Ongemanifesteerd en Gemanifesteerd

Helena Blavatsky:
Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens – de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. (Geheime Leer, Deel I, p. 301)
Teilhard De Chardin: We zijn geen menselijke wezens die een spirituele ervaring hebben, we zijn spirituele wezens die een menselijke ervaring hebben.
Carl Jung: Mijn leven is de geschiedenis van een zelfverwerkelijking van het onbewuste.
In de archetypen zijn alle ervaringen gegeven, die sinds de oertijd op deze planeet zijn voorgekomen.
Alleen dat wat iemand werkelijk is heeft helende kracht.
Er is geen licht zonder schaduw en geen psychische heelheid zonder onvolmaaktheid.
Het enige dat er mis is met deze wereld is de mens.
Als we ons niet bewust zijn van iets in onszelf, dan moet de wereld noodgedwongen het conflict naar buiten brengen (boek Aion).
Tot persoonlijkheid kan niemand opvoeden, die dat zelf niet is.
Carl Jung Men kan namelijk geen enkele patiënt verder brengen dan men zelf is.
Wolfgang Pauli vatte de relatie tussen psyche en materie op als een spiegelsymmetrie.
(Engelien Scholtes boek De verborgen dimensie in het werk van Jung en Pauli)
P. Krishna: De wanorde die we om ons heen zien in de maatschappij is een projectie van de wanorde die aanwezig is in het menselijk bewustzijn.

Zevenvoudige samenstelling van de mens (5D-concept, Zelfbewustzijn, Aions-Aeonen-Eonen)

Peter Logghe ONDERGANG VAN HET AVONDLAND – HET DECADENTIEBEGRIP BIJ SPENGLER EN EVOLA, De doctrine van de 4 tijdperken:
In het tweede deel van zijn Rivolta stelt Julius Evola een “interpretatie van de geschiedenis op traditionele basis” voor (24). De geschiedenis evolueert niet, maar volgt het proces van regressie, van involutie, in de zin van het zich loskoppelen van de suprawereld, van het verbreken van de banden met het transcendente, van het macht van het “slechts menselijke”, van het materiële en het fysieke. Dit juist is het onderwerp van de doctrine van de vier tijdperken. En de moderne wereld past als gegoten in de vorm van het vierde tijdperk, de Kali Yuga, het IJzeren Tijdperk. Reeds Hesiodos beschreef de vier tijdperken als het Gouden Tijdperk (Sat yuga), het Zilveren (Tetra yuga), het Bronzen (Dvâpara yuga) en het IJzeren Tijdperk. Het zelfde thema vinden wij terug in de Hindoetraditie (satya-yuga – tijdperk van het zijn, de waarheid in transcendente zin, tretâ-yuga – tijdperk van de moeder, dvâpara-yuga – tijdperk van de helden, en kali-yuga of het sombere tijdperk) naast zovele andere mythen over zowat de ganse (traditionele) Wereld. Evola heeft deze cyclustheorie van René Guénon, die ze opnieuw in Europa binnenbracht.

Plotinus, de auteur van het boek De Enneaden was net als Origenes, een leerling van Ammonius Saccas.
Plotinus schreef de essays die later de Enneaden werden over een periode van meerdere jaren vanaf ca 253 tot een paar maanden voor zijn dood, zeventien jaar later. Porphyrius wijst er op dat de Enneaden, voordat ze door hemzelf waren samengesteld en geordend, slechts een enorme verzameling van notities en essays waren, die door Plotinus werden gebruikt in zijn colleges en debatten, in plaats van het formele boek dat Porphyrius ervan gemaakt heeft. Plotinus was zelf vanwege een slecht gezichtsvermogen niet in staat om zijn eigen werk te redigeren, terwijl zijn geschriften volgens Porphyrius juist een uitgebreide redactie vereisten: het handschrift van Plotinus was afschuwelijk, ook wist hij zijn woorden niet goed van elkaar te scheiden en hij trok zich ook weinig aan van de subtiliteiten van de toenmalige spellingsregels. Plotinus had een hartgrondige hekel aan het redactionele proces, en liet deze taak graag aan Porphyrius over, die de geschriften van Plotinus bijschaafde en bundelde in de Enneaden.

Robert Bowen Madame Blavatsky over de studie van de Theosofie
H.P.B. schijnt nogal overtuigd te zijn van het belang van de lering (in het "Besluit") over de tijden van de komst van de rassen en de onderrassen. Duidelijker dan gewoonlijk stelde zij dat er in werkelijkheid niet zoiets bestaat als een toekomstig "komen" van rassen. "Er is noch sprake van komen, noch van gaan, maar van eeuwig worden," zegt zij. Het vierde wortelras is nog steeds in leven. Zo is het ook met het derde, tweede en eerste - dat wil zeggen, hun manifestaties op ons huidige stoffelijke gebied zijn aanwezig. Ik weet wat zij bedoelt, denk ik, maar ik ben niet in staat het onder woorden te brengen. Op dezelfde manier is het zesde onderras hier en het zesde wortelras en het zevende en zelfs mensen van de komende ronden. Per slot van rekening is dat heel begrijpelijk. Leerlingen, broeders en adepten kunnen geen mensen zijn van het alledaagse vijfde onderras, want "ras" is een stadium van evolutie.[4]
Maar zij laat er geen enkel misverstand over bestaan dat, voor zover het de mensheid in het algemeen betreft, zij honderden jaren (in tijd en ruimte) verwijderd zijn van zelfs het zesde onderras. Ik had de indruk dat H.P.B. een eigenaardige bezorgdheid toonde in haar nadruk op dit punt. Zij zinspeelde op "gevaren en waandenkbeelden" die voortkomen uit de ideeën dat het nieuwe ras al definitief in de wereld verschenen was. [5] Volgens haar valt de duur van een onderras, voor de mensheid als geheel samen met die van een siderisch jaar (de cirkel die de aardas beschrijft - ongeveer 25000 jaar). Dat houdt in dat het nieuwe ras nog erg ver weg is.
[4] Meer over leerlingen, broeders en adepten onder occultisme. Ik heb dit altijd zo begrepen en ben het ermee eens geweest. Maar omdat we er niet meer vanuit kunnen gaan dat H.P. Blavatsky dit geschreven heeft, moet de bevestiging hiervan dus uit De Geheime Leer zelf komen. Zijn Adepten en genien inderdaad mensen van een komend ras of is ook dit in haar mond gelegd?
[5] Zoals Barry Thompson, die mijn aandacht richtte op de twijfelachtigheid van de bron van dit document, zegt: Het komt nogal goed uit om in 1931 zorgen te hebben over dwaasheden rond misverstanden over de ronden en rassen. Het lijkt dus waarschijnlijk dat Bowen hier zijn huidige zorgen uit Blavatsky's mond laat komen.

De ‘Law of One’ heeft op het universele ordeningsprincipe karma, de 2e grondstelling betrekking. Het gaat echter in het kwantumvacuüm (bewustzijnsveld) om twee polen (les 3 polariteit), het aardse en het hemelse, om karma en dharma.

Karma kan ook aan de hand van het Yin/Yang-symbool en de Vijf Fasen worden geïllustreerd. Het symbool brengt drie opties tot uitdrukking, de natuurlijke -, de beheers - en de vernietigende kringloop. Amit Goswami, maakt in zijn boek De kwantum dokter, de nieuwe wetenschap van gezondheid en genezing, op p. 175 van hetzelfde Yin/Yang-symbool gebruik.

Henk Hogeboom van Buggenum (GAMMA jrg. 13 nr. 1 en jgr. 15 nr. 3):
Na de atmosfeer verscheen zo de biosfeer, de levende laag rond onze planeet. Uit deze biosfeer kwam door toeneming van complexiteit-bewustzijn ongeveer 5 miljoen jaar geleden een soort voort met een zeker zelfreflecterend vermogen. Deze australopithecus was het begin van een reeks hominiden of mensachtigen, waaruit zich door toenemende schedelinhoud van 400 tot 1600 cm3 de huidige homo sapiens ontwikkelde. Ook dit proces van cerebra-lisatie wordt gekenmerkt door oprolling. De mens vormt dan zelf weer een nieuwe laag rond onze planeet, die Teilhard de Chardin de noösfeer (Vladimir Vernadski) noemt, de laag van denkende korrels, bewustzijnspartikels, die samen bezig zijn een nieuwe eenheid te vormen, de mensheid.
Voor Teilhard betekent het christendom een cruciaal moment in de antropogenese, onze bewustwording als mens. Dat blijkt wel uit de invloed, die de figuur van Jezus heeft gehad. Zijn levenswandel werd als waardevol erkend, een richting die navolging verdiende. Het was een nieuw omslagpunt in de evolutie. In de mens werd God als het ware geboren, d.w.z. het besef van ieders verbondenheid met de schepper. Als iedereen - of hij nu boeddhist is of jood, christen of moslim - verbonden is met de schepper, is de liefde voor de medemens een uiting van verbondenheid met God.
Wij tappen het bewustzijn af met onze hersenen. Het bewustzijn is alomtegenwoordig en wij zijn er een deel van, dat zichzelf steeds kan verruimen aan de ander. De ander wordt zo tot een noodzakelijke voorwaarde voor onze groei.

H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel II, Conclusies (p. 505):
Zo is de loop van de Natuur onder de heerschappij van de KARMISCHE WET; van de altijd tegenwoordige en altijd wordende Natuur. Want, met de woorden van een wijze, die aan slechts enkele occultisten bekend is:
‘HET HEDEN IS HET KIND VAN HET VERLEDEN; DE TOEKOMST HET PRODUCT VAN HET HEDEN. EN TOCH, O TEGENWOORDIG MOMENT! WEET GIJ NIET DAT GIJ GEEN OUDER HEBT, EN OOK GEEN KIND KUNT HEBBEN; DAT GIJ EEUWIG SLECHTS UZELF VOORTBRENGT? VOORDAT GIJ ZELFS ZIJT BEGONNEN TE ZEGGEN: ‘IK BEN DE NAKOMELING VAN HET VERVLOGEN MOMENT, HET KIND VAN HET VERLEDEN’, ZIJT GIJ DAT VERLEDEN ZELF GEWORDEN. VOORDAT GIJ DE LAATSTE LETTERGREEP UITSPREEKT, ZIE! GIJ ZIJT NIET MEER HET HEDEN MAAR DIE TOEKOMST ZELF. ZO ZIJN HET VERLEDEN, HET HEDEN EN DE TOEKOMST, DE EEUWIGE LEVENDE DRIEËENHEID IN ÉÉN – HET MAHAMAYA VAN HET ABOLUTE IS.’

