4.3 Drie Logoi en de Weerspiegeling

Het eerste boek Genesis 1:26-28 van de Hebreeuwse Bijbel maakt al van een archetype gebruik:
En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
Johannes 1:1-3, 14: In het begin was Logos (het Woord), Logos was bij God en Logos was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. Logos (het Woord) is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.
Johannes 10:30: Ik en mijn Vader zijn één.
Aurelius Augustinus: In de Vader is de eenheid, in de Zoon de gelijkheid, in de Heilige Geest het harmonieuze samengaan van eenheid en gelijkheid.
Bart Battyn, publicatie Ethiek in de periode die aan de moderne tijd voorafging:
Plato ging er al vanuit dat wat aan ons verschijnt niet meer is dan een afspiegeling van een zuiverder en stabieler ideële werkelijkheid.
Manual II: Not to act "with logos" is contrary to Godd’s nature.
Eliphas Levi: De logos van God is de openbaarder van de mens, en de logos (het woord) van de mens is de openbaarder van God.
Met beide benen in Moeder Aarde goed verankerd, met het Hart in de hemel, maar met het hoofd bij de zaak. (Asait - over de Hathors)
Willem Bilderdijk In 't verleden - Ligt het heden - In het nu wat worden zal.

Logos (Weerspiegeling en Complementariteit, Neer - en Opwaartse causatie, Catharsis, Brein)

Blavatsky Deel III (p. 485, 526): Om Mani Padme Hoem, Ik ben het juweel in de lotus en daarin wil ik blijven.
Openbaring 1:8 Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige.

H.P. Blavatsky Isis ontsluierd Deel 2 Een sleutel tot de mysteries van oude en moderne wetenschap en religie
Hoofdstuk 12 Conclusies en voorbeelden
722/723: De oude mystieke formule van koning Songtsen Gampo, het Aum mani padme hum,1 verricht zijn wonderen nu nog evengoed als in de 7de eeuw. Avalokiteshvara, de hoogste van de drie bodhisattva’s en de beschermheilige van Tibet, werpt zijn schaduw, volledig zichtbaar voor de gelovigen, over het door hem gestichte lamaklooster van Ganden; en de lichtende gestalte van Tsong-kha-pa spreekt, in de vorm van een vurig wolkje dat zich losmaakt uit de dansende zonnestralen, een belangrijke bijeenkomst van duizenden lama’s toe, terwijl zijn stem van boven neerdaalt, als het fluisteren van een briesje in het gebladerte. Onmiddellijk daarna, zeggen de Tibetanen, verdwijnt de prachtige verschijning tussen de schaduwen van de heilige bomen in het park van het klooster.
1) Aum (de mystieke Sanskrietterm voor de drie-eenheid), mani (heilig juweel), padme (in de lotus, padma is het woord voor lotus), hum (zo zij het). De zes lettergrepen van de zin komen overeen met de belangrijkste zes natuurkrachten, die uitgaan van boeddha (de abstracte godheid, niet Gautama), die de zevende'' en de ' alfa en omega van het zijn is

Astrid Lindgren wist: alle kinderen willen een Pippi zijn (Aleid Truijens Volkskrant 30 december 2016 bijlage Sir Edmund p. 36-37):
Biograaf Jens Andersen heeft zich volkomen verplaatst in het tegenstrijdige karakter van Astrid Lindgren. Hij belicht ook de donkere kanten van haar leven.
Het is nu moeilijk voor te stellen hoe baanbrekend Lindgrens ideeën waren. De drieste, grappige Pippi leek in niets op de zoetige, brave, schijnbaar avontuurlijke hoofdpersonen uit de moralistische vooroorlogse kinderliteratuur. Kinderen moesten gehoorzamen en geen last bezorgen, dat was het uitgangspunt. Pedagogen hadden grote bezwaren tegen het schandelijke, opruiende gedrag en de grote bek van Pippi; zij vreesden slechte invloed.
Die tegenwerking moet Lindgren goed hebben gedaan; ze had het niet zo op pedagogen. Zij koos blind de kant van de kinderen. Zo'n 25 jaar voordat dat in de mode kwam, propageerde zij een 'anti-autoritaire' opvoeding, volgens haar niet te verwarren met 'totaal geen regels stellen', want kinderen moesten wel grenzen krijgen. Maar: een opvoeder is niet de eigenaar van het kind, maar een bron van liefde. Een kind is iemand met gedachten en emoties, geen homp klei die tot een bruikbare volwassene moet worden gekneed. Als volwassenen kinderen wat meer met rust zouden laten, zei Lindgren, dan konden ze hun fantasieën uitleven. Daar werden het leukere mensen van.
Donkere kant
Andersen denkt dat het geen toeval was dat juist net na de Tweede Wereldoorlog een boek als Pippi verscheen. Zweden was neutraal tijdens de oorlog, maar de dreiging was ook daar voelbaar. Lindgren werkte tijdens de oorlog bij de Zweedse geheime dienst en las daar brieven voordat de post ze verspreidde.
Ze zag hoe ziek de menselijke geest kon worden en welke wonden werden geslagen door vernedering en terreur. Zij schiep, geïnspireerd door Superman, een eigen kleine vrouwtjestiran, sterk, eigengereid, maar ook gemoedelijk, hulpvaardig en wars van geweld.
Toen Lindgren in 1978 de Duitse Vredesprijs kreeg, hield ze een toespraak waarin ze zei te hopen dat ooit alle geweld uit de kinderkamer zou verdwijnen. Dat was de enige manier om van de wereld een minder grimmige plaats te maken. Liefdevol grootgebrachte kinderen werden betere ouders.
Een van de redenen dat ze zoveel verlaten kinderen opvoert in haar boeken, is dat ze zelf, toen ze 19 was, haar zoontje Lasse moest afstaan. Ze bleef zich daarover altijd schuldig voelen.
Als jonge journaliste was ze zwanger geworden van haar dertig jaar oudere hoofdredacteur. Lasse woonde drie jaar bij een pleegmoeder en anderhalf jaar bij zijn grootouders, voordat Lindgren hem bij zich kon nemen. Zij trouwde met Sture Lindgren en ze kregen nog een dochtertje. Terwijl zij doorbrak, werd Sture verliefd op een ander en raakte hij aan de drank. Hij stierf op zijn 53ste. Ze hertrouwde nooit. Ze was graag alleen; schrijven maakte haar het gelukkigst.

De leer van de Drie-eenheid werd definitief op het Concilie van Chalcedon in 451 na Chr. vastgesteld.

Het epithumia en thumos van Plato kunnen met de Latijnse termen pathos (in zijn negatieve betekenis woede, haat, vrees, afkeer, medelijden) en ethos worden vergeleken. Pathos (van πάσχειν 'paschein', het Griekse woord voor "lijden" of "emotie") is één van de drie middelen van overtuiging in de filosofische leer Ars Rhetorica van Aristoteles (samen met ethos en logos).

De Griekse Filosoof Plato – Logos:
Logos is een Griekse term die "het Woord" betekent. Griekse filosofen zoals Plato gebruikten logos niet alleen voor het gesproken woord maar ook voor het onuitgesproken woord, het woord dat zich nog steeds in de gedachten (herinnering) bevindt -- de rede. Wanneer deze term op het universum werd toegepast, hadden de Grieken het over het rationele principe dat over alle dingen heerst.

Daarom gebruikte Johannes (de schrijver van het Bijbelse boek Johannes) een zeer bijzonder woord -- Logos -- omdat dit in de eerste eeuw na Christus voor zowel Joden als Grieken de beoogde betekenis had.

Esoterie:

Pythagoras De mens  
  1e Logos, Monade3e Logos, TriadeAntroposofieRudolf Steiner 
MonadeTriadeGod (Spiritueel) ----Geest (Geestelijk)Geestmens ----Geestzelf (omgevormd Astraallichaam)
||||||
TetradeDuade4. Lichaam (Fysiek) ----Zoon (Psychisch)Fysiek lichaam ----Levensgeest (omgevormd Etherlichaam)
  Tetrade2e Logos, Duade(Wederkerigheid) 
  Snijpunt 1./2. en 3./4.Geest en Ziel 

Universal Spirit In the hierarchy of cosmic principles, the unmanifest or First Logos; in the human constitution, atman or atma-buddhi.

Door zijn mathematische volmaaktheid (gulden snede) werd het pentagram het symbool van de wiskundige Pythagoras. Meetkundig gezien behoort een pentagram tot de familie van de sterveelhoeken.
The Pythagoreans called the pentagram ὑγιεία Hugieia ("health"; also the Greek goddess of health, Hygieia[11]), and saw in the pentagram a mathematical perfection (see Geometry section below).

G. Barborka boek Het Goddelijke plan - Menswording en Evolutie (p. 596/597):
De paragraaf Een lijst van met gelijkwaardige termen bevat een overzicht van de synoniemen: Akasha, Universele denkvermogen, Fohat, Drie Logoi.
627: De tweede Logos is de ‘brug’ tussen de ongeopenbaarde Logos (Nârâyana) en de geopenbaarde logos. Īśvara staat voor de ongeopenbaarde Logos en Īśavara voor de geopenbaarde logos.

Esther de Boer boek De geliefde discipel, Evangelie van Maria (p. 99): De Verlosser antwoordde, hij zei: Hij ziet niet met de ziel noch met de geest maar met het denken dat [is] in het midden van die twee. Dat is [het dat] het visioen ziet en dat is het […]

De wijsheidssleutels 1, 2 en 3 dragen een macro en de sleutels 5, 6 en 7 een micro karakter. De schakel, de ziel brengt de reflexieve dynamiek 'zo binnen, zo buiten; zo buiten, zo binnen' tot uitdrukking.
Sleutel 1 kan in samenhang worden gezien met sleutel 7, sleutel 2 met 6, en sleutel 3 met 5. De supersymmetrie in het universum wordt daarmee (1 + 7, 2 + 6 en 3 + 5 = 8) tot uitdrukking gebracht en kan met behulp van een lemniscaat worden gesymboliseerd. In de vierde Ronde ligt het accent van de schakel tussen binnen en buiten op de 4e sleutel.
De Geheime Leer Deel III, p. 546: Metafysisch en wijsgerig is de mens als volledige eenheid samengesteld uit vier eeuwige grondbeginselen (wijsheidssleutels 1 t/m 4) en door de beginselen voortgebrachte tijdelijke drie aanzichten (wijsheidssleutels 5, 6 en 7) op deze aarde.

Els Rijneker De drievoudige evolutie (geestelijke, psychische en stoffelijke)

In het 5Ddenkraam zijn 'Kosmogonie van Pythagoras en Antropogenese', de 'metafysica, het bovennatuurlijke en de fysica', 'geestkunde en natuurkunde', 'Bewustzijnsevolutie en Evolutietheorie', 'Unificatietheorie en Snaartheorie', twee complementaire kanten van één medaille. Het is het projectiemechanisme, de spiegelsymmetrie die beide met elkaar verbindt. Of met andere woorden door alleen beide kanten de ‘natuurwetenschappen + geesteswetenschappen’these + antithese = synthese - van de éne werkelijkheid te belichten komt de theorie van alles een stapje verder. Als we de zaken werkelijk willen veranderen dienen we aan het geestelijke kapitaal meer aandacht te besteden.

Rapport E i V: Steiner:Natuurrijk:Rapport ‘E i V’,de natuurlijke kringloop (1 - 3 - 2 - 4):
Deel VIIDeel V8. Ethiek6. Sociologie  
MonadTriad4. 'Ik', zelf2. EtherlichaamMacrokosmosTijd-as
1. 'Vuur' ----3. 'Lucht'MensenrijkPlantenrijk1. Ruimte, Wat ----3. Oneindigheid, Ruimteloosheid
||||||
4. 'Aarde' ----2. 'Water'DelfstoffenrijkDierenrijk4. Eeuwige NU ----2. Materie, Hoe
TetradDyad1. Fysieklichaam3. AstraallichaamTijd-asMicrokosmos
Deel IVDeel VI5. Psychologie7. Filosofie5e element Ether(snijpunt van de diagonalen 1./2. en 3./4)

Linkerkwadrant: Naast aarde-, lucht- en watervervuiling bestaat er ook geestelijke vervuiling. Maar gelukkig bestaat er ook het zelfreinigende vermogen (catharsis).

