Temporeel
Deterministisch Dualisme
of de terugkeer
van God in de sociale
wetenschappen.
Door
R.P.B.A..
Samenvatting:
Dit artikel beschrijft de fundamenten, de
werkelijkheid, de angsten en de toepassing
van een nieuw dualisme van tijdbeheer in het
postmoderne tijdperk dat gekenmerkt door een
materialisme, dat corrupt of niet corrupt
zijnde, vraagt om de filognostische
aanpak.
Inhoud:
Wat
is het?
Dualisme
Big
Brother
Hoe
Realistisch is deze
Bevrijding?
Toepassing
Vooruitzichten
Het
materialisme en de ideële
oplossing ervoor
De
zes doelen en de zes
middelen
De
ideale integratie en haar
schaduw
De
corruptie doorhebben
Slotconclusie:
de filognostische
aanpak
Wat
is het?
In zijn
sociologische
toer door
cyberspace
maakt prof. K . melding van het
temporeel
determinisme
van sociale wetenschappers die betrokken zijn
bij de factor van de tijd als sociale
determinant. Het idee van temporeel
determinisme is niet nieuw. De vroege
katholieke
St.
A.
vooruitlopend op de modernistische
electromagnetische seriële repressie van
de Newtoniaanse tijd bood
verzet tegen het cyclisch begrip voor de
tijd
als een dreiging van demonische bepaaldheid:
zijn moraal was 'iedere dag is een nieuwe en
zie niet om'. Met C.
J.,
de psychoanalyticus werd het synchroniciteit
genoemd: de werkelijkheid van het zich
menselijk schikken naar het moment in het
hier en nu van het collectieve
(on-)bewustzijn dat mensen zonder dat ze het
beseffen in de handen drijft van een
gemeenschappelijke archetypische drijfveer.
De mensheid zou wel eens bezeten kunnen zijn
van demonen als het niet een hogere drijfveer
van de menselijke natuur is en de bedoeling
van de analytische therapie was om deze
drijfveren in het bewuste omhoog te halen.
Ook S.F.
werkte met de temporele hypothese ervan
uitgaande dat de
conditioneringen in de
jeugd
van serieus belang zouden zijn voor de
geestestoestand van de volwassen psyche met
al zijn verdringingen en compensaties. Deze
vroege therapeutische claim van de
psychoanalyse werd later gerationaliseerd en
geherformuleerd door de behaviorist die al de
contingenties onderzoekt van het
geconditioneerde menselijke gedrag teneinde
er een bewuste greep op te krijgen in de
therapie. Filosofisch vinden we dit
determinisme bij filosofen als
R.
S.,
die het morphogenetische
resonantie
noemde en M.
F.
die sprak van de epistème
of
de geest van de Tijd die de mensheid voort
zou drijven op een tijdfrequentie waarmee men
enkel later in de geschiedenis het een
voorwerp van de rede kon maken door eruit te
stappen als een deus ex machina. Temporeel
determinisme biedt ons het probleem van het
bewustzijn: hoe kunnen we de bewuste controle
hebben over iets dat we aan het doen zijn als
we worden beheerst door de tijd waarin we
leven? We zijn allen gelijkgericht naar het
collectieve, we maken allen deel uit van het
epistème, de tijdgeest, we ervaren
allen morfogenetische resonantie of het
effect van de trauma's van oorlog en een
gebrek aan sexuele beheersing in onze jeugd
('van de sexuele revolutie'). Dit is het
probleem: alleen maar naderhand kunnen we
verklaringen geven voor wat ons is overkomen.
Alleen maar achteraf kunnen we objectief en
onthecht zijn. Alleen maar als het kwaad al
geschied is kunnen we spijt betuigen en
inzien wat onze vergissingen waren. Dit nu is
temporeel determinisme. Dit probleem van het
bepaald zijn, het determinisme, is een oud
thema van de filosofie en de sociale
wetenschappen. Hebben we een vrije wil of
worden we allen voortgedreven door de
krachten der geschiedenis, niet er toe in
staat er greep op te krijgen en ons eigen lot
te bepalen?
Dualisme
Van de
cartesiaanse
methode
leren we het om problemen op een
systematische wijze aan te pakken. Het
probleem van de vrije wil of het temporele
determinisme kan aldus worden geanalyseerd
naar zijn samenstellende delen, een
probleemoplossende orde toegewezen krijgen en
holistisch in werking worden gezet om zoveel
elementen als mogelijk in te sluiten. Van
deze klassieke wetenschappelijk methode van
naderen tot een oorspronkelijk theologische
discussie over de vrijheid van het menselijk
wezen in verhouding tot God, begrijpen we dat
zonder theologisch fundamentalisme,
freudiaanse repressie, jungiaans mysticisme,
behavioristisch reductionisme of filosofisch
pessimisme we kunnen uitkomen op een
holistische conclusie aangaande de
werkelijkheid van deze verstriktheid in de
tijd. Simpelweg de feiten respecterend van de
moderne samenleving zien we dat stap voor
stap het sociale determinisme zijn
monothetische dominantie aan het verliezen
is. Niet langer bestaat er één
enkele richtlijn van de tijd in de moderne
multiculturele samenleving. Voor iedere
religie is er een andere kalender van
feestdagen en dagen van bezinning op de
sacrale
tijd elkaar
wederzijds 'relativerend' ter wille van onze
keuzevrijheid. De politieke standaardtijd met
haar formele claim op de heerschappij is
dezer dagen enkel een publieke notie van de
tijd die niet werkelijk ernstig gewicht in de
schaal zou leggen wat betreft onze private
subculturele levens gegeven het moderne
bewustzijn van emancipatie en zelfrealisatie
(ga maar naar een psycholoog als je van niks
weet). De moderne mens leerde het zijn eigen
schema's op te stellen en zijn eigen kalender
in te richten. De samenleving is een
supermarkt geworden van tijdskeuzen. Modern
management in de commerciële sfeer
leerde het om autoritaire claims op te geven
van controle over werknemers ten gunste van
een liberalisering in de regeling van
persoonlijke werktijden. Stap voor stap
leerde de mensheid respect op te brengen voor
wat de Bijbel ons zei over het uitoefenen van
macht door middel van de controle over de
tijd: voor elkaar de regelingen van de tijd
bepalend zijn we van het beest
(overeenkomstig D.'s
droom
beest nr 4) en moeten we worden verbannen uit
de formele politiek. Geen regering die de
regelingen van de tijd verandert kan
aanblijven. Al wat men kan doen is
individueel of subcultureel leren om te gaan
met de entropische zooi van het tijdbeheer
over de gehele wereld. Dit is de nieuwe
dualiteit: we hebben het
formele systeem dat op een chaos
uitliep,
en we hebben de private subculturele optie
ons in te richten naar onze eigen 'sacrale'
tijden van leven.
Big
Brother
Het sociale
experiment in Nederland in de herfst van 1999
genaamd 'Big Brother' toont het effect van
deze dualiteit: de mediashow van de
omroepvereniging V.
[nu Y]
over een groep mensen afgezonderd van de
informatiecultuur en haar tijdgebonden
bepaaldheden biedt dezelfde dualistische
bevrijding: met het uitbannen van klokken uit
de omgang met elkaar en het ontkennen van
alle (?) standaardtijdbeheer-toegang tot de
associatie realiseert men zich een nieuw
begrip van sociale controle die de eigenlijke
behoefte aan privacy weerstreeft (voor ten
minste drie maanden gegeven een zeker soort
van uithoudingsvermogen). Alles wat men nodig
zou hebben is een sociaal wetenschappelijke
vorm van
informatie-overbelastings-bescherming en
controle met camera's die een 'kijkend oog
van God'-cultuur neerzet (met inbegrip van de
luidsprekerstem van 'God' die uit de hemel
tot je spreekt). En dit is niet een op zich
zelf staand experiment. Webcams zijn een
realiteit van het internet en telefoons geven
ons woorden zonder gezichten uit de 'de
GSM-hemel'. De lokale politiek overweegt het
plaatsen van camera's door de hele stad om
straatgeweld te registreren. Oudere mensen
wordt het nieuwste stil alarm aangeboden naar
het politiebureau om zich op straat veilig te
voelen. Sociale controle digitaliseert
(inmiddels een aanvaard werkwoord in
Nederland). Niet langer worden we gedicteerd
door een autoriteit. Ons worden enkel de
grenzen aangegeven die helderheid zouden
verschaffen over sancties op overschrijdingen
en overtredingen of over wat trouw en
dienstbaarheid is. Niemand zegt ons meer wat
we moeten doen, we zijn simpelweg sociaal
geconditioneerd behavioristisch gesproken.
Zelfs formulieren invullen of belasting
betalen hoeven we dan niet. We worden
digitaal beheerst, iedere overtreding wordt
geregistreerd. Geen misdaad blijft
onopgemerkt. God is terug in de gemeenschap!
