CANTO 8:
De Aanzet tot de Schepping
Hoofdstuk 1 De Manu's, de Bestuurders van het Universum
Hoofdstuk 2 De Nood van de Olifant Gajendra
Hoofdstuk 3 Gajendra's Gebeden van Overgave
Hoofdstuk 4 Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld
Hoofdstuk 5 De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's
Hoofdstuk 6 De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af
Hoofdstuk 7 Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara
Hoofdstuk 8 Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari
Hoofdstuk 9 De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de Nectar uit te Delen
Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen
Hoofdstuk 11 De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt
Hoofdstuk 12 Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer
Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Toekomstige Manu's
Hoofdstuk 14 De Wijze van Universeel Bestuur
Hoofdstuk 15 Bali Mahârâja Verovert de Hemelse Plaatsen
Hoofdstuk 16 Aditi Ingevoerd in de Payo-vrata Ceremonie, de beste van alle Offerandes
Hoofdstuk 17 De Allerhoogste Heer Zegt Toe Aditi's Zoon te Worden
Hoofdstuk 18 Heer Vâmanadeva, de Dwerg-incarnatie
Hoofdstuk 19 Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja
Hoofdstuk 20 Heer Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden
Hoofdstuk 21 Bali Mahârâja Ingerekend door de Heer
Hoofdstuk 22 Bali Mahârâja Geeft zich Geheel Over
Hoofdstuk 23 De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen
Hoofdstuk 24 Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer
De Manu's, de Bestuurders van het Universum
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Tot nu toe, o goeroe, heb ik uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers over het universum van schepping waren; beschrijf voor ons alstublieft ook de andere Manu's [zie ook 3.11: 23-28]. (2) O brahmaan, vertel alstublieft ons, die er zo graag over horen, alles over de, door de geleerden verheerlijkte en beschreven, verschijningen en handelingen van de Allerhoogste Heer gedurende de wisselingen van de manvantara's [de perioden van de Manu's *, zie ook 2.1: 36, 2.3: 9, 2.7: 2, 2.10: 4]. (3) En wat betreft het verleden, het heden en de toekomst, wat is het dat de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, in een bepaald tijdperk, o brahmaan, dan wel deed, aan het doen is en nog zal doen? [vergelijk B.G. 2: 12 en **]
(4) De grote rishi zei: 'In deze dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds de zes van Svâyambhuva en andere Manu's gehad. Ik heb de eerste al voor u beschreven alsook het verschijnen van al de goddelijken met hem [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6]. (5) Uit Âkûti en Devahûti, de twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden, terwille van het onderrichten van het dharma en de jñâna, de zoons geboren die werden aanvaard als zijnde de Allerhoogste Heer. (6) Voorheen beschreef ik u uitgebreid Kapila [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen wat Yajña[-mûrti of -pati] allemaal heeft gedaan, o beste der Kuru's. (7) De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na volledig te hebben afgezien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie: 3.22: 31]. (8) Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaren lang de meest zware boetedoeningen, waarbij hij op één been staand met de aarde in contact stond [zie ook 4.8: 78-79] terwijl hij het volgende prevelde, o telg van Bhârata.
(9) Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht wordt Zelf niet bewogen door het universum, Hij die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem, Hij die weet, heeft het levend wezen geen weet [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Van wat door Hem, de Superziel overal aanwezig, met alles wat leeft en niet leeft in dit en in andere universa, wordt toegewezen mag men genieten; op wat een ander bezit mag men geen inbreuk plegen. (11) Hij wordt niet waargenomen door het levende wezen hoewel Zijn oog altijd ziet, Hij als de oorspronkelijke bron van alle wezens neemt nooit af, Hij is de godheid en de metgezel [zie 6.4: 24] die door iedereen zou moeten worden aanbeden. (12) Ook is er van Hem geen begin, een einde noch een midden, Hij behoort nergens toe en is van niemand, Hij is de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping; al deze inzichten over Zijn gedaante en over Hem als de oorzaak van het gehele universum vormen tezamen de Grootste Waarheid [zie ook 2.1: 24]. (13) Dat volledige van het universum bekend onder zo vele namen [als purusha and virâth rûpa] is de Allerhoogste Beheerser, de Uiteindelijke Waarheid van Hem persoonlijk, zelf-verlicht, zonder een begin en de oudste; Hij brengt door Zijn uitwendige energie geboorte, dood en handhaving teweeg, door het vermogen van Zijn Zelf en Geest blijft Hij afzijdig, inactief en onberoerd [vergelijk 1.7: 23]. (14) Het is daarom dat al de geheiligde mensen, met de bedoeling van karma bevrijd te raken, aanvankelijk van vruchtdragende bezigheden zijn [karma yoga], daar een persoon aldus tewerkgaand zo goed als altijd de bevrijding bereikt [zie ook 1.5: 12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6]. (15) Vanwege Zijn eigen volkomenheid innerlijk geheel voldaan, raakt de Allerhoogste Heer, de Beheerser, met wat Hij ook doet nimmer verstrikt ermee en daarom raken personen die Hem volgen ook nimmer ontmoedigd. (16) Tot Hem die onzelfzuchtig handelt ter wille van ons heil, die volkomen in de kennis is, die het niet verlangt te genieten, die geheel vervuld is en zich niet door anderen laat leiden, tot Hem die er is om de hele mensheid te onderrichten en Zijn weg te tonen, tot die meester van alle beginselen en plichten bid ik dat een ieder zich moge overgeven.'
(17) S'rî S'uka zei: 'Met filosofische mantra's aldus gepreveld concentreerde zich de geest, maar de Asura's die daarvan getuige waren jaagden hun voorkeur na in hun verlangend daarmee te zwelgen. (18) Toen Yajña [Vishnu], de Heer in ieders hart, hen aldus overtuigd zag, bestuurde de Allerhoogste Persoonlijkheid, na ze gedood te hebben, met de Yâma's [de gezworenen, Zijn zoons] en omringd door de goddelijken de hemelse werelden.
(19) Svârocisha werd daarna de tweede Manu, de zoon van Agni, en van hem waren er ook de zoons met voorop Dyumat, Sushena en Rocishmat. (20) In die periode werd, allen tezamen trouw aan de Absolute Waarheid, Rocana de hemelkoning [de Indra] en waren Tushita en nog anderen er als de goddelijken, terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven heiligen waren. (21) Van de heilige Vedas'irâ, die de vrouw Tushitâ bezwangerde, werd de Heer geboren die men bij naam kende als zijnde Vibhu. (22) Achtentachtigduizend heilige personen verankerd in de gelofte ontvingen initiatie en instructie van Hem die een celibataire brahmacârî bleef.
(23) De derde die de Manu werd droeg de naam Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1], en van hem waren er de zoons genaamd Pavana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen. (24) De zeven wijzen waren de zonen van Vasishthha met Pramada aan het hoofd, zij die tot Satya, Vedas'ruta en Bhadra behoorden waren de goddelijken en Satyajit was de Indra. (25) Van de halfgod Dharma werd uit de schoot van Sunritâ, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God gevierd als Satyasena geboren, verschijnend tezamen met de Satyavrata's. (26) Hij samen met zijn vriend Satyajit doodde al de Yaksha en râkshasa gezworen leugenaars en kwade geesten van wangedrag die steeds de levende wezens belagen.
(27) De vierde Manu daarop was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa, en alzo waren er zijn tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu. (28) De Satyaka's, de Hari's en de Vîra's waren de goddelijken, Tris'ikha was de hemelkoning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa waren zij die werden aangevoerd door Jyotirdhâma. (29) De goddelijken genaamd de Vaidhriti's waren de zoons, o Koning, die op eigen kracht erin slaagden de Veda's te beschermen die in de loop der tijd verloren waren gegaan. (30) In die periode verscheen de Allerhoogste Heer verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî en Hij werd Hari genoemd; door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil.'
(31) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, dit is wat we graag van u zouden horen: op welke manier verloste de Heer de koning der olifanten die werd aangevallen door een krokodil? (32) Wanneer en waar er ook maar de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, vindt men grote vroomheid, geluk, voorspoed en al het goede'."
(33) S'rî Sûta zei: "De zoon van Vyâsa, aldus aangespoord door de woorden van Parîkchit, de zoon van Arjuna die zijn ophanden zijnde dood afwachtte, o beste brahmanen, sprak, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen in de bijeenkomst van de wijzen die er inderdaad reikhalzend naar uitzagen het van hem te vernemen."
*:Er zijn veertien Manu's gedurende een dag van Brahmâ, en het tijdperk van iedere Manu duurt eenenzeventig yuga's lang. (zie afbeelding) Aldus zijn er duizenden Manu's tijdens het leven van Brahmâ. De zes hier vermeld zijn: Svâyambhuva, Svârocisha, Uttama, Tâmasa, Raivata en Câkshusha . Een manvantara is een periode in de grootorde van één omwenteling van onze zon rondom de kern van ons sterrenselsel [zie de Galactische Orde].
**: Vaak vermeld in deze samenhang is de spreuk: 'Nityo nityânâm cetanas cetanânâm'. Zowel de Heer als de levende wezens zijn eeuwig en zintuiglijk.
De Nood van de Olifant Gajendra
(1) S'rî S'uka zei: 'Er was een zeer grote berg talloze kilometers hoog, o Koning, die bekend stond als Trikûtha ['drie pieken'] omringd door een oceaan van melk [of plantensap zie 5.20: 18]. (2-3) Met zijn drie toppen in zijn omvang zo breed als hij hoog was, tekende hij als een eiland, weelderig met bomen, klimplanten en struiken en het geluid van watervallen aan alle kanten, zich prachtig af tegen de hemel. Hij was samengesteld uit zilver, ijzer en goud, met aan alle kanten meer pieken vol van kostbaar gesteente en mineralen. (4) Aan zijn voet, die immer groen omspoeld werd door de golven van de zee overal eromheen, was de aarde groen van de smaragd. (5) De vervolmaakten, de aanbiddelijken, de zangers van de hemel, zij die van de kennis waren en de groten van de wereld der slangen, die van de bovennatuurlijke macht, de dansmeisjes en de sportlieden genoten daar in de valleien. (6) De dalen weerklonken van de geluiden der zangers hetgeen de stoere leeuwen jaloers deed brullen om een soortgenoot. (7) De laagten huisvestten grote aantallen van alle denkbare dieren van de jungle en de tuinen onderhouden door de verlichte zielen aldaar waren prachtig opgesierd met alle soorten bomen en tjilpende vogels. (8) In de rivieren en meren vol van kristalhelder water, waren vanaf de van de edelstenen glinsterende zandstranden de schonen der goddelijken aan het baden, waarbij ze met de geur van hun lichamen het water verrijkten. (9-13) In een vallei was er daar van de grote ziel, de machtige persoonlijkheid Varuna, een tuin met de naam Ritumat die als lustoord diende voor de sura dames. Hij was overal ter ere van het goddelijke allerprachtigst aangekleed met bloemen- en vruchten- en mandâra- en pârijâta-, pâthala-, as'oka- en campakabomen. Er waren vruchten te vinden als cûta's, piyâla's, panasa's, mango's, âmrâtaka's, kramuka's en granaatappels alsook kokos- en dadelbomen. Er stonden madhuka's, palmbomen, tamâla's, asana's, arjuna's, arishtha's, udumbara's, plaksha's, banyan's, kims'uka's en sandelhoutbomen. Ook trof men er picumardabloemen, kovidâra vruchten, sarala- en sura-dâru bomen, druiven, suikerriet, bananen, en jambu-, badarî-, akhsa-, abhaya- en âmalakîvruchten aan. (14-19) In die tuin bevond zich een zeer groot meer vol van glanzende gouden lotussen omringd door bilva-, kapittha-, jambîra-, bhallâtaka- en andere bomen en van de grote pracht van de kumuda-, kahlâra-, utpala- en s'atapatrabloemen waren de bijen geheel bedwelmd aan het rondzoemen onder begeleiding van de mooist klinkende vogelzang. Het was drukbevolkt met zwanen en kârandava's, cakravâka's, groepjes waterhoenders, koyashthi's en dâtyûha's die allen hun eigen geluiden voortbrachten. Het water, omzoomd door kadamba-, vetasa-, nala-, nîpa- en vañjulakabloemen, bracht, verstoord door de bewegingen van de vissen en de schildpadden, de lotussen in beweging waardoor het stuifmeel dat uit hen viel het oppervlak bedekte. De kunda's, kurubaka's, as'oka's, s'irîsha's, kûthaja's, inguda's, kubjaka's, svarna-yûthî's, nâga's, punnâga's, jâtî's, mallikâ's, s'atapatra's en de mâdhavî-latâ's en jâlakâ's en andere bomen die weelderig groeiden op de oevers, sierden het op in alle seizoenen.
(20) Op een dag zwierf daar op die berg de leider van de olifanten die in het bos leefde, rond in gezelschap van zijn wijfjes, waarmee hij door het dichte struikgewas brak dat vol was van doorns, klimplanten en alle soorten van bomen en planten. (21) Alleen zijn geur al deed de leeuwen en andere roofdieren en bloeddorstige beesten, de andere olifanten, de neushoorns en de grote slangen alsook de witte en zwarte camarî herten, allen in angst op de vlucht slaan. (22) Vanwege zijn genade konden de vossen, de zwijnen, de buffels, stekelvarkens, de gopuccha's en andere herten, de wolven, de apen en andere kleine dieren als konijnen en anderen, zich ongehinderd rondbewegen. (23-24) Hij zwetend, met druipend speeksel en omringd door nectar drinkende bijen, deed, gevolgd door de andere mannetjes- en vrouwtjesolifanten en de jongen in hun midden, daar in de gehele omgeving de aarde schudden. Van een afstand het stof van de lotusbloemen ruikend dat door de bries werd meegevoerd haastte hij, met zijn gezelschap dorstig in zijn visie vertroebeld, zich in de richting van de oever van dat meer. (25) Het heldere frisse water ingaand, zoog hij zich vol met het nectargelijke mengsel van het lotusstuifmeel en viel alle vermoeienis van hem af toen hij er een goed bad in nam. (26) Met het opzuigen van het water met zijn slurf en het dan over zich heen sproeien zette hij ook zijn vrouwen en kinderen er toe aan een bad te nemen. Zo druk bezig sloeg hij, gelijk een bezorgde huisvader die al te zeer gehecht is aan zijn gezin, onder de invloed van de uitwendige energie geen acht op enig mogelijk dreigend gevaar (27) Net als ieder ander die zich maar moet schikken naar de wil van God, viel het lot hem ten deel dat zijn poot, o Koning, daar toen werd gegrepen door een vervaarlijke, kwaaie krokodil [ - van mâyâ], waarop volgend de olifant uit alle macht die in hem was zich verwoed probeerde te bevrijden uit de gevaarlijke positie waarin hij beland was. (28) De wijfjes, ziende hoe hun leider werd aangevallen en gegrepen door dat geweld, zetten het, geïntimideerd onder de dreiging, op een huilen, terwijl de andere olifanten die hem van achteren probeerden te bevrijden ook niet bij machte waren iets uit te richten. (29) Met de olifant en de krokodil die op deze manier vechtend elkaar in en uit het water trokken, verstreek een duizendtal jaren waarin ze beiden in leven bleven, o Koning, hetgeen door de onsterfelijken als hoogst wonderbaarlijk werd gezien. (30) In de tijd die daarop volgde verloor Gajendra, de koning der olifanten, door de uitputting van het jarenlang volgehouden vechten om niet in het water te worden gesleurd [naar elders dus], meer en meer zijn kracht terwijl daarentegen de krokodil die thuis was in het water juist fanatieker, krachtiger en machtiger werd.
