musicbutton

 

 

POLITIEK

 

 

 

 

Samenvatting:

Dit filognostisch manifest, een manifest over de liefde voor de kennis ofwel de filognosie, weidt uit over de thema's van De Orde van de Tijd met het onderwerp van werk en werkeloosheid als leidraad om de fundamentele vragen van oorlog en vrede te beantwoorden. De bedoeling is tot een heldere leidraad te komen voor de staatspolitiek in verhouding tot de kulturele en natuurlijke orde van de tijd en het tijdsbeheer.

In het eerste hoofdstuk zien we hoe door een recapitulatie van de geschiedenis we ons realiseren dat we ons in een evolutie bevinden van de praktijk van de waarden der bevrijding.

Vervolgens zien we in het tweede hoofdstuk dat aangaande het recht van spreken we tot de conclusie moeten komen dat er om te beginnen geen politieke oplossing is, maar dat wat betreft referentie, vorm en gezag we vast zouden moeten houden aan verandering, tijd en zelfrealisatie in plaats van aan fixaties, Heilige Heren, en politieke macht.

In het derde hoofdstuk komen we tot inzicht in de misvattingen van de vedisch wortel, de politieke dialectiek en de religieus/wetenschappelijke begrippen van gehechtheid met als conclusie dat een begrip van hervorming en vooruitgang nodig is dat niet een andere wereld schept maar dat de door welk systeem van materiële identificatie ook geprojecteerde twee werelden verenigt.

In het vierde hoofdstuk zien we in dat er een systeem van holistische gezondheidszorg mogelijk is dat staat voor deze overbrugging van de kloven der dualiteit.

In het volgende vijfde hoofdstuk wordt de vraag van de autoriteit beantwoord duidelijk makend dat de zaak feitelijk draait op het juiste uitbalanceren van tijdindelingen die feitelijk iedereen aan het werk zetten en dat een holistisch antwoord op de dualistische misvattingen moet worden gebaseerd op een reëel systeem van status-oriëntatie en betrokkenheid dat de principes van de ziel weerspiegelt.

In het zesde hoofdstuk wordt, de vraag beantwoordend naar wie deze mensen van bevrijding zijn, geconcludeerd dat 1) zo'n systeem van bevrijding wordt gehandhaafd door een multi-gelovige spirituele discipline die staat voor de standaard waar men naartoe werkt in het bieden van een relatief voor alle individueel en sociaal ego, en dat 2) de staat en het geld de dienaar zouden moeten zijn met het worden van iemand i.p.v. een belichaming te zijn in het opofferen ter wille van een informatiecultuur van filognosie (houden van de kennis).

In het zevende hoofdstuk wordt het praktische probleem van de uitvoering besproken concluderend dat voor het probleem van de representatie, de autoriteit, de economie, het verkeer en transport en de sociale controle we de vijf revoluties nodig hebben van respectievelijk het holisme, de ziel, het digitale, de lokaliteit en de tijd.

In het achtste hoofdstuk is de slotconclusie getrokken dat het probleem van de oorlog alleen kan worden opgelost door de illusie van de werkeloosheid op te geven en dat voor het hoog houden van de vrede men moet vechten voor 1) de rechten van alle levende wezens op behuizing in de ruimste zin des woords en 2) de zinnigheid van respect voor de cultuur, de vooruitgang en de filognosie (liefde voor de kennis) van de ziel door het helpen van dropouts en zieken om hun vertrouwen en betrokkenheid te herwinnen.

 


Bestudeer ook het Politiek Programma voor een Doelbewust Mensenrechten Identiteits Bestuur en 'Een Kleine Filosofie van deVereniging'.




 
 

 

WERK EN WERKELOOSHEID: DEEL 1 | DEEL 2

 

DOOR: R.M.

 

 

""WIE NIET-HANDELEN IN HANDELEN
EN HANDELEN IN NIET-HANDELEN ZIET
WORDT INTELLIGENT GENOEMD IN DE SAMENLEVING
EN BEVINDT ZICH OP HET BOVENZINNELIJK VLAK
OOK AL VERRICHT HIJ ALLERLEI WERKZAAMHEDEN
."

Bhagavad Gita 4:18

 

 

INLEIDING

In het voorjaar van 1999 is er een oorlog gaande in Joegoslavië. Oorlog betekent onenigheid over het bestuur van de staat. De tegenover elkaar staande partijen beschouwen elkaar als vijanden aangezien de ene orde een bedreiging zou vormen voor de andere. De Serven met hun gewelddadige politiek tegen het UCK-terrorisme worden beschuldigd van genocide. De NATO wordt beschuldigd van het schenden van het internationale recht in het overtreden van het recht van onafhankelijke staten er hun eigen politiek op na te houden. De NATO noemt de zaak waar ze voor vechten de wereldorde, en de Serven hebben hetzelfde argument. De conclusie is dat er geen internationale overeenstemming is over hoe of wat deze wereldorde zou zijn. In werkelijkheid is deze wereldorde een theorie, de praktijk is een gewapend konflikt.

Redenerend voor zichzelf en de rest van de gemeenschap van soortgelijk offeren, is deze schrijver betrokken bij deze zelfde oorlog, de wapens opnemend van het intellect: de computer, de pen, de logica, het argument, etc. 'Hoe zou men met argumenteren een oorlog moeten winnen?', mag hij vragen. Daarop kan men antwoorden dat het vinden van een aanvulling in plaats van een oppositie in de logica het einde van de oorlog zou zijn voor zover het hem betreft als een strijder voor de waarheid. Men kan beweren dat alleen de dialektiek van het gesproken woord waarheid is en dat de rest enkel escapisme, lafheid en leugens zou zijn. Men kan ook zeggen dat te denken, het op te schrijven en het te bestuderen voordat men spreekt, de enige manier zou kunnen zijn voor een praktische oplossing van vrede daar klaarblijkelijk het gesproken woord heeft gefaald en men tot een gewapend konflikt kwam in plaats van tot politieke complementariteit. Op deze manier bezien wordt theorie de enige praktijk, terwijl de feitelijke praktijk van het gewapende conflict in werkelijkheid een theorie is. Zij die vechten, handelen niet werkelijk, maar tonen het ware gezicht van de gehanteerde theorie: de theorie van wereldorde was een voorwendsel voor overheidsopleggingen die niet aanvaardbaar zijn voor -in dit geval- de Servische/NATO volwassen claim van soevereine macht die de democratische wil van individuele en soevereine burgers vertegenwoordigt. Deze gevallen theorie van wereldorde bewijst zichzelf als een voorstel dat niet kan worden geweigerd, biedt geen vrijheid van keuze en werkt als een gebod waartegen geen oppositie mag bestaan. Het vecht in feite tegen zijn eigen (religieuze) zelf. Met andere woorden: het is een opgelegd diktaat en niet een vorm van (religieus) begrijpen aanvaard door alle partijen.

Anderzijds is de theoreticus, de intellectueel, die alleen maar denkt en voor zichzelf schrijft degene die werkelijk praktizeert: van hem beseffen we wat de praktijk van de vrede, de welvaart en de vooruitgang is en van hem kan men de orde van de staat leren.

Dus in eerste instantie hebben we het inzicht van wat feitelijk theorie en praktijk is. Als het doel de vrede is, wordt de intellectueel onderkend als de practicus, terwijl de pratende politici blijkbaar niet afdoende theoretiseerden om tot de juiste relativering of complementering in vrede te kunnen komen en aldus strandden op het slechts huldigen van een theorie van vrede. Een andere manier om dit te zeggen is te beweren dat het gemakkelijker is te spreken dan te luisteren, dat het makkelijker is om te schrijven dan om te lezen. Of een wijze zou kunnen zeggen: zij die spreken van de vrede praktizeren hem niet. Als dit de essentie van het konflikt is kunnen we tot het voorstel komen om te lezen en te luisteren voordat we schrijven en spreken. Alleen dan kunnen we concluderen of onze filosofie niet afdoende zou zijn voor het instellen van een wereldorde in het parlement van de politieke aanvulling.

Van deze primaire inzichten over oorlog en vrede moeten we om te beginnen enkele vragen in overweging nemen wat betreft de geschiedenis, de referentie, de aktie en het politieke bestuur van werk en werkeloosheid. Dit zijn:

 

INHOUD

1e gedeelte

 

Hoofdstuk 1 Wie heeft het recht van spreken?
1.1 Een kleine geschiedenis van de waarden der bevrijding
1.1.1 Wereldkulturen.

1.1.2 Non-illusie.

1.1.3 Liefde.

1.1.4 Beloning.

1.1.5 Sociale kwaliteit.

1.1.6 Effect.

1.2 Conclusie

Hoofdstuk 2 Welke literatuur zou moeten worden gelezen?

