Numen, Memen, Wereldstof, Mind stuff en Nomen (Levenskracht)

Filosofie

En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen in de zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipende gedierte dat op de aardbodem kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. (Genesis 1:26; vergelijk 9:6)

Door Immanuel Kant gevormd filosofisch begrip ding an sich voor de onafhankelijkheid van het kennend bewustzijn existerende werkelijkheid, waarvan ons uitsluitend het verschijnen gegeven is, terwijl zij zelf volkomen onkenbaar blijft. Terwijl Schopenhauer de ware werkelijkheid achter de verschijningen wel kenbaar acht, maakt Kant een onderscheid tussen de onkenbare noumenale werkelijkheid en de kenbare fenomenale werkelijkheid. Kant wees aan het einde van de 18e eeuw al op het feit dat het onmogelijk is aan de hand van de wetten van het denken het meest fundamentele domein 'noumenon' door ervaring te leren kennen. Dat domein wordt door Bohm ‘de impliciete werkelijkheid', door Boeddha 'dharma' en door Plato 'het Goede' genoemd.

Om de éne werkelijkheid te duiden gaat het in het bijzonder om fenomenen, patronen en de historie. Of met andere woorden te kijken naar de verscheidenheid aan perspectieven, de getallensymboliek en de historie, tot het moment toen alles nog goed was. Door dit leerproces te doorlopen is het mogelijk van stereotiepe denkbeelden, het onderliggende probleem, los te komen .

Het ontstaan van het nieuwe leven berust enerzijds op puur toeval (het lot), anderzijds op een bewuste daad. Tijdens de geboorte vindt de scheiding van twee lichamen plaats. Bij de geboorte wordt het dharma verstoord en ontwaakt het aardse bewustzijn, de psyche. De dualiteit neemt bezit van het kind. Het bewustzijn uit zich eerst in een primitieve, dierlijke vorm, het oerbewustzijn. Bewustwording is een cyclisch proces, een oneindige spiraal die geen begin en geen eind kent; er is alleen het nu. Het nu bevat het verleden en draagt het zaad van de toekomst in zich. Het mysterie van Leven en Dood houdt de mensheid al millennia bezig.

Bij pogingen dit domein te onderzoeken, verzanden we steeds in paradoxen. De verticale as (Axis mundi) van het kernkwadrant, these + antithese = synthese, 1 + 1 = 3 (eenheid der tegendelen) is een belangrijke trigger van het onderzoek geweest. Volledige synthese (Bevrijding) drukt volmaaktheid (zelfrealisatie) uit. Het Christendom spreekt over de wijsheid voor de volmaakten, het Boeddhisme heeft het over volmaakte geestelijke gezondheid, het Taoïsme over spirituele volmaaktheid en de Islam spreekt over de volmaakte mens. De onvolmaaktheid van de mens op aarde staat in contrast (Nous) met de volmaaktheid van God in de hemel.

H.P. Blavatsky boek Isis ontsluierd Een sleutel tot de mysteries van oude en moderne wetenschap en religie
12: Liefde voor de waarheid is in wezen liefde voor het goede; en omdat die liefde ieder verlangen van de ziel overheerst, deze zuivert en opneemt in het goddelijke, en zo iedere handeling van het individu bepaalt, verheft ze de mens tot het deelnemen aan en zich verenigen met de godheid, en maakt hem opnieuw ‘naar de gelijkenis van God’. ‘Deze verheffing’, zegt Plato in de Theaetetus, ‘bestaat uit het worden als God, en dit opnemen in het goddelijke betekent het rechtvaardig en heilig worden door wijsheid.’
De grondslag voor dit opnemen is, zoals altijd wordt gezegd, het voorbestaan van de geest of nous. In de allegorie van de strijdwagen met gevleugelde paarden, die voorkomt in de Phaedrus, stelt hij de psychische natuur voor als samengesteld en tweevoudig: de thumos of het epithumetische deel, gevormd uit de substanties van de wereld van de verschijnselen; en de thumoeides, waarvan de essentie is verbonden met de eeuwige wereld. Het tegenwoordige aardse leven is een val en een straf.
18: In ongeveer dezelfde woorden vinden we deze theorieën terug in het Manava-Dharma-Sastra, waar het de schepping van de mens beschrijft: ‘Hij (de Allerhoogste) ademde uit zijn eigen essentie de onsterfelijke adem die niet vergaat in de mens, en aan deze ziel van de mens gaf hij de ahamkara (bewustzijn van het ego) als soevereine gids.’ Toen gaf hij aan die ziel van de mens het verstand, gevormd door de drie eigenschappen, en de vijf organen voor waar neming van de buitenwereld.
Isis ontsluierd Deel 2 (p. 332):
De Griekse filosofen worden door hun al te geleerde vertalers in gelijke mate mistig gemaakt in plaats van mystiek. De Egyptenaren vereerden de goddelijke geest, de Ene-Enige, als NUT. Kennelijk ontleende Anaxagoras aan dat woord zijn benaming nous, of zoals hij het noemt, het denkvermogen of de geest die eigenmachtig optreedt. ‘Alle dingen’, zegt hij, ‘waren in een toestand van chaos; toen kwam de nous, en schiep orde.’1 Hij noemde deze nous ook de Ene, die heerste over de velen. In zijn denken was nous God, en de logos was de mens, de emanatie van eerstgenoemde. De uiterlijke zintuigen namen verschijnselen waar; alleen de nous kon noumena (noot: meervoud van noumenon) of subjectieve dingen kennen. Dit is zuiver boeddhistisch en esoterisch.
337: Het astrale lichaam van de kabbalist en de ‘geïncarneerde daden’ vormen het nieuwe zintuiglijk waarnemende zelf als zijn
ahamkara (het ego, zelfbewustzijn), dat hem is gegeven door de hoogste meester (de adem van God) die nooit kan vergaan, want als geest is hij onsterfelijk; vandaar het lijden van het nieuw-geboren zelf tot het zich bevrijdt van alle aardse gedachten, begeerten en hartstochten.

De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 9 De zonnetheorie (p. 599):
Intussen gaat de occultist verder, zoals in de toelichtingen op de zeven stanza’s is aangetoond. Hij kan dan nauwelijks hopen op enige hulp of erkenning van de wetenschap, die zowel zijn ‘anīyāmsam anīyasām’ (het absoluut spirituele atoom), als zijn mānasaputra’s – ‘uit het denkvermogen geboren mensen’ – zal verwerpen. Door het ‘enkelvoudige stoffelijke element’ te herleiden tot één absoluut onoplosbaar element – geest of ‘wortelstof’, en het zo tegelijkertijd buiten het bereik en het terrein van de natuurfilosofie te plaatsen – heeft de occultist natuurlijk maar weinig gemeen met de orthodoxe wetenschappers. Hij beweert dat geest en stof twee FACETTEN zijn van de onkenbare EENHEID, en dat hun schijnbaar tegengestelde aspecten afhankelijk zijn van (a) de verschillende graden van differentiatie van de stof en (b) de graden van bewustzijn die door de mens zelf zijn bereikt. Dit is echter metafysica en heeft weinig te maken met fysica – hoe groot in haar eigen aardse beperktheid die natuurfilosofie nu ook mag zijn.
599/600: Niettemin, als de wetenschap eenmaal, zo niet het werkelijke bestaan, dan in ieder geval de mogelijkheid van het bestaan erkent van een Heelal met zijn talloze vormen, toestanden en aspecten, opgebouwd uit een ‘enkelvoudige substantie’4, dan moet zij verdergaan. Tenzij ze ook de mogelijkheid van één element erkent, of het ENE LEVEN van de occultisten, zal ze die ‘enkelvoudige substantie’, vooral als deze wordt beperkt tot de zonne-nevelvlekken, evenals de doodkist van Mohammed midden in de lucht moeten ophangen, hoewel zonder de magneet die de kist ondersteunt. Al zijn we niet in staat met enige mate van nauwkeurigheid vast te stellen wat de nevelvlektheorie wel betekent, dankzij prof. Winchell en enkele sterrenkundigen die het daarmee niet eens zijn, hebben we, gelukkig voor de speculatieve natuurkundigen, wel kunnen leren wat deze niet betekent5. (Zie boven).
4) In zijn World-Life – blz. 48 – zegt prof. Winchell in de toegevoegde voetnoten: ‘Men erkent algemeen dat de stof bij uitzonderlijk hoge temperaturen in een niet gebonden toestand verkeert – dat wil zeggen, dat er geen scheikundige verbinding kan bestaan.’ Hij zou om de eenheid van de stof te bewijzen, een beroep willen doen op het spectrum, dat bij elk geval van homogeniteit een heldere lijn zal laten zien, terwijl in het geval dat er verschillende moleculaire rangschikkingen bestaan – bijvoorbeeld in de nevelvlekken of in een ster – ‘het spectrum uit twee of drie heldere lijnen moet bestaan’! Dit zou geen bewijs vóór of tegen zijn voor de natuurkundige-occultist, die stelt dat – buiten een bepaalde grens van zichtbare stof – spectrum, telescoop en microscoop van geen enkel nut zijn. De eenheid van de stof, van wat voor de alchemist werkelijke kosmische stof is, of ‘aarde van Adam’, zoals de kabbalisten deze noemen, kan moeilijk worden bewezen of weerlegd, niet door de Franse geleerde Dumas, die wijst op ‘de samengestelde aard van de ‘elementen’ op grond van bepaalde verhoudingen van atoomgewichten’, en zelfs niet door de ‘stralende stof’ van Crookes, hoewel zijn experimenten het best schijnen ‘te worden begrepen volgens de hypothese van de homogeniteit van de elementen van de stof en de continuïteit van de toestanden van de stof’. Want dit alles gaat niet verder dan de stoffelijke materie, om zo te zeggen, zelfs niet in wat het spectrum laat zien, dat moderne ‘oog van Śiva’ van de fysische experimenten. Het is alleen over deze stof dat St. Claire Deville kon zeggen dat ‘als lichamen, waarvan men denkt dat ze enkelvoudig zijn, zich met elkaar verbinden, ze verdwijnen en als individu worden vernietigd’, eenvoudig omdat hij die lichamen niet kon volgen in hun verdere vormverandering in de wereld van de spirituele kosmische stof. De hedendaagse wetenschap zal werkelijk nooit diep genoeg in de kosmologische formaties kunnen doordringen om de wortels te vinden van de wereldstof of materie, tenzij ze langs dezelfde gedachtelijnen werkt als de middeleeuwse alchemist.

Momenteel bestaat het probleem dat langzamerhand elke monodiscipline zijn eigen werkelijkheid gaat creëren. Gelukkig biedt de schepping een mogelijkheid door schade en schande wijs te worden. In plaats van het lineaire denken dient aan het evolutionaire kringloop denken meer aandacht te worden besteed. Er bestaan meer opties om naar de wereld te kijken. Het rapport ‘E i V’ laat zien dat het uiteindelijk om het kringloopdenken (net als de mandala), de kwintessens draait. Het gaat er om te leren, de artificiële illusionaire geschapen twee-eenheid (Dualiteit), Geest en Lichaam, Religie en Wetenschap opnieuw met elkaar te verenigen. In de esoterie zijn geest en lichaam de twee toestanden van het ENE, dat noch geest noch stof is; beide zijn latent het absolute leven. Met name de interdisciplinaire benadering brengt de wetenschap een stapje verder. Biologen hebben zeker gelijk wanneer ze culturen vergelijken met plantaardige organismen, die opbloeien, rijpen, verwelken en tenslotte afsterven. De fase waarin Nederland zich bevindt begint al duidelijk minder fris te ruiken.

Het onderstaande linker kwadrant illustreert het scheppingsproces 'Monade, Duade, Triade en Tetrade' op aarde. Het rechter kwadrant toont de tegengestelde kringloop: 'Mythos, Logos, Theos en Holos'. De Hermeneutische Cirkel (band van Möbius) symboliseert dat op deze wijze met het scheppingsproces in de hemel een verbinding ontstaat (5e dimensie).

Pythagoras enAristoteles:Unificatietheorie: Ervin laszlo enFrancis Heylighen:
MonadeTriade1. Zwaartekracht (M/V)3. Spiegelsymmetrie4. Self-awareness2. Awareness
4. Doeloorzaak ----2. Werkoorzaak4. Hermeneutische cirkel ----2. Reflexief bewustzijnHolos ---Logos
||||||
1. Stofoorzaak ----3. Vormoorzaak1. Ether-paradigma ---3. Meta-lerenMythos ---Theos
TetradeDuade4. Materiesymmetrie2. Tijdsymmetrie1. Sensation -3. Experience
    5e element First-personexperience

De hamvraag is hoe kijken we tegen de oerproducent van de grondstoffen aan?

