musicbutton

http://127.0.0.1:1024/chtml?DIS_fdhq_buttonbar&userid=user9#







Pamflet voor een Nieuwe Energiepolitiek



 

 

 
5) Het paradigma van de relatieve ether

Het huidige, heersende paradigma kunnen we het paradigma van het relativisme noemen dat is gebaseerd op de oude formuleringen van Einstein toen hij het bestaan van de ether voor 'onnodig' verklaarde. De moderne ethertheorie die voortvloeide uit Einstein's 'bekering' tot een nieuw etherinzicht vond mede zijn basis in het werk van de natuurkundige Wofgang Pauli (1900-1958) die de grondslag legde voor de latere kwantumtheorie die wèl ruimte bied aan een soort van etherdeeltje dat hierna ter sprake zal komen. Maar de nieuwe ethertheorie die gepopulariseerd werd in de 80-er jaren door Maurizio Gasperini en weer opnieuw onder de aandacht werd gebracht rond de eeuwisseling door Ted Jacobson en David Mattingly, wordt echter begin van de 21e eeuw nog steeds niet algemeen aanvaard binnen de natuurkunde. Dit leidt tot discussies en aanvallen op dat traditionele relativistische bolwerk dat nu in de weg van de vooruitgang lijkt te staan.
     Zo was er onlangs (okt. 2007) in Nederland nog een organisch-fysisch scheikundige genaamd
Marcoen Cabbolet (1967) wiens promotie najaar 2007, heel uniek, werd afgelast ondanks dat de promotiecommisie zijn dissertatie reeds had goedgekeurd. Hij had samen met zijn helaas overleden promotor Sergey Sannikov uit de Oekraîne ontdekt dat, in strijd met de inzichten van de kwantummechanica en de algemene relativiteitstheorie, er theoretisch gezien volkomen nieuwe bronnen voor energiewinning bestaan. Het College voor Promoties van de technische universiteit van Eindhoven, dat unaniem oordeelde dat het onderzoek niet voldoende kwaliteit had, moest later op die beslissing terugkomen toen bleek dat die commissie zelf niet deugde. Externe deskundigen werden ingeroepen waaronder onze nobelprijswinnaar 1999 Gerard 't Hooft die zei dat hij 'er geen brood van kon bakken'. Cabbolet's onderzoek kon niet kloppen omdat eruit zou volgen dat antimaterie een positieve rustmassa heeft, maar toch van de aarde af beweegt onder invloed van de zwaartekracht. Maar de promotor Harrie de Swart liet weten dat het proefschrift bestond uit een strikt logisch raamwerk met een natuurkundige interpretatie. Hij was toch ook niet gek. Cabbolet gaf ten antwoord dat 't Hooft zich schuldig maakte aan hol geschreeuw en dat hij kennelijk de formele logica niet meester was. Cabbolet kreeg sedertdien niets meer gepubliceerd en moest een baan bij de KPN op de afdeling gebruikersonderseuning aannemen.
   Van de kant van de natuurkundig geschoolde vrije-energieonderzoekers is behalve
Tom Bearden en Stefan Marinov, ook Prof. Kanarev van de plasma-elektrolyse hiervoor besproken, zeer kritisch over de huidige stand van de natuurwetenschap. Hij stelt net als Marinov dat we weer terugmoeten naar de klassieke fysica van de 19e eeuw en de draad weer moeten oppakken waar we hem zijn kwijtgeraakt. Na het postmodernisme zijn we aan een paradigmatische restauratie toe om de in de moderniteit verstoorde relatie met de klassieke orde te herstellen. Marinov stelde in zijn wetenschappelijke testament: "Ik hoop dat spoedig de (Newtoniaanse) tijd-ruimte begrippen, welke ik in ere herstelde middels vele experimenten en door een eenvoudige mathematische theorie, door de wetenschappelijke gemeenschap zullen worden aanvaard als degenen die overeenstemmen met de materiële werkelijkheid". Kanarev voegt daar aan toe: "Ik denk aan een theoretisch virus genaamd de Lorentz-transformaties waarop de bewijsvoering van de relativiteitstheorie van Einstein is gebaseerd. Bij Lorentz werden tijd en ruimte in twee aparte vergelijkingen vervat en gescheiden van elkaar. Alleen als men deze twee vergelijkingen weer heeft verenigd is het mogelijk om een ware procesbeschrijving te verkrijgen. Welk natuurkundig verschijnsel dat ook zou volgen uit de beschrijvingen van Lorentz's transformaties, kan men onmogelijk in de natuur waarnemen." Hij stelt dat we in de twintigste eeuw onze onderzoeksresultaten verkeerd zijn gaan interpreteren; we zijn volgens hem iets vergeten. "Tijd, ruimte en materie - het zijn de drie niet te scheiden elementen van een universum" (zie interview). En deze eenheid, die al door de Boeddha werd gepredikt, is precies het punt dat we in dit hoofdstuk willen maken. Met de machines van de rechtstreekse, directe energiewinning zijn we met de vrije energie van de ruimte bezig. Zonder de tijd, de materie en de ruimte als één onlosmakelijk geheel te zien kunnen we deze wetenschap nooit onder controle krijgen. Niet alleen natuurkundig, maar ook sociaal-economisch zijn in de twintigste eeuw tijd en ruimte twee afzonderlijke begrippen geworden die geen relatie meer met elkaar schijnen te hebben. En daarmee zijn we vervreemd van de natuurlijke werkelijkheid en van elkaar en hebben we ook niet werkelijk greep op de materiële wereld. Dit gebrek aan maatschappelijke en wetenschappelijke samenhang van deze basisbegrippen van de natuurkunde, van de heilige drie-eenheid van de tijd, de ruimte en de materie, ligt ten grondslag aan de fundamentele gespletenheid van het oude paradigma van het relativisme. In dat oude paradigma ontkennen we de ether, verdraaien we de tijd wettelijk bepaald en hebben we de materie van de planeet, het klimaat en de energiewinning niet in de hand. En daarmee zijn we aan het begin van de 21e eeuw ecologisch en psycholgisch verkeerd bezig, gevangen als we zijn in politieke, wetenschappelijke en religieuze ego's als waren we een stel sociopaten met TBR.
    Er is een
uitstekende lezing van een gerenommeerde natuurwetenschapper genaamd Tom Valone te bekijken op het internet waarin een overzicht wordt geboden van de complicaties voor de wetenschap op het punt van de vrije energie. Hij deed, zonder direct op de theorie in te gaan, een grote haalbaarheidsstudie met daarin de nadruk op het omzetten van nulpuntsenergie met achting voor recente ontwikkelingen op het gebied van b.v. de nanotechnologie. Hij refereert aan het werk van Casimir (ruimtedruk op microniveau), Dr. Fabrizio Pinto (zie ook video en een artikel), Mead en Milonni, en hij bespreekt en analyseert de kernprincipes voor het omzetten van de energie uit het vacuüm. Hij stelt daarbij, net als Bearden, dat deze principes vallen binnen de thermodynamische, vloeibare, mechanische en elektromagnetische gebieden van de fundamentele krachtsverschijnselen die van toepassing zijn op alle energiesystemen. Zo noemt hij b.v. ook recente ontwikkelingen van microdioden die, zoals bij Moray, de vacuümenergie opvangen die in principe random fluctueert maar heel reëel is en niet zozeer virtueel, zoals Bearden in horigheid aan vele sceptici dat ter sprake brengt. Hij stelt zo dat het e.e.a. ook van toepassing is op het kwantumniveau van de (incomplete) theorie van elementaire deeltjes. Behalve Valone, Bearden (zie m.n. zijn video's Energy From The Vacuum; op Google: part 1 & part 2) en Kanarev zijn er ook individuele en institutionele onderzoekingen van andere wetenschappers die worstelen met de paradigmatische energiekwestie: Lee Felsenstein die ook de energiesystemen voor computers bestudeert, Prof. Pharis Williams over alternatieve nucleaire energie en anti-zwaartekracht (zijn site) en Mark Goldes in zijn artikel over Fueling the Future with Zero Point Energy (site) om er een paar te noemen. Het probleem met het oude paradigma is dat de gewone man het niet kan begrijpen. Men ervaart veeleer de chaos van het post-modernsme. En wat men niet snapt kan men ook moeilijk in verhouding zien, aanvaarden of afwijzen. Men weet enkel dat het niet zoveel uitmaakt in het huidige denkmodel of de klok nu gelijk staat met de zonnewijzer of niet. Met die relativiteit van het tijdsbegrip werd de tijd van zijn klassieke, absolute waarde ontdaan. De absolute waarde van de tijd waar I. Newton vanuit ging, hield in dat de tijd van de passerende zon en de maan een niet te betwijfelen uniforme voortgang van de materie van het universum inhield die volkomen gelijkmatig overal hetzelfde werkzaam is. Einstein toonde aan dat het begrip gelijktijdigheid echter een illusoir idee is. Hij ging uit van het axioma van een constante lichtsnelheid in de ruimte. De tijd is altijd en overal anders, is volkomen relatief. Ook het klassieke etherbegrip - de ether als een aparte substantie die alomtegenwoordig is - dat Einstein vóór 1920 niet echt meer nodig vond in de natuurkunde, verklaarde hij, zoals gezegd later dus van gedachten veranderd zijnd op dit punt, relatief: de ether betrof volgens hem de ruimte met fysieke eigenschappen, de ruimte in de vorm van een bepaald krachtveld dat per planeet, ster en melkwegstelsel anders van werking is. Dat krachtveld maakt verschil in de relatie met het krachtveld van de tijdruimte die de uitdijing van het heelal vertegenwoordigt in een soort van vierde dimensie van de tijd waarin alle universa zich uit elkaar bewegen. Wat betreft de ether ontstond, met deze verandering van mening van Einstein terwille van het nieuwe, relatieve etherbegrip (waarmee hij begon in 1916, zie Kostro 2000), het probleem dat we de natuurkunde zelf ook niet meer als absoluut geldig kunnen zien (zie ook het artikel over Einstein op de info-afdeling van deze site). Het zijn steeds paradigmatische visies, meningen of gezichtspunten min of meer, bepaalde vormen van taal bestaande uit zelf gedefinieerde termen, die net zo werken als de verklaringsmodelllen van historici, psychologen, sociologen, filosofen en klimatologen b.v., of zoals Tesla het dus noemde: een natuurkundig geloof, een vorm van mathematische metafysica waarin de mysticus in kwestie voorop staat en het aankomt op het juiste conceptuele 'gevoel' voor de kwestie. Ook in de natuurkunde wisselen de meningen, definities en methoden en die houden zo dan mogelijkerwijs andere onderzoeksresultaten en meetinstrumenten in. Met het aanvaarden van een relatieve ether, in combinatie met het afwijzen van het relativisme dat de ether helemaal niet wil kennen, praat ondergetekende nu dapper mee in deze vrijheid en baseert zich daarbij, meer vanuit een praktisch psychologisch en klassiek filosofisch gezichtspunt dan een vanuit een natuurkundig mathematisch gemystificeerd standpunt, op het meetinstument van de tempometer en het erbij behorende begrippenkader dat als het leidende paradigma fungeert om de redeneringen aaneen te rijgen tot een samenhangende visie.