2.1 Het probleem van de referentie.

2.2 Het probleem van de vorm van God.

2.3 Het probleem van het gezag.

Hoofdstuk 3 Welke aktie is de aktie van de vrede?

3.1 De vedische filosofie.

3.2 Politieke dialektiek.

3.3 Het begrip van religie, bevrijding en verlichting..

Hoofdstuk 4 Welk politiek complement zou de praktijk van het politiek bestuur moeten zijn?

4.1 De aard van het holisme.

4.2 Geestelijke gezondheidszorg.

4.3 Kan er enig systeem van formele bevrijding zijn.?

 

Volgend op deze sectie zal er in het tweede deel worden gesproken over de nog resterende vragen van leiderschap, verplichting, praktijk en bescherming.

 

2e gedeelte

 

Hoofdstuk 5 Wie is de meester van het spel, de werkgever?
5.1 De verdelingen en inhoud van een evenwichtig leven.

5.2 De belangen van de ziel.

Hoofdstuk 6 Wie zijn de mensen der bevrijding?.

6.1 Hoe moet welk systeem van bevrijding ook worden gediend en gehandhaafd?

6.2 Wat maak het verschil van de verlichting?

6.2.1 De staat zou de dienaar moeten zijn.

6.2.2 Het is belangrijker om iemand te zijn dan een belichaming te zijn.

Hoofdstuk 7 Hoe zou deze praktijk van wereldorde er in werkelijkheid uit moeten zien?

7.1) Ten eerste het probleem van de representatie.

7.2) Vervolgens het probleem van de autoriteit.

7.3) Ten derde is er het probleem van de economie.

7.4) Ten vierde is er het probleem van het verkeer en het transport.

7.5) Het vijfde probleem is het probleem van de sociale kontrole.

Hoofdstuk 8 Hoe zouden we moeten vechten om deze wereldorde te beschermen en te verdedigen?

8.1) Behuizing.

8.2) Zinnigheid en gezondheid.

 

 

HOOFDSTUK 1

Wie heeft het recht van spreken?

Wat betreft de praktijk van het gesproken woord mag men zeggen dat het een roeping is, een baan waarvoor men een werkgever nodig heeft, iemand voor wie men spreekt. In deze moderne samenleving bevindt het leiderschap zich in een gespleten positie. Sedert de Franse Revolutie hebben we geconcludeerd dat alleen een redelijke democratie de juiste benadering zou zijn. Men mag spreken als men een groep mensen vertegenwoordigt en dan alleen als men aanvaardt dat anderen hetzelfde doen. Aldus zou men een parlement hebben van redelijke vertegenwoordigers die werken voor redelijke compromissen om ten minste de meerderheid van de mensen te behagen. Maar de werkelijkheid van de wereldorde zoals die is aan het eind van de twintigste eeuw laat ons iets anders zien: net zo goed ontlenen we onze politiek van overheidsakties aan een enkele autoriteit, Heilige Heer, held of genie in de religie of (politiek/economische) filosofie, en leggen we botweg deze wijsheid op aan de onwetende massa die eenvoudigweg heeft te buigen of anders maar moet barsten.

Als we een griekse filosoof vragen wat wijsheid zou zijn, zou hij antwoorden dat de dingen te zien zoals ze zijn wijsheid is. Zijn de mensen die kiezen representatief voor diegenen die niet kiezen? Is de regering derhalve representatief? Het antwoord is nee. Derhalve hebben we behoefte aan deze andere autoriteit van wijsheid om de sociale werkelijkheid te zien zoals die is: Heilige Heren, filosofen en andere helden geroemd door de massa's voor hun daden van bevrijding. In feite, het psychologisch diktaat van de zinnigheid volgend, kunnen we het ons niet veroorloven het ene met het andere te verdringen. De overheid moet het evenwicht houden tussen dat wat de mensen willen en dat wat mogelijk zou zijn met het gezag waarvoor men eveneens dient te spreken. Het feit wil dat deze andere autoriteiten van de Heer, het genie en de heldhaftigheid, zichzelf altijd presenteren als morele autoriteiten: ze vertegenwoordigen de wijsheid van de sociale realiteit overeenkomstig een bepaalde opzet van waarden. Waarden-vrije wetenschap mag het ideaal zijn van de vertegenwoordigende regering, maar dat is alleen zinnig als de gemeenschap die men vertegenwoordigt heilig is. Voor het begrip van wereldorde hebben we daarom allerlei soorten van Heilige Heren in allerlei culturen die de waarden der bevrijding prediken. De vorm die ze in ieder tijdperk aannemen verandert met de tijd en de plaats. Om tot een conclusie te kunnen komen naar welke autoriteit we zouden moeten luisteren naast de democratische eisen van de gewone man, zouden we ons moeten afvragen wat het gemeenschappelijk thema in de geschiedenis van deze opzet van morele waarden zou zijn.

1.1 Laten we een grove schets bekijken van deze geschiedenis van de waarden der bevrijding (ze zouden ons bevrijden van het dienen van onwetendheid en ons werknemers maken van de eeuwige ziel).

 

fig 1
--- EEN KLEINE GESCHIEDENIS VAN DE WAARDEN DER BEVRIJDING ---

TIJD\DOELSTELLING:

NON-ILLUSIE

LIEFDE

BELONING

SOCIALE KWALITEIT

KULTUUR

EFFECT

3000 BC
500 BC
500 BC
0
630
1700
1800
1950
1970
1998

vedisch:
aziatisch:
platonisch:
christelijk:
mohammedaans:
cartesiaans:
democratisch:
economisch:
vergelijkend
filognostisch

waarheid,
rituelen,
wijsheid,
waarheid,
bekentenis,
waarheid,
matiging,
bezuiniging,
waarheid,
eerlijkheid,

zuiverheid,
trouw
moed,
trouw,
schenking,
indeling,
voorbehoeding,
belasting,
liefde,
loyaliteit,

soberheid
contemplatie,
matiging,
billijkheid,
vasten,
orde,
regulatie,
lonen,
rechtgeaardheid,
delen

mededogen.
harmonie.
gerechtigheid.
empathie.
bedevaart.
volledigheid.
compensatie.
sociale zekerheid.
geweldlooshied.
helpen.

discipline
gemeeschap
politiek
opoffering
vrede
wetenschap
revolutie
wet
eenheid
sociale controle

Natuurlijk kan iedere historicus en subcultuur deze schets van onze morele evolutie in twijfel trekken, de schrijver staat open voor verdere discussie en argumentering. Maar hoe dan ook is hier een begin van begrip voor wat we hebben opgebouwd wat betreft het recht van spreken. Het morele gezag dat politici zegt hoe ze de onwetendheid van de massa's tegenwicht moeten bieden heeft door de eeuwen heen deze thema's van de behartiging van de belangen van non-illusie, liefde, beloning en sociale kwaliteit ontwikkeld met een verschillend effect. Om te beginnen: vanuit het gezichtspunt van de evolutie is het van belang om deze tijd-lijn te hebben (hoe discutabel dan ook). Van de ontwikkeling in het verleden kan men de toekomst voorspellen en zodoende komen tot een beschrijvende leidraad (hoewel altijd onderhevig aan een paradigma van cultuurbeheersing), die een antwoord kan bieden op onze eerste vraag. Deze beschrijvende leidraad is geprojecteerd op De Orde van de Tijd, het internet participatie-platform dat een paradigma van alternatief tijdbeheer voorstelt als een aanvulling op het bestaande beheer van de standaardtijd. Hun opzet van waarden beschrijft de bovenstaande geschiedenis in het kort als een op aarde nederdalen van de goddelijke waarden (de vedische) die via disciplinaire principes (de roerigheid der geschiedenis), zich schikkend naar de sociale werkelijkheid (de democratische opzet van waarden), uiteindelijk de praktische uitkomst bieden van menselijke deugden (filognosie of liefde voor de kennis).

Zonder een uitvoerige argumentatie over de hier en daar geforceerde indeling in vier categorieën van systemen die er ten minste tien claimen (zoals de christelijke tien geboden), kunnen belangrijke inzichten worden ontleend aan dit schema.