Verrezen uit Zijn religieuze en filosofische
dood. Een nieuw begrip van vrijheid is
gerealiseerd binnen de grenzen bepaald door
de subcultuur of zelfs de wet voor zover die
een democratisch overwicht bereikte. Als we
tegen 'Big Brother' ingaan worden we
verbannen uit zijn paradijs van economische
en informationele bescherming. We zijn
'geassimileerd en verzet is zinloos' is de
nachtmerrie.
De werkelijkheid is dat we weer met God zijn
daar de sociale wetenschappers het leerden
begrip te hebben vanuit de geschriften en we
zijn bevrijd van de opleggingen van de tijd
en de eventuele economische verplichtingen
zoals het betalen van belastingen of werken
voor een materieel resultaat. De prijs is
onze privacy en de bevrijding wordt gevonden
in de nieuwe dualiteit voor onze eigen vrije
wil: we kunnen er voor kiezen om mee te doen
en de verloren voordelen terug te winnen van
een aanvaardbare en aangename vorm van
sociale controle of tegen deze controle van
de sociale wetenschapper ingaan en worden
verbannen uit de bekrachtigde associatie,
terug geworpen worden in de ouderwetse poel
van sociale chaos, tekort schieten in de
sociale controle, een toenemende misdaad
hebben, staan voor dictaten van
materiële arbeid en
belastingverplichtingen en sociale zekerheid
met de voortdurende dreiging van economische
instorting.
Hoe
Reëel is deze Bevrijding?
De
postmoderne realisatie van het temporeel
deterministisch dualisme als een verschijnsel
van de sociale wetenschappen dat ons zou
gelijkrichten met eeuwenoude begrippen van
sociale controle die voorheen
religieus werden
gerespecteerd,
schijnt een paradijs van vrijheid te bieden
tegenover een mogelijke nachtmerrie waaruit
geen ontsnappen mogelijk is. De nachtmerrie
is snel ontkracht als zijnde een illusie
gezien het
feit dat het eigenlijke idee van het dualisme
de werkelijkheid van een dictatuur
weerstreeft.
De ware dictatuur zit hem in de misvatting
die suggereert dat er geen alternatief zou
zijn om uit te kiezen. Dezelfde dualiteit
verzekert ons van het geweten van de sociale
wetenschappers. Ze vormen niet een
geïsoleerde controlekamer in de hemel
aan de rechter hand van God. Neen het zijn
enkel maar burgerdienaren zonder een regering
gedicteerd door consumenten die een vinger in
de marktpap hebben over de diensten die ze
bieden. De sociale wetenschapper dient de
mensen met de controle en bescherming waar de
mensen om vragen en op reageren. Zij die
conditioneren zijn zelf geconditioneerd door
vraag en aanbod. Zo is de markt nou eenmaal.
We mogen dan bang zijn voor
sadomasochistische neigingen van
populistische controle in de stijl van de
oude romeinse arena die zou schreeuwen om het
bloed van christenen geworpen voor de
gladiatoren of de leeuwen (in dit geval
B.B.-beheersing m.b.v. camera's), maar het is
wat de mensen willen. Het is nog steeds de
door de consumenten bepaalde democratie. De
wetenschappers hoeven alleen maar die
diensten te weigeren waarvan ze denken dat
die immoreel zijn of schade toebrengen (voor
hun eigen goede naam) daar ze weten hoe ver
mensen kunnen gaan gegeven vals gezag. De
ware vraag is 'wagen we het om in de spiegel
te kijken van onze (sociale) verlangens en
behoeften?', zijn we klaar voor dit opkomende
temporeel deterministische dualisme? De
evolutie zal ongetwijfeld het antwoord geven:
sommigen zijn het, anderen niet en nooit zal
een systeem de hele wereld beheersen. Dat is
het dualisme en de garantie van een
ontsnappingsmogelijkheid. De ene vrijheid
bestaat in contrast met de andere. Het ene
stel regels is zonnig in verhouding tot een
een
ander stel
regels.
Een rusteloos iemand zou simpelweg van de ene
optie naar de andere dwalen om naar gelang
zijn eigen aard de vrijheid te vinden. De
gestalt
therapeut
F.P.
noemde het 'in en uit mijn vuilnisvat';
zelfrealisatie is je eigen zaak die alleen
maar zinnig is als je er in en uit kan
stappen.
Toepassing
Voor het
realisme van de postmoderne dualiteit van een
private realisatie tegenover de
formalistische chaos bestaan er heldere
toepassingen van de theorie. Bij de Orde van
de Tijd is er de suggestie van een
'Cakra'
tempometer
die een alles omvattende benadering vormt
voor alle mogelijke opties van tijdbeheersing
op een zodanige manier dat ieder individu
zijn/haar unieke respect voor de tijd er op
na kan houden, zonder het zonder een
gemeenschappelijke 'astrarium'-basis terwille
van de sociale orde te moeten stellen. Dit
'Cakra' concept is volmaakt dualistisch in de
volledige zin als hiervoor beschreven. Maar
dit begrip is een idealistische apollinische
droom. Het is theoretisch de beste en de
meest integere benadering, maar het biedt,
naast de digitale display van de eigen tijd,
een klok waarmee niemand meer kan zeggen hoe
laat het is: men ziet wel waar de aarde, de
zon en de sterren staan, maar men kan dat
niet langer in woorden uitdrukken, daar is de
display van de tweede tijd voor. Het apparaat
differentieert zo goed naar het moment dat
een jaar lang iedere aanduiding van de tijd
anders uitvalt. Op z'n best zullen mensen er
een andere kalender bij aanhouden om controle
te krijgen op de
(t.v.-standaard)-afhankelijkheid en een
referentieklok instellen naar de regelmaat
van de zon met behulp van een tabel voor
de
vereffening van de
tijd.
Deze simpele oplossing biedt eveneens de
dualiteit en het gewenste bewustzijn maar dan
zonder verdere innovatie. De tempometer
[in vol ornaat] is er alleen maar
voor de wetenschappelijke eer. Voor de gewone
man is een eenvoudig referentietruukje
genoeg. Dit werd ook begrepen door de
zwitserse klokkenmaker
S.
met het bieden van een nieuw soort van
internet-wereldtijd die de dag verdeelt in
1000 beats, die niet echt een verschil vormen
met de reeds bestaande standaardreferentie
van de wereldtijd gevormd door Greenwich
(UTC). Het idee was een alternatieve schaal
te bieden voor het begrip van de wereldtijd
om de dualiteit te bevorderen noodzakelijk
voor de beheersing over onze (informationele)
lotsbeschikkingen. In de discussie
met De Orde van de Tijd
(Voorheen:
De Orde) twijfelden de partijen niet aan het
dualisme of het realisme of aan de
haalbaarheid van de ontwerpen. Het argument
ging erover of het publiek wel zo'n
idealistisch concept in de vorm van een
'Cakra'-tempometer zou willen dan wel een
nieuwe schaal zou willen zien naar de (ook
niet ter discussie gestelde) UTC-tijd van
Greenwich gefixeerd op de locatie van de
klokkenmakers in Zwitserland ('Biel-tijd').
De Orde van de Tijd kon niet een economisch
succes garanderen en dus eindigde de
discussie tekort schietend in de publieke
verantwoording van deze discussie (wat heeft
een ingenieur nu te bespreken met een
psycholoog?). De consument en de economie
maken de dienst uit, zoals we hierboven zagen
en de wetenschapper is enkel maar een dienaar
van het publiek (voor zijn eigen
paradigmatisch regeren).
Vooruitzichten
Vanuit het
idealistisch gezichtspunt kunnen we opgetogen
zijn: we hebben God teruggevonden in de
sociale wetenschappen en er bestaat een
reële kans op eerherstel voor de
verloren gegane begrippen van een gewenste en
gewaardeerde sociale controle. Vanuit het
realistisch standpunt bezien echter bestaan
er vele hindernissen. Als het enkel maar de
sociaal-wetenschapper is die het zich
gelijkrichten met de oorspronkelijke orde
realiseert, is het niet moeilijk om in te
zien dat de zaken uit de hand zullen lopen in
een populistische jacht op de sensatie van
het binnendringen in de privésfeer van
anderen. Biedt het alternatief van sociale
controle met het opgeven van de privacy ons
werkelijk de geborgenheid die we zoeken? Of
zijn het maar de nieuwe kleren van de keizer?
Tot dusverre bevinden we ons midden in deze
temporeel deterministische overgang en is de
uitslag onzeker. Zeker is dat we een
evolutionaire behoefte hebben aan een grotere
differentiatie met een even zo zeer modern
('Biel-tijd') als historisch (denk aan de
zonnewijzer) alternatief voor onze bestaande
tijdplanningen om greep te krijgen op onze
lotsbestemmingen. Maar of de mensheid bereid
zal zijn de werkelijke regels en
voorschriften van het antieke begrip van
sociale controle te aanvaarden is nog maar de
vraag: een nieuwe tijd geeft ook een nieuwe
discipline waarin misschien alleen een
enkeling zich volledig zou kunnen vinden. Een
kluizenaar mag er dan in slagen, maar het
collectief kan even zo goed weer belanden in
weer een andere oorlog over weer een ander
argument...
