Éne werkelijkheid, Energie en Informatie

Sun Tzu: Het toppunt van bekwaamheid is de vijand verslaan zonder te vechten.
Matteüs (18,20): Waar twee of drie verenigd zijn in mijn naam, ben Ik in hun midden.
P. Krishna: De wanorde die we om ons heen zien in de maatschappij is een projectie van de wanorde die aanwezig is in het menselijk bewustzijn.
Fred Matser: De chaos in de wereld (‘om-geving’) is een reflectie van de wanorde in onze hoofden en harten (‘in-geving’).
 

Blauwdruk (Monade, 'Macrokosmos en Microkosmos', Mercabah, Eeuwige wederkeer)

H.P. Blavatsky: Satyat Nasti Paro Dharma (No Religion Higher Than Truth)

I._K._Taimni boek De Mens, God en het Universum
Is de mens, zoals sommigen stellen, een toevallige indringer in een in essentie vijandige wereld? Is hij tot zelfvernietiging voorbestemd door zijn eigen onbeteugelde begeerten en gewelddadigheid? Of schuilt zijn bestemming in het tot bloei brengen van de zaden van de ultieme Werkelijkheid die in de geheime plekken van zijn eigen wezen verborgen ligt en die hij in zichzelf moet ontdekken en koesteren? In dit diepzinnige en inspirerende boek neemt een wetenschapper en filosoof en specialist op het gebied van yoga een beslissend standpunt in.
De diepste interesse van de denkende mens moet ongetwijfeld liggen in de aard van, en de relatie tussen de drie grote factoren die in de titel van dit boek worden genoemd: de de mens, zijn oorsprong, zijn reden van bestaan en zijn bestemming; God, niet als een op een mens gelijkende godheid, maar als de bron van al het leven en elk wezen; en het universum, de omgeving waarin het verbazingwekkende schouwspel van de evolutie – zowel de goddelijke als de menselijke – wordt opgevoerd. Ondanks de verheven reikwijdte van de ideeën die in dit boek worden aangeboden, zijn ze eenvoudig te begrijpen door hun helderheid van presentatie en door de vele diagrammen en tabellen waarmee zij worden toegelicht. De verhelderende synthese van oosterse en westerse benaderingswijzen zou het boek de moeite waard moeten maken voor nadenkende mensen over de gehele wereld.

Feyerabend over rationaliteit en werkelijkheid (Jan Riemersma):
Hoogmoed
Het idee dat onze rationaliteit krachtig genoeg is om de gehele werkelijkheid in kaart te brengen, is volgens Feyerabend hoogmoedig (en zorgelijk!). Als Feyerabend gelijk heeft, dan zal de natuurkunde vroeg of laat verzanden in een tamelijk onoverzichtelijke wirwar aan denkbeelden, theorieën, weetjes, en gissingen, waar geen eenheid in te ontdekken valt. Wie wil begrijpen hoe de wereld ‘echt’ in elkaar zit doet er beslist verstandig aan om óók te luisteren naar mystici, filosofen en theologen (uit alle tradities). Een overvloedige werkelijkheid leent zich, aldus Feyerabend, voor een veelzijdige benadering [4].

Tegen de Methode, door Paul Feyerabend, vert. Marjolein Stoltenkamp, Lemniscaat,\\ Als Galilei een degelijke wetenschapper was geweest, zouden we nu nog steeds geloven dat de zon om de aarde draait. Volgens wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend bestaat er geen vooruitgang zonder radicale rebellie.
Waar Aristoteles nog een totaalvisie had op de mens, de wereld en het goede leven, concentreerde Galilei zich op de plek van de zon en de aarde en liet hij een morel vacuüm achter. Daarom schrijft Feyerabend over de clerus: ‘Haar aanklacht tegen Galilei was rationeel.’ In dit controversiële citaat ligt de tweede bestaansreden van Tegen de methode: de schrijver verzet zich uit alle macht tegen de verstikkende werking van een overspannen vertrouwen in de wetenschap. Andere menselijke tradities hebben ook bestaansrecht. Feyerabend foetert op docenten die gebruik maken ‘van universitaire graden en angst om de hersenen van de jongeren te vormen, totdat ze ieder onsje verbeeldingskracht kwijt zijn’, en betreurt het verlies van culturele verscheidenheid. ‘De ‘vooruitgang van kennis en beschaving (…) heeft die wonderbaarlijke resultaten van de menselijke vindingrijkheid en mededogen vernietigd zonder ze ook maar een blik waardig te keuren.’

Het beest komt! (Antoine Verbij De Groene Amsterdammer 19 mei 1999):
Willem J. Ouweneel (1944) begon als bioloog en belandde via de filosofie in de theologie. Hoe komt iemand erbij om het pad der wetenschap te verlaten teneinde prediker van de apocalyps te worden?
Antoine Verbij's volgende stap was een pleidooi voor een kritische reflectie op de wetenschap, een vertoog dat moest laten zien dat in de wetenschap de dingen niet zo eenvoudig liggen als al die naïeve visies veronderstellen. Voor dat vertoog leverden liberale wetenschapsfilosofen als Karl Popper, Thomas Kuhn en Paul Feyerabend goede diensten: zij lieten zien dat aan alle wetenschapsbeoefening fundamentele keuzen voorafgaan, keuzen die zelf niet meer met wetenschappelijke middelen te verantwoorden zijn. Op die manier kwam de weg vrij om met filosofische argumenten een neomarxistische visie te bepleiten. Precies dezelfde weg bewandelt Ouweneel in zijn Inleiding tot een christelijke wetenschapsleer. Met groot strategisch gemak zet hij liberale denkers over wetenschap, ja zelfs postmoderne denkers als François Lytoard, in bij zijn aanval op het naïeve zelfbewustzijn van het merendeel der wetenschappers. Je kunt wetenschap niet op wetenschap funderen, betoogt hij, aan alle wetenschap gaan geloofsdaden vooraf. Dat begint al bij het geloof in de betrouwbaarheid van de zintuigen en van het logisch denken, en het geloof dat de wereld door traceerbare wetten wordt geregeerd.
In een gesprek met mij fulmineerde Ouweneel tegen gevierde wetenschappers als Stephen Hawking, die beweert dat als we eenmaal de Unified Theory over het heelal hebben, we volledig inzicht hebben in de mind of God, en hij ging tekeer tegen Nobelprijswinnaar Paul Davies, die in de natuurkunde een zekerder weg naar God ziet dan in religie. ‘Dat vind ik zo onnozel, zo'n wetenschapsfilosofische onzin! Dan heeft Paul Feyerabend groot gelijk wanneer hij zegt dat geen instelling zo religieus, zo dogmatisch en zo agressief is als de wetenschap.’

Wetenschap - Religie – Waarheid
Teilhard komt tot de vaststelling dat wetenschap en religie niet alleen met elkaar te verzoenen zijn maar elkaar in zeker opzicht als partners versterken. Hij zag ‘stof’ en ‘geest’ als twee facetten van éénzelfde werkelijkheid, als een bipolariteit van die éne werkelijkheid, als ‘une bifacialité et une biaxalité’ van de grondstof van de werkelijkheid, oftewel: ‘monoduaal’[18]. Meer dan ooit voelen we het mysterie der dingen aan. De wereld brengt ons op een volstrekt nieuwe manier weer tot verwondering. De ontdekkingen van de wetenschap op het gebied van de elementaire deeltjes en de kosmologie zijn zo betoverend, dat we van de ene verwondering in de andere vallen.
Prigogine voegt er echter waarschuwend bij “Maar we moeten het nog wel eerst eens worden over wat we met ‘eenheid’ bedoelen! Aan het einde van deze eeuw gekomen moeten wij namelijk gewetensvol de diversiteit van het pluralisme aanvaarden. Het zoeken naar een te sterke eenheid, vaak ingevuld als uniformiteit, heeft de mens en zijn geschiedenis veel kwaad berokkend omdat het vaak gepaard ging met een gevoel van superioriteit en van totalitair denken. En dat moeten we met alle middelen zien te vermijden.” [19] Hij zei dat zo’n 20 jaar vóór nine/eleven, maar ook hij zou moeten toegeven dat je op dat gebied niet alles kunt vermijden. En al eerder hadden we dit thema besproken: Nog té veel mensen zijn bevangen van een totalitair, autoritair of fascistisch geloofssysteem, compleet met trekken van grandiositeit, suprematie, en van een ontwijfelbaar triomfalisme. De geschiedenis heeft ons veel geleerd over de gevolgen van een bundeling van deze mentaliteiten en het ontstaan van totalitaire regimes, ook al vestigt zo’n regime zich met een radicale dodingscultuur in een guerrilla van ‘cellen’ in wereldwijd verborgen netwerken.

De éne werkelijkheid is dat het universum in het menselijke bewustzijn wordt weerspiegeld. De driehoek van Pythagoras en de categorieën van Aristoteles symboliseren al hoe de innerlijke wereld met de uiterlijke wereld, 'Wat en Hoe; Hoe en Wat' met elkaar worden verbonden.
De éne werkelijkheid, de reflecties van de metafysica op de werkelijkheid vormen een coherent symmetrisch geheel.

De éne werkelijkheid, de eeuwige wederkeer beweging drukt de eenheid uit. Teilhard de Chardin: Alles divergeert en moet ook weer convergeren, zich samensluiten. Het bewustwordingsproces bestaat uit de uitwisseling tussen het vrouwelijk en het mannelijk, tussen 'Chaos, Gaia en Eros' en het 'Goede, Ware en Schone', tussen de lagere en de hogere Triade, tussen chaos en harmonie, tussen materie en geest, tussen begin en het einde, tussen Alpha en Omega.

De éne werkelijkheid heeft net als bij Ayurveda op de "kennis van het leven", de oerbron En-soph betrekking. De oerbron manifesteert zich door het eeuwige nu.
De verticale as (Axis_mundi, de Staf van Hermes, de staf van Mercurius, Sutratman, De Caduceus, Esculaap, de verborgen 5e Dimensie) toont ook de middenzuil van de levensboom. De Staf van Hermes wordt beschouwd als de sleutel en de weg van persoonlijke (spirituele) ontwikkeling.

