Canto 2:
De Kosmische Manifestatie
Hoofdstuk 1 De eerste Stap in de God-realisatie.
Hoofdstuk 2 De Heer in het Hart.
Hoofdstuk 3 Zuivere Toegewijde Dienst: De Verandering in het Hart.
Hoofdstuk 4 Het Proces van de Schepping.
Hoofdstuk 5 De Oorzaak Aller Oorzaken
Hoofdstuk 6 De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd
Hoofdstuk 7 Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's.
Hoofdstuk 8 Vragen Gesteld door Koning Parîkchit
Hoofdstuk 9 Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer
Hoofdstuk 10 Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen
De Eerste Stap in de God-realisatie
(-) Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (1) S'rî S'uka zei: 'De vraag die u stelde is een glorieuze, daar goedgunstig als hij is voor alle mensen, o Koning, hij de goedkeuring draagt van de transcendentalisten en het Allerhoogste vormt voor iedereen in ieder soort van gehoor. (2) Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, en die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd en blind zijn voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Hun nachten verspillend met slapen of het bedrijven van sex brengen ze ofwel hun dagen door met het verwerven van inkomsten, of met het in stand houden van hun gezin, o Koning. (4) Ondanks het ervaren van de destructiviteit van de feilbare soldaten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze, te gehecht als ze zijn, dat niet in. (5) Om deze reden, o afstammeling van Bharata, moet de Superziel, de Hoogste Persoonlijkheid die de beheersende en overwinnende Heer is, worden besproken, verheerlijkt en ook herinnerd daar Hij diegenen die verlangen bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon door zijn geboorte het volle besef van het Allerhoogste zou moeten bereiken, heeft uiteindelijk slechts betrekking op de heugenis van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Hoofdzakelijk die wijzen, o Koning, die door de restricties transcendentaal boven de regulerende principes staan, zijn degenen die er behagen in scheppen om in het bijzonder de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.
(8) Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara Tijdperk [yuga van het eren van vorsten] door mijzelf bestudeerd bij mijn vader Dvaipâyana Vyâsa. (9) Hoewel volledig gerealiseerd in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak, o heilige koning, waarvan ik de inhoud bestudeerde. (10) Die zal ik u voordragen, daar u van uw goede zelf de meest oprechte toegewijde bent - zij die er hun volle aandacht en respect aan geven zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda vinden [Krishna als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Van hen die vrij zijn van materiële verlangens, van hen die begeren èn van allen die vrij van angst en twijfel innerlijk verenigd zijn [de yogi's], o Koning, is het de vaststaande waarheid van de Heer Zijn heilige naam waar men in navolging ['altijd'] voor zingt. (12) Wat is er beter, voor de verbijsterden in het onervarene van hun vele jaren in deze wereld, dan één moment van bewust proberen terwille van de zaak van het opperste belang? (13) De heilige koning die bekend staat als Khatvânga, wetende dat het leven in deze wereld maar een ogenblik duurt, zette alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer. (14) O lid van de Kuru-familie, daarom zou ook uw levensduur, die beperkt is tot zeven dagen, u ook er toe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel behoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen behoort men vrij te zijn van de angst voor de dood in het kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft, middels het wapen van het niet-gehecht zijn. (16) Nadat men zijn thuis verlaten heeft, in vrome zelfbeheersing op weg naar een heilige plaats, behoort men, naar behoren gereinigd en gezuiverd, in de goede houding te gaan zitten in afzondering, overeenkomstig de reglementen. (17) Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktizeren van de drie heilige letters [A-U-M], en op die manier bereikt men, zonder het zaad van het Absolute [Brahman, de onpersoonlijke geest] te vergeten, de beheersing van het Allerhoogste door het reguleren van de ademhaling. (18) Wend voor het heil van de deugd, geconcentreerd in meditatie, de geest af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden, daar de intelligentie, opgegaan in vruchtdragende handelingen, geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat. (19) Daarna de geest, zonder het zicht op het geheel te verliezen, concentrerend op de verschillende onderdelen en verdelingen [van het lichaam als ook van de logica], behoort men bijgevolg aan niets anders te denken dan de voeten van die Allerhoogste Vishnu, die de geest tot verzoening brengt. (20) Vanwege de hartstocht en onbeweeglijkheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat recht gezet wordt in de concentratie van dat wat vrede vond en al het verkeerde vernietigt. (21) Gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis zullen de mystici die aan deze toewijding vasthouden spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dit alles als het goede ziet.'
(22) De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg : 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van waar en hoe een persoon zich moet bezighouden met of vasthouden aan, om zonder omhaal te kunnen ontkomen aan een onzuivere geest?'
(23) S'rî S'uka zei: 'Van het beheerste zitten en ademhalen, moeten de associaties van de zintuigen gericht op de grove materie van de Heer Zijn uiterlijke trekken, op intelligente wijze betrokken zijn. (24) Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiterlijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [vuur, water, aarde, ether, ego, noumenon en fenomeen, zie ook kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de purusha als de Allerhoogste Heer. (26) De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden onderkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], waarbij Zijn hielen en tenen Rasâtala zijn genaamd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon de Talâtala werelden worden genoemd. (27) De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen zijn Mahîtala genaamd, o Koning, terwijl men de kosmische ruimte houdt voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere verlichte werelden zijn van Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar, Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van het Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is waarlijk het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de vedische hymnen het denkproces van het Allerhoogste zijn, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] vormen, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is; de materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin voorzeker de hunkering, religie is Zijn borst en de weg der ongelovigheid is Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante, o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken Zijn beweging en de terugslagen van de geaardheden der materiële natuur zijn Zijn activiteiten. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn, o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige de grondoorzaak is van de materiële schepping, zo zegt men. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan. (35) Het materiële principe vormt Zijn bewustzijn terwijl, zo zegt men, Heer S'iva de innerlijke oorzaak is (Zijn ego, Zijn zelf). Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn kunnen. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'yas] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'Krishna'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die hem tevreden stellen] middels het brengen van offers.
(38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken, daar er buiten Hem in het grofstoffelijke als zodanig niets anders te vinden is. (39) Hij die van alle realisatie een ieder kent als de Superziel ongeveer zoals een dromer het ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. In Zijn richting behoort men nooit iets anders te aanbidden of men zal zich door gehechtheden verlaagd zien.'
De Heer in het Hart
(1) S'rî S'uka zei: "Spoedig herwint de ziel vanaf zijn geboorte, mediterend op de Universele Gedaante, zijn verloren herinneringen met het aldus vinden van vrede met de Heer, waarna, met een opgehelderde blik, hij zijn leven opnieuw kan opbouwen als voorheen. (2) Voorzeker doet het aanhangen van het spirituele de intelligentie, vanwege haar vele namen, verwijlen in betekenisloze ideeën waarin men rondwaart in werkelijkheden van illusie en haar verschillende verlangens zonder ooit te genieten, alsof men aan het dromen is. (3) Derhalve behoort de verlichte persoon in de wereld der namen zichzelf te beperken tot het hoogst noodzakelijke zonder gek te zijn van verlangen, intelligent gefixeerd [op de Universele Gedaante] teneinde succesvol te zijn. Hij behoort tot het praktisch inzicht te komen dat hij anders enkel terwille van hard werken bezig zou zijn. (4) Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en met de beschutting van bomen, wat is dan het nut van kleding? (5) Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer Zijn bescherming van de overgegeven zielen opgegeven? Waarom moet dan een geleerd mens, het diegenen die onder de invloed van weelde verkeren, naar de zin maken? (6) Aldus zal voorzeker met het aanbidden van het in het eigen hart zo geliefde doel van de Superziel volmaakt in zichzelf, in onthechting van de wereld ter wille vsn Hem, de Eeuwig Onbegrensde en Allerhoogste Heer, het hoogste en duurzame gewin geven waarin de oorzaak van de materiële gebondenheid zonder twijfel zijn einde zal vinden.(7) Wie anders dan de materialisten zouden door het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van namen en henzelf, de grote massa in het algemeen, als gevallen in de rivier van het lijden zien, beheerst als ze zijn door de misère die het gevolg is van hun eigen arbeid?
(8) Anderen zien in de meditatie op Hem binnen in hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter in het idee van Hem als hebbende vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots dragen. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadamba bloem bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie. (13) Stuk voor stuk, behoort men op de ledematen te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet, en aldus geleidelijk de beheersing over het denken krijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, behoort hij, aan het eind van zijn voorgeschreven plichten, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon in herinnering te brengen.
(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, de zinnen door de geest te beheersen in het de baas zijn over de levensadem. (16) Het denken, behoort door zijn eigen zuivere intelligentie in relatie tot het levende wezen zichzelf te reguleren en met alles wat erbij hoort in het zelf op te gaan, terwijl dat zelf op de volkomen voldane Superziel vast moet liggen zodat het aldus, alle andere activiteiten beëindigend, de volkomen gelukzaligheid kan bereiken. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of veroorzaking van zijn natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de opperste situatie, geven zij die ernaar verlangen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], waarbij ze in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer op ieder moment in hun hart nemen. (19) Door middel van inzicht behoort de filosoof zich aldus terug te trekken, welbekend met de wetenschap van het terwille van het leven naar behoren reguleren van de kracht, door de aars ['het lucht-gat'] te blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven te richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel, en aldus een eind te maken aan het materiële verlangen. (20) De zwevende kracht moet geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart']worden gevoerd, opwaarts naar de borst vanwaar de mediterende op intelligente wijze het meditatieve uit moet zoeken door het langzaam in het strottehoofd te brengen. (21) Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener, de uitgang van de zeven centra blokkerend en een tijdje ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot standhoudend voor het angstvrije, het domein van het hoofd binnen te gaan en op te geven terwille van het Allerhoogste.
(22) Als men er echter een verlangen op na houdt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's], het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren, zal men het ongetwijfeld ook te stellen krijgen met de geest en de zinnen die erbij komen kijken. (23) Men zegt van de bestemming van de grote transcendentalisten, dat ze van binnen de levensadem van het subtiele lichaam bestaan, terwijl degenen die hun werk materieel gemotiveerd volbrengen nooit de vooruitgang bereiken die door degenen in de verzonkenheid van de yoga gerealiseerd wordt in de versobering van de toegewijde dienst.
(24) In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur bereikt men, de hemelbewegingen volgend, door het gracieuze verloop van de ademhaling [de Sushumnâ], de zuivere geest [Brahmaloka, plaats van de Schepper] die opheldering geeft en de besmettingen wegwast, waarna men opwaarts de cirkel [de cakra, het wiel], o Koning, genaamd Sisumara bereikt [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu], begevend, wordt door het enkele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt aanbiddelijk voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden, waar de zelfgerealiseerde zielen genieten voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, verdwenen zijn vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] die, als het thuis van de gezuiverde zielen van verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft bij het zien van de onwetenden onderworpen aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.
(28) Zonder twijfel bereikt men vanuit dat zuivere zelf, de vormen van water en vuur overtreffend, de stralende atmosfeer waar, na de nodige tijd, het zelf door de eigen adem het etherische bereikt, de ware grootheid van de ziel. (29) Door het ruiken van geuren, door het proeven met de mond, door het zien van vormen en door het in contact verkeren middels fysieke aanraking en, als het ware, het bereiken door ontvangst via het gehoor van de identificatie met het etherische, komt de yogî door de zintuigen eveneens tot materiële handelingen. (30) In de geaardheid goedheid overtreft hij de verandering in de materiële vorm door de grove en subtiele zinnen te neutraliseren, tezamen met die vooruitgang de wijsheid van de ware werkelijkheid [zelfrealisatie] zien meekomend in dat volledige ophouden van de [werking van de] materiële geaardheden. (31) De persoon bereikt door die zuivering van het zelf van de Superziel de rust, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].