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Stanza 3 Het ontwaken van de kosmos (p. 102):
(a) ‘Heldere Ruimte, zoon van donkere Ruimte’ heeft betrekking op de straal, die bij de eerste trilling van de nieuwe ‘dageraad’ in de grote kosmische diepten valt, vanwaar hij gedifferentieerd weer bovenkomt als Oeaohoo de jongere (het ‘nieuwe LEVEN’), om tot aan het eind van de levenscyclus de kiem van alle dingen te worden. Hij is ‘de onlichamelijke mens die in zich de goddelijke Idee bevat’, – de voortbrenger van licht en leven, om een uitdrukking van Philo Judaeus te gebruiken. Hij wordt de ‘vlammende draak van de wijsheid’ genoemd, in de eerste plaats omdat hij is wat de Griekse filosofen de logos noemden, het Woord van de goddelijke gedachte, en in de tweede plaats omdat in de esoterische filosofie deze eerste manifestatie – de synthese of het aggregaat van de universele wijsheid, Oeaohoo, ‘de zoon van de zoon’– de zeven scheppende menigten (de sephiroth) in zich besloten houdt, en dus de essentie is van de gemanifesteerde wijsheid. ‘Wie zich baadt in het licht van Oeaohoo zal nooit door de sluier van maya worden misleid.’
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 208):
Het volledige mysterie wordt alleen aan de adepten onthuld, maar er kan worden medegedeeld dat onze satelliet slechts het grofstoffelijke lichaam is van zijn onzichtbare beginselen. Omdat er 7 ‘aarden’ zijn, zijn er ook 7 ‘manen’, waarvan alleen de laatste zichtbaar is. Hetzelfde geldt voor de zon, waarvan het zichtbare lichaam een maya wordt genoemd, een weerspiegeling, evenals het lichaam van de mens. ‘De werkelijke zon en de werkelijke maan zijn even onzichtbaar als de werkelijke mens’, zegt een occulte spreuk.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Aanvullende feiten en verklaringen over de bollen en de monaden, p. 210:
Op dezelfde manier als waarop de ‘monaden’ of ego’s van de mensen van de zevende Ronde van onze aarde – naar het voorbeeld van onze eigen bollen A, B, C, D, enz., die hun levenskracht hebben afgestaan, andere layacentra (bestemd om op een nog hoger zijnsgebied te leven en te werken) zullen hebben bezield en daardoor tot leven gewekt – op dezelfde manier zullen de aardse ‘voorouders’ degenen scheppen die hun meerderen zullen worden.
Het wordt nu duidelijk, dat er in de Natuur een drievoudig evolutieplan bestaat voor het vormen van de drie periodieke upadhi’s, of liever drie afzonderlijke evolutieplannen, die in ons stelsel op elk punt onontwarbaar zijn dooreengeweven en vermengd (‘Verstrengelde hiërarchie’). Dit zijn de monadische (of geestelijke), de verstandelijke en de stoffelijke evolutie. Deze drie zijn de eindige aspecten of de weerspiegelingen op het gebied van de kosmische illusie van ATMA, het zevende beginsel, de ENE WERKELIJKHEID.
1. De monadische evolutie heeft, zoals de naam al zegt, te maken met de groei en ontwikkeling van de monade tot nog hogere stadia van activiteit, en gaat samen met:
2. De verstandelijke evolutie, vertegenwoordigd door de Manasa-Dhyani’s (de zonnedeva’s, of de agnishwatta pitri’s), die de mens verstand en bewustzijn geven en:
3. De stoffelijke evolutie, vertegenwoordigd door de chhaya’s van de maanpitri’s, waaromheen de Natuur het huidige stoffelijke lichaam heeft geconcretiseerd. Dit lichaam dient als voertuig voor de ‘groei’ (om een misleidend woord te gebruiken) en voor de omzetting door middel van manas en – tengevolge van de opeenstapeling van ervaringen – van het eindige in het ONEINDIGE, van het voorbijgaande in het Eeuwige en Absolute.
Elk van deze drie stelsels heeft zijn eigen wetten, en wordt bestuurd en geleid door verschillende groepen van de hoogste Dhyani’s of ‘logoi’. Elk is vertegenwoordigd in de constitutie van de mens, de microkosmos van de grote macrokosmos; en de vereniging in hem van deze drie stromingen maakt hem het samengestelde wezen dat hij nu is.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 245):
(d) De derde orde correspondeert met atma-buddhi-manas: geest, ziel en verstand; zij wordt de ‘triaden’ genoemd.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 8 De lotus als universeel symbool (p. 416):
In dit stadium van actie is de demiurg4 nog niet de architect. Geboren in de schemering van de handeling moet hij eerst het plan waarnemen, om goed de ideële vormen te zien die liggen begraven in de schoot van de eeuwige , zoals de toekomstige lotusbladeren, de onbevlekte bloembladen, zijn verborgen in het zaad van die plant. . . .
In hoofdstuk lxxxi van het Rituaal (Dodenboek), getiteld ‘De transformatie tot de lotus’ roept de god, die als een hoofd uit deze bloem tevoorschijn komt, uit: ‘Ik ben de zuivere lotus, die uit de Lichtende oprijst. . . . Ik breng de boodschappen van Horus over. Ik ben de zuivere lotus, die van de zonnevelden komt. . . .’
4) In de esoterische filosofie is de demiurg of logos, opgevat als de schepper, slechts een abstracte term, een denkbeeld, zoals ‘leger’. Evenals dit laatste de allesomvattende uitdrukking is voor een lichaam van actieve krachten of werkende eenheden – soldaten – is de demiurg het kwalitatieve samenstel van een menigte scheppers of bouwers. Burnouf, de grote oriëntalist, begreep deze gedachte volkomen toen hij zei dat Brahmā de aarde niet schept, evenmin als de rest van het heelal. ‘Nadat hij zich uit de ziel van de wereld had ontwikkeld en is gescheiden van de eerste oorzaak, lost hij op in de natuur en laat deze uit hemzelf tevoorschijn komen. Hij staat niet boven de natuur, maar is ermee vermengd; Brahmā en het Heelal vormen één wezen, waarvan elk deeltje in essentie Brahmā zelf is, die uit hemzelf voortkwam.’
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 12 De theogonie van de scheppende goden (p. 476):
Bij het begin van elke cyclus van 4.320.000 daalden de zeven (of volgens enkele volkeren acht) grote goden af om de nieuwe orde van zaken te vestigen en de stoot te geven tot de nieuwe cyclus. Die achtste god was de verbindende cirkel of LOGOS, in het exoterische dogma van zijn menigte afgescheiden en afgezonderd, evenals de drie goddelijke hypostasen van de oude Grieken nu in de kerken als drie afzonderlijke personen worden beschouwd.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 6 De maskers van de wetenschap Fysica of metafysica? (p. 559):
Daarom vertoont Spiller met al zijn fouten meer intuïtie dan enige andere hedendaagse wetenschapper, misschien met uitzondering van dr. Richardson, de theoreticus van de ‘zenuwkracht’ of de zenuw-ether, en ook van de ‘zonnekracht en aardkracht’2. Want AETHER is in de esoterie de ware kern van alle mogelijke energie en men kan beslist alle manifestaties van energie in de stoffelijke, psychische en spirituele werelden aan dit universele agens (samengesteld uit veel agentia) toeschrijven.
Wat zijn elektriciteit en licht in feite? Hoe kan de wetenschap weten dat het ene een fluïdum is en het andere een ‘bewegingsvorm’?
562: Dit mag waar zijn in de wereld van de verschijnselen, voorzover de bedrieglijke weerspiegeling van de ene werkelijkheid van de bovenzinnelijke wereld waar mag lijken in de bekrompen opvattingen van een materialist. Het is volkomen onjuist, als de redenering wordt toegepast op dingen in wat de kabbalisten de bovenaardse sferen noemen. De zogenaamde inertie is volgens Newton ‘kracht’ (Princ. Def. iii), en voor de beoefenaar van de esoterische wetenschappen de belangrijkste van de occulte krachten. Men kan een lichaam slechts als begrip, en alleen op dit gebied van illusie, beschouwen als afgescheiden van zijn relaties tot andere lichamen – die volgens de natuurkunde en de mechanica zijn eigenschappen veroorzaken. In feite kan het nooit hiervan worden gescheiden: zelfs de dood is niet in staat het lichaam los te maken van zijn relatie met de universele krachten, waarvan de ene KRACHT of het ene LEVEN de synthese is, maar het zet zo’n onderling verband eenvoudig op een ander gebied voort.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 15 Goen, monaden en atomen (p. 678):
De sleutels daartoe zijn van de ene generatie van ‘wijze mannen’ op de volgende overgegaan. Enkele van de symbolen die zo van het oosten naar het westen kwamen, werden meegebracht door Pythagoras, die niet de uitvinder van zijn bekende ‘driehoek’ was. Laatstgenoemde figuur, samen met het vlak, de kubus en de cirkel vormen een welsprekender en wetenschappelijker beschrijving van de orde van de evolutie in het Heelal, zowel spiritueel en psychisch als fysiek, dan boekdelen vol beschrijvende kosmogonieën en geopenbaarde Geneses. De tien punten, beschreven binnen die ‘driehoek van Pythagoras’, zijn van evenveel waarde als alle leringen over de afstamming van de goden en engelen die ooit uit een theologisch brein zijn voortgekomen. Want wie ze interpreteert – zoals ze daar staan in de gegeven volgorde – zal in die zeventien punten (de zeven wiskundige punten zijn verborgen) de ononderbroken reeks van genealogieën vinden van de eerste hemelse tot de aardse mens. En terwijl ze de volgorde van de wezens aangeven, onthullen ze ook de volgorde waarin de Kosmos, onze aarde en de oorspronkelijke elementen die de aarde voortbrachten, zijn ontwikkeld. Omdat de aarde werd verwekt in de onzichtbare diepten en in de schoot van dezelfde ‘moeder’ als haar mede-planeten, zal degene die de geheimen van onze aarde doorgrondt, die van alle andere planeten ook doorgronden.
De Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk 15 Goden, monaden en atomen (p. 680/681):
De monade – slechts de uitstraling en weerspiegeling van het punt (logos) in de wereld van de verschijnselen – wordt, als de top van de gemanifesteerde gelijkzijdige driehoek, de ‘vader’. De linkerzijde of lijn is de duade, de ‘moeder’, die wordt beschouwd als het kwade, tegenwerkende beginsel (Plutarchus, De Placitis Placitorum); de rechterzijde stelt de zoon voor (in iedere kosmogonie ‘de echtgenoot van zijn moeder’, omdat hij één is met de top); de basislijn geeft het universele gebied van de voortbrengende Natuur weer, die op het gebied van de verschijnselen vader-moeder-zoon verenigt, zoals deze in de bovenzinnelijke wereld waren verenigd in de top. Door mystieke vervorming werden ze het viertal – de driehoek werd de tetraktis.
Deze transcendentale toepassing van de meetkunde op de kosmische en goddelijke theogonie – de alfa en omega van de mystieke gedachte – kreeg na Pythagoras door toedoen van Aristoteles veel minder betekenis.

