2.1 Levensboom en de Macrokosmos

Openbaring 1.8: Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige.
George Orwell: Sommige ideeën zijn zo fout dat alleen een heel intelligente mens daarin zou kunnen geloven.
Manly Palmer Hall: De Geheime Leer neemt de waardigheid van een heilig geschrift aan omdat eeuwige mysteriën worden gekleed in oude klassieke en in moderne termen, en voor hen die ogen hebben om te zien wordt de eeuwige wijsheid onthuld.

Unificatietheorie (Universele quintessens, Tien categorieënleer, Evolutie en Involutie)

H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel I Proloog (p. 39):
‘Wat is het dat was, is en zal zijn, of er een Heelal is of niet, of er goden zijn of niet?’ vraagt de esoterische Senzar catechismus. En het gegeven antwoord is: RUIMTE.
De ene onbekende altijd-tegenwoordige god in de Natuur, of de Natuur in abscondito verwerpen wij niet, maar wel de God van het menselijke dogma en zijn vermenselijkte ‘woord’. In zijn oneindige verwaandheid en aangeboren trots en ijdelheid schiep de mens deze zelf met zijn heiligschennende hand uit de elementen die hij vond in zijn eigen kleine hersenweefsel en drong deze aan de mensheid op als een rechtstreekse openbaring uit de ene ongeopenbaarde RUIMTE10.
10) Het occultisme zit inderdaad in de lucht aan het einde van onze eeuw. Van de vele andere onlangs uitgegeven boeken zouden wij er één in het bijzonder willen aanbevelen aan onderzoekers van het theoretische occultisme, die zich niet buiten ons speciaal menselijke gebied zouden durven begeven. Het heet ‘New Aspects of Life and Religion’, door Henry Pratt, M.D. Het staat vol esoterische dogma’s en filosofie, de laatste in de slothoofdstukken nogal beperkt door wat een geest van voorwaardelijk positivisme schijnt te zijn. Niettemin verdient te worden aangehaald wat wordt gezegd over de Ruimte als ‘de onbekende eerste oorzaak’. ‘Dit onbekende iets, dat zo wordt erkend en gelijkgesteld met de eerste belichaming van de eenvoudige Eenheid, is onzichtbaar en ontastbaar’ (als abstracte ruimte, toegegeven); ‘en omdat het onzichtbaar en ontastbaar is, is het ook onkenbaar. En deze onkenbaarheid heeft geleid tot de foute veronderstelling dat zij een eenvoudige leegte is, alleen een vermogen om iets op te nemen. Maar zelfs als men ruimte opvat als een absolute leegte, moet men toegeven dat de ruimte òf op zichzelf bestaand, oneindig en eeuwig is, òf een eerste oorzaak heeft gehad buiten, achter en boven zich.’
‘En toch, als zo’n oorzaak kon worden gevonden en gedefinieerd, zou dit er alleen toe leiden dat daaraan de eigenschappen zouden worden overgedragen die anders aan de ruimte worden toegekend en dat het probleem van de oorsprong een stap terug wordt geschoven zonder dat er meer inzicht wordt verkregen in de eerste oorzakelijkheid.’ (blz. 5.)
Geheime Leer Deel I Stanza 1 De nacht van het heelal (p. 82):
(b) De uitdrukking anupadaka, ‘ouderloos’ of zonder voorvaderen, is een mystieke aanduiding die in de filosofie verschillende betekenissen heeft. Met deze naam worden gewoonlijk hemelse wezens, de Dhyan-Chohans of Dhyani-Boeddha’s bedoeld. Maar omdat deze op mystieke manier overeenkomen met de menselijke Boeddha’s en bodhisattva’s die bekendstaan als de ‘manushi (of menselijke) Boeddha’s’, worden de laatsten ook ‘anupadaka’ genoemd, zodra hun hele persoonlijkheid is opgegaan in hun verenigde zesde en zevende beginsel – of atma-buddhi, en zij de ‘diamantzielen’ (vajra-sattva’s) of volledige mahatma’s zijn geworden.
Geheime Leer Deel I Stanza 2 Het denkbeeld van differentiatie (p. 86):
(b) De term ‘adem’ van het ene Bestaan wordt door de archaïsche esoterie alleen toegepast op het geestelijke aspect van de kosmogonie; in andere gevallen wordt deze vervangen door de overeenkomstige term op het stoffelijke gebied: beweging. Het ene eeuwige Element, of elementbevattende voertuig, is Ruimte, in elke betekenis zonder dimensie; tegelijk daarmee bestaan eindeloze duur, oer- (en dus onvernietigbare) stof, en beweging – absolute ‘eeuwigdurende beweging’: de ‘adem’ van het ‘ene’ Element. Zoals wij hebben gezien, kan deze adem nooit ophouden, zelfs niet tijdens de eeuwigheden van pralaya (zie ‘Chaos, Theos, Kosmos’ in Afdeling II).
Deel I Stanza 3. Het ontwaken van de kosmos (p. 114):
Het uitzetten en samentrekken van het web – dat wil zeggen de wereldstof of de atomen – duidt hier de kloppende beweging aan; want de algemene trilling van de atomen wordt veroorzaakt door de regelmatige samentrekking en uitzetting van de oneindige en grenzeloze oceaan van wat wij het door svabhavat uitgestraalde noumenon van de stof kunnen noemen.
Deel I Stanza 5. Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 158):
Er zijn drie hoofdgroepen van bouwers en evenveel van de planeetgeesten en de lipika’s; iedere groep is weer verdeeld in zeven subgroepen. Zelfs in een omvangrijk boek als dit is het onmogelijk te beginnen aan een nauwgezet onderzoek, zelfs van de drie hoofdgroepen, omdat dit een extra boekdeel zou vereisen. De ‘bouwers’ vertegenwoordigen de eerste ‘uit het denkvermogen geboren’ wezens, dus de oorspronkelijke rishi-prajapati’s, en ook de zeven grote goden van Egypte, van wie Osiris de voornaamste is; zij vertegenwoordigen de zeven Amshaspends van de Zoroastriërs, met Ormazd aan het hoofd, of de ‘zeven geesten van het gezicht’: de zeven sephiroth, gescheiden van de eerste triade, enz.
Na de ‘nacht’ bouwen of liever herbouwen zij ieder ‘stelsel’. De tweede groep bouwers is de architect van uitsluitend onze planeetketen, en de derde is de voorvader van onze mensheid – de macrokosmische oervorm van de microkosmos.
Geheime Leer Deel I Aanvullende feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 206):
Het wordt dus duidelijk waarom wat in Esoteric Buddhism terecht ‘evolutiegolf’ en delfstoffen-, planten-, dieren- en mensen‘impuls’ wordt genoemd, in de vierde cyclus of Ronde bij de deur van onze bol tot staan komt. Op dit punt zal de kosmische monade (buddhi) huwen met en tot voertuig worden van de atmische straal, d.w.z. buddhi zal ontwaken tot een bewust waarnemen van atman en zo de eerste sport beklimmen van een nieuwe zevenvoudige ladder van evolutie, die haar tenslotte zal leiden tot de tiende tak (geteld van beneden naar boven) van de boom van de sephiroth, de Kroon.
Alles in het Heelal volgt de wet van de analogie. ‘Zo boven, zo beneden’; de mens is de microkosmos van het Heelal. Wat plaatsvindt op het geestelijke gebied, herhaalt zich op het kosmische gebied. Het concrete volgt het voorbeeld van het abstracte; het laagste moet overeenkomen met het hoogste; het stoffelijke met het geestelijke. Overeenkomend met de kroon van de sephiroth (of de hoogste triade) zijn er dus de drie elementalenrijken, die voorafgaan aan het delfstoffenrijk (zie het diagram op blz. 277 in Five Years of Theosophy) en die, om de taal van de kabbalisten te gebruiken, in de kosmische differentiatie overeenstemmen met de werelden van vorm en stof, van de bovengeestelijke tot die van de archetypen.
Deel I Stanza 7. De voorvaderen van de mens op aarde (p. 294):
Zo verlopen de cyclussen van de zevenvoudige evolutie in de zeventallige natuur: de geestelijke of goddelijke; de psychische of halfgoddelijke; de verstandelijke, die van de hartstochten, de instinctieve of cognitieve; de halflichamelijke en de zuiver stoffelijke of fysieke natuur. Deze evolueren en vorderen alle cyclisch; ze gaan op twee manieren in elkaar over, middelpuntvliedend en middelpuntzoekend; ze zijn in hun diepste essentie één, maar zeven in hun aspecten. Het laagste aspect is natuurlijk afhankelijk van en ondergeschikt aan onze vijf fysieke zintuigen. Tot dusver ging het over het individuele, menselijke, waarnemende, dierlijke en plantaardige leven; elk de microkosmos van zijn hogere macrokosmos. Hetzelfde geldt voor het Heelal, dat zich periodiek manifesteert ten behoeve van de gezamenlijke vooruitgang van de talloze levens, de uitademingen van het Ene Leven; opdat door het eeuwig wordende elk kosmisch atoom in dit oneindige Heelal – terwijl het uitgaande van het vormloze en het niet-stoffelijke, via de gemengde naturen van het half-aardse, tot volledig ontwikkelde stof wordt, en dan weer terugkeert en in elk nieuw tijdperk hoger en dichter bij het einddoel komt – door individuele verdienste en inspanning dat gebied kan bereiken waarop het opnieuw het ene onvoorwaardelijke AL wordt. Maar tussen de alfa en de omega is er het moeizame ‘pad’, omgeven door doornen, dat ‘eerst naar beneden voert en dan
Steeds omhoog kronkelt
Ja, tot het einde toe. . . .’