H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 3/4):
Dit is het gebied waar de manifestaties van het manvantara beginnen, want in deze ZIEL sluimert tijdens de pralaya de goddelijke gedachte, waarin het plan van iedere toekomstige kosmogonie en theogonie verborgen ligt.
44/45: Parabrahm (de ene Werkelijkheid, het Absolute) is het gebied van het absolute bewustzijn, dat is die essentie die geen enkel verband heeft met het voorwaardelijke bestaan en waarvan het bewuste bestaan een voorwaardelijk symbool is. Maar zodra wij in gedachten afstappen van deze (voor ons) absolute ontkenning, treedt er tweevoudigheid op in de tegenstelling van geest (of bewustzijn) en stof, subject en object.
45: Geest (of bewustzijn) en stof moeten echter niet als onafhankelijke werkelijkheden worden beschouwd, maar als de twee facetten of aspecten van het Absolute (Parabrahm), die de basis vormen van het voorwaardelijke Zijn, hetzij subjectief of objectief.
Als wij deze metafysische triade beschouwen als de wortel waaruit alle manifestatie voortkomt, speelt de ‘grote adem’ de rol van vóórkosmische verbeeldingskracht. Deze is de ƒons et origo van de kracht en van ieder individueel bewustzijn en verschaft de leidende intelligentie in het omvangrijke kosmische evolutieplan.
Het zal dus duidelijk zijn dat de tegenstelling tussen deze twee aspecten van het Absolute essentieel is voor het bestaan van het ‘gemanifesteerde Heelal’. Zonder kosmische substantie zou de kosmische verbeeldingskracht zich niet kunnen manifesteren als individueel bewustzijn, omdat bewustzijn alleen door middel van een materieel voertuig19 te voorschijn komt als ‘ik ben ik’. Er is immers een stoffelijke grondslag nodig om een straal van het universele denkvermogen in een bepaald stadium van ingewikkeldheid ergens op te richten. Evenzo zou kosmische substantie zonder kosmische verbeeldingskracht een lege abstractie blijven en er zou geen bewustzijn uit voortkomen.
19) In het Sanskriet: ‘upadhi’.
45/46: Dit iets, dat tegenwoordig onbekend is in het westerse speculatieve denken, wordt door de occultisten fohat genoemd. Het is de ‘brug’ waardoor de ‘ideeën’ die in het ‘goddelijke denken’ bestaan, als ‘natuurwetten’ worden afgedrukt op de kosmische substantie. Fohat is dus de dynamische energie van de kosmische verbeelding, of, van de andere kant beschouwd, het intelligente medium, de leidende kracht van alle manifestatie, de ‘goddelijke gedachte’ die wordt overgebracht en openbaar gemaakt door de Dhyan-Chohans20, de architecten van de zichtbare wereld. Zo is ons bewustzijn afkomstig van de geest of de kosmische verbeelding; de verschillende voertuigen waarin dat bewustzijn wordt geïndividualiseerd en tot zelf- of reflectief bewustzijn komt, zijn afkomstig van de kosmische substantie; terwijl fohat in zijn verscheidene manifestaties de geheimzinnige schakel vormt tussen denkvermogen en materie, het bezielende beginsel dat ieder atoom tot leven prikkelt.
20) Door de christelijke theologie Aartsengelen, Serafijnen, enz. genoemd.
46: (4.) Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT of intelligentie, de universele wereldziel, het kosmische noumenon van de stof, de grondslag van de verstandelijke werkingen in en van de Natuur, ook genoemd MAHA-BUDDHI.
De ENE WERKELIJKHEID; haar tweevoudige aspecten in het voorwaardelijke Heelal.
H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel I, Stanza 1. De nacht van heelal (p. 71):
Maya of illusie is een element dat bij alle eindige dingen optreedt, want alles wat bestaat heeft alleen maar een relatieve en geen absolute werkelijkheid, omdat de vorm waarin het verborgen noumenon voor een waarnemer verschijnt, afhangt van zijn waarnemingsvermogen. Voor het ongeoefende oog van een barbaar is een schilderij eerst een zinloze wirwar van gekleurde strepen en klodders, terwijl een geoefend oog er onmiddellijk een gezicht of een landschap in ziet. Niets is blijvend, behalve het ene verborgen absolute bestaan dat in zichzelf de noumena van alle werkelijkheden bevat. De bestaansvormen die tot ieder gebied van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Chohan toe, hebben tot op zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 2 Het denbeeld van differentiatie (p. 84/85):
Om zich te bevrijden van het persoonlijke bestaan, op te gaan in en één te worden met het Absolute2 en in het volle bezit van paramartha te blijven, moet men beschikken over ‘een helder en door de persoonlijkheid niet verduisterd verstand’ en moet men ‘de verdiensten van verscheidene levens, gewijd aan het Zijn als geheel (het hele levende en bezielde Heelal) in zich hebben opgenomen’.
2) Daarom is Niet-zijn in de esoterische filosofie ‘ABSOLUUT Zijn’. Volgens haar leer is zelfs adi-budha (de eerste of oorspronkelijke wijsheid), wanneer deze is gemanifesteerd, in zekere zin een illusie, maya, want alle goden, met inbegrip van Brahma, moeten aan het eind van de ‘eeuw van Brahma’ sterven; alleen de abstractie die men Parabrahm noemt – of we die nu Ensoph of ‘het Onkenbare’ van Herbert Spencer noemen – is ‘de ene absolute’ Werkelijkheid. Het ene Enig Bestaande is ADVAITA, ‘zonder een tweede’, en al het andere is maya, leert de Advaita-filosofie.
86: (b) De term ‘adem’ van het ene Bestaan wordt door de archaïsche esoterie alleen toegepast op het geestelijke aspect van de kosmogonie; in andere gevallen wordt deze vervangen door de overeenkomstige term op het stoffelijke gebied: beweging. Het ene eeuwige Element, of elementbevattende voertuig, is Ruimte, in elke betekenis zonder dimensie; tegelijk daarmee bestaan eindeloze duur, oer- (en dus onvernietigbare) stof, en beweging – absolute ‘eeuwigdurende beweging’: de ‘adem’ van het ‘ene’ Element. Zoals wij hebben gezien, kan deze adem nooit ophouden, zelfs niet tijdens de eeuwigheden van pralaya (zie ‘Chaos, Theos, Kosmos’ in Afdeling II).
De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 149):
(a) Dit trekken van ‘spiraallijnen’ heeft betrekking op de evolutie van zowel de beginselen van de mens als die van de Natuur. Deze evolutie heeft geleidelijk plaats (zoals men zal zien in Deel II over ‘De oorsprong van de menselijke rassen’), evenals al het andere in de natuur. Hoewel volgens onze opvattingen het zesde beginsel in de mens (buddhi, de goddelijke ziel) alleen maar een adem is, is het toch iets stoffelijks vergeleken met de goddelijke ‘geest’ (atma), waarvan het de drager of het voertuig is. Fohat in zijn hoedanigheid van GODDELIJKE LIEFDE (Eros), het elektrische vermogen tot verwantschap en sympathie, wordt allegorisch weergegeven terwijl hij tracht de zuivere geest, de straal die onscheidbaar is van het ENE absolute, te verenigen met de ziel. Deze twee vormen in de mens de MONADE en in de Natuur de eerste schakel tussen het altijd onvoorwaardelijke en het gemanifesteerde. ‘De eerste is nu de tweede’ (wereld) – van de lipika’s – heeft betrekking op hetzelfde.
150: De getallen waarmee deze hemelse wezens in verband staan, zijn buitengewoon moeilijk te verklaren, omdat elk getal betrekking heeft op een aantal groepen van duidelijk verschillende denkbeelden, afhankelijk van juist die groep ‘engelen’ die erdoor moet worden weergegeven. Hierin ligt de knoop bij het bestuderen van de symboliek, die door zoveel geleerden, niet in staat deze te ontwarren, liever wordt doorgehakt, zoals Alexander deed met de Gordiaanse knoop, met als rechtstreeks gevolg foutieve opvattingen en leringen.
De ‘eerste is de tweede’, omdat de ‘eerste’ eigenlijk niet als de eerste kan worden geteld of beschouwd, want dat is het gebied van de noumena in de oorspronkelijke manifestatie daarvan: de drempel naar de wereld van de waarheid, of SAT, waardoor de directe energie die uitstraalt van de ENE WERKELIJKHEID – de naamloze godheid ons bereikt.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 15 Over kwan-shi-yin en kwan-yin (p. 514):
Laten wij besluiten met de lezer eraan te herinneren dat men, zonder het minste spoor van bijgeloof, kan geloven in de tweevoudige natuur van elk voorwerp op aarde – in de geestelijke en stoffelijke, de zichtbare en onzichtbare natuur, en dat de wetenschap dit feitelijk bewijst, hoewel zij haar eigen bewijsvoering ontkent. Want als, zoals Sir William Grove zegt, de elektriciteit waar we mee omgaan, slechts het gevolg is van beïnvloeding van gewone stof door iets onzichtbaars, het ‘uiteindelijke voortbrengende vermogen’ van elke kracht, de ‘ene alomtegenwoordige invloed’, dan is het niet meer dan natuurlijk dat men gelooft wat de Ouden geloofden, namelijk dat elk element tweevoudig van aard is.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 6 De maskers van de wetenschap (p. 575):
De oude ingewijden kenden geen ‘wonderbaarlijke schepping’, maar leerden de evolutie van atomen (op ons fysieke gebied) en hun eerste differentiatie uit laya tot de protyle, zoals Crookes de stof of de oersubstantie aan de andere zijde van de nullijn veelbetekenend heeft genoemd: daar waar wij de Mūlaprakriti plaatsen, het ‘wortel-beginsel’ van de wereldstof en van alles in de wereld.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 6 De maskers van de wetenschap (p. 562):
Het is waar dat zuivere kracht in de wereld van de natuurkunde niets is, maar het is ALLES op het gebied van de geest. Stallo zegt: ‘Als wij de massa waarop een gegeven kracht, hoe klein ook, inwerkt, reduceren tot haar limiet nul – of wiskundig uitgedrukt, totdat deze oneindig klein wordt – dan is het gevolg dat de snelheid van de resulterende beweging oneindig groot is en dat het ‘ding’ . . . op een willekeurig moment noch hier noch daar is, maar overal – dat het niet werkelijk aanwezig is. Het is daarom onmogelijk stof op te bouwen door een synthese van krachten’ (blz. 161).
Dit mag waar zijn in de wereld van de verschijnselen, voorzover de bedrieglijke weerspiegeling van de ene werkelijkheid van de bovenzinnelijke wereld waar mag lijken in de bekrompen opvattingen van een materialist. Het is volkomen onjuist, als de redenering wordt toegepast op dingen in wat de kabbalisten de bovenaardse sferen noemen.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 704):
De ware boeddhist, die geen ‘persoonlijke god’ en geen ‘vader’ en ‘schepper van hemel en aarde’ erkent, gelooft wel in een absoluut bewustzijn, ‘ādi-buddhi’; de boeddhistische filosoof weet dat er planeetgeesten zijn, de ‘Dhyāni-Chohans’.

Éne werkelijkheid, 'Ongemanifesteerd en Gemanifesteerd':

Ongemanifesteerd (Hogere Tetraktis) Triade:Gemanifesteerde (Lagere Tetraktis) Tetrade:
Synthese Hans Vincent en Frank Tipler:Esoterie:
- God = Scheppende Intelligentie,De Monade symboliseerde Eenheid, de staat van zijn vóór de schepping.
God representeert het ultieme verleden (Geheugen).
- Zoon = de materiële (aardse) werkelijkheid. De ZoonDe Duade symboliseerde de eerste beweging naar schepping;
vereenzelvigt met de singulariteit van de ultieme toekomst.de splitsing van de Monade in twee polariteiten.
- Heilige geest = evolutionaire krachten in het universum.De Triade symboliseerde de vereniging van de twee polariteiten
De Geest is de verbindende singulariteit tussen hetdoor een bemiddelende hoedanigheid, de Logos of het woord.
ultieme verleden en de ultieme toekomst.
 De Tetrade Vuur, Lucht, Water en Aarde

Discipelen van Pythagoras konden het pentagram in één beweging tekenen. Door de gulden snede-verhouding kun je het symbool tot in het oneindige doortrekken.

Ether staat voor de natuurlijke reflectie, die in de vijf Platonische lichamen door de cijfersymboliek tot uitdrukking wordt gebracht. De Aarde, de Kubus (ruimtelijk figuur) met 6 gelijke vlakken is de helft van Ether, de dodecaëder (Plato, Thimaeus) met 12 gelijke vlakken. Met twaalf regelmatige vijfhoeken kan in drie dimensies een dodecaëder worden gevormd.
Binnen een pentagoon kan een pentagram worden getekend. In het centrum van het pentagram ontstaat een nieuw pentagoon. Het recursieproces brengt de manifestatie van de gelijkvormigheid tot uitdrukking.
De diagonaal Vuur (Tetraëder met 4 gelijke vlakken) versus Water (Icosaëder met 20 gelijke vlakken) staat voor de Macrokosmos en Microkosmos. Vuur en Water samen hebben 24 vlakken, het dubbele van Ether. De interactie van Vuur en Water, via Lucht creëert de oerenergie Ether.

