CANTO 7:

De Wetenschap van God

 

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

 

 

 

 Hoofdstuk 1

De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

(1) De koning zei: 'Hoe kon de Opperheer die geliefd is als een vriend die alle levende wezens gelijkgezind is, o brahmaan, in het ondersteunen van Indra de demonen doden alsof Hijzelf partijdig zou zijn [zie ook B.G. 9: 29]? (2) Van de hoogste verrukking zijnd bestaat er voor Hem voorzeker niet de noodzaak om persoonlijk voorkeur te koesteren voor de verlichte gemeenschap en niet van enige materiële geaardheid, ligt het welzeker niet in Zijn aard om te vrezen voor of te wedijveren met hen die van de duisternis zijn. (3) Zo groot, o heerlijkheid, is in overweging van de kwaliteiten van Nârâyana, de mate van de twijfel die bij ons is ontstaan; zou u deze kunnen wegnemen?'

(4-5) De achtenswaardige rishi zei: 'Wat een uitstekende vraag o grote Koning! Van de wonderbaarlijke handelingen van de Heer, bezongen door hen die voorop gaan in de zeden, de wijzen aangevoerd door Nârada, treft men meer en meer de heerlijkheid en de toewijding aan van Zijn toegewijden. Ik zal al de betreffende onderwerpen aangaande de Heer voor u ter sprake brengen, maar laat me allereerst de grote wijze van Krishna de eer bewijzen [Vyâsa]. (6) Hoewel boven de geaardheden verheven, voorzeker ongeboren en niet gemanifesteerd, gaat de Allerhoogste Heer transcendentaal aan de materiële wereld middels Zijn eigen vermogen binnen in de materiële kwaliteiten en neemt Hij verplichtingen en verantwoordelijkheden op Zich [vergelijk B.G. 9: 11]. (7) De sattva, rajas en tamas daarbij behoren tot het materiële van de natuur en niet tot de kwaliteit van de geestelijke ziel, o Koning, voor het spirituele zelf bestaat er niet het af en aan [dat men normaal gesproken met materiële zaken heeft]. (8) Al naar gelang hun bepaalde tijd vindt men als sattva [goedheid] domineert de deva's en de rishi's [de goden en de wijzen], met het voorop staan van rajas [hartstocht] heeft men de Asura's [de onverlichte zielen] en met tamas [de traagheid] treft men de Yaksha's en Râkshasa's aan [de geesten en de demonen, zie ook B.G. 14: 11-13]. (9) Naar de elementen van het licht en dergelijke die zich voordoen met de verschillend belichaamden kunnen zij die van de kennis zijn vanuit de Superziel van binnen onderscheiden wie van hen van onderscheidingsvermogen zijn en wie niet [zie B.G. 10: 10]. (10) Als Hij het zo verlangt om materiële lichamen te scheppen voor de levende wezens manifesteert de Allerhoogste, Hij overwegend in Zijn eigen schepping, de geaardheid hartstocht; verlangend op te treden in verschillende gedaanten is Hij in de geaardheid goedheid en als de Beheerser er aan toe is de zaak af te ronden geeft Hij als zodanig aanzet tot de geaardheid der onwetendheid [zie: B.G. 9: 10]. (11) O heerser der mensen, de ware Schepper, Beheerser in Eigen Persoon van de materie en de Toevlucht voor de wezens is de Tijd die door zijn bewegingen konditioneert [zie ook B.G 11: 32]. (12) Het is door enkel deze Tijd dat de Allerhoogste Heer Zijn heerlijkheden wijdverspreid zijn, o Koning, waarbij naar sattva de zekerheid van het aantal der goden wordt beijverd en bijgevolg met hen die overdekt zijn door rajas en tamas zich de vijandigheid voordoet waartoe Hij, als de vriend der verlichte zielen, een eind maakt aan de onverlichten. (13) Dit aangaande werd voorheen met grote vreugde bij de grote offerande van Yudhishthhira op zijn verzoek door de Rishi der Verlichting [Nârada] het volgende verhaal verteld. (14-15) De koning, de zoon van Pându, toen hij gezien had hoe bij de grote offerplechtigheid genaamd Râjasûya de koning van Cedi [S'is'upâla] zo wonderbaarlijk in de Hoogste Persoonlijkheid Vâsudeva was opgegaan, had als de heerser, met verwondering geslagen, tijdens de plechtigheid het volgende aan Nârada gevraagd die daar met de wijzen luisterend neerzat. (16) Yudhishthhira had gezegd: 'O hoe wonderbaarlijk en voorzeker moeilijk te bereiken voor zelfs de transcendentalisten is die realisatie van S'is'upâla die zich zo schaamteloos gedroeg tegenover Vâsudeva, de Allerhoogste Absolute Waarheid. (17) We willen allen graag weten hoe dit kon gebeuren, o wijze, hoe van het beledigen van de Heer [hij in Hem op kon gaan terwijl] Vena [voor iets dergelijks] de hel in werd gestuurd door de brahmanen [zie 4.14]. (18) Die zondige zoon van Damaghosha koesterde vanaf zijn eerste kindergebrabbel woede jegens Govinda precies zoals ook de kwaadwillige Dantavakra [zijn broer] dat deed. (19) Van de herhaalde overtredingen tegen Heer Vishnu, de hoogste Persoonlijkheid van het Brahman [vergelijk B.G. 10: 12], was er bij hen op hun tongen geen witte lepra te bespeuren noch belandden ze in de duisternis van de hel. (20) Hoe konden zij voor ogen van iedereen, zo makkelijk de verzonkenheid [sâyujya-mukti] in de Opperheer vinden wiens natuur zo moeilijk te bereiken is? (21) Wat dit betreft is mijn intelligentie zo wisselvallig als een kaarsvlam flakkerend in de wind; alstublieft, o man van kennis, vertel me meer over de specifieke oorzaak van dit grote wonder.'

(22) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de woorden hoorde van de koning die hem temidden van de vergadering vragen stelde over die geschiedenis, richtte Nârada de grootste der wijzen, erover voldaan, het woord tot hem. (23) S'rî Nârada zei: 'Met de bedoeling beledigingen, lofprijzingen, eer en oneer zonder onderscheid te ondergaan heeft de Allerhoogste van de Primaire Natuur [pradhâna] dit voertuig van de tijd geschapen, o Koning [zie ook B.G. 2: 14, 12: 18-19]. (24) Lijdend onder het verkeerde idee dit lichaam te zijn is er aldus het 'ik' en 'mijn' waarvoor er de roede der bestraffing bestaat, o aardse heerser. (25) Gebonden aan deze valse voorstelling doet de vernietiging van lichamen zich voor als zijnde gelijk aan de vernietiging van levende wezens; als men niet van Hem als de ene die Zijns gelijke niet kent is, is men van de foutieve opvatting, maar hoe kan er ook maar enige schade worden berokkend door Hem, de Ziel van allen, de Verhevene en de Hoogste Beheersing? (26) Derhalve, of men nu van een voortdurende vijandigheid is, van toewijding, bevreesd, vol genegenheid of lustige verlangens is, behoort men, met welke manier van doen ook, zich te concentreren [op de Heer] en naar niets anders om te zien. (27) Een persoon zal met [enkel] een voortdurende vijandigheid niet dat verzonken zijn bereiken dat men aantreft in het verenigd zijn in toewijding, dat is mijn definitieve oordeel. (28-29) Een larve die door een bij in een raat wordt verzorgd mag vervuld zijn van angst en weerzin, maar dankzij die bij bereikt hij dezelfde vorm; zo ook kan men met Krishna, die als de Allerhoogste Heer uit Zichzelf verscheen, als een mens vol zijn van opstandigheid jegens de Allerhoogste, maar als men eenmaal zuivering vond van de zonde, heeft men dat te danken aan het voortdurend aan Hem denken. (30) Van het in lust, weerzin, angst, genegenheid en toewijding hebben van een geest verzonken in het Allerhoogste, hebben velen de zonde opgegeven en daardoor het pad der bevrijding bereikt. (31) De gopî's met hun lustige verlangens, Kamsa uit angst, S'is'upâla en anderen in hun hatelijkheid, vele Koningen door hun verwantschap, Krishna's familie uit genegenheid en u en wij middels de bhakti deden dat ook o Koning. (32) Tenzij men iemand wil zijn als Vena, die niet op een van deze vijf manieren van respect kon zijn voor de Oorspronkelijke Persoon, moet men dan zijn geest op welke van deze manieren ook richten op Krishna. (33) De zonen van de zuster van uw moeder, S'is'upâla en Dantavakra, o Pândava, waren de twee verheven dienaren van Vishnu [Jaya en Vijaya, zie 3.15-16] die vanwege een vloek van de brahmanen van de voeten wegvielen.'

(34) S'rî Yudhishthhira zei: 'Wie deed dat en wat voor een vloek werd er aangewend; een dienaar van de Heer op die manier overmand klinkt me ongeloofwaardig in de oren, hoe kunnen zij die zo intiem toegewijd tot Hem zijn nu weer opnieuw geboorte nemen [zie B.G. 4: 9 en 8: 16]? (35) Zij die verblijven in Vaikunthha hebben niets te maken met een materieel lichaam, materiële zinnen of een materieel leven, beschrijf alstublieft hoe zij dan gekoppeld konden raken aan een fysiek lichaam.'

(36) S'rî Nârada zei: 'Zo gebeurde het eens dat de zonen van Brahmâ, Sanandana en de anderen, die rondtrokken door de drie werelden, daar op die plaats aankwamen. (37) Er aankomend als jongens van een jaar of vijf, zes, hoewel ze al geboren waren voordat de ouden van het universum er waren [zie 1.3: 6], ontzegden de twee wachters hen de toegang denkend dat ze naakte kinderen waren. (38) En zo werden ze vol van woede door hen vervloekt: 'O, jullie twee onwaardigen, aan de voeten van de Slachter van Madhu is het hoogst zondig niet vrij te zijn van hartstocht en onwetendheid en derhalve, o dwazen, zullen jullie hierna spoedig geboren worden uit de baarmoeder van een onverlichte ziel [zie 3.17]. (39) Aldus vervloekt ten val te komen uit hun verblijfplaats kregen ze van de genadevolle wijzen te horen: 'Moge het zo zijn dat jullie na drie geboorten weer terugkeren naar jullie verblijf'.

(40) Daaropvolgend kwamen de twee als de zonen van Diti ter wereld aanbeden door al de Daitya's en Dânava's als Hiranyakas'ipu de oudste en Hiranyâksha de jongere broer. (41) Hiranyakas'ipu werd door de Heer in de gedaante van een leeuw gedood [Heer Nrisimhadeva] en Hiranyâksha door Hem toen Hij in de gedaante van een everzwijn was verschenen om de wereld op te heffen [Heer Varâha, zie 3.18-19]. (42) Hiranyakas'ipu die het verlangde zijn zoon Prahlâda te doden, de geliefde toegewijde van Kes'ava, wendde verschillende vormen van marteling aan om zijn dood af te roepen. (43) Aangezien zijn zoon beschermd werd door de macht van de Allerhoogste Heer, de Ziel van genade en gelijkheid jegens allen, slaagde hij, met alle machtsvertoon die hij aan de dag legde, er echter niet in hem ter dood te brengen. (44) Vervolgens werden de twee demonen als Râvana en Kumbhakarna geboren uit Kes'inî als de zoons van Vis'ravâ, en waren ze de bron van een hoop ellende voor alle mensen. (45) Om de twee van de vloek te bevrijden manifesteerde daarop Heer Râmacandra zich om hen te doden, maar het is beter om over de avonturen van Râma [zie 9: 10 & 11] te vernemen uit de mond van Mârkandeya, mijn beste. (46) In hun derde geboorte werden de twee [als S'is'upâla en Dantavakra] hier geboren als kshatriya zoons uit de zuster van uw moeder en zijn ze nu bevrijd van de vloek met het vernietigen van hun zonden door de cakra van Krishna. (47) Door in meditatie in een band van acute haat in Zijn nabijheid te komen slaagden de poortwachters van Vishnu er opnieuw in om op te gaan in de essentie van de onfeilbare Heer.'

(48) S'rî Yudhishthhira zei: 'Hoe kon er [bij Hiranyakas'ipu] voor zijn eigen zoon, die grote ziel, nu zo'n haat bestaan; vertel me alstublieft o verhevene hoe Prahlâda zo dicht bij Acyuta [de onfeilbare Heer] kwam te staan.

 

Hoofdstuk 2  

Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

(1) S'rî Nârada zei: 'Toen de broeder [Hiranyâksha] aldus door de Heer in de gedaante van een Everzwijn was gedood [zie 3.18-19] was Hiranyakas'ipu door woede en verdriet zeer van streek, o Koning. (2) Woedend erover op zijn lippen bijtend, staarde hij voor zich uit in de lucht die zwart zag van de laaiende woede van zijn ogen en sprak hij. (3) Met zijn schrikwekkende tanden en verbeten blik vreselijk om te zien hief hij, temidden van een vergadering van de Dânava's, zijn drietand op om met een grimas op zijn gezicht het volgende te zeggen. (4-5) 'O O Dânava's en Daitya's, Dvimûrdha ['tweehoofdige'], Tryaksha ['met drie ogen'] S'ambara en S'atabâhu ['met honderd armen']; Hayagrîva ['met het hoofd van een paard'], Namuci. Pâka, Ilvala en Vipracitti! Pulomâ, S'akuna en alle overigen, luister naar de woorden die ik jullie te zeggen heb en mogen jullie vervolgens allen daarmee in overeenstemming direct, zonder uit te stellen, tot handelen overgaan. (6) Mijn zo zeer geliefde broer en begunstiger werd met die kleinzieligen, de goddelijken, die achter zijn rug samenzwerend van aanbidding waren, gedood door Hari die ons allen gelijkgezind zou zijn. (7-8) Hij heeft Zijn eigen liefde voor ons opgegeven en gedraagt zich nu, abominabel in mâyâ, als een wild beest door als een kind van de ene naar de andere gedaante over te springen zoals Zijn eerbetuigende toegewijden dat maar wensen. Ik zal Hem mijn drietand in de nek steken en Hem in Zijn bloed doen zwemmen ter ere van inderdaad degene [Hiranyâksha] die er zo dol op was het te drinken. Zo zal ik mijn broer behagen en mijn vrede vinden. (9) Als Hij, die meest verraderlijke vijand van allen een kopje kleiner is gemaakt, zal zoals met het uitdrogen van de takken en bladeren van een boom die bij de wortels gekapt is, hetzelfde die gasten van God overkomen wiens leven Vishnu toebehoort. (10) Gaan jullie allen ondertussen naar die wereld zo netjes op orde geharkt door de bestuurders van Brahmâ en zie er op toe dat al die spijtoptanten en opofferingsgezinde boekenwurmen worden vernietigd die naar gelofte schenkingen doen in liefdadigheid. (11) Vishnu die door de tweemaal geborenen zo uitputtend wordt aanbeden, is het offer in eigen persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid perfect volgens het boekje; Hij is die ene toevlucht van religie voor al die goden en wijzen, voorvaderen en al de anderen. (12) Sticht brand waar dan ook de tweemaal geborenen hun koeien houden, hun Veda's bestuderen en zo druk zijn met hun varnâs'rama gedoe; in de hens met al die steden of hak al de bomen ter plaatse om.'

(13) Hem de eer bewijzend namen ze de aanwijzingen van hun meester aan op hun hoofden en terroriseerden zij, de experts der vernietiging, al de mensen. (14) De steden en dorpen, weidegronden, boomgaarden en tuinen, velden, bossen en mijnen, boerderijen en plaatsen in de bergen, de plaatsen van de koeien zowel als de hoofdsteden, brandschatten zij alle. (15) Terwijl sommigen met toortsen de woonplaatsen in lichterlaaie zetten vernielden anderen met pikhouwelen de bruggen, de omringende muren en de stadspoorten en namen weer anderen voor de vernietiging van het levensonderhoud bijlen ter hand om de vruchtbomen om te hakken. (16) Toen keer op keer de mensen aldus werden verstoord door de volgelingen van de koning der Daitya's, gaven de godbewusten hun vaste verblijfplaats op en trokken ze, niet meer te zien voor de demonen, rond over gans de aarde. (17) Hiranyakas'ipu, die het kwaad had met het verlies van zijn broer voerde de begrafenisriten uit en maande zijn neven tot kalmte. (18-19) S'akuni, S'ambara, Dhrishthi, Bhûtasantâpana, Vrika, Kâlanâbha, Mahânâbha, Haris'mas'ru en Utkaca alsook hun moeder Rushâbhânu en Diti, zijn eigen moeder, sprak hij toe in beleefde termen, o heerser der mensen, als een goed aangepast persoon het volgende zeggend.

(20) Hiranyakas'ipu zei: 'O moeder, moeder, o schoonzus, o neven, jullie verdienen het niet te moeten weeklagen over onze held der verlichting die de vijand tegemoet tredend de meest glorieuze dood verkoos. (21) Van al de levende wezens die in deze wereld bijeen leven gelijk reizigers die zich verdringen rondom een pleisterplaats, o mijn lieve moeder, worden zij die door goddelijke voorbeschikking zijn samengebracht op één plaats naar gelang hun karma ieder een eigen kant opgestuurd. (22) De eeuwige, onuitputtelijke ziel, vrij van de smet der materie, is in staat zich naar overal te begeven; alles wetend en transcendentaal neemt die ziel het zelf op van een lichaam dat hem onder de invloed van de materiële wereld een verscheidenheid aan kwaliteiten bezorgt [zie B.G. 13: 22]. (23) Net zoals gereflecteerd in het water zich de bomen bewegen, lijkt het ook in geval van een optische illusie zo te zijn [zoals met hitte b.v.] dat de grond beweegt. (24) Dienovereenkomstig brengt de aanhangende geest, die in de war is door de geaardheden der materie, op dezelfde manier het onveranderlijke levende wezen van streek, o moeder van mij, er voor zorgend dat het wezen ondanks zijn vormeloosheid er in gaat geloven dat hij bij die lichaamsvorm hoort. (25-26) Deze ziel, die in de praktijk zo in de war is over het vormeloze van zijn bestaan, raakt verliefd op het lichaam en heeft geliefden en vijanden, bondgenoten en vreemdelingen in zijn karma met de materiële aangelegenheid. Geconfronteerd met geboren worden en dood gaan, zich op verschillende manieren beklagend en behept zijnd met een gebrek aan onderscheid over wat de geschriften zeggen, is hij vol van zorgen en met name vergeetachtig wat betreft het juiste onderscheid. (27) In dit verband haalt men vaak een oude geschiedenis aan van Yamarâja in discussie met de vrienden van een overledene. Luister goed. (28) Er was er eens een koning in Us'înara die bekend stond als Suyajña en door zijn vijanden in de strijd was gedood. Zijn verwanten zaten om hem heen. (29-31) Met zijn kostbare wapenrusting her en der en zijn sierselen en bloemenslingers op de grond gevallen, lag hij daar in zijn eigen bloed doorboord door de pijlen door zijn hart. Met zijn loshangende haar en zijn vertroebelde ogen had hij van woede doorbeten lippen, zat zijn lotusgezicht onder het stof en lagen zijn armen en wapens afgehakt op het slagveld. Toen de koninginnen zich ervan overtuigden dat de meester van Us'înara aldus door de voorzienigheid aan stukken dood was, waren ze in tranen en sloegen ze met hun handen zich onophoudelijk op de borst, telkens weer jammerend 'O, echtgenoot', neervallend aan zijn voeten. (32) Hardop huilend over hun geliefde man bevochtigden ze de lotusvoeten met de tranen rood van de kunkum van hun borsten en met hun sieraden en haar losgeraakt weeklaagden ze hartverscheurend, zielig huilend:

(33) 'Helaas, door de genadeloze voorzienigheid bent u o Heer van ons, o geliefde, aan ons gezicht onttrokken; de staat en de bewoners van Us'înara voorzag u voorheen in hun levensonderhoud, maar nu het met u is afgelopen bent u de oorzaak van een toename van hun weeklagen. (34) U was voor ons allen zo'n dankbare echtgenoot o Koning, hoe kunnen wij en uw gevolg nu zonder u leven; u die onze beste vriend bent, zeg ons waar zij, die van dienst waren aan uw lotusvoeten, u naartoe moeten volgen nu u ons verlaten hebt.' (35) De koninginnen aldus weeklagend, hadden de overleden echtgenoot op hun schoot genomen, het niet wensend dat het lijk zou worden begraven. Ondertussen ging de zon onder in het westen. (36) Yamarâja die de nabestaanden van de heerser zo luidkeels hoorde weeklagen kwam toen in eigen persoon in de gedaante van een jongen naar hen toe om tot hen te spreken.

(37) S'rî Yamarâja zei: 'Hoe jammer om deze oudere mensen zo verbijsterd te zien. Zien ze de wet van de natuur niet iedere dag heersen? Naar dezelfde natuur als waar deze man naar terugkeerde zullen zij ook zelf terugkeren. Niettemin huilen ze er maar wat op los! [vergelijk B.G. 2: 28]. (38) Helaas gaan we ervan uit dat, omdat we op het moment het zonder de bescherming van onze ouders moeten stellen, we ons, zwak als we zijn, geen zorgen hoeven te maken dat we door de roofdieren worden verslonden, ervan uitgaande dat Hij die ons beschermde in de baarmoeder ons zeker ook daarna zou beschermen. (39) O arme dames, de Allerhoogste Beheerser schept naar eigen wilsbesluit dit alles waarbij Hij hetzelfde blijft, en het is Hij die zonder twijfel eveneens handhaaft en vernietigt; alles wat beweegt en niet beweegt is, zo zegt men, als speelgoed voor de Heer die te allen tijde er toe in staat is iets te behouden of er een eind aan te maken. (40) Iets op straat verloren kan, door het lot beschermd, worden behouden ookal blijft men thuis, en kan, zo God het wil, voor hetzelfde geld verloren gaan; ondanks dat men niet beschermd is kan men onder Zijn bescherming in leven blijven of men nu thuis is of in het woud verblijft, maar deze die hier geveld ligt heeft het, goed beschermd, niet overleefd. (41) Allen die belichaamd zijn hebben hun eigen soort van geboorte overeenkomstig hun karma en verdwijnen in de loop van de tijd ook weer als gevolg van hun karma; maar dit alles gaat niet op voor de ziel ookal is die dan, zich bevindend in deze materiële wereld, in uiteenlopende gedaanten gebonden aan haar verschillende geaardheden. (42) Dit lichaam van de persoon geboren uit onwetendheid bestaat net zo afzonderlijk van hem als de materie van een huis afzonderlijk bestaat ten opzichte van zijn bewoner; op de zelfde manier staat de mens ook los van het lichaam waarin hij met water, aarde en vuur zijn geboorte nam en dat, van vorm veranderend met de tijd, ook weer teloor gaat. (43) Net als vuur in hout afzonderlijk kan worden waargenomen, net zoals de lucht binnenin het lichaam zijn afzonderlijke positie inneemt, net zoals de alles doordringende ether bij zichzelf blijft, zo staat ook het levend wezen los van zijn materiële omhulsel met zijn geaardheden. (44) [Het lichaam van] hem hier [genaamd] Suyajña ziet u recht voor u en over hem, o dwaze mensen, zit u te huilen, maar hij die ermee luisterde en sprak in deze wereld hebt u nooit kunnen waarnemen! (45) Alhoewel zich bevindend in dit lichaam is de grote heerser van het lichaam, de levensadem, niet de toehoorder, noch de spreker; de ziel staat los van hem, de levensadem, die is opgesloten in dit lichaam met al zijn zinsorganen. (46) De ziel van beheersing reikt tot, en geeft ook weer op, hoogwaardige en lager geklasseerde lichamen die zich gekenmerken door de vijf elementen, de zinnen en de geest, en in die bezigheid verschilt hij [als de z.g. linga, als het subtiele lichaam], bij de genade van zijn eigen geestelijke vermogen, inderdaad van dat wat hij aanneemt [zie tevens 4.29]. (47) Zolang men van baatzuchtig handelen is wordt men overdekt door het subtiele lichaam [de linga bestaande uit de geest, de intelligentie en het valse ego]; van die gebondenheid is er de omkering [van de controle van de ziel naar die van het lichaam] en de misère volgend op het zich vereenzelvigen met het illusoire van de materie [B.G. 8: 6]. (48) Net zoals met het waarnemen en praten in een dagdroom is het vasthouden aan het feitelijke van de geaardheden der natuur zinloos: alles wat de zintuigen in een droom produceren is vals. (49) Het is om die reden dat het hebben van zowel het eeuwige als het tijdelijke in deze wereld niet iets is waarover zij die van de kennis zijn zich beklagen, want anders, zoals u wel begrijpt, zou het niet mogelijk zijn iets te beginnen met hen die hier wel over treuren [zie ook B.G. 2: 11]. (50) Een jager in het bos die was opgedragen de vogelstand uit te dunnen, spreidde een net en lokkend met voedsel hier en daar ving hij ze dan. (51) Hij zag daar toen een paartje kulinga vogels voedsel zoeken en toen de jager het vrouwtje lokte werd ze bij verrassing gedood. (52) O koninginnen, het mannetje dat zag hoe ze in de touwen van het net gevangen van het leven werd beroofd, was zeer verdrietig en uit genegenheid, niet in staat ook maar iets te doen, begon het arme beestje te weeklagen over zijn wijfje: (53) 'Och arme, hoe wreed is het het lot, de Almachtige van Genade, voor mijn wijfje, hoe akelig, wat anders dan gejammer kan ik opbrengen voor mijn arme liefje? (54) Naar Zijn believen mag Hij ook mijn leven nemen, wat, voor God, heeft mijn helft van het lichaam nu werkelijk voor een zin, wat een ellendig bestaan om voor de rest van je leven onder die pijn te moeten lijden! (55) Hoe onfortuinlijk zijn mijn kindjes er aan toe, wachtend op hun moeder in hun nest? Hoe kan ik de jongen nu in leven houden die nog niet kunnen vliegen, nu ze beroofd zijn van hun moeder?' (56) Met de vogel die met zijn ogen nat aldus op een afstand zeer verdrietig zat te jammeren over het verlies van zijn geliefde, slaagde de onversaagde jager erin hem te besluipen en uit het leven te helpen door hem met een pijl te doorboren.

