CANTO 7:

De Wetenschap van God

 

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

 

 

 

 Hoofdstuk 1

De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

(1) De koning zei: 'Hoe kon de Opperheer die geliefd is als een vriend die alle levende wezens gelijkgezind is, o brahmaan, in het ondersteunen van Indra de demonen doden alsof Hijzelf partijdig zou zijn [zie ook B.G. 9: 29]? (2) Van de hoogste verrukking zijnd bestaat er voor Hem voorzeker niet de noodzaak om persoonlijk voorkeur te koesteren voor de verlichte gemeenschap en niet van enige materiële geaardheid, ligt het welzeker niet in Zijn aard om te vrezen voor of te wedijveren met hen die van de duisternis zijn. (3) Zo groot, o heerlijkheid, is in overweging van de kwaliteiten van Nârâyana, de mate van de twijfel die bij ons is ontstaan; zou u deze kunnen wegnemen?'

(4-5) De achtenswaardige rishi zei: 'Wat een uitstekende vraag o grote Koning! Van de wonderbaarlijke handelingen van de Heer, bezongen door hen die voorop gaan in de zeden, de wijzen aangevoerd door Nârada, treft men meer en meer de heerlijkheid en de toewijding aan van Zijn toegewijden. Ik zal al de betreffende onderwerpen aangaande de Heer voor u ter sprake brengen, maar laat me allereerst de grote wijze van Krishna de eer bewijzen [Vyâsa]. (6) Hoewel boven de geaardheden verheven, voorzeker ongeboren en niet gemanifesteerd, gaat de Allerhoogste Heer transcendentaal aan de materiële wereld middels Zijn eigen vermogen binnen in de materiële kwaliteiten en neemt Hij verplichtingen en verantwoordelijkheden op Zich [vergelijk B.G. 9: 11]. (7) De sattva, rajas en tamas daarbij behoren tot het materiële van de natuur en niet tot de kwaliteit van de geestelijke ziel, o Koning, voor het spirituele zelf bestaat er niet het af en aan [dat men normaal gesproken met materiële zaken heeft]. (8) Al naar gelang hun bepaalde tijd vindt men als sattva [goedheid] domineert de deva's en de rishi's [de goden en de wijzen], met het voorop staan van rajas [hartstocht] heeft men de Asura's [de onverlichte zielen] en met tamas [de traagheid] treft men de Yaksha's en Râkshasa's aan [de geesten en de demonen, zie ook B.G. 14: 11-13]. (9) Naar de elementen van het licht en dergelijke die zich voordoen met de verschillend belichaamden kunnen zij die van de kennis zijn vanuit de Superziel van binnen onderscheiden wie van hen van onderscheidingsvermogen zijn en wie niet [zie B.G. 10: 10]. (10) Als Hij het zo verlangt om materiële lichamen te scheppen voor de levende wezens manifesteert de Allerhoogste, Hij overwegend in Zijn eigen schepping, de geaardheid hartstocht; verlangend op te treden in verschillende gedaanten is Hij in de geaardheid goedheid en als de Beheerser er aan toe is de zaak af te ronden geeft Hij als zodanig aanzet tot de geaardheid der onwetendheid [zie: B.G. 9: 10]. (11) O heerser der mensen, de ware Schepper, Beheerser in Eigen Persoon van de materie en de Toevlucht voor de wezens is de Tijd die door zijn bewegingen konditioneert [zie ook B.G 11: 32]. (12) Het is door enkel deze Tijd dat de Allerhoogste Heer Zijn heerlijkheden wijdverspreid zijn, o Koning, waarbij naar sattva de zekerheid van het aantal der goden wordt beijverd en bijgevolg met hen die overdekt zijn door rajas en tamas zich de vijandigheid voordoet waartoe Hij, als de vriend der verlichte zielen, een eind maakt aan de onverlichten. (13) Dit aangaande werd voorheen met grote vreugde bij de grote offerande van Yudhishthhira op zijn verzoek door de Rishi der Verlichting [Nârada] het volgende verhaal verteld. (14-15) De koning, de zoon van Pându, toen hij gezien had hoe bij de grote offerplechtigheid genaamd Râjasûya de koning van Cedi [S'is'upâla] zo wonderbaarlijk in de Hoogste Persoonlijkheid Vâsudeva was opgegaan, had als de heerser, met verwondering geslagen, tijdens de plechtigheid het volgende aan Nârada gevraagd die daar met de wijzen luisterend neerzat. (16) Yudhishthhira had gezegd: 'O hoe wonderbaarlijk en voorzeker moeilijk te bereiken voor zelfs de transcendentalisten is die realisatie van S'is'upâla die zich zo schaamteloos gedroeg tegenover Vâsudeva, de Allerhoogste Absolute Waarheid. (17) We willen allen graag weten hoe dit kon gebeuren, o wijze, hoe van het beledigen van de Heer [hij in Hem op kon gaan terwijl] Vena [voor iets dergelijks] de hel in werd gestuurd door de brahmanen [zie 4.14]. (18) Die zondige zoon van Damaghosha koesterde vanaf zijn eerste kindergebrabbel woede jegens Govinda precies zoals ook de kwaadwillige Dantavakra [zijn broer] dat deed. (19) Van de herhaalde overtredingen tegen Heer Vishnu, de hoogste Persoonlijkheid van het Brahman [vergelijk B.G. 10: 12], was er bij hen op hun tongen geen witte lepra te bespeuren noch belandden ze in de duisternis van de hel. (20) Hoe konden zij voor ogen van iedereen, zo makkelijk de verzonkenheid [sâyujya-mukti] in de Opperheer vinden wiens natuur zo moeilijk te bereiken is? (21) Wat dit betreft is mijn intelligentie zo wisselvallig als een kaarsvlam flakkerend in de wind; alstublieft, o man van kennis, vertel me meer over de specifieke oorzaak van dit grote wonder.'

(22) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de woorden hoorde van de koning die hem temidden van de vergadering vragen stelde over die geschiedenis, richtte Nârada de grootste der wijzen, erover voldaan, het woord tot hem. (23) S'rî Nârada zei: 'Met de bedoeling beledigingen, lofprijzingen, eer en oneer zonder onderscheid te ondergaan heeft de Allerhoogste van de Primaire Natuur [pradhâna] dit voertuig van de tijd geschapen, o Koning [zie ook B.G. 2: 14, 12: 18-19]. (24) Lijdend onder het verkeerde idee dit lichaam te zijn is er aldus het 'ik' en 'mijn' waarvoor er de roede der bestraffing bestaat, o aardse heerser. (25) Gebonden aan deze valse voorstelling doet de vernietiging van lichamen zich voor als zijnde gelijk aan de vernietiging van levende wezens; als men niet van Hem als de ene die Zijns gelijke niet kent is, is men van de foutieve opvatting, maar hoe kan er ook maar enige schade worden berokkend door Hem, de Ziel van allen, de Verhevene en de Hoogste Beheersing? (26) Derhalve, of men nu van een voortdurende vijandigheid is, van toewijding, bevreesd, vol genegenheid of lustige verlangens is, behoort men, met welke manier van doen ook, zich te concentreren [op de Heer] en naar niets anders om te zien. (27) Een persoon zal met [enkel] een voortdurende vijandigheid niet dat verzonken zijn bereiken dat men aantreft in het verenigd zijn in toewijding, dat is mijn definitieve oordeel. (28-29) Een larve die door een bij in een raat wordt verzorgd mag vervuld zijn van angst en weerzin, maar dankzij die bij bereikt hij dezelfde vorm; zo ook kan men met Krishna, die als de Allerhoogste Heer uit Zichzelf verscheen, als een mens vol zijn van opstandigheid jegens de Allerhoogste, maar als men eenmaal zuivering vond van de zonde, heeft men dat te danken aan het voortdurend aan Hem denken. (30) Van het in lust, weerzin, angst, genegenheid en toewijding hebben van een geest verzonken in het Allerhoogste, hebben velen de zonde opgegeven en daardoor het pad der bevrijding bereikt. (31) De gopî's met hun lustige verlangens, Kamsa uit angst, S'is'upâla en anderen in hun hatelijkheid, vele Koningen door hun verwantschap, Krishna's familie uit genegenheid en u en wij middels de bhakti deden dat ook o Koning. (32) Tenzij men iemand wil zijn als Vena, die niet op een van deze vijf manieren van respect kon zijn voor de Oorspronkelijke Persoon, moet men dan zijn geest op welke van deze manieren ook richten op Krishna. (33) De zonen van de zuster van uw moeder, S'is'upâla en Dantavakra, o Pândava, waren de twee verheven dienaren van Vishnu [Jaya en Vijaya, zie 3.15-16] die vanwege een vloek van de brahmanen van de voeten wegvielen.'

(34) S'rî Yudhishthhira zei: 'Wie deed dat en wat voor een vloek werd er aangewend; een dienaar van de Heer op die manier overmand klinkt me ongeloofwaardig in de oren, hoe kunnen zij die zo intiem toegewijd tot Hem zijn nu weer opnieuw geboorte nemen [zie B.G. 4: 9 en 8: 16]? (35) Zij die verblijven in Vaikunthha hebben niets te maken met een materieel lichaam, materiële zinnen of een materieel leven, beschrijf alstublieft hoe zij dan gekoppeld konden raken aan een fysiek lichaam.'

(36) S'rî Nârada zei: 'Zo gebeurde het eens dat de zonen van Brahmâ, Sanandana en de anderen, die rondtrokken door de drie werelden, daar op die plaats aankwamen. (37) Er aankomend als jongens van een jaar of vijf, zes, hoewel ze al geboren waren voordat de ouden van het universum er waren [zie 1.3: 6], ontzegden de twee wachters hen de toegang denkend dat ze naakte kinderen waren. (38) En zo werden ze vol van woede door hen vervloekt: 'O, jullie twee onwaardigen, aan de voeten van de Slachter van Madhu is het hoogst zondig niet vrij te zijn van hartstocht en onwetendheid en derhalve, o dwazen, zullen jullie hierna spoedig geboren worden uit de baarmoeder van een onverlichte ziel [zie 3.17]. (39) Aldus vervloekt ten val te komen uit hun verblijfplaats kregen ze van de genadevolle wijzen te horen: 'Moge het zo zijn dat jullie na drie geboorten weer terugkeren naar jullie verblijf'.

(40) Daaropvolgend kwamen de twee als de zonen van Diti ter wereld aanbeden door al de Daitya's en Dânava's als Hiranyakas'ipu de oudste en Hiranyâksha de jongere broer. (41) Hiranyakas'ipu werd door de Heer in de gedaante van een leeuw gedood [Heer Nrisimhadeva] en Hiranyâksha door Hem toen Hij in de gedaante van een everzwijn was verschenen om de wereld op te heffen [Heer Varâha, zie 3.18-19]. (42) Hiranyakas'ipu die het verlangde zijn zoon Prahlâda te doden, de geliefde toegewijde van Kes'ava, wendde verschillende vormen van marteling aan om zijn dood af te roepen. (43) Aangezien zijn zoon beschermd werd door de macht van de Allerhoogste Heer, de Ziel van genade en gelijkheid jegens allen, slaagde hij, met alle machtsvertoon die hij aan de dag legde, er echter niet in hem ter dood te brengen. (44) Vervolgens werden de twee demonen als Râvana en Kumbhakarna geboren uit Kes'inî als de zoons van Vis'ravâ, en waren ze de bron van een hoop ellende voor alle mensen. (45) Om de twee van de vloek te bevrijden manifesteerde daarop Heer Râmacandra zich om hen te doden, maar het is beter om over de avonturen van Râma [zie 9: 10 & 11] te vernemen uit de mond van Mârkandeya, mijn beste. (46) In hun derde geboorte werden de twee [als S'is'upâla en Dantavakra] hier geboren als kshatriya zoons uit de zuster van uw moeder en zijn ze nu bevrijd van de vloek met het vernietigen van hun zonden door de cakra van Krishna. (47) Door in meditatie in een band van acute haat in Zijn nabijheid te komen slaagden de poortwachters van Vishnu er opnieuw in om op te gaan in de essentie van de onfeilbare Heer.'

(48) S'rî Yudhishthhira zei: 'Hoe kon er [bij Hiranyakas'ipu] voor zijn eigen zoon, die grote ziel, nu zo'n haat bestaan; vertel me alstublieft o verhevene hoe Prahlâda zo dicht bij Acyuta [de onfeilbare Heer] kwam te staan.

 

Hoofdstuk 2  

Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis

(1) S'rî Nârada zei: 'Toen de broeder [Hiranyâksha] aldus door de Heer in de gedaante van een Everzwijn was gedood [zie 3.18-19] was Hiranyakas'ipu door woede en verdriet zeer van streek, o Koning. (2) Woedend erover op zijn lippen bijtend, staarde hij voor zich uit in de lucht die zwart zag van de laaiende woede van zijn ogen en sprak hij. (3) Met zijn schrikwekkende tanden en verbeten blik vreselijk om te zien hief hij, temidden van een vergadering van de Dânava's, zijn drietand op om met een grimas op zijn gezicht het volgende te zeggen. (4-5) 'O O Dânava's en Daitya's, Dvimûrdha ['tweehoofdige'], Tryaksha ['met drie ogen'] S'ambara en S'atabâhu ['met honderd armen']; Hayagrîva ['met het hoofd van een paard'], Namuci. Pâka, Ilvala en Vipracitti! Pulomâ, S'akuna en alle overigen, luister naar de woorden die ik jullie te zeggen heb en mogen jullie vervolgens allen daarmee in overeenstemming direct, zonder uit te stellen, tot handelen overgaan. (6) Mijn zo zeer geliefde broer en begunstiger werd met die kleinzieligen, de goddelijken, die achter zijn rug samenzwerend van aanbidding waren, gedood door Hari die ons allen gelijkgezind zou zijn. (7-8) Hij heeft Zijn eigen liefde voor ons opgegeven en gedraagt zich nu, abominabel in mâyâ, als een wild beest door als een kind van de ene naar de andere gedaante over te springen zoals Zijn eerbetuigende toegewijden dat maar wensen. Ik zal Hem mijn drietand in de nek steken en Hem in Zijn bloed doen zwemmen ter ere van inderdaad degene [Hiranyâksha] die er zo dol op was het te drinken. Zo zal ik mijn broer behagen en mijn vrede vinden. (9) Als Hij, die meest verraderlijke vijand van allen een kopje kleiner is gemaakt, zal zoals met het uitdrogen van de takken en bladeren van een boom die bij de wortels gekapt is, hetzelfde die gasten van God overkomen wiens leven Vishnu toebehoort. (10) Gaan jullie allen ondertussen naar die wereld zo netjes op orde geharkt door de bestuurders van Brahmâ en zie er op toe dat al die spijtoptanten en opofferingsgezinde boekenwurmen worden vernietigd die naar gelofte schenkingen doen in liefdadigheid. (11) Vishnu die door de tweemaal geborenen zo uitputtend wordt aanbeden, is het offer in eigen persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid perfect volgens het boekje; Hij is die ene toevlucht van religie voor al die goden en wijzen, voorvaderen en al de anderen. (12) Sticht brand waar dan ook de tweemaal geborenen hun koeien houden, hun Veda's bestuderen en zo druk zijn met hun varnâs'rama gedoe; in de hens met al die steden of hak al de bomen ter plaatse om.'