(32) Alles wat ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, is in overeenstemming met de Veda's zoals uwe Majesteit dat naar behoren verlangde, en het is eveneens waarlijk overeenkomstig de eeuwige waarheid zoals die beslist werd vernomen in het zuivere van de geest naar de voldoening van de aanbeden Opperheer Vâsudeva. (33) Voor hen die ronddolen in dit leven in het materiële universum, is er zeker niets gunstiger als middel van realisatie dan dat wat beoogd wordt in de toegewijde dienst [bhakti-yoga] jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's drie keer, en met een studieuze inzet nauwgezet onderzoek doend, stelde hij vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is in het aangetrokken zijn tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel; als de Heer die onderscheiden wordt door de intelligentie van de ziener in verschillende tekenen en veronderstellingen. (36) Derhalve , o Koning, behoort iedere ziel, waar en wanneer dan ook, te vernemen van de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Diegenen die de nectar drinken die hun oren vult met de vertellingen over de Allerhoogste Heer, de dierbaarste van de toegewijden, zullen hun materiële plezier, het verontreinigde levensdoel, gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die verwijlen naast de lotus.'
Zuivere Toegewijde Dienst: De Verandering in het Hart
(1) S'rî S'ukadeva zei: 'Terwille van de intelligenten onder de mensen, heb ik u al de antwoorden gegeven in reaktie op het door uw goede zelf navragen over het menselijk wezen op de drempel van de dood. (2-7) Diegenen die verlangen naar de luister van het Absolute aanbidden de meester van de Veda's; Indra, de Koning van de Hemel is er voor degenen die de kracht van de zinnen verlangen [seks] en de Prajâpati's [de krachtige stamvaders] zijn voor hen die nageslacht verlangen. De godin [Durgâ] is voor hen die verlangen naar de schoonheid van de materiële wereld, de vuurgod voor hen die naar macht uitzien, voor de weelde zijn er de Vasu's [een type halfgod] en de incarnaties van Rudra [Heer S'iva] zijn voor hen die kracht en heldhaftigheid wensen. Voor een goede oogst wordt de moeder der halfgoden Aditi aanbeden, verlangend naar de hemel aanbidt men haar zonen, voor hen die koninklijke rijkdom begeren zijn er de Vis'vadeva halfgoden en voor een commercieel succes zijn er de Sâdhya goden. De As'vinî's [twee halfgoden broers] zijn er voor het verlangen lang te leven, voor een sterk lichaam wordt de aarde aanbeden en zij die hun positie willen handhaven en bekendheid willen, respecteren hun omgeving tot aan de horizon. Schoonheid nastrevend zijn er de hemelse Gandharva's, zij die een goede vrouw willen zoeken de meisjes van de hemelse samenleving [de Apsara's en Urvas'î's] en iedereen die wil heersen over anderen is gebonden aan de aanbidding van Brahmâ, het hoofd van het Universum. Yajña, de Heer van het Offer, wordt aanbeden voor tastbare roem en voor een goed banksaldo wordt Varuna de schatbewaarder gezocht. Maar zij die verlangen om te leren, aanbidden S'iva zelf terwijl voor een goed huwelijk zijn kuise echtgenote Umâ wordt geëerd.
(8) Voor geestelijke vooruitgang wordt de hoogste waarheid [Heer Vishnu en Zijn toegewijden] aanbeden, voor nakomelingen en hun bescherming zoekt men het voorouderlijke [de bewoners van Pitriloka], vrome personen worden gezocht door hen die bescherming zoeken terwijl de halfgoden in het algemeen er zijn voor de minder algemene verlangens. (9) De goddelijke Manu's [de vaders der mensheid] zijn er voor hen die een koninkrijk verlangen, maar de demonen worden gezocht om vijanden te verslaan. Zij die zinsbevrediging begeren zijn gebonden aan de maan [Candra], terwijl zij die vrij zijn van begeerte de Hoogste Persoonlijkheid in het voorbije aanbidden. (10) Of men nu vrij is van verlangen, er vol van is of naar bevrijding verlangt, de persoon met een ruimer verstand behoort met heel zijn hart in toegewijde dienst [bhakti-yoga] de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, het opperste geheel te aanbidden. (11) Al deze typen van aanbidders ontwikkelen zeker, in aanbidding van de hoogste zegening in dit leven, een niet aflatende spontane aantrekking voor de Allerhoogste Heer door de associatie met Zijn zuivere toegewijden. (12) De kennis die leidt tot het uiterste van het zich volledig terugtrekken uit de draaikolk van de materiële geaardheden geeft de bevrediging van de ziel, welke naar de transcendentie in onthechting van deze geaardheden, de zegeningen met zich meedraagt van het pad van de bhakti-yoga. Wie, in beslag genomen door de vertellingen over de Heer zou niet in aktie komen met deze aantrekking?"
(13) S'aunaka zei: "Wat wilde de koning, de heerser van Bharata, na dit alles gehoord te hebben, nog meer weten van de zoon van Vyâsadeva, de poëtische wijze? (14) O hoog geleerde Sûta, verklaar ons, die er naar uitzien erover te horen, deze onderwerpen die leiden tot de vertellingen over de Heer die zeker welkom zijn in de samenkomst van de toegewijden. (15) Hij, de koning, was zonder twijfel een grote toegewijde, die kleinzoon van de Pândava's; een groot strijder die als kind met poppen de activiteiten van Heer Krishna naspeelde. (16) En zo moest het daar, in de aanwezigheid van de toegewijden, ook zo zijn met de zoon van Vyâsadeva, vanwege zijn grote kwaliteiten in zijn gehechtheid aan de Opperheer Vâsudeva die door zovelen wordt verheerlijkt. (17) Met uitzondering van hem die zijn tijd doorbrengt met de onderwerpen van Hem waar de Allerhoogste schriftuurlijke waarheid over handelt, neemt de levensduur van de mensen zeker af met het op- en ondergaan van de zon. (18) Leven de bomen niet, blazen de blaasbalgen van de smid geen lucht en de beesten om ons heen: eten ze niet en planten ze zich niet voort? (19) Een persoon is, net als een hond, een varken, een ezel of een kameel, niet meer dan een dier als de heilige naam van Hem die ons bevrijdt van alle kwaden nooit zijn oor bereikte. (20) De oren van een mens die nooit hoorden van Vishnu, de Ene van de enorme vooruitgang, zijn als die van slangen, en ook de tongen van hen die nooit hardop de gezangen van waarde zongen zijn net zo nutteloos als die van kikkers. (21) Zelfs getooid met een zware zijden tulband, is het bovenste deel van het lichaam slechts een zware last, nooit neerbuigend voor Mukunda [Krishna die bevrijding schenkt], precies zoals handen, die niet gebruikt worden voor de aanbidding van de Heer, zijn als die van een lijk, zelfs al zijn ze omhangen met schitterende gouden armbanden. (22) Gelijk de ogen op de pluimen van een pauw zijn de ogen van die mensen die niet de gedaanten van Vishnu zien en hun benen zijn als de wortels van de bomen als ze nooit naar de heilige plaatsen van de Heer gingen. (23) Dood bij het leven zijn de stervelingen die nooit in het bijzonder het stof van de voeten van de zuivere toegewijden ontvingen en, terwijl hij ademt, is een afstammeling van Manu [een mens] maar een lijk als hij nooit de weelde van het aroma van tulsîblaadjes heeft geroken van de lotusvoeten van Heer Vishnu. (24) Voorzeker is dat hart in staal gevat dat, ondanks het verzonken zijn in het zingen van de naam van de Heer, niet transformeert met het emotionele van het daarbij hebben van tranen in de ogen en haren die overeind staan. (25) Leg 0 Sûta Gosvâmî, omdat u zich in gunstige bewoordingen uitdrukt, uit welke bovenzinnelijke kennis de zo deskundig leidende S'ukadeva Gosvâmî desgevraagd de waarheidzoekende koning onthulde."
Het Proces van de Schepping
(1) Sûta zei: "Meteen nadat hij zich realiseerde wat S'ukadeva Gosvâmî aldus zei over het zich verwittigen van de werkelijkheid van de ziel, concentreerde de kuise zoon van Uttarâ [Parîkchit] zich op Heer Krishna. (2) teneinde niet voortdurend gestoord te worden, gaf hij zijn diep gewortelde affiniteit met zijn lichaam, zijn echtgenote, zijn zoon, zijn schatkist, en al zijn verwanten en vrienden in het koninkrijk op. (3-4) Uit volle overtuiging deed de grote ziel op precies dezelfde manier hierover navraag zoals u me dat vraagt, o grote wijzen. Op de hoogte gesteld van zijn dood verzaakte hij zijn vruchtdragende activiteiten overeenkomstig de drie principes [- van zelfrealisatie: het verzaken van religieuze handelingen, economische ontwikkeling en zinsbevrediging] en alles wat erbij hoort en aldus hecht verankerd bereikte hij de aantrekking van de liefde voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (5) De koning zei: 'Wat u zei is volkomen waar, o hoog geleerde; u die zonder besmettingen bent weet het allemaal en zorgt ervoor dat het duister van de onwetendheid geleidelijk aan verdwijnt terwijl u spreekt over de onderwerpen die de Heer betreffen. (6) Verder, zou ik graag vernemen over hoe de Opperheer middels Zijn persoonlijke energieën deze zichtbare wereld van het universum creëert die zo ondoorgrondelijk is voor zelfs de meesters der meditatie. (7) En alstublieft vertel me tevens over de manier waarop de machtige Zijn energieën handhaaft en ze weer terugneemt, als de almachtige Hoogste Persoonlijkheid komend tot Zijn expansies, ze erbij betrekkend alsook er zelf bij betrokken zijnd, ze opvoerend alsook ze aanzettend tot handelen. [zie ook canto1, hoofdstuk 3] (8) Zelfs de hoog ontwikkelden schieten, ondanks hun pogen voor Hem, tekort beste brahmaan, in het verklaren van de wonderbaarlijke, ondoorgrondelijke handelingen van de Allerhoogste Heer. (9) Alhoewel Hij handelt door Zijn verschillende incarnaties is Hij de Ene en Allerhoogste, of Hij nu handelt door de geaardheden, gelijktijdig in de materiële energie aanwezig is, dan wel zich opeenvolgend manifesteert in vele gedaanten. (10) Alstublieft verschaf opheldering over al deze door mij gestelde vragen aangezien u, zo goed zijnde als de Opperheer Zelve, zowel van de mondelinge traditie met de vedische geschriften bent als volledig zelfverwerkelijkt in bovenzinnelijkheid'."
(11) Sûta zei: "Na aldus ertoe te zijn verzocht door de koning om de bovenzinnelijke eigenschappen van Heer Hrishîkes'a [Krishna als de meester der zinnen] te beschrijven zette S'uka, teneinde naar behoren antwoord te geven, zich ertoe methodisch te werk te gaan.
