1.5 De blauwdruk van het leerproces

Openbaring 1.8: Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige.
Zhuangzi: De verstilde geest van de wijze is een spiegel voor hemel en aarde - een vergrootglas voor alle dingen.
Hermes Trismegistus Want het getal één is geboren uit de geest en het getal tien uit de stof (chaos, vrouwelijk); de eenheid heeft de tien gemaakt en de tien de eenheid (Het Boek van de Sleutels).
Manual II: Not to act "with logos" is contrary to Godd’s nature.
Shakespeare: De geur van de roos verandert niet als je haar naam verandert.
John Keeley en Franz Hartmann: Alle ziekte is een verstoring van het equilibrium (natuurlijk evenwicht) tussen positieve en negatieve krachten.
Ilya Prigogine: In navolging van Spinoza zei Einstein ooit tegen De Gaulle dat we marionetten zijn zonder dit zelf te beseffen.

De inhoudsopgave van dit hoofdstuk heeft dezelfde indeling als de inhoudsopgave van hoofdstuk 4.5, maar verloopt tegengesteld aan de inhoudsopgave van de bijlage bij hoofdstuk 8.4.

Blauwdruk (En-soph, Sat en Asat, Evolutionaire kringloop, Zonder grenzen, Logos, Triade)

H.P. Blavatsky: … hetzij men zich naar de bloem van het oosten of naar de academies van het westen keert, het reizen langs het pad gebeurt zonder zich te bewegen. U bént het pad (De stem van de stilte).
J.J. van der Leeuw: Het leven is geen probleem dat opgelost moet worden, maar een mysterie dat moet worden ervaren.

Kees Voorhoeve: De Oerbron (Daiviprakriti) is de oneindige eeuwige werkelijkheid die alles overstijgt en tegelijkertijd de Bron is van alles wat bestaat. De Oerbron is op 'niets' gericht, het is zo leeg van iets en tegelijkertijd zo vol van alles. Hoe kan uit dit 'niets' iets ontstaan? In de Kabbalistische traditie wordt de Oerbron En Soph genoemd dat 'zonder grens' betekent.

H.P. Blavatsky De SLEUTEL tot de THEOSOFIE (p. 213):
Th: Plicht is dat wat we aan de mensheid, onze medemensen, buren, familie, verschuldigd zijn en vooral wat wij verschuldigd zijn aan allen die armer en hulpelozer zijn dan wijzelf. Als die schuld in het leven niet wordt betaald, leidt dat in onze volgende incarnatie tot geestelijk onvermogen en een moreel bankroet. Theosofie is de kwintessens van plicht.

H.P. Blavatsky Isis ontsluierd Deel I (p. 219):
Een andere versie van de Edda laat ons zichtbare heelal ontspringen vanonder de weelderige takken van de wereldboom – de Yggdrasil, de boom met de drie wortels. Onder de eerste wortel vloeit de levensbron, Urdar; onder de tweede ligt de beroemde bron van Mimer, waarin in de diepte kennis en wijsheid liggen begraven. Alvader Odin vraagt om een slok van dit water; hij krijgt het, maar moet daarvoor een van zijn ogen verpanden. Het oog is in dit geval het symbool van de godheid die zich in de wijsheid van haar eigen schepping openbaart, want Odin laat het oog op de bodem van de diepe bron achter. De zorg voor de wereldboom wordt toevertrouwd aan drie maagden (de nornen of parcae) Urd, Verdande en Skuld – of het heden, het verleden en de toekomst. Elke ochtend stellen ze de duur van het menselijk leven vast, halen water uit de bron van Urd, en besprenkelen daarmee de wortels van de wereldboom, opdat hij in leven zal blijven. De uitwasemingen van de es, Yggdrasil, verdichten zich, vallen op onze aarde neer, en roepen daardoor elk deeltje onbezielde stof tot leven en doen het van gedaante veranderen. Deze boom is het symbool van het universele leven, zowel organisch als anorganisch; zijn emanaties stellen de geest voor die elke vorm van de schepping bezielt. Van zijn drie wortels strekt zich één naar de hemel uit, de tweede naar de woonplaats van de magiërs – reuzen, bewoners van de hoge bergen – terwijl aan de derde, waaronder de bron Hvergelmir ligt, het monster Nidhögg knaagt, dat de mensheid voortdurend aanzet tot het kwaad.

G. de Purucker Mens en Evolutie Hoofdstuk 3 De wet van anologie (p. 43):
Deze geestelijke eenheid betekent niet een absolute identiteit van bewustzijn, maar eenheid in die zin dat de ontelbare scharen van denkende wezens op deze planeet, evenals op de talloze andere bewoonde hemellichamen van het heelal, alle aan één gemeenschappelijke levensbron zijn ontsprongen. Alle spoeden zich door de talrijke poorten van het leven voort naar dezelfde grootse en uiteindelijke bestemming — waarbij elk wezen zijn eigen individuele pad volgt en zelf groeit naarmate zijn bewustzijn zich ontvouwt en verruimt; zodat hij zijn werkelijke eenheid met al het andere in geest, in verbondenheid, in bestemming, in oorsprong, ten volle beseft. Tot die bestemming behoort dat elke entiteit een bron moet worden waaruit ontelbare andere entiteiten voortkomen, precies zoals een vader zijn kind voortbrengt, en dat kind weer een ander, en zoals de menselijke ziel gedachten doet geboren worden; want gedachten zijn tenslotte etherische stof en zijn daarom dingen. Op die manier zijn de scharen van levens in een eindeloze keten met elkaar verbonden.
Hoofdstuk 10 Morele aspecten van het vraagstuk (p. 132/133):
Laat me het hier nog eens herhalen: theosofen erkennen niet het bestaan van zogenaamde anorganische of levenloze stof; alles leeft, want alles is een brandpunt van kracht en daarom van leven, want leven is energie; leven is kracht. Wat zou het anders kunnen zijn? Energieën en krachten zijn eenvoudig manifestaties of verschijnselen van leven. Leven is de levensbron, en energieën en krachten zijn de stromen die aan die bron ontspringen.

G. de Purucker Beginselen van de Esoterische Filosofie Een toelichting op De Geheime Leer van H.P. Blavatsky
Hoofdstuk 5 De esoterische leringen en de nevelvlektheorie, Goden achter de kosmos: waarom de natuur onvolmaakt is. (p. 56):
De snelheid van deze ronddraaiende beweging nam zo sterk toe, dat op een bepaald moment de middelpuntvliedende kracht de middelpuntzoekende of cohesiekracht overwon, waarop deze draaiende nevelvlek een ring afwierp die ook bleef ronddraaien en zich verdichtte, tot hij tenslotte een bolvormig lichaam of bol vormde die de buitenste planeet Neptunus werd. En zo ontstonden achtereenvolgens de andere planeten, terwijl de kern van de nevelvlek als onze zon overbleef. Kortom, naarmate de nevelvlek zich samentrok en haar stof verdichtte, herhaalde hetzelfde verschijnsel zich op dezelfde manier en zo werd de op één na buitenste planeet Uranus afgeworpen. Dat ging zo door totdat alle planeten als hemellichamen waren ontstaan.
Hoofdstuk 8 Sporen van de esoterische filosofie in Genesis.(p. 103):
Maar als we de kwestie vanuit een zuiver filosofisch standpunt bezien, is het waarschijnlijk juist en het beste om te zeggen dat de eerste stap uit wat we het ongemanifesteerde noemen naar het gemanifesteerde, emanatie is; de uitstroming uit zijn bron van een monade of liever een menigte monaden die, als ze op hun beurt het patroon volgen dat door hun bron en hun karmische verleden is aangegeven, duisterder en stoffelijker worden naarmate ze zich van hun centrale levensbron verwijderen. En nogmaals, terwijl ze emaneren, evolueren ze ook en brengen ze tot uitdrukking wat ze innerlijk zijn of bezitten, en ze doen dit in overeenstemming met de karmische lijnen of patronen die we op voorafgaande bijeenkomsten terloops hebben aangeroerd toen we over de skandha’s spraken. Want elk proces van emanatie en van evolutie is het begin van een nieuwe levenscyclus na de pralaya of rustperiode van een vroegere levensperiode of manvantara. Wanneer dan tenslotte in de cyclische voortgang van de evolutie de periode van zelfbewustzijn is bereikt, breekt er een periode van wilsuitingen, van bewuste keuzen aan, waarin de mens uit vrije wil begint te ‘scheppen’ of vormen; dat wil zeggen dat hij door het gebruik van zijn wil, zijn intuïtie en zijn intellect, zijn eigen lot schept, en bovendien de wereld om hem heen in scheppende zin beïnvloedt.
Hoofdstuk 10 De leer van svabhava – zelfwording – karakteristieke individualiteit. De mens, zelf-ontwikkeld, zijn eigen schepper. De ‘monadologie’ van Leibniz tegenover de leringen van de esoterisch filosofie. (p. 123):
Vanuit het allerhoogste, uit wat voor ons het meest onbekende, het diepste innerlijk is, dringt de goddelijke straal als het ware door al deze gebieden heen, gaat van de ene hiërarchie naar een andere eronder, dan naar een nog lagere, vervolgens naar een derde die nog stoffelijker is, enz., totdat de grens van het kosmische geheel is bereikt, waar hij de ontzagwekkende kringloop naar omhoog begint om naar zijn oerbron terug te keren. Bedenk dat naarmate hij daalt, hij deze verschillende hiërarchieën uit zichzelf ontwikkelt en dat hij ze op zijn omhooggaande kringloop weer in zich terugtrekt. Rondom dit immense geestelijke geheel moeten we ons als het ware een aura voorstellen, zo wordt ons geleerd, die de vorm van een ei aanneemt, dat we, in navolging van de kabbalisten, de shekinah (Jeshidah, Yehidah) kunnen noemen.