(13) Hem de eer bewijzend namen ze de aanwijzingen van hun meester aan op hun hoofden en terroriseerden zij, de experts der vernietiging, al de mensen. (14) De steden en dorpen, weidegronden, boomgaarden en tuinen, velden, bossen en mijnen, boerderijen en plaatsen in de bergen, de plaatsen van de koeien zowel als de hoofdsteden, brandschatten zij alle. (15) Terwijl sommigen met toortsen de woonplaatsen in lichterlaaie zetten vernielden anderen met pikhouwelen de bruggen, de omringende muren en de stadspoorten en namen weer anderen voor de vernietiging van het levensonderhoud bijlen ter hand om de vruchtbomen om te hakken. (16) Toen keer op keer de mensen aldus werden verstoord door de volgelingen van de koning der Daitya's, gaven de godbewusten hun vaste verblijfplaats op en trokken ze, niet meer te zien voor de demonen, rond over gans de aarde. (17) Hiranyakas'ipu, die het kwaad had met het verlies van zijn broer voerde de begrafenisriten uit en maande zijn neven tot kalmte. (18-19) S'akuni, S'ambara, Dhrishthi, Bhûtasantâpana, Vrika, Kâlanâbha, Mahânâbha, Haris'mas'ru en Utkaca alsook hun moeder Rushâbhânu en Diti, zijn eigen moeder, sprak hij toe in beleefde termen, o heerser der mensen, als een goed aangepast persoon het volgende zeggend.

(20) Hiranyakas'ipu zei: 'O moeder, moeder, o schoonzus, o neven, jullie verdienen het niet te moeten weeklagen over onze held der verlichting die de vijand tegemoet tredend de meest glorieuze dood verkoos. (21) Van al de levende wezens die in deze wereld bijeen leven gelijk reizigers die zich verdringen rondom een pleisterplaats, o mijn lieve moeder, worden zij die door goddelijke voorbeschikking zijn samengebracht op één plaats naar gelang hun karma ieder een eigen kant opgestuurd. (22) De eeuwige, onuitputtelijke ziel, vrij van de smet der materie, is in staat zich naar overal te begeven; alles wetend en transcendentaal neemt die ziel het zelf op van een lichaam dat hem onder de invloed van de materiële wereld een verscheidenheid aan kwaliteiten bezorgt [zie B.G. 13: 22]. (23) Net zoals gereflecteerd in het water zich de bomen bewegen, lijkt het ook in geval van een optische illusie zo te zijn [zoals met hitte b.v.] dat de grond beweegt. (24) Dienovereenkomstig brengt de aanhangende geest, die in de war is door de geaardheden der materie, op dezelfde manier het onveranderlijke levende wezen van streek, o moeder van mij, er voor zorgend dat het wezen ondanks zijn vormeloosheid er in gaat geloven dat hij bij die lichaamsvorm hoort. (25-26) Deze ziel, die in de praktijk zo in de war is over het vormeloze van zijn bestaan, raakt verliefd op het lichaam en heeft geliefden en vijanden, bondgenoten en vreemdelingen in zijn karma met de materiële aangelegenheid. Geconfronteerd met geboren worden en dood gaan, zich op verschillende manieren beklagend en behept zijnd met een gebrek aan onderscheid over wat de geschriften zeggen, is hij vol van zorgen en met name vergeetachtig wat betreft het juiste onderscheid. (27) In dit verband haalt men vaak een oude geschiedenis aan van Yamarâja in discussie met de vrienden van een overledene. Luister goed. (28) Er was er eens een koning in Us'înara die bekend stond als Suyajña en door zijn vijanden in de strijd was gedood. Zijn verwanten zaten om hem heen. (29-31) Met zijn kostbare wapenrusting her en der en zijn sierselen en bloemenslingers op de grond gevallen, lag hij daar in zijn eigen bloed doorboord door de pijlen door zijn hart. Met zijn loshangende haar en zijn vertroebelde ogen had hij van woede doorbeten lippen, zat zijn lotusgezicht onder het stof en lagen zijn armen en wapens afgehakt op het slagveld. Toen de koninginnen zich ervan overtuigden dat de meester van Us'înara aldus door de voorzienigheid aan stukken dood was, waren ze in tranen en sloegen ze met hun handen zich onophoudelijk op de borst, telkens weer jammerend 'O, echtgenoot', neervallend aan zijn voeten. (32) Hardop huilend over hun geliefde man bevochtigden ze de lotusvoeten met de tranen rood van de kunkum van hun borsten en met hun sieraden en haar losgeraakt weeklaagden ze hartverscheurend, zielig huilend:

(33) 'Helaas, door de genadeloze voorzienigheid bent u o Heer van ons, o geliefde, aan ons gezicht onttrokken; de staat en de bewoners van Us'înara voorzag u voorheen in hun levensonderhoud, maar nu het met u is afgelopen bent u de oorzaak van een toename van hun weeklagen. (34) U was voor ons allen zo'n dankbare echtgenoot o Koning, hoe kunnen wij en uw gevolg nu zonder u leven; u die onze beste vriend bent, zeg ons waar zij, die van dienst waren aan uw lotusvoeten, u naartoe moeten volgen nu u ons verlaten hebt.' (35) De koninginnen aldus weeklagend, hadden de overleden echtgenoot op hun schoot genomen, het niet wensend dat het lijk zou worden begraven. Ondertussen ging de zon onder in het westen. (36) Yamarâja die de nabestaanden van de heerser zo luidkeels hoorde weeklagen kwam toen in eigen persoon in de gedaante van een jongen naar hen toe om tot hen te spreken.

(37) S'rî Yamarâja zei: 'Hoe jammer om deze oudere mensen zo verbijsterd te zien. Zien ze de wet van de natuur niet iedere dag heersen? Naar dezelfde natuur als waar deze man naar terugkeerde zullen zij ook zelf terugkeren. Niettemin huilen ze er maar wat op los! [vergelijk B.G. 2: 28]. (38) Helaas gaan we ervan uit dat, omdat we op het moment het zonder de bescherming van onze ouders moeten stellen, we ons, zwak als we zijn, geen zorgen hoeven te maken dat we door de roofdieren worden verslonden, ervan uitgaande dat Hij die ons beschermde in de baarmoeder ons zeker ook daarna zou beschermen. (39) O arme dames, de Allerhoogste Beheerser schept naar eigen wilsbesluit dit alles waarbij Hij hetzelfde blijft, en het is Hij die zonder twijfel eveneens handhaaft en vernietigt; alles wat beweegt en niet beweegt is, zo zegt men, als speelgoed voor de Heer die te allen tijde er toe in staat is iets te behouden of er een eind aan te maken. (40) Iets op straat verloren kan, door het lot beschermd, worden behouden ookal blijft men thuis, en kan, zo God het wil, voor hetzelfde geld verloren gaan; ondanks dat men niet beschermd is kan men onder Zijn bescherming in leven blijven of men nu thuis is of in het woud verblijft, maar deze die hier geveld ligt heeft het, goed beschermd, niet overleefd. (41) Allen die belichaamd zijn hebben hun eigen soort van geboorte overeenkomstig hun karma en verdwijnen in de loop van de tijd ook weer als gevolg van hun karma; maar dit alles gaat niet op voor de ziel ookal is die dan, zich bevindend in deze materiële wereld, in uiteenlopende gedaanten gebonden aan haar verschillende geaardheden. (42) Dit lichaam van de persoon geboren uit onwetendheid bestaat net zo afzonderlijk van hem als de materie van een huis afzonderlijk bestaat ten opzichte van zijn bewoner; op de zelfde manier staat de mens ook los van het lichaam waarin hij met water, aarde en vuur zijn geboorte nam en dat, van vorm veranderend met de tijd, ook weer teloor gaat. (43) Net als vuur in hout afzonderlijk kan worden waargenomen, net zoals de lucht binnenin het lichaam zijn afzonderlijke positie inneemt, net zoals de alles doordringende ether bij zichzelf blijft, zo staat ook het levend wezen los van zijn materiële omhulsel met zijn geaardheden. (44) [Het lichaam van] hem hier [genaamd] Suyajña ziet u recht voor u en over hem, o dwaze mensen, zit u te huilen, maar hij die ermee luisterde en sprak in deze wereld hebt u nooit kunnen waarnemen! (45) Alhoewel zich bevindend in dit lichaam is de grote heerser van het lichaam, de levensadem, niet de toehoorder, noch de spreker; de ziel staat los van hem, de levensadem, die is opgesloten in dit lichaam met al zijn zinsorganen. (46) De ziel van beheersing reikt tot, en geeft ook weer op, hoogwaardige en lager geklasseerde lichamen die zich gekenmerken door de vijf elementen, de zinnen en de geest, en in die bezigheid verschilt hij [als de z.g. linga, als het subtiele lichaam], bij de genade van zijn eigen geestelijke vermogen, inderdaad van dat wat hij aanneemt [zie tevens 4.29]. (47) Zolang men van baatzuchtig handelen is wordt men overdekt door het subtiele lichaam [de linga bestaande uit de geest, de intelligentie en het valse ego]; van die gebondenheid is er de omkering [van de controle van de ziel naar die van het lichaam] en de misère volgend op het zich vereenzelvigen met het illusoire van de materie [B.G. 8: 6]. (48) Net zoals met het waarnemen en praten in een dagdroom is het vasthouden aan het feitelijke van de geaardheden der natuur zinloos: alles wat de zintuigen in een droom produceren is vals. (49) Het is om die reden dat het hebben van zowel het eeuwige als het tijdelijke in deze wereld niet iets is waarover zij die van de kennis zijn zich beklagen, want anders, zoals u wel begrijpt, zou het niet mogelijk zijn iets te beginnen met hen die hier wel over treuren [zie ook B.G. 2: 11]. (50) Een jager in het bos die was opgedragen de vogelstand uit te dunnen, spreidde een net en lokkend met voedsel hier en daar ving hij ze dan. (51) Hij zag daar toen een paartje kulinga vogels voedsel zoeken en toen de jager het vrouwtje lokte werd ze bij verrassing gedood. (52) O koninginnen, het mannetje dat zag hoe ze in de touwen van het net gevangen van het leven werd beroofd, was zeer verdrietig en uit genegenheid, niet in staat ook maar iets te doen, begon het arme beestje te weeklagen over zijn wijfje: (53) 'Och arme, hoe wreed is het het lot, de Almachtige van Genade, voor mijn wijfje, hoe akelig, wat anders dan gejammer kan ik opbrengen voor mijn arme liefje? (54) Naar Zijn believen mag Hij ook mijn leven nemen, wat, voor God, heeft mijn helft van het lichaam nu werkelijk voor een zin, wat een ellendig bestaan om voor de rest van je leven onder die pijn te moeten lijden! (55) Hoe onfortuinlijk zijn mijn kindjes er aan toe, wachtend op hun moeder in hun nest? Hoe kan ik de jongen nu in leven houden die nog niet kunnen vliegen, nu ze beroofd zijn van hun moeder?' (56) Met de vogel die met zijn ogen nat aldus op een afstand zeer verdrietig zat te jammeren over het verlies van zijn geliefde, slaagde de onversaagde jager erin hem te besluipen en uit het leven te helpen door hem met een pijl te doorboren.

(57) Zo, o onwetenden, is het met u ook gesteld als u niet de eindigheid van uw bestaan inziet; weeklagen over uw echtgenoot zal hem in nog geen honderd jaar terugbezorgen.'

(58) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'De jongen aldus filosofisch uitleg gevend deed de harten van al de familieleden versteld staan en ze hielden alles wat het oog ook maar kan ontwaren voor slechts tijdelijk [zie ook B.G. 2: 18]. (59) Yamarâja, nadat hij in deze gedaante uitleg had verschaft, verdween hij toen vandaar, waarop de verwanten van Koning Suyajña toen deden wat moest worden gedaan voor de begrafenis. (60) Dus, wat valt er nu voor u te klagen? Of het u nu toebehoort of aan iemand anders, of het nu uzelf betreft of anderen, in deze materiële wereld is het idee dat men heeft van zichzelf en van anderen het resultaat van de preoccupatie met het lichaam in combinatie met een gebrek aan kennis over dat wat belichaamd is.'

(61) S'rî Nârada zei: 'Diti en [Rushâbhânu,] de vrouw van de overleden broer, die de toespraak van de koning der Daitya's hadden gehoord, gaven prompt hun grote droefenis op en zetten hun harten naar de ware filosofie van het leven.'

 

Hoofdstuk 3  

Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

(1) S'rî Nârada zei: 'Hiranyakas'ipu, o Koning, verlangde het onoverwinnelijk te worden, vrij van ouderdom en zelf onsterfelijk, de ene koning zonder rivalen of tegenstanders. (2) In een vallei bij de Mandara Heuvel volbracht hij een uiterst moeilijke boetedoening waarbij hij zijn armen ten hemel ophief naar boven starend in de hemel en hij met de grote tenen van zijn voeten op de grond stond. (3) Voortkomend uit het haar op zijn hoofd was er een licht helder als een supernova en door de straling ervan werden al de goden in hun boetepraktijken teruggedreven naar hun eigen plaatsen. (4) Teweeggebracht door zijn zware boete, met rook zich zijwaarts, naar boven en naar beneden verspreidend, verhitte het al de werelden. (5) De rivieren en oceanen waren in beroering, de eilanden en bergen en de aarde schudden en de sterren met hun planeten vielen met het in lichterlaaie staan van al de tien windrichtingen. (6) Daardoor geschroeid gaven de halfgoden hun verblijfplaatsen op en begaven ze zich naar de plaats van Heer Brahmâ om hun leider te melden: 'O Meester van het Universum door de boetedoening van de daitya koning zijn we allen aangetast en niet langer in staat onze posities in de hemel te behouden. (7) Alstublieft, als u het goed dunkt, zouden we hier graag een eind aan gemaakt zien, o Grootheid, of anders zijn allen gehoorzaam aan uw aanbidding verloren. (8) Sla acht op dit voornemen van hem in zijn uitvoer van de zo moeilijke boete-oefening; wat zou u ook niet bekend zijn - maar niettemin zouden we dit graag aan u voorleggen: (9-10) 'Heer Brahmâ, die door verzaking verzonken in de yoga de bewegende en niet-bewegende wezens schiep [zie 3.8], heeft zijn troon in al de werelden hoog en laag en daarom zal ik dankzij een zelfs nog ernstiger boetedoening verzonken in de yoga, vanuit het eeuwige van de tijd en de ziel, voor mezelf even zo veel bereiken. (11) Ik zal met mijn kracht deze wereld op zijn kop zetten en opnieuw instellen wat men nu onbehoorlijk noemt; wat is het nut van al die andere praktijken van de volgelingen van Vishnu, per slot van rekening gaan ze allemaal ten onder.' (12) Van deze aard, zo ontdekten wij, is zijn overtuiging vanuit zijn buitensporige boete; onderneem alstublieft, in uw eigen belang, de nodige stappen, o meester van de drie werelden. (13) Het is uw positie om de allerhoogste meester in het universum te zijn ter wille van het betere en verhevene van de twee maal geborenen en de koeien, de verlossing en de weelde, het welzijn en de overwinning.