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Stanza 2 Het denkbeeld van differentiatie (p. 91):
5. DE ZEVEN (zonen) WAREN NOG NIET GEBOREN UIT HET WEEFSEL VAN LICHT. DUISTERNIS ALLEEN WAS VADER-MOEDER, SVABHAVAT; EN SVABHAVAT WAS IN DUISTERNIS (a).
(a) In de hier gegeven stanza’s houdt de Geheime Leer zich hoofdzakelijk, zo niet geheel, bezig met ons zonnestelsel en in het bijzonder met onze planeetketen. De ‘zeven zonen’ zijn daarom de scheppers van laatstgenoemde. Deze lering zal hierna uitvoeriger worden verklaard. (Zie Afd. II, ‘De theogonie van de scheppende goden’.)
91/92: Svabhavat, de ‘plastische essentie’ die het Heelal vult, is de wortel van alle dingen. Svabhavat is om zo te zeggen het boeddhistische concrete aspect van de abstractie die in de hindoefilosofie Mulaprakriti wordt genoemd. Het is het lichaam van de ziel en wat ether voor akasa zou zijn, en dit laatste is het bezielende beginsel van het eerstgenoemde.
H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiërarchieën (p. 128):
Beweging (de adem) wordt de wervelwind en brengt hen aan het draaien11.’
11) De materialistische wetenschap kan het nooit oplossen. ‘Beweging is eeuwig in het ongemanifesteerde, en periodiek in het gemanifesteerde’, zegt een occulte lering. Dit is het geval ‘wanneer warmte, veroorzaakt door het neerdalen van de VLAM in de oerstof, haar deeltjes doet bewegen, en die beweging wordt een wervelwind’. Een druppel vloeistof neemt de bolvorm aan doordat de atomen ervan om zichzelf ronddraaien in hun laatste, onoplosbare en noumenale essentie; onoplosbaar, althans voor de natuurwetenschap.
129: II. DE STEM VAN HET WOORD, SVABHAVAT, DE GETALLEN, WANT HIJ IS EEN EN NEGEN12.
133/134: De ‘adem’ van al de ‘zeven’ heet bhaskara (licht makend), omdat alle planeten in hun oorsprong kometen en zonnen waren. Zij ontwikkelden zich uit de oorspronkelijke Chaos (nu het noumenon van de niet oplosbare nevelvlekken) tot manvantarisch leven, door aggregatie en opeenhoping van de eerste differentiaties van de eeuwige stof, volgens de mooie zinswending in de Toelichting: ‘Zo kleedden de zonen van het licht zich in het weefsel van de duisternis.’ Zij worden allegorisch ‘de hemelslakken’ genoemd, omdat hun (voor ons) vormloze INTELLIGENTIES ongezien hun sterre- en planeethuizen bewonen en die als het ware bij hun omloop met zich meedragen, zoals slakken dat doen. De leer van een gemeenschappelijke oorsprong van alle hemellichamen en planeten werd, zoals wij zien, door de archaïsche astronomen onderwezen vóór Kepler, Newton, Leibnitz23, Kant, Herschel en Laplace. Warmte (de adem), aantrekking en afstoting – de drie grote factoren van beweging – zijn de omstandigheden waaronder alle leden van dit hele oorspronkelijke gezin worden geboren, zich ontwikkelen en sterven, om opnieuw te worden geboren na een ‘nacht van Brahma’, waarin de eeuwige stof periodiek terugkeert tot haar aanvankelijke ongedifferentieerde toestand. De sterkst verdunde gassen kunnen de moderne natuurkundige nog geen idee geven van de aard van die stof. De onzichtbare vonken van oeratomen, in het begin krachtcentra, differentiëren zich tot moleculen, en worden zonnen, die geleidelijk objectief – gasvormig, stralend en kosmisch – worden. Tenslotte geeft de ene ‘wervelwind’ (of beweging) de stoot tot de vorm en tot de eerste beweging, die wordt beheerst en onderhouden door de nooit rustende ademingen – de Dhyan-Chohans.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 137,138):
De leer zegt dat, om een volledig bewust goddelijk wezen te worden – ja zelfs het hoogste – de oorspronkelijke geestelijke INTELLIGENTIES door het menselijke stadium moeten gaan. En wanneer we zeggen menselijk, dan heeft dit niet alleen betrekking op onze aardse mensheid, maar ook op de stervelingen die elke andere wereld bewonen, d.w.z. op die intelligenties die een geschikt evenwicht tussen stof en geest hebben bereikt, zoals wij nu, sinds het midden van het vierde Wortelras van de vierde Ronde werd gepasseerd. Elk wezen moet door eigen ervaring het recht hebben verkregen om goddelijk te worden. Hegel, de grote Duitse denker, moet deze waarheid hebben gekend of intuïtief hebben aangevoeld, toen hij zei dat het Onbewuste het Heelal slechts ontwikkelde ‘in de hoop een helder zelfbewustzijn te bereiken’, met andere woorden, om MENS te worden; want dit is ook de geheime betekenis van de veel gebruikte zin uit de Purana’s, dat Brahma voortdurend wordt ‘bewogen door de begeerte om te scheppen’. Dit verklaart ook de verborgen kabbalistische betekenis van het gezegde: ‘De adem wordt een steen; de steen een plant; de plant een dier; het dier een mens; de mens een geest; en de geest een god.’ De uit het denkvermogen geboren zonen, de rishi’s, de bouwers, enz. waren in andere werelden en in de voorafgaande manvantara’s allen mensen – van welke vorm en gedaante ook.
Omdat dit onderwerp zo bijzonder mystiek is, is het erg moeilijk het in al zijn details en verbanden uit te leggen, omdat het hele mysterie van de schepping door evolutie erin besloten ligt.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk Enkele vroegere theosofische misvattingen over planeten, ronden en de mens (p. 191):
De eerste verwarringen en misvattingen ontstonden uit de – voor westerlingen tamelijk onbegrijpelijke – leer over de periodieke ‘verduisteringen’ en de opeenvolgende ‘Ronden’ van de bollen langs hun cirkelvormige ketens. Een daarvan heeft betrekking op de
vijfde’- en zelfs de ‘zesde’-ronders. Degenen die wisten dat een Ronde werd voorafgegaan en gevolgd door een langdurige pralaya, een rustpauze die een onoverbrugbare kloof teweegbracht tussen twee Ronden, tot de tijd aanbrak voor een hernieuwde levenscyclus, begrepen niets van de ‘gedachtefout’ om te spreken van ‘vijfde- en zesde-ronders’ in onze vierde Ronde. Gautama Boeddha, zo zei men, was een zesde-ronder, Plato en enkele andere grote filosofen en denkers, ‘vijfde-ronders’. Hoe kon dit? Een van de Meesters leerde en bevestigde, dat er zelfs nu op aarde zulke ‘vijfde-ronders’ waren; en hoewel men had begrepen dat hij zei dat de mensheid nog ‘in de vierde Ronde’ was, scheen hij op een andere plaats te zeggen, dat we in de vijfde waren. Hierop gaf een andere Leraar het ‘apocalyptische’ antwoord: ‘Een paar regendruppels maken nog geen moesson, al kondigen ze die aan.’ . . . ‘Nee, we zijn niet in de vijfde Ronde, maar mensen van de vijfde Ronde komen al een paar duizend jaar aan.’ Dit was nog erger dan het raadsel van de Sfinx! Beoefenaars van het occultisme onderwierpen hun hersenen aan de meest wilde speculaties. Lange tijd probeerden ze Oedipus te overtreffen en de beide beweringen met elkaar in overeenstemming te brengen. En omdat de Meesters bleven zwijgen, evenals de stenen Sfinx zelf, werden zij beschuldigd van inconsequentie, ‘tegenstrijdigheid’ en ‘gebrek aan overeenstemming’. Ze lieten echter eenvoudig de speculaties doorgaan, om het westerse denkvermogen een les te geven die het hard nodig heeft. De oriëntalisten hadden in hun verwaandheid en in hun gewoonte om iedere metafysische opvatting en uitdrukking te verstoffelijken, zonder enige ruimte te laten voor oosterse beeldspraak en allegorie, van de exoterische hindoefilosofie een warboel gemaakt, en nu deden de theosofen hetzelfde met de esoterische leringen. Het is duidelijk dat de laatstgenoemden tot nu toe de betekenis van de uitdrukking ‘vijfde- en zesde-ronders’ volstrekt niet hebben begrepen.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 6 Vervolg (p. 226):
In Deel II van Isis (blz. 183 e.v., Engelse uitgave) worden de filosofische stelsels van de gnostici en de oorspronkelijke joodse christenen, de Nazareners en de Ebionieten, uitvoerig beschouwd. Er blijkt uit, welke opvattingen in die dagen buiten de kring van de mozaïsche joden over Jehova werden gehuldigd. Hij werd door alle gnostici eerder met het kwade dan met het goede beginsel vereenzelvigd. Voor hen was hij Ilda-Baoth, ‘de zoon van de duisternis’, en zijn moeder, Sophia Achamoth, was de dochter van Sophia, de goddelijke wijsheid (de vrouwelijke heilige geest van de vroege christenen) – akasa15; terwijl Sophia Achamoth het lagere astrale licht of de ether verpersoonlijkt. Ilda-Baoth16 of Jehova is eenvoudig een van de Elohim, de zeven scheppende geesten, en een van de lagere sephiroth.
15) Het astrale licht staat in dezelfde betrekking tot akasa en anima mundi, als satan tot de godheid. Ze zijn een en hetzelfde, gezien vanuit twee standpunten: het geestelijke en het psychische – de bovenetherische of verbindende schakel tussen stof en zuivere geest – en het stoffelijke. Zie voor het verschil tussen nous, de hogere goddelijke wijsheid, en psyche, de lagere en aardse (Jacobus, iii, v. 15-17). Zie ook ‘Demon est Deus inversus’, in Afd. II van dit deel.
De Geheime Leer Stanza 7 Deel I, De voorvaderen van de mens op aarde (p. 249):
(g) De zesde en de zevende groep hebben deel aan de lagere eigenschappen van het Viertal. Het zijn bewuste, etherische entiteiten, even onzichtbaar als ether, die als de takken van een boom uitgaan van de eerste centrale groep van de vier, en zich op hun beurt vertakken in talloze zijgroepen, waarvan de lagere de natuurgeesten of elementalen van talloze soorten en variëteiten zijn; vanaf de vormloze en onstoffelijke – de ideële GEDACHTEN van hun scheppers – tot de atomaire, hoewel voor de menselijke waarneming onzichtbare, organismen toe. De laatste worden beschouwd als de ‘geesten van de atomen’, want ze zijn één stap (terug) verwijderd van het stoffelijke atoom – bewuste, zo niet verstandelijke schepsels. Ze zijn alle onderhevig aan karma, en moeten dat in elke cyclus uitwerken. Want de leer zegt dat er in het heelal, hetzij in ons eigen of in een ander stelsel, in de uiterlijke of de innerlijke werelden12 geen bevoorrechte wezens zijn, zoals de engelen van de westerse en de joodse religie. Een Dhyan-Chohan moet dat worden; hij kan niet worden geboren of plotseling op het levensgebied verschijnen als een volledig ontwikkelde engel. De hemelse hiërarchie van het huidige manvantara zal in de volgende levenscyclus zijn verplaatst naar hogere, meer verheven werelden, en zal plaatsmaken voor een nieuwe hiërarchie, die is samengesteld uit de uitverkorenen van onze mensheid.
267/277: Zo duurt een pralaya even lang als het manvantara, of een nacht van Brahma is even lang als deze ‘dag’. Als de christenen joodse gebruiken willen volgen, zouden zij de geest daarvan moeten aannemen en niet de dode letter: d.w.z. een week van zeven dagen te werken en dan zeven dagen te rusten. Dat het woord ‘sabbat’ een mystieke betekenis had, blijkt uit de minachting die Jezus toonde voor de sabbatdag, en uit wat wordt gezegd in Lucas xviii, 12. De sabbat wordt daar als de hele week opgevat. (Zie de Griekse tekst, waarin de week sabbat wordt genoemd: ‘Ik vast tweemaal in de sabbat.’) Paulus, een ingewijde, wist dit heel goed toen hij de eeuwige rust en gelukzaligheid in de hemel met sabbat aanduidde; ‘en hun geluk zal eeuwig zijn, want zij zullen altijd (één) met de Heer zijn en zij zullen een eeuwige sabbat genieten’. (Hebreeën iv, 2.)
283: Maar dit alles is onjuist, omdat de beide woorden pradhana (oorspronkelijke stof) en geluid als eigenschap verkeerd zijn begrepen; de eerste term (pradhana) is beslist synoniem met Mulaprakriti en akasa, en de laatste (geluid) met het verbum, het woord of de logos. Dit is gemakkelijk aan te tonen, want het blijkt uit de volgende zinnen uit het Vishnu Purana: ‘In het begin was er dag noch nacht, hemel noch aarde, duisternis noch licht. . . . Behalve alleen het ene, onbegrijpelijk voor het verstand, of wat Brahma en pums (geest) en pradhana (oorspronkelijke stof) is.’ . . . (Deel I, hfst. ii.)
284: De elementen, hetzij enkelvoudig of samengesteld, konden sinds het begin van de evolutie van onze keten niet dezelfde zijn gebleven. Alles in het Heelal gaat in de grote cyclus gestaag vooruit, terwijl het in de kleinere cyclussen onophoudelijk op en neer gaat. De Natuur is tijdens het manvantara nooit stationair, omdat zij steeds wordt45 en niet slechts is. Het delfstoffen-, het plantaardige en het menselijke leven passen altijd hun organismen aan bij de dan heersende elementen, en daarom waren die elementen daar toen geschikt voor, zoals zij dat nu zijn voor het leven van de tegenwoordige mensheid. Pas in de volgende of vijfde Ronde zal het vijfde element, ether – het grove lichaam van akasa, als het zelfs zo mag worden genoemd – door voor alle mensen een bekend natuurfeit te worden, zoals de lucht ons nu vertrouwd is, ophouden zoals nu hypothetisch te zijn, en als ‘agens’ voor zoveel dingen te dienen. En pas in die Ronde zullen die hogere zintuigen, waarvan de groei en ontwikkeling door akasa worden bevorderd, vatbaar zijn voor een volledige ontplooiing. Zoals al werd aangegeven, kan worden verwacht dat te zijner tijd in deze Ronde een gedeeltelijke bekendheid zal ontstaan met de kenmerkende eigenschap van de stof – doordringbaarheid – die zich tegelijk met het zesde zintuig zou moeten ontwikkelen. Maar wanneer in de volgende Ronde het volgende element is toegevoegd aan onze hulpmiddelen, zal doordringbaarheid een zo duidelijke eigenschap van de stof worden, dat de dichtste vormen ervan voor de waarnemingen van de mens niet meer belemmeringen zullen opleveren dan een dikke mist.
45) Ook volgens de grote metafysicus Hegel. Voor hem was de Natuur een eeuwig worden: een zuiver esoterische opvatting. Schepping of oorsprong in de christelijke betekenis van het woord is volstrekt ondenkbaar. Zoals de genoemde denker zei: ‘God (de universele geest) objectiveert zich als de Natuur, en stijgt daaruit weer op.’
286: In de
eerste Ronde had dus de bol – die door de oorspronkelijke vuurlevens was gebouwd, d.w.z. bolvormig was gemaakt – geen vastheid en geen eigenschappen, behalve een koude glans, geen vorm en geen kleur; pas tegen het einde van de eerste Ronde ontwikkelde hij één element, dat van zijn om zo te zeggen anorganische of enkelvoudige essentie nu in onze Ronde het vuur werd, zoals wij dat overal in het stelsel kennen. De aarde was in haar eerste rupa, waarvan de essentie het akasa-beginsel is, dat * * * wordt genoemd en dat nu ten onrechte als astraal licht bekendstaat, dat Eliphas Lévi ‘de 'verbeeldingskracht van de Natuur’46 noemt, waarschijnlijk om evenals anderen te vermijden er de juiste naam aan te geven.
Door middel van en uit de uitstralingen van de zeven lichamen van de zeven orden van Dhyani’s worden de zeven afzonderlijke grootheden (elementen) geboren, waarvan de beweging en de harmonische vereniging het gemanifesteerde Heelal van stof voortbrengen.’ (Toelichting.)
De