(12) S'rî S'uka zei: 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, die voor zowel de handhaving als voor het terugnemen van het volkomen geheel van de materiële schepping, middels Zijn spel en vermaak de macht van de drie geaardheden aannam terwijl Hij innerlijk verblijft als de Ene wiens wegen ondoorgrondelijk zijn. (13) Nogmaals mijn eerbetuigingen aan Hem die de waarachtigen bevrijdt van de ellende van de controverses van hen die van onwaarheid zijn en andermaal mijn respect voor Hem die de vorm van de zuivere goedheid is en alles toekent wat wordt gezocht door hen die zich bevinden in de status van het hoogste stadium van geestelijke volmaaktheid [de paramahamsa's]. (14) Laat me mijn eerbetuigingen brengen aan die grootse kameraad van de Yadu-dynastie die, zich verre houdend van werelds gekonkel, de niet-toegewijden overwint. Ik buig me neer voor Hem die van dezelfde grootheid is in het genieten van de weelde als in het genieten van Zijn eigen verblijf in de geestelijke hemel. (15) Van Hem wiens verheerlijking, heugenis, aanschouwen, gebeden, luisteren en eerbetoon terstond alle mensen van de gevolgen van zonde bevrijd; Hem waarover men verneemt dat Hij in alle opzichten begunstigt, breng ik telkens weer mijn verschuldigde eerbetuigingen. (16) Zij helder van geest die door eenvoudigweg zich aan de lotusvoeten te wijden alle gehechtheden aan een huidig of toekomstig bestaan volledig opgeven, realiseren voorzeker zonder moeilijkheden de vooruitgang van het hart en de ziel naar het spirituele bestaan; die vermaarde, alles-begunstigende Ene breng ik keer op keer mijn eerbetuigingen (17) De grote wijzen, de grote helden der liefdadigheid, de meest onderscheidenen, de grootste denkers, de grote mantra-chanters [reciteerders/zangers] en de strikte volgelingen zullen nooit tot tastbare resultaten komen zonder Hem toegewijd te zijn; Hem zo gunstig om over te vernemen breng ik telkens weer mijn eerbetuigingen. (18) De volkeren van Oud-Bharata [India}, Europa, het zuiden van India, Griekenland, Pulkas'a [een provincie], Âbhîra [deel van oud Sind], S'umbha [een andere provincie], Turkije, Mongolië en nog anderen die ook aan de zonde verslaafd zijn en hun toevlucht tot de Heer Zijn toegewijden zoeken, raken meteen gezuiverd; jegens Hem, de machtige Heer Vishnu, mijn respectvolle eerbetuigingen. (19) Hij is de ziel en Heer van de zelfverwerkelijkten; de verpersoonlijking van de Veda's, de religieuze literatuur en de versobering; degene die door de Ongeboren Ene [Brahmâ], Heer S'iva en hen die boven alle pretenties staan in achting wordt gehouden; o Allerhoogste Heer, moge Uw welwillendheid altijd met me zijn. (20) Van alle weelde de eigenaar, de leider van alle offerandes, de aanvoerder van alle levende wezens, de meester der intelligenten, de heerser over alle werelden, de hoogste instantie van de planeet aarde als ook als de eerste onder hen de bestemming van de koningen van de Yadu-dynastie; o Allerhoogste Heer, meester van de toegewijden, wees me genadig. (21) Het wordt gezegd dat het denken aan Zijn lotusvoeten, er op ieder ogenblik in verzonken zijnd, de autoriteiten volgend, zuiverend de pure kennis geeft van de uiteindelijke werkelijkheid van de ziel en ook dat het de geleerden er toe aanzet over Hem te schrijven naar hun voorkeur; o Mukunda, mijn Opperheer, moge Uw genade altijd met me zijn. (22) Moge Hij die de Godin van het Leren van het begin af aan inspireerde en de eerste van de Schepping bekrachtigde [Heer Brahmâ] met heugenis in het hart omtrent zijn eigen natuur, terwijl Hij zelf scheen te zijn geschapen uit zijn mond - moge Hij, de Leraar der Leraren, tevreden over mij zijn. (23) Hij die neerligt in de materiële schepping en al deze lichamen gemaakt van de stoffelijke elementen tot leven wekt terwijl Hij als de purusha [de Oorspronkelijke Persoon] er de oorzaak van is dat allen onderworpen zijn aan de geaardheden der natuur met haar zestien onderdelen[bewustzijn, en de vijf elementen van aarde, water, lucht, vuur en ether en de vijf organen van aktie en de vijf zintuigen]; moge die Allerhoogste Heer de illustratie zijn van mijn uitlatingen. (24) Mijn eerbetuigingen aan Hem, de grote heer van Vâsudeva [Vyâsadeva in den vleze], de vergaarder van de vedische literatuur, van wiens lotusmond zijn aanhangers de nectar van deze kennis dronken. (25) De eerste [Vyâsadeva; Brahmâ], mijn beste koning, gaf daartoe verzocht door Nârada, van binnen uit, de vedische kennis exact door zoals die was uitgesproken door de Heer in het hart'."
De Oorzaak Aller Oorzaken
(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Mijn eerbetuigingen aan u, o god der halfgoden, daar u als eerste, de levende wezens het leven schenkt. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder het transcendentale stuurt. (2) Wat is de vorm, de achtergrond en de bron van deze geschapen wereld, o meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is hiervan in feite werkelijk? (3) Dit alles weet u in uw goedheid, daar u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is; meester, het universum is als een walnoot in uw wetenschappelijke greep. (4) Wat is de bron van uw wijsheid, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, alleen, de levens van alle wezens met de elementen der materie, die voorzeker door de ziel worden gemachtigd? (5) Te werk gesteld als een spin, manifesteert u zelfvoorzienend zonder enige hulp uit uzelf al dezen [deze levens] zonder er zelf door verslagen te zijn. (6) Of ik nu wel of niet mijzelf ken als superieur of inferieur in deze wereld, of als een gelijke, o machtige, de kwaliteiten van naam en vorm van alles wat met het eeuwige zijn bestaan vond, zijn slechts tijdelijk, zoals al het overige dat ontsproot uit een andere bron. (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam en ons de kans gaf te twijfelen aan de uiteindelijke waarheid van u. (8) O, u alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over al hetgeen waar ik naar vroeg zodat ik, naar wat het gezag stelt, in staat zal zijn te begrijpen.'
(9) De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde die mij zo dierbaar is, u bent zeer vriendelijk in uw volmaakte navraag die me inspireert tot de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (10) U zit er niet naast in wat u zoëven zei in uw beschrijving van mij; mijn beste, daar het zonder het Allerhoogste voorbij aan mij, het, mij kennend, zeker zo zal zijn zoals u het over me zei. (11) Ik ben het die het universum doet verschijnen dat voortstraalt bij de macht van Zijn gloed [genaamd de brahmajyoti], zo goed als de zon en het vuur als ook de maan, de sterren, de planeten en de constellaties hun herderheid laten zien. (12) Mijn eerbetuigingen zijn voor Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer, door wiens onoverwinnelijke vermogens men mij de leraar [de goeroe] van de wereld noemt. (13) Onbeschaamd over hun voorop blijven gaan met macht der begoocheling, misbruiken zij die verbijsterd zijn hun woorden pratende over 'ik' en 'mijn', maar zo sprekende wordt ik slecht begrepen. (14) De vijf elementen in hun interactie in de Eeuwige Tijd als ook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan; ieder voor zich hebben ze in waarheid geen waarde.. (15) Nârâyana [Krishna als de vier-armige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Met voor ogen wat door de Ziener, door de Superziel, de heerser over alle intelligentie die mij heeft geschapen, zo volmaakt werd geschapen, hou ik, geïnspireerd door Zijn blik, mezelf bezig met scheppen.
(18) Van deze [werkelijkheid van de geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (19) Onder de invloed van de geaardheden van de materiële energie raakt het eeuwig bevrijdde levende wezen gekonditioneerd aan de materiële kennis [van 'ik' en 'mijn'] die zich manifesteert met de symptomen van oorzaak en gevolg in materiële activiteiten. (20) Hij, deze Opperheer, die in de symptomen van al deze drie geaardheden waarlijk, als de Superziener, ongezien is in Zijn bewegingen, o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (21) [De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] die de werklast [karma] als ook de specifieke aard [- of svabhâva - heeft het op zich genomen middels de energie van zijn [Zijn] eigen Zelf, onafhankelijk daarin opgegaan, te verschijnen met het in gang zetten van verschillende gedaanten. (22) Door die eeuwige tijd gebeurde het zo dat vanwege de transformatie van de activiteiten geschapen door de geaardheden der natuur, de Oorspronkelijke Persoon Zijn omvorming van het geheel der materie [de mahat-tattva] plaats vond. (23) Maar door de transformatie van het geheel der materie namen de geaardheden van de hartstocht en de goedheid toe zo dat [tegenwicht biedend in reaktie] een overwegen van de geaardheid der duisternis plaatsgreep met haar enkelvoudige materiële kennis en overwegen van materiële activiteiten. (24) Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich in haar drie kenmerken van zowel goedheid, hartstocht als onwetendheid, en aldus, prabhu, raakten de machten van aktie, kennis in schepping en begeleiding in intelligentie verdeeld. (25) Door de identificatie met de duisternis der materie werd middels de omvorming naar die geaardheid [het eerste element van] de ether tot ontwikkeling gebracht met haar subtiele vorm en kwaliteit van het geluid dat een aanduiding vormt voor zowel de ziener als het geziene. (26-29) Door de omvorming van de ether kwam de aanraking, als de kwaliteit van de lucht, tot het volle van het geluid, met de kenmerken van het voorgaande element erin meegenomen, en kwam het zodoende eveneens tot een leven van onderscheid en het vermogen van het krachtige. Dienovereenkomstig transformerend naar die lucht bracht de tijd als reaktie op het verleden op natuurlijke wijze het vuur-element voort, daarbij eveneens de nodige vorm, aanraking en geluid gevend. Van het water dat van vuur getransformeerd raakte waren er de sappen en de smaak hetgeen, zoals voorheen gezien, eveneens in opeenvolging geluid gaf [tranen, speeksel, zaad, bloed, melk]. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van water kwam weer daarop volgend het geurrijke [van het aarde-element] van het sap dat de vorm aannam van de kwaliteiten van aanraking en geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwam [aldus] het denken van de goddelijken tot stand die handelen in goedheid, gekend in de tien van hen als de heerser der windrichtingen, de lucht, de zon, de wateren [Varuna], de langlevendheid [As'vinî-Kumâra's geassocieerd met de geur], het vuur, de hemelen [Indra], de beeltenis der transcendentie, het eindigen [Mitra, geassocieerd met de uitscheiding] en de geest [Brahmâ]. (31) Door de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie aangaande de macht der kennis en handeling naar de vijf zinnen plaats die de levende energie de intelligentie gaf van al haar horen, aanraken, ruiken, waarnemen en zich ontlasten. (32) Voor de tijd dat al deze elementen van de zinnen en het denken naar de geaardheden der natuur afgezonderd bleven, zolang kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o [Nârada] beste in de kennis. (33) Toen die [elementen] allemaal de één na de ander samengevoegd door de Opperste Energie hun toepassing vonden, kwamen duidelijk onderscheiden, in het aannemen van hun primaire en secundaire aard, de twee [geestelijke en materiële werkelijkheden] van dit universum tot stand.
(34) Talloze millennia bleef die universele werkelijkheid verzonken in de [causale] wateren totdat de individuele ziel [jîva of de Heer] door de aktie van de Eeuwige Tijd naar de geaardheden der natuur het niet levende tot leven deed komen. (35) Hij Zelve als de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] kwam vanuit het universele ei te voorschijn Zichzelf verdelend in indelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum zijn als de ledematen van het lichaam met zeven systemen onder en zeven aan de bovenzijde van wat kan worden gezien. (37) De brahmanen werpen zich op als de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse als Zijn armen, de handelaren representeren de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn [onder]benen. (38) De aardse [lagere] werelden zijn van Zijn benen zegt men, de etherische werelden zijn van Zijn buik, de hemelse werelden van het hart zijn van de borst terwijl de opperste werelden van de heiligen en wijzen van de grote Ziel zijn. (39) Terwijl men tot aan de nek de werelden van de menselijkheid vindt en daarop vanaf de borst de werelden der verzaking en de werelden der waarheid met het hoofd aantreft, zijn het de werelden van de geest die in het eeuwige worden gevonden. (40-41) Met onder Zijn gordel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, tot zijn knieën de derde, de vierde op zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth rûpa of universele gedaante] vol van al de werelden. (42) Aldus stelt men zich [drievoudig] de aardse planeten gesitueerd op de benen, de etherische werelden gesitueerd in het gebied van de navel en de hemelse werelden vanaf de borst naar boven gesitueerd voor of anders de wereld zoals verschillend [in een vier- of veertien verdeling] voorgesteld.'