Op
deze site is er dan de suggestie van de
filognosie: de integratie van de
verschillende visies in het persoonlijke
culturele en multiculturele leven. Dit
perspectief biedt een vooruitzicht waarin
enerzijds het materialisme van de
onevenwichtige mens wordt begrepen terwijl
anderzijds de cultuur van de mens die
ideëel wel zijn evenwicht heeft gevonden
even zo goed wordt herkend, op zijn plaats
gezet en filognostisch tot integratie en
doelbewust handelen kan komen. Zo heeft alles
in dit nieuwe dualisme, met een eigen
tijdbegrip dat tegenover een staatsbegrip van
de tijd staat, zijn identiteit en is er een
zekere winst mogelijk door deze duidelijkheid
in de zin van een bewustere politiek in het
omgaan met elkaar in de menselijke
werkelijkheid. Maar natuurlijk schuilt hier
wel een waardeoordeel in. Met het benoemen
van het probleem van het determinisme als
zijnde een vorm van materialisme in het
tegenstreven van de basisregels van de
menselijkheid en de oplossing van dat bepaald
zijn door de tijd als een daaraan
tegengesteld idealisme, overschrijden we de
grens van wat politiek haalbaar zou zijn. Je
kan immers het ideale niet bij de wet
voorschrijven als een materiële
oplegging. Gij zult een idealist zijn is een
zinloze uitspraak. We komen wettelijk niet
verder dan: 'gij zult solliciteren'.
Niettemin is het goed deze grens toch aan te
duiden. Politieke haalbaarheid is niet het
criterium als we over vooruitzichten praten.
Er hoeft niet meteen iets te zijn dat
controleerbaar of haalbaar is door een
overheid om toch van maatschappelijke
vooruitgang te kunnen spreken. Men kan immers
zichzelf zuiveren zonder wettelijke
consequenties. Is die vooruitgang er, dan kan
die zich later in de politiek eventueel laten
vertegenwoordigen. Zo moet een democratie
werken. Dus geven we hier een uiteenzetting
over de definitie van het materialisme van
een a-postriori, d.w.z. volgend op de
ervaring, van buitenaf deterministisch
werkend maatschappelijk systeem en de
filognostische uitkomst ervoor van een
idealistisch systeem dat meer van binnenuit,
naar de principes en discipline van een a
priori beginsel van goddelijk bepaald
zijn, werkt als het vooruitzicht. Deze twee
posities hebben we nodig om van vrijheid van
keuze die boven een van buiten werkende
onvermijdelijkheid uitgaat te kunnen
spreken.
Het
materialisme en de ideële tegenhanger
ervan
Materialisme
is het in de plaats van het ideële
belang stellen van het materiële belang.
We zijn in de wereld om er gelukkig te zijn,
of beter gezegd, we zijn gelukkig om de hemel
op aarde te doen nederdalen. Dit gelukkig
zijn in de wereld kan dus materieel en
ideëel bepaald zijn. De logica luidt
hier dat we met het goed omgaan met de
materie gelukkig zijn. Dit goede omgaan is
dan een voorwaarde, het geluk in de materie
is dan het doel. Maar hier ontstaat er
verwarring, want zo kan je denken dat de
materie zelf het doel is en dat de visie het
middel is. Deze verwarring noemen we
materialisme, want het materiële
verdrong de visie die we als zijnde een
middel vergeten als we het materiële
doel bereikt hebben. Willen we deze
verwarring niet, dan moeten we zeggen dat men
het geluk met de materie niet kan loskoppelen
van de goede omgang ermee, terwijl de materie
wel zonder ons geluk kan bestaan. Wat er dus
aan toegevoegd wordt is de visie van het
omgaan met de materie. Zo kan je dan stellen
dat de visie van hoe je omgaat met de materie
het doel is van het bestaan in de materie en
niet de materie zelf. De materie is dan het
middel om tot de juiste omgang ermee te komen
die dan het doel is. Omdat er verschillende
eigenschappen aan de materie kleven zoals
tijd, ruimte en samenhang en ook de omgang
ermee dienovereenkomstig verschillende visies
vereist, krijgen we een factorvergelijking
die een diversiteit oplevert aan
mogelijkheden in de omgang met de materie. De
integriteit van deze matrix van mogelijkheden
noemen we de filognosie, de liefde voor de
kennis; deze integriteit is dan het a
priori gegeven einddoel. Zonder deze
integriteit, die er steeds als een
ideële werkelijkheid of werkplan is,
verliezen we het overzicht en de motivatie,
en vervallen we in het oude dualisme van de
politieke vijandigheid van een materiële
belangenstrijd, en komen we zo in
goed-versus-kwaad tegenstellingen terecht die
bestaan uit goed noemen wat ons bekend is en
slecht noemen wat ons onbekend is. Door een
dergelijke onwetendheid willen we niet worden
beheerst, die noemen we achterlijk, en dus
zeggen we filognostisch dat geïntegreerd
zijn het goede is en het niet
geïntegreerd zijn iets slechts is, iets
van het duister, van een gebrek aan liefde
voor de kennis en de erbij behorende praktijk
van respect oefenen is. De noodzaak van de
integriteit van de filognosie leiden we af
uit de principiële doelstelling van de
politiek om 'God en vaderland dienend' tot
een goede samenleving, een verlichte
democratie te komen die recht doet aan allen.
Dat
aangenomen hebbende moeten we dan zien hoe de
matrix in elkaar zit waarmee we doel en
middel duidelijk tegenover elkaar plaatsen en
definiëren en waarmee we kunnen nagaan
wanneer er sprake is van een goede en wanneer
van een slechte integratie. Een goede
integratie noemen we een integratie van
evenwicht en bewustzijn, want
onevenwichtigheid is per definitie een
eigenschap van een slechte of onbewuste
integratie. Evenwicht wat betreft doel en
middel kan je zo dan definiëren als een
geslaagd bewust samennemen en dan ook
praktisch samengaan van een bepaald middel
met een bepaald doel, waarbij de a
priori integriteit van een ideëel
werkplan scheefgroei of wangebruik daarin
moet voorkomen. Als ik wil gaan koken met
schrijfgerei ben ik fout bezig, dat behoeft
geen uitleg. Maar toch is er schrijfgerei
nodig zowel als gekookt voedsel. Schrijfgerei
heeft een ander doel: geschreven tekst.
Gekookt voedsel heeft een ander middel:
potten pannen en ingrediënten. Niets van
dat alles is verkeerd en past in de
integriteit van het grotere werkplan, maar er
is wel een verkeerd samengaan mogelijk. Als
ik een goede combinatie van die twee zaken
heb, zoals een maaltijd en een kookpan, is er
een dualistische middenpositie van bewustzijn
die beiden evenzeer nodig heeft en dus ook
moet waarderen, er is dan sprake van een
evenwicht in de functionele verbinding van
het doel, de maaltijd, met het middel, de
kookpan. Dat midden, die verbinding is het
evenwicht dat we dan goed en gerecht of
terecht noemen, er is geen verlangen of
vastzitten in het ene bij gebrek aan het
andere. Toegepast op de tijd, de ruimte en de
samenhang der materie, als zijnde de
axiomatisch aangenomen fundamentele
basiskenmerken van de werkelijkheid, zijn er
zo drie basismiddelen en drie basisdoelen of
drie basisvisies van het goed omgaan met de
materie. De basiskenmerken zijn de ruimte als
het canvas waarop geschilderd is; de
planeten, sterren en sterrenstelsels en
nevels zijn als de verfklodders die de
composities vormen, en de tijd is dan het
leven, het bewegen, van dat schilderij van
God die dan de enige echte uitvinder, de bron
en de integriteit is van dat perpetuum
mobile. De drie middelen kunnen manifest
of niet manifest zijn, en ook de drie doelen
kunnen manifest of slechts in potentie
aanwezig zijn. Zo krijgen we dan zes
basismiddelen die we de vormen van fortuin of
de volheden noemen, zeg maar de kookpannen,
die we in het evenwicht eenduidig koppelen
met zes basisvisies, zeg maar de maaltijden,
die we de filognostische zienswijzen noemen.
