma dan voor de ziel te betekenen; zeker is dat de verlevigende persoon enerzijds en dit tot leven gewekte lichaam toegerust met bewustzijn dat [op zich zelf] niet leeft anderzijds, beiden niet de grondoorzaak van het karma zijn natuurlijk - op wie moet je dan kwaad zijn? (55) Als we zeggen dat de tijd de oorzaak van het geluk en het leed zou zijn, hoe zit het dan met de ziel in dat idee; de ziel behoort de tijd toe, zoals vuur de vlammen niet brandt of de sneeuw niet [te lijden heeft van koude] - op wie moet je kwaad worden als er geen dualiteit is met het allerhoogste [zie ook B.G. 18: 16 en tijdcitaten]? (56) Niet door wie dan ook, waar dan ook of op welke manier dan ook bestaat er voor hem, superieur door bovenzinnelijkheid, de invloed van de dualiteit waarin het valse ego zich opwerpt dat het materieel bestaan vorm geeft; hij wiens intelligentie aldus is ontwaakt heeft niets te vrezen van andere levende wezens. (57) Door de verering van de voeten van Mukunda zal ik de zo moeilijk over te steken oceaan van materiële onwetendheid oversteken; hiervan ben ik zeker bij de genade van de grote zieners uit het verleden [of de âcârya's] verankerd in de aanbidding van de Allerhoogste Ziel [zie ook B.G. 6: 1-2].'

(58) De Allerhoogste Heer zei: 'Met zijn rijkdom teloor gegaan onthecht rakend, zijn huis achter zich latend, vrij van neerslachtigheid de aarde bereizend en ondanks in dezen te zijn beledigd door schurken, zond de wijze niet verstek laten gaand in zijn plichten dit lied op. (59) Aangaande dat wat de ziel verdriet of leed bezorgt bestaat er niets buiten de geest, die begoocheld uit onwetendheid zich een materieel leven schiep van vrienden, neutralen en vijanden [zie ook 10.32: 17-22 en B.G. 9: 29]. (60) Daarom in alle opzichten, Mijn beste, breng met een intelligentie verzonken in Mij de geest onder controle en [bereik] aldus verbonden het volledige [het huwelijk, het alomvattende begrip] van de yoga [zie ook s'iks'âshthaka-vers 1]. (61) Wie dan ook die met volle aandacht mediteert op, anderen doet luisteren of zelf luistert naar dit [lied] gebasee rd op de kennis van het Absolute zoals gezongen door de bedelmonnik, zal voorzeker nimmer overweldigd zijn door de dualiteiten.'

 

Voetnoten:

*: Sommigen denken dat de essentie van de yoga eruit bestaat de geest helemaal te stoppen, maar Krishna benadrukt in dit hoofdstuk duidelijk dat het om de controle gaat, niet zo zeer het stoppen. Dat stoppen is een impersonalistische mâyâvâda-boeddhistische techniek om je op je essentie te concentreren en vormt een bewust gecreëerde illusie [zie Boeddhisme]. Neti-neti zeggend zoals Prahlâda b.v. zal de geest zich inderdaad concentreren op de essentie hetgeen nou juist de geest uitbouwt, bevordert, in die richting. Aldus neemt met het stoppen van het op de wereld betrokken denken, de ware bezigheid van de geest in gebeden en filosofie zijn aanvang. Niet op de siddhi's afgaand, de mystieke perfecties, moet de geest zo ingezet worden voor de Fortuinlijke, voor Krishna, middels het zich concentreren op Zijn namen, mantra's en verhalen; door s'ravanam, kîrtanam etc. moet men leren te luisteren, te zingen en te volgen naar de schrift, de goeroe en de mede-gelovigen. De eerste twee yoga sûtra's I.1&2 atha yogânus'ânamam, yogah citta vritti nirodah, moeten worden vertaald met 'nu, als de les van de yoga, ga het gepieker tegen van de geest over wereldse zaken' en niet met 'de yogales nu bestaat er uit de werking van de geest te stoppen'. Natuurlijk moet je je verstand gebruiken, je geest inzetten in gehoorzaamheid aan de Heilige Geest, naar de stem van God; de geest is per slot van rekening een aspect van het goddelijke bestuurd door Aniruddha in de catur vyuha (zie ook vritti en siddhi).

 

 

Hoofdstuk 24

De Analytische Kennis, Sânkhya, Samengevat

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'En nu zal Ik de analytische kennis met je bespreken zoals ingesteld door de klassieke autoriteiten, waarvan op de hoogte een persoon in staat is terstond de verbijstering gebasee rd op de dualiteit te laten varen. (2) In het tijdperk der plichtmatigheid [krita] bestonden er mensen bedreven in het van onderscheid zijn over de tijd voordien, waarin de ziener en het geziene eenvoudigweg één en het zelfde waren [zie ook 11.22: 29]. (3) Dat ene ongedifferentieerde ware waar de spraak en de geest geen toegang toe hebben, veranderde in de tweevoud van de vormen van de voortbrengselen van de materiële natuur en het grote van haar gelijkaardigheid [prakriti en purusha, zie 11.22]. (4) Een van de twee is inderdaad zij, de substantie van de materiële natuur, bestaande uit een dubbel zelf [voortbrengselen en oorzaken] en de andere bestaansvorm is hij, de kenner, die de oorspronkelijke persoon wordt genoemd [de genieter of het mannelijk principe]. (5) Uit de [pradhâna] materiële natuur manifesteerden door Mij [als Kâla] in beroering gebracht, en door de instemmende oorspronkelijke persoon, zich de geaardheden van tamas, rajas and sattva [de gunas]. (6) Uit dezen deed zich de draad voor van de oer-natuur [de sûtra] en in de transformatie van dat grote [de mahat-tattva] daarmee verenigd werd de identificatie ontwikkeld [ermee van de purusha als ahankara of vals ego], welke de oorzaak van de verbijstering is. (7) Het ik-bewustzijn [ego] van de drie categorieën zijnde van emotie, schittering en duisternis is in het bestrijken van de zinsobjecten [tanmâtra], de zintuigen [indriyas] en de geest [manas] de oorzaak van begrijpen en niet begrijpen [het zogenaamde bewuste en onbewuste]. (8) Uit de traagheid ontsproten de motieven [de substantie] en hun gevoelens, uit de schittering [de gedrevenheid, de passie] ontleenden de zinnen hun bestaan, en de elf goden rezen op uit de emotie [ofwel de goedheid onderhevig aan verandering, zie deva]. (9) Door de vermenging van al de elementen werd het ei van het universum tot stand gebracht dat dienst doet als Mijn verheven verblijf [zie vanaf 11.22: 18].

(10) In het water van de oceaan der oorzaken verscheen Ik binnen in dat ei [als Nârâyana] en uit Mijn navel rees een lotus op die bekend staat als universee l en daarin was er toen de uit zichzelf geborene [Brahmâ, zie 3.8]. (11) Hij, de ziel van het universum, schiep door zijn boete, begiftigd met de passie, bij Mijn genade de verschillende werelden in drieën genaamd de aarde, de atmosfeer en de hemel [bhûh, bhuvah en svaha], tezamen met hun heersers [zie Gâyatrî en loka]. (12) De hemel werd het thuis voor de goden, de atmosfeer het thuis voor de geestverschijningen, de aardse plaatsen vormen het thuis voor de mensen en de andere levende wezens en het voorbije van deze drie is er voor hen die van de volmaaktheid zijn [siddhaloka]. (13) De plaatsen lager aan de aarde werden door de meester geschapen als de verblijfplaats voor de onverlichte zielen en zij die perfect zijn in het ego [de 'slangen', de Nâga's]; van hen die verkeren onder de invleod van de gunas zijn de bestemmingen van de drie werelden er overeenkomstig al de soorten van karma [zie B.G. 4: 17, 10.1: 42-43]. (14) Door boete, yoga, en zelfs door verzaking [in sannyâsa] is men van de smetteloze bestemmingen mahar, janas, tapas en satya, maar Mijn bestemming [vaikunthha] is er met toegewijde dienst. (15) Zoals beschikt door Mij, de Ondersteuner, het Zelf van de Tijd, rijst men op en verdrinkt men in de machtige stroom van de geaardheden van deze wereld van gebonden zijn aan baatzuchtige arbeid. (16) Wat het kleine, het grote, het dunne of het massieve ook moge zijn dat men kan opmerken van de manifestatie, wordt allemaal met elkaar verbonden door de twee van de materiële natuur en de genieter [zie ook B.G. 18: 16]. (17) Zoals het is met allerdaagse zaken - als dingen van goud en gebruiksartikelen vervaardigd uit klei - is een product er in de omvorming vanaf het begin tot zijn middenstadium en tot zijn einde als een werkelijkheid [als de 'elementaire oorzaak', vergelijk 6.16: 22, 10.87: 15, 11.22: 8]. (18) Dat ding waaruit als de voorgaande elementaire oorzaak een ander ding is voortgebracht als de omvorming ervan, wordt waar genoemd als het van het begin tot het einde aanwezig is [vergelijk B.G. 2: 13, 2: 16]. (19) De materiële natuur die de grondslag vormt [âdhâra] van de elementaire oorzaak, het ware dat de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoon is, en de in beroering brengende instantie van de Tijd, deze drie [kâla, purusha en prakriti] vormen tezamen de Absolute Waarheid [het brahman] die Ik ben. (20) Voor zolang er op toegezien [wordt door Mij], blijft voor het doel van de rijke verscheidenheid van het leven naar de geaardheden, de schepping in die zin van ouders en kinderen zonder ophouden bestaan tot aan het einde van haar handhaven [zie ook B.G. 3: 24]. (21) Toegerust met haar verschillende planeten het vergund eigenschappen van de vijf grofstoffelijke elementen ten toon te spreiden, manifesteert de universele gedaante, door Mij doordrongen, in tijdperken de verscheidenheid [zie yuga's en manvantara's, en B.G. 11: 13]. (22-27) Het sterfelijk omhulsel wordt [ten tijde van de vernietiging] opgenomen in het voedsel, het voedsel in het graan, het graan in de aarde en de aarde in de geur. De geur gaat over in het water, het water in de kwaliteit ervan, die smaak in het vuur en het vuur in de vorm. De vorm gaat op in de aanraking, de aanraking dan in de ether, de ether in het subtiele voorwerp van het geluid, en de zinnen [van het geluid etc.] in hun bronnen [de goden van de zon en de maan etc.]. De bronnen [als ahânkara ego van passie] gaan op in de emoties [het ego der goedheid], Mijn beste, en zij gaan op in de geest, de beheerser van het geluid, welke oplost in het oorspronkelijke van de elementen [het ego der traagheid], en dat almachtige primair elementaire gaat op in de cosmische intelligentie [mahat]. Dat grotere van de natuur gaat over in zijn eigen geaardheden en zij in hun uiteindelijke verblijftplaats van het ongemanifesteerde dat zijn oplossing vind in de onfeilbare Tijd. De tijd gaat over in de individualiteit [de jîva] van het Allerhoogste dat het illusoir vermogen stuurt en die individualiteit gaat op in Mij, het Allerhoogste Ongeboren Zelf [âtmâ], die, gekenmerkt door schepping en vernietiging, gevestigd in Zichzelve alleen blijft [zie ook 3.11: 28, 4.23: 15-18, 11.3: 12-15]. (28) Hoe kan, precies zoals de duisternis met de zon die oprijst aan de hemel, op deze manier, van degene die nauwlettend naspeurt, de verbijstering van de geest der dualiteit zich handhaven in het hart? (29) Door Mij de Opzichter van de Geestelijke en Materiële Wereld, werd aldus deze sânkhya instructie van analyse uitgesproken [zie ook 3.25-33] welke de band der twijfels breekt in het meegaan met en het ingaan tegen de aard der dingen.