Wim de Lobel (kies Artikelen) boek ‘De eeuwige generatie’, Blauwdruk, p. 28:
Het scheppend vermogen van het heelal blijkt dus logisch doordacht te berusten op zelforganiserende processen. Paul Davies, de Engelse hoogleraar in de theoretische natuurkunde, beschrijft dat als een blauwdruk van de kosmos. ”Materie en energie hebben van nature een neiging tot zelforganisatie.” Hoewel hij in abstracto het bestaan van God niet ontkent constateert hij wel, dat het creatieve heelal zijn eigen zelfbewustzijn organiseert.
De Eeuwige Generatie, De Unio Mystica (p. 91):
Börger was beïnvloed door de kritische bijbelstudies vanuit de Hollandsche Radicale School. In het bijzonder benadrukten zij de Nieuw-Testamentische Evangeliën die in verhaalvorm een verdichting zijn van de oude en steeds weer nieuwe waarheid. Vanuit hun bevindingen ontkenden zij de historiciteit van de Jezusfiguur. Naar hun inzichten stoelde de Christusgedachte in de Unio Mystica, dat is de verborgen inherente universele waarheid omtrent de werkelijkheid. Waarheid in deze zin dienen we dan te verstaan als het zijn van de universele werkelijkheid zoals zij is.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Voorwoord van de schrijfster (p. x):
De schrijfster is daarom bereid de volledige verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit boek op zich te nemen en zelfs om te worden beschuldigd het helemaal te hebben verzonnen. Ze is zich volkomen bewust dat het veel tekortkomingen heeft; ze maakt er slechts aanspraak op dat, romantisch als het velen misschien toeschijnt, zijn logische samenhang en consistentie aan deze nieuwe Genesis in ieder geval het recht geven op één niveau te worden geplaatst met de ‘werkhypothesen’ die de moderne wetenschap zo gemakkelijk aanvaardt. Verder maakt het er aanspraak op te worden overwogen, niet op grond van enig beroep op dogmatisch gezag, maar omdat het zich nauw aan de Natuur houdt en de wetten van gelijkvormigheid en analogie volgt.
Het doel van dit boek kan aldus worden geformuleerd: aan te tonen dat de Natuur geen ‘toevallig bijeenkomen van atomen’ is, en aan de mens zijn rechtmatige plaats in het plan van het Heelal te geven; de archaïsche waarheden, die de grondslag vormen van alle religies, tegen ontaarding te beschermen en de fundamentele eenheid waaruit zij alle voortkomen enigszins aan het licht te brengen; tenslotte, aan te tonen dat de occulte kant van de Natuur nooit is benaderd door de wetenschap van de moderne beschaving.
De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 34):
Als wij de filosofie van de laatstgenoemden eenzijdig opvatten, kunnen onze materialisten op hun manier gelijk hebben. De boeddhisten beweren dat er geen schepper is, maar een oneindig aantal scheppende machten, die samen de ene eeuwige werkelijkheid vormen, waarvan de essentie ondoorgrondelijk is – en daarom voor een echte filosoof geen onderwerp voor speculatie. Steeds weigerde Socrates te debatteren over het mysterie van het universele zijn, en toch zou niemand er ooit aan hebben gedacht hem te beschuldigen van atheïsme, behalve degenen die uit waren op zijn ondergang. Bij het aanbreken van een periode van activiteit, zegt de Geheime Leer, heeft er volgens de eeuwige en onveranderlijke wet een uitbreiding plaats van deze goddelijke essentie, van buiten naar binnen en van binnen naar buiten, en het heelal van de verschijnselen of het zichtbare heelal is het uiteindelijke resultaat van de lange keten van kosmische krachten die zo achtereenvolgens in beweging worden gebracht. Op soortgelijke manier heeft, als de passieve toestand weer intreedt, een samentrekking plaats van de goddelijke essentie en wordt het voorafgaande scheppingswerk geleidelijk en stap voor stap tenietgedaan. Het zichtbare heelal wordt ontbonden, zijn bouwstoffen worden verspreid en eenzaam en alleen hangt de ‘duisternis’ weer over de ‘afgrond’. Om een beeldspraak uit de Geheime Boeken te gebruiken, die de bedoeling nog duidelijker overbrengt: een uitademing van de ‘onbekende essentie’ brengt de wereld voort en een inademing doet deze verdwijnen. Dit proces heeft al een eeuwigheid plaatsgevonden en ons tegenwoordige heelal is er maar één uit een oneindige reeks, die geen begin had en geen einde zal hebben.’ (Zie Isis Ontsluierd Deel 2 p. 310 en ‘De dagen en nachten van Brahma’ in Afdeling II.)
37: Parabrahm is kortom het verenigde totaal van de Kosmos in zijn oneindigheid en eeuwigheid, het ‘DAT’ en ‘DIT’, dat niet kan worden opgevat als een samenvoeging van een aantal subtotalen. ‘In het begin was DIT het Zelf, slechts één’ (Aitareya Upanishad); de grote Sankaracharya verklaart dat ‘DIT’ betrekking had op het Heelal (jagat); omdat de woorden ‘in het begin’ betekenen: vóór het opnieuw voortbrengen van het Heelal van verschijnselen.
De Geheime Leer formuleert drie grondstellingen (hypothesen):
43: (a) Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk BEGINSEL, waarover elke speculatie onmogelijk is, omdat het het menselijke begripsvermogen te boven gaat en door menselijke uitdrukkingen of vergelijkingen alleen kan worden verkleind. Het ligt buiten het gebied en het bereik van het denken – met de woorden van Mandukya, ‘ondenkbaar en onuitsprekelijk’.
44/45: Parabrahm (de éne Werkelijkheid, het Absolute) is het gebied van het absolute bewustzijn, dat is die essentie die geen enkel verband heeft met het voorwaardelijke bestaan en waarvan het bewuste bestaan een voorwaardelijk symbool is. Maar zodra wij in gedachten afstappen van deze (voor ons) absolute ontkenning, treedt er tweevoudigheid op in de tegenstelling van geest (of bewustzijn) en stof, subject en object.
46: (b) De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ en die ‘de zich manifesterende sterren’ en ‘de vonken van de eeuwigheid’ worden genoemd.
47: (c) De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk. Met andere woorden, geen zuiver geestelijke buddhi (goddelijke ziel) kan een onafhankelijk (bewust) bestaan hebben voordat de vonk die voortkwam uit de zuivere essentie van het universele zesde beginsel – of de OVERZIEL – (a) door iedere grondvorm van de verschijnselenwereld van dat manvantara is heengegaan en (b) individualiteit heeft verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte en zelf bedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, van het laagste tot het hoogste manas, van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel (Dhyani-Boeddha).
Deel I, Stanza 1 De nacht van het heelal, p. 78:
9. MAAR WAAR WAS DE DANGMA TOEN DE ALAYA VAN HET HEELAL (de ziel als de basis van alles, anima mundi) IN PARAMARTHA (a) (absoluut Zijn en Bewustzijn, die het absolute Niet-zijn en Onbewustzijn zijn) WAS EN HET GROTE WIEL ANUPADAKA WAS (b)?
De Geheime Leer Deel I, Stanza 2 Het denkbeeld van differentiatie (p. 89):
4. HAAR HART HAD ZICH NOG NIET GEOPEND ZODAT DE ENE STRAAL KON BINNENGAAN OM VANDAAR, ALS DRIE IN VIER, IN DE SCHOOT VAN MAYA TE VALLEN (a).
(a) De oorspronkelijke substantie was nog niet uit haar vóórkosmische slapende toestand overgegaan tot gedifferentieerde objectiviteit of zelfs de (voor de mens tot dan toe) onzichtbare protyle6 van de wetenschap geworden. Maar wanneer het uur slaat en zij ontvankelijk wordt voor de inwerking door middel van fohat, van de goddelijke gedachte (de logos of het mannelijke aspect van de anima mundi, alaya) – opent haar hart zich. Zij differentieert zich en de drie (vader, moeder, zoon) worden veranderd in vier. Hierin ligt de oorsprong van het dubbele mysterie van de drie-eenheid en de onbevlekte ontvangenis.
6) Noot vert. Protyle is de naam die ca. 1886 werd voorgesteld voor de hypothetische oorspronkelijke ongedifferentieerde stof, waaruit de chemische stoffen die voorlopig als elementen werden beschouwd, kunnen zijn samengesteld.
Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiërarchieën, p. 127:
(b) Vervolgens zien wij dat de kosmische stof zich verspreidt en zich tot elementen vormt en zich groepeert tot de mystieke vier binnen het vijfde element – ether, de bekleding van Akasa, de anima mundi (archaeus) of moeder van de Kosmos. ‘Punten, lijnen, driehoeken, kubussen, cirkels’ en tenslotte ‘bollen’ – waarom of hoe?
129: (a) Letterlijk vertaald betekent ‘Adi-sanat’ de eerste of ‘oeroude’, een naam die de kabbalistische ‘Oude van Dagen’ en de ‘Heilige Oude’ (Sephira en Adam Kadmon) vereenzelvigt met Brahma de schepper, die behalve zijn andere namen en titels ook Sanat wordt genoemd.
Svâbhâvat is de mystieke essentie, de plastische wortel van de stoffelijke Natuur – ‘getallen’ wanneer gemanifesteerd; het getal in zijn eenheid van substantie op het hoogste gebied. De naam wordt gebruikt door de boeddhisten en is een synoniem voor de viervoudige anima mundi, de kabbalistische ‘wereld van de archetypen’, waaruit de ‘scheppende, vormende en stoffelijke werelden’ voortkomen, de scintillae of vonken – de verschillende andere werelden, die zich in de laatste drie bevinden. De werelden zijn alle onderworpen aan heersers of regeerders – rishi’s en pitri’s bij de hindoes, engelen bij de joden en de christenen, goden bij de Ouden in het algemeen.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 6 Vervolg (p. 225):
Het is de anima mundi, en behoort nooit anders te worden opgevat, behalve voor kabbalistische doeleinden. Het verschil dat bestaat tussen haar ‘licht’ en haar ‘levende vuur’ moet altijd aanwezig zijn in de gedachten van de ziener en de ‘sensitieve’. Zonder het hogere aspect kunnen alleen schepselen van stof uit dat astrale licht worden voortgebracht. Dat hogere aspect is dit levende vuur, en het is het zevende beginsel. In ‘Isis Ontsluierd’ wordt er een volledige beschrijving van gegeven:
‘Het astrale licht of anima mundi is tweevoudig en biseksueel. Het (ideële) mannelijke gedeelte ervan is zuiver goddelijk en geestelijk, het is de wijsheid, het is geest of Purusha; terwijl het vrouwelijke gedeelte (de Spiritus van de Nazareners) in zekere zin door de stof is besmet, het is inderdaad stof en daarom al een kwaad. Het is het levensbeginsel van ieder levend wezen, en verschaft aan mensen, dieren, vogels in de lucht en alles wat leeft, de astrale ziel, de beweeglijke perisprit. De dieren hebben alleen de sluimerende kiem van de hoogste onsterfelijke ziel in zich. . . . Deze laatste zal zich pas na een reeks van talloze evoluties ontwikkelen; de leer over deze evolutie ligt besloten in het kabbalistische axioma: ‘Een steen wordt een plant; een plant een dier; een dier een mens; een mens een geest; en de geest een god.’ (Deel I, Engelse uitgave, blz. 301, voetnoot.)
226: In Deel II van Isis (blz. 183 e.v., Engelse uitgave) worden de filosofische stelsels van de gnostici en de oorspronkelijke joodse christenen, de Nazareners en de Ebionieten, uitvoerig beschouwd. Er blijkt uit, welke opvattingen in die dagen buiten de kring van de mozaïsche joden over Jehova werden gehuldigd. Hij werd door alle gnostici eerder met het kwade dan met het goede beginsel vereenzelvigd. Voor hen was hij Ilda-Baoth, ‘de zoon van de duisternis’, en zijn moeder, Sophia Achamoth, was de dochter van Sophia, de goddelijke wijsheid (de vrouwelijke heilige geest van de vroege christenen) – akasa15; terwijl Sophia Achamoth het lagere astrale licht of de ether verpersoonlijkt. Ilda-Baoth16 of Jehova is eenvoudig een van de Elohim, de zeven scheppende geesten, en een van de lagere sephiroth.
15) Het astrale licht staat in dezelfde betrekking tot akasa en anima mundi, als satan tot de godheid. Ze zijn een en hetzelfde, gezien vanuit twee standpunten: het geestelijke en het psychische – de bovenetherische of verbindende schakel tussen stof en zuivere geest – en het stoffelijke. Zie voor het verschil tussen nous, de hogere goddelijke wijsheid, en psyche, de lagere en aardse (Jacobus, iii, v. 15-17). Zie ook ‘Demon est Deus inversus’, in Afd. II van dit deel.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 285):
Alles wat de laya-toestand verlaat, wordt actief leven; het wordt in de maalstroom van de BEWEGING getrokken (het alchimistische oplosmiddel van het leven); geest en stof zijn de twee toestanden van het ENE, dat noch geest noch stof is; beide zijn latent het absolute leven.’ (Boek van Dzyan, Toel. III, par. 18). . . . ‘Geest is de eerste differentiatie van (en in) de RUIMTE, en stof de eerste differentiatie van geest. Wat noch geest noch stof is – dat is HET– de oorzaakloze OORZAAK van geest en stof, die de oorzaak van de Kosmos zijn. En DAT noemen wij het ENE LEVEN of de binnen-kosmische adem.’
De Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk 5 Over de verborgen godheid, haar symbolen en tekens (p. 387):
Laten wij terugkeren tot de kabbalistische godheid. Deze verborgen eenheid is אין סוף = τὸ πᾶν = ἄπειρον, eindeloos, grenzeloos en nietbestaand, אין zolang het Absolute in oulom5 is, de grenzeloze en onbeperkte tijd; als zodanig kan En-Soph niet de schepper of zelfs de vormgever van het Heelal zijn, en ook niet aur (licht). Daarom is En-Soph ook duisternis. Het onveranderlijke Oneindige en het absolute grenzeloze kan niet willen, denken of handelen. Om dit te doen moet het eindig worden en dat doet het doordat zijn straal het wereld-ei – de oneindige ruimte – binnendringt en daaruit tevoorschijn komt als een eindige god. Dit alles wordt overgelaten aan de straal die latent is in het éne. Wanneer de tijd daarvoor aanbreekt, laat de absolute wil de kracht binnenin zich op natuurlijke manier groeien, volgens de wet waarvan hij de innerlijke en diepste essentie is. De Hebreeën namen het symbool van het ei niet over, maar vervingen het door de ‘dubbele hemelen’, want als men de zin ‘God schiep de hemelen en de aarde’ juist vertaalt, luidt deze: ‘In en uit zijn eigen essentie als moederschoot (het wereld-ei) schiep God de twee hemelen’. Maar de christenen hebben als symbool van hun heilige geest de duif gekozen.
5) Het woord oulom betekende, zoals Le Clerc aantoont, bij de oude joden alleen een tijd waarvan het begin en het einde niet bekend is. Het woord ‘eeuwigheid’, bijvoorbeeld in de betekenis die de aanhangers van de Vedanta hechten aan Parabrahm, bestond in de Hebreeuwse taal eigenlijk niet.
387: ‘Ieder die zich op de hoogte stelt van דה, de mercaba en de lahgash (geheime spraak of bezwering), zal het geheim van de geheimen leren.’ Lahgash komt in betekenis nagenoeg overeen met Vâch, de verborgen kracht van de mantra’s.
Wanneer het tijdperk van werkzaamheid is aangebroken, komt sephira, de actieve kracht – het oorspronkelijke punt en de kroon, kether genaamd – uit de eeuwige essentie van Ain-Soph tevoorschijn. Alleen door sephira kan de ‘onbegrensde wijsheid’ een concrete vorm geven aan de abstracte gedachte. Twee zijden van de bovenste driehoek, waardoor de onuitsprekelijke essentie en het heelal – het gemanifesteerde lichaam ervan – worden gesymboliseerd, namelijk de rechterzijde en de basis, bestaan uit ononderbroken lijnen; de derde, de linkerzijde, is een stippellijn. Door de laatstgenoemde komt sephira tevoorschijn. Terwijl zij zich in alle richtingen verspreidt, omvat zij tenslotte de hele driehoek. In deze emanatie wordt de drievoudige triade gevormd. Uit de onzichtbare dauw die uit de hogere uni-triade neervalt (zodat er slechts 7 sephiroth overblijven), schept de ‘hoofd’sephira de oorspronkelijke wateren, d.w.z. de Chaos neemt vorm aan. Het is het eerste stadium van het verdichten van geest, die door middel van verschillende veranderingen aarde zal voortbrengen. ‘Aarde en water zijn nodig om een levende ziel te maken’, zegt Mozes. Men heeft het beeld van een watervogel nodig om deze met water te verbinden, het vrouwelijke element van voortplanting met het ei en de vogel die het bevrucht.
De Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk 9 De maan, Deus Lunus, Phoebe (p. 428):
‘Als men aan deze organen (fallus en yoni) als symbolen van scheppende kosmische krachten het denkbeeld van . . . tijdperken kan verbinden, dan zou inderdaad bij de bouw van tempels als woningen van de godheid of van Jehova, dat deel, dat als het Heilige der Heiligen of de allerheiligste plaats wordt aangeduid, zijn naam moeten ontlenen aan de erkende heiligheid van de voortplantingsorganen, die worden beschouwd als symbolen zowel van maten als van een scheppende Oorzaak.’
‘De oude wijzen hadden geen naam, geen denkbeeld en geen symbool voor de eerste Oorzaak7. Bij de Hebreeën was de indirecte opvatting ervan neergelegd in een uitdrukking die aangeeft dat deze niet is te begrijpen – namelijk Ain-Soph of het Onbegrensde. Maar het symbool van de eerste begrijpelijke manifestatie ervan was het beeld van een cirkel met zijn middellijn . . . (zie de Proloog van Deel 1, Afdeling 1) om tegelijk een meetkundig, fallisch en sterrenkundig denkbeeld uit te drukken . . . want de één komt voort uit de nul of de cirkel en zou zonder deze niet kunnen bestaan, en uit de één, of de oorspronkelijke één, komen de negen cijfers en meetkundig alle vlakke figuren voort. Zo is in de Kabbala deze cirkel met zijn middellijn het teken van de tien sephiroth of emanaties, die de Adam Kadmon, de archetypische mens samenstellen, de scheppende oorsprong van alle dingen. . . . Dit denkbeeld om de cirkel en zijn middellijn, dat is het getal tien, te verbinden met de betekenis van de voortplantingsorganen en de allerheiligste plaats, werd bouwkundig tot uiting gebracht in de koningskamer of het Heilige der Heiligen van de grote Piramide, in het tabernakel van Mozes en in het Heilige der Heiligen van de tempel van Salomo. . . . Het is de afbeelding van een dubbele baarmoeder, want in het Hebreeuws is de letter hé ה zowel het getal 5 als het symbool van de baarmoeder en tweemaal 5 is 10 of het fallische getal.’
De Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk 9 De zonnetheorie (p. 601/602):
Wat in het hedendaagse spraakgebruik respectievelijk geest en stof wordt genoemd, is in eeuwigheid EEN als de eeuwigdurende oorzaak, en het is noch geest noch stof, maar HET – in het Sanskriet TAT (‘dat’) – alles wat is, was of zal zijn, alles wat de verbeelding van een mens zich kan voorstellen. Zelfs het exoterische pantheïsme van het hindoeïsme geeft het weer zoals geen enkele monotheïstische filosofie ooit heeft gedaan, want in verheven bewoordingen begint de kosmogonie ervan op de welbekende manier:
‘Er was geen dag en geen nacht, geen hemel en geen aarde, geen duisternis en geen licht. En er was niets anders dat door de zintuigen of door de verstandelijke vermogens kon worden waargenomen.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 12 Oeroude gedachten in een modern kleed (p. 640):
Licht is de eerstgeborene en de eerste uitstraling van het allerhoogste, en licht is leven, zegt de evangelist en de kabbalist. Beide zijn elektriciteit – het levensbeginsel, de anima mundi, die het heelal doordringt, de elektrische bezieler van alle dingen'.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 13 Wetenschappelijke en esoterische bewijzen voor en bezwaren tegen de moderne nevelvlektheorie (p. 656/657):
‘Daarom zeggen zij (de adepten) dat de grote geleerden van het westen, die . . . nagenoeg niets weten van komeetstof, middelpuntvliedende en middelpuntzoekende krachten, de aard van de nevelvlekken of de fysieke samenstelling van de zon, de sterren of zelfs de maan, onvoorzichtig zijn om met zoveel zelfvertrouwen te spreken over de ‘centrale massa van de zon’, die planeten, kometen en wat al niet de ruimte in slingert . . .’ ‘Wij beweren dat hij (de zon) alleen het levensbeginsel ontwikkelt, de ziel van die lichamen, dat hij dit in ons zonnestelsel als de ‘universele levengever’ schenkt en terugontvangt . . . in oneindigheid en eeuwigheid; dat het zonnestelsel evengoed de microkosmos van de ENE macrokosmos is, als de mens dit eerstgenoemde is in vergelijking met zijn eigen kleine zonnekosmos5.’
5)Five Years of Theosophy, blz. 249-50: ‘Ontkennen de adepten de nevelvlektheorie?’