1.1.1 Van deze tijdlijn kan men betreffende de wereldkulturen een geleidelijk proces van het komen tot een wereldorde aflezen. Eerst is het beperkt tot India, dan verspreid het zich tot China, dan komt het in het Midden Oosten en Griekenland, arriveert het in het grotere Europa, dan bedekt het de gehele westelijke hemisfeer en vervolgens dekt het de hele wereld in een economisch rechtvaardige, democratisch bevrijde en multi-gelovige tolerante cultuur van houden van de kennis (informatiecultuur). Dit laatste begrip van filognosie bevindt zich in een ontwikkelingsproces in het hart van de informatiecultuur met de zo geheten digitale revolutie van het nieuwe medium internet, vanwege waarvan deze beschrijving zelfbevestigend en voorlopig is. Maar het beantwoordt aan de eis van voorspelling en beschrijving zoals geformuleerd.

1.1.2 Het thema van non-illusie dat alle waardensystemen gemeenschappelijk hebben als de eerste doelstelling schijnt een onduidelijke geschiedenis te hebben: in ieder tijdperk is waarheid de algemene waarde in het vechten tegen de rampen van misvatting en verbijstering die de mensheid zouden straffen voor haar kultuur van illusie, leugens en hypocrisie. Om dit gevaar af te wenden moet de illusie tegenwicht worden geboden met waarheid: maar hoe het te definiëren en garanderen? Op de eerste plaats zou het worden gedaan met rituelen (om de inbeelding van de macht weg te nemen). Dit kan worden waargenomen vanaf de vroegste kulturen tot op de dag van vandaag, maar was nadat Azië het kultiveerde nooit meer helemaal de overtuiging. De griekse filosofen predikten de nuchtere zin voor de waarheid die later culmineerde in de wetenschappen van de westelijke hemisfeer die hun waarheid bewezen door middel van de praktijk van instrumentele toepassing, aldus dominant wordend (niet in het minst door oorlogs-technologieën). De cartesiaanse filosofie riep om het principe van de twijfel in dienst van de waarheid en de ziel dat nu beoefend in de nieuwe fysica wordt gepraktizeerd in achting voor De Algemene Relativiteitstheorie. Dit zou uiteindelijk de democratische ontnuchterende matiging veilig stellen in achting voor ieder zijn belang door economisch realistische beperkingen in de uitgaven en zelfs schulden van de staat zelf in het spenderen ter wille van rechtgeaarde en zinnige verdelingen. Het moderne begrip van eerlijkheid welk kan worden waargenomen in de welhaast onbeperkte vrijheid van de media (met name de televisie) als een niet-repressieve benadering van de menselijke zwakheid, was na de christelijke liefde voor de waarheid en de mohammedaanse nadruk op bekentenis de essentie van het realiseren van een nieuwe zin voor de waarheid van herboren zijn in dienst aan een wereldorde. Illusie wordt geleidelijk overwonnen met behulp van een collectieve bekentenis in de kultuur van de media die het overnam van de beslotenheid van de religie. Eerlijkheid zou de natuurlijke deugd zijn die resulteert uit deze groei van het respect voor de nuchtere waarheid, of die nu gewenst is of niet.

1.1.3 Het tweede thema van bevrijding is dat van de liefde. Alleen liefde zou de duivel der vernietiging buiten de deur houden, maar hoe moet dat worden begrepen, gepredikt en in praktijk gebracht? Vanaf de vroegste tijden is de liefde anders benoemd. In de Veda zou deze liefde de loyaliteit en zuiverheid van lichaam en geest zijn die men moet bereiken door religieuze oefening. De zuiverheid vergetend verraadt de tijdlijn een geleidelijke nederdaling op aarde van de liefde. Misschien niet zo zuiver is trouw aan het (aziatisch) begrip van de staat, het huwelijk en de familie vandaag de dag nog steeds het dominante thema van de liefde. Bij de Grieken werd het moed genoemd (standvastigheid in Rome), de moed om een standpunt in te nemen, consequent te zijn in de praktijk ervan en aldus de Godin der genade en liefde te bereiken. De christelijkheid die eveneens loyaliteit benadrukte moest de Mohammedaan onder ogen zien die van liefde ook een systeem van schenkingen ter wille van God maakte. Hoewel later na de middeleeuwen het was begrepen als een functie van juiste verdelingen (cartesiaans/wetenschappelijk) en een democratische voorbehoeding van de voor de economische rechtvaardigheid noodzakelijke matigingen, draaide het er uiteindelijk op uit dat de harde kern van de liefde niets meer en minder is dan een systeem van belastingen dat de liefde van de staat voor de individuele behoeftige persoon (stichting, kultuur, onderneming) zou formaliseren. Verarmde landen zouden de economische waarde ervan missend. er meer problemen mee hebben om maatschappelijke en sociale liefde hoog te houden. Later in de tweede helft van de twintigste eeuw werd deze liefde herkent als zijnde misschien te materialistisch en werd ze onderworpen aan de revoluties van de politiek (de culturele revolutie), de wetenschap (de kuhniaans paradigmatische revolutie) en het natuurlijke leven (de sexuele/psychedelische revolutie). Liefde werd sedertdien gewoon bij de naam genoemd en behoefde alleen loyaliteit (inter-gelovig of vergelijkend) aan de eigen aard (filognosie...' je eigen interaktieve website') om echt te zijn. Heden ten dage kan het bevrijdende van de liefde worden gevonden in de capaciteit, de gelegenheid en de wil om het eigen materiële belang op te offeren op het apollinisch altaar, de computer, voor het heil van de interaktieve wereldorde (het internet): een ieder mag zijn eigen liefde & revolutie hebben, sexueel of niet, bewust ondersteund door de individuele staat, religie danwel subkultuur of niet.

1.1.4 De derde doelstelling die wordt gevonden met de kulturen der bevrijding ligt in het bereiken van een systeem dat of opvatting die belonend genoeg zou zijn om een uitvoerbaar idee van een praktijk of samenleving te hebben. Er is een scala van gepraktizeerde waarden in de diverse systemen en het is zonder verdere systematisering onmogelijk om een uitweg te vinden uit deze kulturele verwarring over wat de juiste bekrachtiging van een wereldkultuur zou zijn. Van de gedragswetenschappen mogen we stellen dat er de positieve en negatieve sanctie is die men niet moet verwarren met de straf en beloning. Zowel straf als beloning zijn positieve sancties en alle culturele vertoog erover bloeit op het eerste onderscheid van sanctioneren: moeten we, om te beginnen, 'de onwetenden' negeren of niet? Negeren zou inhouden dat de kultuur het risico loopt zelf onwetend te zijn.: onwetendheid is een gebrek aan kontrole en kan niet het doel zijn van de kultuur. Dus is er altijd religieuze bekeringsdrift, politieke oorlog, en onenigheid of paradigmatische strijd wetenschappelijk. Laat ons nu de geschiedenis van deze predikende oorlogvoering en kennisvolle onenigheid (in het engelse woorden boek is fugue omschreven als een verstoorde mentale toestand) nader in overweging nemen. Op het eerste gezicht lijkt het dat soberheid de doelstelling van de praktijken van de liefde terwille van de non-illusie is. Eens was sober zijn een beloning: men bereikt de serieuze en formele geestesstaat, vindt er kontrole in en geniet het geluk van de rechtgeaarden. Dit is het oorspronkelijke vedische uitgangspunt. Overeenkomstig die kultuur zijn we het sedertdien niets dan kwijt aan het raken. Voor de aziatische Boeddhist en aanverwante filosofieën, wordt de beloning gevonden in het inzicht: de contemplatie of zelfs beter, het verlichtte vermogen tot contemplatie is de doelstelling van de rituele trouw van de mediterende. Het hoefde niets serieus meer te zijn, een lachende Boeddha is ook wel goed. Naast die lol van de contemplatie als beloning realiseerden de griekse filosofen zich dat matiging de ultieme praktijk van de beloning was. Een gebrek aan beheersing zou altijd in straf eindigen. Dus is beloning geassocieerd met matiging. Later met de arabische benadering vond men dit zelfs in vasten: men kan alleen van voedsel - de ultieme beloning - genieten als men het vasten ervan breekt. En gelijk hebben ze, de moderne medische wetenschap zegt dat men op die manier zelfs langer leeft. De christelijkheid echter daarvoor vestigde de doelstelling van de liefde voor de non-illusie als billijkheid in rede en misschien ook in wetgeving om een ieder zijn liefdadige deel van de gemeenschappelijke welvaart te geven. Later besefte de wetenschap vanuit het cartesiaanse gezichtspunt dat je instellen op een behoorlijke orde het onvermijdelijk gevolg zou zijn van het het hebben van juiste indelingen voor het probleem van de waarheid. Aldus kwamen we van christelijke billijkheid tot het paradigma van de staat bekend als de rechtgeaarde regulatie van lonen stap voor stap gevestigd middels democratie, economische theorie en multiculturele menselijke gerechtigheid. De vraag is of we werkelijk delen bereikt hebben met deze praktijken. Ieder paradigma zou een systeem van beloning formuleren en een ieder negeren, verdringen, (sociaal) uithongeren en vernederen die niet in dienst van het systeem is (oorspronkelijk christelijk verbrand op de brandstapel wegens ketterij en hekserij). Daarom wordt de missie der filognosie gevonden in de realisatie dat eerlijk te zijn met en trouw te zijn aan ieder lid van de samenleving en dus aan en met de samenleving in zijn geheel, betekent dat men deelt, niet alleen in de plicht van het brengen van offers, maar ook in wederzijds kultureel en economisch respekt. Waarom zou enige niet in dienst zijnde vrijwillig werkende voor zijn eigen kultuur in zijn private niet-commerciële ondernemende opofferingen minder respect verdienen dan iedere verplichtte werknemer in zijn afhankelijke commerciële wedijver en carrière ambities? Wie zijn wij om te oordelen over ieders eigen betrokkenheid bij de samenleving en te zeggen dat deze aktie alle beloning verdient en die aktie hoegenaamd geen enkele. Het is precies deze oppositie van de monetaire tewerkgesteldheids-beloningen filosofie van macht en kontrole die zijn eigen onwetendheid op de slagvelden van redeloze oorlogen tegenkomt. Als het UCK/Kosovo bestuur erin geslaagd zou zijn effectief een beroep te doen op ondersteuning door de servische staat en ze ook gekregen zou hebben, dan was de noodzaak van terroristische aktie en de eruit resulterende oorlog er nooit geweest. Met het geld na één maand verspild in deze oorlog zou heel Kosovo ten minste tien jaar een perfekte economische ondersteuning hebben gehad. Aldus bezien staat de filosofie van belonen dus centraal bij de handhaving van de vrede en de welvaart. Als de praktijk van het delen in wederzijds (economisch/cultureel) respekt er zou zijn geweest, had de oorlog niet kunnen bestaan. De fundamentele fout in het denken en de filosofie wordt gevonden in deze filosofie van belonen: zo gauw de vrede zich niet realiseert dat ze gebaseerd is op de eenvoudige beloning van aanpassing in rechtgeaardheid (van ' de offers aan de voeten van de Godheid') komt het systeem ten val door zijn misvattingen over macht en kontrole die niet aanvaardbaar zijn voor de andere kultuur. Men zou om het zo te zeggen wettelijk verplicht moeten zijn een medaille of zoiets uit te reiken voor het feit dat men niet een crimineel of anderszins ziek is.