(57) Zo, o onwetenden, is het met u ook gesteld als u niet de eindigheid van uw bestaan inziet; weeklagen over uw echtgenoot zal hem in nog geen honderd jaar terugbezorgen.'

(58) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'De jongen aldus filosofisch uitleg gevend deed de harten van al de familieleden versteld staan en ze hielden alles wat het oog ook maar kan ontwaren voor slechts tijdelijk [zie ook B.G. 2: 18]. (59) Yamarâja, nadat hij in deze gedaante uitleg had verschaft, verdween hij toen vandaar, waarop de verwanten van Koning Suyajña toen deden wat moest worden gedaan voor de begrafenis. (60) Dus, wat valt er nu voor u te klagen? Of het u nu toebehoort of aan iemand anders, of het nu uzelf betreft of anderen, in deze materiële wereld is het idee dat men heeft van zichzelf en van anderen het resultaat van de preoccupatie met het lichaam in combinatie met een gebrek aan kennis over dat wat belichaamd is.'

(61) S'rî Nârada zei: 'Diti en [Rushâbhânu,] de vrouw van de overleden broer, die de toespraak van de koning der Daitya's hadden gehoord, gaven prompt hun grote droefenis op en zetten hun harten naar de ware filosofie van het leven.'

 

Hoofdstuk 3  

Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

(1) S'rî Nârada zei: 'Hiranyakas'ipu, o Koning, verlangde het onoverwinnelijk te worden, vrij van ouderdom en zelf onsterfelijk, de ene koning zonder rivalen of tegenstanders. (2) In een vallei bij de Mandara Heuvel volbracht hij een uiterst moeilijke boetedoening waarbij hij zijn armen ten hemel ophief naar boven starend in de hemel en hij met de grote tenen van zijn voeten op de grond stond. (3) Voortkomend uit het haar op zijn hoofd was er een licht helder als een supernova en door de straling ervan werden al de goden in hun boetepraktijken teruggedreven naar hun eigen plaatsen. (4) Teweeggebracht door zijn zware boete, met rook zich zijwaarts, naar boven en naar beneden verspreidend, verhitte het al de werelden. (5) De rivieren en oceanen waren in beroering, de eilanden en bergen en de aarde schudden en de sterren met hun planeten vielen met het in lichterlaaie staan van al de tien windrichtingen. (6) Daardoor geschroeid gaven de halfgoden hun verblijfplaatsen op en begaven ze zich naar de plaats van Heer Brahmâ om hun leider te melden: 'O Meester van het Universum door de boetedoening van de daitya koning zijn we allen aangetast en niet langer in staat onze posities in de hemel te behouden. (7) Alstublieft, als u het goed dunkt, zouden we hier graag een eind aan gemaakt zien, o Grootheid, of anders zijn allen gehoorzaam aan uw aanbidding verloren. (8) Sla acht op dit voornemen van hem in zijn uitvoer van de zo moeilijke boete-oefening; wat zou u ook niet bekend zijn - maar niettemin zouden we dit graag aan u voorleggen: (9-10) 'Heer Brahmâ, die door verzaking verzonken in de yoga de bewegende en niet-bewegende wezens schiep [zie 3.8], heeft zijn troon in al de werelden hoog en laag en daarom zal ik dankzij een zelfs nog ernstiger boetedoening verzonken in de yoga, vanuit het eeuwige van de tijd en de ziel, voor mezelf even zo veel bereiken. (11) Ik zal met mijn kracht deze wereld op zijn kop zetten en opnieuw instellen wat men nu onbehoorlijk noemt; wat is het nut van al die andere praktijken van de volgelingen van Vishnu, per slot van rekening gaan ze allemaal ten onder.' (12) Van deze aard, zo ontdekten wij, is zijn overtuiging vanuit zijn buitensporige boete; onderneem alstublieft, in uw eigen belang, de nodige stappen, o meester van de drie werelden. (13) Het is uw positie om de allerhoogste meester in het universum te zijn ter wille van het betere en verhevene van de twee maal geborenen en de koeien, de verlossing en de weelde, het welzijn en de overwinning.

(14) Aldus op de hoogte gesteld door de goddelijken begaf de meest machtige, geboren van de lotus, o Koning, in het gezelschap van Bhrigu, Daksha en anderen zich naar de plaats van boete van de heer der Daitya's. (15-16) Overdekt door een mierenheuvel, gras en bamboe, met zijn vet, huid, vlees en bloed weggevreten door de mieren, kon hij niet worden opgemerkt, maar hij die de zwaan bereed lachte met verwondering toen hij zag hoe door zijn boete het verhitten van al de werelden versluierd was zoals de zon versluierd wordt door wolken. (17) Heer Brahmâ zei: 'Alstublieft kom tevoorschijn, kom tevoorschijn, o zoon van Kas'yapa, al het goede zij u toegewenst die zo volmaakt bent in uw boete, ik, de toekenner van gunsten ben gekomen, laat wat u van me verlangt mijn zegen zijn. (18) Ik heb persoonlijk gezien hoe groot uw volharding is en hoe verwonderlijk het is dat iemand wiens lichaam is weggevreten door de wormen en de mieren er in geslaagd is zijn levensadem binnen zijn gebeente te behouden. (19) Er is nog nooit zoiets volbracht door de wijzen vóór u, noch zal er ook maar iemand na u in slagen; wie o wie zou zonder water te drinken zijn levensadem in stand kunnen houden voor meer dan honderd hemelse jaren [36.000 jaar]? (20) O zoon van Diti, door uw besluit een vorm van boete te doen die zelfs voor de grootste heiligen zeer moeilijk is, hebt u mij voor u gewonnen. (21) Daarvoor zal ik u alle zegeningen vergunnen, o beste der Asura's, de opwachting van iemand voorbestemd te sterven zoals u bij een onsterfelijk iemand als ik zal zeker niet vruchteloos blijken.'

(22) S'rî Nârada zei: 'Aldus sprekend sprenkelde de oorspronkelijke godheid en het eerste levende wezen van het universum, goddelijk, alvermogend en onfeilbaar water vanuit zijn kamandalu [waterpot] over het door de mieren opgegeten lichaam. (23) Daarvan herstelde hij, vanuit zijn mierenheuvel en zijn bamboe, zich volledig qua geest, zinnen en kracht in al zijn leden; hij verhief zich, als vuur tevoorschijn springend uit brandhout, met een jong lichaam zo sterk als een bliksemstraal dat een luister had van gesmolten goud. (24) Toen hij de god recht voor zich zag in de hemel op de zwaan die hem droeg, bracht hij, zeer verheugd Heer Brahmâ te ontmoeten, hem met zijn hoofd naar de grond zijn eerbetuigingen [vergelijk B.G. 9: 23-24 en 2.3: 10]. (25) Toen hij weer overeind komend met zijn eigen ogen de Almachtige aanschouwde begon hij, overweldigd door een jubelstemming, met tranen in zijn ogen en zijn haren overeind met gevouwen handen en een haperende stem, nederig te bidden. (26-27) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Aan het einde van zijn dag als hij onder de invloed van de tijd is overdekt door de hechte duisternis der onwetendheid, wordt door de eigen gloed van de stralen van zijn lichaam deze kosmische schepping gemanifesteerd. Deze wereld wordt door hemzelf èn gestuurd door de drie geaardheden van rajas, sattva en tamas [hartstocht, goedheid en onwetendheid], geschapen, gehandhaafd en vernietigd. Mijn respectvolle eerbetuigingen aan die bovenzinnelijke en allerhoogste Heer. (28) Mijn respectvolle eerbetoon voor het oorspronkelijke levende wezen, het zaadbeginsel van de schepping, de kennis en de wijsheid; voor de godheid van de levenskracht, de zinnen, de geest en de intelligentie, die door zijn werken de schepping tot stand bracht. (29) Aan u is de feitelijke heerschappij over de bewegende en de niet-bewegende wezens; met de levenskracht bent u de bron van alles wat er gebeurt en de oorspronkelijke bedenker en bron van inzicht voor allen die in leven zijn; de grote meester van de zintuigen van waarnemen en handelen bent u, de beheerser van alle verlangen, de materiële elementen en hun kwaliteiten [vergelijk B.G. 7: 7]. (30) Door uw lichaam van de drie Veda's verspreidt u de zeven soorten van plechtigheden [beginnend met de agnishthoma-yajña] van de vier soorten van priesters [bekend als hotâ, adhvaryu, brahma en udgâtâ] en de benodigde kennis; u bent die ene ziel van alle vormen van leven zonder een aanvang en zonder een eind; de allerhoogste inspirator en het Ware Zelf van binnen. (31) Zonder er zelf door aangedaan te zijn, bent u waarlijk de Tijd die eeuwig waakzaam is en de levensduur bekort van alle wezens met ieder van zijn segmenten; van deze materiële wereld bent u het Grote Zelf en de ongeboren Allerhoogste Beheerser zowel als de essentiële oorzaak van het leven. (32) Er is niets wat onafhankelijk van u bestaat, of het nu hoger ontwikkeld is of zelfs maar lager, beweegt of niet beweegt, terwijl de kennis in al zijn geledingen het verschil uitmaakt van de uiteenlopende kenmerken van uw lichaam; u bent die Ene groter dan de grootste, verheven boven de drie geaardheden, die het universum in zijn buik houdt. (33) Zich bevindend in uw verblijf geniet u ongezien, als de Allerhoogste, de Ziel en de oudste persoon het gemanifesteerde, o Almachtige, deze kosmische manifestatie die het uitwendige van u vormt waarvan we de zinnen, de levensadem en de kwaliteiten hebben. (34) Door deze onbegrensde, onvoorstelbare, gedaante van u is er dit geheel van alles bij elkaar wat zich uitbreidde met zijn materiële en spirituele vermogen; hem aldus toegerust, hem die Allerhoogste Meester van God, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(35) Als u bereid bent mij de gunst die ik verlang te verlenen, o schenker van alle genade, laat het dan, o mijn Heer, zo zijn dat ik door geen van de wezens door u geschapen de dood zal vinden. (36) Noch thuis noch daarbuiten, niet gedurende de dag noch gedurende de nacht, noch van enige andere god zelfs of door enig bekend wapen, noch op de grond noch in de hemel mag ik sterven. (37-38) Levenloze dingen noch levensvormen, halfgod noch demon en ook de grote serpenten mogen me niet doden; ik moet geen rivalen hebben, het overwicht hebben in de strijd en de heerschappij hebben over alle belichaamden met inbegrip van de goden van alle leefwerelden; aan mij de glorie gelijk die van u en nimmer mogen de verworvenheden verkregen door de boete in yoga worden verslagen.'

 

 

Hoofdstuk 4

Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

(1) S'rî Nârada zei: 'Heer Brahmâ die zijn ogen overal heeft, aldus verzocht, verleende verheugd over Hiranyakas'ipu's boetedoeningen, hem de gunsten die zo zelden worden verworven. (2) Heer Brahmâ zei: 'Mijn zoon, al de gunsten waar je om vroeg worden door mensen zelden van mij verkregen, maar niettegenstaande het feit dat deze zegeningen normaal niet beschikbaar zijn, zal ik ze jou toekennen, mijn beste.'

(3) Aanbeden door de meest verheven Asura als de Almachtige, geprezen door alle heersers over de mensheid, vertrok daarop de machtige Heer, wiens genade geen fouten kent,  (4) De Daitya die aldus zijn felbegeerde wens toegekend zag en een lichaam had gekregen dat straalde als goud, hield er een niet aflatende geest van haat op na tegen de Heer die zijn broer had gedood. (5-7) Hij, de grootste Asura, die alle plaatsen hoog, laag en ertussen in alle windrichtingen veroverde, bracht de meesters over alle werelden onder zijn controle: god, demon en mens, de koningen, de hemelbewoners, de reciteerders der verzen en de slangachtigen, die van de volmaaktheid, van cultuur en van de kennis, de heiligen, de leidende voorvaderen, de stamvaders, de boze geesten, de wildemannen en de gekken, de doden en de geesten en hun leiders; als de veroveraar van de wereld eigende hij zich de macht toe van alle autoriteiten waar dan ook. (8) In het paradijs der goden verkerend in de rijkdom van alle weelde, leefde hij in de hoogste wereld, in het paleis van de koning der hemelen zoals voorzien door Vis'vakarmâ de grote asura architect zelve, in de hemel van Lakshmî, macht uitoefenend over alle welvaart van de wereld. (9-12) Aldaar waren de traptreden van koraal, de vloeren van smaragd, de muren van kristal en de rijen pilaren vervaardigd uit vaidûrya. Er waren daar ook de mooiste banken en zitplaatsen overdekt met robijnen en het beddengoed was zo wit als melkschuim met parels op hun kanten. In de vertrekken, links en rechts, behangen met juwelen en edelstenen, maakten de hemelse dames lieve geluidjes met het getinkel van hun enkelbelletjes en lieten ze hun fraaie gebitten zien met hun prachtige gezichten. In dat koninklijk verblijf met de grootste macht en geest heersend met een verschikkelijke repressie, genoot de alleenheerser die iedereen in zijn greep had, van de aanbidding van de godvrezende hofhouding aan zijn voeten. (13) Hij, o mijn beste, die alle verzaking, yoga, kracht en zin in zich besloten had, en die, behalve dan van de drie belangrijkste godheden, eerbewijzen ontving uit handen van alle belangrijke persoonlijkheden, was in werkelijkheid bedwelmd door sterk geurende wijnen, waarbij zijn ogen rood als koper in hun kassen rolden.(14) Op de zetel van Indra verheerlijkt door Vis'vâvasu, Tumburu [de grootste Gandharva's] en ook door mij, werden keer op keer gebeden opgedragen door al de zangers en de meisjes van de hemel, de volmaakten, de heiligen en zij die van de kennis zijn, o zoon van Pându. (15) En hij, feitelijk met giften in overvloed vereerd door alle klassen en leeftijdsgroepen, reserveerde in zijn machtsuitoefening ieder deel van de gebrachte offers voor zichzelf. (16) Alsof ze de koe van overvloed zelve was, bracht onder zijn bewind moeder aarde in alle werelddelen spontaan overvloedige oogsten op, terwijl in de hemel alle wonderen van het universum konden worden waargenomen. (17) De zeeën en oceanen van zout en zoet water, wijn, ghee, suikerrietsap, yoghurt en melk, en hun echtgenotes de rivieren eveneens, voerden allerlei soorten van kostbare gesteenten mee in hun golven. (18) De valleien tussen de bergen en heuvels waren zijn lustoorden die gedurende alle seizoenen al het goede van plant en boom te bieden hadden; hij in zijn eentje stond voor al de verschillende kwaliteiten van al de verschillende goden. (19) Aldus in alle windstreken alles en iedereen aan zich onderworpen hebbend en als de enige echte heerser genietend van alle denkbare geneugten, was hij met het verlies over de beheersing zijner zinnen echter niet ingenomen. (20) Bedwelmd in grote trots over zijn verworvenheden verstreek aldus een lange periode van leven in overtreding met de geschriften en kon de vloek der brahmanen tegemoet worden gezien [zie ook B.G. 16: 23-24].

(21) Door zijn pijnlijke reprimandes verstoord was er voor al de werelden en hun leiders geen plaats waar ze nog veilig waren en aldus benaderden ze de Onfeilbare om bij Hem hun toevlucht te zoeken [vergelijk B.G. 5.: 29]. (22-23) Daartoe baden ze: 'Mogen er onze eerbetuigingen zijn in die richting waarin de Superziel van Hari, de Hoogste Beheerser wordt gevonden en vanwaar, Hem benaderend, de vreedzamen, de verzakers en de zuiveren nimmer terugkeren.' Met hun geesten op die manier beheerst bestendigden en zuiverden ze hun intelligentie, waarbij ze, slechts van de lucht levend in hun eerbetoon voor de Meester der Zinnen, zich geen slaap gunden.

(24) Voor hen allen verscheen toen een luid weerklinkende stem zonder een gedaante die, hun angst verdrijvend, de deugdzamen beroerde tot in hun diepste wezen: (25-26) 'Vreest niet, o besten der wijsheid, u zij alle goede geluk toegewenst. Ik ben er inderdaad opdat alle levende wezens het goede mogen bereiken. De kwalijke handelingen van deze grote duivel zijn Me bekend en Ik zal ze een halt toeroepen, daar kan u op rekenen. (27) Als men zich keert tegen de goden, de Veda's, de koeien, de brahmanen, de heiligen, de regulerende beginselen en tegen Mij, zal men zeer spoedig het onderspit delven. (28) Zo gauw hij gewelddadig optreedt jegens zijn vredelievende zoon die geen vijanden heeft, die grote ziel, Prahlâda, zal Ik hem ter dood brengen, welke zegeningen hij ook ontvangen moge hebben [zie ook 3.25: 21].'

(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus toegesproken door de geestelijk leraar van allen, gingen de goddelijken, Hem hun eerbetuigingen brengend, bevrijd van al hun angsten terug en beschouwden ze de Asura zo goed als gedood [2.3: 10]. (30) Van hem, de Daityakoning waren er vier hoogst gekwalificeerde zoons van wie degene die de naam Prahlâda droeg de grootste was met al de kwaliteiten van een grote toegewijde [zie 5.18: 12]. (31-32) Als een goede brahmaan met zijn zinnen en geest in bedwang had hij al het talent het Absolute van de Waarheid te doorgronden. Net als de Superziel was hij de meest geliefde, beste vriend van alle levende wezens, als een onbeduidend dienaar was hij altijd horig aan de voeten van de groten, gelijk een vader was hij de armen toegenegen, gelijk een broeder was hij voor zijns gelijken, vol van liefde was hij voor de geestelijk leraren die hij zo hooghield als de Allerhoogste Beheerser Zelve; hij was van scholing, zingeving, schoonheid, edelmoedigheid en volledig vrij van hoogmoed en aanmatiging [vergelijk B.G. 12: 13-19 en B.G. 18: 42]. (33) Hoewel geboren uit een Asura had hij in gevaarlijke situaties steeds een onverstoord bewustzijn en was hij verstoken van enig verlangen met wat gehoord en gezien wordt [met de Vedische kennis]; zaken behorende tot de geaardheden der materiële natuur beschouwde hij als niet-essentieel en de zinnen en de levenskracht beheersend, had hij de lusten van zijn lichaam en geest steeds onder controle; hij was volledig vrij van de demonische aard. (34) De eigenschappen die hij heeft worden, net zoals die men aantreft in de Allerhoogste Heer onze Beheerser, door de gevorderden altijd verheerlijkt als zijnde de grootste, o Koning, en niet zozeer de kwaliteiten waar men heden ten dage zo over in de war is [in Kali-yuga]. (35) In bijeenkomsten ter ere van de heiligheid zouden zelfs de goddelijken van vijandschap [jegens het asurische], o heerser der mensen, hem tot voorbeeld nemen; waarom dan niet u of anderen? (36) Het grootse van de talloze kwaliteiten van hem die bekend staat om zijn natuurlijke gehechtheid aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, gaat alle beschrijving te boven. (37) Als kleine jongen alle kinderspel opgegeven hebbend leek het of hij lusteloos was, zoals hij met zijn geest volledig verzonken was in de wereld van Krishna; geheel van die aantrekking zijnd had hij geen belangstelling voor wereldse zaken. (38) Zoals hij neerzat en rondliep, at en rustte, dronk en sprak, drong, gekoesterd door Govinda, alles wat zich daarbuiten afspeelde niet tot hem door. (39) Soms huilde hij denkend aan Vaikunthha, soms lachte hij over de gekkigheid van het denken en bij tijden was hij blij met Hem in gedachten zeer luid aan het zingen. (40) Soms riep hij het vol van bezorgdheid uit, dan weer danste hij zonder schaamte en soms, verloren in gedachten over Hem, deed hij Hem na in het idee Hem te zijn. (41) Bij tijden met zijn haren overeind en met zijn half gesloten ogen gevuld met tranen, viel hij volledig stil, overmand door vreugde gevangen in Zijn liefdevolle associatie van bovenzinnelijke verrukking. (42) Hij, door zijn voortdurende dienst aan de lotusvoeten zoals verheerlijkt in de hymnen, verkreeg door het uitbouwen van zijn associatie in de bevrijde staat de hoogste extase, waarbij hij zonder ophouden vanuit de geestelijke ziel vrede schonk aan hen die het ontbrak aan geest en omgang. (43) Jegens hem, die verheven en meest fortuinlijke ruimhartige toegewijde, o Koning, die zijn eigen zoon was, beging Hiranyakas'ipu de grootste zonde.'

(44) S'rî Yudhishthhira zei: 'O heilige van God die bij het beste zweert, we zouden graag het volgende van u willen weten: hoe kon de vader zijn eigen zoon, zo een heilige van zuiverheid en goedheid, het zo moeilijk maken? (45) Zoons die tegen de wil van hun vaders ingaan worden uit liefde terecht gewezen. Terwille van hun onderricht, kunnen ze toch niet als een vijand worden afgestraft, is het wel? (46) Alstublieft o brahmaan, verdrijf de twijfels die we hebben wat betreft deze vader die zo ongemeen op de dood af hatelijk was jegens zijn eigen zo gehoorzame zoon, een grote toegewijde van het soort dat zijn vader eert als zijn goeroe, o meester.'

 

Hoofdstuk 5  

Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

(1) S'rî Nârada zei: 'Om als hun priester op te treden werd door de Asura's de machtigste die er was, S'ukrâcârya ['de belangrijkste leraar'], gekozen. Zijn twee zoons Shanda en Amarka leefden in de buurt van waar de daitya koning zijn verblijf had. (2) De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed op de hoogte was van de morele richtlijnen, naar hen toe om tezamen met andere asura kinderen zich de leerstof van de boeken der materiële kennis eigen te maken. (3) Luisterend en herhalend wat de leraren onderwezen over wat allemaal moest beschouwd worden als zijnde het goed en kwaad van jezelf en van anderen, vond hij dat het een slecht staaltje filosofie betrof. (4) Toen eens de asura despoot zijn zoon op zijn schoot zette, o zoon van Pându, vroeg hij: 'Vertel me mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?'

(5) S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'O heiligste excellentie der Asura's, ik denk dat allen die een lichaam hebben, vanwege het feit dat ze het tijdelijke voor het ware aanzien, een intelligentie hebben die altijd vol van zorgen is; met het opgeven van die versluiering van de ziel, dat huishoudelijk belang wat niets anders is dan een overwoekerde put, kan men er beter zeker van zijn het bos in te gaan en zijn toevlucht te zoeken bij de Heer.' 

(6) S'rî Nârada zei: 'De Daitya die hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte over de intelligentie van de kleine jongen en hield het erop dat hij door een verkeerde mentaliteit was beïnvloed: (7) 'Laat deze jongen maar beter beschermd zijn op school zodat zijn intelligentie vrij blijft van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich anders voordoen dan ze zijn.' 

(8) Teruggebracht naar die plek [de guru-kula], riepen de daitya priesters Prahlâda bij zich en ondervroegen ze hem, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden. (9) 'Lief kind, Prahlâda, het beste zij je toegewenst, vertel ons de waarheid en lieg niet, welke van de andere kinderen hebben je deze verkeerde manier van denken bijgebracht? (10) Zeg ons, kwam deze tegendraadse zienswijze van kwaadwilligen of was het iets van jezelf; wij, al je leraren branden van verlangen hier achter te komen, o beste van de familie.' 