tweede Ronde brengt het tweede element – LUCHT – tot manifestatie. De zuiverheid van dit element zou degene die het zou gebruiken, verzekeren van het altijddurende leven. Er zijn in Europa maar twee occultisten geweest die het hebben ontdekt en het zelfs gedeeltelijk in de praktijk hebben gebruikt, hoewel de samenstelling ervan altijd bekend is geweest bij de hoogste oosterse ingewijden.
46) In zijn voorwoord tot de ‘Histoire de la Magie’ zegt Eliphas Lévi hierover: ‘Door deze kracht staan alle zenuwcentra in geheime verbinding met elkaar; zij laat sympathie en antipathie ontstaan; door haar komen onze dromen tot stand; door haar worden de verschijnselen van het tweede gezicht en de bovennatuurlijke visioenen veroorzaakt. . . . Het astrale licht, werkend onder de drang van krachtige impulsen, vernietigt, verdicht, scheidt, breekt en verzamelt alle dingen. . . . God schiep het op die dag toen hij zei: fiat lux, en het wordt bestuurd door de egregores, d.w.z. de leiders van de zielen die de geesten van kracht en handeling zijn.’ Eliphas Lévi had eraan moeten toevoegen dat het astrale licht of de oorspronkelijke substantie, als deze al stof is, dat is wat licht, LUX wordt genoemd en esoterisch verklaard het lichaam van die geesten zelf is, en hun eigenlijke essentie. Ons stoffelijke licht is de manifestatie op ons gebied en de weerkaatste glans van het goddelijke licht dat uitstraalt van het gezamenlijke lichaam van degenen die de ‘LICHTEN’ en de ‘VLAMMEN’ worden genoemd. Maar geen andere kabbalist heeft ooit zoveel talent gehad om de ene tegenstrijdigheid op de andere te stapelen, en de ene paradox op de andere te laten volgen, en dat in dezelfde zin en in zo’n vloeiende taal, als Eliphas Lévi. Hij voert zijn lezer door de liefelijkste, welig bloeiende dalen, om hem tenslotte op een verlaten en kaal rotseiland te laten stranden.
287: De
derde Ronde ontwikkelde het derde beginsel – WATER; terwijl de vierde de gasachtige vloeistoffen en de kneedbare vorm van onze bol veranderde in de harde, omkorste, grofstoffelijke bol waarop wij wonen. ‘Bhumi’ heeft haar vierde beginsel bereikt. Men kan hiertegen inbrengen, dat de wet van de analogie, waarop zoveel nadruk wordt gelegd, wordt verbroken. Helemaal niet. De aarde zal – in tegenstelling tot de mens – haar ware uiteindelijke vorm, haar lichamelijke schil, pas bereiken tegen het einde van het manvantara na de zevende Ronde. Eugenius Philalethes had gelijk toen hij zijn lezers op zijn erewoord verzekerde dat niemand de aarde nog had gezien (d.w.z. STOF in haar essentiële vorm). Onze bol verkeert tot dusver in zijn kamarupa-toestand – het astrale lichaam van begeerten van ahamkara, zwarte zelfzucht, het nageslacht van mahat op het lagere gebied. . . .
De Geheime Leer Deel I Samenvatting (p. 296):
Er is geprobeerd het eerste van deze zeven hoofdstukken te schrijven en het is nu gereed. Hoe onvolledig en zwak de uiteenzetting ook is, deze is in ieder geval een benadering – in wiskundige zin – van de oudste grondslag van alle latere kosmogonieën. Het is een gewaagde poging om in een Europese taal het grootse panorama weer te geven van de periodiek steeds terugkerende wet – ingeprent in de ontvankelijke denkvermogens van de eerste rassen die bewustzijn bezaten, en wel door hen die dit bewustzijn vanuit het universele denkvermogen weerkaatsten, want geen enkele menselijke taal behalve het Sanskriet, dat de taal van de goden is, is ook maar enigszins voor die taak berekend. Ter wille van ons doel moet men echter de gebreken van dit boek vergeven.
Het voorgaande, noch wat er volgt, kan men als geheel ergens volledig aantreffen. Het wordt in geen enkele van de zes Indiase filosofische scholen geleerd, want het betreft hun synthese – de zevende school, dat is de occulte leer.
De Geheime Leer hoofdstuk 7 Deel I De nachten van Brahmâ (p. 411):
Ze zijn het zevenvoudige eerste Wortelras, dat vóór Adam (of vóór het derde, gescheiden Ras) kwam. Omdat zij schaduwen waren, en zonder verstand (zij hadden nog niet gegeten van de vrucht van de Boom van Kennis), konden zij de parguphim niet zien, of ‘het ene gezicht kon het andere niet zien’ (de oorspronkelijke mensen waren onbewust); ‘daarom stierven de oorspronkelijke (zeven) koningen’, d.w.z. zij werden vernietigd (zie Sepherah Djenioutha). Maar wie zijn deze koningen? Het zijn ‘de zeven rishi’s, bepaalde (secundaire) godheden, Sakra (Indra), Manu, en de koningen, zijn zonen die in één periode worden geschapen en vergaan’, zoals wordt gezegd in Vishnu Purāna (Deel I, hfst. iii). Want het zevende (‘duizendtal’) (niet het millennium van het exoterische christendom, maar dat van de antropogenese) stelt zowel de ‘zevende periode van de schepping’ voor, die van de fysieke mens (Vishnu Purāna), als het zevende beginsel – zowel macrokosmisch als microkosmisch –, als ook het pralaya na de zevende periode, de ‘nacht’ die dezelfde duur heeft als de ‘dag’ van Brahmā. ‘Zij werd in twaalf uur geheel verwoest, zoals er staat geschreven.’ Maar in het dertiende (tweemaal zes en de synthese) zal alles worden hersteld ‘en de zes zullen voortbestaan’.
De schrijver van de Qabbalah merkt dus heel terecht op: ‘Lang vóór zijn (Ibn Gebirols) tijd . . . vele eeuwen vóór het christelijke tijdperk, was er in Midden-Azië een ‘wijsheid-religie’, waarvan later gedeelten in het bezit waren van de geleerden onder de archaïsche Egyptenaren, de oude Chinezen, Hindoes, enz. . . .’ en . . . ‘De Qabbalah kwam hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk uit Arische bronnen, door Midden-Azië, Perzië, India en Mesopotamië, want uit Ur en Haran kwamen Abraham en veel anderen naar Palestina’ (blz. 221). En dit was ook de vaste overtuiging van C.W. King, de schrijver van The Gnostics and their Remains.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 8 Dezeven scheppingen
In de kosmogonie is het de periode vóór de nevelvlekken.
492: Hij brengt uit zichzelf deze zes sterrengeesten voort: Jupiter (Jehova), Sabaoth, Adonai, Eloi, Osraios, Astaphaios7, en zij vormen het tweede of lagere zevental. Wat het derde betreft, dit is samengesteld uit de zeven oorspronkelijke mensen, de schaduwen van de maangoden, die door het eerste zevental zijn geprojecteerd. Hierin verschilden de gnostici, zoals we zagen, niet veel van de esoterische leer, behalve dat zij deze versluierden. Wat betreft de beschuldiging van Irenaeus, die kennelijk niet op de hoogte was van de werkelijke leringen van de ‘ketters’, dat de mens zowel op de zesde dag als op de achtste dag werd geschapen, dit alles heeft betrekking op de mysteriën van de innerlijke mens. Dit zal de lezer pas kunnen begrijpen nadat hij Deel II heeft gelezen en hij de antropogenese volgens de esoterische leer goed heeft begrepen.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel II Stanza 1 Het begin van bewust leven (p. 46):
De grenzeloze en oneindige EENHEID bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus.
In iedere kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het ONKENBARE en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties . . .
De Geheime Leer Deel II Stanza 2 Zonder hulp faalt de natuur (p. 61):
De mens heeft vier vlammen en drie vuren nodig om één te worden op aarde, en hij heeft de essentie van de negenenveertig vuren nodig om volmaakt te zijn.
De Geheime Leer Deel II, De chronologie van de brahmanen (p. 74):
III. De tijd vanaf het eerste verschijnen van de ‘mensheid’ (op de planeetketen) 1.664.5000.987.
79,80, Er kunnen nu enkele feiten worden toegevoegd aan de daar gedane mededelingen, die elke oriëntalist al bekend zijn. Het heilige karakter van de cyclus van 4320 met daaraan toegevoegde nullen ligt in het feit dat de cijfers waaruit het getal bestaat, afzonderlijk genomen of samen voorkomend in verschillende combinaties, elk een symbool zijn van de grootste mysteriën in de Natuur. Inderdaad, of men de 4 afzonderlijk neemt, of de 3 op zichzelf, of beide samen die 7 vormen, dan wel de drie opgeteld die 9 opleveren, al deze cijfers hebben hun toepassing bij de meest heilige en occulte zaken, en geven de werkingen van de Natuur weer in haar eeuwig periodieke verschijnselen. Het zijn voortdurend terugkerende cijfers die zich nooit vergissen en die aan hem die de geheimen van de Natuur bestudeert, een werkelijk goddelijk stelsel onthullen, een intelligent plan in de kosmogonie, dat voert tot natuurlijke kosmische indelingen van tijden, seizoenen, onzichtbare invloeden, sterrenkundige verschijnselen, met hun actie en reactie op de aardse en zelfs op de morele natuur; op geboorte, dood en groei, en, op gezondheid en ziekte. Al deze natuurlijke gebeurtenissen berusten op en hangen af van cyclische processen in de Kosmos zelf, die periodieke krachten voortbrengen die, van buitenaf werkend, invloed uitoefenen op de aarde en alles wat erop leeft en ademt, van het begin tot het einde van elk manvantara. Oorzaken en gevolgen zijn esoterisch, exoterisch, en om zo te zeggen endexoterisch.
In Isis Ontsluierd (p. 329) schreven we wat we nu herhalen:
We zijn op het laagste punt van een cyclus en kennelijk in een overgangstoestand. Plato verdeelt de intellectuele vooruitgang van het heelal tijdens elke cyclus in vruchtbare en onvruchtbare perioden. In de ondermaanse gebieden blijven de sferen van de verschillende elementen eeuwig in volkomen harmonie met de goddelijke natuur, zegt hij; ‘maar hun delen zijn’, omdat ze te dicht bij de aarde zijn en door hun vermenging met het aardse (wat stof is, en dus het rijk van het kwade), ‘soms in overeenstemming en soms in strijd met de (goddelijke) natuur’. Wanneer die circulaties – die Eliphas Lévi ‘stromen van het astrale licht’ noemt – in de universele ether die ieder element in zich bevat, in harmonie met de goddelijke geest plaatsvinden, geniet onze aarde en alles wat daartoe behoort, een vruchtbare periode. De occulte vermogens van planten, dieren en delfstoffen sympathiseren magisch met de ‘hogere naturen’, en de goddelijke ziel van de mens staat in een volmaakte verstandhouding met deze ‘lagere’ naturen. Maar tijdens de onvruchtbare perioden verliezen de laatste hun magische sympathie, en wordt het geestelijke gezichtsvermogen van de meerderheid van de mensheid zo verduisterd, dat deze ieder begrip van de hogere krachten van haar eigen goddelijke geest verliest. We zijn in een onvruchtbare periode: de achttiende eeuw, waarin de kwaadaardige koorts van de scepsis zo onweerstaanbaar uitbrak, heeft het ongeloof als een erfelijke ziekte op de negentiende eeuw overgebracht. Het goddelijke intellect is in de mens versluierd; zijn dierlijke brein alleen filosofeert.’ En als het alleen filosofeert, hoe kan het dan de ‘ZIELENLEER’ begrijpen?
De Geheime Leer Deel II, Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 87):
De oude boeken noemen het karana sarira op het gebied van sutratma, dat is de gouden draad waaraan de verschillende persoonlijkheden van dit hogere ego als kralen zijn geregen. Indien de lezer werd gezegd, zoals in de half-esoterische allegorieën, dat deze wezens terugkerende nirvani’s waren uit voorafgaande mahamanvantara’s – tijdperken van onberekenbare duur die in de eeuwigheid zijn verlopen, een nog minder berekenbare tijd geleden – dan zou hij de tekst nauwelijks goed kunnen begrijpen, terwijl sommige kenners van de Vedanta misschien zouden zeggen: ‘Dit is niet zo; de nirvani kan nooit terugkeren’, wat waar is voor het manvantara waartoe hij behoort, maar onjuist als de eeuwigheid wordt bedoeld. Want in de heilige sloka’s wordt gezegd:
De stralende draad die onvergankelijk is en slechts in nirvana oplost, komt daaruit ongeschonden weer tevoorschijn op de dag waarop de Grote Wet alle dingen tot werkzaamheid terugroept. . . .
87/88: De monaden die in deze lege SCHILLEN incarneerden, bleven even onbewust als toen zij van hun vroegere onvolledige vormen en voertuigen waren gescheiden. Er is in een zuivere geest op ons gebied geen vermogen tot scheppen en geen zelfbewustzijn, tenzij zijn al te homogene, volmaakte – want goddelijke – natuur om zo te zeggen wordt vermengd met en versterkt door een al gedifferentieerde essentie. Alleen de onderste lijn van de driehoek – die de eerste triade voorstelt die emaneert uit de universele MONADE – kan dit benodigde bewustzijn op het gebied van de gedifferentieerde Natuur verschaffen. Maar hoe konden deze zuivere emanaties, die volgens dit beginsel oorspronkelijk zelf onbewust (in onze zin) moeten zijn geweest, van enig nut zijn bij het verschaffen van het benodigde beginsel, omdat zij het zelf nauwelijks konden hebben bezeten? Het antwoord is moeilijk te begrijpen, tenzij men goed bekend is met de filosofische metafysica van een beginloze en eindeloze reeks van kosmische wedergeboorten, en doordrongen is van, en vertrouwd raakt met die onveranderlijke Natuurwet die EEUWIGE BEWEGING is, cyclisch en spiraalvormig, en dus zelfs bij haar schijnbare teruggang progressief. Het ene goddelijke beginsel, het naamloze DAT van de Veda’s, is het universele geheel, dat noch in zijn geestelijke aspecten en emanaties, noch in zijn stoffelijke atomen, ooit in ‘absolute rust’ kan zijn, behalve tijdens de ‘nachten’ van Brahma. Daarom zijn ook de ‘eerstgeborenen’ degenen die bij het begin van een manvantara het eerst in beweging worden gebracht, en dus de eersten die in de lagere sferen van de stoffelijkheid vallen. Zij die in de theologie ‘de Tronen’ worden genoemd en de ‘zetel van God’ zijn, moeten de eerste geïncarneerde mensen op aarde zijn; en als wij aan de eindeloze reeks van vroegere manvantara’s denken, wordt het begrijpelijk dat de laatsten het eerst, en de eersten het laatst moesten komen. Kortom, wij zien dat de hogere engelen talloze eonen tevoren de ‘zeven cirkels’ hadden doorbroken, en deze zo van het heilige vuur hadden beroofd; wat in gewone taal betekent, dat ze tijdens hun vroegere incarnaties, zowel in lagere als in hogere werelden, alle wijsheid daarvan hadden opgenomen – de weerspiegeling van MAHAT in zijn verschillende graden van intensiteit. Geen enkele entiteit, hetzij engel of mens, kan de toestand van nirvana of van absolute zuiverheid bereiken, behalve door het doormaken van eonen van lijden en door de kennis van zowel het KWADE als het goede, omdat het laatste anders onbegrijpelijk zou blijven.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 4 Schepping van de eerste rassen (p. 104/105):
104: Elke klasse van scheppers verleent de mens wat zij heeft te geven: de ene bouwt zijn uiterlijke vorm; de andere geeft hem haar essentie, die later het menselijke hogere Zelf wordt, tengevolge van de persoonlijke inspanning van het individu; maar zij konden de mensen niet maken zoals zijzelf waren: volmaakt, want zondeloos; zondeloos, omdat zij slechts de eerste flauwe schaduwachtige omtrekken van eigenschappen bezaten, en deze waren – vanuit menselijk standpunt – allemaal volmaakt, wit, zuiver en koud als de maagdelijke sneeuw. Waar geen strijd is, is geen verdienste. De mensheid, ‘door en door aardsgezind’, was niet bestemd te worden geschapen door de engelen van de eerste goddelijke adem: daarom zegt men dat zij hebben geweigerd dit te doen, en de mens moest worden gevormd door veel materiëlere scheppers8, die op hun beurt alleen konden geven wat zij in hun eigen natuur hadden, en meer niet.