De Einsteiniaande 'deuk' in de tijdruimte waarop het huidige
denken over de zwaartekracht en de relatieve ether berust.

Bij de twintigste-eeuwse natuurkunde sluit het idee van de relatieve ether zoals hier gepresenteerd in eerste instantie aan bij wat men scalaire gravitatietheorie noemt. Dat is een theorie waarin de zwaartekracht wordt beschreven als een invariant veld van deeltjes met een spin van nul (z.g. bosonen) waarop de tijd/ruimte-verschillen van de door Kanarev gehekelde Lorenz-vergelijkingen van toepassing zijn. Rond de eeuwwisseling is er sprake van een nieuwe zwaartekrachttheorie van David W. Allan, Ranae Lee and Jeff Lorbeck uit 1999. Daarin ligt de nadruk op vanuit de kern van alle materie uitwaaierende diallele zwaartekrachtlijnen (zoals in ons cakra-ontwerp voor een magnetische motor). In die visie worden de vier fundamentele natuurkrachten ondergebracht in één verenigde veldtheorie. In een meer recente ontwikkeling spreekt men sedert 2002 van het Aether Physics Model (David Thomson III en Jim D. Bourassa, zie ook hun boek) dat de derde grote revolutie in de natuurkunde vormt na de atoomtheorie van Dalton in 1803 en de Relativiteitstheorie van Einstein in 1905. Ons daarin weer opnieuw aansluitend bij het klassieke ethermodel, zien we de tijd zelf als een vorm van energie die voorafgaat aan de tijd die manifest is in de driedimensionale wereld: evolutionair bestaat de expanderende, lineaire tijd van de tijdruimte er voordat er de cyclische tijd van de geschapen materie is. Er zijn dus twee fundamentele vormen van tijd: de cyclische en de lineaire tijd. Lineair is er de energie van beweging die uitdijt en entropisch tot chaos leidt en cyclisch is er de energie van een wervelende tijd die tot orde, tot structuurverschijnselen leidt en patronen vormt, lichamen van materie met longitudinale en transversale golven en zwaartekrachtlijnen en velden die bestaan uit deeltjes. De tijdruimte tijd is zo bezien pure oerenergie die zich mathematisch laat uitdrukken zoals de materiële energie zich laat uitdrukken in de termen E=M.C2. We beginnen de schepping dan met de vergelijking E=T.e2. Energie is gelijk aan het product van de tijd en het absolute van de expansie (waarin T is dan in feite delta T of de verandering van tijd is, zie ook het artikel Scalar Wars). Je kan ook zeggen dat de tijdruimte, de z.g. vierde dimensie, een energiemanifestatie is waarin de tijd zelf nog de oerenergie is, de donkere energie die feitelijk slechts een oerpotentie van alle kosmische energie in evenwicht is. Pas als die energie in de secundaire ether (de ether van de samentrekking), in werveling komt, uit evenwicht raakt of zijn symmetrie verliest zoals de nobelprijswinnaars van 1957 Chen Ning Yang, Tsung-Dao Lee het stelden, ontstaan er energiedeeltjes die eerstens nog 'onzeker' zijn: gravitonen, zwaartekrachtdeeltjes of etherdeeltjes die niets anders dan kleine, polaire, maar nog chaotische wervelingen van de oerenergie zijn van de tijd zelf (formeel met een spin van twee en niet van nul). Het Ether Physics Model stelt het zo: 'The Aether has a dipole of two spheres, which arise as the oscillation of forward and backward time.' Die gravitonenvibratie vormt de bron van de zero-point energie, de vacuümenergie of de radiant energy zoals Tesla het noemde. Of zoals T.H. Moray het stelde: "Radiant Energy is particles of energy, just as light is wavelengths .." Onzeker betekent dan het virtueel wel of niet aanwezig, zichtbaar of meetbaar zijn dat voornamelijk afhankelijk is van de meetmethode of het gebruikte paradigma: dat wat Bearden het 'bubbelen' van het plus en het min van het vacuüm noemt, ofwel het koken of kolken van de vacuümenergie. Die gravitonen vormen eilanden, of wolken in de oerruimte, eilanden van zwaartekrachtvelden of tijdruimtedeuken, een soort van zwaartekrachtmist (de Grieken noemden het aether of damp). Die eilanden sluiten allemaal op elkaar aan, zo stelde reeds René Descartes het die als een van de eersten het zelforganiserend vermogen van het universum omschreef in deel vijf van zijn methode en in zijn niet gepubliceerde werk Le Monde. Hij beweerde o.a. in dit verband: 'De lege ruimte bestaat niet' (Principia Philosophiae XVI & XVII) alsmede dat al het bestaande een transformatie van de ether is.

