Pamflet
voor een Nieuwe Energiepolitiek
5)
Het
paradigma van de relatieve ether
Het
huidige, heersende paradigma kunnen we het
paradigma van het relativisme
noemen dat is gebaseerd op de oude
formuleringen van Einstein
toen hij het bestaan van de ether voor
'onnodig' verklaarde. De moderne
ethertheorie
die voortvloeide uit Einstein's 'bekering'
tot een nieuw etherinzicht vond mede zijn
basis in het werk van de natuurkundige
Wofgang
Pauli
(1900-1958) die de grondslag legde voor de
latere kwantumtheorie die wèl ruimte
bied aan een soort van etherdeeltje dat
hierna ter sprake zal komen. Maar de nieuwe
ethertheorie die gepopulariseerd werd in de
80-er jaren door Maurizio
Gasperini
en weer opnieuw onder de aandacht werd
gebracht rond de eeuwisseling door
Ted
Jacobson en David
Mattingly,
wordt echter begin van de 21e eeuw nog steeds
niet algemeen aanvaard binnen de natuurkunde.
Dit leidt tot discussies en aanvallen op dat
traditionele relativistische bolwerk dat nu
in de weg van de vooruitgang lijkt te
staan.
Zo was er
onlangs (okt. 2007) in Nederland nog een
organisch-fysisch scheikundige genaamd
Marcoen
Cabbolet
(1967)
wiens promotie najaar 2007, heel uniek, werd
afgelast ondanks dat de promotiecommisie zijn
dissertatie reeds had goedgekeurd. Hij had
samen met zijn helaas overleden promotor
Sergey Sannikov uit de Oekraîne ontdekt
dat, in strijd met de inzichten van de
kwantummechanica en de algemene
relativiteitstheorie, er theoretisch gezien
volkomen nieuwe bronnen voor energiewinning
bestaan. Het College voor Promoties van de
technische universiteit van Eindhoven, dat
unaniem oordeelde dat het onderzoek niet
voldoende kwaliteit had, moest later op die
beslissing terugkomen toen bleek dat die
commissie zelf niet deugde. Externe
deskundigen werden ingeroepen waaronder onze
nobelprijswinnaar 1999 Gerard
't Hooft
die zei dat hij 'er geen brood van kon
bakken'. Cabbolet's onderzoek kon niet
kloppen omdat eruit zou volgen dat
antimaterie een positieve rustmassa heeft,
maar toch van de aarde af beweegt onder
invloed van de zwaartekracht. Maar de
promotor Harrie de Swart liet weten dat het
proefschrift bestond uit een strikt logisch
raamwerk met een natuurkundige interpretatie.
Hij was toch ook niet gek. Cabbolet gaf ten
antwoord dat 't Hooft zich schuldig maakte
aan hol geschreeuw en dat hij kennelijk de
formele logica niet meester was. Cabbolet
kreeg sedertdien niets meer gepubliceerd en
moest een baan bij de KPN op de afdeling
gebruikersonderseuning aannemen.
Van de kant van de
natuurkundig geschoolde
vrije-energieonderzoekers is behalve
Tom
Bearden
en Stefan
Marinov,
ook Prof.
Kanarev
van de plasma-elektrolyse hiervoor besproken,
zeer kritisch over de huidige stand van de
natuurwetenschap. Hij stelt net als Marinov
dat we weer terugmoeten naar de klassieke
fysica van de 19e eeuw en de draad weer
moeten oppakken waar we hem zijn
kwijtgeraakt. Na het postmodernisme zijn we
aan een paradigmatische restauratie toe om de
in de moderniteit verstoorde relatie met de
klassieke orde te herstellen. Marinov stelde
in
zijn wetenschappelijke
testament:
"Ik hoop dat spoedig de (Newtoniaanse)
tijd-ruimte begrippen, welke ik in ere
herstelde middels vele experimenten en door
een eenvoudige mathematische theorie, door de
wetenschappelijke gemeenschap zullen worden
aanvaard als degenen die overeenstemmen met
de materiële werkelijkheid". Kanarev
voegt daar aan toe: "Ik denk aan een
theoretisch virus genaamd de
Lorentz-transformaties waarop de
bewijsvoering van de relativiteitstheorie van
Einstein is gebaseerd. Bij Lorentz werden
tijd en ruimte in twee aparte vergelijkingen
vervat en gescheiden van elkaar. Alleen als
men deze twee vergelijkingen weer heeft
verenigd is het mogelijk om een ware
procesbeschrijving te verkrijgen. Welk
natuurkundig verschijnsel dat ook zou volgen
uit de beschrijvingen van Lorentz's
transformaties, kan men onmogelijk in de
natuur waarnemen." Hij stelt dat we in de
twintigste eeuw onze onderzoeksresultaten
verkeerd zijn gaan interpreteren; we zijn
volgens hem iets vergeten. "Tijd, ruimte
en materie - het zijn de drie niet te
scheiden elementen van een universum"
(zie interview).
En deze eenheid, die al door de Boeddha werd
gepredikt, is precies het punt dat we
in dit hoofdstuk willen maken. Met de
machines van de rechtstreekse, directe
energiewinning zijn we met de vrije energie
van de ruimte bezig. Zonder de tijd, de
materie en de ruimte als één
onlosmakelijk geheel te zien kunnen we deze
wetenschap nooit onder controle krijgen. Niet
alleen natuurkundig, maar ook
sociaal-economisch zijn in de twintigste eeuw
tijd en ruimte twee afzonderlijke begrippen
geworden die geen relatie meer met elkaar
schijnen te hebben. En daarmee zijn we
vervreemd van de natuurlijke werkelijkheid en
van elkaar en hebben we ook niet werkelijk
greep op de materiële wereld. Dit gebrek
aan maatschappelijke en wetenschappelijke
samenhang van deze basisbegrippen van de
natuurkunde, van de heilige drie-eenheid van
de tijd, de ruimte en de materie, ligt ten
grondslag aan de fundamentele gespletenheid
van het oude paradigma van het relativisme.
In dat oude paradigma ontkennen we de ether,
verdraaien we de tijd wettelijk bepaald en
hebben we de materie van de planeet, het
klimaat en de energiewinning niet in de hand.
En daarmee zijn we aan het begin van de 21e
eeuw ecologisch en psycholgisch verkeerd
bezig, gevangen als we zijn in politieke,
wetenschappelijke en religieuze ego's als
waren we een stel sociopaten met TBR.
Er is een uitstekende
lezing
van een gerenommeerde natuurwetenschapper
genaamd Tom
Valone
te bekijken op het internet waarin een
overzicht wordt geboden van de complicaties
voor de wetenschap op het punt van de vrije
energie. Hij deed, zonder direct op de
theorie in te gaan, een grote
haalbaarheidsstudie met daarin de nadruk op
het omzetten van nulpuntsenergie met achting
voor recente ontwikkelingen op het gebied van
b.v. de
nanotechnologie.
Hij refereert aan het werk van Casimir
(ruimtedruk op microniveau), Dr.
Fabrizio
Pinto
(zie ook video
en een artikel),
Mead en Milonni, en hij bespreekt en
analyseert de kernprincipes voor het omzetten
van de energie uit het vacuüm. Hij stelt
daarbij, net als Bearden, dat deze principes
vallen binnen de thermodynamische, vloeibare,
mechanische en elektromagnetische gebieden
van de fundamentele krachtsverschijnselen die
van toepassing zijn op alle energiesystemen.
Zo noemt hij b.v. ook recente ontwikkelingen
van microdioden die, zoals bij Moray, de
vacuümenergie opvangen die in principe
random fluctueert maar heel reëel is en
niet zozeer virtueel, zoals Bearden in
horigheid aan vele sceptici dat ter sprake
brengt. Hij stelt zo dat het e.e.a. ook van
toepassing is op het kwantumniveau van de
(incomplete) theorie van elementaire
deeltjes. Behalve Valone, Bearden
(zie m.n. zijn video's Energy
From The
Vacuum;
op Google: part
1
& part
2)
en Kanarev zijn er ook individuele en
institutionele onderzoekingen van andere
wetenschappers die worstelen met de
paradigmatische energiekwestie:
Lee
Felsenstein die
ook de energiesystemen voor computers
bestudeert, Prof.
Pharis Williams over alternatieve nucleaire
energie en
anti-zwaartekracht
(zijn
site)
en Mark
Goldes
in zijn artikel over Fueling
the Future with Zero Point
Energy
(site)
om er een paar te noemen. Het probleem met
het oude paradigma is dat de gewone man het
niet kan begrijpen. Men ervaart veeleer de
chaos van het post-modernsme. En wat men niet
snapt kan men ook moeilijk in verhouding
zien, aanvaarden of afwijzen. Men weet enkel
dat het niet zoveel uitmaakt in het huidige
denkmodel of de klok nu gelijk staat met de
zonnewijzer of niet. Met die relativiteit van
het tijdsbegrip werd de tijd van zijn
klassieke, absolute waarde ontdaan. De
absolute waarde van de tijd waar
I.