De beide zijden van de medaille kunnen echter niet gelijk zijn anders is er sprake van een evenwichtssituatie. Het is de Oerbron van universeel leven (Solovjov), de complementariteit die zorgt voor de tegengestelde bewegingen tussen ‘Geest en Lichaam’, ’Materie en Bewustzijn’, ‘Involutie en Evolutie’. Van deze oerbron is echter nog niets bekend. Daar kunnen we alleen maar naar gissen.

In de systeemleer staat de ‘4’ voor het terugkoppelingsmechanisme, dat op de invoer, de verwerking en de uitvoer volgt. De hemelse ‘1 2 3’ ontstaat wanneer de aardse ‘4’, het terugkoppelingsmechanisme harmonie creëert. Dit terugkoppelingsmechanisme heeft op de levenskunst, de zin van het leven betrekking. Een tipje van de sluier wordt opgelicht. De driehoek van Pythagoras is nog steeds actueel. De contouren van het ultieme ordeningsprincipe, het IBS (integraal besturingssysteem) van Ken Wilber is al millennia bekend.

KernkwadrantOfman:4Ddenkraam Ofman& Ken Wilber: Vier kwadrantenKen Wilber
  HolosLogosAkasha-kronieken
Creativethink >>>>GroupthinkSamenwerkingskrachtVoedingskrachtCultuur van waardenSociaal, Systeemtheorie
1. Daadkracht >>>>3. Drammerigheid4. Wij-kant ----2. Zij-kant4. Innerlijk/Collectief ----2. Collectief/Uiterlijk
||||||
4. Passiviteit <<<<2. Geduld1. Het-kant ----3. Ik-kant (x)1. Individueel/Uiterlijk ----3. Innerlijk/Individueel
Chaos <<<<ZelfreguleringVormkrachtBeeldkrachtGedragsmatigIntentioneel
  Mythos (Eros)Theos Meta-leren

(x) Daniel Ofman, boek Bezieling en Kwaliteit in Organisaties (p. 114, 183).
De Integrale visie, het 5Ddenkraam verbindt de aardse met de hemelse, de natuurlijke kringloop (lemniscaat, de tijdsymmetrie).

====

Psychologie (Numen)

Carl Jung zegt dan, ik besta uit twee delen. Ik heb een nummer één in mijzelf, dat is Carl Gustav Jung, geboren daar en daar, uit die en die ouders, die en die schoolopleiding, die en die diploma’s, die en die verworvenheden. Maar er is ook een nummer twee en die nummer twee die ziet hoe de geest door de materie heen waait, die ziet het schijnsel van een numen van het noumenon, van datgene wat boven alle fysieke waarneming uitgaat, wat weer samenvalt met de causale werkelijkheid.

Barbara Hannah, ‘Jung zijn leven zijn werk’, p. 303: Voor de gemiddelde lezer is Die Psychologie der Ubertragung waarschijnlijk moeilijk te begrijpen; men kan het zelfs niet uitsluitend met het intellect begrijpen, omdat de beschreven viereenheid ook in hoge mate irrationeel is en buiten het bereik van ons bevattingsvermogen ligt. Het boek geeft echter een zeer diepgaande beschrijving van het verschijnsel overdracht en zou een uiteenzetting van de praktische toepassing van het mysterium coniunctionus genoemd kunnen worden, die ons helpt de strijdige tegengestelden, die in onze tijd zoveel tweedracht en leed veroorzaken, te zien en tot elkaar te brengen. In dit licht bezien, is de band die gesmeed wordt door overdracht – hoe zwaar te dragen en hoe ogenschijnlijk onbegrijpelijk ook – van essentieel belang, niet alleen voor de individuele mens, maar ook voor de samenleving en zelfs voor de morele en spirituele vooruitgang van de mensheid. Etc. Hoe klein en onzichtbaar deze bijdrage ook lijkt te zijn, het is toch een opus magnum, want het wordt tot stand gebracht in een sfeer die nog maar kort tevoren bezocht werd door het numen, waarin het hele gewicht van de problemen van de mensheid zich heeft vastgezet.

Jan Wicherin boek Ontheemde Zielen Ontwaken (p. 113):
De Akasha-kronieken zijn holografische torsievelden van individuen die inpassen in de grotere hologrammen van groepen mensen zoals dorpen, landstreken of hele naties. De hologrammen van deze verzamelingen vermengen zich uiteindelijk met het hologram van de gehele mensheid op aarde en lijkt op wat Carl Jung de collectieve geest van de mens noemt. Het A-veld of Akasha-veld zou paranormale begaafdheid kunnen verklaren waarvan zo veel mensen getuigd hebben, zoals de mogelijkheid om in het verleden te kijken en om weet te hebben van gebeurtenissen die plaats hebben gevonden in deze wereld zonder dat sprake is van een persoonlijk cognitieve bewuste gewaarwording. De Akasha-kronieken vormen zo het pakhuis van informatie, dat geraadpleegd werd door alle grote zieners door de eeuwen heen met inbegrip van Edgar Cayce.

====

Biologie (Memen)

Richard Dawkins werd onder andere bekend door zijn boek The Selfish Gene. Hierin beschreef hij hoe het leven zich ontwikkelt door de overleving van zichzelf vermenigvuldigende genen die net iets van elkaar verschillen. Hij ging zelfs zover te stellen dat de genen de eigenlijke vorm van leven zijn en dat de biologische organismen alleen maar dragers van genen zijn. De natuurlijke selectie heeft vervolgens voor de fantastische complexiteit van de biologische wereld gezorgd. Dawkins vroeg zich af of er nog meer van dit soort zichzelf vermenigvuldigende systemen zijn. Hij kwam tot de conclusie dat er wellicht ook zoiets kon bestaan als zichzelf vermenigvuldigende mentale constructies. Deze constructies, die Dawkins de naam 'memen' gaf, planten zich voort door van brein naar brein 'te springen'. Als voorbeelden van 'memen' noemde Dawkins onder andere muziektunes, modeverschijnselen en ideologieën.

Memetica is de studie naar de evolutie van cultuur en ideeën, naar analogie van de genetica. Een van de eersten die zich volgens Jules Ruis met "memen" en "memetica" bezighielden was Dr. Clare W. Graves.

Marco Iacoboni Het spiegelende brein (p. 15):
De ontdekking van spiegelneuronen voor de psychologie wel eens dezelfde betekenis kon hebben als de ontdekking van DNA voor de biologie.
47: Dawkins was zich zeer bewust van de krachtige rol van imitatie bij het overdragen van eigenheden, gebruiken, ideeën en zelfs volledige geloofssystemen en introduceerde zo’n dertig jaar geleden in zijn beroemde boek De zelfzuchtige genen de term ‘memen’.
Meme: Een element van een cultuur die als het ware op niet-generieke wijze wordt overgedragen, met name door imitatie (De Oxford English Dictionary).
Eenheid van culturele overdracht (De dikke Van Dale).

Maria Kronfelder(Max Planck Institute Berlin): zij onderzoekt of de evolutietheorie verklaringen kan bieden voor de manier waarop in een cultuur nieuwigheden (novelties) ontstaan: nieuwe ideeën, technieken, modes, kunstwerken of wetenschappelijke doorbraken. De paradox van de creativiteit is dat je iets bedenkt, maakt of ontdekt dat er nog niet was en waarvan je daarom ook niet wist dat je ernaar op zoek was. De ene oplossing, die Plato al voorstelde, is dat alles al in de geest besloten ligt en je het alleen maar herinnert. De andere oplossing is dat er een spontane sprong plaatsvindt, een leap in the dark: eureka! Een extreem voorbeeld van hoe culturen zich vanuit culturele varianten ontwikkelen is de theorie van de zogeheten 'memen', die door Dawkins werd bedacht. Memen zijn een soort culturele zelfzuchtige genen die zich verspreiden door menselijke geesten te ‘infecteren’, zoals een popliedje of een modegril die zich over de wereld verspreidt.

De evolutietheorie is naar voren geschoven als een ‘universele theorie van veranderingsprocessen’ die behalve de biologische ook de culturele evolutie – het ontstaan en de verbreiding van ideeën – verklaart. Beide processen zouden door vergelijkbare mechanismen worden gestuurd, waarbij enerzijds biologische en anderzijds culturele innovaties worden overgedragen. Deze analogie van biologische en culturele evolutie wordt volgens Kronfelder vaak zo uitgelegd dat de 1e Darwiniaans en de 2e Lamarckiaans is. ‘Dat de culturele ontwikkeling à la Lamarck: verloopt omdat verworven ideeën of technieken aan nieuwe generaties worden doorgegeven, is triviaal, want culturele ontwikkeling is per definitie overdracht. Het fundamentele onderscheid is de al dan niet toevalligheid van de variatie.

De Lamarckiaanse opvatting van de erfelijkheid, namelijk de theorie van de overerving van verworven eigenschappen langs genetische weg is in diskrediet geraakt. Deze doctrine werd volslagen verdrongen door Darwins theorie van een via natuurlijke selectie verlopen evolutie, en door Mendels erfelijkheidswetten.

====

Paleontologie (Weltstoff)

Paleontologie bevindt zich op het snijvlak tussen Geologie und Biologie.

Hans Richter Ωmega = het Idee achter de evolutie (p. 31-36):
Paleontologie (p. 34)
Teilhard de Chardin bestudeert de evolutie van de mens op lichamelijk en geestelijk terrein en voorziet op een vroeg tijdstip de compressie (verdichting) van onze samenleving door de bevolkingsgroei en door de wetenschappelijke en technische ontwikkeling. Hij voorspelt een convergentie (samengroei)van de mensheid, die culmineert in een eindpunt Omega. Het Platonische Idee achter de evolutie is dus de grote Ωmega in de titel van dit artikel.
Indien wij de lijst van de verliezen beschouwen, valt ons op, dat wij de vervreemdingen steeds ten dele maar nooit volledig hebben gecompenseerd. Zo is onze samenleving nu weer socialer geworden maar is het sociale evenwicht nog niet geheel hersteld. Onze evolutie dwingt ons tot correctie en compensatie, maar slechts zoveel als absoluut noodzakelijk. Dit is de weg die wij moeten gaan. Er is geen andere. De ware filosoof heeft dit begrepen en heeft er vrede mee.
De tabel op de volgende bladzijde (p. 36) geeft in enkele termen uit het voorgaande artikel aan, hoe de mens is geëvolueerd richting Omega.

Teilhard de Chardin zegt dat de ganse kosmos niet opgebouwd is uit materie, maar uit wat hij noemt: 'Weltstoff'. Wat is nu het verschil? 'Weltstoff' is meer dan materie. De stof waaruit alles is opgebouwd, heeft namelijk een buitenkant én een binnenkant. De buitenkant van de 'Weltstoff' is materie. Haar binnenkant is bewustzijn. 'Weltstoff' is dus 'materie-bewustzijn', een soort bipolaire eenheid in elk 'deeltje'. De 'binnenkant', of de 'geest', is alleen bij de mens 'zichtbaar', maar dat belet niet dat ook alle andere dingen een binnenkant hebben, zij het dat hij daar niet zo uitgesproken te bespeuren valt. Wat Teilhard nu beweert is het volgende: de binnenkant van de kosmos wordt in de mens, en dan bij uitstek in de God-mens Christus, gekend en ontwikkeld, om van daaruit de ganse kosmos tot zijn voltooiing te brengen.

Arie Bos Hoe de stof de geest kreeg, De evolutie van het ik (p. 203):
Van Simon Conway Morris is de theorie dat door adaptatie, aanpassing, de evolutie een dwingende loop heeft gevolgd. Dat laat hij zien aan het feit dat in de evolutielijnen van uiteenlopende soorten gelijke, convergente ontwikkelingen tevoorschijn komen. Dit zou doelgerichtheid betekenen en dat is in de evolutietheorie verboden.
De evolutionair fysioloog en ornitholoog Jared Diamond in een van zijn bestsellers, De derde Chimpansee, precies hetzelfde standpunt huldigt, terwijl hij in zijn Zwaarden, paarden en ziektekiemen al had laten blijken religie te zien als niet meer dan een uitvinding om mensenmassa’s in bedwang te kunnen houden.

