musicbutton

 

 

POLITIEK

 

 

Hebben we een vrije wil of zijn we allen bepaald door de tijd? Dit probleem van het determinisme is een oud thema in de filosofie en de sociale wetenschappen. Stap voor stap verliest het sociale determinisme zijn eenzijdige dominantie. Er is niet langer een enkele leidraad van de tijd in de moderne multiculturele samenleving. In deze nieuwe dualiteit hebben we het formele systeem dat op chaos uitliep en we hebben de private subculturele optie om onze eigen 'heilige' tijden van leven te regelen. Deze nieuwe vrijheid herformuleert het begrip sociale kontrole, dat zo belangrijk is voor de arena waar sociale en kapitale argumenten tegenover elkaar staan. Dit artikel wijst de weg naar een politieke effectuering van het nieuwe tweevoudige respect en het juiste gebruik van deze vrijheid zonder te vervallen in vals gezag. Politiek mag de gewenste vrijheid bekrachtigen zonder te dicteren hoe en zo doemt er een nieuwe sociale saamhorigheid op.Vindt uw motief voor een meer verlichte tijdpolitiek.

 


 
 

 


Temporeel Deterministisch Dualisme

of de terugkeer van God in de sociale wetenschappen.

Door R.P.B.A..

Samenvatting: Dit artikel beschrijft de fundamenten, de werkelijkheid, de angsten en de toepassing van een nieuw dualisme van tijdbeheer in het postmoderne tijdperk dat gekenmerkt door een materialisme, dat corrupt of niet corrupt zijnde, vraagt om de filognostische aanpak.

 

Inhoud:

Wat is het?

Dualisme

Big Brother

Hoe Realistisch is deze Bevrijding?

Toepassing

Vooruitzichten

Het materialisme en de ideële oplossing ervoor

De zes doelen en de zes middelen

De ideale integratie en haar schaduw

De corruptie doorhebben

Slotconclusie: de filognostische aanpak

 

 

Wat is het?

In zijn sociologische toer door cyberspace maakt prof. K . melding van het temporeel determinisme van sociale wetenschappers die betrokken zijn bij de factor van de tijd als sociale determinant. Het idee van temporeel determinisme is niet nieuw. De vroege katholieke St. A. vooruitlopend op de modernistische electromagnetische seriële repressie van de Newtoniaanse tijd bood verzet tegen het cyclisch begrip voor de tijd als een dreiging van demonische bepaaldheid: zijn moraal was 'iedere dag is een nieuwe en zie niet om'. Met C. J., de psychoanalyticus werd het synchroniciteit genoemd: de werkelijkheid van het zich menselijk schikken naar het moment in het hier en nu van het collectieve (on-)bewustzijn dat mensen zonder dat ze het beseffen in de handen drijft van een gemeenschappelijke archetypische drijfveer. De mensheid zou wel eens bezeten kunnen zijn van demonen als het niet een hogere drijfveer van de menselijke natuur is en de bedoeling van de analytische therapie was om deze drijfveren in het bewuste omhoog te halen. Ook S.F. werkte met de temporele hypothese ervan uitgaande dat de conditioneringen in de jeugd van serieus belang zouden zijn voor de geestestoestand van de volwassen psyche met al zijn verdringingen en compensaties. Deze vroege therapeutische claim van de psychoanalyse werd later gerationaliseerd en geherformuleerd door de behaviorist die al de contingenties onderzoekt van het geconditioneerde menselijke gedrag teneinde er een bewuste greep op te krijgen in de therapie. Filosofisch vinden we dit determinisme bij filosofen als R. S., die het morphogenetische resonantie noemde en M. F. die sprak van de epistème of de geest van de Tijd die de mensheid voort zou drijven op een tijdfrequentie waarmee men enkel later in de geschiedenis het een voorwerp van de rede kon maken door eruit te stappen als een deus ex machina. Temporeel determinisme biedt ons het probleem van het bewustzijn: hoe kunnen we de bewuste controle hebben over iets dat we aan het doen zijn als we worden beheerst door de tijd waarin we leven? We zijn allen gelijkgericht naar het collectieve, we maken allen deel uit van het epistème, de tijdgeest, we ervaren allen morfogenetische resonantie of het effect van de trauma's van oorlog en een gebrek aan sexuele beheersing in onze jeugd ('van de sexuele revolutie'). Dit is het probleem: alleen maar naderhand kunnen we verklaringen geven voor wat ons is overkomen. Alleen maar achteraf kunnen we objectief en onthecht zijn. Alleen maar als het kwaad al geschied is kunnen we spijt betuigen en inzien wat onze vergissingen waren. Dit nu is temporeel determinisme. Dit probleem van het bepaald zijn, het determinisme, is een oud thema van de filosofie en de sociale wetenschappen. Hebben we een vrije wil of worden we allen voortgedreven door de krachten der geschiedenis, niet er toe in staat er greep op te krijgen en ons eigen lot te bepalen?

 

Dualisme

Van de cartesiaanse methode leren we het om problemen op een systematische wijze aan te pakken. Het probleem van de vrije wil of het temporele determinisme kan aldus worden geanalyseerd naar zijn samenstellende delen, een probleemoplossende orde toegewezen krijgen en holistisch in werking worden gezet om zoveel elementen als mogelijk in te sluiten. Van deze klassieke wetenschappelijk methode van naderen tot een oorspronkelijk theologische discussie over de vrijheid van het menselijk wezen in verhouding tot God, begrijpen we dat zonder theologisch fundamentalisme, freudiaanse repressie, jungiaans mysticisme, behavioristisch reductionisme of filosofisch pessimisme we kunnen uitkomen op een holistische conclusie aangaande de werkelijkheid van deze verstriktheid in de tijd. Simpelweg de feiten respecterend van de moderne samenleving zien we dat stap voor stap het sociale determinisme zijn monothetische dominantie aan het verliezen is. Niet langer bestaat er één enkele richtlijn van de tijd in de moderne multiculturele samenleving. Voor iedere religie is er een andere kalender van feestdagen en dagen van bezinning op de sacrale tijd elkaar wederzijds 'relativerend' ter wille van onze keuzevrijheid. De politieke standaardtijd met haar formele claim op de heerschappij is dezer dagen enkel een publieke notie van de tijd die niet werkelijk ernstig gewicht in de schaal zou leggen wat betreft onze private subculturele levens gegeven het moderne bewustzijn van emancipatie en zelfrealisatie (ga maar naar een psycholoog als je van niks weet). De moderne mens leerde het zijn eigen schema's op te stellen en zijn eigen kalender in te richten. De samenleving is een supermarkt geworden van tijdskeuzen. Modern management in de commerciële sfeer leerde het om autoritaire claims op te geven van controle over werknemers ten gunste van een liberalisering in de regeling van persoonlijke werktijden. Stap voor stap leerde de mensheid respect op te brengen voor wat de Bijbel ons zei over het uitoefenen van macht door middel van de controle over de tijd: voor elkaar de regelingen van de tijd bepalend zijn we van het beest (overeenkomstig D.'s droom beest nr 4) en moeten we worden verbannen uit de formele politiek. Geen regering die de regelingen van de tijd verandert kan aanblijven. Al wat men kan doen is individueel of subcultureel leren om te gaan met de entropische zooi van het tijdbeheer over de gehele wereld. Dit is de nieuwe dualiteit: we hebben het formele systeem dat op een chaos uitliep, en we hebben de private subculturele optie ons in te richten naar onze eigen 'sacrale' tijden van leven.