Newton
vanuit ging, hield in dat de tijd van de
passerende zon en de maan een niet te
betwijfelen uniforme voortgang van de materie
van het universum inhield die volkomen
gelijkmatig overal hetzelfde werkzaam is.
Einstein toonde aan dat het begrip
gelijktijdigheid echter een illusoir idee is.
Hij ging uit van het axioma van een constante
lichtsnelheid in de ruimte. De tijd is altijd
en overal anders, is volkomen relatief. Ook
het klassieke etherbegrip - de ether als een
aparte substantie die alomtegenwoordig is -
dat Einstein vóór 1920 niet
echt meer nodig vond in de natuurkunde,
verklaarde hij, zoals gezegd later dus van
gedachten veranderd zijnd op dit punt,
relatief: de ether betrof volgens hem de
ruimte met fysieke eigenschappen, de ruimte
in de vorm van een bepaald krachtveld dat per
planeet, ster en melkwegstelsel anders van
werking is. Dat krachtveld maakt verschil in
de relatie met het krachtveld van de
tijdruimte die de uitdijing van het heelal
vertegenwoordigt in een soort van vierde
dimensie van de tijd waarin alle universa
zich uit elkaar bewegen. Wat betreft de ether
ontstond, met deze verandering van mening van
Einstein terwille van het nieuwe, relatieve
etherbegrip (waarmee hij begon in 1916, zie
Kostro
2000),
het probleem dat we de natuurkunde zelf ook
niet meer als absoluut geldig kunnen zien
(zie ook het artikel
over Einstein op de
info-afdeling
van deze site). Het zijn steeds
paradigmatische visies, meningen of
gezichtspunten min of meer, bepaalde vormen
van taal bestaande uit zelf gedefinieerde
termen, die net zo werken als de
verklaringsmodelllen van historici,
psychologen, sociologen, filosofen en
klimatologen b.v., of zoals Tesla het dus
noemde: een natuurkundig geloof, een vorm van
mathematische metafysica waarin de
mysticus in kwestie voorop staat en het
aankomt op het juiste conceptuele 'gevoel'
voor de kwestie. Ook in de natuurkunde
wisselen de meningen, definities en methoden
en die houden zo dan mogelijkerwijs andere
onderzoeksresultaten en meetinstrumenten in.
Met het aanvaarden van een relatieve ether,
in combinatie met het afwijzen van het
relativisme dat de ether helemaal niet wil
kennen, praat ondergetekende nu dapper mee in
deze vrijheid en baseert zich daarbij, meer
vanuit een praktisch psychologisch en
klassiek filosofisch gezichtspunt dan een
vanuit een natuurkundig mathematisch
gemystificeerd standpunt, op het
meetinstument van de tempometer
en het erbij
behorende
begrippenkader
dat als het leidende paradigma fungeert om de
redeneringen aaneen te rijgen tot een
samenhangende visie.
De
Einsteiniaande 'deuk' in de tijdruimte waarop
het huidige
denken over de zwaartekracht en de relatieve
ether berust.
Bij
de twintigste-eeuwse natuurkunde sluit het
idee van de relatieve ether zoals hier
gepresenteerd in eerste instantie aan bij wat
men scalaire
gravitatietheorie
noemt. Dat is een theorie waarin de
zwaartekracht wordt beschreven als een
invariant veld van deeltjes met een spin van
nul (z.g. bosonen) waarop de
tijd/ruimte-verschillen van de door Kanarev
gehekelde Lorenz-vergelijkingen van
toepassing zijn. Rond de eeuwwisseling is er
sprake van een nieuwe
zwaartekrachttheorie
van David W. Allan, Ranae Lee and Jeff
Lorbeck uit 1999. Daarin ligt de nadruk op
vanuit de kern van alle materie uitwaaierende
diallele zwaartekrachtlijnen (zoals in ons
cakra-ontwerp voor een magnetische motor). In
die visie worden de vier fundamentele
natuurkrachten ondergebracht in
één verenigde veldtheorie. In
een meer recente ontwikkeling spreekt men
sedert 2002 van het Aether
Physics
Model
(David Thomson III en Jim D. Bourassa, zie
ook hun boek)
dat de derde grote revolutie in de
natuurkunde vormt na de atoomtheorie van
Dalton in 1803 en de Relativiteitstheorie van
Einstein in 1905. Ons daarin weer opnieuw
aansluitend bij het klassieke ethermodel,
zien we de tijd zelf als een vorm van energie
die voorafgaat aan de tijd die manifest is in
de driedimensionale wereld: evolutionair
bestaat de expanderende, lineaire tijd van de
tijdruimte er voordat er de cyclische tijd
van de geschapen materie is. Er zijn dus twee
fundamentele vormen van tijd: de cyclische en
de lineaire tijd. Lineair is er de energie
van beweging die uitdijt en entropisch tot
chaos leidt en cyclisch is er de energie van
een wervelende tijd die tot orde, tot
structuurverschijnselen leidt en patronen
vormt, lichamen van materie met longitudinale
en transversale golven en zwaartekrachtlijnen
en velden die bestaan uit deeltjes. De
tijdruimte tijd is zo bezien pure oerenergie
die zich mathematisch laat uitdrukken zoals
de materiële energie zich laat
uitdrukken in de termen E=M.C2. We beginnen
de schepping dan met de vergelijking E=T.e2.
Energie is gelijk aan het product van de tijd
en het absolute van de expansie (waarin T is
dan in feite delta T of de verandering van
tijd is, zie ook het artikel Scalar
Wars).
Je kan ook zeggen dat de tijdruimte, de z.g.
vierde dimensie, een energiemanifestatie is
waarin de tijd zelf nog de oerenergie is, de
donkere energie die feitelijk slechts een
oerpotentie van alle kosmische energie in
evenwicht is. Pas als die energie in de
secundaire ether (de ether van de
samentrekking), in werveling komt, uit
evenwicht raakt of zijn symmetrie verliest
zoals de nobelprijswinnaars van
1957
Chen Ning
Yang,
Tsung-Dao
Lee
het stelden, ontstaan er energiedeeltjes die
eerstens nog 'onzeker' zijn: gravitonen,
zwaartekrachtdeeltjes of etherdeeltjes die
niets anders dan kleine, polaire, maar nog
chaotische wervelingen van de oerenergie zijn
van de tijd zelf (formeel met een spin van
twee en niet van nul). Het Ether Physics
Model stelt het zo: 'The Aether has a
dipole of two spheres, which arise as the
oscillation of forward and backward
time.' Die gravitonenvibratie vormt de
bron van de zero-point energie, de
vacuümenergie of de radiant
energy zoals Tesla het noemde. Of zoals
T.H. Moray het stelde: "Radiant
Energy is particles of energy, just as light
is wavelengths
.."
Onzeker betekent dan het virtueel wel of niet
aanwezig, zichtbaar of meetbaar zijn dat
voornamelijk afhankelijk is van de
meetmethode of het gebruikte paradigma: dat
wat Bearden het 'bubbelen' van het plus en
het min van het vacuüm noemt, ofwel het
koken of kolken van de vacuümenergie.
Die gravitonen vormen eilanden, of wolken in
de oerruimte, eilanden van
zwaartekrachtvelden of tijdruimtedeuken, een
soort van zwaartekrachtmist (de Grieken
noemden het aether of damp). Die
eilanden sluiten allemaal op elkaar aan, zo
stelde reeds
René Descartes het die als een van de
eersten het zelforganiserend vermogen van het
universum omschreef
in
deel vijf van zijn methode en in zijn niet
gepubliceerde werk Le Monde. Hij
beweerde o.a. in dit verband: 'De lege ruimte
bestaat niet' (Principia
Philosophiae XVI &
XVII)
alsmede dat al het bestaande een
transformatie van de ether is.
Het
echtpaar Correa stelt
in hun
aetheriometrics
als definitie: "Gravitons are transient,
nonelectromagnetic massfree energy particles
whose impulse (gravitational momentum) is
anchored to the mass-energy of particles of
Matter, but which are emitted from the local
Aether medium (formed by the constant and
ordered flux of dark massfree energy and
cosmological lepton lattices). Both gravitons
and antigravitons may also be formed and
seated in the composite lattices composing
the local Aether medium. Gravitons anchored
to mass-energy particles are described
mathematically and physically as being in a
relationship of secondary superimposition
with that mass-energy." Waar bij Einstein
sprake is van een massa/energie verhouding,
is in de theorie rondom het graviton sprake
van wervelingen van de donkere oerenergie van
de tijd, van een moment/energie verhouding
dus. Evolutionair ontstaan vanuit de eilanden
van de gravitonenwolken daarna dan de
elektromagnetische velden in wat Einstein de
kromme ruimte noemde rondom de uit de
gravitonendamp 'condenserende' hemellichamen.