Theo Smits Lezing 1 - onderdeel 1 - Inleiding:
Teilhard de Chardin (1881-1955) draagt aan de oplossing van dit raadsel zijn steentje bij. Hij doet dat als paleontoloog-geoloog door scherpe waarnemingen tijdens zijn veldwerk, o.a. in China. Maar ook als filosoof en theoloog door over de grote lijnen na te denken. Zo ontdekt hij nieuwe wetten. Hij formuleert de wet van complexiteit-bewustzijn o.a. in zijn werk Het verschijnsel mens.
Teilhard ziet de evolutie als één doorlopend proces van steeds grotere vergeestelijking, verinnerlijking van de stof. Hij is de eerste, die de mutaties, de plotselinge veranderingen, ook laat gelden voor het allereerste begin, voor de tijd waarin er nog geen sprake was van leven. Teilhard gaat ervan uit, dat de materie steeds aan dezelfde mutatiewetten onderhevig is. Het is niet terecht om nog langer te spreken van 'dode stof'. Zelfs de kleinste deeltjes hebben een onderlinge aantrekkingskracht. Ook zij bezitten het vermogen grotere eenhe-den te vormen. Hun innerlijke, zeg psychische kracht wordt hierdoor gebundeld. Door deze bundeling wordt hun structuur steeds ingewikkelder. Aan deze structuur zijn echter grenzen. Bij een bepaalde graad van complexiteit is de opeenhoping van energie zo groot, dat door een plotselinge ontsnappingspoging een structuurverandering plaatsvindt. Zoals bij koken water in stoom verandert, zo ontstaat telkens bij verzadiging een andere aggregatietoestand. Zo moet het ook bij de eerste vormen geweest zijn waarin wij duidelijk van leven spreken. De ingewikkeldste, de grootste, meest geláden molecule wordt levend!
De mensheid ontstond uit een samenbundeling van individuen met de mogelijkheid van keuze. Uit gezinnen ontstonden stammen, uit stammen naties, uit naties landenbonden. Tegelijk daarmee vormde zich een steeds ingewikkelder net om onze wereldbol, een net van steeds intenser psychische, geestelijke kracht, een net van boven ons uitstijgende wetenschap, godsdienst, kunst, politiek enz. De wet van complexiteit-bewustzijn die in de biologische fase van de evolutie vóór het verschijnen van de mens gold, geldt ook nu in de culturele evolutie. De cultuur is een voortzetting van de natuur op basis van bewuste keuzes. Voor Teilhard is alle kracht in héél het evolutieproces slechts éénzélfde kracht van liefde, van samengaan, van samensmelting om tot een hogere vorm van leven te komen.
In steeds sneller tempo bundelen de mensen thans hun krachten om een nieuw stadium in de evolutie te betreden. Zullen zij hun vrijheid gebruiken voor bevordering van elkaar? Dus voor de Liefde, die de schepper ons in Omega aanreikt? Of zullen zij elkaar negeren, afstoten, en daarmee hun ondergang of verstarring veroorzaken? De wereld is in een crisis, waarbij deze keuze bepalend is voor haar voortbestaan.

Theo Smits Lezing 2 - onderdeel 1 - Twaalf grondwetten:
IV. Hoe ingewikkelder de maatschappij wordt, hoe meer bewustzijn overal noodzakelijk wordt en ook ontstaat.
Deze zogenaamde wet van complexiteit-bewustzijn staat centraal in Teilhards gedachtebouwsel. Achter die ietwat duistere term gaat een overal te constateren verschijnsel schuil. Immers, deste meer communicatie en contact er is, deste groter in aantal en deste duizelingwekkender zijn de problemen. Maar we zien het ook bij atomen. Als er twee een verbinding aangaan, hun krachten bundelen in een molecuul, dan bezit het laatste een sterkere innerlijke kracht dan de atomen afzonderlijk. Als zeer vele atomen zich verenigen en er ontstaat een erg complex molecuul dan wordt ook de innerlijke energie navenant groter. Nergens is die in de natuur zo groot als in de hersenen van de mens. De complexe structuur van de hersencellen maakt dan ook het unieke zelfbewustzijn mogelijk. Complexiteit en bewustzijn houden in de evolutie gelijke tred met elkaar. Dat wil Teilhard met zijn wet van complexiteit-bewustzijn uitdrukken.

V. Er kan niets worden opgebouwd dan tegen de hoge prijs van een gelijkwaardige vernietiging.
Deze wet spreekt eigenlijk voor zich. Zo leven wij vanuit onze overleden voorouders en bloeit de nieuwe tulp op uit en na de dood van de vorige.
Teilhard de Chardin neemt aan, dat alle stof - dus ook de zogenaamde 'dode stof' - een 'binnenkant' heeft, een soort innerlijk. Een bijzonder essentiële hypothese. Het komt erop neer, dat elke stof naar buiten toe iets uitstraalt. Of nog anders gezegd: De fysische, de uiterlijke, kracht gaat altijd samen met een psychische, een innerlijke, kracht. Binnenkant en buitenkant gaan altijd samen. Als bovengenoemde twee krachten elkaar in de veelheid afstoten, middelpuntvliedend zijn, zijn we getuige van een kosmisch drama. Maar dat hoeft niet. Ze kunnen zich ook op elkaar concentreren, ordenend bundelen, middelpunt-zoekend zijn. Het is een van de scherpste waarnemingen van Teilhard geweest, dat alleen de laatste, de naar elkaar toegroeiende energie, de steeds grotere concentratie van psychische krachten, de vooruitgang bepaalt. Samenbundeling, samengaan, samendoen trekt voorwaarts naar eenheid, het omgekeerde zuigt ons achteruit naar de veelheid, de fragmentatie, de verbrokkeling.
Helaas is de welvaart ook de oorzaak van het scheppen en bevredigen van individuele materiële behoeften en daarmee een kracht die ingaat tegen de versterking van het proces waarin we ons bewust worden verantwoordelijk te zijn voor de eenheid van onze wereld in alle verscheidenheid van haar culturen.

De kracht waardoor God zijn schepping stuurt, noemt Teilhard énergie amorisante, energie van liefde, "de meest universele, de geweldigste en de geheimzinnigste van alle kosmische energieën". Zij heeft twee aspecten. Het is de kracht waardoor God van buiten de tijd op zijn schepping inwerkt. Anderzijds is er in alle stof een beginsel van aanwezig: "Liefde is een algemene eigenschap van alle leven." Het is een energie die al bestond voor de vorming van de stof en die alles voortbrengt wat bestaat, die de evolutie richting geeft en tot voltooiing brengt.

Theo Smits 3e lezing - onderdeel 1. De toekomst van de mens:
De levensbeschouwing van Teilhard is dus niet pantheïstisch zoals die van Spinoza, die God gelijkstelde aan de natuur: 'Deus sive natura'. Nee, God overstijgt de natuur, overstijgt tijd en ruimte. Alles vindt in God zijn oorsprong, maar niets vindt in Hem zijns gelijke. Wij zijn dus met alles in God. Deze visie noemt men het panentheïsme.
Teilhard hamert erop de ontwikkelingen in elke menselijke tak van bedrijvigheid te richten op convergentie. Elk menselijk bewustzijn is het waard te worden ontwikkeld. Met alle middelen van wetenschap en techniek, politiek en religie moet ernaar gestreefd worden te komen tot eenheid in verscheidenheid. De eerste tekenen zijn er al, dat onze geest ontwaakt voor een extra-dimensie. De mens is een soort, die convergeert, zich op één punt richt, in tegenstelling tot alle andere soorten in de wereld, die divergeren, uitwaaieren en vergaan. De mens groeit naar een top van psychische rijpheid, die voor ons de zwartste toekomstdreiging doet verdwijnen.
Teilhard zegt ons, dat het geen kwestie zal zijn van wel-zijn, maar van méér-zijn. Het is van eminent belang te zien hoe bij Teilhard de mens zijn biologisch evenwicht zal vinden in een toppunt van geestelijke eenheid en niet in de materieel keurige ordening van de aarde.
Christus bestreed alle kwaad en stierf als misdadiger voor het gerecht van de mensen. Dat is ook onze weg. Wat in de lijfelijke dood fysisch verstrooid wordt, zegt Teilhard, wordt verenigd in God. Als wij ons maximaal inzetten en onze verantwoordelijkheid nemen dragen we bij aan de christogenese, de wording van Christus. Zo maken we de aardse werkelijkheid volgens Teilhard transparant. Tegenover het horizontalisme van het leven hier en nu en het verticalisme van de uitsluitende gerichtheid op het hiernamaals stelt Teilhard: "En haut et en avant", zowèl omhoog als vóóruit.
De vooruitgang tegenhouden staat gelijk met het tekenen van zijn eigen doodvonnis. Niets mag onbeproefd blijven als het erom gaat méér te zijn. Zo lijkt het bijvoorbeeld gemakkelijk de banvloek uit te spreken over geld en handel, maar áls geld een drijvende kracht is voor de mens, moeten we het als christen niet verwerpen, maar vergeestelijken, in die zin, dat we het eerlijker verdelen en gebruiken voor studiedoeleinden, kunst, schoonheid, vrede, geluk enzovoort.

Theo Smits Lezing 4 - onderdeel 1. Verzet en enthousiasme:
Geloof en wetenschap zijn geen streng gescheiden gebieden, maar vullen elkaar aan.
Toch moet worden vastgesteld, dat al deze schrijvers op grond van hun theorieën het belang trachten te onderstrepen van de verdieping en bevordering van de ander als de meest zinvolle invulling van het eigen leven en basis van hoop voor de toekomst.
Niet een hoofd-tot-hoofd noch een lichaam-tot-lichaam, maar een hart-tot-hart, dat is het wat wij nodig hebben.
Maar met wat voor kwaad worden we niet jaar in jaar uit geconfronteerd? Verbanningen, revoluties, oorlogen, moorden, ziekten, honger en onlusten. Wie heeft geprobeerd persoonlijk ook maar een greintje beter te worden? We worden immuun voor Gods slagen, ongevoelig ook voor zijn medicamenten. Wat blijft er in 's hemels naam anders over dan te geloven, dat we allemaal vernietigd zullen worden door een verschrikkelijke ramp? Mijn geest voorziet in de toekomst zo'n ramp. Moge een gelukkiger lot ons beschoren zijn!"
Al deze woorden sprak Erasmus in de 16e eeuw, toen Europa zich in een politieke, religieuze en maatschappelijke crisis bevond. De tekst lijkt geschreven in onze tijd. Mogelijk dacht u tijdens het lezen hiervan, dat het een toespraak uit onze tijd was. Waarom dan deze merkwaardige aanhef "Angst en overwinning"?
Ook thans heeft men het gevoel op de drempel te staan van een nieuwe periode in de evolutie van de mens. Teilhard spreekt al van een "nieuwe menselijke sprong in de evolutie", een soort geestelijke mutatie dus. Deze zal algemener en ingrijpender van aard zijn dan we ons nu kunnen indenken. Teilhard denkt aan mutatie door superreflexie. Toen de mens op het toneel verscheen gebeurde dat doordat het bewustzijn zich van zichzelf bewust werd.
Ook de godsdienst en de ethiek zullen in de algehele stroomversnelling van de ontwikkelingen niet aan een zelfonderzoek ontkomen. De kernwaarheden moeten steeds opnieuw worden verwoord. De procesfilosofie, zoals die is geformuleerd door Alfred North Whitehead, kan Teilhards theologische visie goed onderbouwen.

====

Theosofie (Wereldstof, 'Levensatoom en Atoom', 'Symmetrie en Gebroken symmetrie')

Jos Verhulst publiceerde over moderne synthese en evolutiebiologie in vaktijdschriften zoals Acta Biotheoretica, Annals of Human Biology, British Medical Journal en Psychological Reports. Zijn grotendeels antroposofische benadering is echter niet onomstreden.

Reciprociteit is onder andere in de sociologie, zoölogie, populatiebiologie en evolutiebiologie een sociaal verschijnsel waarin één organisme (bijvoorbeeld een mens) bereid is een ander een dienst te verlenen wanneer het organisme weet dat het hiervoor op een later tijdstip een wederdienst kan verwachten, of op dat moment zelf die wederdienst bewijst.

De evolutionaire kringloop, kosmische intelligentie heeft op het antropisch principe betrekking. Het heelal bestaat omdat we het kunnen waarnemen. Er moet tegenstelling zijn tussen subject en object, anders kan niet van bewustwording worden gesproken. Zintuigelijke waarneming is mogelijk omdat er een tegenstelling is tussen licht en donker. Verschijnselen als ruimte (oneindigheid), de 4e dimensie tijd (eeuwigheid) en het daaruit voortvloeiende, eeuwige, scheppende terugkoppelingsmechanisme, dat het nu met verleden en toekomst verbindt, brengen een ontwerp tot uitdrukking. David Bohm: ‘Niet langer kon een enkele tijds-orde het gehele universum omvatten; verleden, heden en toekomst konden niet meer in dezelfde absolute zin worden gehanteerd als dat voor Newton mogelijk was.’