De Lofzang op de Oorspronkelijke Persoon Bevestigd
(1) De Schepper zei: 'Uitdrukking gevend aan het vuur is de mond het centrum dat de lofprijzingen voortbrengt waartoe er zeven lagen zijn [werelden ...] in het offeren van de nectar en allerlei soorten voedsel aan de tong in respect voor al het delicate. (2) Voor de neus is er de levensadem en de buitenlucht om de transcendentale ervaring voort te brengen van de langlevendheid [de As'vini halfgoden] met alle medicinale kruiden en het genieten van de geuren. (3) De ogen die allerlei vormen waarnemen als ook al het verlichte dat schittert voor het oog van de zon, begeleidt het horen van de oren uit alle richtingen van al de geluiden van eerbetoon die weerklinken in de ether. (4) Zijn oppervlak [van de Universele Gedaante] vormt de grond voor alle dingen en gunstige gelegenheden zowel als het veld van opbrengst terwijl Zijn huid van de luchtbewegingen de tastzin vormt waaruit zeker ook allerlei offerandes voortkomen. (5) Zijn lichaamsbeharing is de vegetatie van de koninkrijken, van welke in het bijzonder de offerplechtigheden worden voltrokken waartoe Zijn hoofdhaar, Zijn aangezichtshaar en Zijn nagels de stenen, het ijzererts en de wolken met hun electriciteit vormen. (6) Zijn armen, de besturende mensen van God, zijn hoofdzakelijk bezig met het voorzien en beschermen van de burgerbevolking. (7) Zijn vooruitgang met de lagere en middelste werelden zowel als in de hemel, in alle behoeften voorziend van wat nodig is aan onbevreesdheid en al de zegeningen, wordt precies gekend in de Heer Zijn toevlucht verschaffende lotusvoeten. (8) Van water, van het zaad en van het vruchtbare van de regens realiseert men zich de genitaliën van de Schepper, de Heer en eveneens de plek vanwaar het geluk ontspringt teweeggebracht door het [of de behoefte aan het] voortbrengen [van nageslacht of cultuurproducten]. (9) O Nârada, de opening waar de uitscheiding van de Universele Gedaante plaats vindt is van Mitra, de beheersende godheid van alles dat op zijn einde loopt en vormt het rectum waar afgunst, ongeluk, de dood en de hel wordt herinnerd (10) Van de frustratie, de immoraliteit en onwetendheid ontdekt men Zijn rugzijde, terwijl de rivieren en stromen [zoals gezegd] staan voor Zijn aderen en de bergen voor de verzameling van Zijn botten. (11) De ongeziene beweger [de tijd] van de zeeën en oceanen van de tot leven komende en ook weer vernietigde wezens wordt, gezien vanuit Zijn buik, [de middelste werelden, S'iva], door de intelligenten gekend als het [kloppende] hart dat in het subtiele lichaam is gelokaliseerd.
(12) Van de Grote Persoonlijkheid is het bewuste behartigen door u, mij en mijn zoons [de Kumâra's] van de [religieuze] verplichtingen in de continuïteit [S'iva, de continuerende ziel die de vernietiging onder ogen ziet] en de bovenzinnelijke kennis is eveneens het essentiële bewustzijn [de ziel] van de waarheid aangaande de grote persoonlijkheid. (13-16) Ik, u, de aanhoudende Heer [S'iva], als zeker ook de grote wijzen voor u, de goddelijken, het duivelse, de menselijke wezens en de excellenten [de Nâga's], de vogels, de beesten, de reptielen en al de hemelse wezens als ook de planten en vele andere bestaansvormen op het land, in de wateren en in de lucht, tezamen met de astroïden, de stralende leidende sterren, de kometen, de donder en de bliksem - voorzeker als wat er ook was, is en zal worden geschapen, zijn allen tezamen van de Oorspronkelijke Persoon die allen omvat in het idee van een afmeting hebbend van niet meer dan 16 centimeter [zie ook 2.2: 8]. (17) Op dezelfde manier als de zon in het spreiden van zijn stralen er van buiten is, de levens kracht verschaft (van binnen) en zijn pad verlicht, is er overeenkomstig bij de expansie van de universele gedaante, de Hoogste Persoonlijkheid die het innerlijke en uiterlijke bestaan tot leven wekt. (18) Hij is de beheerser van het onsterfelijke en onbevreesde in de overstijging van de dood en de vruchten van iedereen en derhalve, o Nârada, worden de heerlijkheden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid gezien als zijnde onmetelijk.
(19) Weet dat al de levende wezens hun bestaan hebben in een kwart van de Hoogste Persoon die het onsterfelijke, vervullende en onbevreesde reservoir is van alle volheden voorbij de materiele omhullingen van de drie werelden. (20) Het drie vierde deel van Hem in het voorbije is waar zij verblijven die nimmer meer geboorte zullen nemen, maar binnen [de materiële wereld] zijn er de drie werelden [hemel, vagevuur en hel] voor de statusoriëntaties van hen die, niet strikt in het naleven van de gelofte van het celibaat, gehecht zijn aan het gezinsleven. (21) Zo keurig de bestemming van de levende wezens ordenend, heerst de Handhaver over de toewijding van zowel de onwetenden als van hen die met de feiten bekend zijn, en is Hij zodoende, als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, de meester van hen beide. (22) Van wie al de planeten en de gigantische Universele Gedaante ontstond, verschenen de elementen en de zinnen naar de materiële kwaliteiten van het universum, waarbij het overtreffende van die Universele Gedaante te vergelijken is met de manier waarop de zon zich verhoudt tot verspreide stralen en hitte.
(23) Toen ik geboorte nam uit de lotusbloem van de navel van deze grote persoon, wist ik, behalve van de persoonlijke ledematen van de Oorspronkelijke Persoon niet wat er nodig is voor het uitvoeren van offers. (24) Om offers te brengen is het geofferde zoals bloemen en groen met brandbaar materiaal [zoals stro] nodig tezamen met een altaar als ook het grote van de tijd [een kalender b.v.] in het volgen van de geaardheden van de natuur. (25) Hulpmiddelen, granen, brandstof [geklaarde boter], een zoetstof ['honing'], kapitaal ['goud'] en een vuurplaats ['aarde'], water, de geschriften ['Rig, Yajur en Sâma Veda'] en [ten minste] vier [voorgaande] personen zijn hierin vervat, o godvruchtige. (26) Ook omvat het het aanroepen van heilige namen en mantra's als ook bijdragen en geloften betreffende de specifieke godheid in kwestie voor welke er voor ieder doel een speciaal geschrift is. (27) Voor de voortgang naar het uiteindelijke doel door middel van de aanbidding en zeker ook ter wille van de compensatie met de uiteindelijke offers aan de diverse delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon [de vertegenwoordigende halfgoden], regelde ik de benodigdheden. (28) Aldus goed toegerust aanbad ik, uitgevoerd door al die expansies van de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, de oorspronkelijke genieter van alle offers. (29) Daarnaar praktizeerden uw [gods-] broeders, de negen meesters der levende wezens [scholen; de halfgoden naast Brahmâ; vergelijk 5:30], ter wille van de geziene en ongeziene persoonlijkheden met gepast ritueel. (30) In het volgen van [die scholen of halfgoden] aanbaden ook de Manu's, de vaders der mensheid, na verloop van tijd, Hem behagend, zoals ook andere grote wijzen, voorvaderen, geleerden, toegewijden, en de mensheid als geheel dat deden.
(31) Terwille van Nârâyana, de Persoonlijkheid van God, kwamen al deze hoogst machtige manifestaties, die de materiële illusie met het universele van de vorm hadden aanvaard, tot stand in het bestaan van schepping, behoud en alhoewel Hij aan zichzelf genoeg hebbend er boven staat. (32) Naar Zijn wil, schep ik terwijl onder Zijn beschikking S'iva vernietigt, met Hemzelf daartoe als de beheerser van de drie energieën die het hele universum behoudt als de Oorspronkelijke Persoon.
(33) Ik heb u aldus, mijn beste, daar u er om verzocht, dit alles uitgelegd wat betreft de kwestie het nooit iets anders hebben voorbij de Allerhoogste Heer in het denken over oorzaak en gevolg. (34) O Nârada, voorzeker is deze geestestoestand nimmer wanneer ook onjuist gebleken, noch was mijn gedachtengang ooit in onwaarheid, noch waren mijn zinnen verlaagd in het tijdelijke, omdat mijn hart met grote ijver vast wist te houden aan de Heer. (35) Geslaagd als ik was in de versoberingen der vedische wijsheid overeenkomstig de geestelijke erfopvolging, aanbiddelijk als de meester van alle voorvaderen en deskundig en zelfgerealiseerd in de praktijk van de yoga, kon ik Hem uit wie het zelf voortkwam niet volledig begrijpen. (36) Ik ben [derhalve] de alles begunstigende voeten van de Heer der overgegeven zielen toegewijd, die de herhaling van geboorten en dood stoppen en de visie van het geluk geven; voorzeker kan men zich geen voorstelling maken van het vermogen van Zijn Persoonlijke energieën - net zoals de hemel zijn eigen begrenzing niet kan zien, daarom: hoe kunnen anderen er dan van afweten? (37) Aangezien noch ik, noch wie van jullie zonen ook, noch de Vernietiger in feite [al] Zijn bewegingen kunnen overzien, wat zouden dan de andere god-bewusten? De intelligentie verbijsterd door de illusieverwekkende energie van wat geschapen is kan alleen zien voor zover het eigen vermogen reikt.
(38) Aan Hem, de Allerhoogste Heer, onze respectvolle eerbetuigingen, wiens incarnatie en activiteiten wij verheerlijken alhoewel we Hem niet volledig kennen. (39) Hij, de eigenlijke voorwereldlijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid schept in ieder millennium vanuit de ongeboren ziel naar het [materiële] zelf met behulp van Zichzelf Zijn eigen transcendentale aanwezigheid, Zichzelf handhavend [voor enige tijd] en [Zichzelf ook weer] terugwinnend. (40-41) Zonder een materiële smet, zuiver en volmaakt in de kennis en alles doordringend in Zijn volheid is Hij gevestigd in waarheid als het absolute zonder een begin en een einde, vrij van de natuurlijke geaardheden en in eeuwigheid zonder Zijns gelijke. O mijn wijze, de grote denkers kunnen dit alleen maar begrijpen met een tot vrede gebracht zelf en hun zinnen behartigd, anders zal het zeker uit het zicht verdwenen en verdraaid zijn door onhoudbare argumenten. (42) De eerste incarnatie van de Heer, de Oorspronkelijke Persoon [Mahâvishnu of Kâranodakas'âyi Vishnu] is de tijdruimte [de oorspronkelijke aard van de tijd]; en oorzaak en effect, de elementen, de geaardheden, als ook het ego, met haar natuurlijke geaardheden en zintuigen, de Universele Gedaante [virâth rûpa] uitmakend van het beweeglijke en onbeweeglijke van de Heer [Garbhodakas'âyî Vishnu genoemd]. (43-45) Ik zelf [Brahmâ], de Vernietiger en de Handhaver, al de vaderen van de levende wezens zoals Daksha [en Manu], jijzelf en de andere zonen [de Kumâra's], de leiders van de hogere werelden, de ruimtereizigers, de aarde en de lagere werelden, de leiders van de bewoners van de hemel [van de Gandharva, Vidyâdhara en Cârana werelden] als ook de leiders van het demonische [de Yaksha's, Râkshasa's en Uraga's] en de onderwereld en eveneens de leiders van de wijzen, de voorvaderen, de atheïsten, de wonderbaarlijken, de onbeschaafden en ook de doden, de boze geesten, de Jinn en Kûshmânda's [andere boze geesten] en de grote waterdieren, beesten en vogels - in andere woorden alles en iedereen die in de wereld in een bepaalde mate machtig zijn of van een specifieke mentale of zintuiglijke begaafdheid of buitengewoon vermogen, vergevingsgezindheid, schoonheid, bescheidenheid, weelde, intelligentie of geslacht zijn alsof ze de vorm van Zijn bovenzinnelijke werkelijkheid zelve zijn, maar in feite vormen ze slechts een fragment. (46) O Nârada, waardeer nu de toewijding voor het spel en vermaak van al die incarnaties van de Oorspronkelijke Hoogste Persoonlijkheid dat de trage materie zal doen verdampen die zich in je oren heeft opgehoopt. Ik zal je ze, ieder voor zich een genoegen om naar te luisteren, de één na de ander vertellen, zoals ze zich in mijn hart bevinden.
Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's.
(1) De schepper zei: 'Toen de Heer trachtte de aarde op te heffen uit de grote oceaan [-de Garbodhaka], nam Hij als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aan van het totaal van alle offers in confrontatie met de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de demon van het goud] die door Hem, als was Hij een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand [Hem beschouwd als de everzwijn-avatâra Varâha].
(2) Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van de Prajâpati, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie'] waardoor Hij het lijden van de drie werelden aanzienlijk verminderde en om reden waarvan de vader van de mensheid genaamd Svâyambhuva Manu, Hari [de Heer] werd genoemd.
(3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de twee maal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de baarmoeder van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] begeleid door negen vrouwen. Zijn moeder onderrichtend als Heer Kapila ['de analytische'] in spirituele zelfverwerkelijking, werd zij in dat leven verlost van de ziel-overdekkende materiële geaardheden en bereikte ze de bevrijding.
(4) De wijze Atri die bad voor nageslacht, beloofde ik, tevreden over zijn overgave, dat de Opperheer geboorte zou nemen als Datta [Dattâtreya, hij die geschonken werd], van wie het stof van Zijn lotusvoeten het mystieke lichaam zuiverde van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.
(5) Omdat ik eerst sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-Kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor, was de spirituele waarheid verwoest in de onderdompeling van de wereld, maar werd ze volledig duidelijk met deze wijzen die een heldere visie op de ziel hadden.
(6) Uit Murti [de beeltenis], de vrouw van Dharma ['rechtgeaardheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de weg van de mens']. Aldus [in die nederdaling] in het zien van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen zou de Allerhoogste Heer nimmer zijn geloften gebroken zien door de hemelse schoonheden die met Cupido [de god van de liefde] tot hem kwamen. (7) Grote voorvechters [als Heer S'iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Voor dat echter, met Hem van binnen, is de lust bang naar voren te treden. Hoe kan die feitelijk weer de aandacht vragen met Hem in de geest?
(8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen geuit door een bijvrouw, zelfs in de aanwezigheid van de koning, nam [Hij als] een jongen zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud en vestigde daarmee het doel van de realisatie van Dhruva ['de onverzettelijke'] met het voor Hem bidden naar de tevredenheid van de bewoners van de hemel zoals de grote wijzen dat sedertdien altijd doen opstijgend en weer nederdalend van die positie [zie ook het vierde Canto].
(9) Toen de tweemaal geboren, vervloekte koning Vena ['de bezorgde'], afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een blikseminslag en kwam hij met al zijn grote daden en weelde in de hel terecht. Nadat er voor Hem was gebeden bevrijdde Hij hem naar de aarde komend als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote'] zowel realiserend dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.
(10) Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî om te gaan voor de zekerheid van het uitgebalanceerd zijn in de aangelegenheid van de yoga, hetgeen door de geleerde wijzen wordt geaccepteerd als het hoogste stadium van volmaaktheid, waarin men het zelfverzonkene aanvaard in het terugdringen van de activiteiten van de zintuigen, volmaakt bevrijd zijnd van materiële invloeden.
(11) In een offerande van mij verscheen de Allerhoogste Heer [genaamd Hayagrîva], met een hoofd als dat van een paard en wordt Hij aldus beschouwd als de Persoonlijkheid van de Offers met een gouden glans door wiens ademen door Zijn neusgaten de geluiden van de vedische hymnen, persoonlijke offerandes en alles wat de [super-] ziel van het goddelijke aangaat kan worden gehoord.
(12) Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk dat Heer Matsya ['de vis'] de toevlucht is voor alle levende wezens tot aan de aardsen, vanwege waarvan uit de grote angst voor de wateren, de toevlucht tot mijn mond genomen hebbende, daarvan zeker al de Veda's konden worden genoten.
(13) Toen in de oceaan van melk [kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, groot] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma] dat het over Zijn rug schuurde en jeukte.
(14) Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degeen die de angst van de godbewusten wegneemt in het fronsen van Zijn wenkbrauwen en tonen van de schrikwekkende tanden van Zijn mond, onverwijld op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorborend die hem uitdaagde met een strijdknots in zijn handen.
(15) De leider der olifanten die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem een lotus vasthoudend in grote nood op deze wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum en beroemd als een pelgrimsoord komt al het goede voort uit het enkel aanhoren van Uw naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], kliefde de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakra-wapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.
(17) Hoewel Hij in Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten de grootste is, overtrof Hij [als de jongste] van al de zonen van Aditi ['de oneindige'] in dit universum al de werelden en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd: voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij op die manier bedelend al het land [van Bali Mahârâja] als Heer Vâmana in zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten waar Hij nimmer van verstoken is. (18) O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit iets anders dan - zelfs ten koste van zijn eigen lichaam - vast te houden aan zijn belofte, daar hij de Heer in zijn eigen geest was toegedaan.
(19) Voor jou, Nârada, beschreef de Opperheer in genegenheid, tevreden over de ontwikkeling van uw goedheid middels uw bovenzinnelijke liefde, in detail het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel, welke allen die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva zo volmaakt weten te waarderen.
(20) Door Zijn cakra en niet aflatend in alle omstandigheden ['tien zijden'] heerste Hij in de verschillende incarnaties als de Manu-opvolger in de Manu-dynastie over de onverlaten en koningen van die aard, vanuit de wereld der waarheid zo Zijn roem vestigend in het onderwerpen van de drie systemen met de kenmerken van Zijn persoonlijke heerlijkheden.
(21) Met de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalde de Opperheer als de roem in eigen persoon neer in het universum om sturing te geven aan de kennis voor het verkrijgen van een lang leven door het brengen van de nectar uit het [Kurma karn-] offer dat snel de ziekten van alle levende wezens geneest.
(22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te brengen drong de grote ziel [als Heer Paras'urâma] drie maal zeven keer verschrikkelijk machtig met Zijn bovenzinnelijke bijl te werk gaand, als de Opperste Geestelijke Waarheid al die doorns van de wereld terug die van het pad afdwaalden en op de hel uit waren.
(23) Bij machte van Zijn grondeloze alles omvattende genade, daalde de Heer Aller Tijden [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] Hij het woud introk met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reaktie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed had veroorzaakt. (24) Voor Hem maakte de angstige indiase oceaan snel baan, die zag dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbrandden, toen Hij, vertoornd als Hij was over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ], op een afstand met bloedrode ogen mediteerde op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen]. (25) Toen de slurf van de olifant die Indra droeg met licht stralend in alle richtingen brak op de borst van Râvana was hij door vreugde overmoedig heen en weer aan het paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren werd hij gedood door het zingen van de boog [van Râma].
(26) Als de hele wereld in staat van ellende is door de last van de strijders der ongelovigen, zal Hij, met Zijn Volkomen Aspect, Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, wiens glorieuze daden zo moeilijk te herkennen zijn voor de mensen in het algemeen, onvermijdelijk verschijnen voor het heil van de decimering van die atheïsten. (27) Wie in God's naam, anders dan Hij kon, als kind nog maar, een levend wezen doden dat de vorm van een gigantische demone had aangenomen [Pûtanâ] of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen als ook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vrindâvana [waar Krishna opgroeide] bracht Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtig gif had Hij er in de rivier plezier in de slang streng te bestraffen die zich daar schuil hield met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden redde al de inwoners van Vraja [het koeiendorp], die die nacht zorgeloos sliepen, van verbranding in het vuur dat laaide in het droge woud. Op die manier bewees Hij hen [en later ook de koeherdersjongens] die er zeker van waren hun einde onder ogen te zien, samen met Balarâma Zijn onafzienbare vermogen [hen op dezelfde manier bevrijdend uit een andere bosbrand] door simpelweg ze hun ogen te laten sluiten. (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-] moeder [Yas'odâ] ook opnam om haar zoon vast te binden, telkens weer bleek het te kort te zijn en dat wat ze zag toen Hij Zijn mond opendeed voor de twijfelende koeherdersvrouw waren al de werelden, hetgeen haar aldus op een andere manier overtuigde. (31) Nanda Mahârâja Zijn [pleeg-] vader die Hij ook redde van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] en ook diegenen [in Vrindâvana] die overdag werken en 's nachts slapen van het harde werken, beloonde Hij voorzeker met de hoogste wereld van de geestelijke hemel. (32) Toen de koeherders werden tegengehouden in hun offers aan de koning van de Hemel die zware regenval veroorzaakte, hield Hij, nog maar zeven jaar oud, in Zijn grondeloze genade ernaar strevend de dieren te beschermen, de heuvel Govardhana alsof het een paraplu was, voor de duur van zeven dagen speels omhoog zonder vermoeid te raken. (33) Toen Hij in Zijn nachtelijke avonturen in het bos er naar uitzag bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, wekte Hij de liefdesverlangens op van de vrouwen van Vrajabhûmi en onthoofde Hij hun ontvoerder [een demon bekend staande onder de naam S'ankhacûda] die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder]. (34-35) Allen die zo waren als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom],vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, als ook koningen zoals S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en allen die machtig en goed bewapend waren als Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], S'rîñjaya, en Kekaya, vonden hun dissociatie of zouden Zijn hemelse woning bereiken dankzij ofwel Hemzelf of door Zijn andere namen zoals Baladeva [Krishna's broer] Arjuna of Bhîma.
(36) Geboren uit Satyavatî zal [en zou] Hij [als Vyâsadeva], na de nodige tijd inziend wat de moeilijkheden van de minder intelligenten en kort levenden van de gehele mensheid zijn met Zijn verschijnen in de verzamelde exacte, gecompliceerde, vedische literatuur, voorzeker de wensboom van de Veda's in zijn takken verdelen overeenkomstig de omstandigheden van het tijdperk.
(37) Voor hen, goed op weg op het pad van de Veda's, die afgunstig op het goddelijke de werelden doorkruisen met uitvindingen van Maya [een demon] en met de verbijsterde geest destructief zijn, deed Hij zich aantrekkelijk voor [als de Boeddha] in hoofdzaak sprekend over morele richtlijnen.
(38) Als er zelfs met de beschaafde heren geen sprake is van de Heer en de twee maal geborenen [de hogere klassen] en de regering zelve nooit of ooit met de lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoogste Heer, de bestraffer verschijnen.