(11) S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van goed en kwaad is iets dat hoort bij mensen die van een materiële levensovertuiging zijn; denkend over wat men ziet is men eenvoudigweg begoocheld door het uiterlijke dat door Hem geschapen is, de Allerhoogste Heer die ik mijn respect betoon [zie ook B.G. 5: 18]. (12) Als Hij tevreden is over de persoon is het dierlijk begrip van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van iemand anders en het 'ik' van jezelf tenietgedaan. (13) Van Hem, deze Superziel kunnen zij, wiens intelligentie en dienstverlening is bedorven door de 'Ik' en 'gij' manier van denken, zich zeer moeilijk verzekeren; zij, die van Brahmâ [hier: de valse leraren], van wie de navolgers op het vedisch pad in de war zijn, hebben inderdaad mijn intelligentie tegenover zich geplaatst. (14) O brahmanen, net zoals ijzer uit zichzelf beweegt in de nabijheid van een magneet is dienovereenkomstig mijn intelligentie simpelweg bepaald door de wil van de cakra in Zijn hand [zie b.v. 5.14: 29].' 

(15) S'rî Nârada zei: 'Na dit alles de brahmanen gezegd te hebben viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het allemaal niks vonden en zeer boos op hem waren: (16) 'O haal me een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die met zijn corrupte denkwijze ons naar beneden haalt; voor hem is de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede], de geëigende oplossing [volgend op dâna, wettelijk bepaalde liefdadigheid; sâma, gunstig stemmen en bheda, het verdelen van posten]. (17) In het sandelhoutbos van de Daitya's is deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl die Vishnu is die ons bij de wortel omhakt!' 

(18) Op deze wijze op verschillende manieren hem in woord en daad bedreigend, onderrichten zij Prahlâda in wat de geschriften te bieden hadden over de [eerste] drie doelen in het leven [de purusârtha's van dharma, artha en kâma]. (19) Nadat zijn leraren hem alles hadden bijgebracht wat er maar te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, door zijn moeder gebaad en opgesierd, naar de daitya heerser gebracht. (20) De jongen hem ten voeten gevallen werd door de Asura bemoedigd met zegeningen en aan een langdurige omhelzing met beide armen van zijn kant, ontleende hij een grote vreugde.  (21) Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij hem met het vocht van zijn tranen, en met een lach op zijn gezicht zei hij het volgende, o Yudhishthhira. 

(22) Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, nu je zo goed onderricht bent, zeg me eens iets aardigs van wat jij, o liefde van mijn leven, al die tijd zo hebt geleerd van je leraren.' 

(23-24) S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, aandacht besteden aan de voeten, het brengen van offers en gebeden, een dienaar worden, een vriend zijn en je ziel en zaligheid overgeven zijn voor alle mensen van opoffering de negen verschillende handelwijzen waaruit de bhakti bestaat die men moet opbrengen voor de Allerhoogste Heer Vishnu; dat alles bij elkaar beschouw ik als het toppunt van wat men kan leren.'

(25) Toen hij zijn zoon dit hoorde zeggen zei Hiranyakas'ipu, met lippen trillend van woede, daarop tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was] het volgende: (26) 'Jij ontaarde brahmaan! Wat krijgen we nou, kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je te bekommeren om mijn jongen zoals het hoort, dwaas die je bent! (27) Werkelijk, wat zijn er toch een hoop oneerlijke mensen in de wereld die, in het belazeren van hun vrienden, zich maar voor het vertoon uitdossen; in de loop van de tijd kan men van hen zich de zonde zien manifesteren zoals een ziekte dat doet bij mensen die verkeerd leven.' 

(28) De zoon van de goeroe zei: 'Dit wat uw zoon zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd, o vijand van Indra; dit is zijn eigen natuurlijke toeneiging, o Koning, wees niet vertoornd jegens ons over die klaarblijkelijke misser van hem.' 

(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus van de leraar een antwoord gekregen hebbend richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, vanwaar dan stamt deze kwalijke voorkeur van je, o mislukkeling?'

(30) S'rî Prahlâda zei: 'Personen gehecht aan hun materiële leven ontwikkelen vanwege een gebrek aan controle over hun zinnen, in hun telkens weer opnieuw herkauwen van het gekauwde, een leven dat tot de hel voert; nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4: 4-5] toegenegen omdat anderen het zeggen of omdat ze het zelf inzien, noch zullen ze dat zijn door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44]. (31) Zij die uit zijn op de waarde van het uiterlijke hebben er in hun ambities geen idee van wat het doel van hun leven, Vishnu, is; hoewel ze worden geleid zijn ze, als blindemannen geleid door een blinde, zwaar in touwen gebonden aan de dictaten van de materiële natuur. (32) Zo lang als het bewustzijn van deze mensen niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang als ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die vrij van de gebondenheid zijn, ligt de verdwijning van het ongewenste, wat de opzet is van al de groten, buiten hun bereik.' 

(33) Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu in zijn woede blind voor de zelfverwerkelijking, wierp hem van zijn schoot op de grond. (34) Overmand door verontwaardiging zei hij woedend met bloed doorlopen ogen: 'Mannen, maak meteen een eind aan zijn leven, breng hem weg naar zijn dood! (35) Hij hier is de moordenaar van mijn broer, hij, die zo laag zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten Vishnu, dezelfde die zijn oom heeft gedood. (36) En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren dat hij oud is en met zijn zo onbetrouwbaar het eraan gegeven hebben van de slecht te verzaken liefde van zijn vader en zijn moeder. (37) Zelfs afkomstig van anderen is een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid dat van elders stamt; maar een zoon geboren uit jezelf die van slechte wil is behoort net als met een verziekte arm of been worden afgezet, schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam dat op zijn verwijdering nog een gelukkig leven kan hebben. (38) Alleszins moet hij worden gedood, hij die etend, neerliggend en zittend met ons, zich voordoend als een vriend evenzo goed een vijand is als de onbeheersbare zinnen zijn voor een wijze.' 

(39-40) De handlangers die ter harte hadden genomen wat hun leider allemaal had te zeggen brulden toen schrikwekkend met de scherpste drietanden in hun handen, met angstaanjagende tanden en gezichten en hun rode haren en snorren: 'Laten we hem in stukken hakken', en vielen toen Prahlâda, die daar stilletjes zat, met hun spiesen aan op zijn weke delen. (41) Maar met hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is, sorteerden ze geen effect precies zoals goede daden dat niet doen met een onwaardig iemand. (42) O Yudhishthhira, de daitya despoot onder de indruk toen hij zag hoe al de pogingen ijdel bleken, voorzag toen vastberaden in tal van manieren om hem ter dood te brengen. (43-44) Hem pletten met een olifant, met de gifslangen van de koning aanvallen, met toverspreuken de verdoemenis afroepen, hem van grote hoogten werpen, trucs verzinnen, hem opsluiten, gif toedienen en onderwerpen aan uithongering, koude, wind, vuur en water en met het uitstorten van rotsblokken, was de demon niet in staat zijn zoon, de zondenloze, ter dood te brengen en met het in dat lang volgehouden pogen mislukt zijn verkeerde hij in grote zorgen: 

(45) 'Van de overmaat aan deze onheilige uitingen en de verschillende manieren uitgedacht om hem te doden, van al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht! (46) Mij zo nabij en enkel maar een kind is hij niettemin onwankelbaar nergens bang voor; net zoals een geslagen hond altijd zijn staart zal krom houden, zal hij nooit mijn wandaden vergeten. (47) Ongetwijfeld zal deze grenzenloze heerlijkheid en onvergankelijkheid van zijn, van welke kant belaagd ook, voor niets en niemand bang zijn, vroeg of laat de reden van mijn dood zijn.'

(48) Aldus liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van de leraar der voorschriften, spraken toen in verholen bewoordingen tot hem. (49) 'Door u alleen overwonnen beven al de leiders van de drie werelden vol van angst voor het heffen van uw wenkbrauwen; u hebt van hem niets te vrezen o meester, noch zien we in waarom u zich eigenlijk zorgen zou moeten maken over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind.  (50) Houd hem, totdat onze goeroe S'ukrâcârya er weer is, vastgebonden met de touwen van Varuna zodat hij, bang, er niet vandoor gaat; geholpen door de meer ervarenen zal de intelligentie wel komen als zijn persoon wat ouder is.' 

(51) Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en aldus werd Prahlâda praktisch onderricht over wat de burgerdeugden waren van koningen.  (52) De formele plicht, de economie en het reguleren van het verlangen werden keer op keer systematisch aan Prahlâda uiteengezet o Koning, die evenzo nederig was als onderworpen [vergelijk B.G. 14: 20 & 26]. (53) Wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen - de opvoeding die hij kreeg van mensen die putten uit een opgelegde dualiteit, beschouwde hij niet als een werkelijk goede instructie [vergelijk 6.3: 20-25]. (54) Als de leraren druk waren met hun eigen burgerplichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om op hem een beroep te doen. (55) Hij, de grote intelligentie, sprak dan tot hen, hen in aangename bewoordingen glimlachend en geleerd uitleggend hoe genadevol het is om bij God te blijven. (56-57) Zij, de jongens die hun speelgoed opgaven, raakten dan allen, oprecht vol van bewondering voor zijn woorden, geestelijk bevrijd van de aanwijzingen en de vorming door hen [de leraren] die er genoegen in schiepen in termen van tegenstellingen te spreken. Ze zaten om hem heen o Koning van de macht, met hun harten en ogen vrijgemaakt op hem gevestigd die vol van medeleven sprak als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol van toewijding.

 

 

Hoofdstuk 6

Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

(1) S'rî Prahlâda zei: 'Vanaf zijn kindertijd behoort een persoon die van intelligentie is het dharma te beoefenen van toegewijde dienst aan de Heer [zoals beschreven in 7.5: 23-24]; geboorte nemen in dit menselijk bestaan is een tijdgebonden iets wat zelden wordt bereikt en wat doortrokken is van betekenis. (2) Die weg [van betekenis] is van een levend wezen hier inderdaad het benaderen van de voeten van Vishnu omdat dit de meest geliefde en beste van alle levenden, de Meester van de Ziel aangaat [zie ook 3.25: 38 en B.G. 5.: 29]. (3) Door goddelijke beschikking is gelukkig zijn met het sensuele, o Daitya's, overal beschikbaar voor alle wezens verenigd met een materieel lichaam, net zoals er het ongelukkig zijn is zonder dat men er om vraagt. (4) Daarvoor bestaat er geen noodzaak je in te spannen, men zou slechts zijn leven verspillen, en het is ook niet nodig je erover te verlustigen; het uiteindelijk levensdoel zijn de lotusvoeten van Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (5) Derhalve moet een nadenkend persoon zolang als hij [van ouderdom] nog niet verstek laat gaan, nog steeds ferm en krachtig is, uit zijn op het ware voordeel van [Mukunda in] het hebben van een materieel leven in een lichaam. (6) Van de honderd jaar die iedere persoon voor zijn leven heeft is een persoon in dienst van zijn zintuigen daadwerkelijk de helft van zijn tijd aan het verspillen daar men de halve dag gehuld in duisternis slaapt in onwetendheid. (7) In zijn jeugd is men onnozel, als een jongen is men met spelen bezig en aldus verstrijken een twintigtal jaren en nog eens twintig jaren verstrijken waarin men niet meer in staat is tot als men fysiek onvermogend is van ouderdom. (8) En verbijsterd door enorme materiële lusten die nimmer kunnen worden bevredigd is hij die overmatig gehecht is aan familiezaken als een dwaas de rest van zijn leven aan het verspillen. (9) Welke man is in staat om zichzelf te bevrijden die, gehecht aan huis en haard, met handen en voeten is gebonden door de touwen der genegenheid, en zo zijn zinnen niet meer in bedwang heeft [zie 1.2: 6-7]? (10) Wie, die er daadwerkelijk van uitgaat dat geld verdienen belangrijker is dan te leven [in toewijding en dankbaarheid], zou ertoe in staat zijn dat vergaren op te geven waarvoor de handelaar, de dief en de wetsdienaar hun leven in de waagschaal leggen? (11-13) Hoe kan men er mee ophouden in het privé omgang te hebben met de zo liefhebbende echtgenote die zoveel plezier geeft; hoe kan men niet met wijze woorden de gezinsleden ondersteunen die gebonden zijn aan hun genegenheid of welke persoon zou zich niet aangetrokken voelen tot het gebrabbel van zijn kinderen? Met je zonen en getrouwde dochters, broers, zussen en afhankelijke ouders vooropgesteld in het hart, met al de zaken van de huishouding van mooie meubeltjes, een goed inkomen en alle huisdieren en de groepen van bedienden en helpsters in de huishouding die verbonden zijn met de familie, hoe kan men het daarmee opgeven; als een zijderups is men begeertig druk met allerlei soorten van activiteiten in verlangens die nooit te bevredigen zijn met het vooropstellen van de geslachtsdelen en de tong als het belangrijkste; hoe kan men van zo een gigantische illusie afzien? (14) Zijn hele leven denkt hij met geen haar op zijn hoofd eraan om zich te weerhouden van het onderhouden van zijn gezin; verdwaasd de ware bedoeling bedervend en op alle fronten op de drievoudige manier [zie 2.10: 8] in moeilijkheden, heeft hij er geen spijt van eenvoudigweg van zijn gezin te genieten. (15) Met een geest gericht op weelde en bekend met de fout van het bedriegen ter wille van de centen in deze wereld is hij niettemin na gestorven te zijn gebonden aan deze materiële wereld [door Yamarâja opnieuw geboorte nemend] daar hij, al te verzot op zijn geliefden, nimmer in vrede met zijn verlangen, zich op een rooftocht bevond zonder zijn zinnen te beheersen. (16) Hoewel men er weet van heeft, o zoons van Danu, is men er druk mee bezig de familie in ruimere zin te onderhouden terwijl men tegelijkertijd er niet in slaagt het ware zelf te begrijpen met het de mist ingaan met een, net als bij de dieren, vervreemd zijn in een "mijn" en '"dijn" begrip van het leven. (17-18) Omdat nooit, niemand, waar of wanneer dan ook met een gebrek aan kennis ook maar enigszins zal uitmunten in de kunst zichzelf te bevrijden van het als een seksueel troeteldier uitzijn op de lust en van het zijn van iemand uit wiens gehechtheid hele families tot stand komen, moeten jullie, mijn daitya vrienden in dezen je verre houden van het schuilen met de demon die al te verslaafd is aan zinsgenoegens; in plaats daarvan moet men tot Heer Nârâyana reiken, de oorspronkelijke godheid, die middels de omgang met bevrijde zielen de verlangde weg der bevrijding uitstippelt. (19) Het heeft werkelijk niet veel om het lijf om de Onfeilbare tevreden te stellen, o asura zonen, omdat in deze wereld van alle wezens die zo dicht bij de ziel leven alle wegen al gebaand zijn [vergelijk B.G. 14: 3-4]. (20-23) Vanbinnen de wezens hoog en laag, beginnend bij het eenvoudigste plantenleven tot aan Brahmâ het meest vooraanstaande wezen; vanbinnen de enkele transformaties van de elementen zowel als met het totaal van de materiële energie; met de geaardheden der natuur in een staat van evenwicht alsook in een staat van beroering, is Hij, de Enige Echte der bovenzinnelijkheid, inderdaad de oorspronkelijke bron die de Allerhoogste Heer, de Beheerser is die zelf geen verval kent. Met het oorspronkelijke van Zijn positie vanbinnen en met Zijn persoonlijke manifestaties is Hij het doorvarene dat moet worden beschreven en het ongedifferentieerde allesdoordringende dat iedere beschrijving tart. Hij is het geheel, zuiver en volkomen, wiens gedaante vol van verrukking en kennis is, de Allerhoogste Heerser overdekt door de begoochelende energie op wiens onbegrensde weelde men zich verkijkt met de geaardheden der natuur. (24) Toon derhalve genade voor alle levende wezens; met een vriendelijke houding zullen zij die van de oppositie zijn, de Asura's, het opgevend op die manier te leven, de Heer voorbij de Zinnen tevreden stemmen [zie ook B.G. 12: 13-20]. (25) Als Hij, de Eeuwige en Oorspronkelijke, voldaan is is er niets dat men niet kan bereiken; welke noodzaak zou er bestaan voor hen die aldus van dienst zijn in deze wereld geregeerd door de geaardheden, om te werken voor een plichtsbesef [met het reguleren van de lusten, de economie en de religie] dat als vanzelf [op de toewijding] volgt. Waarom zouden wij, van boven de geaardheden, van verlangen zijn als we ten faveure van Zijn kwaliteiten het genoegen smaken van de essentie van de Heer Zijn voeten? (26) De drie voorgeschreven wegen van dharma, kâma en artha die zo gedekt zijn, maken de zelfverwerkelijking, de ceremoniën, de logica, de orde en het gezag en de verschillende soorten van beroepen uit die ik alle beschouw als de waarheid [aan de oppervlakte] die iemands lesje vormt; het is iemands volledige overgave aan de Allerhoogste Vriend wat voert tot de uiteindelijke persoonlijkheid [vergelijk 1.2: 8]. (27) Deze kennis die vrij is van materiële smetten is hoogst lastig te doorgronden. Ze werd door Heer Nârâyana uitgelegd aan de zekere vriend van alle mensen Nârada terwille van al degenen die [via hem] uitsluitend van overgave zijn aan Hem, de Allerhoogste Heer; geen materieel bezit claimend, kan dat begrip worden bereikt, daar hun lichamen baadden in het stof van de lotusvoeten. (28) Deze spirituele kennis betreffende het bhâgavata dharma [de negen van toegewijde dienst aan de Heer] werd tezamen met haar praktisch gebruik in al zijn zuiverheid voorheen aan mij uitgelegd door Nârada die de Heer altijd voor ogen heeft.'

(29-30) De daitya zonen zeiden: 'Prahlâda, een kind als jij zowel kinderen als wij kennen geen andere leraren die de controle over hen hebben dan de twee zonen van S'ukrâcârya. In het paleis verblijvend moet het moeilijk zijn een dergelijke superieure associatie te vinden; alsjeblieft neem de twijfel weg, o zachtgeaarde, over hoe we daar geloof aan kunnen hechten.'

 

Hoofdstuk 7

Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

(1)  Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira, zie 7.1: 13]: 'Aldus verzocht door de daitya zonen sprak hij, de Asura die zo'n grote toegewijde van de Heer was, lachend tot hen, zich herinnerend wat ik hem had gezegd. (2) S'rî Prahlâda zei: 'Toen onze vader vertrok naar Mandarâcala voor zijn boetedoeningen, spanden de goddelijken zich buitengewoon in met een oorlog tegen de Dânavâ's. (3) 'God zij dank wordt vanwege zijn eigen zonden de zondaar, die voortdurend iedereen onderdrukte, nu als een slang door de mieren aangevreten [zie: 7.3: 15-16]', zo zeiden zij die van Indra waren. (4-5) Horende hoe door hun buitengemeen vertoon van geweld de een na de ander door hen werd gedood, vluchtten de Asura leiders in angst in alle richtingen. In hun grote haast en verlangen om in leven te blijven vergaten ze hun vrouwen, kinderen en weelde, huizen, verwanten, dieren en de zaken van hun huishouding. (6) In de roes der overwinning plunderden de Sura's het paleis van de koning, terwijl Indra bij die gelegenheid de koningin, mijn moeder, te pakken kreeg.

(7) De devarishi die daar toevallig ter plekke arriveerde zag hoe ze op straat weggevoerd in grote angst het uitschreeuwde als een kurarî [een havik]. (8) Hij zei: 'O Koning der Sura's, je moet deze hier niet met je meeslepen, ze is onschuldig, laat haar nu meteen gaan, o grootste van het geluk, ze is de kuise echtgenote van iemand anders!'

(9) Indra zei: 'Ze draagt het zaad van de sura vijand in haar baarmoeder, laat haar in onze hechtenis totdat ze baart. Als dat doel bereikt is zal ik haar vrijlaten.'

(10) Nârada zei: 'Er schuilt geen kwaad in dit kind, u moet hem zien als een toegewijde, de allerbeste zelfs; hij, zo'n doorgewinterde toegewijde, zal niet door uw hand de dood vinden.'

(11) Aldus tot hem sprekend, liet Indra uit respect voor de devarishi zijn woorden, uit respect voor iemand geliefd bij de Eeuwige, haar vrij. In toewijding omliepen ze haar en keerden toen terug naar hun hemel. (12) Daarna nam de rishi mijn moeder mee naar zijn âs'rama haar toevertrouwend: 'Blijf hier mijn kind, totdat je echtgenoot er weer is.' (13) Zoals hij had gezegd leefde ze aldus met de devarishi waarbij ze niets uit welke richting ook maar te vrezen had voor zolang als de boetedoening van de daitya leider nog niet was afgerond. (14) Voor het welzijn van het kind, waarvan ze in verwachting was, was de trouwe vrouw in haar verlangen het ter wereld te brengen, aldaar Nârada van dienst met grote toewijding. (15) De rishi als de man die het voor het zeggen had gaf mededogend haar, in feite ons beiden, onderricht over de waarheid van het dharma en de spirituele kennis, het met name voor mij uiteenzettend zonder ook maar een spoortje van materieel belang [vergelijk 1.2: 7]. (16) Dat alles werd inderdaad omdat het zo lang geleden plaatsgreep en vanwege mijn moeder's vrouwelijke dispositie door haar vergeten, maar ik, gezegend door de wijze, deed dat niet en tot op de dag van vandaag heeft de herinnering eraan me niet verlaten [zie ook B.G. 9: 32]. (17) Jullie zelf ook kunnen dat van mij meekrijgen als je geloof hecht aan mijn woorden; gegeven een vast geloof is de intelligentie van de allerbesten er net zo goed voor vrouwen en kleine kinderen als ze er voor mij is [zie ook B.G. 18: 55]. (18) Zoals in de loop van de tijd door de Beheerser aller Bestaansvormen met bloemen en vruchten de gedaante van een boom kan worden waargenomen, kunnen met iemands lichaam de zes bestaanstoestanden worden waargenomen [van geboren zijn, bestaan als een persoon, groeien, transformeren, wegkwijnen en dood gaan] die men vanaf zijn geboorte ondergaat, maar dat is niet van toepassing op de ziel [zie ook B.G. 2: 20]. (19-20) De ziel is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, het individuele, de kenner van het veld, het oorspronkelijke vertrekpunt, het onveranderlijke, zelf-verlichtte, de eigenlijke oorzaak, de alles doorvarende, onafhankelijke en onbeweeglijke. Door deze twaalf levenstekenen van de ziel wordt een bewust persoon er toe aangezet het valse begrip van 'ik' en 'mijn' op te geven dat zijn oorsprong heeft in de illusie van alles wat hoort bij het hebben van een lichaam [zie ook 6.4: 24]. (21) Net zoals goud opgesloten in allerlei gesteente, dat door de gouddelvers op verschillende manieren gewonnen wordt in de goudmijnen, door deskundigen er met gemak wordt uitgehaald, kunnen vanuit de velden der organische lichamen [zie ook B.G. 13: 1-4] dienovereenkomstig door spirituele methoden de experts in het onderscheid tussen geest en materie het brahmaanse doel naar boven halen. (22) De leraren van het voorbeeld spreken van acht soorten materiële energie [B.G. 7: 4] waarbij er sprake is van precies drie geaardheden en welgeteld zestien modificaties [bewustzijn, zinnen van waarnemen en handelen en de elementen, zie tevens 1.3: 1]; het is het individuele levende wezen, de persoon, die ze allen met elkaar verbindt. (23) Het lichaam dat, zich rondbewegend en op zichzelf bestaand, enkel een combinatie is van hen allen tezamen is aldus van deze tweevoudigheid en in die aangelegenheid is het [het oorspronkelijke van] de persoon waar men naar uit moet zien met het zeggen van 'noch dit, noch dat' [neti neti], wat de manier is om het op te geven met wat niet de ziel is. (24) In contact met de materie en er los van staand zijn, als ze met de bedachtzaamheid met de ziel gezuiverd zijn door gerijpt onderscheid, alzo zij die het ernstig menen terughoudend met het analyseren van de schepping, de vernietiging en het behoud. (25) Van de intelligentie zijn er de toestand van het waken, het dromen en de diepe slaap; Hij door wie deze verschillende modaliteiten worden waargenomen, Hij die los staat van alles, is de Oorspronkelijke Persoon der Transcendentie. (26) Men moet de uitgangspositie van de ziel begrijpen in het uit intelligentie [neti neti] weerleggen van de verdeeldheid voortkomend uit de uiteenlopende werking van de drie geaardheden der natuur, die zijn als geuren die worden meegevoerd door de lucht [zie tevens B.G. 3: 42]. (27) Deze oceaan van materie wortelend in onwetendheid die zonder een eigen betekenis is, is van het levende wezen de deur waarachter hij in beslag is genomen door de werkzame geaardheden der natuur, net zoals men gevangen is in een droom.