Blavatsky: "Als je denkt dat je uit De Geheime Leer een bevredigend beeld van de samenstelling van het universum kunt krijgen, dan zal deze studie je alleen maar verwarren. Het boek is niet bedoeld om zo'n definitieve uitspraak te doen over het bestaan, maar om je in de richting van de Waarheid te leiden".
De oplossing van de unificatietheorie wordt niet gevonden in het elementaire deeltje maar in de ruimte die de elementaire deeltjes van elkaar scheidt.
Deze stelling is gebaseerd op De Geheime Leer, Deel I p. 563: ‘De kracht is daarom niet in het atoom maar in de ruimte die de atomen van elkaar scheidt (neutrale centrum, eros = fohat). Evolutie vindt door emanatie plaats. In supersymmetrie heeft ieder elementair deeltje een zogenaamde supersymmetrische partner. De elektrische spanning tussen twee polen bestaat echt. De i t/m xii experimenteel (min of meer) bewezen effecten van de werkzaamheid van de ether, vormen de materiële tegenhanger van de vijf eigenschappen, de verborgen 5e Dimensie van het bewustzijn.

Voor (bio)fotonen geldt hetzelfde als voor neutronen, molecule, synapsen, gedachten en gevoelens ze verschijnen en verdwijnen.
Een synaps is een verbinding tussen twee neuronen waardoor een impuls kan worden overgedragen.

Muziek der Sferen. Iedere bol die zijn baan volbrengt in de bodemloze diepten van de ruimte, zingt op zijn weg een lied. Ieder nietig atoom is afgestemd op een bepaalde toon. Het is in voortdurende beweging, in voortdurende trilling, met snelheden die voor het gewone verstand van de mens onbegrijpelijk zijn, en iedere snelheid heeft haar eigen numerieke waarde, met andere woorden, haar eigen numerieke toon en zingt dus die toon. Dit wordt de Muziek der Sferen genoemd, en als de mens het vermogen van geestelijke helderhorendheid bezat, zou het leven om hem heen één groot zoet gezang zijn: zijn eigen lichaam zou als het ware een symfonieorkest zijn dat een prachtige, onbegrijpelijke, muzikale symfonische compositie uitvoert. De groei van een bloem, bijvoorbeeld, zou op een wisselende melodie lijken die van dag tot dag voortgaat; hij zou het gras kunnen horen groeien en begrijpen waarom het groeit; hij zou de atomen kunnen horen zingen en hun bewegingen zien en de harmonie van de gezangen van alle individuele atomen kunnen horen, evenals de melodieën die stoffelijke lichamen voortbrengen; en hij zou weten wat de sterren in hun baan onophoudelijk zingen.

Geest (met betrekking tot de stof )
Theosofen wijzen erop dat wat men geest noemt het toppunt is, of de wortel, of de kiem, of het begin, of het noumenon — of hoe u het ook wilt noemen — van een bepaalde hiërarchie onder de ontelbare menigten kosmische hiërarchieën waarmee zo’n hiërarchie onlosmakelijk is verweven en waarmee ze in wisselwerking staat.