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel II, Het begin van bewust leven (p. 42):
In de Sepher Jezirah of ‘getallen van de schepping’ wordt het hele evolutieproces in getallen weergegeven. In de daarin voorkomende ‘32 paden van wijsheid’ wordt het getal 3 vier keer herhaald, en het getal 4 vijf keer. De wijsheid van God ligt dus besloten in getallen (sephrim of sephiroth), want sepher (of zonder klinkers s-ph-ra) betekent ‘in cijferschrift overbrengen’. En daarom zegt ook Plato dat de godheid meetkundig te werk gaat bij het bouwen van het Heelal.
153: ‘Uit één ziel, die van het AL, ontstaan alle zielen, die zich verspreiden alsof ze opzettelijk over de wereld werden verdeeld. Deze zielen ondergaan veel vormveranderingen; de al kruipende dieren veranderen in waterdieren; uit deze waterdieren komen landdieren voort, en uit deze de vogels. Uit de wezens die hoog in de lucht (de hemel) wonen, worden mensen geboren. Bij het bereiken van de staat van mens, ontvangen de zielen het beginsel van (bewuste) onsterfelijkheid, worden geesten, en worden dan opgenomen in het koor van de goden.’
De Geheime Leer Deel II Stanza 10 De geschiedenis van het vierde ras (p.276):
‘Satan of Lucifer vertegenwoordigt de actieve of, zoals Jules Baissac het noemt, de ‘middelpuntvliedende energie van het Heelal’ in kosmische zin. Hij is vuur, licht, leven, strijd, inspanning, gedachte, bewustzijn, vooruitgang, beschaving, vrijheid, onafhankelijkheid. Tegelijkertijd is hij pijn, de reactie op de vreugde van de daad, en dood – de omwenteling van het leven – satan, die brandt in zijn eigen hel, voortgebracht door de heftigheid van zijn eigen stuwkracht – de expansieve ontbinding van de nevelvlek, die zich moet verdichten tot nieuwe werelden. En terecht wordt hij telkens opnieuw weerhouden door de eeuwige inertie van de passieve energie van de Kosmos – het onverbiddelijke ‘IK BEN’ – de vuursteen waaruit de vonken worden geslagen. Terecht worden hij . . . en zijn aanhangers . . . prijsgegeven aan de ‘zee van vuur’, want in de zon (in de kosmische allegorie in slechts één betekenis), de levensbron in ons stelsel, worden zij gezuiverd (ontbonden) en gekarnd om ze voor een nieuw leven (de opstanding) geschikt te maken; die zon die, als de oorsprong van het actieve beginsel van onze aarde, tegelijk het thuis en de oorsprong van de wereldlijke satan is .’ De juistheid van de algemene theorie van Baissac (in Le Diable et Satan) blijkt verder uit het bekende feit dat koude een ‘middelpuntzoekende’ werking heeft.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen Iao en Jehova en hun verband met het kruis en de cirkel (p. 639):
Bij de esoterici was de universele ziel of anima mundi, de stoffelijke weerspiegeling van het onstoffelijke ideaal, sinds de oudste tijden de bron van leven van alle wezens en van het levensbeginsel van de drie rijken; en zij was bij de Hermetische filosofen evenals bij alle Ouden zevenvoudig. Want zij wordt voorgesteld als een zevenvoudig kruis, waarvan de armen respectievelijk zijn: licht, warmte, elektriciteit, aardmagnetisme, astrale straling, beweging en intelligentie, of wat sommigen zelfbewustzijn noemen.
Deel II, hoofdstuk 24 Het kruis en het Pythagorische tiental (p. 652):
Dit tiental, dat het Heelal en zijn evolutie uit de stilte en de onbekende diepten van de geestelijke ziel of anima mundi voorstelde, bood de onderzoeker twee kanten of aspecten. Het kon in het begin worden gebruikt voor en toegepast op de macrokosmos en werd dit ook, waarna het afdaalde tot de microkosmos, of de mens. Er waren dus de zuiver intellectuele en metafysische, of de ‘innerlijke wetenschap’ en de even zuiver materialistische of ‘oppervlak-wetenschap’, die beide konden worden verklaard en omvat door het tiental. Kortom, het kon worden bestudeerd uit de algemene begrippen van Plato en volgens de inductieve methode van Aristoteles.

Het onkenbare 1e beginsel (kies Inhoud, hoofdstuk Drie grondstellingen uit de proloog), de wisselwerking tussen 'DAT en DIT', de blauwdruk gaat het menselijke begripsvermogen te boven. Het brengt de relatie tussen hemel en aarde, het ontstaan van de kosmos en van de mens (H.P. Blavatsky, De Geheime Leer Deel I en II) tot uitdrukking.

Blavatsky Deel III, Dat en Dit:
204: Gelijk de Zohar overal aangeeft staat de oneindige Eenheid of Ain-Soph immer boven ’s mensen denken en waarderen; en in Sepher Jetzirah zien wij dat de Geest Gods – de Logos, niet de Godheid zelve – Eén (in geopenbaarde toestand wordt het 10, het heelal) genoemd wordt.
Eén is de Geest des levenden Gods….die eeuwig leeft. Stem, Geest, [van de Geest] en Woord: dit is de Heilige Geest, en de vierheid. Uit deze kubus emaneert de ganse Kosmos.
Lucht en Water emaneren het getal vier, Ether of Vuur, de Zoon. Dit is de Kabbalistische vierheid.
206: Daarom betekent Eva de ontwikkeling en het onophoudelijke “worden” van de natuur. SAT, dat de quintessence van volstrekt onveranderlijk Zijn of zijn-heid betekent (Ain of En-Soph, onbegrensd bestaan).
253: uit de Adem komt het oerlicht voort, door welke glans de in de duisternis verborgen eeuwige Gedachte zich openbaart, en dit wordt het Woord (mantra). DAT (mantra of woord) is het, waaruit dit alles (het heelal) tot bestaan gekomen is.
491: TAT (of DAT), een naam voor de onkenbare, wortelloze wortel. Het Eeuwige Volstrekte is DAT. De Kosmos is ontstaan door DAT.
724: Dat (Dit), de ongeopenbaarde oorzaak van geest en stof, het Ene Leven de grondslag van alles.