Het echtpaar Correa stelt in hun aetheriometrics als definitie: "Gravitons are transient, nonelectromagnetic massfree energy particles whose impulse (gravitational momentum) is anchored to the mass-energy of particles of Matter, but which are emitted from the local Aether medium (formed by the constant and ordered flux of dark massfree energy and cosmological lepton lattices). Both gravitons and antigravitons may also be formed and seated in the composite lattices composing the local Aether medium. Gravitons anchored to mass-energy particles are described mathematically and physically as being in a relationship of secondary superimposition with that mass-energy." Waar bij Einstein sprake is van een massa/energie verhouding, is in de theorie rondom het graviton sprake van wervelingen van de donkere oerenergie van de tijd, van een moment/energie verhouding dus. Evolutionair ontstaan vanuit de eilanden van de gravitonenwolken daarna dan de elektromagnetische velden in wat Einstein de kromme ruimte noemde rondom de uit de gravitonendamp 'condenserende' hemellichamen. Op lokaal niveau manifesteren de gravitonen zich in dat condensatieproces daarbij evolutionair in een verder opgesplitste vorm: die vormen dan de elektromagnetisch actieve materiedeeltjes in relatie tot de derde ether, of de lokale ether van de kromme ruimte. Na de eerste expansie van de tijdruimte-energie kwam er dus ten tweede de tijdruimtevervoming in de vorm van de gravitonenvelden waarin er met het polariseren van de gravitonen in een veld van aantrekking er in het laatste stadium van de evolutie het ontstaan van elektronen en protonen met een tegengestelde lading is (de 'rechtsom' en 'linksom' draaiende tijdenergie in een spoel). Die twee basisdeeltjes bereiken dan een stabiele staat samen met het neutrale van de alomtegenwoordige tijdruimte bereiken. En dat neutrale laat zich dan herkennen in de vorm van het neutrondeeltje. De uitvinder Joseph Newman spreekt in zijn video 'Cut the cost of oil' van 'gyroscopische elektromagnetische deeltjes' die met een dwars op een spoel bewegende magneet in een bepaalde richting meer stroom uit die spoel opleveren dan er nodig is om de magneet te draaien, omdat ze dan vanuit de buitenruimte aangetrokken door de draaiende magneet polariseren. Het is een energieproductie die met een draaiende magneet twee kanten oploopt en zo overunity te zien geeft. In één richting zien we slechts een transformatie van de kinetische energie in elektrische energie als we de terugloop van wat de uitvinder Gray 'negatieve energie' noemde als storing via de aarde laen wegvloeien. In het Aether Physics model spreekt men over het graviton als een 'aether-unit' met een intern tegengestelde tijdrichting dat bestaat uit een positief proton en een negatief elektronaspect dat zich kwantummechanisch spiegelt met een antiproton en een positron. In die etherunit van het rondraaiende magnetisch veld dat de ruimte vormt, is er dan sprake van drie polariteiten die ieder een fundamentele natuurkracht voor zijn rekening neemt: de elektromagnetische, de elektrostatische en de gravitationele kracht (afbeelding rechts). Waar het Ether Physics model spreekt van een reverse time (zie afbeelding rechts), moeten we echter een kanttekening plaatsen: de tijd gaat natuurlijk niet terugwaarts, ze verandert alleen van richting. In hoofdstuk twee zeiden we al dat er lineaire en cyclische tijd is. De cyclische tijd is het resultaat van het veranderen van richting van de lineaire tijd van een naar buiten uitdijende, 'forward' richting van de energie van het universum naar een naar binnen gerichte 'reversed' richting waarmee de materie uiteindelijk in zichzelf stort in een zwart gat. Omdat de uitdijing overweegt ontstaat er echter een evenwicht in de vorm van de tot inertie bewogen energie van de nog steeds wel dynamische materie die tussen de uitdijing en aantrekking zijn bestaan vindt: de cyclische tijd. Dus uiteindelijk kennen we de orde van de tijd in drieën: de twee vormen van lineaire tijd en de cyclische tijd. De drie stroken met de drie vormen van ruimte en dus ook met de drie vormen van de ruimte-energie waar we met de ethertechnologie mee bezig zijn en die we in hoofdstuk twee eveneens hebben uitgeduid. Nulpuntsenergie staat zo voor de 'forward' time, vacuüm-energie staat voor de 'reverse' time en de radiant energy staat voor het fenomeen van de cyclische tijd. De uitdijing strookt met de kosmische nulpuntsenergetische tijdruimte, de aantrekking met de universele vacuümruimte van een sterrenstelsel en de cyclische tijd is de tijd beschreven door de lokale gekromde ruimte van om elkaar heendraaiende, elektromagnetische, radiant-actieve hemellichamen. De cyclische tijd is de tijd van de materie dus en zo zijn we dan, wetenschappelijk bezien, materieel gebonden aan de tijd beschreven door de zon, de maan en de sterrenhemel. Dat samenstel van natuurlijke ritmen vormt dus de 'meesterklok' die door alle mensenklokken slaafs gevolgd dient te worden zoals men in de achtiende eeuw in Frankrijk ook sprak van meester- en slaafklokken op een lokaal ofwel plaatsafhankelijk niveau van tijdmeten. Volgt de klok niet slaafs de natuur, dan zijn de mensen zelf de slavenvan het cultuurneurotische, standaardtijd-politieke ego tot ze hun lesje geleerd hebben. Je kan immers pas vrij met de orde van de tijd zijn als je die orde eenduidig voor je ziet, anders kan je niet kiezen overeen te stemmen of niet. Niet het ontkennen of weerstreven met tijdzones en gemiddelden van de natuurlijke orde is de vrijheid, maar het individeel naar omstandigheid improviseren erop. In een systeem van ontkenning is er slechts de onbewuste dwangmatigheid van in orde willen zijn met een systeem dat feitelijk zelf niet overeenstemt; dat voelt nooit lekker, en dat geeft psychische problemen. De ether-eenheid evolueert met de cyclische tijd opgesplitst in moleculaire, elektromagnetisch samenklevende dipolen van kernen en elektromenwolken die allen spin ofwel draaiing hebben. Zo hebben de ethermachines dan iets weg van klokken: ze moeten allen de verhoudingen van de ruimte-energie timen om zo de drift, de dynamiek ervan te vangen en om te zetten. Aangezien we de evolutionair in de natuur opgesplitste gravitonen kunnen aanduiden met de term elektromagnetische materie kan men in principe zo bezien dus met een machine uit de vrij vanuit het vacuüm beschikbare gravitonen als de grondstof in combinatie met de lineaire energie van het neutron alle vormen van energie en materie scheppen. De replicator van Startrek werkt op vacuümenergie. In de koude fusie experimenten zien we al een soort van alchemie, of transmutatie van elementen, ontstaan met het onverwacht in het vat ontstaan van atomaire deeltjes die er voorheen niet waren.
    Samenvattend is er een hiërarchie van deeltjes: a - het tijddeeltje van pure energie, b - het graviton dat een dubbelspin 'onzeker' energie deeltje is van een dubbele, voorwaartse en omgekeerde tijd, en ten slotte c - dan de zich manifesterende drievoudigheid van die energie in de wervelingen van de normale deeltjes die atomen vormen, atomen die dan niet meer virtueel zijn maar zichtbaar, atomen die gemanifesteerd een bepaalde verhouding zijn aangegaan die we kunnen terugvinden in het
periodiek systeem der elementen. En zo komt de energiekwestie dan neer op een zekere ordening van de tijd zoals een Pythagoras-boom groeit: als een zich steeds verder opsplitsende fractal, of als de graancirckel naar links en rechts bovenaan de pagina.
    Laten we deze fundamentele gedachtengang voor het nieuwe paradigma nog een keer doorlopen: in het begin van de schepping is er eerst het niets, 'het slapen van God' zeg maar, dan is er 'wakker' de lineaire tijd van de uitdijende tijdruimte: de donkere energie, de pure tijdenergie die enkel maar lineair de uitbreiding is. Dan ontstaat uit die lineaire tijd, door een verstoord evenwicht, door een
gebroken symmetrie, een tegenkracht, de cyclische tijd, als een opsplitsing t.o.v. die oerether. Zo ontstaat dan vanuit de tijdruimte de driedimensionale ruimte die vol is met gravitonen of wervelingen van de cyclische tijd, pure tijdwervelingen dus van de oerether. Deze laatste fase van lichtmanifestatie is wat in de tijdlijn wordt weergegeven van het kosmisch bestel zoals de huidige wetenschap die zich die voorstelt. Daarin is er manifestatie vanaf het begin en is de donkere energie er pas later. Maar in een hiërarchische visie zoals hier gepresenteerd gaan er fasen aan vooraf en gaat de donkere energie vooraf aan de manifestatie. Deze gaat van E=T.e2 naar E=T.d2: de tijd die expandeert (e2) wordt eerst driedimensionaal (d2). Dan pas materialiseert vervolgens de materie zich als een verdere opsplitsing van de gravitonen in de universele (secundaire) ruimte: ze vormen dan de lokale ethersferen van de gekromde (tertiaire) ruimte.