De
zes doelen en de zes middelen
De
middelen der materie die we kennen als de
volheden van het geluk of de vormen van
fortuin, zijn naar aanleiding van het
hierboven gestelde dan:
Qua
Ruimte:
1)
Het manifeste van de ruimte dat aanwezig
is als een materiële betrokkenheid,
als het vermogen alles met alles te
verbinden, is er ook als een concreet
spoor dat in die betrokkenheid als een
indruk is getrokken in de hersenen,
alsmede als een gematerialiseerde cultuur
ermee die aanwezig is in de wereld. Die
manifestatie van de betrokkenheid op de
materie is wat we de wereld van de
kennis zelf noemen die bestaat bij de
gratie van de intelligentie, ofwel het
vermogen alles met alles te verbinden dat
we van de ruimte hebben gekregen, de
ruimte die er is als een concreet basis
middel dat ten grondslag ligt aan alle
andere kennismiddelen om greep op ons
bestaan te hebben.
2)
Het niet manifeste, niet zichtbare, de
niet-geziene werking van de ruimte vormt
de macht ervan, het krachtveld
ervan, want de materiële eigenschap
van de ruimte die zich zo manifesteert
kennen we als het krachtveld van de ether
dat het kennismiddel van de schepping is
dat alle leven bestiert of conditioneert,
ofwel schept, beëindigt en behoudt.
Deze volheid is de duidelijkste
formulering van het idee: kennis is
macht.
Qua
Materie:
3)
Het manifeste van de natuurlijke vorm van
de materiële samentrekking van de
ether is wat we het kennismiddel van de
schoonheid noemen, want de
samengetrokken materie in de vorm van de
in de evolutie door de tijd geschapen of
geconditioneerde natuur kennen we als
mooi, harmonisch, zuiver en
schoon.
4)
De niet-manifeste vorm van samentrekking
noemen we de verzaking, want afzien
van manifestatie met de materie is het
kennismiddel dat inboeten heet.
Qua
Tijd:
5)
De tijd manifest is wat we de roem
noemen, m.n. de roem van het absolute van
de getuigenis ervan die we de persoon of
de ziel of de eer van de mens noemen. Roem
is de menselijke eer der zuivere
getuigenis. Roem is er in samenhang met
een verdienste in de tijd of bekendheid in
de tijd, als een concrete vorm van geluk
of gelukt zijn in de tijd. Roem is het
kennismiddel dat ons het door ons zelf
begeerde voorbeeld verschaft voor ons
handelen.
6)
De tijd in niet-gemanifesteerde zin is wat
we de rijkdom noemen, tijd hebben,
rijk zijn aan tijd, is vrij zijn, en is zo
het kennismiddel van de bevrijding dat
niet alleen de existentiële rijkdom
aan bestaansmogelijkheden of
vrijheidsgraden van het leven biedt maar
ook, naar de stelregel tijd is geld,
in de materiële, en dus niet meer
vrije, rijkdom kan resulteren van een
volledige individuele, op persoonlijk
bezit uitzijnde, of collectieve, niet op
het privé bezit uitzijnde,
zelfverwerkelijking ermee.
Zo
hebben we dan kennis, macht, schoonheid,
verzaking, roem en rijkdom als de zes
basismiddelen die ons het geluk moeten
brengen, dat er alleen kan zijn als we het
evenwicht, als we de juiste koppeling kunnen
vinden met de visie die er nodig is om daar
goed mee om te gaan. Welnu wat betreft de zes
visies moeten we beginnen bij de drie
basisbenaderingen om het geheel van de
werkelijkheid te kunnen omvatten. Op basis
van de axiomatische aanname van de ruimte,
de tijd, en de materiële samentrekking
in de vorm van waarneembare materie als
de drie determinanten van de fysische
werkelijkheid - er bestaat, ook met de
persoonlijke integratie ervan, niets anders
dan dat - moeten we onze visie die we herkend
hebben als het doel waar we naar streven in
overeenstemming daarmee ordenen. Voor de tijd
zeggen we dan dat de persoon de visie
is, want met roem en rijkdom is het geluk dat
we ons voor de geest halen, de integriteit
ermee die we de persoon noemen, en wel de
persoon die met die kenmerken er de held en
het voorbeeld van is. Voor de samentrekking
van materiële vormen zeggen we dat er
dan sprake is van het principe, want
van schoonheid of harmonie en boete of
verzaking, zijn een kwestie van principe in
het streven naar geluk. We streven steeds
naar die principiële visie die van de
schoonheid en de beheersing in verzaking het
geluk is. Die principiële stelling geeft
dan meer een idee van de schoonheid en
heiligheid van de plaats waar we ons bevinden
dan van de persoon in kwestie die er
misschien de roem en rijkdom mee is. Wat
betreft de ruimte spreken we van het feit,
want het feitelijk werken van het geluk
is een kwestie van kennis en controle hebben
als het middel daartoe, een zuiver
geestelijke feitelijkheid die met de
verbondenheid van de ruimte, als de
intelligentie, als het samennemen en
bestieren van het alles verbindende element
van de ether, de krachtbeheersing vormt van
alle kennis en macht met de persoon van roem
en rijkdom op zijn plaats van schoonheid en
heiligheid. Zonder die twee van de kennis en
de macht kan het geestelijk feit niet bestaan
immers, want onwetendheid en onbeheerstheid
staan haaks op het geluk. De corresponderende
visies die we dan in evenwicht met de
middelen vinden zijn die van:
Qua
feit:
1)
De visie op, of omgang met, de kennis die
we als de filosofie of afweging van
de intelligentie aanduiden, ofwel het
methodisch, rationeel en logisch sturen
van de rede;
2)
De visie van de macht die we als een
duurzaam iets een systeem, cultuur of
paradigma noemen en die zo dan algemeen
aangeduid wordt als zijnde een
wetenschap;
Qua
principe:
3)
De visie vanuit de harmonie en het
evenwicht van de dingen doet zich in zijn
bewustzijn van de tegenstellingen kennen
in eindeloze analytische oordelen over wat
er allemaal in harmonie en evenwicht
verkeert. Deze visie noemen we de
analyse.
4)
De visie vanuit de verzaking kennen we als
het boven de materie staan in de
spiritualiteit die met een zeker
abstraherend vermogen afziet van de
materie om tot controle erover,
bewustzijnsvereniging, transcendentie en
verzonkenheid te komen.
Qua
persoon:
5)
De visie van het omgaan met het geluk van
de roem die duurzaam, ofwel werkelijk
gelukkig is, wordt alleen maar gevonden in
de religies die duizenden jaren
standhouden rondom de roem van een persoon
die dan ook de Heer of God genoemd wordt.
Omdat dit ook minder duurzaam lang stand
kan houden met betrekking tot minder
geslaagde, meer wereldse, maar wel
beroemde personen, noemen we deze visie
simpel het persoonlijke, dat
meestal in positieve zin het geluk en de
zegening van de religie wordt
genoemd.
6)
Tenslotte is er dan de rijkdom die voor
het geluk alleen maar goed te waarderen is
als die zonder angst en afgunst, zonder
bezitsdrang werkelijk van delen zijnd, kan
worden gewaardeerd. Wil men met de rijkdom
veilig en gelukkig zijn, dan moet men geen
afgunstige misdeelde concurrenten hebben
en daarom is er dan verdeling van het
kapitaal als de definitie van het geluk
van de rijkdom. Om deze verdeling van het
kapitaal die iedereen de vrijheid moet
geven, verantwoord te doen verlopen is er
zo dus de politiek als de zesde
visie die bestaat uit een commentaar
vanuit het persoonlijke op de principes
van de transcendentie en de analyse en de
feiten van de filosofie en de
wetenschappelijke controle.
Met
het onderscheiden van de zes visies kunnen en
moeten we ook zeggen wat hen dan bindt: ze
sluiten op basis van de logica van het
bovenstaande stuk voor stuk in dat ik (1),
als ideëel uitgangspunt, met de materie
(2), van dienst ben (3), voor de zuiverheid
(4), ofwel: er is steeds sprake van 1) een
met de wisselende vorm en vormen continuerend
zelf of subject, 2) een werklast, ofwel een
tijdelijke vorm van te overwinnen
gebondenheid in vruchtdragend handelen, 3)
een zekere bevrijding in dienstbaarheid aan
de integratie van de visie met zichzelf en in
tweede instantie met andere visies, en
tenslotte 4) een referentiecultuur, die de
geldigheid, de zuiverheid bepaald, een z.g.
synthetische koppeling, ofwel een zekere
traditie die de culturele ankerplaats ervoor
vormt. We hebben de wereld zo ingedeeld. We
gaan simpel gezegd uit van een zekere, boven
de verandering van de vorm voortbestaande,
ziel van karma, van de
mogelijkheid tot verlossing en van een
vorm van heiligheid die de a
priori-basis vormt die teruggaat tot de
realisatie van een of andere manifestatie van
de Fortuinlijke: Hij die alle kennismiddelen
en alle visies in zich verenigt als zijnde de
integratie ervan, als zijnde het baken en de
bron van de kennis en in verschillende
culturen met verschillende gedaanten bekend
staat of, naar noodzaak, nog bekend zal
staan. Hiermee
zijn we zo gekomen tot een duidelijke
definiëring van het goed en het kwaad,
van de verheffing, het middel en het doel, de
heiligheid en de integriteit van onze
ideële dualistische bepaaldheid van
cultureel aanwezig zijn.