117: De lezer moet bedenken dat de Ouden de religie, de natuurwetenschappen en de filosofie als nauw en onafscheidelijk verbonden beschouwden. Aesculapius was de zoon van Apollo – de zon of het vuur van het leven; tegelijk Helius, Pythius, en de god van de orakelwijsheid. In de exoterische religies, evengoed als in de esoterische filosofie, maakt men de elementen – vooral vuur, water en lucht – tot de voorvaderen van onze vijf stoffelijke zintuigen, en brengt men ze dus rechtstreeks (op occulte manier) daarmee in verband. Deze stoffelijke zintuigen staan zelfs lager dan de schepping die in de Purana’s Pratisarga of de secundaire schepping wordt genoemd. ‘Vloeibaar vuur ontstaat uit ongescheiden vuur’, zegt een occult axioma.
‘De cirkel is de GEDACHTE; de middellijn (of de lijn) is het WOORD; en hun vereniging is het LEVEN.’
De Geheime Leer Deel II Stanza 5 De evolutie van het tweede ras - De goddelijke hermafrodiet (p. 138):
Deze noodzaak van geheimhouding bracht het vijfde Ras tot het instellen, of liever het opnieuw instellen, van de religieuze mysteriën, waarin onder de sluier van allegorie en symboliek oude waarheden aan de komende geslachten konden worden onderwezen. Zie de onvergankelijke getuige van de evolutie van de menselijke uit de goddelijke rassen, en in het bijzonder uit het androgyne Ras – de Egyptische Sfinx, dat raadsel van de eeuwen! Goddelijke wijsheid die zich incarneert op aarde en die wordt gedwongen de bittere vrucht te proeven van persoonlijke pijn en van lijden, die op aarde alleen wordt voortgebracht in de schaduw van de boom van kennis van goed en kwaad – een geheim dat eerst alleen bekend was aan de Elohim, de ZELF-INGEWIJDE ‘hogere goden’1.
138/139: In het Boek Henoch vinden wij Adam2, de eerste goddelijke androgyn, die zich scheidt in man en vrouw, en in de ene vorm of het ene ras JAH-HEVA wordt, en in zijn andere vorm of ras Kaïn en Abel3 (mannelijk en vrouwelijk) – de Jehova met dubbel geslacht4 – een echo van zijn Arische oervorm, Brahma-Vach. Daarna komen het derde en het vierde Wortelras van de mensheid5– dat wil zeggen, rassen van mannen en vrouwen, of individuen van verschillend geslacht, niet langer geslachtloze half-geesten en androgynen, zoals de twee rassen die aan hen voorafgingen. Op dit feit wordt in elke antropogenese gezinspeeld. Het is te vinden in fabel en allegorie, in mythe en geopenbaarde heilige geschriften, in legende en overlevering. Want van alle grote mysteriën die de ingewijden hebben geërfd uit de grijze oudheid, is dit een van de grootste. Het geeft een verklaring van het dubbel-geslachtelijke element dat men in elke scheppende godheid aantreft, in Brahma-Viraj-Vach, in Adam-Jehova-Eva, en in ‘Kaïn-Jehova-Abel’. Want ‘Het Boek van de geslachten van Adam’ noemt zelfs Kaïn en Abel niet, maar zegt alleen: ‘Man en vrouw schiep hij hen . . . en noemde hun naam Adam’ (hfst. v, 5). Vervolgens zegt het: ‘En Adam verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth’ (v, 3); waarna hij andere zonen en dochters verwekt, en daardoor bewijst dat Kaïn en Abel zijn eigen allegorische omzettingen zijn. Adam stelt het oorspronkelijke mensenras voor, vooral in de kosmosiderische zin ervan.
145: ‘Maar er zijn mythen die voor zichzelf spreken. Tot deze klasse mogen wij de dubbelgeslachtelijke eerste scheppers van elke kosmogonie rekenen. De Griekse Zeus-Zen (Aether), en zijn vrouwen Chthonia (de chaotische aarde) en Metis (water); Osiris en Isis-Latona – waarvan de eerste god ook Aether voorstelt, de eerste emanatie van de opperste godheid, Amun, de oorspronkelijke bron van het licht; opnieuw de godin Aarde en Water; Mithras, de uit rots geboren god, het symbool van het
mannelijke wereldvuur, of het verpersoonlijkte oorspronkelijke licht, en Mithra, de vuurgodin, tegelijk zijn moeder en zijn vrouw; het zuivere element vuur (het actieve of mannelijke beginsel), beschouwd als licht en warmte, in vereniging met aarde en water of stof, het vrouwelijke of passieve element van de kosmische voortplanting’ – dit alles zijn herinneringen aan de oorspronkelijke goddelijke hermafrodiet.
De Geheime Leer Deel II Stanza 7 Tot de eerste mensenrassen (p. 187):
Het ligt niet in de lijn van de natuurwet dat de mens een volmaakt zevenvoudig wezen wordt vóór het zevende ras in de zevende Ronde. Toch zijn al deze beginselen vanaf zijn geboorte latent in hem aanwezig. Evenmin is het een deel van de evolutiewet dat het vijfde beginsel (manas) volledig zal worden ontwikkeld vóór de vijfde Ronde. Al dergelijke voortijdig ontwikkelde intellecten (op geestelijk gebied) in ons ras zijn abnormaal; het zijn wat wij noemen de ‘vijfde-Ronders’. Zelfs in het komende zevende Ras, aan het einde van deze vierde Ronde zal, terwijl onze vier lagere beginselen volledig zullen zijn ontwikkeld, manas nog maar betrekkelijk zijn geëvolueerd.
188: Laten wij hierbij even stilstaan voordat wij nog meer van zulke vreemde leringen bekendmaken. Laten wij proberen te ontdekken in hoeverre oude heilige geschriften en zelfs de wetenschap de mogelijkheid toelaten van zulke fantastische denkbeelden als in onze antropogenese worden gegeven, of deze zelfs uitdrukkelijk bevestigen.
Wat wij hebben gezegd, kunnen wij als volgt samenvatten. De Geheime Leer verkondigt voor de mens (1) een polygenetische oorsprong; (2) verschillende manieren van voortplanting vóór de mensheid tot de gewone methode verviel; (3) de evolutie van de dieren – in ieder geval van de zoogdieren – is gevolgd op die van de mens en er niet aan voorafgegaan. En dit is lijnrecht in strijd met de nu algemeen aanvaarde theorieën over de evolutie en de afstamming van de mens van een dierlijke voorvader.
Laten wij de keizer geven wat des keizers is, en allereerst de kansen van de polygenetische theorie bij de geleerden onderzoeken.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk Mogelijke bezwaren tegen het voorafgaande (p. 213):
Volgens de materialistische wetenschap is de mens geleidelijk geëvolueerd tot wat hij nu is, en is hij, uitgaande van het eerste deeltje protoplasma, monere genaamd (dat zoals men ons zegt, evenals de rest, ‘in de loop van onmetelijke tijden is voortgekomen uit enige of uit één enkele, spontaan ontstaande oervorm, die aan één evolutiewet heeft gehoorzaamd’), gegaan door ‘onbekende en onkenbare’ soorten tot aan de aap, en vandaar tot de mens. Waar men de overgangsvormen kan vinden, vertelt men ons niet; om de eenvoudige reden dat er nog nooit ‘ontbrekende schakels’ tussen de mens en de apen zijn gevonden, hoewel dit feit mensen als Haeckel op geen enkele manier belet ze ad libitum te verzinnen.
Ze zullen ook nooit worden gevonden; eenvoudig omdat men die schakel, die de mens met zijn ware voorgeslacht verbindt, zoekt op het objectieve gebied en in de stoffelijke wereld van de vormen, terwijl hij veilig voor de microscoop en het ontleedmes is verborgen in het dierlijke tabernakel van de mens zelf. Wij herhalen wat wij in Isis Ontsluierd hebben gezegd:
. . . . Alle dingen hadden hun oorsprong in de geest – de evolutie is oorspronkelijk van bovenaf begonnen en naar beneden voortgegaan, in plaats van omgekeerd, zoals volgens de theorie van Darwin. Met andere woorden, er was een geleidelijke verstoffelijking van vormen, tot een bepaald uiterste van verlaging was bereikt. Dit is het punt waar de leer van de moderne evolutie de arena van de speculatieve hypothese binnengaat. Bij dit tijdperk aangekomen, zal het ons gemakkelijker zijn de antropogenese van Haeckel te begrijpen, die de stamboom van de mens afleidt ‘van zijn protoplasma-wortel, bedolven door de modder van zeeën die bestonden vóór de oudste, fossielen bevattende gesteenten waren afgezet’, zoals professor Huxley uiteenzet.
De Geheime Leer Deel II Een panoramisch overzicht van de eerste rassen (p. 304):
Hij is bij Hesiodus de ‘oneerbiedige zoon’. Hermes noemt hem de ‘hemelse mens’ (Pymander); en zelfs in de bijbel vindt men hem terug onder de naam Adam en later – door omzetting – onder de naam Cham. Toch zijn dit allen personificaties van de ‘zonen van wijsheid’ . De nodige bevestiging dat Jupiter behoort tot de zuiver menselijke Atlantische cyclus – als men Ouranos en Kronos die aan hem voorafgaan, onvoldoende vindt – kan men vinden bij Hesiodus, die ons meedeelt dat de onsterfelijken de mensen hebben gemaakt en de gouden en zilveren eeuw hebben geschapen (het eerste en het tweede Ras); terwijl Jupiter de geslachten van het bronzen tijdperk (een mengsel van twee elementen), van helden en de mensen van de ijzeren eeuw schiep. Daarna zendt hij door middel van Pandora zijn noodlottige geschenk aan Epimetheus.
De Geheime Leer Deel II Stanza 10 Vervolg (p. 309/310):
De legende van de
‘gevallen engelen’ bevat in haar esoterische betekenis de sleutel tot de talrijke tegenstrijdigheden in het karakter van de mens; zij wijst op het geheim van het zelfbewustzijn van de mens; zij is de hoeksteen waarop zijn hele levenscyclus is gebaseerd – de geschiedenis van zijn evolutie en groei.
Het juiste begrip van de esoterische antropogenese hangt af van een goede beheersing van deze leer. Deze geeft een aanwijzing voor de oplossing van het lastige vraagstuk van de oorsprong van het kwaad, en laat zien dat de mens zelf het ENE scheidt in verschillende tegengestelde aspecten.
De lezer zal zich er daarom niet over verbazen dat er telkens zoveel aandacht wordt besteed aan een poging dit moeilijke en duistere onderwerp te verduidelijken. Het is nodig uitvoerig in te gaan op het symbolische aspect ervan, omdat de bedachtzame lezer hierdoor aanwijzingen worden gegeven voor zijn eigen onderzoekingen, en omdat er zo meer licht op kan worden geworpen dan mogelijk is door middel van de technische taal in een meer formele, filosofische uiteenzetting. De zogenaamde ‘gevallen engelen’ zijn de mensheid zelf. De demon van de trots, wellust, opstandigheid en haat bestond niet vóór het verschijnen van de stoffelijke bewuste mens. Het is de mens die de duivel heeft verwekt, gevoed en toegestaan zich in zijn hart te nestelen; hij is het ook die de in hem wonende god heeft besmet door de zuivere geest te verbinden met de onzuivere demon van de stof. En als het kabbalistische gezegde Demon est Deus inversus zijn metafysische en theoretische bevestiging vindt in de tweevoudige gemanifesteerde natuur, wordt de praktische toepassing ervan alleen in de mensheid gevonden.
Geheime Leer Deel II Cyclopische ruïnes en kolossale stenen (p. 395):
(a) Omdat dit onderwerp – de vierde grote vloed op onze bol in deze Ronde – volledig wordt behandeld in de hoofdstukken die op de laatste stanza volgen, zou het alleen maar herhaling zijn als er nu iets meer van werd gezegd. De zeven grote eilanden (dvipa’s) behoorden tot het continent Atlantis. De geheime leringen zeggen dat de ‘zondvloed’ het vierde, het reuzenras overviel, niet als gevolg van hun ontaarding of omdat ze ‘zwart van zonde’ waren geworden, maar eenvoudig omdat dit het lot is van elk continent, dat – evenals alles onder de zon – wordt geboren, leeft en in verval raakt en sterft. Dit gebeurde toen het vijfde Ras in zijn kindertijd was.
(b) Zo kwamen de reuzen om – de magiërs en tovenaars, voegt de verbeelding van de volksoverlevering eraan toe, maar ‘alle heiligen werden gered’, en alleen de ‘niet-heiligen werden vernietigd’. Dit was echter evengoed toe te schrijven aan de vooruitziende blik van de ‘heiligen’, die het gebruik van hun ‘derde oog’ niet hadden verloren, als aan karma en de natuurwet. Over het daaropvolgende ras (onze vijfde mensheid) zegt de Toelichting:
Alleen een handvol van die uitverkorenen, van wie de goddelijke leermeesters dat heilige eiland waren gaan bewonen – ‘vanwaar de laatste Heiland zal komen’ – weerhielden de ene helft van de mensheid ervan de andere uit te roeien [zoals de mensheid nu doet. H.P.B.]. Zij (de mensheid) werd verdeeld. Tweederde ervan werd geregeerd door dynastieën van lagere, stoffelijke aardgeesten, die bezit namen van de gemakkelijk toegankelijke lichamen; één derde bleef trouw en verenigde zich met het wordende vijfde Ras – de goddelijke geïncarneerden. Toen de polen zich (voor de vierde keer) bewogen, had dit geen gevolgen voor degenen die werden beschermd, en die zich van het vierde Ras hadden afgescheiden. Evenals de Lemuriërs kwamen alleen de verdorven Atlantiërs om, en ‘werden niet meer gezien’. . . .
De Geheime Leer Deel II, Stanza 12 Het vijfde ras en zijn goddelijke leermeesters (p. 403/404):
‘In die tijd’, voegt de schrijver van dat merkwaardige boek, de ‘Sphinxiad’ en van ‘Urania’s Key to the Revelations’ hieraan toe, ‘zou de ecliptica op het middaguur parallel lopen met de meridiaan, en zou een deel van de Dierenriem van de noordpool afdalen naar de noordelijke horizon, en de acht kronkels van de slang (acht siderische jaren of meer dan 200.000 zonnejaren) kruisen, die zouden lijken op een denkbeeldige ladder met acht sporten, die van de aarde naar de pool, d.i. de troon van Jupiter, reikt. Langs deze ladder klommen en daalden de goden, d.i. de tekens van de Dierenriem (de ladder van Jakob en de engelen) . . . Het is meer dan 400.000 jaar geleden dat de Dierenriem de zijden van deze ladder vormde.’
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 11 Demon est deus inversus (p. 456):
Omdat de personificatie die satan wordt genoemd, ruimschoots vanuit haar drievoudige aspect is geanalyseerd – in het Oude Testament, de christelijke theologie en de oude heidense denkwijze – worden degenen die er meer over willen weten, verwezen naar Deel II van ISIS ONTSLUIERD, hfst. x. Zie ook verschillende hoofdstukken in Deel 2, Afdeling 2 van dit boek. Er is een heel goede reden om dit onderwerp aan te roeren en te proberen nieuwe verklaringen te geven. Voordat we ons kunnen bezighouden met de
evolutie van de stoffelijke en de goddelijke mens, moeten we eerst het denkbeeld van een cyclische evolutie hebben begrepen, ons op de hoogte stellen van de filosofische opvattingen en geloofsovertuigingen van de vier rassen die aan ons tegenwoordige voorafgingen, en te weten komen wat de denkbeelden waren van die titanen en reuzen – inderdaad reuzen, zowel in verstandelijk als in fysiek opzicht. De hele oudheid was doordrongen van die filosofie, die de involutie van de geest in de stof en de voortgaande cyclische afdaling of actieve, zelfbewuste evolutie onderwees. De gnostici van Alexandrië hebben het geheim van de inwijdingen voldoende openbaar gemaakt, en hun geschriften staan vol van het ‘neerdalen van de aeonen’ in hun dubbele betekenis van engelen en tijdperken; de ene de natuurlijke evolutie van de andere. Anderzijds staan de oosterse overleveringen aan beide zijden van het ‘zwarte water’ – de oceanen die de twee ‘oosten’ scheiden – even vol met allegorieën over de val van Pleroma, van de goden en de deva’s.