De tijdlijn van het kosmisch bestel vanaf de Big Bang volgens het oude model

Dit is in overeenstemming met de natuurkundige bewering "it appears possible to regard curved spacetime as consisting of a condensate of gravitons" die we vonden in de wikipedia onder het lemma quantum gravity. De initiële uitdijing strookt met de inflatietheorie van Gurth uit 1981. Van E=T.d2 zijn we met de manifestatie van de materie dan aangeland bij E=M.C2: de tijdenergie E is de materie M die gebonden is aan de lichtsnelheid (C2) die dan lokaal bepaald is, die dan afhankelijk is van de afstand tot de singulariteit waar ze naar terug wil keren om haar oorspronkelijke energetische evenwicht te vinden. Zoals we al eerder zagen is de constante lichtsnelheid in het nieuwe paradigma een relatieve constante en niet een absolute constante. Het is namelijk de factor tijd die de constante van verandering vormt in de drie basisvergelijkingen om de verschillende energievelden van de relatieve ether te omschrijven. De drie vormen van ether, die van de expansie (e2), die van de dimensionaliteit (d2) en die van de lichtsnelheid in relatie tot de manifeste materie (C2) , zijn er dan als de respectievelijk neutrale, positieve en negatieve deeltjes waaruit onze normale materie is opgebouwd. De uitbreiding blijft dus constant bestaan en zo groeit dan alle materie en ruimte constant, ook al blijft de verhouding hetzelfde. De afstand tussen de aarde en de maan die ieder jaar met enkele centimeters toeneemt zou als maat voor die groei kunnen dienen. Er worden steeds neutronen gevormd uit de toename van de oerether die zich met de vrije gravitonen van de ruimte tot materie vormen. Die nieuwe materie vormt atomair een kloon van alle bestaande vormen van materie die dan relatief dezelfde vorm houdt. Op de planeten kan men de tekenen ervan zien in de vorm van scheuren in het oppervlak. Ook op de maan kan men dergelijke striae of scheuren zien. Deze visie biedt eveneens een alternatieve verklaring voor de drift der continenten op aarde die zich makkelijk tot een sluitende bol laten samenvoegen zoals de striptekenaar Neal Adams dat op zijn website toont. De theorie stamt van de australische geoloog Samuel Warren Carey (1911-2002) die in vergetelheid is geraakt met de nu heersende theorie van de continentale subductie, het uitrekken en over elkaar heenschuiven van de continentale platen onder invloed van convectiestromen in de aarde. Die theorie kon de toename van het water niet verklaren. Maar, als het hele universum zich steeds verder uitbreidt meer dan hij samentrekt, hetgeen een bewezen en aanvaarde zaak is binnen de heersende natuurkunde, waarom zou dan niet een planeet uitdijen? Het is gewoon logisch. Met de uitdijing van alle materie voor ogen zien we de meren en rivieren uitgroeien tot oceanen en de landmassa's uiteendrijven als een te krappe korst rondom een japans nootje. In magnetisch opzicht vormt de hele schepping met die constante uitbreiding zo een gigantische monopool die de basis vormt voor de winning van de vacuüm- of etherenergie. Er is steeds vrije energie omdat er steeds de beweging van de uitdijende manifestatie is die wil terugkeren naar zijn oerbron, naar zijn singulariteit. Het is met de interactie van de drie basisvormen van de ether in de vorm van de elementaire deeltjes een dynamisch krachtenspel van uitdijing en samentrekking, een soort van constante integriteitsspanning van alle materie in de lokale ether die op weg naar haar oorsprong dan onder invloed van die constante druk in een cyclische beweging verkeert in de vrije ruimte. Die lokale ether vormt daarbij een soort van vierde, holistisch materiedeeltje dat de integriteit van de verhoudingen van de uit protonen, neutronen en elektronen opgebouwde materie en de ruimte behoudt: dat deeltje dopen we dan hierbij met de benaming van het integron. Voorafgaand aan de manifestatie bestaat de ruimte uit gravitonen en universele etherdeeltjes, de virtuele plus- en mindeeltjes die Tom Bearden de fotonen en antifotonen noemt. De gravitonen splitsen zich bij de manifestatie van de materie in protonen en elektronen en het universele etherdeeltje, de tegenhanger van het graviton, splitst zich dan in een lokaal etherdeeltje of een naar integriteit strevend integron en een neutron dat de lokale representatie van de uitdijende oerether vormt. Zo vormen de vier elementaire deeltjes samen met de relatieve, dynamische ether dan een parallel voor de vier basiskrachten die de natuurkunde kent: de zwaartekracht (het graviton), de elektromagnetische kracht (de elektronen en protonen), de sterke kernkracht die alles bij elkaar houdt (het integron) en de zwakke kernkracht (het neutron dat steeds tot verstrooiing en verval leidt op den duur). In één adem gezegd: eerst is er de tijd, dan de werveling ervan en dan de opsplitsing ervan in de drie basisdeeltjes van de materie plus een holistisch integriteits-effect dat ook wel als het lokale etherdeeltje of integron te beschrijven is. De etherdeeltjes zijn steeds deel en geheel, zijn 'part and parcel', of holondeeltjes - naar het holon zoals het hongaarse multitalent Arhur Koestler (1905-1983) en meer recent de holist Ken Wilber het als een filosofisch begrip verdedigden. Het in onze theorie drievoudige holondeeltje van de ether (drievoudig op de drie niveau's van manifestatie van de ether) staat model voor de individualiteit van alle organismen, of voor de integriteit van de materieel manifeste personen die we zelf zijn. Waar Wilber spreekt van vier kwadranten in dit opzicht die staan voor de dimensies van het individuele versus het collectieve en het interne versus het externe, onderscheiden wij hier de zaak meer in termen van de kwantiteit en kwaliteit (resp. het individueel/sociale tegenover het concreet/abstracte) in de velden van handelen die de integriteit van een persoon in samenhang met de orde van de tijd en de krachten van de ether moeten garanderen. Per slot van rekening gaat het in de beschrijving van de manifeste wereld om het opheffen van de illusie die een verschil tussen de binnen- en de buitenkant vormt. Het gaat om de orde van het leven, om de orde van de tijd die feitelijk de materie vormt. De materie die we in relatie tot de ruimte kennen als een etherisch krachtenspel.
    De evolutie verloopt dus, samenvattend, van de potentiële tijdenergie, via het stadium van de reële, 'dubbele', gravitatie-energie naar het eindpunt van de elektromagnetische uitgesplitste, en holistisch integer gehouden, manifeste energie van de materie. Iedere evolutionaire stap toont een nieuwe vorm van de relatieve ether die in interactie dus de hele manifestatie vormt: de oerether, de universele ether en de lokale ether, of zoals Einstein het zegt: de tijdruimte, de normale driedimensionale ruimte en de kromme ruimte rondom hemellichamen. Als we teveel op de holondeeltjes letten zijn we holisten, maar als we de tegenhanger van die deeltjes met de deeltjes van de normale ether bezien en achting hebben voor de energetische effecten met de tijd in de veden van handelen die dat geeft, zijn we
filognosten, mensen die zich ook spiritueel kunnen verenigen in de liefde voor de kennis. En deze hiërarchische redenering is dan in overeenstemming met de conclusie van de vele klassieke wijzen en geleerden uit het verleden die net als Descartes steeds beweerden dat alle materie een omvorming van de ether is. Zo stelt Vyâsadeva in de Brahmâ Sûtra (Adh2. P3: 1-7) dat de - pradhâna of ongedifferentieerde - ether het eerste effect van de schepping is waarna toen de overige elementen van eerst de lucht (de 'damp'), en toen het vuur, het water en de aarde van de lokale orde verschenen (Bhâgavata Purâna 3.5: 32-36).


Een tektonische breuklijn op de maan die een aanduiding vomt voor de constante groei van planeten en andere hemellichamen.