(39) Ik handhaafde van boetedoening [als Brahmâ] vanaf het begin met de voortbrengende [negen] wijzen [Prajâpati's], voorzeker [halverwege] de plichten van het offeren [als Vishnu] met Manu, de goddelijken en de verschillende heersers, maar op het eind met het verzaken van de principes is het S'iva voor de atheïsten die onderworpen zijn aan de woede. Zij allen zijn de machtige vertegenwoordigers van die Ene Allerhoogste Macht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Nog niet de wetenschapper die wellicht de atomen geteld heeft. Allen waren groots bewogen door Hem die met Zijn eigen been het universum kon bestrijken [als Trivikrama] tot aan de bovenste wereld voorbij de werkende geaardheden. (41) Nimmer kunnen ik, noch al de wijzen vóór u geboren, het einde kennen van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon. Wat dan te verwachten van anderen geboren na ons die zelfs tot op de huidige dag door het bezingen van de kwaliteiten met de duizend gezichten van Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu] van de voorwereldlijke God, niet Zijn grens kunnen bereiken? (42) Hij, de Allerhoogste Heer, zal de genade van Zijn onbegrensde vermogen alleen schenken aan hen die hoe dan ook, zonder enige terughoudendheid en voorwendselen, zijn als de zielen die, overgegeven aan Zijn voeten, de onoverkomelijke oceaan van Zijn materiële Energieën doorkwamen, en niet aan hen die vast houden aan het ik en mijn van het lichaam waarvan men weet dat het [op het eind] zal worden gegeten door honden en jakhalzen. (43-45) O Nârada, ken mij en jezelf als bestaande van het Allerhoogste boven het begoochelend materieel vermogen zoals ook de grote Heer S'iva dat is, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] die voortkwam uit de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena] en gelijk Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, etc. als ook anderen zoals Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanve, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en eersten als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva. (46) Ongetwijfeld weten ook die personen de illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen ondanks dat ze [voorheen] zondige zielen waren - mits ze leven naar de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden. Als zelfs zij die niet van het menselijke waren het lukt, wat dan te zeggen over hen die devoot luisterden [van het begin af aan]? (47) Eeuwig en onverstoord zijnd, vrij van angst en onbesmet in het er tegenover geplaatste bewustzijn zonder voorkeur in de werkelijkheid van de Superziel boven het ware en onware, is men [er doorheen gekomen] onbekommerd over de vruchten van het handelen in offerandes en ziet men de illusie vervliegen die vol van schaamte is [zie ook B.G. 2: 52]. Voorzeker is dat de uiteindelijke fase van de Allerhoogste Heer [bhagavân] die de Geest der Transcendentie is van de persoon welke aldus gekend wordt als zijnde van een onbeperkt geluk zonder treurnis. (48) In die staat van het luisteren worden de diverse praktijken van de mystici van het zoeken naar de waarheid in hun proces van geestelijke cultuur dan opgegeven, precies zoals Indra [de god van de regens] zich er niet om bekommert een put te graven. (49) Hij, alles begunstigend is ook de meester, de Allerhoogste Heer, omdat naar het natuurlijk levende wezen zijn eigen constitutie al het doen van het goede met het ultieme succes beloond wordt waarnaar, nadat het lichaam met de haar samenstellende elementen is overwonnen en opgegeven, men, ongeboren zijnd als de Oorspronkelijke Persoon, nooit het onderspit zal delven.
(50) Mijn beste, op deze wijze heb ik je in het kort een uiteenzetting gegeven wat betreft de Allerhoogste Heer als de schepper van de gekende werelden, zonder welke niets anders of wat dan ook dat moge bestaan in het fenomenale of noumenale van enige oorzakelijkheid kan zijn. (51) Dit verhaal van de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door Zijne Heiligheid en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God. (52) Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] tot de Allerhoogste Persoonlijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen. (53) Met de beschrijving van de uiterlijke aangelegenheden van Hem, de Heer, in regelmatig toegewijd waarderen en bijwonen, zal het levende wezen nooit door de uitwendige energie in staat van illusie geraken.
Vragen Gesteld door Koning Parîkchit
(1) De koning vroeg: 'Hoe gaf Nârada, geïnstrueerd als hij was door Heer Brahmâ, o brahmaan, uitleg over de geaardheden en hun transcendentie en aan wie gaf hij die uitleg? (2) Dit zou ik graag willen begrijpen o beste: wat is de werkelijkheid van hen die in het Absolute van de waarheid van de Heer verkeren die zo vol is van wonderbaarlijke vermogens en wiens vertellingen zo gunstig zijn voor al de werelden? (3) Gaat u alstublieft verder, u die van het grootste geluk bent, daar ik mij dienovereenkomstig aangaande het Allerhoogste van de ziel op Heer Krishna heb gericht, met mijn gedachten bevrijd van alle materiële associatie in het verzaken van mijn lichaam. (4) Zij die met geloof zich regelmatig tot deze zaak zetten en eveneens serieus volharden in die onderneming, zullen na een niet te lange tijd de Allerhoogste Heer in hun harten zien verschijnen. (5) Aldus middels hun oren het ontvangend uit de liefde van hun eigen bevrijding, wast deze lotus [het Bhâgavatam] van Krishna de onzuiverheden weg zoals het water van de herfst dat doet. (6) Eenmaal gelouterd zal de persoon, die zijn toevlucht nam tot Krishna's voeten, nooit die bevrijding opgeven, precies zoals een reiziger, die door de ellende van het leven heengaat, nooit zijn thuis zal opgeven [see also B.G. 5: 17; 8: 16; 8: 21-28; 9: 3; 15: 3-4; 15: 6].
(7) Daar het niet een kwestie is van materieel zijn, o brahmaan, kan u, zoals u dat kan weten van uw goede zelf, me dan zeggen of het levend wezen in de onderneming bij toeval tot een lichaam komt of door één of andere oorzaak? (8) Als Hij in het bezit is van de lotusbloem van deze wereld, die als het ware ontsproot uit Zijn buik, wat is dan het verschil tussen de Oorspronkelijke Persoon met deze bepaalde afmetingen [van de virâth rûpa] en de situatie waarvan men spreekt met de vele verschillende belichamingen? (9) Hoe kon hij die zelf niet uit de materie was voortgekomen en het leven van alle geborenen met een lichaam tot stand bracht, door Zijn genade Zijn Gedaante zien geboren zijnde uit de lotusbloem van de navel? (10) En ook [hoe kan het zijn] dat Hij als de Oorspronkelijke Persoon die de materiële werelden handhaaft, schept en vernietigt, onberoerd blijft door Zijn eigen uitwendig vermogen terwijl Hij als de Heer van alle energieën rust in het hart van een ieder? (11) Voorheen hoorde ik u spreken over de verschillende werelden met hun bestuurders als de verschillende delen van het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon, wat dan [kan u vertellen] over die bestuurders die met de verschillende systemen Zijn onderscheiden delen uitmaken?
(12) En hoe zit het met een dag van Brahmâ [een kalpa] en de tussenliggende perioden [vikalpa's], en wat te zeggen van de tijd die de maat vormt voor wat we het verleden, het heden en de toekomst noemen - en hoe zit het met de levensduur die belichaamde wezens is toebemeten? (13) O zuiverste der tweemaal geborenen, wat zou het begin van de tijd kunnen zijn en wat te zeggen van hoe die, in de zin van het eigen karma, wordt ervaren als zijnde kort of lang? (14) En bovendien in welke mate wordt men bepaald door het zich ophopend karma naar de verschillende geaardheden der natuur in de verschillende levensvormen, welke zeker ook het resultaat zijn van iemands verlangen? (15) Beschrijf ons alstublieft hoe het leven ondergronds, in de vier windstreken, in de lucht, op de planeten en rondom sterren, op de heuvels, in de rivieren, de zeeën en op eilanden tot stand komt en wat zijn dat voor een bewoners? (16) Hoe groot en wat zijn de proporties van de buitenruimte en de innerlijke ruimte, en wat zijn hun verdelingen? En wat is de aard en de bezigheid van de grote zielen en de roepingen en leeftijdsgroepen in de samenleving? (17) Wat zijn de verschillende tijdperken, hoe lang duren ze en wat is hun aard en welke incarnatie van de Heer spreidt welk soort van wonderbaarlijke handelingen ten toon in ieder van de tijdperken?
(18) Wat zijn de specifieke religieuze verenigingen van de menselijke samenleving in het algemeen en wat zijn de plichten van de drie klassen [arbeid, handel en intellect] en hun bestuur [de vierde klasse], en wat zouden ook de verplichtingen zijn jegens de mensen in nood? (19) En wat is het aantal van de elementen der schepping en wat zijn hun kenmerken en interactie? Wat zijn de regels en bepalingen van de toegewijde dienst aan de Oorspronkelijke Persoon in de cultivering van de yoga en wat zijn de verschillende spirituele methoden die daartoe leiden? (20) Wat is de weelde van de yogameester, waar leidt die toe, hoe onthechten de yogi's zich van hun astrale lichamen en wat is de bovenzinnelijke kennis gevonden in de religiositeit rondom de historische verslagen en de vedische geschiedenissen? (21) Wat is de specifieke orde van al die tijdelijk levende wezens en hoe komt die tot een einde? Wat zijn de goede daden, rituelen alsook de regulerende beginselen wat betreft de religie, de middelen van bestaan en het behagen van de zintuigen? (22) Hoe komen al diegenen die ofwel verenigd zijn met de Heer dan wel tegen Hem ingaan tot stand en wat is de conditionering van diegenen die bevrijd zijn alsook van diegenen die een onbepaald leven leiden?
(23) Zo zeker als de onafhankelijke Opperheer Zijn eigen spel en vermaak geniet vanuit Zijn eigen Innerlijk vermogen, geeft Hij, correct daarin, dat net zo makkelijk ook weer op, naar het externe van Zijn vermogen een getuige blijvend als de Almachtige. (24) Over dit alles en meer waar ik niet naar vroeg, o fortuinlijke, heb ik mij vanaf het begin verwonderd. Doe alstublieft in overeenstemming met de waarheid, o grote wijze, verslag van wat u me, met allen hier aanwezig die u ten voeten zijn gevallen, wilt vertellen. (25) Zeker bent u in deze aangelegenheden van feitelijk weten zo goed als Brahmâ rechtstreeks voortkomend uit de Heer, terwijl anderen slechts volgen naar gebruik overeenkomstig wat er naar geleende kennis kan worden gezegd. (26) Ik wordt het nooit moe, o brahmaan, in de honger van mijn vasten, te drinken van de nectar van het onfeilbare dat voortvloeit uit de oceaan van uw spraak '."
(27) Sûta Gosvâmî zei: "Hij [S'ukadeva] aldus verzocht door de koning aangaande onderwerpen van de hoogste waarheid als deze, was, als instrument van de Schepper, zeer verheugd deze dienaar van Vishnu te ontmoeten. (28) Hij zei dat deze purâna in navolging van de Veda's genaamd het Bhâgavatam, door de Allerhoogste Heer voor Heer Brahmâ werd in de geest geschonken door de Allerhoogste Heer precies aan het begin van het tijdperk waarin de Schepper zijn bestaan vond.' (29) Toen zette hij zich ertoe om een volledige beschrijving te geven van wat de koning, de beste van de Pându-dynastie, ook vroeg in zijn, van het begin tot het einde voortdurende, ondervragen."
Antwoorden in de Vorm van Uitspraken van de Heer
(1) S'uka zei: 'Zonder de sturing van de (Super-)ziel, o Koning, zal er nooit enig goed zijn in het bezielde bewustzijn van het voorbije in relatie tot het lichaam, dat dan voor de ziener volledig als in een droom is. (2) In de materie gedreven ervaren de vele gedaanten die tot stand blijken te zijn gekomen verschillende vormen van genoegen overeenkomstig de geaardheden van de materiële wereld en aldus denken ze over 'ik' en 'mijn'. (3) Wanneer ook maar daadwerkelijk, in zijn eigen glorie van overstijging aan de tijd van de materiële energie, hij [het levend wezen] geniet van het bevrijd zijn van misvattingen, dan, in die volheid, zal hij die twee opgeven. (4) 'De werkelijkheid van de ziel is het doel van de zuivering', is wat de Opperheer feitelijk de Schepper zei, hem Zijn gedaante tonende toen hij zich zonder wanbegrip in geloften en eerbetoon bevond. (5) Hij, de eerste goddelijke persoon in het universum, begon als de allerhoogste geestelijk leraar, vanuit zijn eigen goddelijke positie [op de lotus der schepping] na te denken over de aangelegenheid van waar die vandaan kwam en hij kon er niet achter komen wat de richtlijnen en manieren waren hoe alles materieel samengevoegd zou moeten worden.