(14) Aldus op de hoogte gesteld door de goddelijken begaf de meest machtige, geboren van de lotus, o Koning, in het gezelschap van Bhrigu, Daksha en anderen zich naar de plaats van boete van de heer der Daitya's. (15-16) Overdekt door een mierenheuvel, gras en bamboe, met zijn vet, huid, vlees en bloed weggevreten door de mieren, kon hij niet worden opgemerkt, maar hij die de zwaan bereed lachte met verwondering toen hij zag hoe door zijn boete het verhitten van al de werelden versluierd was zoals de zon versluierd wordt door wolken. (17) Heer Brahmâ zei: 'Alstublieft kom tevoorschijn, kom tevoorschijn, o zoon van Kas'yapa, al het goede zij u toegewenst die zo volmaakt bent in uw boete, ik, de toekenner van gunsten ben gekomen, laat wat u van me verlangt mijn zegen zijn. (18) Ik heb persoonlijk gezien hoe groot uw volharding is en hoe verwonderlijk het is dat iemand wiens lichaam is weggevreten door de wormen en de mieren er in geslaagd is zijn levensadem binnen zijn gebeente te behouden. (19) Er is nog nooit zoiets volbracht door de wijzen vóór u, noch zal er ook maar iemand na u in slagen; wie o wie zou zonder water te drinken zijn levensadem in stand kunnen houden voor meer dan honderd hemelse jaren [36.000 jaar]? (20) O zoon van Diti, door uw besluit een vorm van boete te doen die zelfs voor de grootste heiligen zeer moeilijk is, hebt u mij voor u gewonnen. (21) Daarvoor zal ik u alle zegeningen vergunnen, o beste der Asura's, de opwachting van iemand voorbestemd te sterven zoals u bij een onsterfelijk iemand als ik zal zeker niet vruchteloos blijken.'

(22) S'rî Nârada zei: 'Aldus sprekend sprenkelde de oorspronkelijke godheid en het eerste levende wezen van het universum, goddelijk, alvermogend en onfeilbaar water vanuit zijn kamandalu [waterpot] over het door de mieren opgegeten lichaam. (23) Daarvan herstelde hij, vanuit zijn mierenheuvel en zijn bamboe, zich volledig qua geest, zinnen en kracht in al zijn leden; hij verhief zich, als vuur tevoorschijn springend uit brandhout, met een jong lichaam zo sterk als een bliksemstraal dat een luister had van gesmolten goud. (24) Toen hij de god recht voor zich zag in de hemel op de zwaan die hem droeg, bracht hij, zeer verheugd Heer Brahmâ te ontmoeten, hem met zijn hoofd naar de grond zijn eerbetuigingen [vergelijk B.G. 9: 23-24 en 2.3: 10]. (25) Toen hij weer overeind komend met zijn eigen ogen de Almachtige aanschouwde begon hij, overweldigd door een jubelstemming, met tranen in zijn ogen en zijn haren overeind met gevouwen handen en een haperende stem, nederig te bidden. (26-27) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Aan het einde van zijn dag als hij onder de invloed van de tijd is overdekt door de hechte duisternis der onwetendheid, wordt door de eigen gloed van de stralen van zijn lichaam deze kosmische schepping gemanifesteerd. Deze wereld wordt door hemzelf èn gestuurd door de drie geaardheden van rajas, sattva en tamas [hartstocht, goedheid en onwetendheid], geschapen, gehandhaafd en vernietigd. Mijn respectvolle eerbetuigingen aan die bovenzinnelijke en allerhoogste Heer. (28) Mijn respectvolle eerbetoon voor het oorspronkelijke levende wezen, het zaadbeginsel van de schepping, de kennis en de wijsheid; voor de godheid van de levenskracht, de zinnen, de geest en de intelligentie, die door zijn werken de schepping tot stand bracht. (29) Aan u is de feitelijke heerschappij over de bewegende en de niet-bewegende wezens; met de levenskracht bent u de bron van alles wat er gebeurt en de oorspronkelijke bedenker en bron van inzicht voor allen die in leven zijn; de grote meester van de zintuigen van waarnemen en handelen bent u, de beheerser van alle verlangen, de materiële elementen en hun kwaliteiten [vergelijk B.G. 7: 7]. (30) Door uw lichaam van de drie Veda's verspreidt u de zeven soorten van plechtigheden [beginnend met de agnishthoma-yajña] van de vier soorten van priesters [bekend als hotâ, adhvaryu, brahma en udgâtâ] en de benodigde kennis; u bent die ene ziel van alle vormen van leven zonder een aanvang en zonder een eind; de allerhoogste inspirator en het Ware Zelf van binnen. (31) Zonder er zelf door aangedaan te zijn, bent u waarlijk de Tijd die eeuwig waakzaam is en de levensduur bekort van alle wezens met ieder van zijn segmenten; van deze materiële wereld bent u het Grote Zelf en de ongeboren Allerhoogste Beheerser zowel als de essentiële oorzaak van het leven. (32) Er is niets wat onafhankelijk van u bestaat, of het nu hoger ontwikkeld is of zelfs maar lager, beweegt of niet beweegt, terwijl de kennis in al zijn geledingen het verschil uitmaakt van de uiteenlopende kenmerken van uw lichaam; u bent die Ene groter dan de grootste, verheven boven de drie geaardheden, die het universum in zijn buik houdt. (33) Zich bevindend in uw verblijf geniet u ongezien, als de Allerhoogste, de Ziel en de oudste persoon het gemanifesteerde, o Almachtige, deze kosmische manifestatie die het uitwendige van u vormt waarvan we de zinnen, de levensadem en de kwaliteiten hebben. (34) Door deze onbegrensde, onvoorstelbare, gedaante van u is er dit geheel van alles bij elkaar wat zich uitbreidde met zijn materiële en spirituele vermogen; hem aldus toegerust, hem die Allerhoogste Meester van God, biedt ik mijn eerbetuigingen.

(35) Als u bereid bent mij de gunst die ik verlang te verlenen, o schenker van alle genade, laat het dan, o mijn Heer, zo zijn dat ik door geen van de wezens door u geschapen de dood zal vinden. (36) Noch thuis noch daarbuiten, niet gedurende de dag noch gedurende de nacht, noch van enige andere god zelfs of door enig bekend wapen, noch op de grond noch in de hemel mag ik sterven. (37-38) Levenloze dingen noch levensvormen, halfgod noch demon en ook de grote serpenten mogen me niet doden; ik moet geen rivalen hebben, het overwicht hebben in de strijd en de heerschappij hebben over alle belichaamden met inbegrip van de goden van alle leefwerelden; aan mij de glorie gelijk die van u en nimmer mogen de verworvenheden verkregen door de boete in yoga worden verslagen.'

 

 

Hoofdstuk 4

Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

(1) S'rî Nârada zei: 'Heer Brahmâ die zijn ogen overal heeft, aldus verzocht, verleende verheugd over Hiranyakas'ipu's boetedoeningen, hem de gunsten die zo zelden worden verworven. (2) Heer Brahmâ zei: 'Mijn zoon, al de gunsten waar je om vroeg worden door mensen zelden van mij verkregen, maar niettegenstaande het feit dat deze zegeningen normaal niet beschikbaar zijn, zal ik ze jou toekennen, mijn beste.'

(3) Aanbeden door de meest verheven Asura als de Almachtige, geprezen door alle heersers over de mensheid, vertrok daarop de machtige Heer, wiens genade geen fouten kent,  (4) De Daitya die aldus zijn felbegeerde wens toegekend zag en een lichaam had gekregen dat straalde als goud, hield er een niet aflatende geest van haat op na tegen de Heer die zijn broer had gedood. (5-7) Hij, de grootste Asura, die alle plaatsen hoog, laag en ertussen in alle windrichtingen veroverde, bracht de meesters over alle werelden onder zijn controle: god, demon en mens, de koningen, de hemelbewoners, de reciteerders der verzen en de slangachtigen, die van de volmaaktheid, van cultuur en van de kennis, de heiligen, de leidende voorvaderen, de stamvaders, de boze geesten, de wildemannen en de gekken, de doden en de geesten en hun leiders; als de veroveraar van de wereld eigende hij zich de macht toe van alle autoriteiten waar dan ook. (8) In het paradijs der goden verkerend in de rijkdom van alle weelde, leefde hij in de hoogste wereld, in het paleis van de koning der hemelen zoals voorzien door Vis'vakarmâ de grote asura architect zelve, in de hemel van Lakshmî, macht uitoefenend over alle welvaart van de wereld. (9-12) Aldaar waren de traptreden van koraal, de vloeren van smaragd, de muren van kristal en de rijen pilaren vervaardigd uit vaidûrya. Er waren daar ook de mooiste banken en zitplaatsen overdekt met robijnen en het beddengoed was zo wit als melkschuim met parels op hun kanten. In de vertrekken, links en rechts, behangen met juwelen en edelstenen, maakten de hemelse dames lieve geluidjes met het getinkel van hun enkelbelletjes en lieten ze hun fraaie gebitten zien met hun prachtige gezichten. In dat koninklijk verblijf met de grootste macht en geest heersend met een verschikkelijke repressie, genoot de alleenheerser die iedereen in zijn greep had, van de aanbidding van de godvrezende hofhouding aan zijn voeten. (13) Hij, o mijn beste, die alle verzaking, yoga, kracht en zin in zich besloten had, en die, behalve dan van de drie belangrijkste godheden, eerbewijzen ontving uit handen van alle belangrijke persoonlijkheden, was in werkelijkheid bedwelmd door sterk geurende wijnen, waarbij zijn ogen rood als koper in hun kassen rolden.(14) Op de zetel van Indra verheerlijkt door Vis'vâvasu, Tumburu [de grootste Gandharva's] en ook door mij, werden keer op keer gebeden opgedragen door al de zangers en de meisjes van de hemel, de volmaakten, de heiligen en zij die van de kennis zijn, o zoon van Pându. (15) En hij, feitelijk met giften in overvloed vereerd door alle klassen en leeftijdsgroepen, reserveerde in zijn machtsuitoefening ieder deel van de gebrachte offers voor zichzelf. (16) Alsof ze de koe van overvloed zelve was, bracht onder zijn bewind moeder aarde in alle werelddelen spontaan overvloedige oogsten op, terwijl in de hemel alle wonderen van het universum konden worden waargenomen. (17) De zeeën en oceanen van zout en zoet water, wijn, ghee, suikerrietsap, yoghurt en melk, en hun echtgenotes de rivieren eveneens, voerden allerlei soorten van kostbare gesteenten mee in hun golven. (18) De valleien tussen de bergen en heuvels waren zijn lustoorden die gedurende alle seizoenen al het goede van plant en boom te bieden hadden; hij in zijn eentje stond voor al de verschillende kwaliteiten van al de verschillende goden. (19) Aldus in alle windstreken alles en iedereen aan zich onderworpen hebbend en als de enige echte heerser genietend van alle denkbare geneugten, was hij met het verlies over de beheersing zijner zinnen echter niet ingenomen. (20) Bedwelmd in grote trots over zijn verworvenheden verstreek aldus een lange periode van leven in overtreding met de geschriften en kon de vloek der brahmanen tegemoet worden gezien [zie ook B.G. 16: 23-24].

(21) Door zijn pijnlijke reprimandes verstoord was er voor al de werelden en hun leiders geen plaats waar ze nog veilig waren en aldus benaderden ze de Onfeilbare om bij Hem hun toevlucht te zoeken [vergelijk B.G. 5.: 29]. (22-23) Daartoe baden ze: 'Mogen er onze eerbetuigingen zijn in die richting waarin de Superziel van Hari, de Hoogste Beheerser wordt gevonden en vanwaar, Hem benaderend, de vreedzamen, de verzakers en de zuiveren nimmer terugkeren.' Met hun geesten op die manier beheerst bestendigden en zuiverden ze hun intelligentie, waarbij ze, slechts van de lucht levend in hun eerbetoon voor de Meester der Zinnen, zich geen slaap gunden.

(24) Voor hen allen verscheen toen een luid weerklinkende stem zonder een gedaante die, hun angst verdrijvend, de deugdzamen beroerde tot in hun diepste wezen: (25-26) 'Vreest niet, o besten der wijsheid, u zij alle goede geluk toegewenst. Ik ben er inderdaad opdat alle levende wezens het goede mogen bereiken. De kwalijke handelingen van deze grote duivel zijn Me bekend en Ik zal ze een halt toeroepen, daar kan u op rekenen. (27) Als men zich keert tegen de goden, de Veda's, de koeien, de brahmanen, de heiligen, de regulerende beginselen en tegen Mij, zal men zeer spoedig het onderspit delven. (28) Zo gauw hij gewelddadig optreedt jegens zijn vredelievende zoon die geen vijanden heeft, die grote ziel, Prahlâda, zal Ik hem ter dood brengen, welke zegeningen hij ook ontvangen moge hebben [zie ook 3.25: 21].'