(31) Toen hij, Gajendra, in zijn leven, op deze manier bij voorbeschikking op deze vorm van gevaar was gestuit en hij merkte dat hij niet in staat was zichzelf te redden uit een zo hopeloze positie, moest hij er lang over nadenken en kwam hij daarop tot het volgende besluit: (32) 'Als al mijn verwanten er niet toe in staat zijn mij als olifant te bevrijden uit mijn lijden, en ik ook van mijn wijfjes niet kan verwachten dat ze me verlossen uit de knellende greep van de krokodil [der hartstocht], moet zelfs [een stoere olifant als] ik die, zoals het lot dat beschikte werd gegrepen, nu net zo goed als ieder ander mijn toevlucht zoeken bij dat [Allerhoogste van de Heer] wat de bovenzinnelijkheid is en de toevlucht vormt van al de verheven zielen [vergelijk 7.9: 18]. (33) Tegen de zo heel sterke wurgslang van de dood [de tijd, zie B.G. 11: 32] die met zijn angstwekkende kracht je tot in het oneindige najaagt, zal Hij die iemands Beheerser is, hem beschermen die, bang voor de dood, van overgave is; ik zal mijn toevlucht zoeken bij Hem die de feitelijke beschutting is van een ieder en voor wie zelfs de dood zelve op de vlucht slaat.'
Gajendra's Gebeden van Overgave
(1) De zoon van Vyâsa [S'uka] zei: 'Aldus er verstandelijk toe besloten zich in zijn geest te concentreren op het hart, reciteerde hij [Gajendra] een allerverhevenst gebed dat hij in een voorgaande geboorte had beoefend [zie ook B.G. 6: 43-44]. (2) S'rî Gajendra zei: 'Mijn eerbetuigingen aan de Oorspronkelijke, de Allerhoogste Godheid door wie dit materieel bestaan zich beweegt in bewustzijn, laat me mediteren op Hem, die persoonlijkheid die de grondoorzaak is, de Allerhoogste Beheerser. (3) Op Hem rust het universum, van Hem zijn er al de elementen en door Hem is er de werkzaamheid ervan, aan Hem die Zelf de materiële wereld is qua gevolg zowel als wat betreft de bovenzinnelijke oorzaak, aan die Allerhoogste die in Zichzelf voorziet geef ik mezelf over. (4) Hij die vanuit Zichzelf, door Zijn eigen energie, deze kosmische manifestatie tentoonspreidde, die dan weer manifest en dan weer niet zichtbaar is, overziet in beide gevallen als de getuige alles en allen; die Ziel zonder voorgaande oorzaak, dat Allerhoogste van alle Bovenzinnelijkheid, smeek ik, alstUblieft bescherm mij! (5) Als na de nodige tijd alles, alle transformaties, alles wat is gedaan, al de werelden en al hun handhavers en bestuurders, tot niets is teruggebracht, is er de hechte en diepe duisternis waarachter en waarboven de Almachtige straalt. (6) Zoals met het uiterlijke van een uitvoerend kunstenaar die zelf dan niet kan worden doorgrond, kunnen Zijn bewegingen noch door de goden, de wijzen of de gewone schepselen worden begrepen of in woorden worden uitgedrukt; Hij zo moeilijk te bevatten, moge Hij me Zijn bescherming geven. (7) De Heer van hen die het verlangen Zijn algunstige lotusvoeten te zien, van hen die bevrijd zijn van alle gehechtheid, van die grote wijzen, zonder fouten in het woud, hoog verheven de geloften in praktijk brengend al naar gelang de verschillende posities [de âs'rama's], de Heer van hen die gelijk en vriendelijk voor allen zijn, Hij is mijn bestemming. (8-9) Van Hem is er geen geboorte, geen karma, geen naam of vorm, geen geaardheden en fouten zeker ook niet; niettemin komt Hij, die de vernietiging en schepping van deze kosmische manifestatie is, middels Zijn eigen vermogen keer op keer in actie [als een avatâra]. Hem, de Bovenzinnelijke die de Beheerser is, het Allerhoogste Brahman van een onbegrensd vermogen, die zonder een gedaante gedaanten heeft aangenomen, die van zo vele wonderbaarlijke daden is, biedt ik mijn respect. (10) Mijn eerbetoon voor Hem, de verlichting van de ziel, de getuige in allen, het Allerhoogste van het Zelf; Hij die alle beschrijving, de geest en zelfs het bewustzijn te boven gaat, geldt mijn eerbewijs. (11) Hij, het voorwerp der toewijding die door de geschoolden in transcendentale handelingen recht wordt gedaan, voor Hem, de meester der menswording, de verlener der genade, Hij die helemaal vrij is, mijn eerbiedwaardige respectbetoon. (12) Al mijn eerbetuigingen gelden die Ene der Vrede volledig geconcentreerd op het spirituele in gedaanten van geweld en het dierlijke [zoals Nrisimha en Varâha] naar de verschillende kwaliteiten van de materiële natuur; aan Hem die eveneens de kennis van het Brahman is, draag ik mijn gebed op. (13) Voor de kenner van het veld [zie B.G. 13: 1-5] mijn respect, U de baas over allen, de getuige en de Oorspronkelijke Persoon die de oerbron bent, aan U, de beweger van de materiële schepping, U als de primaire werkelijkheid, biedt ik mijn eerbetuigingen. (14) U bent het die ik respecteer, daar U overziet waar al de zinnen op uit zijn. U bent het einde van alle twijfel met het onware dat, omdat het er is als een afspiegeling van U, de werkelijkheid wordt genoemd; naar die reflectie, mijn eerbetoon aan U. (15) Mijn eerbetuigingen nogmaals gelden U, van al het bestaande de allerhoogste oorzaak zonder een oorzaak, de oorzaak van al het wonderbaarlijke, de bron van wat geleerd wordt in opeenvolging, de oceaan in ontvangst van al de rivieren van kennis; U eer ik, die de bevrijding schenkt en de toevlucht vormt van de transcendentalist. (16) Ik draag mijn handelingen op aan Hem wiens vuur van de kennis door de geaardheden van de natuur is overdekt zoals vuur dat is in hout, aan Hem die zich bevindt buiten de door de beroering der natuur aangedane geest, aan Hem die persoonlijk aanwezig is voor hen die vanuit hun stadium van spiritueel verstaan de formele benadering eraan gaven. (17) U betoon ik als een dier mijn respect in overgave aan Hem, de Onberispelijke van oneindige genade die bevrijdt uit de verstriktheid; door een enkel deel van Uw zelf [het Paramâtmâ, zie ook B.G. 10: 42] bent U immer aandachtig voor allen die belichaamd zijn, die Allerhoogste Heer zonder grenzen, in de geest gevierd als de directe waarnemer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (18) Voor allen zo zeer gehecht aan hun denken en lichaam, zoons en dochters, weelde en helpers, bent U moeilijk te bereiken, maar voor personen die, vrij van de invloed van de geaardheden der natuur, in het hart zijn vrijgemaakt bent U er reeds [zie B.G. 6: 47]; Hem op wie altijd wordt gemediteerd, het reservoir van alle spirituele kennis, die Allerhoogste Heer en Beheerser, geldt al mijn respect. (19) Door Hem te eerbiedigen kan dat worden bereikt waar men naar op zoek is met al het begeren overeenkomstig de religie, de economie, de bevrediging, en de bevrijding, om nog maar te zwijgen van de andere zegeningen die Hij eveneens verleent zoals het bovendien hebben van een geestelijk lichaam; moge Hij, oneindig van genade, mij de bevrijding van mijn ziel vergunnen [zie ook 2.3: 10 en 7.9: 27]. (20-21) Zij die niets anders dan Hem op het oog hebben verlangen niet naar deze of gene zegening - zij die het feitelijk brachten tot de toevlucht van de Allerhoogste Heer zijn verzonken in een oceaan van bovenzinnelijke gelukzaligheid door het bespreken van en vernemen over de alleszins gunstige, wonderbaarlijke handelingen van Hem. Hij, de eeuwige transcendentale, Allerhoogste Meester van alle grote persoonlijkheden, de ongeziene Ziel boven alles die in yoga kan worden bereikt door toewijding is, zo subtiel en ongrijpbaar buiten het bereik van de zinnen als Hij is, de onbegrensde, in alle opzichten volkomen, oorsprong die ik aanbid. (22-24) Van Hem zijn door Zijn delen - de verschillende bewegende en niet-bewegende levensvormen, de vedische kennis, de goden en allen die bij Brahmâ horen - de minder belangrijke onderverdelingen van namen en vormen in het leven geroepen. Dit niet aflatende vertoon van de geaardheden der natuur, dit verstand en deze geest, deze zinnen en verdelingen van het grove en subtiele van het lichaam, zijn, zoals vonken in verhouding tot het vuur dat de zon is, de stralende deeltjes die keer op keer voortkomen uit en opgaan in Hem als delen en gehelen. Dat vuur, inderdaad geen halfgod of demon, een menselijk wezen, beest of vogel, vrouw, onzijdig of de maan evenmin en ook niet een levend schepsel, is niet het vruchtdragend handelen noch de manifestatie, noch het niet-gemanifesteerde; Hij is de slotsom van het uitsluiten van dit en dat [neti neti zie ook 7.7: 23]; aan Hem, de Onbegrensde, alle glorie! (25) Ik wens het niet mijn leven hier of in een wereld hierna voort te zetten; wat heeft het voor nut als men vanbinnen en vanbuiten opgesloten zit; in deze geboorte als een olifant verlang ik te ontkomen aan de gebondenheid aan de tijd die alleen maar tot vernietiging leidt. Ik wil worden bevrijdt uit die onterende begrenzing van mijn zelf [zie ook 1.2: 3, 6.15: 16]. (26) Daartoe draag ik aan Hem, de gemanifesteerde hoewel niet gemanifesteerd, die ongeboren ziel en kenner van het universum en bovenzinnelijke toevlucht van het Allerhoogste, mijn leven en ziel op. (27) Zij van de vereniging van het bewustzijn jegens Hem, die door [die bhakti-]yoga al het karma verbrandden en een verenigd en gelouterd hart hebben, nemen Hem, de Heer van de Yoga die ik toegewijd ben, rechtstreeks waar. (28) Mijn respectbetoon keer op keer voor U, het gigantische van de krachten van het drievoudig vermogen van [het vormgeven, afwikkelen en in stand houden van] het volledige, voor Hem die, voor de intelligentie zich voordoend als een zinsobject, de toevlucht verschaft en die, met Zijn moeilijk te boven te komen energieën [zie B.G. 16: 21], onbereikbaar is voor hen die op het pad hun zinnen niet weten te beheersen. (29) Ik zoek mijn toevlucht bij Hem wiens heerlijkheden zo onpeilbaar zijn, wiens identiteit bij de mensen in het algemeen niet bekend is en onder wiens invloed en intelligentie ik als een op zichzelfstaande ziel ben verslagen.'
(30) S'rî S'uka zei: 'Toen, vanwege deze beschrijving die niet was gericht op enige persoon in het bijzonder, geen van de opzichzelf staande goddelijken van Brahmâ met hun verschillende verschijningsvormen, Gajendra benaderde, verscheen aldaar van de keur aan goden de Heer in eigen persoon omdat Hij het volledige van hen allen tezamen is [vergelijk B.G. 7: 20-23 en 9: 23; 4.31: 14]. (31) Zijn gebed horend kwam de Heer van alle werelden die begreep in wat voor benarde positie hij verkeerde, tezamen met de bewoners van de hemel die hun gebeden opdroegen, zo snel als Hij maar kon, gedragen door Garuda en uitgerust met de werpschijf en Zijn andere wapens, naar de plek waar Gajendra zich bevond. (32) Op het moment dat hij, die in het water zo gewelddadig was gegrepen en te lijden had, de Heer zag die op de rug van Garuda Zijn werpschijf in de lucht stak, hief hij zijn slurf omhoog met daarin een lotusbloem en bracht hij met moeite uit: 'O Nârâyana, Leraar der Volkomenheid, o Allerhoogste Heer, U biedt ik mijn eerbetuigingen.' (33) Toen Hij hem zo zag lijden kwam de Ongeborene meteen naar beneden en redde Hij, voor ogen van al de goddelijken aanwezig met Zijn werpschijf de krokodil zijn bek eraf snijdend, koning Gajendra en trok Hij hem uit het water.
Gajendra Keert Terug naar de Geestelijke Wereld
(1) S'rî S'uka zei: 'Daarna [toen Gajendra was bevrijd] strooiden de goddelijken, de rishi's en de zangers van de hemel onder aanvoering van Brahmâ en S'iva, bloemen uit in lofprijzing over dat wapenfeit van de Heer. (2) In de lucht weerklonken de pauken, de Gandharva's zongen en dansten en de heiligen, de aanbiddelijken en de vervolmaakten brachten hun gebeden voor de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (3-4) Hij, Hûhû, een zanger van de hemel die door een vloek van de wijze Devala die krokodil was geworden, verscheen op datzelfde ogenblik zowaar als een hoogst wonderbaarlijk schone Gandharva, die, zijn eerbetuigingen brengend met zijn hoofd naar de Allerhoogste Eeuwige Meester Geprezen in de Verzen, de heerlijkheden van Zijn bovenzinnelijke avonturen en kwaliteiten begon te bezingen. (5) Hij door de Heer begunstigd omliep Hem, Hem zijn respect betonend, en terwijl iedereen toekeek ging hij, verlost van alle zonde, terug naar zijn eigen verblijfplaats. (6) Gajendra werd door de aanraking van de Allerhoogste Heer terstond bevrijd van de onwetendheid van zijn gebonden zijn en had precies dezelfde gedaante verworven met vier armen en gele kleding [sârûpya-mukti, zie ook 3.29: 13]. (7) Hij was in feite voorheen, geboren als de beste van Dravida-des'a, de koning van Pândya geweest en stond, gezworen aan Vishnu zich altijd op het bovenzinnelijk pad bevindend, aldus bekend als Indradyumna. (8) Hij had, toen de tijd voor zijn boete was aangebroken, met de grootste zorg de gelofte der stilte afgelegd en was, met samengeklitte lokken zijn verzakingen volbrengend in Kulâcala [de Malaya heuvels] waar hij zijn âs'rama had, op een dag de Onfeilbare Heer aan het vereren, verzonken in liefde voor de Allerhoogste Beheerser. (9) Op eigen gelegenheid arriveerde daar ter plekke de vermaarde Âgastya omringd door zijn discipelen en toen hij hem daar stil alleen zag zitten mediteren zonder hem een behoorlijke ontvangst te bereiden, gebeurde het zo dat hij zeer kwaad werd. (10) Hij verwenste hem toen met deze vloek: 'Deze diep gezonken ziel zo onvriendelijk en onverschillig van geest hier voor me als een belediging van het brahmaanse, laat hij de duisternis binnengaan als een olifant inderdaad traag van begrip.'