In de Bhagavad-Gîtâ zegt Krishna over TAT:
Weet, dat TAT, waaruit alle dingen ontstonden,
onvernietigbaar is en dat niemand in staat is
het onvergankelijke te vernietigen.
Van deze eindige lichamen,
die de zielen welke ze bewonen omhullen,
zegt men dat ze behoren tot TAT, het eeuwige,
het onvernietigbare, niet te bewijzen Beginsel.

Subba Row's begint zijn schema met Parabrahman. In zijn lezingen definieert hij die term enige malen: 'Het eerste beginsel, of beter gezegd het eerste postulaat dat ik moet stellen, is het bestaan van wat genoemd wordt Parabrahman....

De Swabhawat toont aan, dat we 'dit' aan 'dat' kennen , en 'dat' aan 'dit', maar 'dit' op zichzelf staand kennen wij niet, evenmin als 'dat', want we kennen beide slechts aan de wederkerige verschillen met elkaar. Wat is dus het begrip van iets, anders dan uitsluitend het verschil tussen twee dingen? Wanneer een bepaald bedrag gegeven wordt dat een verschil tussen twee kapitalen is, dan is het niemand mogelijk daaruit af te leiden, welke kapitalen er bedoeld worden, maar met het verschil, het bedrag, kan worden gewerkt. Dit is de feitelijke betekenis van de oude Oosterse uitspraak: 'twee verborgen, één geopenbaard' .

Gottfried de Purucker Bron van het Occultisme, hoofdstuk Ruimte, tijd en duur:
Zo komt het dat duur zowel identiek is met ruimte als met kosmisch denkvermogen. Toch is zelfs dit mysterie der mysteries, ruimte-denkvermogen-duur, het product of het beeld dat ons hoogste intellect heeft van dat onuitsprekelijke mysterie dat het naamloze of dat wordt genoemd. We zien bovendien dat verleden en toekomst, op de juiste manier begrepen, samensmelten tot ‘het eeuwige nu’ (H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, p. 67).
In de woorden van de Chhandogya-Upanishad (I, 9, 1):

‘Waarheen keert deze wereld terug?’
‘Naar de ruimte (akasa)’, zei hij. ‘Waarlijk, alle dingen hier komen voort uit ruimte. Ze verdwijnen weer in de ruimte, want alleen ruimte is groter dan deze; ruimte is het uiteindelijke doel.’

G. de Purucker Parabrahman (Sanskriet).
Para is een Sanskrietwoord met de betekenis van voorbij. Brahman (onzijdig) wordt soms gebruikt voor het universele Zelf of de universele Geest, ook Paramâtman (zie aldaar) genoemd. Voorbij Brahman is het Para-Brahman. Let op de diep filosofische betekenis hiervan - er wordt niet gepoogd het Onbegrensde, het Onuitsprekelijke door adjectieven te beperken. In de Sanskriet-Veda's en in de werken die daaruit zijn voortgesproten en tot de Vedische literaire cyclus behoren, wordt dit 'voorbij', TAT, DAT, genoemd, terwijl deze wereld van openbaring met Idam, Dit wordt aangeduid.

Parabrahman is nauw verbonden met mûlaprak.riti (zie aldaar). Hun wisselwerking en vermenging veroorzaken de eerste vage trilling, als deze woorden ermee door kunnen, van het universele leven, toen in het begin der dingen de geestelijke begeerte er voor het eerst in ontstond. Parabrahman betekent daarom letterlijk 'voorbij Brahman' en strikt genomen is op Brahman de Westerse term 'het Absolute' van toepassing. Parabrahman is geen entiteit, is geen individu of geïndividualiseerd wezen. Het is een geschikt technisch woord met een gepaste vage filosofische betekenis en sluit alles in wat voorbij het Absolute of Brahman van een hiërarchie ligt. Zoals Brahman de top is van een kosmische hiërarchie, zo is, als we dezelfde gedachtengang volgen, Parabrahman 'alles wat voorbij Brahman' is.

Anima mundi (levensbeginsel) betekent 'de ziel van ons klein heelal' en wordt gebruikt als een equivalent voor Akasha-veld.
In het informatie registrerende en overdragende Akasha-veld van het universum worden de correlaties tussen de micro - en macrokosmos tot stand gebracht. Het 'Hoe en Wat' in de aardse microkosmos staat tegenover het 'Wat en Hoe' in de hemelse macrokosmos.

Charles Poncé boek Kabbalah (p. 211): Omdat de En-Soph in de meest essentiële benadering een niet-ding is, en alles dat uit dit niet-dit - niet-dat aanwezig is.

Byron Katie: Wanneer je dit ziet, dan realiseer jij je dat er geen ‘Ik’ bestaat die verlicht dient te worden, dan stop je te geloven in jezelf als een identiteit, en wordt je gelijk aan alles dat wel of niet lijkt te zijn.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, De logos (p. 166):
In de esoterie van de Vedanta is daiviprakriti, het door Eswara – de logos(1) – gemanifesteerde licht, tegelijk de moeder en de dochter van de logos, of het woord, van Parabrahman.
P. 167: Zo ziet men in Manu dat Brahmâ (ook de logos) zijn lichaam in twee stukken verdeelt, een mannelijk en een vrouwelijk, en dat hij in het laatste, dat Vâch is, Virâj schept, die hij zelf is, of opnieuw Brahma. Op deze manier spreekt een geleerde Vedanta-occultist over die ‘godin’ en verklaart hij waarom Eswara (of Brahmâ) het verbum of de logos wordt genoemd; waarom hij inderdaad Sabda Brahmam heet:
‘De uitleg die ik u ga geven, zal volkomen mystiek schijnen, maar is niettemin van enorme betekenis als hij goed wordt begrepen. Onze oude schrijvers zeiden dat er vier soorten Vâch zijn (zie de Rig Veda en de Upanishads). Vaikhari-Vâch is wat wij uitspreken. Elke soort Vaikhari-Vâch bestaat in haar madhyama-, verder in haar pasyanti- en tenslotte in haar para-vorm(2). Deze pranava wordt Vâch genoemd, omdat de vier beginselen van de grote Kosmos met deze vier vormen van Vâch corresponderen. Nu bestaat het hele gemanifesteerde zonnestelsel in zijn sukshma-vorm uit het licht of de energie van de logos, omdat de energie daarvan wordt opgevangen en overgebracht op kosmische stof. . . . . De hele Kosmos in zijn objectieve vorm is Vaikhari-Vâch, het licht van de logos is de madhyama-vorm, en de logos zelf de pasyanti-vorm, en Parabrahm is de para-vorm of het para-aspect van die Vâch. In het licht van deze uitleg moeten wij proberen bepaalde uitspraken van verschillende filosofen te begrijpen, die erop neerkomen dat de gemanifesteerde Kosmos het woord is, dat als Kosmos is gemanifesteerd’ (zie de bovengenoemde lezing over de Bhagavadgita).
1) Zie ‘The Theosophist’ van februari 1887, blz. 305, de eerste lezing over de Bhagavad-gita.
2) Madhya noemt men iets, waarvan het begin en het einde onbekend zijn, en para betekent oneindig. Al deze uitdrukkingen hebben betrekking op oneindigheid en de indeling van de tijd.

Benedict Broere AOS. Variatie en Omega Over de wereld als variatie op een thema en kunstwerk in wording, hoofdstuk 5: Logos
Universum, natuur en cultuur lijken in elkaar te grijpen als constructieve processen van ontwikkeling naar groter complexiteit en kwaliteit. Is het mogelijk dat zij bestaan op basis van uiteindelijk één en dezelfde orde, logos of verbindend patroon? Het AOS is bedoeld als een nadere invulling van de filosofie van Heraclitus, van het samenwerken van tegendelen naar een schoonste harmonie, in mijn geval het samenwerken van analyse en synthese in het genereren van omega, van een steeds grotere kwaliteit van bestaan. Men spreekt van de logos, het verbindend patroon.
Benedict Broere AOS. Variatie en Omega Over de wereld als variatie op een thema en kunstwerk in wording, hoofdstuk 6:
Het was daarom nogal een verassing toen paus Benedictus XVI in zijn omstreden speech te Regensburg sprak over de logos als een concept dat een centrale rol speelt in het christendom. De paus verwijst daarmee natuurlijk naar het beginvers van het Johannes-evangelie: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God." Met verderop de verwijzing naar Jezus Christus als 'het Woord' dat 'vlees is geworden'. Evenwel volledig in lijn met Heraclitus beschrijft hij de Logos als iets dat creatief is, dat er was vanaf het begin van alles, en dat de menselijke logos/rede analoog is aan de goddelijke logos/rede. Voorts geeft hij aan dat de wetenschappelijke rede aanleiding geeft tot het spreken over een bredere rede, waarin het religieuze discours ook mogelijk is, en dat ons beter in staat stelt de tegenwoordig zo noodzakelijke dialoog van de culturen en religies te voeren. En vervolgens besluit hij met te zeggen dat het de taak van de universiteit is deze Logos te ontdekken.

De Geheime Leer Deel I, De voorvaderen van de mens op aarde (p. 242):
Het is waar dat Ain-Soph, het ABSOLUTE EINDELOZE NIET-IETS, ook de gedaante van de ENE, de gemanifesteerde ‘hemelse mens’ (de EERSTE OORZAAK) gebruikt als zijn strijdwagen (mercabah in het Hebreeuws; vahan in het Sanskriet) of voertuig om in de wereld van de verschijnselen af te dalen en zich daarin te manifesteren. Maar de kabbalisten maken niet duidelijk hoe het ABSOLUTE iets kan gebruiken of een functie kan uitoefenen, omdat het als het Absolute geen eigenschappen heeft. Evenmin verklaren zij dat het in werkelijkheid de eerste Oorzaak (Plato’s logos) is, de oorspronkelijke en eeuwige IDEE, die zich manifesteert door Adam Kadmon, de tweede logos om zo te zeggen. In het ‘Boek van de Getallen’ wordt uitgelegd dat EN (of Ain, Aiôr) het enige zelfbestaande is, terwijl zijn ‘diepte’ (bythos of buthon van de gnostici, propator genoemd) alleen maar periodiek bestaat. De laatstgenoemde is Brahmâ, de differentiatie van Brahma of Parabrahm. Het is de diepte, de bron van het licht, of propator, die de ongemanifesteerde logos of de abstracte idee is, en niet Ain-Soph, waarvan de straal Adam-Kadmon – of de gemanifesteerde logos (het objectieve Heelal), ‘mannelijk en vrouwelijk’, – gebruikt als voertuig om zich daardoor te manifesteren. ====

Collectief leerproces (Lerende organisatie, Periodiciteit, Zelf-ontplooiing, Zeven zintuigen)