 

 

Hoofdstuk 25

De Drie Geaardheden der Natuur en Daarboven

(1) De Opperheer zei: 'O beste van alle personen, probeer dit te begrijpen wat Ik zeg over hoe en door welke van de geaardheden der natuur in hun zuivere staat [*] een persoon wordt beïnvloed. (2-5) Naar de geaardheid goedheid zijn er: gelijkmoedigheid, zinsbeheersing, tolerantie, onderscheidingsvermogen, boetvaardigheid, waarachtigheid, mededogen, heugenis, tevredenheid, verzaking, begeerteloosheid, gelovigheid, bescheidenheid en het genoegen vinden in zichzelf. Naar de geaardheid hartstocht zijn er: lusten, onderneming, zelfmisleiding, ongenoegen, hoogmoed, de hang naar zegeningen, partijdigheid, zinsbevrediging, overhaasten, hang naar lof, hoon, machtsvertoon en straffen met harde hand. Naar de geaardheid onwetendheid zijn er: intolerantie, hebzucht, bedrieglijkheid, geweld, aandacht vragen [bij vrouwen m.n.], huichelarij, lusteloosheid, ruzie, weeklagen, begoocheling, het lijden onder depressies, laksheid, valse verwachtingen, angst en indolentie. Dezen, de een na de ander beschreven, maken het leeuwendeel uit van de functies der geaardheden; verneem nu over hun combinaties [zie ook B.G. 14]. (6) O Uddhava, de alledaagse handelingen in de geest van 'ik' en 'mijn' zijn er zo van hun combinatie, net zoals de activiteiten van de geest, de zinnen, hun voorwerpen en de vormen van de levensadem er zijn als een combinatie van hen [zie ook 11.23: 49, 11.24: 7, 11.24: 13]. (7) Als een persoon verankerd is in religiositeit, economische ontwikkeling en zinsbevrediging brengt ieder van de geaardheden zich onderling vermengend hierbij het geloof, de weelde en het plezier met zich mee. (8) Als een persoon in het gezinsleven uitblinkt in toewijding [rajas] op het pad van het materiële genoegen [tamas] en later gevestigd raakt in religiositeit [sattva] is dit waarlijk een combinatie van de geaardheden. (9) Uit een persoon zijn kalmte kan worden afgeleid dat hij begaan is met de goedheid, uit zijn lust dat hij van de hartstocht is en uit zijn woede dat hij in de greep verkeert van de onwetendheid. (10) Als men Mij aanbidt met toewijding onafhankelijk van de resultaten behoort een dergelijke man, of evenzogoed een dergelijke vrouw, te worden verstaan als zijnde van de geaardheid goedheid. (11) Als men Mij aanbidt in de hoop op zegeningen moet dat worden begrepen als zijnde van de geaardheid hartstocht, en met de bedoeling schade toe te brengen als zijnde van de onwetendheid [zie ook B.G. 17: 20-22]. (12) De geaardheden van sattva, tamas en rajas hebben zo betrekking op de individuele ziel en niet op Mij; men is aan hen gebonden daar zij, in de geest zich opwerpend, leiden tot de gehechtheid aan materiële effecten [zie ook B.G. 4: 14]. (13) Als de geaardheid goedheid - welke zuiver is, van het licht en goedgunstig - heerst over de anderen, zal een man gezegend zijn met geluk, religiositeit, kennis en andere goede eigenschappen [zie ook B.G. 14: 11, 18: 37]. (14) Als de hartstocht het wint van zowel de goedheid als de traagheid raakt men, dan van de gehechtheid, het partijdige en de verandering zijnde, gevangen in baatzuchtige arbeid, het hebben van een goede naam en het welvarend zijnd [zie ook B.G. 14: 12, 18: 38]. (15) Als de duisternis de hartstocht en de goedheid overvleugelt is iemands onderscheidingsvermogen verslagen, iemand in zijn bewustzijn overdekt, verliest men zijn initiatief en beland men in het weeklagen en de verbijstering, met teveel slapen, geweld en valse verwachtingen [zie ook B.G. 14: 13, 18: 39]. (16) Als de geest opheldert en de zinnen niet langer afleiden is er onbevreesdheid met het lichaam en onthechting van de geest; ken dat als de goedheid van Mijn positie. (17) De hartstocht moet je herkennen aan deze symptomen: de intelligentie is verstoord door te veel drukte, men slaagt er niet in zich los te maken van zijn zintuigen, men is niet op zijn gemak met het eigen lichaam en de geest is wispelturig. (18) Falen in de hogere functies van het bewustzijn, versuffen, zich niet kunnen concentreren, de geest teloor zien gaan, in het duister tasten en neerslachtig zijn moet je begrijpen als zijnde van de geaardheid onwetendheid. (19) Met het naar voren treden van de geaardheid goedheid neemt de kracht van de goddelijken toe, met de toename van hartstocht winnen de onverlichte zielen aan kracht en als de geaardheid onwetendheid toeneemt, o Uddhava, treedt de wildeman naar voren. (20) Weet dat de bewustzijnstoestand van het waken er is bij genade van de geaardheid goedheid, dat slaap een aanduiding vormt voor de hartstocht, dat de diepe slaap er is met de onwetendheid van het levende wezen, terwijl de vierde staat [het transcendentale] de drie doordringt [zie ook 7.7: 25 en B.G. 6: 16]. (21) Met de geaardheid goedheid klimmen personen hoger en hoger op, met de geaardheid onwetendheid gaat men met het hoofd naar beneden lager en lager en met de geaardheid hartstocht blijft men er tussenin hangen [zie ook B.G. 6: 45, 16: 19]. (22) Zij die sterven in de geaardheid goedheid gaan naar de hemel, zij die in hartstocht sterven gaan naar de wereld der mensen en zij die sterven in onwetendheid gaan naar de hel; zij echter die vrij zijn van de geaardheden gaan naar Mij [zie ook B.G. 9: 25, 14: 18]. (23) Werk plichtmatig gedaan als een offer aan Mij zonder de resultaten te verlangen, verkeert in de geaardheid goedheid, werk gedaan met het oog op een of ander resultaat verkeert in de geaardheid hartstocht en dat wat men doet met geweld en dergelijke verkeert in de geaardheid onwetendheid [17: 20-22]. (24) Kennis in de geaardheid goedheid is emancipatoir [van de verlichting], van de hartstocht is men meningen toegedaan en in onwetendheid is men materialistisch van overtuiging terwijl de spirituele kennis op Mij geconcentreerd wordt beschouwd als zijnde vrij van de geaardheden [zie ook 6.14: 2]. (25) Als men zijn verblijf heeft in het woud [men een kluizenaar is] is men van de geaardheid goedheid, als men onder de mensen verblijft [familie] is men van de hartstocht zo zegt men, en als men zich ophoudt in een gokhuis is men van de geaardheid onwetendheid, maar Mijn verblijf bevindt zich boven de geaardheden [zie ook 7.12: 22, 11.18: 25]. (26) Een werker vrij van gehechtheid is van de geaardheid goedheid, verblind door persoonlijke verlangens is men een man van de hartstocht, en als iemand die tewerk gaat in onwetendheid wordt hij beschouwd die weg viel van de heugenis [zie 11.22: 38-39]; hij die bij Mij zijn toevlucht heeft gezocht [echter] is vrij van de geaardheden. (27) Van de ziel verkeert het geloof in de goedheid, maar van de hartstocht is het geloof in vruchtdragend handelen; areligieus is van de geaardheid onwetendheid, maar dat geloof dat Mij ten dienst staat is transcendentaal aan de geaardheden. (28) Goedgunstig, zuiver en zonder moeite verkregen wordt voedsel beschouwd als zijnde van de geaardheid goedheid, [sterk] appellerend aan de zintuigen is het van de geaardheid hartstocht en als zijnde van de onwetendheid beschouwt men onzuivere voeding die iemand doet lijden [zie ook B.G. 17: 7-10]. (29) Geluk ontleend aan de ziel is van de geaardheid goedheid maar opgewekt door zinsobjecten is het van de hartstocht; van de geaardheid onwetendheid ontleent men zijn geluk aan misvatting en ontaarding, maar het geluk vrij van de geaardheden wordt in Mij gevonden [zie 11.15: 17 & B.G. 5: 21, maar ook 6: 7].

(30) En aldus behoren al dezen van de substantie, de plaats, de vrucht, de tijd, de kennis, de handeling, degene die handelt, het geloof, de staat van bewustzijn en de bestaansvormen en levensbestemmingen, tot de drie guna's. (31) Alle staten van bewustzijn, of men ze nu zag, hoorde of zich met zijn intelligentie voor de geest haalde, worden, samengesteld uit de guna's, ingesteld en gehandhaafd door de genieter subtiel van aard, o beste onder de mannen [zie ook linga]. (32) Het individu door wie, o zachtgeaarde, deze geaardheden der natuur worden overwonnen - die in samenhang met het karma als opeenvolgende stadia van het bestaan van een levend wezen als [deze drie groepen van] kwaliteiten zich manifesteren in de geest - bereikt, in de bhakti-yoga Mij toegewijd, zijn doel door de liefde die hij voor Mij heeft. (33) Daarom moeten, met het verworven hebben van dit lichaam, deze bron van kennis en wijsheid, zij die slim zijn in het aanbidden van Mij het van zich afschudden part of deel te hebben aan de geaardheden. (34) De wijze, de man van scholing, moet, vrij van dat deel hebben aan, zonder verbijstering zijn zinnen onderworpen hebbend, in dienst staande van de goedheid de hartstocht en de onwetendheid overwinnen. (35) In verbinding staand moet hij ook, vrij van het afhankelijk ervan zijn, de goedheid overwinnen zodat hij, met zijn intelligentie tot vrede in het verlost zijn van de guna's, Mij bereikt met het als een individuele ziel opgeven van de oorzaak van zijn geconditioneerd zijn. (36) Het levende wezen, als een individuele ziel door Mij aldus bevrijd uit de geaardheden der natuur die zich in zijn geest nestelden, is zo, door de Absolute Waarheid, volkomen en behoort noch naar het innerlijke noch naar het uiterlijke [van het leven nog langer] rond te dolen.'

 

Voetnoot:

* Het woord natuur kan letterlijk worden genomen als de geaardheden in de zin van de seizoenen en hun bijbehorende primaire godheden. Krishna zegt dat Vishnu, die de oorspronkelijke beheerser boven de geaardheden is, de beste van alle goden is [10.89: 14-17], van de goedheid is [11.15: 15], de zuiverste geaardheid [B.G. 14: 6], die leidt tot de goddelijkheid die Hij is [B.G. 14: 14] en dat van de seizoenen Hij het lenteseizoen is [B.G. 10: 35]. Als zodanig is de lente/herfst Zijn seizoen van evenwicht en de geaardheid goedheid. Op de zelfde manier is de onbeweeglijkheid van de koude representatief voor de geaardheid onwetendheid beheerst door S'iva en de hyperactiviteit en hittte van de zomer een verto0n van de geaardheid hartstocht waarover Brahmâ heerst.

 

 

Hoofdstuk 26

Het Lied van Purûravâ

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Met het hebben verworven van dit menselijk lichaam bereikt men, vanuit Mijn dharma op Mij gericht, de Opperziel van het Spiritueel Geluk, Mij, die Zich bevindt in het hart. (2) Toegewijd in de spirituele kennis raakt een persoon die bevrijd is van de oorzaak van een afzonderlijk bestaan dat is gebasee rd op de geaardheden der natuur, levend temidden van deze natuurlijke kwaliteiten, niet verstrikt in de trivialiteit van die effecten van de natuur - die met hun begoochelen van de zinnen niet wezenlijk zijn ondanks het feit dat men ze ziet. (3) Men moet nooit en te nimmer de omgang zoeken met de onwaarachtigen die zich wijden aan het bevredigen van hun geslachtsdelen en magen daar hij die dergelijke mensen navolgt in de donkerste put beland, net als een blinde die zich laat leiden door een blinde. (4) De nakomeling van Ilâ [Aila of Purûravâ, zie ook 9.14: 15-16], de welbekende grote keizer, zong dit machtige lied met het, verbijsterd als hij was, in gescheidenheid van Urvas'î uiteindelijk zijn weeklagen onder controle krijgen in de onthechting die hij voelde. (5) Toen hij naakt stond en ze hem verliet riep de koning als een gek om haar die er van tussen ging, haar nazittend vol leed uitbrengend: 'O mijn echtgenote, o jij vreselijke vrouw, alsjeblieft stop!' (6) Nog steeds niet voldaan met het bevredigen van onbeduidende lusten voor zo vele jaren, besefte hij, in zijn geest aangetrokken tot Urvas'î, niet hoe de dagen en nachten waren gekomen en gegaan.