(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus toegesproken door de geestelijk leraar van allen, gingen de goddelijken, Hem hun eerbetuigingen brengend, bevrijd van al hun angsten terug en beschouwden ze de Asura zo goed als gedood [2.3: 10]. (30) Van hem, de Daityakoning waren er vier hoogst gekwalificeerde zoons van wie degene die de naam Prahlâda droeg de grootste was met al de kwaliteiten van een grote toegewijde [zie 5.18: 12]. (31-32) Als een goede brahmaan met zijn zinnen en geest in bedwang had hij al het talent het Absolute van de Waarheid te doorgronden. Net als de Superziel was hij de meest geliefde, beste vriend van alle levende wezens, als een onbeduidend dienaar was hij altijd horig aan de voeten van de groten, gelijk een vader was hij de armen toegenegen, gelijk een broeder was hij voor zijns gelijken, vol van liefde was hij voor de geestelijk leraren die hij zo hooghield als de Allerhoogste Beheerser Zelve; hij was van scholing, zingeving, schoonheid, edelmoedigheid en volledig vrij van hoogmoed en aanmatiging [vergelijk B.G. 12: 13-19 en B.G. 18: 42]. (33) Hoewel geboren uit een Asura had hij in gevaarlijke situaties steeds een onverstoord bewustzijn en was hij verstoken van enig verlangen met wat gehoord en gezien wordt [met de Vedische kennis]; zaken behorende tot de geaardheden der materiële natuur beschouwde hij als niet-essentieel en de zinnen en de levenskracht beheersend, had hij de lusten van zijn lichaam en geest steeds onder controle; hij was volledig vrij van de demonische aard. (34) De eigenschappen die hij heeft worden, net zoals die men aantreft in de Allerhoogste Heer onze Beheerser, door de gevorderden altijd verheerlijkt als zijnde de grootste, o Koning, en niet zozeer de kwaliteiten waar men heden ten dage zo over in de war is [in Kali-yuga]. (35) In bijeenkomsten ter ere van de heiligheid zouden zelfs de goddelijken van vijandschap [jegens het asurische], o heerser der mensen, hem tot voorbeeld nemen; waarom dan niet u of anderen? (36) Het grootse van de talloze kwaliteiten van hem die bekend staat om zijn natuurlijke gehechtheid aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, gaat alle beschrijving te boven. (37) Als kleine jongen alle kinderspel opgegeven hebbend leek het of hij lusteloos was, zoals hij met zijn geest volledig verzonken was in de wereld van Krishna; geheel van die aantrekking zijnd had hij geen belangstelling voor wereldse zaken. (38) Zoals hij neerzat en rondliep, at en rustte, dronk en sprak, drong, gekoesterd door Govinda, alles wat zich daarbuiten afspeelde niet tot hem door. (39) Soms huilde hij denkend aan Vaikunthha, soms lachte hij over de gekkigheid van het denken en bij tijden was hij blij met Hem in gedachten zeer luid aan het zingen. (40) Soms riep hij het vol van bezorgdheid uit, dan weer danste hij zonder schaamte en soms, verloren in gedachten over Hem, deed hij Hem na in het idee Hem te zijn. (41) Bij tijden met zijn haren overeind en met zijn half gesloten ogen gevuld met tranen, viel hij volledig stil, overmand door vreugde gevangen in Zijn liefdevolle associatie van bovenzinnelijke verrukking. (42) Hij, door zijn voortdurende dienst aan de lotusvoeten zoals verheerlijkt in de hymnen, verkreeg door het uitbouwen van zijn associatie in de bevrijde staat de hoogste extase, waarbij hij zonder ophouden vanuit de geestelijke ziel vrede schonk aan hen die het ontbrak aan geest en omgang. (43) Jegens hem, die verheven en meest fortuinlijke ruimhartige toegewijde, o Koning, die zijn eigen zoon was, beging Hiranyakas'ipu de grootste zonde.'

(44) S'rî Yudhishthhira zei: 'O heilige van God die bij het beste zweert, we zouden graag het volgende van u willen weten: hoe kon de vader zijn eigen zoon, zo een heilige van zuiverheid en goedheid, het zo moeilijk maken? (45) Zoons die tegen de wil van hun vaders ingaan worden uit liefde terecht gewezen. Terwille van hun onderricht, kunnen ze toch niet als een vijand worden afgestraft, is het wel? (46) Alstublieft o brahmaan, verdrijf de twijfels die we hebben wat betreft deze vader die zo ongemeen op de dood af hatelijk was jegens zijn eigen zo gehoorzame zoon, een grote toegewijde van het soort dat zijn vader eert als zijn goeroe, o meester.'

 

Hoofdstuk 5  

Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

(1) S'rî Nârada zei: 'Om als hun priester op te treden werd door de Asura's de machtigste die er was, S'ukrâcârya ['de belangrijkste leraar'], gekozen. Zijn twee zoons Shanda en Amarka leefden in de buurt van waar de daitya koning zijn verblijf had. (2) De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed op de hoogte was van de morele richtlijnen, naar hen toe om tezamen met andere asura kinderen zich de leerstof van de boeken der materiële kennis eigen te maken. (3) Luisterend en herhalend wat de leraren onderwezen over wat allemaal moest beschouwd worden als zijnde het goed en kwaad van jezelf en van anderen, vond hij dat het een slecht staaltje filosofie betrof. (4) Toen eens de asura despoot zijn zoon op zijn schoot zette, o zoon van Pându, vroeg hij: 'Vertel me mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?'

(5) S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'O heiligste excellentie der Asura's, ik denk dat allen die een lichaam hebben, vanwege het feit dat ze het tijdelijke voor het ware aanzien, een intelligentie hebben die altijd vol van zorgen is; met het opgeven van die versluiering van de ziel, dat huishoudelijk belang wat niets anders is dan een overwoekerde put, kan men er beter zeker van zijn het bos in te gaan en zijn toevlucht te zoeken bij de Heer.' 

(6) S'rî Nârada zei: 'De Daitya die hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte over de intelligentie van de kleine jongen en hield het erop dat hij door een verkeerde mentaliteit was beïnvloed: (7) 'Laat deze jongen maar beter beschermd zijn op school zodat zijn intelligentie vrij blijft van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich anders voordoen dan ze zijn.' 

(8) Teruggebracht naar die plek [de guru-kula], riepen de daitya priesters Prahlâda bij zich en ondervroegen ze hem, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden. (9) 'Lief kind, Prahlâda, het beste zij je toegewenst, vertel ons de waarheid en lieg niet, welke van de andere kinderen hebben je deze verkeerde manier van denken bijgebracht? (10) Zeg ons, kwam deze tegendraadse zienswijze van kwaadwilligen of was het iets van jezelf; wij, al je leraren branden van verlangen hier achter te komen, o beste van de familie.' 

(11) S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van goed en kwaad is iets dat hoort bij mensen die van een materiële levensovertuiging zijn; denkend over wat men ziet is men eenvoudigweg begoocheld door het uiterlijke dat door Hem geschapen is, de Allerhoogste Heer die ik mijn respect betoon [zie ook B.G. 5: 18]. (12) Als Hij tevreden is over de persoon is het dierlijk begrip van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van iemand anders en het 'ik' van jezelf tenietgedaan. (13) Van Hem, deze Superziel kunnen zij, wiens intelligentie en dienstverlening is bedorven door de 'Ik' en 'gij' manier van denken, zich zeer moeilijk verzekeren; zij, die van Brahmâ [hier: de valse leraren], van wie de navolgers op het vedisch pad in de war zijn, hebben inderdaad mijn intelligentie tegenover zich geplaatst. (14) O brahmanen, net zoals ijzer uit zichzelf beweegt in de nabijheid van een magneet is dienovereenkomstig mijn intelligentie simpelweg bepaald door de wil van de cakra in Zijn hand [zie b.v. 5.14: 29].' 

(15) S'rî Nârada zei: 'Na dit alles de brahmanen gezegd te hebben viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het allemaal niks vonden en zeer boos op hem waren: (16) 'O haal me een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die met zijn corrupte denkwijze ons naar beneden haalt; voor hem is de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede], de geëigende oplossing [volgend op dâna, wettelijk bepaalde liefdadigheid; sâma, gunstig stemmen en bheda, het verdelen van posten]. (17) In het sandelhoutbos van de Daitya's is deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl die Vishnu is die ons bij de wortel omhakt!' 

(18) Op deze wijze op verschillende manieren hem in woord en daad bedreigend, onderrichten zij Prahlâda in wat de geschriften te bieden hadden over de [eerste] drie doelen in het leven [de purusârtha's van dharma, artha en kâma]. (19) Nadat zijn leraren hem alles hadden bijgebracht wat er maar te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, door zijn moeder gebaad en opgesierd, naar de daitya heerser gebracht. (20) De jongen hem ten voeten gevallen werd door de Asura bemoedigd met zegeningen en aan een langdurige omhelzing met beide armen van zijn kant, ontleende hij een grote vreugde.  (21) Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij hem met het vocht van zijn tranen, en met een lach op zijn gezicht zei hij het volgende, o Yudhishthhira. 

(22) Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, nu je zo goed onderricht bent, zeg me eens iets aardigs van wat jij, o liefde van mijn leven, al die tijd zo hebt geleerd van je leraren.' 

(23-24) S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, aandacht besteden aan de voeten, het brengen van offers en gebeden, een dienaar worden, een vriend zijn en je ziel en zaligheid overgeven zijn voor alle mensen van opoffering de negen verschillende handelwijzen waaruit de bhakti bestaat die men moet opbrengen voor de Allerhoogste Heer Vishnu; dat alles bij elkaar beschouw ik als het toppunt van wat men kan leren.'

(25) Toen hij zijn zoon dit hoorde zeggen zei Hiranyakas'ipu, met lippen trillend van woede, daarop tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was] het volgende: (26) 'Jij ontaarde brahmaan! Wat krijgen we nou, kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je te bekommeren om mijn jongen zoals het hoort, dwaas die je bent! (27) Werkelijk, wat zijn er toch een hoop oneerlijke mensen in de wereld die, in het belazeren van hun vrienden, zich maar voor het vertoon uitdossen; in de loop van de tijd kan men van hen zich de zonde zien manifesteren zoals een ziekte dat doet bij mensen die verkeerd leven.' 

(28) De zoon van de goeroe zei: 'Dit wat uw zoon zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd, o vijand van Indra; dit is zijn eigen natuurlijke toeneiging, o Koning, wees niet vertoornd jegens ons over die klaarblijkelijke misser van hem.' 

(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus van de leraar een antwoord gekregen hebbend richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, vanwaar dan stamt deze kwalijke voorkeur van je, o mislukkeling?'

(30) S'rî Prahlâda zei: 'Personen gehecht aan hun materiële leven ontwikkelen vanwege een gebrek aan controle over hun zinnen, in hun telkens weer opnieuw herkauwen van het gekauwde, een leven dat tot de hel voert; nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4: 4-5] toegenegen omdat anderen het zeggen of omdat ze het zelf inzien, noch zullen ze dat zijn door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44]. (31) Zij die uit zijn op de waarde van het uiterlijke hebben er in hun ambities geen idee van wat het doel van hun leven, Vishnu, is; hoewel ze worden geleid zijn ze, als blindemannen geleid door een blinde, zwaar in touwen gebonden aan de dictaten van de materiële natuur. (32) Zo lang als het bewustzijn van deze mensen niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang als ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die vrij van de gebondenheid zijn, ligt de verdwijning van het ongewenste, wat de opzet is van al de groten, buiten hun bereik.' 

(33) Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu in zijn woede blind voor de zelfverwerkelijking, wierp hem van zijn schoot op de grond. (34) Overmand door verontwaardiging zei hij woedend met bloed doorlopen ogen: 'Mannen, maak meteen een eind aan zijn leven, breng hem weg naar zijn dood! (35) Hij hier is de moordenaar van mijn broer, hij, die zo laag zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten Vishnu, dezelfde die zijn oom heeft gedood. (36) En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren dat hij oud is en met zijn zo onbetrouwbaar het eraan gegeven hebben van de slecht te verzaken liefde van zijn vader en zijn moeder. (37) Zelfs afkomstig van anderen is een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid dat van elders stamt; maar een zoon geboren uit jezelf die van slechte wil is behoort net als met een verziekte arm of been worden afgezet, schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam dat op zijn verwijdering nog een gelukkig leven kan hebben. (38) Alleszins moet hij worden gedood, hij die etend, neerliggend en zittend met ons, zich voordoend als een vriend evenzo goed een vijand is als de onbeheersbare zinnen zijn voor een wijze.' 

(39-40) De handlangers die ter harte hadden genomen wat hun leider allemaal had te zeggen brulden toen schrikwekkend met de scherpste drietanden in hun handen, met angstaanjagende tanden en gezichten en hun rode haren en snorren: 'Laten we hem in stukken hakken', en vielen toen Prahlâda, die daar stilletjes zat, met hun spiesen aan op zijn weke delen. (41) Maar met hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is, sorteerden ze geen effect precies zoals goede daden dat niet doen met een onwaardig iemand. (42) O Yudhishthhira, de daitya despoot onder de indruk toen hij zag hoe al de pogingen ijdel bleken, voorzag toen vastberaden in tal van manieren om hem ter dood te brengen. (43-44) Hem pletten met een olifant, met de gifslangen van de koning aanvallen, met toverspreuken de verdoemenis afroepen, hem van grote hoogten werpen, trucs verzinnen, hem opsluiten, gif toedienen en onderwerpen aan uithongering, koude, wind, vuur en water en met het uitstorten van rotsblokken, was de demon niet in staat zijn zoon, de zondenloze, ter dood te brengen en met het in dat lang volgehouden pogen mislukt zijn verkeerde hij in grote zorgen: 

(45) 'Van de overmaat aan deze onheilige uitingen en de verschillende manieren uitgedacht om hem te doden, van al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht! (46) Mij zo nabij en enkel maar een kind is hij niettemin onwankelbaar nergens bang voor; net zoals een geslagen hond altijd zijn staart zal krom houden, zal hij nooit mijn wandaden vergeten. (47) Ongetwijfeld zal deze grenzenloze heerlijkheid en onvergankelijkheid van zijn, van welke kant belaagd ook, voor niets en niemand bang zijn, vroeg of laat de reden van mijn dood zijn.'

(48) Aldus liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van de leraar der voorschriften, spraken toen in verholen bewoordingen tot hem. (49) 'Door u alleen overwonnen beven al de leiders van de drie werelden vol van angst voor het heffen van uw wenkbrauwen; u hebt van hem niets te vrezen o meester, noch zien we in waarom u zich eigenlijk zorgen zou moeten maken over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind.  (50) Houd hem, totdat onze goeroe S'ukrâcârya er weer is, vastgebonden met de touwen van Varuna zodat hij, bang, er niet vandoor gaat; geholpen door de meer ervarenen zal de intelligentie wel komen als zijn persoon wat ouder is.' 