De Tweede grondstelling spreekt over de ‘absolute universaliteit van de wet van periodiciteit, van eb en vloed, van neergang en opkomst, die de natuurwetenschap op alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven’. Deze Wet der Cycli wordt genoemd in de Koran als in ‘En u was zonder leven en Hij gaf u leven? Wederom zal Hij er voor zorgen dat u sterft en u weer tot leven brengen, dan zult u tot Hem teruggebracht worden’ [2: De Koe, vers 28]. Dit toont duidelijk aan dat de geboorte een voortgaan is en de dood een terugkeer, hetgeen beschreven wordt als een vernieuwing.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, De drie grondstellingen van de geheime leer (p. 45/46):
Geest (of bewustzijn) en stof moeten echter niet als onafhankelijke werkelijkheden worden beschouwd, maar als de twee facetten of aspecten van het Absolute (Parabrahm), die de basis vormen van het voorwaardelijke Zijn, hetzij subjectief of objectief.
Het ‘gemanifesteerde Heelal’ is dus doordrongen van dualiteit en deze is als het ware de essentie van zijn EX-istentie als ‘manifestatie’. Maar evenals de tegenovergestelde polen van subject en object, geest en stof, alleen maar aspecten zijn van de Ene Eenheid waarin ze tot synthese zijn gebracht, zo is er ook in het gemanifesteerde Heelal ‘dat’ wat geest aan stof, en subject aan object verbindt.
Dit iets, dat tegenwoordig onbekend is in het westerse speculatieve denken, wordt door de occultisten fohat genoemd. Het is de ‘brug’ waardoor de ‘ideeën’ die in het ‘goddelijke denken’ bestaan, als ‘natuurwetten’ worden afgedrukt op de kosmische substantie. Fohat is dus de dynamische energie van de kosmische verbeelding, of, van de andere kant beschouwd, het intelligente medium, de leidende kracht van alle manifestatie, de ‘goddelijke gedachte’ die wordt overgebracht en openbaar gemaakt door de Dhyan-Chohans20, de architecten van de zichtbare wereld. Zo is ons bewustzijn afkomstig van de geest of de kosmische verbeelding; de verschillende voertuigen waarin dat bewustzijn wordt geïndividualiseerd en tot zelf- of reflectief bewustzijn komt, zijn afkomstig van de kosmische substantie; terwijl fohat in zijn verscheidene manifestaties de geheimzinnige schakel vormt tussen denkvermogen en materie, het bezielende beginsel dat ieder atoom tot leven prikkelt.
(4.) Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT of intelligentie, de universele wereldziel, het kosmische noumenon van de stof, de grondslag van de verstandelijke werkingen in en van de Natuur, ook genoemd MAHA-BUDDHI.
De ENE WERKELIJKHEID; haar tweevoudige aspecten in het voorwaardelijke Heelal.
Verder stelt de Geheime Leer:
(b) De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ en die ‘de zich manifesterende sterren’ en ‘de vonken van de eeuwigheid’ worden genoemd. ‘De eeuwigheid van de pelgrim21’ is als een oogwenk van het Zelf-bestaan (Boek van Dzyan). ‘Het verschijnen en verdwijnen van werelden is als een regelmatig getij van eb en vloed.’ (Zie Afdeling II, ‘Dagen en nachten van Brahma’.)
20) Door de christelijke theologie Aartsengelen, Serafijnen, enz. genoemd.
21) ‘Pelgrim’ is de benaming die wordt gegeven aan onze monade (de twee in één) gedurende haar cyclus van incarnaties. Zij is het enige onsterfelijke en eeuwige beginsel in ons, omdat zij een ondeelbaar onderdeel is van het integrale geheel – de universele geest, waaruit zij voortkomt en waarin zij aan het eind van de cyclus wordt opgenomen. Als men zegt dat zij uit de ene geest voortkomt, moet men een onbeholpen en onjuiste uitdrukking gebruiken, bij gebrek aan meer geschikte woorden in het Nederlands. De aanhangers van de Vedanta noemen haar sutratma (draad-ziel), maar ook hun uitleg verschilt iets van die van de occultisten. Het verklaren van dit verschil wordt echter aan eerstgenoemden zelf overgelaten.
Deze tweede stelling van de Geheime Leer betreft de algemene geldigheid van die wet van periodiciteit, van eb en vloed, van neergang en opkomst, die de natuurwetenschap op alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven. Een afwisseling zoals tussen dag en nacht, leven en dood, slapen en waken is een feit dat zo gewoon is, zo volkomen algemeen en zonder uitzondering, dat het gemakkelijk is te begrijpen dat wij er een van de werkelijk fundamentele wetten van het heelal in zien.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 1 De nacht van het heelal (p. 73):
Het verschijnen en verdwijnen van het Heelal wordt voorgesteld als een uitademing en inademing van ‘de grote adem’, die eeuwig is en die, omdat hij beweging is, een van de drie aspecten van het Absolute is; de andere twee zijn abstracte Ruimte en duur. Als de ‘grote adem’ wordt geprojecteerd, wordt hij de goddelijke adem genoemd en wordt hij beschouwd als het ademen van de onkenbare godheid – het ene Bestaan – die als het ware een gedachte uitademt die de Kosmos wordt. (Zie Isis Ontsluierd.) Zo verdwijnt ook, als de goddelijke adem weer wordt ingeademd, het Heelal in de schoot van ‘de grote moeder’, die dan slaapt ‘gewikkeld in haar onzichtbare gewaden’.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 18 Over de mythe van de 'gevallen engelen' in haar verschillende aspecten (p. 557):
Hoe echt esoterisch en in overeenstemming met de Geheime Leer ‘PYMANDER, de goddelijke gedachte’ van Hermes is, kan men alleen afleiden uit de oorspronkelijke en eerste vertalingen ervan in het Latijn en Grieks.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 17 Cyclische evolutie en karma (p. 712):
Zo zien we in de geschiedenis een regelmatige afwisseling van eb en vloed in het getij van de menselijke vooruitgang. De grote koninkrijken en keizerrijken van de wereld raken, nadat ze het hoogtepunt van hun bloei hebben bereikt, weer in verval, overeenkomstig dezelfde wet waardoor zij tot aanzien kwamen; totdat de mensheid, nadat ze het laagste punt heeft bereikt, zich weer doet gelden en nogmaals opklimt, waarbij volgens deze wet van cyclisch opklimmende vooruitgang, het bereikte iets hoger ligt dan het punt vanwaar zij daarvóór was afgedaald.
715: Kennis van karma geeft de overtuiging dat als
‘. . . de deugd wordt gekweld en de ondeugd zegeviert
De mensheid tot atheïsten wordt gemaakt’,
dat alleen zo is doordat die mensheid altijd haar ogen heeft gesloten voor de grote waarheid dat de mens zelf zijn eigen verlosser en zijn eigen vernietiger is; dat hij de hemel en de goden, de schikgodinnen en de voorzienigheid niet hoeft te beschuldigen van de schijnbare onrechtvaardigheid die te midden van de mensheid heerst.

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Hoofdstuk 1 De drie grondstellingen:
De tweede stelling in de proloog van De Geheime Leer houdt in dat het heelal als het ware de speelplaats, het terrein, het strijdperk, het toneel is van onophoudelijke, eeuwige, nooit eindigende periodiciteit: dat wil zeggen, van cyclische beweging, het manifesteren van het eeuwige leven in het cyclische verschijnen en verdwijnen van werelden – sterren, planeten en de andere hemellichamen in het kosmische reservoir dat men vaag en onnauwkeurig de ruimte noemt. Ze zegt ons, en daarmee geeft ze uiting aan de lering van de oude wijsheid, dat deze werelden komen en gaan als vonken, in mystieke taal de ‘vonken van de eeuwigheid’ genoemd. De levenscyclus van elk van de grotere lichamen is noodzakelijk van onmetelijke duur; en wanneer we over tijd spreken, eist het menselijke verstand dat we over een maatstaf beschikken aan de hand waarvan we kunnen begrijpen wat we met tijd bedoelen, en men heeft de periode van de omloop van de aarde om de zon, die we één jaar noemen, als een willekeurige maatstaf algemeen aanvaard.

====

Symmetrie (Eeuwige wederkeer, Lemniscaat, Meta-leren, Triade en Tetrade, Reciprociteit)

De eonenhypothese, de supersymmetrie in de schepping wordt mede op basis van biofotonen, constructieve – en destructieve interferentie, Meissner-effect en de eeuwige wederkeer van Nietzsche onderbouwd.

Het is de ‘Eeuwige wederkeer’ die de kwintessens tot uitdrukking brengt. De 1e -, 2e - 3e Grondstelling belichten het wederzijdse verband tussen Geest - Ziel - Lichaam.

De Botsende beschavingen (Clash of Civilizations) is de theorie van de Amerikaanse politicoloog Samuel Huntington die zegt dat de culturele en religieuze identiteit van mensen de belangrijkste bron van conflict wordt in de periode na de Koude Oorlog.
De belangrijkste bron van het conflict van Samuel Huntington vloeit voort uit eros. Voor Jung betekent eros de religieuze drift (moslimfundamentalisme), voor Freud de seksuele drift, het hebben en in bezit nemen, de emotie egoïsme (marktfundamentalisme). Alles heeft zijn tegenstelling, aardse begeerte inbegrepen. Of met andere woorden mannen zijn fysiek zo geschapen dat ze achter hun … aanlopen, maar ze hebben ook een hoofd gekregen waarmee ze tot in de hemel kunnen reiken.

In het boek Identity and Violence The illusion of destiny verwoord Amartya Sen op een goede manier wat vele mensen denken “Hoe het indelen van mensen in hokjes kan leiden tot haat, geweld en verwarring”. In dit boek weerlegt hij zoals de Anti-Machiavelli dit deed met het stuk van Machiavelli het boek The Clash of Cililizations en laat ons zien dat de ontwikkelingen en groei van de Westerse kennis mede te danken is aan zaken welke uit Azië en India zijn geïmporteerd.

Spiritualiteit kan werken in je crisis Socrates, Jezus en Boeddha als veeleisende welwillende verloskundigen
Aat (Lambèrt) de Kwant (REFLECTIE, nr. 4 winter 2010, p. 3/4)
In zijn fascinerende boek Socrates, Jezus, Boeddha drie leermeesters van de Franse filosoof en godsdienstwetenschapper, Frédéric Lenoir, zegt hij te geloven dat de huidige crisis een positieve uitwerking kan en moet krijgen. Ze kan ons volgens hem helpen om voor onze beschaving, die voor het eerst wereldomvattend is geworden, een nieuwe grondslag te vinden, op basis van andere criteria dan enkel geld en consumptie. ”Deze crisis,” zo zegt hij, “is niet alleen economisch en financieel, maar ook filosofisch enspiritueel. Die plaatst ons voor universele vragen: wat maakt een mens gelukkig? Wat kunnen we ware vooruitgang noemen? Wat zijn de voorwaarden voor een harmonieus en sociaal leven?”
Mensen zijn niet lid van één bepaalde groep en hebben niet één specifieke en vastomlijnde identiteit. In werkelijkheid behoren we tot diverse groepen die voortdurend de diverse aspecten van onze complexe identiteit bepalen en dat is een goede zaak. Het tegendeel is pas gevaarlijk. Juist de opdeling en opsluiting van mensen in één specifieke identiteit leidt tot gevoelens van meerderwaardigheid en geweld. Heel wat barbaarse conflicten die in de loop van de geschiedenis gebeurden, kwamen voort uit de veronderstelling van van het bestaan van een unieke en superieure identiteit.

Door het Nederland-breed ingevoerde eenzijdige marktdenken in de collectieve sector hebben polici het paard achter de wagen gespannen en schieten daarmee uiteindelijk in eigen voet. Het ééndimensionale, competitieve marktdenken staat diametraal tegenover het innovatieve interdisciplinaire denken. Of met andere woorden de overheid is een deel van het probleem geworden en niet van de oplossing.

Om de relatie tussen ‘deel’ en ‘geheel’ te verklaren gebruikt Arthur Koestler het concept van holons. In dit verband kan ook verwezen worden naar het boek Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter. De Verstrengelde hiërarchie correspondeert met het recursieproces en de Merkwaardige lus en de verklaring voor ‘nieuw opduikende’ verschijnselen in onze hersenen – bijvoorbeeld ideeën, hoop, beelden, analogieën, en tenslotte bewustzijn en vrije wil berusten volgens Douglas Hofstadter – op een soort Merkwaardige lus, een wisselwerking tussen niveaus waarbij het hoogste niveau teruggrijpt naar het laagste en daarop invloed uitoefent, terwijl het tegelijkertijd door het laagste niveau bepaald is. Het zelf ontstaat op het moment waarop het zichzelf kan weerspiegelen.

De leringen van de theosofie zijn niet gebaseerd op geloof maar op kennis. Theosofie verklaart zowel het 'Wat' (Religie), het 'Waarom' (Filosofie), als het 'Hoe' (Wetenschap) van het leven. Het waarom wordt vanuit een inductieve, intuïtieve benadering beantwoord.
De Theosofie wijst op de essentiële eenheid achter de grote verscheidenheid aan vormen en levensuitingen. Deze eenheid ligt aan de gehele Natuur ten grondslag.

Ken Wilber: boek De eenvoud van zijn - Omarm je ware aard
"Kijk naar de loop van de evolutie tot heden: van amoebe tot mens! Stel dat die verhouding, van amoebe tot mens, van toepassing zou zijn op de toekomstige evolutie. Dat wil zeggen, amoeben verhouden zich tot mensen als mensen tot - wat? Is het zo bespottelijk om te suggereren dat het 'Wat' inderdaad Omega, Geist, het Supramentale, de Geest, zou zijn? Dat Brahman niet alleen de grond van evolutie is, maar ook het doel?