Tom de Booij 11. Het Droste blikje en de vijfster als fractals

H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel II, Stanza 1. Het begin van bewust leven (p. 25):
Deze LOGOS is de top van de driehoek van Pythagoras. Wanneer de driehoek volledig is, wordt hij de Tetraktis, of de driehoek in het vierkant, en wordt het tweevoudige symbool van het vierletterige tetragrammaton in de gemanifesteerde Kosmos, en van zijn fundamentele drievoudige STRAAL in het niet-gemanifesteerde, of zijn noumenon.
Meer metafysisch uitgedrukt, wordt de hier genoemde classificatie van kosmische grondbeginselen meer voor het gemak gegeven dan wegens haar absolute filosofische nauwkeurigheid. Bij het begin van een groot manvantara manifesteert Parabrahm zich als Mulaprakriti en vervolgens als de logos. Deze logos is gelijkwaardig aan het ‘onbewuste universele denkvermogen’, enz. van de westerse pantheïsten. Hij vormt de basis van de SUBJECT-kant van het gemanifesteerde Zijn, en is de bron van alle manifestaties van individueel bewustzijn. Mulaprakriti of oorspronkelijke kosmische substantie is de grondslag van de OBJECT-kant van de dingen – de basis van alle objectieve evolutie en van het ontstaan van de Kosmos. Kracht komt dus niet met de oorspronkelijke substantie uit de verborgenheid van Parabrahm te voorschijn. Zij is de omzetting in energie van de boven-bewuste gedachte van de logos, om zo te zeggen uit de potentiële verborgenheid in de ene Werkelijkheid gegoten in de objectivering van de logos.
35: ‘De sferen van het Zijn of levenscentra, die afgezonderde kernen zijn die hun mensen en hun dieren voortbrengen, zijn talloos; niet één heeft ook maar enige gelijkenis met haar gezellin of met enige andere van haar eigen speciale nageslacht.’
Alle hebben een dubbele stoffelijke en geestelijke natuur.
De levenskernen zijn eeuwig en altijddurend; de kernen periodiek en eindig.
Deel II, Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 89):
Het mysterie, verbonden met de hoog geestelijke voorouders van de goddelijke mens in de aardse mens, is heel groots. In de Purana’s wordt naar zijn tweevoudige schepping verwezen, hoewel de esoterische betekenis ervan slechts kan worden benaderd door samenvoegen van de vele verschillende versies, en door ze naar hun symbolische en allegorische karakter te lezen. Dit geldt ook voor de bijbel, zowel wat betreft Genesis als zelfs de Brieven van Paulus. Want die schepper, die in het tweede hoofdstuk van Genesis de ‘Heer God’ wordt genoemd, is oorspronkelijk de Elohim, of goden (de Heren), in het meervoud; en terwijl een van hen de aardse Adam uit stof maakt, blaast de ander hem de adem van het leven in, en maakt de derde van hem een levende ziel (ii, 7); al deze lezingen liggen besloten in het meervoudige getal van de Elohim. ‘De eerste mens is uit de aarde, de tweede (de laatste of beter hoogste) is uit de hemel’, zegt Paulus in I Corinthiërs xv, 47.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 6 De evolutie van de zweetgeborenen (p. 171):
Analogie is de leidende wet in de Natuur, de enige ware draad van Ariadne, die ons langs de onontwarbare wegen van haar domein kan voeren naar haar eerste en laatste mysteriën. De Natuur is als scheppend vermogen oneindig, en geen enkele generatie van natuurkundigen kan zich er ooit op beroemen de lijst van haar middelen en methoden te hebben uitgeput, hoe uniform de wetten die zij volgt ook zijn.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 7 VAN HET HALFGODDELIJKE RAS TOT DE EERSTE MENSENRASSEN (p. 197):
Evenals Eros in de vroege Griekse mythologie met de schepping van de wereld was verbonden en pas later de geslachtelijke Cupido werd, zo was dit ook het geval met Kama in zijn oorspronkelijke vedische karakter (Harivansa maakt hem tot zoon van Lakshmi, die Venus is). De allegorie geeft, zoals gezegd, aan dat het psychische element het fysiologische ontwikkelt vóór de geboorte van Daksha, de voorvader van de werkelijke stoffelijke mensen, die men uit Marisha geboren laat worden, terwijl vóór zijn tijd levende wezens en mensen werden voortgebracht ‘door de wil, door het gezichtsvermogen, door aanraking en door yoga’, zoals wij zullen aantonen.
Dit is dus de allegorie die is gebaseerd op de manier van voortplanting van het tweede Ras, of de ‘zweetgeborenen’. Hetzelfde geldt voor het derde Ras in zijn eindontwikkeling.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 10 DE GESCHIEDENIS VAN HET VIERDE RAS (p. 263/264):
Het ‘heiligdom’ is het ‘Heilige der Heiligen’ geworden en het geheim is geantropomorfiseerd en tot een fallussymbool gemaakt en inderdaad omlaaggesleurd in de stof. Hieruit ontstond de noodzaak om van de ‘draak van wijsheid’ de slang van Genesis te maken: van de bewuste god die een lichaam nodig had om zijn te subjectieve goddelijkheid te bekleden, een satan. Maar de ‘ontelbare incarnaties van de geest’ en ‘de onophoudelijke polsslag en stroom van begeerte’ hebben, wat de eerste betreft, betrekking op onze leer van karmische en cyclische wedergeboorten, en wat de tweede betreft op EROS, niet de latere god van stoffelijke, fysiologische liefde, maar op de goddelijke begeerte, zowel in de goden als in de hele natuur, om wezens te scheppen en deze leven te geven.
Deel II, Archaïsche leringen in de purâna's en in genesis (p. 294):
De occultisten verwerpen echter de hypothese van Darwin en vooral die van Haeckel, omdat in werkelijkheid de aap en niet de mens een speciaal en uniek geval is. De aapachtige is een toevallige schepping, een kunstmatig product, het gevolg van een onnatuurlijk proces.
Volgens ons is de occulte leer logischer. Deze verkondigt een cyclische, nooit veranderende wet in de natuur, waarbij laatstgenoemde geen persoonlijk ‘speciaal doel’ heeft, maar werkt volgens een uniform plan dat het hele manvantarische tijdperk door van kracht blijft en zowel op de landworm als op de mens betrekking heeft. Geen van beide heeft om het bestaan gevraagd, daarom vallen beide onder dezelfde evolutionaire wet en moeten beide zich volgens de karmische wet verder ontwikkelen. Beide zijn begonnen in hetzelfde neutrale levenscentrum en beide moeten bij het voltooien van de cyclus weer daarin opgaan.
Deel II, Hoofdstuk 24 Het kruis en het pythagorische tiental (p. 660):
Het is gemakkelijk om in de twee ‘geesten’ – de Griekse accenten of tekens (‘,) waarover Ragon spreekt (zie boven) – atma en buddhi, of ‘de goddelijke geest en zijn voertuig’ (geestelijke ziel) te herkennen.
36: Het is de logos van de Griekse filosofen, die verschijnt aan het begin van ieder nieuw manvantara. Hieruit afdalend – gevormd uit de zich steeds verder verdichtende golven van dat licht, dat op het objectieve gebied grove materie wordt – komen de talloze hiërarchieën van de scheppende krachten voort, sommige vormloos, andere met hun eigen onderscheiden vorm en weer andere, de laagste (elementalen), die geen eigen vorm hebben maar die, al naar gelang van de hen omringende omstandigheden, een passende vorm aannemen.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk De voorouders die de wetenschap aan de mensheid biedt (p. 764/765):
Nu zijn de occultisten – die elk atoom in het heelal, of het nu samengesteld of enkelvoudig is, terugvoeren tot de Ene eenheid of het universele Leven; die niet erkennen dat er in de Natuur ook maar iets anorganisch kan zijn; die niet zoiets als dode stof kennen – consequent in hun leer van geest en ziel, als zij spreken over een geheugen, een wil en gewaarwording in elk atoom. Maar wat kan een materialist met die kwalificatie bedoelen? De wet van de biogenese, in de betekenis die de volgelingen van Haeckel eraan geven, ‘is het gevolg van de onwetendheid van die wetenschapper over occulte fysica’. Wij kennen en spreken over 'levensatomen’ – en over ‘slapende atomen’ – omdat we van mening zijn dat deze twee vormen van energie – de kinetische en de potentiële – worden voortgebracht door een en dezelfde kracht of het ene leven, en omdat we dit laatstgenoemde als de bron en beweger van alles beschouwen. Maar wat is het dat aan de ‘plastidulaire zielen’ van Haeckel energie en vooral een geheugen verschafte? De ‘golfbeweging van levende deeltjes’ wordt begrijpelijk door de theorie van het geestelijke ene leven, van een universeel levensbeginsel, onafhankelijk van onze stof en dat zich alleen op ons bewustzijnsgebied manifesteert als atomaire energie. Dat is het wat, in de menselijke cyclus geïndividualiseerd, van vader op zoon wordt overgebracht.
765: Wanneer Haeckel of een andere wetenschapper meer wist over de aard van het atoom dan nu het geval is, zou hij de zaak niet op deze manier hebben verbeterd. Want hij zegt, in meer metafysische taal dan Darwin, precies hetzelfde. Het levensbeginsel of de levensenergie, dat alomtegenwoordig, eeuwig en onvernietigbaar is, is als noumenon een kracht en een beginsel, maar als verschijnsel bestaat het uit atomen. Het is een en hetzelfde, en ze kunnen niet als gescheiden worden beschouwd, behalve in het materialisme.
Verder verkondigt Haeckel over de atoomzielen nog iets, dat op het eerste gezicht even occult schijnt als de monade van Leibniz. Hij zegt:
‘De onlangs gevoerde discussie over de aard van de atomen, die we in de een of andere vorm als de uiteindelijke factoren in alle natuur- en scheikundige processen moeten opvatten, schijnt heel gemakkelijk te kunnen worden bijgelegd door aan te nemen dat deze heel kleine massa’s als krachtcentra een blijvende ziel bezitten, dat elk atoom gewaarwording en het vermogen om te bewegen heeft.’
Deel II, hoofdstuk 5 Organische evolutie en scheppende centra (p. 832):
Evenmin als de wetenschap, erkent de esoterische filosofie een ontwerp of een ‘speciale schepping’. Zij verwerpt elke bewering over iets ‘wonderbaarlijks’ en aanvaardt niets buiten de uniforme en onveranderlijke wetten van de Natuur. Maar zij verkondigt een cyclische wet, een dubbele stroom van kracht (of geest) en van stof die, uitgaande van het neutrale centrum van het Zijn, zich in zijn cyclische vooruitgang en onophoudelijke transformaties ontwikkelt. De oorspronkelijke kiem waaruit alle gewervelde levende wezens zich door de eeuwen heen hebben ontwikkeld, verschilt van de oorspronkelijke kiem waaruit het planten- en het dierenleven zich hebben ontwikkeld. Daarom zijn er bijwetten, waarvan de werking wordt bepaald door de omstandigheden waarin het materiaal waarop moet worden ingewerkt, wordt aangetroffen, en waarvan de wetenschap – vooral de fysiologie en antropologie – zich weinig bewust schijnt te zijn. De beoefenaars ervan spreken over die ‘oorspronkelijke kiem’, en beweren dat het boven elke twijfel staat dat het ‘ontwerp’ en de ‘ontwerper’, indien er een is, in het geval van de mens met de wonderbaarlijke bouw van zijn ledematen en vooral van zijn hand, ‘veel verder terug moeten worden geplaatst, en dat (het ontwerp) in feite in de oorspronkelijke kiem is besloten’, waaruit niet alleen alle gewervelde levende wezens, maar ‘waarschijnlijk alle leven, dierlijk en plantaardig, zich langzaam heeft ontwikkeld’ (Modern Science and Modern Thought, blz. 94).
Deel II, hoofdstuk 6 Reuzen, beschavingen en verzonken continenten (p. 869):
Nu waren alle goden van de Olympus, evenals die van het hindoepantheon en de rishi’s, de zevenvoudige personificaties (1) van de noumena van de intelligente natuurkrachten; (2) van kosmische krachten; (3) van hemellichamen; (4) van goden of Dhyāni-Chohans; (5) van psychische en spirituele vermogens; (6) van goddelijke koningen op aarde (of de incarnaties van de goden); (7) van aardse helden of mensen. De kennis om onder deze zeven vormen de vorm te onderscheiden die wordt bedoeld, behoorde te allen tijde aan de ingewijden, van wie de eerste voorgangers dit symbolische en allegorische stelsel hadden ontworpen.

H.P. Blavatsky, Deel III, (p. 228): de Volstrekte Godheid is die het vorm geeft; dit geschiedt door de eerste Stralen, de engelen of Dhyân Choans, die uit het Ene Element voortkomen, dat periodiek licht en duisternis wordt en in zijn wortelbeginsel eeuwig de éne onbekende en toch bestaande Werkelijkheid blijft.
235: Derhalve is het niet het Ene en Onbeperkte “Beginsel”, noch zelfs de weerkaatsing daarvan, dat schept, maar slechts de “de zeven Goden” zijn het, die het heelal vormen uit de eeuwige stof, tot objectief leven gewekt doordien de Ene Werkelijkheid zich daarin weerspiegelt.
412: De “zeven beginselen” zijn natuurlijk de openbaring van één ondeelbare geest, doch eerst aan het eind van het manwantara, en wanneer zij op het gebied van de Ene Werkelijkheid weder verenigd worden treedt de eenheid aan de dag; gedurende de tocht van de “pelgrim” heeft elke weerkaatsing van die ondeelbare Ene Vlam, de aanzichten van de ene eeuwige geest etc.
566: Paramâtmâ – de Algemene Geest, die de grenzeloze Kosmos het zij in of buiten ruimte en tijd bezielt. Buddhi dient als voertuig voor deze Paramâtmische schaduw.
567: Antahkarana, de enige verbindingsschakel tussen de beide denkvermogens – het hogere bewustzijn van het Ego en het menselijke verstand van het lagere denkvermogen. Hindoes noemen het Paramâtmâ en Parabrahma.
568: Als dat zo is, spreekt het vanzelf dat leven en dood, goed en kwaad, verleden en toekomst, zonder onderscheid zinledige woorden of op zijn hoogst wijzen van spreken zijn. Als het objectief heelal zelf op grond van zijn begin en zijn eindigheid slechts een voorbijgaande begoocheling is, moeten leven en dood beide ook aanzichten en begoochelingen zijn. Zij zijn inderdaad veranderingen van toestand, meer niet. Het werkelijke leven bestaat in het geestelijke bewustzijn van dat leven, in een bewust bestaan in den geest, niet in de stof; en de ware dood is de beperkte waarneming van het leven, de onmogelijkheid om bewust of zelfs individueel bestaan gewaar te worden buiten den vorm of ten minste buiten een vorm van stof.
Paulus: Persoonlijk zijt gij dode stof, onbewust van haar eigen geestelijk inwezen, en uw ware leven is in uw Goddelijke Ego (Christos) verborgen of samengevloeid met God (Âtmâ); thans is het van u geweken, o gij ziellozen.