(11-12) S'rî S'uka zei: 'Na hem aldus te verdoemen vertrok de zo machtige Âgastya van daar met zijn metgezellen, o Koning, Indradyumna achterlatend met de gedachte dat de vloek in weerwil van zijn verheven positie het gevolg was van zijn daden in het verleden. Toen hij als een olifant werd geboren was de herinnering aan zijn identiteit tenietgedaan, maar omdat hij de Heer vereerde met gebeden, kreeg hij ondanks dat olifantenlijf de gelegenheid zich zijn verleden te herinneren. (13) Toen de Heer van de Lotusnavel aldus de koning der olifanten had bevrijd, keerde Hij begeleid door hem, die de positie van een metgezel van Hem was verleend, samen met de Gandharva's, de vervolmaakten en de wijzen - die Hem allen prezen om Zijn wonderbaarlijke daden - naar Zijn eigen verblijfplaats terug gezeten op de rug van Garuda. (14) Dit wat ik u beschreef, o Koning, over het onbegrensde vermogen van Heer Krishna in het verlossen van de toegewijde Gajendra, bevordert hen die er van horen naar de hemelse sferen en vergroot hun reputatie als toegewijden; het neemt de smetten van Kali-yuga weg [zie 1.17: 24-25] en verjaagt de boze dromen, o beste der Kuru's. (15) Om de moeilijkheden van een slechte nacht gehad te hebben tegen te gaan, reciteren de mensen, met name de zuiveren onder de tweemaal geborenen, trouw dit verhaal als ze opstaan in de ochtend. (16) Dit is wat de allesdoorvarende Grote Heer tevreden gesteld in het bijzijn van iedereen tegen Gajendra heeft gezegd, o beste van de Kuru dynastie. (17-24) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die aan het einde van de nacht opstaan en zorgvuldig geconcentreerd zich Mijn gedaanten herinneren - die van Mij en van jou; die van het meer, deze heuvel, deze grotten en tuinen; het riet en de bamboes, de groepjes bomen, deze pieken en de verblijfplaatsen van Mij en die van Heer Brahmâ en Heer S'iva; alsook deze oceaan van melk en dit witte eiland met zijn schitterende luister Mij zo dierbaar; Mijn S'rîvatsa-teken, Kaustubha-juweel, [Vaijayantî] bloemenslinger, Kaumodakî knots, Sudars'ana schijf en Pâñcajanya schelphoorn; Garuda, Ananta S'esha, Mijn subtiele volkomen aspect de Godin van het Geluk; allen die van Mij afhankelijk zijn, Heer Brahmâ, Nârada rishi, S'iva en Prahlâda; Mijn Matsya incarnatie, Kûrma, Varâha en de andere avatâra's; al de ontelbare goedgunstige daden van Mij; de godheden van de zon, de maan en het vuur; de omkâra mantra, de Absolute Waarheid en het geheel van de materiële energie; de koeien, de brahmanen en het eeuwige dharma; de dochters van Daksha, de plichtsgetrouwe echtgenotes van de maangod, Kas'yapa en de Ganges, de Sarasvatî, de Nandâ en de Yamunâ; Airâvata [Indra's olifant], Dhruva, de zeven o zo vrome wijzen en de menselijke wezens - raken verlost van hun zorgen. (25) Zij, mijn beste, die Mij op deze manier hun gebeden brengen als ze opstaan als de nacht ten einde loopt zal Ik, ook op het moment dat ze sterven, het hogere bereik vergunnen.'
(26) S'rî S'uka zei: 'Hrishîkes'a, die aldus zijn toespraak had geleverd, besteeg de rug van Garuda en blies toen op de beste der zee [Zijn schelphoorn] de schare der godbewuste heren ermee behagend.'
De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's.
(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, ik heb u het - voor de toehoorder - bevrijdende optreden van de Heer beschreven in verband met de verlossing van de vrome Gajendra. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu. (2) De vijfde Manu bekend als Raivata was de broer van Tâmasa, en Bali, Vindhya en de anderen met Arjuna aan het hoofd waren zijn zoons. (3) Vibhu heerste over de hemelen, o Koning, en de godvrezenden werden geleid door de Bhûtaraya's: de tweemaal geborenen Hiranyaromâ, Vedas'irâ, Ûrdhvabâhu en anderen. (4) Van S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhâ, verscheen met de godbewuste nalevers van de Waarheid als Zijn eigen expansies, de Heer van Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon. (5) Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid [een tweede Vaikunthha] gesticht. (6) Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden op te sommen zou zo een persoon net zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als men atomaire deeltjes kan tellen.
(7) De zesde Manu was Câkshusha, de zoon van Cakshu en met Pûru, Pûrusha en Sudyumna voorop waren er de zonen van Câkshusha. (8) Mantradruma was toen de koning van de hemel en van de goddelijken van de Âpya's en anderen waren er de wijzen, o Koning, die men kende als Havishmân, Vîraka en anderen. (9) Van Vairâja zijn echtgenote Devasambhûti was er een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie was [ams'a-avatâra] van de Heer, de Alvermogende Meester van het Universum. (10) Zijn karnen van de oceaan [van melk], als Kûrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met de berg Mandara van links naar rechts bewegend, bracht de nectar van de Sura's voort.'
(11-12) S'rî Parîkchit zei: 'O brahmaan met welke bedoeling werd de oceaan van melk gekarnd met de berg en om welke reden verbleef Hij in het water als een schildpad? En wat kwam er met de nectar mee die de goddelijken ermee verkregen? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven. (13) Mijn hart zo lang gekweld door de ontbering is nog niet helemaal vervuld met uw beschrijven van de heerlijkheden van de Meester Aller Toegewijden'."
(14) S'rî Sûta Gosvâmî zei: "De grote zoon van Vyâsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven. (15-16) S'rî S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherpgeslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen in de strijd en niet in staat weer op te staan. Met de wijze Durvâsâ die Indra met zijn drie werelden had vervloekt [*], o Koning, vervielen ze allen in armoede omdat ze toen niet meer in staat waren de rituelen en het eerbetoon op te brengen. (17-18) De Sura's, de grote Indra, Varuna en alle anderen, in onderling overleg met elkaar hierover bijeengekomen, konden op zichzelf niet tot een bevredigende slotsom komen. Zij begaven zich toen naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmâ op de top van de berg Meru en stelden hem van dat alles op de hoogte onder het brengen van hun eerbetuigingen. (19-20) Toen Heer Brahmâ, de Almachtige, zag hoe al de goddelijken met Indra voorop waren verstoken van alle vermogen en licht en hoe de drie werelden waren verzonken in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, vestigde hij zijn geest op een zich voortdurend heugen van de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije en sprak hij, de machtigste van hen allen, met een oplichtend gelaat tot de godbewusten: (21) 'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte der onverlichten, de menselijke wezens, de dieren, de bomen en planten en de insecten en microben, kwamen allen uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [Brahmâ hier of de guna-avatâra] en uit al degenen die deel van Hem uitmaken voort; laten we ons nu allen begeven in de richting van de beschutting geboden door de Onuitputtelijke. (22) Voor Hem hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden aanbeden, niettemin neemt Hij voor het heil van de schepping, de handhaving en de voleinding, naar wat er aan de orde is, de rol op Zich van [Zijn incarnatie als een avatâra van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8]. (23) Nu is het er de tijd voor om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid der goedheid te vestigen; laten we ons derhalve keren tot de toevlucht van de Leraar van het Universum - moge Hij, ons Sura's, Zijn eigen volk, zo welgenegen, ons het goede geluk brengen dat we nodig hebben [zie B.G. hoofdstukken 14 & 18].'
(24) S'rî S'uka zei: 'De heer van de Veda aldus tot de goddelijken sprekend, o onderwerper der vijanden, begaf zich rechtstreeks naar de verblijfplaats van de Onoverwinnelijke voorbij de wereld der duisternis. (25) Aldaar, jegens Hem die in Zijn ware gedaante niet kan worden waargenomen, maar over wie de ganse Veda spreekt, sprak de meester der goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de geest vestigden. (26) S'rî Brahmâ zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onvergelijkelijke God hoogst wenselijk, bieden wij, de goden, ons eerbetoon [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4]. (27) Bij de Alwetende, de levenskracht voor de geest en het verstand van alle levende wezens; de Immer Waakzame met al het objectieve, de zinnen en de kennis; de onberispelijke, onpartijdige Toevlucht van allen in de duisternis; bij Hem de onfeilbare, alles doordringende Heer der drie Yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde], zoek ik mijn heil. (28) Het rad van de tijd dat met zijn gezwinde vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie electrificerende naven [de geaardheden] en zijn acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] door Zijn uitwendige energie met grote kracht draait rondom de as waarvan ze zeggen dat Hij het is, is er voor het levende wezen als een zelfgeschapen orde; laten we voor die feitelijke werkelijkheid van Hem het grootste respect koesteren [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61]. (29) Hij van één bekentenis [die der goedheid], transcendentaal aan het materiële duister; die ongemanifesteerde, niet te lokaliseren, Onbegrensde die iedere maat te boven gaat en wordt gedragen op de rug van Garuda [de vedische verzen]; Hij wordt door de onverstoorde en nuchtere mens, aanbeden door middel van yoga [zie ook 4.3: 23]. (30) Zijn illusiewekkende energie die door niemand te overwinnen is, door die energie zijn de mensen in het algemeen verbijsterd en begrijpen ze niet de ware rijkdom van het leven; Hem van volledige beheersing over het levende wezen en de geaardheden der uitwendige energie, die bovenzinnelijke beheerser allen gelijkgezind, die heerst over de levende wezens, bewijzen we de eer. (31) Voor ons, wij die bogen op een lichaam gevormd uit goedheid, verschijnt U zo dierbaar en nabij als voor de heiligen in dezelfde positie; niettemin zijn we ons niet volledig bewust van de bestemming zo subtiel. Als dat zo is met ons, hoe moet dat dan zijn met de onverlichte zielen en atheïsten zo misplaatst ondanks hun primaire belang? (32) Voor deze aarde waarlijk door Hem geschapen, voor deze materiële schepping waarin men de vier soorten van levende wezens aan Zijn voeten aantreft [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40], is Hij in feite de Allerhoogste, de Oorspronkelijke Persoon; moge Hij, de Grootste van een onbeperkt vermogen, ons genadig zijn. (33) De massa's water zijn enkel Zijn zaad zo krachtig in het voortbrengen van al het leven dat, met inbegrip van al de goddelijken in het ganse universum, waar dan ook er inderdaad mee gedijt; moge Hij, Hij die van de grootste macht is, tevreden met ons zijn. (34) Soma, de maan, Zijn geest zo zegt men, is de kracht van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en de levensduur; die Allerhoogste Heer die de bomen alsook al de andere levende wezens doet groeien, moge Hij, die bron van alle weelde, voldaan zijn over ons [zie ook: 2.10: 30 en 6.6: 24-26]. (35) Vanuit Zijn mond van vuur, zoals ook aanwezig in de diepten der oceaan waar het al de elementen verteert [zoals het vuur van de spijsvertering in de maag], brengt Hij, door de aanwezigheid ervan tijdens de erediensten, alle weelde voort; moge Hij, de Almachtige, tevreden zijn over ons. (36) Dat wat Zijn oog werd, de godheid van de zon welke de leiding vormt voor de goddelijken in hun materieel ondernemen; dit brandpunt en deze toegangspoort voor de realisatie van het eeuwige pad, de absolute Waarheid en iemands bevrijding, deze godheid welke zowel de oorzaak is van iemands dood, moge die Alomvattende Macht ons Zijn goedkeuring verlenen [zie ook 2.1: 30 B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19]. (37) Van Zijn levenskracht, Zijn adem, in alle levende wezens, van die prâna als het basisprincipe, van het volgen van die lucht zoals onderdanen die een keizer volgen, is er al de kracht en vitaliteit; moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons. (38) Van Zijn horen zijn er de verschillende windrichtingen, van Zijn hart kennen we het lichaam met zijn openingen en van de Oorspronkelijke Persoon Zijn navel [de ruimte] is er de ether als de [spirituele] toevlucht van de levenskracht, de zinnen, de geest, de vitaliteit en ons fysieke lichaam; moge de Allerhoogste macht die Hij is, tevreden over ons zijn [2.1: 27 & 29]. (39) De grote Indra is er van Zijn kracht en de dienaren [van Hem] in de drie werelden zijn er van Zijn tevredenheid; van Zijn Woede is er de Beheerser op de Berg [Heer S'iva] en van Zijn nuchtere verstand is er Viriñca [Heer Brahmâ]; uit Zijn openingen komen de mantra's voort terwijl de heiligen en de stamvaders er zijn van Zijn genitaliën; mogen wij van die Ene zo machtig de goedkeuring wegdragen. (40) De godin is er van Zijn borst, het voorouderlijke is er van Zijn schaduw, de religie was mogelijk van Zijn voorkant, en de goddeloosheid kon er zijn door Zijn achterkant; de hogere plaatsen vormen Zijn schedeldak en de dansmeisjes van de hemel zijn er van Zijn zingenot; moge Hij, de Grootste van Al het Kunnen, tevreden over ons zijn. (41) De geleerden [de brahmanen] zijn er van Zijn mond, net als de vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis; de bestuurders [kshatriya's] en de fysieke kracht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'ya's zie ook 2.1: 37] en hun vakkennis van verschaffen en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ûdra's] die zich geen zorgen maken over de Veda; moge Hij zo Allermachtigst verheugd zijn met ons. (42) Begeerte is Zijn onderlip en genegenheid is Zijn bovenlip; de luister van het lichaam kon er zijn van Zijn neus en door Zijn aanraking kon er de dierlijke lust zijn; van Zijn wenkbrauwen was er de Heer van de Dood [Yamarâja] maar van Zijn wimpers kon er de eeuwige Tijd zijn; moge Hij, de Ene Almachtige, ons Zijn goedkeuring verlenen. (43) De elementen der materie, hun wever [kâla, de tijd], de baatzuchtige arbeid, de geaardheden der natuur en de verscheidenheid aan geschapen vormen is dat wat het volledige van Zijn scheppend vermogen [yoga-mâyâ] uitmaakt, waarvan al de geleerden zeggen dat die moeilijk te doorgronden is - het is de moeilijkheid waarvan zij die tot inzicht kwamen zich afwenden; moge Hij de Beheerser van Allen en Alles tevreden zijn met ons. (44) Laat er onze eerbied zijn voor Hem die de vrede is vrij van ondernemen, de zichzelf onderhoudende en volledig voldane van alle presteren; onze eerbetuigingen voor Hem, de Ziel voor de wereld welke zich beweegt in de geaardheden, Hem, de meester van het spel die gelijk de lucht zich afzijdig houdt van alle zorgen over materiële zaken. (45) Overgegeven aan U, wensen we het niettemin Uw glimlachende lotusgelijke gezicht te zien. Mogen we Hem aanschouwen, U mijn Heer, in Uw oorspronkelijke gedaante, rechtstreeks te zien voor onze ogen? (46) Met het één en het ander, in feitelijke gedaanten keer op keer verschijnend vanuit Uw persoonlijke wil, verricht U in eigen persoon, o Machtige, ongewone daden zodat U voor ons er waarlijk bent als de Allerhoogste Heer die de macht heeft [B.G. 4: 7]. (47) Voor mensen die er op uit zijn te genieten zijn er vele obstakels en weinig resultaten, waarbij men met zijn projecten eindigt in frustratie; als men zo is is men werkelijk niet van toewijding voor Hem. (48) Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Beheerser [die de Tijd is] men U realiseert als de oorspronkelijke Ziel die voorzeker warmhartig en goedgunstig is voor iedere persoon. (49) Zoals inderdaad met het water geven aan de wortels van een boom men eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon voor Vishnu, de ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14]. (50) Al mijn eerbetuigingen voor U, mijn Heer der Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Beheerser Aller Geaardheden die nu verwijlt in goedheid.'