De Geheime Leer Deel II, Inleidende opmerkingen (p. 1/2):
Wat betreft de evolutie van de mensheid stelt de Geheime Leer drie nieuwe stellingen voorop, die lijnrecht in strijd zijn met zowel de moderne wetenschap als de gangbare religieuze dogma’s: zij leert
(a) de gelijktijdige evolutie van zeven mensengroepen op zeven verschillende delen van onze aardbol;
(b) de geboorte van het astrale lichaam vóór het stoffelijke, waarbij het eerste een model is voor het laatste; en
(c) dat de mens in deze Ronde aan alle zoogdieren in het dierenrijk voorafging1 – de mensapen daarbij inbegrepen.
1) Zie Genesis ii, 19. Adam wordt gevormd in vers 7, en in vers 19 wordt gezegd: ‘Uit de aarde vormde de Heer God alle dieren van het veld en alle vogels van de lucht; en hij bracht ze naar Adam om te zien hoe hij ze zou noemen.’ De mens werd dus geschapen vóór de dieren, want de dieren die in hoofdstuk i worden genoemd, zijn de tekens van de Dierenriem, terwijl de mens ‘man en vrouw’ niet de mens is, maar de menigte van de sephiroth; KRACHTEN of engelen, ‘gemaakt naar zijn (Gods) beeld en gelijkenis’. Adam, de mens, is niet naar die gelijkenis gemaakt, en dit wordt ook niet beweerd in de bijbel. Bovendien is de Tweede Adam esoterisch een zevenvoud dat zeven mensen of liever mensengroepen voorstelt. Want de eerste Adam – de Kadmon – is de synthese van de tien sephiroth. De bovenste triade hiervan blijft in de archetypische wereld als de toekomstige ‘drieëenheid’, terwijl de zeven lagere sephiroth de gemanifesteerde stoffelijke wereld scheppen, en dit zevenvoud is de tweede Adam. Genesis en de mysteriën waarop dit boek berustte, waren uit Egypte afkomstig. De ‘God’ van het eerste hoofdstuk van Genesis is de Logos, en de ‘Heer God’ van het tweede hoofdstuk is de scheppende Elohim – de lagere machten.'
Deel II hoofdstuk Het kruis en het Pythagorische tiental (p. 652):
Dit tiental, dat het Heelal en zijn evolutie uit de stilte en de onbekende diepten van de geestelijke ziel of anima mundi voorstelde, bood de onderzoeker twee kanten of aspecten. Het kon in het begin worden gebruikt voor en toegepast op de macrokosmos en werd dit ook, waarna het afdaalde tot de microkosmos, of de mens.
656: ‘Uit een objectief oogpunt wordt de microkosmos voorgesteld door het menselijke lichaam. Makaram kan worden opgevat als een gelijktijdige voorstelling van zowel de microkosmos als de macrokosmos, gezien als uiterlijke objecten van waarneming’ (blz. 113, 115).
Deel II, hoofdstuk 25 De mysteriën van het zevental (p. 690):
Zo kan men aantonen dat de Rig Veda, de oudste van alle bekende oude geschriften, de occulte leringen in bijna elk opzicht bevestigt. Zijn lofzangen – de optekeningen door de eerste ingewijden van het vijfde (ons Ras) over de oorspronkelijke leringen – spreken over de zeven rassen (er moeten er nog twee komen) en stellen deze allegorisch voor door de ‘zeven stromen’ (I, 35, 8); en over de vijf rassen (‘pāñcha krishtayah’) die deze wereld (ibid) al hebben bewoond in de vijf gebieden ‘pāñcha pradiśāh’ (IX, 86, 29), en ook over de drie continenten die er zijn geweest2.
2) Drie verzonken of op een andere manier vernietigde continenten – het eerste ‘continent’ van het eerste Ras bestaat nog steeds en zal tot het einde blijven bestaan – worden in de occulte leer beschreven, het continent van de Hyperboreeërs, het Lemurische continent (wij gebruiken de naam die nu in de wetenschap bekend is) en het Atlantische. Het grootste deel van Azië verrees na de vernietiging van Atlantis uit de wateren; Afrika kwam nog later, terwijl Europa het vijfde en het laatste continent is – gedeelten van de beide Amerika’s zijn veel ouder. Maar hierover later meer. De ingewijden die de Veda’s optekenden – of de rishi’s van ons vijfde Ras – schreven in een tijd toen Atlantis al was ten onder gegaan. Atlantis is het vierde continent dat verscheen, maar het derde dat verdween.
707: De cirkel is niet de ‘ene’ maar het al.
In de hogere (hemel), de ondoordringbare rājah (‘ad bhutam’, zie Atharva-Veda X, 105), wordt hij (de cirkel) één, omdat (hij) de ondeelbare (is), en er geen tau in kan zijn.
In de tweede (van de drie ‘rajāmsi’ (tritīya), of de drie ‘werelden’) wordt de ene, twee (mannelijk en vrouwelijk); en drie (voeg de zoon of de logos toe); EN DE HEILIGE VIER (‘tetraktis’ , of het ‘tetragrammaton’).
In de derde (de lagere wereld of onze aarde) wordt het getal vier, en drie, en twee. Neem de eerste twee, en gij zult zeven krijgen, het heilige getal van het leven; verenig (dit laatste) met de middelste rājah en gij zult negen hebben, het heilige getal van het zijn en het worden.

Omdat de snaartheorie slechts de materiële kant van de éne werkelijkheid belicht mag niet worden verwacht dat deze theorie tot een oplossing leidt. Door alleen beide complementaire kanten, de fysica en de metafysica, van de werkelijkheid te belichten komt de unificatietheorie een stapje verder.

De theosofie maakt voor het ‘Ken uzelf’ gebruik van de zeven wijsheidssleutels. Deze sleutels tonen de relatie tussen binnen en buiten. Het reflexieve mechanisme zit in de schepping verborgen. Het staat borg voor het zelfreinigende vermogen in de schepping.

Uitgegaan wordt van het inzicht van de quantumfysicus David Bohm dat het universum holografisch van aard is. David Bohm ziet de realiteit als iets dat voortdurend ontstaat, een proces van worden zgn. flux.

De gemanifesteerde werkelijkheid staat tegenover de ongemanifesteerde werkelijkheid, de macrokomos tegenover de microkosmos, ruimte tegenover materie. Het gaat om de vraag hoe met behulp van de schakel tussen ruimte en materie, de tijd ('energie') de transformatie plaatsvindt. De griekse filosoof Herakleitos zei: panta rhei, alles is in beweging. Het gaat om 'Flux en Transformatie'.

Dit thema wordt met behulp van de vier aspecten reproductie, herkenning, leervermogen en regulering van Hans de Heer (1927 – 2002) toegelicht.

    Rapport ‘E i V’, de natuurlijke kringloop (1 - 3 - 2 - 4):
Macrokosmos Microkosmos MacrokosmosTijd-as
'Leegte' ----InhoudloosInhoud >>>>Inhoudloos, leegte1. Ruimte, Wat ----3. Oneindigheid, Ruimteloosheid
|||||
Vormloos ----InhoudVormloos <<<<Vorm, Vormbaar4. Eeuwige NU ----2. Materie, Hoe
 Microkosmos  Tijd-asMicrokosmos
    5e element Ether
    (snijpunt van dediagonalen 1./2. en 3./4)

De steady-statetheorie is een kosmologische theorie die stelt dat het heelal er altijd was en altijd zal blijven uitdijen.