(7) Aila zei: 'Hoe betreurenswaardig is de mate van mijn begoocheling; met mijn bewustzijn besmet door de lust had ik, in de kraag gegrepen door deze godin, niet door hoe mijn levensperioden waren voorbij gegaan. (8) Onder haar invloed had ik, helaas, voor zo vele jaren die zo vele dagen omvatten, er werkelijk geen idee van of de zon nu op- of onderging. (9) Hoe onfortuinlijk die totale verbijstering van mezelf om reden waarvan het lichaam van deze machtige keizer, dit kroonjuweel der koningen, een speelgoedbeest werd van de vrouwen! (10) Met het achterlaten van mij, de machtige heerser, met mijn hele koninkrijk erbij als was ik een grasspriet, holde ik aldus, het uitroepend als een waanzinnige, naakt achter de vrouw aan. (11) Waar nu blijf ik met de invloed, kracht, heerschappij van de persoon die ik ben? Wie liep er nu achter deze vrouw aan die er tussenuit kneep, waarbij ze net als een ezel met de hoef ter afstraffing me in het gezicht trapte? (12) Wat baat de kennis, de verzakingen en de boete, het hebben geluisterd naar de geschriften, of wat voor nut heeft de afzondering en stilte voor hem wiens geest werd weggestolen door de vrouwen? (13) Naar de hel met de dwaas die ik ben niet bekend met wat goed is voor zijn eigen heil, ik die dacht dat hij een geleerde was met het bereiken van de positie van het heer en meester zijn, maar net als een os of een ezel door de vrouwen werd overweldigd! (14) Met het voor zo vele jaren dienen van Urvas'î haar lippen kreeg ik, met de lust aan mijn geest ontsproten, nimmer genoeg van de nectar, net als een vuur dat nimmer bevredigd is met de offergaven. (15) Wie, behalve de Heer der Wijzen Innerlijk Tevreden, de Opperheer Voorbij de Zinnen, zou er toe in staat zijn iemand anders te verlossen die zijn verstand heeft verloren aan een dame van plezier? (16) Van mij, traag van geest, nam, zelfs al was ik door de godin op de hoogte gesteld met woorden goed geformuleerd, de verwarring niet af, met het mezelf niet overwonnen hebben [zie 9.14: 20-22]. (17) Waaruit zou haar overtreding nu bestaan ten opzichte van een 'ziener' zoals wij die, een stuk touw voor een slang houdend, de werkelijke identiteit niet inziet; ik ben immers degene die zijn zinnen niet de baas was. (18) Wat heeft dit vuile lijf, onrein, vol van kwalijke luchten, nu te bieden, wat stellen die 'bloeiende kwaliteiten' en zo voorts nu voor eigenlijk, voorzeker vormen ze een valse schijn zich voordoend door onwetendheid! (19-20) Of het nu het eigendom is van de ouders, de echtgenote, de werkgever, het vuur, de honden en de jakhalzen, de ziel of de vrienden kan men nooit bepalen. Aan dat walgelijke materiële lichaam gehecht raken omdat het zo aantrekkelijk is, in de vrouwelijke vorm met zo'n lief neusje, zo'n mooie glimlach en mooi gezicht, stevent men af op de laagste bestemming. (21) In welk opzicht verschilt men van wormen in het genieten van wat is samengesteld uit huid, vlees, bloed, spieren, vet, beenmerg en been, urine, ontlasting en pus? (22) Hij die weet wat het beste voor hem is, moet nimmer er ook maar aan beginnen het aan te leggen met vrouwen of mannen aangetrokken tot vrouwen, om geen enkele andere reden dan het feit dat de geest verenigd met de zinnen reikend naar de zinsobjecten van streek raakt [vergelijk 5.5: 2, 7.12: 9, 9.19: 17, 9.14: 36]. (23) Een ding dat men niet ziet of hoort geeft geen aanleiding tot mentale beroering; de geest van degene die de levenskrachten [de zinnen] inperkt vindt, aldus gestopt, de vrede. (24) Als de zintuigen, deze zes vijanden [shath-varga], nog zelfs niet door de wijzen kunnen worden vertrouwd, wat dan te zeggen van personen als ik; het is om die reden dat men niet de omgang moet zoeken met vrouwen of mannen aangetrokken tot vrouwen [zie ook yoshita].'

(25) De Allerhoogste Heer zei: 'Hij aldus als de beste onder de koningen en de halfgoden het zo zingend, gaf, zich Mij, de Opperziel, in zichzelf realiserend de wereld van Urvas'î op en werd waarlijk vreedzaam toen zijn illusie werd weggenomen door het geestelijke inzicht. (26) Iemand met gezond verstand moet daarom het slechte [of begeertige van het] gezelschap van zich afzetten en zich hechten aan de godvruchtigen [met inbegrip van de devi's, om geen seksist te zijn]; daar bij de woorden van de heiligen wordt gekapt met de diepe gehechtheid van de geest. (27) De toegewijden die met hun geesten gevestigd op Mij niet afhankelijk zijn [van lusten] zijn volledig van de vrede met een gelijke blik vrij van bezitsdrang, vals ego, dualiteiten en begeerte. (28) O hoogst fortuinlijke ziel, voortdurend doen zich onder die hoogst fortuinlijke zielen de discussies voor over Mij; van personen die deel nemen in deze gesprekken worden de zonden geheel uitgewist. (29) Zij die luisteren, zingen en ze daadwerkelijk met respect ter harte nemen, zij aldus besloten trouw van ziel, bereiken de bhakti voor Mij. (30) Wat anders zou er nog overblijven [om te bereiken] voor de toegewijde die het heeft gebracht tot de toegewijde dienst aan Mij, Hij van de Talloze Kwaliteiten, de Absolute Waarheid die de Ervaring van het Geestelijk Geluk Omvat. (31) Net als de koude, de angst en de duisternis zich zal oplossen voor hem die zijn beroep doet op het allerhoogste van het vuur [Agni] wordt evenzo de traagheid van begrip, het gevoel van onveiligheid en de onwetendheid weggenomen van degene die de godvruchtigen van dienst is. (32) Voor hen die kopje onder gaan en weer boven komen drijven in de verschrikkelijke oceaan van het materiële leven zijn de vrome toegewijden, vreedzaam in hun begrip van het Absolute, een hoogst verheven toevlucht die net is als wat een sterk schip in het water is voor een drenkeling [vergelijk 11.23: 28 en 11.17: 44]. (33) Met het voedsel inderdaad als het leven zelf van de levende wezens, met Mij als de toevlucht van hen die in nood verkeren en de religie als dé verworvenheid voor mensen die overlijden, vormen de toegewijden de toevlucht voor hen die er beducht voor zijn af te glijden. (34) De toegewijden schenken je de ogen waar de zon het uitwendige vergunt na te zijn opgegaan; de toegewijden zijn degenen die te aanbidden zijn, je [ware] familie, evenzogoed als ze je eigenlijke ziel zijn en Mij eveneens [zie ook b.v. 1.1: 15, 3.5: 47, 3.6: 28, 11.2: 6]. (35) Hij zich overgevend aan het opperste [Purûravâ] om die reden, reisde, aldus bevrijd van het verlangen naar de wereld van Urvas'î, verlost van alle gehechtheid en waarlijk in zichzelf tevreden rond over deze aarde.' 

 

Hoofdstuk 27

Over het Respecteren van de Vorm van God

(1) S'rî Uddhava zei: 'AlsJeblieft geef uitleg over de yoga van de dienst aan Jou als een beeltenis, o Meester; wie is van die aanbidding, voor welke vorm is men van aanbidding en op welke manier aanbidt men Je, o Meester van de Sâtvata's [zie ook mûrti en 11.3: 48-55]? (2) De wijzen Nârada, Bhagavân Vyâsa en mijn leermeester de zoon van Angirâ [Brihaspati] zeggen herhaaldelijk dat er niets is dat meer bevorderlijk is voor het welzijn. (3-4) Uit Jouw lotusmond kwam dat voort wat de grote ongeboren heer sprak voor zijn zoons met Bhrigu aan het hoofd, voor de godin [Pârvatî] en de grote heer S'iva [zie B.G. 3: 9-10]; dit [werken voor het doel van het offeren] inderdaad gewaardeerd door alle klassen en geestelijke orden van de samenleving, denk ik, is de meest gelukkige manier voor [zelfs, of, de omgang met] vrouwen en de werkende klasse, o Grootmoedige. (5) O Heer met de Lotusogen, alsJeblieft, o Beheerser van Alle Beheersers van het Universum, spreek tot Je bhakta zo vol van gehechtheid over de middelen om bevrijd te raken uit de gebondenheid aan het karma.'

(6) De Allerhoogste Heer zei: 'Er is geen einde aan de talloze beschrijvingen voor het handelen in yoga [zie b.v. B.G. 1-6]; dus, Uddhava, laat me het in het kort netjes stap voor stap uitleggen. (7) Men moet naar behoren van aanbidding zijn door te kiezen voor een van de drie soorten van processen van eerbetoon: naar de drie van de Veda, de verklarende literatuur [tantra's als de pañcarâtra] en naar een combinatie van hen. (8) Alsjeblieft luister met geloof op welke manier een persoon, die naar de voor hem relevante voorschriften [*] de status van een tweede geboorte verwierf, met toewijding van aanbidding moet zijn voor Mij. (9) Met de noodzakelijke hulpmiddelen moet hij, verbonden in de bhakti, vrij van nevenmotieven Mij, zijn aanbiddelijke goeroe, vereren in een beeltenis, een altaar, een vuur, de zon, het water of in het tweemaal geboren hart zelve [**]. (10) Naar de twee soorten van zuivering moet men eerst een bad nemen en zijn tanden poetsen en ten tweede een bad nemen in de mantra's met gebruikmaking van klei en dergelijke [zie tilaka, kavaca en 6.8: 3-10]. (11) Van ceremonieel respect op de drie overgangstijden van de dag, plichten nakomend zoals voorgeschreven door de Veda's [zie ook 11.14: 35], behoort hij die zich in zijn overtuiging volmaakt gefixeerd heeft met deze handelingen Mijn rituele aanbidding [puja] ten uitvoer te brengen die een einde maakt aan het karma.

(12) De vorm herinnert men zich op acht verschillende manieren: in steen, hout, metaal, een smeerbare substantie [zoals klei], geschilderd, in zand, in juwelen en als een beeltenis vastgehouden in de geest. (13) De individuele gedaante aldus van twee soorten - aan verandering en niet aan verandering onderhevig - hoeft, in geval van een permanente installatie in de tempel, o Uddhava, niet tevoorschijn worden gehaald (âvâdhana) of weer worden opgeborgen (udvâsa). (14) Tijdelijk geïnstalleerd is dat een mogelijkheid, maar met het toewijzen van een plaats [zoals in zand] doen deze twee zich voor; niet uit een smeerbare substantie bestaand [of van verf of hout] wordt het gewassen, maar in andere gevallen wordt het gereinigd zonder water. (15) Er is de aanbidding van de verschillende vormen van Mij met hulpmiddelen van de beste kwaliteit en er is de aanbidding van een toegewijde vrij van materiële verlangens die gebruik maakt van wat er maar zonder moeite voor handen is, zowel als voorzeker de aanbidding in het hart met behulp van wat men zich in de geest voorstelde.