*: Het verhaal luidt: 'Toen Durvâsâ Muni eens op weg was, zag hij Indra op de rug van zijn olifant en bood hij in zijn vreugde Indra een bloemenkrans van zijn nek. Indra, echter, al te opgeblazen, nam de bloemenkrans, en hing die zonder respect voor Durvâsâ Muni, aan de slurf van zijn draagolifant. De olifant, als een dier, kon de waarde van de krans niet begrijpen, en aldus gooide de olifant de bloemenkrans tussen zijn poten en verpletterde die daar. Deze beledigende gang van zaken ziend, vervloekte Durvâsâ Muni terstond Indra tot de bedelstaf, door verstoken te zijn van alle weelde. Aldus verloren de halfgoden, van de ene kant in het nauw gedreven door de vechtende demonen en van de andere kant door de vloek van Durvâsâ Muni, alle materiële weelde in de drie werelden.'
De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af
(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Hari, de Hoogste Beheerser, aldus aanbeden door de goddelijken verscheen toen voor hen, o Koning, met een gloed van duizenden opgaande zonnen. (2) Om die reden was op dat moment het gezichtsvermogen van de goddelijken geblokkeerd; ze zagen niets in welke richting ook, noch in de hemel, noch op het land, noch zagen ze zichzelf, en waar was de Almachtige nu te zien? (3-7) Maar zo gauw ze Zijn gestalte ontwaarden, zo zuiver met de gloed van een blauwe diamant, Zijn oogwit zo roze als een lotushart, Zijn glans van gesmolten goud, Zijn geelzijden kleding, de grote schoonheid en gratie van al Zijn ledematen, Zijn glimlach, Zijn fraaie wenkbrauwen, Zijn helm vol edelstenen, de opsmuk van al Zijn sierselen, het licht van Zijn oorhangers, de kaaklijn van Zijn prachtige gezicht, Zijn gordel en banden, Zijn halssnoer en enkelbelletjes alles prachtig geschikt, het Kaustubhajuweel op Zijn borst, S'rî Lakshmî die zich met Hem meebewoog, Zijn bloemenslingers en Zijn cakra en Zijn andere wapens, wierpen al de onsterfelijke zielen tezamen met Heer S'iva, die voor hen allen de enige goddelijkheid vormde, zich met lijf en leden ter aarde en verheerlijkte de o zo machtige Heer Brahmâ, de aanvoerder van de goden, de Allerhoogste Persoonlijkheid.
(8) S'rî Brahmâ zei: 'Jegens Hem die nimmer geboorte nam maar altijd ten tonele verschijnt, Hij die vrij is van de geaardheden, die oceaan van gelukzaligheid voorbij alle bestaan, die kleinste van alle atomen zo ondoorgrondelijk in al Zijn trekken, jegens U, de Ondoorgrondelijke, ons herhaaldelijk eerbetoon [zie ook B.G. 4: 6]. (9) Deze gedaante van U, o Beste van alle Personen, is zo aanbiddelijk en goedgunstig voor allen die verlangen overeenkomstig de vedische aanwijzingen zoals verstaan vanuit de Tantra's [speciale vedische verhandelingen] in het praktizeren van de yoga; o bestuurder die met ons de drie werelden regeert, o, in U zien we rechtstreeks het Universum compleet. (10) Jegens U in het begin was er, jegens U in het midden was er, jegens U op het eind zal dit alles er zijn; de aanvang, het einde en het midden van deze kosmische schepping beheerst U in zijn geheel: zoals de aarde staat tot de pot ervan gemaakt, bent U de leiding der transcendentie. (11) U, door Uw eeuwig energetish vermogen, met Uw Ziel als de toevlucht, gaat, uit Uzelf voor het heil van de schepping dit universum zo immens binnen en zij die verbonden zijn, zij die vol van de sastra zijn, zien, als hooggestemde personen met een gevorderd bewustzijn, U, in de transformatie van de geaardheden hoewel U door de kwaliteiten der natuur onberoerd blijft. (12) Zoals met vuur uit het hout, zoals met de nectar uit de koeien, zoals met de granen en het water die men vindt op deze aarde en ook zoals met het levensonderhoud verkregen uit eigen ondernemen, bereikt het levend wezen door de praktijk van de yoga, intelligent naar de geaardheden, inderdaad U, zo bevestigen het de grootsten. (13) O Heer van ons allen, o Meester in Uw volheid hier aanwezig voor ons, met de lotus uit Uw navel, hebben we zolang gewacht verlangend naar het doel en nu vandaag mogen we allen de visie van het geluk dan koesteren, gelijk olifanten, die in nood in een bosbrand, het water van de Ganges zouden koesteren. (14) O Ziel, die voor een ieder het voorbije is, over de bedoeling waarvoor we kwamen tot Uw voeten hoeven we U, de getuige van allen, niet te informeren; moge U zo goed zijn aan onze verlangens tegemoet te komen voor de leniging van de behoeften van deze zielen overeenkomstig de plaatsen door hen bestuurd. (15) Ik en Hij die verblijft op de berg [S'iva], de verlichten en allen zo geleid door stamvaders als Daksha, zijn als vonken in verhouding tot het vuur dat U bent mijn Heer - hoe kunnen wij als losse deeltjes nu tot begrip komen, o mijn Heer? Schenk ons alstUblieft het goede geluk, de mantra's, van de tweemaal geborenen en de brahmaan.'
(16) S'rî S'uka zei: 'Aldus aanbeden door Viriñca [Brahmâ] en allen, begrijpend wat ze in hun harten verlangden, antwoordde Hij met woorden rollend als de donder hen die in gebed hun zinnen beheersten. (17) Hoewel de Beheerser alleen op zichzelf aankon wat de goddelijken te doen stond, wilde Hij als hun Heer Zijn spel gaan genieten van het karnen van de oceaan en sprak Hij tot hen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Luister o Brahmâ en S'iva, o goden, naar wat Ik te zeggen heb; luistert nu allen aandachtig omdat dat jullie Sura's al het goede geluk zal brengen. (19) In afwachting van je eigen voorspoed, stel je in op een wapenstilstand met de Daitya's en Danava's hun zegeningen van een gunstige tijd. (20) Als het van belang is voor de eigen plichten moet men zelfs met zijn vijanden tot een vergelijk willen komen, zoals een slang dat zou doen met een muis o goden, naar het belang van zijn eigen positie [*]. (21) Aarzel niet je in te spannen voor de nectar waarvan welk levend wezen ook dat in doodsgevaar verkeert onsterfelijk kan worden als ervan gedronken wordt. (22-33) Met het in de oceaan van melk geworpen hebben van allerlei klimplanten, grassen, groenten en kruiden en het met Mijn hulp gebruiken van Vâsuki [de slang] als het touw voor de karnstok die de berg Mandara is, ga zorgvuldig tewerk met het karnen; het zal de samenzweerders der belemmering bezighouden maar jullie allen, zullen er de vruchten van plukken. (24) Jullie moeten allen tezamen accepteren wat de Asura's ook maar van je verlangen o Sura's, wordt er niet kwaad over, daar tewerkgaand in vrede alle doelen zullen worden bereikt met het grootste succes. (25) Wees niet bevreesd voor het kâlakûtha ['valse tijd'] gif dat uit de oceaan van melk zal verschijnen en laat je nooit leiden door begeerte, lust en woede met dat wat wordt voorgebracht.'
(26) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer aldus de goddelijken van advies had gediend, verdween het Hoogste Voorbeeld vandaar, o Koning, daar Hij de Beheerser is die zich vrij beweegt. (27) Toen ze Hem, hun Allerhoogste Heer, hun eerbetuigingen hadden gebracht, keerde de Grote Vader met de Heer der Wording [Bhava, S'iva] terug naar hun verblijfplaatsen en werd koning Bali door de Sura's benaderd. (28) De achtenswaardige leider van de Daitya's [Bali] zag heel goed dat, hoewel zijn kapiteins in staat van paraatheid verkeerden, de vijanden niet van zins waren te vechten en dus hield hij ze terug, zich wel bewust van wat de tijd om te vechten en de tijd om te onderhandelen was. (29) Ze kwamen allen tot de zoon van Virocana [Bali] en gingen met hem zitten, die, goed beschermd door de asura bevelhebbers, als de veroveraar van al de werelden was gezegend met een grote weelde. (30) De grote Indra in zachte bewoordingen hem behagend zo goed als hij kon, legde als de grootste intelligentie alles aan hem voor wat ze hadden vernomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (31) Het was allemaal heel goed te aanvaarden voor de daitya heerser alsook voor de andere asura aanvoerders Sambara, Arishthanemi en de rest van de inwoners van Tripura. (32) Direct daarop besluitend tot een wapenstilstand tussen hen, begonnen zij, deva en Asura, met de verheven onderneming van het karnen voor de nectar, o bestraffer der vijanden. (33) Daartoe rukten ze allen uit alle macht, met grote kracht onder luid geschreeuw de Mandara Berg van zijn plaats en namen ze die mee naar de oceaan met hun sterke en stoere armen. (34) Over een grote afstand die lading meetorsend konden Indra en de zoon van Virocana vermoeid geraakt de last niet nog langer dragen zodat ze hem halverwege achterlieten. (35) De enorme berg van goud die ter plekke naar beneden kwam verpletterde met zijn grote gewicht vele van de verlichte en de onverlichte zielen. (36) Gedragen door Garuda verscheen de Allerhoogste Heer daarna voor hen allen die zowel hun armen en benen als hun harten hadden gebroken. (37) Middels een enkele blik geworpen op de onsterfelijken en de sterfelijken die waren verpletterd door de vallende berg, wekte hij hen weer tot leven zonder een schrammetje en vrij van verdriet. (38) Met het grootste gemak plaatste Hij met één hand de berg op Garuda, besteeg Hij zijn rug en ging Hij omringd door de Asura's en de Sura's naar de oceaan. (39) Aldaar de berg van zijn schouder ladend ging Garuda, de grootste aller vogels, ermee naar de waterkant en zette hij hem daar neer, waarna hij door de Heer werd heengezonden [zodat hij Vâsuki niet zou opeten].'
*: Het idee hier is dat van een muis en een slang: de muis, met de slang gevangen in een mand maakt een gat en de slang profiteert van beide als de slang de muis niet meteen opeet.
Heer S'iva Drinkt het Gif Gekarnd met de Berg Mandara
(1) S'rî S'uka zei: 'De Sura's nodigden allen de koning der slangen, Vâsuki, uit, hem een aandeel belovende en wonden hem om de berg als het touw om te karnen. Daarop begonnen ze opgetogen met het karwei om zich voor de nectar in te spannen, o beste van de Kuru's. (2) Heer Hari nam hem als eerste bij de kop en de rest van de goddelijken volgde Zijn voorbeeld. (3) De daitya leiders zagen die regeling echter niet zitten en dachten naar de rijpheid en ontwikkelde kennis van hun studie, hun geboorte en ervaring: 'Geen van ons zal het proberen met de staart van het serpent daar dat het minderwaardige deel is'. (4) Ziende hoe daaropvolgend de Daitya's het zwijgen ertoe deden, glimlachte de Allerhoogste Persoonlijkheid. Hij gaf het voorste gedeelte op en greep met de halfgoden de achterkant vast. (5) Aldus uitmakend waar er moest worden vastgehouden, sloegen zij, de zonen van Kas'yapa [goddelijk en demonisch], met veel enthousiasme aan het karnen om de nectar uit de oceaan van melk te verkrijgen. (6) Terwijl ze aan het karnen waren zonk door zijn gewicht, omdat niets hem ondersteunde, die berg toen in het water naar beneden ondanks dat hij werd vastgehouden door de sterken, o zoon van Pându. (7) Zwaar teleurgesteld, verliet al de schoonheid hun gezichten toen ze zagen hoe hun inspanning door de sterkere wil van God buiten spel werd gezet. (8) Toen Hij zag hoe door goddelijke tussenkomst de berg zonk, expandeerde de Onfeilbare Beheerser wiens wegen en vermogens zo ondoorgrondelijk zijn, Zichzelf in het wonderbaarlijke lichaam van een gigantische schildpad, ging Hij het water in en tilde Hij [Kûrma] hem op [zie ook Das'âvatâra-stotra vers 2]. (9) De aanblik van de opgetilde berg monterde zowel Sura als Asura op om de massa te karnen die als een groot eiland boven op een ander eiland zich voor zo'n honderdduizend yojana's uitstrekte op Zijn rug. (10) Het roteren van de berg bewogen door de sterke armen van de sura en asura leiders, mijn beste, werd door de uit zichzelf verschenen schildpad die hem op Zijn rug droeg beschouwd als een eindeloos aangenaam gekrab. (11) Daarna, om ze aan te moedigen en hun kracht en inzet te versterken, ging Heer Vishnu de Asura's binnen in de vorm van hun eigen kwaliteit [die der hartstocht], doortrok Hij de Sura's met goddelijkheid [de geaardheid goedheid], en nam Hij de gedaante van de onwetendheid aan met de koning der serpenten. (12) Op de top van de grote berg als een tweede berg Mandara vastgrijpend met één hand, toonde Hij zich met duizenden handen terwijl vanuit de hemel Heer Brahmâ en S'iva met Indra voorop voor Hem hun gebeden brachten en Hem bestrooiden met bloemen. (13) Er zowel van boven als van onderen, als met henzelve, met de berg en met het touw erin zijn binnengegaan als het Allerhoogste, raakte de oceaan, die met grote kracht verwoed werd gekarnd, in heftige beroering door de grote steenmassa, en raakten alle krokodillen van streek. (14) De slangenkoning heftig blazend in alle richtingen, spuwde met een duizendtal der zijnen vuur en rook waardoor de Asura's, die werden aangevoerd door Pauloma, Kâleya, Bali en Ilvala, zwaar te kampen hadden met de hitte van zijn straling en ze er allen kwamen uit te zien als sarala bomen verschroeid in een bosbrand. (15) Ook de goddelijken werden aangetast in hun luister door zijn vurige adem die hun kleding, fraaie bloemenslingers, wapenrusting en gezichten beroette; bij beschikking van de Allerhoogste Heer regende het toen overvloedig terwijl winden waterdamp opbliezen van de golven van de oceaan. (16) Toen de oceaan naar het beste vermogen van de goddelijken en de Asura's naar behoren was gekarnd maar er geen nectar verscheen, begon de Onoverwinnelijke zelf te karnen. (17) Zo donker als een wolk, in gele kledij, met schitterende oorhangers aan Zijn oren, met Zijn glanzende haar op Zijn hoofd loshangend, met Zijn bloemenslinger, roze oogwit en zegevierende armen het universum veilig stellend, karnde Hij, na de slang gegrepen te hebben, de karnstok waartoe de berg diende en nam Hij daarbij een formaat aan gelijk aan dat van een berg. (18) Na eerst allerlei soorten vissen, haaien, slangen, alle typen schildpadden, walvissen, water-olifanten, krokodillen en timingila's [walvis-etende walvissen] enorm in beroering te hebben gebracht, kwam er, met al het gekarn, uit de oceaan een zeer krachtig gif genaamd Hâlahala tevoorschijn [of Kâlakûtha, zie 8.6: 25]. (19) Dat krachtige, onverdraaglijke gif, onstuitbaar zich in alle richtingen hoog en laag verspreidend, maakte alle mensen bang zodat ze rusteloos het met de Heer hun beheerser niet meer wisten hoe ze het hadden, o mijn beste, niet beschermd als ze waren door de beschutting van Heer S'iva zijn lotusvoeten. (20) Toen ze hem zagen die voor het welzijn van de drie werelden tezamen met zijn echtgenote op zijn berg [Kailâsa] zat, hij, de beste van alle halfgoden door de heiligen hooggehouden die in verzaking het pad der bevrijding in dienstbaarheid bewandelen, brachten ze hem hun eerbetuigingen.