De zevenvoudige samenstelling (Factorelement, Creativethink, Wederkerigheid)

De zevenvoudige samenstelling der planeten

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel II, Hoofdstuk 31 HET BOUWEN VAN DE KOSMOS. DEZELFDE FUNDAMENTELE WET VOOR AL WAT LEEFT EN BESTAAT: EEN EINDELOZE LADDER VAN VOORUITGANG. ANALOGE PROCESSEN IN DE ONTWIKKELING VAN DE KOSMOS EN VAN DE MENS. DE STROOM VAN HET LEVEN (bevat het volgende diagram):

We hebben hier zes kolommen, die analoge gevallen van ontwikkeling van de kosmos en van de mens voorstellen. Eerst krijgen we wat we de esoterische reeks kunnen noemen: links hiervan hebben we de getallen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 geplaatst, die de volledige hiërarchie van tien stadia of graden vertegenwoordigen. De volgende kolom vermeldt de brahmaanse tattva’s. Tattva is een Sanskrietwoord dat kan worden vertaald met ‘element’ en dat de substantiële ‘werkelijkheid’ achter de uiterlijke schijn betekent, waar het zaadbewustzijn op inwerkt; het kleed of de drager van dit bewustzijn. Dan komen in de volgende kolom de elementen, zoals die overal in de oudheid werden opgevat. Dan komt het mystiek Griekse stelsel, zoals dit meestal in de neoplatonische en neopythagorische filosofieën wordt aangetroffen. En tenslotte komt de verdeling van de wezens, die de evoluerende levensgolf of rivier van leven samenstellen, in twee algemene vormen, dhyâni-chohans en pitri’s.