H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel I, Stanza 1. De nacht van het heelal (p. 65):
De ‘gewaden’ staan dus voor het noumenon van ongedifferentieerde kosmische stof. Het is geen stof zoals wij die kennen, maar de geestelijke essentie van stof en deze is eeuwig, evenals de Ruimte in haar abstracte betekenis, waarmee ze zelfs één is. De wortelnatuur is ook de bron van de subtiele onzichtbare eigenschappen in de zichtbare stof. Zij is als het ware de ziel van de ENE oneindige geest. De hindoes noemen haar Mulaprakriti en zeggen dat zij de oersubstantie is, die de basis vormt van de upadhi of het voertuig van ieder verschijnsel, stoffelijk, verstandelijk of psychisch. Zij is de bron waarvan akasa uitstraalt.
69/70: Maya of illusie is een element dat bij alle eindige dingen optreedt, want alles wat bestaat heeft alleen maar een relatieve en geen absolute werkelijkheid, omdat de vorm waarin het verborgen noumenon voor een waarnemer verschijnt, afhangt van zijn waarnemingsvermogen. Voor het ongeoefende oog van een barbaar is een schilderij eerst een zinloze wirwar van gekleurde strepen en klodders, terwijl een geoefend oog er onmiddellijk een gezicht of een landschap in ziet. Niets is blijvend, behalve het ene verborgen absolute bestaan dat in zichzelf de noumena (noot: meervoud van noumenon) van alle werkelijkheden bevat. De bestaansvormen die tot ieder gebied van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Chohan toe, hebben tot op zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf. De werkelijkheid die de dingen misschien bezitten, moet men erin zoeken vóór of nadat zij als een flits door de stoffelijke wereld zijn heengegaan; maar wij kunnen zo’n bestaan niet rechtstreeks waarnemen zolang wij waarnemingsinstrumenten hebben die slechts het stoffelijke bestaan binnen het bereik van ons bewustzijn brengen. Op welk gebied ons bewustzijn ook werkzaam is, zowel wij als de dingen die tot dat gebied behoren, zijn voor dat moment onze enige werkelijkheden. Naarmate wij een hogere trap van ontwikkeling bereiken, bemerken wij dat we tijdens de stadia die we hebben doorlopen schaduwen voor werkelijkheden hebben aangezien. Het omhoogklimmen van het ego is een reeks steeds verdergaande bewustwordingen, waarbij iedere vordering de gedachte meebrengt dat we nu eindelijk de ‘werkelijkheid’ hebben bereikt. Wij zullen echter pas vrij zijn van de door maya voortgebrachte waanvoorstellingen, wanneer wij het absolute Bewustzijn hebben bereikt en het onze daarin hebben laten opgaan.
71: Volgens esoterisch taalgebruik is Brahma vader-moeder-zoon of geest, ziel en lichaam tegelijk; elke persoon symboliseert een eigenschap en iedere eigenschap of hoedanigheid is een trapsgewijze uitvloeiing van de goddelijke adem in zijn cyclische differentiatie, opgevat als involutie en als evolutie. In kosmisch-stoffelijke zin is hij het Heelal, de planeetketen en de aarde; in zuiver geestelijke zin de onbekende godheid, planeetgeest en mens – de zoon van de eerste twee, het schepsel van geest en stof en een manifestatie van hen in zijn periodieke verschijningen op aarde tijdens de ‘wielen’ of manvantara’s. (Zie Afdeling II, § VII: ‘De dagen en nachten van Brahma’.)
73: Ons ‘Heelal’ is er slechts één uit een oneindig aantal Heelallen, alle ‘zonen van noodzakelijkheid’, omdat zij schakels vormen in de grote kosmische keten van Heelallen, waarvan ieder zich tot zijn voorganger verhoudt als een gevolg, en tot zijn opvolger als een oorzaak.
Het verschijnen en verdwijnen van het Heelal wordt voorgesteld als een uitademing en inademing van ‘de grote adem’, die eeuwig is en die, omdat hij beweging is, een van de drie aspecten van het Absolute is; de andere twee zijn abstracte Ruimte en duur. Als de ‘grote adem’ wordt geprojecteerd, wordt hij de goddelijke adem genoemd en wordt hij beschouwd als het ademen van de onkenbare godheid – het ene Bestaan – die als het ware een gedachte uitademt die de Kosmos wordt. (Zie Isis Ontsluierd.) Zo verdwijnt ook, als de goddelijke adem weer wordt ingeademd, het Heelal in de schoot van ‘de grote moeder’, die dan slaapt ‘gewikkeld in haar onzichtbare gewaden’.
76/77: Het is niet de ‘moeder van de wereld’, zoals Wilson het vertaalt (zie Deel I, Vishnu Purana); want jagad yoni (zoals FitzEdward Hall aantoont) is niet zozeer ‘de moeder van de wereld’ of ‘de baarmoeder van de wereld’ als wel de ‘stoffelijke oorzaak van het Heelal’. De commentatoren van de Purana’s verklaren het als karana – ‘oorzaak’ – maar de esoterische filosofie als de ideële geest van die oorzaak. Het is in zijn tweede stadium het svabhavat van de boeddhistische filosoof, de eeuwige oorzaak en het eeuwige gevolg, alomtegenwoordig en toch abstract, de op zichzelf bestaande plastische essentie en de wortel van alle dingen, beschouwd in hetzelfde tweevoudige licht als de Vedanta-kenner zijn Parabrahm en Mulaprakriti beschouwt, het ene onder twee aspecten.
De Geheime Leer Deel I Stanza 2. Het denkbeeld van differentiatie (p. 91/92):
Svabhavat, de ‘plastische essentie’ die het Heelal vult, is de wortel van alle dingen. Svabhavat is om zo te zeggen het boeddhistische concrete aspect van de abstractie die in de hindoefilosofie Mulaprakriti wordt genoemd. Het is het lichaam van de ziel en wat ether voor akasa zou zijn, en dit laatste is het bezielende beginsel van het eerstgenoemde. Chinese mystici hebben het tot een synoniem van ‘zijn’ gemaakt.
De Geheime Leer Deel I Stanza 3. Het ontwaken van de kosmos (p. 98):
(b) ‘De stralende essentie stolde en verspreidde zich door de diepten’ van de Ruimte. Vanuit een astronomisch gezichtspunt is dit gemakkelijk te verklaren: het is de ‘melkweg’, de wereldstof of de oerstof in haar eerste vorm. Vanuit het standpunt van de occulte wetenschap en de symboliek kan men het echter moeilijker in een paar woorden of zelfs regels verklaren, want het is het ingewikkeldste van alle tekens. Hierin zijn meer dan een dozijn symbolen besloten.
100: Deze ‘stof’ die, volgens de openbaring die werd ontvangen van de oorspronkelijke Dhyani-Boeddha’s, tijdens de periodieke slaap van het Heelal de uiterste ijlheid bezit die voor het oog van de volmaakte bodhisattva nog waarneembaar is – deze oorspronkelijke en koele stof wordt, bij het eerste herontwaken van de kosmische beweging, door de Ruimte verspreid. Vanaf de Aarde gezien ziet zij er uit als klonten en brokken, zoals vlokken in dunne melk. Dit zijn de zaden van de toekomstige werelden, de ‘sterrenstof’.
114/115: Het uitzetten en samentrekken van het web – dat wil zeggen de wereldstof of de atomen – duidt hier de kloppende beweging aan; want de algemene trilling van de atomen wordt veroorzaakt door de regelmatige samentrekking en uitzetting van de oneindige en grenzeloze oceaan van wat wij het door svabhavat uitgestraalde noumenon van de stof kunnen noemen. Maar het wijst ook op iets anders. Het toont aan dat de Ouden bekend waren met wat nu een raadsel is voor veel geleerden en vooral astronomen: de oorzaak van de eerste ontbranding van de materie of de wereldstof, de paradox van de warmte die wordt voortgebracht door de afkoelende samentrekking, en meer van die kosmische raadsels. Want het duidt onmiskenbaar op kennis van zulke verschijnselen bij de Ouden. ‘Er is in ieder atoom een
inwendige en een uitwendige warmte’, zeggen de Toelichtingen (in handschrift), waartoe de schrijfster toegang had; ‘de adem van de vader (of geest) en de adem (of warmte) van de moeder (de stof)’.
De Geheime Leer Deel I Stanza 4. De zevenvoudige hiërarchieën (p. 127):
Deze adem, stem, zelf of ‘wind’ (pneuma?) is de synthese van de zeven zintuigen, noumenaal alle lagere godheden en esoterisch – het zevental en het ‘leger van de STEM’.
(b) Vervolgens zien wij dat de kosmische stof zich verspreidt en zich tot elementen vormt en zich groepeert tot de mystieke vier binnen het vijfde element – ether, de bekleding van akasa, de anima mundi of moeder van de Kosmos. ‘Punten, lijnen, driehoeken, kubussen, cirkels’ en tenslotte ‘bollen’ – waarom of hoe? Omdat, zegt de Toelichting, dit de eerste natuurwet is en omdat de Natuur in al haar manifestaties meetkundig te werk gaat.
129: Svabhavat is de mystieke essentie, de plastische wortel van de stoffelijke Natuur – ‘getallen’ wanneer gemanifesteerd; het getal in zijn eenheid van substantie op het hoogste gebied. De naam wordt gebruikt door de boeddhisten en is een synoniem voor de viervoudige anima mundi, de kabbalistische ‘wereld van de archetypen’, waaruit de ‘scheppende, vormende en stoffelijke werelden’ voortkomen, de scintillae of vonken – de verschillende andere werelden, die zich in de laatste drie bevinden. De werelden zijn alle onderworpen aan heersers of regeerders – rishi’s en pitri’s bij de hindoes, engelen bij de joden en de christenen, goden bij de Ouden in het algemeen.
132:
De betekenis van de allegorie is duidelijk, want we hebben zowel de Toelichting van Dzyan als de moderne wetenschap om deze te verklaren, hoewel die twee in meer dan één opzicht verschillen. De occulte leer verwerpt de hypothese die is ontstaan uit de nevelvlektheorie, dat de (zeven) grote planeten zich hebben ontwikkeld uit de centrale massa van de zon – in ieder geval niet van onze zichtbare zon. De eerste verdichting van kosmische stof vond natuurlijk plaats rondom een centrale kern, de vader-zon daarvan; maar ons wordt geleerd, dat onze zon zich alleen maar eerder afscheidde dan al de andere, toen de roterende massa zich samentrok, en daarom hun oudere, grotere broer is, niet hun vader. De acht aditya’s, ‘de goden’, zijn allen gevormd uit de eeuwige substantie (komeetstof17 – de moeder) of de ‘wereldstof’ die zowel het vijfde als het zesde KOSMISCHE beginsel is, de upadhi of grondslag van de universele ziel, evenals in de mens, de microkosmos, manas18 de upadhi van buddhi vormt19.
17) Volgens de occulte wetenschap bezit deze essentie van komeetstof kenmerken die totaal verschillen van alle chemische of fysische eigenschappen die de moderne wetenschap kent. In haar oervorm buiten de zonnestelsels is zij homogeen. Zodra zij de grenzen van het gebied van onze aarde overschrijdt, aangetast door de dampkring van de planeten en de reeds samengestelde interplanetaire stof, differentieert zij zich volledig. Zo is ze alleen in onze gemanifesteerde wereld heterogeen.
18) Manas, het denkende beginsel, of de menselijke ziel.
19) Buddhi, de goddelijke ziel.
De Geheime Leer Deel I Stanza 5. Fohat: het kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 150):
De getallen waarmee deze hemelse wezens in verband staan, zijn buitengewoon moeilijk te verklaren, omdat elk getal betrekking heeft op een aantal groepen van duidelijk verschillende denkbeelden, afhankelijk van juist die groep ‘engelen’ die erdoor moet worden weergegeven. Hierin ligt de knoop bij het bestuderen van de symboliek, die door zoveel geleerden, niet in staat deze te ontwarren, liever wordt doorgehakt, zoals Alexander deed met de Gordiaanse knoop, met als rechtstreeks gevolg foutieve opvattingen en leringen.
De ‘eerste is de tweede’, omdat de ‘eerste’ eigenlijk niet als de eerste kan worden geteld of beschouwd, want dat is het gebied van de noumena in de oorspronkelijke manifestatie daarvan: de drempel naar de wereld van de waarheid, of SAT, waardoor de directe energie die uitstraalt van de ENE WERKELIJKHEID – de naamloze godheid ons bereikt. Ook hier zal waarschijnlijk de onvertaalbare uitdrukking SAT (Zijn-heid) tot een foutieve opvatting leiden, want wat is gemanifesteerd, kan niet sat zijn, maar heeft betrekking op een verschijnsel en is niet eeuwig en in feite ook niet altijddurend. Het bestaat gelijktijdig met het Ene Leven, ‘zonder een tweede’, maar als manifestatie is het toch een maya – evengoed als het overige. Deze ‘wereld van waarheid’ kan met de woorden van de Toelichting alleen worden beschreven als ‘een heldere ster, neergedaald uit het hart van de eeuwigheid, het baken van de hoop, aan de zeven stralen waarvan de zeven werelden van het Zijn hangen’. Inderdaad, want dat zijn de zeven lichten waarvan de menselijke onsterfelijke monaden de weerspiegelingen zijn – de atma of uitstralende geest van ieder lid van de menselijke familie.
154: Voor de kerk bestaan er twee soorten siderische wezens: de engelen en de duivels. Voor de kabbalist en de occultist is er maar één soort, en geen van beiden maakt enig verschil tussen ‘de heersers van het licht’ en de kosmocratoren of ‘rectores tenebrarum harum’, die de roomse kerk meent te ontdekken in een ‘heerser van het licht’, zodra deze met een andere naam wordt genoemd dan waarmee zij hem betitelt. Het is niet de ‘heerser’ of ‘maharadja’, die straft of beloont, met of zonder toestemming of bevel ‘van God’, maar de mens zelf – omdat zijn daden of karma individueel en collectief (zoals soms met hele volkeren het geval is) allerlei soort kwaad en rampen aantrekt. Wij maken OORZAKEN, en deze wekken in de siderische wereld de overeenkomstige krachten op. Deze krachten worden magnetisch en onweerstaanbaar aangetrokken tot degenen die deze oorzaken teweegbrachten en werken op hen terug, of dergelijke personen nu inderdaad de boosdoeners zijn, dan wel alleen de denkers die het kwaad hebben uitgebroed. Gedachte is stof17, leert de moderne wetenschap ons; en ‘ieder deeltje van de bestaande stof moet een register zijn van alles wat er is gebeurd’, zoals Jevons en Babbage in hun ‘Principles of Science’ aan de niet ingewijde vertellen.
17) Natuurlijk niet zoals dit wordt opgevat door de (in het Duits publicerende) Nederlandse materialist Moleschott, die ons verzekert dat ‘gedachte de beweging van de stof is’, een ongeëvenaard absurde bewering. Mentale en lichamelijke toestanden staan als zodanig volkomen tegenover elkaar. Maar dat neemt niet weg dat iedere gedachte, behalve de haar begeleidende stoffelijke verandering in de hersenen, ook een objectief aspect vertoont hoewel dit voor ons bovenzinnelijk objectief is – op het astrale gebied. (Zie ‘The Occult World’, blz. 89-90.)
158: Er zijn drie hoofdgroepen van bouwers en evenveel van de planeetgeesten en de lipika’s; iedere groep is weer verdeeld in zeven subgroepen. Zelfs in een omvangrijk boek als dit is het onmogelijk te beginnen aan een nauwgezet onderzoek, zelfs van de drie hoofdgroepen, omdat dit een extra boekdeel zou vereisen. De ‘bouwers’ vertegenwoordigen de eerste ‘uit het denkvermogen geboren’ wezens, dus de oorspronkelijke rishi-prajapati’s, en ook de zeven grote goden van Egypte, van wie Osiris de voornaamste is; zij vertegenwoordigen de zeven Amshaspends van de Zoroastriërs, met Ormazd aan het hoofd, of de ‘zeven geesten van het gezicht’: de zeven sephiroth, gescheiden van de eerste triade, enz.
Na de ‘nacht’ bouwen of liever herbouwen zij ieder ‘stelsel’. De tweede groep bouwers is de architect van uitsluitend onze planeetketen, en de derde is de voorvader van onze mensheid – de macrokosmische oervorm van de microkosmos.
De Geheime Leer Deel I Stanza 5. Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 163):
De grootste verwaandheid van onze tijd is dat men weigert toe te geven dat er in het hele zonnestelsel andere redelijk denkende wezens op het menselijke gebied zijn dan wijzelf. De wetenschap heeft alleen het recht te beweren dat er geen onzichtbare intelligenties onder dezelfde omstandigheden als wij leven. Zij kan niet zomaar de mogelijkheid ontkennen van het bestaan van werelden binnen werelden, onder omstandigheden die volkomen verschillen van die in onze wereld; noch kan zij ontkennen dat er een zekere beperkte communicatie29 kan bestaan tussen sommige van die werelden en de onze. Er wordt ons geleerd dat de zeven orden van zuivere goddelijke geesten tot de hoogste van deze werelden behoren; tot de zes lagere behoren hiërarchieën die nu en dan door mensen kunnen worden gehoord en gezien, en die inderdaad in verbinding staan met hun nakomelingen op aarde. Deze nakomelingen zijn onverbrekelijk met hen verbonden, omdat ieder beginsel in de mens zijn directe oorsprong heeft in de natuur van die grote wezens, die ons voorzien van onze respectievelijke onzichtbare elementen.
29) Immanuel Kant, de grootste filosoof die in Europa is geboren, verzekert ons dat zo’n communicatie beslist niet onwaarschijnlijk is. ‘Ik geef toe dat ik sterk geneigd ben het bestaan van onstoffelijke naturen in de wereld te erkennen, en mijn eigen ziel in de categorie van deze wezens te plaatsen. Eens, ik weet niet waar of wanneer, zal worden bewezen dat de menselijke ziel ook in dit leven in onverbrekelijke verbinding staat met alle onstoffelijke naturen in de geestenwereld en dat zij zowel op deze inwerkt als indrukken van hen ontvangt.’ (Träume eines Geistersehers, aangehaald door C.C. Massey, in zijn voorwoord bij Von Hartmanns ‘Spiritismus’.)
De Geheime Leer Deel I Stanza 6. Onze wereld, haar groei en ontwikkeling (p. 169):
Want ‘evenals een mens is samengesteld uit zeven beginselen, bestaat gedifferentieerde stof in het zonnestelsel in zeven verschillende toestanden’ (ibid). Dat geldt ook voor fohat ('bouwer van de bouwers'). Hij is één en zeven, en staat op kosmisch gebied achter alle manifestaties zoals licht, warmte, geluid, adhesie, enz., en is de ‘geest’ van de ELEKTRICITEIT, die het LEVEN van het Heelal is. Als abstractie noemen wij hem het ENE LEVEN; als objectieve en zichtbare werkelijkheid spreken wij van een zevenvoudige ladder van manifestatie, die op de bovenste sport begint met de ene onkenbare OORZAKELIJKHEID, en eindigt als alomtegenwoordig Denkvermogen en Leven, dat in ieder atoom van de stof woont. Terwijl dus de wetenschap spreekt van de evolutie daarvan door redeloze stof, blinde kracht en zinloze beweging, wijzen de occultisten op een intelligente WET en een bewust LEVEN, en voegen eraan toe dat fohat de leidende geest van dit alles is. Toch is hij in het geheel geen persoonlijke god, maar de uitstraling van die andere achter hem staande machten, die de christenen de ‘boodschappers’ van hun God noemen (die in werkelijkheid slechts de Elohim is, of beter een van de zeven scheppers die Elohim worden genoemd), en wij de ‘boodschapper van de oorspronkelijke zonen van leven en licht’.
172: Tussen deze treedt op elke planeet een wisselwerking op en daardoor veranderen de zich met elkaar combinerende equivalenten. Onder de grootste natuur- en scheikundigen zijn enkele geleerden die dit feit beginnen te vermoeden, dat aan de occultisten al eeuwenlang bekend is geweest. De spectroscoop laat alleen de waarschijnlijke overeenkomst zien (gebaseerd op uiterlijke gegevens) van aardse en sterrenstof; hij kan niet verdergaan, noch aantonen of de atomen elkaar op dezelfde manier en onder gelijke omstandigheden fysisch en chemisch aantrekken, als ze worden geacht op onze planeet te doen. Men kan zich voorstellen dat de temperatuurschaal, van de hoogste tot de laagste denkbare graad, één en dezelfde is in en voor het gehele Heelal; niettemin verschillen haar eigenschappen, behalve die van ontleding en herverbinding, op iedere planeet. Zo gaan atomen over tot nieuwe bestaansvormen, waarvan de natuurkunde nooit heeft gedroomd en die voor haar onkenbaar zijn.
172/173: En zelfs die stof ondergaat tijdens een snelle doorgang door onze atmosfeer een bepaalde verandering van aard. Zo verschillen dus niet alleen de elementen van onze planeten maar zelfs die van al haar zusters in het zonnestelsel in samenstelling evenveel van elkaar, als van de kosmische elementen buiten de grenzen van ons zonnestelsel. Zij kunnen dus niet als maatstaf worden gehanteerd om dezelfde elementen in andere werelden mee te vergelijken9. In zijn maagdelijke oertoestand bewaard in de schoot van de Eeuwige Moeder, wordt ieder atoom dat wordt geboren buiten de grenzen van haar gebied, veroordeeld tot onophoudelijke differentiatie. ‘De moeder slaapt, toch ademt zij voortdurend.’ En iedere ademtocht zendt haar proteïsche voortbrengsels uit naar het gebied van manifestatie, waar ze, meegevoerd door de uitstromende golf, door fohat worden verspreid en naar of voorbij de ene of de andere planetaire atmosfeer worden gedreven.
9) ‘Iedere wereld heeft haar fohat, die in zijn eigen sfeer van actie alomtegenwoordig is. Maar er zijn evenveel fohats als werelden, die alle in vermogen en graad van manifestatie verschillen. De individuele fohats vormen samen één universele collectieve fohat – de entiteit als aspect van de ene absolute niet-entiteit, die absoluut Zijn, ‘SAT’ is. Miljoenen en miljarden werelden worden in elk manvantara voortgebracht’, wordt er gezegd. Daarom moeten er veel fohats zijn, die we beschouwen als bewuste en intelligente krachten, ongetwijfeld tot ergernis van wetenschappelijke denkers. Niettemin beschouwen de occultisten, die daar goede redenen voor hebben, alle krachten van de Natuur als werkelijke, hoewel bovenzinnelijke toestanden van de stof, en als mogelijke objecten van waarneming voor wezens die de daarvoor vereiste zintuigen bezitten.
177: We hebben gezegd dat laya is, wat de wetenschap het nulpunt of de nullijn zou kunnen noemen; het rijk van de absolute negativiteit, of de ene werkelijke absolute kracht, het NOUMENON van de zevende toestand van wat wij in onze onwetendheid ‘kracht’ noemen en als zodanig erkennen; of ook wel het noumenon van de ongedifferentieerde kosmische substantie, die zelf een onbereikbaar en onkenbaar object is voor de begrensde waarneming; de wortel en de grondslag van alle objectieve en subjectieve toestanden; de neutrale as, niet een van de vele aspecten, maar het middelpunt ervan.
180: De Wet van de Analogie in het bouwplan van de stelsels buiten en van de planeten binnen ons zonnestelsel, heeft niet noodzakelijk betrekking op de eindige voorwaarden waaraan ieder zichtbaar lichaam op ons bestaansgebied is onderworpen. In de occulte wetenschap is deze wet de eerste en de belangrijkste sleutel tot de kosmische natuurkunde, maar zij moet tot in de kleinste bijzonderheden worden bestudeerd en ‘zeven keer worden omgedraaid’ voordat men haar begrijpt. De occulte filosofie is de enige wetenschap die ons dat kan leren. Hoe kan men dan het al of niet waar zijn van de stelling van de occultist, dat ‘de Kosmos eeuwig is in zijn onvoorwaardelijke collectiviteit en slechts eindig in zijn voorwaardelijke manifestaties’ laten afhangen van die eenzijdig op het stoffelijke gebaseerde uitspraak dat ‘de Natuur noodzakelijk uitgeput moet raken’?
De Geheime Leer Deel I Samenvatting (p. 305):
Tijdens het grote mysterie en levensdrama, dat bekend staat als het manvantara, vertoont de werkelijke Kosmos overeenkomst met het voorwerp dat achter het witte scherm is geplaatst, waarop door de toverlantaarn de Chinese schimmen worden geworpen. De werkelijke figuren en dingen blijven onzichtbaar, terwijl ongeziene handen aan de touwtjes van de evolutie trekken. Mensen en dingen zijn dus slechts de weerkaatsingen op het witte doek van de werkelijkheden achter de valstrikken van mahamaya, of de grote illusie.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 245):
(2.) ‘De geest (of de god) van de straalloze diepten’ (van de Chaos); die gedifferentieerde materie of de wereldstof wordt; ook het delfstoffenrijk.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 2 De mysterietaal en haar sleutels (p. 339/340):
De Egyptische priesters zijn veel vergeten, maar ze hebben niets veranderd. Het verlies van een groot gedeelte van de oorspronkelijke leringen was te wijten aan de plotselinge dood van de grote hiërofanten, die stierven voordat ze tijd hadden om alles aan hun opvolgers te openbaren, maar vooral aan het ontbreken van waardige erfgenamen van hun kennis. Toch hebben ze in hun rituelen en dogma’s de belangrijkste leringen van de geheime leer bewaard. Zo vindt men in het door Maspero aangehaalde zeventiende hoofdstuk dat (1) Osiris zegt dat hij toum is (de scheppende kracht in de natuur, die vorm geeft aan alle wezens, geesten en mensen), voortgebracht door zichzelf en bestaande uit zichzelf en voortgekomen uit noun, de hemelse rivier, die vader-moeder van de goden wordt genoemd, de oorspronkelijke godheid die chaos of de diepte is, door de ongeziene geest bevrucht. (2) Hij heeft shoo (de zonnekracht) gevonden op de trap in de Stad van de Acht (de twee kubussen van goed en kwaad) en hij heeft de kinderen van het oproer, de kwade beginselen in noun (chaos), vernietigd. (3) Hij is het vuur en het water, dat is noun de oerbron, en hij heeft uit zijn ledematen de goden geschapen – 14 goden (tweemaal zeven), zeven duistere en zeven lichte goden (de zeven geesten van de Tegenwoordigheid bij de christenen en de zeven duistere kwade geesten). (4) Hij is de wet van het bestaan en van het Zijn (v. 10), de bennoo (of feniks, de vogel van de opstanding in eeuwigheid), in wie de nacht volgt op de dag en de dag op de nacht – een toespeling op de periodieke cyclussen van de wederopstanding van de kosmos en reïncarnatie van de mens; want wat kan dit betekenen? ‘De reiziger die miljoenen jaren overbrugt in naam van de Ene, en de grote groene (oerwater of Chaos) de naam van de andere’ (v. 17); de ene verwekt miljoenen jaren na elkaar, en de andere verzwelgt ze om ze weer terug te geven. (5) Hij spreekt over de zeven Verlichten die hun Heer volgen, die recht doet (Osiris in Amenti).
De Geheime Leer
Deel I hoofdstuk hoofdstuk 4 Chaos – Theos – Kosmos (p. 375):
‘Het bestaan van geest in de gemeenschappelijke tussenstof, de ether, wordt door het materialisme ontkend, terwijl de theologie er een persoonlijke god van maakt. Maar de kabbalist is van mening dat beide ongelijk hebben en dat de elementen in de ether slechts stof zijn – de blinde kosmische natuurkrachten terwijl de geest de intelligentie is die ze bestuurt. De Arische, Hermetische, Orfische en Pythagorische kosmogonische leringen, en ook die van Sanchoniathon en Berosus, zijn alle gebaseerd op één onweerlegbare formule, nl. dat de aether en de chaos of, in de taal van Plato, het denkvermogen en de stof, de twee oorspronkelijke en eeuwige beginselen van het heelal waren, volkomen onafhankelijk van al het andere. Het eerstgenoemde was het alles tot leven brengende beginsel van het intellect, terwijl de chaos een vormloos vloeibaar beginsel was, zonder ‘vorm of zin’. Uit de vereniging van deze twee ontstond het heelal, of liever de universele wereld, de eerste androgyne godheid – waarbij de chaotische stof het lichaam werd en de ether de ziel.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 13 De zeven scheppingen (p. 498):
In deze tweede periode worden de drie graden van de elementale of rudimentaire rijken in deze wereld ontwikkeld, die in omgekeerde volgorde overeenkomen met de drie prakritischeppingen tijdens de eerste periode van de werkzaamheid van Brahmā. Omdat in die periode, met de woorden van het Vishnu Purāna: ‘Mahat (verstand) de eerste schepping was, die van de tanmātra’s (rudimentaire beginselen) de tweede en die van de zintuigen (aindriyaka) de derde’, zijn in deze schepping de elementale krachten als volgt gerangschikt: (1) de ontstaande krachtcentra (intellectueel en fysisch); (2) de rudimentaire beginselen – zenuwkracht, om zo te zeggen; en (3) de bewuste waarneming die ontstaat en die het mahat van de lagere rijken is; deze is in het bijzonder ontwikkeld in de derde orde van elementalen. Deze worden gevolgd door het objectieve delfstoffenrijk, waarin die bewuste waarneming geheel latent is, om zich pas in de planten weer te ontwikkelen. De mukhya ‘schepping’ is dus het punt dat ligt tussen de drie lagere en de drie hogere natuurrijken, die de zeven esoterische rijken van de Kosmos en ook van de aarde vertegenwoordigen.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 3 An lumen sit corpus, nec non? (p. 531):
Verscheidene nogal mystiek aangelegde wetenschappers verkondigden dat licht, warmte, magnetisme, elektriciteit, zwaartekracht, enz., niet de uiteindelijke oorzaken waren van de zichtbare verschijnselen, waaronder ook de beweging van de planeten. Dit zijn volgens hen de secundaire gevolgen van andere oorzaken – waar de wetenschap in onze tijd weinig om geeft – maar waarin het occultisme gelooft, want de occultisten hebben in iedere tijd bewijzen geleverd van deugdelijkheid van hun beweringen.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 14 De vier elementen (p. 504/505):
Metafysisch en esoterisch gezien is er maar één ELEMENT in de natuur, en aan de wortel daarvan is de godheid; en de zogenaamde zeven elementen, waarvan er vijf zich al hebben gemanifesteerd en van hun bestaan blijk hebben gegeven, zijn het kleed, de sluier van die godheid. Direct uit de essentie daarvan komt de MENS, of men deze nu stoffelijk, psychisch, mentaal of geestelijk beschouwt. In de latere oudheid wordt in het algemeen over slechts vier elementen gesproken; alleen in de filosofie erkent men er vijf. Want het lichaam van de ether is nog niet volledig gemanifesteerd en zijn noumenon is nog ‘de almachtige Vader – Aether, de synthese van de rest’. Maar wat zijn deze ‘ELEMENTEN’, in de samengestelde lichamen waarvan de scheikunde en natuurkunde nu talloze sub-elementen hebben ontdekt, die zelfs met hun zestigen of zeventigen niet meer het vermoedelijke totale aantal omvatten? (Zie Aanhangsel, § XI en § XII, aanhalingen uit de lezingen van Crookes.) Laten wij hun evolutie volgen, tenminste vanaf het historische begin.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 2 An lumen sit corpus, nec non? (p. 531):
Verscheidene nogal mystiek aangelegde wetenschappers verkondigden dat licht, warmte, magnetisme, elektriciteit, zwaartekracht, enz., niet de uiteindelijke oorzaken waren van de zichtbare verschijnselen, waaronder ook de beweging van de planeten. Dit zijn volgens hen de secundaire gevolgen van andere oorzaken – waar de wetenschap in onze tijd weinig om geeft – maar waarin het occultisme gelooft, want de occultisten hebben in iedere tijd bewijzen geleverd van deugdelijkheid van hun beweringen.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 6 De maskers van de wetenschap Fysica of metafysica? (p. 561):
Maar, zoals Grove profetisch opmerkte, de dag nadert snel, dat men zal erkennen dat de ‘krachten’ die wij kennen, alleen maar de waarneembare manifestaties zijn van werkelijkheden waarover wij niets weten, maar die bekend waren aan de Ouden en – die door hen werden vereerd.
Hij maakte echter een opmerking die nog meer te denken geeft en die eigenlijk het motto van de wetenschap had moeten worden, maar het niet is geworden. Sir W. Grove zei dat ‘DE WETENSCHAP GEEN VERLANGENS EN OOK GEEN VOOROORDELEN ZOU MOETEN HEBBEN. DE WAARHEID ZOU HAAR ENIGE DOEL MOETEN ZIJN.’
575: De oude ingewijden kenden geen ‘wonderbaarlijke schepping’, maar leerden de evolutie van atomen (op ons fysieke gebied) en hun eerste differentiatie uit laya tot de protyle, zoals Crookes de stof of de oersubstantie aan de andere zijde van de nullijn veelbetekenend heeft genoemd: daar waar wij de Mūlaprakriti plaatsen, het ‘wortel-beginsel’ van de wereldstof en van alles in de wereld.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 9 De zonnetheorie (p. 602):
Dat wat is opgelost, of het bedrieglijke tweevoudige aspect van Dat, waarvan de essentie eeuwig EEN is, noemen we eeuwige stof of substantie (Zie Afd. II, ‘Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte’), vormloos, geslachtloos, niet waarneembaar, zelfs niet voor ons zesde zintuig of het denkvermogen, waarin we daarom weigeren te zien wat de monotheïsten een persoonlijke, antropomorfe God noemen.
Hoe worden deze twee stellingen – ‘de stof is eeuwig’ en ‘het atoom is periodiek en niet eeuwig’ – door de hedendaagse exacte wetenschap gezien? De materialistische natuurkundige zal ze bekritiseren en er smalend om lachen. De ruimdenkende en vooruitstrevende geleerde echter, de ware en ernstige wetenschappelijke zoeker naar waarheid, bijvoorbeeld de eminente scheikundige Crookes, zal de waarschijnlijkheid van de twee beweringen bevestigen. Want nauwelijks was de echo van zijn lezing over de ‘Genesis van de elementen’ weggestorven – de lezing die door hem werd gehouden voor de scheikunde-afdeling van de British Association op de laatste bijeenkomst in Birmingham, en die iedere aanhanger van de evolutieleer die deze hoorde of las, zo ontstelde – of er volgde er nog een in maart 1888.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 12 Oeroude gedachten in een modern kleed (p. 639/640):
Wat de kosmogonie en de oorspronkelijke stof betreft, zijn de hedendaagse speculaties onmiskenbaar oeroude gedachten, verbeterd door tegenstrijdige theorieën van recente oorsprong. Maar de hele grondslag behoort tot de archaïsche sterrenkunde en natuurkunde van Griekenland en India, die toen altijd filosofie werden genoemd. In alle Arische en Griekse beschouwingen treft men het begrip aan van een allesdoordringende, ongeorganiseerde en homogene stof of Chaos, die door de hedendaagse wetenschappers is herdoopt in ‘neveltoestand van de wereldstof’. Wat Anaxagoras in zijn Homoiomereia ‘Chaos’ noemde, wordt nu door Sir W. Thomson ‘oorspronkelijk fluïdum’ genoemd. De Hindoe- en Griekse atomisten – Kanāda, Leucippus, Democritus, Epicurus, Lucretius, enz. – ziet men nu als in een heldere spiegel weerkaatst in de gedaanten van de voorstanders van de hedendaagse atoomtheorie, te beginnen bij de monaden van Leibniz en eindigend bij de ‘wervelende atomen’ van Sir W. Thomson1. Het is waar dat de deeltjestheorie van vroeger is verworpen en dat de golftheorie haar plaats heeft ingenomen. Maar de vraag is of deze laatste zo stevig is gefundeerd dat zij niet kan worden onttroond, zoals haar voorgangster?
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 15 Goden, Monaden en Atomen (p. 684):
Onze allerbeste scheikundigen en natuurkundigen zetten ernstig hun niet hopeloze pogingen voort om uiteindelijk de protyle – de basislijn van de driehoek van Pythagoras – tot in zijn schuilplaats te volgen. Deze laatste vormt, zoals gezegd, de meest verheven conceptie die men zich kan voorstellen, omdat hij zowel de ideële als de zichtbare heelallen symboliseert10. Want indien ‘de mogelijke eenheid alleen een mogelijkheid is als een natuurfeit, als een individu van een bepaalde soort’, en zich evenals elk individueel natuurlijk object kan delen, en door deze deling zijn eenheid verliest of ophoudt een eenheid te zijn, dan geldt dit alleen voor het gebied van de exacte wetenschappen in een wereld die even bedrieglijk als denkbeeldig is. In het domein van de esoterische wetenschappen nadert de tot in het oneindige verdeelde eenheid met elke verdeling steeds meer de gebieden van de enige eeuwige werkelijkheid, in plaats van haar eenheid te verliezen. Het oog van de ziener kan haar volgen en in al haar aan de wereldvorming voorafgaande glorie aanschouwen. Ditzelfde denkbeeld van de werkelijkheid van de subjectieve en de onwerkelijkheid van de objectieve heelallen vindt men als grondslag van de leringen van Pythagoras en Plato – die alleen waren bestemd voor de uitverkorenen; want Porphyrius zegt over de monade en de duade, dat alleen de eerstgenoemde als substantieel en werkelijk werd beschouwd, ‘dat allereenvoudigste wezen, de oorzaak van alle eenheid en de maat van alle dingen’.
10) De symboliek, die in de wereld van de vormen haar uitdrukking heeft gevonden in de piramiden, beschikt daarin zowel over een driehoek als een vierkant, met hun vier gelijke driehoeken of vlakken, de vier basispunten en het vijfde: de top.
693/694: Maar tussen Hermes en Huxley is er een middenweg en een middenpunt. Laten de wetenschappers slechts tot halverwege een brug slaan, en ernstig nadenken over de theorieën van Leibniz. We hebben aangetoond dat onze theorieën over de evolutie van de atomen – de laatste vorming daarvan tot samengestelde scheikundige moleculen komt tot stand in onze aardse werkplaatsen binnen de dampkring van de aarde en nergens anders – op vreemde manier overeenkomen met de evolutie van de atomen, zoals die op de platen van Crookes is te zien. We hebben al verschillende keren in dit boek meegedeeld, dat mārtānda (de zon) zich samen met zijn zeven kleinere broers had geëvolueerd en verdicht vanuit de schoot van zijn moeder (aditi); die schoot is de prima MATER-ia – de oorspronkelijke protyle van Crookes. De esoterische leer verkondigt het bestaan van ‘een voorafgaande vorm van energie, met periodieke cyclussen van eb en vloed, van rust en activiteit’ (blz. 21) – en zie nu hoe een groot wetenschapper de wereld vraagt om dit als een van zijn vooronderstellingen te aanvaarden. We hebben laten zien dat de ‘moeder’ vurig en heet was en geleidelijk koel en stralend werd, en dezelfde wetenschapper geeft als zijn tweede vooronderstelling – een wetenschappelijke noodzaak, naar het schijnt – ‘een inwendig proces, dat verwant is aan afkoeling en dat zich langzaam in de protyle voltrekt’. De occulte wetenschap leert dat ‘de moeder’ zich in de oneindigheid (tijdens pralaya) uitstrekt als de grote diepte, de ‘droge wateren van de Ruimte’, volgens de eigenaardige uitdrukking in de Catechismus, en slechts nat wordt na de scheiding en na de beweging over haar oppervlak door Narâyana, de ‘geest die de onzichtbare vlam is, die nooit brandt, maar alles in brand zet wat zij aanraakt, en die daaraan leven en ontstaan schenkt’.
695/696: ‘Leibniz was een filosoof; en als zodanig had hij bepaalde grondbeginselen, waardoor hij een voorkeur kreeg voor bepaalde conclusies, en zijn ontdekking dat uiterlijke dingen substanties waren die kracht bezaten, werd onmiddellijk gebruikt om deze beginselen toe te passen. Een van deze beginselen was de wet van de continuïteit, de overtuiging dat de hele wereld een samenhangend geheel vormde, en dat er geen onoverbrugbare gapingen en kloven waren. De tegenstelling van uitgebreidheid bezittende, denkende substanties, was voor hem ondraaglijk. De definitie van de uitgebreidheid bezittende substanties was al onhoudbaar geworden: het was vanzelfsprekend dat een soortgelijk onderzoek werd ingesteld naar de definitie van het denkvermogen, de denkende substantie . . .’
De indelingen die Leibniz heeft gemaakt, hoe onvolledig en gebrekkig ze ook zijn vanuit het standpunt van het occultisme, tonen een geest van metafysische intuïtie die geen enkele wetenschapper – Descartes niet, zelfs niet Kant – ooit heeft bereikt. Voor Leibniz bestond er altijd een oneindige gradatie van gedachten. Maar een klein gedeelte van de inhoud van onze gedachten, zei hij, verheft zich tot de helderheid van bewuste waarneming, ‘tot het licht van volmaakt bewustzijn’.
698: De werkelijkheid in de gemanifesteerde wereld is dus samengesteld uit een eenheid van eenheden, om zo te zeggen, onstoffelijk (vanuit ons standpunt) en oneindig. Deze noemt Leibniz ‘monaden’, de oosterse filosofie ‘jīva’s’ – en het occultisme geeft er met de kabbalisten en alle christenen een verscheidenheid van namen aan. Ze geven voor ons, evenals voor Leibniz, ‘uitdrukking aan het heelal’23, en elk stoffelijk punt is slechts de uitdrukking als verschijnsel van het noumenale, metafysische punt. Zijn onderscheid tussen waarneming en bewuste waarneming brengt de esoterische leringen filosofisch maar vaag tot uitdrukking. Zijn ‘herleide heelallen’, waarvan ‘er evenveel zijn als er monaden zijn’, is de chaotische voorstelling van ons zevenvoudige stelsel met zijn verdelingen en onderverdelingen.
23) ‘Het dynamisme van Leibniz’, zegt professor Lachelier, ‘zou maar weinig moeilijkheden opleveren, als bij hem de monade een eenvoudig atoom met blinde kracht was gebleven. Maar . . .’ Men kan de verbijstering van het hedendaagse materialisme volledig begrijpen!
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 709):
Ja, ‘ons lot staat in de sterren geschreven’! Maar hoe nauwer de vereniging tussen de sterfelijke weerspiegeling mens en zijn hemelse OERVORM, des te minder gevaarlijk zijn de uiterlijke omstandigheden en de opeenvolgende reïncarnaties – waaraan Boeddha’s noch Christussen kunnen ontkomen. Dit is geen bijgeloof en het is allerminst fatalisme. Dit laatste betekent een blinde koers van de een of andere nog blindere kracht, en de mens heeft tijdens zijn verblijf op aarde een vrije wil. Hij kan het lot dat hem beheerst niet ontlopen, maar hij heeft de keus tussen twee paden die hem in die richting leiden, en hij kan het einddoel van ellende – indien iets dergelijks zijn bestemming is – bereiken, òf in het sneeuwwitte kleed van de martelaar, òf in de besmeurde kleding van een vrijwilliger op het pad van de ongerechtigheid; want er zijn uiterlijke en innerlijke omstandigheden die het bepalen van onze wil met betrekking tot onze daden beïnvloeden, en het ligt in onze macht het ene of het andere pad te volgen. Wie in karma gelooft, moet in de lotsbestemming geloven die ieder mens van zijn geboorte tot zijn dood draad voor draad om zich heen weeft, zoals een spin haar web. Deze lotsbestemming wordt geleid, hetzij door de hemelse stem van de onzichtbare oervorm buiten ons, of door de ons meer vertrouwde astrale of innerlijke mens, die maar al te vaak de kwade genius is van het belichaamde wezen dat mens wordt genoemd. Deze beide stimuleren de uiterlijke mens, maar een van hen moet overwinnen; en vanaf het eerste begin van het onzichtbare gevecht treedt de strenge en onverbiddelijke wet van compensatie in werking en neemt haar loop, terwijl zij getrouw de wisselvalligheden van dat gevecht volgt. Wanneer de laatste draad is geweven en de mens als het ware is gewikkeld in het net van zijn eigen maaksel, wordt hij geheel beheerst door zijn zelfgemaakte lot. Het houdt hem dan vast als een onbeweeglijke schelp tegen de onwrikbare rots, of het voert hem weg als een veer in een wervelwind die door zijn eigen daden is ontstaan, en dit is karma.
710: De ‘krachten’ – eigenlijk hun noumena – zijn natuurlijk dezelfde; daarom moeten de waarneembare krachten ook dezelfde zijn. Maar hoe kan men zo stellig weten dat de eigenschappen van de stof niet zijn veranderd onder invloed van de proteïsche evolutie? Hoe kan een materialist met zoveel vertrouwen beweren, zoals Rossmassler, dat ‘deze eeuwige overeenstemming in de essentie van verschijnselen het zeker maakt dat vuur en water te allen tijde dezelfde vermogens bezaten en deze altijd zullen bezitten’? Wie zijn zij ‘die de raad verduisteren met woorden zonder kennis’, en waar waren de Huxleys en Büchners toen de grondslagen van de aarde werden gelegd door de grote Wet? Het is een grondbeginsel van de occulte filosofie, deze zelfde homogeniteit van de stof en onveranderlijkheid van de natuurwetten, waarop het materialisme zo sterk aandringt; maar die eenheid berust op de onscheidbaarheid van geest en stof, en als de twee zouden worden gescheiden, zou de hele Kosmos terugvallen tot chaos en niet-zijn. Het is daarom volstrekt onjuist, en slechts een bewijs te meer van de grote verwaandheid van onze tijd, om (zoals de wetenschappers) te beweren dat alle grote geologische veranderingen en omwentelingen werden teweeggebracht door gewone en bekende natuurkrachten. Want deze krachten waren alleen maar de werktuigen en laatste hulpmiddelen voor het bereiken van bepaalde doeleinden; zij werken periodiek en schijnbaar mechanisch door middel van een innerlijke impuls die is vermengd met hun stoffelijke natuur, maar daar toch buiten staat. Elke belangrijke werking van de Natuur heeft een doel; deze werkingen zijn alle cyclisch en periodiek. Maar omdat spirituele krachten gewoonlijk worden verward met zuiver fysieke, wordt het bestaan van de eerstgenoemde door de wetenschap ontkend en die krachten blijven daardoor aan haar onbekend, omdat ze niet zijn onderzocht5.
5) Wetenschappers zullen zeggen: Wij ontkennen ze, omdat iets dergelijks nooit binnen het bereik van onze ervaring is gekomen. Maar, zoals Charles Richet, de fysioloog, zegt: ‘Laat dat zo zijn, maar heeft u dan tenminste het tegendeel bewezen? . . . Ontken in geen geval a priori. De huidige wetenschap is niet ver genoeg gevorderd om u dat recht te geven.’ (‘La suggestion mentale et le calcul des probabilités.’)
716: Maar voor de heidenen betekenden de cyclussen iets meer dan alleen maar een opeenvolging van gebeurtenissen, of een periodieke tijdruimte van langere of kortere duur; bij hen, zoals Coleridge het uitdrukt, ‘. . . was tijd, cyclische tijd, de abstractie van de godheid . . .’, die ‘godheid’ die zich manifesteerde in samenhang met en alleen door karma en die karma-nemesis zelf was. Want die cyclussen werden in het algemeen gekenmerkt door terugkerende gebeurtenissen van een afwisselender en verstandelijker aard dan die men kan zien in de periodieke terugkeer van de seizoenen of van bepaalde constellaties. De moderne wijsheid stelt zich tevreden met sterrenkundige berekeningen en voorspellingen die zijn gebaseerd op onfeilbare wiskundige wetten. De oude wijsheid voegde aan de koude schil van de astronomie de bezielende elementen van haar ziel en geest toe – de astrologie. En omdat de bewegingen van de sterren werkelijk nog andere gebeurtenissen op aarde regelen en bepalen dan de groei van aardappelen en de periodieke ziekte van dat nuttige gewas (een bewering die, omdat deze niet wetenschappelijk kan worden verklaard, slechts belachelijk wordt gemaakt, maar toch aanvaard), moet men erkennen dat die gebeurtenissen vooraf worden bepaald door eenvoudige sterrenkundige berekeningen. Zij die in astrologie geloven, zullen onze bedoeling begrijpen, sceptici zullen om dat geloof lachen en het denkbeeld bespotten. Zo sluiten zij als een struisvogel hun ogen voor hun eigen lot . . .10.
10) Maar niet allen, want er zijn wetenschappers die de waarheid beginnen te ontdekken. Zo lezen we het volgende: ‘Waarop we onze blik ook richten, overal ontmoeten we een mysterie . . . alles in de Natuur is voor ons het onbekende . . . Toch zijn ze talrijk, die oppervlakkige denkers, voor wie niets door natuurkrachten kan worden voortgebracht, behalve de feiten die lang geleden bekend werden, geheiligd in boeken en min of meer handig gegroepeerd met behulp van theorieën waarvan de korte levensduur nu wel hun ontoereikendheid had moeten aantonen . . . Ik matig mij niet aan het mogelijke bestaan van onzichtbare wezens te bestrijden, die een andere natuur hebben dan de onze en die in staat zijn stof in beweging te brengen. Diepzinnige filosofen hebben dit in alle tijden erkend, als een gevolg van de grote wet van de continuïteit die het Heelal regeert. Kan de ontwikkeling van dat intellect, dat op de een of andere manier uit het niet-zijn (néant) tevoorschijn komt en dat geleidelijk de mens bereikt, plotseling bij de mens ophouden om pas in het oneindige, in de hoogste bestuurder van de wereld, weer te verschijnen? Dit is niet erg waarschijnlijk.’ Daarom . . . ‘ontken ik evenmin het bestaan van geesten als van de ziel, en probeer bepaalde feiten zonder deze hypothesen te verklaren . . .’. The Non Defined Forces, Historical and Experimental Researches, blz. 3. Het bovenstaande werd geschreven door A. de Rochas, een bekende wetenschapper in Frankrijk; zijn boek is een van de tekenen van de tijd. (Parijs, Masson, Boulevard St. Germain, 1887.)