474: Er is in de natuur één eeuwige wet, die er altijd naar streeft tegenstellingen te vereffenen en een uiteindelijke harmonie teweeg te brengen. Dankzij deze wet, waardoor de geestelijke ontwikkeling de stoffelijke en zuiver intellectuele verdringt, zal de mensheid worden bevrijd van haar valse goden en zal zij tenslotte
DOOR ZICHZELF ZIJN VERLOST.
474/475: Het geschenk van Prometheus werd zo een VLOEK – hoewel de MENIGTE die in hem was gepersonifieerd, dit vooruit wist en zag, zoals zijn naam ook aantoont14. Hierin schuilt tegelijkertijd de zonde en de verlossing ervan. Want de menigte die in een deel van de mensheid incarneerde gaf, hoewel zij ertoe werd geleid door karma of nemesis, de voorkeur aan de vrije wil boven passieve slavernij, verstandelijke zelfbewuste pijn en zelfs marteling – ‘terwijl eeuwen verstrijken’ – boven zinloze, stompzinnige, instinctieve zaligheid. Hoewel zij wist dat zo’n incarnatie prematuur was en niet de bedoeling van de natuur, offerde de hemelse menigte, ‘Prometheus’, zich op om daarmee tenminste voor een deel van de mensheid nuttig te zijn15. Maar terwijl zij de mens van verstandelijke duisternis bevrijdden, lieten zij hem de martelingen ondergaan van het zelfbewustzijn van zijn verantwoordelijkheid – het gevolg van zijn vrije wil – en bovendien elk kwaad dat het erfdeel is van de sterfelijke mens en van het vlees. Deze marteling aanvaardde Prometheus voor zichzelf, omdat de menigte daarna één werd met het tabernakel dat voor hen was voorbereid en dat in die formatieperiode nog niet was voltooid.
De 'vloek' vanuit filosofisch gezichtspunt (p. 475):
Omdat de geestelijke evolutie niet in staat was de stoffelijke bij te houden, toen de homogeniteit ervan eenmaal door de vermenging was verbroken, werd het geschenk de belangrijkste oorzaak, zo niet de enige oorsprong, van het kwaad16.
16)
De filosofische opvatting van de Indiase metafysica plaatst de wortel van het kwaad in de differentiatie van het homogene in het heterogene, van het ene in het vele.
De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk Aanvullende fragmenten uit een toelichting op de verzen van stanza 12 (p. 489):
Niettemin is de bedoeling duidelijk, omdat de drie Dierenriemen tot drie verschillende tijdperken behoren: namelijk tot de laatste drie familierassen van het vierde onderras van het vijfde Wortelras, waarvan elk bij benadering 25 tot 30.000 jaar moet hebben geleefd. Het eerste hiervan (de ‘Arische Aziaten’) was getuige van de ondergang van de laatste volkeren die behoorden tot de ‘
Atlantische reuzen’9 en die ongeveer 850.000 jaar geleden omkwamen (de eiland-continenten Ruta en Daitya), tegen het einde van het Mioceen10. Het vierde onderras was getuige van de vernietiging van het laatste overblijfsel van de Atlantiërs – de Arisch-Atlantiërs op het laatste eiland van Atlantis, namelijk omstreeks 11.000 jaar geleden. Om dit te verduidelijken, vragen wij de lezer een blik te slaan op het diagram van de stamboom van het vijfde Wortelras, dat in het algemeen – hoewel dit nauwelijks juist is – het Arische ras wordt genoemd, en op de bijgevoegde toelichting.
9) De term ‘Atlantiër’ moet de lezer niet tot het verkeerde denkbeeld brengen dat het om slechts één ras of één volk gaat. Het is ermee als met de term ‘Aziaten’. Veel, veelsoortig en verschillend waren de Atlantiërs, en zij vertegenwoordigden verschillende
mensheden en een bijna ontelbaar aantal rassen en volkeren, zelfs meer gevarieerd dan de ‘Europeanen’ zouden zijn, als men deze naam zonder onderscheid zou gebruiken voor de bewoners van de vijf bestaande werelddelen. Dit zal, gezien de snelheid waarmee de kolonisatie voortgaat, misschien in minder dan twee- of driehonderd jaar het geval zijn. Er waren bruine, rode, gele, witte en zwarte Atlantiërs ; reuzen en dwergen (zoals sommige Afrikaanse stammen dat relatief gezien zelfs nu nog zijn).
Geheime Leer Deel II Conclusies (p. 494):
De duur van de tijdperken waardoor in ruimte en tijd het vierde en het vijfde Ras worden gescheiden – in het historische of zelfs het legendarische begin van het laatstgenoemde – is zo enorm lang, dat wij zelfs aan een theosoof geen meer gedetailleerd verslag ervan kunnen bieden.
501: Er is al genoeg gezegd om aan te tonen dat de evolutie in het algemeen, de gebeurtenissen, de mensheid en al het andere in de Natuur cyclisch verlopen. We hebben gesproken over zeven Rassen, waarvan er vijf hun aardse loopbaan bijna hebben voltooid, en we hebben gezegd dat elk Wortelras, met zijn onderrassen en ontelbare familieverdelingen en stammen, heel verschillend was van het eraan voorafgaande en van het erop volgende ras. Hiertegen zal men bezwaar maken op grond van de overeenstemmende ervaring op het gebied van de antropologie en de etnologie.
501/502: De mensenrassen worden uit elkaar geboren, ze groeien, ontwikkelen zich, worden oud en sterven. Hun onderrassen en volkeren volgen dezelfde regel. Als uw alles ontkennende hedendaagse wetenschap en zogenaamde filosofie niet bestrijden dat de menselijke familie is samengesteld uit een verscheidenheid van duidelijk afgebakende soorten en rassen, dan komt dat alleen doordat dit feit niet is te ontkennen; niemand zou zeggen dat er geen uiterlijk verschil was tussen een Engelsman, een Afrikaanse neger en een Japanner of Chinees. Aan de andere kant wordt door de meeste natuuronderzoekers beslist ontkend dat er in onze tijd nog gemengde mensenrassen, d.w.z. de zaden voor heel nieuwe rassen, worden gevormd. Maar dit laatste wordt door De Quatrefages en enkele anderen op goede gronden beweerd.
Niettemin zal onze stelling in haar algemeenheid niet worden aanvaard. Men zal zeggen dat welke vormen de mens in het lange voorhistorische verleden ook heeft gehad, er in de toekomst voor hem geen veranderingen meer zullen zijn (behalve bepaalde variaties, zoals ook nu optreden). Ons zesde en zevende Wortelras zijn dus verzinsels.
De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk Esoterische leringen in alle heilige geschriften bevestigd (p. 509):
Het moet ernstig worden betwijfeld of onze tijd met al zijn verstandelijke scherpzinnigheid is bestemd om in elk westers volk ook maar één niet-ingewijde geleerde of filosoof te ontdekken die in staat is de geest van de archaïsche filosofie volledig te begrijpen. Men kan dat ook van niemand verwachten, voordat de ware betekenis van deze woorden, de alfa en de omega van de oosterse esoterie, de woorden Sat en Asat – waarvan in de Rig Veda en elders zo’n ruim gebruik wordt gemaakt – grondig wordt begrepen. Zonder deze sleutel tot de Arische wijsheid loopt de kosmogonie van de rishi’s en de arhats gevaar voor de gemiddelde oriëntalist een dode letter te blijven. Asat is niet alleen maar de ontkenning van Sat en evenmin het ‘nog niet bestaande’; want Sat is op zichzelf noch het ‘bestaande’, noch het ‘zijnde’.
De Geheime Leer Deel II, Over de mythe van de gevallen engelen (p. 539):
Ook is het niet minder natuurlijk dat de materialist en de natuurkundige zich voorstellen dat alles is toe te schrijven aan blinde kracht en toeval, en vaker aan het overleven van de sterksten dan van de geschiktsten. Maar de occultisten, die de stoffelijke natuur beschouwen als een verzameling van de meest uiteenlopende illusies op het gebied van de bedrieglijke waarnemingen; die in elke pijn en elk lijden slechts de noodzakelijke weeën zien van de steeds voortgaande voortplanting – een reeks trappen naar een aldoor toenemende vervolmaking, die zichtbaar is in de stille invloed van het zich nooit vergissende karma of de abstracte natuur – de occultisten beschouwen de grote Moeder anders. Wee degenen die leven zonder te lijden. Stilstand en dood zijn de toekomst van alles wat vegeteert zonder te veranderen. En hoe kan er een verandering ten goede zijn zonder een evenredig lijden in het daaraan voorafgaande stadium? Zijn het niet slechts degenen die de bedrieglijke waarde van aardse verwachtingen en de misleidende verlokkingen van de uiterlijke natuur hebben leren kennen, die zijn bestemd om de grote problemen van leven, pijn en dood op te lossen?
De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen IAO en Jehova (p. 627):
Hoe dan ook, de Pleiaden zijn de centrale groep van het stelsel van de siderische symboliek. Zij liggen in de hals van het sterrenbeeld de Stier, dat door Mädler en anderen in de sterrenkunde wordt beschouwd als de centrale groep van het Melkwegstelsel en dat in de Kabbala en de oosterse esoterie wordt opgevat als het siderische zevenvoud, voortgekomen uit de eerste gemanifesteerde zijde van de bovenste driehoek, de verborgen ∆. Deze gemanifesteerde zijde is Taurus, het symbool van EEN (het cijfer 1), of de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, aleph א (stier of os), waarvan de synthese tien (10) of י yodh is, de volmaakte letter en het volmaakte getal. De Pleiaden (Alcyone in het bijzonder) worden dus zelfs in de sterrenkunde beschouwd als het centrale punt, waaromheen ons Heelal van vaste sterren draait, het brandpunt waaruit en waarin de goddelijke adem, BEWEGING, tijdens het manvantara onophoudelijk werkt. Daarom spelen – in de occulte filosofie en haar siderische symbolen – deze cirkel en het sterrenkruis daarop de voornaamste rol.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 23 De upanishads in de gnostische literatuur (p. 643/644):
De mysteriën van de zeven gnostische klinkers, uitgesproken door de donderslagen van Johannes, kunnen alleen worden ontraadseld door het eerste en oorspronkelijke occultisme van Aryavarta, dat door de oude brahmanen, die in Midden-Azië waren ingewijd, naar India werd gebracht. En dit is het occultisme dat wij bestuderen en zoveel als in deze bladzijden mogelijk is, proberen te verklaren. Onze leer van zeven Rassen en zeven Ronden van leven en evolutie rond onze aardketen van bollen, kan men zelfs in de Openbaring vinden4. Toen de zeven ‘donderslagen’ of ‘geluiden’ of ‘klinkers’ – één van de zeven betekenissen van elk zo’n klinker heeft rechtstreeks betrekking op onze aarde en haar zeven Wortelrassen in elke Ronde – ‘hun stemmen hadden laten horen’ – maar de Ziener hadden verboden deze op te schrijven, en hem ‘die dingen hadden laten verzegelen’ – wat deed toen de engel ‘die op de zee en op de aarde stond’? Hij hief zijn hand op naar de hemel en ‘zwoer bij hem die leeft in alle eeuwigheid . . . dat de tijd niet meer zou zijn’. ‘Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij zal beginnen te bazuinen, zal het mysterie van God (van de cyclus) zijn beëindigd’ (x, 7), wat in theosofisch spraakgebruik betekent dat, wanneer de zevende Ronde is voltooid, de tijd zal ophouden. ‘De tijd zal niet meer zijn’, wat vanzelfsprekend is, omdat pralaya zal beginnen en er niemand op aarde zal overblijven om een tijdsindeling te maken, zolang die toestand van periodieke ontbinding en stilstand van bewust leven voortduurt.
De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk 24 Het kruis en het pythagorische tiental (p. 668):
Weinig wereldsymbolen zijn meer beladen met echte occulte betekenis dan de swastika. Ze wordt gesymboliseerd door het cijfer 6; want ze wijst evenals dat cijfer in haar concrete uitbeelding, als het ideogram van dat getal, naar het zenit en het nadir, naar het noorden, zuiden, westen en oosten; men vindt de eenheid overal, en die eenheid weerspiegeld in alle eenheden en elke eenheid.
De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk 25 De mysteriën van het zevental De tetraktis in verband met de zevenhoek (p. 681):
‘In de taal van de hindoefilosofen is het de oorspronkelijke en eeuwige combinatie van purusha (geest) en prakriti (stof). Omdat de aanhangers van de Advaita de opvatting huldigen dat een uitwendig voorwerp uitsluitend het product is van onze mentale toestanden, is prakriti niets meer dan een illusie, en is purusha de enige werkelijkheid; het is het ENE bestaan dat in het heelal van de ideeën blijft. Dit . . . dan is het Parabrahm van de Advaita-aanhangers . . .’
690: Zo kan men aantonen dat de Rig Veda, de oudste van alle bekende oude geschriften, de occulte leringen in bijna elk opzicht bevestigt. Zijn lofzangen – de optekeningen door de eerste ingewijden van het vijfde (ons Ras) over de oorspronkelijke leringen – spreken over de zeven rassen (er moeten er nog twee komen) en stellen deze allegorisch voor door de ‘zeven stromen’ (I, 35, 8); en over de vijf rassen (‘pāñcha krishtayah’) die deze wereld (ibid) al hebben bewoond in de vijf gebieden ‘pāñcha pradiśāh’ (IX, 86, 29), en ook over de drie continenten die er zijn geweest2.
2) Drie verzonken of op een andere manier vernietigde continenten – het eerste ‘continent’ van het eerste Ras bestaat nog steeds en zal tot het einde blijven bestaan – worden in de occulte leer beschreven, het continent van de Hyperboreeërs, het Lemurische continent (wij gebruiken de naam die nu in de wetenschap bekend is) en het Atlantische. Het grootste deel van Azië verrees na de vernietiging van Atlantis uit de wateren; Afrika kwam nog later, terwijl Europa het vijfde en het laatste continent is – gedeelten van de beide Amerika’s zijn veel ouder. Maar hierover later meer. De ingewijden die de Veda’s optekenden – of de rishi’s van ons vijfde Ras – schreven in een tijd toen Atlantis al was ten onder gegaan. Atlantis is het vierde continent dat verscheen, maar het derde dat verdween.
698: Het geheimzinnige getal treedt opnieuw op de voorgrond bij de niet minder geheimzinnige maruts. Het Vāyu Purāna zegt en Harivamśa bevestigt dat de maruts – de oudste en onbegrijpelijkste van alle secundaire of lagere goden in de Rig Vedain elk manvantara (Ronde) zeven keer zeven (of 49) worden geboren; dat zij in elk manvantara, vier keer zeven (of achtentwintig) tot bevrijding komen, maar dat hun plaatsen worden ingenomen door personen die in dat karakter worden herboren’.
700: Het lijkt niet moeilijk in te zien wat wordt bedoeld met de maruts die in elk ‘manvantara’ ‘vier keer zeven’ bevrijdingen krijgen, en met de personen die in dat karakter (van de maruts in hun esoterische betekenis) worden herboren en ‘hun plaatsen innemen’. De maruts stellen voor: (a) de hartstochten die in de borst van iedere kandidaat razen en woeden, wanneer hij zich op een ascetisch leven voorbereidt – dit in mystieke zin; (b) de occulte vermogens die zijn verborgen in de veelvoudige aspecten van de lagere beginselen van ākāśa – terwijl zijn lichaam, of sthūla śarīra, de aardse, lagere atmosfeer van elke bewoonde bol vertegenwoordigt – dit in mystieke en siderische zin; (c) werkelijk bestaande bewuste wezens met een kosmische en psychische aard.