1.1.5 De kleine geschiedenis van de waarden der bevrijding vindt zijn voleinding in de worsteling voor sociale kwaliteit.. Wat precies zijn de waarden die ons de samenleving geven waar we trots op kunnen zijn in plaats van ons te moeten schamen voor oorlog in falende systemen van het belonen van de liefde voor de non-illusie. Deze sociale kwaliteit is de absoluut noodzakelijke uitkomst waar we op uitzijn. De uitkomst zou oorspronkelijk die van het mededogen zijn. Dit was reeds het geval in de vedische kultuur met haar dana, liefdadigheid en ahimsa, geweldloosheid.. Het betekende en betekent nog steeds respekt voor alle levende wezens. Het zou de (aziatische) harmonie en de (platonische) gerechtigheid van een (christelijke) empatische medemens zijn. Dit werd zo begrepen in de oude tijd en is vandaag de dag nog steeds van toepassing. Alleen dit resultaat van het leven naar de regels zou de moeite van de opofferingen waard zijn. In het Midden-Oosten realiseerde men zich dat dit alleen kon worden bereikt door middel van de bedevaart: de bewuste praktische zoektocht naar je oorspronkelijke zuiverheid en onschuld. De genade van God moest aktief gezocht worden, zonder dat zou de zonde niet genoeg gedomineerd worden om van ondergeschikt belang te zijn. Dit thema wordt tegenwoordig gevonden in de spirituele zoeker die reizend, zappend en surfend de kulturen onderzoekt op alternatieven van zelfrealisatie. Wetenschappelijk werd vanuit de cartesiaanse methode ingezien dat het de ultieme praktijk van 'genade' zou zijn zoveel mogelijk elementen in de orde van je waarheid in te corporeren. Een dergelijk holisme was niet een eenvoudig religieuze (kath-holos, het geheel betreffende) uitvinding maar was ook een handelen op het profane vlak met al zijn verborgen goddelijkheid en 'Orde van God'. De democratie realiseerde zich dat allen moesten worden gecompenseerd voor de repressie van het systeem dat zich tegen hen keerde: we zijn moreel verplicht minderheden te helpen en bomen, vluchtelingen, drop-outs, gestrande walvissen, guru's en zieke zeehonden te beschermen. Uiteindelijk realiseerde het sociale genius dit in de vorm van een sociale uitkering of basis inkomenszekerheid en aanpassingsbeloning voor het helpen van alle meelijwekkende schepselen met een behoefte aan christelijk mededogen. Als een kind van de zestiger jaren realiseert de volwassenheid van de negentiger jaren het verborgen thema van deze predikende slachtoffers: doe me geen kwaad, doe het goede. Wees geweldloos, bescherm de dieren, wordt een vegetariër, bescherm de zeeën, bossen en amerikaanse Indianen en vecht tegen verontreiniging (van welke aard dan ook), nucleair afval en alles wat slecht is voor het van leven krioelende milieu. Geweldloosheid is de missie van de inter-gelovige tolerantie en aktie. Het basis idee in dezen is ten slotte: zijn we bereid alles en iedereen de hulp te bieden die er nodig is? Vanwege onze paradigmatische, menselijk egotistische en dierlijke zwakheden en beperkingen is het moeilijk er meer dan een paar te helpen overeenkomstig onze filosofieën van beloning. De uitdaging is te komen tot een orde en filognosie die zich zou inrichten voor een volledige wereldorde en voor de behoeften van ieder levend wezen. En welk paradigma zou dat zijn? Zeker is dat van deze laatste waarde van sociale kwaliteit moet worden geconcludeerd dat het een één of andere holistische optie van kultuur moet zijn in respekt voor de vrijheid van keuze van een ieder waarvan hierna verder de overwegingen.

1.1.6 Na de realisatie van de sociale kwaliteiten bereikt met onze kulturen van bevrijding luidt de vraag: 'wat was hun effect?'. Het bereiken van een zekere kwaliteit kan zelfs het tegenovergestelde effect hebben. Het duits fascisme vechtend voor een 'arische' beschaving bereikte de totale zelfvernietiging niet de eenvoudige regel inziende dat men anderen niet moet aandoen wat men zich zelf niet wenst. Dit is dus de proef op de som: werkte onze theorie, onze kultuur werkelijk? Realiseerde de vedische kultuur haar macht over de wereld zoals ze dat al duizenden jaren heeft geprobeerd? Het antwoord is nee. Ze brachten zelfdiscipline tot stand in een dergelijke mate dat het heden ten dage in India belangrijker lijkt elkaar met rust te laten (in het aanbidden van de Godheid) dan elkaar te helpen. Hoewel een zooitje en bij tijden in hoge nood is ten minste de vrede bewaard. Moeder India met haar vedische filosofie is de oorspronkelijke geestelijk leraar (denk eraan dat zelfs de Bijbel in Genesis melding maakt van " de zonen van God" die van over de bergen kwamen), maar de praktijk van een wereldorde moet komen van de diverse nationale plichtsbetrachtingen. Als de discipel de leraar niet van dienst is, is de lering mislukt. Dus wat hebben we tot dusverre bereikt in respekt voor de uiteindelijke discipline? Kort gezegd: de aziatische harmonie bouwde een niet te corrumperen gemeenschapszin op die in hoofdzaak politiek expliciet gehandhaafd is door China hoewel ten koste van de vrijheid van meningsuiting. En dit was al zo voordat de Christenen hun grieks filosofische ideeën van het juiste offeren in overeenstemming met de gereformeerde romeinse keizer, de Paus, predikten. Dit goede van de maatschappelijke wil culmineerde in de wereldwijde kultuur van vrede genaamd de Islam, die weliswaar het juiste idee van de Jihad zo nu en dan kon missen, maar niettemin de intelligentie handhaafde van het christelijke lam van opoffering (zolang als de Christenen het ondersteunen). Dat deze vrede als resultaat op zichzelf niet genoeg zou zijn werd reeds ingezien in de 17e eeuw waarin de (ook vedische) reformatie leidde tot de verlichting van de westerse geest met alle wetenschappelijke en artistieke vruchten van boete en toewijding. De Paus vreesde voor het ergste, bevocht het, zichzelf reformerend, met alle geweld en bleek terecht bezorgd te zijn in het zicht van revoluties die grote onrust creëerden in de wereld: we verloren de beheersing en bevonden ons in zelfvernietiging met de achteraf toch niet zo verlichtende prestatie van de moderne wetenschap. Heilige wonderen van de wetenschap zoals het buskruit, klokken en meer ontwikkelde toepassingen waren niet makkelijk te beheersen door mensen die zich niet werkelijk realiseerden welke discipline nou eigenlijk nodig zou zijn voor de handhaving en het bereiken van een beschaving ermee. Het had iets te maken met het vedische arische en de swastika, maar één of ander raciaal ego was er niet mee overwonnen. Eerst moest enig koloniaal karma van valse overheersing zich tegen zichzelf keren. Op één of andere manier overleefde de wereld deze bittere aanvang der verlichting en zelfrealisatie die later zoet zou uitpakken zoals een vers in de Bhagavad Gita (18:37) dat stelt. Bevrijding zou vroeg of laat worden gevonden in een gemeenschappelijke orde, tegenwoordig bekend als de internationale overeenkomst van gerechtigheid, mensenrechten en economische intelligentie die een gooi doet naar een behoorlijke wereldorde (met zijn sanctionerende en staat-gewijze 'geestelijke gezondheidszorg'). Deze (inter-gelovige) 'eenheid' zou geen valse oppositie creëren tussen Oost en West, gemeenschaps- en kapitale belangen en soortgelijke complementen van wijsheid. Niettemin bestaat de klacht van het verval: meer misdaad, meer drugs, meer politieke onenigheid en wat het nieuws ons ook maar ter verdere overweging voorschotelt. Het effect dat er nog aan ontbreekt is het herstel van de sociale kontrole, het begrip dat het meest vervuild is door alle onrijpe kulturele pogingen tot individuele overheersing. Nog steeds is echter de sociale kontrole, gehandhaafd door de aziatische optie in feite binnen families, (Islamitische) staatsmonopolies en (ook christelijke) religieuze orden de cohesie waar we in feite op leven. Tot welke orde de wereld ook moge komen, sociale kontrole in respekt voor de andere effecten van de voorgaande kulturen, moet het uiteindelijke effect zijn, daar zonder een sociale definitie geen paradigma van (wereld-) kultuur kan bestaan.