(51) Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en aldus werd Prahlâda praktisch onderricht over wat de burgerdeugden waren van koningen.  (52) De formele plicht, de economie en het reguleren van het verlangen werden keer op keer systematisch aan Prahlâda uiteengezet o Koning, die evenzo nederig was als onderworpen [vergelijk B.G. 14: 20 & 26]. (53) Wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen - de opvoeding die hij kreeg van mensen die putten uit een opgelegde dualiteit, beschouwde hij niet als een werkelijk goede instructie [vergelijk 6.3: 20-25]. (54) Als de leraren druk waren met hun eigen burgerplichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om op hem een beroep te doen. (55) Hij, de grote intelligentie, sprak dan tot hen, hen in aangename bewoordingen glimlachend en geleerd uitleggend hoe genadevol het is om bij God te blijven. (56-57) Zij, de jongens die hun speelgoed opgaven, raakten dan allen, oprecht vol van bewondering voor zijn woorden, geestelijk bevrijd van de aanwijzingen en de vorming door hen [de leraren] die er genoegen in schiepen in termen van tegenstellingen te spreken. Ze zaten om hem heen o Koning van de macht, met hun harten en ogen vrijgemaakt op hem gevestigd die vol van medeleven sprak als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol van toewijding.

 

 

Hoofdstuk 6

Prahlâda Instrueert Zijn Asura Schoolvriendjes

(1) S'rî Prahlâda zei: 'Vanaf zijn kindertijd behoort een persoon die van intelligentie is het dharma te beoefenen van toegewijde dienst aan de Heer [zoals beschreven in 7.5: 23-24]; geboorte nemen in dit menselijk bestaan is een tijdgebonden iets wat zelden wordt bereikt en wat doortrokken is van betekenis. (2) Die weg [van betekenis] is van een levend wezen hier inderdaad het benaderen van de voeten van Vishnu omdat dit de meest geliefde en beste van alle levenden, de Meester van de Ziel aangaat [zie ook 3.25: 38 en B.G. 5.: 29]. (3) Door goddelijke beschikking is gelukkig zijn met het sensuele, o Daitya's, overal beschikbaar voor alle wezens verenigd met een materieel lichaam, net zoals er het ongelukkig zijn is zonder dat men er om vraagt. (4) Daarvoor bestaat er geen noodzaak je in te spannen, men zou slechts zijn leven verspillen, en het is ook niet nodig je erover te verlustigen; het uiteindelijk levensdoel zijn de lotusvoeten van Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (5) Derhalve moet een nadenkend persoon zolang als hij [van ouderdom] nog niet verstek laat gaan, nog steeds ferm en krachtig is, uit zijn op het ware voordeel van [Mukunda in] het hebben van een materieel leven in een lichaam. (6) Van de honderd jaar die iedere persoon voor zijn leven heeft is een persoon in dienst van zijn zintuigen daadwerkelijk de helft van zijn tijd aan het verspillen daar men de halve dag gehuld in duisternis slaapt in onwetendheid. (7) In zijn jeugd is men onnozel, als een jongen is men met spelen bezig en aldus verstrijken een twintigtal jaren en nog eens twintig jaren verstrijken waarin men niet meer in staat is tot als men fysiek onvermogend is van ouderdom. (8) En verbijsterd door enorme materiële lusten die nimmer kunnen worden bevredigd is hij die overmatig gehecht is aan familiezaken als een dwaas de rest van zijn leven aan het verspillen. (9) Welke man is in staat om zichzelf te bevrijden die, gehecht aan huis en haard, met handen en voeten is gebonden door de touwen der genegenheid, en zo zijn zinnen niet meer in bedwang heeft [zie 1.2: 6-7]? (10) Wie, die er daadwerkelijk van uitgaat dat geld verdienen belangrijker is dan te leven [in toewijding en dankbaarheid], zou ertoe in staat zijn dat vergaren op te geven waarvoor de handelaar, de dief en de wetsdienaar hun leven in de waagschaal leggen? (11-13) Hoe kan men er mee ophouden in het privé omgang te hebben met de zo liefhebbende echtgenote die zoveel plezier geeft; hoe kan men niet met wijze woorden de gezinsleden ondersteunen die gebonden zijn aan hun genegenheid of welke persoon zou zich niet aangetrokken voelen tot het gebrabbel van zijn kinderen? Met je zonen en getrouwde dochters, broers, zussen en afhankelijke ouders vooropgesteld in het hart, met al de zaken van de huishouding van mooie meubeltjes, een goed inkomen en alle huisdieren en de groepen van bedienden en helpsters in de huishouding die verbonden zijn met de familie, hoe kan men het daarmee opgeven; als een zijderups is men begeertig druk met allerlei soorten van activiteiten in verlangens die nooit te bevredigen zijn met het vooropstellen van de geslachtsdelen en de tong als het belangrijkste; hoe kan men van zo een gigantische illusie afzien? (14) Zijn hele leven denkt hij met geen haar op zijn hoofd eraan om zich te weerhouden van het onderhouden van zijn gezin; verdwaasd de ware bedoeling bedervend en op alle fronten op de drievoudige manier [zie 2.10: 8] in moeilijkheden, heeft hij er geen spijt van eenvoudigweg van zijn gezin te genieten. (15) Met een geest gericht op weelde en bekend met de fout van het bedriegen ter wille van de centen in deze wereld is hij niettemin na gestorven te zijn gebonden aan deze materiële wereld [door Yamarâja opnieuw geboorte nemend] daar hij, al te verzot op zijn geliefden, nimmer in vrede met zijn verlangen, zich op een rooftocht bevond zonder zijn zinnen te beheersen. (16) Hoewel men er weet van heeft, o zoons van Danu, is men er druk mee bezig de familie in ruimere zin te onderhouden terwijl men tegelijkertijd er niet in slaagt het ware zelf te begrijpen met het de mist ingaan met een, net als bij de dieren, vervreemd zijn in een "mijn" en '"dijn" begrip van het leven. (17-18) Omdat nooit, niemand, waar of wanneer dan ook met een gebrek aan kennis ook maar enigszins zal uitmunten in de kunst zichzelf te bevrijden van het als een seksueel troeteldier uitzijn op de lust en van het zijn van iemand uit wiens gehechtheid hele families tot stand komen, moeten jullie, mijn daitya vrienden in dezen je verre houden van het schuilen met de demon die al te verslaafd is aan zinsgenoegens; in plaats daarvan moet men tot Heer Nârâyana reiken, de oorspronkelijke godheid, die middels de omgang met bevrijde zielen de verlangde weg der bevrijding uitstippelt. (19) Het heeft werkelijk niet veel om het lijf om de Onfeilbare tevreden te stellen, o asura zonen, omdat in deze wereld van alle wezens die zo dicht bij de ziel leven alle wegen al gebaand zijn [vergelijk B.G. 14: 3-4]. (20-23) Vanbinnen de wezens hoog en laag, beginnend bij het eenvoudigste plantenleven tot aan Brahmâ het meest vooraanstaande wezen; vanbinnen de enkele transformaties van de elementen zowel als met het totaal van de materiële energie; met de geaardheden der natuur in een staat van evenwicht alsook in een staat van beroering, is Hij, de Enige Echte der bovenzinnelijkheid, inderdaad de oorspronkelijke bron die de Allerhoogste Heer, de Beheerser is die zelf geen verval kent. Met het oorspronkelijke van Zijn positie vanbinnen en met Zijn persoonlijke manifestaties is Hij het doorvarene dat moet worden beschreven en het ongedifferentieerde allesdoordringende dat iedere beschrijving tart. Hij is het geheel, zuiver en volkomen, wiens gedaante vol van verrukking en kennis is, de Allerhoogste Heerser overdekt door de begoochelende energie op wiens onbegrensde weelde men zich verkijkt met de geaardheden der natuur. (24) Toon derhalve genade voor alle levende wezens; met een vriendelijke houding zullen zij die van de oppositie zijn, de Asura's, het opgevend op die manier te leven, de Heer voorbij de Zinnen tevreden stemmen [zie ook B.G. 12: 13-20]. (25) Als Hij, de Eeuwige en Oorspronkelijke, voldaan is is er niets dat men niet kan bereiken; welke noodzaak zou er bestaan voor hen die aldus van dienst zijn in deze wereld geregeerd door de geaardheden, om te werken voor een plichtsbesef [met het reguleren van de lusten, de economie en de religie] dat als vanzelf [op de toewijding] volgt. Waarom zouden wij, van boven de geaardheden, van verlangen zijn als we ten faveure van Zijn kwaliteiten het genoegen smaken van de essentie van de Heer Zijn voeten? (26) De drie voorgeschreven wegen van dharma, kâma en artha die zo gedekt zijn, maken de zelfverwerkelijking, de ceremoniën, de logica, de orde en het gezag en de verschillende soorten van beroepen uit die ik alle beschouw als de waarheid [aan de oppervlakte] die iemands lesje vormt; het is iemands volledige overgave aan de Allerhoogste Vriend wat voert tot de uiteindelijke persoonlijkheid [vergelijk 1.2: 8]. (27) Deze kennis die vrij is van materiële smetten is hoogst lastig te doorgronden. Ze werd door Heer Nârâyana uitgelegd aan de zekere vriend van alle mensen Nârada terwille van al degenen die [via hem] uitsluitend van overgave zijn aan Hem, de Allerhoogste Heer; geen materieel bezit claimend, kan dat begrip worden bereikt, daar hun lichamen baadden in het stof van de lotusvoeten. (28) Deze spirituele kennis betreffende het bhâgavata dharma [de negen van toegewijde dienst aan de Heer] werd tezamen met haar praktisch gebruik in al zijn zuiverheid voorheen aan mij uitgelegd door Nârada die de Heer altijd voor ogen heeft.'

(29-30) De daitya zonen zeiden: 'Prahlâda, een kind als jij zowel kinderen als wij kennen geen andere leraren die de controle over hen hebben dan de twee zonen van S'ukrâcârya. In het paleis verblijvend moet het moeilijk zijn een dergelijke superieure associatie te vinden; alsjeblieft neem de twijfel weg, o zachtgeaarde, over hoe we daar geloof aan kunnen hechten.'

 

Hoofdstuk 7

Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

(1)  Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira, zie 7.1: 13]: 'Aldus verzocht door de daitya zonen sprak hij, de Asura die zo'n grote toegewijde van de Heer was, lachend tot hen, zich herinnerend wat ik hem had gezegd. (2) S'rî Prahlâda zei: 'Toen onze vader vertrok naar Mandarâcala voor zijn boetedoeningen, spanden de goddelijken zich buitengewoon in met een oorlog tegen de Dânavâ's. (3) 'God zij dank wordt vanwege zijn eigen zonden de zondaar, die voortdurend iedereen onderdrukte, nu als een slang door de mieren aangevreten [zie: 7.3: 15-16]', zo zeiden zij die van Indra waren. (4-5) Horende hoe door hun buitengemeen vertoon van geweld de een na de ander door hen werd gedood, vluchtten de Asura leiders in angst in alle richtingen. In hun grote haast en verlangen om in leven te blijven vergaten ze hun vrouwen, kinderen en weelde, huizen, verwanten, dieren en de zaken van hun huishouding. (6) In de roes der overwinning plunderden de Sura's het paleis van de koning, terwijl Indra bij die gelegenheid de koningin, mijn moeder, te pakken kreeg.

(7) De devarishi die daar toevallig ter plekke arriveerde zag hoe ze op straat weggevoerd in grote angst het uitschreeuwde als een kurarî [een havik]. (8) Hij zei: 'O Koning der Sura's, je moet deze hier niet met je meeslepen, ze is onschuldig, laat haar nu meteen gaan, o grootste van het geluk, ze is de kuise echtgenote van iemand anders!'

(9) Indra zei: 'Ze draagt het zaad van de sura vijand in haar baarmoeder, laat haar in onze hechtenis totdat ze baart. Als dat doel bereikt is zal ik haar vrijlaten.'

(10) Nârada zei: 'Er schuilt geen kwaad in dit kind, u moet hem zien als een toegewijde, de allerbeste zelfs; hij, zo'n doorgewinterde toegewijde, zal niet door uw hand de dood vinden.'

(11) Aldus tot hem sprekend, liet Indra uit respect voor de devarishi zijn woorden, uit respect voor iemand geliefd bij de Eeuwige, haar vrij. In toewijding omliepen ze haar en keerden toen terug naar hun hemel. (12) Daarna nam de rishi mijn moeder mee naar zijn âs'rama haar toevertrouwend: 'Blijf hier mijn kind, totdat je echtgenoot er weer is.' (13) Zoals hij had gezegd leefde ze aldus met de devarishi waarbij ze niets uit welke richting ook maar te vrezen had voor zolang als de boetedoening van de daitya leider nog niet was afgerond. (14) Voor het welzijn van het kind, waarvan ze in verwachting was, was de trouwe vrouw in haar verlangen het ter wereld te brengen, aldaar Nârada van dienst met grote toewijding. (15) De rishi als de man die het voor het zeggen had gaf mededogend haar, in feite ons beiden, onderricht over de waarheid van het dharma en de spirituele kennis, het met name voor mij uiteenzettend zonder ook maar een spoortje van materieel belang [vergelijk 1.2: 7]. (16) Dat alles werd inderdaad omdat het zo lang geleden plaatsgreep en vanwege mijn moeder's vrouwelijke dispositie door haar vergeten, maar ik, gezegend door de wijze, deed dat niet en tot op de dag van vandaag heeft de herinnering eraan me niet verlaten [zie ook B.G. 9: 32]. (17) Jullie zelf ook kunnen dat van mij meekrijgen als je geloof hecht aan mijn woorden; gegeven een vast geloof is de intelligentie van de allerbesten er net zo goed voor vrouwen en kleine kinderen als ze er voor mij is [zie ook B.G. 18: 55]. (18) Zoals in de loop van de tijd door de Beheerser aller Bestaansvormen met bloemen en vruchten de gedaante van een boom kan worden waargenomen, kunnen met iemands lichaam de zes bestaanstoestanden worden waargenomen [van geboren zijn, bestaan als een persoon, groeien, transformeren, wegkwijnen en dood gaan] die men vanaf zijn geboorte ondergaat, maar dat is niet van toepassing op de ziel [zie ook B.G. 2: 20]. (19-20) De ziel is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, het individuele, de kenner van het veld, het oorspronkelijke vertrekpunt, het onveranderlijke, zelf-verlichtte, de eigenlijke oorzaak, de alles doorvarende, onafhankelijke en onbeweeglijke. Door deze twaalf levenstekenen van de ziel wordt een bewust persoon er toe aangezet het valse begrip van 'ik' en 'mijn' op te geven dat zijn oorsprong heeft in de illusie van alles wat hoort bij het hebben van een lichaam [zie ook 6.4: 24]. (21) Net zoals goud opgesloten in allerlei gesteente, dat door de gouddelvers op verschillende manieren gewonnen wordt in de goudmijnen, door deskundigen er met gemak wordt uitgehaald, kunnen vanuit de velden der organische lichamen [zie ook B.G. 13: 1-4] dienovereenkomstig door spirituele methoden de experts in het onderscheid tussen geest en materie het brahmaanse doel naar boven halen. (22) De leraren van het voorbeeld spreken van acht soorten materiële energie [B.G. 7: 4] waarbij er sprake is van precies drie geaardheden en welgeteld zestien modificaties [bewustzijn, zinnen van waarnemen en handelen en de elementen, zie tevens 1.3: 1]; het is het individuele levende wezen, de persoon, die ze allen met elkaar verbindt. (23) Het lichaam dat, zich rondbewegend en op zichzelf bestaand, enkel een combinatie is van hen allen tezamen is aldus van deze tweevoudigheid en in die aangelegenheid is het [het oorspronkelijke van] de persoon waar men naar uit moet zien met het zeggen van 'noch dit, noch dat' [neti neti], wat de manier is om het op te geven met wat niet de ziel is. (24) In contact met de materie en er los van staand zijn, als ze met de bedachtzaamheid met de ziel gezuiverd zijn door gerijpt onderscheid, alzo zij die het ernstig menen terughoudend met het analyseren van de schepping, de vernietiging en het behoud. (25) Van de intelligentie zijn er de toestand van het waken, het dromen en de diepe slaap; Hij door wie deze verschillende modaliteiten worden waargenomen, Hij die los staat van alles, is de Oorspronkelijke Persoon der Transcendentie. (26) Men moet de uitgangspositie van de ziel begrijpen in het uit intelligentie [neti neti] weerleggen van de verdeeldheid voortkomend uit de uiteenlopende werking van de drie geaardheden der natuur, die zijn als geuren die worden meegevoerd door de lucht [zie tevens B.G. 3: 42]. (27) Deze oceaan van materie wortelend in onwetendheid die zonder een eigen betekenis is, is van het levende wezen de deur waarachter hij in beslag is genomen door de werkzame geaardheden der natuur, net zoals men gevangen is in een droom.