Op lokaal niveau manifesteren de gravitonen
zich in dat condensatieproces daarbij
evolutionair in een verder opgesplitste vorm:
die vormen dan de elektromagnetisch actieve
materiedeeltjes in relatie tot de derde
ether, of de lokale ether van de kromme
ruimte. Na de eerste expansie van de
tijdruimte-energie kwam er dus ten tweede de
tijdruimtevervoming in de vorm van de
gravitonenvelden waarin er met het
polariseren van de gravitonen in een veld van
aantrekking er in het laatste stadium van de
evolutie het ontstaan van elektronen en
protonen met een tegengestelde lading is (de
'rechtsom' en 'linksom' draaiende tijdenergie
in een spoel). Die twee basisdeeltjes
bereiken dan een stabiele
staat samen met het neutrale van de
alomtegenwoordige tijdruimte bereiken. En dat
neutrale laat zich dan herkennen in de vorm
van het neutrondeeltje. De uitvinder Joseph
Newman spreekt in zijn video
'Cut
the cost of
oil'
van 'gyroscopische elektromagnetische
deeltjes' die met een dwars op een spoel
bewegende magneet in een bepaalde richting
meer stroom uit die spoel opleveren dan er
nodig is om de magneet te draaien, omdat ze
dan vanuit de buitenruimte aangetrokken door
de draaiende magneet polariseren. Het is een
energieproductie die met een draaiende
magneet twee kanten oploopt en zo
overunity te zien geeft. In
één richting zien we slechts
een transformatie van de kinetische energie
in elektrische energie als we de terugloop
van wat de uitvinder Gray 'negatieve energie'
noemde als storing via de aarde laen
wegvloeien. In het Aether Physics model
spreekt men over het graviton als een
'aether-unit'
met een intern tegengestelde
tijdrichting
dat bestaat uit een positief proton en een
negatief elektronaspect dat zich
kwantummechanisch spiegelt met een antiproton
en een positron. In die etherunit van het
rondraaiende magnetisch veld dat de ruimte
vormt, is er dan sprake van drie polariteiten
die ieder een fundamentele natuurkracht voor
zijn rekening neemt: de elektromagnetische,
de elektrostatische en de gravitationele
kracht (afbeelding rechts). Waar het Ether
Physics model spreekt van een reverse
time (zie afbeelding rechts), moeten we
echter een kanttekening plaatsen: de tijd
gaat natuurlijk niet terugwaarts, ze
verandert alleen van richting. In hoofdstuk
twee zeiden we al dat er lineaire en
cyclische tijd is. De cyclische tijd is het
resultaat van het veranderen van richting van
de lineaire tijd van een naar buiten
uitdijende, 'forward' richting van de
energie van het universum naar een naar
binnen gerichte 'reversed' richting
waarmee de materie uiteindelijk in zichzelf
stort in een zwart gat. Omdat de uitdijing
overweegt ontstaat er echter een evenwicht in
de vorm van de tot inertie bewogen energie
van de nog steeds wel dynamische materie die
tussen de uitdijing en aantrekking zijn
bestaan vindt: de cyclische tijd. Dus
uiteindelijk kennen we de orde van de tijd
in drieën: de twee vormen van
lineaire tijd en de cyclische tijd. De drie
stroken met de drie vormen van ruimte en dus
ook met de drie vormen van de ruimte-energie
waar we met de ethertechnologie mee bezig
zijn en die we in hoofdstuk twee eveneens
hebben uitgeduid. Nulpuntsenergie staat zo
voor de 'forward' time, vacuüm-energie
staat voor de 'reverse' time en de radiant
energy staat voor het fenomeen van de
cyclische tijd. De uitdijing strookt met
de kosmische nulpuntsenergetische tijdruimte,
de aantrekking met de universele
vacuümruimte van een sterrenstelsel en
de cyclische tijd is de tijd beschreven door
de lokale gekromde ruimte van om elkaar
heendraaiende, elektromagnetische,
radiant-actieve hemellichamen. De
cyclische tijd is de tijd van de materie dus
en zo zijn we dan, wetenschappelijk bezien,
materieel gebonden aan de tijd beschreven
door de zon, de maan en de sterrenhemel. Dat
samenstel van natuurlijke ritmen vormt dus de
'meesterklok' die door alle mensenklokken
slaafs gevolgd dient te worden zoals men in
de achtiende eeuw in Frankrijk ook sprak van
meester- en slaafklokken op een lokaal ofwel
plaatsafhankelijk niveau van tijdmeten. Volgt
de klok niet slaafs de natuur, dan zijn de
mensen zelf de slavenvan het
cultuurneurotische, standaardtijd-politieke
ego tot ze hun lesje geleerd hebben. Je kan
immers pas vrij met de orde van de tijd zijn
als je die orde eenduidig voor je ziet,
anders kan je niet kiezen overeen te stemmen
of niet. Niet het ontkennen of weerstreven
met tijdzones en gemiddelden van de
natuurlijke orde is de vrijheid, maar het
individeel naar omstandigheid improviseren
erop. In een systeem van ontkenning is er
slechts de onbewuste dwangmatigheid van in
orde willen zijn met een systeem dat
feitelijk zelf niet overeenstemt; dat voelt
nooit lekker, en dat geeft psychische
problemen. De ether-eenheid evolueert met de
cyclische tijd opgesplitst in moleculaire,
elektromagnetisch samenklevende dipolen van
kernen en elektromenwolken die allen spin
ofwel draaiing hebben. Zo hebben de
ethermachines dan iets weg van klokken: ze
moeten allen de verhoudingen van de
ruimte-energie timen om zo de drift, de
dynamiek ervan te vangen en om te zetten.
Aangezien we de evolutionair in de natuur
opgesplitste gravitonen kunnen aanduiden met
de term elektromagnetische materie kan men in
principe zo bezien dus met een machine uit de
vrij vanuit het vacuüm beschikbare
gravitonen als de grondstof in combinatie met
de lineaire energie van het neutron alle
vormen van energie en materie scheppen. De
replicator van Startrek werkt op
vacuümenergie. In de koude fusie
experimenten zien we al een soort van
alchemie, of transmutatie van elementen,
ontstaan met het onverwacht in het vat
ontstaan van atomaire deeltjes die er
voorheen niet waren.
Samenvattend is er
een hiërarchie van deeltjes: a -
het tijddeeltje van pure energie, b -
het graviton dat een dubbelspin 'onzeker'
energie deeltje is van een dubbele,
voorwaartse en omgekeerde tijd, en ten slotte
c - dan de zich manifesterende
drievoudigheid van die energie in de
wervelingen van de normale deeltjes die
atomen vormen, atomen die dan niet meer
virtueel zijn maar zichtbaar, atomen die
gemanifesteerd een bepaalde verhouding zijn
aangegaan die we kunnen terugvinden in het
periodiek
systeem der
elementen.
En zo komt de energiekwestie dan neer op een
zekere ordening van de tijd zoals een
Pythagoras-boom
groeit: als een zich steeds verder
opsplitsende
fractal,
of als de graancirckel naar links en rechts
bovenaan
de pagina.
Laten we deze
fundamentele gedachtengang voor het nieuwe
paradigma nog een keer doorlopen: in het
begin van de schepping is er eerst het niets,
'het slapen van God' zeg maar, dan is er
'wakker' de lineaire tijd van de uitdijende
tijdruimte: de donkere energie, de pure
tijdenergie die enkel maar lineair de
uitbreiding is. Dan ontstaat uit die lineaire
tijd, door een verstoord evenwicht, door een
gebroken
symmetrie,
een tegenkracht, de cyclische tijd, als een
opsplitsing t.o.v. die oerether. Zo ontstaat
dan vanuit de tijdruimte de driedimensionale
ruimte die vol is met gravitonen of
wervelingen van de cyclische tijd, pure
tijdwervelingen dus van de oerether. Deze
laatste fase van lichtmanifestatie is wat in
de tijdlijn wordt weergegeven van het
kosmisch bestel zoals de huidige wetenschap
die zich die voorstelt. Daarin is er
manifestatie vanaf het begin en is de donkere
energie er pas later. Maar in een
hiërarchische visie zoals hier
gepresenteerd gaan er fasen aan vooraf en
gaat de donkere energie vooraf aan de
manifestatie. Deze gaat van E=T.e2
naar E=T.d2: de tijd die
expandeert (e2) wordt eerst
driedimensionaal (d2). Dan pas
materialiseert vervolgens de materie zich als
een verdere opsplitsing van de gravitonen in
de universele (secundaire) ruimte: ze vormen
dan de lokale ethersferen van de gekromde
(tertiaire) ruimte.