Gottfried de Purucker geeft in zijn boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel I, Hoofdstuk 4 VAN OORSPRONKELIJK PUNT TOT HEELAL EN MENS. HOE BEGINT DE MANIFESTATIE? MANVANTARA EN PRALAYA. (Blavatsky, Geheimen Leer, Deel I p.(686):
De vonken zijn de ‘zielen’ en deze zielen verschijnen volgens onze leer in de drievoudige vorm van monaden (eenheden), atomen en goden. ‘Ieder atoom wordt een zichtbare samengestelde eenheid (een molecule), en als de monadische essentie eenmaal tot het gebied van de aardse activiteit is aangetrokken, gaat deze door het delfstoffen-, planten- en dierenrijk en wordt een mens.’ (Esot. Catechism.) Verder ‘corresponderen god, monade en atoom met geest, denkvermogen en lichaam (atma, manas en sthula-sarira) in de mens’. In hun zevenvoudige samenstelling vormen ze de ‘hemelse mens’ (zie voor deze laatste term de Kabbala); zo is de aardse mens een voorlopige weerspiegeling van de hemelse mens . . . ‘De monaden (jiva’s) zijn de zielen van de atomen en beide zijn het weefsel waarmee de Chohans (Dhyani’s, goden) zich bekleden wanneer ze een vorm nodig hebben.’ (Esot. Cat.)
Voor we verder gaan is het nodig even stil te staan bij wat we met de woorden manvantara en pralaya bedoelen. Laten we eerst het woord manvantara nemen. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat niets anders betekent dan tussen twee manu’s; letterlijk ‘manu-tussen’. Manu, of dhyâni-chohan, omvat in het esoterische stelsel de gezamenlijke entiteiten die aan het begin van de manifestatie het eerst verschijnen en waaruit, als uit een kosmische boom, alles voortkomt of wordt geboren. Manu is in werkelijkheid de (geestelijke) levensboom van een planeetketen, van het gemanifesteerde zijn. Manu is daarom in zekere zin de derde logos; zoals de tweede de vader-moeder is, de Brahmâ en de prakriti; en de eerste is wat we de ongemanifesteerde logos noemen, of brahman (onzijdig) en zijn kosmische sluier pradhâna.
Pralaya: dit is ook een samengesteld Sanskrietwoord, gevormd uit laya, van een Sanskrietwortel , en het voorvoegsel pra. Wat betekent ? Het betekent ‘oplossen’, ‘wegsmelten’, ‘vloeibaar maken’, zoals wanneer men water op een klontje zout of suiker giet. Het klontje zout of suiker verdwijnt in het water; het lost op en verandert van vorm; en dit kan als een symbool worden beschouwd van wat pralaya is: een wegbrokkelen, een verdwijnen van stof in iets anders dat er al in aanwezig is, het omringt en doordringt. Dat is pralaya, gewoonlijk uitgelegd als de toestand van latentie, de toestand van rust, tussen twee manvantara’s of levenscyclussen. Als de betekenis van het Sanskrietwoord ons duidelijk voor de geest staat, zal ons denken een andere richting, een nieuwe gedachtegang, volgen; we krijgen nieuwe ideeën en dringen door tot het geheim van wat er plaatsvindt.

====

Evolutionaire kringloop (Levensboom, Kompaskwadrant, Scheppingsdriehoek 9 - 6 - 3)

Het Ether-Paradigma gaat uit van het in de publicatie Het materialisme weerlegd door Bruno D. Granger & Tjerk W. Muller toegelichte Antropisch principe:
Dit heeft wetenschappers uiteindelijk tot de conclusie gebracht: het lijkt wel alsof de werkelijkheid gemaakt is op menselijk leven. Dit is te boek komen te staan als het Antropisch Principe. Het antropisch principe stelt dat het universum precies zó is gemaakt dat het de voorwaarden schept waarin leven kan ontstaan.

Ken Wilber boek Integrale visie, p. 19: In een informatienetwerk is een besturingssysteem de infrastructuur die het mogelijk maakt dat verschillende softwareprogramma's functioneren. We gebruiken integraal besturingssysteem of IBS als een andere uitdrukking voor de integrale kaart de hoofdontwikkelingslijn.
217: Wanneer je IBS gebruikt, kun je er niet alleen honderden ‘software’programma’s op toepassen, maar al die programma’s kunnen nu ook met elkaar communiceren en van elkaar leren, waardoor een evolutionaire ontwikkeling (5e wijsheidssleutel) in de richting van nog grotere dimensies van zijn en weten en doen wordt bevorderd.

De bewustzijnsniveaus in figuur 14 (Integrale visie p. 112) hebben op de verticale dimensie (helicopterview) betrekking. De diverse bewustzijnsniveaus kunnen met de bedrijfstakken in een bedrijfskolom worden vergeleken.
In het rapport Ontwikkelen van Bestuurlijke informatiesystemen en de Systeemintegratie wordt met behulp van de systeembenadering de relatie tussen informatica en organisatiekunde benadrukt.
Om de verbanden weer te geven tussen bedrijven in een bedrijfskolom en de daarbij behorende bedrijfstakken kan van de systeem hiërarchische structuur gebruik worden gemaakt. Voor deze conclusie wordt naar de boeken van D. Keuning en D.J. Eppink verwezen.
Op het hoogste niveau staat in een bedrijfskolom de oerproducent van de grondstoffen.
De hamvraag is hoe kijken we tegen de oerproducent van de grondstoffen aan?