682/683: Dit wordt symbolisch weergegeven in de driehoek van Pythagoras.
Deze bestaat uit tien punten die binnen de drie lijnen in piramidevorm (van één tot de laatste vier) zijn ingeschreven, en hij symboliseert het Heelal in het beroemde tiental van Pythagoras. Het bovenste enkele punt is een monade en stelt een eenheidspunt voor, dat de eenheid is waaruit alles voortkomt, en alle dingen hebben er dezelfde essentie mee gemeen. Terwijl de tien punten binnen de driehoek de wereld van de verschijnselen voorstellen, zijn de drie zijden van de gelijkzijdige driehoek die de piramide van punten omsluit, de barrières van noumenale stof of substantie, die haar scheiden van de wereld van de gedachte. ‘Volgens Pythagoras correspondeert een punt met de eenheid; een lijn met 2; een vlak met 3, en een lichaam met 4; en hij omschreef een punt als een monade die een plaats heeft, en die het begin is van alle dingen; een lijn werd geacht te corresponderen met de dualiteit, omdat zij werd voortgebracht door de eerste beweging uit de ondeelbare natuur en de verbinding van twee punten vormde. Een vlak werd vergeleken met het getal drie, omdat het de eerste van alle oorzaken is die men in figuren vindt; want een cirkel, die de voornaamste van alle ronde figuren is, omvat een drietal in middelpunt, ruimte [Vert.: vlak] en omtrek. Maar een driehoek, die de eerste van alle rechtlijnige figuren is, is besloten in een drietal en ontvangt zijn vorm overeenkomstig dat getal; hij werd door aanhangers van Pythagoras opgevat als de schepper van alle ondermaanse dingen. De vier punten aan de basis van de driehoek van Pythagoras corresponderen met een lichaam of kubus, die de beginselen van lengte, breedte en dikte combineert, want geen enkel lichaam kan minder dan vier uiterste grenspunten hebben.’ (Pythag. Triangle, blz. 19.)
702: Want atomen en monaden, verenigd of gescheiden, enkelvoudig of samengesteld, zijn vanaf het moment van de eerste differentiatie slechts de lichamelijke, psychische en spirituele beginselen van de ‘goden’ – die zelf de uitstralingen zijn van de oorspronkelijke natuur. Zo verschijnen de hogere planetaire machten voor het oog van de ziener onder twee aspecten: als invloeden (het subjectieve aspect), en als mystieke VORMEN (het objectieve aspect), die onder de karmische wet een Tegenwoordigheid worden omdat, zoals herhaaldelijk is gezegd, geest en stof één zijn. Geest is stof op het zevende gebied; stof is geest – op het laagste punt van zijn cyclische werkzaamheid; en beide zijn MĀYĀ.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 707):
Om de werking van karma bij de periodieke vernieuwingen van het Heelal voor de onderzoeker duidelijker en begrijpelijker te maken, als deze toekomt aan het probleem van de oorsprong en de evolutie van de mens, moet hij nu met ons de esoterische invloed van de karmische cyclussen op de universele ethiek onderzoeken. De vraag is: hebben die geheimzinnige tijdsindelingen, die door de hindoes yuga’s en kalpa’s en door de Grieken zo aanschouwelijk – κύκλοϛ – ‘cyclus’, ring of cirkel worden genoemd, enige invloed op, of enig direct verband met, het menselijke leven? Zelfs de exoterische filosofie verklaart dat deze eeuwigdurende tijdscyclussen altijd, periodiek en intelligent, in ruimte en eeuwigheid, in zichzelf terugkeren. Er zijn ‘cyclussen van stof’4 en er zijn ‘cyclussen van spirituele evolutie’, raciale, nationale en individuele cyclussen. Kunnen esoterische beschouwingen ons een nog dieper inzicht verschaffen in de werkingen hiervan?

De Geheime Leer Deel II, Inleidende opmerkingen (p. 1/2):
Wat betreft de evolutie van de mensheid stelt de Geheime Leer drie nieuwe stellingen voorop, die lijnrecht in strijd zijn met zowel de moderne wetenschap als de gangbare religieuze dogma’s: zij leert
(a) de gelijktijdige evolutie van zeven mensengroepen op zeven verschillende delen van onze aardbol;
(b) de geboorte van het astrale lichaam vóór het stoffelijke, waarbij het eerste een model is voor het laatste; en
(c) dat de mens in deze Ronde aan alle zoogdieren in het dierenrijk voorafging1 – de mensapen daarbij inbegrepen.
De Geheime Leer Deel II, p. 25: De opsomming van de stanza’s in Deel I laat zien dat de genesis (scheppingsverhaal) van goden en mensen voortkwam uit een en hetzelfde punt, dat de ene universele, onveranderlijke, eeuwige en absolute EENHEID is. In zijn eerste gemanifesteerde aspect hebben wij het zien worden: (1) in de sfeer van objectiviteit en fysica, de oorspronkelijke substantie en kracht (middelpuntzoekend en middelpuntvliedend, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, enz.); (2) in de wereld van de metafysica, de GEEST VAN HET HEELAL of kosmische verbeeldingskracht, door sommigen de LOGOS genoemd.
Deze LOGOS is de top van de driehoek van Pythagoras. Wanneer de driehoek volledig is, wordt hij de Tetraktis, of de driehoek in het vierkant, en wordt het tweevoudige symbool van het vierletterige tetragrammaton in de gemanifesteerde Kosmos, en van zijn fundamentele drievoudige STRAAL in het niet-gemanifesteerde, of zijn noumenon.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 87):
Er is in een zuivere geest op ons gebied geen vermogen tot scheppen en geen zelfbewustzijn, tenzij zijn al te homogene, volmaakte – want goddelijke – natuur om zo te zeggen wordt vermengd met en versterkt door een al gedifferentieerde essentie. Alleen de onderste lijn van de driehoek – die de eerste triade voorstelt die emaneert uit de universele MONADE – kan dit benodigde bewustzijn op het gebied van de gedifferentieerde Natuur verschaffen.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 5 DE EVOLUTIE VAN HET TWEEDE RAS (p. 121):
Dit vuur is het hogere Zelf, het geestelijke ego, of dat wat eeuwig reïncarneert onder de invloed van zijn lagere persoonlijke zelven, die bij elke wedergeboorte veranderen, vol van tanha of begeerte om te leven. Het is een vreemde wet dat op dit gebied de hogere (geestelijke) Natuur om zo te zeggen de slavin van de lagere moet zijn. Tenzij het ego zijn toevlucht neemt in de atman, de AL-GEEST, en geheel opgaat in de essentie daarvan, kan het persoonlijke ego hem tot het bittere einde voortdrijven. Dit is niet volledig te begrijpen, tenzij de onderzoeker zich vertrouwd maakt met het mysterie van de evolutie, die drie wegen volgt – de geestelijke, de psychische en de stoffelijke.
122: Dit is fysisch en letterlijk waar; metafysisch, of op psychisch en geestelijk gebied, is het evengoed waar, dat alleen de atman de innerlijke mens verwarmt; d.w.z. hij verlicht hem met de straal van goddelijk leven en is als enige in staat aan de innerlijke mens of het reïncarnerende ego zijn onsterfelijkheid te verlenen. Zo zullen wij zien dat voor de eerste drieëneenhalf Wortelrassen, tot het midden of keerpunt, de astrale schaduwen van de ‘voorvaderen’, de maanpitri’s, de vormgevende krachten in de Rassen zijn, en dat zij de evolutie van de stoffelijke vorm naar vervolmaking geleidelijk tot stand brengen – maar ten koste van een evenredig verlies aan spiritualiteit. Dan, vanaf het keerpunt, regeert het hogere ego of incarnerende beginsel, de nous of het denkvermogen, over het dierlijke ego, en beheerst het wanneer het niet door het laatstgenoemde omlaag wordt getrokken. Kortom, het geestelijke is op de klimmende boog, en het dierlijke of stoffelijke belet het slechts dan om gestaag op het pad van zijn evolutie voort te gaan, wanneer de zelfzucht van de persoonlijkheid de werkelijke innerlijke mens zo sterk heeft besmet met haar dodelijke virus, dat de opwaartse aantrekking al haar macht over de denkende redelijke mens heeft verloren.
123: De nuchtere waarheid is, dat ondeugd en slechtheid in deze periode van onze menselijke evolutie abnormale, onnatuurlijke verschijnselen zijn – althans zouden moeten zijn. Het feit dat de mensheid nooit zelfzuchtiger en boosaardiger is geweest dan nu, en dat beschaafde volkeren erin zijn geslaagd van het eerste een ethische eigenschap en van het tweede een kunst te maken, is een bewijs te meer voor de uitzonderlijke aard van het verschijnsel.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk MOGELIJKE BEZWAREN TEGEN HET VOORAFGAANDE (p. 208/209):
De uitdrukkingen ‘delfstof-’, ‘plantaardige’ en ‘dierlijke’ monade zijn bedoeld om een oppervlakkig onderscheid te maken: er is geen andere monade (jiva) dan de goddelijke, die dus menselijk is geweest of moet worden. Deze laatste uitdrukking moet zonder betekenis blijven, tenzij het verschil goed wordt begrepen. De monade is een druppel uit de onbegrensde oceaan aan de andere kant, of om het beter te zeggen, binnen het gebied van de oorspronkelijke differentiatie. Zij is goddelijk in haar hogere en menselijk in haar lagere toestand – de bijvoeglijke naamwoorden ‘hogere’ en ‘lagere’ worden gebruikt bij gebrek aan betere woorden – en een monade blijft zij altijd, onder welke omstandigheden en in welke uiterlijke vorm ook, behalve in de nirvanische toestand. Evenals de logos het Heelal in het goddelijke denkvermogen weerspiegelt, en het gemanifesteerde Heelal zich weerspiegelt in elk van zijn monaden, zoals Leibnitz het in navolging van een oosterse leer uitdrukte, zo moet de MONADE tijdens de cyclus van haar incarnaties in zichzelf elke wortel-vorm van elk natuurrijk weerspiegelen.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk Archaïsche leringen in de purana’s en in genesis. Stoffelijke evolutie (p. 292/293):
Daar het embryo van de mens niet méér lijkt op dat van de aap dan op dat van ieder ander zoogdier, maar in zich de totaliteit van de natuurrijken bevat, en omdat het een ‘blijvend levenstype’ schijnt te zijn, in veel hogere mate dan zelfs de foraminifera, schijnt het even onlogisch hem uit de aap te laten evolueren, als zijn oorsprong terug te voeren tot de kikker of de hond. Zowel de occulte als de oosterse filosofieën geloven in evolutie, die Manu en Kapila6 veel duidelijker uiteenzetten dan welke hedendaagse geleerde ook. Het is niet nodig te herhalen wat in Isis Ontsluierd volledig werd besproken, omdat de lezer al deze betogen en de beschrijving van de grondslag van alle oosterse leringen over evolutie in onze eerste boeken kan vinden7. Maar geen occultist kan de onhoudbare stelling aanvaarden, dat alle nu bestaande vormen, ‘van de structuurloze amoebe tot de mens’, in rechte lijn afstammen van organismen die miljoenen en miljoenen jaren vóór de geboorte van de mens in het pre-Siluur in de zee of in de landmodder leefden. De occultisten geloven in een inherente wet van voortgaande ontwikkeling8. Darwin heeft dit nooit geloofd, en zegt dat zelf.
7) Zie Deel I, blz. 219ev (Nederlandse uitgave - zie onder) over de boom van de evolutie, de ‘Wereldboom’.
8) Maar in toom gehouden en gewijzigd door de wet van vertraging, die aan de vooruitgang van alle soorten een beperking oplegt als er een hoger type verschijnt.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 12 Het vijfde ras, goddelijke leermeesters (p. 466/467):
De ware theosoof, de zoeker naar goddelijke wijsheid en de vereerder van ABSOLUTE perfectie – de onbekende godheid die noch Zeus, noch Jehova is – zal tegen zo’n denkbeeld bezwaar maken. Onder verwijzing naar de oudheid zal hij aantonen dat er nooit een erfzonde heeft bestaan, maar alleen een misbruik van belichaamde intelligentie – doordat het psychische werd geleid door het dierlijke en beide het licht van het geestelijke uitdoofden. Hij zal zeggen: ‘U allen, die tussen de regels door kunt lezen, bestudeer de oude wijsheid in de oude drama’s – de Indiase en de Griekse; lees zorgvuldig het zojuist genoemde drama, dat 2400 jaar geleden in de theaters van Athene werd opgevoerd, nl. ‘De geketende Prometheus’.’ De mythe behoort niet aan Hesiodus en ook niet aan Aeschylus; maar, zoals Bunsen zegt, zij ‘is ouder dan de Hellenen zelf’, want zij behoort in werkelijkheid tot de dageraad van het menselijke bewustzijn. De gekruisigde titan is het verpersoonlijkte symbool van de collectieve logos, de ‘menigte’, en van de ‘Heren van Wijsheid’ of de HEMELSE MENS, die in de mensheid incarneerde. Bovendien was, zoals zijn naam Pro-me-theus – ‘hij die vóór zich ziet’ of in de toekomst ziet – aantoont6, het psychologische inzicht niet de minste van de kunsten die hij uitvond en aan de mensheid onderwees. Want zoals hij tegen de dochters van Oceanus klaagt:
467/468: De gekruisigde titan zegt:
‘En het niet te geloven wonder, de sprekende eiken
Door wie heel duidelijk, zonder raadselachtige taal
U werd begroet als de roemrijke echtgenote van Zeus
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . (v. 853)
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 19 Is pleroma de legerstede van Satan? (p. 575):
En nu is bewezen dat satan of de rode, vurige draak, de ‘Heer van de Phosphorus’ (zwavel was een theologische verbetering), en Lucifer of de ‘lichtdrager’ in ons is: het is ons denkvermogen, onze 'verleider en verlosser' , onze intelligente bevrijder en redder uit zuivere dierlijkheid. Zonder dit beginsel – de emanatie van de essentie zelf van het zuivere goddelijke beginsel mahat (intelligentie), dat rechtstreeks van het goddelijke denkvermogen uitstraalt – zouden we beslist niet beter dan dieren zijn. De eerste mens Adam werd slechts tot een levende ziel (nephesh) gemaakt, de laatste Adam tot een levendmakende geest – zegt Paulus, waarbij zijn woorden betrekking hebben op de bouw of de schepping van de mens. Zonder deze levendmakende geest, of het denkvermogen of de ziel van de mens zou er geen verschil zijn tussen een mens en een dier, zoals er in feite ook geen verschil is tussen dieren wat hun handelingen betreft.