De
tijdlijn van het kosmisch bestel vanaf de
Big
Bang
volgens het oude model
Dit is in
overeenstemming met de natuurkundige bewering
"it appears possible to regard curved
spacetime as consisting of a condensate of
gravitons" die we vonden in
de wikipedia onder het lemma quantum
gravity.
De initiële uitdijing strookt met de
inflatietheorie
van Gurth uit
1981.
Van E=T.d2 zijn we met de
manifestatie van de materie dan aangeland bij
E=M.C2: de tijdenergie E is de
materie M die gebonden is aan de
lichtsnelheid (C2) die dan lokaal
bepaald is, die dan afhankelijk is van de
afstand tot de singulariteit waar ze naar
terug wil keren om haar oorspronkelijke
energetische evenwicht te vinden.
Zoals
we al eerder
zagen
is de constante lichtsnelheid in het nieuwe
paradigma een relatieve constante en niet een
absolute constante. Het is namelijk de factor
tijd die de constante van verandering vormt
in de drie basisvergelijkingen om de
verschillende energievelden van de relatieve
ether te omschrijven. De drie vormen van
ether, die van de expansie (e2), die van de
dimensionaliteit (d2) en die van de
lichtsnelheid in relatie tot de manifeste
materie (C2) , zijn er dan als de
respectievelijk neutrale, positieve en
negatieve deeltjes waaruit onze normale
materie is opgebouwd. De uitbreiding blijft
dus constant bestaan en zo groeit
dan alle materie en ruimte
constant,
ook al blijft de verhouding hetzelfde. De
afstand tussen de aarde en de maan die ieder
jaar met enkele centimeters toeneemt zou als
maat voor die groei kunnen dienen. Er worden
steeds neutronen gevormd uit de toename van
de oerether die zich met de vrije gravitonen
van de ruimte tot materie vormen. Die nieuwe
materie vormt atomair een kloon van alle
bestaande vormen van materie die dan relatief
dezelfde vorm houdt. Op de planeten kan men
de tekenen ervan zien in de vorm van scheuren
in het oppervlak. Ook op de maan kan men
dergelijke striae of scheuren zien. Deze
visie biedt eveneens een alternatieve
verklaring voor de drift
der continenten op aarde die zich makkelijk
tot een sluitende
bol
laten samenvoegen zoals
de striptekenaar Neal Adams dat op
zijn
website
toont.
De theorie stamt van de australische geoloog
Samuel
Warren Carey
(1911-2002) die in vergetelheid is geraakt
met de nu heersende theorie van de
continentale subductie, het uitrekken en over
elkaar heenschuiven van de continentale
platen onder invloed van convectiestromen in
de aarde. Die theorie kon de toename van het
water niet verklaren. Maar, als het hele
universum zich steeds verder uitbreidt meer
dan hij samentrekt, hetgeen een bewezen en
aanvaarde zaak is binnen de heersende
natuurkunde, waarom zou dan niet een planeet
uitdijen? Het is gewoon logisch. Met de
uitdijing van alle materie voor ogen zien we
de meren en rivieren uitgroeien tot oceanen
en de landmassa's uiteendrijven als een te
krappe korst rondom een japans nootje. In
magnetisch opzicht vormt de hele schepping
met die constante uitbreiding zo een
gigantische monopool die de basis vormt voor
de winning van de vacuüm- of
etherenergie. Er is steeds vrije energie
omdat er steeds de beweging van de uitdijende
manifestatie is die wil terugkeren naar zijn
oerbron, naar zijn singulariteit. Het is met
de interactie van de drie basisvormen van de
ether in de vorm van de elementaire deeltjes
een dynamisch krachtenspel van uitdijing en
samentrekking, een soort van constante
integriteitsspanning van alle materie in de
lokale ether die op weg naar haar oorsprong
dan onder invloed van die constante druk in
een cyclische beweging verkeert in de vrije
ruimte. Die lokale ether vormt daarbij een
soort van vierde, holistisch materiedeeltje
dat de integriteit van de verhoudingen van de
uit protonen, neutronen en elektronen
opgebouwde materie en de ruimte behoudt: dat
deeltje dopen we dan hierbij met de benaming
van het integron. Voorafgaand aan de
manifestatie bestaat de ruimte uit gravitonen
en universele etherdeeltjes, de virtuele
plus- en mindeeltjes die Tom Bearden de
fotonen en antifotonen noemt. De gravitonen
splitsen zich bij de manifestatie van de
materie in protonen en elektronen en het
universele etherdeeltje, de tegenhanger van
het graviton, splitst zich dan in een lokaal
etherdeeltje of een naar integriteit strevend
integron en een neutron dat de lokale
representatie van de uitdijende oerether
vormt. Zo vormen de vier elementaire deeltjes
samen met de relatieve, dynamische ether dan
een parallel voor de vier basiskrachten die
de natuurkunde kent: de
zwaartekracht
(het graviton), de
elektromagnetische
kracht
(de elektronen en protonen), de
sterke
kernkracht
die alles bij elkaar houdt (het integron) en
de zwakke
kernkracht (het
neutron dat steeds tot verstrooiing en verval
leidt op den duur). In één adem
gezegd: eerst is er de tijd, dan de werveling
ervan en dan de opsplitsing ervan in de drie
basisdeeltjes van de materie plus een
holistisch integriteits-effect dat ook wel
als het lokale etherdeeltje of integron te
beschrijven is. De etherdeeltjes zijn steeds
deel en geheel, zijn 'part and
parcel', of holondeeltjes
- naar het holon zoals het hongaarse
multitalent Arhur
Koestler
(1905-1983)
en meer recent de holist Ken
Wilber
het als een filosofisch begrip verdedigden.
Het in onze theorie drievoudige holondeeltje
van de ether (drievoudig op de drie niveau's
van manifestatie van de ether) staat model
voor de individualiteit van alle organismen,
of voor de integriteit van de materieel
manifeste personen die we zelf zijn. Waar
Wilber spreekt van vier kwadranten in dit
opzicht die staan voor de dimensies van het
individuele versus het collectieve en het
interne versus het externe, onderscheiden wij
hier de zaak meer in termen van de kwantiteit
en kwaliteit (resp. het individueel/sociale
tegenover het concreet/abstracte) in
de
velden van
handelen
die de integriteit van een persoon in
samenhang met de orde van de tijd en de
krachten van de ether moeten garanderen. Per
slot van rekening gaat het in de beschrijving
van de manifeste wereld om het opheffen van
de illusie die een verschil tussen de binnen-
en de buitenkant vormt. Het gaat om de orde
van het leven, om de orde van de tijd die
feitelijk de materie vormt. De materie die we
in relatie tot de ruimte kennen als een
etherisch krachtenspel.
De evolutie verloopt
dus, samenvattend, van de potentiële
tijdenergie, via het stadium van de
reële, 'dubbele', gravitatie-energie
naar het eindpunt van de elektromagnetische
uitgesplitste, en holistisch integer
gehouden, manifeste energie van de materie.
Iedere evolutionaire stap toont een nieuwe
vorm van de relatieve ether die in interactie
dus de hele manifestatie vormt: de oerether,
de universele ether en de lokale ether, of
zoals Einstein het zegt: de tijdruimte, de
normale driedimensionale ruimte en de kromme
ruimte rondom hemellichamen. Als we teveel op
de holondeeltjes letten zijn we holisten,
maar als we de tegenhanger van die deeltjes
met de deeltjes van de normale ether bezien
en achting hebben voor de energetische
effecten met de tijd in de veden van handelen
die dat geeft, zijn we filognosten,
mensen die zich ook spiritueel kunnen
verenigen in de liefde voor de kennis. En
deze hiërarchische redenering is dan in
overeenstemming met de conclusie van de vele
klassieke wijzen en geleerden uit het
verleden die net als Descartes steeds
beweerden dat alle materie een omvorming van
de ether is. Zo stelt Vyâsadeva in de
Brahmâ Sûtra (Adh2.
P3: 1-7)
dat de - pradhâna of
ongedifferentieerde - ether het eerste effect
van de schepping is waarna toen de overige
elementen van eerst de lucht (de 'damp'), en
toen het vuur, het water en de aarde van de
lokale orde verschenen (Bhâgavata
Purâna 3.5:
32-36).

Een
tektonische breuklijn op de maan die een
aanduiding vomt voor de constante groei van
planeten en andere
hemellichamen.