(28) Daarom uit de grond van je hart moeten jullie de zaden van al het karma van het geconditioneerd zijn door de geaardheden der natuur zien te verbranden, in de yoga het stopzetten realiserend van de stroom van het bewustzijn. (29) Daartoe is van de duizenden processen dit hier, zoals geboden door het hoogste der toewijding [middels de Heer en de toegewijde] in relatie tot de Allerhoogste Beheerser, het ene proces dat, eenmaal gevolgd, de kalmte snel teweegbrengt [zie ook B.G. 18: 66, en de voetnoot]. (30-31) Besteed op de goede manier met geloof en toewijding aandacht aan een goeroe, draag alles op wat je hebt verworven, wees van omgang met het heilige en het toegewijde en van aanbidding voor de Beheerser, sla acht op de lezingen van belang, zing over Zijn kwaliteiten en handelingen, mediteer op de voeten en leef de regels na met het oefenen van respect voor de beeltenissen. (32) Hari, de Allerhoogste Heer bevindt zich in alle levende wezens; het van de grootste achting zijn voor al die schepselen en voor wat hen beweegt maakt dat men de Allerhoogste Beheerser begrijpt. (33) Aldus de zes symptomen [der sensuele zwakheid: lust, woede, begeerte, illusie, waanzin en jaloezie] eronder gekregen hebbend, levert men toegewijde dienst aan de Beheerser, Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, waarmee men de vrede en liefde verwerft. (34) Als men verneemt over de ongebruikelijke handelingen en macht van Zijn optreden en Zijn kwaliteiten zoals aan de dag gelegd in het spel en vermaak van Zijn verschillende verschijningen, zullen van de grote vreugde de haren overeind staan en zijn er tranen, een haperende stem en hardop, luidkeels zingen, roepen en dansen. (35) Zoals wanneer men door een geest is bezeten, is er soms lachen, zijn er kreten, meditatieve stemmingen, respectbetoon jegens andere levende wezens, lang volgehouden zwaar ademen en zijn er uitingen in de trant van: 'O Heer, Meester van de Wereld, Nârâyana!'; aldus is men vrij van schaamte verzonken in gedachten over het Ware Zelf. (36) Als men zo bezig is raakt men, aldus denkend in liefde over het uiteindelijke, bevrijd van alle obstakels op zijn weg en komt men naar lichaam en geest in harmonie; het o zo krachtige zaad van het verlangen is dan opgebrand door het beoefenen van de bhakti waardoor men de Ene Boven Alles bereikt. [**]. (37) Voortdurend in contact staand met Hem, Adhokshaja, wordt de besmette geest van een belichaamd wezen in deze wereld en de kringloop van zijn materiële bestaan een halt toegeroepen; zij die gevorderd zijn hebben weet van die geestelijke hemel van gelukzaligheid en daarom, uit het diepst van je hart, zing in toewijding voor de Ware Beheerser van je hart [zie tevens B.G. 18: 54].

(38) En wat zou daarvan het probleem zijn, o asura zoons; wat zou in iemands eigen beoefenen van het altijd een plaats voor Hem in het hart hebben, met Hem altijd daar als de Ziel voor je ziel en de Onbegrensde Vriend, er nou helemaal de noodzaak van zijn om te voorzien in alles wat het zingenot zoal vereist [vergelijk 7.6: 19 en B.G. 9: 26]? (39) Weelde, vrouwen, je dieren, kinderen en dat alles, huizen, land, olifanten, een schatkist, al de luxe, al die economie en zinsbevrediging gaat voor hem wiens leven maar kort is, hij die onvermijdelijk komt te overlijden, in een ogenblik verloren; hoeveel plezier kan zo een tijdelijk iets nu brengen? (40) Evenzo zijn de hogere bestemmingen die door grote offers worden bereikt, allen vergankelijk, hoeveel meer comfortabel ze ook mogen wezen; ze zijn niet vrij van verstoringen en daarom is Hij, van wie men nog nooit van enige fout of misser heeft gehoord, met de bhakti zoals uiteengezet, de Allerhoogste Heerser om te aanbidden voor de zelfverwerkelijking [zie ook B.G. 8: 16]. (41) Van een materieel weten dat er is voor het doel van de vele activiteiten in deze wereld, denkt men van zichzelf dat men zeer hoog ontwikkeld is, maar keer op keer bestaat het onvermijdelijke resultaat van een mens die zo tewerk gaat eruit dat hij uitkomt op het tegenovergestelde. (42) De vastbeslotenheid van de karmi [de persoon zwetend voor resultaten] om gelukkig te zijn, om hier bevrijd te raken van de ellende, is een ambitie die altijd leidt tot het ongeluk dat het [duurzame] geluk verhult dat volgt op het niet najagen van het geld. (43) De dingen die het leven gemakkelijk maken en waar men op zint in de geplande handelingen terwille waarvan het levend wezen de wereld betrad, resulteren inderdaad in het fysieke lijf dat men heeft, maar vergankelijk als het is, is het iemands vijand als men het wil laten voor wat het is als men de geest wenst te huldigen. (44) Wat valt daar nog aan toe te voegen; uiteindelijk is men gescheiden van de kinderen, de vrouw, het huis, de weelde en dat alles, het territorium, de vergaarde rijkdom, de olifant, de staatslieden en de bedienden en verwanten, die allen tezamen de zetel vormden van de eigenwaarde. (45) Wat voor waarde heeft dit alles voor de ziel? Triviaal als ze zijn doen deze zaken zich met het vergankelijke lichaam voor als zijnde noodzakelijk, maar voor de oceaan vol van de nectar van het eeuwige geluk hebben ze geen nut.

(46) Het moge duidelijk zijn dat al wat iemand in een materieel lichaam in deze wereld doet terwille van zijn persoonlijke voordeel, o asura zonen, beginnend met het zich verlustigen over de seks, met het tijdelijke leidt tot het zware lijden dat het resultaat is van de werklast van iemands karma. (47) Het karma voor iemand die belichaamd is begint met het lichaam dat men verwierf als gevolg van de manier waarop men tewerk ging; als gevolg van dat karma verwerft men dan een volgend lichaam, en die herhaling heeft men dan inderdaad te danken aan de eigen onwetendheid. (48) Daarom hangt al het reguleren van iemands inkomen en verlangen naar zinsbevrediging zowel als de religie die erbij komt kijken af van de verheerlijking van de Ziel die boven de ziel staat, de Heer der goddelijke onverschilligheid die de Beheerser is [van de Tijd en het karma]. (49) Van alle levende wezens is Hij de Heer, de oerbron, Hij die de touwtjes in handen heeft, de Geliefde, die door Zijn verschillende energieën hen geschapen heeft in Zijn bestaan als de Individuele Ziel van alle individuele bestaansvormen tezamen. (50) Of men nu een god of een duivel is, een mens of een geest, of een zanger van de hemel, met het leveren van dienst aan de voeten van Mukunda raken we allen gelijkelijk vervuld van al het Zijne! (51-52) Een perfecte brahmaan te zijn, een fijnbesnaarde godbewuste persoon, of een heilige, o asura nazaten, zal niet afdoende zijn om Mukunda te behagen, en ook niet goed gedrag en veel geleerdheid. Noch volstaan liefdadigheid of verzakingen, aanbidding, reinheid of geloften; de Heer wordt tevreden gesteld door ondubbelzinnige, toegewijde dienst, de rest is maar uiterlijk vertoon [zie ook B.G. 9: 30 en 1.2: 8]. (53) Hou je daarom in relatie tot Hari, de Opperheer, bezig met de bhakti o dânavâ zonen, daar Hij, alomtegenwoordig als de Ziel en Beheerser van alle levende wezens, gelijk je eigen zelf is. (54) O Daitya's, de geesten en demonen, de vrouwen en de arbeiders, de koeherders, de vogels, de dieren en alle zondaren, kunnen zonder twijfel allen komen tot en deel uitmaken van de kwaliteiten van de Onfeilbare, van Acyuta [zie ook B.G. 4: 9]. (55) Van het levend wezen in deze wereld beschouwt men zoveel als zijnde het ware bovenzinnelijke eigen-belang: om op een ondubbelzinnige wijze Govinda van dienst te zijn [Hij als de zegen der koeien] die men in allen en alles herkent [zie ook bhajan 1 en 2].

*: Bij dit vers bestaat een ander belangwekkend vers uit de S'vetâs'vatara Upanishad 6.23 :

yasya deve parâ bhaktir
yathâ deve tathâ gurau
tasyaite kathitâ hy arthâh
prakâs'ante mahâtmanah

"Jegens die grote zielen die er een impliciet geloof op na houden in zowel de Heer als de geestelijk leraar, wordt de gehele strekking van de Veda's automatisch onthuld. "

* *: S'rîla Madhvâcârya schrijft als volgt:

tad-bhâva-bhâvah tad yathâ svarûpam bhaktih
kecid bhaktâ vinrityanti gâyanti ca yathepsitam
kecit tushnîm japanty eva kecit s'obhaya-kârinah

'De extatische conditie van de toegewijde dienst werd in zijn geheel door S'rî Caitanya Mahâprabhu vertoond, die somtijds danste, soms huilde, dan weer zong, zich soms stil hield, en dan weer de heilige namen van de Heer zong. Dat is het volmaakt spiritueel bestaan.'

 

Hoofdstuk 8

Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord accepteerde het gehoor van de daitya zonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen onderwezen. (2) Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie zich had gevestigd op dat ene onderwerp van aandacht, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was. (3-4) Trillend van woede over zijn hele lichaam en met een geest vastbesloten zijn zoon te doden wees hij Prahlâda terecht, die helemaal niet beschuldigd zou moeten worden, waarbij hij met de wreedste bewoordingen hem furieus met een kwaaie blik bejegende omtrent zijn overtredingen. Hij, zo zachtgeaard en ingetogen, had zijn handen voor zich gevouwen met hem voor zich die aan het sissen was als een gifslang waar men op had getrapt.

(5) Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze, allerdomste, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat van mijn gezag afwijkt, vandaag zal ik je naar Yamarâja sturen. (6) Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders in angst voor mij; met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij idioot?' [vergelijk B.G. 9: 31].

(7) Prahlâda zei: 'Voorwaar is Hij, de Sterke der Sterken niet enkel de mijne of de uwe, o Koning; Hij is eveneens het verhevene van alle andere onderworpenen die zich rondbewegen of zich niet bewegen, en die Hij, te beginnen bij Heer Brahmâ, onder Zijn controle heeft gebracht. (8) Hij de beheerser, de tijdsfactor, is de unieke Heer die die ene kracht van de geest en het leven is, het stabiele van iemands fysiek vermogen en de zinnen; Hij, de Ware van het zelf, is met al Zijn vermogens waarlijk de Allerhoogste Ene Meester der natuurlijke geaardheden die schept, handhaaft en het hele universum weer terugroept. (9) Geef enkel de asura manier van doen op. U, voor uzelf, weest gelijkgezind, op het pad der vergissingen bestaat er geen andere vijand dan de onbeheerste geest, een probleem waarvoor de onbegrensde Heer de beste remedie is. (10) Vroeger waren er plunderaars die niet van beheersing met de zes vijanden [de geest en de vijf zinnen] alles wegstalen. Ze zagen zichzelf als mensen die al de tien windrichtingen hadden weten te veroveren, maar waar zijn dan die vijanden geschapen in de eigen begoocheling met een heilige die alle levende wezens gelijkgezind is?'

(11) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk zoek je, zo onbeperkt opsnijdend, de dood; het is duidelijk dat de woorden van mensen die op het punt staan te sterven onzinnig zijn, stomme ezel die je bent. (12) O ongelukkige, Hij die je naast mij beschreef als de heerser van het universum, waar is die nu te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier voor mij? [zie tevens B.G. 7: 25] (13) Laat Hem, die Heer die je verkoos als je beschermer, je maar eens beschermen als ik dadelijk het hoofd van de romp zal scheiden van iemand als jij, die een dergelijke onzin uitkraamt.'