(28) Daarom uit de grond van je hart moeten jullie de zaden van al het karma van het geconditioneerd zijn door de geaardheden der natuur zien te verbranden, in de yoga het stopzetten realiserend van de stroom van het bewustzijn. (29) Daartoe is van de duizenden processen dit hier, zoals geboden door het hoogste der toewijding [middels de Heer en de toegewijde] in relatie tot de Allerhoogste Beheerser, het ene proces dat, eenmaal gevolgd, de kalmte snel teweegbrengt [zie ook B.G. 18: 66, en de voetnoot]. (30-31) Besteed op de goede manier met geloof en toewijding aandacht aan een goeroe, draag alles op wat je hebt verworven, wees van omgang met het heilige en het toegewijde en van aanbidding voor de Beheerser, sla acht op de lezingen van belang, zing over Zijn kwaliteiten en handelingen, mediteer op de voeten en leef de regels na met het oefenen van respect voor de beeltenissen. (32) Hari, de Allerhoogste Heer bevindt zich in alle levende wezens; het van de grootste achting zijn voor al die schepselen en voor wat hen beweegt maakt dat men de Allerhoogste Beheerser begrijpt. (33) Aldus de zes symptomen [der sensuele zwakheid: lust, woede, begeerte, illusie, waanzin en jaloezie] eronder gekregen hebbend, levert men toegewijde dienst aan de Beheerser, Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, waarmee men de vrede en liefde verwerft. (34) Als men verneemt over de ongebruikelijke handelingen en macht van Zijn optreden en Zijn kwaliteiten zoals aan de dag gelegd in het spel en vermaak van Zijn verschillende verschijningen, zullen van de grote vreugde de haren overeind staan en zijn er tranen, een haperende stem en hardop, luidkeels zingen, roepen en dansen. (35) Zoals wanneer men door een geest is bezeten, is er soms lachen, zijn er kreten, meditatieve stemmingen, respectbetoon jegens andere levende wezens, lang volgehouden zwaar ademen en zijn er uitingen in de trant van: 'O Heer, Meester van de Wereld, Nârâyana!'; aldus is men vrij van schaamte verzonken in gedachten over het Ware Zelf. (36) Als men zo bezig is raakt men, aldus denkend in liefde over het uiteindelijke, bevrijd van alle obstakels op zijn weg en komt men naar lichaam en geest in harmonie; het o zo krachtige zaad van het verlangen is dan opgebrand door het beoefenen van de bhakti waardoor men de Ene Boven Alles bereikt. [**]. (37) Voortdurend in contact staand met Hem, Adhokshaja, wordt de besmette geest van een belichaamd wezen in deze wereld en de kringloop van zijn materiële bestaan een halt toegeroepen; zij die gevorderd zijn hebben weet van die geestelijke hemel van gelukzaligheid en daarom, uit het diepst van je hart, zing in toewijding voor de Ware Beheerser van je hart [zie tevens B.G. 18: 54].

(38) En wat zou daarvan het probleem zijn, o asura zoons; wat zou in iemands eigen beoefenen van het altijd een plaats voor Hem in het hart hebben, met Hem altijd daar als de Ziel voor je ziel en de Onbegrensde Vriend, er nou helemaal de noodzaak van zijn om te voorzien in alles wat het zingenot zoal vereist [vergelijk 7.6: 19 en B.G. 9: 26]? (39) Weelde, vrouwen, je dieren, kinderen en dat alles, huizen, land, olifanten, een schatkist, al de luxe, al die economie en zinsbevrediging gaat voor hem wiens leven maar kort is, hij die onvermijdelijk komt te overlijden, in een ogenblik verloren; hoeveel plezier kan zo een tijdelijk iets nu brengen? (40) Evenzo zijn de hogere bestemmingen die door grote offers worden bereikt, allen vergankelijk, hoeveel meer comfortabel ze ook mogen wezen; ze zijn niet vrij van verstoringen en daarom is Hij, van wie men nog nooit van enige fout of misser heeft gehoord, met de bhakti zoals uiteengezet, de Allerhoogste Heerser om te aanbidden voor de zelfverwerkelijking [zie ook B.G. 8: 16]. (41) Van een materieel weten dat er is voor het doel van de vele activiteiten in deze wereld, denkt men van zichzelf dat men zeer hoog ontwikkeld is, maar keer op keer bestaat het onvermijdelijke resultaat van een mens die zo tewerk gaat eruit dat hij uitkomt op het tegenovergestelde. (42) De vastbeslotenheid van de karmi [de persoon zwetend voor resultaten] om gelukkig te zijn, om hier bevrijd te raken van de ellende, is een ambitie die altijd leidt tot het ongeluk dat het [duurzame] geluk verhult dat volgt op het niet najagen van het geld. (43) De dingen die het leven gemakkelijk maken en waar men op zint in de geplande handelingen terwille waarvan het levend wezen de wereld betrad, resulteren inderdaad in het fysieke lijf dat men heeft, maar vergankelijk als het is, is het iemands vijand als men het wil laten voor wat het is als men de geest wenst te huldigen. (44) Wat valt daar nog aan toe te voegen; uiteindelijk is men gescheiden van de kinderen, de vrouw, het huis, de weelde en dat alles, het territorium, de vergaarde rijkdom, de olifant, de staatslieden en de bedienden en verwanten, die allen tezamen de zetel vormden van de eigenwaarde. (45) Wat voor waarde heeft dit alles voor de ziel? Triviaal als ze zijn doen deze zaken zich met het vergankelijke lichaam voor als zijnde noodzakelijk, maar voor de oceaan vol van de nectar van het eeuwige geluk hebben ze geen nut.

(46) Het moge duidelijk zijn dat al wat iemand in een materieel lichaam in deze wereld doet terwille van zijn persoonlijke voordeel, o asura zonen, beginnend met het zich verlustigen over de seks, met het tijdelijke leidt tot het zware lijden dat het resultaat is van de werklast van iemands karma. (47) Het karma voor iemand die belichaamd is begint met het lichaam dat men verwierf als gevolg van de manier waarop men tewerk ging; als gevolg van dat karma verwerft men dan een volgend lichaam, en die herhaling heeft men dan inderdaad te danken aan de eigen onwetendheid. (48) Daarom hangt al het reguleren van iemands inkomen en verlangen naar zinsbevrediging zowel als de religie die erbij komt kijken af van de verheerlijking van de Ziel die boven de ziel staat, de Heer der goddelijke onverschilligheid die de Beheerser is [van de Tijd en het karma]. (49) Van alle levende wezens is Hij de Heer, de oerbron, Hij die de touwtjes in handen heeft, de Geliefde, die door Zijn verschillende energieën hen geschapen heeft in Zijn bestaan als de Individuele Ziel van alle individuele bestaansvormen tezamen. (50) Of men nu een god of een duivel is, een mens of een geest, of een zanger van de hemel, met het leveren van dienst aan de voeten van Mukunda raken we allen gelijkelijk vervuld van al het Zijne! (51-52) Een perfecte brahmaan te zijn, een fijnbesnaarde godbewuste persoon, of een heilige, o asura nazaten, zal niet afdoende zijn om Mukunda te behagen, en ook niet goed gedrag en veel geleerdheid. Noch volstaan liefdadigheid of verzakingen, aanbidding, reinheid of geloften; de Heer wordt tevreden gesteld door ondubbelzinnige, toegewijde dienst, de rest is maar uiterlijk vertoon [zie ook B.G. 9: 30 en 1.2: 8]. (53) Hou je daarom in relatie tot Hari, de Opperheer, bezig met de bhakti o dânavâ zonen, daar Hij, alomtegenwoordig als de Ziel en Beheerser van alle levende wezens, gelijk je eigen zelf is. (54) O Daitya's, de geesten en demonen, de vrouwen en de arbeiders, de koeherders, de vogels, de dieren en alle zondaren, kunnen zonder twijfel allen komen tot en deel uitmaken van de kwaliteiten van de Onfeilbare, van Acyuta [zie ook B.G. 4: 9]. (55) Van het levend wezen in deze wereld beschouwt men zoveel als zijnde het ware bovenzinnelijke eigen-belang: om op een ondubbelzinnige wijze Govinda van dienst te zijn [Hij als de zegen der koeien] die men in allen en alles herkent [zie ook bhajan 1 en 2].

*: Bij dit vers bestaat een ander belangwekkend vers uit de S'vetâs'vatara Upanishad 6.23 :

yasya deve parâ bhaktir
yathâ deve tathâ gurau
tasyaite kathitâ hy arthâh
prakâs'ante mahâtmanah

"Jegens die grote zielen die er een impliciet geloof op na houden in zowel de Heer als de geestelijk leraar, wordt de gehele strekking van de Veda's automatisch onthuld. "

* *: S'rîla Madhvâcârya schrijft als volgt:

tad-bhâva-bhâvah tad yathâ svarûpam bhaktih
kecid bhaktâ vinrityanti gâyanti ca yathepsitam
kecit tushnîm japanty eva kecit s'obhaya-kârinah

'De extatische conditie van de toegewijde dienst werd in zijn geheel door S'rî Caitanya Mahâprabhu vertoond, die somtijds danste, soms huilde, dan weer zong, zich soms stil hield, en dan weer de heilige namen van de Heer zong. Dat is het volmaakt spiritueel bestaan.'

 

Hoofdstuk 8

Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord accepteerde het gehoor van de daitya zonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen onderwezen. (2) Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie zich had gevestigd op dat ene onderwerp van aandacht, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was. (3-4) Trillend van woede over zijn hele lichaam en met een geest vastbesloten zijn zoon te doden wees hij Prahlâda terecht, die helemaal niet beschuldigd zou moeten worden, waarbij hij met de wreedste bewoordingen hem furieus met een kwaaie blik bejegende omtrent zijn overtredingen. Hij, zo zachtgeaard en ingetogen, had zijn handen voor zich gevouwen met hem voor zich die aan het sissen was als een gifslang waar men op had getrapt.

(5) Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze, allerdomste, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat van mijn gezag afwijkt, vandaag zal ik je naar Yamarâja sturen. (6) Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders in angst voor mij; met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij idioot?' [vergelijk B.G. 9: 31].

(7) Prahlâda zei: 'Voorwaar is Hij, de Sterke der Sterken niet enkel de mijne of de uwe, o Koning; Hij is eveneens het verhevene van alle andere onderworpenen die zich rondbewegen of zich niet bewegen, en die Hij, te beginnen bij Heer Brahmâ, onder Zijn controle heeft gebracht. (8) Hij de beheerser, de tijdsfactor, is de unieke Heer die die ene kracht van de geest en het leven is, het stabiele van iemands fysiek vermogen en de zinnen; Hij, de Ware van het zelf, is met al Zijn vermogens waarlijk de Allerhoogste Ene Meester der natuurlijke geaardheden die schept, handhaaft en het hele universum weer terugroept. (9) Geef enkel de asura manier van doen op. U, voor uzelf, weest gelijkgezind, op het pad der vergissingen bestaat er geen andere vijand dan de onbeheerste geest, een probleem waarvoor de onbegrensde Heer de beste remedie is. (10) Vroeger waren er plunderaars die niet van beheersing met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Ze zagen zichzelf als mensen die al de tien windrichtingen hadden weten te veroveren, maar waar zijn dan die vijanden geschapen in de eigen begoocheling met een heilige die alle levende wezens gelijkgezind is?'

(11) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk zoek je, zo onbeperkt opsnijdend, de dood; het is duidelijk dat de woorden van mensen die op het punt staan te sterven onzinnig zijn, stomme ezel die je bent. (12) O ongelukkige, Hij die je naast mij beschreef als de heerser van het universum, waar is die nu te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier voor mij? [zie tevens B.G. 7: 25] (13) Laat Hem, die Heer die je verkoos als je beschermer, je maar eens beschermen als ik dadelijk het hoofd van de romp zal scheiden van iemand als jij, die een dergelijke onzin uitkraamt.'

(14) Aldus met een stroom van scheldwoorden zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn harde vuist tegen een pilaar. (15)  Op datzelfde moment was er van binnenuit een hoogst beangstigend geluid te horen alsof de schaal van het universum openbarstte. Dat geluid, dat zover reikte als tot waar de goddelijken van Heer Brahmâ zich ophielden, mijn beste, deed hen geloven dat de vernietiging van hun woonsteden op handen was. (16) Hij, die het in zijn machtsvertoon verlangde zijn zoon te doden, hoorde het luide gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond met de aanwezige vergadering stomverbaasd over het feit dat men niet kon uitmaken waar het vandaan kwam, en zo raakten allen die aan de macht waren zeer door angst bevangen. (17) Om de waarheid gestand te doen van de woorden uitgesproken ter verdediging van Zijn alomtegenwoordigheid die alles en iedereen doorvaart, kon men zien hoe zich van Hem in een pilaar in het midden van de vergaderzaal een hoogst wonderbaarlijke gedaante manifesteerde, die noch dierlijk noch menselijk was. (18) Hij, het van alle kanten bekijkend, zag hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam, en niet in staat uit te maken of het een dier dan wel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een gedaante half een mens en half de koning der dieren?'

(19-22) Terwijl hij het wonder dat recht voor zijn ogen plaatsgreep overdacht, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had lichtende ogen als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Hij zwaaide met Zijn tong scherp als een scheermes, starend met een afschuwelijke grimas. Zijn oren stonden recht overeind en Zijn wijd open mond en neusgaten verbazingwekkend opengesperd als een berggrot, besloeg de hemel. Zijn lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Gelijk de stralen van de maan was Zijn lichaam overdekt met witte haren en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, trefzekere nagels als wapens in combinatie met Zijn overige persoonlijke wapens. Voor die uitnemendheid geplaatst sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht. (23) 'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat gedoe nu voor een nut?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf, en zijn wapen oppakkend wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen. (24) Net als een insect dat men in het vuur gevallen niet meer kan zien, verdween hij, de Asura, in de gloed van Nrisimha; iets wat op dat moment werkelijk niet zo verwonderlijk was daar Hij vanuit de gloed van Zijn eigen goedheid voorheen reeds de duisternis van de schepping had opgeslokt. (25) Daarna tot de aanval overgegaan sloeg de grootste der demonen verwoed met zijn knots in op Nrisimhadev, zijn macht bewijzend door Hem met geweld in gang te zetten, maar de Heer die eveneens van een knots was voorzien, greep hem precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] dat zou doen met het vangen van een grote slang. (26) Toen hij, de Asura, uit Zijn handen glipte met het spelletje dat Hij, net zoals Garuda dat met een slang doet, met hem aan het spelen was, dachten de goddelijken en de heersers van de hemel wiens plaatsen hij had ingenomen, vanachter de wolken dat het verkeerd afliep, o zoon van Bharata. (27) Denkend dat Hij, omdat Hij hem had laten gaan, bang was voor zijn vertoon van mannelijkheid, viel de machtigste der demonen, die na een pauze in de strijd zijn zwaard en schild weer oppakte, met veel geweld Nrisimhadeva opnieuw aan. (28) Toen hij snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het maneuvreren was om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, die toen ie z'n ogen even dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen. (29) In protest met zijn ledematen tegenstribbelend om weg te komen plaatste de Heer hem, wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, als een slang of muis over de rand van Zijn dijbeen en doorboorde Hij hem met Zijn nagels met het gemak van Garuda die een adder te pakken neemt. (30) Hij met Zijn beangstigende, woedende blik was moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek als was Hij een leeuw die zojuist een olifant gedood had. (31) Het hart had Hij met Zijn gepunte nagels er geheel uitgerukt en terzijde geworpen, en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze armen. (32) Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken; de wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit. (33) Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelwagens die in de lucht samendromden van hun plaatsen, de aarde schudde onder het zware gewicht van Zijn voeten, Zijn niet te weerstane kracht bracht de bergen en heuvels in beweging en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

(34) Daarna had Hij, in de vergaderzaal gezeten op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, niemand meer tegenover zich, noch iemand om Hem de eer te bewijzen. (35)  Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de koppijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en lieten de vrouwen van de halfgoden onophoudelijk een regen van bloemen neerdalen. (36)  Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn en werden trommels en pauken geslagen en werd er gezongen en gedanst door de grootste zangers en engelen van de hemel. (37-39) Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts der wetenschap en de grote slangen [ego's]; de stamvaders kwamen allen, de leiders der mensheid, de ingezetenen van de hemel en de besten der engelen alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaakten en de aapachtigen, o mijn beste. Zo kwamen er ook de spotgeesten [de komedianten, de barden], de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderden zij ieder Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

(40) Brahmâ zei: 'Ik buig me voor U neer, o Ondoorgrondelijke, Onbegrensde; met al Uw macht en vermogen en het Zuivere van Uw handelingen bent U van het Universum de schepping, de handhaving en de vernietiging die met de geaardheden speels tewerk gaat zonder zelf ooit te veranderen.'

(41) Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.'

(42) S'rî Indra zei: 'Ons aandeel van de offers is door Uwe Heerlijkheid teruggewonnen die ons beschermde, o Allerhoogste; hoe zeer getroffen door de Daitya waren onze lotusgelijke harten die in werkelijkheid Uw verblijfplaats zijn. Helaas, o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt hem verlicht ter wille van de toegewijden in Uw dienst zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders, o Nrisimhadeva, zou, de zichtbare wereld inderdaad als niet zo belangrijk beschouwend, voor hen van nut zijn? '

(43) De achtenswaardige heiligen zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld ter lering van onze verzakingen. Bij de macht van Uw zelf wordt deze wereld, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, geschapen, gehandhaafd en weer in U opgenomen. Dat alles werd door deze onwijze ziel weggekaapt maar is nu, o Toevlucht der Behoeftigen, door de bescherming van Uw belichaming met Uw zegen naar ons teruggebracht. '

(44) De eerbare voorouders zeiden: 'De duivel die met geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, hij die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, bereikten deze offers hun juiste bestemming; Hem brengen wij onze eerbetuigingen die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens.'

(45)  De vervolmaakten zeiden: 'Die persoon hoogst onbeschoft en oneerlijk die het doel van onze vervolmaking in de yoga in de weg stond en die bij machte van zijn verzaking en boete zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten; voor Hem, voor U, verbuigen wij ons, o Nrisimha.'

(46) De specialisten van de wetenschap zeiden: 'Onze formules die men ieder met een verschillende manier van concentreren bereikt, werden gedwarsboomd door deze dwaas zo opgeblazen over zijn kracht en kunnen; Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven, voorzeker voor altijd verplicht.'

(47) De slangenmensen zeiden: 'Die grootste der zondaren die onze juwelen en vrouwen wegkaapte; door zijn borst te doorboren bent U voor al onze vrouwen de Bron van al het Genoegen; moge er voor U ons eerbetoon zijn.'

(48) De achtenswaardige stamvaders zeiden: 'Wij, die de mensheid inspireren zijn de gezagdragers van Uwe Heerlijkheid die, wat betreft de morele richtlijnen en de klasse, werden geminacht, o Heer, door deze zoon van Diti; met het door U doden van deze schoft o meester, vertel alstUblieft ons, Uw eeuwige dienaren, wat we voor U kunnen betekenen.'

(49) De leiders van de mensheid zeiden: 'Wij, die de generaties voortbrachten stammen allen van U af, o Allerhoogste Beheerser, en niet van hem; de levende wezens die we op deze wereld gezet hebben werden door hem een leven ontzegd en hij die hier nu verslagen neerligt, heeft U de borst geklieft ter wille van het welzijn van de wereld middels de incarnatie van de gedaante Uwer Goedheid.'

(50) De muzikanten van de hemel zeiden: 'Wij, o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten, die onder het gezag werden geplaatst van het vuur en de kracht van zijn invloed. Hij, deze hier, is tot niets gereduceerd door U; wie zou er ook, voor Uw aanschijn, zo'n parvenu kunnen zijn?'

(51) De beroemdheden zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor de bevrijding, wij zoeken ons heil daar omdat deze Asura, deze doorn in het oog van alle mensen, door U aan zijn einde werd geholpen.''

(52) De bewakers van de weelde zeiden: 'Wij, de meest vooraanstaanden onder Uw dienaren zullen hier en nu proberen U met onze dienst te behagen; door de zoon van Diti werden we gedwongen zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van de armoe van alles en iedereen; daarom betuigen we U de eer, omdat U degene bent die hem aan zijn einde geholpen heeft, o vijfentwintigste principe [dat de tijd is, zie 3.26: 10-15].'

(53) De aapachtigen zeiden: 'We zijn maar onbeduidende Kimpurusha's o Heer van ons, echter, dit monster der zonde is door U afgeslacht nadat hij door de zoekers was vervloekt, o Allerhoogste Persoonlijkheid, Heerser over ons.' [zie ook: B.G. 4: 7-8]

(54) De barden van de koning zeiden: 'In grote bijeenkomsten en in de offerperken in zuiverheid de roem van Uw glorie bezingend hebben we de hoogste positie van respect verworven; dat slechte karakter die ons in zijn macht kreeg werd tot ons grote geluk door U ter dood gebracht, o Allerhoogste Heer, alsof hij een ziekte was.'

(55) De supermachtigen zeiden: 'O Heerser over ons, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren; door die zoon van Diti moesten we optreden zonder vergoeding, maar door U, o Heer, werd hij zondig als hij was om zeep geholpen, o Nrisimha, o Meester, alstUblieft wees er voor ons, voor het heil van ons geluk en ons welzijn.'

(56) De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderbaarlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de eeuwige toevlucht en het goede geluk van al de werelden en deze dienaar van de staat, o Beheerser, is, vervloekt zijnde door de geleerden [zie 7.1: 36-39], om die reden ter dood gebracht; wij verstaan dat als zijnde Uw bijzondere genade.'

 

Hoofdstuk 9

Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

(1) Nârada Muni zei [nog steeds tot Yudhishthhira]: 'Al de Sura's aldus vertegenwoordigd door Brahmâ en S'iva waagden het niet naar voren te treden daar Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was. (2) De Godin van het Geluk die op verzoek van de goden ermee werd geconfronteerd, kon, nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk zag, zoals nog nooit iemand voordien Hem had gehoord of gezien, ook niet in Zijn nabijheid komen daar ze zelf zeer bang was. (3) Prahlâda naar Heer Brahmâ toegebracht werd verzocht: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan en Hem gunstig stemmen daar hij zeer kwaad is over wat je vader heeft gedaan.'

(4) 'Zo zij het' zei hij en heel langzaam, o Koning, kwam de grote toegewijde, hoewel hij maar een kleine jongen was, stapje voor stapje in Zijn buurt en wierp hij zich languit voor Hem op de grond, gebeden brengend met gevouwen handen. (5) Met hem, zo'n kleine jongen, aan Zijn lotusvoeten neergevallen was de godheid zo genadevol hoogst ontroerd en met het heffen van Zijn lotushand die Hij op zijn hoofd plaatste, verdreef Hij uit alle geesten de angst over de slang van de tijd [naar zijn vier fysieke noodzakelijkheden van âhâra, nidrâ, bhaya en maithuna; eten, slapen, vrezen of verdedigen en paren]. (6) Hij vanwege die aanraking schoongewassen van alle onzuiverheden, vertoonde, in de omgang met de Superziel ofwel de werkelijkheid van Zijn lotusvoeten, vanuit een hart overweldigd en gegrepen door geestelijke verrukking, de symptomen der extase over heel zijn lichaam met tranen opwellend in zijn ogen. (7) Met zijn geest eenpuntig in grote concentratie en met een van liefde haperende stem, begon hij in de volle toewijding van zijn hart en geest gebeden voor de Heer op te zeggen.