De
ideale integratie en haar
schaduw.
De
ideale integratie komt dus voort uit het a
priori juiste ofwel logische, gerechte of
bewuste koppelen van een bepaalde vorm van
geluk of een bepaald kennismiddel aan een
erbij behorende zienswijze zoals we pannen
hebben om te koken en niet voor iets anders,
ook al kan je dan, zot, een fluitketel als
hoofddeksel gebruiken. De schaduw van deze
a priori naar de rede waardenbepaalde
juiste koppeling, noemen we dan het
gemankeerd redelijke of zotte, zeg maar
fluitketel-op-hoofd materialisme ofwel de
verwisseling van het doel en het middel
enerzijds - b.v. het geld als het doel zien
i.p.v. het gekochte product - en een foute
koppeling anderzijds van het verkeerde middel
met het verkeerde doel - b.v. met
schrijfgerei proberen te koken. Er is dus een
dubbele voorwaarde voor een goede
filognostische integratie:
1)
De visie, en met name de integratie van de
verschillende visies, als het doel zien en
niet de volheid van een kennismiddel dat
daartoe moet leiden daarvoor aanzien.
2)
De volheid, een bepaalde vorm van fortuin,
of een kennismiddel, in het juiste
evenwicht of bewustzijn koppelen aan de
juiste visie.
Met
deze twee regels in acht genomen krijg je het
bovengenoemde schema van de matrix van
culturele integriteiten of benaderingen te
zien die in evenwicht gewenst, en niet in
evenwicht zot en gemankeerd een toch nog
tolerabele vorm van een minder stabiel
materialisme vormen, die, zich tezamen
manifesterend als de filognostisch, ideale,
culturele integratie, kenbaar zijn. De
schaduw van deze moraal van integratie houdt
in dat er met de zienswijzen en volheden van
de 36 benaderingen ook sprake kan zijn van
een intolerabel materialisme dat moet worden
bestreden als zijnde illusoir en dat door het
verwisselen van doel en middel moedwillig,
maar niet echt bewust, nagestreefd dan
corrupt, misleidend en strafbaar heet. Zo kan
het geheel een ingewikkeld beeld vormen omdat
niet zomaar iedere minder evenwichtige en dus
materialistische koppeling corrupt kan worden
genoemd en bestreden moet worden, ook al kan
in geval van werkelijke corruptie - met een
materieel nevenmotief gericht op het middel -
dat dan noodzakelijk blijken. De corruptie
noemen we niet zot, maar slecht en
gevaarlijk. Men is zo bezien alles
samengenomen dan a) verlicht, kennisgericht,
evenwichtig heilig of b) onevenwichtig zot
met de visies als het doel, ofwel men is c)
onverlicht, egoïstisch, corrupt en
onheilig dan wel d) slecht bezig met een
schijnbare heilige aanpassing. Dit stabiel of
instabiel corrupt zijn, is dus niet van de
kennis, maar van een begeerte door het met
een materieel middel als doel voor ogen
gebroken hebben met de eerste regel. Zo kan
één en dezelfde zienswijze, van
evenwicht of niet, corrupt en duister zijn
dan wel rechtgeaard en verlicht. Je hebt dus
samengevat (schijnbaar) evenwichtige
corruptie en onevenwichtige corruptie, zowel
als een evenwichtige stabiele verlichting en
een onevenwichtige minder stabiele
verlichting met de zesendertig opvattingen
van visies en kenmiddelen. In gewone taal: je
bent onheilig of gewoon slecht dan wel heilig
of gewoon zot.
Laten
we eerstens uitgaan van de niet corrupte
zienswijzen van zotheid tegenover heiligheid,
dan bezien we daarna de corruptie. We stellen
de corruptie niet voorop, dat is meer het
venijn van de maatschappijkritiek in de
staart. Evenwichtig leveren de kennismiddelen
en de visies ermee een heilig resultaat op,
onevenwichtig of fout gekoppeld leveren ze
een minder stabiele, doch tolerabele visie op
die niet heilig maar materieel gemotiveerd,
egoïstisch, zelfzuchtig of gespleten
onevenwichtig materialisme ofwel gewoon de
zotheid wordt genoemd: een laakbaar -isme.
Materialisme als de moeder der -ismen kan zo
dus, het nog eens repeterend, niet corrupt
zijnde, wel tolerabel zijn, terwijl het
materialisme er ook corrupt zijnde niet
tolerabel is - en met name juist misschien
als het evenwichtig is zoals een schaduw er
is bij iets wat stabiel in de zon staat.
Laten we de matrix gaan invullen om te zien
hoe dat werkt:

We zien in
dit schema de 30 onevenwichtige vormen van
materialisme en de 6 vormen van evenwicht met
het materialisme die allemaal, nogmaals,
verlicht d.w.z. niet corrupt zijn met het
goede doel voor ogen, dan wel onverlicht
corrupt zijn met het verkeerde middel als
doel gesteld. Filognosie noemen we dus de
integratie van de zes vormen van het niet
corrupte evenwicht. Laten we ze nu, uitgaande
van hun goed zijn, benoemen. Alle zesendertig
posities zijn allemaal -ismen omdat ze deel,
een afsplitsing t.o.v. het geheel van de
filognosie vormen maar de evenwichtige zijn
de heilige -ismen van de juiste koppeling.
Goed laten we de zes vormen van evenwichtige
religiositeit of heiligheid bespreken samen
met hun schaduw in de vorm van telkens vijf
vormen van onevenwichtige ego-gemotiveerde
zelfzuchtigheid.
1)
De kennis die zijn evenwicht vindt in de
methodische afweging van de filosofie heet
in cultuur gebracht, de cultuur van de
kennis. Deze cultuur heet ook anders
gezegd de vedische cultuur. Veda betekent
kennis. Vandaar dat de cultuur van dit
evenwicht wordt herkend in het
Hindoeïsme.
Als de kennis fout wordt
gekoppeld aan een paradigma ontstaat er
rationalisme, een vorm van
materialisme waarin men niet goed de voors
en tegens afweegt, maar wel systematisch
doorredeneert om het eigen gelijk te
bewijzen.
Analytisch aangewend
geeft de kennis het dualisme te
zien, waarin er niet goed of enkel maar
wordt afgewogen, maar er wel steeds het
een tegenover het ander wordt
geplaatst.
Als vorm van
verbondenheid of spiritualiteit is enkel
uitgaan van de kennis ook niet op zijn
plaats omdat er dan sprake is van een
vereniging van het bewustzijn die zich
zonder verzaking dan van de halve of hele
wereld van de verschillen afkeert zodat
men vervalt in monisme.
Religieus is enkel
de kennis zonder de juiste afweging een
groot gevaar dat fundamentalisme
heet. Het eigen gelijk wordt doorgedrukt
zonder zich af te vragen of er misschien
wel niet een gezamenlijke zonde is die
vreedzamer is dan het heiliger dan gij
beginsel. Is verwant met het dogmatisme
dat tolerabel is indien men niet uit is op
de materie.
Als men politiek met de
kennis van wet en economie schermt zonder
de zaken goed af te wegen spreken we van
formalisme: kennis van de wet
zonder de juridische relativiteit van
wetsregels en economische evenwichten,
zonder een vorm van proces en respect voor
rechtspersonen, dat autoritair zonder
aanziens des persoons zijn wil doordrukt.
Veel gehoorde klacht over b.v. de
overheidsdienaar die dan veel leed geeft,
maar getolereerd moet worden tot er een
politieke omslag is.
2)
De
macht die zijn evenwicht vindt in de
wetenschap kent als zijn cultuur het
systematisch bestrijden van de illusie,
immers, gebaseerd op illusie heeft men
alleen greep op zijn eigen voorstelling en
niet op de voorgestelde wereld buiten
zich. Macht heeft betrekking op het
controle hebben op de concrete
werkelijkheid van de materiële wereld
van het persoonlijke lichaam en de
materiële wereld daarbuiten. Met de
wetenschap als de visie der
illusievrijheid komen we dan uit op de
religiositeit van het Boeddhisme
als haar volkomen evenwicht, als de
optimaliteit en zuiverheid van haar
systematiek; het was immers de Boeddha die
met achting voor de regels der
menselijkheid systematisch de voorstelling
uitbande terwille van het voorgestelde en
die verzonkenheid de verlichting noemde,
het ware doel van de beheersing van de
persoon in relatie tot zijn omgeving.
Als men controle
wil verkrijgen over de filosofie zal men
snel merken dat dat in strijd is met de
verlichtingsgedachte van het vrij zijn van
illusies: al filosoferend mist men dan het
voorgestelde en blijft men in
relativeringen steken. Dit heet
relativisme; het absolute van het
voorgestelde van de fysieke werkelijkheid
van de tijd, de ruimte en de materie zoals
die voor zich is, wordt niet opgemerkt.