 

Big Brother

Het sociale experiment in Nederland in de herfst van 1999 genaamd 'Big Brother' toont het effect van deze dualiteit: de mediashow van de omroepvereniging V. [nu Y] over een groep mensen afgezonderd van de informatiecultuur en haar tijdgebonden bepaaldheden biedt dezelfde dualistische bevrijding: met het uitbannen van klokken uit de omgang met elkaar en het ontkennen van alle (?) standaardtijdbeheer-toegang tot de associatie realiseert men zich een nieuw begrip van sociale controle die de eigenlijke behoefte aan privacy weerstreeft (voor ten minste drie maanden gegeven een zeker soort van uithoudingsvermogen). Alles wat men nodig zou hebben is een sociaal wetenschappelijke vorm van informatie-overbelastings-bescherming en controle met camera's die een 'kijkend oog van God'-cultuur neerzet (met inbegrip van de luidsprekerstem van 'God' die uit de hemel tot je spreekt). En dit is niet een op zich zelf staand experiment. Webcams zijn een realiteit van het internet en telefoons geven ons woorden zonder gezichten uit de 'de GSM-hemel'. De lokale politiek overweegt het plaatsen van camera's door de hele stad om straatgeweld te registreren. Oudere mensen wordt het nieuwste stil alarm aangeboden naar het politiebureau om zich op straat veilig te voelen. Sociale controle digitaliseert (inmiddels een aanvaard werkwoord in Nederland). Niet langer worden we gedicteerd door een autoriteit. Ons worden enkel de grenzen aangegeven die helderheid zouden verschaffen over sancties op overschrijdingen en overtredingen of over wat trouw en dienstbaarheid is. Niemand zegt ons meer wat we moeten doen, we zijn simpelweg sociaal geconditioneerd behavioristisch gesproken. Zelfs formulieren invullen of belasting betalen hoeven we dan niet. We worden digitaal beheerst, iedere overtreding wordt geregistreerd. Geen misdaad blijft onopgemerkt. God is terug in de gemeenschap! Verrezen uit Zijn religieuze en filosofische dood. Een nieuw begrip van vrijheid is gerealiseerd binnen de grenzen bepaald door de subcultuur of zelfs de wet voor zover die een democratisch overwicht bereikte. Als we tegen 'Big Brother' ingaan worden we verbannen uit zijn paradijs van economische en informationele bescherming. We zijn 'geassimileerd en verzet is zinloos' is de nachtmerrie. De werkelijkheid is dat we weer met God zijn daar de sociale wetenschappers het leerden begrip te hebben vanuit de geschriften en we zijn bevrijd van de opleggingen van de tijd en de eventuele economische verplichtingen zoals het betalen van belastingen of werken voor een materieel resultaat. De prijs is onze privacy en de bevrijding wordt gevonden in de nieuwe dualiteit voor onze eigen vrije wil: we kunnen er voor kiezen om mee te doen en de verloren voordelen terug te winnen van een aanvaardbare en aangename vorm van sociale controle of tegen deze controle van de sociale wetenschapper ingaan en worden verbannen uit de bekrachtigde associatie, terug geworpen worden in de ouderwetse poel van sociale chaos, tekort schieten in de sociale controle, een toenemende misdaad hebben, staan voor dictaten van materiële arbeid en belastingverplichtingen en sociale zekerheid met de voortdurende dreiging van economische instorting.

 

Hoe Reëel is deze Bevrijding?

De postmoderne realisatie van het temporeel deterministisch dualisme als een verschijnsel van de sociale wetenschappen dat ons zou gelijkrichten met eeuwenoude begrippen van sociale controle die voorheen religieus werden gerespecteerd, schijnt een paradijs van vrijheid te bieden tegenover een mogelijke nachtmerrie waaruit geen ontsnappen mogelijk is. De nachtmerrie is snel ontkracht als zijnde een illusie gezien het feit dat het eigenlijke idee van het dualisme de werkelijkheid van een dictatuur weerstreeft. De ware dictatuur zit hem in de misvatting die suggereert dat er geen alternatief zou zijn om uit te kiezen. Dezelfde dualiteit verzekert ons van het geweten van de sociale wetenschappers. Ze vormen niet een geïsoleerde controlekamer in de hemel aan de rechter hand van God. Neen het zijn enkel maar burgerdienaren zonder een regering gedicteerd door consumenten die een vinger in de marktpap hebben over de diensten die ze bieden. De sociale wetenschapper dient de mensen met de controle en bescherming waar de mensen om vragen en op reageren. Zij die conditioneren zijn zelf geconditioneerd door vraag en aanbod. Zo is de markt nou eenmaal. We mogen dan bang zijn voor sadomasochistische neigingen van populistische controle in de stijl van de oude romeinse arena die zou schreeuwen om het bloed van christenen geworpen voor de gladiatoren of de leeuwen (in dit geval B.B.-beheersing m.b.v. camera's), maar het is wat de mensen willen. Het is nog steeds de door de consumenten bepaalde democratie. De wetenschappers hoeven alleen maar die diensten te weigeren waarvan ze denken dat die immoreel zijn of schade toebrengen (voor hun eigen goede naam) daar ze weten hoe ver mensen kunnen gaan gegeven vals gezag. De ware vraag is 'wagen we het om in de spiegel te kijken van onze (sociale) verlangens en behoeften?', zijn we klaar voor dit opkomende temporeel deterministische dualisme? De evolutie zal ongetwijfeld het antwoord geven: sommigen zijn het, anderen niet en nooit zal een systeem de hele wereld beheersen. Dat is het dualisme en de garantie van een ontsnappingsmogelijkheid. De ene vrijheid bestaat in contrast met de andere. Het ene stel regels is zonnig in verhouding tot een een ander stel regels. Een rusteloos iemand zou simpelweg van de ene optie naar de andere dwalen om naar gelang zijn eigen aard de vrijheid te vinden. De gestalt therapeut F.P. noemde het 'in en uit mijn vuilnisvat'; zelfrealisatie is je eigen zaak die alleen maar zinnig is als je er in en uit kan stappen.

 

Toepassing

Voor het realisme van de postmoderne dualiteit van een private realisatie tegenover de formalistische chaos bestaan er heldere toepassingen van de theorie. Bij de Orde van de Tijd is er de suggestie van een 'Cakra' tempometer die een alles omvattende benadering vormt voor alle mogelijke opties van tijdbeheersing op een zodanige manier dat ieder individu zijn/haar unieke respect voor de tijd er op na kan houden, zonder het zonder een gemeenschappelijke 'astrarium'-basis terwille van de sociale orde te moeten stellen. Dit 'Cakra' concept is volmaakt dualistisch in de volledige zin als hiervoor beschreven. Maar dit begrip is een idealistische apollinische droom. Het is theoretisch de beste en de meest integere benadering, maar het biedt, naast de digitale display van de eigen tijd, een klok waarmee niemand meer kan zeggen hoe laat het is: men ziet wel waar de aarde, de zon en de sterren staan, maar men kan dat niet langer in woorden uitdrukken, daar is de display van de tweede tijd voor. Het apparaat differentieert zo goed naar het moment dat een jaar lang iedere aanduiding van de tijd anders uitvalt. Op z'n best zullen mensen er een andere kalender bij aanhouden om controle te krijgen op de (t.v.-standaard)-afhankelijkheid en een referentieklok instellen naar de regelmaat van de zon met behulp van een tabel voor de vereffening van de tijd. Deze simpele oplossing biedt eveneens de dualiteit en het gewenste bewustzijn maar dan zonder verdere innovatie. De tempometer [in vol ornaat] is er alleen maar voor de wetenschappelijke eer. Voor de gewone man is een eenvoudig referentietruukje genoeg. Dit werd ook begrepen door de zwitserse klokkenmaker S. met het bieden van een nieuw soort van internet-wereldtijd die de dag verdeelt in 1000 beats, die niet echt een verschil vormen met de reeds bestaande standaardreferentie van de wereldtijd gevormd door Greenwich (UTC). Het idee was een alternatieve schaal te bieden voor het begrip van de wereldtijd om de dualiteit te bevorderen noodzakelijk voor de beheersing over onze (informationele) lotsbeschikkingen. In de discussie met De Orde van de Tijd (Voorheen: De Orde) twijfelden de partijen niet aan het dualisme of het realisme of aan de haalbaarheid van de ontwerpen. Het argument ging erover of het publiek wel zo'n idealistisch concept in de vorm van een 'Cakra'-tempometer zou willen dan wel een nieuwe schaal zou willen zien naar de (ook niet ter discussie gestelde) UTC-tijd van Greenwich gefixeerd op de locatie van de klokkenmakers in Zwitserland ('Biel-tijd'). De Orde van de Tijd kon niet een economisch succes garanderen en dus eindigde de discussie tekort schietend in de publieke verantwoording van deze discussie (wat heeft een ingenieur nu te bespreken met een psycholoog?). De consument en de economie maken de dienst uit, zoals we hierboven zagen en de wetenschapper is enkel maar een dienaar van het publiek (voor zijn eigen paradigmatisch regeren).