    Dat wat antimaterie heet en door de moderne natuurkunde wordt gepostuleerd als een noodzakelijke tegenhanger van de materiële ontwikkeling van de tijdenergie als hiervoor beschreven, Wilbers binnenkant zeg maar, moet een overeenkomstige evolutie doorlopen. We kunnen met onze hiërarchische indeling dan niet werkelijk spreken van een anti-universum. Het materiële is tot dezelfde oerbron terug te voeren als de antimaterie. Beiden streven naar eenheid en vormen slechts een primaire dualiteit in het universum, een dualiteit die we reeds in de oudste geschriften van de wereld als een noodzakelijkheid aantreffen. God, als de integriteit van het grote geheel, als een persoon, zou er vanaf het begin van de schepping zijn volgens de antieke opvattingen. Die God kan je dan niet zien en is tijdloos. Het spirituele met God vormt de tijdloze tegenhanger van de materie die echter ook van God komt. De materie vormt het zichtbare lichaam van de God die stelt dat je niet je lichaam bent, de materie is de gigantische gedaante van de virâtha rûpa, zo stelt the Bhâgavata Purâna in
2.1. Die God vormt het zelfbewustzijn als de tegenhanger van de tijdruimte. En dat zelfbewustzijn laat zich pas in tweede instantie kennen als een dualiteit van een ego in relatie tot de eeuwige gelukzaligheid en liefde van God. Het ego, of ik-besef dat niet-geïdentificeerd met de materie ook wel de individuele ziel heet, kent men in derde instantie, d.w.z. nog weer een niveau van manifestatie verder, met de twee elementen van de geest en de intelligentie via het proces van vereenzelviging, een proces dat men soms het vervalsen van het ego noemt. De tegenhanger daarvan wordt gevormd door de dualiteit van man en vrouw, de god en de godin, die in de zaligheid hun liefdesleven hebben. En die liefde moet, voor de ongeziene God gaand, weer terugkeren naar een gemeenschappelijk zelfbewustzijn, een zelfbewustzijn dat geregeerd wordt door de Superziel van de oorspronkelijke persoon of integriteit van het universum. De geest wordt dan in de meditaties de vijand die met de intelligentie onderworpen en naar binnen gericht weer via het ware ik-besef naar het zelfbewustzijn moet worden geleid. En dat zelfbewustzijn is dan weer terug te voeren is op de oereenheid van God, de oorspronkelijke ziel die natuurkundig de singulariteit heet.
    En zo is er dan een even zo complexe, parallelle, geestelijke of spirituele werkelijkheid die meer als een tijdloze verscheidenheid boven of naast de materie staat als de reflectie erop dan dat die werkelijkheid tegen de tijd gekeerd zou zijn. Aldus spreken we van een materiële wereld en een spirituele wereld, een fundamentele dualiteit van leefwerelden waartussen men zich in het leven beweegt. Als we een theorie van alles willen hebben, moeten deze werelden in deze hiërarchisch-structurele visie op de persoon en de materie, in dit nieuwe paradigma voor de wereldorde, worden gecombineerd zodat iedereen er een plaats in heeft, zodat een ieder gerespecteerd kan worden en conflicten daarmee beëindigd kunnen worden. Zo spreekt ook b.v. een celbioloog als
Bruce Lipton van een nieuw paradigma waarin de wetenschap en de spiritualiteit convergeert nadat hij ontdekte dat het celmembraan van een cel in een organisch lichaam informatie overdraagt op de celinhoud, m.a.w. dat wijzelf alsmede onze plaats in het universum onze fysieke materiële orde bepalen, ook op celniveau, en dat de genen ons niet zozeer commanderen maar meer als dienaren voor ons klaar staan. De eiwitschakelaars die ons leven beheersen zo vond hij,worden primair beheerst door prikkels van buiten de cel, door onszelf, door de omgeving, door het universum. De beide werelden hebben elkaar nodig en kunnen niet zonder elkaar bestaan, precies zoals de ruimte niet zonder de materie en de tijd kan bestaan en de oude natuurkunde het ook niet kan stellen zonder de antimaterie. Het geheel van de hiërarchische deeltjestheorie laat zich dan als volgt weergeven:

Het is in feite een dubbele Tetraktys, een dubbele 1-2-4-8 versie van het pythagoreïsche 1-2-3-4 symbool voor de kosmos. In deze driehoek, die in de HDT voor zowel het manifeste als het niet-manifeste staat, toont zich de orde van het geleidelijk in opeenvolging vanuit de monade evolutionair ontstaan van de diade, de triade en de tetrade als de basisverdeling van de schepping. Respectievelijk staan die vier traditioneel voor de singulariteit van het oerbegin van het hebben van o dimensies, de eenheid; de tweevoudigheid van één dimensie, van een lijn, van de polariteit van de wereld; de drievoudigheid van twee dimensies, een plat vak, een vergelijking van polariteiten in het woord; en de viervoudigheid van het hebben van een driedimensionale wereld bestaande uit de vier basiselementen of basiskrachten der natuur. De esoterische Pythagoreërs zworen op dit symbool van de eeuwige vernieuwing zelfs een eed:
Ik zweer bij Hem
die in onze zielen
de heilige Tetraktys heeft geplant,
de bron van de Natuur wier oorzaak Eeuwig is. 

(Ou ma ton hameterai geneai paradonta Tetraktun, Pagan aenaou Phuseôs Rhizôma t' ekhousan). 

Voor het nieuwe energieparadigma dat we modern begrijpen als een theorie van de quantum-zwaartekracht, hebben we het etherbegrip dus absoluut nodig, d.w.z. het etherbegrip van de Einstein van na 1920 dus die de ether als zijnde relatief verdedigde, omdat het begrip van de ether simpelweg in één enkele term de verzameling van de natuurkrachten en velden - of 'tijdruimte-deuken' beschrijft zoals we die hiervoor beschreven hebben bij het bespreken van de natuurlijke oerbronnen van de energie die verder niet tot een andere bron te herleiden zijn. De verzamelterm voor de natuurlijke energiebronnen waar we uit putten met een directe omzetting i.p.v. een indirecte transformatie van de energie die vrij voorhanden is in de natuur, zo stellen we hier dus voor, is de ether, de ether die we samen met Einstein dan definiëren als de ruimte met materiële eigenschappen of als een krachtveld en niet zozeer als een uniforme alomtegenwoordige substantie. Met de nieuwe machines kunnen we zo dan spreken van ethermachines. Deze machines, zoals in het vorige hoofdstuk besproken, betrekken zich op één van deze drie basis-ethervormen, dan wel op een combinatie of interactie van de fundamentele natuurkrachten met dezen - het duidelijk stellen van deze zaak vereist nadere precisering en onderzoek.
    De nieuwe manier van denken moet uiteindelijk de verschillende effecten die door de uitvinders werden gevonden verklaren. Er moet een antwoord gevonden worden op de vraag hoe we, naast wat we zagen in de afdeling onverklaarde fenomenen (UFO's, Graancirckels en Aliens), in één samenhangende visie de bevindingen kunnen verklaren van de besproken experimentele effecten.

i) Het Stubblefield-effect van elektriciteit opgewekt uit het magnetisme van de aarde.

ii) Het Keely-effect van energetische processen en antigravitatie uit het beheersen van geluidsfrequenties.

iii) Het Reich-effect van orgone energie uit kristalconfiguraties met buizen en temperatuurverschillen tussen organische en anorganische stof.

iv) Het radiant Tesla/Moray-effect van de energie van zich elektrisch uit de natuur opladende platen of staven die eventueel bestaan uit verschillende metalen of legeringen.

v) Het Papp-effect van zich met een impuls ontladende edelgassen in een drukkamer.

vii) Het Gary/Finsrud-effect van continue beweging door het tegen elkaar uitspelen van de magnetische kracht en de zwaartekracht.

vii) Het Gray/Johnson/DePalma/Tewari/Bedini/Bearden-effect van een magnetisch overunity-moment met een terugwaartse energiepiek die volgt op onderbroken (elektro-)magnetische velden in motoren werkend op basis van (elektro-) magneten.

viii) Het elektrostatisch Baumann-effect van overunity statische elektriciteit opgewekt via een Whimshurst-achtige opzet gecombineerd met een opslag-eenheid.

ix) Het koude fusie plasmaproces, dan wel het met stalen elektroden elektrolytisch realiseren van een Meyer/Williams/Kanarev-effect van met overunity gewonnen HHO-gas of Browngas uit zuiver water zonder elektrolyten, met inbegrip van de eigenschappen van ontbrandbaar, geladen water of waterdamp.

x) Het Schauberger/Frenette/Griggs vortex-effect van energie gewonnen uit wervelingen van water, lucht of olie.

xi) Het Huchison-effect van antigravitatie met elektromagnetische vibraties en energie uit samengeperste kristallen.

xii) Het Searl/Sweet-effect van energieopwekking en antigravitatie door trillende magneetvelden dan wel roterende, diallel gearrangeerde en elektrisch beheerste magneetvelden.