1.2) Conclusie. Wat betreft het recht van spreken mag dit hoofdstuk hebben aangetoond dat alle kulturen hun eigen inbreng hebben en daarbij behorende recht van spreken als het gaat om een opdoemende wereldkultuur. Deze laatste aangelegenheid is iets waar men in moet geloven om het te kunnen waarnemen (zoals met het gaia-brein van de mensheid: internet). Als men de kleine geschiedenis van de waarden der bevrijding overziet, die niet waardenvrij is maar gevoed wordt door een ideaal van praktische orde, kan men makkelijk verklaren dat de religieuze God en de kultuur dood zijn en ons worden betekenisloos is voorbestemd uit te lopen op een chaos van natuurlijke (informatie-)entropie. De rest van dit manifest zal gewijd zijn aan het zoeken van antwoorden op de elementaire vragen die voortkomen uit deze 'zelf'-geconstrueerde logische overtuiging van de waarden in evolutie zoals hierboven in 1.1 gesteld.

 

 

HOOFDSTUK 2

2 Welke literatuur zou moeten worden gelezen?

Bij de inleiding zagen we dat als het doel de vrede is, de intellectueel herkend wordt als de practicus, terwijl de pratende politici in geval van een oorlog blijkbaar niet genoeg theoretiseerden om te kunnen komen tot de juiste relativiteit van complementeren in vrede. Via dat argument kwamen we tot het inzicht dat te praten misschien minder van belang is dan te luisteren en dat te lezen misschien meer van belang is dan te schrijven. Dit stuk schrijven b.v. is minder van belang dan de boeken die werden en ondertussen worden gelezen. De boeken zijn de vredesverdragen waar we de autoriteit aan ontlenen om te spreken en de wet te regelen. Als we de vrede verliezen moeten we terug naar de studeerkamer en na verdere studie een andere conclusie op schrift stellen. Welke boeken moeten dus op de eerste plaats worden gerespecteerd? Klaarblijkelijk is het wetboek waar we mee werken meer een gevolg van studie dan de wortel ervan.

Wat betreft de wortel van de studie zagen we in onze historische schets dat we te maken hebben met de vedische kultuur als de epistemologische basis van de moderne kultuur. In die kultuur zouden we de grootste wijsheid moeten vinden; wijsheid heeft betrekking op de grootste ervaring met de verschillende praktijken van waarheid (de visie op de werkelijkheid): het definieert het begrip kennis als het begrijpen verworven door ervaring. Ware kennis houdt de filosoof staande is de kennis die de tand des tijds doorstaat. Als de vorm verandert en de kennis blijft hetzelfde, dan concluderen de wijzen dat het ware kennis moet zijn. Dus uit welk boek citeren we deze wijsheid? Vedisch gezien is deze vraag onzinnig daar de oorspronkelijke Veda (Sanskriet voor ware kennis) helemaal geen boek is maar de kennis overgedragen in geestelijke erfopvolging van leraar op leerling in mondelinge overdracht (sruti&smrti). Daarom zou de vraag 'wie is je geestelijk leraar' relevanter zijn. Maar de tijden zijn veranderd en leraren en scholen voeren strijd en zijn het dermate oneens dat geen zinnige persoon heden ten dage zich eraan waagt om de één boven de ander te plaatsen. Inderdaad zijn er leraren en ze zijn belangrijk, maar ze mogen niet meer spreken zonder te refereren aan basisliteratuur. In dit artikel is de Bhagavad Gita geciteerd. Maar maakt dat dit boek de fundamentele referentie als het aankomt op vedische geschriften? Het antwoord is nee. De vedische kultuur kan in feite niet worden vastgepind op dit of dat boek aangezien ze nog steeds berust op dit catch 22-systeem van geestelijke erfopvolging: ontvluchten door aan het boek te refereren houdt weerlegging van de leraar in, en ontsnappen door aan de leraar te refereren is een weerlegging van het boek. Iedere leraar predikt in feite zijn eigen brouwsel van de verschillende bronnen en de leerling wordt vriendelijk verzocht tot zijn eigen conclusie (vedanta), aangepast aan zijn eigen aard, tijd en omstandigheden te komen. De feitelijke leugen is daar tegen in te gaan. Men zou van zelfverwerkelijking en rijpheid moeten spreken, niet van een papegaai van leren of een hypocrisie van gewenste referentie.

Als zelfrealiserende persoon refererend aan de eigen ervaring, zijn er nog een paar problemen over die verdere aandacht behoeven:

1) het is het referentieprobleem: waar ontlenen we onze zekerheid en vrijheid aan?

2) het is het probleem van de vorm van God: moet Hij persoonlijk of onpersoonlijk worden beschouwd?

3) het is het probleem van de autoriteit voor de volwassen persoon: hoe kan zelfverwerkelijking hand in hand gaan met de aanvaarding van de noodzaak van gezag van buitenaf?

 

2.1 Het referentieprobleem. Sedert het verlies van de enkele op zich zelf staande autoriteit van leraren, boeken en de naaste (ouders, collega's, vrienden etc.), hebben we te maken met allen tezamen als een trias-politica bron van referentie. Dit is de moderne situatie: fixaties van traditie, christelijk of vedisch of islamitisch werden verworpen en onderworpen aan de 'verlichting' van de moderniteit: het argument van individuatie won terrein boven dat van de gemeenschap met haar valse gezag. In feite werd het een politieke oppositie in het bestuur van de planeet aangezien verdringing van het individuele ten koste van het collectief en andersom in werkelijkheid niet mogelijk zou zijn. Om wereldvrede en orde te hebben, een wereldmunt van economie en een internationaal wetboek, moeten we dit probleem van fixatie in triaspolitica-achtige tegenstellingen, zo mooi besproken in de psychoanalytische studie, nader in overweging nemen. Individuatie als een fixatie op de persoon, danwel op zichzelf danwel op een 'leider' wordt van afgezien als een vorm van egoïsme en onrijpheid en verworpen sedert de zestiger jaren. Dominantie van de gemeenschap wordt beschouwd als een bedreiging van de vrijheid en als destructief gezien voor de vooruitgang in het algemeen. Overwegen van het intellect met al haar literaire fixaties werd terzijde geschoven als valse droge speculatieve boekenwijsheid vervreemd van het echte van het leven. Waar zouden we dan onze zekerheid aan ontlenen? We hebben, vals gezag vrezende, de samenleving opgesplitst, alle redelijke referentie verworpen en worden ervan verdacht een neurotisch en schizoïde collectief te zijn van gekken die het gevaar lopen ieder moment de beheersing te verliezen als een slachtoffer van oorlog en vernietiging.