Blavatsky, De Geheime Leer Deel III (p. 617):
Tussen 5 en 4 komt het antahkarana. De ‘driehoek’ stelt de Christos voor, het slachtoffer dat tussen twee boosdoeners is gekruisigd; dit is het wezen met twee aangezichten.
620: Âtma-Buddhi-Manas in de mens komt overeen met de drie Logoi in de Kosmos. Zij komen niet slechts overeen, doch ieder van hun is de uitstraling van de Kosmos in de microkosmos.

H.P. Blavatsky boek Isis ontsluierd Deel (p. 219): Een andere versie van de Edda laat ons zichtbare heelal ontspringen vanonder de weelderige takken van de wereldboom – de Yggdrasil, de boom met de drie wortels. Onder de eerste wortel vloeit de levensbron, Urdar; onder de tweede ligt de beroemde bron van Mimer, waarin in de diepte kennis en wijsheid liggen begraven. Alvader Odin vraagt om een slok van dit water; hij krijgt het, maar moet daarvoor een van zijn ogen verpanden. Het oog is in dit geval het symbool van de godheid die zich in de wijsheid van haar eigen schepping openbaart, want Odin laat het oog op de bodem van de diepe bron achter. De zorg voor de wereldboom wordt toevertrouwd aan drie maagden (de nornen of parcae) Urd, Verdande en Skuld – of het heden, het verleden en de toekomst. Elke ochtend stellen ze de duur van het menselijk leven vast, halen water uit de bron van Urd, en besprenkelen daarmee de wortels van de wereldboom, opdat hij in leven zal blijven.

Ernest Wood boek THE SEVEN RAYS (First printed: 1925)
‘Alle universele principes oefenen hun aantrekkingskracht op iedereen uit, maar elk reageert in principe op die van zijn eigen straal. Die wordt dan iemands grootste ideaal in het leven en kan zijn bewustzijn tot het meest levendige leven brengen, waartoe iemand in staat is.’
Deze menselijke basistemperamenten zijn als volgt ingedeeld:
1. het individu van de wil: zoekt vrijheid door het verkrijgen van meesterschap over het zelf en zijn omgeving; de heerser.
2. het individu van de liefde: zoekt eenheid door sympathie; de leraar en de filantroop
3. het individu van de abstracte gedachte: zoekt inzicht door het bestuderen van het leven; de filosoof.
4. het individu van de verbeelding: zoekt naar harmonie op drievoudige wijze; de levenskunstenaar.
5. het individu van het rationele denken: zoekt naar waarheid (5Ddenkraam) in de wereld; de wetenschapper.
6.het individu van devotionele liefde: zoekt God als goedheid in de wereld; de toegewijde.
7. het individu van de concrete wil: geeft God vorm via spirituele ordeningen in de wereld; de ritualist en ceremonialist.
U zult opgemerkt hebben dat de laatste drie stralen in de objectieve wereld weerspiegelingen vormen van de eerste drie, die minder met vorm van doen hebben.
De vierde of middelste straal is de ene waarin de andere balans en harmonie vinden. De aantallen zelf hebben geen betekenis; ze worden alleen gebruikt als hulpmiddel om in te delen, maar houden geen waardeoordeel in.

====

Drie logoi (Geest - Ziel - Lichaam, Knower, Knowing, and Known, Individueel leerproces)

En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen in de zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipende gedierte dat op de aardbodem kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. (Genesis 1:26; vergelijk 9:6)
Willem van Oranje: Ik kan niet toestaan dat vorsten willen heersen over het geweten van hun onderdanen
Alfred North Whitehead: The vitality of thought is in the adventure. Ideas won't keep. Something must be done about them. The idea must constantly be seen in some new aspect. Some element of novelty must be brought into it freshly from time to time; and when that stops, it does. The meaning of life is adventure.
Richard Tamas: The intellectual question that looms over our time is whether the current state of profound metaphysical and epistemological irresolution is something that will continue indefinitely, taking perhaps more viable, or more radically disorienting, forms as the years and decades pass; whether it is in fact the entropic prelude to some kind of apocalyptic denouement of history; or whether it represents an epochal transition to another era altogether, bringing a new form of civilization and a new world view with principles and ideals fundamentally different from those that have impelled the modern world through its dramatic trajectory.
Daniel Ofman De arbeidsvreugde zit niet in het werk dat iemand doet, maar in zijn houding ten opzichte van het werk.

Astrology is an ancient art used thousands of years ago by people all over the world from Greece to China to guide not only people, but civilizations through their lives. French psychologist and statistician Gauquelin brought to the scientific world the Mars effect in which he pointed out that there was a link between the planet Mars and the birth of eminent sports champions. And cultural historian Richard Tamas has shown a correspondence between the alignment of the planets and the birth of historical events and influential people.

Wijsheid overstijgt het geluk (interview van Wilma de Rek met Frédéric Lenoir (Volkskrant zaterdag 19 mei 2012)
Frédéric Lenoir is de auteur van het boek Handleiding voor een evenwichtige geest en een kalm gemoed. De oorspronkelijke titel van het boek luidt Kleine verhandeling over het innerlijk leven. In het Nederlands verschenen ook van Lenoir onder meer Socrates, Jezus, Boeddha (2010) en Hoe Jezus God werd (2011).
Is het eclecticisme de religie van de toekomst? (vraag Wilma de Rek)
‘Het is niet nieuw. In het Romeinse rijk in de eerste eeuw na Christus zag je het stoïcisme, epicurisme, judaïsme, zoroastrisme en nog veel meer – ismes naast elkaar bestaan. Maar ik denk inderdaad dat het eclecticisme de religie van de toekomst is.
De deugden van Aristoteles: nog altijd actueel.
‘Ongelooflijk toch? De wereld is de afgelopen 2000 jaar enorm veranderd, maar de individuele mens loopt tegen precies dezelfde problemen aan als Socrates, Plato en Aristoteles. Hij heeft nog altijd dezelfde behoeftes en verlangens, dezelfde angsten en onzekerheden. Hij wil gekend worden en zich geliefd weten en raakt van slag als dat niet het geval is. De mens blijft zoals hij is.’

Het nieuwe boek van Lenoir borduurt voort op het fundament dat ook in de boeken van Blavatsky naar voren komt. Blavatsky baseert zich namelijk ook op het eclecticisme, bijvoorbeeld:

De Sleutel tot de Theosofie (p. 1/2):
B: Wat is de oorsprong van de naam?
Th: Die is tot ons gekomen van de Alexandrijnse filosofen, waarheidsminnaars, philaleten genaamd, van (phil) ”minnend” en (aletheia) ”waarheid”. De naam theosofie dateert uit de derde eeuw van onze jaartelling en komt voor het eerst voor bij Ammonius Saccas en zijn leerlingen,* die het eclectisch theosofisch stelsel invoerden.
3: Wat van de Eclectische School bekend is, danken wij aan Origenes, Longinus en Plotinus, rechtstreekse leerlingen van Ammonius. (Zie Eclectic Philosophy, door A. Wilder.)
Isis ontsluierd Deel 2 (p. 41):
Die geest van jezuïtisme en kerkelijke geslepenheid, die Parkhurst vele eeuwen later ertoe bracht in zijn Hebrew Lexicon de werkelijke betekenis van het eerste woord van Genesis te verzwijgen, ontstond in die tijd van strijd tegen de stervende neoplatonische eclectische school. De kerkvaders hadden besloten de betekenis van het woord daimôn1 te verdraaien, en ze waren vooral bang om de esoterische en ware betekenis van het woord rasit aan de mensen bekend te maken; want, wanneer eenmaal de ware betekenis van die zin, evenals die van het Hebreeuwse woord asdt (in de Septuagint vertaald met ‘engelen’, terwijl het emanaties betekent)2, goed werd begrepen, dan zou het mysterie van de christelijke drie-eenheid zijn uiteengevallen, en in zijn val de nieuwe godsdienst tot eenzelfde ruïne hebben gemaakt als de oude mysteriën. Dit is de ware reden waarom dialectici, evenals Aristoteles, ‘de onderzoekende filosoof’, bij de christelijke theologen gehaat waren.
1 ‘De wezens die de filosofen van andere volkeren ‘demonen’ noemen, noemt Mozes ‘engelen’, zegt Philo Judaeus (De gigantibus, §2; De opificio mundi, §3).
2 Deuteronomium 18:2. tdça is vertaald met ‘vurige wet’.

Spiritualiteit kan werken in je crisis Socrates, Jezus en Boeddha als veeleisende welwillende verloskundigen
Aat (Lambèrt) de Kwant (REFLECTIE, nr. 4 winter 2010, p. 3/4)
In zijn fascinerende boek Socrates, Jezus, Boeddha drie leermeesters van de Franse filosoof en godsdienstwetenschapper, Frédéric Lenoir, zegt hij te geloven dat de huidige crisis een positieve uitwerking kan en moet krijgen. Ze kan ons volgens hem helpen om voor onze beschaving, die voor het eerst wereldomvattend is geworden, een nieuwe grondslag te vinden, op basis van andere criteria dan enkel geld en consumptie. ”Deze crisis,” zo zegt hij, “is niet alleen economisch en financieel, maar ook filosofisch enspiritueel. Die plaatst ons voor universele vragen: wat maakt een mens gelukkig? Wat kunnen we ware vooruitgang noemen? Wat zijn de voorwaarden voor een harmonieus en sociaal leven?”
Mensen zijn niet lid van één bepaalde groep en hebben niet één specifieke en vastomlijnde identiteit. In werkelijkheid behoren we tot diverse groepen die voortdurend de diverse aspecten van onze complexe identiteit bepalen en dat is een goede zaak. Het tegendeel is pas gevaarlijk. Juist de opdeling en opsluiting van mensen in één specifieke identiteit leidt tot gevoelens van meerderwaardigheid en geweld. Heel wat barbaarse conflicten die in de loop van de geschiedenis gebeurden, kwamen voort uit de veronderstelling van van het bestaan van een unieke en superieure identiteit.

Piet Leupen: boek De vergissing van Jezus. Het uitblijven van zijn koninkrijk en de gevolgen. (recensie)
De titel van dit boek is misleidend want er is geen sprake van de vergissing van Jezus, maar eerder van een onjuiste interpretatie van de ‘blijde boodschap’.

List van Augustinus
Opnieuw zaten de christenen met de handen in het haar. Uiteindelijk verzon kerkvader Augustinus, die leefde op het einde van de vierde eeuw en het begin van de vijfde eeuw, een list.

"Het koninkrijk van God op aarde dat is niet te vinden in de politiek, zegt hij. Het Romeinse rijk noemt Augustinus letterlijk 'een roversbende'. Maar toch, zo vervolgt hij, is er al wel een soort voorportaal van het koninkrijk van God op aarde: dat is de kerk."
Maar Augustinus, slim als hij was, voorzag meteen een nieuw probleem: de gelovigen, inclusief bisschoppen, priesters en andere geestelijken, zouden hierdoor makkelijk te veel pretenties kunnen krijgen. "Daarom zei hij: in de kerk is óók de duivel aanwezig. Om de heel eenvoudige reden dat de kerk gewoon op aarde te vinden is."
En hij deed nóg iets, want de uitspraken van Jezus stonden er nog steeds. "Hij zegt dan: met de eerste komst van Jezus is de eindtijd al begonnen. We hoeven volgens Augustinus niet meer op de eindtijd te wachten, die ís er al. Maar hoe lang de tijd duurt totdat Jezus weer komt, vervolgt hij, dat weten wij mensen niet. Dat is, zo is de redenering, alleen bij God bekend."

De Rooms-katholieke Kerk kent het dogma van de Drie-eenheid. De Theosofie kent daarentegen geen dogma’s, wel drie grondbeginselen.

Augustinus maakte, ruim tweehonderd jaar na Irenaeus, niet Gods liefde, maar de zondigheid van de mens tot kern van de verzoeningsleer. Het concilie van Orange, in 529, rehabiliteert min of meer Irenaeus. Zijn hoofdwerk Ontmaskering en weerlegging van de valselijk dusgenaamde gnosis (gewoonlijk geciteerd onder de Latijnse titel Adversus haereses) geeft inhoud en strekking van de toenmaals bloeiende gnostieke stelsels op objectieve wijze weer, zoals opnieuw gebleken is uit de vondst van gnostieke geschriften te Nag Hammadi in Egypte.