(8) S'rî Prahlâda zei: 'Al de Sura's met Brahmâ aan het hoofd, al de heiligen zowel als de volmaakten van het spirituele leven eenpuntig in hun opzet, waren met hun woordenstromen tot dusverre niet in staat U te behagen, hoe gekwalificeerd ze ook zijn; hoe kan het zo zijn dat Hij, deze Heer, met mijn woorden dat wel is, terwijl ik slechts van een Asura geboorte ben? (9) Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen in het geheel niet bevredigen; zoals de Allerhoogste Heer met Gajendra [de olifant], is the Persoon der Bovenzinnelijkheid tevreden gesteld met bhakti. (10) Een geschoold iemand met de twaalf eigenschappen [als vermeld, zie ook*] die zich niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn leven wijdt aan het Uiteindelijke, daar hij met zijn geest en woorden en alles wat hij doet, zijn welvaart en leven en familie zuivert, terwijl dat niet zo is met degene die denkt vanuit vals prestige. (11) Wat iemand in zijn onwetendheid ook maar offert wordt vriendelijk aanvaard door de Allerhoogste Heer, daar dat voorzeker, met Hem die altijd gelukkig is van binnen, niet iets waar Hij persoonlijk op uit is; die aanbidding dient het belang van de toegewijde zelf, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht. (12) Het is om deze reden dat ik mezelf niet als ongeschikt moet beschouwen; in volle overgave aan de Heer zal ik naar mijn beste kunnen en inzicht op Zijn Heerlijkheid uitzijn, hoe laaggeboren ik ook ben; want met het onwetend betreden hebben van deze wereld is het beschrijven en bezingen van die heerlijkheid de manier voor een persoon om gezuiverd te raken [zie ook B.G. 18: 55]. (13) Ik ben er zeker van dat, in tegenstelling tot ons [Asura's], al deze volgelingen, zoals Brahmâ en zo meer, trouw en godvrezend zijn naar het principe van U die altijd van de goedheid bent o Heer, maar men stelt dat het voor de meerdere eer en glorie van Uw bescherming en verschaffing en het geluk van de ziel is dat U de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld manifesteerde. (14) Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde, zelfs de heiligen zijn gelukkig als een schorpioen of slang gedood wordt; de waarheid is dat al de werelden het genoegen gesmaakt hebben en dat zij allen, ernaar uitziend U te gedenken, afwachten hoe deze gedaante van U hun angsten zal bezweren. (15) Ikzelf ben niet bang, o Onoverwinnelijke, voor Uw angstwekkende mond, tong, schietende ogen en vertrokken gezicht, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden. (16) Maar ik ben wel bang, o genadevolle Zorgzame Vader, voor die onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor het feit van de ellendige omstandigheid van het leven tussen roofdiermensen te belanden, voor het feit gebonden te zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma, o Onoverkomelijke; wanneer zal ik, met U tevreden over mij aan Uw voetzolen, die de toevlucht in deze oceaan der materie zijn, naar U worden teruggeroepen? (17) Vanwege het door iemands aangename of niet zo aangename geboorte afgescheiden zijn van U en samengevoegd zijn met de wereld, wordt men, verblijvend in wat voor een lichaam ook, verteerd door het vuur van het weeklagen en heeft men evenzo goed te lijden onder de remedies ertegen waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt; ik, o Allergrootst Wezen, ben dolende; alstUblieft wijdt me in in het dienen van U in yoga. (18) Op die manier zal ik, door het steeds weer luisteren naar de vertellingen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid, o Nrisimha, zoals doorgegeven in erfopvolging, met gemak de oversteek maken en vrij zijn van de geaardheden, en zal ik, in wijsheid en omgang met de toegewijden, met de bevrijde zielen van alle ellende bevrijd zijn in het volledig in beslag genomen zijn door Uw lotusvoeten. (19) Van een klein kind in deze wereld niet de toevlucht van het ouderschap vormend, o Nrisimha, noch van een patiënt het medicijn zijnd, noch van een persoon verdrinkend in de oceaan de boot zijnd of van een persoon die lijdt de verlosser wezend, vormen al de dingen die in deze wereld gekoesterd worden door degenen die in een lichaam zijn opgesloten slechts de schijn van een remedie, o Almachtige, waarin ze van U verstoken zijn. (20) Naar welke omstandigheid ook, om welke reden dan ook, wat het tijdstip ook moge wezen, wat de verplichting of de relatie ook is, door wie of jegens wie dan ook, op welke manier of van welke aard ook, zeker is dat ieder van deze zaken slechts andere vormen zijn van hetzelfde Allerhoogste; met andere woorden: in de natuur is er als gevolg van allerlei veranderingen het afgescheiden zijn in een bepaalde bestaansvorm, maar welke vorm het ook betreft, het is steeds een manifestatie van de energie van Uwe heerlijkheid. (21) Het illusoire van de materie is een creatie van de geest [als een fixatie beleefd] die de bron vormt van eindeloze begeertige handelingen; handelingen die door de Tijd, die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt, zijn geconditioneerd. En zo gevangen worden je dan als persoon, onder het toeziend oog van God met wat er in de Veda's [in het karma-kânda gedeelte] is geregeld, minder glorieus de zestien spaken geboden [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte, o Ongeborene. Wie o wie, die het moet stellen zonder het beste dat U voorstelt, kan hier op eigen houtje uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]? (22) U bent inderdaad dat ene element van de Tijd, waaraan men in zijn intelligentie, middels Uw persoonlijke energie, voor altijd en eeuwig is overgeleverd; aanwezig als een vorm van materiële energie in alle gevolgen en oorzaken onder Uw cyclische controle gebracht, sta ik machteloos, o Heer en Meester, en ben ik geplet onder het wiel met de zestien spaken; alstUblieft redt me hieruit, o Machtigste, ik heb me geheel aan U overgegeven. (23) Ik was er getuige van o Almachtige, hoe in dit opzicht al de hoger geplaatste staatslieden in hun begeerte naar een lang leven, weelde en glorie, allen door onze vader met zijn sarcastische lach in een oogwenk werden verslagen, desalniettemin werd hij door U volledig weggevaagd. (24) Daarom, wetende waar al de zinsbevrediging van al die langlevendheid, weelde en beschaving van al de belichaamden, van Brahmâ tot aan de kleinste mier, toe leidt, heb ik er geen behoefte aan door U te moeten worden onderworpen, U die zo machtig zijt als de Meester van de Tijd; alstUblieft wees zo goed me in de richting te leiden van de omgang met Uw gewetensvolle dienaren. (25) In welk opzicht is men nu gezegend met het gelukkig zijn in horigheid [aan verlangens]? Wat betekent voor dit lichaam, dat plaats biedt aan zovele ziekten, nu het geluk dat niet meer is dan een luchtspiegeling in de woestijn? Ookal heeft de gewone man er nimmer genoeg van, toch pogen de geschoolden dat vuur te blussen met kleine druppeltjes honing, proberende dat onder controle te krijgen wat alleen maar met de grootste moeite kan worden bereikt. (26) In welke positie verkeer ik nu? Hoe kan ik nu uitstijgen boven het feit dat ik geboren ben in de duisternis van een lichaam van hartstocht, in een familie ver verwijderd van de verlichting? De lotushand van Uwe grondeloze genade die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van genade, zou er zelfs voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of zelfs de Godin van het Geluk niet zijn! (27) In dezen kan er feitelijk met Uwe Heerlijkheid als zijnde de vriend van de ganse wereld geen onderscheid bestaan tussen hogere en lagere levende wezens, maar niettemin is er van U, afhankelijk van de geleverde dienst, net als met een wensboom die geeft wat men maar wenst, de manifestatie van de zegening die gereserveerd is voor de toewijding, ongeacht of men nu van een hoger of lager nivo is [zie ook 2.3: 10 en B G. 4: 33, 9: 25]. (28) De gewone man die in zijn materiële bestaan in die zin in een overwoekerde put vol van slangen viel, jaagt het voorwerp van zijn begeerte na; ik die persoonlijk vanwege slecht gezelschap eveneens in die toestand ben beland werd door de sura wijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen; hoe kan ik nu ooit de dienst van Uw zuivere toegewijde loslaten? (29) Mijn leven reddend o Onbegrensde, met U die me gered hebt van de dood door de hand van mijn vader, beschouw ik de woorden van Uw dienaar, dat wat de rishi zei, als waar daar U ze bewaarheid hebt jegens hem die kwaadwillend met het zwaard in de hand tegen me zei: 'Laat die heerser buiten mij je maar van mij verlossen nu ik je je hoofd zal afslaan.'

(30) 'Dit universum overal om ons heen is die Ene die U alleen bent, vanwege U waren in den beginne en op het eind zowel als halverwege er afzonderlijk zij die U geschapen hebt middels de drie geaardheden die Uw uitwendig vermogen gestalte geven, zij, de velen van al de verscheidenheid die hun ervaring aan U te danken hebben die erin is binnengegaan [zie ook B.G 9: 4]. (31) U dan wel als de oorzaak, dan wel als het gevolg van dit geheel, o Mijn Heer, blijft Zelf losstaan van de materie die Uw illusoir vermogen vormt, en waarvan we weten dat die zich manifesteert als de substantie waarvan we de schepping, de vernietiging en het behoud hebben; en daarvan is er het feitelijk inhoudsloze idee van het hebben van een verschillend zelf of, anders gesteld, dat het aardse bestaan en het subtiele ervan te vergelijken is met wat men heeft met een boom en een zaadje [vanwaaruit het allemaal ontspruit enerzijds en dat het resultaat van Uw manifesteren erin is anderzijds]. (32) Met het met deze schepping van U teruggeworpen zijn [met mijn vader b.v. in zijn vernietiging] in het zelf van Uw causale oceaan, schijnt U er geen activiteit op na te houden en te slapen als U binnenin Uzelf het gelukzalig persoonlijke ervaart met het hebben gesloten van Uw ogen in de yoga; maar het is niet een materieel sluimeren in de duisternis der geaardheden waar U zich in bevindt, het feit in aanmerking nemend dat U, middels een manifestatie van Uzelf [deze Nrisimha-gedaante], dat soort van slapen bent tegengegaan in het behouden van de bovenzinnelijkheid. (33) Uit Uw sluimering op het bed van Ananta in de causale wateren ontwaakt, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad, en dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, toont Uw manier van reageren [in de vorm en godheden van de geaardheden] op de materie. (34) De ene van de kennis [Brahmâ] voortgebracht uit die lotus kon niemand anders ontwaren daar Uwe Heerlijkheid, als het zaadje, zich tot hemzelf had uitgebreid; hij dook in het water voor een honderdtal halfgodenjaren niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd, o mijn Heer, nog steeds kan worden waargenomen [zie 3.8]. (35) Hij enkel maar uit zichzelf geboren was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen gezuiverd vond hij dan U, o Beheerser, zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreid door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van begeerten is. (36) Op deze manier de Grote Persoon ziend met Zijn duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen, en uitgerust met allerlei sieraden en wapens, die tezamen, zich voordoend in verschillende tekenen, een bewijs vormden van Zijn vermogen, bereikte Heer Brahmâ de bovenzinnelijke gelukzaligheid. (37) Terwille van het zijne zowaar het hoofd van een paard aanvaardend in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die tegen de Veda ingingen en die de hartstocht en de onwetendheid vertegenwoordigden, en bracht U de s'ruti [de vier Veda's] waarvoor men Uw meest geliefde gedaante [van Hayagrîva] eert als het zuivere van de transcendentale goedheid [zie ook 5.18: 18 en B.G. 4: 7]. (38) Op deze manier overeenkomstig de yuga in kwestie verschijnend in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden, daarbij soms de lastpakken van de wereld dodend ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid; in Kali-yuga bent u verhuld [channa] en derhalve wordt U, als zijnde één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege het herkenbaar zijn in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32]. (39) Zeker is dat de geest die niet is gericht op Uw bovenzinnelijke verhalen, ver verwijderd als hij is van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen is door de zonden waarmee hij dan sympatiseert; vol van verlangens en lusten is hij van hoogten en diepten, angsten en leed vanwege de aandrang; hoe kan ik met zo een armzalige en gevallen geest de bedoeling van het Allerhoogste van U doorgronden? (40) De tong leidt me af in deze richting, o Onfeilbare, en de geslachtsdelen trekken me onbevredigd in die richting, zo doen de huid, de maag en het oor dat terwille van het ene en gaat voor het andere de neus die kant op en de ogen daar weer heen; de drukte van de actieve zintuigen haalt je naar beneden zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden kunnen halen. (41) Op deze manier door m'n karma beland in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood] lijdt ik helaas, de ene na de andere geboorte van alles en nog wat etend, eronder steeds maar banger te zijn om te zien hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, vijandig of van vriendschap is; o U, die zich aan gene zijde bevindt, redt me van dit gevaar daar we vandaag hier allen een stel dwazen zijn. (42) Wat inderdaad zou Uw grote mededogen in de weg staan jegens ons vriendelijke mensen, die altijd zo begerig zijn in dezen van dienst te zijn o Meester van Allen, o Allerhoogste Heer, om ervoor de zorgen dat wij materialistische dwazen worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer maken, vasthouden en verliezen, o Vriend der Behoeftigen? (43) Zeer zeker ben ik, o Alllerhoogste, van het verdiept zijn in het verkondigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî die deze wereld is; ik treur eerder, hoewel ze een stel zotten zijn, over degenen die de bevrijding missen en die voor het heil hunner zinnen plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28]. (44) Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uitzijnde op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden, zonder erg geïnteresseerd in een leven ter wille van het heil van anderen; maar ik wil niet, zoals zij dat doen, de anderen links laten liggen die tekort schieten, ik wil niet in mijn eentje terugkeren naar God, ik zou graag willen dat anderen, gevangen in de vicieuze cirkel, er beter in slagen deze toevlucht van U te vinden. (45) Het je druk maken over seks is inderdaad zo triviaal als de jeuk waarvan men verlost raakt door z'n handen te wrijven; zij die hiermee tekort schieten vinden, gebukt gaand onder allerlei soorten van ellende, de verschillende gevoelens van verdriet er nimmer mee beëindigd, maar als men daarvan leert, het herkennend als een drogbeeld, is men een nuchtere persoon die in staat is de jeuk te verdragen [zie ook B.G. 7: 14]. (46) Stilte, geloften, vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak vormen deze zaken [deze tien methoden om geëmancipeerd te raken] met hen die hun zinnen niet echt de baas zijn de belangrijkste manier om in hun levensonderhoud te voorzien, o mijn Heer, en is er dan in dit verband sprake van niets dan hypocrisie [zie ook 6.1: 16 ]. (47) Over de twee van het ware en onware van U, die zelf zonder een vorm bent en buiten wie er verder niets te vinden is, spreken de Veda's in termen van het zaadje en de spruit; die twee, die als het hout zijn en het vuur erin aanwezig, zijn voor de ogen van hen die met U in verbinding staan, dankzij Uw bewustzijnsvereniging, duidelijk te herkennen [in het spirituele verzaken en het materieel concreet van dienst zijn], en op een andere manier is dat niet mogelijk. (48) U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en alle goddelijkheid die erbij hoort; U bent dat alles, de enige natuur der geaardheden zowel als degene voorbij aan alles, o Mijn Heer; wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, is niemand anders dan U. (49) Noch alle geaardheden der natuur, noch de hun overheersende goden; noch het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten; noch zij die zo nadenkend zijn samen met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen, o Heer verheerlijkt door al de heiligen, is het gegeven dat wat allemaal het Uwe is te omvatten, en zodoende denken de zuiveren erover een punt te zetten achter hun studies [en een begin te maken met hun toegewijde dienst, zie ook B.G. 2: 52].'

(50) 'Daarom biedt ik U, o Beste der Aanbedenen, met gebeden mijn eerbetuigingen en volbreng ik de aanbidding, span ik me voor U in, herinner ik mij U, houdt ik het bij Uw toevlucht en luister ik altijd naar de verhalen over U; hoe kan zonder een dergelijketoegewijde dienst jegens U in al deze zes vormen een persoon [werkelijk] de bhakti genieten die gereserveerd is voor de besten der transcendentie [de paramahamsa's, vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

(51) S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer boven de geaardheden die was behaagd en de woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven. (52) De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben verheugd over jou, o beste der Asura's, je mag om welke gunst vragen die je ook maar van Mij verlangt, want Ik ben de vervulling van alle wensen van een ieder. (53) Geniet een lang leven! Mij niet behagend, zelden Mijn aanwezigheid opzoekend, Mij niet gezien hebbend, is het het lot van het levend wezen om keer op keer zich over zichzelf te beklagen. (54) Wees er inderdaad op uit Me te behagen, daar daarvan ieder nuchter mens in ieder opzicht, als een goed gevormd mens, het beste wat het leven te bieden heeft mag verwachten, o fortuinlijke; ik ben immers de Meester aller Zegeningen.'

(55) S'rî Nârada zei: 'Hoewel hij aldus met wereldse zegeningen ertoe verlokt werd, wilde de beste der Asura's niets van de zaken waar hij om mocht vragen, omdat hij er alleen maar in geïnteresseerd was van overgave te zijn aan de Allerhoogste Heer [zie ook: S'ikshâshthaka vers vier].'  

*: De kwaliteiten van de brahmaan worden in de Sanat-sujâta als volgt beschreven:

jñânam ca satyam ca damah s'rutam ca
hy amâtsaryam hrîs titikshânasûyâ
yajñas ca dânam ca dhritih s'amas ca
mahâ-vratâ dvâdas'a brâhmanasya

'Geestelijke kennis, waarheidliefde, trouw aan de Schrift, zonder afgunst, verdraagzaamheid, van opoffering, liefdadigheid, gelijkgezind, en leven naar de grote gelofte [van yama die naast het waarachtige reeds vermeld de vier met zich meebrengt van het celibaat, de geweldloosheid, de vrijheid van bezitsdrang en het niet-stelen] zijn de twaalf kwaliteiten van de brahmaan.' Zie ook 5.5: 24 en B.G. 18: 42.

 

 

Hoofdstuk 10

Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

(1) Nârada Muni zei: 'Hoewel nog maar klein beschouwde hij [Prahlâda] ieder van de zegeningen die de bhakti yoga met zich meebracht als belemmeringen op het pad en was hij er zeker van dat de Heer der Zinnen met een glimlach duidelijk te maken.

(2) S'rî Prahlâda zei: 'Brengt U me alstUblieft niet in de verleiding, vanwege mijn Asura geboorte ben ik geneigd me te verlustigen over al die materiële zegeningen. Het was uit angst voor een dergelijke materiële betrokkenheid dat ik, uitziend naar de bevrijding, terwille van de volledige onthechting mijn beschutting bij U gezocht heb. (3) Opdat ik me moge gedragen als een zuivere toegewijde heeft Uwe Heerlijkheid mij deze wereld van de lust ingestuurd, de lust die als de grondoorzaak van het aanwezig zijn alhier wordt aangetroffen in het hart van een ieder, o Meester. (4) Anders zou zoiets van Uwentwege niet plaats kunnen vinden, o goeroe van iedereen; een ieder die van U, de Ziel aller Vriendelijkheid, enig materieel voordeel verlangt, is zo een persoon niet in werkelijkheid een koopman in plaats van een dienende persoon [zie ook B.G. 17: 20]? (5) Een persoon die voor zichzelf materiële voordelen verlangt van zijn geestelijk leraar is niet werkelijk een dienaar noch is de meester werkelijk van dienst die voor zijn eigen prestige het verlangt zijn dienaar materiële voordelen te verschaffen [zie ook 10.88: 8-10]. (6) Wat mij betreft is er, U volledig toegewijd, zeker geen sprake van enig verlangen en ook houdt U, in onze omgang met elkaar, als de ware meester, er geen verdere motieven op na zoals men die wel aantreft bij een koning in relatie tot zijn onderdaan. (7) En als U me iets van mijn verlangens wil vergunnen, dan bidt ik in dat geval om de zegen van U, o Heer Aller Zegeningen, dat geen verlangen naar welk materieel geluk ook zich zal ontwikkelen in mijn hart [zie ook: S'ikshâshthaka vers vier]. (8) Van iemands geboorte af aan worden de zinnen, de geest, de levensadem, het lichaam, de religie, iemands geduld, intelligentie, verlegenheid, weelde, kracht, geheugen en waarachtigheid overspoeld door lustige verlangens. (9) Inderdaad alleen als men al de verlangens opgeeft die men door de menselijke omgang in zijn geest aantreft is men geschikt voor een weelde gelijk aan die van U, o lotusogige Heer. (10) Laat me U mijn respectvolle eerbetuigingen brengen, o Allerhoogste, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid; al mijn respect voor U als de Grote Ziel, de Heer in de gedaante van Nrisimha, het Brahman, de Superziel.'

(11) De Allerhoogste Heer zei: 'Onverdeeld dankzij Mij jegens Mij, niet uit op enige gunst van Mij in deze wereld noch in de volgende, is het al de toegewijden zoals jij niettemin tot aan het einde van Manu's heerschappij gegeven om van al de materiële welvaart der daitya heerschappij alhier te genieten [zie ook 2.3: 10]. (12) Denk altijd na over Mijn verhalen; het verzonken zijn in Mij als bestaande binnen in jou als de Ene aanwezig in een ieder, zal je het grootste genoegen verschaffen; aanbidt met bhakti yoga de Heer die de genieter van alle offers is en geef je baatzuchtig handelen op. (13) Wees vroom met de welvaart, door een dergelijk toegewijd optreden is men allerlei soorten van terugslagen de baas. Door de Tijd gedwongen je voertuig van de tijd op te geven zal je reputatie van bovenzinnelijkheid zich over het ganse universum verspreiden, bezongen worden in de hoogste sferen en zal je, bevrijd van alle gebondenheid, naar Mij terugkeren. (14) Een ieder die deze gebeden reciteert door jou aan Mij opgedragen, welke mens dan ook die zich Mij zowel als jou herinnert, zal na verloop van tijd vrijkomen van de gebondenheid aan zijn karma [zie B.G. 4: 9, 6: 7, 9: 27-28, 12: 3-4 en zie ook 11.14: 21].'

(15-17) S'rî Prahlâda zei: 'Ik bidt voor deze zegen van U, o Heer der Zegeningen, o Allerhoogste Beheerser; mijn vader, niet bekend met Uw kracht en superioriteit, had met een hart vervuild door woede daarmee een verkeerd begrip van U, o meester en goeroe van al de werelden, als zijnde degene die zijn broer had gedood en was hij zo van de grootste zonde jegens mij, Uw toegewijde. Moge mijn vader gezuiverd worden van die allergrootste en hoogst moeilijk te overwinnen zonde, alhoewel hij in feite reeds gezuiverd was toen U Uw blik op hem wierp, o Genadevolle Vader voor de Materialisten.'

(18) De Allerhoogste Heer zei: 'Met de zuivering van jouw vader zijn alles bij elkaar eenentwintig van je voorvaderen gezuiverd, o zondenloze, omdat, o deugdzame jongen, jouw persoon geboorte nam in de dynastie. Jij inderdaad bent de zuiveraar van de dynastie. (19) Waar en wanneer er ook maar mijn toegewijden zijn die vol vrede en gelijkmoedigheid, met de beste kwaliteiten van een gelijke genade zijn jegens een ieder, raken zelfs de slechtste samenlevingen gezuiverd. (20) Zij zijn in geen enkel opzicht ooit van enig geweld jegens al de hogere of lagere wezens, o Koning van de Daitya's, omdat zij vanuit hun liefde voor Mij al hun materiële strevingen hebben opgegeven. (21) Personen die in deze wereld in jouw voetspoor treden worden Mijn zuivere toegewijden; van al Mijn toegewijden ben jij daadwerkelijk het beste voorbeeld van al de verschillende vormen van rijping [zie ook 6.3: 20-21]. (22) Je moet nu de begrafenisplechtigheden uitvoeren voor je vader, die door Mijn lichamelijke aanraking reeds in alle opzichten werd gezuiverd, Mijn kind, zodat hij zal worden bevorderd naar de werelden van de betere mens. (23) Bestijg tevens de troon van je vader zoals dat door de Veda's is voorgeschreven; wees met je geest van volledige verzonkenheid in Mij, Mijn beste, en doe je plicht enkel om Mijnentwille.'

(24) S'rî Nârada zei: 'Prahlâda zoals hem was opgedragen door de Allerhoogste Heer volbracht al de riten die noodzakelijk waren in verband met de dood van zijn vader, o Koning [Yudhishthhira], en werd door de aanwezige brahmanen gekroond. (25) Met zijn gezicht opgeklaard over de genade van de Heer bracht Heer Brahmâ, die getuige was geweest van wat zich had voorgedaan, in bovenzinnelijke termen de zuiverste der gebeden voor Heer Nrisimha, waarbij hij zich tot Hem richtte in de aanwezigheid van al de goddelijken. (26) S'rî Brahmâ zei: 'O God der goden, o eigenaar van het ganse universum, o liefde van alle wezens, o eerste onder de levenden, door Uw besluit is de hoogst zondige Asura gedood die iedereen zo veel tot last was. (27) Hem heb ik nog de zeldzame gunst verleend niet te zullen worden gedood door enig schepsel door mij geschapen noch door enige verzaking, mystiek vermogen of fysieke macht; aldus zeer trots overtrad hij alle bepalingen. (28) Door Uw besluit werd zijn zoon, die op jonge leeftijd al een grote heilige en verheven toegewijde was, bevrijd uit de greep van de dood en geniet hij, zoals U dat wenste, nu Uw bescherming. (29) Voor hen die geconfronteerd met een tegenstander mediteren op deze fysieke aanwezigheid van Uw Superziel, o Almachtige Heer overal aanwezig, bent U de beschermer tegen alle soorten van angst, zelfs tegen de angst voor de dood.'

(30) De Allerhoogste Heer gaf ten antwoord: 'Verleen, zoals u dat deed, geen gunsten aan de demonen, o Mediteerder van de lotus, het zegenen van mensen met een kwade inborst is als het geven van melk aan slangen.'