(16-18) Gewoontegetrouw baden en opsieren wordt het meest op prijs gesteld met een beeltenis [in de tempel], Uddhava, voor een altaar is dat een oefening van respect in mantra's [tattva-vinyâsa] en voor het vuur worden offergaven [van sesam, granen e.d.] verzadigd van de ghee het beste geacht. Voor de zon is dat een respectvolle begroeting met een meditatie in âsana's [zie Sûrya-namskar] en voor het water zijn offergaven van water en dergelijke het meest dierbaar. Als zelfs maar een beetje water door Mijn bhakta aangeboden met geloof [Mij] allerdierbaarst is [zie ook B.G. 9: 26], hoeveel te meer zou dat dan niet voor voedsel, bloemen, lampen, geuren en wierook gelden; maar het vele dat wordt geofferd door niet-toegewijden zal niet Mijn bevrediging teweeg brengen [zie ook B.G. 16]. (19) Schoon zijnd, de noodzakelijke hulpmiddelen bijeen gebracht hebbend, met de halmen [van het kus'agras] van de zitplaats die werd geregeld naar het oosten, en neerzittend met het gezicht naar het oosten of het noorden, of anders direct met de beeltenis voor zich, moet hij dan van eerbetoon zijn [vergelijk 1.19: 17, 4.24: 10, 8.9: 14-15]. (20) Met het zingen van mantra's en het toewijzen ervan aan zijn eigen lichaam en het lichaam van Mijn beeltenis moet hij met de hand schoonvegen [het altaar en de beeltenis] en op de goede manier de heilige dienschaal en het vat voor het sprenkelen van het water voorbereiden. (21) Met het water van het vat de plek van de beeltenis, de gebruiksartikelen en zijn eigen lichaam besprenkelend, moet hij vervolgens drie vaten met water klaarzetten en voorzien in de nodige goedgunstige zaken die beschikbaar zijn [zoals bloemen, granen, grashalmen, sesamzaad, etc., zie ***]. (22) De drie watervaten die er zijn met het water voor Zijn voeten [pâdya], Zijn handen [arghya], en Zijn mond [âcamana] moet de aanbidder dan zuiveren met de mantra's voor [respectievelijk] het hart [hridayâya namah], het hoofd [s'îrase svâhâ] en de pluk met haar [s'ikhâyai vashath] als ook met de Gâyatrî. (23) Hij behoort te mediteren op de Oorspronkelijke Individualiteit van alle Expansies, de hoogste subtiele bovenzinnelijke gedaante van Mij die, binnen in dit lichaam volledig zuiver door de lucht en het vuur, zich bevindt op de lotus van het hart en wordt ervaren in het natrillen van de Pranava [zie ook 2.2]. (24) Bij die vanuit zijn eigen realisatie begrepen, bemediteerde gedaante volmaakt van aanbidding binnen in het lichaam, dat van Zijn aanwezigheid doordrongen geladen raakte, behoort hij tot in het detail het eerbetoon uit te voeren door Hem uit te nodigen [nyâsa] met het beroeren van Zijn ledematen met mantra's zodat Hij Zijn plaats krijgt in de gerespecteerde beeltenis en alles erbij. (25-26) Men moet voor het bereiken van beide [het plezier en de bevrijding], naar zowel de Veda's als de tantra's, tezamen met de artikelen der aanbidding Mij de offers brengen van het pâdya, arghya en âcamana water, na zich voor zichzelf een voorstelling te hebben gemaakt van Mijn zitplaats met de negen s'akti's en het dharma enz. [*4] als zijnde een stralende lotus met acht kelkbladen met binnenin de werveling de saffranen meeldraden. (27) De een na de ander moet hij de Heer Zijn schijfwapen [de sudars'ana cakra], Zijn schelphoorn [de pâñcajanya], Zijn knots [de kaumodaki] en Zijn pijlen en boog achten [de s'arnga], Zijn [Balarâma voorwerpen van de] ploeg en het kaakbeen [hala en mushala], Zijn juweel [de Kaustubha], Zijn bloemenslinger [de vaijayantî] en Zijn krul met witte haren op Zijn borst [de s'rîvatsa]. (28) Garuda, Nanda, Sunanda, Pracanda en Canda; Mahâbala en Bala en verder Kumuda en Kumudekshana [zijn de namen van Zijn draagvogel en acht metgezellen]. (29) Durgâ, Vinâyaka [Ganes'a], Vyâsa, Vishvaksena [zie 6.8: 29, 9.21: 25-26], de geestelijk leraren en de goddelijken behoren ieder vanaf hun eigen plaats met hun gezicht naar de beeltenis toe te worden aanbeden met het sprenkelen van water en andere rituelen [*5]. (30-31) Gebruik makend van met sandelhout, us'îra wortel, kamfer, kunkuma en aguru geparfumeerd water, behoort de aanbidder iedere dag [de beeltenis] te baden voor zover zijn middelen het toestaan; ook moet hij hymnen aanheffen, zoals die van het vedisch hoofdstuk bekend staande als svarna-gharma, de aanhef genaamd mahâpurusha, de purusha-sûkta [uit de Rig Veda] en gezangen uit de Sâma Veda zoals de râjana en dergelijke. (32) Met kleding, een heilige draad, sierselen, tilakatekens, bloemenslingers en geurige oliën behoort Mijn toegewijde Mij met liefde op te sieren zoals is voorgeschreven. (33) Pâdya en âcamana water, geuren en bloemen, ongebroken granen, wierook, lampen en dergelijke artikelen moeten Mij door de aanbidder met geloof worden aangeboden. (34) Naar gelang de draagkracht moet men voorzien in offergaven van voedsel als kandij, zoete rijst, rijstmeelcake met ghee [s'ashkulî], zoete cake [âpûpa], zoete rijstmeelballen met kokosnoot [modaka], hartigzoete tarwecake met ghee en melk [samyâva], yoghurt en groentesoepen. (35) Het masseren met zalf, reinigen van de tanden met gebruikmaking van een spiegel, het baden, voedsel om te kauwen en voedsel dat niet moet worden gekauwd, het dansen en het zingen moet er zijn op speciale dagen of anders iedere dag. (36) In een offerperk opgezet zoals staat voorgeschreven behoort men, met een gordel om, met een vuurplaats en een hoogte om op te offeren, met de hand een vuur aan te leggen en aan te steken dat gelijkmatig is opgebouwd. (37) Met het uitspreiden [van kus'agras, matten] en het dan besprenkelen en ceremonieel [anvadhânâ] volgens de regels plaatsen van hout in het vuur behoort hij, met het hebben voorzien in het âcamana water, de artikelen om te offeren besprenkelen, op Mij mediterend als Me bevindend in het vuur. (38-41) Met het mediteren op Hem, met Zijn schelphoorn, schijf, knots en lotus, Zijn vier armen en de rust die van Hem uitgaat, als zijnde schitterend met een kleur van gesmolten goud; met Zijn kledingstuk met de kleur van de meeldraden van een lotus, glanzende helm, armbanden, gordel, de sierselen aan Zijn armen, de s'rîvatsa op Zijn borst, de stralende Kaustubha en een bloemenslinger; met het werpen van stukken hout gedrenkt in ghee in het vuur en het in de loop van het arghya-ritueel doen van de twee offers van het sprenkelen van de ghee [op twee manieren genaamd ârgâharas] en het doen van [twee verschillende] uitgietingen van ghee [genaamd âjyabhâgas], behoort de intelligente persoon in het vuur, met basismantra's en de [zestien regels van de] purusha-sûkta, de offergaven genaamd svisthi-krit te offeren voor Yamarâja en de andere halfgoden, met voor ieder op zijn beurt de gepaste mantra [zie ook 11.14: 36-42, 11.19: 20-24, 11.21: 15]. (42) Na aldus van aanbidding te zijn geweest en vervolgens eerbetuigingen gebracht te hebben aan Zijn metgezellen, behoort hij offers te brengen met het zingen van de mantra voor de godheid in kwestie, met in gedachten de Absolute Waarheid als zijnde het Oorspronkelijke Zelf van Nârâyana. (43) Met het aanbieden van het âcamana water en het aan Visvakshena geven van de resten van het voedsel, behoort men vervolgens toebereide betelnoot aan te bieden en reukwater voor de mond [zie ook 11.3: 48-53, 11.25: 28]. (44) Hij behoort zich bij tijden [zie kâla, 11.21: 9] te verliezen in de viering, zelf te luisteren en anderen te doen luisten naar Mijn verhalen, met het actief uitbeelden van de bovenzinnelijke handelingen in combinatie met hardop zingen en dansen [zie ook e.g. 11.5: 36-37, 11.14: 23-24]. (45) Met gebeden uit de purâna's, met uitgebreide of bescheidener gebeden uit andere oude geschriften en gebeden geschreven door anderen [zie bhajans], moet men languit voorover de eer betonen en zeggen 'O Heer, alstublieft schenk mij Uw genade' en zo ook bidden uit de directe ervaring [en putten uit andere algemene bronnen]. (46) Met het plaatsen van het hoofd aan Mijn voeten met de handpalmen samengebracht [mag men een gebed doen als:] 'O Heer, alstUblieft, bescherm deze persoon van overgave, die in deze materiële oceaan beducht is voor de mond van de dood' [vergelijk B.G. 11: 19]. (47) Aldus biddend behoren de restanten door Mij vergund naar het hoofd te worden geheven en in het geval dat men met respect afscheid moet nemen van de beeltenis, moet dit gebed nog eens worden gebracht, zo dat het licht [van de beeltenis] wordt geplaatst in het licht [van het eigen hart *6].

(48) Wanneer men ook geloof ontwikkelt in Mij in de vorm van welke beeltenis of andere manifestatie dan ook, moet men daarin overeenkomstig van respect zijn aangezien Ik, de Oorspronkelijke Ziel van Allen, Mij bevindt zowel in alle levende wezens als in iemand zelf [zie ook B.G. 6: 31 en *7]. (49) Op deze manier zal door de processen van handelen in yoga een persoon, naar de Veda en andere specialistische teksten van aanbidding in zowel dit leven als het volgende leven, door Mij de verlangde vervolmaking verwerven. (50) Om Mijn beeltenis naar behoren te vestigen moet hij een stevige tempel bouwen, samen met het aanleggen van bloementuinen bestemd [om bloemen te verschaffen] voor de dagelijkse puja, de feestelijke bijeenkomsten en de jaarlijkse evenementen. (51) Hij die land, winkels, steden en dorpen doneert teneinde de continuïteit te verzekeren van de dagelijkse aanbidding en de jaarlijkse feestdagen, zal een weelde verwerven gelijk aan die van Mij. (52) De beeltenis installeren geeft heerschappij over de gehele aarde, het bouwen van een tempel geeft de zeggenschap over de drie werelden en het uitvoeren van de puja en andere soortgelijke diensten geeft iemand het bereik van Brahmâ; met alle drie zal men een status verwerven gelijk aan die van Mij. (53) Hij die vrij van nevenmotieven overgaat tot bhakti-yoga bereikt zijn doel door de bhakti-yoga; hij die aldus van aanbidding is krijgt enkel Mij [zie ook 5.5: 14, 11.12: 24 en B.G. 6: 44]. (54) Hij die van de godvruchtigen en de geschoolden het levensonderhoud wegsteelt dat hij zelf wegschonk of dat werd gegeven door anderen, is een worm in de ontlasting die honderdmiljoen jaar lang zijn geboorte moet nemen [vergelijk 10.64: 39]. (55) De dader [schuldig aan dat stelen] en zijn medeplichtige als ook degene die er toe aanzet en degene die zijn goedkeuring eraan hecht, delen allen in de karmische terugslag in het leven erna, waarin zij naar gelang hun betrokkenheid daarvan de resultaten zullen oogsten.

 

Voetnoten:

*: De paramparâ zegt hiertoe dat leden van de drie hogere klassen van de samenleving allen de status van tweemaal geboren zijn bereiken door inwijding in de Gâyatrî mantra. Naar de traditie mogen brahmaanse jongens na de nodige voorbereiding worden geïnitieerd op hun achtste, kshatriya jongens als ze elf zijn en vais'ya jongens als ze twaalf zijn.  

** De materialistische toegewijde - bijna iedereen dus - is van toewijding met behulp van een beeld van God in de vorm van een tijdtabel, met het altaar in de vorm van zijn bureau op kantoor, met het vuur in het fornuis waarop hij regelmatig zijn maaltijden gekookt krijgt, met de zon met de datum die hij respecteert en met de klok die hij pragmatisch manipuleert, met het water met de dagelijkse douche die hij neemt en met de afwas die hij doet, en met het tweemaal geboren hart met de dagelijkse contemplaties naar de wijsheid die hij verwierf als een volwassene uit de persoonlijke ervaring en van zijn leraren. Aldus is iedereen, min of meer van toegewijde dienst naar de praktijken der devotie hier vermeld, zij het op een onbewust, materialistisch en nogal onpersoonlijk nivo (zie prâkrita).

***: 'S'rîla S'rîdhara Svâmî geeft citaten uit de vedische literatuur die stellen dat water bestemd voor het wassen van de voeten moet worden gecombineerd met gierstzaden, dûrvâ gras vermengd met water, vishnukrânta bloemen en andere zaken. Het water gebruikt voor arghya behoort met de acht volgende zaken samen te gaan - geurige olie, bloemen, ongebroken graankorrels, gepelde graankorrels, de tippen van kus'agras, sesamzaad, mosterdzaad en dûrvâ gras. Het water voor het sippen moet jasmijnbloemen bevatten, gemalen kruidnagel en kakkola bessen.' (p.p. 11.27: 21).

*4: De zetel van dharma stelt men zich hier voor als bestaande uit rechtschapenheid, wijsheid, onthechting en heerschappij als de poten, het tegengestelde ervan als de zijkanten en de drie guna's als de drie planken voor de bodem.

*5: Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî zijn de persoonlijkheden hier vermeld eeuwig bevrijde zielen van de Heer die zich ophoudt in de geestelijke hemel, voorbij de materiële manifestatie. Niet zo zeer de Ganes'a die hier in de wereld, als de zoon van heer S'iva, beroemd is voor het schenken van financieel succes, en de godin Durgâ, de vrouw van heer S'iva, die beroemd is als het uitwendige, illusiewekkend vermogen van de Opperheer.' (p.p. 11.27: 29).

*6 Toegewijden accepteren bloemen, voedsel of vuur dat van de beeltenis komt naar gebruik met het eerst naar hun hoofd toebrengen ervan als een teken van respect.

*7 De paramparâ voegt hier aan toe: 'Door geregeld, trouw aanbidden begrijpt men geleidelijk aan dat de beeltenis volledig identiek is aan de Allerhoogste Heer Zelve. In dat stadium, rijst men, bij machte van de mûrti-verering, op tot het tweede-klas platform van de toegewijde dienst. In dit meer ontwikkelde stadium verlangt men er meer naar vriendschap te sluiten met andere toegewijden van de Heer, en geeft men, terwijl men stevig gevestigd raakt in de gemeenschap der vaishnava's, het materiële leven volledig op zodat men geleidelijk aan zijn volmaaktheid vindt in het Krishnabewustzijn' (p.p. 11.27: 48).