Filosofisch ontlenen we onze zekerheid aan ware kennis: datgene waarvan we absoluut zeker zijn dat het waar is. Het is het eerste waar de cartesiaanse methode van de wetenschap van uitgaat: wat is om mee te beginnen het probleem? Zouden we alle claims op de waarheid moeten betwijfelen als mogelijke hysterie en als vals klagen ten behoeve van een op voorhand getrokken conclusie? Is niet iedere fixatie op het probleem het probleem zelf? Is niet alle metafysica een leugen als het aankomt op inzien wat de aard van het probleem is waar we aan moeten werken? Als we ons terugtrekken uit de materiële wereld omdat dat een misère is, kunnen we dan iets anders vinden dan de prediking van de dood als het ons niet is toegestaan een wereld te hebben, een hemel of een planeet na deze met engelen, goden en wijsheid, die met een bepaalde vorm niet ook aan verandering onderhevig is? Sommige vedische literatuur beweert dat op de hogere planeten het zelfde probleem wordt aangetroffen als op de lagere: nooit sterft de ambitie de ander te slim af te zijn, nooit zal men zonder jaloezie en andere zwakheden zijn. Hoe hoger men stijgt deste dieper komt men ten val. Dus wat is de conclusie voor al dit escapisme van de theorie? Zeker is dat we naar zekerheid zoeken. Zeker is dat welke fixatie ook onderhevig is aan verandering hoe heilig of hoog in de hemel dan ook. Ook de Heer moet op de aarde nederdalen in een andere vorm om de goedheid zijn zin te geven. Aangezien zelfs de meest heilige der vormen onderhevig is aan verandering, blijft er niets anders over dan de heiligheid en het absolute van de verandering zelf. Zolang alles verandert kunnen we erin berusten en er zeker van zijn dat we nog leven. Dit maakt de materiële wereld zelfs echter dan de meer stabiele eeuwige wereld van het ware zelf. Het laatste zou niet zo veel veranderen en zou derhalve meer van de dood zijn dan de echte wereld van de levende materie. Wat de kwaliteit van het leven ook zou zijn, hoog en stabiel of laag en conflictueus, verandering is de essentie van het leven. Dat is de eerste conclusie die we moeten aanvaarden als we op zoek zijn naar de juiste referentie voor de zekerheid.

 

2.2 De vorm van God.

Er is algemene overeenstemming over het feit dat het idee van God alleen maar zinnig is als het wordt gerealiseerd als een of andere manifestatie van de aard der goedheid. Het kan een goedheid van het hart zijn, de geest, het lichaam, de natuur of de kultuur. Wat de vorm ook moge zijn, de goedheid is de kwaliteit van God. Dit zou de vorm moeten zijn die geen vorm is en niet echt zou veranderen. Maar deze these kan niet worden gehandhaafd. De goedheid moet zo goed zijn om voor ons tegen de duivel te vechten. Goed is alleen goed als het kwaad kwaad doet. Ten minste enige theorie van goed en kwaad is vereist om ons te zeggen wie er moet worden beloond en wie er gestraft zou moeten van de duivel te zijn. Zoals we in het voorgaande gedeelte zagen hebben we een geschiedenis van evoluerende waarden van bevrijding. Er bestaat geen werkelijke fixatie in de geschiedenis van wat de goedheid hoog zou houden: de kwaliteit ervan ervaren we in het leven ervan. Zolang de goedheid de goedheid heeft zich aan te passen aan onze veranderende overtuigingen, zijn we bereid om het aan de beproeving van de oorlog te onderwerpen om te ontdekken aan wiens zijde God nu werkelijk staat. Het is een beetje een primitieve strategie de goedheid te testen op zijn kwaliteit van dominantie over het kwade. God zou ook niet op de proef worden gesteld. Dus zijn we niet echt klaar met het probleem van de vorm door te stellen dat (gehechtheid aan) het goede de uiteindelijke vorm is. Het kan de gewenste ervaring en mogelijke uitkomst zijn, maar de weg en het christelijke kruis op weg ernaar zou ook wel eens helemaal niet zo goed kunnen voelen. Niet alleen de schoonheid moet pijn lijden om haar doel te bereiken.

De volgende kandidaat van transcendentale vormen is de praktijk der onthechting. Onthechting is vrij van materiële hartstocht en woede en dus de vorm van God die die we moeten beoefenen en aanbidden. De paus zou op de troon komen te zitten en allen zouden hem aanbidden voor zijn onverschilligheid en onthechting ervan. Eindelijk heeft het Romeinse Rijk zijn keizer van God, Goedheid en Deugd: de Paus. Nu is het probleem van de vorm van God opgelost, onze Heilige Vader in Rome doet de rest. Maar wat gebeurt er? Moeten we allemaal celibatair zijn? Moeten alle gehuwde mensen uit de regering worden geweerd omdat de gehechtheid aan vrouw en kinderen, of het onvermogen ze te krijgen zoals met sommige beroemde diktators, de wereld niet kan regeren? Kunnen we leiderschap hebben van onthechting als dat niet het juiste voorbeeld van leven vormt en kan worden beschouwd zoals de psychoanalyse het beschouwt, (als regressief)? Is geestelijke vooruitgang zonder materiële vooruitgang niet gelijk aan de sekte die zelfmoord pleegt? Natuurlijk is het antwoord op dit probleem te zeggen dat de Paus ons staatshoofd niet is, maar slechts de leider van ons denken (hierna de heilige geest te noemen). De Kerk gescheiden van de staat, de ziel gescheiden van het ego zou orde brengen door indeling zoals we eerder zagen. Het kan een aardige politieke dialektiek van wereldkulturen geven. En daarmee hebben we nog steeds het probleem van de vorm van God niet opgelost. Moet het de Heer zijn? Hij zou tenminste levend zijn. Of niet? De Romeinen en de Joden zijn er niet zo zeker van. Hij kan maar beter onverwoestbaar zijn. Maar wat moet dan Zijn vorm zijn? Laten we zeggen dat we in staat zijn de gehele planeet te vernietigen. Dan kan de Heer niet op de planeet aanwezig zijn. Op één of andere manier moet hij in de hemel zijn, nog steeds zichtbaar, maar onaantastbaar voor ons gekken en beproevers van God. Zou Hij de Zon en de Maan moeten zijn? We hebben de juliaans/gregoriaanse kalender op de zon gefixeerd. Dat hebben we voor elkaar. Maar is de kalender de vorm van God of is de Zon de vorm van God? Hoogst waarschijnlijk geen van beide daar we reeds gezien hebben dat verandering de eerste conclusie is. Moeten we dan ieder jaar de kalender veranderen of zo? Of moeten we de politieke manipulatie van de standaardtijd in de Nieuwe Bijbel optekenen als de heiligheid van God? Het staat in het wetboek, dat wel, maar dat betwijfelen we systematisch in het politieke debat. Dat is niet de wortel van de referentie.

Het probleem van de persoonlijke God tegenover de onpersoonlijke God is opgelost als we de Heer herkennen in het onpersoonlijke (voor zover Hij dat voor Zichzelf toestaat, hetgeen vedisch niet het probleem is). Verandering herkennen we als een produkt van de werkelijkheid van de tijd. Het probleem van de referentie aan de tijd is derhalve in feite het resultaat van deze filosofische oefening. Dusverre hebben we een aardige conclusie: een ieder die een kalender of een klok respekteert is niet alleen een gehoorzame burger maar een volgroeide toegewijde van God, of hij nu in het concept zelf gelooft of niet. Zo lang als de filosofen en politici het weten, kunnen ze erin berusten dat de goedheid van God is gered, en leiding geven in vertrouwen en geloof. De tijd overwint allen, regeert allen en brengt allen tot vrede. God nam de vorm van de tijd aan, Hij is zichtbaar, kan niet worden aangetast, en is zelfs alomtegenwoordig. Wat willen we nog meer om een begin te maken met de wereldorde?

 

2.3 Het probleem van de autoriteit.

Nu we weten wat de vorm van God zou moeten zijn, dat is de vorm van de Tijd (met een hoofdletter T), is er één probleem over: dat van de representatie. Dus wat is de oorspronkelijke aard van de Tijd en hoe zou die dynamiek van het leven moeten worden gepresenteerd? Als we deze vraag niet kunnen beantwoorden, kunnen we geen wereldorde hebben. Geen representatie, geen autoriteit.