(31) S'rî Nârada zei: 'Dit is wat de Allerhoogste Heer zei, o Koning, en nadat Hari was aanbeden door hem in het voorbije, verdween hij voor ogen van al de levende wezens uit het zicht. (32) Prahlâda betoonde met zijn hoofd gebogen daarna met gebeden Hem de eer, en zo deden dat ook de Ene in het Voorbije alsook Heer S'iva, de stamvaders en de halfgoden, die allen deel uitmaken van de Allerhoogste Heer. (33) Vervolgens kroonden S'ukrâcârya en de anderen, samen met al de wijzen en Hij van de Lotus, hem koning van alle Daityas en Dânavas. (34) O Koning, met Brahmâ en alle overigen naar behoren door hem geëerd, feliciteerden vervolgens al de godbewusten hem, hem al het beste toewensend en keerden zij ieder naar hun eigen verblijfplaatsen terug. (35) Op deze manier werden de twee metgezellen van Vishnu, die vol vergetelheid als de zonen van Diti zichzelf als vijanden zagen, beiden gedood door de Heer die zich ophoudt in de kern van het hart [zie 7.1: 36-39]. (36) Opnieuw vervloekt door de brahmanen werden de twee duivels herboren als Kumbhakarna en de tienkoppige Râvana en werden ze beiden gedood dankzij de speciale vermogens van Heer Râmacandra. (37) Afgeslacht neerliggend op het slagveld met hun harten doorboord door de pijlen van Râma, gaven ze hun lichamen op met hun geesten gefixeerd op Hem, precies zoals ze dat deden in hun vorige geboorte. (38) De twee op deze manier opnieuw alhier verschijnend, namen wederom met de Heer verbonden in vijandschap hun geboorte als S'is'upâla en Dantavakra en gingen in Hem op in uw aanwezigheid. (39) Al de koningen die vijandschap koesterden jegens Krishna werden, toen ze stierven, bevrijdt van waar ze schuldig aan waren in hun levens; zoals larven die hetzelfde lichaam krijgen als de dar die ze bewaakte, werden ze net zo zuiver als Hij. (40) In hun toewijding onverdeeld jegens de Allerhoogste keerden koningen als S'is'upâla, met dezelfde gedaante als de Allerhoogste Heer, terug naar God omdat ze voortdurend aan Hem hadden gedacht [zie ook B.G. 4: 9]. (41) Dit alles beschreef ik u in reactie op uw vraag naar hoe, zelfs haatdragend, de zoon van Damaghosha [S'is'upâla] en anderen, van een zelfde soort van lichaam konden zijn [zie 7.1: 34-35]. (42) In dit over de Superziel en de Godheid aller brahmanen, Krishna, verhaalde ik over Zijn incarnaties van zuivering, waarin Hij van het begin af aan de Daitya's versloeg. (43-44) Ze beschrijven van die hoogst verheven toegewijde Prahlâda de eigenschappen van zijn toewijding, zijn spirituele kennis en zijn verzaking; probeer ieder van hen te doorgronden en hiermee daadwerkelijk te weten wat van de Heer is, de Meester van het behoud, de schepping en de vernietiging; wat Zijn kwaliteiten en handelingen zijn, Zijn doorgegeven wijsheid en hoe Hij, met de Tijd, een einde maakt aan alle hogere en lagere levende wezens en hun culturen, hoe groots ze ook mogen wezen. (45) Door deze vertelling, waarin zonder voorbehoud de bovenzinnelijkheid volmaakt wordt beschreven, is men in staat het bhâgavata dharma [zie 7.6: 28] en Bhagavân Zelve te begrijpen. (46) Een ieder die na het horen van deze stichtelijke vertelling die de Superieure Macht van Vishnu uit de doeken doet, haar met geloof herhaalt, zal worden verlost van de verstriktheid in zijn baatzuchtig handelen. (47) Een ieder die met grote aandacht leest en luistert naar dit verhaal over de handelingen van de beste van al de waarachtigen, deze daitya zoon, en hoe de Oorspronkelijke Persoonlijkheid voor koning leeuw spelend de koning der demonen doodde die zo sterk was als een olifant, zal de geestelijke wereld bereiken waar nimmer enige angst bestaat. (48) Jullie Pândava's mogen je in je mensenwereld buitengewoon gelukkig prijzen dat in jullie huis de menselijke verschijning van de Allerhoogste van de Absolute Waarheid verblijft die al de werelden kan zuiveren en waar de grote heiligen altijd naar op zoek zijn (49) Het Onpersoonlijke Brahman waar de groten naar op zoek zijn is Hij. Hij, die feitelijk de zoon van uw oom aan moeders zijde is, is uw meest geliefde weldoener, is de eenheid van het bovenzinnelijk geluk en de bron van al het leven. Hij die er voor u als de goeroe is die leiding geeft in het principe, is de Ene die aanbiddelijk is in het geheel van Zijn lichaam en ziel. (50) Zelfs niet door te mediteren konden Heer S'iva, Heer Brahmâ en anderen Hem direct voor zich zien of een beschrijving geven van Zijn werkelijke gedaante; moge Hij, deze grote beschermer van al Zijn toegewijden behaagd zijn met de stilte die wij in acht nemen, met onze devotie, ons verzaken terwille van het goede en ons eerbetoon. (51) Diezelfde Allerhoogste Heer, o Koning, herstelde lang geleden de verloren gegane reputatie van de goddelijkheid van S'iva die ondergraven was door een demon genaamd Maya die, bedreven op technisch gebied, een ongekende macht genoot.'

(52) De Koning [Yudhishthhira] zei: 'Alstublieft beschrijf om welke reden en op welke manier Heer S'iva, hij die het hele universum beheerst, werd overtroffen door Maya en hoe hij met Krishna weer zijn reputatie herwon?'

(53) Nârada zei: 'De Asura's die door de godbewusten bij machte van de Heer waren verslagen in de strijd, zochten toen gezamenlijk hun toevlucht bij de grootste en beste van hen allen, Maya Dânava. (54-55) Die demon bouwde drie grote, machtige steden van goud, zilver en ijzer. Ze bezaten het ongewone vermogen van plaats te veranderen en waren daardoor moeilijk te onderscheiden. Aldus aan het zicht onttrokken begonnen de Asura's, met in gedachten hun vroegere vijandschap met al de drie werelden en hun leiders, o heerser over de mensen, de orde in de wereld te verstoren. (56) Daaropvolgend benaderden al de werelden met hun leiders Îs'vara S'iva, hem ten voeten vallend zeggend: 'Red alstublieft ons die u zo nabij staan, daar we vol van angst zijn, o Godheid, we zijn waarlijk nergens meer dankzij de tripura [drie-steden] mensen. (57) Om hen zijn genade te tonen zei de Almachtige Heer tot de Sura's: 'Vreest niet', en legde hij een pijl aan op zijn boog om zijn wapens op de steden los te laten. (58) De pijlen straalden, nadat ze waren afgevuurd, als bundels licht zo helder als de zon, waardoor men de steden niet langer kon ontwaren. (59) Door die aanval vielen zij die zich normaal daar in de huizen van de stad ophielden, allen levenloos neer, maar zij werden allemaal dank zij de grote mystieke talenten van Maya de een na de ander in een bron ondergedompeld vol van [leven-gevende] nectar [genaamd mrita-sanjîvayitari]. (60) Aldus uit de dood weer opgewekt door die vloeistof van de alvermogende nectar, herrezen zij weer, sterk als bliksemstralen die de hemel fel als weerlichten splijten. (61) Toen Hij zag hoe teleurgesteld en ongelukkig het Toonbeeld van de Heer [S'iva] op dat moment was, overwoog de Almachtige Heer Vishnu gepaste maatregelen. (62) Brahmâ nam toen de gedaante aan van een kalf en met Heer Vishnu Zelve als de koe gingen ze bij klaarlichte dag Tripura binnen en dronken ze al de nectar op uit de bron. (63) Hoewel de Asura's ze zeker in de gaten hadden, waren ze er door hun verbijstering niet toe in staat ze ervan te weerhouden. En zo richtte de mysticus Maya die, zich er volledig van bewust, het erop hield dat het goddelijk zo beschikt was, het woord tot hen die de wacht hielden en, ooit zo in hun nopjes met hun illusie, nu hevig ontsteld waren: (64) 'Halfgoden, demonen, menselijke wezens noch wie dan ook, kunnen terugdraaien wat bij God op deze wereld van iemand zelf, iemand anders of van allen tezamen het lot zou zijn.' (65-66) Daarna rustte Hij [Heer Vishnu] vanuit Zijn persoonlijke vermogens aangaande al de ingrediënten van het leven gevormd door de religie, de geestelijke kennis, de verzaking, de weelde, de loutering, de opvoeding, de handelingen en dat alles, Heer S'iva uit met al die zaken die maar nodig waren, zoals een strijdwagen en wagenmenner, een vlag, paarden en olifanten, een boog met een schild en pijlen enzovoorts. Gezeten op zijn wagen legde hij toen een pijl aan op zijn boog. (67) O heerser der mensen, met behulp van de pijlen aangelegd op zijn boog zette S'iva als de Heer en Meester op deze manier, toen de zon op zijn hoogste punt stond, de zo moeilijk te treffen steden in lichterlaaie. (68) Vanaf hun strijdwagens in de hemel lieten, ondersteund door talloze pauken, de goden en de heiligen, de voorvaderen, de volmaakten en de groten, een luid 'Jaya, Jaya' weerklinken, terwijl ze een regen van bloemen lieten neerdalen op zijn hoofd en ze in grote vreugde zongen en dansten met de schoonheden van de hemel. (69) O Koning, de machtige Heer S'iva die aldus onder de aanmoediging van Brahmâ en de anderen Tripura in de as had gelegd, keerde toen naar zijn eigen verblijf terug. (70) Zo gaat het met waar de Heer allemaal toe in staat is: optredend als een gewoon mens in de menselijke samenleving zijn er van Hem, de leraar van het universum, de vertellingen over Zijn bovenzinnelijke handelingen die, overgedragen door de mensen der heiligheid, al de werelden zuiveren; wat moet ik u nog meer vertellen?'

*: (10.88: 8-10) "De persoonlijkheid van God zei: Als ik iemand een bijzondere gunst verleen, ontzeg ik hem stap voor stap zijn rijkdommen. Dan zullen de verwanten en vrienden van zo een armlastig mens hem in de steek laten. Op die manier heeft men het een na het ander het zwaar te verduren. Als de toegewijde gefrustreerd raakt in zijn pogen geld te verdienen en in plaats daarvan vriendschap sluit met Mijn toegewijden, verleen Ik hem mijn speciale genade. Een persoon die aldus volkomen ontnuchterd is realiseert zich ten volle het Absolute als de hoogste waarheid, het meest subtiele en de volkomen manifestatie van de geest, het bovenzinnelijk bestaan dat geen einde kent. Op deze wijze inziend dat de allerhoogste waarheid de grond van zijn bestaan vormt, raakt hij bevrijd uit de herhaling van het materieel bestaan."

 

Hoofdstuk 11

De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij de vertelling had aangehoord die in de samenkomsten van de heiligen wordt besproken, deed Yudhishthhira, de grootste van leiding na hem [Prahlâda], de meester der Daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hoogst verheugd opnieuw navraag bij die zoon van Brahmâ [Nârada]. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over het sanâtana dharma [de gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving dat behoort tot de ordening van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarvan de mensen in het algemeen in vrede het betere leven mogen genieten. (3) U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]; van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie. (4) Als de wijste van hen die Nârâyana toegewijd zijn weet u van het meest vertrouwelijke en allerhoogste van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, zo verheven en vreedzaam als u bent.'

(5) S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer die in het hele universum het dharma verdedigt mijn eerbetuigingen; ik zal uitweiden over het sanâtana dharma op de manier zoals ik dat vernam uit de mond van Nârâyana. (6) Hij die, verwekt door Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter [Mûrti], [als Nârâyana] nederdaalde samen met een deel van Zichzelf [Nara], volbrengt voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's]. (7) De wortel van alle dharma, de essentie van alle vedische kennis is inderdaad Bhagavân, het Allerhoogste Wezen, die aan de hand van de geschriften wordt herdacht [met de s'ruti of de Veda's en de smrti of de geschriften in navolging] door al de kenners van de Werkelijkheid, o Koning, en door dit principe raken de geest en de ziel volledig bevredigd. (8-12) Waarheidliefde, mededogen, verzaking, reinheid, tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte, zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid, studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid, dienst aan de heiligen, het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke en het kritisch zijn over de verspilling in het menselijk tegenstreven; ernst, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens, het iedereen op de eerste plaats beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava, met de naaste te luisteren en te zingen zowel als het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is; van dienst te zijn, te vereren en gunstig te stemmen, een dienaar te zijn, een vriend te zijn en overgegeven te zijn; voor alle mensenkinderen is dit het hoogste principe: al deze dertig eigenschappen, die de Ziel van Allen behagen, te bezitten, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20]. (13) Zij die door gedurige herbezinning [met de z.g. samskâra's], met het aanvaarden van een goeroe en met de ondersteuning van de Ongeborene [Brahmâ], van aanbidding zijn, van studie zijn en van liefdadigheid, en die in hun handelwijze gezuiverd raakten door de geboorte die ze namen en door de daden die ze verrichtten, zijn de tweemaal geborenen [de dvija's] die het wordt aangeraden zich te gedragen overeenkomstig de status van hun [aan de leeftijd relateerde] geestelijke afdeling [of âs'rama]. (14) Voor de brahmanen zijn er de zes van de Veda's [te studeren en te onderrichten, te vereren en het voor te doen en te geven en te ontvangen in liefdadigheid] en voor de rest [de overige beroepsgroepen] zijn er diezelfde zes minus het aanvaarden van liefdadigheid; de middelen van bestaan voor de bestuurders die de mensen onderhouden komen uit het heffen van belastingen en dergelijke bij diegenen die niet behoren tot hen die inwaarts gemotiveerd zijn [de brahmanen]. (15) De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met landbouwen en met handel drijven en behoren altijd op te volgen wat de brahmanen onderwijzen, terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud als hun baas van instructie de drie typen van tweemaal geborenen boven hen te aanvaarden hebben. (16) Van de vier verschillende middelen van bestaan voor de geschoolde brahmaan, van een levensonderhoud verworven zonder moeite [s'âlîna], wat men krijgt als een bedelmonnik [yâyâvara], wat men aantreft aan oogstresten in het veld [s'ila], of van wat in de winkels niet door anderen wordt gewenst [uñchana], zijn in dezen de laatstgenoemde middelen beter dan de eerstgenoemde. (17) Met uitzondering van noodgevallen, mag een lager iemand voor zijn levensonderhoud, als men overal op kan rekenen, zich niet wagen aan het hogere van alle status of een zekere roeping. (18-20) Met rita of amrita kan men leven, met mrita of met pramrita of zelfs met satyânrita, maar nooit met een bestaan als een hond. Rita zo zegt men is het leven van wat er overbleef, van amrita is wat werd verkregen zonder te bedelen, van mrita is het bedelen als een bedelmonnik terwijl men zich pramrita herinnert als het eten van je eigen grond. Van satyânrita zijn betekent handel drijven maar het van dienst zijn aan de lageren is voor de brahmanen en de kshatriya's wel bekend met de Veda het verwerpelijke gedoe van honden [s'va-vrittih] dat men op moet geven; de wijzen en de leiders van de staat belichamen al de goden [zie ook B.G. 4: 13]. (21) De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van geest en zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, vreedzaamheid, vergevingsgezindheid, zijn recht-door-zee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, zijn dienst aan het Absolute van de Heer en zijn waarheidliefde. (22) Een kshatriya onderscheidt zich door vaardigheid in het vechten, heldhaftigheid, vastberadenheid, krachtdadigheid, liefdadigheid, ingetogenheid, vergevingsgezindheid, trouw aan het brahmaanse, een goede stemming en liefde voor het ware. (23) Een vais'ya staat bekend om zijn toewijding tot de godbewusten, de goeroe en de Godheid, de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn navolgen van voorschriften en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid. (24) Van de s'ûdra is er gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas, ondubbelzinnigheid, opoffering zonder verdere gebeden, waarheidliefde, bescherming van koeien en brahmanen en voorzeker geen diefstal.

(25) Hem navolgen in zijn geloften, regelmaat kennen, haar echtgenoot alsook zijn vrienden en verwanten gunstig gezind zijn en bereidwillig zijn, treft men aan bij een vrouw met een heilig respect voor haar echtgenoot [zie ook B.G. 1: 40]. (26-27) Zij is van het schoonmaken, aandweilen en inrichten van het huis als een huisvrouw en persoonlijk goed gekleed met haar kleren en huishoudelijke zaken altijd schoon; wat betreft de grote en kleine verlangens van haar man is ze een kuise en bescheiden vrouw van zinsbeheersing zowel als van een beheerste tong en is ze waarachtig, behagend, liefdevol en van respect voor haar echtgenoot op het moment dat dat gewenst is. (28) Van tevredenheid, niet begeertig, kundig in het dienen, wetende wat dharma is, aardig, de waarheid sprekend, attent, zuiver en toegenegen, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij haar niet bedriegt. (29) Iedere vrouw die haar echtgenoot aanvaardt als de Hoogste Persoonlijkheid is op precies dezelfde manier van dienst als de Godin van het Geluk; toegewijd geniet ze zelf, naar de geest van Hari met haar echtgenoot in de geestelijke wereld van Vaikunthha, precies als Lakshmî het eeuwige. (30) Van hen die werden geboren uit een vermenging van klassen [pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] is er overeenkomstig de familietraditie de plicht niet van het stelen en de zonde te zijn van de lagere uitgestotenen.

(31) Over het algemeen wordt het dharma overeenkomstig de eigen materiële positie in de samenleving in ieder tijdperk [yuga] door de brahmaan onderkend, o Koning, als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als het leven hierna [zie ook B.G. 3: 25]. (32) Ieder naar de eigen geaardheid van handelen levend van zijn beroep is het gegeven, met het behartigen van zijn eigen zaken, in het opgeven van het karma dat hoort bij die bijzondere manier, geleidelijk aan de bovenzinnelijke positie te bereiken. (33-34) Een veld telkens weer bebouwd komt braak te liggen, niet geschikt voor verder oogsten van gezaaide zaden daar het uitgeput is; op dezelfde manier kan men, met een geest vol van lustige verlangens keer op keer [in zijn positie] van de voorwerpen der begeerte genietend, zijn interesse verliezen precies zoals, o Koning, kleine druppels geklaarde boter verloren gaan in het vuur. (35) En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon ook te respecteren conform die waarneming [m.a.w. hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden].

 

 

Hoofdstuk 12

De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

(1) S'rî Nârada zei: 'Een student [brahmacârî] levend bij de goeroe, behoort voor het heil van zijn goeroe zelfbeperking, bescheidenheid en gehoorzaamheid te beoefenen en standvastig te zijn in vriendschap met die geestelijk leraar. (2) 's Avonds zowel als 's ochtends behoort hij de goeroe, het vuur, de zon en de Beste der Verlichting [Heer Vishnu] te vereren, stilletjes [de Gâyatrî] mompelend verzonken in gebed. (3) Door de geestelijk leraar geroepen, moet hij ordentelijk de mantra's oefenen en in het begin zowel als op het eind, zich goed gedragend, zijn eerbetuigingen brengen met zijn hoofd aan de lotusvoeten. (4) Uitgerust met een strooien touw om zijn middel, kleren van hertenvel, samengeklit haar, een staf, een waterpot en een heilige draad, behoort hij het kus'agras [om te zitten] op te pakken zoals voorgeschreven. (5) In de ochtend en de avond behoort hij eropuit te gaan om aalmoezen te bedelen en alles wat hij inzamelt moet hij aan de goeroe aanbieden. Hij behoort te eten als hem dat wordt opgedragen of anders bij tijden te vasten. (6) Zeer beleefd, enkel het noodzakelijke etend behoort hij, met inzet en vol van geloof, zich naar noodzaak verhoudend met het uiterlijke leven met de vrouwen en de mannen die door hen worden beheerst, zijn zinnen onder controle te hebben [vergelijk 3.3: 5]. (7) Hij, niet behorend tot het huishoudelijk leven, moet, voor de zo goed als onoverwinnelijke zinnen die zelfs de geest van een verzaakte persoon meevoeren, het opgeven vrouwen aan te spreken met het inachtnemen van de grote gelofte van het celibaat [de yama van de astanga-yoga]. (8) Het haar borstelen, het lichaam masseren, het te baden en in te wrijven met olie is iets wat de nog jonge vrouw van de goeroe nimmer moet worden toegestaan als dienstverlening als de volgeling nog jong is [zie ook 1.11: 29]. (9) Met name de verstandsverbijsterde aanbidding [van haar] is als vuur voor het vat met boter dat een man is; met andere vrouwen, zelfs met zijn eigen dochter, behoort hij, levend in afzondering, niet meer omgang te hebben dan nodig is. (10) Zolang als men zich in zijn innerlijke overwegen hier positief in zelfverwerkelijking van verzekert, bestaat er voor die tijd vrijheid van illusie met de dualiteit, maar zich niet onthechtend met die dualiteit komt men met de persoon uit op het tegenovergestelde [zie ook B.G. 5: 18]. (11) De noodzaak van het opvolgen van de aanwijzingen van de goeroe geldt even zo goed voor een huishouder als voor een verzaakt iemand, zij het dat de huishouder voor een bepaalde periode seks kan hebben [zie ook B.G. 7: 11]. (12) Zij die de gelofte van het celibaat hebben afgelegd moeten er mee ophouden hun ogen op te maken, het hoofd en het lichaam te masseren, het beeld van de vrouw te koesteren, vlees te eten, zich te bedwelmen, geuren of geparfumeerde smeersels te gebruiken en zichzelf op te sieren met juwelen en bloemen.  (13-14) Op deze manier onder de hoede van een goeroe verkerend komen zij die met een nieuw leven begonnen studerend, naar gelang hun talent, voor zover mogelijk, tot het juiste begrip van de Veda's en hun s'astrische supplementen en aanhangende upanishadische filosofieën. Wetende wat de goeroe wil, komen ze, voor zover ze dat kunnen, aan zijn wensen tegemoet en beginnen ze aan een huishoudelijk leven [grihastha] of gaan ze het bos in [vânaprastha of een teruggetrokken positie in de gemeenschap] als ze eenmaal zijn gezelschap verlaten, of blijven ze bij hem [zijn ze als hem, als een sannyâsî]. (15) In het vuur, in de goeroe, in iemand zelf en in iedere bestaansvorm bevindt zich Adhokshaja, Hij Voorbij aan Alles, en Hem moet men beschouwen als zowel de levende wezens en alles wat bij Hem hoort te zijn binnengegaan alsook niet erin te zijn binnengegaan [pravistah/apravistah vergelijk B.G. 9: 4]. (16) Of men op deze manier nu een student is, teruggetrokken, verzaakt of een huishouder, kan men, als men door zijn zelfverwerkelijking volledig vertrouwd is geraakt met de wijsheid, het Allerhoogste van het Spirituele, de Absolute Waarheid doorgronden. 

(17) Laat me nu uitleg verschaffen over de regels en reglementen van het teruggetrokken leven [vânaprastha] zoals onderkend door de heiligen, waardoor een heilig man die zich daarmee bezighoudt zonder moeite wordt bevorderd tot de wereld der wijzen [Maharloka]. (18) Hij behoort geen granen te eten van gecultiveerde gronden noch wat niet rijp is van niet in cultuur gebrachte velden en ook geen granen of rijpe zaken die werden toebereid; het staat zo voorgeschreven dat de vânaprastha behoort te eten wat op een natuurlijke manier door de zon gerijpt is. (19) Van de natuurlijk gegroeide granen en vruchten die het bos verschaft behoort hij koeken klaar te maken en met het verkrijgen van nieuwe vruchten moet hij de oude voorraad opgeven. (20) Persoonlijk de sneeuw, de wind, het vuur, de regen en de zonneschijn verdragend, behoort hij slechts de beschutting van een grashut of een grot te zoeken om een vuur gaande te houden. (21) Eveneens onbekommerd over het haar op zijn hoofd, het haar op zijn lichaam, zijn nagels, zijn baardgroei, zijn vuil en het samenklitten van zijn lokken, hoort hij er een waterpot en een hertenvel, een staf en boomschors [om zich te bedekken] en kleding met de kleur van vuur op na te houden. (22) Hij behoort voor de duur van ofwel twaalf jaar, acht jaren of vier jaren in het bos te verblijven als een heilige, bedachtzame man of anders voor twee jaar of één jaar ook dat te doen, in zijn intelligentie niet verdwaald over de ontberingen. (23) Als hij te ziek dan wel te oud is om zijn plichten na te komen in zijn vorderen in de kennis en het geestelijk leven, moet hij er van afzien nog voedsel tot zich te nemen. (24) Zoals het hoort het vuur-element binnenin zichzelf plaatsend behoort hij het valse zelf op te geven van het geïdentificeerd zijn met het lichaam en volledig op te gaan in enkel, zoals het is, het geheel van de vijf elementen. (25) Een persoon met kennis van het zelf vindt de oorsprong van zijn lichaamsopeningen in de ether; de verschillende vormen van lucht in hem bewegend vindt hij in de lucht; de oorzaak van de lichaamswarmte vindt hij in het vuur; het bloed, het slijm en de urine vinden met hem hun oorzaak in het water en de oorzaak van het overige [de harde delen] wordt gevonden in de aarde [vergelijk met 1.15: 41-42 en 3.6: 12]. (26-28) De spraak en het orgaan ervoor behoren de God van het Vuur toe, de handen en hun handigheid horen bij Indra, de benen en hun macht zich voort te bewegen vinden in Vishnu hun oorsprong en de geslachtsdelen met hun seksuele verlangen behoren de Prajâpati toe. Het rectum en de ontlastingsactiviteiten zijn van Mrityu [de Dood] en ook behoort de gehoorzin naar de geluiden te worden thuisgebracht bij de [godheden van de] windrichtingen en moet de tastzin en het orgaan ervoor de windgod [Vâyu] worden toegekend. Het zien met haar vormen, o Koning, moet men de Zon toewijzen en tot het water en haar heerser behoort de tong, terwijl de reuk en de geuren erbij de aarde moet worden toegerekend. (29-30) De geest en haar verlangens horen Candra toe, de intelligentie en haar voorwerp van studie hoort tot de Allerhoogste der Educatie, het valse ego van het 'ik' en 'mijn'- handelen met haar karma komt Rudra [S'iva] toe, het bewustzijn met haar idee van existeren hoort bij de Kenner van het Veld [zie B.G. 13: 1-4] en de geaardheden en hun bestaansvormen horen bij het Voorbije. Met de aarde tot het water, het water tot het licht der hemellichten, de helderheid tot de lucht, de lucht tot de ether, de ether tot het materialistisch begrip, het valse ego tot dat: de materiële energie, dat weer opgaand in het volledige van de werkelijkheid [de mahat-tattva], en de werkelijkheid in de primaire natuur [met het ongemanifesteerde de pradhâna, zie 3.26: 10], behoort dat dan tezamen tot de Superziel. (31) Aldus is men van het Allerhoogste van zijn ziel, van dezelfde kwaliteit zijnd in het verstaan van het resterend evenwicht, volledig spiritueel en behoort men aldus zijn bestaan te beëindigen zoals het gaat met vlammen waarvan de bron is opgebrand.' 