 

Hoofdstuk 28

Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Met het zien van de wereld met haar materiële natuur en genieter als zijnde gebasee rd op één ziel, moet men niet de loftrompet steken over, noch kritiek hebben op iemands aard en handelingen. (2) Hij die de aard en handelingen van iemand anders prijst of kritisee rt verliest, gevangen rakend in het niet-essentiële, snel zijn eigen belang uit het oog. (3) Als het heldere van degene die zich ophoudt in het materiële omhulsel overmand wordt door slaap is er daar de ervaring van het illusoire [van dromen] of het aan de dood gelijke van het hebben verloren van het bewustzijn; op dezelfde manier [niet zo helder] beziet een persoon de objectieve verscheidenheid. (4) Wat zou het goede of slechte zijn van deze tot de verbeelding behorende dualiteit, die, overwogen in de geest en uitgedrukt in zovele woorden, inderdaad in waarheid tekort schiet [*]. (5) Schaduwen, echo's en drogbeelden, hoewel enkel maar projecties, vormen motieven; op dezelfde manier geeft het lichaam en al de materiële begrippen erbij behorend aanleiding tot angst tot op de dag dat men sterft. (6-7) De Opperziel alleen schept het universum en is geschapen als de Heer ervan, beschermt en wordt beschermd als het Zelf van de Ganse Schepping en trekt zich terug en wordt terug getrokken als de Beheerser; dienovereenkomstig kan men zich van geen levensvorm verzekeren die los van Hem zijn bestaan heeft, en aldus kent deze drievoudige verschijning, die gevestigd binnen het Allerhoogste Zelf bestaand uit de geaardheden, geen [andere of onafhankelijke] basis; weet dat het drievoudige [van het zien, het geziene en de ziener naar respectievelijk de rajas, de tamas en de sattva] een constructie is van de illusiewekkende energie [onder de invloed van Hem in de vorm van de Tijd, zie ook B.G. 14: 19]. (8) Degene die, verankerd in de kennis vastgelegd en gerealisee rd door Mij, dit weet, verwijt of prijst niet [in het omzien naar een andere oorzaak], hij trekt door de wereld zoals de zon dat doet [zie B.G. 2: 57, 13: 13, 13: 32, 14: 22-25]. (9) Door directe ervaring, logische afleiding, schriftuurlijke waarheid en door je zelfverwerkelijking er weet van hebben dat het niet-essentiële een begin en een einde kent, behoort men vrij van gehechtheid zich alhier rond te bewegen [zie ook B.G. 2: 16].'

(10) S'rî Uddhava zei: 'O Heer aan wie is dan wel de ervaring van het materiële bestaan? Ze behoort niet echt tot de ziel, de ziener die zelfbewust is, noch is ze van het lichaam, het geziene dat op zich geen ervarend zelf heeft. (11) De ziel onuitputtelijk, vrij van de geaardheden, is zuiver en staat in zijn eigen licht niet overdekt zoals een vuur, terwijl het materiële lichaam is als brandhout, zonder begrip; tot wie van hen behoort de ervaring van een materieel leven alhier?'

(12) De Opperheer zei: 'Zolang als de ziel zich aangetrokken voelt tot het lichaam, de zinnen en de levenskracht, zal het materiële bestaan - vruchtdragend als het is voor een zekere tijd - echter betekenisloos zijn, vanwege het ontbreken van onderscheidingsvermogen. (13) Ook al is de materiële substantie niet-existent [niet permanent], houdt de materiële omstandigheid [in haar elementen] niet op te bestaan en moet men, met het als in een droom overwegen van de zinsobjecten, de nadelen onder ogen zien [vergelijk 3.27: 4, 4.29: 35 & 73, 11.22: 56 en B.G. 2: 14]. (14) Dat [dromen] wat voor degene die niet wakker is in zijn slaap vele onwenselijke ervaringen biedt, geeft voor degene die ontwaakte zeker geen aanleiding tot verwarring. (15) Het weeklagen, het opgetogen zijn, de angst, vrees, begeerte, verwarring en het smachten en dergelijke, doen zich voor met het tot leven komen en afsterven van iemands identificatie met het lichaam [ahankâra] en niet met de ziel [die geen geboorte neemt of sterft, zie 11.22: 12, 11.23: 50-56, 11.25: 30]. (16) Hoogmoedig zich ophoudend in het zelf van het materiële lichaam, de zinnen, de levensadem en de geest, neemt het levende wezen zijn vorm aan naar gelang de guna's en het karma en wordt hij, zich verhoudend tot de leidraad van de grotere natuur, verschillend omschreven met zijn rondgang in de materiële oceaan onder het gestrenge regime van de Tijd. (17) Dit zonder een [andere] basis in vele vormen, naar de geest, de spraak, de levenskracht, het grofstoffelijk lichaam en de baatzuchtige arbeid vertegenwoordigd zijn, zal, met het zwaard van bovenzinnelijke kennis dat werd gewet in aanbidding, worden afgekapt door een nuchtere wijze die vrij van verlangens over de aarde rondtrekt. (18) Spirituele kennis [voert met zich mee] het onderscheiden [van geest en stof], de Schrift en de boetedoening; de directe ervaring, de historische verslagen en de daaruit volgende logica; en dat wat er inderdaad alleen is van het begin tot het einde van dit [scheppingsgebeuren] en wat het zelfde is in het midden als de Tijd en de Uiteindelijke Oorzaak [van brahman, de Absolute Waarheid, zie ook B.G. 10: 30, 33, 11: 32 en kâla]. (19) Net als goud, dat voordat het werd gewrocht, halverwege werd gebruikt, en daarna bestaand, enkel maar dat is voor alles wat van goud is, heb Ik op dezelfde manier Mijn bestaan in de verschillende aanduidingen van dit [geschapene]. (20) Deze geest van gecondensee rde kennis in zijn drie condities [van waken, slapen en onbewuste slaap], is Mijn beste, zich manifesterend met de geaardheden als het veroorzaken [van rajas], het veroorzaakte [van tamas] en de veroorzaker [van sattva, vergelijk 11.22: 30], de vierde factor die afzonderlijk bestaand de enkelvoudige waarheid is voor ieder van hen. (21) Dat wat er voorheen niet was noch er nadien is, was er halverwege ook niet anders dan als een aanduiding; wat er ook geschapen is en door iets anders kenbaar gemaakt werd, is feitelijk enkel dat andere iets; dat is hoe Ik erover denk. (22) De geestelijke werkelijkheid van God zoals die is gevestigd in zijn eigen licht openbaart de Absolute Waarheid als de verscheidenheid aan zinnen, hun voorwerpen, de geest en de transformaties, en om die reden straalt deze schepping naar voren, die door de geaardheid rajas onderhevig is aan verandering, hoewel die er niet werkelijk is [zie ook siddhânta]. (23) Op deze manier door de logica van het onderscheid duidelijk over het Absolute van de Spirituele Waarheid behoort men, bedreven door te weerleggen wat de plank misslaat, de twijfel omtrent het zelf onderuit te halen en men bevredigd in zijn eigen geestelijke geluk af te zien van alle lustmatige [ongereguleerde] zaken [zie B.G. 3: 34]. (24) Het lichaam uit de aarde gevormd is niet het ware zelf, noch zijn dat de zinnen, hun goden of de levensadem; de buitenlucht, het water, het vuur of de geest enkel maar uit op voedsel; noch zijn dat de intelligentie, het materiële bewustzijn, het ik dat zichzelf de doener acht, de ether, de aarde, materiële zaken of de oorspronkelijke staat van evenwicht. (25) Wat nu is de verdienste van hem die volkomen is in het concentreren van zijn zinnen - die in de grond tot de guna's behoren - en die zich ten juiste heeft verzekerd van Mijn persoonlijke identiteit; en wat voor verwijt zou er anderzijds zijn voor een geest die afgeleid is? Wat zeg je van de zon waarvoor zich de wolken schoven of ze uiteendreven? (26) Net zoals de hemel niet in verlegenheid is door de komende en gaande kwaliteiten van de seizoenen of de kwaliteiten van de lucht, het vuur, het water en de aarde, staat evenzo de Aldoordringende boven de beïnvloedingen door de geaardheden van sattva, rajas en tamas, de noties van het ego of de oorzaken van het doorlopen van opeenvolgende staten [zie ook 1.3: 36, 3.27: 1, B.G. 7: 13]. (27) Niettemin moet onderwijl de gehechtheid in de kwaliteiten die ontsprongen aan de begoochelende energie worden geschuwd, totdat door Mijn bhakti-yoga ferm [op een andere manier gehecht zijnde, zie B.G. 7: 1], het vuil van de geest der hartstocht is verdreven [zie B.G. 14 en **]. (28) Op dezelfde manier als een ziekte, onvolkomen behandeld, zich met regelmaat opwerpend de mens ellende bezorgt, zal de geest die niet gezuiverd is van zijn karmische besmetting de onvolgroeide yogî kwellen die [nog steeds] van allerhande gehechtheden is. (29) Die onvolgroeide yogî's die zich laten leiden door beperkingen in de vorm van menselijke wezens [familieleden, volgelingen etc., zie o.a. s'iks'âshthaka-4] hen gestuurd door de dertig goden [zie tridas'a] zullen, bij machte van hun vasthoudendheid in hun voorgaande leven nog een keer overgaan tot de yogapraktijk, maar nimmer weer in de ban raken van baatzuchtige arbeid [zie ook 11.18: 14, B.G. 6: 41-42]. (30) Het normale levende wezen, door baatzuchtige arbeid in beroering verkerend, verkeert voortgedreven door deze of gene kracht in die staat tot op het punt van de dood, terwijl hij die intelligent is, hoewel zich bevindend in de materiële positie, niet zo [wankelmoedig] is, met het opgegeven hebben van materieel verlangen bij de ervaring van zijn eigen geluk. (31) Hij wiens bewustzijn is verankerd in het ware zelf staat er niet bij stil of hij nu staat, zit, loopt of neerligt; urineert, voedsel tot zich neemt of wat nog meer doet dat voortkomt uit zijn geconditioneerde aard. (32) Hij die van verstand is houdt niets anders voor essentieel; wanneer hij ook maar de niet werkelijk [onafhankelijk] bestaande dingen van de zintuigen ziet, weerlegt hij dat afzonderlijke door logisch redeneren, zodat ze zijn als in een droom die verdwijnt nadat men ontwaakte. (33) De veelvormigheid der onwetendheid, met de activiteit der geaardheden voor identiek gehouden aan de ziel die er altijd al was, Mijn beste, vindt weer zijn einde door enkel de overweging; de ziel daarentegen wordt nimmer aangenomen of achtergelaten. (34) Zoals zich dat daadwerkelijk voordoet met de zon die opkomt, wordt de duisternis van het menselijk oog weggenomen - maar dat [opkomen] vormt nog niet dat wat bestaat; zo ook vernietigt schrander onderzoek van het ware van Mij de duisternis in de intelligentie van een persoon [maar schept niet de ziel]. (35) Deze zelfverlichte, ongeboren, onmetelijke Grootheid van Verstaan die zich van alles bewust is, is de Ene Zonder Zijns Gelijke waar woorden hun besluit vinden, en door Wie voortgedreven de spraak en de ademtochten zich bewegen. (36) Welk idee van dualiteit dat het zelf er ook op na mag houden is wat de unieke ziel betreft enkel maar een hersenschim, daar het voorwaar geen basis kent buiten dat eigenlijke zelf om [vergelijk 7.13: 7]. (37) De dualistische, fantasierijke interpretatie [in termen van goed en kwaad, zie ook 11.21: 16] door de zogenaamde geleerden van deze, in namen en vormen waarneembare, dualiteit welke onmiskenbaar bestaat uit de vijf elementen, is geheel en al ijdel [zie ook 5.6: 11].