De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 3 De fossiele overblijfselen van mens en mensaap (p. 778):
Voorzover het onze huidige aardse periode van de vierde Ronde betreft, kan men alleen de zoogdierfauna beschouwen als terug te voeren tot prototypen die door de mens zijn afgeworpen. De amfibieën, vogels, reptielen, vissen, enz., zijn de resultanten van de derde Ronde, astrale fossiele vormen die waren opgeslagen in de aurische omhulling van de aarde en geprojecteerd in fysieke objectiviteit na de afzetting van het eerste Laurentische gesteente. De ‘evolutie’ heeft te maken met de voortgaande wijzigingen die, zoals de paleontologie aantoont, de lagere dieren- en plantenrijken in de loop van de geologische tijd hebben ondergaan. Zij houdt zich niet bezig, en kan zich uit de aard van de zaak niet bezighouden, met het onderwerp van de vóórfysieke typen die hebben gediend als basis voor toekomstige differentiatie. Wel kan zij de algemene wetten rangschikken die de ontwikkeling van de fysieke organismen beheersen, en tot op zekere hoogte heeft zij zich bekwaam van deze taak gekweten.

Helen V. Zahara Zonder onderscheid van ras en kleur:
Als er verkeerde interpretaties bestaan over de betekenis van de wortelrassen, als onze benaderingswijze te materialistisch geweest is en als het beeld werkelijk zo verward is als het er nu uitziet, dan is nu misschien de tijd gekomen om het gehele onderwerp nog eens goed te overdenken en ons te bezinnen op onze verantwoordelijkheid in zake het uitgeven van boeken, waarin die pasklaar gemaakte interpretatie, die gebaseerd is op etnologische groepen, voorkomt - speciaal die boeken die een ongelukkige psychologische uitwerking zouden kunnen hebben op de lezers, zodat zij zich afwenden van het prachtige theosofische stelsel, dat gebaseerd is op deze grondbeginselen:
1) Zij is het ENE LEVEN, eeuwig, onzichtbaar en toch alomtegenwoordig, zonder begin of einde en toch periodiek in haar geregelde manifestaties, terwijl tussen die perioden het duistere geheim van het niet-zijn heerst; onbewust en toch absoluut Bewustzijn; niet te verwerkelijken en toch de ene op zichzelf bestaande werkelijkheid; inderdaad ‘een chaos voor het gevoel, een Kosmos voor de rede’. Haar ene absolute kenmerk, namelijk HETZELF, de eeuwige, onophoudelijke beweging, wordt in esoterische taal de ‘grote adem’ genoemd, dat is de eeuwigdurende beweging van het Heelal in de zin van grenzeloze, altijd aanwezige RUIMTE. Wat bewegingloos is, kan niet goddelijk zijn. Maar er is ook in feite en in werkelijkheid niets absoluut onbeweeglijk binnen de universele ziel (De Geheime Leer Deel I, Proloog, p. 46).
2) (c) De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk (De Geheime Leer Deel I, Proloog, p. 47).
In deze waarheden ligt de grondslag voor onze broederschap en alle verschillen tussen zogenaamde rassen of etnologische groepen zijn alleen maar relatief.