(14) Aldus met een stroom van scheldwoorden zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, van zijn troon opstaand en zijn zwaard ter hand nemend, met zijn harde vuist tegen een pilaar. (15)  Op datzelfde moment was er van binnenuit een hoogst beangstigend geluid te horen alsof de schaal van het universum openbarstte. Dat geluid, dat zover reikte als tot waar de goddelijken van Heer Brahmâ zich ophielden, mijn beste, deed hen geloven dat de vernietiging van hun woonsteden op handen was. (16) Hij, die het in zijn machtsvertoon verlangde zijn zoon te doden, hoorde het luide gerucht dat men nog nimmer had gehoord en stond met de aanwezige vergadering stomverbaasd over het feit dat men niet kon uitmaken waar het vandaan kwam, en zo raakten allen die aan de macht waren zeer door angst bevangen. (17) Om de waarheid gestand te doen van de woorden uitgesproken ter verdediging van Zijn alomtegenwoordigheid die alles en iedereen doorvaart, kon men zien hoe zich van Hem in een pilaar in het midden van de vergaderzaal een hoogst wonderbaarlijke gedaante manifesteerde, die noch dierlijk noch menselijk was. (18) Hij, het van alle kanten bekijkend, zag hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam, en niet in staat uit te maken of het een dier dan wel een mens betrof zei hij versteld: 'Wat is dit voor een gedaante half een mens en half de koning der dieren?'

(19-22) Terwijl hij het wonder dat recht voor zijn ogen plaatsgreep overdacht, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had lichtende ogen als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Hij zwaaide met Zijn tong scherp als een scheermes, starend met een afschuwelijke grimas. Zijn oren stonden recht overeind en Zijn wijd open mond en neusgaten verbazingwekkend opengesperd als een berggrot, besloeg de hemel. Zijn lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Gelijk de stralen van de maan was Zijn lichaam overdekt met witte haren en honderden van armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, trefzekere nagels als wapens in combinatie met Zijn overige persoonlijke wapens. Voor die uitnemendheid geplaatst sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht. (23) 'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me ter dood te brengen, maar wat heeft dat gedoe nu voor een nut?' dacht Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf, en zijn wapen oppakkend wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen. (24) Net als een insect dat men in het vuur gevallen niet meer kan zien, verdween hij, de Asura, in de gloed van Nrisimha; iets wat op dat moment werkelijk niet zo verwonderlijk was daar Hij vanuit de gloed van Zijn eigen goedheid voorheen reeds de duisternis van de schepping had opgeslokt. (25) Daarna tot de aanval overgegaan sloeg de grootste der demonen verwoed met zijn knots in op Nrisimhadev, zijn macht bewijzend door Hem met geweld in gang te zetten, maar de Heer die eveneens van een knots was voorzien, greep hem precies zoals de zoon van Târkshya [Garuda] dat zou doen met het vangen van een grote slang. (26) Toen hij, de Asura, uit Zijn handen glipte met het spelletje dat Hij, net zoals Garuda dat met een slang doet, met hem aan het spelen was, dachten de goddelijken en de heersers van de hemel wiens plaatsen hij had ingenomen, vanachter de wolken dat het verkeerd afliep, o zoon van Bharata. (27) Denkend dat Hij, omdat Hij hem had laten gaan, bang was voor zijn vertoon van mannelijkheid, viel de machtigste der demonen, die na een pauze in de strijd zijn zwaard en schild weer oppakte, met veel geweld Nrisimhadeva opnieuw aan. (28) Toen hij snel als een havik met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard op en neer aan het maneuvreren was om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, die toen ie z'n ogen even dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen. (29) In protest met zijn ledematen tegenstribbelend om weg te komen plaatste de Heer hem, wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, als een slang of muis over de rand van Zijn dijbeen en doorboorde Hij hem met Zijn nagels met het gemak van Garuda die een adder te pakken neemt. (30) Hij met Zijn beangstigende, woedende blik was moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek als was Hij een leeuw die zojuist een olifant gedood had. (31) Het hart had Hij met Zijn gepunte nagels er geheel uitgerukt en terzijde geworpen, en de duizenden ondergeschikten die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze armen. (32) Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken; de wateren en oceanen getroffen door Zijn ademen ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit. (33) Met het opwerpen van Zijn haren gleden de hemelwagens die in de lucht samendromden van hun plaatsen, de aarde schudde onder het zware gewicht van Zijn voeten, Zijn niet te weerstane kracht bracht de bergen en heuvels in beweging en door Zijn gloed was er geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

(34) Daarna had Hij, in de vergaderzaal gezeten op de hoogste zetel der mensen met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, niemand meer tegenover zich, noch iemand om Hem de eer te bewijzen. (35)  Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de koppijn der drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opklarende gezichten en lieten de vrouwen van de halfgoden onophoudelijk een regen van bloemen neerdalen. (36)  Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn en werden trommels en pauken geslagen en werd er gezongen en gedanst door de grootste zangers en engelen van de hemel. (37-39) Daar verzamelden zich al de goddelijken, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts der wetenschap en de grote slangen [ego's]; de stamvaders kwamen allen, de leiders der mensheid, de ingezetenen van de hemel en de besten der engelen alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaakten en de aapachtigen, o mijn beste. Zo kwamen er ook de spotgeesten [de komedianten, de barden], de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen benaderden zij ieder Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

(40) Brahmâ zei: 'Ik buig me voor U neer, o Ondoorgrondelijke, Onbegrensde; met al Uw macht en vermogen en het Zuivere van Uw handelingen bent U van het Universum de schepping, de handhaving en de vernietiging die met de geaardheden speels tewerk gaat zonder zelf ooit te veranderen.'

(41) Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager der toegewijden.'

(42) S'rî Indra zei: 'Ons aandeel van de offers is door Uwe Heerlijkheid teruggewonnen die ons beschermde, o Allerhoogste; hoe zeer getroffen door de Daitya waren onze lotusgelijke harten die in werkelijkheid Uw verblijfplaats zijn. Helaas, o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt hem verlicht ter wille van de toegewijden in Uw dienst zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders, o Nrisimhadeva, zou, de zichtbare wereld inderdaad als niet zo belangrijk beschouwend, voor hen van nut zijn? '

(43) De achtenswaardige heiligen zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld ter lering van onze verzakingen. Bij de macht van Uw zelf wordt deze wereld, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, geschapen, gehandhaafd en weer in U opgenomen. Dat alles werd door deze onwijze ziel weggekaapt maar is nu, o Toevlucht der Behoeftigen, door de bescherming van Uw belichaming met Uw zegen naar ons teruggebracht. '

(44) De eerbare voorouders zeiden: 'De duivel die met geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, hij die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, door zijn ingewanden met de nagels van Uw hand te doorboren, bereikten deze offers hun juiste bestemming; Hem brengen wij onze eerbetuigingen die de universele beginselen der religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens.'

(45)  De vervolmaakten zeiden: 'Die persoon hoogst onbeschoft en oneerlijk die het doel van onze vervolmaking in de yoga in de weg stond en die bij machte van zijn verzaking en boete zo trots was op zijn rijkdom, is door Uw nagels uiteengereten; voor Hem, voor U, verbuigen wij ons, o Nrisimha.'

(46) De specialisten van de wetenschap zeiden: 'Onze formules die men ieder met een verschillende manier van concentreren bereikt, werden gedwarsboomd door deze dwaas zo opgeblazen over zijn kracht en kunnen; Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, aan Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven, voorzeker voor altijd verplicht.'

(47) De slangenmensen zeiden: 'Die grootste der zondaren die onze juwelen en vrouwen wegkaapte; door zijn borst te doorboren bent U voor al onze vrouwen de Bron van al het Genoegen; moge er voor U ons eerbetoon zijn.'

(48) De achtenswaardige stamvaders zeiden: 'Wij, die de mensheid inspireren zijn de gezagdragers van Uwe Heerlijkheid die, wat betreft de morele richtlijnen en de klasse, werden geminacht, o Heer, door deze zoon van Diti; met het door U doden van deze schoft o meester, vertel alstUblieft ons, Uw eeuwige dienaren, wat we voor U kunnen betekenen.'

(49) De leiders van de mensheid zeiden: 'Wij, die de generaties voortbrachten stammen allen van U af, o Allerhoogste Beheerser, en niet van hem; de levende wezens die we op deze wereld gezet hebben werden door hem een leven ontzegd en hij die hier nu verslagen neerligt, heeft U de borst geklieft ter wille van het welzijn van de wereld middels de incarnatie van de gedaante Uwer Goedheid.'

(50) De muzikanten van de hemel zeiden: 'Wij, o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten, die onder het gezag werden geplaatst van het vuur en de kracht van zijn invloed. Hij, deze hier, is tot niets gereduceerd door U; wie zou er ook, voor Uw aanschijn, zo'n parvenu kunnen zijn?'

(51) De beroemdheden zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten zijn de enige toevlucht voor de bevrijding, wij zoeken ons heil daar omdat deze Asura, deze doorn in het oog van alle mensen, door U aan zijn einde werd geholpen.''

(52) De bewakers van de weelde zeiden: 'Wij, de meest vooraanstaanden onder Uw dienaren zullen hier en nu proberen U met onze dienst te behagen; door de zoon van Diti werden we gedwongen zijn draagstoel te dragen maar hij was de oorzaak van de armoe van alles en iedereen; daarom betuigen we U de eer, omdat U degene bent die hem aan zijn einde geholpen heeft, o vijfentwintigste principe [dat de tijd is, zie 3.26: 10-15].'

(53) De aapachtigen zeiden: 'We zijn maar onbeduidende Kimpurusha's o Heer van ons, echter, dit monster der zonde is door U afgeslacht nadat hij door de zoekers was vervloekt, o Allerhoogste Persoonlijkheid, Heerser over ons.' [zie ook: B.G. 4: 7-8]

(54) De barden van de koning zeiden: 'In grote bijeenkomsten en in de offerperken in zuiverheid de roem van Uw glorie bezingend hebben we de hoogste positie van respect verworven; dat slechte karakter die ons in zijn macht kreeg werd tot ons grote geluk door U ter dood gebracht, o Allerhoogste Heer, alsof hij een ziekte was.'

(55) De supermachtigen zeiden: 'O Heerser over ons, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren; door die zoon van Diti moesten we optreden zonder vergoeding, maar door U, o Heer, werd hij zondig als hij was om zeep geholpen, o Nrisimha, o Meester, alstUblieft wees er voor ons, voor het heil van ons geluk en ons welzijn.'

(56) De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderbaarlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de eeuwige toevlucht en het goede geluk van al de werelden en deze dienaar van de staat, o Beheerser, is, vervloekt zijnde door de geleerden [zie 7.1: 36-39], om die reden ter dood gebracht; wij verstaan dat als zijnde Uw bijzondere genade.'

 

Hoofdstuk 9

Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

(1) Nârada Muni zei [nog steeds tot Yudhishthhira]: 'Al de Sura's aldus vertegenwoordigd door Brahmâ en S'iva waagden het niet naar voren te treden daar Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was. (2) De Godin van het Geluk die op verzoek van de goden ermee werd geconfronteerd, kon, nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk zag, zoals nog nooit iemand voordien Hem had gehoord of gezien, ook niet in Zijn nabijheid komen daar ze zelf zeer bang was. (3) Prahlâda naar Heer Brahmâ toegebracht werd verzocht: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan en Hem gunstig stemmen daar hij zeer kwaad is over wat je vader heeft gedaan.'

(4) 'Zo zij het' zei hij en heel langzaam, o Koning, kwam de grote toegewijde, hoewel hij maar een kleine jongen was, stapje voor stapje in Zijn buurt en wierp hij zich languit voor Hem op de grond, gebeden brengend met gevouwen handen. (5) Met hem, zo'n kleine jongen, aan Zijn lotusvoeten neergevallen was de godheid zo genadevol hoogst ontroerd en met het heffen van Zijn lotushand die Hij op zijn hoofd plaatste, verdreef Hij uit alle geesten de angst over de slang van de tijd [naar zijn vier fysieke noodzakelijkheden van âhâra, nidrâ, bhaya en maithuna; eten, slapen, vrezen of verdedigen en paren]. (6) Hij vanwege die aanraking schoongewassen van alle onzuiverheden, vertoonde, in de omgang met de Superziel ofwel de werkelijkheid van Zijn lotusvoeten, vanuit een hart overweldigd en gegrepen door geestelijke verrukking, de symptomen der extase over heel zijn lichaam met tranen opwellend in zijn ogen. (7) Met zijn geest eenpuntig in grote concentratie en met een van liefde haperende stem, begon hij in de volle toewijding van zijn hart en geest gebeden voor de Heer op te zeggen.