De Geheime Leer Deel II, Stanza 10. Vervolg (p. 308):
Want de evolutie van de geest in de stof zou nooit kunnen zijn volbracht en evenmin zou deze haar eerste impuls hebben gekregen, indien de stralende geesten hun eigen respectievelijke superetherische essenties niet hadden opgeofferd om de uit aarde bestaande mens te bezielen, door elk van zijn innerlijke beginselen een deel, of liever een weerspiegeling, van die essentie mee te geven. De Dhyani’s van de zeven hemelen (de zeven gebieden van het Zijn) zijn de NOUMENOI van de huidige en de toekomstige elementen, evenals de Engelen van de zeven Natuurkrachten – waarvan wij de grovere uitwerkingen waarnemen in wat de wetenschap graag noemt de ‘bewegingsvormen', de niet meetbare krachten en wat al niet – de nog hogere noumenoi zijn van nog hogere hiërarchieën.
309: De twee polen werden door de Ouden aangeduid als draken en slangen – vandaar de ‘goede en slechte’ draken en slangen en ook de namen die aan de ‘zonen van god’ (zonen van geest en stof) worden gegeven; de goede en de boze magiërs. Dit is de oorsprong van deze tweevoudige en drievoudige natuur van de mens. De legende van de ‘gevallen engelen’ bevat in haar esoterische betekenis de sleutel tot de talrijke tegenstrijdigheden in het karakter van de mens; zij wijst op het geheim van het zelfbewustzijn van de mens; zij is de hoeksteen waarop zijn hele levenscyclus is gebaseerd – de geschiedenis van zijn evolutie en groei.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen Iao en Jehova en hun verband met het kruis en de cirkel (p. 639):
Bij de esoterici was de universele ziel of anima mundi, de stoffelijke weerspiegeling van het onstoffelijke ideaal, sinds de oudste tijden de bron van leven van alle wezens en van het levensbeginsel van de drie rijken; en zij was bij de Hermetische filosofen evenals bij alle Ouden zevenvoudig. Want zij wordt voorgesteld als een zevenvoudig kruis, waarvan de armen respectievelijk zijn: licht, warmte, elektriciteit, aardmagnetisme, astrale straling, beweging en intelligentie, of wat sommigen zelfbewustzijn noemen.
Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 2 De voorouders die de wetenschap aan de mensheid biedt (p. 765):
Nu oppert Haeckel, terwijl hij de theorie van Darwin wijzigt, ‘op een heel aannemelijke manier’, zoals de schrijver van de Modern Zoroastrian denkt, 'dat niet de identieke atomen, maar hun bijzondere bewegingen en manier van aggregatie zo (door erfelijkheid) zijn overgebracht’.
Wanneer Haeckel of een andere wetenschapper meer wist over de aard van het atoom dan nu het geval is, zou hij de zaak niet op deze manier hebben verbeterd. Want hij zegt, in meer metafysische taal dan Darwin, precies hetzelfde. Het levensbeginsel of de levensenergie, dat alomtegenwoordig, eeuwig en onvernietigbaar is, is als noumenon een kracht en een BEGINSEL, maar als verschijnsel bestaat het uit atomen. Het is een en hetzelfde, en ze kunnen niet als gescheiden worden beschouwd, behalve in het materialisme18.
18) In ‘De transmigratie van de levensatomen zeggen wij, om een standpunt dat maar al te vaak verkeerd wordt begrepen nader te verklaren: ‘Het is alomtegenwoordig . . . hoewel (op dit gebied van manifestatie) vaak in een sluimerende toestand – zoals in een steen. De omschrijving die zegt dat, wanneer het verband tussen deze onverwoestbare kracht en de ene groep atomen (moleculen hadden we moeten zeggen) wordt verbroken, deze kracht onmiddellijk door andere wordt aangetrokken, betekent niet dat zij de eerste groep volledig loslaat (omdat de atomen zelf dan zouden verdwijnen); maar alleen dat zij haar vis viva of levenskracht – de energie van beweging – naar een andere groep overbrengt. Maar uit het feit dat zij zich in de volgende groep manifesteert als dat wat kinetische energie wordt genoemd, volgt niet dat deze geheel aan de eerste groep wordt onthouden; want zij is er als potentiële energie of sluimerend leven nog in aanwezig’, enz. Wat kan Haeckel nu met zijn ‘niet identieke atomen, maar hun bijzondere beweging en manier van aggregatie’ anders bedoelen dan dezelfde kinetische energie, die wij hebben verklaard? Vóór hij deze theorieën ontwikkelde, moet hij Paracelsus hebben gelezen en Five Years of Theosophy hebben bestudeerd, zonder echter de leringen behoorlijk in zich op te nemen.