G. de Purucker Centraal-Azië, de bakermat van ons ras
Hoewel we vier à vijf miljoen jaar oud zijn gerekend vanaf de tijd dat als het ware de kiem werd gelegd, is toch ons vijfde wortelras, als een ras sui generis, wat wil zeggen een ras met een eigen aard of karakter, met zijn eigen afzonderlijke svabhâva, ongeveer één miljoen jaar oud. H.P.B. zinspeelt hierop in De Geheime Leer.
Nee, het noodlot van Atlantis voltrok zich viereneenhalf miljoen jaar geleden en ik bedoel nu Atlantis in het algemeen, niet een van zijn continenten of grote eilanden, maar het Atlantis van het ras. Dat was de tijd van het allereerste begin van ons vijfde wortelras, zijn kiemperiode.
Centraal-Azië is niet alleen de bakermat van de beschaving van ons vijfde wortelras, maar ons moederland. In het allereerste begin, toen het vijfde wortelras gestalte begon te krijgen als een op zichzelf staand ras, los van Atlantis, trokken de eerste kolonisten van het vijfde ras daarheen om zich er te vestigen. Het was toen een land dat uit het water oprees, en vanuit zijn hooggelegen vlakten en plateaus probeerden de nieuwe rassen in wording – in de elkaar opvolgende eeuwen – zich te ontdoen van de duivelse erfenis van hun Atlantische voorouders die nu hun ondergang tegemoetgingen. Beschermd tegen karma, beschermd door de loge, leefden de eerste mensen van het vijfde ras daar. Het ene onderras volgde het andere op; langzaam klommen zij van onschuld tot kennis en van kennis tot enige wijsheid – en het misbruik ervan – tot we nu ons kaliyuga hebben bereikt en beginnen te boeten. Wanneer zal de mens leren dat de enige weg naar geluk en vrede, naar voorspoed en vermeerdering van geestelijk en materieel bezit, gehoorzaamheid is aan de geestelijke en morele wet, en dienstbaarheid. Dat is de enige weg: gehoorzaamheid aan de goddelijke opdracht die in ieder mensenhart weerklinkt en het dienen van de mensheid. Zelfzucht verijdelt haar eigen doeleinden. Ze grijpt en graait naar een duistere schaduw; en als de graaiende hand zich opent zit er niets in. Het is door te geven dat wij ontvangen, een vreemde paradox. Door te werken wordt de arm sterk. Door het hart te oefenen komt het edelste ervan tevoorschijn.