De Geheime Leer Deel I, De nacht van het heelal (p. 66):
(a) Tijd is alleen maar een illusie, voortgebracht door de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden op onze reis door de eeuwige duur; hij bestaat niet waar er geen bewustzijn is waarin die illusie kan worden teweeggebracht, maar ‘ligt dan te slapen’.
67: (a) Denkvermogen is een naam die wordt gegeven aan het totaal van de bewustzijnstoestanden die worden gerangschikt onder gedachte, wil en gevoel. Tijdens diepe slaap houdt het beeldende vermogen op stoffelijk gebied op en wordt het geheugen niet gebruikt; daarom is tijdelijk ‘het denkvermogen er niet’, omdat het orgaan waardoor het ego op stoffelijk gebied verbeelding en geheugen manifesteert, tijdelijk heeft opgehouden te werken. Een noumenon kan op een gegeven bestaansgebied slechts een verschijnsel worden door zich op dat gebied te manifesteren door middel van een geschikte basis, of voertuig. Tijdens de lange nacht van rust die pralaya wordt genoemd, wanneer alle bestaansvormen zijn ontbonden, blijft het ‘UNIVERSELE DENKVERMOGEN’ bestaan als een voortdurend aanwezige mogelijkheid tot verstandelijke actie, of als die abstracte absolute gedachte, waarvan het denkvermogen de concrete manifestatie is.
75: Wat is de tijd bijvoorbeeld anders dan de opeenvolging in panorama’s van onze bewustzijnstoestanden?
77: (b) Droomloze slaap is een van de zeven bewustzijnstoestanden die in de oosterse esoterie bekend zijn. In elk van deze toestanden komt een ander gedeelte van de geest in werking; of zoals een aanhanger van de Vedanta het zou uitdrukken: is het individu bewust op een ander gebied van zijn wezen. De uitdrukking ‘droomloze slaap’ wordt in dit geval allegorisch toegepast op het Heelal om een toestand uit te drukken die enigszins analoog is aan die bewustzijnstoestand van de mens, die deze zich in waaktoestand niet herinnert en die een leegte schijnt te zijn, op dezelfde manier als waarop de slaap van een gehypnotiseerd persoon voor hem een onbewuste leegte schijnt te zijn als hij tot zijn normale toestand terugkeert, ofschoon hij heeft gesproken en gehandeld zoals een bewust individu zou doen.
79: Plantkundigen zoeken nu naar de zenuwen van planten, niet omdat zij veronderstellen dat planten kunnen voelen of denken zoals dieren, maar omdat ze geloven dat een of ander weefsel, dat dezelfde functie vervult in het plantenleven als zenuwen in het dierlijke leven, nodig is om de groei en de voedselopname van planten te verklaren. Het schijnt nauwelijks mogelijk dat de wetenschap – door het gebruik van termen zoals ‘kracht’ en ‘energie’ – nog veel langer voor zichzelf het feit kan verbergen dat dingen die leven bezitten, levende dingen zijn, of het nu gaat om atomen of planeten.
H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel I, Stanza 2 Het denkbeeld van differentiatie (p. 89/90):
(a) De oorspronkelijke substantie was nog niet uit haar vóórkosmische slapende toestand overgegaan tot gedifferentieerde objectiviteit of zelfs de (voor de mens tot dan toe) onzichtbare protyle van de wetenschap geworden. Maar wanneer het uur slaat en zij ontvankelijk wordt voor de inwerking door middel van fohat, van de goddelijke gedachte (de logos of het mannelijke aspect van de anima mundi, alaya) – opent haar hart zich. Zij differentieert zich en de DRIE (vader, moeder, zoon) worden veranderd in vier. Hierin ligt de oorsprong van het dubbele mysterie van de drie-eenheid en de onbevlekte ontvangenis. Het eerste en fundamentele leerstuk van het occultisme is de Universele Eenheid (of homogeniteit) onder drie aspecten. Dit leidde tot een mogelijke opvatting over de godheid, die als een absolute eenheid altijd onbegrijpelijk moet blijven voor het eindige verstand. ‘Indien u zou geloven in de kracht die in de wortel van een plant werkt, of u de onder de grond verborgen wortel zou voorstellen, dan moet u denken aan haar stengel of stam en aan haar bladeren en bloemen. U kunt u die kracht niet onafhankelijk van deze dingen voorstellen. Het leven kan alleen worden gekend door middel van de levensboom. . . .’ (Voorschriften voor yoga.) Het denkbeeld van absolute Eenheid zou in onze opvatting geheel verloren gaan, als wij niet iets concreets voor ogen hadden om die Eenheid te bevatten. En omdat de godheid absoluut is, moet zij alomtegenwoordig zijn, en er is dus geen atoom dat haar niet in zich bevat. De wortels, de stam en de vele takken zijn drie afzonderlijke dingen en toch vormen zij één boom. De kabbalisten zeggen: ‘De godheid is één, omdat zij oneindig is. Zij is drievoudig, omdat zij zich eeuwig manifesteert.’ Dit manifesteren is drievoudig in haar aspecten, want volgens Aristoteles heeft ieder natuurlijk lichaam drie beginselen nodig om objectief te worden: 1° het nog ontbreken van eigenschappen, 2° vorm, en 3° stof.
Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 202):
Zo wordt duidelijk hoe volmaakt de analogie is tussen de processen van de Natuur in de Kosmos en in de individuele mens. Laatstgenoemde doorloopt zijn levenscyclus en sterft. Zijn ‘hogere beginselen’, die in de ontwikkeling van een planeetketen overeenkomen met de rondgaande monaden, gaan in devachan, dat overeenkomt met het ‘nirvana’ en de toestanden van rust tussen twee ketens. De lagere ‘beginselen’ van de mens vallen na verloop van tijd uiteen en worden door de Natuur opnieuw gebruikt voor het vormen van nieuwe menselijke beginselen, en hetzelfde proces vindt plaats bij het uiteenvallen en het vormen van werelden. De analogie is dus de betrouwbaarste gids voor het begrijpen van de occulte leringen.
Geheime Leer Deel I, Samenvatting (p. 306/307):
(2) Zij erkent een logos of een collectieve ‘schepper’ van het Heelal; een demiurg – in de zin waarin men spreekt over een ‘architect’ als een ‘schepper’ van een gebouw, hoewel die architect er nooit één steen van heeft aangeraakt, maar het bouwplan leverde en al het handwerk aan de metselaars overliet; in ons geval werd het bouwplan geleverd door het beeldende vermogen van het Heelal en werd de uitvoering overgelaten aan de menigten intelligente machten en krachten. Maar die demiurg is geen persoonlijke godheid – d.w.z. een onvolmaakte buiten-kosmische god – maar slechts de totaliteit van de Dhyan-Chohans en de andere krachten.
Wat deze laatste betreft:
(3) Ze zijn tweevoudig van aard, omdat ze zijn samengesteld uit (a) de redeloze brute energie, die eigen is aan materie en (b) de intelligente ziel of het kosmische bewustzijn, dat die energie richting geeft en leidt en dat de gedachte van een Dhyan-Chohan is, die de verbeeldingskracht van het universele denkvermogen weerspiegelt .
Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk 15 Goden, Monaden en Atomen (p. 678):
De theofilosofie ontwikkelt zich over een breder front. Vanaf het begin van de tijd – in de tijd en in de ruimte van onze Ronde en bol – werden de geheimen van de Natuur (in ieder geval die waarvan onze rassen kennis mogen nemen) in meetkundige figuren en symbolen opgetekend door de leerlingen van diezelfde nu onzichtbare ‘hemelse mensen’. De sleutels daartoe zijn van de ene generatie van ‘wijze mannen’ op de volgende overgegaan. Enkele van de symbolen die zo van het oosten naar het westen kwamen, werden meegebracht door Pythagoras, die niet de uitvinder van zijn bekende ‘driehoek’ was. Laatstgenoemde figuur, samen met het vlak, de kubus en de cirkel vormen een welsprekender en wetenschappelijker beschrijving van de orde van de evolutie in het Heelal, zowel spiritueel en psychisch als fysiek, dan boekdelen vol beschrijvende kosmogonieën en geopenbaarde Geneses. De tien punten, beschreven binnen die ‘driehoek van Pythagoras’, zijn van evenveel waarde als alle leringen over de afstamming van de goden en engelen die ooit uit een theologisch brein zijn voortgekomen. Want wie ze interpreteert – zoals ze daar staan in de gegeven volgorde – zal in die zeventien punten (de zeven wiskundige punten zijn verborgen) de ononderbroken reeks van genealogieën vinden van de eerste hemelse tot de aardse mens. En terwijl ze de volgorde van de wezens aangeven, onthullen ze ook de volgorde waarin de Kosmos, onze aarde en de oorspronkelijke elementen die de aarde voortbrachten, zijn ontwikkeld. Omdat de aarde werd verwekt in de onzichtbare diepten en in de schoot van dezelfde ‘moeder’ als haar mede-planeten, zal degene die de geheimen van onze aarde doorgrondt, die van alle andere planeten ook doorgronden.
680: Noch de esoterische filosofie, noch Kant, noch Leibniz zou ooit erkennen dat uitgebreidheid kan zijn samengesteld uit enkelvoudige delen, of delen die geen uitgebreidheid bezitten. Maar de theologen-filosofen willen dit niet begrijpen. De cirkel en het punt, waarbij dit laatste zich terugtrekt in en samensmelt met de eerstgenoemde, nadat het de eerste drie punten heeft uitgestraald en die door lijnen heeft verbonden, en zo de eerste noumenale basis vormt van de tweede driehoek in de gemanifesteerde wereld, zijn altijd een onoverkomelijk obstakel geweest voor een theologische vlucht naar de dogmatische hoogste hemelen. Op gezag van dit archaïsche symbool wordt een mannelijke, persoonlijke god, de schepper en vader van alles, een derderangs emanatie, terwijl de sephiroth op de vierde plaats in de neerdalende reeks staan, en aan de linkerkant van En-Soph (zie de kabbalistische levensboom). Zo wordt de monade gedegradeerd tot een voertuig – een ‘troon’!
685/686: Zo was het ook bij de eerste christenen; hun heilige geest was vrouwelijk, evenals sophia bij de gnostici. Maar in de transcendentale Chaldeeuwse kabbala of het Boek van de Getallen is ‘shekinah’ geslachtloos en de zuiverste abstractie, een toestand zoals nirvāna, geen subject of object en niets anders dan een absolute tegenwoordigheid.
Zo is alleen in de antropomorfistische stelsels (zoals de kabbala nu grotendeels is geworden) shekinah-śakti vrouwelijk. Als zodanig wordt zij de duade van Pythagoras, de twee rechte lijnen van het symbool, die elkaar nooit snijden en die daarom geen meetkundige figuur vormen en het symbool van de stof zijn. Als deze duade is verenigd in één basislijn van de driehoek op het lagere gebied (de bovenste driehoek van de sephirothboom), komen daaruit de Elohim tevoorschijn, of de godheid in de kosmische Natuur, voor de ware kabbalisten de laagste aanduiding, in de bijbel vertaald met ‘God’ (zie hetzelfde boek en dezelfde bladzijde). Hieruit komen de vonken voort.
686: De vonken zijn de ‘zielen’ en deze zielen verschijnen volgens onze leer in de drievoudige vorm van monaden (eenheden), atomen en goden. ‘Ieder atoom wordt een zichtbare samengestelde eenheid (een molecule), en als de monadische essentie eenmaal tot het gebied van de aardse activiteit is aangetrokken, gaat deze door het mineralen-, planten- en dierenrijk en wordt een mens.’ (Esot. Catechism.) Verder ‘corresponderen god, monade en atoom met geest, denkvermogen en lichaam (ātman, manas en sthūlaśarīra) in de mens’. In hun zevenvoudige samenstelling vormen ze de ‘hemelse mens’ (zie voor deze laatste term de Kabbala); zo is de aardse mens een voorlopige weerspiegeling van de hemelse mens . . . ‘De monaden (jīva’s) zijn de zielen van de atomen en beide zijn het weefsel waarmee de Chohans (Dhyāni’s, goden) zich bekleden wanneer ze een vorm nodig hebben.’ (Esot. Cat.)
Dit slaat op de kosmische en sub-planetaire monaden, niet op de superkosmische monas (de monade van Pythagoras), zoals deze in haar synthetische karakter door de pantheïstische peripatetici wordt genoemd. De nu besproken monaden worden vanuit het standpunt van hun individualiteit behandeld, als atomaire zielen, voordat deze atomen afdalen tot een zuivere aardse vorm. Want deze afdaling in concrete stof geeft het middenpunt aan van hun eigen individuele pelgrimstocht. Terwijl ze in het mineralenrijk hun individualiteit verliezen, beginnen ze hier op te klimmen door de zeven toestanden van aardse evolutie tot dat punt, waar een nauwe aansluiting wordt bereikt tussen het menselijke en het deva (goddelijke) bewustzijn.
688: Hier is een voorbeeld: de laatste ontdekking van prof. Crookes, die hij protyle heeft genoemd. In de Notes on the Bhagavad Gītā, door een van de beste metafysici en Vedāntageleerden van India, maakt de schrijver, terwijl hij voorzichtig verwijst naar ‘occulte zaken’ in dat grote Indiase esoterische boek, een opmerking die zowel suggestief is als juist. Hij zegt: ‘. . . Het is niet nodig dat ik inga op de details van de evolutie van het zonnestelsel zelf. U kunt u enigszins een denkbeeld vormen van de manier waarop de verschillende elementen ontstaan uit deze DRIE beginselen waarin MŪLAPRAKRITI is gedifferentieerd (de driehoek van Pythagoras), door de lezing te bestuderen die professor Crookes onlangs heeft gehouden over de zogenaamde elementen van de moderne scheikunde. Deze lezing zal u enig idee geven over de manier waarop deze elementen voortkomen uit Viśvānara15, het meest objectieve van deze drie beginselen, dat de plaats schijnt in te nemen die in de lezing door de protyle wordt ingenomen. Afgezien van een paar bijzonderheden schijnt deze lezing een schets te geven van de theorie van de fysieke evolutie op het gebied van Viśvānara en zij is, voorzover ik weet, de beste benadering die door een moderne onderzoeker is gemaakt VAN DE WERKELIJKE OCCULTE THEORIE over dit onderwerp.’
15) ‘Viśvānara is niet alleen de gemanifesteerde objectieve wereld, maar de ene fysieke basis (de horizontale lijn van de driehoek) waaruit de hele objectieve wereld tot bestaan komt.’ En dit is de kosmische duade, de androgyne substantie. Pas daarachter is de ware protyle.
698: De werkelijkheid in de gemanifesteerde wereld is dus samengesteld uit een eenheid van eenheden, om zo te zeggen, onstoffelijk (vanuit ons standpunt) en oneindig. Deze noemt Leibniz ‘monaden’, de oosterse filosofie jiva’s – en het occultisme geeft er met de kabbalisten en alle christenen een verscheidenheid van namen aan. Ze geven voor ons, evenals voor Leibniz, ‘uitdrukking aan het heelal’, en elk stoffelijk punt is slechts de uitdrukking als verschijnsel van het noumenale, metafysische punt. Zijn onderscheid tussen waarneming en bewuste waarneming brengt de esoterische leringen filosofisch maar vaag tot uitdrukking. Zijn ‘herleide heelallen’, waarvan ‘er evenveel zijn als er monaden zijn’, is de chaotische voorstelling van ons zevenvoudige stelsel met zijn verdelingen en onderverdelingen.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 704):
Wat verenigt ze? Karma.’ De atomen die uit het centrale punt zijn uitgestraald, emaneren op hun beurt nieuwe energiecentra, die onder de latente adem van fohat hun werk van binnen naar buiten beginnen en zich vermenigvuldigen tot andere kleinere centra. Deze vormen in de loop van de evolutie en de involutie op hun beurt de wortels of de oorzaken van nieuwe gevolgen, van werelden en ‘mensendragende’ bollen tot de geslachten, soorten en klassen van alle zeven rijken (waarvan wij er maar vier kennen). Want ‘de gezegende werkers hebben in de eeuwigheid het Thyan-kam ontvangen’ (‘De aforismen van Tson-ka-pa’).
‘Thyan-kam’ is de macht of de kennis om de impulsen van de kosmische energie in de goede richting te leiden.
705): ‘Alles is uit akâsa (of op onze aarde svabhavat) voortgekomen, gehoorzamend aan een inherente wet van beweging, en verdwijnt na een bepaalde tijd te hebben bestaan. Er is nog nooit iets uit niets ontstaan.’ (Buddhist Catechism.)

Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 87):
Er is in een zuivere geest op ons gebied geen vermogen tot scheppen en geen zelfbewustzijn, tenzij zijn al te homogene, volmaakte – want goddelijke – natuur om zo te zeggen wordt vermengd met en versterkt door een al gedifferentieerde essentie. Alleen de onderste lijn van de driehoek – die de eerste triade voorstelt die emaneert uit de universele MONADE – kan dit benodigde bewustzijn op het gebied van de gedifferentieerde Natuur verschaffen. Maar hoe konden deze zuivere emanaties, die volgens dit beginsel oorspronkelijk zelf onbewust (in onze zin) moeten zijn geweest, van enig nut zijn bij het verschaffen van het benodigde beginsel, omdat zij het zelf nauwelijks konden hebben bezeten? Het antwoord is moeilijk te begrijpen, tenzij men goed bekend is met de filosofische metafysica van een beginloze en eindeloze reeks van kosmische wedergeboorten, en doordrongen is van, en vertrouwd raakt met die onveranderlijke Natuurwet die EEUWIGE BEWEGING is, cyclisch en spiraalvormig, en dus zelfs bij haar schijnbare teruggang progressief. Het ene goddelijke beginsel, het naamloze DAT van de Veda’s, is het universele geheel, dat noch in zijn geestelijke aspecten en emanaties, noch in zijn stoffelijke atomen, ooit in ‘absolute rust’ kan zijn, behalve tijdens de ‘nachten’ van Brahma.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk VI Reuzen, beschavingen en verzonken continenten in de geschiedenis - Enkele mededelingen in de klassieken over de heilige eilanden en continenten, esoterisch verklaard (p. 868/869):
Er zijn oriëntalisten en geschiedkundigen – en ze vormen de meerderheid – die, terwijl ze volstrekt onbewogen blijven bij de nogal grove taal van de bijbel en bij sommige gebeurtenissen die daarin worden verteld, een grote afkeer tonen van de immoraliteit in de pantheons van India en Griekenland5. Men zal ons misschien zeggen dat vóór hen Euripides, Pindarus en zelfs Plato aan hetzelfde uitdrukking gaven; dat ook zij zich ergerden aan die verzinsels – ‘die ellendige verhalen van de dichters’, zoals Euripides het formuleert (ἀοιδῶν οἵδε δύστηνοι λόγι, Hercules furens, 1346, uitgave van Dindorf).
5) De lezingen van prof. Max Müller, ‘On the Philosophy of Mythology’, liggen vóór ons. We lezen zijn citaten uit Herakleitos (460 v.Chr.), waarin wordt gezegd dat Homerus verdiende ‘uit de openbare samenkomsten te worden verjaagd en gegeseld’, en uit Xenophanes, ‘waar Homerus en Hesiodus verantwoordelijk worden gesteld voor het veel voorkomende bijgeloof van Griekenland . . .’ en voor het ‘aan de goden toeschrijven wat onder de mensen schandelijk en ergerlijk is . . . onwettige handelingen, zoals diefstal, overspel en bedrog’. Tenslotte citeert de Oxfordse professor uit de vertaling door prof. Jowett van Plato, waarin de laatste aan Adaimantos (Republiek) vertelt dat ‘de jonge man (in de Staat) niet mag worden verteld dat hij, door de ergste misdaden te plegen, er ver van is iets verschrikkelijks te doen en dat hij zijn vader mag kastijden (zoals Zeus met Kronos deed) . . . op de manier die hij verkiest, en dat hij hiermee slechts het voorbeeld van de eerste en grootste van de goden volgt. . . . Volgens mij zijn deze verhalen niet geschikt om te worden herhaald’. Hierbij merkt dr. Max Müller op, dat ‘de Griekse religie kennelijk een nationale en traditionele religie was, en als zodanig zowel aan de voordelen als aan de nadelen van deze vorm van religieus geloof deel had’; terwijl de christelijke religie ‘een historische en in sterke mate een individuele religie is, en het voordeel bezit van een geautoriseerde codex en van een gevestigd geloofsstelsel’ (blz. 349). Des te erger indien deze religie ‘historisch’ is, want de handelingen van Lot met zijn dochters zouden er slechts bij winnen als ze ‘allegorisch’ waren.