Het ‘gemanifesteerde Heelal’ is dus doordrongen van dualiteit en deze is als het ware de essentie van zijn EX-istentie als ‘manifestatie’. Maar evenals de tegenovergestelde polen van subject en object, geest en stof, alleen maar aspecten zijn van de Ene Eenheid waarin ze tot synthese zijn gebracht, zo is er ook in het gemanifesteerde Heelal ‘dat’ wat geest aan stof, en subject aan object verbindt.
Dit iets, dat tegenwoordig onbekend is in het westerse speculatieve denken, wordt door de occultisten fohat genoemd. Het is de ‘brug’ waardoor de ‘ideeën’ die in het ‘goddelijke denken’ bestaan, als ‘natuurwetten’ worden afgedrukt op de kosmische substantie. Fohat is dus de dynamische energie van de kosmische verbeelding, of, van de andere kant beschouwd, het intelligente medium, de leidende kracht van alle manifestatie, de ‘goddelijke gedachte’ die wordt overgebracht en openbaar gemaakt door de Dhyan-Chohans, de architecten van de zichtbare wereld. Zo is ons bewustzijn afkomstig van de geest of de kosmische verbeelding; de verschillende voertuigen waarin dat bewustzijn wordt geïndividualiseerd en tot zelf- of reflectief bewustzijn komt, zijn afkomstig van de kosmische substantie; terwijl fohat in zijn verscheidene manifestaties de geheimzinnige schakel vormt tussen denkvermogen en materie, het bezielende beginsel dat ieder atoom tot leven prikkelt.