Overeenkomstig de theorie kan er ten eerste een primair effect zijn als gevolg van de geestesinstelling van de onderzoeker. Het komt nogal eens voor dat de effecten moeilijk te repliceerbaar zijn of instabiel zijn, zelfs in handen van de uitvinder zelf. Er is een constante overtuiging en een goede experimentele discipline voor nodig om alles te kunnen overzien en beheersen in het wetenschappelijk grensgebied dat door dit veld van onderzoek wordt gevormd. De invloed van de factor tijd en regelmaat moet niet worden onderschat omdat deze moeilijk, ook natuurkundg, kan worden losgezien van de elektromagnetische sfeer waar de onderzoeker zelf met zijn lichaam en conditioneringen deel van uitmaakt. De effecten van Johnson, Huchison, Sweet, Keely en ook dePalma naar het schijnt vormen een voorbeeld van problemen hebben in deze categorie. Het effect van de instelling waarmee men onderzoek doet strookt met een bevinding van de kwantumtheorie waarin de invloed van de experimentator niet kon worden uitgesloten. In het z.g. dubbele-spleetexperiment (zie afbeeling rechts, video) gedragen elektronen, fotonen en zelfs sommige moleculen zich als golven met een interferentiepatroon alsof ze deel uitmaken van de ether, als ze door twee spleten worden gestuurd. Maar toen men ging observeren met metingen wat er precies gebeurde, gedroegen zich opeens als deeltjes zonder dat interferentiepatroon. De meting bepaalde dus de uitslag van het experiment, de ether bewees zich niet als men die probeerde te meten. Dit geeft te denken voor het werken met onze ethermachines. Met de nieuwe benadering is dus, zoals Tewari dat ook bespreekt, een zekere geesteshouding in samenhang met een zekere tijdorde en discipline van ruimtelijke en materiële zelfbeheersing onmisbaar. Als er geestelijk, intellectueel ook, geen orde wordt gehouden of een zekere logica of rede wordt gevolgd, zal ook de hiërarchische logica aan de materiële kant zijn ondergraven en de intelligentie op dat punt ook niet goed functioneren. Omdat de onderzoeker, en later ook de gebruiker, deel uitmaakt van de toepassing moet hij zijn methodologie van onderzoek, onderwijs en gebruik aanpassen. Het is een probleem dat ook tot het gedragswetenschapelijk onderzoek van de psychologie behoort. We mogen op dit punt aangeland zeggen dat wij met onze lichamen zelf ethermachines zijn die interacteren met soortgelijke mechanische constructies. Het uitvinden van een zelflopende ethermachine staat min of meer gelijk aan het ontwikkelen van zelfkennis en zelfverwerkelijking in een emancipatieproces. Men ontwikkelt een systematiek met de ether die pas reëel is als men zich ernaar gedraagt, met een mechanische toepassing erbij of niet. We denken hierbij aan de manier waarop het Baumann-effect (vii) in de wereld bestaat. Sommig energiegebruik vereist kennelijk een zekere geestelijke discipline en saamhorigheid met de ether en zo kan het heel goed zo zijn dat we aan onze vier argumenten voor het niet zonder meer doordringen van deze technologie tot het grote publiek ook dit argument moeten toevoegen als een aanhangsel bij met name argument 1: de discipline met de tijd en de ether van onze gemeenschap voldoet misschien niet aan de voorwaarden waaronder we deze technologie kunnen toepassen. Het is misschien geen toeval dat ondergetekende zelf er een alternatief tijdbewustzijn op nahoudt en zo in staat is (tot op zekere hoogte) orde in deze zaak te brengen. Het klinkt niet onlogisch dat het doordringen van deze nieuwe technologie in de wetenschap ook afhankelijk is van de discipline van de wetenschapper zelf. Zolang die discipline niet verbetert zal het resultaat van de arbeid en het lot van de wereld dat ermee samenhangt ook niet verbeteren. De wereld is er pas beter aan toe als we ons beter gedragen ermee. Vanzelf. Het lijkt erop dat het is zoals prof. Kanarev het stelt: als we tijd, ruimte en materie niet als een heilige drie-eenheid van de natuurkunde behandelen, dan vervallen we, ook wetenschappelijk, in de incoherentie en de chaos van geïsoleerde verschijnselen die paradigmatisch niet te overzien zijn en die zo de zaak dan meer doen lijken op een individuele vaardigheid dan op een vorm van techniek of wetenschap die onafhankelijk van personen functioneert. Zonder verenigd te zijn in een goede tijdorde en beheersing van de krachten van de relatieve ether (zoals een yogi dat kan) geeft men het mogelijkerwijze te snel op zich op dit gebied te ontwikkelen, is men makkelijk het slachtoffer van een zekere psychische problematiek die voortkomt uit de spanning tussen de natuurlijke tijdconditioneringen en de cultuurgebonden tijdconditioneringen, en bouwen we niets op en verliezen we zelfs de synergie om samen te leven omdat de energie of aandacht naar 'elders' gaat. En daardoor vervallen we dan in ongeloof en scepticisme en zijn we weer terug bij argument nummer één van de vier hindernissen. Als we aan de spirituele kant van de tijdverschijnselen van de relatieve ether rekening moeten houden met verschillende niveaus en methoden van onszelf beheersen met de krachten van de ether, zijn er dan er aan de materiële kant vanzelf ook verschillende soorten van ethermachines of andere omvormingen van de primaire energie die afhankelijk zijn van en geschikt zijn voor verschillende personen en gemeenschappen. Een heilige kan soms uit zichzelf leviteren - iets waar de Paus een hekel aan heeft overigens - terwijl een gewone burger allicht een speciaal vliegbewijs moet behalen om een antizwaartekrachtvoertuig te mogen en kunnen besturen. Laten we een poging wagen in de richting van de beschrijving van de mogelijke vormen van begrijpen en beheersen en zo de verklarende capaciteit van onze hiërarchische deeltjestheorie (HDT) beproeven.  We recapituleren daarin deels het voorafgaande en zijn dan speculatief en abstract in het trachten te ordenen en verklaren van de effecten van de ethermachines en het toekennen van eigenschappen aan de verschillende krachten en deeltjes der materie die een rol spelen in de processen. Het nu volgende is dus een voorlopige beschrijving, een eerste inschatting of algemene basisschets van de orde der natuur waar we mee te maken hebben. We willen hier niet direct de hele kwantumfysica bespreken met al haar fijne onderverdelingen. Dat is aan de theoretische natuurkunde.