(6) Toen hij op een keer verzonken was in het denken op deze manier, hoorde hij dat er twee lettergrepen werden gesproken welke de zestiende [ta] en de eenentwintigste [pa] van het spars'a-alfabet waren en, samengevoegd, bekend werden als de weelde van de wereldverzakende orde, o Koning [tapas betekent boete]. (7) Toen hij dat hoorde, keek hij overal om de spreker te zien, maar er was niemand te bekennen en vanwaar hij zat in zijn goddelijke positie bedacht hij toen dat het het beste was om aandacht te besteden aan het doen van boete zoals hem dat opgedragen was. (8) Met een smetteloze visie voor de tijd van een duizend godenjaren, verlichtte hij als de heerser over zowel het leven als het denken, al de werelden met het doen van een dergelijke boete in het verleden, waarin hij van al diegenen die boete doen degene was van de strengste praktijk.
(9) Voor hem manifesteerde de Allerhoogste Heer die tevreden was over zijn boete, Zijn eigen verblijfplaats [ookwel Vaikunthha genaamd, de plaats zonder vrees], waar voorbij geen andere wereld te vinden is en welke wordt aanbeden als de plaats waar de vijf vormen van ellende van het materiële leven [onwetendheid, zelfzucht, gehechtheid, afkeer en doodsangst] volledig zijn beëindigd met personen die zonder illusie en angst voor het bestaan van een volmaakte zelfverwerkelijking zijn. (10) Aldaar, voert de geaardheid goedheid de boventoon boven de andere twee van hartstocht en traagheid zonder dat ze er ooit mee vermengd zijn, noch is er daar de invloed van de tijd, de uitwendige energie - of wat te zeggen van [de invloed van] anderen; daar aanbidden zowel de verlichte als de onverlichte zielen de Heer als toegewijden. (11) Hemels blauw en gloeiend met lotusgelijke ogen, zeer aantrekkelijk en jeugdig met geelgekleurde kledij, hebben allen daar de vier armen en de luister van paarlen en pracht van verfijnde sieraden. (12) Sommigen stralen als koraal of diamanten, met hoofden vol oorbellen en bloemslingers bloeiend als een hemelse lotus. (13) Die plaats, stralend van de reeksen schitterende, hoog oprijzende, uitmuntende gebouwen en hemelse dames met lichtende teint van de grote toegewijden van de Heer, is zo mooi als een hemel gesierd met wolken en bliksemlicht. (14) De godin daar verricht toegewijde dienst aan de lotusvoeten van de Heer met behulp van de diverse parafernalia en een gevolg van de meest intieme metgezellen die, emotioneel bewogen door het gezelschap [van Apsara's] die hun toevlucht namen tot [het eeuwigdurende seizoen van] de lente, hun liederen zingen. (15) Daar omringt men de Heer van de gehele gemeenschap der toegewijden, van de godin, van het Universum en het offer - de Almachtige, die in bovenzinnelijke liefde gediend wordt door de meest vooraanstaande metgezellen zoals Sunanda, Nanda, Prabala en Arhana. (16) De dienaren vol genegenheid met hun gelaat naar Hem opgeheven zijn dronken door de zeer aangename aanblik van Zijn glimlach, rood doorlopen ogen, Zijn gezicht met Zijn helm en oorbellen, Zijn vier handen, gele kleding, Zijn borst met merkteken en de Godin van het Geluk aan Zijn zijde. (17) Gezeten op Zijn hoogst kostbare troon geniet Hij, begeleid door de weelde van Zijn vier [materie, oorspronkelijke persoon, intellect en ego] zestien [de vijf elementen, waarnemende en werkende zintuigen en de geest] en vijfvoudige energieën [de zinsobjecten van vorm, smaak, geluid, geur en aanraking] en andere persoonlijke vermogens die Hij soms ten toon spreidt [de acht siddhi's of mystieke vermogens], waarlijk van Zijn verblijfplaats als de Allerhoogste Heer.
(18) De Schepper van het Universum die overweldigd was door de aanblik van dat gehoor was in zijn hart vol van extase en met zijn lichaam vol van goddelijke liefde boog hij zich met tranen in zijn ogen neer voor de lotusvoeten van de Heer - een voorbeeld welk gevolgd wordt door de grote bevrijde zielen. (19) Toen Hij hem voor zich aanwezig zag achtte Hij de waardige, grote geleerde geschikt voor het scheppen van de levens van alle levende wezens naar Zijn heerschappij zelve en mild glimlachend richtte Hij zich met verlichtende woorden tot zijn partner in de Goddelijke liefde, hem zeer vergenoegd de hand schuddend. (20) De Allerhoogste Heer zei: 'In tegenstelling tot de boete van hen die valselijk verenigd zijn, ben Ik hoogst tevreden over de lang volgehouden boete waarvan, in uw verlangen te scheppen, zich de vedische kennis in u verzamelde.(21) Al Mijn zegen voor u, vraag Mij, de schenker van alle zegeningen, slechts welke gunst u ook maar van Me wenst, o Brahmâ, daar het uiterste van Mijn realisatie het ultieme succes is van een ieder zijn boetedoeningen. (22) Deze benijdenswaardige blik op Mijn verblijfplaatsen mag u feitelijk ervaren vanwege uw onderworpen luisteren in het doen van boete terwille van het voorbije. (23) Het werd door Mij afgeroepen daar u in raadselen verkeerde over uw plicht. Die boete grijpt Mij rechtstreeks in het hart en de ziel aan en is voor degene die erin verwikkeld is mijn feitelijke identiteit, o zondenloze. (24) Middels die boete schep Ik, voorzeker trek Ik me met die boete ook terug en wederom handhaaf Ik, middels die boete, de kosmos; Mijn macht wordt gevonden in strikte boetedoening'.
(25) Brahmâ zei: 'Allerhoogste Heer van alle levende wezens, U bent de regisseur gezeten in het hart die ongehinderd, met Uw superieure intelligentie, weet van alle ondernemingen. (26) Desondanks vraag ik U, o Heer, alstUblieft verlicht mij in mijn verlangen om kennis te nemen van Uw verblijf in het voorbije en nederdalen in Uw gedaante zoals we dat mogen kennen, hoewel U Zelf zonder vorm bent. (27) En hoe combineert en herschikt U door Uw eigen vermogen, vanuit Uw eigen Zelf, de verschillende krachten inzake de vernietiging, opwekking, aanvaarding en handhaving? (28) O Mâdhava [meester van alle enegieën], stel me alstUblieft in de juiste bewoordingen in kennis van al die [vormen] waaraan U feilloos gestalte geeft met de vastberadenheid van een spin die [over zijn eigen web] waakt. (29) Moge ik door U als de Opperheer die me dat onderricht middels Uw handelingen door uw genade daarom nimmer daadwerkelijk gevangen raken in de materie, hoewel zeker handelend als Uw instrument in het scheppen van de levens der schepselen. (30) O Heer, zoals een vriend dat doet met een vriend hebt U me aanvaard voor het scheppen van de verschillende levens van de levende wezens; o mijn Heer, mogen al diegenen die onverstoord in de dienst aan U het licht van de wereld zien, er nooit aanleiding toe geven dat ik gek wordt van verbeelding daarover, o Ongeborene.
(31) De Allerhoogste Heer zei: 'De kennis over Mij verkregen is zeer vertrouwelijk en wordt gerealiseerd in combinatie met toegewijde dienst en haar noodzakelijke parafernalia; probeer er slechts mee aan te vangen zoals Ik het je uitleg. (32) Laat die feitelijke realisatie er zijn door Mijn grondeloze genade, zoals waargenomen in het transcendentale bestaan van Mijn eeuwige gedaante met haar diverse verschijningen en kwaliteiten. (33) Ik bestond daadwerkelijk hiervoor [vóór het scheppen van deze levens] en niets anders dan het Allerhoogste zou de oorzaak zijn van het effect van alles wat men ziet, terwijl ook Ik het ben die overblijft van al dit geschapene; dàt is wat Ik ben. (34) Dat wat zich als waardevol voordoet, is niet wat het schijnt te zijn als het niet met Mij in relatie staat - ken Mijn begoochelende energie als een afschaduwing, als duisternis. (35) Precies zoals de elementen van het universum zowel in het kleinste als in het gigantische verschijnen vóór ze in gang gezet zijn zowel als erna, ben ook Ik Zelf, zowel in hen als niet in hen. (36) Zonder twijfel moet de student van de ziel in deze mate een studie maken van de Werkelijkheid van het Principe, op zowel een directe als indirecte manier, in welke tijd, ruimte of omstandigheid dan ook. (37) Als de concentratie van je denken gefixeerd blijft op deze conclusie over het Allerhoogste hoef je niet bang te zijn voor zelfgenoegzaamheid, noch in het tijdelijk verloren gaan noch als je tijd teneinde is."
(38) S'uka zei: "Na aldus volledig onderricht te hebben gegeven, verdween de Ongeborene, Heer Hari, zoals Hij door de leider van de levende wezens [Brahmâ] gezien werd in Zijn bovenzinnelijke gedaante van het Absolute. (39) Op het verdwijnen begon Brahmâjî, met gevouwen handen voor de Heer, het doel van alle zinnen, de levens van alle levende wezens die het universum vullen gestalte te geven, precies zoals hij dat voorheen deed. (40) Zo gebeurde het op een keer dat hij, de vader van alle levende wezens en het religieuze leven, zich vol van geloften en respect zette aan de kwestie van het welzijn van de levende wezens, dat verlangende in het belang van hun eigen goede kwaliteiten. (41) Het is Hem aan wie Nârada, de meest dierbare van de ervende zoons, zeer gehoorzaam is en bereid is dienst te verlenen bij het goede gedrag van zijn zachtgeaardheid en zinsbeheersing. (42) Met zijn verlangen om te weten over Vishnu, de Heer van alle energieën, behaagde de grote wijze en eersteklas toegewijde, o Koning, zijn Vader [Heer Brahmâ] zeer. (43) Nadat hij de tevredenheid van de overgrootvader van het hele Universum zag, ondervroeg Nârada Muni hem, op dezelfde manier zoals u mij aan het ondervragen bent. (44) Daarop werd dit verhaal [samengevat in de vier verzen 33-36] van de Fortuinlijke met zijn tien eigenschappen [zie verder volgende hoofdstuk], met grote voldoening uiteengezet door de Allerhoogste Heer die het de zoon vertelde, de schepper van het universum. (45) Nârada onderrichtte dit Allerhoogste van de Geest, aan de grote wijze, de meditatieve Vyâsadeva met zijn immense capaciteit, aan de oever van de Sarasvatî, o Koning. (46) Al de dingen die u me vroeg wat betreft de wereld van de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon en andere aangelegenheden, zal ik u nu zeer gedetailleerd beschrijven."
Het Bhâgavatam is het Antwoord op Alle Vragen
(1) S'rî S'uka zei: 'In dit [Bhâgavatam] zijn er [tien soorten van] uitspraken over het volgende: de schepping van het universum, de secundaire schepping, de verschillende werelden, ondersteuning [door de Heer], de sturing van het creatieve, de wisselingen van de Manu's, het opvolgen van goddelijke aanwijzingen, de terugkeer naar God, het vinden van bevrijding en het Hoogste Goed [beschrijving van de handelingen van Heer Krishna]. (2) Met het doel het Hoogste Goed recht te doen worden de symptomen van de andere negen in dit [Bhâgavatam] beschreven middels vedische gevolgtrekking of meer rechtstreekse verklaringen of samenvattingen gegeven door de grote wijzen. (3) De vijf grofstoffelijke elementen, de objecten van de zinnen en de zintuigen zelve met inbegrip van het denken geven aanleiding tot de manifestatie welke het geschapen universum van de Schepper [sarga] wordt genoemd, terwijl de resulterende activiteiten van de interactie naar de geaardheden ervan de secundaire schepping [visarga] wordt genoemd. (4) De stabiliteit van de werelden is de glorie van de Heer van Vaikunthha, Zijn ondersteuning is Zijn grondeloze genade, het bestuur van de Manu's regelt de volmaaktheid van de plichtsbetrachting en de sturing van het creatieve gaat over de geneigdheid tot vruchtdragende activiteiten (karma). (5) Het zoals gezegd volgen naar goddelijk onderricht handelt over de verschillende vertellingen die de handelingen van de nederdalende Heer beschrijven en de personen die Zijn volgelingen zijn. (6) Terugkeren naar God gaat over het rusten in de Oorspronkelijke Persoon van de zielen tezamen met de energieën, terwijl bevrijding het opgeven van andere vormen [van bestaan] betreft terwille van het permanente van de eigenlijke Oorspronkelijke.