(21) De leiders der mensheid zeiden: 'O Heer der Heerscharen, o Mahâdeva, o ziel van allen, o liefde van een ieder, verlos ons, die hun heil zoeken bij uw lotusvoeten, van dit vergif dat de drie werelden verbrandt. (22) U alleen in het ganse universum bent heer en meester over de gebondenheid en de bevrijding, u bent degene die wij als gelukszoekers aanbidden; u bent de geestelijk leraar om alle leed te verzachten. (23) Middels de geaardheden der materie, middels uw eigen vermogen, verricht u de schepping, handhaving en vernietiging van deze materiële wereld, o machtige, als u zich manifesteert, o grootste, als Brahmâ, Vishnu of S'iva. (24) U bent het Allerhoogste Brahman, het vertrouwelijke van de oorzaak en het gevolg van al de levensvormen der schepping; u met al uw vermogens tentoongespreid bent de Superziel en de Beheerser van het Universum. (25) U bent de bron van het [spirituele, vedische] geluid, de oorsprong van het universum, de Ziel, de levensadem, de zinnen en de elementen, de geaardheden der natuur en de zelfontplooiing, de eeuwige tijd, de vastberadenheid en de religiositeit van de waarheid [satya] en de waarachtigheid [rita]; het is voor u dat men de oorspronkelijke lettergreep van drie letters uitspreekt [A-U-M]. (26) Het vuur, uw mond, staat voor het geheel van al de goddelijke zielen; het oppervlak van de aardbol kent men, o liefde aller werelden, als uw lotusvoeten; de tijd is de vooruitgang van het geheel van uw halfgoden tezamen; de windrichtingen vormen uw oren en de heerser der wateren [Varuna] is er als uw smaak. (27) Met de ether als uw navel, de lucht als uw adem, de zonneschijf als uw ogen, het water inderdaad als uw zaad, de maan als uw geest en de hogere werelden, o Heer, als uw hoofd, vormt uw zelf de beschutting van alle levende wezens hoog en laag [vergelijk 8.5: 33-43]. (28) Met de oceanen als uw buik, de bergen als uw gebeente, de planten, klimranken en kruiden als uw haren en de mantra's als uw zeven lagen [kosha's], vormen, o Veda's in eigen persoon, al de religies de kern van uw hart [zie ook 2.1: 32]. (29) De vijf opties [basisteksten] der [vedische] filosofie [genaamd Tatpurusha, Aghora, Sadyojâta,Vâmadeva, en Îs'âna] vormen uw gezichten met de achtendertig belangrijke mantra's [*] die de werkelijkheid van de Superziel verzekeren, de werkelijkheid van u o Heer, gevierd als S'iva in de positie van uw zelfverlichting. (30) De aanstormende golven der goddeloosheid [lust, woede, begeerte en illusie] vormen slechts uw schaduw, de schaduw op basis waarvan er zo vele vormen van scheppen bestaan; uw drie ogen zijn de goedheid, de hartstocht en de duisternis; uw enkele overschouwen bracht de analytische geschriften van de ziel teweeg, o Heer vol van verzen, o god van de vedische literatuur en haar supplementen. (31) Geen van de bestuurders van de wereld, o Heerser op de Berg, Brahmâ niet, Vishnu niet, noch de koning der Sura's [Indra], kunnen uw allerhoogste gloed peilen, de onpersoonlijke geest gelijk voor goden en mensen, waarin de geaardheden der hartstocht, onwetendheid en goedheid niet worden aangetroffen. (32) In deze wereld die, uit u voortgekomen, door u wordt vernietigd met de vonken van het vuur van uw ogen ten tijde van haar ondergang, hebt u Tripura in de as gelegd [7.10: 53], alsook de offers uit begeerte [zie b.v. 4.5], het gif van de tijd [in deze geschiedenis] en vele andere vormen van ellende voor de levende wezens; maar deze zaken dienen, omdat u deze wereld uit uw geest houdt, niet de verheerlijking van u. (33) Mensen die met de in zichzelf tevreden geestelijk leraren in hun harten aan uw twee lotusvoeten denken als zich bewegende met Umâ uw gezellin, kritiseren, in een later stadium van hun boete, uw handelingen en beschouwen u in het crematorium niet altijd als zijnde een aardig iemand; zij inderdaad die zich dermate schaamteloos opstellen hebben geen begrip voor wat u doet. (34) Om de reden van dat transcendentaal verheven zijn boven wat zich wel en niet rondbeweegt, bent u moeilijk te begrijpen; als het zelfs niet mogelijk is voor Brahmâ en zij die hem toebehoren om uw werkelijkheid zoals-die-is te doorgronden, o grootheid, hoe zou het ons dan lukken? Niettemin doen we, ookal zijn we maar creaties van de schepping [die van Brahmâ is], naar ons beste vermogen onze gebeden voor u. (35) Met al het transcendentale kunnen we de eigenlijke bovenzinnelijke positie van u, die er inderdaad bent voor het geluk van de manifeste wereld, niet waarnemen, o grote beheerser ongekend in uw handelingen.'
(36) S'rî S'uka zei: 'Met voor ogen hun benarde positie sprak hij, Mahâdeva, de vriend van alle levende wezens, vanuit zijn mededogen met het grote verdriet tot zijn gezellin Satî. (37) Heer S'iva zei: 'Liefste Bhavânî, hoe deerniswekkend deze toestand van al de levende wezens, kijk nu eens welk een bedreiging de huidige situatie vormt met al het vergif dat geproduceerd wordt met het karnen van de oceaan. (38) Mij verantwoordelijk voelend voor al hun levens moet ik inderdaad iets ondernemen voor hun veiligheid; mij beschouwend als hun meester is het mijn plicht hen die lijden bescherming te bieden. (39) Toegewijden beschermen met hun leven andere levende wezens die tijdgebonden, begoocheld door de uitwendige energie, elkaar vijandig gezind zijn. (40) Met het verrichten van goede daden voor anderen o zachtgeaarde, is de Ziel van Allen, de Heer, behaagd en omdat de Hoogste Persoonlijkheid van de Heer is behaagd zijn ook ik en alle andere zich wel en niet rondbewegende wezens gelukkig; laat me daarom dit gif opdrinken zodat er van mij het welzijn van alle schepselen zal zijn.'
(41) S'rî S'uka zei: 'Heer S'iva de begunstiger van het universum, zich op deze manier tot Bhavânî richtend, begon toen met de instemming van zij die met het beste van hem op de hoogte was, het gif op te drinken. (42) Mahâdeva nam daartoe het wijdverspreide Hâlahala-gif in zijn hand en dronk het genadevol op voor het heil van alle levende wezens. (43) Voor hem toonde het gif van het water zijn werking door zijn hals een blauwe streep te geven, de streep die er in de ogen van de heilige is als een sieraad. (44) De heiligen nemen zo goed als altijd vrijwillig het lijden op zich van de gewone man; dat optreden van hun vormt de hoogste vorm van aanbidding van de oorspronkelijke persoon, het volledige van de ziel [zie ook 1.5: 17-19, B.G. 18: 68-69 en 4: 7-8]. (45) Vernemend van die daad van S'iva, de god der goden, de genadige, werd hij hoog geprezen door al de mensen, door de dochter van Daksha [Satî zie ook 4.3 & 4], en door Brahmâ en de Heer van Vaikuntha. (46) En voor het kleine beetje dat hier en daar verspreid achterbleef toen hij uit zijn palm dronk, droegen toen enkele andere bekende levende wezens zorg, zoals daar zijn de schorpioenen, de cobra's en andere giftige dieren en planten.
*: De zesendertig mantra's genaamd mukhâni pañcopanishadas taves'a zijn: (1) tat purushâya vidmahe s'ântyai, (2) mahâ-devâya dhîmahi vidyâyai, (3) tan no rudrah pratishthhâyai, (4) pracodayât dhrityai, (5) aghorebhyas tamâ, (6) atha ghorebhyo mohâ, (7) aghorebhyo rakshâ, (8) aghoratarebhyo nidrâ, (9) sarvebhyah sarva-vyâdhyai, (10) sarva-sarvebhyo mrityave, (11) namas te 'stu kshudhâ, (12) rudra-rûpebhyas trishnâ, (13) vamadevâya rajâ, (14) jyeshthhâya svâhâ, (15) s'reshthhâya ratyai, (16) rudrâya kalyânyai, (17) kâlâya kâmâ, (18) kala-vikaranâya sandhinyai, (19) bala-vikaranâya kriyâ, (20) balâya vriddhyai, (21) balacchâyâ, (22) pramathanâya dhâtryai, (23) sarva-bhûta-damanâya bhrâmanyai, (24) manah-s'oshinyai, (25) unmanâya jvarâ, (26) sadyojâtam prapadyâmi siddhyai, (27) sadyojâtâya vai namah riddhyai, (28) bhave dityai, (29) abhave lakshmyai, (30) nâtibhave medhâ, (31) bhajasva mâm kântyai, (32) bhava svadhâ, (33) udbhavâya prabhâ, (34) îs'ânah sarva-vidyânâm s'as'inyai, (35) îs'varah sarva-bhûtânâm abhaya-dâ, (36) brahmâdhipatir brahmanodhipatir brahman brahmeshtha-dâ, (37) s'ivo me astu marîcyai, (38) sadâs'ivah jvâlinyai.
Meer Verschijnt door het Karnen: Moeder Lakshmî en Dhanvantari
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen het gif door hem die de stier berijdt was gedronken, hervatten al de onsterfelijken en Dânava's zeer verheugd het karnen van de oceaan en werd door de grote kracht ervan de koe van overvloed voortgebracht [de surabhi, de bron van de ghee]. (2) De wijzen bekend met de voorschriften voor de yajña's droegen zorg voor haar, o Koning, omdat zij, vanwege de geklaarde boter, geschikt was om offerandes te brengen met de vuuroffers en het vorderen naar God.
(3) Daaropvolgend werd een paard voortgebracht zo wit als de maan, genaamd Uccaihs'ravâ, dat Mahârâja Bali graag wilde hebben, terwijl Indra op aanraden van de Heer afzag van de claim [zie B.G. 10: 27 en vergelijk 4.19: 23].
(4) Daarna werd de koning van de weerbaarheid, de olifant Airâvata voortgebracht die wit, met vier slagtanden, de berg [Kailâsa] in de schaduw stelde die de glorie is van de Eerste Toegewijde [Heer S'iva, zie 6.11: 11 en nog eens B.G. 10: 27]. (5) Airâvana was de eerste van een achttal olifanten voor iedere windrichting en op hem volgend werd er ook een groep van acht wijfjesolifanten voortgebracht aangevoerd door een olifant die Abhramu heette, o Koning.
(6) Vervolgens werd uit de grote melkzee een waardevolle edelsteen voortgebracht bekend als de Kaustubha en nog een andere Padmarâga geheten; Heer Hari die ze graag in Zijn bezit had siert Zijn borst met hen. Daarna werd de pârijâta bloem voortgebracht die de hemelse plaatsen opsiert en daarmee de wensen vervult van hen die de weelde begeren ongeveer zoals u, o Koning, de wensen in de wereld vervult.
(7) Toen werden ook de Apsara's voortgebracht, die verfijnd gekleed en met goud behangen de buitengewoon mooie en aantrekkelijke bewoners van de hemel zijn die zich zo sierlijk bewegen met het op hol brengen van een ieder zijn hart.