Dat wat antimaterie
heet en door de moderne natuurkunde wordt
gepostuleerd als een noodzakelijke
tegenhanger van de materiële
ontwikkeling van de tijdenergie als hiervoor
beschreven, Wilbers binnenkant zeg maar, moet
een overeenkomstige evolutie doorlopen. We
kunnen met onze hiërarchische indeling
dan niet werkelijk spreken van een
anti-universum. Het materiële is tot
dezelfde oerbron terug te voeren als de
antimaterie. Beiden streven naar eenheid en
vormen slechts een primaire dualiteit in het
universum, een dualiteit die we reeds in de
oudste geschriften van de wereld als een
noodzakelijkheid aantreffen. God, als de
integriteit van het grote geheel, als een
persoon, zou er vanaf het begin van de
schepping zijn volgens de antieke
opvattingen. Die God kan je dan niet zien en
is tijdloos. Het spirituele met God vormt de
tijdloze tegenhanger van de materie die
echter ook van God komt. De materie vormt het
zichtbare lichaam van de God die stelt dat je
niet je lichaam bent, de materie is de
gigantische gedaante van de virâtha
rûpa, zo stelt the
Bhâgavata Purâna in
2.1.
Die God vormt het zelfbewustzijn als
de tegenhanger van de tijdruimte. En dat
zelfbewustzijn laat zich pas in tweede
instantie kennen als een dualiteit van een
ego in relatie tot de eeuwige
gelukzaligheid en liefde van God. Het
ego, of ik-besef dat
niet-geïdentificeerd met de materie ook
wel de individuele ziel heet, kent men in
derde instantie, d.w.z. nog weer een niveau
van manifestatie verder, met de twee
elementen van de geest en de
intelligentie via het proces van
vereenzelviging, een proces dat men soms het
vervalsen van het ego noemt. De tegenhanger
daarvan wordt gevormd door de dualiteit van
man en vrouw, de god en de
godin, die in de zaligheid hun liefdesleven
hebben. En die liefde moet, voor de ongeziene
God gaand, weer terugkeren naar een
gemeenschappelijk zelfbewustzijn, een
zelfbewustzijn dat geregeerd wordt door de
Superziel van de oorspronkelijke persoon of
integriteit van het universum. De geest wordt
dan in de meditaties de vijand die met de
intelligentie onderworpen en naar binnen
gericht weer via het ware ik-besef naar het
zelfbewustzijn moet worden geleid. En dat
zelfbewustzijn is dan weer terug te voeren is
op de oereenheid van God, de oorspronkelijke
ziel die natuurkundig de singulariteit
heet.
En zo is er dan een
even zo complexe, parallelle, geestelijke of
spirituele werkelijkheid die meer als een
tijdloze verscheidenheid boven of naast de
materie staat als de reflectie erop dan dat
die werkelijkheid tegen de tijd gekeerd zou
zijn. Aldus spreken we van een materiële
wereld en een spirituele wereld, een
fundamentele dualiteit van leefwerelden
waartussen men zich in het leven beweegt. Als
we een theorie van alles willen hebben,
moeten deze werelden in deze
hiërarchisch-structurele visie op de
persoon en de materie, in dit nieuwe
paradigma voor de wereldorde, worden
gecombineerd zodat iedereen er een plaats in
heeft, zodat een ieder gerespecteerd kan
worden en conflicten daarmee beëindigd
kunnen worden. Zo spreekt ook b.v. een
celbioloog als Bruce
Lipton
van een nieuw paradigma waarin de wetenschap
en de spiritualiteit convergeert nadat hij
ontdekte dat het celmembraan van een cel in
een organisch lichaam informatie overdraagt
op de celinhoud, m.a.w. dat wijzelf alsmede
onze plaats in het universum onze fysieke
materiële orde bepalen, ook op
celniveau, en dat de genen ons niet zozeer
commanderen maar meer als dienaren voor ons
klaar staan. De eiwitschakelaars die ons
leven beheersen zo vond hij,worden primair
beheerst door prikkels van buiten de cel,
door onszelf, door de omgeving, door het
universum. De beide werelden hebben elkaar
nodig en kunnen niet zonder elkaar bestaan,
precies zoals de ruimte niet zonder de
materie en de tijd kan bestaan en de oude
natuurkunde het ook niet kan stellen zonder
de antimaterie. Het geheel van de
hiërarchische deeltjestheorie laat zich
dan als volgt
weergeven:
Het
is in feite een dubbele Tetraktys,
een dubbele 1-2-4-8 versie van het
pythagoreïsche 1-2-3-4 symbool voor de
kosmos. In deze driehoek, die in de HDT voor
zowel het manifeste als het niet-manifeste
staat, toont zich de orde van het geleidelijk
in opeenvolging vanuit de monade evolutionair
ontstaan van de diade, de triade en de
tetrade als de basisverdeling van de
schepping. Respectievelijk staan die vier
traditioneel voor de singulariteit van het
oerbegin van het hebben van o dimensies, de
eenheid; de tweevoudigheid van
één dimensie, van een lijn, van
de polariteit van de wereld; de
drievoudigheid van twee dimensies,
een plat vak, een vergelijking van
polariteiten in het woord; en de
viervoudigheid van het hebben van een
driedimensionale wereld bestaande uit de vier
basiselementen of basiskrachten der
natuur. De esoterische
Pythagoreërs
zworen
op dit symbool van de eeuwige vernieuwing
zelfs een eed:
Ik
zweer bij Hem
die in onze zielen
de heilige Tetraktys heeft geplant,
de bron van de Natuur wier oorzaak
Eeuwig is.
(Ou
ma ton hameterai geneai paradonta
Tetraktun, Pagan aenaou Phuseôs
Rhizôma t'
ekhousan).
Voor
het nieuwe energieparadigma dat we modern
begrijpen als een theorie
van de
quantum-zwaartekracht,
hebben we het etherbegrip dus absoluut nodig,
d.w.z. het etherbegrip van de Einstein van na
1920 dus die de ether als zijnde relatief
verdedigde, omdat het begrip van de ether
simpelweg in één enkele term de
verzameling van de natuurkrachten en velden -
of 'tijdruimte-deuken' beschrijft zoals we
die hiervoor beschreven hebben bij het
bespreken van de natuurlijke oerbronnen van
de energie die verder niet tot een andere
bron te herleiden zijn. De verzamelterm voor
de natuurlijke energiebronnen waar we uit
putten met een directe omzetting i.p.v. een
indirecte transformatie van de energie die
vrij voorhanden is in de natuur, zo stellen
we hier dus voor, is de ether, de ether die
we samen met Einstein dan definiëren als
de ruimte met materiële eigenschappen of
als een krachtveld en niet zozeer als een
uniforme alomtegenwoordige substantie. Met de
nieuwe machines kunnen we zo dan spreken van
ethermachines. Deze machines, zoals in
het vorige hoofdstuk besproken, betrekken
zich op één van deze drie
basis-ethervormen, dan wel op een combinatie
of interactie van de fundamentele
natuurkrachten met dezen - het duidelijk
stellen van deze zaak vereist nadere
precisering en onderzoek.
De nieuwe manier van
denken moet uiteindelijk de verschillende
effecten die door de uitvinders werden
gevonden verklaren. Er moet een antwoord
gevonden worden op de vraag hoe we, naast wat
we zagen in de afdeling onverklaarde
fenomenen (UFO's, Graancirckels en Aliens),
in één samenhangende visie de
bevindingen kunnen verklaren van de besproken
experimentele effecten.
i)
Het Stubblefield-effect van
elektriciteit opgewekt uit het magnetisme
van de aarde.
ii)
Het Keely-effect van energetische
processen en antigravitatie uit het
beheersen van
geluidsfrequenties.
iii)
Het Reich-effect van orgone energie
uit kristalconfiguraties met buizen en
temperatuurverschillen tussen organische
en anorganische stof.
iv)
Het radiant Tesla/Moray-effect van
de energie van zich elektrisch uit de
natuur opladende platen of staven die
eventueel bestaan uit verschillende
metalen of legeringen.
v)
Het Papp-effect van zich met een
impuls ontladende edelgassen in een
drukkamer.
vii)
Het Gary/Finsrud-effect van
continue beweging door het tegen elkaar
uitspelen van de magnetische kracht en de
zwaartekracht.
vii)
Het
Gray/Johnson/DePalma/Tewari/Bedini/Bearden-effect
van een magnetisch overunity-moment
met een terugwaartse energiepiek die volgt
op onderbroken (elektro-)magnetische
velden in motoren werkend op basis van
(elektro-) magneten.
viii)
Het elektrostatisch Baumann-effect
van overunity statische
elektriciteit opgewekt via een
Whimshurst-achtige opzet gecombineerd met
een opslag-eenheid.
ix)
Het koude fusie plasmaproces, dan wel het
met stalen elektroden elektrolytisch
realiseren van een
Meyer/Williams/Kanarev-effect van
met overunity gewonnen HHO-gas of
Browngas uit zuiver water zonder
elektrolyten, met inbegrip van de
eigenschappen van ontbrandbaar, geladen
water of waterdamp.
x)
Het Schauberger/Frenette/Griggs
vortex-effect van energie gewonnen uit
wervelingen van water, lucht of
olie.
xi)
Het Huchison-effect van
antigravitatie met elektromagnetische
vibraties en energie uit samengeperste
kristallen.
xii)
Het Searl/Sweet-effect van
energieopwekking en antigravitatie door
trillende magneetvelden dan wel roterende,
diallel gearrangeerde en elektrisch
beheerste magneetvelden.