Wanneer we theosofie praktisch willen gaan toepassen gaat het naast Wat, Waarom en Hoe om de vraag 'Wanneer'? Dit rapport legt op het wanneer, op het besturingssysteem, de wederzijdse wisselwerking tussen hardware en software de nadruk. De ziel, het 'Wie' de menselijke psyche verbindt het verleden met de toekomst en vice versa. Tegenover de symbolische orde staat de diabolische uitzichtloze wereld.

De wijsheidssleutels 1, 2 en 3 dragen een macro en de sleutels 5, 6 en 7 een micro karakter. De schakel, de ziel brengt de reflexieve dynamiek 'zo binnen, zo buiten; zo buiten, zo binnen' tot uitdrukking.
Sleutel 1 kan in samenhang worden gezien met sleutel 7, sleutel 2 met 6, en sleutel 3 met 5. De supersymmetrie in het universum wordt daarmee (1 + 7, 2 + 6 en 3 + 5 = 8) tot uitdrukking gebracht en kan met behulp van een lemniscaat worden gesymboliseerd. In de vierde Ronde ligt het accent van de schakel tussen binnen en buiten op de 4e sleutel.
De Geheime Leer III, p. 547: Metafysisch en wijsgerig is de mens als volledige eenheid samengesteld uit vier eeuwige grondbeginselen (wijsheidssleutels 1 t/m 4) en door de beginselen voortgebrachte tijdelijke drie aanzichten (wijsheidssleutels 5, 6 en 7) op deze aarde.

Kompaskwadrant:Drie aanzichten,wijsheidssleutels 5, 6 en 7: Filognosie:
RuimteKwalitatieve as2e Bottom up en Top downFilosofie en EthiekI Methode en Wetenschap
MaterieKwantitatieve as1e Segulier en RegulierPsychologie en SociologieIII De Persoon en de Politiek
TijdVerticale as3e Analyse en OntwerpKompaskwadrant en CultuurII Analyse en Spiritualiteit

H.P. Blavatsky maakt van het gezichtspunt Zo boven, Zo beneden van Hermes Trismegistus (Lucifer nr. 3/4 2006) gebruik.
Madame Blavatsky over de studie van de Theosofie:
Wat je ook in De Geheime Leer wilt bestuderen , houd steeds de volgende denkbeelden voor ogen, die de basis moeten zijn van je ideeën-vorming:

Er is slechts één Leven en Wet, die door het 2e aanzicht, de reciprociteit en het Meta-leren, tot uitdrukking wordt gebracht.
Het laatste of het 7e juweel, naar boven geteld, wordt atma-vidya genoemd, dat letterlijk ‘kennis van het zelf’ betekent.

De éne werkelijkheid is dat het universum in het menselijke bewustzijn wordt weerspiegeld. De driehoek van Pythagoras en de categorieën van Aristoteles symboliseren hoe de innerlijke wereld met de uiterlijke wereld, religie en wetenschap, 'Wat en Hoe; Hoe en Wat' met elkaar worden verbonden. Richard Dawkins is van dezelfde school als de wetenschappers Dick Swaab en Victor Lamme, die zich op een kant van de medaille fixeren. Juist de denkwijze van Richard Dawkins c.s. heeft tot gevolg dat politici zich tot marionetten van het systeem reduceren.

De mimesistheorie van Plato ligt hieraan ten grondslag namelijk dat alle beslissende inzichten – de inzichten betreffende de structuur van de geestelijke en de zintuigelijke wereld – reeds onbewust in het innerlijk van de mens sluimeren.

De Logos A.B.C. Het Onkenbare, de wisselwerking tussen DAT en DIT, de blauwdruk gaat het menselijke begripsvermogen te boven. Het brengt de relatie tussen hemel en aarde, het ontstaan van de kosmos en van de mens (H.P. Blavatsky, De Geheime Leer Deel I en II) tot uitdrukking.

Het 3e beginsel betreft de leerstelling van hiërarchieën en heeft op het zo boven zo beneden betrekking (leerstelling van de emanaties).

De volmaaktheid in de hemel staat tegenover de onvolmaaktheid op aarde. Een flits van geluk, synthese ontstaat 'Wanneer' in de ziel ‘binnen en buiten’ samenvloeien. Het 3e beginsel brengt de éne werkelijkheid, de Eeuwige wederkeer, de wisselwerking tussen Sat en Asat (Alpha en Omega), tot uitdrukking. Het beginsel maakt de periodiciteit, het verschijnen en verdwijnen, het fenomeen 'verleden en toekomst' en het eeuwige nu tussen verleden en toekomst mogelijk.

De 4e sleutel ligt op het snijvlak tussen binnen en buiten en brengt de 'kennis van het zelf’ (Zelf-ontplooiing) tot uitdrukking. De moraal van het verhaal, het 'Waarom' wordt op het snijvlak van individu en collectief manifest.

In de visie van Kees van Lieshout, hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de katholieke universiteit Nijmegen, wordt extraversie bepaald door de wijze waarop mensen worden geactiveerd. Er is een duidelijk verschil tussen introverte en extraverte types bij prikkels uit de omgeving.

De 5e sleutelde, de verborgen 5e dimensie, wordt in het rapport 'E i V' toegelicht. Het aan 'Wie' staat centraal. Het Wie staat los van een theïstische of een atheïstische visie. Het Ether-paradigma in het centrum van de kubus toont de blauwdruk achter de levenscycli.

De 6e sleutel stelt dat dualiteit aan de basis van alle manifestatie ligt.

De 7e sleutel brengt het toppunt van vrijheid tot uitdrukking. In de religieuze tradities is het onder verschillende namen bekend – zoals verlichting, bevrijding, nirvana, moksha, satori – en wordt het beschreven als een ervaring waarin de betrokkene zich verbonden voelt met alle andere wezens en met alles wat bestaat. Het is een toestand waarin degene die de ervaring heeft zijn of haar lot gelijkstelt aan dat van anderen.

Het is mogelijk in een flits het metafysische contrapunt, het éne te ervaren. Dit kan bijvoorbeeld wanneer we genieten van muziek, een goed boek, van de natuur. De zelfkennis maakt het Ene en het Vele mogelijk, het staat voor ‘Eenheid in Verscheidenheid’.

De zeven wijsheidssleutels symboliseren hoe probleem en oplossing met elkaar zijn verbonden. Het gaat om de onderlinge wisselwerking tussen de mens en zijn omgeving.

De zeven sleutels laten zien dat de wereld volmaakt geschapen is, aan God ligt het niet. Het is zoals het is, de kaarten zijn al geschud. Het is naïef te veronderstellen dat we de ène werkelijkheid kunnen veranderen. Het enige wat we wel kunnen is om zo goed mogelijk met de ène werkelijkheid te leren leven. Kiezen we voor evolutie of devolutie? In hoeverre is de mens bereid zich aan veranderende omstandigheden aan te passen?

Aan de wereld van de eeuwig wederkerende verschijnselen (Aldous Huxley: perennial, Friedrich Nietzsche: ewige Wiederkehr), ligt een eeuwige natuurlijke ordening, een blauwdruk (zevenvoudige samenstelling van de mens, het factorelement, de Wet van Zeven, de Triade en de Tetrade) ten grondslag. De Triade, de triniteit vormt de natuurlijke eenheid 'Ruimte, Materie en Tijd' en de Tetrade vormt de natuurlijke selectie. Bij de natuurlijke selectie gaat het primair om de context Uw wil geschiede. Richard Dawkins heeft gelijk wanneer hij stelt dat het bij levensprocessen om natuurlijke selectie gaat.