G.A. Janse: Deze roeping, het aangesproken worden door iets hogers, is de weg om gehoor te geven aan je eigen daimon, je innerlijke stem, je geweten, je zesde zintuig. Door de sprongen van het esthetische, in het ethische en tenslotte in het religieuze zijn gedachten aangaande de roeping van je levenstaak, zozeer gezuiverd, dat inzichten in een wijsheid komen te staan, die alle denken te boven gaan.

Het is interessant om te zien dat Science Without Bounds A Synthesis of Science, Religion and Mysticism van Arthur D'Adamo, net als het boek Bhagavad Gita van Vyasadeva, de boeken van Han Marie Stiekema en het Basisproces van Edgard Jarvis een met het rapport 'E i V' analoog patroon bevatten. Aan de hand van een verscheidenheid aan perspectieven zal het uiteindelijk mogelijk zijn een nieuw paradigma uit te werken dat de éne werkelijkheid, de absolute waarheid beschrijft.

De Bhagavad Gita van Vyasa is een tweegesprek tussen Arjuna, degene die de oorlog moet aanvoeren en winnen voor de Pandava’s, en zijn wagenmenner, de god Krishna. Allegorisch gaat het om de innerlijke strijd die ieder mens moet voeren tegen zijn lagere zelf. Krishna geeft daarin onderricht over verschillende facetten van het pad van yoga, het pad dat de innerlijke mens is voorbestemd te gaan en dat leidt tot vereniging met het goddelijke dat zijn essentie is.

PRANA nr. 191 Zelfbeeld (juni/juli 2012)
Rinus van Warven Gij zijt het licht der wereld (p. 86):
Vyasadeva stelt in zijn magistrale epos de centrale vragen aan de orde waar het in de religie permanent om draait.
De eerste vraag gaat over de essentie van het men-zijn. Wie ben ik als mens?
De tweede vraag gaat over de verhouding van de mens met zijn medemens. Je zou die vraag ook op kunnen vatten als een vraag naar de kwaliteit van de samenleving. Dus: hoe ziet de relatie met mijn medemens, met mijn medeschepsel eruit.
En de derde vraag die beantwoord dient te worden is de vraag naar het mogelijk bestaan van een Hogere macht. Hoe verhoud ik me tot de Grond of de Bron van het bestaan?

Naar aanleiding van deze drie vragen zijn uit de Bhagavad Gita verzen verzameld die de synthese tussen Mensbeeld – Maatschappijbeeld – Godsbeeld tonen.
Mensbeeld, Wie ben ik als mens? (3e grondstelling):
Hoofdstuk 2b De zaak in de hand hebben (p. 21):
(54) Arjuna zei: 'Wat kenmerkt nu degene die erboven staat, die innerlijk verankerd is in een bewustzijn van verbondenheid? En wat zegt zo iemand allemaal, hoe houdt hij afstand en hoe gaat hij tewerk?'
Hoofdstuk 3 Te handelen - een meester van de intelligentie (p. 24/28):
(4) Een mens zal de perfectie niet bereiken als hij, als een toegewijd persoon, simpelweg onder zijn overige materiële verplichtingen probeert uit te komen, noch zal hij vrij zijn van handelingen en terugslagen als hij, zich afkerend van de wereld, zich verbindt terwille van enkel het inzicht.
(10) Toen hij met het universum een begin maakte met de generaties en de offers die ze moeten brengen, zei de Schepper, Heer Brahmâ, tot de mensheid: 'Moge het u meer en meer goed gaan, moge dit offer u alles brengen wat u maar verlangt'. (11) Als je de mensen van God behaagt met je offers, zullen zij op hun beurt jou een genoegen doen, en aldus het elkaar naar de zin makend zal de hoogste genade je deel zijn.
(25) Aangezien de onwetende zijn werk doet in gehechtheid, o nakomeling van Bharata, moet de ontwikkelde mens dat zonder doen met de wens voor de gewone man het voorbeeld te geven. (26) Tegelijkertijd moet hij ook de gewone, onwetende mens die gehecht is aan zijn karma, niet van streek brengen; een geschoold mens moet, met het doen van zijn plicht, allen bij zijn werk proberen te betrekken.
(37) De fortuinlijke zei: 'De lust en de woede die je hebt van je hartstocht is het eeuwige kwaad dat de wereld naar de ondergang leidt; ken die emotionaliteit als je grootste vijand hier vandaag.
Hoofdstuk 4 Het bewustzijn verenigen in het brengen van offers en in de âtmatattva (p. 30/31):
(8) Opdat zij die dorsten naar de waarheid een leven mogen hebben en de onverlaten een halt wordt toegeroepen, verschijn ik generatie na generatie ten tonele met de bedoeling de weg van de menselijke principes van de waarheid, de zuiverheid, de boete en het geweldloze mededogen opnieuw te vestigen.3
(18) Als je het werken voor een resultaat beziet als werkeloosheid en het vrijwilligerswerk als het ten dienste staan, mag je jezelf intelligent noemen in menselijke aangelegenheden; het is dan dat je, met al de soorten van handelingen waar je je mee bezighoudt, verbonden bent.
Hoofdstuk 7 Verenigd in de âtmatattva jezelf kennen en het maken (p. 45):
(1) De fortuinlijke zei: 'Luister nu hoe, o zoon van Prithâ, je met je geest op mij geconcentreerd in de vereniging waar het mij om te doen is, je de twijfel te boven kan komen met betrekking tot deze volledigheid van mij. (2) Laat me je tot in detail uitleggen hoe, met deze kennis onder de knie er wijs mee rakend, dat voor jou alles zou zijn wat er in deze wereld te weten valt.
Hoofdstuk 13 De kenner, het gekende en de kennis der filognosie (p. 73):
De waardigheid van de mens in relatie tot deze velden in de zin van het nederig, bescheiden en geweldloos zijnh het vreedzaam, eenvoudig en trouw zijn aan de leraar die het voorbeeld geeft; het rein, standvastig en zelfbeheerst zijn; het onthecht en niet geïdentificeerd zijn met het zintuiglijke indachtig de gebreken en de ellende van het geboren worden, doodgaan, oud zijn en ziek zijnh het niet koesteren van vooroordelen en het niet verstrikt zijn in de omgang met een kind, een vrouw en een thuis, alsook iemands consenuent en gelijkgezind zijn in het besef van wat en wanneer iets gewenst of ongewenst ish het van een eenduidige, constante toewijding zijn ten aanzien van mij, de integriteit van alle veldenh zowel als het teruggetrokken leven op afgezonderde plekken zonder gehecht te zijn aan mensen in het algemeenh het met de waarheid helder voor ogen van zelfkennis en stabiliteit zijn terwille van het omgang vinden met betrekking tot het goddelijke - rekent men allemaal tot de filognosie, tot ware kennis, of als behorende tot zowel de interne als de externe velden; en dat wat hiervan afwijkt onwetendheid.
75: (28) Hij die werkelijk ziet, is degene die de onvergankelijke Heer in het voorbije ziet van al de vergankelijke levende wezens. (29) Hij, die er zeker van is dat hij de Heer overal gelijkelijk gevestigd ziet, zal, met de ziel, nimmer zijn zelfrespect verliezen en zal bijgevolg het doel der transcendentie bereiken. (30) Een ieder die inziet dat alles wat gedaan wordt, in ieder opzicht het resultaat is van het geconditioneerd zijn door de materiële natuur en dat men, als de ziel, in het geheel niet de doener is, ziet het perfect. (31) Als men vervolgens inziet dat het leven, zoals zich dat overal uitbreidde in verschillende identiteiten, op eenheid berust, bereikt men op dat moment het Absolute van de Geest. (32) Dit onuitputtelijke zelf doet, hoewel het zich ophoudt in het lichaam, nimmer iets, noch raakt het ooit verstrikt, omdat het eeuwig is en zich in een bovenzinnelijke positie bevindt boven de geaardheden van de natuur. (33) Zoals de alles doordringende ether zich in zijn subtiliteit nimmer met iets vermengt, vermengt ook deze belichaamde ziel zich nimmer.
Hoofdstuk 14 De drie basiskwaliteiten van de natuur (p. 79):
(21) Arjuna zei: 'O meester der wijsheid, waaraan herkent men degene die deze drie kwaliteiten ontstijgt, hoe gedraagt hij zich en hoe gaat dat overstijgen van de drie geaardheden (drie Guna’s) in zijn werk?'
Hoofdstuk 15 De aard van de verheven persoon (p. 51):
(5) Dat onvergankelijke toevluchtsoord wordt bereikt als men, niet verbijsterd zijnde, vrij is van eigenwaan en illusie, slecht gezelschap te boven is gekomen, begrip heeft voor wat eeuwig is, en als men zich heeft losgemaakt van de lust en zich bevrijd heeft van de dualiteiten in de categorie van geluk en verdriet.

Maatschappijbeeld, relatie met mijn medemens (2e grondstelling)
Hoofdstuk 3 Te handelen - een meester van de intelligentie (p. 26):
(21) Wat een achtenswaardig mens doet, zal door andere mensen net zo worden gedaan; dat wat hij doet zal door de hele wereld worden aanvaard als een voorbeeld dat navolging verdient.
Hoofdstuk 4 Het bewustzijn verenigen in het brengen van offers en in de âtmatattva (p. 33):
(34) Onthou dat als je van respect bent voor hen die hier weet van hebben, en jij hen, met de wens ze van dienst te zijn, vragen stelt, dat deze âtmatattva-mensen der zelfverwerkelijking je zullen inwijden in de waarheid der zieners.
Hoofdstuk 10 Één zijn in het respecteren van het geluk (p. 57):
(6) Ieder menselijk wezen dat ter wereld komt heeft zijn oorsprong in de zeven klassieke, grote wijzen en de vier oervaders die eveneens uit mijn geest zijn voortgekomen.
Hoofdstuk 12 Zich concentreren op het volmaakte (p. 70):
(15) Hij door wie de mensen nimmer zijn verstoord en hij die zich niet stoort aan de mensen; hij die vrij is van ups en downs, en degene die vrij is van angst en vrees, is mijn favoriet.
Hoofdstuk 18b Individuele plicht en de ene weg der bevrijding (p. 96/99):
(45) Als ieder mens aan zijn plicht beantwoordt zal volmaaktheid het resultaat zijn. Luister nu naar hoe die volmaaktheid kan worden bereikt. (46) Als men zijn plicht doet met datgene waar al de levende wezens hun bestaan aan te danken hebben en waarvan dit alles is doortrokken, bereikt een mens de volmaaktheid.
(68) Hij die aan toegewijde mensen uitleg verschaft over dit meest vertrouwelijke geheim van mij, houdt zich in relatie tot mij bezig met bovenzinnelijke, toegewijde dienst en zal mij zonder twijfel bereiken. (69) Er is onder de mensen niemand die mij liever is, noch zal er op aarde ook maar iemand zijn die mij liever zal worden dan zo iemand. (70) Door het offer terwille van de kennis dat gebracht wordt door een persoon die dit heilige gesprek van ons bestudeert, zal ik aanbeden zijn. Dat is hoe ik het zie. (71) Dat menselijk wezen dat met geloof, vrij van afgunst, ernaar luistert, zal, behalve bevrijd te raken, ook de gunstige werelden der godvruchtigen bereiken.
Hoofdstuk 18a Verzaking overeenkomstig de kwaliteiten en de oorzaken van het karma (p. 93):
(18) Wat aanzet tot handelen zijn de drie factoren van de kenner, de kennis en het gekende, terwijl de werker, het werken en de werkende zintuigen, de drie onderdelen vormen waar het met het karma allemaal op aankomt.