Overeenkomstig
de theorie kan er ten eerste een primair
effect zijn als gevolg van de
geestesinstelling van de onderzoeker. Het
komt nogal eens voor dat de effecten moeilijk
te repliceerbaar zijn of instabiel zijn,
zelfs in handen van de uitvinder zelf. Er is
een constante overtuiging en een goede
experimentele discipline voor nodig om alles
te kunnen overzien en beheersen in het
wetenschappelijk grensgebied dat door dit
veld van onderzoek wordt gevormd. De invloed
van de factor tijd en regelmaat moet niet
worden onderschat omdat deze moeilijk, ook
natuurkundg, kan worden losgezien van de
elektromagnetische sfeer waar de onderzoeker
zelf met zijn lichaam en conditioneringen
deel van uitmaakt. De effecten van Johnson,
Huchison, Sweet, Keely en ook dePalma naar
het schijnt vormen een voorbeeld van
problemen hebben in deze categorie. Het
effect van de instelling waarmee men
onderzoek doet strookt met een bevinding van
de kwantumtheorie waarin de invloed van de
experimentator niet kon worden uitgesloten.
In het z.g.
dubbele-spleetexperiment
(zie afbeeling rechts, video)
gedragen elektronen, fotonen en zelfs sommige
moleculen zich als golven met een
interferentiepatroon alsof ze deel uitmaken
van de ether, als ze door twee spleten worden
gestuurd. Maar toen men ging observeren met
metingen wat er precies gebeurde, gedroegen
zich opeens als deeltjes zonder dat
interferentiepatroon. De meting bepaalde dus
de uitslag van het experiment, de ether
bewees zich niet als men die probeerde te
meten.
Dit geeft te denken voor het werken met onze
ethermachines. Met de nieuwe benadering is
dus, zoals Tewari dat ook bespreekt, een
zekere geesteshouding in samenhang met een
zekere tijdorde en discipline van ruimtelijke
en materiële zelfbeheersing onmisbaar.
Als er geestelijk, intellectueel ook, geen
orde wordt gehouden of een zekere logica of
rede wordt gevolgd, zal ook de
hiërarchische logica aan de
materiële kant zijn ondergraven en de
intelligentie op dat punt ook niet goed
functioneren. Omdat de onderzoeker, en later
ook de gebruiker, deel uitmaakt van de
toepassing moet hij zijn methodologie van
onderzoek, onderwijs en gebruik aanpassen.
Het is een probleem dat ook tot het
gedragswetenschapelijk onderzoek van de
psychologie behoort. We mogen op dit punt
aangeland zeggen dat wij met onze lichamen
zelf ethermachines zijn die interacteren met
soortgelijke mechanische constructies. Het
uitvinden van een zelflopende ethermachine
staat min of meer gelijk aan het ontwikkelen
van zelfkennis en zelfverwerkelijking in een
emancipatieproces. Men ontwikkelt een
systematiek met de ether die pas reëel
is als men zich ernaar gedraagt, met een
mechanische toepassing erbij of niet. We
denken hierbij aan de manier waarop het
Baumann-effect (vii) in de wereld
bestaat. Sommig energiegebruik vereist
kennelijk een zekere geestelijke discipline
en saamhorigheid met de ether en zo kan het
heel goed zo zijn dat we aan onze vier
argumenten voor het niet zonder meer
doordringen van deze technologie tot het
grote publiek ook dit argument moeten
toevoegen als een aanhangsel bij met name
argument 1: de discipline met de tijd en de
ether van onze gemeenschap voldoet misschien
niet aan de voorwaarden waaronder we deze
technologie kunnen toepassen. Het is
misschien geen toeval dat ondergetekende zelf
er
een alternatief
tijdbewustzijn
op nahoudt en zo in staat is (tot op zekere
hoogte) orde in deze zaak te brengen. Het
klinkt niet onlogisch dat het doordringen van
deze nieuwe technologie in de wetenschap ook
afhankelijk is van de discipline van de
wetenschapper zelf. Zolang die discipline
niet verbetert zal het resultaat van de
arbeid en het lot van de wereld dat ermee
samenhangt ook niet verbeteren. De wereld is
er pas beter aan toe als we ons beter
gedragen ermee. Vanzelf. Het lijkt erop dat
het is zoals prof. Kanarev het stelt: als we
tijd, ruimte en materie niet als een heilige
drie-eenheid van de natuurkunde behandelen,
dan vervallen we, ook wetenschappelijk, in de
incoherentie en de chaos van geïsoleerde
verschijnselen die paradigmatisch niet te
overzien zijn en die zo de zaak dan meer doen
lijken op een individuele vaardigheid dan op
een vorm van techniek of wetenschap die
onafhankelijk van personen functioneert.
Zonder verenigd te zijn in een goede tijdorde
en beheersing van de krachten van de
relatieve ether (zoals
een yogi dat
kan)
geeft men het mogelijkerwijze te snel op zich
op dit gebied te ontwikkelen, is men
makkelijk het slachtoffer van een zekere
psychische problematiek die voortkomt uit de
spanning
tussen de natuurlijke tijdconditioneringen en
de cultuurgebonden
tijdconditioneringen,
en bouwen we niets op en verliezen we zelfs
de synergie om samen te leven omdat de
energie of aandacht naar 'elders' gaat. En
daardoor vervallen we dan in ongeloof en
scepticisme en zijn we weer terug bij
argument nummer één van de
vier
hindernissen.
Als we aan de spirituele kant van de
tijdverschijnselen van de relatieve ether
rekening moeten houden met verschillende
niveaus en methoden van onszelf beheersen met
de krachten van de ether, zijn er dan er aan
de materiële kant vanzelf ook
verschillende soorten van ethermachines of
andere omvormingen van de primaire energie
die afhankelijk zijn van en geschikt zijn
voor verschillende personen en
gemeenschappen. Een heilige kan soms uit
zichzelf leviteren - iets waar de Paus een
hekel aan heeft overigens - terwijl een
gewone burger allicht een speciaal
vliegbewijs moet behalen om een
antizwaartekrachtvoertuig te mogen en kunnen
besturen. Laten we een poging wagen in de
richting van de beschrijving van de mogelijke
vormen van begrijpen en beheersen en zo de
verklarende capaciteit van onze
hiërarchische deeltjestheorie (HDT)
beproeven. We recapituleren daarin
deels het voorafgaande en zijn dan
speculatief en abstract in het trachten te
ordenen en verklaren van de effecten van de
ethermachines en het toekennen van
eigenschappen aan de verschillende krachten
en deeltjes der materie die een rol spelen in
de processen. Het nu volgende is dus een
voorlopige beschrijving, een eerste
inschatting of algemene basisschets van de
orde der natuur waar we mee te maken hebben.
We willen hier niet direct de hele
kwantumfysica bespreken met al haar fijne
onderverdelingen. Dat is aan de theoretische
natuurkunde.