(8) Daarna manifesteerde zich de Godin der Schittering [Ramâ of Lakshmî] die exclusief de Heer vergezellend alle richtingen verlicht met haar lichtende luister als Saudâmanî [let.: gevorkte bliksem, ook wel de tovenares; voor de omgang met die pracht: zie de 'vredesformule' in B.G. 5: 29]. (9) Iedere Sura en Asura en ieder menselijk wezen begeerde haar, daar de oogstrelende schoonheid van haar trekken, jeugd, uitstraling en heerlijkheden hun geesten had gevangen. (10) De koning van de hemel regelde een zitplaats voor haar en al de zegenrijke, wonderbaarlijke en heilige wateren namen met het vullen van gouden vaten toen een gedaante aan met hun zuivere water. (11) Het land bracht al de noodzakelijkheden en kruiden op voor het installeren van de godheid; de koeien droegen bij met het zuivere van hun vijf producten [melk, yoghurt, ghee, uitwerpselen en urine] en de lentetijd bracht haar bloemen en vruchten bijeen. (12) De wijzen voerden het ritueel op van de installatie zoals die is voorgeschreven waartoe voor alle voorspoed de Gandharva's overeenkomstig de traditie zongen, terwijl hun echtgenotes hun best deden voor de gelegenheid te dansen en mantra's te zingen. (13) De wolken lieten de dubbelzijdige trommels, pauken, muraja's en ânaka's horen [twee andere soorten trommels] en met de geluiden van trompetten, schelphoorns, fluiten en vîna's was het een tumult van jewelste. (14) Daarna goten de olifanten potten vol met heilig water uit over de [godheid van de] kuise godin zo prachtig met de lotus in haar hand, terwijl de tweemaal geborenen hymnen aan het zingen waren [zie ook een klassieke afbeelding van Lakshmî]. (15) De oceaan bood gele zijde zodat ze zich van top tot teen kon kleden en Varuna bracht de grootste bloemenslinger vergezeld van dronken bijen uit op de zoetheid. (16) Van Prajâpati Vis'vakarmâ was er een keur aan sieraden, Sarasvatî [de godin der wijsheid] verschafte een halsketting, Heer Brahmâ voorzag in een lotusbloem en de Nâga's [de excellenten] brachten oorbellen. (17) Daaropvolgend aanbeden in een allesbegunstigende eredienst ging zij, een natuurlijke schoonheid uitstralend, met de slinger van lotusbloemen vastgehouden in haar hand en de bijen erbij, rond, met de opsmuk van haar oorhangers bij haar wangen en haar verlegen glimlach op haar gezicht. (18) Met haar twee borsten en haar slanke middel in symmetrie en harmonie en ingewreven met sandelhoutpasta en kunkuma, vertoonde ze zich, van hier naar daar bewegend met het zoet getinkel van haar enkelbelletjes, precies als een gouden klimrank. (19) In haar positie op zoek naar de eeuwige kwaliteiten kon ze onder de bewoners van de hemel, de volmaakten, de onverlichte zielen, de hoeders van de welvaart, de eerbiedwaardigen al de andere halfgoden, er niet één vinden die vrij van gebreken was:
(20) 'Van de zekerheid van de verzakingen heeft men nog niet de woede overwonnen, door geestelijke kennis is de geleerde nog niet vrij van gehechtheden en een groot iemand is nog niet zijn materiële verlangens te boven; hoe kan een persoon als zodanig onder controle staand van iets anders, nu iemand zijn die zichzelf in de hand heeft? (21) Bedreven in de religie heeft men nog geen vriendschap gesloten met andere levende wezens, boetvaardig kan men de oorzaak van de bevrijding over het hoofd zien en met welke macht ook die men onder de mensen kan hebben is men nog niet bevrijdt van de macht van de tijd; nimmer zal men [buiten de Heer] een tweede treffen die zo los staat van het besmet zijn door de geaardheden der natuur [zie ook 1.2: 8]. (22) Iemand kan lang leven maar hoeft er nog niet gelukkig mee te zijn of zich er correct mee weten te gedragen, iemand kan een levenskunstenaar zijn maar niet weten hoe hij oud moet worden; als iemand het allebei onder de knie heeft is zo een persoon in een ander opzicht ongelukkig en van iemand die de hoogste ogen gooit op alle gebied is nog niet gezegd dat hij mij [de toewijding] voor ogen heeft!'
(23) Op deze manier van de nodige overweging zijnde aanvaardde de Godin van de Pracht Hem, Mukunda, het vergaarbekken van het Allerhoogste die in ieder opzicht zo geschikt en wenselijk was als de echtgenoot naar haar zin - ookal had Hij er zelf nooit naar uitgekeken -, omdat Hij, onafhankelijk van anderen, behept was met de buitengewone, alleszins goede, bovenzinnelijke kwaliteiten. (24) Na om Zijn schouders een schitterende krans te hebben gehangen van verse lotusbloemen die gonsde van het geluid van doldwaze hommels, verbleef ze, met een bescheiden glimlach bij haar glinsterende ogen, aan Zijn zijde met Zijn boezem als haar ware rustpunt. (25) Hij, de vader der drie werelden, maakte Zijn hart de verblijfplaats van de moeder, de godin, het opperste van de weelde; daar geïnstalleerd doet ze middels de genadige blik waarmee ze de drievoudige schepping overziet het fortuin toenemen van Zijn dienaren en leiders. (26) Met het geluid van de schelphoorns, trompetten en allerlei soorten trommels was er het grootse tumult van muziekinstrumenten zodat al de goden van de hemel en hun vrouwen begonnen te dansen en te zingen. (27) Brahmâ, S'iva en al de leiders der wereld met Angirâ voorop bewezen, met alles wat ze zagen, de persoonlijkheid die werkelijk de grootste was de eer middels gezang en het uitstrooien van bloemen. (28) Met de genadevolle blik van de Godin rustend op al de goddelijken, de vaders der mensheid en hun generaties, werden zij allen gezegend met goed gedrag en goede eigenschappen en bereikten ze de uiteindelijke voldoening.
(29) Toen de Daitya's en Dânava's, o Koning, verwaarloosd door Lakshmî gefrustreerd raakten, verloren ze gedeprimeerd in hun kwellende begeerte alle gevoel van schaamte. (30) Vervolgens verscheen Vârunî, de godin der dronkenschap, als een jong lotusogig meisje en de Asura's aanvaarden haar toen op de manier zoals de Heer het voor hen had beschikt.
(31) Met het karnen van de oceaan door de zoons van Kas'yapa zo ijverig uit op de nectar, verscheen er daar, o grote Koning, een hoogst wonderbaarlijke manspersoon. (32) Hij was lang, had stoere, sterke armen, een hals als een schelphoorn, rooddoorlopen ogen, een donker gekleurde huid, zag er zeer jong uit en was omhangen met een bloemenslinger en over zijn hele lijf opgesierd. (33) In het geel gehuld, met zijn borst breed, zijn oorhangers met parels goed gepolijst en zijn glanzende haar gekruld neerhangend in tressen, bewoog hij zich, met banden opgesierd, zo sterk als een leeuw naar voren met een tot de rand toe gevuld vat vol nectar. (34) Hij was een volkomen deel van een volkomen aspect van de Allerhoogste Heer Vishnu bekend onder de naam Dhanvantari die, staand voor het geheel van de medische kennis, er was om zijn aandeel van de offers voor zich op te eisen. (35) De Asura's die hem zagen met het vat vol nectar, graaiden, belust op alle dingen, onmiddellijk de pot van hem weg. (36) Toen die pot met de nectar erin door de Asura's werd weggedragen, waren al de godbewusten terneergeslagen en zochten ze hun toevlucht bij de Heer. (37) Getuige van hun droefheid over die aangelegenheid zei de Allerhoogste Heer die altijd probeert de wensen te vervullen: 'Weest niet bedroefd, middels een ruzie onder hen zal Ik er hoogst persoonlijk op toezien dat de nectar er is voor een ieder van jullie.' (38) O meester der mensen, toen was er onder hen een meningsverschil over de nectar ter wille waarvan ze met een dorstig hart zeiden: 'Laat mij eerst, ik eerst, niet jij, wacht maar even! (39-40) Als de goddelijken hun aandeel toekomt, hebben allen die zich in gelijke mate inspanden met de plicht van het ritueel, hetzelfde recht; dit is een kwestie van traditionele verplichtingen [sanâtana dharma]!' Aldus probeerden de Daitya's jaloers en zwak, o Koning, gewelddadig, zich het vat toe te eigenen in feite het elkaar voortdurend ontzeggend. (41-46) Nadat dit was voorgevallen nam Heer Vishnu, de Allerhoogste Beheerser die voor ieder probleem een oplossing heeft, de gedaante van een allerverrukkelijkste, wonderbaarlijke vrouw aan die voor iedereen een mysterie vormde. Een lust voor het oog zijnde, was ze zo donker als een pas geopende lotus, was ze in al haar leden van de grootste schoonheid en harmonie en had ze een rechte neus bij haar opgesierde oren en fraaie kaaklijn. Ze had frisse, ferme, jonge maar zware borsten bij een slank middel en een gelukzalige uitdruking op haar gezicht. Van de hommels om haar heen keek ze wat zorgelijk uit haar ogen. Met de massa van haar golvende haar en haar fraaie hals met daar omheen een mallikâ [jasmijn] bloemenslinger, met de schoonheid van haar armen die waren opgesierd met de fijnste juwelen en banden, met de propere sari over haar borst gespreid die een eiland van schoonheid was en met de gordel die ze om haar middel droeg, bewoog ze zich gracieus voort met haar enkelbelletjes. Verlegen haar blikken werpend en met haar wenkbrauwen in beweging, wekte ze diep in de harten van de daitya leiders een aanhoudend wellustig verlangen.
De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de Nectar uit te Delen
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zij, de Asura's, elkaar de nectar voor de neus wegkaapten en het elkaar toewerpend zodoende, zich gedragend als dieven, zeer vijandig werden, zagen ze [de Heer in de gedaante van] een zeer mooie vrouw [genaamd Mohinî-mûrti] op zich afkomen. (2) 'Wat een lijf, welk een luister en wat een jeugdige schoonheid heeft Ze!' zeiden ze, in hun harten erop belust met haar te slapen terwijl ze zich haastten haar aandacht te trekken. (3) 'Wie ben jij met je prachtige lotusblaadjes van ogen en vanwaar en waarom kwam je naar hier; en, o prachtige dijen die onze geesten op hol brengen, bij wie hoor je, zeg het ons alsjeblieft! (4) Noch wij, noch enige goddelijke persoon, demon, volmaakte ziel, schepsel van de hemel of eerbiedwaardige heeft jou ooit in handen gekregen en je gekend, om nog maar te zwijgen van dit of dat plaatselijke baasje in de menselijke samenleving. (5) De voorzienigheid zij geprezen, o schone wenkbrauwen, dat ze ons jou gestuurd heeft; is jouw genade er niet om dat aan te dragen wat de zinnen en geesten behaagt van allen die van vlees en bloed zijn? (6) O verpletterende schoonheid, zou jij dan misschien het geluk zijn voor ons waarmee we onze groeiende meningsverschillen uit de wereld kunnen helpen wat betreft deze zaak [van de nectar], waarin we als familieleden almaar vijandiger tegenover elkaar komen te staan, o slanke schone? (7) Draag er alsjeblieft zorg voor dat we met ons allen, als capabele en geschikte broeders en nazaten van Kas'yapa, kunnen rekenen op een rechtvaardige en onpartijdige verdeling [van de nectar].'
(8) Als een zelfbewuste vrouw hen gadeslaand met een bekoorlijke glimlach, sprak toen de illusie van de vrouwelijke schoonheid die de incarnatie van de Heer was, tot de erop aandringende Daitya's. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Hoe kunnen jullie, nazaten van Kas'yapa, er nu met z'n allen geloof aan hechten omgang te hebben met een blikvanger als Ik; dat op vrouwen gericht zijn is iets wat je bij de wijzen nooit zult aantreffen. (10) Zij zijn het er allen over eens dat apen en honden, o vijanden van de Sura's, en met name onafhankelijke vrouwen, er slechts kortstondige relaties op nahouden, ze zien steeds weer uit naar een nieuwe partner.'
(11) S'rî S'uka zei: 'Aldus zich met hen vermakend wekte Ze, al de Asura's aan het lachen brengend, vertrouwen, ondanks het feit dat Ze Zich zo serieus opstelde. En zo overhandigden ze Haar toen het vat vol nectar. (12) Vervolgens de pot met amrit in bezit nemend sprak de Heer met een gemaakte glimlach bij al Zijn schoonheid en woorden: 'Als jullie Me beloven te accepteren wat Ik ook moge doen, eerlijk of niet, dan zal Ik een ieder van jullie zijn deel van de nectar geven'. (13) Haar aangehoord hebbend stemden zij, de aanvoerders van de Asura's met hun hoofd vol van haar, in met de woorden die ze sprak en zeiden ze: 'Zo moet het dan maar!' (14-15) Ze begonnen toen te vasten, baadden zich, deden uitgietingen van ghee in het vuur, waren van liefdadigheid jegens de koeien, de brahmanen en wie ook meer, volbrachten plechtigheden naar brahmaans voorschrift, dosten zich uit naar hun smaak met het nieuwste en het fijnste en zaten in vol ornaat allen neer op kus'a zitplaatsen die ieder op het oosten gericht waren. (16-17) Met al de Sura's en Daitya's, die met hun gezichten aldus naar het oosten gewend neerzaten, allen uitgedost met bloemenslingers en lampen in een perk dat volhing met wierook, kwam toen daar, o heerser der mensen, het vat omhooghoudend, zij binnen, met haar jeugdige, rusteloze ogen, het geluid van haar tinkelende enkelbelletjes en haar goedgevulde borsten, langzaam voortschrijdend met een prachtige sari om haar volle heupen en haar dijen die leken op olifantenslurven. (18) Haar aanschouwend, de Opperheer die met gouden oorbellen, bekoorlijke oren, neus, wangen en gezicht zich voordeed als de vriendin van de Godin, waren ze allen erdoor betoverd hoe Ze hen glimlachend aankeek terwijl Haar sari lichtjes wuifde over haar borsten. (19) Maar het als een misrekening beschouwend van het geven van melk aan slangen om de nectar uit te reiken aan het stel kwaadaardige demonen, deelde de Onfeilbare er geen druppel van uit. (20) De beide partijen in twee rijen rangschikkend liet de Meester van het Universum hen ieder aan zijn hun kant ordentelijk plaatsnemen. (21) De Heer met de nectar die de Daitya's met mooie woorden aan het lijntje hield deed hen die aan de andere kant zaten van de nectar drinken die ze zou vrijwaren van ouderdom, dood en gebrekkigheid. (22) De Asura's, naar wat ze beloofd hadden, beheersten zich, o Koning, en hielden zich koest met het idee dat het verfoeilijk is om tegen een vrouw te vechten. (23) Bang dat ze de band van vriendschap met haar zouden breken voelden ze zich, bewogen door eer en het grootste respect, allen verplicht aan haar en zeiden ze niet het geringste dat haar zou kunnen mishagen. (24) Hij die de hemellichten verduistert [Râhu] doste zich uit als een van de goddelijken en ging tussen de godbewusten zitten om van de nectar te drinken maar, bij zon en maan, werd hij snel ontdekt. (25) Op het moment dat hij zich aan de nectar laafde werd Râhu's hoofd er door de Heer met Zijn messcherpe cakra afgesneden, maar het onthoofde lichaam dat de nectar niet had bereikt, viel ter plekke dood neer. (26) Het hoofd dat aldus de onsterfelijkheid had bereikt werd door Heer Brahmâ herkend als een planeet en het is diezelfde Râhu die tijdens verduisteringen [of met maanfasen] de zon en maan vijandig verdringt [zie ook 5.24: 1-3, 6.6: 37 en 6.18: 12-14]. (27) Toen de goddelijken bijna met het drinken van de nectar klaar waren onthulde de Allerhoogste Heer Hari, Hij die alle werelden het beste toewenst, in de aanwezigheid van de Asura's en hun leiders, Zijn oorspronkelijke gedaante. (28) Hoewel de Sura's en Asura's al met al één waren wat betreft de plaats, de tijd, het doel, de oorzaak, de handelingen en de ambities, waren ze niet gelijk in het resultaat dat ze behaalden; de godvrezenden bereikten met gemak de nectar ermee omdat de zegening van het saffraan van de lotusvoeten de hunne was, maar dat gold niet voor de Daitya's [vergelijk B.G. 4: 11]. (29) Wat men ook doet terwille van zijn eigen leven en welzijn, al die menselijke activiteiten, ideeën en woorden in relatie tot het eigen lichaam en de eigen familie, zijn allen van voorbijgaande aard [asat, 'onwaar'], bestaan allen uit gescheidenheid, maar het zelfde wordt waarlijk iets feitelijks en permanents als het niet in gescheidenheid wordt gedaan - het ontwikkelt zich dan tot dat wat het water geven aan de wortels wordt genoemd dat iedereen ten goede komt [zie 8.5: 49].'