De Geheime Leer Deel I Stanza 2 Het denkbeeld van differentiatie (p. 91):
Zo wordt op aarde het mysterie herhaald, dat zich volgens de zieners op het goddelijke gebied heeft afgespeeld. De ‘zoon’ van de onbevlekte hemelse maagd (of de ongedifferentieerde kosmische protyle9, de stof in haar oneindigheid) wordt op aarde herboren als de zoon van de aardse Eva, onze moeder Aarde, en wordt de mensheid als geheel – van het verleden, het heden en de toekomst – want Jehovah of jod-he-vau-he is androgyn, of zowel mannelijk als vrouwelijk. Boven is de zoon de hele Kosmos, beneden is hij de MENSHEID. De triade of driehoek wordt de Tetraktis, het heilige getal van Pythagoras, het volmaakte vierkant, en een zeszijdige kubus op aarde. De macroprosopus (het grote gezicht) is nu de microprosopus (het kleine gezicht) of, zoals de kabbalisten zeggen, de ‘oude van dagen’, die neerdaalt op Adam Kadmon die hij als zijn voertuig gebruikt om zich daardoor te manifesteren, wordt veranderd in een tetragrammaton. Deze is nu in de ‘schoot van maya’, de grote illusie, en heeft tussen zichzelf en de werkelijkheid het astrale licht, de grote misleider van de beperkte zintuigen van de mens, tenzij kennis door middel van paramarthasatya hem te hulp komt.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 Zij brengen fohat voort (p. 140/143):
Fohat is dus de verpersoonlijkte elektrische levenskracht, de transcendentale verbindende eenheid van alle kosmische energieën, zowel op de onzichtbare als op de gemanifesteerde gebieden, waarvan de werking – op reusachtige schaal – lijkt op die van een door de WIL voortgebrachte levende kracht, bij die verschijnselen waarbij het schijnbaar subjectieve inwerkt op het schijnbaar objectieve en dat tot handeling aanzet. Fohat is niet alleen het levende symbool en het voertuig van die kracht, maar wordt door de occultisten ook als een entiteit beschouwd. De krachten waarop hij inwerkt zijn kosmisch, menselijk en aards en oefenen hun invloed uit op al die verschillende gebieden. Op aards gebied wordt zijn invloed gevoeld in de magnetische en werkzame kracht die wordt voortgebracht door de sterke wens van de magnetiseur. Op kosmisch gebied is zijn invloed gelegen in de opbouwende kracht die bij het vormen van dingen – van het planetenstelsel tot de glimworm en het gewone madeliefje – het plan van de ontwikkeling en de groei van dat bepaalde ding realiseert. Dit plan is besloten in het denkvermogen van de natuur, of in het goddelijke Denken. Hij is, metafysisch opgevat, de geobjectiveerde gedachte van de goden, op een lagere trap het ‘vleesgeworden woord’ en de boodschapper van de kosmische en menselijke verbeeldingskracht: de werkzame kracht in het universele leven. In zijn secundaire aspect is fohat de zonne-energie, het elektrische levensfluïdum5 en het instandhoudende vierde beginsel, de levende ziel van de Natuur, om zo te zeggen, of – elektriciteit. In India wordt fohat in verband gebracht met Vishnu en Surya in de oorspronkelijke rol van de (eerste) god, want Vishnu is in de Rig Veda geen hoge god. De naam Vishnu komt van de wortel vish, ‘doordringen’, en fohat wordt de ‘doordringer’ en de maker genoemd, omdat hij de atomen vormt uit ruw materiaal6. In de heilige teksten van de Rig Veda is Vishnu ook ‘een manifestatie van de zonne-energie’, en er wordt beschreven dat hij met drie stappen door de zeven gebieden van het Heelal gaat. De vedische god heeft dus weinig gemeen met de Vishnu uit de latere tijd. Daarom zijn beide (fohat en Vishnu) in dit speciale opzicht gelijk, en is de een een kopie van de ander.
5) In 1882 werd de president van de Theosophical Society, kolonel Olcott, bekritiseerd wegens de bewering in een van zijn lezingen, dat elektriciteit stof is. Niettemin wordt dit verkondigd door de Occulte Leer. Zolang de Europese wetenschap zo weinig weet over de ware aard van elektriciteit, zijn ‘kracht’ of ‘energie’ misschien betere namen hiervoor; maar toch is zij stof, evengoed als ether stof is, omdat zij evengoed atomair is, hoewel zij verschillende gradaties van laatstgenoemde afstaat. Het lijkt belachelijk te redeneren dat, omdat iets voor de wetenschap onweegbaar is, het daarom geen stof kan worden genoemd. Elektriciteit is ‘onstoffelijk’ in die zin, dat haar moleculen niet kunnen worden waargenomen en er niet mee kan worden geëxperimenteerd; maar toch kan zij uit atomen bestaan – en het occultisme zegt dat – en dus is zij stof. Maar zelfs als we zouden veronderstellen dat het onwetenschappelijk is er in zulke bewoordingen over te spreken, doet zich de vraag voor: als in de wetenschap elektriciteit een bron van energie wordt genoemd, eenvoudig energie en een kracht, waar is dan die kracht of die energie die men zich kan voorstellen zonder aan stof te denken? Maxwell, een wiskundige en een van de grootste autoriteiten op het gebied van elektriciteit en haar verschijnselen, zei jaren geleden dat elektriciteit stof was en niet alleen beweging. ‘Als we de hypothese aanvaarden dat de elementaire substanties zijn samengesteld uit atomen, moeten we wel concluderen dat ook elektriciteit, zowel positieve als negatieve, is verdeeld in bepaalde elementaire delen, die zich gedragen als atomen van elektriciteit.’ (Helmholtz, Faraday Lecture, 1881.) Wij gaan nog verder en beweren dat elektriciteit niet alleen substantie is, maar ook een uitstraling van een entiteit, die noch god noch duivel is, maar een van de talloze wezens die onze wereld volgens de eeuwige wet van KARMA besturen en leiden. (Zie het Aanhangsel bij dit Deel.)
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk Enkele vroegere theosofische misvattingen over planeten, ronden en de mens (p. 182):
Onder de elf weggelaten stanza’s is er een, die een volledige beschrijving geeft van de vorming van de opeenvolgende planeetketens, nadat de eerste kosmische en atomaire differentiatie was begonnen in het oorspronkelijke akosmische. Het is zinloos te spreken over ‘wetten die ontstaan als de godheid zich voorbereidt om te scheppen’, want (a) wetten zijn, of beter DE WET is, eeuwig en ongeschapen; en (b) de godheid is wet, en omgekeerd. Bovendien ontvouwt de ene eeuwige WET alles in de (toekomstige) gemanifesteerde Natuur volgens een zevenvoudig beginsel (factorgetal); daartoe behoren ook de talloze kringvormige ketens van werelden, die bestaan uit zeven bollen, trapsgewijze gerangschikt op de vier lagere gebieden van de wereld van vorming (de drie andere behoren tot het Heelal van de archetypen). Van deze zeven valt er maar één, de laagste en meest stoffelijke van die bollen, binnen ons gebied van waarneming; de zes andere liggen daarbuiten en zijn daarom voor het aardse oog onzichtbaar. Elk van die ketens van werelden is de nakomeling en schepping van een andere, lagere en dode keten – haar reïncarnatie om zo te zeggen.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk De drievoudige evolutie in de natuur, p. 210:
Het wordt nu duidelijk, dat er in de Natuur een drievoudig evolutieplan bestaat voor het vormen van de drie periodieke upadhi’s, of liever drie afzonderlijke evolutieplannen, die in ons stelsel op elk punt onontwarbaar zijn dooreengeweven en vermengd. Dit zijn de monadische (of geestelijke), de verstandelijke en de stoffelijke evolutie. Deze drie zijn de eindige aspecten of de weerspiegelingen op het gebied van de kosmische illusie van ATMA, het zevende beginsel, de ENE WERKELIJKHEID.
1. De monadische evolutie heeft, zoals de naam al zegt, te maken met de groei en ontwikkeling van de monade tot nog hogere stadia van activiteit, en gaat samen met:
2. De verstandelijke evolutie, vertegenwoordigd door de Manasa-Dhyani’s (de zonnedeva’s, of de agnishwatta pitri’s), die de mens verstand en bewustzijn geven en:
3. De stoffelijke evolutie, vertegenwoordigd door de chhaya’s van de maanpitri’s, waaromheen de Natuur het huidige stoffelijke lichaam heeft geconcretiseerd. Dit lichaam dient als voertuig voor de ‘groei’ (om een misleidend woord te gebruiken) en voor de omzetting door middel van manas en – tengevolge van de opeenstapeling van ervaringen – van het eindige in het ONEINDIGE, van het voorbijgaande in het Eeuwige en Absolute.
Elk van deze drie stelsels heeft zijn eigen wetten, en wordt bestuurd en geleid door verschillende groepen van de hoogste Dhyani’s of ‘logoi’. Elk is vertegenwoordigd in de constitutie van de mens, de microkosmos van de grote macrokosmos; en de vereniging in hem van deze drie stromingen maakt hem het samengestelde wezen dat hij nu is.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 274/275):
De occulte leer zegt dat, terwijl de monade haar cyclus naar beneden in de stof doorloopt, deze zelfde Elohim – of pitri’s, de lagere Dhyan-Chohans – zich gelijkelijk met haar ontwikkelen op een hoger en meer geestelijk gebied; op hun eigen bewustzijnsgebied dalen ze ook relatief in de stof af, waarbij ze, als ze een bepaald punt hebben bereikt, de incarnerende redeloze monade zullen ontmoeten, die is opgesloten in de laagste stof; en door het vermengen van de twee potenties, geest en stof, zal dat aardse symbool worden voortgebracht van de ‘hemelse mens’ in de ruimte – DE VOLMAAKTE MENS. In de sankhyafilosofie wordt gezegd, dat purusha (de geest) machteloos is, tenzij hij op de schouders van prakriti (de stof) gaat staan, die aan zichzelf overgelaten, redeloos is. Maar in de geheime filosofie worden zij als gradueel verschillend gezien. Hoewel van oorsprong een en hetzelfde, beginnen geest en stof, als ze eenmaal op het gebied van differentiatie zijn, hun ontwikkelingsgang in tegengestelde richtingen – de geest valt geleidelijk in de stof, en laatstgenoemde stijgt op tot haar oorspronkelijke toestand van een zuivere geestelijke substantie. Beide zijn onscheidbaar en toch altijd gescheiden. Op het stoffelijke gebied zullen twee gelijksoortige polen elkaar altijd afstoten, terwijl de negatieve en de positieve pool elkaar wederzijds aantrekken; op dezelfde manier staan geest en stof tegenover elkaar – de twee polen van dezelfde homogene substantie, het wortelbeginsel van het heelal.
283/284: Akasa is dus pradhana in een andere vorm, en kan als zodanig geen ether zijn, het altijd onzichtbare agens, waaraan zelfs de natuurwetenschap het hof maakt. Het is evenmin astraal licht. Het is, zoals gezegd, het noumenon van de zevenvoudig gedifferentieerde prakriti43 – de altijd onbevlekte ‘moeder’ van de vaderloze zoon, die ‘vader’ wordt op het lagere gemanifesteerde gebied. Want MAHAT is het eerste voortbrengsel van pradhana of akasa, en mahat – universele intelligentie, ‘waarvan buddhi de kenmerkende eigenschap is’ – is niets anders dan de logos, want hij wordt ‘Eswara’ Brahma, Bhava, enz. genoemd. (Zie Linga Purana, afd. lxx, 12 e.v. en Vayu Purana, maar vooral het eerstgenoemde Purana, afdeling viii, 67-74.) Kortom, hij is de ‘schepper’ of het goddelijke denkvermogen in scheppende werkzaamheid, ‘de oorzaak van alle dingen’. Hij is de ‘eerstgeborene’, over wie de Purana’s ons mededelen dat ‘mahat en stof de innerlijke en uiterlijke grenzen van het Heelal zijn’, of in onze taal, de negatieve en de positieve polen van de tweevoudige natuur (abstract en concreet), want het Purana voegt eraan toe: ‘Op deze manier – zoals de zeven vormen (beginselen) van prakriti worden geteld van mahat tot de aarde – zo keren bij het aanbreken van pralaya (pratyahara) deze zeven achtereenvolgens in elkaar terug. Het ei van Brahma (sarva-mandala) wordt opgelost met zijn zeven zones (dvipa), zeven oceanen, zeven gebieden, enz.’ (Vishnu Purana, Deel vi, hfst. iv)44.
Dit zijn de redenen waarom de occultisten weigeren aan akasa de naam astraal licht te geven, of om het ether te noemen. ‘In het huis van mijn vader zijn vele woningen’ kan worden vergeleken met het occulte gezegde ‘In het huis van onze moeder zijn zeven woningen’ of gebieden, waarvan het laagste boven en rondom ons is – het astrale licht.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 2 De mysterietaal en haar sleutels (p. 349/350):
Als we hiervan uitgaan, kunnen we gemakkelijk begrijpen hoe de natuur zelf de oorspronkelijke mensheid, ook zonder de hulp van haar goddelijke leraren, de eerste beginselen van een numerieke en meetkundige symbolentaal5 heeft kunnen bijbrengen. Men ziet dan ook, dat in ieder archaïsch symbolisch geschrift getallen en figuren worden gebruikt om gedachten uit te drukken en vast te leggen. Ze zijn steeds dezelfde, met slechts een paar variaties, die voortkomen uit de eerste figuren. Zo werden de evolutie en het onderlinge verband tussen de mysteries van de Kosmos, van de groei en de ontwikkeling daarvan – geestelijk en stoffelijk, abstract en concreet – het eerst opgetekend in meetkundige vormveranderingen. Iedere kosmogonie begon met een cirkel, een punt, een driehoek en een kubus, tot en met het getal 9, waarna het getal werd samengesteld uit de eerste lijn en een cirkel – de mystieke decade van Pythagoras, de som van alles, die de mysteries van de hele Kosmos betreft en tot uitdrukking brengt. In het hindoestelsel zijn deze mysteries, voor degene die de mystieke taal ervan kan begrijpen, honderd keer zo volledig uitgebeeld. De getallen 3 en 4, samen 7, alsmede 5, 6, 9 en 10 zijn de hoekstenen van de occulte kosmogonieën. Deze decade en haar duizenden combinaties vindt men overal op de aardbol. Men herkent ze zowel in de grotten en de rotstempels van Hindostan en Midden-Azië als in de piramiden en op de gedenkstenen van Egypte en Amerika; in de catacomben van Ozimandyas, op de grafheuvels in het met sneeuw bedekte gebergte van de Kaukasus, in de ruïnes van Palenque, op Paaseiland, overal waar de mens van de oudheid ook maar voet heeft gezet. De 3 en de 4, de driehoek en de kubus of het universele mannelijke en vrouwelijke symbool, die het eerste aspect weergeven van de zich ontwikkelende godheid, staan voor altijd afgebeeld in het Zuiderkruis aan de hemel, evenals in het Egyptische ansata-kruis. . . . Dit wordt heel goed uitgedrukt: ‘De uitgevouwen kubus toont een kruis van de tau- of Egyptische vorm, of van de vorm van het christelijke kruis. . . . Als men aan het eerstgenoemde een cirkel toevoegt, krijgt men het ansata-kruis . . . de getallen 3 en 4, die men van het kruis afleest, laten een vorm van de (Hebreeuwse) gouden kandelaar (in het Heilige der Heiligen) zien, en van de 3 + 4 = 7 en 6 + 1 = 7 dagen in de cyclus van de week, als 7 lichten van de zon. Zoals uit de week van de 7 lichten de maand en het jaar ontstonden, geeft deze ook de tijd van de geboorte aan. . . . Omdat de vorm van een kruis wordt verkregen door tevens gebruik te maken van de verhouding 113 : 355, wordt het symbool volledig door een mens aan het kruis te bevestigen6. Deze maat liet men samengaan met het idee van de oorsprong van het menselijke leven, en vandaar de fallische vorm7.’
352/353: ‘De vorm van deze piramide (van Papantla), die zeven verdiepingen heeft, is spitser dan van elk ander soortgelijk monument dat tot nu toe is ontdekt, maar haar hoogte is niet opvallend; zij bedraagt slechts 57 voet en haar basis is aan elke zijde maar 25 voet. Ze is echter in één opzicht opmerkelijk: ze is geheel gebouwd van gehouwen stenen van buitengewone omvang, en heel fraai gevormd. Drie trappen leiden naar de top, de treden ervan zijn versierd met gebeeldhouwde hiërogliefen en kleine nissen, die volledig symmetrisch zijn aangebracht. Het aantal van deze nissen schijnt te wijzen op de 318 enkelvoudige en samengestelde tekens van de dagen van hun burgerlijke kalender.’’
‘318 is de gnostische waarde van Christus’, merkt de schrijver op, ‘en het beroemde aantal van de geoefende of besneden dienaren van Abraham. Wanneer men in aanmerking neemt dat 318 een abstracte en universele waarde is en een uitdrukking voor de waarde van de middellijn van een cirkel met omtrek één, wordt het gebruik ervan bij het samenstellen van de burgerlijke kalender duidelijk.’
355: De ZEVEN SLEUTELS openen de mysteries uit het verleden en de toekomst van de zeven grote Wortelrassen en ook van de zeven kalpa’s. Hoewel de wetenschap het ontstaan van de mens en zelfs de esoterische geologie beslist zal verwerpen, evengoed als de satanische en vóór-Adamse rassen, moeten de geleerden, als ze geen andere uitweg zien uit hun moeilijkheden, toch tussen die twee kiezen, en we zijn er zeker van dat ondanks de Schrift, de archaïsche leer zal worden aanvaard zodra de mysterietaal bij benadering wordt beheerst.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 4 Is de zwaartekracht een wet? (p. 540/541)):
Wat in de geest van de grote wiskundige de schimmige, maar stevig gewortelde vorm aannam van God als het noumenon van alles1, werd door de oude (en ook hedendaagse) filosofen en occultisten ‘goden’ genoemd, of de scheppende, vormgevende krachten. De omschrijving kan verschillend zijn geweest, en de ideeën kunnen door de gehele religieuze en wereldlijke oudheid meer of minder filosofisch zijn uiteengezet, maar de grondgedachte was dezelfde2. Voor Pythagoras waren de krachten spirituele entiteiten, goden die onafhankelijk waren van de planeten en de stof zoals wij die op aarde zien en kennen, en die de bestuurders zijn van de sterrenhemel. Plato stelde zich de planeten voor als bewogen door een innerlijke bestuurder, die één is met zijn woning, zoals ‘een schipper in zijn boot’. Wat Aristoteles betreft, hij noemde die bestuurders ‘onstoffelijke’ substanties’3; hoewel hij, omdat hij nooit was ingewijd, niet aannam dat de goden entiteiten waren (zie Vossius, Deel II, blz. 528). Maar dit belette hem niet het feit te erkennen dat de sterren en planeten ‘geen onbezielde massa’s waren, maar inderdaad werkende en levende lichamen . . .’ Alsof ‘de geesten van de sterren het goddelijke deel van hun verschijnselen waren, τὰ θειότερα τῶν ϕανερῶν’(De Caelo. I.9).
541/542: Als wij naar een bevestiging hiervan zoeken in meer moderne en wetenschappelijke tijden, vinden we dat Tycho Brahè in de sterren een drievoudige kracht erkende, goddelijk, spiritueel en vitaal. Kepler bracht de woorden van Pythagoras, ‘de zon, bewaker van Jupiter’, in verband met de verzen van David: ‘hij plaatste zijn troon in de zon’ en ‘de Heer is de zon’, enz. Kepler zei namelijk dat hij volkomen begreep waarom de volgelingen van Pythagoras geloofden dat al de in de Ruimte verspreide bollen rationele intelligenties waren, facultates ratiocinativae, die om de zon draaiden en ‘waarin een zuivere geest van vuur woont; de bron van de algemene harmonie’ (De Motibus planetarum harmonicis, blz. 248).
Wanneer een occultist over fohat spreekt – de stimulerende en leidende intelligentie in het universele elektrische of vitale fluïdum – wordt hij uitgelachen. Daarbij begrijpt men tot op heden noch de aard van elektriciteit, noch die van leven of zelfs van licht, zoals nu is aangetoond. De occultist ziet in de manifestatie van elke kracht in de Natuur de werking of de bijzondere eigenschap van het noumenon daarvan. Dit noumenon is een afzonderlijke en intelligente individualiteit aan de andere kant van het gemanifesteerde mechanische Heelal.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 12 Oeroude gedachten in een modern kleed (p. 646/647):
‘We hebben een blik geworpen op de moeilijkheid om een element te omschrijven; we hebben ook de weerstand opgemerkt van veel vooraanstaande natuurkundigen en scheikundigen tegen de gebruikelijke betekenis van de term element; we hebben overwogen hoe onwaarschijnlijk het is dat ze eeuwig bestaan13, of dat ze door toeval ontstaan. Als overblijvend alternatief hebben we geopperd dat hun oorsprong ligt in een evolutieproces zoals dat van de hemellichamen volgens Laplace en van de planten en dieren op onze bol volgens Lamarck, Darwin en Wallace14. In de algemene rangschikking van de elementen zoals wij die kennen, hebben we een opvallende benadering gezien van die van de organische wereld15. Bij gebrek aan een direct bewijs voor de ontbinding van een element hebben we een indirect bewijs gezocht en gevonden . . . Vervolgens hebben we aandacht besteed aan het ontstaan van de elementen; en tenslotte hebben we een overzicht gegeven van een schema over hun oorsprong, dat voortvloeide uit de methode van prof. Reynolds om het periodieke systeem toe te lichten16 . . .
14) En in het bijzonder en oorspronkelijk volgens Kapila en Manu.
15) Dit is een wetenschappelijke bevestiging van de eeuwige wet van overeenstemming en analogie.
16) Nu geeft de schrijfster nederig toe volkomen onbekend te zijn met de hedendaagse scheikunde en haar geheimen. Maar zij is tamelijk goed op de hoogte van de occulte leer van de overeenkomsten van typen en antitypen in de natuur, en van de volmaakte analogie als een fundamentele wet van het occultisme.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 15 Goden, monaden en atomen (p. 678):
Wat onwetendheid, trots of fanatisme ook daartegen kan inbrengen, men kan aantonen dat de esoterische kosmologie onafscheidelijk is verbonden met zowel de filosofie als de hedendaagse wetenschap. De goden van de Ouden, de monaden – van Pythagoras tot die van Leibniz – en de atomen van de hedendaagse materialistische scholen (zoals die door hen zijn ontleend aan de theorieën van de oude Griekse atomisten) zijn slechts een samengestelde eenheid, of een eenheid van geleidelijk in elkaar overgaande delen, zoals de mens, die begint met het lichaam en eindigt met de geest. In de occulte wetenschappen kunnen zij afzonderlijk worden bestudeerd, maar men kan ze nooit geheel begrijpen, tenzij men ze ziet in hun wisselwerkingen tijdens hun levenscyclus en als een universele eenheid tijdens de pralaya’s.
693: De occulte wetenschap leert dat ‘de moeder’ zich in de oneindigheid (tijdens pralaya) uitstrekt als de grote diepte, de ‘droge wateren van de Ruimte’, volgens de eigenaardige uitdrukking in de Catechismus, en slechts nat wordt na de scheiding en na de beweging over haar oppervlak door Nārāyana, de ‘geest die de onzichtbare vlam is, die nooit brandt, maar alles in brand zet wat zij aanraakt, en die daaraan leven en ontstaan schenkt’.