(38) Het lichaam van de yogî die onervaren tracht over te gaan tot de yogapraktijk, kan ten prooi vallen aan de verstoringen die zich voordoen; in dat verband is het volgende de voorgeschreven gedragswijze: (39) Sommige verstoringen kunnen worden overwonnen door meditatiehoudingen [âsana's] in combinatie met concentratie [dhârana], boetedoening [tapas ***], mantra's en geneeskrachtige kruiden. (40) Sommige van de ongunstige omstandigheden kan men stap voor stap te boven komen door voortdurend aan Mij te denken [Vishnu-smarana] middels het hooghouden van Mijn namen en dergelijke [japa, sankîrtana] en door te treden in het voetspoor van de meesters van de yoga [zie ook B.G. 6: 25]. (41) Enkelen [enkele yogî's] die met verschillende methoden verankerd in het jeugdige dit zelfbeheerste materiële lichaam geschikt maken gaan aldus te werk terwille van mystieke volmaaktheden [siddhi's]. (42) Door hen die onderlegd zijn wordt dat niet hoog gehouden, er zeker van dat dat ondernemen nogal zinloos is, omdat het lichaam, als de vrucht van een boom, vergankelijk is [zie ook 11.15: 33]. (43) De verstandige persoon die inziet hoe iemand die regelmatig de yoga beoefenend de geschiktheid verwerft, hecht, in toewijding tot Mij het in de yoga opgevend [met welk nevenmotief ook], daar geen [overwegend] geloof aan [*4]. (44) De yogî die dit proces van de yoga volgt wordt, vrij van hunkering met het zich op Mij beroepen, niet tegengehouden door obstakels en ervaart zijn eigen [ziels-]geluk.

 

 

Voetnoten: *: In tegenstelling tot populaire inzichten dat het medium de booschap zou zijn, wordt hier duidelijk gesteld dat het medium dus niet de boodschap is. De woorden en de ideeën, en ook de z.g. vaste vorm der dingen, zijn allen vals in verhouding tot de oorspronkelijke waarheid, het bericht, de essentie. Dat wat uitgedrukt wordt is de essentie, niet de uitdrukking zelve. Zo is het ene levende wezen van de persoon en de levende materiële natuur met haar Tijd als het mannelijk aspect de essentie, en zijn alle ideeën, gefixeerde dingen ervan en woorden erover in feite vals. Aldus hebben we de paradox van de in zichzelf valse uitdrukking in dingen, woorden en ideeën, deze zin voor u als lezer b.v., van wat op zich waar is als de heelheid van het leven. Zo zijn er dan beelden van Krishna die worden vereerd met de waarschuwing ze beslist niet als materieel te mogen zien. Aldus zijn kritiek en lof, goed en kwaad, noties die de plank misslaan van wat objectief de waardevrije werkelijkheid is van brahman, de Absolute Waarheid van de werkelijkheid die van binnen zowel als van buiten vrij is van illusie. Of zoals men dat heden ten dage zegt: wetenschap is waardevrij.

**: De strekking van dit vers is dat, ookal is de materiële natuur, als Zijn gigantische virât-rûpa gedaante, niet verschillend van de Opperheer (zoals uitvoerig beschreven in dit en andere hoofdstukken), degene die het materiële verlangen nog moet overwinnen niet kunstmatig zijn heil moet zoeken in materiële zaken, met de verklaring dat ze toch niet van de Heer zouden verschillen [zie p.p. 11.28: 27].

***: Met betrekking tot boete zij de beginner eraan herinnerd dat vrijwillige boete, vrijwillig lijden en afzien, beter is dan opgelegde boete in de vorm van een ziekte, vervolging door de wet, nood lijden en calamiteiten e.d. Zoals het is met de Joden in Exodus die er klaar voor waren om Egypte te verlaten moet men klaar staan voor de komst van de Heer [zie ook 11.17: 42 en B.G. 2: 40, 12: 16].

*4: Men zij er hier aan herinnerd dat types als Râvana en Hiranyakas'ipu eveneens aan yoga deden en de geschiktheid verwierven; het verwerven van perfecties op die manier kan evenzogoed een demonisch iets zijn en vormt dus geen geloofsartikel zoals dat hier wordt gesteld. Het gaat meer om het motief dat de yogî de Heer bereikt. Beheersing en orde is een schone zaak om te realiseren, maar zonder de Heer is het evenzogoed een zaak van de duivel.

 

Hoofdstuk 29

Bhakti Yoga: de Meest Zegenrijke Manier om de Dood te Overwinnen

(1) S'rî Uddhava zei: 'Dit yogaproces is, zo denk ik, allermoeilijkst in de praktijk te brengen voor iemand die niet spiritueel is; alsJeblieft o Acyuta, zeg me in eenvoudige bewoordingen hoe een persoon daarin volmaakt kan zijn [zie ook B.G. 6: 33-34]. (2) Over het algemeen, o Lotus-ogige, raken yogî's gefrustreerd met het oefenen van de geest en worden ze, er niet toe in staat de verzonkenheid te bereiken, het moe te proberen de geest te onderwerpen. (3) Daarom, o Lotus-ogige, zijn de zwaangelijken er dan inderdaad gelukkig mee zich te beroepen op de bron van alle vervoering, de toevlucht van Jouw lotusvoeten, o Heer van het Universum; maar zij die prat gaan op de resultaten van hun yoga, doen dat niet, daar dezen verslagen zijn door Jouw materiële energie. (4) Het wekt geen verwondering Acyuta, dat Jij een vriend bent voor alle dienaren die met geen andere toevlucht vereend zijn in de vertrouwlijkheid met Jou, Jij die vol genegenheid was voor de dier-gelijken [Vânara's] terwijl de zijkanten van je voetenbankje werden overdekt door de stralende helmen van de grote beheersers [Brahmâ b.v.]. (5) Bekend met het voordeel dat Jij biedt, de Allerhoogste Ziel, de Verlener van Alle Volmaaktheden en de Heer het meest geliefd bij hen die hun toevlucht zoeken, wie zou er Jou dan afwijzen of ooit iets anders toegewijd zijn enkel maar om een goed gevoel te hebben en bijgevolg van het vergeten te zijn; wat staat ons feitelijk niet ter beschikking met het dienen van het stof van Jouw voeten? [zie ook 10.44: 15, 10.47: 46] (6) Zelfs niet met een levensduur gerekt tot die van Brahmâ zouden de geschoolden, al hun werk ten spijt, er toe in staat zijn uitdrukking te geven aan de dankbaarheid o Heer, daar Jij Je weg toont in de vormen van het mentaal begrepene [gezag van de Superziel] van binnen teneinde zich de vreugde te heugen en de âcârya van buiten om het onfortuinlijke te verdrijven van het belichaamd zijn [de caittya- en de paramparâ-guru].'

(7) S'rî S'uka zei: 'Hij die het universum als Zijn speeltje heeft en middels Zijn eigen energieën de drie verschillende persoonlijke gedaanten van de Beheersers [de guna-avatâra's] heeft aangenomen, aldus door Uddhava in het hart zeer gehecht ertoe verzocht, sprak liefdevol met een aantrekkelijke glimlach. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Hier dan, zal Ik me uitlaten over het dharma dat in relatie tot Mij het meest zegenrijk is en waarmee een sterfelijk wezen, met geloof te werk gaand, de zo onoverwinnelijke dood overwint. (9) Met het aan Mij geofferd hebben van de geest en intelligentie, behoort men voor de bedoeling die Ik ben stapsgewijze [het te leren] alle arbeid te verrichten, met daarbij, bij de genade van de eigen liefdevolle geest, Mijn plichtsbetrachting in gedachten gehouden. (10) Men moet zijn toevlucht zoeken in de heilige plaatsen bezocht door Mijn vrome toegewijden en [het voorbeeld te volgen van] de handelingen van Mijn toegewijden onder de goddelijken, onder hen die van de duivel zijn bezeten en onder de menselijke wezens. (11) Alleen dan wel in samenkomst behoort men naar de maan, bij speciale gelegenheden en met feestdagen het zo te regelen dat men te werk gaat met zang, dans en zeer royale bewijzen van genade. (12) Mij inderdaad moet men met een zuiver hart bezien als de zelfbewogen Superziel die zich net als de ether binnen en buiten alle levende wezens bevindt als ook in jezelf [zie ook B.G. 13: 16 en 1.7: 10]. (13-14) O groot licht, met deze weg naar Mijn respect van liefde voor alle levende wezens, zal men aldus van overweging zijnde zijn toevlucht aan het nemen zijn tot zuiver spirituele kennis. Als men op deze manier in de brahmaan en de uitgestotene, de dief en de mens trouw aan de brahmaanse cultuur, in de zon en in de vonk, in de zachtgeaarde en in de wreedaard een gelijke blik heeft, wordt men geschoold geacht [een pandit, zie B.G. 5: 18]. (15) Van de persoon die voortdurend op Mijn aanwezigheid in alle mensen aan het mediteren is, zal voorzeker snel de rivaliteit, de afgunst, het neerkijken op en het valse ego verdwijnen. (16) Onverschillig erover uitgelachen te worden door vrienden of zich te schamen over uiterlijkheden, moet men als een stok op de grond zijn eerbetuigingen brengen aan [allen,] zelfs de honden, uitgestotenen, koeien en ezels [zie ook de s'ikshâshthaka-3]. (17) Zolang men niet de visie heeft ontwikkeld van Mij als zijnde aanwezig in alle levende wezens, zal men voor die tijd op deze wijze in uitlatingen, de geest en met het lichaam van aanbidding moeten zijn [zie ook tridanda]. (18) Voor hem die door kennis en realisatie de alomtegenwoordige Superziel ziet, is alles gebasee rd op de Absolute Waarheid en is er, bevrijd van twijfel, de plicht om aan alle wereldse activiteiten een einde te maken. (19) Dit met de functies van je geest, je woorden en je lichaam gaan voor de waarheid van Mij in alle levende wezens wordt inderdaad door Mij beschouwd als zijnde de meest geëigende van alle processen. (20) Mijn beste, omdat het, door Mij op volmaakte wijze gevestigd, vrij is van de geaardheden en van nevenmotieven is er, Uddhava, in het pogen van Mijn plichtbetrachting te zijn dienovereenkomstig niet het geringste verlies [zie ook B.G. 2: 40]. (21) O beste onder de gelovigen, welke vorm van angst of soortgelijk enzovoorts van ondernemen er ook moge zijn, heeft niets om het lijf als dat [ondernemen], welk neigt tot vruchteloosheid, religiositeit is richting Mij, de Allerhoogste [zie ook B.G. 18: 6]. (22) Dit waarmee men middels het valse en sterfelijke in dit leven het ware verwerft van Mij, het onsterfelijke, is de schranderheid der schranderen en de intelligentie der intelligenten. (23) Hiermee is zowel in het kort als tot in detail het volledige overzicht geboden van de Absolute Waarheid die zelfs voor de goden moeilijk te overzien is. (24) Met het naar behoren hebben doorgrond van deze kennis, bij herhaling met logische argumenten voor je uiteengezet, zal een persoon, met zijn twijfels teniet gedaan, bevrijd zijn. (25) Hij die zich enkel maar concentreert op deze vraag van jou naar behoren opgehelderd door Mij, reikt tot het eeuwige geheim van de Veda's, het Allerhoogste Absolute van de Waarheid. (26) Degene die als de verlener van het Allerhoogste Spirituele vrijmoedig dit verkondigt onder Mijn toegewijden zal Ik Mijzelf middels Mijzelf vergunnen. (27) Hij die hardop dit Allerhoogste reciteert dat zo heiligend en helder is, zal, met de lamp der kennis Mijn aanwezigheid gestalte gevend, dag na dag gezuiverd zijn. (28) De persoon die zonder afgeleid te zijn, met geloof regelmatig hiernaar luistert zal, met het doen van bovenzinnelijke toegewijde dienst [bhakti], niet gebonden zijn aan karmische terugslagen [zie ook B.G. 3: 9]. (29) Uddhava, o vriend, heb je afdoende het spirituele begrepen en heeft dit weeklagen en deze illusie die uit je geest voortkwam nu het veld geruimd [zie 11.6: 42-49 en ook B.G. 18: 72]? (30) Deel dit niet met een schijnheilig iemand, een atheïst of een bedrieger, noch met iemand die niet met geloof luistert of met een obstinate niet-toegewijde [vergelijk met B.G. 18: 67]. (31) Deel dit met de persoon vrij van deze slechte eigenschappen, hij die geheiligd en zuiver is, vriendelijk toegenegen is en het welzijn van de brahmanen voor ogen heeft, zowel als met arbeiders en vrouwen vermits ze van de bhakti zijn [vergelijk B.G. 9: 32]. (32) Voor de onderzoekende geest die volledig van begrip is hiervoor, is er verder niets meer om in te drinken; met het hebben gedronken van de smakelijke ambrozijnen drank is er verder niets meer te drinken over. (33) Wat mensen van succes naar de vier doelen [catuh-vidah] ook vinden in geestelijke kennis, in baatzuchtige arbeid, in mystieke yoga, in alledaagse bezigheden of in politiek besturen, ben Ik in gelijke mate voor jou. (34) Als een sterveling zich opofferend, al zijn baatzuchtige arbeid eraan gegeven heeft in het verlangen naar het bijzondere van Mij, komt hij in het proces van het bereiken van de onsterfelijkheid, met Mij te dien tijde waarlijk ook in aanmerking voor een weelde die gelijk is. '

(35) S'uka zei: 'Hij, die aldus het pad van de yoga was getoond, zei toen met het met gevouwen handen aangehoord hebben van de woorden van Uttamas'loka niets, daar zijn keel dichtgesnoerd was van de liefde en zijn ogen overstroomden van de tranen. (36) Volledig door de liefde van de kaart zichzelf intomend om zijn geest in evenwicht te krijgen, o Koning, sprak hij, zich dankbaar voelend, met gevouwen handen voor de Grootste Held van de Yadu's, waarbij hij met zijn hoofd Zijn lotusvoeten aanraakte. (37) S'rî Uddhava zei: 'De grote duisternis van mijn begoocheling waaraan ik mij overgaf in de aanwezigheid van de Zon die Jij bent, is verdreven; welke kou, duisternis en vrees zou zich kunnen doen gelden over degene die het tot de nabijheid bracht, o Ongeborene Allereerste? (38) In wederkeer werd door Jouw goede Zelf zo genadig mij, je dienaar, de fakkel geboden bestaande uit Jouw wijsheid; welke dankbare dan ook zou de basis van Jouw voeten kunnen verlaten en af kunnen gaan op een andere toevlucht? (39) Het door Jouw mâyâ, terwille van de toename van Je Schepping [Je familie], door Jou geknoopte, stevig bindende touw van mijn genegenheid voor de Dâs'ârha's, Vrishni's, Andhaka's en Sâtvata's, is doorsneden met het zwaard van de juiste kennis omtrent de ziel. (40) Mogen er mijn eerbetuigingen voor Jou zijn, o Grootste der Mystici, alsJeblieft geef instructie over hoe constant te blijven met de transcendentale aantrekking van Jouw lotusvoeten.'