De Veldslag tussen de Halfgoden en de Demonen
(1) S'rî S'uka zei: 'De Dânava's en Daitya's slaagden aldus met hun gezamenlijke inspanning om te karnen er niet in de nectar te bemachtigen, o Heerser, daar ze er een ander idee van bevrijding op nahielden in relatie tot Vâsudeva. (2) Nadat de amrit, o Koning, was voortgebracht en had gediend als drank voor de Sura's die Hem toebehoorden, liet de Heer van alle levende wezens die gedragen wordt door Garuda, hen alleen. (3) Toen ze zagen hoe hun rivalen van het beste van het leven genoten, was dit voor al de zoons van Diti onverdraaglijk, en dus hieven ze in slagorde hun wapens tegen de goddelijken. (4) De goddelijken, die nieuwe kracht hadden gevonden in het drinken van de nectar, hieven daarop op hun beurt, vanuit de veilige haven van Nârâyana's voeten, hun wapens om zich te verdedigen. (5) Daar, aan de oever van de oceaan van melk, werd toen door de goden en demonen naar hun eer een hoogst verbeten strijd gevoerd o Koning, met een geweld dat je de haren te berge deed rijzen. (6) In die veldslag kwaad van geest werden ze als strijders tot hun uiterste vermogen op de proef gesteld toen ze elkaar te lijf gingen met hun zwaarden, pijlen en allerlei ander wapentuig. (7) Door de massa schelphoorns, trompetten, trommels, hoorns en pauken; van de olifanten, de paarden, de soldaten te voet en de strijdwagenvechters bij elkaar was er een geweldig kabaal. (8) Op het slagveld als strijdwagenvechter tegen strijdwagenvechter, infanterie tegen infanterie, cavalerie tegen cavalerie en strijdolifant tegen strijdolifant, bevochten de vijanden elkaar op basis van gelijkheid. (9) Sommigen bereden olifanten, sommigen vochten vanaf de ruggen van kamelen en enkele anderen bonden als tegenstanders de strijd aan met wit- en roodkoppige apen, tijgers en leeuwen. (10-12) De beide partijen strijders traden elkaar tegemoet in vreemde vormen afhankelijk van lichamen van de water-, land- en zeedieren die ze gebruikten als hun voertuigen: gieren, adelaars, eenden, havikken, bhâsa vogels; roofwalvissen, apen, buffels, neushoorns, koeien, stieren, wild vee en rood vee, jakhalzen en ratten; sommigen beriepen zich op de vormen van konijnen, een menselijk voorkomen, geiten en enkele anderen wierpen zich in de strijd met zwarte herten, zwanen en ook beren. (13-15) Met mooi versierde vlaggen en baldakijnen, o Koning, met smetteloos witte parasols die kostbare handgrepen hadden vol met juwelen en parels, met gewone waaiers en waaiers van pauwenveren, met hun boven- en onderkleding flapperend in de wind, met de gloed van hun sierselen en schilden en hun blinkende, scherpe en schone wapens uitbundig glinsterend in de zon, zagen de twee banieren voerende partijen van de goddelijke en de dânava helden er met al hun bloemenslingers, o afstammeling van Pându, alles bij elkaar uit als twee oceanen vol waterdieren. (16-18) Bali, de zoon van Virocana, voor de strijd het verklaarde opperhoofd der demonen, bestuurde het voertuig vervaardigd door Maya genaamd Vaihâyasa ['door de lucht vliegend'] dat zich daarheen bewoog waar hij maar wilde. Volledig toegerust met al de noodzakelijke wapens was het onuitsprekelijk, onbeschrijflijk, hoogst wonderbaarlijk, soms zichtbaar voor het oog en dan weer onzichtbaar. Beschut door fraai versierde parasols en wuifkwasten bevond hij, gezeten op zo een eerste klas hemelwagen en omringd door al zijn commandanten, zich in een positie zo schitterend als een rijzende maan. (19-24) Rondom hem heen waren er de verschillende voertuigen van de Asura bevelhebbers van de troepen: Namuci, Sambara, Bâna, Vipracitti; Ayomukha, Dvimûrdhâ, Kâlanâbha en Praheti; Heti, Ilvala, S'akuni, Bhûtasantâpa, Vajradamshthra, en Virocana; Hayagrîva, S'ankus'irâ, Kapila, Meghadundubhi, Târaka, Cakradrik, S'umbha, Nis'umbha, Jambha en Utkala; Arishtha, Arishthanemi, Maya en Tripurâdhipa en de andere zoons van Puloma en de Kâleya's, van Nivâtakavaca en alle anderen die er niet in geslaagd waren een deel van de nectar te bemachtigen. Met enkel de last op hun schouders [en niet de beloning van de nectar], vormden ze allen bij elkaar, zich in de strijd werpend met alles wat ze in huis hadden, nu een groot probleem met hun leeuwengebrul en hun om het hardst blazen op hun schelphoorns. Toen Balabhit ['de vreze der kracht', Heer Indra] zijn bloeddorstige rivalen zo aanschouwde raakte hij hoogst vertoornd.
(25) Op Airâvata zijn draagolifant gezeten was Indra zo prachtig om te zien als de zon die opgaat boven de Udayagiri watervallen. (26) Rondom hem heen hadden al de goden met banier en wapen posities ingenomen op hun draagdieren: al de leiders van de hogere werelden en de halfgoden van de lucht, van het vuur en van het water. (27) Op elkaar afgekomen beschimpten de tegenstanders elkaar van aangezicht tot aangezicht de ander zoveel mogelijk in het hart rakend als ze konden en vochten ze, oprukkend, twee aan twee hun veldslag. (28) Bali bevocht Indra, Târak bestreed Kârttikeya, Varuna bond met Heti de strijd aan, en Mitra, o Koning, streed met Praheti. (29) Yamarâja deed dat met Kâlanâbha, Vis'vakarmâ waagde het met Maya, Tvashthâ ging op Sambara af, en Savitrâ bond met Virocana de strijd aan. (30-31) Aparâjita bestreed Namuci, de twee As'vinî-kumâra's wierpen zich in de strijd tegen Vrishaparvâ, de halfgod Surya vocht tegen de honderd zoons van Bali die onder leiding stonden van Bâna, Soma [de maan-god] streed met Râhu, Anila [god van de lucht] leverde strijd met Puloma en de oppermachtige godin Bhadra Kâlî [Durgâ] nam het op tegen S'umbha en Nis'umbha. (32-34) Vrishâkapi [S'iva] vocht tegen Jambha en Vibhâvasu, de vuurgod, bestreed Mahishâsura en Ilvala met zijn broer Vâtâpi leverden strijd met Brahmâ, o onderdrukker van de vijand. Durmarsha trad aan tegen Kâmadeva [Cupido], Utkala tegen de Mâtrikâ godinnen, Brihaspati ging de strijd aan met S'ukrâcârya en S'ani [Saturnus] bevocht Narakâsura. De Maruts vochten met Nivâtakavaca, de Vasu's namen het op tegen Kâlakeya's, de Vis'vedeva's probeerden het met de Pauloma's en de Rudra's traden aan tegen de Krodhavas'a's.
(35) Al de bewindvoerende Sura's en Asura's op deze manier door elkaar heen paarsgewijze verwikkeld in de strijd op het slagveld en aanvallend met grote kracht, hakten, verlangend naar de overwinning, in volle ernst op elkaar in met hun scherpe pijlen, steekwapens en lansen. (36) Met vuurwapens, werpschijven, knotsen, speren, spiesen, toortsen, gekartelde projectielen, mystieke bezweringen, zwaarden, lansen, ijzeren knuppels, hamers en slingers sloegen ze elkaar hun hoofden af. (37) De olifanten, paarden en wagens, soldaten te voet en de hele keur aan ruiters met hun draagdieren werden aan stukken gehakt. Armen, dijen, nekken en benen werden van hun romp gescheiden, en de vaandels, bogen, bewapening en ornamenten werden aan gruzelementen geslagen. (38) Door hun gewelddadige stampij en het geratel rees het stof van het veld in alle richtingen hoog in de lucht op tot aan de zon en regenden de stofdeeltjes naar beneden zwaar van het bloed dat rondspatte. (39) En zo raakte het veld aldaar bezaaid met afgehakte hoofden compleet met helmen en oorhangers, kwaaie ogen en verbeten lippen en lagen de benen en opgesierde armen er als olifantenslurven verspreid met de wapens nog in de handen. (40) Met de ogen van hun eigen hoofden konden de daar gevallen soldaten nog de rompen en armen met geheven wapens op het slagveld op zich af zien komen.
(41) Bali viel de grote Indra aan met tien pijlen, Airâvata, zijn draagdier met drie pijlen, zijn vier bewakers [soldaten te paard] met vier pijlen en de drijver van de olifant met één. (42) Indra bedreven, sneed onverwijld in een snelle reactie de pijlen die op hem afvlogen aan stukken met een ander type zeer scherpe pijlen en lachte dat de vijand hem niet kon bereiken. (43) Toen hij zag wat voor een expert in de krijgskunst Indra was, nam hij vertoornd het s'akti-wapen ter hand maar met de toorts van laaiend vuur nog in zijn hand werd die door hem vernietigd. (44) Toen vervolgens de lans, het gekartelde projectiel en de speer, het zwaard en wat al niet werd geprobeerd, werden ze allen door de machtige in mootjes gehakt. (45) O meester der mensen, nu werd er een demonische illusie ontketend waarbij de Asura niet langer kon worden gezien en een enorme berg oprees die overal boven de hoofden van de sura strijders uittorende. (46) Grote slangen, schorpioenen en andere giftige creaturen kwamen naar beneden alsook leeuwen, tijgers, beren en grote olifanten om te verpletteren. (47) Er kwamen grote bomen naar beneden in een laaiende bosbrand en stenen met scherpe punten die het vijandige leger moesten vernietigen. (48) Honderden en honderden spiernaakte vleesetende duivelinnen, o heerser, ieder met een drietand in de hand, krijsten 'Steek ze neer, snijd ze aan stukken' en dergelijke. (49) Vervolgens waren er diep rommelende grote wolken te zien in de hemel waaruit gloeiende sintels vielen, begeleid door gewelddadige rukwinden en donderslagen. (50) De Daitya schiep een gigantisch schrikwekkende vuurstorm gelijk Sâmvartaka [het vuur aan het einde der tijden] die door de wind werd meegevoerd om de krijgers der wijsheid te verbranden. (51) Daarop, voor iedereen goed te zien, vertoonde zich een zee vol kolkend water met golven die door de wind werden opgestuwd tot een gigantische draaikolk. (52) Alzo raakten de sura strijders met de vertoning van de illusoire atmosfeer zoals die door de onzichtbare Daitya's werd gepresenteerd, die experts der begoocheling, in de strijd ontmoedigd. (53) Met lege handen staand niet meer wetend hoe ze die tegenkracht moesten beantwoorden, o Koning, mediteerden de volgelingen van Indra voor de komst van de Allerhoogste Heer, de Schepper van het Universum.
(54) Hij met de gele kleding en de lotusblaadjes-ogen, wiens voeten rusten op de schouders van Garuda, werd toen voor hen zichtbaar met Zijn acht armen en wapens, de Godin van het Geluk en Zijn onschatbare Kaustubha-juweel, Zijn helm en Zijn oorhangers, allemaal prachtig tentoongespreid. (55) Met Zijn komst werden, door de superieure macht van de Grootste der Groten, terstond de illusoire manifestaties van de valse werken van de Asura overwonnen, inderdaad zoals dat gebeurt met dromen als men ontwaakt; alle gevaren zijn verdreven als de herinnering aan de Heer is weergekeerd. (56) Toen de demon Kâlanemi tewerk met de vijand der olifanten [de leeuw] Hem die door Garuda wordt gedragen op het slagveld zag, wierp hij een rondtollende drietand op Hem af, maar toen die op Garuda's hoofd afkwam werd die met gemak onderschept, waarna de vijand tezamen met zijn strijdbeest met datzelfde wapen door de Heer der drie Werelden werd gedood. (57) De zeer machtige Mâlî en Sumâlî vielen in de slag toen hun hoofden van hun rompen werden gescheiden door Zijn cakra, waarna de vijand Mâlyavân hetzelfde lot van een door de werpschijf van de Oorspronkelijke Persoon afgesneden hoofd wachtte toen hij met een puntige knots en brullend als een leeuw de Koning der Vogels [Garuda] probeerde aan te vallen.
De Dânava's Vernietigd en Weer Opgewekt
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen daarop door de genade van de Allerhoogste Persoonlijkheid al de Sura's zich weer hersteld hadden, hervatte Indra, Vâyu en de anderen de strijd tegen de troepen die hen voorheen hadden teruggedrongen in het gevecht. (2) Op het moment dat de zo machtige Indra, woedend op de zoon van Virocana [Bali], zijn bliksemschicht opnam, begonnen ze [de Asura's] allen uit te roepen 'Helaas, helaas!' (3) Hij die nuchter en goed uitgerust zich over het slagveld bewoog zag zich tegenover hem met de bliksemschicht geplaatst en kreeg naar zijn hoofd: (4) 'Jij bedrieger, jij dwaas, met je magie probeer je met illusies de zaak in je greep te krijgen en te winnen, over ons zegevierend alsof we kinderen zijn die men misleidend een rad voor ogen draaiend de bezittingen kan wegkapen! (5) Zij die het verlangen het hogere van de hemel te bereiken met illusoire middelen en op die manier denken de bevrijding te kunnen vinden, dat stelletje laag bij de grondse ezels, haal ik naar beneden en ontzeg ik de posities die ze ingenomen hebben. (6) Ik ben degene die vandaag een einde zal maken aan jou en je tovenarij door je je hoofd af te slaan met mijn honderd-tandige bliksemschicht; jij armzalige ziel met de maten...probeer het maar eens op dit slagveld uit te houden!'
(7) Bali kaatste terug: 'Allen hier op dit veld aanwezig zijn onderworpen aan de heerschappij van de tijd en vinden allen ieder op hun beurt, net zoals iedereen dat doet in zijn werk, een goede roep, overwinning, nederlaag en de dood. (8) Omdat de hele wereld, vooruitstrevend, door de tijd wordt bewogen, verheugt of weeklaagt de Asura niet die hiervan doordrongen is; in die zin hebben jullie allen er dus maar weinig kaas van gegeten! [vergelijk B.G. 2.: 11] (9) Wij die van respect zijn voor het zelf ongeacht wat er gebeurd, kunnen die smartelijke praatjes van u die bij de heiligen voor zielig wordt versleten, niet accepteren'.