 

Vooruitzichten

Vanuit het idealistisch gezichtspunt kunnen we opgetogen zijn: we hebben God teruggevonden in de sociale wetenschappen en er bestaat een reële kans op eerherstel voor de verloren gegane begrippen van een gewenste en gewaardeerde sociale controle. Vanuit het realistisch standpunt bezien echter bestaan er vele hindernissen. Als het enkel maar de sociaal-wetenschapper is die het zich gelijkrichten met de oorspronkelijke orde realiseert, is het niet moeilijk om in te zien dat de zaken uit de hand zullen lopen in een populistische jacht op de sensatie van het binnendringen in de privésfeer van anderen. Biedt het alternatief van sociale controle met het opgeven van de privacy ons werkelijk de geborgenheid die we zoeken? Of zijn het maar de nieuwe kleren van de keizer? Tot dusverre bevinden we ons midden in deze temporeel deterministische overgang en is de uitslag onzeker. Zeker is dat we een evolutionaire behoefte hebben aan een grotere differentiatie met een even zo zeer modern ('Biel-tijd') als historisch (denk aan de zonnewijzer) alternatief voor onze bestaande tijdplanningen om greep te krijgen op onze lotsbestemmingen. Maar of de mensheid bereid zal zijn de werkelijke regels en voorschriften van het antieke begrip van sociale controle te aanvaarden is nog maar de vraag: een nieuwe tijd geeft ook een nieuwe discipline waarin misschien alleen een enkeling zich volledig zou kunnen vinden. Een kluizenaar mag er dan in slagen, maar het collectief kan even zo goed weer belanden in weer een andere oorlog over weer een ander argument...

Op deze site is er dan de suggestie van de filognosie: de integratie van de verschillende visies in het persoonlijke culturele en multiculturele leven. Dit perspectief biedt een vooruitzicht waarin enerzijds het materialisme van de onevenwichtige mens wordt begrepen terwijl anderzijds de cultuur van de mens die ideëel wel zijn evenwicht heeft gevonden even zo goed wordt herkend, op zijn plaats gezet en filognostisch tot integratie en doelbewust handelen kan komen. Zo heeft alles in dit nieuwe dualisme, met een eigen tijdbegrip dat tegenover een staatsbegrip van de tijd staat, zijn identiteit en is er een zekere winst mogelijk door deze duidelijkheid in de zin van een bewustere politiek in het omgaan met elkaar in de menselijke werkelijkheid. Maar natuurlijk schuilt hier wel een waardeoordeel in. Met het benoemen van het probleem van het determinisme als zijnde een vorm van materialisme in het tegenstreven van de basisregels van de menselijkheid en de oplossing van dat bepaald zijn door de tijd als een daaraan tegengesteld idealisme, overschrijden we de grens van wat politiek haalbaar zou zijn. Je kan immers het ideale niet bij de wet voorschrijven als een materiële oplegging. Gij zult een idealist zijn is een zinloze uitspraak. We komen wettelijk niet verder dan: 'gij zult solliciteren'. Niettemin is het goed deze grens toch aan te duiden. Politieke haalbaarheid is niet het criterium als we over vooruitzichten praten. Er hoeft niet meteen iets te zijn dat controleerbaar of haalbaar is door een overheid om toch van maatschappelijke vooruitgang te kunnen spreken. Men kan immers zichzelf zuiveren zonder wettelijke consequenties. Is die vooruitgang er, dan kan die zich later in de politiek eventueel laten vertegenwoordigen. Zo moet een democratie werken. Dus geven we hier een uiteenzetting over de definitie van het materialisme van een a-postriori, d.w.z. volgend op de ervaring, van buitenaf deterministisch werkend maatschappelijk systeem en de filognostische uitkomst ervoor van een idealistisch systeem dat meer van binnenuit, naar de principes en discipline van een a priori beginsel van goddelijk bepaald zijn, werkt als het vooruitzicht. Deze twee posities hebben we nodig om van vrijheid van keuze die boven een van buiten werkende onvermijdelijkheid uitgaat te kunnen spreken.

 

Het materialisme en de ideële tegenhanger ervan

Materialisme is het in de plaats van het ideële belang stellen van het materiële belang. We zijn in de wereld om er gelukkig te zijn, of beter gezegd, we zijn gelukkig om de hemel op aarde te doen nederdalen. Dit gelukkig zijn in de wereld kan dus materieel en ideëel bepaald zijn. De logica luidt hier dat we met het goed omgaan met de materie gelukkig zijn. Dit goede omgaan is dan een voorwaarde, het geluk in de materie is dan het doel. Maar hier ontstaat er verwarring, want zo kan je denken dat de materie zelf het doel is en dat de visie het middel is. Deze verwarring noemen we materialisme, want het materiële verdrong de visie die we als zijnde een middel vergeten als we het materiële doel bereikt hebben. Willen we deze verwarring niet, dan moeten we zeggen dat men het geluk met de materie niet kan loskoppelen van de goede omgang ermee, terwijl de materie wel zonder ons geluk kan bestaan. Wat er dus aan toegevoegd wordt is de visie van het omgaan met de materie. Zo kan je dan stellen dat de visie van hoe je omgaat met de materie het doel is van het bestaan in de materie en niet de materie zelf. De materie is dan het middel om tot de juiste omgang ermee te komen die dan het doel is. Omdat er verschillende eigenschappen aan de materie kleven zoals tijd, ruimte en samenhang en ook de omgang ermee dienovereenkomstig verschillende visies vereist, krijgen we een factorvergelijking die een diversiteit oplevert aan mogelijkheden in de omgang met de materie. De integriteit van deze matrix van mogelijkheden noemen we de filognosie, de liefde voor de kennis; deze integriteit is dan het a priori gegeven einddoel. Zonder deze integriteit, die er steeds als een ideële werkelijkheid of werkplan is, verliezen we het overzicht en de motivatie, en vervallen we in het oude dualisme van de politieke vijandigheid van een materiële belangenstrijd, en komen we zo in goed-versus-kwaad tegenstellingen terecht die bestaan uit goed noemen wat ons bekend is en slecht noemen wat ons onbekend is. Door een dergelijke onwetendheid willen we niet worden beheerst, die noemen we achterlijk, en dus zeggen we filognostisch dat geïntegreerd zijn het goede is en het niet geïntegreerd zijn iets slechts is, iets van het duister, van een gebrek aan liefde voor de kennis en de erbij behorende praktijk van respect oefenen is. De noodzaak van de integriteit van de filognosie leiden we af uit de principiële doelstelling van de politiek om 'God en vaderland dienend' tot een goede samenleving, een verlichte democratie te komen die recht doet aan allen.

Dat aangenomen hebbende moeten we dan zien hoe de matrix in elkaar zit waarmee we doel en middel duidelijk tegenover elkaar plaatsen en definiëren en waarmee we kunnen nagaan wanneer er sprake is van een goede en wanneer van een slechte integratie. Een goede integratie noemen we een integratie van evenwicht en bewustzijn, want onevenwichtigheid is per definitie een eigenschap van een slechte of onbewuste integratie. Evenwicht wat betreft doel en middel kan je zo dan definiëren als een geslaagd bewust samennemen en dan ook praktisch samengaan van een bepaald middel met een bepaald doel, waarbij de a priori integriteit van een ideëel werkplan scheefgroei of wangebruik daarin moet voorkomen. Als ik wil gaan koken met schrijfgerei ben ik fout bezig, dat behoeft geen uitleg. Maar toch is er schrijfgerei nodig zowel als gekookt voedsel. Schrijfgerei heeft een ander doel: geschreven tekst. Gekookt voedsel heeft een ander middel: potten pannen en ingrediënten. Niets van dat alles is verkeerd en past in de integriteit van het grotere werkplan, maar er is wel een verkeerd samengaan mogelijk. Als ik een goede combinatie van die twee zaken heb, zoals een maaltijd en een kookpan, is er een dualistische middenpositie van bewustzijn die beiden evenzeer nodig heeft en dus ook moet waarderen, er is dan sprake van een evenwicht in de functionele verbinding van het doel, de maaltijd, met het middel, de kookpan. Dat midden, die verbinding is het evenwicht dat we dan goed en gerecht of terecht noemen, er is geen verlangen of vastzitten in het ene bij gebrek aan het andere. Toegepast op de tijd, de ruimte en de samenhang der materie, als zijnde de axiomatisch aangenomen fundamentele basiskenmerken van de werkelijkheid, zijn er zo drie basismiddelen en drie basisdoelen of drie basisvisies van het goed omgaan met de materie. De basiskenmerken zijn de ruimte als het canvas waarop geschilderd is; de planeten, sterren en sterrenstelsels en nevels zijn als de verfklodders die de composities vormen, en de tijd is dan het leven, het bewegen, van dat schilderij van God die dan de enige echte uitvinder, de bron en de integriteit is van dat perpetuum mobile. De drie middelen kunnen manifest of niet manifest zijn, en ook de drie doelen kunnen manifest of slechts in potentie aanwezig zijn. Zo krijgen we dan zes basismiddelen die we de vormen van fortuin of de volheden noemen, zeg maar de kookpannen, die we in het evenwicht eenduidig koppelen met zes basisvisies, zeg maar de maaltijden, die we de filognostische zienswijzen noemen.