Ziet men veel bij wis- en natuurkundigen,
verdwijnend in een wolk van abstracte
logica die maar niet concreet kan
koppelen. Dure doch tolerabele hobby.
Een andere vorm van
slecht mediteren is het negativisme
waarin men analytisch al indelend de
controle wil krijgen over de dualiteit,
maar daarmee steeds partij kiest voor de
beheerser ten koste van het beheerste.
Deze machtsuiting toont zich dan als een
negatieve relatie met dat wat men wil
beheersen maar zonder evenwicht niet onder
controle krijgt. De controle en de geest
erbij wordt dan negatief, is mislukt, is
afwezig in feite. Ziet men veel bij
gefrustreerde psychotherapeuten. Wel te
verdragen, en is ook niet stabiel
gelukkig, mits men niet naar
materiële middelen grijpt.
Het volgende
probleem van illusie is het
spiritisme, waarin men niet de
materie maar de voorstelling ervan
gebruikt om de controle te krijgen over de
werkelijkheid. Zich in de geest verenigend
zonder die leeg te maken wordt de
voorstelling een werkelijkheid die een
volkomen illusie genoemd kan worden: men
leeft met geesten en spoken die voor
niemand anders te zien zijn. Je zou het
ook negatief materialisme kunnen noemen of
gewoon geestesziekte als de sociale
samenhang ermee of dienstverlening ermee
in spiritistische seances verloren gaat.
De spiritist moet volhouden de macht en
krachten in de geest naar buiten te
brengen. Lukt wel af en toe en mag ook
wel.
Een heel andere
en meer sociale vorm van illusiegebonden
materialisme is de beheersing met
tradities uit te willen leven. Men heeft
niet de controle door een traditie omdat
dat een systeem is, men heeft de controle
omdat men de zaken systematisch ziet zoals
ze zijn. In die zin kan de traditie dus
een blok aan het been vormen en heet ze
als doordrammerij dan
traditionalisme, een benadering die
andere hoofdstukken uit de
godsgeschiedenis verdringt en zo een
repressieve vorm doch toegestane vorm van
materialisme of sociaal super-egoïsme
vormt die monomaan als ze is bij het
onvermijdelijke destabiliseren ervan vroeg
of laat veel schade en leed veroorzaakt
aan andersdenkenden alsmede aan de
wereldvrede en de vooruitgang die het
juist moet hebben van de tolerantie en
openheid. Tradities zonder openheid en
vooruitgang geven geen duurzame of zelfs
helemaal geen vreugde. Het systeem van een
traditie heeft feitelijk geen ziel als ze
niet met de tijd kan komen. Het is een
toegestane grafstemming.
Tenslotte kan de
macht foutief doch tolerabel worden
gekoppeld aan de politiek. Als
machtsuitoefening niet illusievrij niet
wetenschappelijk is, slaat men de plank
mis in relatie tot de burger en heeft men
een cultuurneurose: een ineffectieve vorm
van controle uitoefenen en betrokken zijn
die zonder zelfkennis leidt tot een regime
van machtsuitoefening over andere mensen.
Daarbij is dan iedereen die niet
gehoorzaamt dissident een vijand van de
staatsorde. Illusievrijheid is echter een
kwestie van macht over jezelf en samen met
anderen vechten tegen illusies, niet
omgekeerd met je illusies van macht tegen
anderen vechten waarop je je eigen
illusies projecteert. Machtsstreven is zo
de illusie van het gebrek eraan. Men heeft
het niet maar wil het met een ander. Een
voorbeeld is de communistische stelling
'God is het opium van het volk'
terwijl het geld meer de koesthouder is
dan de religie die alleen maar op het
geweten werkt en opwekt tot bewustzijn.
Een tweede voorbeeld is het antisemitisme
dat de Joden het materialisme in de
schoenen schuift dat toch echt, zo merkte
de machtsbeoefenaar heel snel in heel de
wereld aanwezig is als de vijand van de
opleggingen van de politieke wil tot macht
over anderen. Toch mag de politiek gewoon
macht uitoefenen mits het doel een
politiek doel is, een vorm van
redelijkheid inhoudt. Het anderen willen
beheersen echter wil nooit duurzaam, men
kweekt altijd tegengas. Deze misvatting
van meestens dwaze en niet haalbaar
gebleken machtstoepassing over anderen
i.p.v. over zichzelf heet aldus
despotisme. De machtspolitiek wordt
doorgaans door de trias politica in
goede banen geleid zolang de macht zelf
niet het doel is en men dus nog politiek
van vergaderen is. Vrijwel iedere
politicus heeft er een handje van zijn
idealisme voor te schrijven met het
wegmoffelen van de keuze die dan steeds
politiek terugbevochten moet
worden.
3)
Het ideaal van de schoonheid en harmonie
realiseert men zich ten volle als men het
evenwicht vind in de analytische geest.
Alleen als je daarin het midden houdt, de
middenweg bewandelt, lukt dat. De cultuur
van het evenwicht is derhalve de
heiligheid ervan. Die kennen we uit China
als het Taoïsme met het
daarbij behorende Confucianisme,
voor zover dat meer op het staatsbestuur
gerichte naar buiten treden voor de
menselijke Hemelse Deugden van de
medemenselijkheid, de plicht ervoor, het
decorum erbij en het inzicht ervan, niet
tegen de bezinning en de meditatieve staat
ingaat van de meer op de natuurlijkheid
gestelde terughoudende Taoïsten. Yin
en Yang is het symbool. De psychoanalyse
was pas compleet toen C. G. Jung zich op
het Geheim van de Gouden Bloem bezon, de
continuïteit van de leer en de ziel
ermee boven het eigen lichamelijke bestaan
uit. De harmonie is de Dao, de weg van de
menselijkheid en de bezinning op het
natuurlijk evenwicht der dualiteiten is de
discipline die de schoonheid als het
uiteindelijke ware toont. Zolang de
evenwichtige analyse en de integratie van
de visie erbij het doel is van de
harmonie, is dat goed, maar dat wordt
echter anders als men dat b.v.
propagandistisch omdraait.
Minder fraai in
evenwicht is het slechts de overweging
willen met de harmonie. Dat soort streven
vanuit de harmonie is dan slechts een
opvatting die we estheticisme
noemen. Zo kan je dan b.v. kunstenaars
hebben met veel praatjes, terwijl hun
kunst op zich niks voorstelt. Je hebt er
een kunstkritisch analyticus bij nodig om
het recht te breien. Leuk, maar niet vol
te houden.
De volgende
systematische fout in dit opzicht is als
men er wetenschappelijk tegen aangaat om
de schoonheid in de markt te zetten. Die
cultuur heet de cultuur van het
narcisme en is het materialisme van
de eigenwaan of de valse notie dat men
door toepassing van het schoonheidsideaal
ook werkelijk een evenwichtig leven zou
leiden. Ware schoonheid bloeit in het
respect voor het natuurlijk evenwicht.
De schoonheid inzetten
om je te verenigen geeft de verbijstering
over de menselijkheid en menselijke vorm
die we humanisme noemen. De mens
voorop plaatsen impliceert nog geen
evenwicht en harmonie, noch kent dat de
moraal om de gulden middenweg in de
algehele dualiteit te bewandelen en er
stabiel in te zijn. Het humanisme is
veeleer een vorm van verliefdheid op de
vereniging die mens heet maar niet meer
dan dat zijnde meer een sentiment dan een
weg vormt die men kan bewandelen.
Menselijk verbonden kent men verder geen
gezag of weg anders dan het eigen gezag
leidend naar het eigen samenzijn, hetgeen
uiteindelijk gewoon uiteenvalt door een
gebrek aan discipline. Men mediteert niet
en ziet zo niet, of kan niet vast houden
aan, het evenwicht in de dualiteit dat de
schoonheid vereist.
Schoonheid aangewend in
de religiositeit geeft een andere
verliefdheid van de persoon die we
holisme noemen. Bovenin het artikel
vermeld als een positieve term moet gezegd
dat het helaas echter een zotte of gewoon
valse koppeling is terwille van de
eenheid. De juiste koppeling van de
veelheid is er als er sprake is van
respect voor de succesvolle actie, de
culturele weerklank van de persoon in
zijn hele godsgeschiedenis, voor de
roem dus ermee; maar doet het holisme dat,
dan is het geen holisme meer, maar noemen
we het Soefisme. Als het holisme als
zijnde een weg of een vorm van
karma-yoga (een vereniging in het
afzien van de vruchten) haar
zotheid wil overwinnen is het Soefisme
haar concrete doel want alleen daarin
vinden we het geheel van de roem van de
godspersoon terug. De religie is er dus
niet voor de schoonheid en de schoonheid
dus niet voor de religie, ookal gaan ze
goed samen. Schoonheid, een mooi plaatje
waar iedereen inpast, religieus beleefd
geeft een besef van eenheid dat net als
met het humanisme niet stabiel is; het is
een verbijstering over de uiterlijkheid
van de leer ditmaal, die niet in evenwicht
met de verscheidenheid die de religie ook
uitdraagt teveel in de
alles-is-één gedachte blijft
hangen. Men verwaarloost dan met de
voorkeur voor het mystieke geheel dat dan
God is, bij een gebrek aan filognosie de
historische en actuele verschillen met een
oppervlakkig gebaar, of klank, of geur.