De Geheime Leer Deel II Stanza 4 Schepping van de eerste rassen (p. 104/105):
Elke klasse van scheppers verleent de mens wat zij heeft te geven: de ene bouwt zijn uiterlijke vorm; de andere geeft hem haar essentie, die later het menselijke hogere Zelf wordt, tengevolge van de persoonlijke inspanning van het individu; maar zij konden de mensen niet maken zoals zijzelf waren: volmaakt, want zondeloos; zondeloos, omdat zij slechts de eerste flauwe schaduwachtige omtrekken van eigenschappen bezaten, en deze waren – vanuit menselijk standpunt – allemaal volmaakt, wit, zuiver en koud als de maagdelijke sneeuw. Waar geen strijd is, is geen verdienste. De mensheid, ‘door en door aardsgezind’, was niet bestemd te worden geschapen door de engelen van de eerste goddelijke adem: daarom zegt men dat zij hebben geweigerd dit te doen, en de mens moest worden gevormd door veel materiëlere scheppers8, die op hun beurt alleen konden geven wat zij in hun eigen natuur hadden, en meer niet. Onderworpen aan de eeuwige wet, konden de zuivere goden uit zichzelf slechts schaduwachtige mensen projecteren, wat minder etherisch en geestelijk, minder goddelijk en volmaakt dan zijzelf – maar toch schaduwen. De eerste mensheid was dus een bleke kopie van haar voorouders; te stoffelijk, zelfs in haar etherische toestand, om een hiërarchie van goden te zijn; te geestelijk en zuiver om MENSEN te zijn, omdat zij immers in het bezit is van elke negatieve volmaaktheid (nirguna). Volmaaktheid moet, om volkomen te zijn, worden geboren uit onvolmaaktheid, het onvergankelijke moet groeien uit het vergankelijke en dit laatste hebben tot voertuig, grondslag en tegenstelling. Absoluut licht is absolute duisternis, en omgekeerd. Inderdaad is er in het rijk van de waarheid noch licht, noch duisternis. Goed en kwaad zijn tweelingen, de nakomelingen van Ruimte en Tijd, onder de heerschappij van maya. Scheid hen door de ene van de andere af te snijden, en zij zullen beide sterven. Geen van beide bestaat op zichzelf, want elk moet uit de ander worden voortgebracht en geschapen om tot bestaan te komen; beide moeten worden gekend en gewaardeerd voordat zij voorwerp van waarneming worden; daarom moet de sterveling hen als gescheiden denken.
109: In het macrokosmische werk heeft de ‘HAMER VAN DE SCHEPPING’ met zijn vier rechthoekig omgebogen armen betrekking op de voortdurende beweging en omwenteling van de onzichtbare Kosmos van krachten. In het werk van de gemanifesteerde Kosmos en onze aarde wijst hij op de draaiing van de wereldassen en de equatoriale gordels daarvan in de cyclussen van de tijd; de twee lijnen die de swastika vormen betekenen geest en stof, terwijl de vier haken de rondgaande beweging van de cyclussen aanduiden. Toegepast op de microkosmos, de mens, laat hij deze zien als een schakel tussen hemel en aarde: de rechterhand aan het eind van een horizontale arm is opgeheven, de linkerhand wijst naar de aarde. In de Smaragden Tafel van Hermes staat op de opgeheven rechterhand het woord ‘Solve’ gebeiteld en op de linker het woord ‘Coagula’. Het is tegelijkertijd een alchimistisch, kosmogonisch, antropologisch en magisch teken, met zeven sleutels tot de innerlijke betekenis ervan. Het is niet te veel gezegd dat de ingewikkelde symboliek van dit universele en meest suggestieve van alle tekens de sleutel bevat tot de zeven grote mysteriën van de Kosmos. Geboren in de mystieke opvattingen van de oude Ariërs en door hen geplaatst op de drempel van de eeuwigheid, op de kop van de slang Ananta, vond het zijn geestelijke dood in de scholastieke interpretaties van de middeleeuwse antropomorfisten. Het is de alfa en de omega van de universele scheppingskracht, die zich ontwikkelt uit zuivere geest en die eindigt in grove stof. Het is ook de sleutel tot de cyclus van de wetenschap, goddelijk en menselijk; en wie zijn volle betekenis begrijpt, is voor altijd bevrijd van de strikken van mahamaya, de grote illusie en misleider.
116: Maar wat is dat ‘geestelijke vuur’? In de alchemie is het in het algemeen WATERSTOF; terwijl het in de esoterische werkelijkheid de emanatie of de straal is die voortkomt uit zijn noumenon, de ‘Dhyan van het eerste element’. Waterstof is alleen op ons aardse gebied een gas. Maar zelfs in de scheikunde zou waterstof ‘de enige bestaande vorm van stof zijn, in onze betekenis van het woord’18, en zij is nauw verwant aan protyle, die ons layam is. Zij is om zo te zeggen de vader en voortbrenger, of beter de upadhi (basis) van zowel LUCHT als WATER, en is inderdaad ‘vuur, lucht en water’: één onder drie aspecten; vandaar de chemische en alchimistische drie-eenheid. In de wereld van manifestatie of stof is deze het objectieve symbool en de stoffelijke emanatie van het subjectieve en zuiver geestelijke Wezen op het gebied van de noumena. Terecht heeft Godfrey Higgins waterstof vergeleken en zelfs vereenzelvigd met TO ON, het ‘ene’ van de Grieken. Want, zoals hij opmerkt, waterstof is geen water, hoewel zij dit voortbrengt; waterstof is ook geen vuur, hoewel zij dit manifesteert of schept; en evenmin is zij lucht, hoewel lucht mag worden beschouwd als een product van het verenigen van water en vuur – want waterstof komt voor in het waterige element van de atmosfeer. Zij is drie in een.

De Geheime Leer Deel III, p. 364: Deze leer van Hermes was die van Pythagoras en vóór hem van Orpheus.

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 keer bekeken.