 

De zes doelen en de zes middelen

De middelen der materie die we kennen als de volheden van het geluk of de vormen van fortuin, zijn naar aanleiding van het hierboven gestelde dan:

Qua Ruimte:

1) Het manifeste van de ruimte dat aanwezig is als een materiële betrokkenheid, als het vermogen alles met alles te verbinden, is er ook als een concreet spoor dat in die betrokkenheid als een indruk is getrokken in de hersenen, alsmede als een gematerialiseerde cultuur ermee die aanwezig is in de wereld. Die manifestatie van de betrokkenheid op de materie is wat we de wereld van de kennis zelf noemen die bestaat bij de gratie van de intelligentie, ofwel het vermogen alles met alles te verbinden dat we van de ruimte hebben gekregen, de ruimte die er is als een concreet basis middel dat ten grondslag ligt aan alle andere kennismiddelen om greep op ons bestaan te hebben.

2) Het niet manifeste, niet zichtbare, de niet-geziene werking van de ruimte vormt de macht ervan, het krachtveld ervan, want de materiële eigenschap van de ruimte die zich zo manifesteert kennen we als het krachtveld van de ether dat het kennismiddel van de schepping is dat alle leven bestiert of conditioneert, ofwel schept, beëindigt en behoudt. Deze volheid is de duidelijkste formulering van het idee: kennis is macht.

Qua Materie:

3) Het manifeste van de natuurlijke vorm van de materiële samentrekking van de ether is wat we het kennismiddel van de schoonheid noemen, want de samengetrokken materie in de vorm van de in de evolutie door de tijd geschapen of geconditioneerde natuur kennen we als mooi, harmonisch, zuiver en schoon.

4) De niet-manifeste vorm van samentrekking noemen we de verzaking, want afzien van manifestatie met de materie is het kennismiddel dat inboeten heet.

Qua Tijd:

5) De tijd manifest is wat we de roem noemen, m.n. de roem van het absolute van de getuigenis ervan die we de persoon of de ziel of de eer van de mens noemen. Roem is de menselijke eer der zuivere getuigenis. Roem is er in samenhang met een verdienste in de tijd of bekendheid in de tijd, als een concrete vorm van geluk of gelukt zijn in de tijd. Roem is het kennismiddel dat ons het door ons zelf begeerde voorbeeld verschaft voor ons handelen.

6) De tijd in niet-gemanifesteerde zin is wat we de rijkdom noemen, tijd hebben, rijk zijn aan tijd, is vrij zijn, en is zo het kennismiddel van de bevrijding dat niet alleen de existentiële rijkdom aan bestaansmogelijkheden of vrijheidsgraden van het leven biedt maar ook, naar de stelregel tijd is geld, in de materiële, en dus niet meer vrije, rijkdom kan resulteren van een volledige individuele, op persoonlijk bezit uitzijnde, of collectieve, niet op het privé bezit uitzijnde, zelfverwerkelijking ermee.

Zo hebben we dan kennis, macht, schoonheid, verzaking, roem en rijkdom als de zes basismiddelen die ons het geluk moeten brengen, dat er alleen kan zijn als we het evenwicht, als we de juiste koppeling kunnen vinden met de visie die er nodig is om daar goed mee om te gaan. Welnu wat betreft de zes visies moeten we beginnen bij de drie basisbenaderingen om het geheel van de werkelijkheid te kunnen omvatten. Op basis van de axiomatische aanname van de ruimte, de tijd, en de materiële samentrekking in de vorm van waarneembare materie als de drie determinanten van de fysische werkelijkheid - er bestaat, ook met de persoonlijke integratie ervan, niets anders dan dat - moeten we onze visie die we herkend hebben als het doel waar we naar streven in overeenstemming daarmee ordenen. Voor de tijd zeggen we dan dat de persoon de visie is, want met roem en rijkdom is het geluk dat we ons voor de geest halen, de integriteit ermee die we de persoon noemen, en wel de persoon die met die kenmerken er de held en het voorbeeld van is. Voor de samentrekking van materiële vormen zeggen we dat er dan sprake is van het principe, want van schoonheid of harmonie en boete of verzaking, zijn een kwestie van principe in het streven naar geluk. We streven steeds naar die principiële visie die van de schoonheid en de beheersing in verzaking het geluk is. Die principiële stelling geeft dan meer een idee van de schoonheid en heiligheid van de plaats waar we ons bevinden dan van de persoon in kwestie die er misschien de roem en rijkdom mee is. Wat betreft de ruimte spreken we van het feit, want het feitelijk werken van het geluk is een kwestie van kennis en controle hebben als het middel daartoe, een zuiver geestelijke feitelijkheid die met de verbondenheid van de ruimte, als de intelligentie, als het samennemen en bestieren van het alles verbindende element van de ether, de krachtbeheersing vormt van alle kennis en macht met de persoon van roem en rijkdom op zijn plaats van schoonheid en heiligheid. Zonder die twee van de kennis en de macht kan het geestelijk feit niet bestaan immers, want onwetendheid en onbeheerstheid staan haaks op het geluk. De corresponderende visies die we dan in evenwicht met de middelen vinden zijn die van:

Qua feit:

1) De visie op, of omgang met, de kennis die we als de filosofie of afweging van de intelligentie aanduiden, ofwel het methodisch, rationeel en logisch sturen van de rede;

2) De visie van de macht die we als een duurzaam iets een systeem, cultuur of paradigma noemen en die zo dan algemeen aangeduid wordt als zijnde een wetenschap;

Qua principe:

3) De visie vanuit de harmonie en het evenwicht van de dingen doet zich in zijn bewustzijn van de tegenstellingen kennen in eindeloze analytische oordelen over wat er allemaal in harmonie en evenwicht verkeert. Deze visie noemen we de analyse.

4) De visie vanuit de verzaking kennen we als het boven de materie staan in de spiritualiteit die met een zeker abstraherend vermogen afziet van de materie om tot controle erover, bewustzijnsvereniging, transcendentie en verzonkenheid te komen.

Qua persoon:

5) De visie van het omgaan met het geluk van de roem die duurzaam, ofwel werkelijk gelukkig is, wordt alleen maar gevonden in de religies die duizenden jaren standhouden rondom de roem van een persoon die dan ook de Heer of God genoemd wordt. Omdat dit ook minder duurzaam lang stand kan houden met betrekking tot minder geslaagde, meer wereldse, maar wel beroemde personen, noemen we deze visie simpel het persoonlijke, dat meestal in positieve zin het geluk en de zegening van de religie wordt genoemd.

6) Tenslotte is er dan de rijkdom die voor het geluk alleen maar goed te waarderen is als die zonder angst en afgunst, zonder bezitsdrang werkelijk van delen zijnd, kan worden gewaardeerd. Wil men met de rijkdom veilig en gelukkig zijn, dan moet men geen afgunstige misdeelde concurrenten hebben en daarom is er dan verdeling van het kapitaal als de definitie van het geluk van de rijkdom. Om deze verdeling van het kapitaal die iedereen de vrijheid moet geven, verantwoord te doen verlopen is er zo dus de politiek als de zesde visie die bestaat uit een commentaar vanuit het persoonlijke op de principes van de transcendentie en de analyse en de feiten van de filosofie en de wetenschappelijke controle.

Met het onderscheiden van de zes visies kunnen en moeten we ook zeggen wat hen dan bindt: ze sluiten op basis van de logica van het bovenstaande stuk voor stuk in dat ik (1), als ideëel uitgangspunt, met de materie (2), van dienst ben (3), voor de zuiverheid (4), ofwel: er is steeds sprake van 1) een met de wisselende vorm en vormen continuerend zelf of subject, 2) een werklast, ofwel een tijdelijke vorm van te overwinnen gebondenheid in vruchtdragend handelen, 3) een zekere bevrijding in dienstbaarheid aan de integratie van de visie met zichzelf en in tweede instantie met andere visies, en tenslotte 4) een referentiecultuur, die de geldigheid, de zuiverheid bepaald, een z.g. synthetische koppeling, ofwel een zekere traditie die de culturele ankerplaats ervoor vormt. We hebben de wereld zo ingedeeld. We gaan simpel gezegd uit van een zekere, boven de verandering van de vorm voortbestaande, ziel van karma, van de mogelijkheid tot verlossing en van een vorm van heiligheid die de a priori-basis vormt die teruggaat tot de realisatie van een of andere manifestatie van de Fortuinlijke: Hij die alle kennismiddelen en alle visies in zich verenigt als zijnde de integratie ervan, als zijnde het baken en de bron van de kennis en in verschillende culturen met verschillende gedaanten bekend staat of, naar noodzaak, nog bekend zal staan. Hiermee zijn we zo gekomen tot een duidelijke definiëring van het goed en het kwaad, van de verheffing, het middel en het doel, de heiligheid en de integriteit van onze ideële dualistische bepaaldheid van cultureel aanwezig zijn.