(7) Hij is van zowel de kosmische manifestatie als de terugkeer ervan naar God, de bron van waaruit alles plaatsvindt en zodoende wordt Hij het reservoir van de Allerhoogste Geest of de Superziel genoemd. (8) Van het zijn als de persoonlijkheid in het bezit van zijn zinnen [adhyâtmika] is Hij zowel de beheersende Godheid [adhidaivika] als de persoon daarvan onderscheiden als een ander belichaamd levend wezen [adhibhautika]. (9) Degene die ziet dat een ieder van de drie niet begrepen is in de afwezigheid van één van de anderen, weet dat Hij de ziel is die in deze spirituele indeling zijn eigen toevlucht vormt. (10) Bij het scheiden van de Universa [expanderend in de tijdruimte] trad Hij als dezelfde Oorspronkelijke Persoon buiten Zichzelf om te rusten in de [oorzakelijke] wateren, daarbij het geschapene het meest zuivere van de transcendentie toewensend. (11) In dat in Zichzelf verblijven voor een duizendtal van Zijn goddelijke jaren, staat Hij wat betreft het Zichzelf scheppen bekend onder de naam Nârâyana [het pad, de leidraad van God in relatie tot de mensen], daar Hij rustend in de causale wateren voortkwam uit de Oorspronkelijke Persoon. (12) De elementen der materie, de activiteiten, de tijd en zeker ook de levende wezens bestaan allen bij Zijn genade en houden op te bestaan bij verwaarlozing. (13) Op Zichzelf bestaand wenste Hij, vanuit Zijn mystieke sluimering, de variëteit en genereerde Hij aldus de gouden glans van de vruchtrijke halfgod voor de geschapen uitwendige energie volmaakt in haar drie kenmerken.
(14) Laat me u nu vertellen over hoe de Heer als enkel de Ene het vermogen van Zijn heerschappij verdeelde in drie godheden die heersen over de zintuiglijke, beheersende en belichaamde wezens. (15) Voortkomend uit de ether binnen het lichaam van de Oorspronkelijke Persoon ontwikkelde zich de energie van de zinnen, de geesteskracht en de lichaamskracht en toen de levensadem [de prâna] die heerst over een ieder. (16) De in al de levende wezens werkzame zinnen die op de vgerschillende tekenen van leven reageren, vinden hun vrede zoals de onderdanen van een koning ophouden te ondernemen als die ophoudt. (17) De levenskracht die geprikkeld is genereert vanuit het Allerhoogste innerlijk honger en dorst en als eerste, teneinde die dorst te lessen en die honger te stillen, opende zich de mond. (18) Van de mond openbaarde zich de tong waarna de verschillende smaken zich manifesteerden die ermee konden worden genoten. (19) Met de behoefte om te spreken kwam er van het Allerhoogste het vuur van zowel de geluidstrillingen als het spreken, maar omdat Hij in ruste was in de wateren, bleef dat voor een zeer lange tijd opgeschort. (20) In de neusgaten ontwikkelde zich de beweging van de ademhaling waarop door het verlangen van de neus te functioneren, de zin tot het ruiken van geuren tot stand kwam. (21) Op zichzelf bestaand in de duisternis manifesteerde, met het verlangen om al de komende manifestaties van Zijn bovenzinnelijk lichaam waar te nemen, zich voor Zijn zien de Zon om alle ogen het gezichtsvermogen te schenken. (22) Ernaar verlangend om van de wijzen hun inzicht dat te begrijpen wat Hij wilde weten, manifesteerden zowel de oren zich naar de sturing van het vermogen tot luisteren als de objecten ervan. (23) Door het verlangen om het harde, zachte, lichte, het gewicht, de hitte en de kou van alle materie te ervaren, raakte de tastzin over de huid met de lichaamsbeharing verspreid en vanwege het door de aanraking van die huid van binnen en van buiten hebben waargenomen van de objecten der zintuigen, manifesteerden de drie heersende godheden zich eveneens.
(24) Naar de verschillende vormen van arbeid uitziend, manifesteerden door hen zich Zijn handen, maar om de manipulatie die van hen [de handen en de godheden] afhankelijk was kracht bij te zetten vond Indra, de koning der goden, zijn bestaan. (25) Verlangend het bewegen te beheersen manifesteerden zich de benen, terwille waarvan de Heer van het Offer [Vishnu], die de verschillende levende wezens motiveert naar de plichten overeenkomstig hun vruchtdragende bezigheden [het karma], Zichzelf manifesteerde. (26) Verlangend de nectar van het genoegen van de voortplanting te proeven verschenen de geslachtsorganen van de man en de vrouw en vond het gekoesterde van het lustmatige zijn bestaan dat de toevlucht voor hen beide vormt [beheerst door de Prajâpati]. (27) Er naar verlangend de overblijfselen van het eten uit te scheiden kwam eerst de opening van de anus tot stand en toen de zin ervan waarna Mitra, de heerser over de uitscheiding, er kwam terwille van de toevlucht van hen beide. (28) Het wensend zich overal te verspreiden in verschillende lichamen, manifesteerde zich uit het ene lichaam de navel waarna die de plaats werd vanwaar afgezonderd het op een einde lopen van de vitaliteit en de dood werd gevonden. (29) In de behoefte aan voedsel en drinken vond de buik met de rivieren en de zeeën van de ingewanden en de aderen zijn oorsprong als ook de bron van de hen onderhoudende stofwisseling. (30) Ernaar verlangend Zijn eigen energie te kennen manifesteerde zich het hart [als de zetel van het denken] waarna de geest, Candra de heerser erover [de maan] en zodoende de werkelijkheid der vastberadenheid en het verlangen werd gevonden. (31) De zeven elementen van de nagels, huid, het vlees en het bloed, het vet, het merg en het been zijn hoofdzakelijk van aarde, water en vuur terwijl de levensadem er is van de ether, het water en de lucht [zie ook kosha]. (32) De zinnen van het materiële ego zijn gehecht aan de geaardheden van de materie, welke zodoende de geest beïnvloeden waarna alle gevoel volgt dat vorm geeft aan de intelligentie en haar willen vanuit de ziel.
(33) Van dit alles wordt de vorm van de Allerhoogste Heer, zoals ik dat u heb uitgelegd, gekend in de acht elementen [van aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] van al de werelden en wat erbij hoort, die een onbeperkte materiële uitwendige bedekking vormen. (34) Daarom zijn er, voor het allerhoogste van dat wat fijner is dan het fijnste, dat het ongemanifesteerde is zonder kenmerken, dat wat zonder een begin, zonder een tussenstadium en zonder een einde en dus eeuwig is, de woorden van het denken naar het transcendentale. (35) Geen enkele van deze vormen aangaande de Allerhoogste Heer zoals ik het u beschreef worden, vanwege hun uitwendige manifestatie, ooit voor het ware aangezien door de geleerden van het bewustzijn. (36) Hij aanvaardt door Zijn incarnaties en activiteiten, Zijn transcendentale kwaliteiten en navolging, als de Opperheer van de Geest, in het spel en vermaak van Zijn vormen het werk van de transcendentie dat vrij is van materiële belangen. (37-40) O Koning, weet dat al het geluk en leed en hun mengvormen zoals ervaren door de leden van de familie van Brahmâ, de Manu's, de goddelijken, de wijzen, de bewoners van Pitriloka [voorvaderen] en Siddhaloka [volmaakten], de Cârana's [de eerbiedwaardigen], Gandharva's [zangers van de hemel], Vidyâdhara's [wetendschappers], Asura's [onverlichten], Yaksha's [schatbewaarders of boze geesten], Kinnara's [van de supermachten] en de engelen, de slang-achtigen, de aapachtige Kimpurusha's, de menselijke wezens, de bewoners van Mâtriloka [plaats van de moeder], de demonen en Pis'âca's [gele vleesetende duivels], als ook de spoken, geesten, waanzinnigen en boze geesten, die van het goede en slechte gesternte, zowel als de vogels, de dieren die in het bos leven en de huisdieren, de reptielen, zij die in de bergen leven, de bewegende en stilstaande levende wezens, de levende wezens geboren uit embryo's, uit eieren, uit warmte [micro-organismen] en uit zaden, en alle anderen, of ze zich nu in het water, op het land, of in de lucht bevinden, er met hen allen is als gevolg van daden in het verleden [karma].
(41) Naar de geaardheden der goedheid, hartstocht en traagheid hebben we dus de drie van het goddelijke, het menselijke en zij die lijden en zelfs anderen, o Koning, als men het verdeelt in het zich bewegen in gewoonten ontwikkeld in ieder van de drie in relatie tot de andere twee. (42) Zonder twijfel neemt Hij, de Handhaver van het gehele universum, in dezen de vorm aan van de principes der rechtgeaardheid, teneinde na de schepping van de universa, de goddelozen, zij die menselijk zijn en de goddelijken weer voor zich op te eisen. (43) Op het eind van het tijdperk zal al dat met Hem is volledig worden vernietigd door vuur in de vorm van Rudra [S'iva de vernietiger], zoals de wind dat na verloop van tijd doet met wolken. (44) Met deze kenmerken betreffende de aangelegenheid van schepping en vernietiging wordt door de grote transcendentalisten de Allerhoogste Heer beschreven , maar de grote toegewijden verdienen meer te zien van de hoogste glorie van deze kenmerken alleen. (45) Nimmer wordt aangaande de kwestie van het scheppen en zo voorts, het Allerhoogste in het voorbije aanwezig beschreven als zijnde de doener, want dat [idee van het bekleden van een verheven postie] is er om tegenwicht te bieden aan wat door de materiële energie ten toon wordt gespreid. (46) Dit alles is slechts illustratief voor de regulerende beginselen waarmee de Schepper te werk gaat voor de duur van zijn tijd [beschreven als een dag van Brahmâ] en de duur van de universa. Hierin wordt, samengevat, het genereren van de gehele uitgebreidheid van de materiële schepping gegeven.(47) Het precieze afmeten van de tijd naar zijn vorm en symptomen van een dag van Brahmâ [kalpa] zal ik u uitleggen na u allereerst in kennis te stellen van dit tijdperk van Zijn nederdalen [ookwel de Pâdma Kalpa genaamd]'."
(48) S'aunaka zei: "O Sûta, u vertelde ons uit uw goede zelf over Vidura, die één van de besten der toegewijden is, zoals hij vertrok naar de pelgrimsoorden op deze aarde, de verwanten achterlatend die men zo moeilijk op kan geven. (49-50) O zachtgeaarde, alstublieft vertel ons hier over de nieuwe dingen die Vidura besprak met Maitreya [een beroemde rishi] die zo vol van bovenzinnelijke kennis is en al wat hij nog meer Zijne genade vroeg en van hem beantwoord kreeg toendertijd. Waarom gaf Vidura eigenlijk zijn activiteiten en metgezellen op en waarom keerde hij nadien weer terug naar huis?"
(51) Sûta antwoordde: "Alstublieft luister terwijl ik u uitleg waar de grote wijze [S'uka] over sprak in zijn beantwoorden naar aanleiding van de vragen van koning Parîkchit."
Aldus eindigt het tweede Canto van het S'rîmad Bhâgavatam
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2001 srimadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en
niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming:
email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html
De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/