 

 

Hoofdstuk 13  

Het Gedrag van een Heilige Persoon

(1) S'rî Nârada zei: 'Een persoon die door zelfrealisatie klaar is voor wat ik tevoren beschreef, behoort over de aarde rond te trekken en daarbij, niet meer dan zijn lijfsbehoud wensend, niet van enig iets afhankelijk zijn en in geen dorp langer te blijven dan een dag [zie ook het verhaal van Rishabha 5.5: 28]. (2) De verzaker [sannyâsî] moet niet meer kleding dragen dan een schamele bedekking van zijn lendenen en, als het hem niet tegenzit, in zijn verzaking aan niets anders vasthouden dan aan zijn staf [danda] en dergelijke. (3) Zijn heil bij Nârâyana zoekend, levend van enkel aalmoezen en volledig tevreden zijnd in zichzelf, beweegt hij zich rond geheel op zichzelf, volledig onafhankelijk, ieder levend wezen het beste wensend in volmaakte vrede. (4) Zo een iemand moet dan dit universum van oorzaak en gevolg zien als bestaande binnenin het onvergankelijke Zelf in het voorbije en zichzelf zien als [een deel van] het Opperste Absolute dat overal de wereld van oorzaak en gevolg doordringt. (5) Van het slapen, waken en het dromen ertussenin waar men zo mee bezig is [zie ook 6.16: 53-54] moet hij die het zelf werkelijk ziet begrijpen dat de staten van gebondenheid en bevrijd zijn in feite niets anders dan een spel van de verbeelding vormen. (6) Met moet zich niet zozeer verheugen in het zekere - of het onzekere - van de dood van dit lichaam en zijn levensduur, maar zich meer de Hoogmogende Tijd voorhouden die heerst over het verschijnen en verdwijnen van de levende wezens. (7) Men moet niet zwelgen in fixaties op het onware noch daarin een loopbaan proberen op te bouwen; doelloos argumenteren moet worden opgegeven en ook moet men niet zijn toevlucht zoeken in partijen [politieke partijen]. (8) Geen volgelingen voor het een of ander, noch voorzeker het lezen en schrijven van vele boeken, noch moet men voor zijn brood proberen lezingen te organiseren of het ooit proberen de zeggenschap uit te breiden [met het bouwen van tempels b.v.]. (9) Hij die gevorderd is, van vrede en een gelijkgezinde geest, kan, hoewel als verzaker ze nimmer nodig hebbend, de symbolen van zijn geestelijke positie uitdragen [zijn âs'rama*] of ze evenzogoed eraan geven. (10) Hoewel hij uiterlijk misschien niet direct als een wereldverzaker is te herkennen, is zijn opzet toch duidelijk; zo iemand kan zich als heilige voor de samenleving voordoen als een opgewonden jochie of, als hij een groot redenaar was, zich voordoen als iemand die niet in staat is te spreken.

(11) De geschoolden halen in dit verband als een voorbeeld van deze verhulde identiteit een zeer oud historisch voorval aan van een gesprek tussen Prahlâda en een heilige man die leefde als een python. (12-13) Hij was getuige van het zuiverste, hoogst ernstige, geestelijk vermogen van die man daar aan de oever van de Kâverî rivier op een helling van de berg Sahya, met hem op de grond liggend met zijn gehele lichaam overdekt met vuil en stof. Prahlâda, de lieveling van de Allerhoogste Heer, kwam hem tegen toen hij in het gezelschap van een stel van zijn koninklijke vrienden de wereld bereisde in een poging te begrijpen wat het was wat de mensen beheerste. (14) Uit wat hij deed, hoe hij eruit zag, naar wat hij zei en naar zijn leeftijd en bezigheid en andere identiteitskenmerken konden de mensen niet opmaken of die man nu wel of niet dezelfde persoon was die ze ooit zo goed gekend hadden. (15) Na hem zijn respect getoond te hebben en hem volgens de regels te hebben vereerd en zijn lotusvoeten met zijn hoofd te hebben beroerd, stelde de grote asura toegewijde van de Heer, benieuwd hem te leren kennen, de volgende vraag. (16-17) 'Ik zie dat u er een nogal dik lijf op nahoudt als iemand die belust is op geld; mensen die zich altijd zorgen maken om een inkomen zijn zeker van de zinsbevrediging en zij die het zo breed hebben als genieters van deze wereld en zich met niets anders bezighouden, worden bijgevolg zo dik als inderdaad dit lichaam van u. (18) Het moge duidelijk zijn dat met u die hier neerligt zonder iets te doen, o man van de geest, ook geen geld kan hebben om uw zinnen te genieten; hoe kan, niet uit op het plezier, uw lichaam nu in deze staat verkeren, o geleerde, alstublieft zeg ons dat als ik zo onbeleefd mag zijn. (19) Ondanks het feit dat u zo geleerd bent, bedreven en intelligent, en in staat bent u goed uit te drukken en gelijkmoedig te blijven, gaat u, terwijl u ziet hoezeer de mensen druk zijn met baatzuchtige handelingen, er maar bij liggen!'

(20) S'rî Nârada zei: 'Op deze manier overspoeld door de woorden van de daitya koning glimlachte de grote muni naar hem en was hij, gecharmeerd door de nectar van zijn woorden, ertoe bereid antwoord te geven. (21) De achtenswaardige brahmaan zei: 'O beste der Asura's geprezen door de âryan's, vanuit uw bovenzinnelijke visie bent u wel bekend met inderdaad al de zaken waartoe de mensen geneigd zijn en waarvan ze zich afkeren al naar gelang hun verschillende posities. (22) Hij die Nârâyana onze God en Nârâyana onze Heer altijd in zijn hart heeft, kan door enkel zijn toewijding de onwetendheid uitbannen zoals de zon de duisternis verdrijft. (23) Niettemin zal ik al uw vragen proberen te beantwoorden o Koning, in overeenstemming met de Veda's, daar u daadwerkelijk, voor iemand die zijn zelf gezuiverd wenst, het waard bent te worden aangesproken. (24) Vanwege materiële verlangens was ik onder de invloed van de wereld bezig mijn lustige verlangens bot te vieren en worstelde ik, voortgedreven van de ene handeling naar de andere en geboren in verschillende levensvormen, om mijn voortbestaan. (25) Deze menselijke gedaante, meegevoerd op de golven van de oceaan der materie, bereikte, door zijn karma zich her en der begevend, de hemelpoort der bevrijding, de lagere vormen van leven en weerom een menselijk leven [zie ook B.G. 8: 16 en **]. (26) En in dat leven treft men de gemeenschap van man en vrouw aan terwille van het plezier. Maar ziende hoe, altijd bezig met vruchtdragende handelingen, men het tegendeel [van dat plezier] bereikt, ben ik er nu mee opgehouden teneinde te kunnen ontkomen aan die ellende. (27) Gelukkig zijn is de natuurlijke staat van het levend wezen, en aldus, definitief een punt zettend achter alles hier met het gezien hebben hoezeer de eisen van de wereld zijn gekoppeld aan de zinsbevrediging, ben ik, me bezinnend op deze zaken, tot de stilte overgegaan. (28) Het zich bevinden in deze wereld doet iemand, door de valse aantrekking van die materiële wereld zeer beangstigend verstrikt geraakt in materiële aangelegenheden die hem vreemd zijn, daadwerkelijk het belang van het levende wezen in zichzelf vergeten. (29) Precies als water dat overwoekert door gras over het hoofd wordt gezien door een dorstig iemand het onwetend elders zoekt, is dienovereenkomstig iemand in zijn materiële eigenbelang een luchtspiegeling [van materieel geluk] aan het najagen. (30) Iemand met zijn lichaam en alles onder de zo machtige controle der materie verkerend, zoekt het geluk dat eigen is aan het zelf door te trachten zijn ellende te verminderen en raakt, volledig geconditioneerd als hij is, keer op keer teleurgesteld in zijn plannen en ondernemingen. (31) Door het drievoudige van de ellende geschapen door hemzelf, door anderen en door de natuur, is de sterveling, soms van enig succes in het zich verweren tegen de onvermijdelijke tegenslagen, maar desalniettemin komt hij er niet van af; wat is dan de waarde van zulk een geluk, waar lopen dat soort verlangens nu op uit? (32) Denk maar eens aan de ellende van de rijken die zo druk zijn met hun bezit: als het slachtoffer van hun zintuigen hebben ze uit angst slapeloze nachten waarin ze het gevaar van alle kanten op zich af zien komen. (33) Voor de regering, voor dieven, voor vijanden, verwanten, dieren en vogels, voor bedelaars, voor de Tijd zelve, zowel als voor zichzelf, is hij die voor het geld leeft altijd bevreesd. (34) Wat een intelligente persoon op moet geven is de eigenlijke oorzaak die leidt tot alle jammerklachten, illusies, angst, woede, gehechtheid, armoede, zwoegen enzovoorts van het menselijk wezen: het verlangen naar status en geld [***].

(35) De bijen aan het werk en de grote slangen in deze wereld zijn in dezen onze eerste klas goeroes: van wat zij ons leren vinden wij de bevrediging [in het niet meer nemen dan noodzakelijk is] en de verzaking [van het nergens anders te zoeken]. (36) De bijen hebben me geleerd te onthechten van alle verlangens daar van het geld, dat met moeite wordt verkregen als de honing, men zelfs bereid is elkaar van het leven te beroven met het bestelen van de eigenaar. (37) Niet méér verlangend ben ikzelf tevreden met wat ik vrij van ondernemen kan verwerven, en lukt dat niet, dan lig ik hier maar wat, vele dagen het uithoudend als een python. (38) Soms eet ik weinig, soms eet ik veel voedsel, of het nu vers is of oud, prima smaakt of smakeloos is; soms wordt het me met alle respect gebracht en soms wordt het respectloos aangeboden; aldus dan weer 's nachts etend en dan weer overdag, eet ik wat er maar voor handen is. (39) Van linnen gemaakt, zijde of katoen, een hertenvel, met een lendendoek, of wat voor materiaal het ook moge zijn; met een gelukkige geest trek ik aan wat het lot me maar biedt. (40) Soms ga ik liggen op de grond, op gras, bladeren, op steen of op een hoop as maar soms ook, al naar gelang wat anderen me toewensen, kan ik me in een paleis neervleien op een eersteklas bed met kussens [zie ook B.G. 18: 61]. (41) Soms neem ik een fijn bad met smeersels van sandelhout voor mijn lichaam en kleed ik me netjes aan, gesierd met bloemenslingers en sieraden, en zit ik op een wagen, een olifant of op de rug van een paard; en soms zwerf ik geheel naakt rond als door een geest bezeten, o machtige. (42) Ik vervloek niet, noch steek ik de loftrompet over de mensen die verschillend van aard zijn; ik bidt voor het uiteindelijk voordeel van hen allen, dat in waarheid de Eenheid van de Grotere Ziel is. (43) Het idee van onderscheid moet, als een offergave, worden geofferd in het vuur van het bewustzijn, dat bewustzijn dan in het vuur van het denken dat de wortel van alle verwarring is, dat denken moet dan vervolgens worden geofferd in het vuur van het valse zelf en dit ego van materiële identificatie moet, dit principe volgend, worden geofferd in het geheel van de materiële energie. (44) Het valse van het materieel bestaan wordt, door een bedachtzaam persoon die in zijn zelfverwerkelijking de uiteindelijke waarheid realiseert, geofferd als een offergave en daarvan bevindt hij, vrij van begeerten, zich aldus in de trouw aan de essentie van zijn eigen levende zelf. (45) Dit relaas over mijzelf leg ik nu op deze manier aan u voor in de grootste vertrouwelijkheid; het kan zijn dat u, vanuit uw goede zelf als een man van overstijging met de Allerhoogste Heer, de gebruikelijke [schriftuurlijke] uitleg mist.'

(46) S'rî Nârada zei: 'Aldus vernemend van de heilige man wat waarlijk het dharma van de paramahamsa's is [zie ook 6.3: 20-21] excuseerde zeer behaagd de asura heer zich om, nadat hij hem het verschuldigde respect betoond had, weer naar huis terug te keren.'

*: De vier stadia van sannyâs zijn: kuthîcaka, bahûdaka, parivrâjakâcârya en paramahamsa [zie verder voetnoot 5.1].

**: Svâmî Prabhupâda commentarieert: "Het materiële leven wordt pavarga genoemd omdat we hier onderworpen zijn aan vijf verschillende toestanden van lijden, gerepresenteerd door de letters pa, pha, ba, bha en ma. Pa betekent paris'rama, zeer zwaar werk. Pha betekent phena, of schuim om de mond. Bijvoorbeeld, we zien soms een paard met schuim om de mond als het zware arbeid verricht. Ba betekent byarthatâ, teleurstelling. Ondanks veel hard werken, vinden we tenslotte teleurstelling. Bha betekent bhaya, of angst. In het materieel bestaan, bevindt men zich altijd in het laaiend vuur van de angst, omdat niemand weet wat hem te wachten staat. Tenslotte, betekent ma mrityu, of de dood. Als men probeert deze vijf zijnstoestanden -- pa, pha, ba, bha en ma -- van het leven tot nul terug te brengen bereikt men apavarga, of bevrijding van de straf van het materieel bestaan."

***: S'rîla Rûpa Gosvâmî schrijft in zijn 'Nectar van Instructie' (2):

atyâhârah prayâsas' ca
prajalpo niyamâgrahah
jana-sangas' ca laulyam ca
shadbhir bhaktir vinas'yati

"Iemands toegewijde dienst raakt bedorven als hij teveel verstrikt raakt in de volgende zes activiteiten: (1) meer eten dan noodzakelijk of meer geld inzamelen dan nodig is; (2) zich overmatig inspannen voor wereldse zaken die zeer moeilijk te verwerven zijn; (3) niet noodzakelijk praten over wereldse aangelegenheden; (4) het naleven van schriftuurlijke regels en bepalingen enkel ter wille van de horigheid eraan en niet voor het heil van de spirituele ontwikkeling, of het verwerpen van de regels en voorschriften van de geschriften en het op eigen houtje werken of met luimen; (5) omgang hebben met werelds-gezinde personen die niet in het Krishna-bewustzijn geïnteresseerd zijn; en (6) begeertig zijn naar werelds succes."

 

Hoofdstuk 14  

Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

(1) S'rî Yudhishthhira zei: 'Alstublieft leg me uit hoe huishouders [grihastha's], zoals ik in onwetendheid over het doel van het leven, net zo zonder moeilijkheden deze positie van bevrijding in overeenstemming met de geschriften kunnen bereiken, o devarishi.'

(2) Nârada Muni antwoordde: 'O Koning, iemand die thuis verblijft moet, de grote toegewijden van dienst zijnd, de voor hem [door goeroe en s'âstra] voorgeschreven plichten vervullen met achting voor Vâsudeva Zijn zichtbare vorm. (3-4) Altijd temidden van zijn medemens en vrij van alle materiële bezigheden gewetensvol op de juiste tijd de nectar van de vertellingen aanhorend over de avatâra's van de Heer, moet men aldus in goed gezelschap verkerend geleidelijk aan zichzelf bevrijden van zijn gehechtheid aan zijn vrouw en kinderen en aldus, van hen loskomend, ontwaken als uit een droom [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54]. (5) Iemand van een dergelijke scholing, hij die met het op die manier van leven in de menselijke samenleving zich voor het lichaam en het gezin niet meer inspant voor de kostwinning dan strikt noodzakelijk is, dient te worden aangemerkt als zijnde niet zo gehecht als hij lijkt te zijn. (6) Met wat de verwanten, de ouders, de kinderen, de broers en vrienden of wie nog meer ook suggereren te doen, met wat ze ook mogen verlangen, moet hij instemmen zonder het al te ernstig te menen. (7) Hiervoor moet de intelligente persoon van alles gebruikmaken wat vanzelf wordt verkregen: al de zaken die door God worden gegeven [zoals vruchten], alles wat men uit de aarde wint [zoals mineralen] en alles wat men toevallig zo binnenhaalt [aan donaties of afdankertjes]; ze zijn allen evenzeer voortgebracht door de Onfeilbare. (8) De maag mag men vullen voor zover nodig en niet meer, daar meer te claimen dan dat je als iemand van een dergelijke toeëigening tot een dief zou maken die het verdient te worden bestraft. (9) Herten, kamelen, ezels, apen, muizen, slangen, vogels en vliegen moet men [in dezen] beschouwen als zijn eigen kinderen; hoe weinig verschil bestaat er niet tussen die dieren en kinderen? (10) Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] niet overmatig van inspanning [ugra-karma] zijnd behoort een persoon, alhoewel vol zorg over zijn huishouding, alleen zoveel binnen te halen als de genade van God naar gelang de tijd en omstandigheid zou verschaffen [zie ook 4.8: 54]. (11) Tot aan de hond, de gevallen ziel en uitgestotene toe, behoort het noodzakelijke naar behoefte te worden verdeeld; zelfs de eigen echtgenote, die zo na aan het hart ligt, behoort men te delen opdat zij er kan zijn [als een moeder] voor al de mensen [b.v. de gasten in huis en dergelijke]. (12) Men mag die claim haar te bezitten opgeven waarvoor men bereid was zichzelf of anderen van het leven te beroven of zijn ouders en geestelijk leraar in de steek te laten, zodat men daadwerkelijk Hem voor zich kan winnen die niet kan worden overwonnen [anders dan door opoffering]. (13) Voor de insecten, tot ontlasting en tot as vergaat het ten leste met deze gehechtheid, dit onbeduidende materiële voertuig; van welke waarde is die aantrekking voor het lichaam van de echtgenote in verhouding tot de ziel die alles net als de ether doordringt? (14) Wat de Heer geeft, dat wat offers iemand brengen, behoort men uiteindelijk te beschouwen als de middelen van bestaan. Alle eigendomsrechten worden opgegeven door hen die wijs zijn; het is de positie van de groten in dezen die men moet zien te verwerven. (15) In respect voor de goden, de wijzen, voor de mensheid en de levende wezens, de voorvaderen en voor zichzelf afzonderlijk behoort men, met het met het zich in leven houden met wat vanzelf wordt verkregen, dagelijks de Oorspronkelijke Persoon te eren. (16) Op het moment dat men [als een huishouder] alles onder controle heeft - niet alleen de benodigdheden maar ook zichzelf - behoort men met offers in het vuur overeenkomstig de voorschriften zoals die zijn vastgelegd in de geschriften van aanbidding te zijn met alles wat ter beschikking staat om de Heer te behagen [zie B.G. 4: 24-29]. (17) O Koning, de Allerhoogste Heer, de genieter aller offers is minder aanbeden door het offeren van ghee in de mond van het vuur dan door offerandes gebracht voor de monden van de geleerden [zie ook 3.16: 8]. (18) Wees daarom van eerbetoon, met de brahmanen vooropgesteld, via al de brahmanen en de halfgoden, al de stervelingen en de andere levende wezens, en offer op deze manier naar uw vermogen alles wat verlangd wordt aan de kenner van het veld [de Heer, zie B.G. 13: 3].

(19) Gedurende [bijvoorbeeld] de donkere helft van de maand Âs'vina (oktober-november) en de maand Bhâdra (augustus-september) moeten de tweemaal geborenen offers brengen aan de voorvaderen voorzover ze het zich veroorloven kunnen en ook aan hun verwanten, gegeven de noodzakelijke middelen. (20-23) Ook bij de zonnewenden als de zon zich naar het noorden en zuiden beweegt of Ram en Steenbok binnengaat, in de yoga [12.3 booggraden] genaamd Vyatîpâta, op de dagen die drie maankalender-dagen bestrijken [tithi's] en op dagen van zonsverduisteringen en de nieuwe maan, alsook op de twaalfde dag van de maanmaand en met het sterrenbeeld [nakshatra] S'ravana; eveneens op de dag Akshaya-tritîyâ, op de negende dag van de heldere maandhelft van de maand Kârtika, op de vier ashthakâ's [het achtdaagse] in het winterseizoen en het koele seizoen, op de zevende dag van de heldere maandhelft van de maand Mâgha, tijdens de conjunctie van de Maghâ-nakshatra en de wassende maan, op dagen van de volle maan of als die nog wassende is als deze dagen samenvallen met de nakshatra's waarvan de namen van sommige maanden zijn afgeleid, op iedere twaalfde dag van de maankalender in conjunctie met ieder van de nakshatra's genaamd Anurâdhâ, S'ravana, Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ en de zevende maankalenderdag die samenvalt met Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ alsook op dagen die in conjunctie verkeren met de ster van iemands eigen geboorte [janma-nakshatra] of de S'ravana-nakshatra, wordt het aangeraden zijn plechtigheden te houden. (24) Het is op deze gunstige tijden [van het regelmatig zijn naar natuurlijke gebeurtenissen] dat het lot der mensen ten goede keert; op die dagen behoort men allerlei soorten van plechtigheden te houden en aldus door alle seizoenen heen voor het menselijk wezen goedgunstigheid, succes en langlevendheid te hebben [zie de volledige kalender van orde voor het instellen van dagen naar natuurlijke gebeurtenissen]. (25) Op deze heilige tijden een heilig bad nemend, japa doend [de vedische rozenkrans], offers brengend in het vuur en zich aan geloften houdend, is wat men ook offert aan de Allerhoogste Heer, de tweemaal geborenen die zorg dragen voor de beeltenissen, de voorvaderen, de goddelijken, de menselijke wezens in het algemeen en andere levende wezens daadwerkelijk een vaststaande goede daad. (26) O Koning, de tijden van de zuiveringS'rîtuelen dienen het belang van de echtgenote, de kinderen en uzelf alsook het houden van begrafenissen, herdenkingsdagen en [het afgrenzen van dagen voor] het verrichten van baatzuchtige arbeid.

(27-28) Laat me naar aanleiding hiervan u op de hoogte stellen wat de waarlijk meest heilige plaats is geschikt om zich ermee bezig te houden: daar waar een navolger der waarheid beschikbaar is [een heilige, een Vaishnava, een goeroe], in een tempel; daar waar het Allerhoogste van de Heer en het gezelschap van brahmanen wordt gevonden die vol zijn van verzaking en scholing en genade hebben voor ieder afzonderlijke, zich bewegende en niet-bewegende levensvorm in het ganse universum. (29) Waar ook maar de gedaante van de Allerhoogste Heer wordt aangetroffen, die plaats is de alleszins gunstige toevlucht, waar die ook moge zijn, zoals de Ganges of de andere rivieren ook vermeld in de Purâna's. (30-33) Meren als Pushkara en gevierde plaatsen die de heiligen plaats bieden als Kurukshetra, Gayâ, Prayâg [Allahabad] en Pulaha-âs'rama; Naimishâranya [nabij Lucknow], Phâlgunam, Setubhanda [naar Lankâ], Prabhâsa, Dvârakâ, Benares, Mathurâ, te Pampâ, Bindu-sarovara, in Badarikâs'rama, Nandâ, de plaatsen waar Sîtâ Devî en Heer Râma verbleven zoals Citrakûtha en o Koning, al die heuvelruggen zoals Mahendra en Malaya - zij allen zijn van het heiligste; zij en al de plaatsen waar de Heer en Zijn beeltenissen worden vereerd [dus ook buiten India] moeten inderdaad telkens weer worden bezocht door degene die het goedgunstige verlangt, aangezien het aldaar is waar van de personen de religieuze handelingen volbracht duizend keer effectiever zijn.