 

De ideale integratie en haar schaduw.

De ideale integratie komt dus voort uit het a priori juiste ofwel logische, gerechte of bewuste koppelen van een bepaalde vorm van geluk of een bepaald kennismiddel aan een erbij behorende zienswijze zoals we pannen hebben om te koken en niet voor iets anders, ook al kan je dan, zot, een fluitketel als hoofddeksel gebruiken. De schaduw van deze a priori naar de rede waardenbepaalde juiste koppeling, noemen we dan het gemankeerd redelijke of zotte, zeg maar fluitketel-op-hoofd materialisme ofwel de verwisseling van het doel en het middel enerzijds - b.v. het geld als het doel zien i.p.v. het gekochte product - en een foute koppeling anderzijds van het verkeerde middel met het verkeerde doel - b.v. met schrijfgerei proberen te koken. Er is dus een dubbele voorwaarde voor een goede filognostische integratie:

1) De visie, en met name de integratie van de verschillende visies, als het doel zien en niet de volheid van een kennismiddel dat daartoe moet leiden daarvoor aanzien.

2) De volheid, een bepaalde vorm van fortuin, of een kennismiddel, in het juiste evenwicht of bewustzijn koppelen aan de juiste visie.

Met deze twee regels in acht genomen krijg je het bovengenoemde schema van de matrix van culturele integriteiten of benaderingen te zien die in evenwicht gewenst, en niet in evenwicht zot en gemankeerd een toch nog tolerabele vorm van een minder stabiel materialisme vormen, die, zich tezamen manifesterend als de filognostisch, ideale, culturele integratie, kenbaar zijn. De schaduw van deze moraal van integratie houdt in dat er met de zienswijzen en volheden van de 36 benaderingen ook sprake kan zijn van een intolerabel materialisme dat moet worden bestreden als zijnde illusoir en dat door het verwisselen van doel en middel moedwillig, maar niet echt bewust, nagestreefd dan corrupt, misleidend en strafbaar heet. Zo kan het geheel een ingewikkeld beeld vormen omdat niet zomaar iedere minder evenwichtige en dus materialistische koppeling corrupt kan worden genoemd en bestreden moet worden, ook al kan in geval van werkelijke corruptie - met een materieel nevenmotief gericht op het middel - dat dan noodzakelijk blijken. De corruptie noemen we niet zot, maar slecht en gevaarlijk. Men is zo bezien alles samengenomen dan a) verlicht, kennisgericht, evenwichtig heilig of b) onevenwichtig zot met de visies als het doel, ofwel men is c) onverlicht, egoïstisch, corrupt en onheilig dan wel d) slecht bezig met een schijnbare heilige aanpassing. Dit stabiel of instabiel corrupt zijn, is dus niet van de kennis, maar van een begeerte door het met een materieel middel als doel voor ogen gebroken hebben met de eerste regel. Zo kan één en dezelfde zienswijze, van evenwicht of niet, corrupt en duister zijn dan wel rechtgeaard en verlicht. Je hebt dus samengevat (schijnbaar) evenwichtige corruptie en onevenwichtige corruptie, zowel als een evenwichtige stabiele verlichting en een onevenwichtige minder stabiele verlichting met de zesendertig opvattingen van visies en kenmiddelen. In gewone taal: je bent onheilig of gewoon slecht dan wel heilig of gewoon zot.

Laten we eerstens uitgaan van de niet corrupte zienswijzen van zotheid tegenover heiligheid, dan bezien we daarna de corruptie. We stellen de corruptie niet voorop, dat is meer het venijn van de maatschappijkritiek in de staart. Evenwichtig leveren de kennismiddelen en de visies ermee een heilig resultaat op, onevenwichtig of fout gekoppeld leveren ze een minder stabiele, doch tolerabele visie op die niet heilig maar materieel gemotiveerd, egoïstisch, zelfzuchtig of gespleten onevenwichtig materialisme ofwel gewoon de zotheid wordt genoemd: een laakbaar -isme. Materialisme als de moeder der -ismen kan zo dus, het nog eens repeterend, niet corrupt zijnde, wel tolerabel zijn, terwijl het materialisme er ook corrupt zijnde niet tolerabel is - en met name juist misschien als het evenwichtig is zoals een schaduw er is bij iets wat stabiel in de zon staat. Laten we de matrix gaan invullen om te zien hoe dat werkt:

We zien in dit schema de 30 onevenwichtige vormen van materialisme en de 6 vormen van evenwicht met het materialisme die allemaal, nogmaals, verlicht d.w.z. niet corrupt zijn met het goede doel voor ogen, dan wel onverlicht corrupt zijn met het verkeerde middel als doel gesteld. Filognosie noemen we dus de integratie van de zes vormen van het niet corrupte evenwicht. Laten we ze nu, uitgaande van hun goed zijn, benoemen. Alle zesendertig posities zijn allemaal -ismen omdat ze deel, een afsplitsing t.o.v. het geheel van de filognosie vormen maar de evenwichtige zijn de heilige -ismen van de juiste koppeling. Goed laten we de zes vormen van evenwichtige religiositeit of heiligheid bespreken samen met hun schaduw in de vorm van telkens vijf vormen van onevenwichtige ego-gemotiveerde zelfzuchtigheid.

1) De kennis die zijn evenwicht vindt in de methodische afweging van de filosofie heet in cultuur gebracht, de cultuur van de kennis. Deze cultuur heet ook anders gezegd de vedische cultuur. Veda betekent kennis. Vandaar dat de cultuur van dit evenwicht wordt herkend in het Hindoeïsme.
   Als de kennis fout wordt gekoppeld aan een paradigma ontstaat er rationalisme, een vorm van materialisme waarin men niet goed de voors en tegens afweegt, maar wel systematisch doorredeneert om het eigen gelijk te bewijzen.
   Analytisch aangewend geeft de kennis het dualisme te zien, waarin er niet goed of enkel maar wordt afgewogen, maar er wel steeds het een tegenover het ander wordt geplaatst.
   Als vorm van verbondenheid of spiritualiteit is enkel uitgaan van de kennis ook niet op zijn plaats omdat er dan sprake is van een vereniging van het bewustzijn die zich zonder verzaking dan van de halve of hele wereld van de verschillen afkeert zodat men vervalt in monisme.
   Religieus is enkel de kennis zonder de juiste afweging een groot gevaar dat fundamentalisme heet. Het eigen gelijk wordt doorgedrukt zonder zich af te vragen of er misschien wel niet een gezamenlijke zonde is die vreedzamer is dan het heiliger dan gij beginsel. Is verwant met het dogmatisme dat tolerabel is indien men niet uit is op de materie.
   Als men politiek met de kennis van wet en economie schermt zonder de zaken goed af te wegen spreken we van formalisme: kennis van de wet zonder de juridische relativiteit van wetsregels en economische evenwichten, zonder een vorm van proces en respect voor rechtspersonen, dat autoritair zonder aanziens des persoons zijn wil doordrukt. Veel gehoorde klacht over b.v. de overheidsdienaar die dan veel leed geeft, maar getolereerd moet worden tot er een politieke omslag is.