(41-44) De Allerhoogste Heer zei: 'Alsjeblieft, o Uddhava, ga op Mijn voorspraak naar Mijn hermitage genaamd Badârika; wees er, op de oevers, gezuiverd door het beroeren van en baden in het water wegstromend van Mijn voeten [zie 5.17]. Met het met jouw ogen gericht op de Alakanandâ [een zijrivier van de Ganges] weggezuiverd zijn van alle onzuiverheid, en boombast dragend mijn beste, leef van wat het bos je biedt en zij gelukkig vrij van begeerte. Met intelligentie, spirituele kennis en wijsheid toegerust, wees verdraagzaam met alle dualiteiten, van een heilig karakter, van zinsbeheersing, van vrede en verzonkenheid. Wees consequent met dat wat je in onderscheidingsvermogen van Mij geleerd hebt; met je woorden en je geest in Mij verzonken ertoe gewijd tot het besef van Mijn dharma te komen zal je, aldus gevestigd overstekend tot voorbij de drie bestemmingen [de guna's], daarna tot Mij komen.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Aldus toegesproken door de Heer der Heugenis, omliep Uddhava Hem, Hem rechts houdend, en doordrenkte hij, met een hart dat het begaf, met zijn hoofd naar beneden geplaatst, Zijn voeten met zijn tranen, ondanks het feit dat hij ten tijde van het vertrek niet betrokken was bij de materiële dualiteit. (46) Met de gehechtheid die allermoeilijkst te verzaken was, was hij, niet in staat Hem te verlaten bij de scheiding, overweldigd in grote pijn buiten zichzelf, en ging hij, keer op keer zijn eerbetuigingen brengend, heen met het meedragen van de slippers van Zijn Handhaver op zijn hoofd [*]. (47) Daarna Hem in zijn hart installerend, ging de grote toegewijde, zoals hem dat gezegd was door de Enige Vriend van het Universum, naar het luisterrijke pelgrimsoord [dat als zodanig ookwel Vis'âlâ wordt genoemd] en bereikte hij, met het naar behoren uitvoeren van de boetedoeningen, de Heer Zijn bestemming [Vaikunthha]. (48) Wie dan ook ter wereld die waarachtig in het geloof dienst levert aan deze oceaan van vervoering, deze nectar van de kennis die, bijeengebracht door Krishna, door Hem wiens voeten worden gediend door de meesters van de yoga, uitgesproken werd voor Zijn toegewijde, zal bevrijd raken. (49) Ik verbuig me voor de Grootste en Eerste Persoonlijkheid genaamd Krishna, die zorgt dat Zijn vele toegewijden de nectar krijgen te drinken van de oceaan, de essentie van de Veda's, de essentie van de spirituele kennis en wijsheid die Hij, als de auteur van de Veda's, gelijk een bij levert teneinde de angst weg te nemen van een materieel bestaan.

 

Voetnoot:

*: De paramparâ voegt hier toe: 'Volgens het S'rîmad-Bhâgavatam [3.4: 5], vernam Uddhava toen hij onderweg was naar Badarikâs'rama over de Heer Zijn reis naar Prabhâsa. Terugkerend en Heer Krishna achterna komend, trof hij de Heer alleen, vlak na het zich terugtrekken van de Yadu dynastie. Na opnieuw genadevol geïnstrueerd te zijn door de Persoonlijkheid van God (tezamen met Maitreya, die juist was aangekomen), voelde Uddhava dat zijn kennis van de waarheid nieuw leven was ingeblazen, en begaf hij zich toen, op last van de Heer, op weg.'

 

 

Hoofdstuk 30

Het Verdwijnen van de Yadu-dynastie

(1) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Wat deed de Opperheer en Beschermer van Alle levende Wezens in Dvârakâ nadat Uddhava, de grote toegewijde, was vertrokken? (2) Vertel alsJeblieft hoe Hij, de Leider van de Yadu's in de Ogen van een Ieder het Meeste Geliefd, Zijn lichaam opgaf toen Zijn familie de vernietiging vond na de vloek van de brahmanen [zie 11.1]? (3) Eraan gehecht konden de vrouwen hun ogen er niet van afwenden; doorgedrongen tot de oren van de wijzen wilde het, in hun geest blijven hangend, niet meer wijken; en wat te zeggen van de bijzondere aantrekking van de woorden die zich voordeden naar de eer van de dichters die de schoonheid ervan zagen en van hen die, het waarnemend op Arjuna's strijdwagen op het slagveld, een gelijke status bereikten?'

(4) De bekwame rishi [S'uka] zei: 'Met voor ogen het aantal grote verstoringen welke zich vertoonden in de hemel, op aarde en in het uitspansel, richtte Krishna zich als volgt tot de Yadu's die bijeen zaten in de Sudharmâ-hal [zie 10.50: 54 en ook 1.14]. (5) De Allerhoogste Heer zei: 'O beste der Yadu's, met deze beangstigende, grote en onheilspellende voortekenen, die zijn als de vlaggen van de koning van de dood, moeten we geen moment langer in Dvârakâ blijven. (6) De vrouwen, de kinderen, en de ouden van dagen moeten naar S'ankoddhâra [halverwege Dvârakâ en Prabhâsa]; wij zullen van hieruit naar Prabhâsa gaan alwaar de Sarasvatî westwaarts stroomt. (7) Daar moeten we ons zuiveren door te baden, te vasten en onze geesten te concentreren, en zullen we de goden [de beeltenissen] aanbidden met verschillende offerandes, wassingen en âlepa [insmeren met sandelhout]. (8) De brahmanen zo vol van genade zullen we, als ze voor het goede geluk de plechtigheden hebben opgevoerd, [vereren] met koeien, land, goud, kleding, olifanten, paarden, wagens en huizen [zie ook 3.3: 26-28]. (9) Voorwaar moet het zo zijn beslag krijgen teneinde het onheil af te wenden en het geluk af te roepen; als je de besten onder de levende wezens eer aandoet - de goden, de brahmanen en de koeien - roept dat het allerhoogste af [vergelijk met 10.24: 25]. (10) Toen ze allen aldus naar de Vijand van Madhu hadden geluisterd, zeiden de ouderen onder de Yadu's 'zo zij het', en staken ze per boot over om zich in wagens op weg te begeven naar Prabhâsa. (11) Aldaar volbrachten, naar de instructies van de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer van de Yadu's, ze met bovenzinnelijke toewijding en alles wat nog meer kracht zou schenken, al de gelukbrengende offerrituelen. (12) Toen, als was voorbestemd [zie 11.1: 4] hun intelligentie uit het oog verliezend, dronken ze een grote hoeveelheid zoet smakende maireya [honingdrank] waarvan de ingrediënten de geest benevelen [zie ook 6.1: 58-60]. (13) Onder de helden verbijsterd door Krishna's begoochelend vermogen deed zich, door het overmatig drankgebruik beschonken, hoogmoedig van geest een verschrikkelijke ruzie voor. (14) Geheel opgewonden van de woede pakten ze hun wapens op - hun bogen, zwaarden, bhalla-pijlen [pijlen met een speciale pijlpunt] knotsen, lansen en speren - en vochten ze daar aan de oever. (15) Met wapperende vlaggen in hun wagens rijdend, op olifanten en andere draagdieren - ezels, kamelen, stieren, buffels, muildieren en zelfs mensen - traden ze in woede ontstoken elkaar tegemoet, aanvallend met pijlen als waren ze olifanten in het bos in de aanval met hun slagtanden. (16) Met hun vijandschap gewekt in de slag vocht verwoed Pradyumna tegen Sâmba, Akrûra tegen Bhoja, Aniruddha tegen Sâtyaki, Subhadra tegen Sangrâmajit, Sumitra tegen Suratha en de twee Gada's [de broer en een zoon van Krishna] tegen elkaar. (17) Anderen eveneens, zoals Nis'athha, Ulmuka en zo meer onder leiding van Sahasrajit, S'atajit en Bhânu, traden tegen elkaar in het geweer en doodden elkaar verblind als ze waren door de bedwelming en compleet in de war door Mukunda. (18) Met het volledig laten varen van hun vriendschap slachtten de Kunti's, de Kukura's, de Visarjana's, de Madhu's en Arbuda's, Vrishni's en Andhaka's, de Bhoja's, de Sâtvata's, de Dâs'ârha's en de inwoners van Mâthura en S'ûrasena elkaar af. (19) In staat van begoocheling doodden verwanten verwanten en vrienden vrienden; zoons vochten met hun vaders en met hun broers, neven met ooms, ooms van vaders zijde tegen ooms van moeders zijde en weldoeners vochten tegen weldoeners. (20) Toen hun pijlen opraakten, hun bogen gebroken waren en hun projectielen opgebruikt, namen ze bamboestaken [eraka, zie 11.1: 22] ter hand. (21) Die staken vastgeklemd in hun vuisten veranderden in ijzeren staven zo sterk als bliksemstralen toen ze hun vijanden ermee te lijf gingen, en hoewel Krishna ze probeerde te stoppen, vielen ze Hem ook aan. (22) In de war met hun geesten vol moord en doodslag, zagen ze Balarâma voor een vijand aan, o Koning, en hieven ze hun wapens ook tegen Hem op. (23) De Twee mengden zich toen ook allerverwoedst in de strijd, o zoon van de Kuru's, en gingen, de staken in Hun vuisten als knuppels hanterend, ertoe over te doden met het zich rondbewegen in de strijd. (24) Overmand door de vloek der brahmanen en met hun geesten beneveld door Krishna's mâyâ, leidde de furie van de wedijver tot hun einde zoals een vuur van bamboestaken dat doet met een bos.