De Geheime Leer Deel II, Stanza 6 De evolutie van de zweetgeborenen (p. 171):
Analogie is de leidende wet in de Natuur, de enige ware draad van Ariadne, die ons langs de onontwarbare wegen van haar domein kan voeren naar haar eerste en laatste mysteriën. De Natuur is als scheppend vermogen oneindig, en geen enkele generatie van natuurkundigen kan zich er ooit op beroemen de lijst van haar middelen en methoden te hebben uitgeput, hoe uniform de wetten die zij volgt ook zijn.
Deel II, Hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen IAO en JEHOVA (p. 629):
Het brahmaanse ‘gouden ei’ waaruit Brahmā, de scheppende godheid, tevoorschijn komt, is de ‘cirkel met het centrale punt’ van Pythagoras, en een passend symbool daarvoor. In de Geheime Leer wordt de verborgen EENHEID – of deze nu PARABRAHMAM voorstelt, of het ‘GROTE UITERSTE’ van Confucius, of de godheid die wordt verborgen door PHTA, het eeuwige licht, dan wel het joodse EN-SOPH – altijd gesymboliseerd door een cirkel of de ‘nul’ (het absolute niet-iets en niets, omdat het oneindig en het AL is); terwijl het god-gemanifesteerde (door zijn werken) wordt aangeduid als de middellijn van die cirkel. De symboliek van het eraan ten grondslag liggende denkbeeld wordt nu duidelijk: de rechte lijn die door het middelpunt van een cirkel gaat, heeft in meetkundige zin lengte, maar geen breedte of dikte: het is een denkbeeldig en vrouwelijk symbool, dat de eeuwigheid doorkruist en dat men laat berusten op het bestaansgebied van de wereld van de verschijnselen. De rechte lijn heeft één dimensie, terwijl de cirkel ervan geen dimensie heeft of, om een algebraïsche term te gebruiken, deze is de dimensie van een vergelijking. Een andere manier om dit denkbeeld te symboliseren vindt men in de pythagorische heilige decade , die in het uit twee cijfers bestaande getal tien (de 1 en een cirkel of nul) het absolute AL samenvat, dat zich manifesteert in het WOORD of de voortbrengende scheppingskracht.
Deel II, Hoofdstuk 25 De mysteriën van het zevental, De tetraktis in verband met de zevenhoek (p. 681):
Het getal zeven, als een samenstelling van 3 en 4, is dus het factorelement in elke oude religie, omdat het het factorelement in de natuur is. Het gebruik ervan moet worden gerechtvaardigd, en er moet worden aangetoond dat zeven het getal par excellence is, want sinds het verschijnen van Esoteric Buddhism zijn vaak bezwaren gemaakt en is vaak twijfel geuit over de juistheid van deze bewering.
P. 682: Het viertal wordt zowel in de Kabbala als door Pythagoras als het volmaaktste of liever als het heilige getal opgevat, omdat het voortkwam uit de een, de eerste gemanifesteerde eenheid, of liever de drie in één. Toch is de laatstgenoemde altijd onpersoonlijk, geslachtloos, onbegrijpelijk geweest, hoewel binnen de mogelijkheden van de hogere mentale waarnemingen.
P. 686: Maar de pythagoreeërs beschouwden het getal zeven of de heptagoon als een religieus en volmaakt getal. Het werd ‘telesphoros’ genoemd, omdat door dit getal alles in het Heelal en de mensheid tot zijn einde, d.w.z. zijn hoogtepunt, wordt gevoerd (Philo, de Mund. opif.). De leer van de sferen, vanaf de tijd van Lemurië tot aan Pythagoras, toont aan dat zowel de zeven krachten van de aardse en ondermaanse natuur, die onder het bestuur van de zeven heilige planeten staan, als de zeven grote krachten van het Heelal, te werk gaan en zich evolueren in zeven tonen, die de zeven noten van de toonladder zijn.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I Proloog (p. 32):
Zij is het ENE LEVEN, eeuwig, onzichtbaar en toch alomtegenwoordig, zonder begin of einde en toch periodiek in haar geregelde manifestaties, terwijl tussen die perioden het duistere geheim van het niet-zijn heerst; onbewust en toch absoluut Bewustzijn; niet te verwerkelijken en toch de ene op zichzelf bestaande werkelijkheid; inderdaad ‘een chaos voor het gevoel, een Kosmos voor de rede’. Haar ene absolute kenmerk, namelijk HETZELF, de eeuwige, onophoudelijke beweging, wordt in esoterische taal de ‘grote adem’2 genoemd, dat is de eeuwigdurende beweging van het Heelal in de zin van grenzeloze, altijd aanwezige RUIMTE. Wat bewegingloos is, kan niet goddelijk zijn. Maar er is ook in feite en in werkelijkheid niets absoluut onbeweeglijk binnen de universele ziel.
2) Plato toont zich een ingewijde als hij in de Cratylus zegt dat theos is afgeleid van het werkwoord theein, ‘bewegen’, ‘lopen’, want de eerste astronomen die de bewegingen van de hemellichamen waarnamen, noemden de planeten theoi, de goden. (Zie Deel II, Afd. II, XXII, De symboliek van kruis en cirkel.) Later ontstond uit het woord nòg een term, aletheia – de adem van god’.
34: Bij het aanbreken van een periode van activiteit, zegt de Geheime Leer, heeft er volgens de eeuwige en onveranderlijke wet een uitbreiding plaats van deze goddelijke essentie, van buiten naar binnen en van binnen naar buiten, en het heelal van de verschijnselen of het zichtbare heelal is het uiteindelijke resultaat van de lange keten van kosmische krachten die zo achtereenvolgens in beweging worden gebracht. Op soortgelijke manier heeft, als de passieve toestand weer intreedt, een samentrekking plaats van de goddelijke essentie en wordt het voorafgaande scheppingswerk geleidelijk en stap voor stap tenietgedaan. Het zichtbare heelal wordt ontbonden, zijn bouwstoffen worden verspreid en eenzaam en alleen hangt de ‘duisternis’ weer over de ‘afgrond’. Om een beeldspraak uit de Geheime Boeken te gebruiken, die de bedoeling nog duidelijker overbrengt: een uitademing van de ‘onbekende essentie’ brengt de wereld voort en een inademing doet deze verdwijnen. Dit proces heeft al een eeuwigheid plaatsgevonden en ons tegenwoordige heelal is er maar één uit een oneindige reeks, die geen begin had en geen einde zal hebben.’
45: Geest (of bewustzijn) en stof moeten echter niet als onafhankelijke werkelijkheden worden beschouwd, maar als de twee facetten of aspecten van het Absolute (Parabrahm), die de basis vormen van het voorwaardelijke Zijn, hetzij subjectief of objectief.
Als wij deze metafysische triade beschouwen als de wortel waaruit alle manifestatie voortkomt, speelt de ‘grote adem’ de rol van vóórkosmische verbeeldingskracht. Deze is de ƒons et origo van de kracht en van ieder individueel bewustzijn en verschaft de leidende intelligentie in het omvangrijke kosmische evolutieplan. Anderzijds is vóórkosmische wortel-substantie (Mulaprakriti) dat aspect van het Absolute, dat aan al de objectieve gebieden van de Natuur ten grondslag ligt.
Evenals vóórkosmische verbeeldingskracht de wortel is van ieder individueel bewustzijn, is vóórkosmische substantie de grondslag van de materie in de verschillende graden van haar differentiatie.
Het zal dus duidelijk zijn dat de tegenstelling tussen deze twee aspecten van het Absolute essentieel is voor het bestaan van het ‘gemanifesteerde Heelal’. Zonder kosmische substantie zou de kosmische verbeeldingskracht zich niet kunnen manifesteren als individueel bewustzijn, omdat bewustzijn alleen door middel van een materieel voertuig te voorschijn komt als ‘ik ben ik’. Er is immers een stoffelijke grondslag nodig om een straal van het universele denkvermogen in een bepaald stadium van ingewikkeldheid ergens op te richten. Evenzo zou kosmische substantie zonder kosmische verbeeldingskracht een lege abstractie blijven en er zou geen bewustzijn uit voortkomen.
47: Daarom zeggen de hindoes dat het Heelal Brahma en Brahma is, want Brahma is in ieder atoom van het heelal, omdat de zes beginselen in de Natuur alle het resultaat zijn – de verschillend gedifferentieerde aspecten – van het ZEVENDE en ENE, de enige werkelijkheid in het Heelal, hetzij kosmisch of microkosmisch. Daarom ook worden de omzettingen (psychische, geestelijke en stoffelijke) van het zesde (Brahma, het voertuig van Brahma) op het gebied van manifestatie en vorm door metafysische antifrase opgevat als bedrieglijk en mayavisch.
De Geheime Leer Deel I Stanza 4. SCHEPPING VAN DE EERSTE RASSEN (p. 95):
Al snel zal de dag aanbreken waarop de wereld zal moeten kiezen of zij de wonderbaarlijke schepping van de mens (en ook van de Kosmos) uit niets, volgens de dode letter van Genesis, wil aanvaarden, of een eerste mens, geboren uit een fantastische schakel – die tot dusver volkomen ‘ontbreekt’ – de gemeenschappelijke voorvader van de mens en van de ‘echte aap’. Tussen deze twee dwalingen staat de occulte filosofie. Zij leert dat het eerste mensengeslacht door hogere en halfgoddelijke wezens uit hun eigen essenties werd geprojecteerd.
107: De oervormen van onze rassen lagen alle besloten in de microkosmische boom, die groeide en zich ontwikkelde binnen en onder de grote macrokosmische wereldboom; en het mysterie wordt half onthuld in de Dirghotamas, waar wordt gezegd: ‘Pippala, de zoete vrucht van die boom waarop geesten komen die de wetenschap liefhebben en waar de goden alle wonderen verrichten.’ Evenals in de Gogard, woont tussen de weelderige takken van al die wereldbomen de ‘slang’. Maar terwijl de macrokosmische boom de slang van de eeuwigheid en van de absolute wijsheid zelf is, zijn zij die in de microkosmische boom wonen, de slangen van de gemanifesteerde wijsheid. De ene is het Een en het Al, de andere zijn de weerspiegelde delen ervan. De ‘boom’ is natuurlijk de mens zelf, en de slangen die erin wonen, het bewuste manas, de verbindende schakel tussen geest en stof, hemel en aarde.
De Geheime Leer Deel I Stanza 6. Onze wereld, haar groei en ontwikkeling (p. 169):
Want ‘evenals een mens is samengesteld uit zeven beginselen, bestaat gedifferentieerde stof in het zonnestelsel in zeven verschillende toestanden’ (ibid). Dat geldt ook voor fohat ('bouwer van de bouwers'). Hij is één en zeven, en staat op kosmisch gebied achter alle manifestaties zoals licht, warmte, geluid, adhesie, enz., en is de ‘geest’ van de ELEKTRICITEIT, die het LEVEN van het Heelal is. Als abstractie noemen wij hem het ENE LEVEN; als objectieve en zichtbare werkelijkheid spreken wij van een zevenvoudige ladder van manifestatie, die op de bovenste sport begint met de ene onkenbare OORZAKELIJKHEID, en eindigt als alomtegenwoordig Denkvermogen en Leven, dat in ieder atoom van de stof woont. Terwijl dus de wetenschap spreekt van de evolutie daarvan door redeloze stof, blinde kracht en zinloze beweging, wijzen de occultisten op een intelligente WET en een bewust LEVEN, en voegen eraan toe dat fohat de leidende geest van dit alles is. Toch is hij in het geheel geen persoonlijke god, maar de uitstraling van die andere achter hem staande machten, die de christenen de ‘boodschappers’ van hun God noemen (die in werkelijkheid slechts de Elohim is, of beter een van de zeven scheppers die Elohim worden genoemd), en wij de ‘boodschapper van de oorspronkelijke zonen van leven en licht’.
180: De Wet van de Analogie in het bouwplan van de stelsels buiten en van de planeten binnen ons zonnestelsel, heeft niet noodzakelijk betrekking op de eindige voorwaarden waaraan ieder zichtbaar lichaam op ons bestaansgebied is onderworpen. In de occulte wetenschap is deze wet de eerste en de belangrijkste sleutel tot de kosmische natuurkunde, maar zij moet tot in de kleinste bijzonderheden worden bestudeerd en ‘zeven keer worden omgedraaid’ voordat men haar begrijpt. De occulte filosofie is de enige wetenschap die ons dat kan leren. Hoe kan men dan het al of niet waar zijn van de stelling van de occultist, dat ‘de Kosmos eeuwig is in zijn onvoorwaardelijke collectiviteit en slechts eindig in zijn voorwaardelijke manifestaties’ laten afhangen van die eenzijdig op het stoffelijke gebaseerde uitspraak dat ‘de Natuur noodzakelijk uitgeput moet raken’?
De Geheime Leer Deel I Feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 198):
Van de vier vidya’s – die behoren tot de in de Purana’s genoemde zeven takken van kennis – namelijk ‘yajna-vidya’ (het uitvoeren van religieuze riten om bepaalde gevolgen teweeg te brengen); ‘maha-vidya’, de grote (magische) kennis, die nu is ontaard in tantrika-eredienst; ‘guhya-vidya’, de wetenschap van de mantra’s en hun juiste ritme of manier van zingen, van mystieke bezweringen, enz. – kan alleen de laatste, ‘atma-vidya’ of de ware geestelijke en goddelijke wijsheid, een absoluut en definitief licht werpen op de leringen van de eerstgenoemde drie. Zonder de hulp van atma-vidya blijven de andere drie niet meer dan oppervlakkige wetenschappen, meetkundige grootheden die lengte en breedte hebben, maar geen dikte. Ze zijn als de ziel, de ledematen en het verstand van een slapend mens: in staat tot werktuiglijke bewegingen, tot verwarde dromen en zelfs tot slaapwandelen, en tot het teweegbrengen van zichtbare gevolgen, maar gestimuleerd door instinctmatige en niet door verstandelijke oorzaken, en allerminst door volkomen bewuste geestelijke impulsen. Uit de eerstgenoemde drie wetenschappen kan veel worden bekend gemaakt en verklaard. Maar tenzij atma-vidya de sleutel tot hun leringen verschaft, zullen ze altijd blijven als de stukken van een verscheurd leerboek, als de schaduwen van grote waarheden, die door de meest geestelijk ingestelden vaag worden onderscheiden, maar die uit elk verband worden gerukt door degenen die iedere schaduw aan de muur zouden willen spijkeren.
De Geheime Leer Deel I Samenvatting (p. 306/307):
(2) Zij erkent een logos of een collectieve ‘schepper’ van het Heelal; een demiurg – in de zin waarin men spreekt over een ‘architect’ als een ‘schepper’ van een gebouw, hoewel die architect er nooit één steen van heeft aangeraakt, maar het bouwplan leverde en al het handwerk aan de metselaars overliet; in ons geval werd het bouwplan geleverd door het beeldende vermogen van het Heelal en werd de uitvoering overgelaten aan de menigten intelligente machten en krachten. Maar die demiurg is geen persoonlijke godheid – d.w.z. een onvolmaakte buiten-kosmische god – maar slechts de totaliteit van de Dhyan-Chohans en de andere krachten.
Wat deze laatste betreft:
(3) Ze zijn tweevoudig van aard, omdat ze zijn samengesteld uit (a) de redeloze brute energie, die eigen is aan materie en (b) de intelligente ziel of het kosmische bewustzijn, dat die energie richting geeft en leidt en dat de gedachte van een Dhyan-Chohan is, die de verbeeldingskracht van het universele denkvermogen weerspiegelt. Het gevolg hiervan is een steeds voortgaande reeks van stoffelijke manifestaties en van morele gevolgen op aarde tijdens de manvantarische tijdperken, terwijl het geheel onderworpen is aan karma. De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 12 De theogonie van de scheppende goden (p. 473/474):
Zo zijn Vāch, Shekinah of de ‘muziek van de sferen’ van Pythagoras één, als we onze voorbeelden ontlenen aan de drie (schijnbaar) meest uiteenlopende religieuze filosofieën van de wereld – die van de Hindoes, de Griekse en de Chaldeeuws-Hebreeuwse. Deze personificaties en allegorieën kunnen, evenals in de esoterie, worden beschouwd onder vier (hoofd-) en drie (sub-) aspecten, of samen zeven. De para-vorm is het altijd subjectieve en latente licht en geluid, die eeuwig in de schoot van het ONKENBARE bestaan; wanneer het wordt overgebracht in de verbeeldingskracht van de logos of zijn latente licht, wordt het pasyanti genoemd; en als het de uitdrukkingsvorm van dat licht is geworden, is het madhyama.