(8) S'rî Prahlâda zei: 'Al de Sura's met Brahmâ aan het hoofd, al de heiligen zowel als de volmaakten van het spirituele leven eenpuntig in hun opzet, waren met hun woordenstromen tot dusverre niet in staat U te behagen, hoe gekwalificeerd ze ook zijn; hoe kan het zo zijn dat Hij, deze Heer, met mijn woorden dat wel is, terwijl ik slechts van een Asura geboorte ben? (9) Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen in het geheel niet bevredigen; zoals de Allerhoogste Heer met Gajendra [de olifant], is the Persoon der Bovenzinnelijkheid tevreden gesteld met bhakti. (10) Een geschoold iemand met de twaalf eigenschappen [als vermeld, zie ook*] die zich niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn leven wijdt aan het Uiteindelijke, daar hij met zijn geest en woorden en alles wat hij doet, zijn welvaart en leven en familie zuivert, terwijl dat niet zo is met degene die denkt vanuit vals prestige. (11) Wat iemand in zijn onwetendheid ook maar offert wordt vriendelijk aanvaard door de Allerhoogste Heer, daar dat voorzeker, met Hem die altijd gelukkig is van binnen, niet iets waar Hij persoonlijk op uit is; die aanbidding dient het belang van de toegewijde zelf, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht. (12) Het is om deze reden dat ik mezelf niet als ongeschikt moet beschouwen; in volle overgave aan de Heer zal ik naar mijn beste kunnen en inzicht op Zijn Heerlijkheid uitzijn, hoe laaggeboren ik ook ben; want met het onwetend betreden hebben van deze wereld is het beschrijven en bezingen van die heerlijkheid de manier voor een persoon om gezuiverd te raken [zie ook B.G. 18: 55]. (13) Ik ben er zeker van dat, in tegenstelling tot ons [Asura's], al deze volgelingen, zoals Brahmâ en zo meer, trouw en godvrezend zijn naar het principe van U die altijd van de goedheid bent o Heer, maar men stelt dat het voor de meerdere eer en glorie van Uw bescherming en verschaffing en het geluk van de ziel is dat U de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld manifesteerde. (14) Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde, zelfs de heiligen zijn gelukkig als een schorpioen of slang gedood wordt; de waarheid is dat al de werelden het genoegen gesmaakt hebben en dat zij allen, ernaar uitziend U te gedenken, afwachten hoe deze gedaante van U hun angsten zal bezweren. (15) Ikzelf ben niet bang, o Onoverwinnelijke, voor Uw angstwekkende mond, tong, schietende ogen en vertrokken gezicht, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden. (16) Maar ik ben wel bang, o genadevolle Zorgzame Vader, voor die onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor het feit van de ellendige omstandigheid van het leven tussen roofdiermensen te belanden, voor het feit gebonden te zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma, o Onoverkomelijke; wanneer zal ik, met U tevreden over mij aan Uw voetzolen, die de toevlucht in deze oceaan der materie zijn, naar U worden teruggeroepen? (17) Vanwege het door iemands aangename of niet zo aangename geboorte afgescheiden zijn van U en samengevoegd zijn met de wereld, wordt men, verblijvend in wat voor een lichaam ook, verteerd door het vuur van het weeklagen en heeft men evenzo goed te lijden onder de remedies ertegen waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt; ik, o Allergrootst Wezen, ben dolende; alstUblieft wijdt me in in het dienen van U in yoga. (18) Op die manier zal ik, door het steeds weer luisteren naar de vertellingen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid, o Nrisimha, zoals doorgegeven in erfopvolging, met gemak de oversteek maken en vrij zijn van de geaardheden, en zal ik, in wijsheid en omgang met de toegewijden, met de bevrijde zielen van alle ellende bevrijd zijn in het volledig in beslag genomen zijn door Uw lotusvoeten. (19) Van een klein kind in deze wereld niet de toevlucht van het ouderschap vormend, o Nrisimha, noch van een patiënt het medicijn zijnd, noch van een persoon verdrinkend in de oceaan de boot zijnd of van een persoon die lijdt de verlosser wezend, vormen al de dingen die in deze wereld gekoesterd worden door degenen die in een lichaam zijn opgesloten slechts de schijn van een remedie, o Almachtige, waarin ze van U verstoken zijn. (20) Naar welke omstandigheid ook, om welke reden dan ook, wat het tijdstip ook moge wezen, wat de verplichting of de relatie ook is, door wie of jegens wie dan ook, op welke manier of van welke aard ook, zeker is dat ieder van deze zaken slechts andere vormen zijn van hetzelfde Allerhoogste; met andere woorden: in de natuur is er als gevolg van allerlei veranderingen het afgescheiden zijn in een bepaalde bestaansvorm, maar welke vorm het ook betreft, het is steeds een manifestatie van de energie van Uwe heerlijkheid. (21) Het illusoire van de materie is een creatie van de geest [als een fixatie beleefd] die de bron vormt van eindeloze begeertige handelingen; handelingen die door de Tijd, die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt, zijn geconditioneerd. En zo gevangen worden je dan als persoon, onder het toeziend oog van God met wat er in de Veda's [in het karma-kânda gedeelte] is geregeld, minder glorieus de zestien spaken geboden [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte, o Ongeborene. Wie o wie, die het moet stellen zonder het beste dat U voorstelt, kan hier op eigen houtje uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]? (22) U bent inderdaad dat ene element van de Tijd, waaraan men in zijn intelligentie, middels Uw persoonlijke energie, voor altijd en eeuwig is overgeleverd; aanwezig als een vorm van materiële energie in alle gevolgen en oorzaken onder Uw cyclische controle gebracht, sta ik machteloos, o Heer en Meester, en ben ik geplet onder het wiel met de zestien spaken; alstUblieft redt me hieruit, o Machtigste, ik heb me geheel aan U overgegeven. (23) Ik was er getuige van o Almachtige, hoe in dit opzicht al de hoger geplaatste staatslieden in hun begeerte naar een lang leven, weelde en glorie, allen door onze vader met zijn sarcastische lach in een oogwenk werden verslagen, desalniettemin werd hij door U volledig weggevaagd. (24) Daarom, wetende waar al de zinsbevrediging van al die langlevendheid, weelde en beschaving van al de belichaamden, van Brahmâ tot aan de kleinste mier, toe leidt, heb ik er geen behoefte aan door U te moeten worden onderworpen, U die zo machtig zijt als de Meester van de Tijd; alstUblieft wees zo goed me in de richting te leiden van de omgang met Uw gewetensvolle dienaren. (25) In welk opzicht is men nu gezegend met het gelukkig zijn in horigheid [aan verlangens]? Wat betekent voor dit lichaam, dat plaats biedt aan zovele ziekten, nu het geluk dat niet meer is dan een luchtspiegeling in de woestijn? Ookal heeft de gewone man er nimmer genoeg van, toch pogen de geschoolden dat vuur te blussen met kleine druppeltjes honing, proberende dat onder controle te krijgen wat alleen maar met de grootste moeite kan worden bereikt. (26) In welke positie verkeer ik nu? Hoe kan ik nu uitstijgen boven het feit dat ik geboren ben in de duisternis van een lichaam van hartstocht, in een familie ver verwijderd van de verlichting? De lotushand van Uwe grondeloze genade die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van genade, zou er zelfs voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of zelfs de Godin van het Geluk niet zijn! (27) In dezen kan er feitelijk met Uwe Heerlijkheid als zijnde de vriend van de ganse wereld geen onderscheid bestaan tussen hogere en lagere levende wezens, maar niettemin is er van U, afhankelijk van de geleverde dienst, net als met een wensboom die geeft wat men maar wenst, de manifestatie van de zegening die gereserveerd is voor de toewijding, ongeacht of men nu van een hoger of lager nivo is [zie ook 2.3: 10 en B G. 4: 33, 9: 25]. (28) De gewone man die in zijn materiële bestaan in die zin in een overwoekerde put vol van slangen viel, jaagt het voorwerp van zijn begeerte na; ik die persoonlijk vanwege slecht gezelschap eveneens in die toestand ben beland werd door de sura wijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen; hoe kan ik nu ooit de dienst van Uw zuivere toegewijde loslaten? (29) Mijn leven reddend o Onbegrensde, met U die me gered hebt van de dood door de hand van mijn vader, beschouw ik de woorden van Uw dienaar, dat wat de rishi zei, als waar daar U ze bewaarheid hebt jegens hem die kwaadwillend met het zwaard in de hand tegen me zei: 'Laat die heerser buiten mij je maar van mij verlossen nu ik je je hoofd zal afslaan.'

(30) 'Dit universum overal om ons heen is die Ene die U alleen bent, vanwege U waren in den beginne en op het eind zowel als halverwege er afzonderlijk zij die U geschapen hebt middels de drie geaardheden die Uw uitwendig vermogen gestalte geven, zij, de velen van al de verscheidenheid die hun ervaring aan U te danken hebben die erin is binnengegaan [zie ook B.G 9: 4]. (31) U dan wel als de oorzaak, dan wel als het gevolg van dit geheel, o Mijn Heer, blijft Zelf losstaan van de materie die Uw illusoir vermogen vormt, en waarvan we weten dat die zich manifesteert als de substantie waarvan we de schepping, de vernietiging en het behoud hebben; en daarvan is er het feitelijk inhoudsloze idee van het hebben van een verschillend zelf of, anders gesteld, dat het aardse bestaan en het subtiele ervan te vergelijken is met wat men heeft met een boom en een zaadje [vanwaaruit het allemaal ontspruit enerzijds en dat het resultaat van Uw manifesteren erin is anderzijds]. (32) Met het met deze schepping van U teruggeworpen zijn [met mijn vader b.v. in zijn vernietiging] in het zelf van Uw causale oceaan, schijnt U er geen activiteit op na te houden en te slapen als U binnenin Uzelf het gelukzalig persoonlijke ervaart met het hebben gesloten van Uw ogen in de yoga; maar het is niet een materieel sluimeren in de duisternis der geaardheden waar U zich in bevindt, het feit in aanmerking nemend dat U, middels een manifestatie van Uzelf [deze Nrisimha-gedaante], dat soort van slapen bent tegengegaan in het behouden van de bovenzinnelijkheid. (33) Uit Uw sluimering op het bed van Ananta in de causale wateren ontwaakt, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad, en dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, toont Uw manier van reageren [in de vorm en godheden van de geaardheden] op de materie. (34) De ene van de kennis [Brahmâ] voortgebracht uit die lotus kon niemand anders ontwaren daar Uwe Heerlijkheid, als het zaadje, zich tot hemzelf had uitgebreid; hij dook in het water voor een honderdtal halfgodenjaren niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd, o mijn Heer, nog steeds kan worden waargenomen [zie 3.8]. (35) Hij enkel maar uit zichzelf geboren was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen gezuiverd vond hij dan U, o Beheerser, zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreid door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van begeerten is. (36) Op deze manier de Grote Persoon ziend met Zijn duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen, en uitgerust met allerlei sieraden en wapens, die tezamen, zich voordoend in verschillende tekenen, een bewijs vormden van Zijn vermogen, bereikte Heer Brahmâ de bovenzinnelijke gelukzaligheid. (37) Terwille van het zijne zowaar het hoofd van een paard aanvaardend in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die tegen de Veda ingingen en die de hartstocht en de onwetendheid vertegenwoordigden, en bracht U de s'ruti [de vier Veda's] waarvoor men Uw meest geliefde gedaante [van Hayagrîva] eert als het zuivere van de transcendentale goedheid [zie ook 5.18: 18 en B.G. 4: 7]. (38) Op deze manier overeenkomstig de yuga in kwestie verschijnend in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden, daarbij soms de lastpakken van de wereld dodend ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid; in Kali-yuga bent u verhuld [channa] en derhalve wordt U, als zijnde één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege het herkenbaar zijn in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32]. (39) Zeker is dat de geest die niet is gericht op Uw bovenzinnelijke verhalen, ver verwijderd als hij is van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen is door de zonden waarmee hij dan sympatiseert; vol van verlangens en lusten is hij van hoogten en diepten, angsten en leed vanwege de aandrang; hoe kan ik met zo een armzalige en gevallen geest de bedoeling van het Allerhoogste van U doorgronden? (40) De tong leidt me af in deze richting, o Onfeilbare, en de geslachtsdelen trekken me onbevredigd in die richting, zo doen de huid, de maag en het oor dat terwille van het ene en gaat voor het andere de neus die kant op en de ogen daar weer heen; de drukte van de actieve zintuigen haalt je naar beneden zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden kunnen halen. (41) Op deze manier door m'n karma beland in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood] lijdt ik helaas, de ene na de andere geboorte van alles en nog wat etend, eronder steeds maar banger te zijn om te zien hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, vijandig of van vriendschap is; o U, die zich aan gene zijde bevindt, redt me van dit gevaar daar we vandaag hier allen een stel dwazen zijn. (42) Wat inderdaad zou Uw grote mededogen in de weg staan jegens ons vriendelijke mensen, die altijd zo begerig zijn in dezen van dienst te zijn o Meester van Allen, o Allerhoogste Heer, om ervoor de zorgen dat wij materialistische dwazen worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer maken, vasthouden en verliezen, o Vriend der Behoeftigen? (43) Zeer zeker ben ik, o Alllerhoogste, van het verdiept zijn in het verkondigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî die deze wereld is; ik treur eerder, hoewel ze een stel zotten zijn, over degenen die de bevrijding missen en die voor het heil hunner zinnen plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28]. (44) Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uitzijnde op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden, zonder erg geïnteresseerd in een leven ter wille van het heil van anderen; maar ik wil niet, zoals zij dat doen, de anderen links laten liggen die tekort schieten, ik wil niet in mijn eentje terugkeren naar God, ik zou graag willen dat anderen, gevangen in de vicieuze cirkel, er beter in slagen deze toevlucht van U te vinden. (45) Het je druk maken over seks is inderdaad zo triviaal als de jeuk waarvan men verlost raakt door z'n handen te wrijven; zij die hiermee tekort schieten vinden, gebukt gaand onder allerlei soorten van ellende, de verschillende gevoelens van verdriet er nimmer mee beëindigd, maar als men daarvan leert, het herkennend als een drogbeeld, is men een nuchtere persoon die in staat is de jeuk te verdragen [zie ook B.G. 7: 14]. (46) Stilte, geloften, vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak vormen deze zaken [deze tien methoden om geëmancipeerd te raken] met hen die hun zinnen niet echt de baas zijn de belangrijkste manier om in hun levensonderhoud te voorzien, o mijn Heer, en is er dan in dit verband sprake van niets dan hypocrisie [zie ook 6.1: 16 ]. (47) Over de twee van het ware en onware van U, die zelf zonder een vorm bent en buiten wie er verder niets te vinden is, spreken de Veda's in termen van het zaadje en de spruit; die twee, die als het hout zijn en het vuur erin aanwezig, zijn voor de ogen van hen die met U in verbinding staan, dankzij Uw bewustzijnsvereniging, duidelijk te herkennen [in het spirituele verzaken en het materieel concreet van dienst zijn], en op een andere manier is dat niet mogelijk. (48) U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en alle goddelijkheid die erbij hoort; U bent dat alles, de enige natuur der geaardheden zowel als degene voorbij aan alles, o Mijn Heer; wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, is niemand anders dan U. (49) Noch alle geaardheden der natuur, noch de hun overheersende goden; noch het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten; noch zij die zo nadenkend zijn samen met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen, o Heer verheerlijkt door al de heiligen, is het gegeven dat wat allemaal het Uwe is te omvatten, en zodoende denken de zuiveren erover een punt te zetten achter hun studies [en een begin te maken met hun toegewijde dienst, zie ook B.G. 2: 52].'

(50) 'Daarom biedt ik U, o Beste der Aanbedenen, met gebeden mijn eerbetuigingen en volbreng ik de aanbidding, span ik me voor U in, herinner ik mij U, houdt ik het bij Uw toevlucht en luister ik altijd naar de verhalen over U; hoe kan zonder een dergelijketoegewijde dienst jegens U in al deze zes vormen een persoon [werkelijk] de bhakti genieten die gereserveerd is voor de besten der transcendentie [de paramahamsa's, vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

(51) S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer boven de geaardheden die was behaagd en de woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven. (52) De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben verheugd over jou, o beste der Asura's, je mag om welke gunst vragen die je ook maar van Mij verlangt, want Ik ben de vervulling van alle wensen van een ieder. (53) Geniet een lang leven! Mij niet behagend, zelden Mijn aanwezigheid opzoekend, Mij niet gezien hebbend, is het het lot van het levend wezen om keer op keer zich over zichzelf te beklagen. (54) Wees er inderdaad op uit Me te behagen, daar daarvan ieder nuchter mens in ieder opzicht, als een goed gevormd mens, het beste wat het leven te bieden heeft mag verwachten, o fortuinlijke; ik ben immers de Meester aller Zegeningen.'

(55) S'rî Nârada zei: 'Hoewel hij aldus met wereldse zegeningen ertoe verlokt werd, wilde de beste der Asura's niets van de zaken waar hij om mocht vragen, omdat hij er alleen maar in geïnteresseer