(25) Toen al Zijn clans waren vernietigd op deze manier, concludeerde Krishna, overgebleven, dat zoals gepland [11.1: 1-4] de last van de aarde was weggenomen. (26) Râma aan de kust van de oceaan overgegaan tot meditatie op de Oorspronkelijke Persoon, gaf, met het doen opgaan van Zichzelf in Zichzelf, de wereld der mensen op. (27) Ziend dat Râma was heengegaan zat de Allerhoogste Heer, de Zoon van Devakî, met het vinden van een pippala boom, stilletjes neer op de schoot der aarde [zie ook 3.4]. (28-32) Met het vertonen van Zijn vier-armige gedaante verdreef, als een vuur zonder rook, Zijn schitterende gloed de duisternis in alle richtingen. Met het s'rîvatsa-teken en de grijsblauwe kleur als die van wolken, straalde Hij als gesmolten goud met de dracht van een algunstig stel geelzijden kledingstukken. Zijn gezicht als een blauwe lotus prachtig glimlachend met de bekoorlijke lotusogen, werd opgesierd door Zijn haarlokken en glanzende haaienvormige oorhangers. Magnifiek met een gordel, een heilige draad, een helm en armbanden; armversieringen, halssnoeren, enkelbelletjes en koninklijke tekenen, was er daar het Kaustubha kleinnood. Met het plaatsen van Zijn rechtervoet roze als een lotus op Zijn dijbeen, zat Hij neer met de gedaanten van Zijn persoonlijke wapens en de omlijsting van Zijn leden met een slinger van woudbloemen. (33) Zijn voet die de vorm had van de kop van een hert werd [toen] getroffen door een jager genaamd Jarâ die dacht dat hij een hert zag, [mikkend] met zijn pijl die was vervaardigd met een fragment dat was overgebleven van het ijzer [van de door de brahmanen vervloekte en vernietigde knots 11.1: 23]. (34) Met het zien van die vier-armige persoonlijkheid viel hij, benauwd een overtreding te hebben begaan, met zijn hoofd naar beneden neer aan de voeten van de Vijand der Asura's: (35) 'Dit is gedaan door een zondige persoon die uit onwetendheid handelde; o Madhusûdana, alstUblieft vergeef deze zondaar zijn daad, o Uttamas'loka, o Zondeloze. (36) O Meester, wat ik Hem, Vishnu, heb aangedaan, U heb aangedaan, was verkeerd; o U, van wie de voortdurende herinnering de duisternis der onwetendheid van alle mensen vernietigt, zo zegt men. (37) Om die reden, doodt me alstUblieft nu meteen o Heer van Vaikunthha, zodat ik, werkelijk een zondige hertenjager, aldus niet nogmaals een dergelijke overtreding zal begaan tegen de Enige Ware [*]. (38) Wat kunnen wij, onzuiver van geboorte, van Hem, van U, zeggen met wat we, naar Zijn wezen overdekt door Uw begoochelend vermogen, recht voor ogen hebben, terwijl Uw mystieke macht [zelfs nog] niet doorgrond wordt door Viriñca, Rudra en zijn andere meesters en zoons van het vedisch woord?'

(39) S'rî Bhagavân zei: 'Vrees niet o Jarâ, alsjeblieft sta op, want wat jij deed was Mijn verlangen; je hebt Mijn permissie je naar het spirituele bereik te begeven, de plaats van hen die van goede daden zijn.'

(40) Aldus geïnstrueerd door Krishna, de Fortuinlijke Belichaamd naar Eigen Wil, omliep hij Hem drie keer en ging hij, zich voor Hem verbuigend, met een verheven geest [een 'vimâna'] naar de hemel. (41) Dâruka die uitzocht waar Krishna was gebleven, kwam bij Hem in de buurt afgaande op de geur van de aromatische tulasî en benaderde Hem. (42) Met Hem aldaar schitterend en gloeiend, omringd door Zijn wapens rustend aan de voet van de as'vathha, viel hij, zich van de wagen haastend, met zijn hart overweldigd en met tranen in de ogen van de emoties neer aan Zijn voeten. (43) 'O Meester, Uw lotusvoeten niet ziend is mijn gezichtsvermogen vernietigd en heb ik, net als met een nieuwe maans-nacht in de duisternis beland, geen weet van de windrichtingen noch kan ik de vrede vinden.'

(44) Terwijl hij dat zo zei rees waarachtig voor ogen van de wagenmenner de wagen hoog op in de lucht samen met de paarden en de vlag van Garuda die hem sierde, o Koning der koningen. (45) Met Vishnu's goddelijke wapens die volgden, sprak Janârdana tot de menner die stomverbaasd was door die gebeurtenis: (46) 'O menner, begeef je op weg naar Dvârakâ en stel Onze familieleden op de hoogte van de wederzijdse vernietiging van hun naaste verwanten, van Mijn toestand en van het heengaan van Sankarshana. (47) Jij en je verwanten moeten niet langer in Dvârakâ blijven; nu dat de yadu-hoofdstad door Mij is verlaten zal hij in zee zinken. (48) Jullie moeten, ieder zijn eigen familie zowel als Onze ouders met je meenemend, allen, beschermd door Arjuna, naar Indraprastha gaan. (49) Jij echter, verankerd in de kennis en onverschillig over Mijn mâyâ zal, goed stand houdend in Mijn toegewijde dienst, met begrip voor wat Ik arrangeerde, de kalmte van geest verwerven.'

(50) Aldus door Hem aangesproken omliep hij Hem met het keer op keer bieden van zijn eerbetuigingen, en ging hij, Zijn lotusvoeten op zijn hoofd plaatsend, zwaar ter moede op weg naar de stad.

 

Voetnoot:

 *: S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura vraagt zich af hoe, aangezien herten van nature angstig en timide zijn, hoe zich welk hert dan ook ooit kon ophouden op het schouwtoneel van die grote veldslag, en hoe een jager kalmpjes zijn gang kon gaan temidden van al dat vergoten bloed. Daarom waren het zich terugtrekken van de yadu-dynastie en Heer Krishna's eigen verdwijnen van deze aarde geen materiële historische gebeurtenissen; ze vormden daarintegen meer een vertoon van de Heer Zijn innerlijk vermogen voor het doel van het afronden van Zijn aardse spel en vermaak [p.p. 11.30: 37]. Ook vormt de naam van de jager, Jarâ, wat oude dag betekent, aanduiding van de metaforische strekking van deze gebeurtenis [zie ook voetnoot 10.87:*]. In the Mahâbhârata-tâtparya-nirnaya schreef S'rî Madhvâcârya-pâda dat de Heer voor Zijn missie weliswaar een lichaam van materiële energie had geschapen waarin de pijl werd geschoten, maar dat de eigenlijke vier-armige gedaante nimmer werd geraakt door de pijl van Jarâ, die feitelijk de Heer Zijn toegewijde Bhrigu Rishi is. In een voorgaand leven had Bhrigu Muni offensief zijn voet geplaatst op de borst van Heer Vishnu.

 

 

Hoofdstuk 31

De Hemelvaart van Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen kwamen daar Brahmâ met zijn gemalin Bhavânî aan, samen met S'iva en de halfgoden onder leiding van Indra en de wijzen samen met de heren der mensen. (2-3) De voorvaderen, de volmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de grote ego's, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders en de wildemannen, zij van bijzondere vermogens en de dansmeisjes van de hemel en allen horend bij Garuda [de dvijâ's] die graag getuige wilden zijn van het heengaan van de Allerhoogste Heer, bezongen en prezen vol enthousiasme de geboorte en handelingen van S'auri. (4) Zij, samendrommend in de hemel in een groot aantal vimâna's, o Koning, strooiden, verenigd in bovenzinnelijke toewijding, bloemen uit. (5) De Opperheer toen Hij de grote vader en zijn machtige expansies zag, concentreerde Zich in Zichzelf, de Almachtige, en sloot Zijn lotusogen. (6) Zonder in een mystieke trance het voorwerp te verbranden dat gunstig is voor alle vervoering en meditatie - Zijn eigen lichaam hoogst aantrekkelijk voor al de werelden - ging Hij Zijn eigen verblijf binnen [vergelijk 4.4]. (7) Met het in de hemel weerklinken van pauken en met de bloemen die uit de hemel vielen volgden Hem, terwijl Hij de aarde verliet, de Waarheid, Rechtschapenheid, Bestendigheid, Roem en Schoonheid [zie ook 10.39: 53-55]. (8) De halfgoden en anderen met Brahmâ aan het hoofd zagen, [met de meesten van hen] niet bekend met Krishna's bewegingen, Hem niet Zijn verblijf binnengaan, maar zij die dat wel deden waren hoogst verbaasd. (9) Net als de beweging van de bliksem, die zich van de wolken door de hemel beweegt, door stervelingen niet kan worden vastgesteld, konden zo ook de goden niet uitmaken welke weg Krishna volgde. (10) Brahmâ, S'iva en de anderen echter, ervan getuige, verheerlijkten verwonderd het yogavermogen van de Heer, waarna een ieder zich naar zijn eigen wereld begaf. (11) O Koning, u moet begrijpen dat het verschijnen, de handelingen van Zijn begoochelend vermogen, en het verdwijnen van de Allerhoogste, overeenkomend met dat van belichaamde wezens, er is als een vertoning [een schouwspel], waarmee Hij net als een acteur middels Zichzelf dit universum in gang zet, erin binnengaat, erin speelt en het op het eind weer terugtrekt, na opgehouden te zijn [daartoe] verwijlend in de grootheid van het Allerhoogste Zelf. (12) Hij die de zoon van Zijn goeroe in zijn eigen lichaam weer terugbracht van zijn weggevoerd zijn naar de wereld van Yamarâja [10.45] en die ook bescherming bood tegen het oppermachtige wapen dat jou verbrandde [1.12]; Hij die zelfs S'iva, de dood voor de agenten van de dood [10.63] overwon, hoe zou Hij, die de hertenjager compleet met zijn lichaam naar de geestelijke wereld overbracht, er niet toe in staat zijn Zichzelf te behouden? (13) Ondanks het feit dat Hij, in het bezit van onbegrensde vermogens, de enige oorzaak is in de handhaving, schepping en vernietiging van alle geschapen wezens, verlangde Hij het niet Zijn raamwerk hier in de sterfelijke wereld te behouden; waarom [zou Hij] vasthouden aan de vertoning terwille van hen [die zijn] gefixeerd op Hem, de bestemming [voorbij het lichaam, zie ook 3.2: 10-11]? (14) Een ieder die 's morgens vroeg opstaand met zorg deze allerhoogste bestemming van Krishna verheerlijkt, zal, met de toewijding, voorzeker die onovertroffen bestemming bereiken [zie ook B.G. 8: 6].

(15) Dâruka verstoken van Krishna in Dvârakâ arriverend, bevochtigde met zijn tranen de voeten van Vasudeva en Ugrasena voor wie hij neerviel. (16-17) Hij verhaalde van de vernietiging van het geheel van de Vrishni's, o heerser der mensen, en dat vernemend waren de mensen, met hun harten van slag verzet in verdriet, buiten zinnen. Zij, overweldigd door de scheiding van Krishna zich op hun gezicht slaand, haastten zich op weg naar waar hun verwanten levenloos lagen. (18) Toen Devakî, Rohinî en Vasudeva zo hun zoons niet konden vinden, verloren ze, gepijnigd in tranen, hun bewustzijn. (19) Gekweld door het van de Allerhoogste Heer gescheiden zijn gaven ze toen hun levens op aldaar en klommen de echtgenotes met het omhelzen van hun [dode] echtgenoten, mijn beste, op de brandstapel. (20) En zo gingen ook de vrouwen van Balarâma, Zijn lichaam omhelzend, het vuur binnen, en traden eveneens de echtgenotes van Vasudeva tezamen met zijn lichaam, de Heer Zijn schoondochters voor Pradyumna en de anderen, en de vrouwen van Krishna met Rukminî, de eerste koningin voorop, volkomen in Hem verzonken het vuur binnen. (21) Arjuna van streek vanwege de scheiding van Krishna, zijn geliefde vriend, troostte zich met de bovenzinnelijke woorden van Krishna's lied [zoals 2: 11-12, 2: 20-21, 2: 27, 4: 7, 4: 6, 7: 25 en 14: 27 van de Bhagavad Gîtâ]. (22) Voor de verwanten, waarvan er geen familieleden meer over waren, liet Arjuna als voorgeschreven, voor hen die de dood hadden gevonden, naar de orde van de leeftijd van de overledenen, de begrafenisrituelen voltrekken. (23) Dvârakâ verlaten door de Heer, raakte direct daarop overstroomd door de oceaan met uitzondering van, o Koning, de residentie van de Hoogste Persoonlijkheid van God [zie een archeologische afbeeldingen 1,2 & 3 van de plaats]. (24) Precies daar is Madhusûdana, de Allerhoogste Heer, eeuwig aanwezig; de enkele herinnering eraan, als het goedgunstigste van alles wat goedgunstig is, neemt al het ongunstige weg. (25) Arjuna, die de overlevenden - de vrouwen, de kinderen en de bejaarden van degenen die de dood vonden - herhuisvestte in Indraprastha, plaatste daar Vajra [Aniruddha's zoon] op de troon. (26) Van Arjuna vernemend over de dood van hun vriend, o Koning, vertrokken al uw grootvaders, met het uitroepen van u tot de handhaver van de dynastie, voor de grote reis [noordwaarts, zie ook 1.15: 34-51]. (27) De sterveling die met geloof zingt over de geboorte en handelingen van Vishnu, de God der Goden, zal volledig verlost raken van al zijn zonden [zie das'âvatâra stotra]. (28) Aldus werden de aantrekkelijke en allergunstigste heldendaden en kindertijd-wederwaardigheden van de incarnatie [met al Zijn expansies, zie 10.1: 62-63] van de Allerhoogste Heer Hari hier beschreven als ook elders; een persoon zingend [over hen] zal het brengen tot de bovenzinnelijke toegewijde dienst van de volmaakte wijzen [de paramahamsa's] voor de bestemming.

 

 

Aldus eindigt het elfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd 'Algemene Geschiedenis'. 

  

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2005 s'rîmadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. BhaktiVedânta Svâmî Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/