Het is prachtig voor even, maar het
beklijft niet, en is zo meer een
hartstocht voor een materieel effect van
respect hebben, het materialisme dus van
een foute aanwending.
Als men de schoonheid
als middel in de politiek aanwend komt men
op nationale trots uit. O wat zijn we mooi
(maar het is een zooi). Dit heet
nationalisme. Leuk voor het voetbal
en een volkslied, het ego is een veld van
handelen waarin de lust wordt beheerst,
maar als singuliere staatsopvatting is dat
gevaarlijk, net zoals met de andere
socialistische, liberale en
confessionele-conservatieve eenzijdigheden
in het politieke veld. Het is een
begrijpelijk iets, maar de politiek is er
niet voor de trots. Het gaat meer om de
eer een ieder ongeacht de natie recht te
doen in de wereld.
4)
De verzaking is de waarde die men koestert
als men zich wil verenigen in het
bewustzijn. Als men los wil laten kan men
samenkomen en samen zijn in de ziel boven
de materie en zo erboven uitstijgen om
daar dan de gelukzaligheid te vinden. In
cultuur gebracht kan verzaking echter voor
veel problemen zorgen. Loslaten moet men
namelijk alle fixaties omdat men zich in
het getuige zijn duurzaam verenigt, niet
in deze of gene voorstelling die tijdelijk
is. Daarom spreekt men van verzaking in
dat verband. De getuige kenmerkt zich
behalve duurzaamheid en gelukzalige
verheffing in vereniging door kennis. Deze
kennis in cultuur gebracht, de kennis van
het uitstijgen boven en opofferen van,
kent de Christen als de gnosis die
de materiële verleiding als het kwaad
ziet en mythisch geassocieerd de
geestelijke onafhankelijkheid en
verlichting zoekt boven de religieuze
tradities en de filosofie uit. Hij zit
niet direct vast aan een ritueel of aan
een politiek, en ook niet direct aan een
systematische twijfel of aan deze of gene
manier van kennen. De gnosis betreft het
kennen van de kenner die de veranderingen
als werkelijk, als de levende God ziet,
niet de fixaties. En
hermetisch-filosofisch is er zelfs liefde
voor de kosmische werkelijkheid. De
cultuur van de gnosis heet het
gnosticisme en vormt de kern van
het Christendom. Het is de kennis van de
vereniging van de ziel met God die boven
het gereformeerde ritueel of de katholieke
traditie en autoriteit uitgaat. Dat is wat
wetenschap en religie samenbindt, vrij van
illusie niet de wereld zozeer zien, maar
de levende ziel en daaraan vasthouden.
Direct aan de gnosis is de yoga gekoppeld
die niets meer dan de systematiek van de
gnosis, van de transcendentale gang is. De
gnosis is de naam van het evenwicht, de
discipline
ervan heet
yoga,
is het filognostisch inzicht. Onze
filognosie is dan ook de yoga die
gnostisch boven zichzelf uitstijgt om meer
dan dat de ziel, de verzonkenheid in alle
visies apart bijeen te binden tot een
geheel en de kosmos wel als goddelijk
ziet. In die zin is de liefde van de
gnosis meer dan de yoga en het gnosticisme
zelf; ze heet dan filognosie en zo het
positieve van de meer syncretische,
structurele en zingende mens die
drievoudig is zonder een conflict tussen
geest en verstand of de seksualiteit en de
dood. De filognostich positieve waarheid
gaat echter verloren met het tot doel
stellen van de verzaking. Steeds is de
bewustzijnsvereniging het doel of anders
is ook de filognosie gevallen.
Fout gaat het met de
verzaking als men die inzet om filosofie
te bedrijven. De afwegingen vooropgesteld
hebbend met de verzaking als kennismiddel
blijft men, met het op de methode van
beschouwen uit zijn, met het
moralisme zitten: de regels zijn dan
werkelijke denk-objecten die af te wegen
zijn, maar wat wil men aan de ziel der
vereniging die de verzaking levert afwegen
die in de praktijk der meditatie ermee het
denken steeds tot rust beweegt?
Een tweede probleem is
het in de wetenschap als verzaker van de
wereld naar voren te treden. Dit soort
bezigheden rekent men onder het
sciëntisme, dat enkel en
alleen maar de wetenschap tot de religie
of de transcendente positie wil verheffen,
terwijl de wetenschap toch duidelijk de
macht in de wereld voorstelt in de omgang
met de materie.
De derde moeilijkheid doet
zich voor met het analytisch gebruikmaken
van de verzaking als het kennismiddel. Men
pleegt dan een karaktermoord op de analyse
die zo de dualiteit niet meer goed kan
overzien. Dit resulteert in een
levenshouding die helemaal opnieuw het
wiel moet uitvinden omdat ze het,
lustmatige, verwarde, verleden afwijst en
zo als een boom zonder wortels niet zelf
een traditie uit de mouw kan schudden. Met
andere woorden met zo'n reductie kan men
niet tot een vaststaande ethische,
wijsgerige of sociale grondslag komen. Dit
noemt men het nihilisme. Dit ziet
men wel eens bij goeroes die in hun
verzaking gefixeerd op het hier en nu geen
stabiele samenleving kunnen opbouwen omdat
onderwijs zonder geschiedenisboeken geen
geschikte scholing kan vormen en zo geen
samenleving oplevert die geleerd heeft van
het verleden. Geen verleden, geen
toekomst. Wel leuk mediteren, maar dat is
dan dat.
Ten vierde kan men
de verzaking fout koppelen aan de religie.
De religie is er echter voor het in goede
banen leiden van de roem van de persoon,
die hoewel hij van verzaking is, toch echt
niet zonder zichzelf een bevredigend
resultaat oplevert, zodat verzaking als
kennismiddel in de religie resulteert in
een dwangmatig versterven zonder dat de
integratie die erbij hoort wordt gevonden.
Deze wanhoop kan dan leiden tot
zelfvernietiging. Dit soort gevallen van
jaloezie met de heilige roem, in de vorm
van het ontkennen van de godspersoon en
het verdraaien van de heilige schrift,
noemt men sektarisme als het
sociaal functioneert als een denkmodel:
een centrale persoon wil de godheid zijn,
maar blijkt uiteindelijk een psychotische,
destructieve gek te wezen die leidt tot
zelfvernietiging. Je zou kunnen zeggen dat
zelfs de heilige vormen van evenwicht in
de filognosie ieder voor zich weer sekten
vormen als ze jaloers de Fortuinlijke van
de filognostische integratie afwijzen,
terwijl die hen zelf wel accepteert. Wie
zichzelf zo afwijst is van de
zelfvernietiging en vernietigt ook zijn
volgelingen en associatie
uiteindelijk.
De laatste vorm van een
mislukte of mislukkende koppeling van de
verzaking is de uiting ervan in het
politiek bedrijf. Een land kan in
verzaking een culturele eigenwaan
ontwikkelen die stelt dat de rest van de
wereld gek is en zondig en zich zo
isoleren en verkommeren. Dit doet zich
meestal voor als een totalitair en
autoritair systeem dat niet meer
diplomatiek en cultureel relativerend naar
buiten gericht is, naar binnen gericht
blijvend uiteindelijk dan moet instorten.
Zo'n systeem is dan precies zoals de
Boeddha die de verlichting niet kon
bereiken door enkel strenge boete te doen.
Er is voor iedere natie een positieve
wereldmissie nodig die persoonlijke
heiligheid en heldhaftigheid vereist. Deze
verkeerde politiek van nationaal opgelegde
verzaking heet het
isolationisme.
5)
De roem zoals gezegd vindt zijn vervulling
in de religie. Nu vormen religies
makkelijk super-egosystemen i.p.v.
superziel-systemen die nogal wat strijd in
de wereld opleveren door foute
interpretaties en toepassingen van heilige
teksten. Het eigen tekort ziet men dan
psychologisch gedwongen in consonantie met
de heiligheid als de zonde bij de andere
cultuur. Vals superioriteitsgevoel
ontmaskert zo de religie als een vorm van
onwetendheid wat betreft de relatie tussen
God en zijn godsgeschiedenis. Evident zijn
er verschillende religies, evident zijn
die ontstaan in verschillende tijdperken,
evident hebben ze allemaal een aspect, een
punt van belang onder hun hoede, evident
is er dus een godsgeschiedenis waarin
iedere religie slechts een hoofdstuk in
het Werkelijk Grote [en praktisch
Onleesbare] Boek van God vormt.