Godsbeeld, Bron van het bestaan (1e grondstelling)
Hoofdstuk 7 Verenigd in de âtmatattva jezelf kennen en het maken (p. 45):
(4) Dat waar ik in materiële zin uit besta zijn de energieën van de aarde, het water, de lucht, de ether, de geest, de intelligentie en het ego. (5) Begrijp goed, o man van beheersing, dat benevens deze lagere energie van mij er een hogere is die, als de ondersteuning voor de hele wereld, het Zelf van mij vormt waarin ieder levend wezen zich bevindt. (6) Al het geschapene wortelt in deze twee energieën en in die zin moet je mij zowel zien als de eeuwige bron van het geschapene als de fragmentatie die je in de wereld aantreft.
Hoofdstuk 9 Zich verenigen in vertrouwelijke kennis (p. 53/54):
(4) Van mijn ongeziene gedaante is deze ganse kosmische manifestatie doortrokken; zo bevinden zich alle levende wezens in mij terwijl het volledige van mij anderzijds niet in hen kan worden aangetroffen. (5) Noch zal ook maar iets van wat afzonderlijk bestaat in mij standhouden; doorgrond mijn grootse eenheid: ik die als het oorspronkelijke zelf de bron van al het geschapene ben, bevindt me, als de handhaver van al het geschapene, nimmer volledig in dat wat er geschapen werd.
(13) Maar, o zoon van Prithâ, de grote zielen die hun heil zoeken in mijn goddelijke natuur, weten van de onuitputtelijke bron van de schepping en zijn van toewijding met een geest die niet afdwaalt.
Hoofdstuk 10 Één zijn in het respecteren van het geluk (p. 57):
(1) De man van het geluk zei: 'Luister nogmaals, o man van beheersing, naar de bovenzinnelijke instructie die ik je geef in jouw voordeel omdat je mij zeer dierbaar bent. (2) Mijn oorsprong is zelfs niet bekend bij de grootste wijzen of goden der verlichting; in ieder opzicht ben ik de bron van de grote wijzen en de godsbewusten.
(8) Ik ben de bron van waaruit al het bestaande ontstond, uit mij is alles voortgekomen; en derhalve zullen de intelligenten die hiervan op de hoogte zijn, verbonden door hun liefde, mij toegewijd zijn.
(15) Jij, die jezelf persoonlijk kent als de Ziel aller zielen, bent aldus de grootste aller personen, de bron van alle levende wezens, de Heer van alle schepselen, de God der goden en de meester van het universum.

Arthur D'Adamo boek Science Without Bounds A Synthesis of Science, Religion and Mysticism
140: But what is triad of knower, knowing, and known?
Second-hand knowledge has three elements: the knower, the act of knowing, and the known. For example, when someone acquires second-hand knowledge of God through scripture, the "known" is the scripture, the knowing involves reading and understanding, and the person reading the scripture is the knower.
First-hand knowledge has the same three elements: knower, knowing, known. If New York city is known, then seeing and experiencing directly is the knowing, and some person is the knower. If God is known, then the knower has direct experience of God and therefore is a mystic.
In second-hand knowledge of God, the knower's separate identity remains. Even in first-hand experience of God, also called "illumination," the knower's separate identity remains intact.
All pleasurable and exalted states of mystic consciousness in which the sense of I-hood persists, in which there is a loving and joyous relation between the Absolute as object and the self as subject, fall under the head of Illumination. ([U01],234).
In both types of knowledge, the knower remains distinct and separate from the Known. I-hood, the separate personality of the knower, remains. Even in the most intimate degrees of union - spiritual marriage, participatory and illusory union - the triad of knower, knowing, and known remain.
Yet, many mystical traditions speak of transcending the triad. Nicholson speaks of it when he writes the Sufi's path leads to the realization that
. . . knowledge, knower, and known are One. ([N11],29).
The Hindu sage Ramana Maharshi also speaks of it when he says that:
(d) The one displaces the triads such as knower, knowledge and known. The triads are only appearances in time and space, whereas the Reality lies beyond and behind them. ([T03],173-4),
a conclusion he bases on three insights - that Reality is:
(a) Existence without beginning or end - eternal.
(b) Existence everywhere, endless - infinite.
(c) Existence underlying all forms, all changes, all forces, all matter and all spirit. . . . ([T03],173).

Pim Blomaard: Steiner poogde de tegenstelling te overbruggen die het denken van zijn tijd beheerste. De wereldbeschouwingen lopen aan het eind van de negentiende eeuw zeer uiteen: hard materialisme en verheven metafysica strijden om de voorrang. De eerste richting eist een natuurwetenschappelijke onderzoeksmethode terwille van objectieve kennis (empiristisch positivisme), de tweede een reflexieve methode terwille van een onwankelbaar fundament (idealistische bewustzijnsfilosofie).

H.P. Blavatsky boek De Sleutel tot de Theosofie (p. 1/2): De naam theosofie dateert uit de derde eeuw van onze jaartelling en komt voor het eerst voor bij Ammonius Saccas en zijn leerlingen, die het eclectisch theosofisch stelsel invoerden.
De kerngedachte van de eclectische theosofie was die van een enkel Hoogste Inwezen, onbekend en onkenbaar, want “Hoe kan men de kenner kennen?”, zoals de Brihadaranyaka Upanishad zich afvraagt.
Ammonius leerde dat de godsdienst van de menigte hand in hand ging met de filosofie, en dat ze met deze het lot had gedeeld geleidelijk door louter menselijke waandenkbeelden, bijgeloof en leugens te zijn verdraaid en verduisterd; dat ze daarom tot haar oorspronkelijke zuiverheid moest worden teruggebracht door haar van die ongerechtigheden te ontdoen en volgens filosofische beginselen te verklaren; en dat alles wat Christus beoogde was de wijsheid van de Ouden weer in haar oorspronkelijke zuiverheid te herstellen; de algemeen heersende macht van het bijgeloof te beperken, en de vele dwalingen die in de verschillende volksgodsdiensten waren binnengedrongen ten dele te verbeteren en ten dele uit te roeien.