(10) S'rî S'uka zei: 'Als een dappere held aldus de machtige terechtwijzend met stalen pijlen van minachting, viel Bali, de onderwerper der grootsten, hem wederom aan met zijn boog die hij in de aanval tot aan zijn oor aanspande. (11) Als een olifant gekastijd door de roede beklaagde de god, die aldus werd verslagen door zijn welbespraakte vijand, niet over de les die hem werd geleerd. (12) De meester der vernietiging zette de schicht tegen hem in zodat hij [Bali] getroffen toen gekortwiekt met zijn hemelwagen als een berg ter aarde stortte. (13) Toen hij zag dat zijn maat was gevallen trad zijn meest intieme vriend en begunstiger Jambha naar voren om solidair met zijn gevallen strijdmakker hem een dienst te bewijzen.(14) Hij supermachtig, de leeuw berijdend, stelde zich op met zijn strijdknots en sloeg Indra met inbegrip van zijn olifant met grote kracht op de schouder. (15) Getroffen door de enorme klap zakte de olifant zwaar gewond door zijn knieën op de grond en verloor hij omvallend het bewustzijn. (16) Daarop, toen zijn wagenmenner Mâtali hem [Indra] zijn strijdwagen getrokken door een duizendtal paarden bracht, liet hij zijn olifant achter zich en besteeg hij de wagen. (17) Met waardering voor die dienst van de wagenmenner, moest de beste der Dânava's glimlachen waarop hij hem in het gevecht met zijn van vuur laaiende drietand een slag toebracht. (18) Zich vermannend slaagde Mâtali erin de uitzinnige pijn te verdragen, maar Indra die buiten zinnen was onthoofde Jambha met zijn bliksemschicht. (19) Toen Jambhâsura's verwanten van Nârada rishi hoorden dat hij was gedood, haastten Namuci, Bala en Pâka zich derwaarts zo snel ze maar konden. (20) Met de wreedste woorden Indra uitscheldend om hem in het hart te raken, bestookten ze hem met pijlen die neerkwamen als een hoosbui boven een berg. (21) De duizend paarden van de koning der hemel werden door evenzoveel pijlen belaagd die allen snel tegelijkertijd waren afgeschoten. (22) Met de nog eens tweehonderd pijlen die op Mâtali afkwamen en die door Pâka allen in één keer gericht en afgeschoten waren op de strijdwagen en alles wat erbij hoorde, kon men aldus getuige zijn van een hoogst opmerkelijk wapenfeit in de veldslag. (23) Zo ook gaf Namuci vijftien goud-gevederde almachtige pijlen ten beste die door de lucht suizend een geluid op het veld voortbrachten als van een geladen donderwolk. (24) Al de Asura's bedolven Indra en zijn wagen van alle kanten met een dichte regen van pijlen, precies zoals wolken in het regenseizoen de zon aan het oog onttrekken [zie ook 4.10: 13]. (25) Als kooplieden schipbreuk lijdend midden op zee begonnen de halfgoden en hun gevolg, niet langer in staat hem te ontwaren, beroofd van hun leider te jammeren, terneer geslagen en zwaar geïntimideerd door de vijandige superioriteit als ze waren. (26) Daarop, tot de grote vreugde van alle kanten van de hemel en de aarde, slaagde Indra, de uitnemendheid der waarheid, erin zich tezamen met zijn paarden, strijdwagen, vaandel en wagenmenner te bevrijden van onder de wolk van pijlen, met zijn eigen persoonlijke gloed stralend tevoorschijn komend als de zon aan het einde van de nacht.
(27) Toen de godheid zag hoe zijn medestrijders door de vijand in verlegenheid werden gebracht in het gevecht, nam hij briesend van woede zijn bliksemschicht ter hand om de tegenstanders te doden. (28) Met behulp van die schicht scheidde hij toen voor ogen van hun familieleden, met de bedoeling ze angst aan te jagen, o Koning, de hoofden van de rompen van Bala en Pâka. (29) Namuci die er getuige van was hoe de twee werden afgeslacht, treurde over hen en deed, o heer der mensen, furieus een serieuze poging Indra van het leven te beroven. (30) Met een stalen speer behangen met bellen en opgesierd met goud in zijn hand trad hij laaiend van woede aan tegen Indra en brulde als een leeuw: 'En nou ben je dood!' en viel toen aan. (31) Het machtige projectiel dat als een meteoor uit de hemel naar beneden kwam werd door de hoogste persoonlijkheid [Indra] aan stukken geslagen o Koning, terwijl de demon zelf, van een ziedende Indra die trachtte hem zijn hoofd af te slaan, de bliksemschicht op zijn schouders kreeg. (32) Maar de machtige schicht, het zelfde wapen dat voorheen door de koning der goden zo succesvol was ingezet met het treffen van Vritrâsura [6.12: 25], kon nog geen schrammetje toebrengen. Die weerstand van Namuci's nek was een buitengewoon wonderbaarlijk iets. (33) En aldus de bliksemschicht zonder effect weer terugkrijgend raakte Indra zeer bevreesd voor de vijand waarbij hij zich afvroeg: 'Wat krijgen we nou? Bij genade van welke supermacht kon dit, in de ogen van een ieder zo wonderlijk iets, zich voordoen? (34) Met deze zelfde schicht heb ik voorheen de vleugels afgesneden van zo vele bergen die, hoog vliegend, veel te zwaar wegend en een plaag vormend voor de gewone man, ten val kwamen. (35) Vritrâsura zo machtig door de boetedoeningen van Tvashthâ [zie 6.9: 11] vond er de dood door, net als vele andere machtige karakters ongevoelig voor andere wapens. (36) En nu is die schicht, hoewel zo krachtig als een brahmâstra, ingezet tegen op een minder beduidende demon afgeweerd; zo nutteloos als een stok kan ik hem niet langer hanteren.'
(37) Tot Indra die zich op deze manier beklaagde sprak toen een stem uit de heldere hemel: 'Met deze Dânava is het zo geregeld dat hij niet kan worden vernietigd door iets wat nat of droog is. (38) Hij zou niet sterven door iets nats of droogs vanwege een zegen die Ik hem verleende en derhalve, o Indra, zal je andere middelen om je vijand te lijf te gaan moeten overwegen.'
(39) Nadat hij die indrukwekkende stem had gehoord mediteerde Heer Indra er diep in gedachten over en kwam hij daarop tot het inzicht dat het iets van schuim moest zijn wat noch droog noch nat was. (40) Aldus propte hij in Namuci's keel een wapen dat nat noch droog was, waarop al de wijzen verheugd de almachtige overlaadden met bloemenslingers. (41) De twee belangrijkste zangers van de hemel Vis'vâvasu en Parâvasu hieven hymnen aan, de pauken werden geslagen door de goddelijken en de dansers van de hemel dansten in de hoogste verrukking. (42) Vâyu, Agni, Varuna en anderen echter begonnen volijverig, als waren ze leeuwen op de hertenjacht, de andere ruziezoekende Asura's ter dood te brengen. (43) Devarishi Nârada Muni werd door Heer Brahmâ op de halfgoden afgestuurd om hen die aan de macht waren, o Koning, de totale uitroeiing van de Dânava's die hij plaats zag grijpen te verbieden. (44) S'rî Nârada zei: 'Beschermd door de armen en het geluk [de godin] van Nârâyana verwierven jullie allen de nectar; aangezien jullie er alzo allemaal wel bij varen moeten jullie nu stoppen met dit vechten!'
(45) S'uka zei: 'De ergernis van hun woede bedwingend accepteerden ze wat de wijze hen zei en keerden ze allen, onder lofprijzingen van hun volgelingen, terug naar hun hemelse verblijven. (46) Zij die waren overgebleven na het gevecht pakten Bali en een ieder die was gevallen op en gingen, met Nârada's toestemming, naar de berg die Asta heette. (47) Aldaar werden de neergesabelden en verminkten die hun hoofd nog hadden door S'ukrâcârya [4.1: 45, 6.7: 18, 7.5: 1, 7.10: 33] weer tot leven gewekt middels zijn kennis van het Samjîvanî ['opwekkings'] gebed. (48) Bali, eveneens terug gebracht met de aanraking van Us'anâ, besefte wat zich had voorgedaan en hoewel hij was verslagen beklaagde hij, als de slimste met de wereldse zaken, zich niet.
Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer
(1-2) De zoon van Vyâsa zei: 'Hij die de stier berijdt [S'iva] vernemende hoe Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] om de Dânava's te bekoren en er voor zorgde dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg zijn stier en ging omringd door zijn dienaren, tezamen met zijn godin [Umâ] erop uit om Madhusûdana [Vishnu] in Zijn verblijfplaats te treffen. (3) De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem met alle verschuldigde respect van harte welkom en toen Bhava, de Heer der Continuïteit, en Umâ comfortabel gezeten waren zei hij, met een glimlach Heer Hari zijn eerbetuigingen brengend, het volgende.
(4) S'rî Mahâdeva [S'iva] zei: 'O God der Goden, o Alles-doorvarende Heer en Meester van het Universum, voor alle vormen van bestaan bent U, als de volheid der schepping, de bestierende kracht en om deze reden bent U de Hoogste Beheerser. (5) U bent het begin, het einde van deze werkelijkheid en dat wat er zich tussenin bevindt en als men ook maar iets beschouwt als los van U bestaand is dat zelfzucht; maar omdat U onvergankelijk bent is Uwe Heerlijkheid, als zijnde die Absolute Waarheid, dat Allerhoogste en dat weten, niet van al deze verschillen. (6) Het zijn inderdaad Uw voeten die worden aanbeden door de wijzen die, verlangend naar het uiteindelijke heil, er geen materiële verlangens op na houden en de gehechtheid hebben opgegeven aan dit leven en een leven hierna. (7) U als het Volledige van de kosmos, onsterfelijk voorbij de geaardheden, vrij van verdriet in eeuwige verrukking, bent onveranderlijk, los van alles bestaand bent U niettemin alles. Als de oorzaak van het begin, de manifestatie van het universum en Haar handhaving, bent U van allen die op het innerlijk gericht zijn de Superziel van beheersing en zijn allen van U afhankelijk die de onafhankelijkheid zelve bent [zie tevens B.G. 9: 15]. (8) U daadwerkelijk als de Ene, bestaande als zowel het tijdelijke als het eeuwige, kent zelf geen tweevoudigheid omdat U in deze wereld, precies zoals goud in haar verschillende vormen is in relatie tot haar wezen, niet het verschil bent van de substantie, het verschil dat de mensen uit onwetendheid in relatie tot U in het algemeen waarnemen. Omdat U vrij bent van de verschillen gecreëerd door de geaardheden moet men, onderscheid makend, niet van materiële omschrijvingen zijn [het begrip van het verschil van een valse wereld en een waar Brahman bestaat alleen in naam, zie ook B.G. 7: 4-5]. (9) U wordt door sommigen [de onpersoonlijke vedantisten] gezien als de absolute Waarheid van het Brahman en door een aantal anderen [de Mîmâmsaka's] als het zekere van de religie [het dharma]. Sommigen [de Sânkya-filosofen] beschouwen U als de Oorspronkelijke Persoon, de Hoogste Beheerser wat betreft oorzaak en gevolg en anderen [de pañcarâtra-toegewijden] beschrijven de bovenzinnelijkheid jegens U als uitgerust met negen hoedanigheden [zie 7.5: 23-24]. Voor nog weer anderen [volgelingen van Patañjali e.g.] bent U de Hoogste Persoonlijkheid, de onafhankelijke, onvergankelijke Superziel. (10) Noch ik noch de man in het voorbije [Brahmâ], noch de wijzen met Marîci aan het hoofd, weten werkelijk door wie dit universum werd geschapen, ookal namen we geboorte uit de goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld onder de invloed van mâyâ, in de lagere geaardheden verkeren [der hartstocht en onwetendheid, zie B.G. 2: 45]. (11) U, die als de lucht in de uitgestrekte ruimte, zowel erbij betrokken als er vrij van bent, hebt, met Uw aanwezigheid als de Allesdoordringende, weet van alles van deze schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich beweegt en niet beweegt. (12) Ik was getuige van allerlei avatâra's van U die de kwaliteiten in verschillende avonturen tentoonspreidden; Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aannam. (13) We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de Daitya's hun aandacht in beslag nam en de Sura's de nectar te drinken gaf.'
(14) S'rî S'uka zei: 'Vishnu de Allerhoogste Heer aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte ernstig en gaf Girîs'a ['hij van de berg'] een antwoord. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Om de Daitya's te begoochelen nam Ik de gedaante van een prachtige vrouw aan, en achtte Ik het in het belang van de Sura's noodzakelijk om het vat vol met nectar weg te nemen. (16) Ik zal nu jullie, die er zo naar verlangen het te aanschouwen, o beste der verlichten, het voorwerp van aanbidding tonen dat de verlangens oproept van degenen die van een ongebreidelde lust zijn.'
(17) S'rî S'uka ging verder: 'Na zich aldus te hebben uitgesproken verdween Heer Vishnu terstond vandaar uit het zicht van het gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend met overal spiedende ogen. (18) Daarop ontwaarden ze op een prachtige plek in het bos een heerlijke vrouw die, in een glanzende sari met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen met roze blaadjes en alle soorten van bloemen, druk in de weer was spelend met een bal. (19) Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen die door hun gewicht bij Haar fragiele middel meedeinden met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten. (20) Haar gezicht werd opgesierd door rusteloze, bij tijden bezorgde, wijd open ogen die de bal in alle richtingen volgden en ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs Haar wangen naar beneden viel. (21) Terwijl Haar haar losgleed probeerde ze haar losrakende sari op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linker hand, onderwijl met Haar rechter hand tegen de bal slaand; aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14]. (22) De god die Haar op deze manier met de bal zag spelen en een nauwelijks op te merken verlegen glimlach zag uitzenden, was betoverd door de blikken van de stralende schoonheid en met zijn geest in beslag niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, was hij niet langer meer in staat aan zichzelf, aan Umâ naast hem of aan zijn metgezellen te denken [vergelijk 5.5: 8]. (23) Toen de bal opeens ver wegsprong van Haar hand, waaide, terwijl Ze de bal nazat, de jurk met de gordel die de vrouw bedekte, recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva weg. (24) Aldus Haar welgevormde glorie ziend zo aangenaam voor het oog, dacht S'iva dat Zij werkelijk wel zin in hem had. (25) Hij, gek op Haar glimlachen, ging, door Haar manier van doen beroofd van zijn gezonde verstand, zonder acht te slaan op Bhavânî die getuige was van wat zich voordeed, schaamteloos achter Haar aan. (26) De vrouw volkomen naakt, die hem op zich af zag komen, verborg zich in grote verlegenheid met een glimlach tussen de bomen, zonder op één plaats te blijven. (27) Heer S'iva, Bhava, wiens zinnen van streek waren, was het slachtoffer van de lust precies zoals een mannetjes-olifant uit op een vrouwtjes-olifant. (28) Haar najagend kreeg hij Haar bij de vlecht van Haar haar te pakken en trok hij Haar naar zich toe om Haar tegen Haar wil te omhelzen. (29-30) Zij met Haar losgeraakte haren, de vrouwtjes-olifant gevangen door het mannetje dat de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning, uit de hechte greep van de Heer der