2) De macht die zijn evenwicht vindt in de wetenschap kent als zijn cultuur het systematisch bestrijden van de illusie, immers, gebaseerd op illusie heeft men alleen greep op zijn eigen voorstelling en niet op de voorgestelde wereld buiten zich. Macht heeft betrekking op het controle hebben op de concrete werkelijkheid van de materiële wereld van het persoonlijke lichaam en de materiële wereld daarbuiten. Met de wetenschap als de visie der illusievrijheid komen we dan uit op de religiositeit van het Boeddhisme als haar volkomen evenwicht, als de optimaliteit en zuiverheid van haar systematiek; het was immers de Boeddha die met achting voor de regels der menselijkheid systematisch de voorstelling uitbande terwille van het voorgestelde en die verzonkenheid de verlichting noemde, het ware doel van de beheersing van de persoon in relatie tot zijn omgeving.
    Als men controle wil verkrijgen over de filosofie zal men snel merken dat dat in strijd is met de verlichtingsgedachte van het vrij zijn van illusies: al filosoferend mist men dan het voorgestelde en blijft men in relativeringen steken. Dit heet relativisme; het absolute van het voorgestelde van de fysieke werkelijkheid van de tijd, de ruimte en de materie zoals die voor zich is, wordt niet opgemerkt. Ziet men veel bij wis- en natuurkundigen, verdwijnend in een wolk van abstracte logica die maar niet concreet kan koppelen. Dure doch tolerabele hobby.
   Een andere vorm van slecht mediteren is het negativisme waarin men analytisch al indelend de controle wil krijgen over de dualiteit, maar daarmee steeds partij kiest voor de beheerser ten koste van het beheerste. Deze machtsuiting toont zich dan als een negatieve relatie met dat wat men wil beheersen maar zonder evenwicht niet onder controle krijgt. De controle en de geest erbij wordt dan negatief, is mislukt, is afwezig in feite. Ziet men veel bij gefrustreerde psychotherapeuten. Wel te verdragen, en is ook niet stabiel gelukkig, mits men niet naar materiële middelen grijpt.
    Het volgende probleem van illusie is het spiritisme, waarin men niet de materie maar de voorstelling ervan gebruikt om de controle te krijgen over de werkelijkheid. Zich in de geest verenigend zonder die leeg te maken wordt de voorstelling een werkelijkheid die een volkomen illusie genoemd kan worden: men leeft met geesten en spoken die voor niemand anders te zien zijn. Je zou het ook negatief materialisme kunnen noemen of gewoon geestesziekte als de sociale samenhang ermee of dienstverlening ermee in spiritistische seances verloren gaat. De spiritist moet volhouden de macht en krachten in de geest naar buiten te brengen. Lukt wel af en toe en mag ook wel.
     Een heel andere en meer sociale vorm van illusiegebonden materialisme is de beheersing met tradities uit te willen leven. Men heeft niet de controle door een traditie omdat dat een systeem is, men heeft de controle omdat men de zaken systematisch ziet zoals ze zijn. In die zin kan de traditie dus een blok aan het been vormen en heet ze als doordrammerij dan traditionalisme, een benadering die andere hoofdstukken uit de godsgeschiedenis verdringt en zo een repressieve vorm doch toegestane vorm van materialisme of sociaal super-egoïsme vormt die monomaan als ze is bij het onvermijdelijke destabiliseren ervan vroeg of laat veel schade en leed veroorzaakt aan andersdenkenden alsmede aan de wereldvrede en de vooruitgang die het juist moet hebben van de tolerantie en openheid. Tradities zonder openheid en vooruitgang geven geen duurzame of zelfs helemaal geen vreugde. Het systeem van een traditie heeft feitelijk geen ziel als ze niet met de tijd kan komen. Het is een toegestane grafstemming.
    Tenslotte kan de macht foutief doch tolerabel worden gekoppeld aan de politiek. Als machtsuitoefening niet illusievrij niet wetenschappelijk is, slaat men de plank mis in relatie tot de burger en heeft men een cultuurneurose: een ineffectieve vorm van controle uitoefenen en betrokken zijn die zonder zelfkennis leidt tot een regime van machtsuitoefening over andere mensen. Daarbij is dan iedereen die niet gehoorzaamt dissident een vijand van de staatsorde. Illusievrijheid is echter een kwestie van macht over jezelf en samen met anderen vechten tegen illusies, niet omgekeerd met je illusies van macht tegen anderen vechten waarop je je eigen illusies projecteert. Machtsstreven is zo de illusie van het gebrek eraan. Men heeft het niet maar wil het met een ander. Een voorbeeld is de communistische stelling 'God is het opium van het volk' terwijl het geld meer de koesthouder is dan de religie die alleen maar op het geweten werkt en opwekt tot bewustzijn. Een tweede voorbeeld is het antisemitisme dat de Joden het materialisme in de schoenen schuift dat toch echt, zo merkte de machtsbeoefenaar heel snel in heel de wereld aanwezig is als de vijand van de opleggingen van de politieke wil tot macht over anderen. Toch mag de politiek gewoon macht uitoefenen mits het doel een politiek doel is, een vorm van redelijkheid inhoudt. Het anderen willen beheersen echter wil nooit duurzaam, men kweekt altijd tegengas. Deze misvatting van meestens dwaze en niet haalbaar gebleken machtstoepassing over anderen i.p.v. over zichzelf heet aldus despotisme. De machtspolitiek wordt doorgaans door de trias politica in goede banen geleid zolang de macht zelf niet het doel is en men dus nog politiek van vergaderen is. Vrijwel iedere politicus heeft er een handje van zijn idealisme voor te schrijven met het wegmoffelen van de keuze die dan steeds politiek terugbevochten moet worden.

3) Het ideaal van de schoonheid en harmonie realiseert men zich ten volle als men het evenwicht vind in de analytische geest. Alleen als je daarin het midden houdt, de middenweg bewandelt, lukt dat. De cultuur van het evenwicht is derhalve de heiligheid ervan. Die kennen we uit China als het Taoïsme met het daarbij behorende Confucianisme, voor zover dat meer op het staatsbestuur gerichte naar buiten treden voor de menselijke Hemelse Deugden van de medemenselijkheid, de plicht ervoor, het decorum erbij en het inzicht ervan, niet tegen de bezinning en de meditatieve staat ingaat van de meer op de natuurlijkheid gestelde terughoudende Taoïsten. Yin en Yang is het symbool. De psychoanalyse was pas compleet toen C. G. Jung zich op het Geheim van de Gouden Bloem bezon, de continuïteit van de leer en de ziel ermee boven het eigen lichamelijke bestaan uit. De harmonie is de Dao, de weg van de menselijkheid en de bezinning op het natuurlijk evenwicht der dualiteiten is de discipline die de schoonheid als het uiteindelijke ware toont. Zolang de evenwichtige analyse en de integratie van de visie erbij het doel is van de harmonie, is dat goed, maar dat wordt echter anders als men dat b.v. propagandistisch omdraait.
   Minder fraai in evenwicht is het slechts de overweging willen met de harmonie. Dat soort streven vanuit de harmonie is dan slechts een opvatting die we estheticisme noemen. Zo kan je dan b.v. kunstenaars hebben met veel praatjes, terwijl hun kunst op zich niks voorstelt. Je hebt er een kunstkritisch analyticus bij nodig om het recht te breien. Leuk, maar niet vol te houden.
    De volgende systematische fout in dit opzicht is als men er wetenschappelijk tegen aangaat om de schoonheid in de markt te zetten. Die cultuur heet de cultuur van het narcisme en is het materialisme van de eigenwaan of de valse notie dat men door toepassing van het schoonheidsideaal ook werkelijk een evenwichtig leven zou leiden. Ware schoonheid bloeit in het respect voor het natuurlijk evenwicht.
   De schoonheid inzetten om je te verenigen geeft de verbijstering over de menselijkheid en menselijke vorm die we humanisme noemen. De mens voorop plaatsen impliceert nog geen evenwicht en harmonie, noch kent dat de moraal om de gulden middenweg in de algehele dualiteit te bewandelen en er stabiel in te zijn. Het humanisme is veeleer een vorm van verliefdheid op de vereniging die mens heet maar niet meer dan dat zijnde meer een sentiment dan een weg vormt die men kan bewandelen. Menselijk verbonden kent men verder geen gezag of weg anders dan het eigen gezag leidend naar het eigen samenzijn, hetgeen uiteindelijk gewoon uiteenvalt door een gebrek aan discipline. Men mediteert niet en ziet zo niet, of kan niet vast houden aan, het evenwicht in de dualiteit dat de schoonheid vereist.
   Schoonheid aangewend in de religiositeit geeft een andere verliefdheid van de persoon die we holisme noemen. Bovenin het artikel vermeld als een positieve term moet gezegd dat het helaas echter een zotte of gewoon valse koppeling is terwille van de eenheid. De juiste koppeling van de veelheid is er als er sprake is van respect voor de succesvolle actie, de culturele weerklank van de persoon in zijn hele godsgeschiedenis, voor de roem dus ermee; maar doet het holisme dat, dan is het geen holisme meer, maar noemen we het Soefisme. Als het holisme als zijnde een weg of een vorm van karma-yoga (een vereniging in het afzien van de vruchten) haar zotheid wil overwinnen is het Soefisme haar concrete doel want alleen daarin vinden we het geheel van de roem van de godspersoon terug. De religie is er dus niet voor de schoonheid en de schoonheid dus niet voor de religie, ookal gaan ze goed samen. Schoonheid, een mooi plaatje waar iedereen inpast, religieus beleefd geeft een besef van eenheid dat net als met het humanisme niet stabiel is; het is een verbijstering over de uiterlijkheid van de leer ditmaal, die niet in evenwicht met de verscheidenheid die de religie ook uitdraagt teveel in de alles-is-één gedachte blijft hangen. Men verwaarloost dan met de voorkeur voor het mystieke geheel dat dan God is, bij een gebrek aan filognosie de historische en actuele verschillen met een oppervlakkig gebaar, of klank, of geur. Het is prachtig voor even, maar het beklijft niet, en is zo meer een hartstocht voor een materieel effect van respect hebben, het materialisme dus van een foute aanwending.
   Als men de schoonheid als middel in de politiek aanwend komt men op nationale trots uit. O wat zijn we mooi (maar het is een zooi). Dit heet nationalisme. Leuk voor het voetbal en een volkslied, het ego is een veld van handelen waarin de lust wordt beheerst, maar als singuliere staatsopvatting is dat gevaarlijk, net zoals met de andere socialistische, liberale en confessionele-conservatieve eenzijdigheden in het politieke veld. Het is een begrijpelijk iets, maar de politiek is er niet voor de trots. Het gaat meer om de eer een ieder ongeacht de natie recht te doen in de wereld.