H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiërarchieën (p. 125):
Het ‘leger van de stem’ is de oervorm van de ‘menigte van de logos’ of het ‘WOORD’ van de Sepher Jezirah, dat in de Geheime Leer ‘het ene getal, voortgekomen uit geen-getal’ wordt genoemd – het Ene eeuwige Beginsel. De esoterische theogonie begint met het Ene, dat gemanifesteerd en dus niet eeuwig is in zijn aanwezigheid en in zijn bestaan, hoewel wèl eeuwig in zijn essentie; het getal van de getallen en de getelden – de laatste komen voort uit de stem, de vrouwelijke Vach, Satarupa ‘met de honderd vormen’, of de Natuur. Uit dit getal 10, of scheppende natuur, de moeder – de occulte ‘nul’ die, in verbinding met de eenheid ‘1’ (één) of de levensgeest, altijd voortbrengt en vermenigvuldigt – kwam het gehele Heelal voort.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 141):
Fohat staat in nauw verband met het ‘ENE LEVEN’. Uit het Onbekende Ene, het oneindige GEHEEL, komt de gemanifesteerde ENE of de periodieke manvantarische godheid voort, en deze is het universele denkvermogen dat, gescheiden van zijn bron, de demiurg of de scheppende logos van de westerse kabbalisten is, en de Brahmâ met de vier gezichten van de hindoereligie.
144: De drie stappen staan metafysisch in verband met de neerdaling van de geest in de stof, met de logos die als een straal valt in de geest, daarna in de ziel en tenslotte in de fysieke vorm van de mens, waarin hij LEVEN wordt.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 6 Onze wereld, haar groei en ontwikkeling (p. 166):
In de esoterie van de Vedanta is daiviprakriti, het door Eswara – de logos – gemanifesteerde licht, tegelijk de moeder en de dochter van de logos, of het woord, van Parabrahmam. In de esoterie van de leringen van over de Himalaja is zij echter – in de hiërarchie van de allegorische en metafysische theogonie – ‘de MOEDER’ of abstracte ideële stof, Mulaprakriti, de wortel van de Natuur; – van metafysisch standpunt staat zij in verband met adi-bhuta, gemanifesteerd in de logos, Avalokiteshvara; – en uit een zuiver occult en kosmisch oogpunt met fohat, de ‘zoon van de zoon’, de androgyne energie die voortkomt uit dit ‘licht van de logos’ en die zich op het gebied van het objectieve Heelal manifesteert als de verborgen en ook als de zichtbaar gemaakte elektriciteit – die het LEVEN is.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7, De voorvaderen van de mens op aarde (p. 281):
Bij het bespreken en verklaren van de aard van de onzichtbare elementen en het bovengenoemde ‘oorspronkelijke vuur’, noemt Eliphas Lévi dit altijd het ‘astrale licht’. Het is voor hem ‘le grand agent magique’ en ongetwijfeld is dit zo, maar – slechts voorzover het om zwarte magie gaat, en op de laagste gebieden van wat wij ether noemen, waarvan akasa het noumenon is; en zelfs dit zou door orthodoxe occultisten als onjuist worden beschouwd. Het ‘astrale licht’ is eenvoudig het oudere ‘siderische licht’ van Paracelsus; en als men zegt dat ‘alles wat bestaat zich eruit heeft ontwikkeld en dat het alle vormen in stand houdt en reproduceert’, zoals hij schrijft, dan verkondigt men alleen in de tweede stelling de waarheid. De eerste is onjuist, want als alles wat bestaat door (of via) het astrale licht was ontwikkeld, dan is dit het astrale licht niet. Het laatste bevat niet alle dingen, maar weerspiegelt deze hoogstens. Eliphas Lévi schrijft:
‘Het grote magische agens is de vierde uitstraling van het levensbeginsel (wij zeggen: het is de eerste in het innerlijke en de tweede in het uiterlijke – ons Heelal), waarvan de zon de derde vorm is . . . want de dagster (de zon) is slechts de weerspiegeling en de stoffelijke schaduw van de centrale zon van de waarheid, die de verstandelijke (onzichtbare) wereld van de geest verlicht en die zelf maar een glans is, ontleend aan het ABSOLUTE.’
286: 46) In zijn voorwoord tot de ‘Histoire de la Magie’ zegt Eliphas Lévi hierover: ‘Door deze kracht staan alle zenuwcentra in geheime verbinding met elkaar; zij laat sympathie en antipathie ontstaan; door haar komen onze dromen tot stand; door haar worden de verschijnselen van het tweede gezicht en de bovennatuurlijke visioenen veroorzaakt. . . . Het astrale licht, werkend onder de drang van krachtige impulsen, vernietigt, verdicht, scheidt, breekt en verzamelt alle dingen. . . . God schiep het op die dag toen hij zei: fiat lux, en het wordt bestuurd door de egregores, d.w.z. de leiders van de zielen die de geesten van kracht en handeling zijn.’ Eliphas Lévi had eraan moeten toevoegen dat het astrale licht of de oorspronkelijke substantie, als deze al stof is, dat is wat licht, LUX wordt genoemd en esoterisch verklaard het lichaam van die geesten zelf is, en hun eigenlijke essentie. Ons stoffelijke licht is de manifestatie op ons gebied en de weerkaatste glans van het goddelijke licht dat uitstraalt van het gezamenlijke lichaam van degenen die de ‘LICHTEN’ en de ‘VLAMMEN’ worden genoemd. Maar geen andere kabbalist heeft ooit zoveel talent gehad om de ene tegenstrijdigheid op de andere te stapelen, en de ene paradox op de andere te laten volgen, en dat in dezelfde zin en in zo’n vloeiende taal, als Eliphas Lévi. Hij voert zijn lezer door de liefelijkste, welig bloeiende dalen, om hem tenslotte op een verlaten en kaal rotseiland te laten stranden.
De Geheime Leer Deel I, Samenvatting (p. 307):
Ze hebben echter allen recht op de dankbare eerbied van de mensheid, en de mens zou er steeds naar moeten streven de goddelijke evolutie van ideeën te bevorderen, door naar zijn beste kunnen een medewerker van de natuur te worden bij haar cyclische taak. Alleen het altijd onkenbare en ondoorgrondelijke Karana, de oorzaakloze oorzaak van alle oorzaken, zou zijn tempel en altaar moeten hebben op de heilige en nooit betreden grond van ons hart – onzichtbaar, ongrijpbaar, onuitgesproken behalve door ‘de zwakke stem’ van ons geestelijke bewustzijn. Zij die dit vereren, behoren dat te doen in de stilte en de geheiligde eenzaamheid van hun ziel4, terwijl ze hun geest tot enige bemiddelaar maken tussen hen en de universele geest, hun goede daden tot de enige priesters en hun zondige bedoelingen tot de enige zichtbare en objectieve offers aan de Tegenwoordigheid. (Zie Afdeling II, ‘Over de verborgen godheid’.)
4) ‘En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars . . . maar ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bidt tot uw Vader in het verborgene’ (Matth. VI). Onze vader is in ons ‘in het verborgene’, ons zevende beginsel, in de ‘binnenkamer’ waar de ziel wordt waargenomen. ‘Het koninkrijk der hemelen’ en van God ‘is binnenin ons’, zegt Jezus, niet buiten ons. Waarom zijn de christenen zo volkomen blind voor de duidelijke betekenis van de woorden van wijsheid, die zij zo graag mechanisch herhalen?
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 5 Over de verborgen Godheid, haar symbolen en tekens (p. 382):
In de Zohar is En-Soph ook het ENE, en de oneindige Eenheid. Dit was bekend aan die enkele geleerde kerkvaders, die zich ervan bewust waren dat Jehova slechts een macht van de derde rang was en geen ‘hoogste’ God. Maar hoewel Irenaeus zich bitter over de gnostici beklaagt en zegt . . . ‘onze ketters beweren . . . dat PROPATOR alleen bekend is aan de eniggeboren zoon1 (die o.a. Brahmā is), dat wil zeggen aan de geest’ (nous), heeft hij nooit gezegd dat de joden hetzelfde deden in hun werkelijk geheime boeken. Valentinus, ‘de geleerdste kenner van de gnosis’, beweerde dat ‘er een volmaakte AION was die bestond vóór Bythos of Buthon (de eerste vader van de onpeilbare natuur, die de tweede logos is) en die Propator wordt genoemd’. AION ontspringt dus als een straal aan Ain-Soph (die niet schept) en AION schept, of liever door hem wordt alles geschapen of ontwikkeld. Want, zoals de volgelingen van Basilides leerden, ‘er was een hoogste god, Abraxax, door wie het denkvermogen werd geschapen’ (mahat in het Sanskriet, nous in het Grieks). ‘Uit het denkvermogen kwam logos, het woord, voort, uit het woord de voorzienigheid (of beter: het goddelijke licht), en daaruit vervolgens deugd en wijsheid in Vorsten, Machten, Engelen, enz.’.
384: Deze eerste zin heeft al een dubbele betekenis. Waarom zou de wereld een vrouwelijke figuur gemakkelijker verdragen of aanhoren dan een mannelijke? Op het eerste gezicht lijkt dit onzinnig. Maar voor iemand die bekend is met de mysterietaal, is het heel eenvoudig en duidelijk. De esoterische filosofie of de Geheime Wijsheid werd gesymboliseerd door een vrouwelijke vorm, terwijl een mannelijke figuur het ontsluierde mysterie voorstelde. Daarom kon de wereld, die niet gereed was de mannelijke vorm te ontvangen, deze niet verdragen, en moest de Openbaring van Marcus allegorisch worden meegedeeld. Hij schrijft dan:
‘Toen het onbegrijpelijke, het zijnloze en geslachtloze (het kabbalistische Ain-Soph) eerst in barensnood kwam (dat is, toen het uur waarop het zich moest manifesteren, had geslagen) en wenste dat zijn Onuitsprekelijke zou worden geboren (de eerste logos, aeon of aion) en dat zijn onzichtbare met vorm zou worden bekleed, opende het zijn mond en sprak het woord dat aan dit onbegrijpelijke gelijk is. Dit woord (logos) manifesteerde zich in de vorm van de Onzichtbare. Het uiten van de (onuitsprekelijke) naam (door middel van het woord) geschiedde op deze manier. Hij (de opperste logos) sprak het eerste woord van zijn naam uit, dat een lettergreep van vier letters is.
H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 12 De theogonie van de scheppende goden (p. 467):
Dit zal de onderzoeker helpen begrijpen waarom Pythagoras de godheid (de logos) als het centrum van eenheid en de ‘bron van harmonie’ beschouwde. Wij zeggen dat deze godheid de logos was, niet de monade, die in eenzaamheid en stilte woont, omdat Pythagoras leerde dat de EENHEID, die immers ondeelbaar is, geen getal is. En daarom werd ook van de kandidaat, die zich aanmeldde voor toelating tot zijn school, verlangd dat hij als voorbereiding daarop de rekenkunde, sterrenkunde, meetkunde en muziek had bestudeerd, die als de vier onderdelen van de wiskunde werden beschouwd. Dit verklaart verder waarom de pythagoreeërs beweerden dat de leer van de getallen – in de esoterie de belangrijkste – door de hemelse godheden aan de mens was geopenbaard; dat de wereld uit de Chaos tevoorschijn was geroepen door geluid of harmonie, en opgebouwd volgens de beginselen van de muzikale verhoudingen; dat de zeven planeten die het lot van de stervelingen beheersen, een harmonieuze beweging hebben ‘en intervallen die overeenkomen met die in de muziek, waardoor verschillende geluiden ontstaan, die zo volmaakt harmonieus zijn dat ze de liefelijkste melodie voortbrengen, die voor ons onhoorbaar is, alleen al door de grootsheid van het geluid, dat onze oren niet kunnen opvangen’. (Censorinus.)
469: De beste metafysische definitie van de oorspronkelijke theogonie in de geest van de aanhangers van de Vedanta kan men vinden in de Notes on the Bhagavad-Gita door T. Subba Row. (Zie Theosophist van februari 1887.) Parabrahmam, het onbekende en het onkenbare, zoals de spreker zijn toehoorders meedeelt:
‘. . . Is geen ego, en ook geen niet-ego, en evenmin bewustzijn . . . het is zelfs niet atma’ . . . ‘maar hoewel zelf geen voorwerp van kennis, is het toch in staat als basis en oorzaak te dienen voor alle soorten objecten en alle soorten bestaan die een voorwerp van kennis worden. Het is de ene essentie, waaruit een centrum van energie tot bestaan komt . . .’, dat hij logos noemt.
470: En de spreker legt aan de hand van een mooie vergelijking uit wat hij bedoelt met deze werking van iets dat niets is, hoewel het het AL is. Hij vergelijkt de logos met de zon, waaruit licht en warmte stralen, maar waarvan de energie, het licht en de warmte in een onbekende toestand in de Ruimte bestaan en alleen als zichtbaar licht en warmte door de Ruimte worden verspreid, waarbij de zon daarvan slechts het agens is. Dit is de eerste drievoudige hypostase. De viervoudige wordt gevormd door het energie gevende licht dat door de logos wordt uitgestraald.
De Hebreeuwse kabbalisten geven het weer in een vorm die esoterisch met die van de Vedanta overeenkomt. Zij leerden dat AIN-SOPH niet kon worden begrepen of gelokaliseerd of genoemd, hoewel het de oorzaakloze oorzaak van alles is. De naam – AIN-SOPH – is dus een ontkenning, ‘het ondoorgrondelijke, het onkenbare en het onnoembare’. Zij stelden het daarom voor als een grenzeloze cirkel, een bol, waarvan het menselijke verstand met de grootste inspanning alleen nog maar de welving kon waarnemen. Met de woorden van iemand die veel van het kabbalistische stelsel heeft ontraadseld, en wel heel diepgaand in een van de betekenissen ervan, in zijn numerieke en meetkundige esoterie: ‘Sluit uw ogen en probeer vanuit uw eigen waarnemingsbewustzijn in elke richting tot de uiterste grenzen te denken. U zult ontdekken dat lijnen of stralen van waarneming zich in alle richtingen even ver uitstrekken, zodat de uiterste inspanning van het waarnemingsvermogen zal eindigen in de welving van een bol. De begrenzing van deze bol zal een grote cirkel moeten zijn, en de directe gedachtestralen naar alle richtingen moeten rechtlijnige stralen van de cirkel zijn. Dit moet dan menselijkerwijs gesproken het uiterste, alomvattende begrip van het gemanifesteerde Ain-Soph zijn, dat tot uitdrukking komt als een meetkundige figuur, namelijk als een cirkel met zijn gekromde omtrek en rechte middellijn, die in stralen is verdeeld. Daarom is een meetkundige figuur de eerste herkenbare schakel tussen het Ain-Soph en het verstand van de mens.’
476: Bij het begin van elke cyclus van 4.320.000 daalden de zeven (of volgens enkele volkeren acht) grote goden af om de nieuwe orde van zaken te vestigen en de stoot te geven tot de nieuwe cyclus. Die achtste god was de verbindende cirkel of LOGOS, in het exoterische dogma van zijn menigte afgescheiden en afgezonderd, evenals de drie goddelijke hypostasen van de oude Grieken nu in de kerken als drie afzonderlijke personen worden beschouwd.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 13 De zeven scheppingen (p. 491/492):
Dit ‘eerstgeboren achttal’ was (a) in de theogonie de tweede logos (de gemanifesteerde), omdat hij was geboren uit de zevenvoudige eerste logos, daarom is hij de achtste op dit gemanifesteerde gebied; en (b) bij de sterrenaanbidding was het de zon, Mārttanda – de achtste zoon van Aditi, die door haar wordt verstoten, terwijl zij haar zeven zonen, de planeten, behoudt. Want de Ouden hebben de zon nooit als een planeet beschouwd, maar als een centrale en vaste ster. Dit is dan het tweede zevental, geboren uit de zevenstralige, Agni, de zon en wat al niet meer, maar niet de zeven planeten, die de broeders van Surya zijn en niet zijn zonen.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 11 Over elementen en atomen (p. 627):
De hedendaagse natuurkunde heeft, toen zij aan de Ouden haar atoomtheorie ontleende, één punt, het belangrijkste van de leer, vergeten; daarom kreeg zij alleen de schil en zal nooit tot de kern kunnen doordringen. Zij liet, toen zij de fysieke atomen overnam, het veelbetekenende feit buiten beschouwing dat van Anaxagoras tot Epicurus, de Romein Lucretius en tenslotte zelfs tot Galileo, al die filosofen min of meer in BEZIELDE atomen geloofden, niet in onzichtbare deeltjes van zogenaamde ‘redeloze’ stof.
629/630: De monade – inderdaad een ‘ondeelbaar ding’, zoals deze door Good werd omschreven, die het woord niet de huidige betekenis gaf – wordt hier weergegeven als de ātman in vereniging met de buddhi en het hogere manas. Deze drie-eenheid is één en eeuwig, want de laatstgenoemde worden na de beëindiging van al het voorwaardelijke en bedrieglijke leven in het eerstgenoemde opgenomen. De monade kan dus alleen vanaf het beginstadium van het gemanifesteerde Heelal worden gevolgd op haar pelgrimstocht en bij de wisselingen van haar tijdelijke voertuigen. In de pralaya of de periode tussen twee manvantara’s verliest zij haar naam, evenals zij deze verliest als het werkelijke ENE zelf van de mens opgaat in Brahman, in gevallen van hoge samādhi (de turīyatoestand) of een uiteindelijk nirvāna; ‘als de leerling’ in de woorden van Śankara ‘dat oer-bewustzijn, die absolute gelukzaligheid heeft bereikt, waarvan de aard de waarheid is, die zonder vorm en actie is, en zijn bedrieglijke lichaam achterlaat dat door de ātman was aangenomen, zoals een speler een (gebruikt) kledingstuk aflegt’. Want buddhi (het ānandamaya omhulsel) is alleen maar een spiegel die absolute gelukzaligheid weerkaatst; en bovendien is die weerkaatsing zelf nog niet vrij van onwetendheid, en zij is niet de opperste geest, omdat zij afhankelijk is van voorwaarden, want zij is een geestelijke modificatie van prakriti en een gevolg; alleen ātman is de enige echte en eeuwige grondslag van alles – de essentie en absolute kennis – de kshetrajña7.
7) Nu de herziene vertaling van de evangeliën is verschenen en de grofste fouten van de oude vertalingen zijn verbeterd, zal men de woorden in Johannes v, vi en vii beter begrijpen: ‘Het is de geest die getuigenis aflegt, omdat de geest de waarheid is.’ De woorden die volgen in de onjuist vertaalde versie over de ‘drie getuigen’ – waarvan men tot dusver aannam dat ze ‘de Vader, het Woord en de Heilige Geest’ betekenen – geven de werkelijke bedoeling van de schrijver (Johannes) heel duidelijk aan, en doen zo zijn lering in dit opzicht nog sterker overeenkomen met die van Śankarāchārya. Want wat kan de zin ‘er zijn er drie die getuigenis afleggen: de geest en het water en het bloed’ betekenen, als zij geen verband houden met of betrekking hebben op de meer filosofische uitspraak van de grote Vedāntaleraar die, als hij spreekt over de omhulsels (de beginselen van de mens) jīva, vijñānamaya, enz., die in hun fysieke manifestatie ‘water en bloed’ of leven zijn, eraan toevoegt dat alleen ātman (geest) overblijft na het wegnemen van de omhulsels en dat dit de ENIGE getuige of samengevatte eenheid is. De minder spirituele en filosofische school, die alleen oog had voor een drie-eenheid, maakte van ‘één’ getuige er drie, en bracht deze zo meer met de aarde dan met de hemel in verband.
630/631: Volgens het esoterische en zelfs het exoterische boeddhisme van het noorden, zendt Ādi-Boeddha (Chogi dangpoi sangye), het Ene onbekende, zonder begin of einde, gelijk aan Parabrahman en Ain-Soph, uit zijn duisternis een heldere straal uit.
Dit is de logos (de eerste) of Vajradhara, de allerhoogste Boeddha (ook Dorjechang genoemd). Als Heer van alle mysteriën kan hij zich niet manifesteren, maar hij zendt zijn hart – het ‘diamanten hart’, Vajrasattva (Dorjesempa) – de wereld van manifestatie in. Dit is de tweede logos van de schepping, uit wie de zeven (volgens de exoterische sluier de vijf) Dhyāni-Boeddha’s voortkomen, die de aupapāduka worden genoemd, ‘de ouderlozen’. Deze Boeddha’s zijn de oorspronkelijke monaden uit de wereld van het onlichamelijke zijn, de arūpa-wereld, waarin de intelligenties (alleen op dat gebied) in het exoterische systeem geen vorm en geen naam hebben, maar in de esoterische filosofie hebben ze wel hun zeven afzonderlijke namen. Deze Dhyāni-Boeddha’s emaneren of scheppen door de kracht van dhyāna uit zichzelf hemelse Zelven – de bovenmenselijke bodhisattva’s. Deze incarneren als stervelingen aan het begin van iedere menselijke cyclus op aarde en worden in incidentele gevallen, dankzij hun persoonlijke verdienste, bodhisattva’s onder de zonen van de mensheid, waarna zij opnieuw als mānushi- (menselijke) Boeddha’s kunnen verschijnen.
632: In het noordelijke boeddhistische stelsel, of de exoterische volksreligie, wordt geleerd dat elke Boeddha, terwijl hij op aarde de goede wet predikt, zich gelijktijdig in drie werelden manifesteert: in de vormloze als Dhyāni-Boeddha, in de wereld van de vormen als een
bodhisattva en in de wereld van de begeerte, de laagste (of onze wereld) als een mens. De esoterische leer is anders: de goddelijke, zuiver ādi-buddhische monade manifesteert zich als het universele buddhi (de mahā-buddhi of mahat in de hindoefilosofieën), de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van goddelijke intelligentie, de hoogste anima mundi of de logos. Deze daalt neer ‘als een vlam die zich vanuit het eeuwige vuur verspreidt, onbeweeglijk en zonder toe of af te nemen, steeds dezelfde tot het einde’ van de cyclus van het bestaan en wordt op het gebied van de wereld het universele leven. Uit dit gebied van bewust leven schieten, als zeven vurige tongen, de zonen van het licht (de logoi van het leven). Daarna komen de Dhyāni-Boeddha’s van de contemplatie: de concrete vormen van hun vormloze vaders – de zeven zonen van het licht, die nog zichzelf zijn. Op hen kan het brahmaanse mystieke gezegde ‘U bent ‘DAT’ – Brahman’ worden toegepast. Deze Dhyāni-Boeddha’s stralen hun chhāyā’s (schaduwen) uit, de bodhisattva’s van de hemelse rijken, de oervormen van de bovenaardse bodhisattva’s en van de aardse Boeddha’s en tenslotte van de mensen. De ‘zeven zonen van het licht’ worden ook ‘sterren’ genoemd.
De Geheime Leer Deel I,hoofdstuk 13 De moderne nevelvlektheorie (p. 650):
Om van de wetenschap een alomvattend geheel te maken, is het inderdaad nodig zowel de spirituele en psychische als de fysieke Natuur te bestuderen. Anders zal het altijd met haar gaan zoals met de anatomie van de mens, die vanouds door de niet-ingewijden werd benaderd vanuit het standpunt van zijn omhulsel, terwijl zij van het inwendige niets wisten. Zelfs Plato, de grootste filosoof van zijn land, maakte zich vóór zijn inwijding schuldig aan beweringen als zouden vloeistoffen door de longen in de maag terecht komen. Zonder metafysica is werkelijke wetenschap niet toelaatbaar, zoals H.J. Slack zegt.
651/652: Het is de plicht van de occultist zich bezig te houden met de ziel en de geest van de kosmische Ruimte en niet alleen met haar bedrieglijke uiterlijk en gedrag. De officiële natuurwetenschap heeft als plicht om haar omhulsel – volgens het materialisme het Ultima Thule van het Heelal en de mens – te analyseren en te bestuderen.