Marsilio Ficino INLEIDING TOT DE POLITEIA (p. 519):
Timaios zegt dat God de Schepper daar rustte, toen Hij de schepping tot stand had gebracht, door zich in Zijn eigen bewustzijn terug te trekken. Vervolgens iets over de 'idea' van het absolute zelf. Die 'idea', dat wil zeggen de individuele vorm van alle dingen die zich onderling naar soort laten onderscheiden, wordt voortgebracht in de substantie van de wereld van het intellect, waar het ene zijn als kennis wordt vastgehouden, of ook wel als een soort wonderbaarlijke intelligentie die ver verheven is boven de intelligentie van de denkende geest. In die causale substantie ontvangen alle schepselen het licht van bewustzijn en van daaruit ontvangen zij tevens de beginselen die aan alle vormen ten grondslag liggen. Van daaruit ontvangen zij ook de structuur van hun denkvermogen samen met alle regels die de beweging van het scheppingsproces beheersen. Via deze vorm van de denkende geest verdicht het scheppingsproces zich vervolgens via de zintuiglijke waarneming tot het opvangen van de weerspiegeling van de oorspronkelijke 'idea' (die dus in fysieke vorm weerkaatst wordt) om tenslotte te belanden bij alle vormen van zaad en uiteindelijk bij de meest grove aardse materie zelf.

HILLIE SMID Origenes, theoloog van de vrijheid: Uit deze scheppingsleer blijkt Origenes’ achtergrond en intentie: vanuit het Griekse, vooral platonische gedachtegoed, met elementen van de Egyptische en Chaldese geheimleer, de brug te slaan naar de christelijke leer, zoals die in de bijbel is neergeslagen. Origenes was ook lange tijd leerling van Ammonius Sakkas, de belangrijkste filosoof uit die tijd, bij wie hij Griekse filosofie en ook gnostiek leerde. Met diens latere leerling Plotinus, de (heidense) neoplatonicus, heeft hij nog contact gehad, onder andere over het al dan niet openbaar maken van het gedachtegoed van hun leermeester.

Emanatieleer, Emanationisme: (Lat., emanare, uitvloeien, uitstromen) Wijsgerig-godsdienstige opvatting, volgens welke de eindige dingen krachtens een zich met noodzakelijkheid voltrekkend proces uit het hogere, het oerwezen, d.i. God, voortkomen. Het ontstaan der dingen is dus de zelfontplooiing van de godheid; zij blijven ook bij hun emaneren besloten binnen de godheid, maar zij boeten aan volmaaktheid in, naarmate zij verder van de bron verwijderd zijn. Tegelijk is de wezensovereenkomst tussen God en de wereld oorzaak, dat de dingen en in het bijzonder de mens van nature streven naar de terugkeer in en de mystieke eenwording met de godheid. De emanatieleer is m.n. kenmerkend voor het neoplatonisme en zij heeft sinds Plotinus vele filosofen geboeid. Men kan haar beschouwen als een tussenvorm tussen pantheisme en scheppingsleer.
Thomas van Aquino
(of Aquinas) Scholastiek wijsgeer en theoloog, bijgenaamd doctor angelicus (engelachtige leraar) (1224/25-1274). Werd als kind aan de benedictijnen van Monte Cassino toevertrouwd. Studeerde in Napels en trad onder grote tegenstand van zijn familie in de pas gestichte orde der dominicanen. Hij studeerde vervolgens in Parijs en Keulen onder Albertus Magnus en doceerde in Parijs (1252-'59). In 1260 naar Italië teruggeroepen werd hij predicator generalis van zijn orde en lector aan het pauselijk hof te Orvieto. Van 1269-'72 doceerde hij weer aan de theologische faculteit te Parijs en verhuisde in 1272 naar Napels om daar het studium generale van de dominicanen te leiden. Naar het concilie van Lyon ontboden, overleed hij op reis daarheen. Tijdens dit met reizen vervulde korte leven heeft Thomas van Aquino talrijke werken geschreven. De voornaamste zijn: Summa theologica, Summa contra gentiles, verschillende questiones (de veritate, potentia, de anima, de malo, quodlibetales enz.). Verder schreef hij nog een 50-tal kleinere werken (opuscula), waaronder een verdediging van de bedelorden en de religieuze staat, een handleiding voor het bestuur van een vorst e.a.
In de wijsbegeerte heeft Thomas van Aquino zich uitdrukkelijk, meer dan tot dan toe gebruikelijk was, naar Aristoteles gewend; de alles omspannende actus potentia-leer getuigt daarvan. Niettemin maakt hij van de participatie- (deelhebbing-) gedachte, die langs Augustinus van Plato stamt, een centraal punt. Al is hij in vele opvattingen afhankelijk van Aristoteles, Plato, Augustinus en de Arabische scholastiek, in zijn eigen synthese is hij oorspronkelijk. Fundamenteel is in de zijnsmetafysiek de analogie in het zijn. Zijn Godsbewijzen, scheppingsleer en uitwerking van de goddelijke eigenschappen hangen hiermee samen. In de natuurfilosofie volgt hij Aristoteles' materia forma-leer. In de mens ziet hij de redelijke ziel als enige vorm van het lichaam; uit de denkactiviteit van de ziel besluit hij, dat de ziel op zich een onstoffelijke, onsterfelijke geest is. Vanuit de natuur van de ziel ziet hij de verschillende vermogens voortkomen, waardoor de ziel haar activiteit uitoefent. Zijn ethiek is nauw aan de moraal van de christelijke openbaring vastgehecht. De mens ziet hij als een zich redelijk naar God bewegend wezen, wiens einddoel de zalige aanschouwing Gods is. Zijn deugdenleer is een indrukwekkende architectuur, waarvan de caritas, de liefde tot God, het grondmotief is. Met elementen uit Aristoteles en Augustinus ontwierp hij een leer van het algemene welzijn van wat toen staat kon worden genoemd, en hij schetste het ideaal van een christelijke staatsbestuurder.

Frits de Lange TOTALE BESCHIKBAARHEID. Het ethos van Simone Weil
En toch: Simone Weil spreekt ook van liefde en van het Goede, even indringend en onophoudelijk als van macht en nécessité. Hoe is dat mogelijk? Door de laatsten als natuurlijk, en de eersten als bovennatuurlijk te beschouwen. Het bovennatuurlijke is als 'infiniment petit'in onze werkelijkheid aanwezig. Zo klein en krachteloos dat het door de mazen van ons natuurlijke denken heenschiet. We moeten daarom anders leren kijken, willen we het zien; de blik van de objectieve waarnemer voldoet niet meer. Maar wie het eenmaal heeft gezien kijkt anders naar dezelfde werkelijkheid: hij ontdekt dat dit universum een dubbele orde kent, die van de nécessité en die van het Goede, het natuurlijke en het bovennatuurlijke; dat wij tegelijkertijd totaal onderworpen zijn aan het eerste, maar ook oneindig verlangen naar het tweede. En daarin, in dat verlangen is het transcendente Goede, hoewel afwezig in het natuurlijke, werkelijk onder ons present.
Met elkaar maken beide de ene werkelijkheid uit. Hoe het komt dat zij in twee sferen uiteenvalt, is volgens Simone Weil niet meer in discursief denken uit te zeggen. Alleen een religieuze scheppingsleer kan nog antwoord geven op de vraag waarom het Goede transcendent is en afwezig: God heeft de wereld geschapen door zich er uit terug te trekken. En alleen God kan met zichzelf de garantie zijn dat de nécessité en het Goede uiteindelijk een eenheid (zullen) vormen.
Zo maakt Simone Weil op een oorspronkelijke manier gebruik van de erfenis van de groten uit de geschiedenis van het Westerse denken. Maar - en dat in de tweede plaats - de combinatie die zij van hun nalatenschap maakt en het kader waarin zij haar plaatst is niet minder origineel te noemen. Simone Weil vermengt bovenstaande intuïties in een grote heroriëntatie op de aanvangen van het Westerse denken. Haar filosofie is één groot 'terug naar de Grieken', maar dan in de context van de 20e eeuw. Het magnum opus van Plato speelt daarbij duidelijk een hoofdrol, maar ook de geschiedgeschrijving van Thucydides, de geometrie van Pythagoras en de tragedies van Aeschylus, Sophocles en Euripides behoren tot de constante referenties. Meer echter dan deze afzonderlijke namen is het een hele stroming in de Griekse filosofie, waardoor Simone Weil zich met overgave laat meevoeren.

Eduard Schuré De grote Ingewijden (p. 223):
Esoterische scheppingsleer en de zielkunde stonden in verband met de diepste geheimen van het leven en met de gevaarlijke, zorgvuldig bewaarde geheimen van de occulte kennis en krachten. Daarom gaf Pythagoras deze lessen liefst ‘snachts.
224: De stoffelijke en geestelijke ontwikkeling van de wereld zijn twee omgekeerde bewegingen, die echter evenwijdig lopen en met elkaar in verband staan over de gehele ladder van het zijn. De een kan slechts door de ander verklaard worden en tezamen beschouwd geven zij een verklaring van de wereld. De stoffelijke ontwikkeling vertegenwoordigt de openbaring van God in de stof door het wereldbeginsel dat daarop inwerkt. De geestelijke ontwikkeling vertegenwoordigt de werking van het bewustzijn in de persoonlijke monaden en hun pogen om zich door de kringloop van levens heen weer te verenigen met de goddelijke geest waaruit zij voortkomen. Als men het heelal vanuit een stoffelijk of geestelijk oogpunt beschouwt, neemt men geen twee verschillende dingen waar, maar men beziet de wereld van de twee tegenovergestelde punten.
Vanuit een aards standpunt moet de op rede gegronde verklaring van de wereld beginnen bij de stoffelijke evolutie, omdat deze kant zich aan ons voordoet; maar wanneer wij het werk van de universele geest zien en de ontwikkeling van de individuele monaden nagaan, voert die onmerkbaar naar het geestelijke standpunt en geleidt ons van het uitwendige naar het inwendige der dingen, van de oppervlakte van de wereld naar de innerlijke zijde. Aldus ging Pythagoras te werk, die het heelal beschouwde als een levend wezen, bezield door één grote ziel. Het tweede gedeelte van zijn onderricht begon dus met de scheppingsleer.

Madame Blavatsky over de studie van de Theosofie:
Wat je ook in De Geheime Leer wilt bestuderen , houd steeds de volgende denkbeelden voor ogen, die de basis moeten zijn van je ideeën-vorming:
(d) Het vierde en laatste basis-idee dat je moet vasthouden is dat wat uitgedrukt wordt in het grote Hermetische axioma. Het somt alle anderen op en vat ze samen:
Zo binnen, zo buiten
zo groot, zo klein
zo boven, zo beneden
er is slechts één Leven en Wet
en de besturende Kracht is één
Er is geen binnen, geen buiten
geen groot, geen klein
geen hoog, geen laag
in het goddelijk bestel.

Naar mijn gevoel heeft Krishnamurti de ultieme, want de meest 'schone' en de meest logische Weg aangegeven. Zijn benadering is volkomen irrationeel, in die zin dat hij alles wat het denken doet en voortbrengt afwijst. Het Onbekende ligt buiten ruimte en tijd, dus buiten de werkings­sfeer van het denken, welk zelf tijd ìs. Niets, wat de mens intentioneel wil bereiken, zal hij in zuivere vorm ervaren, tenzij zijn handelingen volkomen overeenstemmen met de wensen- en werking van het Onbekende. Krishnamurti wijst daarom elke vorm van inspanning en concentratie af.