4) De verzaking is de waarde die men koestert als men zich wil verenigen in het bewustzijn. Als men los wil laten kan men samenkomen en samen zijn in de ziel boven de materie en zo erboven uitstijgen om daar dan de gelukzaligheid te vinden. In cultuur gebracht kan verzaking echter voor veel problemen zorgen. Loslaten moet men namelijk alle fixaties omdat men zich in het getuige zijn duurzaam verenigt, niet in deze of gene voorstelling die tijdelijk is. Daarom spreekt men van verzaking in dat verband. De getuige kenmerkt zich behalve duurzaamheid en gelukzalige verheffing in vereniging door kennis. Deze kennis in cultuur gebracht, de kennis van het uitstijgen boven en opofferen van, kent de Christen als de gnosis die de materiële verleiding als het kwaad ziet en mythisch geassocieerd de geestelijke onafhankelijkheid en verlichting zoekt boven de religieuze tradities en de filosofie uit. Hij zit niet direct vast aan een ritueel of aan een politiek, en ook niet direct aan een systematische twijfel of aan deze of gene manier van kennen. De gnosis betreft het kennen van de kenner die de veranderingen als werkelijk, als de levende God ziet, niet de fixaties. En hermetisch-filosofisch is er zelfs liefde voor de kosmische werkelijkheid. De cultuur van de gnosis heet het gnosticisme en vormt de kern van het Christendom. Het is de kennis van de vereniging van de ziel met God die boven het gereformeerde ritueel of de katholieke traditie en autoriteit uitgaat. Dat is wat wetenschap en religie samenbindt, vrij van illusie niet de wereld zozeer zien, maar de levende ziel en daaraan vasthouden. Direct aan de gnosis is de yoga gekoppeld die niets meer dan de systematiek van de gnosis, van de transcendentale gang is. De gnosis is de naam van het evenwicht, de discipline ervan heet yoga, is het filognostisch inzicht. Onze filognosie is dan ook de yoga die gnostisch boven zichzelf uitstijgt om meer dan dat de ziel, de verzonkenheid in alle visies apart bijeen te binden tot een geheel en de kosmos wel als goddelijk ziet. In die zin is de liefde van de gnosis meer dan de yoga en het gnosticisme zelf; ze heet dan filognosie en zo het positieve van de meer syncretische, structurele en zingende mens die drievoudig is zonder een conflict tussen geest en verstand of de seksualiteit en de dood. De filognostich positieve waarheid gaat echter verloren met het tot doel stellen van de verzaking. Steeds is de bewustzijnsvereniging het doel of anders is ook de filognosie gevallen.
   Fout gaat het met de verzaking als men die inzet om filosofie te bedrijven. De afwegingen vooropgesteld hebbend met de verzaking als kennismiddel blijft men, met het op de methode van beschouwen uit zijn, met het moralisme zitten: de regels zijn dan werkelijke denk-objecten die af te wegen zijn, maar wat wil men aan de ziel der vereniging die de verzaking levert afwegen die in de praktijk der meditatie ermee het denken steeds tot rust beweegt?
   Een tweede probleem is het in de wetenschap als verzaker van de wereld naar voren te treden. Dit soort bezigheden rekent men onder het sciëntisme, dat enkel en alleen maar de wetenschap tot de religie of de transcendente positie wil verheffen, terwijl de wetenschap toch duidelijk de macht in de wereld voorstelt in de omgang met de materie.
  De derde moeilijkheid doet zich voor met het analytisch gebruikmaken van de verzaking als het kennismiddel. Men pleegt dan een karaktermoord op de analyse die zo de dualiteit niet meer goed kan overzien. Dit resulteert in een levenshouding die helemaal opnieuw het wiel moet uitvinden omdat ze het, lustmatige, verwarde, verleden afwijst en zo als een boom zonder wortels niet zelf een traditie uit de mouw kan schudden. Met andere woorden met zo'n reductie kan men niet tot een vaststaande ethische, wijsgerige of sociale grondslag komen. Dit noemt men het nihilisme. Dit ziet men wel eens bij goeroes die in hun verzaking gefixeerd op het hier en nu geen stabiele samenleving kunnen opbouwen omdat onderwijs zonder geschiedenisboeken geen geschikte scholing kan vormen en zo geen samenleving oplevert die geleerd heeft van het verleden. Geen verleden, geen toekomst. Wel leuk mediteren, maar dat is dan dat.
    Ten vierde kan men de verzaking fout koppelen aan de religie. De religie is er echter voor het in goede banen leiden van de roem van de persoon, die hoewel hij van verzaking is, toch echt niet zonder zichzelf een bevredigend resultaat oplevert, zodat verzaking als kennismiddel in de religie resulteert in een dwangmatig versterven zonder dat de integratie die erbij hoort wordt gevonden. Deze wanhoop kan dan leiden tot zelfvernietiging. Dit soort gevallen van jaloezie met de heilige roem, in de vorm van het ontkennen van de godspersoon en het verdraaien van de heilige schrift, noemt men sektarisme als het sociaal functioneert als een denkmodel: een centrale persoon wil de godheid zijn, maar blijkt uiteindelijk een psychotische, destructieve gek te wezen die leidt tot zelfvernietiging. Je zou kunnen zeggen dat zelfs de heilige vormen van evenwicht in de filognosie ieder voor zich weer sekten vormen als ze jaloers de Fortuinlijke van de filognostische integratie afwijzen, terwijl die hen zelf wel accepteert. Wie zichzelf zo afwijst is van de zelfvernietiging en vernietigt ook zijn volgelingen en associatie uiteindelijk.
   De laatste vorm van een mislukte of mislukkende koppeling van de verzaking is de uiting ervan in het politiek bedrijf. Een land kan in verzaking een culturele eigenwaan ontwikkelen die stelt dat de rest van de wereld gek is en zondig en zich zo isoleren en verkommeren. Dit doet zich meestal voor als een totalitair en autoritair systeem dat niet meer diplomatiek en cultureel relativerend naar buiten gericht is, naar binnen gericht blijvend uiteindelijk dan moet instorten. Zo'n systeem is dan precies zoals de Boeddha die de verlichting niet kon bereiken door enkel strenge boete te doen. Er is voor iedere natie een positieve wereldmissie nodig die persoonlijke heiligheid en heldhaftigheid vereist. Deze verkeerde politiek van nationaal opgelegde verzaking heet het isolationisme.