De Geheime Leer Deel II Stanza 1 HET BEGIN VAN BEWUST LEVEN (p. 23):
(b) Deze uitdrukking laat in duidelijke taal zien dat de beschermgeest van onze bol, die de vierde is in de keten, ondergeschikt is aan de opperste geest (of god) van de zeven planeetgenii of -geesten. Zoals al is uiteengezet, hadden de Ouden in hun lange lijst van goden zeven opperste mysteriegoden, van wie de hoofdgod exoterisch de zichtbare zon of de achtste was, en esoterisch de tweede logos, de Demiurg.
25: In zijn eerste gemanifesteerde aspect hebben wij het zien worden: (1) in de sfeer van objectiviteit en fysica, de oorspronkelijke substantie en kracht (middelpuntzoekend en middelpuntvliedend, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, enz.); (2) in de wereld van de metafysica, de GEEST VAN HET HEELAL of kosmische verbeeldingskracht, door sommige de LOGOS genoemd.
Deze LOGOS is de top van de driehoek van Pythagoras. Wanneer de driehoek volledig is, wordt hij de Tetraktis, of de driehoek in het vierkant, en wordt het tweevoudige symbool van het vierletterige tetragrammaton in de gemanifesteerde Kosmos, en van zijn fundamentele drievoudige STRAAL in het niet-gemanifesteerde, of zijn noumenon.
26: De ‘hemelse mens’ (tetragrammaton) die de protogonos is, tikkoun, de eerstgeborene uit de passieve godheid en de eerste manifestatie van de schaduw van die godheid, is de universele vorm en idee, die de gemanifesteerde logos, Adam Kadmon, voortbrengt, of in de Kabbala het vierletterige symbool van het Heelal zelf, ook de tweede logos genoemd. De tweede komt voort uit de eerste en ontwikkelt de derde driehoek (zie de sephirothboom); en uit de laatste (de lagere menigte van engelen) worden MENSEN voortgebracht. Dit derde aspect zullen wij nu behandelen.
Bovendien werd de mens in verschillende stelsels als de derde logos beschouwd. De esoterische betekenis van het woord logos (spraak of woord, verbum) is het weergeven van de verborgen gedachte in een objectieve uitdrukking, zoals in een foto. De logos is de spiegel die het GODDELIJKE DENKVERMOGEN weerkaatst, en het Heelal is de spiegel van de logos, hoewel de laatste het zijn van dat Heelal is. Zoals de logos alles in het Heelal van Pleroma weerkaatst, zo weerkaatst de mens in zichzelf alles wat hij ziet en vindt in zijn Heelal, de aarde. Het zijn de drie hoofden van de Kabbala: ‘Unum intra alterum, et alterum supra alterum’ (Zohar, Idra Suta, sec. VII). ‘Elk Heelal (wereld of planeet) heeft zijn eigen logos’, zegt de leer.
De Geheime Leer Deel II Stanza 5 De evolutie van het tweede ras - De goddelijke hermafrodiet (p. 142):
De ‘Heer’ is Adam Kadmon, de ‘vader’ van Yodcheva, ‘Adam-Eva’, of Jehova, de zoon van de zondige gedachte, niet de nakomeling van vlees en bloed. Anderzijds is Seth de leider en de voorvader van de rassen van de aarde; want hij is exoterisch de zoon van Adam, maar esoterisch de nakomeling van Kaïn en Abel, want Abel of Hebel is vrouwelijk, de tegenhanger en vrouwelijke helft van de mannelijke Kaïn, en Adam is de collectieve naam voor man en vrouw: ‘man en vrouw (zachar va nakobeh) schiep hij hen . . . en noemde hun naam Adam’. De verzen in Genesis van hfst. i tot v zijn voor kabbalistische doeleinden opzettelijk met elkaar verward. Na de MENS van Genesis hfst. i, 26 en Enos, de zoon van de mens van hfst. iv, 26, na Adam, de eerste androgyn, na Adam Kadmon, de geslachtloze (de eerste) logos, komen nadat Adam en Eva zijn gescheiden, tenslotte Jehova-Eva en Kaïn-Jehova. Deze stellen verschillende Wortelrassen voor, want tussen hen verliepen miljoenen jaren.

Blavatsky, Deel III (p. 591): De “oorspronkelijke driehoek” is de 2e Logos, die zich als een driehoek in de Derden Logos of hemelse mens weerkaatst en daarna verdwijnt. De Derde Logos, die het “vormende scheppingsvermogen” bevat, ontwikkelt de tetraktys uit den driehoek, en wordt zoodoende zeven, de scheppende kracht, die met den oorspronkelijke driehoek, die haar voortgebracht heeft, ene tienheid vormt. Als deze hemelse driehoek en tetraktys in het heelal van stof weerkaatst zijn in den vorm vd astralen, paradigmatische mens, zijn zij omgekeerd, en wordt de driehoek of de vormende kracht onder de vierheid geworpen, met zijn spits naar omlaag gekeerd; de Monade van deze astrale paradigmatische mens is zelf een driehoek die tot de vierheid en de driehoek in dezelfde verhouding staat als de oorspronkelijke driehoek (2e Logos) tot de hemelse mens (3e Logos). Vandaar de zinsnede: “de bovenste driehoek …..is in de mens van stof onder de zeven geplaatst”. Ook hier vormen het punt dat den driehoek beschrijft, de Monade die den drieheid wordt met de vierheid en de lagere scheppende driehoek, de tienheid of het volmaakte getal. “Zoo omhoog, zoo omlaag”.
Blavatsky, Deel III (p. 620): Âtmâ-Buddhi-Manas in de mens komt overeen met de drie Logoi in de Kosmos (zie p. 9 Evolutie en Involutie). Zij komen niet slechts overeen, doch ieder hunner is de uitstraling van de Kosmos in de microkosmos.
Blavatsky, Deel III (p. 621): Vijf (Linga-sarira, Prana, Kama-Manas, Manas en Buddhi) blijven er over onder de uitstraling van Âtmâ (Avatar). Vervolgens wordt de lagere vierheid (1 t/m 4) als louter stof, objectieve begoocheling, beschouwd en blijven Manas en het aurische ei over, terwijl de hogere beginselen weerkaatst worden in het ei. Bij al deze stelsels zij men het hoofdfiguur indachtig, het nederdalen en weder opstijging van de geest, zowel in de mens als in de Kosmos. De geest wordt als het ware door geestelijke zwaartekracht omlaag getrokken.

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel I, Hoofdstuk 4 VAN OORSPRONKELIJK PUNT TOT HEELAL EN MENS. HOE BEGINT DE MANIFESTATIE? MANVANTARA EN PRALAYA.:
Voor we verder gaan is het nodig even stil te staan bij wat we met de woorden manvantara en pralaya bedoelen. Laten we eerst het woord manvantara nemen. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat niets anders betekent dan tussen twee manu’s; letterlijk ‘manu-tussen’. Manu, of dhyâni-chohan, omvat in het esoterische stelsel de gezamenlijke entiteiten die aan het begin van de manifestatie het eerst verschijnen en waaruit, als uit een kosmische boom, alles voortkomt of wordt geboren. Manu is in werkelijkheid de (geestelijke) levensboom van een planeetketen, van het gemanifesteerde zijn. Manu is daarom in zekere zin de derde logos; zoals de tweede de vader-moeder is, de Brahmâ en de prakriti; en de eerste is wat we de ongemanifesteerde logos noemen, of brahman (onzijdig) en zijn kosmische sluier pradhâna.
Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel II, Hoofdstuk 31 (hoofdstuk bevat diagram met zes kolommen):
We hebben hier zes kolommen, die analoge gevallen van ontwikkeling van de kosmos en van de mens voorstellen. Eerst krijgen we wat we de esoterische reeks kunnen noemen: links hiervan hebben we de getallen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 geplaatst, die de volledige hiërarchie van tien stadia of graden vertegenwoordigen. De volgende kolom vermeldt de brahmaanse tattva’s. Tattva is een Sanskrietwoord dat kan worden vertaald met ‘element’ en dat de substantiële ‘werkelijkheid’ achter de uiterlijke schijn betekent, waar het zaadbewustzijn op inwerkt; het kleed of de drager van dit bewustzijn. Dan komen in de volgende kolom de elementen, zoals die overal in de oudheid werden opgevat. Dan komt het mystiek Griekse stelsel, zoals dit meestal in de neoplatonische en neopythagorische filosofieën wordt aangetroffen. En tenslotte komt de verdeling van de wezens, die de evoluerende levensgolf of rivier van leven samenstellen, in twee algemene vormen, dhyâni-chohans en pitri’s.

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 keer bekeken.