Het
begrip ether is, zoals we het in eerste
instantie normaal kennen met de
radiotransmissie, van toepassing op de
verschillende krachtvelden zoals we die om
planeten en sterren aantreffen. Dit eerste
etherbegrip is afgeleid van wat Einstein de
kromme ruimte noemde, de 'deuken' in de
tijdruimte, en hiermee spreken we dus van de
lokale ether. Volgens de HDT is de kromme
ruimte van de lokale ether niets anders dan
het restproduct van het materialisatieproces
waarin gravitonen polariseren. De lokale
ether (het integron) vormt de integriteit van
atomen die bestaan uit protonen, elektronen
en neutronen. Het integron vormt als het ware
de oppervlaktespanning van de materiële
wereld. Het neutron is het
anti-integriteitsdeeltje dat als tegenhanger
van het lokale etherdeeltje of integron de
protonen en neutronen gescheiden houdt in de
kern van het atoom. Het neutron wil van de
cyclische tijd van een lokaal materieel
deeltje een lineair tijddeeltje maken. Het
neutron zou je ook een anti-integron kunnen
noemen. Het neutron is als het ware een klein
stukje van de holistisch doorgedrongen
lineair expanderende tijdruimte die in
India pradhana wordt genoemd. De
polariteit van het atoom verhindert dat het
neutron en het integron van de lokale ether
elkaar opheffen en opgaan in de universele
ruimte. De zwaartekracht om een planeet heen
is het resultaat van de som van de kracht van
het integron - een relatieve maat die
afhankelijk is van het univerum, en de paats
daarin, waar men zich in bevindt - en die
kracht leidt tot een verdichting van de, door
de neutronen aangetrokken, gravitonen, de
individuele etherdeeltjes die rondom de
materie dringen die min of meer ermee onder
druk staat. Zwaartekracht is in feite
nulpuntsmagnetisme, de unipolariteit van het
vacuüm, een universele monopool die
bestaat bij de gratie van het feit dat er
meer uitbreiding dan inkrimping is in het
universum, en elektriciteit is niets anders
dan gepolariseerde zwaartekracht. De
ethermachine zet zwaartekracht om in
elektriciteit door het lineaire integron van
de zwaartekracht cyclisch te maken. Men maakt
met zo'n machine dus gravitonen van het
integron, men geeft a.h.w. gewoon een draai
aan die rechtlijnige ruimte-energie. Met het
magnetisch polariseren van het graviton zien
we dan elektrische verschijnselen en
omgekeerd. Dit is de HDT-visie op de
relatie tussen zwaartekracht, magnetisme en
elektriciteit waar we in het hiervolgende
mee zullen werken moeten. Bij de polarisatie
van het graviton vinden we in deze optiek ook
logisch gesproken steeds een bipolair
magnetisch veld, de unipool van de ruimte,
die zich als het integron van de
zwaartekracht manifesteerde, werd immers
gesplitst. Zo krijgen we een idee van het
krachtenspel waar we mee bezig zijn in deze
research.
De individuele kracht, de intensiteit van het
graviton noemen we even voor het gemak op een
schaal van vijf normaal. De indeling bestaat
uit oneindig, hyper, super, normaal en nul.
De kracht van de universele monopool noemen
we hyper en die van de oorspronkelijke
tijdruimte oneindig. De kracht van het proton
en het elektron noemen we super, de
hyperkracht van de universele ruimte en de
normale kracht van het etherdeeltje middelen
bij polarisatie van het graviton tot twee
tegengesteld draaiende superkrachten die door
het neutron, dat als deeltje geen effectieve
kracht heeft worden gescheiden gehouden. De
enige kracht van het neutron bestaat uit zijn
vermogen anti-integer of dissipatief te zijn
als de lokale representant van de tijdruimte,
het heeft in relatie tot de twee andere
materiële deeltjes geen lading of
intensiteit. Het is een antiholon deeltje dat
alleen bestaat in relatie tot het integron
dat een tegengestelde tijdrichting of massa
heeft en net als zijn tegenhanger geen
(cyclische) kracht levert of intensiteit
heeft en ook geen spin of lading heeft. Het
cyclische noemen we een kracht omdat het
cyclische altijd is gekoppeld aan
manifestatie, terwijl dat bij de evolutionair
oudere tijdruimte en de etherische
tegenhanger daarvan van de universele ether
niet zonder meer zo is. Er kan dus massa
zijn, tijdrichting, zonder manifestatie:
donkere
energie.
Het lineaire vormt geen direct bruikbare
kracht, de naar binnen en naar buiten
gerichte lineaire ruimte zijn min of meer de
vader en de moeder van alle krachten. Kracht
en dus ook intensiteit manifesteert zich als
een vorm van weerstand tegen die ouders, als
een bepaalde relatie van het gemanifesteerde
in relatie tot die fundamentele lineaire
dualiteit dat zelf altijd cyclisch van aard
is, er als het ware een spel mee speelt op
het raakvlak der existentie, het membraan van
het hier en nu dat we de werkelijkheid
noemen. Zo gauw een integron lading krijgt is
het geen integron meer maar een graviton met
een chaotische lading en spin en een normale
intensiteit. Als je neutronen in een cycloton
rondjaagt of met een wapen inzet, krijg je
daar dan altijd andere 'chaos-deeltjes' voor
terug die een mathematische relatie vertonen
van de krachten die men heeft ingezet. Men
heeft niet echt ooit een apart neutron, maar
meer het effect van de vernietiging ermee of
ervan. Evenzo kan men het graviton niet als
een zelfstandig deeltje aantonen in een
deeltjesversneller omdat het met het verlenen
van massa en richting via de snelheid gewoon
geen graviton meer kan zijn. De machine
vernietigt de definitie van zo'n massaloos,
chaotisch ruimtedeeltje. We zullen hier
verder de beschrijving van de
fijne
deeltjesfysica van bosonen en
fermionen
buiten beschouwing laten. Het gaat allereerst
om een algemene schets van de logica van de
primaire verhoudingen van de natuurkrachten
in de vorm van deeltjes, niet om
experimenteel gevonden, min of meer zelf
geschapen, uitzonderingen op of verfijningen
van die logica.
De
druk die de gravitonen uitoefenen in de vorm
van het integron is er de reden van dat de
ether relatief is en niet homogeen. Het
verschil tussen het integron en het graviton
bestaat eruit dat het integron een lineare
functie heeft terwijl het graviton cyclisch
is. Het lineaire integron is de lokale
vertegenwoordiger van de cyclische universele
ether waarvan het graviton het individuele
deeltje is dat ronddraait (spin heeft) en een
dubbele polariteit vormt in de vorm van het
afwisselend positief en negatief 'bubbelen'
of 'koken' van de ruimte als zijnde een
ongerichte of 'onzekere' (tijd)energie. Het
integron, net als het neutron, is massa
zonder manifestatie, zij het dat het neutron
een massa heeft die we met één
plus een nihiele fractie zwaar noemen,
terwijl het integron slechts een nihiel zware
fractie vormt die bestaat dankzij de
manifestatie. Het nihiele is het verschil dat
voortkwam uit de gebroken symmetrie van de
singulariteit waar alles uit voortkwam sedert
het 'ontwaken van de schepping' (waarom een
knal?); het nihile vormt het verschil tussen
alles (1) en niets (0). Het nihiele is de
overunity van het universum waar we op
uit zijn met de ethermachines. Het is
nulpuntsenergie die niet direct toegankelijk
of bruikbaar is zonder dat er een 'draai' aan
gegeven wordt. Maar zeggen dat die energie er
niet zou zijn is hetzelfde als zeggen dat de
zwaartekracht niet bestaat. De zwaartekracht
is de normale manifestatie van de
nulpuntsenergie op lokaal niveau. Daarom
hoort het zwaartekrachtwiel en de machines
van Gary en Finsrud (vi) die de
zwaartekracht verbijsteren met de magnetische
kracht, ook bij de ethermachines. Het
woord zwaartekracht is in feite een foute
benaming. Het vormt een paradox
taalkundig: de zwaartekracht is een kracht
die niet zomaar een effectieve, inzetbare
krachtbron vormt en is zo ook weer niet een
kracht. Het is een kracht die niet werkelijk
een kracht is, maar slechts de ruimtedruk of
'zwaarte'kracht vormt. De kracht van de
zwaarte van iets is de manifestatie van de
onevenwichtigheid van het universum. Een
stuwdam maakt elektriciteit van de
waterkracht, niet van de zwaartekracht. De
waterkracht komt in feite van de kracht van
de zon die het water verdampte dat
neergeslagen door afkoeling via een hoger
gelegen gebied naar lager stromend weer vrij
komt als we die stroom tegenhouden met een
dam. In feite meet men als men massa meet
niet de kracht van de zwaarte van een
voorwerp, maar de naar binnen gerichte,
negentropische tijdrichting van een materieel
voorwerp die afhankelijk is van de afstand
tot de planeet of datgene wat zwaartekracht
genereert. Even wat verder in de ruimte en
weg is die kracht. Dat wat er dan weer wel is
en dan weer niet is, noemen we een illusie,
een krachtsillusie in dit geval. Wat
werkelijk is is het integron, de
oppervlaktespanning van de manifestatie. Het
integron vormt een lineair op
één punt diallel samentrekkende
tijdenergie, en niet zozeer een kracht die in
alle gevallen een meetbare zwaarte oplevert.