Het begrip ether is, zoals we het in eerste instantie normaal kennen met de radiotransmissie, van toepassing op de verschillende krachtvelden zoals we die om planeten en sterren aantreffen. Dit eerste etherbegrip is afgeleid van wat Einstein de kromme ruimte noemde, de 'deuken' in de tijdruimte, en hiermee spreken we dus van de lokale ether. Volgens de HDT is de kromme ruimte van de lokale ether niets anders dan het restproduct van het materialisatieproces waarin gravitonen polariseren. De lokale ether (het integron) vormt de integriteit van atomen die bestaan uit protonen, elektronen en neutronen. Het integron vormt als het ware de oppervlaktespanning van de materiële wereld. Het neutron is het anti-integriteitsdeeltje dat als tegenhanger van het lokale etherdeeltje of integron de protonen en neutronen gescheiden houdt in de kern van het atoom. Het neutron wil van de cyclische tijd van een lokaal materieel deeltje een lineair tijddeeltje maken. Het neutron zou je ook een anti-integron kunnen noemen. Het neutron is als het ware een klein stukje van de holistisch doorgedrongen lineair expanderende tijdruimte die in India pradhana wordt genoemd. De polariteit van het atoom verhindert dat het neutron en het integron van de lokale ether elkaar opheffen en opgaan in de universele ruimte. De zwaartekracht om een planeet heen is het resultaat van de som van de kracht van het integron - een relatieve maat die afhankelijk is van het univerum, en de paats daarin, waar men zich in bevindt - en die kracht leidt tot een verdichting van de, door de neutronen aangetrokken, gravitonen, de individuele etherdeeltjes die rondom de materie dringen die min of meer ermee onder druk staat. Zwaartekracht is in feite nulpuntsmagnetisme, de unipolariteit van het vacuüm, een universele monopool die bestaat bij de gratie van het feit dat er meer uitbreiding dan inkrimping is in het universum, en elektriciteit is niets anders dan gepolariseerde zwaartekracht. De ethermachine zet zwaartekracht om in elektriciteit door het lineaire integron van de zwaartekracht cyclisch te maken. Men maakt met zo'n machine dus gravitonen van het integron, men geeft a.h.w. gewoon een draai aan die rechtlijnige ruimte-energie. Met het magnetisch polariseren van het graviton zien we dan elektrische verschijnselen en omgekeerd. Dit is de HDT-visie op de relatie tussen zwaartekracht, magnetisme en elektriciteit waar we in het hiervolgende mee zullen werken moeten. Bij de polarisatie van het graviton vinden we in deze optiek ook logisch gesproken steeds een bipolair magnetisch veld, de unipool van de ruimte, die zich als het integron van de zwaartekracht manifesteerde, werd immers gesplitst. Zo krijgen we een idee van het krachtenspel waar we mee bezig zijn in deze research.