TetraktysMetafysica,Esoterie:  De zevenvoudige samenstelling der planeten:Fysica
Monade1e Logos:Het Ene, Akasha1./7A/GWereld der archetypen;Zwaartekracht
Duade2e Logos:Geest-Stof2./6.B/FIntellectuele (verstandelijke) of scheppende wereld;Tijdsymmetrie
Triade3e Logos:Ether3./5.C/EAstrale of formatieve wereld (de vormende wereld);Spiegelsymmetrie
TetradeVuur, Lucht,Water en Aarde4.DStoffelijke wereldMateriesymmetrie

H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk 15 De mysteriën van het zevental (p. 679):
Maar of hij nu een viertal (tetragrammaton) of een triade is, de scheppende god van de bijbel is niet de universele 10, tenzij verenigd met AIN-SOPH (zoals Brahmā met Parabrahm), maar een zevental, een van de vele zeventallen van de universele zevenvoudigheid. Bij het verklaren van de vraag die nu aan de orde is, kunnen de positie en de status van Noach het best worden verduidelijkt door de 3 en de 4 parallel met de ‘kosmische’ en ‘menselijke’ beginselen te plaatsen. Voor deze laatste wordt de oude bekende classificatie gebruikt. Aldus:

PuruckerDeel II, Hoofdstuk 31:De Geheime Leer Deel I, (p. 46):Deel II, p. 679:
Het Ene1e LogosEerste manifestatie, ongemanifesteerde logos1. De ongemanifesteerde logos
Geest2e LogosGeest-stof, LEVEN, 2e Logos2. Universele (latente) ideatie
Ether3e Logos (mahat)Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT3. Universele (of kosmische) actieve intelligentie
VuurDaimones 4. Kosmische (chaotische) energie
LuchtHelden 5. Astrale ideatie, die aardse dingen weerspiegelt
WaterMensen 6. Levensessentie of energie
AardeDieren 7. De aarde

In de tekening komen de bovenste drie lagen, het 1e, 2e en 3e gebied (Drievoudig aspect van de godheid, Blavastky, Deel II, p. 679) met de 1e, 2e en 3e Logos (de geschapen scheppende orde 'Kether, Chockmah & Binah') overeen.
De Logos 'A.B.C. Het Onkenbare' wordt in het Diagram I (Blavatsky, Deel III, p. 492 en de bovenste driehoek p. 592) weergegeven:

 H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 46):
 (1.) Het ABSOLUTE, Parabrahm of ene Werkelijkheid, SAT, zowel absoluut Zijn als Niet-zijn.
A. Geslachtsloze, Ongeopenbaarde Logos.(2.) De eerste manifestatie, de onpersoonlijke en in de filosofie de ongemanifesteerde logos
B. Potentiële wijsheid.(3.) Geest-stof, LEVEN, de ‘geest van het Heelal’, purusha en prakriti
C. Algemene ideatie (verbeeldingskracht).(4.) Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT of intelligentie, de universele wereldziel

A., B. en C. hangen met de 1e, 2e en 3e Logos, de weerkaatsing van de Godheid (En-soph) samen.
De Geheime Leer Deel III, p. 621: De geest wordt als het ware door geestelijke zwaartekracht omlaag getrokken. Toen de leerlingen nader naar de oorzaak hiervan zochten, weerhield H.P.B. hen, terwijl zij hun slechts een wenk gaf over de drie Logoi.
1. Potentialiteit van denkvermogen (volstrekt denken).
2. Gedachte in kiem.
3. Ideatie (verbeeldingskracht, Imagination) aan het werk.

Geheime Leer Deel II, Stanza 1 Het begin van bewust leven (p. 46):
De grenzeloze en oneindige EENHEID bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus.
In iedere kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het ONKENBARE en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties . . .

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 46):1.5 De blauwdruk van het leerproces:
(1.) Het ABSOLUTE, het Parabrahm van de Vedantaleer of de ene Werkelijkheid, SAT1. Blauwdruk, En-soph (11e dimensie)
(2.) De eerste manifestatie, de onpersoonlijke en in de filosofie de ongemanifesteerde logos2. Collectief leerproces en Reciprociteit
(3.) Geest-stof, LEVEN, de ‘geest van het Heelal’, purusha en prakriti3. Symmetrie en Eeuwige wederkeer
(4.) Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT of intelligentie, de universele wereldziel4. Individueel leerproces en Ken Uzelve
 
De ENE WERKELIJKHEID; haar tweevoudige aspecten in het voorwaardelijke Heelal.

De Geheime Leer Deel I Proloog (p. 46/47):
De ENE WERKELIJKHEID; haar tweevoudige aspecten in het voorwaardelijke Heelal.
Verder stelt de Geheime Leer:
(b) De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ en die ‘de zich manifesterende sterren’ en ‘de vonken van de eeuwigheid’ worden genoemd. ‘De eeuwigheid van de pelgrim21’ is als een oogwenk van het Zelf-bestaan (Boek van Dzyan). ‘Het verschijnen en verdwijnen van werelden is als een regelmatig getij van eb en vloed.’ (Zie Afdeling II, ‘Dagen en nachten van Brahma’.)
Deze tweede stelling van de Geheime Leer betreft de algemene geldigheid van die wet van periodiciteit, van eb en vloed, van neergang en opkomst, die de natuurwetenschap op alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven. Een afwisseling zoals tussen dag en nacht, leven en dood, slapen en waken is een feit dat zo gewoon is, zo volkomen algemeen en zonder uitzondering, dat het gemakkelijk is te begrijpen dat wij er een van de werkelijk fundamentele wetten van het heelal in zien.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 14 Bewegingsvormen of intelligenties (p. 668):
De occultisten staan in hun overtuigingen dus niet alleen. Eigenlijk zijn ze ook niet zo dwaas dat ze zelfs de ‘zwaartekracht’ van de hedendaagse wetenschap tegelijk met andere fysische wetten verwerpen en in plaats daarvan aantrekking en afstoting aannemen. Bovendien zien ze in deze twee tegengestelde krachten slechts de twee aspecten van de universele eenheid, die men ‘het zich manifesterende denkvermogen’ noemt. In deze aspecten neemt het occultisme door middel van zijn grote zieners een ontelbare menigte werkzame wezens waar: kosmische Dhyāni-Chohans, wezens waarvan de essentie in haar tweevoudige natuur de oorzaak is van alle aardse verschijnselen. Want die essentie is één in substantie met de universele elektrische oceaan, die het LEVEN is; en omdat zij, zoals gezegd, tweevoudig is – 'positief en negatief' – zijn de emanaties van die tweevoudigheid nu op aarde werkzaam onder de naam ‘bewegingsvormen’. Want zelfs tegen het woord kracht kan men bezwaar gaan maken uit vrees dat het iemand zelfs maar in gedachten ertoe zou brengen deze van de stof te scheiden! Het tweeledige gevolg van die tweevoudige essentie wordt nu, zoals het occultisme zegt, de middelpuntzoekende en de middelpuntvliedende kracht genoemd, de 'negatieve en positieve' polen of polariteit, 'warmte en kou' , 'licht en duisternis' , enz.
669: Van goden tot mensen, van werelden tot atomen, van een ster tot een nachtpitje, van de zon tot de levenswarmte van het meest onbetekenende organische wezen – is de wereld van vorm en bestaan een enorme keten, waarvan de schakels alle zijn verbonden. De wet van de analogie is de eerste sleutel tot het wereldprobleem, en men moet deze schakels naast elkaar bestuderen voor wat betreft hun onderlinge occulte relaties.