Comhaire Ellen Moraliteit tussen vrijheid en determinisme. Een filosofisch onderzoek naar de causaliteit van altruïsme en egoïsme.
Onze emoties zijn lichaamstoestanden die via hun weergave in onze hersenen een beeld geven van wat er op dat moment relevant is voor ons. Onze emoties zijn de stuwkracht achter ons gedrag en ze zorgen ervoor dat ons gedrag aangepast is aan onze ervaringen – en dat is uiteindelijk onze kennis over wat een situatie bij ons teweegbrengt. Om tot zinvolle interactie te komen met de omgeving, werken onze hersenen op basis van voorstellingen van wat er kan gebeuren. Die voorstellingen vinden hun oorsprong in de zintuiglijke prikkels. Via een soort verwachtingssysteem - dat werkt gebruik makend van ons ‘emotioneel geheugen’ - worden aan die voorstellingen automatisch evaluatieve associaties gekoppeld. Zij geven de wenselijkheid weer van een verwachte gebeurtenis. Ook dit proces verloopt enerzijds via onbewuste, automatische systemen, waarbij ons limbisch systeem loopt, waardoor een preciezere plaatsing van de stimulus ontstaat in ons expliciete geheugen. Een meer verfijnde en genuanceerde reactie op een (interne en externe) situatie is dan mogelijk. Deze laatste soort respons zal gebaseerd zijn op onze bewuste herinneringen aan voorstellingen van onszelf – ons zelfconcept, ook wel zelfbeeld of identiteit genoemd - en van hoe onze omgeving ineen zit.

Rapport 'E i V': Supersymmetrie, afgekort SUSY geldt als een van de meest kansrijke uitbreidingen van het standaardmodel voor elementaire deeltjes. Op basis van deze symmetrie wordt geconcludeerd dat de Levensboom een optie biedt om de keerzijde van de medaille uit te beelden, dus dat de Levensboom het spiegelbeeld van de Snaartheorie is. De snaartheorie toont slechts de materiële kant van de medaille. Dit concept is uitgewerkt met behulp van een 'bewustzijnsschil', die is opgebouwd rond de begrippen ether-paradigma, reflexief bewustzijn, meta-leren en hermeneutische cirkel (kwantummonade). De hierbij gevolgde denkwijze sluit aan op de door Francis Heylighen beschreven vijf verschillende stappen of niveaus van het bewustzijn: Sensation, Awareness, Experience, Self-awareness en First-person experience. Elke stap biedt successievelijk het kader voor de volgende stap met een hoger abstractieniveau. Ook is voor het uitwerken van dit gezichtspunt van de publicatie Het transcenderen van de conceptueel-symbolische kode van Francis Heylighen gebruik gemaakt. Het overkoepelend evolutionair-systemische wereldbeeld (ESW) van Francis Heylighen plaatst de schetsmatige opzet van het rapport ‘E i V’ in een academisch kader. Het ESW cursusmateriaal bestrijkt met betrekking tot de chaostheorie en de systeemleer dezelfde invalshoek.

Als er iets fout gaat gaat het goed mis (Jan van der Putten Volkskrant 2 januari 2015 katern Vonk p. 6-7):
Ruim 24 eeuwen na zijn dood is de Griekse geschiedschrijver Thucydides weer volop actueel. Zijn analyse over de oorzaak van de Peloponnesische Oorlog (431-404 v. Chr.) tussen Athene en Sparta is herontdekt door de Amerikaanse politieke wetenschapper Graham Allison.
Tanende machten
Allison ziet in Thucydides' analyse een paradigma van wat er kan gebeuren als een heersende grootmacht zich door een opkomende macht bedreigd voelt. Wat ze ook doen of juist niet doen, hoe ze ook op elkaar reageren, de valstrik van een oorlog is steeds dichtbij. De kans dat de rivalen daarin trappen, is historisch heel groot: sinds de 16de eeuw heeft dit soort conflicten zich volgens Allison zestien keer voorgedaan; twaalf keer is het tot oorlog gekomen.
De Chinese leider Xi Jinping is zich daarvan goed bewust. Thucydides' valstrik bestaat niet, zei hij bij zijn bezoek aan Amerika in september, 'maar als belangrijke landen keer op keer strategische misrekeningen maken, dan kunnen ze voor zichzelf zo'n valstrik zetten'. Vertaald: als Amerika en China niet uitkijken, kan er een oorlog tussen hen uitbreken. Historische precedenten zijn er genoeg. De laatste vijf eeuwen is slechts in vier van de zestien gevallen van verschuivend machtsevenwicht een oorlog uitgebleven: de overgang van de wereldhegemonie van Engeland op Amerika verliep vreedzaam, en de grote krachtmetingen na de Tweede Wereldoorlog werden evenmin op het slagveld beslist. Dat waren volgens Allison de gewapende vrede tussen de Sovjet-Unie en Japan, de Koude Oorlog en de Duits-Franse rivaliteit om de hegemonie in Europa. Gaat de mensheid dan toch vooruit?
Amerika zou China's opkomst moeten aanvaarden en de gemeenschappelijke belangen laten prevaleren. Veel hangt af van de vraag wie de nieuwe Amerikaanse president wordt. Intussen hebben de Chinezen de tijd De kunst van het oorlogvoeren te bestuderen van hun legendarische strateeg Sun Tzu, die bijna een eeuw voor Thucydides leefde. Zijn beroemdste uitspraak: 'Het toppunt van bekwaamheid is de vijand verslaan zonder te vechten.'

====

Bewustzijnsevolutie (Kwintessens, Boom van ‘Goed en Kwaad’, Goede, Ware en Schone)

Genesis 1:26: Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.
Eliphas Levi: De logos van God is de openbaarder van de mens, en de logos (het woord) van de mens is de openbaarder van God.
Christian Vandekerkhove: Ik zou durven stellen dat de breuk tussen de Antroposofische Vereniging en de Theosofische voor beide stromingen één grote gemiste kans is geweest om samen aan een groot monument te bouwen in een sfeer van eenheid in verscheidenheid.
In het Evangelie volgens Filippus (een tekst uit de Nag Hammadi-kruik):
God schiep de mens
en de mensen schiepen zich een god.
Zo gaat het in de wereld:
de mensen scheppen zich goden
en vereren hun scheppingen.
Waarlijk! (Zo) zouden de goden
de mensen moeten vereren!
God schiep de mens als zijn evenbeeld. De mens is een ware weerspiegeling van Gods heilige wezen.
'Ik en de Vader zijn Eén’ en ‘Geschapen naar God’s beeld en gelijkenis’ duiden op spiegelsymmetrie.

Van wantrouwen naar vertrouwen
Als we in waarheid zijn, vertrouwen we de levenskracht, die nu in de natuur zo duidelijk zichtbaar is. We weten dat er alleen liefde is en we door een liefdevol en zorgzaam universum worden gedragen. Met deze houding zijn we in overgave aan de levensstroom en bewegen we ontspannen, moeiteloos en zorgeloos. Bewustzijnsaspecten die door onwetendheid in illusies geloven en dus niet in waarheid zijn, wantrouwen de levenskracht en menen dat ze in een chaotisch en onrechtvaardig universum leven. Deze aspecten vechten angstig en krampachtig tegen de levensstroom en dus tegen zichzelf, waardoor de levenskracht destructief wordt en fragmenteert. Zo ontstaat een vicieuze cirkel van wantrouwen, vechten, destructiviteit, onverenigbare tegenstrijdigheden, lijden, angst, nog meer wantrouwen etc. In deze workshop zullen we met een liefdevolle nieuwsgierigheid aan de hand van thema’s uit de padlezingen onderzoeken hoe we deze vicieuze cirkel kunnen doorbreken.

Byron Katie: Met de The Work, zie je wie je zelf bent door te kijken naar wat jij van andere mensen denkt. Uiteindelijk kom je te zien dat alles buiten jezelf een reflectie is van jouw eigen denken. Jouw geest is de verhalenverteller, de projector van alle verhalen, en de wereld is het geprojecteerde beeld van de gedachten waarin jij gelooft.

Byron Katie laat net als Boeddha, Pythagoras, Plato, Roberto Assagioli, Carl Jung en H.P. Blavatsky zien dat 'binnen en buiten' elkaars reflecties zijn. Door het kompaskwadrant, dit multidimensionale verklaringsmodel toe te passen leren we de wereld om ons heen steeds beter te begrijpen.

Evolutiepsychologie
Wederkerig altruïsme, het verschijnsel waarbij men elkaar wederzijds helpt of een gunst verleent, is een veelvuldig onderzocht onderwerp binnen de evolutionaire psychologie. De reciprociteit van "voor wat hoort wat" is "heb uw naaste lief". Rita Smaniotto: Op basis van experimenten, simulatie-onderzoek en een heranalyse van een aantal antropologische studies naar het delen van voedsel in jagers-en verzamelaarsvolkeren concludeert Rita Smaniotto in haar proefschrift dat het "voor wat hoort wat" mechanisme niet zo wijdverspreid is als doorgaans wordt aangenomen. Volgens haar is er in veel gevallen sprake van een alternatief mechanisme, het "heb uw naaste lief" mechanisme. Dit mechanisme is vooral gericht op het welzijn van personen in iemands directe omgeving.
Promotie onderzoek Patrice van de Vorst: mijn te onderzoeken stelling is: Er is een biologische of anatomische grondslag voor het ontstaan van het menselijk bewustzijn en de menselijke moraal. Deze komt voort uit de evolutionaire veranderingen in de geslachtsorganen van de soort Homo.