(34) O heerser der aarde, door de geleerden met inzicht in de ontvanger is het besloten dat de enige die het respect waard is in de wereld inderdaad de Heer is, in Hem rust waarlijk alles wat beweegt en niet beweegt [zie tevens 4.31: 14]. (35) Kiezend uit de meest aanbiddelijke heilige persoonlijkheden van God besloten de zonen van Brahmâ alsook de andere getrouwen der waarheid aanwezig [bij Yudhishthhira's Râjasûya offerplechtigheid], o Koning, dat als de eerste van hen allen die voor aanbidding in aanmerking zou komen, Krishna moest worden aangewezen als de beste. (36) De talloze zielen die dit universum bevolken zijn als een gigantische boom en omdat Hij de wortel van die boom is bevredigt de aanbidding van de Onfeilbare alle levende wezens. (37) Hij inderdaad is de Oorspronkelijke Persoon die rustend bij de individuele zielen woont in hun stoffelijk omhulsel; de lichamen van al die geschapen wezens, de mensen, de niet-menselijke wezens, de heiligen en de goddelijken, vormen Zijn verblijfplaats [zie ook B.G. 18: 61]. (38) Voor hen is Hij inderdaad, afhankelijk van hun nivo van begrip en daadwerkelijke boetedoening, de Allerhoogste Heer die meer of minder duidelijk aanwezig is, o Koning, en om die reden is Hij de eerste en belangrijkste persoon van ontvangst [vergelijk B.G. 15: 15]. (39) Toen ze zagen hoe, vanaf het begin van Tretâ-yuga, het onderlinge respect in de menselijke samenleving in het negatieve aan het omslaan was, o Koning, introduceerden de geleerden de verering van beeltenissen [zie ook: 12.3: 52]. (40) Sedertdien aanbidt men met groot geloof en alle benodigdheden de beeltenis van de Heer, alhoewel die regelmatige aandacht [voor de uiterlijkheid van God] niet bijzonder van nut is voor de negatief ingestelde mensen [daar het werkelijk voordeel wordt gevonden in de wijsheid waar de beeltenissen toegang toe verschaffen, zie ook 3.29: 25, B.G. 18: 68 & 69]. (41) O beste der koningen, men moet zich realiseren dat de beste persoon onder de mensen inderdaad de brahmaan is omdat hij vanuit zijn verzaking, scholing en voldoening de vedische kennis belichaamt van de Allerhoogste Persoon Hari. (42) Het is namelijk door Hem, door Heer Krishna, het leven en de ziel van het universum, o Koning, dat de brahmanen geheiligd worden; bij het stof van hun aanbiddelijke voeten is er het hoogst verhevene in de drie werelden.

 

Hoofdstuk 15  

Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

(1) S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen wijden zich aan baatzuchtige activiteiten, sommigen houden zich bezig met ontzeggingen, o heerser der mensen, sommigen zijn van vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen zich ook verenigen [in het bewustzijn] in de geestelijke kennis [in bhakti- en jñâna-yoga]. (2) Een persoon die de bevrijding verlangt behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan degenen die de geestelijke kennis zijn toegewijd en behoort ook, los van dat wat geofferd wordt aan de godbewusten, te doneren aan anderen, zij het dan met onderscheid. (3) Offerend aan de halfgoden moet men er twee [brahmanen bij] te eten geven, offerend aan de voorvaderen behoort men er drie te eten te geven, of men moet tenminste in beide gevallen er één voeden; ookal is men nog zo rijk, men moet met wat men aanbied niet al te breed uitpakken. (4) Wat betreft een geëigende plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die aanbeden wordt en de methode aangewend, zal het met het offeren in geloof [met de s'râddha-ceremonie] niet allemaal even perfect lukken met een grote groep genodigden. (5) Het voedsel voor de personen van de heiligheid moet, voor zover beschikbaar, op de juiste tijd en plaats met liefde en toewijding worden geofferd aan de Allerhoogste Persoonlijkheid van God overeenkomstig de regulerende beginselen en de woorden van de geestelijk leraar; wat men op deze manier offert aan degene die aanbeden wordt zal een onuitputtelijke bron van voorspoed worden. (6) Als men voedsel offert voor de goddelijken, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, de verwanten en voor de eigen familieleden, moet men hen allen beschouwen als een deel van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God. (7) Hij die weet heeft van de principes van het dharma moet nooit vlees offeren [noch vis en eieren] tijdens de ceremoniën van geloof, noch los daarvan zelf een vleeseter zijn; met degenen die aanbeden worden is er de hoogste voldoening met het [vegetarisch] voedsel van de wijzen en niet zozeer met voedsel dat berust op nodeloos geweld jegens dieren. (8) Voor personen die naar ware rechtschapenheid verlangen bestaat er geen hogere religie dan dit: het in geest, woorden en handelingen opgeven van alle geweld jegens andere levende wezens.

(9) Personen die vrij van materiële verlangens heel goed weten wat de bedoeling is van het brengen van offers, zijn, verlicht in de jñâna, van het offeren door hun aandacht gevestigd te houden op het ware zelf [in samyama]; zij, gevorderd in de kennis der spiritualiteit, weten dat sommige offers, [het offeren van dieren] karmische gevolgen hebben. (10) De dieren die de offeraar bezig zien met zijn materiële zaken raken bevangen door angst denkend: 'Deze persoon heeft het vast niet goed voor met ons, hij, het niet echt goed wetend, zal zeker snel een resultaat willen zien door ons ter dood te brengen!'. (11) Om die reden moet dan ook hij die werkelijk van het dharma is [zie ook B.G. 18: 66], dag in dag uit, met de grootste voldoening, zijn reguliere en gelegenheidsplichten nakomen met het voedsel dat door God schonken wordt, het [vegetarische] voedsel der wijzen. (12) Vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma zijn de vijf verschillende vormen van goddeloosheid die door hen die zich trouw aan de schrift houden worden beschouwd als het adharma, het onrechtschapen bezig zijn, dat moet worden opgegeven.  (13) Wat de oorspronkelijke bedoeling van de eigen plichtsvervulling in de weg staat is vidharma, verkeerd begrepen of vreemd aan het eigene is het paradharma, aanwijzingen die haaks staan op iemands levensbestemming zijn upadharma en men spreekt van chala als door een tegenstander de woorden van de geschriften worden verdraaid met een valse voorstelling van zaken. (14)  Dat wat personen naar eigen nukken als een slap aftreksel doen in weerwil van de bedoeling van de eigen levensorde [de âs'rama] is âbhâsa; [men moet zich met dit alles afvragen:] in welk opzicht zou dat wat naar de eigen aard als zijnde het geëigende dharma is geregeld nou niet de vrede brengen?  (15) Zo moet men als men het niet breed heeft, niet proberen meer geld te krijgen; met de religie en de economie moet men niet voorbijstreven wat noodzakelijk is om lichaam en ziel bij elkaar te houden. De begeerteloosheid van iemand die vrij is van dat ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning. (16) Waar vindt hij, die gedreven door lust en hebzucht voor de rijkdom ronddoolt van hot naar haar, nu het geluk van de tevreden persoon die niet ondernemend voor zijn onderhoud gelukkig is van binnenuit?(17) Voor een geest immer van de vrede is iedere weg bewandeld even gunstig, precies zoals dat het geval is met een persoon die met schoenen aan zijn voeten niets te vrezen heeft van steentjes en doorns.  (18) Of, o Koning, waarom zou een persoon van vrede niet gelukkig leven op een beetje water, als hij van het moeilijke gedoe met zijn geslachtsdelen en zijn tong een mens wordt die niet beter is dan een huishond? (19) Voorzeker zal van een ontevreden iemand die geschoold is, vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan de kracht wegkwijnen van zijn zinnen, zijn geleerdheid, verzaking en faam en zal zijn spirituele inzicht verdwijnen. (20) Voor iemand die hongerig en dorstig is komen de lusten ten einde, van geventileerde woede is er opluchting, maar een persoon kan niet van zijn begeerte afkomen als hij eropuit is alle uithoeken van de aarde te veroveren [zie ook B.G. 16: 21]. (21) O Koning, vele geleerden, vele personen van een uiteenlopende ervaring, menige deskundigen in het juridisch advies, of vele kandidaten voor het leiderschap zelfs, zijn in de hel beland omdat het hen eenvoudigweg ontbrak aan tevredenheid.

(22) Met vastbeslotenheid moet de lust worden overwonnen, woede door middel van het verzaken van het object der begeerte, wat betreft de hebzucht moet men denken aan het ophopen van de weelde dat de problemen veroorzaakt, en de angst wordt overwonnen door zich te bezinnen op de waarheid. (23) Het uitweiden over spirituele aangelegenheden is de genezing voor weeklagen en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en niet langer malen om je zinsbevrediging verhelpt de vijandigheid [zie ook B.G. 4: 10]. (24) Heb medelijden met het leed dat door andere levende wezens en door de natuur wordt veroorzaakt, geef met systematische meditatie in yoga datgene op waaronder je lijdt als gevolg van je eigen daden en overwin de slaap door goedheid te beoefenen. (25) Met de geaardheid goedheid kan een persoon, in toegewijde dienst jegens de geestelijk leraar, gemakkelijk al deze hartstocht, onwetendheid en de goedheid zelf overwinnen die men ook moet opgeven. (26) De goeroe die het licht op het pad vormt moet rechtstreeks worden gezien als de Allerhoogste Persoon; hij die hem en alles wat tot de Veda behoort beschouwt als sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die een stofbad neemt. (27) Deze Opperheer die evident de oorspronkelijke natuur van de persoon is, de Beheerser is wiens voeten worden gezocht door de meesters van de yoga, wordt door de gewone man voor een normaal menselijk wezen aangezien! [zie ook B.G. 9: 11] (28) Als al de handelingen en regelingen zoals ze horen te zijn, voor het doel van het voor eens en altijd onderwerpen van de zes der zinnen en de geest, er niet toe leiden dat men in het bewustzijn verenigd raakt, heeft men alleen maar zijn tijd

(29) Aangezien beroepsmatige bezigheden gericht op het verwerven van een inkomen niet het belang van de yoga dienen, zijn ze te allen tijde van weinig nut en waarde, net zoals de rituele vedische plechtigheden uitgevoerd door een persoon die werelds verstrikt is [vergelijk B.G. 2: 42-44]. (30) Hij die bezig is met het overwinnen van zijn denken moet alleen zijn op een afgezonderde plaats, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin] en als een verzaakt persoon van de bedeling leven en karig eten. (31) Op een schone vereffende plaats, o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en stabiel, comfortabel en gelijkmoedig neerzitten, zijn lichaam rechtop houden en op die manier de Pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6: 11-12]. (32-33) Hij behoort de ingaande en uitgaande lucht stil te zetten met het vasthouden van zijn in- en uitademen en voor die tijd alle verlangens die zijn geest bezighouden op te geven terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus. Met de geest die vanhier naar daar dwaalt afgewend van wat dan ook is de lust verslagen en behoort een volleerd yogi stap voor stap vanuit het hart aan het denken een einde te maken. (34) Standvastig op deze manier zal de consequente beoefenaar na de nodige tijd er snel in slagen zo zuiver te zijn als een vuur zonder rook. (35) Niet meegevoerd door de verschillende verlangens is men kalm en vreedzaam in al zijn handelingen met een bewustzijn dat zich bevindt in de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform waarvan men zich in feite niet kan scheiden [zie ook B.G. 5: 17].  

(36) Als iemand die eerst zijn huis en haard verliet om rond te zwerven dan weer terugkeert naar het veld van de drievoudige praktijk van het materieel georiënteerde [economische, religieuze en op de zinnen ingestelde] handelen waar hij voorheen mee bezig was, is zo'n schaamteloze bedelmonnik te vergelijken met iemand die zijn eigen kots opeet [een vântâs'î]. (37) Zij die hun lichaam beschouwen als iets dat losstaat van de ziel, als iets dat sterfelijk bestemd is voor uitwerpselen, wormen en as, en dan dat lichaam weer opnieuw verheerlijken en zich ermee identificeren, zijn werkelijk de ergste sukkelaars van de grote leugen. (38-39) Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokkenen om zich in dienst van de gewone burger te stellen, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen - voor al deze âs'rama's is het werkelijk hoogst abominabel om zich op deze manier te gedragen in een verraad aan de geestelijke orde; men moet hen, verdwaasd als ze zijn door het uitwendige van God, in twijfel trekken en medelijden met ze hebben. (40) Als men eenmaal doorheeft wat de ziel allemaal inhoudt, als men eenmaal vanuit de bovenzinnelijke positie zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, hoe kan men dan nog verlangen naar comfort, waarom zou men dan nog een slaaf blijven van de eisen die het lichaam stelt? (41) Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, de zinnen de paarden zijn, de geest, de meester der zinnen, de teugel is, de zinsobjecten de wegen vormen die men bewandelt, de intelligentie de wagenmenner is en het bewustzijn er van de grootste gebondenheid is, de conditionering geschapen door de Heer. (42) De spaken van het wiel [zie ook 7.9: 21] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krikala, devadatta en dhanañjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is de individuele ziel die zich valselijk identificeert, de Pranava is de boog en het levend wezen is de pijl, maar het doelwit is voorzeker het Allerhoogste. (43-44) Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, foutvinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn inderdaad iemands vijanden; dezen en nog meer komen soms voort uit hartstocht en onwetendheid en soms ontspruiten ze aan de geaardheid goedheid. (45) Zolang als men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhangt van de eigen beheersing, moet men in dienst aan de lotusvoeten van de meest vererenswaardige zielen vasthouden aan het door de kracht van de Onfeilbare aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen, zodat men voldaan over z'n bovenzinnelijk geluk dit lichaam op kan geven terwille van het zuivere, onbesmette wezen. (46) Dat niet doend zonder op te letten en zonder het ware, zullen de zinnen optredend als de paarden de wagenmenner meevoeren op het pad der begeerte. Daar valt hij in handen van plunderaars, de zinsobjecten [die die heersen met vishaya, eten, slapen en paren] en zal de wagenmenner door hen, tezamen met de paarden en de rest, in de duistere, blinde put belanden van het materieel bestaan en de grote angst voor de dood. (47) Het materiële genoegen te zijn toegenegen dan wel er van afgewend te zijn [pravritti en nivritti], zijn de twee opties van tewerk gaan volgens de Veda's [4.4: 20]; aan het materiële de voorkeur gevend is men doelloos, maar als men van de verzaking is geniet men de nectar van het eeuwige [zie ook B.G. 16: 7]. 

(48-49) Het systematisch van geweld zijn [in het offeren van dieren] met allerlei soorten van vuuroffers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen; de bedoeling van al de dars'a, pûrnamâsa, câturmâsya, pas'uh, soma en andere rituele plechtigheden moet men zien als een vorm van gehechtheid. Evenzo moet men de offergave en het offer [huta, prahuta] alsook voor het heil van het publiek construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en het voorzien in voedsel en water, als symptomen daarvan zien. (50-51) Alles wat men in het vuur offert verandert in de rook die eigen is aan de goddelijkheid van de donkere helft van de maan, de zon die door het zuiden gaat, en de maan die nieuw is [vergelijk B.G. 8: 25]; op die manier zijn er van de vegetatie op de oppervlakte van de aarde, de granen om ons te voeden, is er het zaad aldus, o heerser der aarde, dat op deze manier geprojecteerd door de vader [van de Tijd] leidt tot het telkens weer, de ene na de andere keer, opeenvolgen van het opnieuw weer geboren worden om te bestaan naar de victorie der materie [zie ook B.G. 9: 21]. (52) Een tweemaal geborene van verlichting die in ware kennis verkeert raakt [door het pad van afzien] door de zuiveringsprocessen aan het begin van het leven en het einde ervan bij de dood, gezuiverd [hij verliest zijn interesse in materiële resultaten] daar hij zijn handelingen offert in [het bemediteren van] zijn zinnelijkheid. (53) De zinnen in de geest opgenomen die besmet is met woorden die zich bewegen in golven van materiële voorkeur, de woorden dan beperkt tot het volledige van haar afzonderlijke elementen, de letters, die dan weer ingeperkt zijn tot het AUM van de Pranava dat weerklinkt en die uiteindelijke geluidsklank vervolgens opgegeven tot op het punt erin vervat [de 'echo'], resulteert er dan feitelijk in dat de levensadem wordt geofferd in het Allerhoogste van het levende wezen [het brahman]. (54) De individuele ziel die de aard van het vuur en de zon volgt, de aard van de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang door het noorden en het Allerhoogste van Brahmâ reikt dan, zich bewegend in de natuurlijke verbinding van de grove bestemming met de subtiele, tot de bovenzinnelijke staat [turya] der intelligentie.  (55) Op deze weg naar God, zoals dat heet, herhaaldelijk opnieuw geboren [zie ook B.G. 8: 16], keert hij die ijvert voor de zelfverwerkelijking en daadwerkelijk uit is op de vrede, niet weer terug met de positie die hij inneemt in het ware zelf. (56) Hij die deze weg volgend trouw is aan de voorvaderen en de goden, zal, met de regelmatige studie van de geschriften zoals dat in de Veda's is voorgeschreven, ondanks dat hij een materiële persoon is, met een verlichte visie nimmer verdwaasd zijn. 

(57) Er altijd voor alle levende wezens zowel innerlijk als uiterlijk zijnd van het begin tot het einde, is deze Heer er in eigen persoon, ontstegen aan het grove, als de kennis en de kenner, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als het duister en het licht. (58) Alhoewel zeker een enkele reflectie wordt afgewezen als zijnde een werkelijke gedaante, wordt die niettemin aanvaard; dienovereenkomstig accepteert men ook de zaak der bedoeling alhoewel het moeilijk is die te bewijzen vanuit speculaties op de zintuiglijke informatie. (59) In deze wereld van de vijf elementen is men van hen noch de tegenhanger, de reflectie, die men lijkt te zijn, noch bestaat men uit een combinatie of transformatie van hen; men moet er geen geloof aan hechten dat men als een ziel een afzonderlijk bestaan heeft, noch dat men met de elementen in eenheid verkeert [zie ook B.G. 18: 16]. (60) De vijf elementen als de oorzaak van het lichamelijk begrip en de zinsobjecten hebben geen bestaan zonder hun subtiele [tegen-]delen; het onware is gelegen in de gefixeerde vorm van een lichaam, die, net zoals dat wat er deel van uitmaakt [het zinsobject], uiteindelijk maar een tijdverschijnsel blijkt te zijn. (61) Men kan het vergelijken met wat men in een droom heeft: men is wakker terwijl men slaapt, men kan [het slapen als] een deel van de werkelijkheid niet loszien van het geheel [van de droom] zonder zich te vergissen, en zo ook kan men wat er schriftuurlijk verboden is [yama] niet loszien van wat er voorgeschreven staat [niyama]. (62) Een wijze ziel werpt door zijn zelfrealisatie in het leven in overweging van het eenzijn in de materie, het eenzijn in het handelen en het eenzijn in gedachten, dezen alle drie van zich af als zijnde drie verschillende vormen van slaap [vergelijk 1.18: 26 en B.G. 6: 16]. (63) Naar de constatering dat, zoals met de substantie van de draden van een doek, het effect en de oorzaak [van zijn bestaan] één zijn omdat uiteindelijk ze los van elkaar plaatsen het onware vormt, spreekt men van een begrip van eenheid [bhâvâdvaita, zie ook B.G. 18: 16]. (64) In alle activiteiten van de geest, de woorden en het lichaam rechtstreeks van toewijding zijn voor het Allerhoogste van het Bovenzinnelijk Absolute, o Yudhishthhira, wordt eenheid in handelingen genoemd [kriyâdvaita, vergelijk B.G. 9.27]. (65) Als het uiteindelijk doel en het eigenbelang, de vrouw en de kinderen, de anderen of welke levende wezens ook, één is, wordt die eenheid genoemd de eenheid van het belang [dravyâdvaita]. (66) Een persoon behoort, met wat er ook toelaatbaar is wat betreft de tijd, de plaats en de middelen, tewerk te gaan overeenkomstig zijn voorgeschreven plichten, o Koning; iemand die aldus tewerk gaat moet, als alles verder in orde is, het niet op een andere manier gaan proberen. (67) Op deze en op andere manieren zoals uitgedrukt in de vedische literatuur het houdend op zijn beroepsmatige bezigheden, kan ieder mensenkind dat met achting daarvoor toegewijde dienst verleent, zelfs thuisblijvend de bestemming van Hem bereiken, o Koning [zie ook B.G. 9: 32]. (68) Het is precies zoals jullie allen [Pândava's], o heer der koningen, ontsnapten aan al het onoverkomelijke gevaar; door de voeten te dienen van jullie eigen Meester [Krishna] slaagden jullie erin de offers met succes te volbrengen in het verslaan van de sterkste olifanten [de last der ongerechte koningen]. 

(69) Lang, heel lang geleden, bestond ikzelf, in een voorgaande mahâkalpa [in een ander tijdperk van Brahmâ], als een ingezetene van de hemel genaamd Upabarhana en was ik zeer gerespecteerd onder de Gandharva's. (70) Ik had een prachtig lichaam en was, hoogst aantrekkelijk, lekker ruikend en opgesierd, betoverend om te zien; trots als een gek in zijn eigen stad was ik, dag na dag onder de invloed van de natuurlijke aantrekking van vrouwen, zeer bevangen door de begeerte. (71) Toen er eens een bijeenkomst was van de goddelijken werden voor de gelegenheid van het verheerlijken van de Heer in gezang en in dans, door hen die over het universum heersten [de Prajâpati's] al de Ghandarva's en Apsara's uitgenodigd. (72) Ik ook, als een expert in het bezingen van de heerlijkheden van het goddelijk bestaan, ging erheen omringd door vrouwen en, bekend met mijn houding, vervloekten de goddelijke heersers van het universum me toen uit alle macht vanwege mijn gebrek aan respect voor de goede zeden: 'O jij, in overtreding met de gedragsregels, wees vanaf heden maar een s'ûdra, die het moet stellen zonder de schoonheid!' (73) Om die reden nam ik geboorte uit een dienstmaagd, maar ondanks dat verkreeg ik, dienst verlenend aan uitgesproken spirituele mensen, tegelijkertijd een leven als een zoon van Brahmâ [zie ook 1.5: 23-31]. (74) Aan u, een gehechte huishouder, heb ik dat proces uiteengezet waarmee een grihastha de zonde kan overwinnen en heel makkelijk de positie der verzakers kan bereiken. (75) Jullie zijn van zo'n groot geluk in de wereld dat al de heiligen die zuivering kunnen geven jullie komen bezoeken omdat bij jullie thuis rechtstreeks de Meest Vertrouwelijke van het Allerhoogste Brahman te vinden is in de gedaante van een normale persoon. (76) Hij aldus spiritueel gekend, gezocht door de groten voor de realisatie der bevrijding en de gelukzaligheid van de hemel, is de meest dierbare begunstiger van jullie allen, jullie beroemde neef [Heer Krishna], de naar hart en ziel meest aanbiddelijke persoon en goeroe van instructie aangaande de principes [de vidhi; zie ook 7.10: 48 & 49]. (77) Deze gedaante, die het bevattingsvermogen van Heer S'iva, Heer Brahmâ en de anderen tebovengaat [zie ook B.G. 7: 26], kan feitelijk worden begrepen door meditatie, door stilte, door bhakti en door een einde te maken aan alle materiële betrekkingen; moge die Ene, deze zelfde persoonlijkheid, deze Meester der Toegewijden zo aanbeden, tevreden over ons zijn.' 

(78) S'rî S'uka zei: 'De beste der Bhârata-dynastie, in opperste vreugde over het aanhoren van de beschrijvingen van de devarishi, vereerde, gegrepen door de extase der liefde, hem zowel als Heer Krishna. (79) Met het eerbetoon dat hij had ontvangen van Heer Krishna en van Yudhishthhira, die zich als de zoon van Prithâ [zie stamboom] zich er zeer over verbaasde dat Krishna het Parabrahman, het Allerhoogste van het Spirituele was, nam de muni afscheid van hen en vertrok hij. (80) Aldus heb ik u beschreven hoe van de afzonderlijke dynastieën van de dochters van Daksha er de goden, de demonen en de menselijke wezens en dergelijken waren, alsmede al de werelden met hun bewegende en niet-bewegende levende wezens.'

 

Aldus eindigt het zevende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'De Wetenschap van God'.

 

 

 

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2007 srimadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Voor deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/