Politici weten heel goed dat wie de tijd bepaalt de macht heeft. Ten minste dit is wat ze denken. Bij nadere bestudering, moet ten eerste worden opgemerkt dat religieus het ons helemaal niet is toegestaan het begrip van de tijd (God) te manipuleren. Logisch gesproken is het makkelijk te begrijpen dat welke schaal van de klok of kalender van het jaar je ook neemt, het altijd relatief van belang is. Het is te vergelijken met het lopen op twee benen: ieder fixatie van de tijd (een been) zou alleen maar sterk staan en leven geven (lopen) in verhouding tot een andere even geldige klok en kalender. Politiek kan men zeggen: 'we moeten een keuze maken, òf het ene systeem òf het andere'. Bezien vanuit dit gezichtspunt zou er altijd verdringing, verlies van bewustzijn, onwetendheid en lijden zijn met de fixatie van de tijd vanwege het niet 'lopen' op de dualiteit van het voor de handhaving van de vrede noodzakelijke bewustzijn. Zo bezien is de standaardtijd zoals we die hebben in de twintigste eeuw een noodzakelijk kwaad dat ons berooft van de vrijheid van keuze. Maar dat is enkel de politiek. De begoocheling dit als een probleem te zien ligt in de dualiteit besloten van de formele staat tegenover de werkelijkheid van het vrije individu. Een geformaliseerde vorm van respekt voor de tijd kan werken als een eenzijdig paradigma met al zijn complicaties, maar niemand kan formeel het vrije individu verbieden in zijn eigen vrije tijd zijn eigen klok en kalender in te stellen. De geformaliseerde samenleving kan je niet zeggen op welke dagen je televisie moet kijken, en wanneer je naar de bioscoop moet gaan, een boek moet lezen of je medemens moet ontmoeten in een café. Noch kan enig ander systeem ooit gebieden hoe men de vreugde der bevrijding van dat systeem zelf dient te vieren als het werk er eenmaal opzit. De formele samenleving is uiteindelijk alleen maar een overeenkomst over wat werken in dienstverband zou zijn, misschien miserabel, maar niet meer dan dat. Het feit dat men normaal gebruik maakt van de staatsgewijs geformaliseerde orde van de tijd om je privéleven op orde te brengen mag niet het feit verhullen dat dat niet noodzakelijkerwijze zo moet zijn. Dit wentelt het probleem van de vrede uiteindelijk af op de gedragsmatige kant van de psychologie. Voor het probleem van de vrede, de vrijheid en de handhaving van het bewustzijn, is er geen politieke oplossing: hoe meer politici besluiten voor anderen, hoe meer ze van de duivel bezeten zijn in religieus opzicht of ontaard zijn in filosofische zin. Als het individu eenmaal de psychologie van de tijd de baas is, is hij bevrijd in zijn eigen authentieke praktische en ware aard van respekt voor en dienst aan de God die kan worden gezien als de manifestatie van de Tijd (Zijn wil).

Zo eindigen de problemen van de autoriteit: er is geen politieke oplossing, noch is er enige kalender of klok die beter zou zijn dan de andere. Alleen dat begrip dat het 'lopen van het leven' zou respekteren, de dualiteit van het bewustzijn van de tijd, zou volstaan. De rest mag een kwestie van paradigmatische voorkeur zijn, of men zou leven naar een tijd-dualiteit van logica versus de natuur, politiek versus de religie, of localiteit versus een mondiaal concept. Waarom zou de zwitserse wereldtijd beter zijn dan de Greenwich wereldtijd, of zou de standaardtijd beter zijn dan de ware (zonnewijzer-)tijd.? In feite heeft men een computer nodig om al deze opties van persoonlijke vrijheid en culturele zelfrealisatie van dienst te zijn. De uitdaging is een tempometer te construeren die deze dualistische tijdoptie weerspiegelt en die geldig zou zijn over de gehele wereld (zie het ontwerp van De Orde van de Tijd).

 

HOOFDSTUK 3

3) Welke aktie is de aktie van de vrede?

Tot zover betrof de overweging van werk en werkeloosheid de aktie in de zin van het spreken en handelen met de literatuur ervoor en erover, waarop werd gekonkludeerd dat het recht van spreken afkomstig was van het gezag van een stel waarden - het effect beschrijvende van de kulturen van de liefde voor de non-illusie om sociale kwaliteit te hebben met een systeem van beloningen - die het best begrepen werden in een historische tijd-lijn van evolutie. De literatuur werd het best gerespekteerd met de overweging van de juiste referentie, vorm en gezag met de slotsom van verandering, tijd en zelfrealisatie in plaats van fixaties, Heilige Heren en politiek. In de inleiding werd gesteld dat het punt van de aktie makkelijk was te begrijpen met het inzicht dat mensen in staat van oorlog niet werkelijk handelen in vrede terwijl mensen die niet handelen ter wille van de illusoire overwinning der destructie diegenen zijn die werkelijk handelen ten gunste van de vrede. Verder was het duidelijk dat op één of andere manier de oorlog toch uitgevochten moest met de wapens van de kennis: vrede zou het produkt zijn van filognosie (het op de juiste manier houden van de kennis). Een oorlog uitvechten is dus o.k., zo lang als je de juiste wapens maar hanteert. De volgende vraag is die van de aktie in vrede. Als we eenmaal de vrede bereikt hebben, wat dan? Er is geen oorlog, er is geen vijand, en wat is er te doen voor al die soldaten, ambtenaren en politici die de misdaden tegen het systeem bevechten? Ten minste heb je criminelen nodig om de wet of iets dergelijks ten uitvoer te brengen... Religies, wetenschappen en subkulturen zijn geneigd hun eigen problemen te scheppen door moeilijkheden in het leven te roepen die misschien niemand kan begrijpen (aangezien ze niet werkelijk bestaan zoals b.v. werkeloosheid). Deze groeps-ego's verklaren vervolgens dat de onwetende persoon die geen idee heeft van het programma van de partij het probleem is. Als je niet de heilige geschriften, de handboeken of de niet zo eenvoudige gebruiksaanwijzingen leest, ben jij het probleem. Aldus creëert het (sociale) systeem zijn eigen moeilijkheden: zij die pretenderen geen behoefte te hebben aan dergelijke moeilijkheden. Het is als scholen die het nodig lijken te hebben onwetendheid te scheppen ten einde er toe in staat te zijn er tegen te prediken: moet je eerst je kinderen aframmelen tot ze niks meer weten en ze dan leren hoe ze dat moeten begrijpen? Dit kan niet de werkelijkheid zijn.

Voor de werkelijkheid van de vrede is het idee van de vooruitgang essentieel. Men zou vooruit streven, wat dat ook wezen moge voor een systeem dat zijn leergang aan het plannen is. Vooruitgang, zijn allen het over eens, is de praktijk van de vrede. Als je de groei blokkeert, de vooruitgang, de evolutie, dan solliciteer je naar een ziekte, een revolutie, een oorlog en andere beangstigende vormen van regressie. Als deze eenvoudige waarheid de werkelijkheid is, waarom verliezen we dan steeds de kontrole ons in gewapende konflikten bevindend in de verkeerde vorm van zelfkonfrontatie? Blijkbaar zitten we met enkele ernstige misvattingen over de evolutie en vooruitgang in het algemeen. En dit moet een fundamentele misvatting zijn die diep is ingebed in de eigenlijke struktuur van onze kennissytemen. Zoals we zojuist samenvatten moet de oplossing worden gezocht in de zelfrealisatie aangaande de tijd en de verandering om niet te belanden in de valkuil der fixaties, persoonlijke oplegging (hoe heilig ook), en politieke (internationale) onenigheid. Nogmaals moeten we terugkomen op een overweging van de geschiedenis met betrekking op de evolutie van individuen en staten. In deze overweging hebben we verschillende opties te overdenken:

3.1) De overweging van de kulturele wortel: de vedische filosofie.

3.2) De overweging van onze politieke dialektiek: de filosofische wortel gevonden in de Griekse wijsheid.

3.3) Ten derde is er het idee van de religie, bevrijding en verlichting dat nadere studie behoeft om uit te vinden waar de misvattingen over de vooruitgang schuil gaan die ons voortdurend op het verkeerde spoor brengen.