H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel II, (p. 25): Meer metafysisch uitgedrukt, wordt de hier genoemde classificatie van kosmische grondbeginselen meer voor het gemak gegeven dan wegens haar absolute filosofische nauwkeurigheid. Bij het begin van een groot manvantara manifesteert Parabrahm zich als Mulaprakriti en vervolgens als de logos. Deze logos is gelijkwaardig aan het ‘onbewuste universele denkvermogen’, enz. van de westerse pantheïsten. Hij vormt de basis van de SUBJECT-kant van het gemanifesteerde Zijn, en is de bron van alle manifestaties van individueel bewustzijn. Mulaprakriti of oorspronkelijke kosmische substantie is de grondslag van de OBJECT-kant van de dingen – de basis van alle objectieve evolutie en van het ontstaan van de Kosmos.
Geheime Leer Deel II, De rassen met het derde oog (p. 337):
17) Maar op een heel andere manier dan zoals Haeckel het voorstelde, als een ‘evolutie door natuurlijke selectie in de strijd om het bestaan’ (‘Pedigree of Man’, ‘Sense Organs’, blz. 335). Het is totaal ontoereikend om de mooie combinatie van aanpassingen die in het oog aanwezig is, te verklaren op basis van alleen de ‘warmtegevoeligheid van de huid’ voor hypothetische lichtgolven. Bovendien is al eerder aangetoond dat ‘natuurlijke selectie’ een zuivere mythe is, als hieraan de oorsprong van de variaties wordt toegeschreven (zie hieronder, Afdeling III, over darwinistische mechanische veroorzaking); omdat het ‘overleven van de geschiktsten’ pas kan plaatsvinden nadat er bruikbare variaties en verbeterde organismen zijn ontstaan. Waar kwamen de ‘bruikbare variaties’ vandaan die het oog ontwikkelden? Alleen uit ‘blinde krachten . . . zonder doel en zonder plan?’ Deze redenering is kinderachtig. De ware oplossing van het mysterie is te vinden in de onpersoonlijke goddelijke wijsheid, in de VERBEELDINGSKRACHT ervan – weerkaatst door de stof.
Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen IAO en Jehova (p. 639):
Nu is het oorspronkelijke stelsel, het dubbele teken dat ten grondslag ligt aan het denkbeeld van het kruis, geen ‘menselijke uitvinding’, want de kosmische ideatie en de geestelijke voorstelling van de goddelijke ego-mens zijn er de basis van. Later breidde het zich uit tot het prachtige denkbeeld dat door de mysteriën werd aangenomen en daarin werd voorgesteld: dat van de vernieuwde mens, de sterveling die door de mens van vlees en zijn hartstochten te kruisigen op het Procrustes-martelbed, als een onsterfelijke werd wedergeboren. Terwijl zij het lichaam, de dier-mens, achter zich liet, aan het inwijdingskruis gebonden als een lege pop, werd de ego-ziel zo vrij als een vlinder. Nog later werd het kruis, tengevolge van het geleidelijke verlies aan spiritualiteit, in de kosmogonie en de antropologie niets hogers dan een fallisch symbool.
Bij de esoterici was de universele ziel of anima mundi, de stoffelijke weerspiegeling van het onstoffelijke ideaal, sinds de oudste tijden de bron van leven van alle wezens en van het levensbeginsel van de drie rijken; en zij was bij de Hermetische filosofen evenals bij alle Ouden zevenvoudig. Want zij wordt voorgesteld als een zevenvoudig kruis, waarvan de armen respectievelijk zijn: licht, warmte, elektriciteit, aardmagnetisme, astrale straling, beweging en intelligentie, of wat sommigen zelfbewustzijn noemen.
Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 24 Het kruis en het Pythagorische tiental (p. 670):
Maar voor de aanhanger van de ware oosterse archaïsche wijsheid, voor hem die in de geest niets vereert buiten de absolute Eenheid, dat altijd kloppende grote hart dat overal en in elk atoom van de natuur klopt, bevat elk zo’n atoom de kiem waaruit hij de boom van de kennis kan laten groeien, waarvan de vruchten het eeuwige leven schenken en niet alleen het fysieke leven. Voor hem zijn het kruis en de cirkel, de boom of de tau, nadat elk symbool dat hiermee in verband staat is toegepast en gelezen, wat hun verleden aangaat nog steeds een diepzinnig mysterie, en alleen op dat verleden richt hij zijn verlangende blik. Hij geeft er weinig om of het het zaad is waaruit de stamboom van het Zijn, Heelal genaamd, groeit. Evenmin stelt hij belang in de drie in één, het drievoudige aspect van het zaad – zijn vorm, kleur en substantie – maar eerder in de kracht die de groei ervan bestuurt, de eeuwig geheimzinnige en de eeuwig onbekende. Want deze levenskracht, die het zaad laat ontkiemen, openbarsten en uitlopen, dan de stam en de takken laat vormen, die op hun beurt omlaagbuigen zoals de takken van de aśvattha, de heilige boom van Bodhi, en die hun zaad laat uitwerpen, wortel schieten en andere bomen voortbrengen – dit is de enige kracht die voor hem werkelijkheid heeft, omdat die de nooit-stervende levensadem is.

In de bijlage Integrale denktrant wordt van de omgekeerde volgorde gebruik gemaakt. De mens op aarde in zijn zoektocht naar de oerbron, de schepper (God, Brahman, Allah, Dao) staat centraal. De mens vormt een eenheid van materie en geest.

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel II, Hoofdstuk 35:
Laten we vervolgens de evoluerende en oorzakelijke levenskrachten, de goden en de intelligenties van de drie hogere gebieden voorstellen door een driehoek, om het oude platonische en pythagorische symbool te gebruiken – een prachtig symbool – omdat daarin wordt gewezen op en verwezen naar de oorsprong, het kosmische punt, het zaad waaruit alle goddelijke dingen voortkomen; en dit diagram laat ook zien hoe de top van de driehoek als het ware via het hoogste gebied verdwijnt door een layacentrum, een neutraal centrum, een nirvâ.na voor alle dingen die minder of lager zijn, en meer naar binnen toe verdwijnt in iets hogers. Zoals een zaad, een eikel bijvoorbeeld, een eik voortbrengt die op zijn beurt zijn oogst van eikels afwerpt, zo zendt het kosmische zaad uit zichzelf deze menigten hiërarchieën van wezens uit, die op de schaal daaronder andere lagere menigten voortbrengen. Laten we dit proces daarom door een driehoek voorstellen.

In The Solar Epoch beschrijft Sepharial een uitgebreide variant op de aloude Regel van Hermes. Hij ziet deze methode niet alleen als een hulpmiddel voor de horoscoopcorrectie. De horoscoop van de Lunaire epoch wordt zelf feitelijk geduid. Dat geldt ook voor een nieuwe horoscoop: de solaire epoch; het moment dat de zon een conjunctie of oppositie vormt met de Maan van de Lunaire epoch. De onderbouwing van Sepharial is gebaseerd op esoterische (met name theosofische) vooronderstellingen.

 
 

Naast (p. 12) het astronomische gebruik, werd het schema van de zodiac ook nog toegepast om de betrekkingen die er tussen de macrocosmos en microcosmos bestaan te symboliseren; de twaalf grotere Goden van het oude pantheon kwamen overeen met de twaalf dierenriemtekens en ieder van de zeven heilige planeten werd een “huis” toegewezen; bovendien werd gezegd, dat elk teken een bijzonder deel van het menselijk lichaam beheerste, zoals op de volgende afbeelding te zien is. (De zodiac wordt ook in vier drietallen (“driehoeken”) verdeeld, die achtereenvolgend de naam van de vier gemanifesteerde elementen dragen, aarde, water, vuur en lucht, aan ieder van hen worden drie tekens toegeschreven.
P. 5: De symboliek van de zodiac was een werkelijke geheime taal, waarin bepaalde feiten die de innerlijke natuur van de mens betreffen waren uitgedrukt; en die taal was een algemene voor de ingewijden in al de religies van de oudheid.
P. 13: De Zonne-God is het Zelf van deze grote “Mens” en de vier vierde-delen van de zodiac, met de aan hen verbonden afdelingen, zijn de somatische afdelingen van het gemanifesteerde lichaam van de Hemelse mens. Het element aether wordt aan de Bestuurder van de Zon toegeschreven; en de vier Bescherm-Goden, die overeenkomen met de vier gemanifesteerde elementen, zijn aangewezen als Bestuurders van de Vier Gebieden, Aarde, Oceaan, Hemel en de Rivieren.
P. 67: De vier Wezens zijn de gemanifesteerde prânas, de heersers van de vierde delen van de Zodiac en de vier drievouden van water, lucht, vuur en aarde. De vijfde niet gemanifesteerde levenswind, udána, wordt in de tekst niet vermeld; maar de eigenaardige bewoording waarin het gezegd is, verraadt een lacune, want de vier Wezens konden moeilijk “in het midden van de troon” (de Zon) en tegelijk “er om heen” zijn.