5) De roem zoals gezegd vindt zijn vervulling in de religie. Nu vormen religies makkelijk super-egosystemen i.p.v. superziel-systemen die nogal wat strijd in de wereld opleveren door foute interpretaties en toepassingen van heilige teksten. Het eigen tekort ziet men dan psychologisch gedwongen in consonantie met de heiligheid als de zonde bij de andere cultuur. Vals superioriteitsgevoel ontmaskert zo de religie als een vorm van onwetendheid wat betreft de relatie tussen God en zijn godsgeschiedenis. Evident zijn er verschillende religies, evident zijn die ontstaan in verschillende tijdperken, evident hebben ze allemaal een aspect, een punt van belang onder hun hoede, evident is er dus een godsgeschiedenis waarin iedere religie slechts een hoofdstuk in het Werkelijk Grote [en praktisch Onleesbare] Boek van God vormt. Derhalve blijft er als het evenwicht van de roem gecombineerd met de erediensten van de religies, maar één kandidaat over: degene die gewoon alle heilige schriften op zijn altaar legt en daar zijn best mee doet met zang en preek en eredienst. Deze mensen staan over het algemeen bekend als de leden van het Universeel Soefisme, maar er zijn ook andere syncretische religieuze bewegingen die de eenheid van de wereldreligies beogen met culturele kruisbestuivingen. Het probleem is dat, behalve het vaak naïef tijdbegrip dat dan ook syncretisch in de eredienst wordt gecompenseerd, het steeds enkel de religie is, terwijl de cultuur toch uit meerdere visies bestaat. Zo blijft dan de filognosie toch nog noodzakelijk.
   Uit evenwicht met de roem is de filosoof te veel gebrand op de concrete materie ermee. Roem vereist concrete aansprekende, populaire, voorbeelden, maar de perfectie van de metafoor is de religieuze en niet de filosofische. Als de filosoof niet wil zingen en niet de eer betoont en voordraagt, blijft hij een intellectuele droogzwemmer en boekenwurm die, zich uitputtend in concrete voorbeelden om maar de roem naar zich toe te trekken of de roem als middel te hanteren mislukt in de eredienst: het wordt een on-eredienst door de blamage van het filosofisch niet meer goed afwegen van de argumenten zodat men dan als zijnde slechts een mening afgeserveerd wordt.  Deze mislukking van de roem als kennismiddel in de filosofie heet concretisme, de mislukking van de abstraherende relativering die de juiste methode van afwegen met name in zijn laatste fasen mist: men komt niet tot ordening en volledigheid.
     De tweede zonde tegen of zwakheid met de roem is die systematisch na te streven door het eigen ik in de plaats te stellen van die van de groten in de geschiedenis en dat dan als zijnde de verlichting van de authentieke geest aan te smeren. Alleen de wetenschap is echt systematisch dus daar komen we de grootste voorbeelden tegen. Einstein b.v. ontkende de ether, een fundamenteel element van de klassieke filosofie geassocieerd met de roem van God en Zijn geschriften, maar Albert moest er later op terugkomen met zijn excuus dat ie te radicaal was geweest. Deze jaloerse houding, nog steeds populair onder natuurkundigen, heet echter niet radicalisme, maar personalisme, dat er simpel op neerkomt dat men zijn meerdere in de godspersoon of met name de eredienst voor die Hoogste Persoon niet kan onderkennen.
   Analytisch neemt de roem ontledend dat de vorm aan van een zeer innovatief construeren van allerlei indelingen die echter de integratie missen om echt die van de tradities naar de kroon te kunnen steken. Men is dan een structuralist; deze afwijking van het structuralisme in het aandacht trekken treft men vaak aan bij psychologen en psychiaters die niet echt goed de analytische conclusie kennen aangaande de illusievrije subject-object koppeling die de heiligheid en zijn eredienst eigen is.
   Spiritueel de roem als kennismiddel voor de vereniging inzettend wil men iets manifests, de roem, voor iets niet manifests, de transcendentie van de bewustzijnsvereniging, aanwenden. Dit uit zich dan in een sociaal nep-idealisme dat trots is op zijn materialisme ofwel filosofisch in feite niet deugt. De controle over zichzelf ontaardt dan makkelijk in het controle willen hebben over anderen, hetgeen mislukt natuurlijk zodat men dan weer, in een normale democratie, uit het sociale beeld wegklapt als was men het weermannetje in het weerhuisje dat dan weer mechanisch het individueel materialisme vooropstelt dat dàn weer zogenaamd, gaa-a-ap, het ideaal van iedereen zou zijn. Deze waanvoorstelling die echter heel menselijk en sympathiek aanvaardbaar en zelfs, als politiek tegenwicht, noodzakelijk kan zijn, noemt men het socialisme dat getrouwd is met het evenmin stabiele liberalisme van allerlei snit, dat als het rechtse economische weervrouwtje fungeert.
    Tenslotte is er nog de laatste zonde t.a.v. de roem  en dat is de politiek ingaan of die van binnenuit anders aanpakken met je bekendheid omdat dat zo'n prettige en ijdele jeuk van macht en verantwoordelijkheid geeft in het lijf. Die verantwoordelijkheid is echter minder prettig op de lange duur.  Politieke bekendheid op zich is geen pretje, maar een wandelend geweten met een microfoon en een camera achter je aan die je nooit met rust laat. Door steeds als principe het volk naar de mond te praten vanuit het idee van bekend zijn, ontstaat er met dit soort lieden een janboel van jewelste omdat de fysieke, culturele integriteit van de in feite opportunistisch opererende aandachttrekker geen filosofische, sociale of historische samenhang, geen systematiek, geen behoorlijke analyse, geen transcendentie en geen eredienst kent, maar slechts het eigen eigenwijze naveltje of populaire trucje als doelstelling en kwaliteit onderkent. Deze kapitale vergissing van de naar het hoofd gestegen eigenwaan die de ware adel naar de kroon steekt met een vals of zot of niet goed gekoppeld idee van verlichting en dat verwant is aan het opportunisme - waar dan ook soms de doodstraf op staat omdat men voor de duivel of voor een dubbelspion van hoogverraad wordt aangezien - heet populisme; een carrièrewending - ook mogelijk onder geboren politici - die heel spannend is, maar evenzogoed een levensgevaarlijk en schadelijk -isme kan zijn.

6) De laatste vorm van fortuin is de meest begeerde: de rijkdom. Men heeft er fantasieën bij van vrijheid en heerschappij, superioriteit en adel, maar, zo kan menig een edelman verzekeren, is het in werkelijkheid doorgaans een hoop koppijn om de eer van de materiële cultuur en beschaving hoog te houden met culturele hoogstandjes van verantwoordelijkheid. Want ja, rijkdom is een ruim begrip dat meer inhoud dan geld alleen. Zoals we boven al zagen is de ware rijkdom tijd hebben voor de zelfverwerkelijking. Daar moet men dan doorgaans ook zijn hele salaris voor inleveren om solidair als vrijwilliger met een uitkering er wel aan toe te komen een tijdje voordat men met het materiële motief weer verstrikt raakt in de minder verheven rijkdom van geen tijd, maar wel geld hebben. Welnu de wetenschap en eer om met de tijd op orde de rijkdom en de welvaart met alle idealen in het vaandel te verdedigen, heet de politiek van het commentaar der heiligheid wat betreft het geld en de tijd die het Vaishnavisme wordt genoemd. Alleen zij kennen de integriteit van de volheden en de visies in één cultureel concept: dat van de God van het Behoud die alle nevenmotieven afwijst en alle eer toekomt. Hebt u een miljardje teveel, geef het aan de vaishnava's: alleen zij zijn integer met de centen, ze bouwen er alleen tempels en ashrams mee om de jeugd van de straat te houden met gebed en studie en de huishouders gemotiveerd met zuivere dienst door ze met hun specifieke filognostische basis discipline bij te brengen. In het klooster zijn het de monniken met de hoogste standaard van discipline op het geestelijk vlak die er te vinden is. Buiten de tempel levend zijn het, in goede doen, ware en zuivere vernieuwers die de cultuur vooruithelpen in opofferingsgezindheid en zijn ze de vooruitgang in eigen persoon. Probleem alleen is dat de politiek van het bidden met alle roem des Heren niet volstaat, ook de andere heilige -ismen uit de ene godsgeschiedenis zijn noodzakelijk voor een volledig godsbeeld. Conclusie: bouw op de filognosie-vaishnava die niet het Hindoeïsme, het Boeddhisme, het Taoisme, het gnosticisme en het Soefisme afwijst. Alleen die integratie is volkomen waarin alle anderen volledig zijn onder te brengen.
    Wat betreft het geld gaat er zoals bekend verschrikkelijk veel mis zonder dat we, laakbaar als het is, dat echt bestrijden kunnen omdat het niet zonder meer corrupt te noemen is. Als het geld van een professorensalaris een manier is om een goed vakfilosoof aan een universiteit te zijn bijvoorbeeld noemen