Derhalve blijft er als het evenwicht van
de roem gecombineerd met de erediensten
van de religies, maar één
kandidaat over: degene die gewoon alle
heilige schriften op zijn altaar legt en
daar zijn best mee doet met zang en preek
en eredienst. Deze mensen staan over het
algemeen bekend als de leden van het
Universeel Soefisme, maar er zijn
ook andere syncretische religieuze
bewegingen die de eenheid van de
wereldreligies beogen met culturele
kruisbestuivingen. Het probleem is dat,
behalve het vaak naïef tijdbegrip dat
dan ook syncretisch in de eredienst wordt
gecompenseerd, het steeds enkel de religie
is, terwijl de cultuur toch uit meerdere
visies bestaat. Zo blijft dan de
filognosie toch nog noodzakelijk.
Uit evenwicht met de
roem is de filosoof te veel gebrand op de
concrete materie ermee. Roem vereist
concrete aansprekende, populaire,
voorbeelden, maar de perfectie van de
metafoor is de religieuze en niet de
filosofische. Als de filosoof niet wil
zingen en niet de eer betoont en
voordraagt, blijft hij een intellectuele
droogzwemmer en boekenwurm die, zich
uitputtend in concrete voorbeelden om maar
de roem naar zich toe te trekken of de
roem als middel te hanteren mislukt in de
eredienst: het wordt een on-eredienst door
de blamage van het filosofisch niet
meer goed afwegen van de argumenten zodat
men dan als zijnde slechts een mening
afgeserveerd wordt. Deze mislukking
van de roem als kennismiddel in de
filosofie heet concretisme, de
mislukking van de abstraherende
relativering die de juiste methode van
afwegen met name in zijn laatste fasen
mist: men komt niet tot ordening en
volledigheid.
De tweede zonde
tegen of zwakheid met de roem is die
systematisch na te streven door het eigen
ik in de plaats te stellen van die van de
groten in de geschiedenis en dat dan als
zijnde de verlichting van de authentieke
geest aan te smeren. Alleen de wetenschap
is echt systematisch dus daar komen we de
grootste voorbeelden tegen. Einstein b.v.
ontkende de ether, een fundamenteel
element van de klassieke filosofie
geassocieerd met de roem van God en Zijn
geschriften, maar Albert moest er later op
terugkomen met zijn excuus dat ie te
radicaal was geweest. Deze jaloerse
houding, nog steeds populair onder
natuurkundigen, heet echter niet
radicalisme, maar personalisme, dat
er simpel op neerkomt dat men zijn
meerdere in de godspersoon of met name de
eredienst voor die Hoogste Persoon niet
kan onderkennen.
Analytisch neemt de roem
ontledend dat de vorm aan van een zeer
innovatief construeren van allerlei
indelingen die echter de integratie missen
om echt die van de tradities naar de kroon
te kunnen steken. Men is dan een
structuralist; deze afwijking van het
structuralisme in het aandacht
trekken treft men vaak aan bij psychologen
en psychiaters die niet echt goed de
analytische conclusie kennen aangaande de
illusievrije subject-object koppeling die
de heiligheid en zijn eredienst eigen
is.
Spiritueel de roem als
kennismiddel voor de vereniging inzettend
wil men iets manifests, de roem, voor iets
niet manifests, de transcendentie van de
bewustzijnsvereniging, aanwenden. Dit uit
zich dan in een sociaal nep-idealisme dat
trots is op zijn materialisme ofwel
filosofisch in feite niet deugt. De
controle over zichzelf ontaardt dan
makkelijk in het controle willen hebben
over anderen, hetgeen mislukt natuurlijk
zodat men dan weer, in een normale
democratie, uit het sociale beeld wegklapt
als was men het weermannetje in het
weerhuisje dat dan weer mechanisch het
individueel materialisme vooropstelt dat
dàn weer zogenaamd, gaa-a-ap, het
ideaal van iedereen zou zijn. Deze
waanvoorstelling die echter heel menselijk
en sympathiek aanvaardbaar en zelfs, als
politiek tegenwicht, noodzakelijk kan
zijn, noemt men het socialisme dat
getrouwd is met het evenmin stabiele
liberalisme van allerlei snit, dat als het
rechtse economische weervrouwtje
fungeert.
Tenslotte is er
nog de laatste zonde t.a.v. de roem
en dat is de politiek ingaan of die van
binnenuit anders aanpakken met je
bekendheid omdat dat zo'n prettige en
ijdele jeuk van macht en
verantwoordelijkheid geeft in het
lijf. Die verantwoordelijkheid is
echter minder prettig op de lange duur.
Politieke bekendheid op zich is geen
pretje, maar een wandelend geweten met een
microfoon en een camera achter je aan die
je nooit met rust laat. Door steeds als
principe het volk naar de mond te praten
vanuit het idee van bekend zijn, ontstaat
er met dit soort lieden een janboel van
jewelste omdat de fysieke, culturele
integriteit van de in feite
opportunistisch opererende aandachttrekker
geen filosofische, sociale of historische
samenhang, geen systematiek, geen
behoorlijke analyse, geen transcendentie
en geen eredienst kent, maar slechts het
eigen eigenwijze naveltje of populaire
trucje als doelstelling en kwaliteit
onderkent. Deze kapitale vergissing van de
naar het hoofd gestegen eigenwaan die de
ware adel naar de kroon steekt met een
vals of zot of niet goed gekoppeld idee
van verlichting en dat verwant is aan het
opportunisme - waar dan ook soms de
doodstraf op staat omdat men voor de
duivel of voor een dubbelspion van
hoogverraad wordt aangezien - heet
populisme; een
carrièrewending - ook mogelijk
onder geboren politici - die heel spannend
is, maar evenzogoed een levensgevaarlijk
en schadelijk -isme kan zijn.
6)
De laatste vorm van fortuin is de meest
begeerde: de rijkdom. Men heeft er
fantasieën bij van vrijheid en
heerschappij, superioriteit en adel, maar,
zo kan menig een edelman verzekeren, is
het in werkelijkheid doorgaans een hoop
koppijn om de eer van de materiële
cultuur en beschaving hoog te houden met
culturele hoogstandjes van
verantwoordelijkheid. Want ja, rijkdom is
een ruim begrip dat meer inhoud dan geld
alleen. Zoals we boven al zagen is de ware
rijkdom tijd hebben voor de
zelfverwerkelijking. Daar moet men dan
doorgaans ook zijn hele salaris voor
inleveren om solidair als vrijwilliger met
een uitkering er wel aan toe te komen een
tijdje voordat men met het materiële
motief weer verstrikt raakt in de minder
verheven rijkdom van geen tijd, maar wel
geld hebben. Welnu de wetenschap en eer om
met de tijd op orde de rijkdom en de
welvaart met alle idealen in het vaandel
te verdedigen, heet de politiek van het
commentaar der heiligheid wat betreft het
geld en de tijd die het
Vaishnavisme wordt genoemd. Alleen
zij kennen de integriteit van de volheden
en de visies in één
cultureel concept: dat van de God van het
Behoud die alle nevenmotieven afwijst en
alle eer toekomt. Hebt u een miljardje
teveel, geef het aan de vaishnava's:
alleen zij zijn integer met de centen, ze
bouwen er alleen tempels en ashrams mee om
de jeugd van de straat te houden met gebed
en studie en de huishouders gemotiveerd
met zuivere dienst door ze met hun
specifieke filognostische basis discipline
bij te brengen. In het klooster zijn het
de monniken met de hoogste standaard van
discipline op het geestelijk vlak die er
te vinden is. Buiten de tempel levend zijn
het, in goede doen, ware en zuivere
vernieuwers die de cultuur vooruithelpen
in opofferingsgezindheid en zijn ze de
vooruitgang in eigen persoon. Probleem
alleen is dat de politiek van het bidden
met alle roem des Heren niet volstaat, ook
de andere heilige -ismen uit de ene
godsgeschiedenis zijn noodzakelijk voor
een volledig godsbeeld. Conclusie: bouw op
de filognosie-vaishnava die niet het
Hindoeïsme, het Boeddhisme, het
Taoisme, het gnosticisme en het Soefisme
afwijst. Alleen die integratie is volkomen
waarin alle anderen volledig zijn onder te
brengen.
Wat betreft het
geld gaat er zoals bekend verschrikkelijk
veel mis zonder dat we, laakbaar als het
is, dat echt bestrijden kunnen omdat het
niet zonder meer corrupt te noemen is. Als
het geld van een professorensalaris een
manier is om een goed vakfilosoof aan een
universiteit te zijn bijvoorbeeld noemen