In de ruimte is er geen merkbare
oppervlaktespanning die meer is dan de
samenhang van de materie en dan is er dus ook
geen zwaarte. In de ruimte heerst een
evenwicht van ruimtedeeltjes, van gravitonen,
die dan ongericht zijn, geen beduidend
oppervlak van aantrekking kunnen vinden om in
die mate het integron van de overunity
te kunnen manifesteren dat er zoiets als
zwaarte of richting zou zijn. De ethermachine
brengt orde in de chaos van het vrije
ruimtedeeltje dat het graviton is. Finsrud
brengt bewust een mechanische orde aan in de
zwaartekracht door de magneetkracht
allereerst chaotisch op te zetten met zijn
centrale slinger en vervolgens de ruimtedruk
met uitbalancerende slingers lineair daar
orde in te laten brengen. Gary schept
verwarring door de zwaartekracht terug te
leiden naar zijn beginpunt van werking via
een neutrale zone in de magneetkracht en de
onrust van ompolend diamagnetisch materiaal
(vi). Het integron dat bij het proces
van energiewinning uit de ruimte betrokken
is, is een holon deeltje, een lokale werking
van het geheel van de ruimte-energie. Het
heeft dus ook geen beduidend gewicht, een
spin of een lading, het staat slechts voor
een tijdrichting immers: de naar binnen
gerichte lineaire tijd die staat tegenover de
naar buiten gerichte lineaire tijdrichting
van het gelijksoortig neutrondeeltje. Zo
bezien kan je concluderen dat de
ethermachines op volle toeren draaiend
zwaartekracht genereren, een eigen
zwaartekrachtveld wel te verstaan, dat wordt
veroorzaakt door de omringende gravitonen aan
te zuigen en om te zetten in energie. Een
zwaartekrachtgenerator kan meer zwaartekracht
genereren dan een planeet en zo dan
'anti-zwaartekracht' vormen, een
tijdruimteverschil dus dat een enorm
kinetisch effect kan hebben bij het richten
van de zuigrichting via een magnetische
poort. Gravitonen reageren immers op
magnetisme. Dit strookt met waarnemingen van
dit soort effecten bij vliegende schotels:
elektrische velden raken verstoord en
G-krachten gelden niet meer. Met het
aanzuigen van gravitonen door de ethermachine
krijgen ze een lineaire richting die een
eigen zwaartekrachtveld vormt, een veld dat
men kan richten in relatie tot andere
zwaartekrachtvelden en zo wordt sturing van
zo'n voertuig dan mogelijk. De ethermachine
is dus een zwaartekrachtgenerator die iets
doet met de relatie tussen de lineaire en de
cyclische tijd, de relatie tussen de 'ouders'
en de 'kinderen' van de fundamentele
natuurkrachten.
Een magnetisch veld
is het resultaat van een gelijkrichten van
deeltjes(groepen) in een magnetiseerbaar (of
diamagnetisch) voorwerp zoals de
ijzerdeeltjes in de aardkern b.v. Magnetische
lijnen vormen stromen van tegen de
polarisatie in ronddraaiende gravitonen.
Sommigen spreken van elektronen en ionen,
maar in essentie is de ruimte het bereik van
de gravitonen, de materieel nog onbepaalde
ruimte. Op
basis van de magneetvelden rondom lichamen,
magneten, planeten etc., werkt de ruimte
aldus kinetisch en niet statisch. Al het
materiële is in beweging bij de genade
van de cyclische definitie van de materie.
Als de ether geen werk zou verrichten zou het
ontwikkelen van de ethermachine geen zin
hebben. De ethermachines die al bestaan
vormen dan ook simpelweg het experimenteel
bewijs dat de ether bestaat. Het bewijs op
basis van de wetenschappelijke observaties
van de uitdijende ruimte (via het
Doppler-effect in de astronomie), de
zwaartekrachtlens
rondom zwarte gaten en sterrenstelsels, en de
ronddraaiende planeten en manen, vormt het
natuurkundig niet-experimenteel of
observationeel bewijs van het dynamisch
krachtveld van de ruimte dat we hier de
relatieve ether noemen. In zijn simpelste
vorm is dat bewijs al geleverd met een
magneet die zonder verdere kleefstof of steun
aan een ijzeren wand als van een koelkast
hangt. Het aan elkaar kleven van de materie
op basis van magnetische velden is in feite
gebaseerd op de singulariteitswet van de
HDT die stelt dat alle materie van nature
naar zijn singulariteit streeft. Een magneet
zal daarom steeds proberen zijn eigen
polariteit op te heffen, een ring te vormen
of met tegengestelde polen aan elkaar te
kleven. Dit staat klassiek dus ook wel bekend
als de natuurlijke neiging tot orde, de
negentropie, de tegenhanger van de
natuurlijke neiging tot chaos die de entropie
wordt genoemd. Iedere kracht heeft een
tegenkracht die hem probeert op te heffen. Zo
staat dan de entropische uitbreiding
tegenover de negentropische aantrekking.
Zo ook heeft
elektrische stroom die volgens een bepaalde
meetmethode in een bepaalde richting loopt,
zowel als een magnetische dipool die, zoals
je kan aantonen met ijzervijlsel, een bepaald
krachtveld geeft, een natuurlijke
reactiekracht te verduren vanuit de ruimte,
de ruimte-energie die we in de vorm van
deeltjes omschrijven als een veld van
gravitonen, een veld dat we ervaren als de
zwaartekracht. Gravitonen vormen de
ruimtedruk die samen op een hemellichaam
inwerkend als een
holon
genaamd het integron, lokaal de materie
lineair opeendrukken. Het graviton zelf is
zoals gezegd chaotisch en cyclisch, maar
massaal aangetrokken door een materieel
voorwerp of een magneet vormen de gravitonen
lijnen of stromen die van plus naar min
lopen, die dan het normale evenwicht van het
integron enigszins verloren doen gaan en
a.h.w. de zwaartekracht ervan hier doen
toenemen en daar doen afnemen. Minder
zwaartekracht is magnetische afstoting, meer
is magnetische aantrekking. Die combinatie
maakt dat het voorwerp niet zwaarder of
lichter wordt door magnetisering, maar als je
met een ethermachine een kunstmatige monopool
vormt door gravitonen in energie om te zetten
is dat volgens de HDT wel het geval.
Verzamelt men nu elektrische lading op basis
van magneetrotatie dan gebeurt er iets met de
zwaartekracht. Een elektrische lading zal bij
een afdoende frequentie van de betreffende
dipool het integron van de zwaartekracht uit
evenwicht of in werveling brengen en zo
veranderen in een gravitonenstroom die wordt
weggestuurd naar de elektrisch tegengestelde
positie van de aarde of in een lichteffect
(bij Searl en Moray is dat aanwezig). De
onderdruk van het integron dat ontstaat zal
dan zoals gezegd leiden tot een verminderde
zwaartekracht en zelfs bij een
integronenvacuüm leiden tot
tijdruimtevervormingen. Het voorwerp
verdwijnt dan naar een andere plaats via de
tijdruimte of hyperruimte. Het is b.v. bekend
uit experimenten dat een condensator ietwat
lichter wordt als hij geladen wordt: dat komt
door het z.g. Biefeld-brown-effect.
Een lading ioniseert de ruimte om de lading
heen en verwerft aldus een kracht van
tegengestelde, in de richting van de
polariteit werkende, gravitonen. Deze kracht
is groter dan de ionenwind, een min of meer
door de lucht geleide elektriciteit, kan
verklaren die normaal bij de uitleg van het
effect wordt aangevoerd zo stelt
Andrew
Johnson in zijn
analyse
(zie ook de Eletrokhydrodynamische
EDH-aandrijving).
Gravitonen zijn cyclische tijddeeltjes. Zo
ook komt er als het magneetveld wordt
onderbroken door de magneet te verplaatsen of
de stroom te onderbreken die magnetiseerde,
een reactie tot stand van de kant van de
gravitonen die dan polariseren met een
elektrische impuls in de tegengestelde
richting. De passive gravitonen lijden aan
een soort wet van de traagheid omdat hun
intensiteit minder is dan die van de geladen
expemplaren die steeds meer op elektronen
gaan lijken. De gravitonen hebben op basis
van de singulariteitswet de onverbiddelijke
neiging steeds het evenwicht te herstellen
zodat ze een positief veld met een negatief
veld weerstreven. Als een positief veld
wegvalt, hou je automatisch het negatieve
veld over en omgekeerd: de vingerafdruk die
als hij oplost energie afgeeft. Deze energie
is extra energie omdat ze vloeit op basis van
de natuurlijke gravitonendruk die uniform in
de vorm van het integron van alle kanten in
de ruimte werkt. Deze extra energie is niet
zonder meer te meten met apparatuur die een
normale elektrische stroom meet. Maar wat je
niet meet bestaat nog wel. Andersom door een
gloeidraad geeft nog steeds licht. De
negatieve stroom is de overunity van
een iets te ijverig universum dat, naar
verhouding, een minieme hoeveelheid energie
toevoegd te compensatie van het weggevallen
veld. De ethermachine accumuleert daarom
steeds deze energie in een condensator, een
accu of een vliegwiel of een andere vorm van
oscillatie of rotatie die de mechanische
slang in zijn eigen staart doet bijten en zo
een versterking van de impuls geeft. Het
universum is in dezen niet een trampoline of
een veer die teruggeeft wat je erin stopt,
immers met de constante uitbreiding van de
tijdruimte en de daaraan gekoppelde
universele ruimte is er nogmaals gezegd
steeds een extra druk. Een etherma
| |