 

3.1 De overweging van de kulturele wortel: de vedische filosofie.

De filosofie van de Veda is hoogst integer. Het onderwijst zelfrealisatie als de basis van alle vrede. Gegeven de kennis hoe offers te brengen aan de Godheid, kan er geen sprake zijn van mislukken. Alle begrippen netjes gedefinieerd, fantastisch, de vooruitgang is perfekt veilig gesteld. Geen probleem tot dusverre. Maar wat geschiedt vervolgens? Men creëert een tijd-lijn van de geschiedenis die, tezamen met de uit de hemel nederdalende Godheid een nachtmerrie van kontroleverlies uitmaakt. Eerst was er het tijd perk van Sathya Yuga waar alle waarden perfekt en natuurlijk werden gerespekteerd zonder enige valse klasse-onderscheidingen. Dit was het ideaal. Maar dan neemt de verwarring zijn aanvang: vervolgens hebben we Dvapara Yuga, of nee Treta Yuga, sorry, een vergissing, waarin de neergang zich inzet. Ten eerste gaat de zuiverheid verloren, vervolgens het vermogen om te delen, en last but not least komt het mededogen van de goede wil ten val in Kali Yuga (dit tijdperk) en alles was blijkbaar voorbestemd tot de hel te vervallen. Waar de Godheid ook voor uit de hemel kwam, Hij zou er zeker niet in slagen dit proces van de neergang om te keren. Overeenkomstig dit begrip van verval, met de regelmatige nederdaling van de Heer, wordt Hij meer begrepen als een stofzuiger die alle goddelijkheid uit de wereld zuigt, alleen maar miserabele gekrompen zielen in de hel achterlatend, dan als de genadevolle die ons zou terugleiden naar de glorie van Zijn eeuwige waarden en alwetende kontrole over alle levende wezens. Hoe moeten we deze maya (misvatting) van de kultuur die tegen maya vecht begrijpen? Is dit de leer van de school die onwetendheid verkondigt om er tegen te kunnen prediken? Is dit de corruptie van het bewaren van de vrede die leidt tot nog meer oorlog? Is dit wat de Heer Zelve gezegd heeft, of is dit een uitvinding van de religie die probeerde te gedijen op Zijn glorie door de waarheid te corrumperen? In feite vond de vedische kultuur zijn eigen reformatie in de zestiende eeuw om het valse gezag te ontzenuwen van de priesterlijke bovenklasse en zijn kaste-systeem van vals ego. Alleen de ware liefde voor de Heer werd geldig verklaard onafhankelijk van iemands klasse (varna) of ashram (burgerlijke -geestelijke- status van student, gehuwd zijn teruggetrokken of hopelijk oud wijs en onthecht genoeg om onderricht te geven). Deze Heer (Heer K.C. en zijn 'sunshine band' - dat is het Vaishnavisme) van reformatie moest in feite zijn eigen geestelijke gezondheid opofferen om zijn volgelingen hun misvattingen van de geperverteerde vedische filosofie te vergeven. Hij kon ze hun liefde voor zijn persoon niet ontkennen, noch kon hij de mechanisatie van Kali Yuga heilig verklaren hoewel klaarblijkelijk al de monsters en rakshasa's (demonische persoonlijkheden) van de oude tijd waren verdwenen. Deze Heer offerde dus niet Zijn lichaam, maar Zijn geestelijke gezondheid op om ons onze dwaasheid en wetenschappelijk experimenteren van filosofie te vergeven. Van Hem was bekend dat Hij als waanzinnige zonder emotionele beheersing onglorieus verdween in de voorbeeldige liefde voor de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods (die Hij natuurlijk Zelf was). Dit drama van de vedische kruisiging van de moderne zinnigheid wordt niet algemeen begrepen als de ware aard van de christelijke reformatie, maar is niettemin essentieel voor het blootleggen van de toestand waarin we ons als verwarde revolutionaire moderne New Age mensen bevinden als het aankomt op het begrip vooruitgang. Tot zover kan gezegd worden dat kali-Yuga niet zo slecht is als het lijkt te zijn en dat de oude tijd misschien niet zo glorieus was als we zouden willen in respekt voor onze voorvaderen. Zeker is dat we een hoop demonen en monsters zijn kwijtgeraakt en dat het probleem van het kwaad meer in onszelf moet worden opgelost dan door politieke of anderszins geplande opleggingen van buitenaf.

 

3.2 ) De overweging van onze politieke dialektiek: de filosofische wortel gevonden in de Griekse wijsheid.

Op de eerste plaats wordt de dialektiek gehuldigd als het filosofische panacé voor alle moeilijkheden van onwetendheid. Dit zou het perfekte model voor het respekteren van de ware kennis zijn. Het is de religie van de wetenschap te praktiseren in het parlement en op de universiteiten. De discussie, het vertoog en de paradigmatische confrontatie van de praat-kuur der mensheid is verplichte kost. Zonder overleg zijn we onmiddellijk verloren in hopeloze oorlogen die nooit eindigen totdat we de psychoanalytische praat-kuur weer opvatten van het herontdekken van de ware identiteit van de vader der kennis (wie dat ook moge wezen). Niettemin handhaven de monniken in het klooster hun armoede en stilte tot God biddend dat we op een goede dag mogen beseffen wat de betekenis van de stilte zou zijn. Voor hen is het eenvoudig: we vluchten voor de zelfconfrontatie (het 'Laatste Oordeel' dat nooit eindigt) in pogingen om elkaar te hersenspoelen ten gunste van paradigma's van genieten en beheersen waarvan we in consonantie met onze sociale ego's denken dat ze perfekt zijn. Voor hen is het heel vanzelf sprekend dat we falen: natuurlijk kunnen we elkaar niet hersenspoelen om de theorieën te onderschrijven die we nauwlijks zelf in de praktijk kunnen brengen. Hoe we het wagen om onze eigenaardige levensstijlen te verkondigen als zijnde heilig is voor hen het ware mysterie. Dus moet de praat-kuur in stilte plaats vinden, het zou 'cogito ergo sum' moeten zijn; van ons denken zien we in wie, wat en dat we zijn. De dialektiek zou geinternaliseerd moeten zijn als een gesprek met God of als dat niet werkt als een gesprek ten gunste van God (wie dat ook moge wezen, nogmaals). Dat zou de ware filosoof zijn: de toegewijde van God die weet te luisteren en zijn gebeden te doen. Maar wie is er de baas, wie steelt de show? Hoe veel we ook bidden, we kunnen er niet aan ontkomen een staat te organiseren en te plannen voor de toekomst in paradigma's van beheersing en vooruitgang. Ondanks de dialektische oefeningen is de ware aard der vooruitgang een open vraag. Het feit dat we politiek voortdurend eindigen in een nachtmerrie van gewapende konflikten is indicatief voor een tekort schietende filosofie van de vooruitgang. Ergens op een fundamenteel nivo moet er ook iets zijn misgegaan met de goddelijkheid van de filosofie. Zoals met een fractal moet de verstoring op het vedische nivo er ook zijn op het nivo van de politiek en de filosofie.

De griekse filosofie is een uitgebreid en interessant terrein. Er zijn zoveel griekse filosofen dat het moeilijk is uit te maken wat die filosofie nu precies inhoudt. Het best kan men een kijkje nemen in de kern van haar overtuiging. Ze hebben individuele meningen die rijpen tot overtuigingen die het dialectisch begrip geschikt maken voor wetenschappelijke exploratie en bevestiging. Ze konden de predominantie van chemicaliën in de geneeskunde voorspellen lang voordat er enige redelijke graad van wetenschappelijke kennis over was. Het beste wat ze deden was er onder elkaar over te praten en het op te schrijven. De platonische filosofie ontwikkelde zich met een dergelijke conversatie over de staat genaamd 'De Republiek' waarin de verschillende filosofen werden neergezet als een klasse van bewakers die de staat zouden redden van de onwetendheid en de neergang. Zij zouden de jongeren beschermen tegen misbruik door de ouderen, hen opvoeden, en de individuele wetenschappen van de wiskunde, de geometrie en de astronomie verdedigen en de juiste leeftijd vastleggen voor een huwelijk en de bijzonderheden van de lichamelijke opvoeding, de muziek en de krijgskunde. Alles prachtig, wederom, zoals met de vedische filosofie. Ze trokken zelfs een aardige parallel met de vedische eeuwige waarden welke fundamenteel zouden zijn voor ons moderne politieke vertoog. Zoals uitgeduid in de kleine geschiedenis van de waarden der bevrijding in de voorgaande sectie droegen ze bij aan de bevrijding van de moderne mens met het voorstel van een juiste politieke en dialektische praktijk om de staat te handhaven. In feite zijn het de peetvaders van de moderne politiek in het stellen dat wijsheid, moed, matiging en gerechtigheid de fundamentele waarden zijn in de omgang met de liefde van de gewone man, hun illusies bevechtend met het regelen van de juiste beloning in een kwaliteits-samenleving. Dit vertoog van 'De Republiek' inspireerde vele van de moderne