De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 32):
Zij is het ENE LEVEN, eeuwig, onzichtbaar en toch alomtegenwoordig, zonder begin of einde en toch periodiek in haar geregelde manifestaties, terwijl tussen die perioden het duistere geheim van het niet-zijn heerst; onbewust en toch absoluut Bewustzijn; niet te verwerkelijken en toch de ene op zichzelf bestaande werkelijkheid; inderdaad ‘een chaos voor het gevoel, een Kosmos voor de rede’. Haar ene absolute kenmerk, namelijk HETZELF, de eeuwige, onophoudelijke beweging, wordt in esoterische taal de ‘grote adem’2 genoemd, dat is de eeuwigdurende beweging van het Heelal in de zin van grenzeloze, altijd aanwezige RUIMTE. Wat bewegingloos is, kan niet goddelijk zijn. Maar er is ook in feite en in werkelijkheid niets absoluut onbeweeglijk binnen de universele ziel.
2) Plato toont zich een ingewijde als hij in de Cratylus zegt dat theos is afgeleid van het werkwoord theein, ‘bewegen’, ‘lopen’, want de eerste astronomen die de bewegingen van de hemellichamen waarnamen, noemden de planeten theoi, de goden. (Zie Deel II, Afd. II, XXII, De symboliek van kruis en cirkel.) Later ontstond uit het woord nòg een term, aletheia – de adem van god’.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 246):
De kiem zal in de stoffelijke cel de geestelijke kracht worden die de ontwikkeling van het embryo leidt, en de oorzaak is van de overerving van vermogens en van al de inherente eigenschappen van de mens. De theorie van Darwin over de overdracht van verkregen eigenschappen wordt echter in het occultisme niet onderwezen en niet aanvaard. Het occultisme zegt dat de evolutie volgens een heel ander patroon plaatsheeft; het stoffelijke ontwikkelt zich volgens de esoterische leer geleidelijk uit het geestelijke, het verstandelijke en het psychische. Deze innerlijke ziel van de stoffelijke cel – dit ‘geestelijke plasma’, dat het kiemplasma beheerst – is de sleutel die eens de poorten moet openen van de terra incognita van de bioloog, die nu het duistere mysterie van de embryologie wordt genoemd.
250: Maar vóór we dat doen, zou ik willen vragen of het iemand van ons als iets onnatuurlijks, of zelfs ‘bovennatuurlijks’ toeschijnt, als wij dat proces beschouwen dat bekend is als de groei en ontwikkeling van een foetus tot een gezonde baby die een aantal ponden weegt – ontwikkeling waaruit? Uit de deling van een oneindig klein eitje met een zaadcel; en later zien we die baby zich ontwikkelen tot een mens van zes voet! Dit proces heeft betrekking op de atomaire en fysieke expansie van het microscopisch kleine tot iets heel groots, van het voor het blote oog – onzichtbare tot het zichtbare en objectieve. De wetenschap heeft voor dit alles een verklaring; en haar theorieën op embryologisch, biologisch en fysiologisch gebied zijn ongetwijfeld juist, voorzover het de nauwkeurige waarneming van het materiaal betreft. Toch zijn de voornaamste twee moeilijkheden van de embryologie – namelijk, welke krachten aan het werk zijn bij de vorming van de vrucht, en wat de oorzaak is van de ‘erfelijke overdracht’ van lichamelijke, morele en verstandelijke eigenschappen – nooit behoorlijk opgelost, en zij zullen nooit worden opgelost voordat de geleerden zich zullen verwaardigen de occulte theorieën te aanvaarden14.
14) De materialisten en de aanhangers van de darwinistische evolutieleer zouden er onverstandig aan doen de onlangs uitgewerkte theorieën van professor Weissmann, de schrijver van Beiträge zur Descendenzlehre, te aanvaarden. Deze theorieën hebben betrekking op een van de twee bovengenoemde mysteries van de embryologie, die hij schijnt te hebben opgelost – zoals hij denkt. Want als het is opgelost, zal de wetenschap het domein van het werkelijk occulte hebben betreden, en voor altijd het rijk van de transformatie, zoals beschreven door Darwin, hebben verlaten.
251: ‘Wanneer het zaad van de lichamelijke man is gestort in de vruchtbare bodem van de lichamelijke vrouw, kan dat zaad niet ontkiemen tenzij het is bevrucht door de vijf deugden (het fluïdum of de uitstraling van de beginselen) van de zesvoudige hemelse mens.’ Daarom wordt de microkosmos voorgesteld als een vijfhoek binnen de zeshoekige ster, de ‘macrokosmos’.
252: Verder: ‘De functies van jiva op deze aarde hebben een vijfvoudig karakter. In het delfstoffenatoom is deze verbonden met de laagste beginselen van de Aardgeesten (de zesvoudige Dhyani’s); in het deeltje uit het plantenrijk, met hun tweede beginsel – de prana (leven); in het dier, met deze twee plus het derde en vierde; in de mens moet de kiem door alle vijf worden bevrucht. Anders wordt hij geboren als niet meer dan een dier’, namelijk als een idioot. Dus alleen in de mens is de jiva volledig. Wat zijn zevende beginsel betreft, dit is slechts een van de stralen van de universele zon. Elk redelijk wezen krijgt dat, wat naar zijn oorsprong moet terugkeren, slechts tijdelijk te leen; zijn stoffelijke lichaam wordt gevormd door de laagste aardse levende wezens, door fysische, chemische en fysiologische evolutie. ‘De gezegenden hebben niets te maken met de zuivering van de stof.’ (Kabbala, het Chaldeeuwse Boek van de Getallen.)
270: We geven nu in tabelvorm wat de heel voorzichtige Eliphas Lévi ter verklaring van zijn diagram zegt, en wat de esoterische leer verkondigt – en we vergelijken de twee. Ook Lévi maakt onderscheid tussen de kabbalistische en de occulte pneumatologie. (Zie ‘Histoire de la Magie’, blz. 388, 389.)
274: Aan de Adam van stof moet de levensziel worden ingeblazen: de middelste twee beginselen, het gevoelsleven van het redeloze dier en de menselijke ziel, want het eerste is redeloos zonder het laatste. Pas wanneer de mens – een potentiële androgyn – zich heeft gescheiden in een mannelijk en een vrouwelijk wezen, zal hem die bewuste redelijke individuele ziel (manas) worden geschonken, ‘het beginsel of de intelligentie van de Elohim’; om die te ontvangen, moet hij eten van de vrucht van kennis van de Boom van Goed en Kwaad. Hoe moet hij dit alles verkrijgen? De occulte leer zegt dat, terwijl de monade haar cyclus naar beneden in de stof doorloopt, deze zelfde Elohim – of pitri’s, de lagere Dhyan-Chohans – zich gelijkelijk met haar ontwikkelen op een hoger en meer geestelijk gebied; op hun eigen bewustzijnsgebied dalen ze ook relatief in de stof af, waarbij ze, als ze een bepaald punt hebben bereikt, de incarnerende redeloze monade zullen ontmoeten, die is opgesloten in de laagste stof; en door het vermengen van de twee potenties, geest en stof, zal dat aardse symbool worden voortgebracht van de ‘hemelse mens’ in de ruimte – DE VOLMAAKTE MENS.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 11 Over elementen en atomen (p. 627/628):
Niet één filosoof uit de oudheid, zelfs niet de joodse kabbalisten, scheidden ooit de geest van de stof of omgekeerd. Alles vond zijn oorsprong in het ENE, komt voort uit het ene en moet tenslotte terugkeren tot het Ene. ‘Licht wordt warmte en verdicht zich tot vurige deeltjes die, nadat ze hebben gebrand, koude, harde, ronde en gladde deeltjes worden. En dit wordt de ziel genoemd, gevangen in haar kleed van stof’; want atomen en zielen waren synoniem in de taal van de ingewijden. De ‘rondwervelende zielen’, gilgoolem, een leer waarin zoveel geleerde joden hebben geloofd (zie de Royal Masonic Cyclopaedia van Mackenzie), had esoterisch geen andere betekenis. De geleerde joodse ingewijden hebben met het ‘beloofde land’ nooit alleen Palestina bedoeld, maar hetzelfde nirvāna als de geleerde boeddhisten en brahmanen – de schoot van de EEUWIGE, gesymboliseerd door die van Abraham, en door Palestina als de plaatsvervanger ervan op aarde5. De doorgang van het ZIELEN-ATOOM ‘door de zeven planeetkamers’ had dezelfde metafysische en ook fysische betekenis. Het had de laatstgenoemde betekenis wanneer werd gezegd dat het zich in de ether oploste. (Zie Isis Ontsluierd, Deel I, Engelse uitgave, blz. 297.) Zelfs Epicurus, de model-atheïst en materialist, kende en geloofde zoveel van de oude wijsheid, dat hij verkondigde dat de ziel (geheel verschillend van de onsterfelijke geest, als de eerstgenoemde daarin latent is opgesloten, zoals in elk atomair deeltje) was samengesteld uit een fijne, tere essentie, gevormd uit de gladste, rondste en fijnste atomen.
5) Geen ontwikkelde jood heeft ooit geloofd in de letterlijke betekenis van deze allegorie – namelijk dat ‘de lichamen van joden die in vreemde landen zijn begraven, in zich een zielenbeginsel bevatten dat niet kan rusten, totdat het onsterfelijke deel, door een proces dat het ‘rondwervelen van de ziel’ wordt genoemd, de heilige grond van het ‘beloofde land’ weer bereikt’. Voor een occultist is de betekenis duidelijk. Het proces werd geacht zich te voltrekken door een soort metempsychose, waarbij de psychische vonk haar weg aflegde door een vogel, een viervoetig dier, een vis en het kleinste insect. (Zie de Royal Masonic Cyclopaedia van Mackenzie.) De allegorie heeft betrekking op de atomen van het lichaam, die elk door iedere vorm moeten gaan, voordat ze alle de eindtoestand bereiken, die het eerste uitgangspunt van elk atoom is – zijn oorspronkelijke layatoestand. Maar de oorspronkelijke betekenis van gilgoolem of de ‘rondwenteling van de zielen’ was het denkbeeld van de reïncarnerende zielen of ego’s. ‘Alle zielen gaan in de gilgoolah’, in een cyclisch of rondwentelend proces; d.w.z. ze volgen alle het cyclische pad van de wedergeboorten. Sommige kabbalisten leggen deze lering zó uit, dat deze alleen maar een soort vagevuur voor de zielen van de verdorvenen betekent. Maar dat is niet juist.

De Geheime Leer Deel II, Inleidende opmerkingen (p. 4):
Van de assyriologen, die onbekend waren met de esoterische leringen, kon men nauwelijks verwachten dat zij meer aandacht zouden besteden aan het geheimzinnige en steeds terugkerende getal zeven op de Babylonische cylinders, dan toen zij het aantroffen in Genesis en de bijbel. En toch staan het getal van de voorvaderlijke geesten en hun zeven groepen menselijke nakomelingen er, ondanks de vervallen toestand van de fragmenten, even duidelijk als in ‘Pymander’ en in het ‘Boek van het verborgen mysterie’ van de Kabbala. In dit laatste is Adam Kadmon de sephiroth-boom, en ook de ‘Boom van kennis van goed en kwaad’. En die ‘boom’, zegt vers 32, ‘is omringd door zeven zuilen’ of paleizen van de zeven scheppende engelen, die werken in de sferen van de zeven planeten op onze bol.
De Geheime Leer Deel II Stanza 5 De evolutie van het tweede ras (p. 138):
Deze noodzaak van geheimhouding bracht het vijfde Ras tot het instellen, of liever het opnieuw instellen, van de religieuze mysteriën, waarin onder de sluier van allegorie en symboliek oude waarheden aan de komende geslachten konden worden onderwezen. Zie de onvergankelijke getuige van de evolutie van de menselijke uit de goddelijke rassen, en in het bijzonder uit het androgyne Ras – de Egyptische Sfinx, dat raadsel van de eeuwen! Goddelijke wijsheid die zich incarneert op aarde en die wordt gedwongen de bittere vrucht te proeven van persoonlijke pijn en van lijden, die op aarde alleen wordt voortgebracht in de schaduw van de boom van kennis van goed en kwaad – een geheim dat eerst alleen bekend was aan de Elohim, de ZELF-INGEWIJDE ‘hogere goden’.
De Geheime Leer Deel II, De rassen met het 'derde oog' (p. 330:
Adam Kadmon is de boom (van de sephiroth) en hij wordt esoterisch de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. En die ‘boom heeft om zich heen zeven zuilen (zeven pilaren) van de wereld, of bestuurders’; dezelfde ‘voorouders’ of ‘sephiroth’ die weer ‘werkzaam zijn door middel van de respectievelijke orden van engelen in de sferen van de zeven planeten’, enz.; een van die orden verwekt reuzen (nephilim) op aarde.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 4 Duur van de geologische tijdperken (p. 800):
Wij kunnen beginnen met de bijbel, het jongste van de heilige geschriften van de wereld. In Prediker, hfst. i, lezen wij deze woorden van de koning-ingewijde: ‘Het ene geslacht gaat en het andere komt, maar de aarde blijft eeuwig bestaan’, en verder: ‘Wat is geweest, is dat wat er zal zijn; en wat is gedaan, is dat wat er zal worden gedaan, en er is niets nieuws onder de zon.’ Het is niet gemakkelijk in deze woorden een verwijzing te zien naar de opeenvolgende rampen, waardoor de mensenrassen worden weggevaagd of, als we verder teruggaan, naar de verschillende veranderingen van de bol tijdens het proces van zijn vorming. Maar indien men ons zegt dat dit alleen betrekking heeft op onze wereld zoals wij die nu zien, zullen we de lezer verwijzen naar het Nieuwe Testament, waar Paulus (Hebreeën i) spreekt over de zoon (de gemanifesteerde kracht) die (door God) is benoemd tot erfgenaam van alle dingen, door wie hij ook de werelden (meervoud) heeft gemaakt. Deze ‘kracht’ is hokhmah (of chochmah), de wijsheid en het woord. De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 5 Organische evolutie en scheppende centra (p. 833):
Het zijn de ‘vele’ die voortkomen uit het ene – de levende geestelijke kiemen of krachtcentra – elk in een zevenvoudige vorm, die de wet van de evolutie en van de langzame geleidelijke ontwikkeling eerst tevoorschijn roepen en haar dan de oorspronkelijke impuls geven.

Het idee om op basis van complementariteit fysica en meta-fysica met elkaar te verbinden is ook door Werner Heisenberg en door Fritjof Capra , in zijn boek The tao of physics, naar voren gebracht. Het boek van Capra beschrijft een onderzoek naar de parallellen tussen de moderne fysica en de oosterse mystiek. Het 5D-concept wil benadrukken dat het universele patroon van het wat vastligt. Het is zoals het is (antropisch principe), daar kan de wetenschap weinig aan veranderen.

Het pedagogische denkmodel geeft niet een compleet plaatje van de éne werkelijkheid, de absolute waarheid maar beoogt wel, door de hoofdroute aan te geven en de verborgen 5e Dimensie, de kwintessens te belichten, een tipje van de sluier op te lichten. Een kaart is, zoals zo mooi gezegd is door Alfred Korzybski, niet het terrein. What's in a name? De éne werkelijkheid verandert niet door er andere etiketten op te plakken.
Synthese ontstaat door these + antithese. Net als de drie-eenheid (Trimurti) kunnen tijd, ruimte en materie wel onderscheiden, maar niet gescheiden worden.
Om de werkelijkheid te duiden biedt de chaostheorie een interessant perspectief. Ook fractals vertonen drie eigenschappen tegelijkertijd: iteratie, gebroken dimensie en zelfgelijkvormigheid.

De relatie tussen individu en collectief staat centraal. Er is een voortdurende wederzijdse interactie of reciprociteit tussen het door individuen scheppen van de omgeving en het door die omgeving gevormd worden. De stelling wordt onderbouwd dat de kenmerken van een individu de kenmerken van een groep transformeren en vice versa. De complexe werkelijkheid ontstaat doordat we in diverse rollen in politieke en maatschappelijke structuren acteren.

====

Zie ook:

Boeken:

Externe Links

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 keer bekeken.