H.R. Opdenberg: Reeds in de eerste decennia van de twintigste eeuw komen we uitspraken tegen die vooruitlopen op de komende trend. In zijn boek The Nature of the Physical World (1927) geeft de Engelse fysicus en astronoom A.S. Eddington aan hoe materie blijkt op te lossen in energiepunten en het best getypeerd wordt door de term ‘mind-stuff’. De wiskundige, fysicus en astronoom J.H. Jeans, en Max Planck, opsteller van de kwantumtheorie, beschouwen beiden bewustzijn als fundamenteel en materie als afgeleide van bewustzijn. Teilhard de Chardin vat het als volgt samen: ‘De moderne fysica is er niet langer zeker van of wat ze in handen heeft zuiver energie is, of zuiver gedachte.’ Veel onderzoekers komen tegenwoordig tot dezelfde slotsom als de mystici uit alle tijden.
Voor Spinoza waren geest en stof parallelle kenmerken van God of Substantie, de grote essentie van het heelal die in de theosofische literatuur soms svabhavat wordt genoemd, de oernatuur, geest-substantie. Svabhavat (van Sanskriet sva, ‘zelf’ en bhu, ‘worden’) betekent het zelf-wordende. Er kan niets bestaan of het is een uitvloeisel van de eeuwige activiteit van deze oernatuur. Er kan niets bestaan, zei ook Spinoza, behalve deze Substantie en het zich ontvouwen van haar kenmerken. De ‘schepping’ had dan ook geen begin en heeft geen einde; alle dingen komen voort uit het grenzeloze en zullen dus eeuwig voortgaan – theosofische gedachten die we ook in het neoplatonisme en het gnosticisme tegenkomen.

====

Antroposofie (Nomen)

Frank Wijnbergh: De evolutie van mens en aarde: Dat wil zeggen dat de bovenstroom de in de wil werkende onderstroom er toe moet brengen tezamen met de bovenstroom dat waarnemingsbeeld te vormen. Dat beeld is vooralsnog onbewust, want het bevindt zich in het wilsgebied, het is het resultaat van een handeling. Rudolf Steiner noemt het de ‘gewöhnliche Imagination’ (op 22 augustus 1919 te Stuttgart, in Algemene menskunde als basis voor de pedagogie, WV-i1, blz. 37). Het voorgaande samenvattend kunnen we zeggen dat er twee poorten zijn waardoor bewustzijnsinhouden in de vorm van voorstellingen in de ziel kunnen binnen komen. De maanpoort is gericht op het voorgeboortelijke, de zonnepoort kijkt naar de toekomst. Iedere ziel kan in principe beide poorten gebruiken. Zoals we vorige maand beschreven, stroomden lang geleden via de maanpoort rijke geestinhouden in de ziel binnen. In de loop van de tijd verdroogden deze inhouden tot abstracte voorstellingen. In de Middeleeuwen was het bewuste gebruik van de zonnepoort nog niet volledig mogelijk. De geestelijke wereld gebruikte hem om morele impulsen in de mensenziel te laten binnenstromen. De ziel functioneerde pendelend tussen beide poorten. Denkend maakten de meeste mensen gebruik van de maanpoort. Voor hen waren gedachten, begrippen en voorstellingen niet anders dan subjectieve aanduidingen, nomen, die de ziel nodig had om te kunnen communiceren. Objectieve waarde hadden die nomen, die namen, niet. Deze denkers werden nominalisten genoemd.

====

Zie ook:

Boeken:

Externe Links

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 keer bekeken.