Rini Sips werkt op haar website het patroon van de dierenriem aan de hand van het Overzicht van de beginpatronen en het Overzicht van de structuurlijn uit.
Rini Sips plaatst de dualiteit binnenwereld - buitenwereld centraal van een bestaan (dat innerlijk wordt ervaren als) in uiterst contrast staand met de wereld en tegelijk (innerlijk wordt ervaren als) er een onverbrekelijk geheel mee vormend. Ook wordt 'These + Antithese = Synthese' toegepast.
Hier wordt de ruimte-tijd werkelijkheid, een cyclisch leerproces, voorgesteld door een open cirkel. De kleine cirkel stelt de 'singuliere' processen voor die zich binnen de 4-dimensionale werkelijkheid bevinden. De cirkels staan in verbinding met elkaar en met een veld, het 'extensive continuum'. De paren van kleine streepjes duiden (quantum)processen aan waarlangs overdracht van informatie met het veld verloopt. Het veld zou potenties bevatten.
Rini Sips maakt van Whiteheads metafysica, naar het ‘proces’ waardoor de werkelijkheid gestalte krijgt, in de meest fundamentele vorm als Extensive Continuüm gebruik. Zie ook Basisbegrippen Rini Sips.

WILLIAM Q. JUDGE De Oceaan van Theosofie hoofdstuk Het lichaam en het astrale lichaam:
En omdat zijn filosofen het bestaan van deze innerlijke organen niet hebben erkend, bestaan er in onze taal geen goede termen voor. En als we naar woorden zoeken om het innerlijke lichaam te beschrijven zijn de enige die wij vinden ‘astraal lichaam’. Deze term komt dicht bij de werkelijkheid, omdat de substantie van deze vorm, globaal gesproken, afkomstig is van kosmische stof of sterrenstof. Maar het oude Sanskrietwoord beschrijft het nauwkeurig – lingaSarîra, het modellichaam – want het is de blauwdruk of het model voor het fysieke lichaam. Dit is beter dan ‘etherisch lichaam’, want daarvan zou men kunnen zeggen dat het volgt op het fysieke lichaam, terwijl in feite het astrale lichaam aan het stoffelijke voorafgaat.
Hoofdstuk Reïncarnatie – 1:
Zodra we een dubbele evolutie aannemen, een stoffelijke en een geestelijke, moeten we erkennen dat die zich alleen door middel van reïncarnatie kan voltrekken. Dit wordt in feite door de wetenschap aangetoond. Het is bewezen dat de stof van de aarde en van alle stoffelijke dingen daarop eens òf gasvormig òf vloeibaar was, dat zij afkoelde, dat zij veranderde, dat door evolutie uit veranderingen ervan tenslotte de grote verscheidenheid van dingen en wezens werd voortgebracht. Op het fysieke gebied is dit een transformatie of verandering van de ene vorm in de andere. De totale hoeveelheid stof is ongeveer dezelfde als bij het begin van deze aardbol, afgezien van een heel kleine toename door wat sterrenstof.

Samenvatting ('Unificatietheorie en Kwintessens', )

Vooralsnog wordt er in het rapport ‘E i V’ van uitgegaan dat het verschijnsel bezieling zich eeuwig in de kosmos zal manifesteren.

Verbeeldingskracht (universeel bewustzijn, kosmisch bewustzijn, autopoiese, aion, ideatie, scheppingsdriehoek 9 - 3 – 6, actieve imaginatie van CarlJung), de kernkwaliteit creativethink - Ilya Prigogine heeft het over de ervaring van creativiteit - is het positief tegenovergestelde van chaos. Middels een ideologische ommekeer is het mogelijk ons met de natuurlijke kringloop (flow), te verbinden. We zijn medescheppers van iedere situatie die in ons leven ontstaat. Ieder initiatief, elk mens kan door het vlindereffect de zelfordening positief beïnvloeden. De chaostheorie leert dat alles met elkaar verbonden is en de onderzoeker niet af te scheiden is van het onderzoek. Alleen door dat wat is te accepteren komt de evolutie een stapje verder.

In het rapport ‘E i V’ draait het primair om de drie krachten, Übermensch, Wil tot macht en Eeuwige wederkeer, die in het boek Also sprach Zarathustra tot uitdrukking worden gebracht.

De Éne werkelijkheid heeft betrekking op de wederkerigheid tussen Zo binnen, zo buiten en Zo boven, zo beneden (Wet van analogie), die met behulp van de lemniscaat en het Reflexief Bewustzijn tot uitdrukking wordt gebracht. Om de éne werkelijkheid te duiden maakt Ken Wilber van het "Wilber-Combs-rooster" gebruik. Het "Wilber-Combs-rooster" kan als een sterk vereenvoudigde weergave van het pedagogische denkmodel worden opgevat.

Geheime Leer Deel I Theosofische misvattingen (p. 191/192):
Probeer niet het geheim van het zijn en het niet-zijn te onthullen aan hen die niet in staat zijn de verborgen betekenis te begrijpen van het ZEVENSNARIGE instrument van Apollo – de lier van de stralende god: in elk van haar zeven snaren wonen de geest, de ziel en het astrale lichaam van de Kosmos, waarvan nu alleen de schil in handen van de moderne wetenschap is gevallen. . . . Wees voorzichtig, zeggen wij, voorzichtig en wijs, en vooral, let erop wat degenen die van u leren, geloven; opdat zij niet door zichzelf te misleiden, ook anderen misleiden . . . want dat is het lot van iedere waarheid waarmee de mensen nog niet zijn vertrouwd. . . . Laat liever de planeetketens en de andere boven- en onderkosmische mysteries een dromenland blijven voor degenen die niet kunnen zien en ook met geloven dat anderen dat kunnen. . . .
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 25 De mysteriën van het zevental
De tetraktis in verband met de zevenhoek (p. 686):
Het zevental of de heptade was inderdaad aan verschillende goden en godinnen gewijd; aan Mars met zijn zeven volgelingen, aan Osiris, van wie het lichaam in zeven en tweemaal zeven stukken werd verdeeld; aan Apollo (de Zon), tussen zijn zeven planeten, die op zijn zevensnarige harp de hymne aan de zevenstralige speelt; aan Minerva, de vaderloze en moederloze, en aan anderen.

Door het schone van bijvoorbeeld kunst en muziek met anderen te delen kunnen tegenstellingen worden overwonnen. Een topmusicus beheerst niet alleen de techniek om zijn instrument te bespelen, maar hij weet ook een compositie op een authentieke wijze te interpreteren. De taal van muziek, ‘de muziek van de sferen’ (eonische muziek) is universeel. Volgens Johannes Kepler bestaat de verbinding tussen geometrie, kosmologie, astrologie, harmonie en muziek door de musica universalis.

De telling van Pythagoras brengt niet alleen de ultieme symmetrie van zaaien en oogsten (reciprociteit), maar ook de in het heelal, de in de ruimte verborgen absolute eeuwige universele beweging of trilling tot uitdrukking. Muziek kan niet tot geluidstrillingen worden gereduceerd, veroorzaakt door een specifieke omgang met stukken materie.

Zowel Blavatsky, Jung als Teilhard de Charden laten los van elkaar zien dat er in het universum een zelfreinigend vermogen zit verscholen. Door een individueel leerproces is het mogelijk dat we ons met dit principe verbinden. Het probleem van het ego, de 'Unificatietheorie en Snaartheorie' (twéé kanten van een medaille) omvat de Theorie van alles, de universele quintessens, die in De Geheime Leer van Blavatsky wordt uitgewerkt. Blavatsky beoogt slechts een oplossingsrichting aan te reiken.

De esoterie (H.P. Blavatsky, Baily), het Taoïsme (I Ching) en de psychologie van Carl Jung slaan een brug tussen de geestelijke wereld en de materiële wereld, tussen religie en wetenschap. Beide werelden kunnen wel onderscheiden, maar niet gescheiden worden.

Verder onderzoek is wenselijk om de laatste bevindingen van de kwantumchemie met de inzichten van de occulte chemie te vergelijken.

In de Delen I en II van De Geheime Leer geeft Blavastky aan hoe de Macrokosmos en Microkosmos met elkaar zijn verstrengeld. Om de supersymmetrie in het universum te symboliseren maakt het rapport ‘E i V’ gebruik van een pedagogisch denkmodel, het Kompaskwadrant.
De supersymmetrische bouw van de natuur wordt door Blavatsky in Deel III (p. 591) opnieuw besproken en op p. 592 door het ingenieuze, reflexieve model “Macrokosmos = Microkosmos” van de esoterie weergegeven. Het bovenstaande figuur 'HET GRENZELOZE' beeldt de structuur van de macrokosmos, het heelal uit.