    De individuele kracht, de intensiteit van het graviton noemen we even voor het gemak op een schaal van vijf normaal. De indeling bestaat uit oneindig, hyper, super, normaal en nul. De kracht van de universele monopool noemen we hyper en die van de oorspronkelijke tijdruimte oneindig. De kracht van het proton en het elektron noemen we super, de hyperkracht van de universele ruimte en de normale kracht van het etherdeeltje middelen bij polarisatie van het graviton tot twee tegengesteld draaiende superkrachten die door het neutron, dat als deeltje geen effectieve kracht heeft worden gescheiden gehouden. De enige kracht van het neutron bestaat uit zijn vermogen anti-integer of dissipatief te zijn als de lokale representant van de tijdruimte, het heeft in relatie tot de twee andere materiële deeltjes geen lading of intensiteit. Het is een antiholon deeltje dat alleen bestaat in relatie tot het integron dat een tegengestelde tijdrichting of massa heeft en net als zijn tegenhanger geen (cyclische) kracht levert of intensiteit heeft en ook geen spin of lading heeft. Het cyclische noemen we een kracht omdat het cyclische altijd is gekoppeld aan manifestatie, terwijl dat bij de evolutionair oudere tijdruimte en de etherische tegenhanger daarvan van de universele ether niet zonder meer zo is. Er kan dus massa zijn, tijdrichting, zonder manifestatie: donkere energie. Het lineaire vormt geen direct bruikbare kracht, de naar binnen en naar buiten gerichte lineaire ruimte zijn min of meer de vader en de moeder van alle krachten. Kracht en dus ook intensiteit manifesteert zich als een vorm van weerstand tegen die ouders, als een bepaalde relatie van het gemanifesteerde in relatie tot die fundamentele lineaire dualiteit dat zelf altijd cyclisch van aard is, er als het ware een spel mee speelt op het raakvlak der existentie, het membraan van het hier en nu dat we de werkelijkheid noemen. Zo gauw een integron lading krijgt is het geen integron meer maar een graviton met een chaotische lading en spin en een normale intensiteit. Als je neutronen in een cycloton rondjaagt of met een wapen inzet, krijg je daar dan altijd andere 'chaos-deeltjes' voor terug die een mathematische relatie vertonen van de krachten die men heeft ingezet. Men heeft niet echt ooit een apart neutron, maar meer het effect van de vernietiging ermee of ervan. Evenzo kan men het graviton niet als een zelfstandig deeltje aantonen in een deeltjesversneller omdat het met het verlenen van massa en richting via de snelheid gewoon geen graviton meer kan zijn. De machine vernietigt de definitie van zo'n massaloos, chaotisch ruimtedeeltje. We zullen hier verder de beschrijving van de fijne deeltjesfysica van bosonen en fermionen buiten beschouwing laten. Het gaat allereerst om een algemene schets van de logica van de primaire verhoudingen van de natuurkrachten in de vorm van deeltjes, niet om experimenteel gevonden, min of meer zelf geschapen, uitzonderingen op of verfijningen van die logica.
    De druk die de gravitonen uitoefenen in de vorm van het integron is er de reden van dat de ether relatief is en niet homogeen. Het verschil tussen het integron en het graviton bestaat eruit dat het integron een lineare functie heeft terwijl het graviton cyclisch is. Het lineaire integron is de lokale vertegenwoordiger van de cyclische universele ether waarvan het graviton het individuele deeltje is dat ronddraait (spin heeft) en een dubbele polariteit vormt in de vorm van het afwisselend positief en negatief 'bubbelen' of 'koken' van de ruimte als zijnde een ongerichte of 'onzekere' (tijd)energie. Het integron, net als het neutron, is massa zonder manifestatie, zij het dat het neutron een massa heeft die we met één plus een nihiele fractie zwaar noemen, terwijl het integron slechts een nihiel zware fractie vormt die bestaat dankzij de manifestatie. Het nihiele is het verschil dat voortkwam uit de gebroken symmetrie van de singulariteit waar alles uit voortkwam sedert het 'ontwaken van de schepping' (waarom een knal?); het nihile vormt het verschil tussen alles (1) en niets (0). Het nihiele is de overunity van het universum waar we op uit zijn met de ethermachines. Het is nulpuntsenergie die niet direct toegankelijk of bruikbaar is zonder dat er een 'draai' aan gegeven wordt. Maar zeggen dat die energie er niet zou zijn is hetzelfde als zeggen dat de zwaartekracht niet bestaat. De zwaartekracht is de normale manifestatie van de nulpuntsenergie op lokaal niveau. Daarom hoort het zwaartekrachtwiel en de machines van Gary en Finsrud (vi) die de zwaartekracht verbijsteren met de magnetische kracht, ook bij de ethermachines. Het woord zwaartekracht is in feite een foute benaming. Het vormt een paradox taalkundig: de zwaartekracht is een kracht die niet zomaar een effectieve, inzetbare krachtbron vormt en is zo ook weer niet een kracht. Het is een kracht die niet werkelijk een kracht is, maar slechts de ruimtedruk of 'zwaarte'kracht vormt. De kracht van de zwaarte van iets is de manifestatie van de onevenwichtigheid van het universum. Een stuwdam maakt elektriciteit van de waterkracht, niet van de zwaartekracht. De waterkracht komt in feite van de kracht van de zon die het water verdampte dat neergeslagen door afkoeling via een hoger gelegen gebied naar lager stromend weer vrij komt als we die stroom tegenhouden met een dam. In feite meet men als men massa meet niet de kracht van de zwaarte van een voorwerp, maar de naar binnen gerichte, negentropische tijdrichting van een materieel voorwerp die afhankelijk is van de afstand tot de planeet of datgene wat zwaartekracht genereert. Even wat verder in de ruimte en weg is die kracht. Dat wat er dan weer wel is en dan weer niet is, noemen we een illusie, een krachtsillusie in dit geval. Wat werkelijk is is het integron, de oppervlaktespanning van de manifestatie. Het integron vormt een lineair op één punt diallel samentrekkende tijdenergie, en niet zozeer een kracht die in alle gevallen een meetbare zwaarte oplevert. In de ruimte is er geen merkbare oppervlaktespanning die meer is dan de samenhang van de materie en dan is er dus ook geen zwaarte. In de ruimte heerst een evenwicht van ruimtedeeltjes, van gravitonen, die dan ongericht zijn, geen beduidend oppervlak van aantrekking kunnen vinden om in die mate het integron van de overunity te kunnen manifesteren dat er zoiets als zwaarte of richting zou zijn. De ethermachine brengt orde in de chaos van het vrije ruimtedeeltje dat het graviton is. Finsrud brengt bewust een mechanische orde aan in de zwaartekracht door de magneetkracht allereerst chaotisch op te zetten met zijn centrale slinger en vervolgens de ruimtedruk met uitbalancerende slingers lineair daar orde in te laten brengen. Gary schept verwarring door de zwaartekracht terug te leiden naar zijn beginpunt van werking via een neutrale zone in de magneetkracht en de onrust van ompolend diamagnetisch materiaal (vi). Het integron dat bij het proces van energiewinning uit de ruimte betrokken is, is een holon deeltje, een lokale werking van het geheel van de ruimte-energie. Het heeft dus ook geen beduidend gewicht, een spin of een lading, het staat slechts voor een tijdrichting immers: de naar binnen gerichte lineaire tijd die staat tegenover de naar buiten gerichte lineaire tijdrichting van het gelijksoortig neutrondeeltje. Zo bezien kan je concluderen dat de ethermachines op volle toeren draaiend zwaartekracht genereren, een eigen zwaartekrachtveld wel te verstaan, dat wordt veroorzaakt door de omringende gravitonen aan te zuigen en om te zetten in energie. Een zwaartekrachtgenerator kan meer zwaartekracht genereren dan een planeet en zo dan 'anti-zwaartekracht' vormen, een tijdruimteverschil dus dat een enorm kinetisch effect kan hebben bij het richten van de zuigrichting via een magnetische poort. Gravitonen reageren immers op magnetisme. Dit strookt met waarnemingen van dit soort effecten bij vliegende schotels: elektrische velden raken verstoord en G-krachten gelden niet meer. Met het aanzuigen van gravitonen door de ethermachine krijgen ze een lineaire richting die een eigen zwaartekrachtveld vormt, een veld dat men kan richten in relatie tot andere zwaartekrachtvelden en zo wordt sturing van zo'n voertuig dan mogelijk. De ethermachine is dus een zwaartekrachtgenerator die iets doet met de relatie tussen de lineaire en de cyclische tijd, de relatie tussen de 'ouders' en de 'kinderen' van de fundamentele natuurkrachten.
    Een magnetisch veld is het resultaat van een gelijkrichten van deeltjes(groepen) in een magnetiseerbaar (of diamagnetisch) voorwerp zoals de ijzerdeeltjes in de aardkern b.v. Magnetische lijnen vormen stromen van tegen de polarisatie in ronddraaiende gravitonen. Sommigen spreken van elektronen en ionen, maar in essentie is de ruimte het bereik van de gravitonen, de materieel nog onbepaalde ruimte. Op basis van de magneetvelden rondom lichamen, magneten, planeten etc., werkt de ruimte aldus kinetisch en niet statisch. Al het materiële is in beweging bij de genade van de cyclische definitie van de materie. Als de ether geen werk zou verrichten zou het ontwikkelen van de ethermachine geen zin hebben. De ethermachines die al bestaan vormen dan ook simpelweg het experimenteel bewijs dat de ether bestaat. Het bewijs op basis van de wetenschappelijke observaties van de uitdijende ruimte (via het Doppler-effect in de astronomie), de
zwaartekrachtlens rondom zwarte gaten en sterrenstelsels, en de ronddraaiende planeten en manen, vormt het natuurkundig niet-experimenteel of observationeel bewijs van het dynamisch krachtveld van de ruimte dat we hier de relatieve ether noemen. In zijn simpelste vorm is dat bewijs al geleverd met een magneet die zonder verdere kleefstof of steun aan een ijzeren wand als van een koelkast hangt. Het aan elkaar kleven van de materie op basis van magnetische velden is in feite gebaseerd op de singulariteitswet van de HDT die stelt dat alle materie van nature naar zijn singulariteit streeft. Een magneet zal daarom steeds proberen zijn eigen polariteit op te heffen, een ring te vormen of met tegengestelde polen aan elkaar te kleven. Dit staat klassiek dus ook wel bekend als de natuurlijke neiging tot orde, de negentropie, de tegenhanger van de natuurlijke neiging tot chaos die de entropie wordt genoemd. Iedere kracht heeft een tegenkracht die hem probeert op te heffen. Zo staat dan de entropische uitbreiding tegenover de negentropische aantrekking.
    Zo ook heeft elektrische stroom die volgens een bepaalde meetmethode in een bepaalde richting loopt, zowel als een magnetische dipool die, zoals je kan aantonen met ijzervijlsel, een bepaald krachtveld geeft, een natuurlijke reactiekracht te verduren vanuit de ruimte, de ruimte-energie die we in de vorm van deeltjes omschrijven als een veld van gravitonen, een veld dat we ervaren als de zwaartekracht. Gravitonen vormen de ruimtedruk die samen op een hemellichaam inwerkend als een
holon genaamd het integron, lokaal de materie lineair opeendrukken. Het graviton zelf is zoals gezegd chaotisch en cyclisch, maar massaal aangetrokken door een materieel voorwerp of een magneet vormen de gravitonen lijnen of stromen die van plus naar min lopen, die dan het normale evenwicht van het integron enigszins verloren doen gaan en a.h.w. de zwaartekracht ervan hier doen toenemen en daar doen afnemen. Minder zwaartekracht is magnetische afstoting, meer is magnetische aantrekking. Die combinatie maakt dat het voorwerp niet zwaarder of lichter wordt door magnetisering, maar als je met een ethermachine een kunstmatige monopool vormt door gravitonen in energie om te zetten is dat volgens de HDT wel het geval. Verzamelt men nu elektrische lading op basis van magneetrotatie dan gebeurt er iets met de zwaartekracht. Een elektrische lading zal bij een afdoende frequentie van de betreffende dipool het integron van de zwaartekracht uit evenwicht of in werveling brengen en zo veranderen in een gravitonenstroom die wordt weggestuurd naar de elektrisch tegengestelde positie van de aarde of in een lichteffect (bij Searl en Moray is dat aanwezig). De onderdruk van het integron dat ontstaat zal dan zoals gezegd leiden tot een verminderde zwaartekracht en zelfs bij een integronenvacuüm leiden tot tijdruimtevervormingen. Het voorwerp verdwijnt dan naar een andere plaats via de tijdruimte of hyperruimte. Het is b.v. bekend uit experimenten dat een condensator ietwat lichter wordt als hij geladen wordt: dat komt door het z.g. Biefeld-brown-effect. Een lading ioniseert de ruimte om de lading heen en verwerft aldus een kracht van tegengestelde, in de richting van de polariteit werkende, gravitonen. Deze kracht is groter dan de ionenwind, een min of meer door de lucht geleide elektriciteit, kan verklaren die normaal bij de uitleg van het effect wordt aangevoerd zo stelt Andrew Johnson in zijn analyse (zie ook de Eletrokhydrodynamische EDH-aandrijving). Gravitonen zijn cyclische tijddeeltjes. Zo ook komt er als het magneetveld wordt onderbroken door de magneet te verplaatsen of de stroom te onderbreken die magnetiseerde, een reactie tot stand van de kant van de gravitonen die dan polariseren met een elektrische impuls in de tegengestelde richting. De passive gravitonen lijden aan een soort wet van de traagheid omdat hun intensiteit minder is dan die van de geladen expemplaren die steeds meer op elektronen gaan lijken. De gravitonen hebben op basis van de singulariteitswet de onverbiddelijke neiging steeds het evenwicht te herstellen zodat ze een positief veld met een negatief veld weerstreven. Als een positief veld wegvalt, hou je automatisch het negatieve veld over en omgekeerd: de vingerafdruk die als hij oplost energie afgeeft. Deze energie is extra energie omdat ze vloeit op basis van de natuurlijke gravitonendruk die uniform in de vorm van het integron van alle kanten in de ruimte werkt. Deze extra energie is niet zonder meer te meten met apparatuur die een normale elektrische stroom meet. Maar wat je niet meet bestaat nog wel. Andersom door een gloeidraad geeft nog steeds licht. De negatieve stroom is de overunity van een iets te ijverig universum dat, naar verhouding, een minieme hoeveelheid energie toevoegd te compensatie van het weggevallen veld. De ethermachine accumuleert daarom steeds deze energie in een condensator, een accu of een vliegwiel of een andere vorm van oscillatie of rotatie die de mechanische slang in zijn eigen staart doet bijten en zo een versterking van de impuls geeft. Het universum is in dezen niet een trampoline of een veer die teruggeeft wat je erin stopt, immers met de constante uitbreiding van de tijdruimte en de daaraan gekoppelde universele ruimte is er nogmaals gezegd steeds een extra druk. Een etherma