Plutarchus onderscheidt de lagere en hogere Tetraktis (Deel II p. 682), de aardse en hemelse Tetraktis (p. 688). Samen vormen deze de lemniscaat (Lorenz Attractor), die het aardse met het hemelse verbindt. Een toelichting op de ene werkelijkheid, de hogere Tetraktis geeft Blavatsky in De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 46).

De lemniscaat symboliseert het leerproces tussen het geestelijke en het lichamelijke, de binnenwereld en de buitenwereld. De éne werkelijkheid heeft net als bij Ayurveda op de "kennis van het leven", de oerbron betrekking. De lemniscaat verbindt het aardse met het hemelse, de eeuwige kringlopen.

De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 15 Goden, monaden en atomen (p. 680/681):
De monade – slechts de uitstraling en weerspiegeling van het punt (logos) in de wereld van de verschijnselen – wordt, als de top van de gemanifesteerde gelijkzijdige driehoek, de ‘vader’. De linkerzijde of lijn is de duade, de ‘moeder’, die wordt beschouwd als het kwade, tegenwerkende beginsel (Plutarchus, De Placitis Placitorum); de rechterzijde stelt de zoon voor (in iedere kosmogonie ‘de echtgenoot van zijn moeder’, omdat hij één is met de top); de basislijn geeft het universele gebied van de voortbrengende Natuur weer, die op het gebied van de verschijnselen vadermoeder-zoon verenigt, zoals deze in de bovenzinnelijke wereld waren verenigd in de top. Door mystieke vervorming werden ze het viertal – de driehoek werd de TETRAKTIS.
Deze transcendentale toepassing van de meetkunde op de kosmische en goddelijke theogonie – de alfa en omega van de mystieke gedachte – kreeg na Pythagoras door toedoen van Aristoteles veel minder betekenis.

In 1888, Blavatsky described the universe as originating within-without from a zero point source-“an unextended point” rooted within the aether of higher space dimensions (Christopher Holmes).

De theosofie aanvaardt niets buiten de uniforme en onveranderlijke wetten van de Natuur (Deel II, p. 832).

De tegenstellingen op aarde staan tegenover de tegendelen (‘Ruimte en Tijd’ zijn één) in de hemel. Omega is de laatste Adam – de Kadmon – de synthese van de tien sephiroth.

Deel I, 284: Pas in de volgende of vijfde Ronde zal het vijfde element, ether – het grove lichaam van akasa, als het zelfs zo mag worden genoemd – door voor alle mensen een bekend natuurfeit te worden, zoals de lucht ons nu vertrouwd is, ophouden zoals nu hypothetisch te zijn, en als ‘agens’ voor zoveel dingen te dienen. En pas in die Ronde zullen die hogere zintuigen, waarvan de groei en ontwikkeling door akasa worden bevorderd, vatbaar zijn voor een volledige ontplooiing.
Deel II, 127: Zelfs in het komende zevende Ras, aan het einde van deze vierde Ronde zal, terwijl onze vier lagere beginselen volledig zullen zijn ontwikkeld, manas nog maar betrekkelijk zijn geëvolueerd.
Deel II, 338/339: We zijn pas in de vierde Ronde, en in de vijfde zal de volledige ontwikkeling van manas , als een directe straal van het universele MAHAT – een straal, niet door de stof belemmerd – tenslotte zijn bereikt.

De lineaire, de circulaire en spiraal beweging in de macrokosmos staan respectievelijk voor ‘Materie en Tijd’, ‘Energie en Tijd’ en ‘Energie en Materie’.
De lineaire, de circulaire en spiraal beweging in de macrokosmos correleren met het lineaire, het cyclische en lemniscaatdenken in de microkosmos.

Om de interacties tussen geest en materie te illustreren wordt van het 5D-concept en het Ether-paradigma gebruik gemaakt. Het zelfbewustzijn, het reflexief bewustzijn (bewustzijn van bewustzijn) brengt als het ware verschillende aggregatieniveaus van het bewustzijn (communicatie) tot uitdrukking. Met behulp van het bewustzijn van bewustzijn kunnen autonome keuzes worden gemaakt.

Krishnamurti: Alleen als het denken – en niet alleen het denken, maar ook het leven – volledig harmonieus is, zonder tegenstellingen. Alleen zo’n denken kan waarheid vinden, kan waarheid waarnemen. Waarheid is niet iets abstracts, waarheid is hier.

Door TS op te richten heeft Blavatsky met de integratiefase een begin gemaakt. Theosofie reikt voor de holos-beschaving een macrokader aan.

Tegenover de energieschaarste staat de globalwarming. De « Global Green New Deal » is gebaseerd op een recent rapport van het UNEP ( United Nations Environment Program) dat pleit voor een radicaal hervormingsprogramma om tegelijk de economische crisis, de klimaatverandering en de energieschaarste aan te pakken. De toenemende schaarste aan grondstoffen vergroot de spanning in de wereld.

Ain-Soph ligt buiten het model van de makrokosmos.

Men kan dat ook van niemand verwachten, voordat de ware betekenis van deze woorden, de alfa en de omega van de oosterse esoterie, de woorden Sat en Asat – waarvan in de Rig Veda en elders zo’n ruim gebruik wordt gemaakt – grondig wordt begrepen.

Als atheïstische wetenschapper kun je stellen er bestaat alleen de evolutietheorie, en de rest is geneuzel. Het is gewoon een kwestie van tijd en dan komt er wel een wetenschappelijke verklaring van alle verschijnselen. Voor wat betreft Alpha en Omega en met name voor wat betreft de ’route’ naar Omega heeft ook de atheïstische wetenschapper voor een deel gelijk. De tijd zal het leren.

Gerrit Teule start zijn gezichtspunt vanuit de hardware. Het rapport ‘E i V’ heeft als vertrekpunt de 'mentale software' (Geert Hofstede), het 5D-concept, namelijk de doelmatige organisatie van de informatievoorziening. Voor het in kaart brengen van besluitvormingsprocessen, lees besturingsprocessen wordt van de systeemleer gebruik gemaakt.

Een computer is niets zonder een beheersingssysteem en een daarin werkend programma, en omgekeerd. Zo ook is de mens niet werkelijk mens zonder een gemeenschappelijk overeengekomen vreedzame maatschappelijke orde en een persoonlijke overtuiging of geest daarin ontwikkeld, die de integriteit en het functioneren van zijn persoon in dat systeem uitmaakt. En dus is er ook met het noodzakelijke nee-zeggen van het niet te vermijden ego ermee zoiets als het gehecht zijn aan het goede van de platonische God waarmee we niet zomaar uit de zelfzucht kunnen komen die zich, karmisch verbonden met moeder aarde, bij de gewone sterveling steeds voordoet, zodat we dus meer waarden dan enkel die van de goedheid nodig hebben om God in termen van eeuwige waarden recht te doen.

Hoofdstuk 1.3 Evolutie of Devolutie laat zien dat NLP een meer aan deze tijd aangepaste versie van het hiërarchische stelsel, de Verstrengelde hiërarchie omhelst.

Hans Kokhuis:
A. Wat heb ik? (kijken)
B. Wat heb ik nog nodig? (kijken)
Deze twee simpele vragen, gesteld in deze volgorde brengen de flux op gang en sturen mijn energie om me te verdiepen in de Hoe-vraag (zoeken).

Waarom is dit nu zo moeilijk?
De moeilijkheid om een start te maken met creatief gedrag ligt in het doorbreken van de als normaal geaccepteerde grenzen. De werking van het wetenschappelijke en culturele paradigma is boeiend beschreven door Thomas S. Kuhn in The Structure of Scientific Revolutions. Een paradigma beschrijft hij als een model of patroon dat ons kijken bepaalt: ons vaste aandachtspunt. Het geeft richting aan het denken, bepaalt de kwaliteit en de relatie met de natuurlijke omgeving. Het referentiekader van waaruit gewerkt wordt is bepalend voor de resultaten en een puur rationele benadering geeft een onvolledig beeld. In eerste instantie is dit namelijk destructief gedrag, waar we van terugschrikken. Picasso noemde destructiviteit de essentie van creativiteit: het doorbreken van bestaande ordeningen om zo iets nieuws te creëren.. Creativiteit krijgt geen kans als we grenzen respecteren en verschillen proberen af te schaffen.

Het gaat om het spel en het plezier om het te spelen en niet om de knikkers.

Zie ook:

Boeken:

Externe Links

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 150 keer bekeken.