Antaskara.na (Sanskriet): Wellicht beter gespeld als antahkara.na. Een samengesteld woord: antar, 'innerlijk', 'van binnen'; kara.na, zintuig. Occultisten kennen aan dit woord de betekenis toe van de brug tussen de hogere en lagere manas of tussen de geestelijke ego en de persoonlijke ziel van de mens. Zo luidt de definitie van H. P. Blavatsky. In werkelijkheid zijn er verschillende Antahkara.na's in de zevenvoudig constitutie van de mens - één voor elk pad of elke brug tussen elke twee van de vele monadische centra in de mens. De mens is een microkosmos en daarom een samengesteld geheel, een eenheid in verscheidenheid; en de antahkara.na's vormen de schakels van vibrerende bewustzijnssubstantie die deze verschillende centra met elkaar verbinden.
Antahkarana: the internal organ, the seat of thought and feeling, the mind, the thinking faculty, the heart, the conscience, the soul.

De lineaire, de circulaire en spiraal beweging in de macrokosmos correleren met het lineaire, het cyclische en lemniscaatdenken in de microkosmos.

Theosofie De grote ketterij van afgescheidenheid
Door de gedachten te concentreren op het eigen ik, en meer naar persoonlijke dan naar geestelijke vrijheid te streven, gaan we de weg die naar omlaag voert. Het pad van zelfzucht is het pad naar steeds lagere, stoffelijke gebieden en sferen, tot tenslotte de vernietiging volgt aan het einde van de kosmische cyclus, wanneer de stof zelf oplost: maya, als materie, is een illusie.
Streef omhoog; ontwikkel uw hogere vermogens. Hoed u voor het betoverende licht van de lagere natuur en vooral van de lagere tussennatuur (Lagere viertal), die de psychische wordt genoemd. Niets is zo bedrieglijk als het valse licht van maya. Mooie bloemen bevatten vaak in de knop of in de doornen, of in beide, een dodelijk gif. De honing ervan is dodelijk en betekent voor de menselijke ziel de dood. Zoek eerst uw eigen geestelijke en verstandelijke vermogens; baad u in het licht van uw eigen geestelijke natuur, waardoor u inzicht en wilskracht krijgt; dan zullen die andere vermogens zich op natuurlijke, evenwichtige, passende en rustige wijze in u ontwikkelen.
De grote ketterij en de enige werkelijke ketterij is het denkbeeld dat iets afgescheiden is, losstaat en essentieel verschilt van andere dingen. Dat idee wijkt af van de feiten en wetten van de natuur, want de natuur kent niets anders dan harmonie, samenwerking, onderlinge hulpvaardigheid; en de regel van fundamentele eenheid is volstrekt universeel: alles in het heelal leeft voor al het andere.
Er is wetmatigheid in dit heelal; de dingen worden niet door het toeval beheerst; en geen mens kan denken, spreken of handelen zonder andere wezens ten goede of ten kwade te beïnvloeden. Zaai een daad en u oogst een gewoonte. Zaai een gewoonte en u oogst een lot, omdat gewoonten een karakter opbouwen. Dit is de volgorde: een daad, een gewoonte, een karakter, en een lot. U bent de schepper van uzelf. Wat u nu van uzelf maakt, zult u in de toekomst zijn. Wat u nu bent is precies wat u in het verleden van uzelf heeft gemaakt. Wat u zaait zult u oogsten. Als u voor uzelf zaait, zuiver en alleen voor zelfzuchtige doeleinden, zal uw oogst daarmee in overeenstemming zijn. Iemand die zo weinig liefde voelt voor de innerlijke schoonheid van juist handelen dat hij tot zichzelf zegt: ik wil het goede alleen doen om iets te verkrijgen, meer geluk, een betere toekomst, een beter lichaam, heeft het goede dat hij zaait al met een handvol onkruid – zijn zelfzuchtige verlangen – bedorven. Niets maakt zo klein als het persoonlijke, niets vermindert de kracht van uw ziel zo als concentratie op uw eigen zelfzuchtige, persoonlijke belangen en het vergeten van het welzijn van anderen. De mens die eerder aan anderen denkt dan aan zichzelf is daardoor al edel. De mens die zijn leven opgeeft opdat anderen kunnen leven is al edelmoedig. De mens die zichzelf vergeet in een onpersoonlijk dienen van de mensheid is de edelste van allen; en zo iemand oogst een lot dat goddelijk is – omdat hij een karakter heeft opgebouwd dat daarmee in overeenstemming is. De natuur vraagt van alle mensen samenwerking, broederschap, vriendelijke gevoelens, liefde, zelfvergetelheid, werken voor anderen.

J.H.D. (Henk Dubbink), Theosofia, November 1976, p.217
Een volkomen puinhoop is ons zicht op de "occulte chronologie", wanneer men bovengenoemd artikel, gepubliceerd in 1958 en voor een groot deel afgedrukt in het boek "The Peopling of the Earth" mede in aanmerking neemt. Hier wordt nl. een volkomen andere verhouding als de juiste vermeld. Niet die van 4:3:2:1:2:3:4, maar: 1:2:3:4:5:6:7. Dit is niet zo maar een soort losse flodder, maar H.P.B. geeft zelfs gedetailleerde berekeningen over de duur van de verschillende rassen, die zij in die volgorde na elkaar laat verschijnen, volkomen in strijd met haar mededelingen in de "Geh. Leer", dat de rassen geruime tijd naast elkaar bestaan, elkaar "overlappen". Was ook dit een ontwerp voor een deel van de nooit gepubliceerde en verdwenen delen van de "Geheime Leer"?
Er rest voor een serieus bestudeerder slechts wenend vast te stellen, dat hij uit alle gegevens, die met elkaar in tegenspraak zijn, klaarblijkelijk geen gesloten en redelijk beeld mag vormen. Niettemin zijn wij benieuwd, of anderen ons enig licht in deze materie kunnen verschaffen, en wij zien hiernaar met grote belangstelling uit! 3) J.H.D.
1) Zie o.a. H.P.Blavatsky in De Geheime Leer, deel 1, pag. 188 e.v. (TUPA, Den Haag, 1988): ”Voor degenen, die de leer over de zevenvoudige ketens van werelden in de Zonne-Kosmos niet uit de theosofische geschriften kennen, of die er wel over hebben gelezen, maar deze niet goed hebben begrepen, geven wij nu een korte samenvatting ervan (in zes punten, PvdL).
1. Alles is zevenvoudig, zowel in het metafysische als in het stoffelijke Heelal. Daarom worden aan ieder hemellichaam, iedere planeet, zichtbaar of onzichtbaar, zes begeleidende bollen toegekend. (...) De evolutie van het leven vindt plaats op deze zeven bollen of lichamen, van de eerste tot de zevende, in zeven RONDEN of zeven cyclussen. (...) 3. Onze aarde moet, als de zichtbare vertegenwoordiger van haar onzichtbare hogere medebollen, haar ‘heren’ of ‘beginselen’ (...), evenals de andere bollen, zeven Ronden doormaken. Tijdens de eerste drie vormt en verdicht zij zich; tijdens de vierde wordt zij vaster en harder; tijdens de laatste drie keert zij geleidelijk terug tot haar oorspronkelijke etherische vorm: zij wordt om zo te zeggen vergeestelijkt. (...)
2) Mbt de rassen zie o.a. de zes punten van p. 188 e.v. (GL, dl. I): “5. Elke levenscyclus op bol D (onze aarde) bestaat uit zeven wortelrassen. (...). Verder o.m. de GL deel II, pag. 490 e.v., waar vier punten staan vermeld “over de indelingen van Wortelrassen en de evolutie van de mensheid”. “(...) 2. Elk Wortelras heeft zeven onderrassen. 3. Elk onderras heeft op zijn beurt zeven vertakkingen, die tak – of ‘familie’-rassen kunnen worden genoemd. 4. De kleine stammen, vertakkingen en uitlopers van de laatstgenoemde zijn talloos en afhankelijk van karmische werkingen. (...) de Rassen, onderrassen, enz., tot hun kleinste vertakkingen toe, vallen gedeeltelijk samen en lopen door elkaar heen, zodat het bijna onmogelijk is te scheiden.”
3) Zie (o.a.?) de reactie van G.J. Blekkink in Theosofia, jrg. 78, febr. p. 28, rubr. Varia en H.J. Spierenburg “Tijd en tijdperk in het werk van H.P. Blavatsky – een poging tot oplossing”, in THEOSOFIE, WETENSCHAP EN POLITIEK; feestbundel ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Stichting Proklos; red. J.H. Dubbink, D. van Egmond en W. D. Margadant, TVN, Amsterdam, 1982 Het betreft hier een speciaal dubbelnummer van Theosofia, jrg. 83, april / aug.

Theosofie slaat een brug tussen Religie en Wetenschap, tussen Wat en Hoe, de onzichtbare binnenwereld van de geest en de zichtbare materiële buitenwereld. De verbinding wordt door de denkbeeldige brug Antahkarana gelegd.
Antahkarana of het "innerlijk orgaan" is de naam van het verschijnsel van algehele coördinatie tussen alle delen van het menselijk wezen.
Om hetgeen volgt te kunnen begrijpen, bedenken men wel dat Manas afgebeeld kan worden als een bovenaanstaande driehoek, met het lagere manas verbonden door een dunne lijn, welke die twee verenigt. Dit is het antahkarana, het pad of de brug van gemeenschap die als schakel dient tussen het persoonlijke wezen, welks stoffelijke brein onder de heerschappij van het lagere dierlijke denkvermogen staat, en de reïncarnerende individualiteit, het geestelijke Ego, Manas, Manoe, de ‘goddelijke Mens’.
Wanneer de persoonlijkheid zich heeft losgemaakt van het ik-besef, het gevoel van afgescheidenheid, en het eenvoudig een verlengstuk van de individualiteit zal zijn geworden, zal er zefs geen brug meer tussen deze twee nodig zijn en de theosofie zegt ons dan dat, dat wat men het antakarana noemt - dat wil zeggen de verbinding, het kanaal waardoor de communicatie plaatsvindt tussen de persoonlijkheid en de individualiteit – gedoemd is te verdwijnen.

Joann S. Bakula Het Tibetaanse boek van Leven en Sterven, een rondleiding
Om ons voor te bereiden op deze unieke kans, is het verstandig om voortdurend te bedenken en de gedachte te versterken dat de essentie van geest even onbeperkt en leeg is als de nachtelijke hemel zonder sterren of melkwegstelsels; het is zonder grens of plaats, zonder punten van licht. “Maar deze bewustzijnstoestand is niet slechts een leeg niets, het is zonder obstakels, sprankelend, zuiver en helder ... Onsterfelijk Licht.” (Fremantle en Trungpa 86-7). Het dramatische en traumatische loslaten van dat wat we denken dat we zijn (disidentificatie) – alle gedachten, emoties, interesses, relaties, wat we bereikt hebben, voorkeur en afkeur – brengt ons terug tot onze zuivere, naakte essentie. Op het moment dat de Boeddha verlichting bereikte, bracht het een bijna totale herinnering van alle duizenden levens die hij geleefd had en stervensprocessen die hij meegemaakt had. De lucht, dag of nacht, is een grote leraar van de uiteindelijke realiteit, een realiteit waarin we gevormd worden, waarin de zon leeft, een perfecte voorstelling van onze eigen innerlijke essentie. “Ruimte is een Entiteit”, schreef H.P. Blavatsky en dit wordt uit de eerste hand ervaren op het moment van de dood. Iedereen heeft die mogelijkheid.
Het verschijnen van de godheden, de Dhyani Boeddhas, in hun positieve aspecten, tijdens zeven dagen, is extra interessant voor bestudeerders van De Geheime Leer en de theorie van de zeven stralen. H.P. Blavatsky schrijft dat de “Dhyani-Boeddha’s, of Dhyan-Chohans” dezelfde zijn als de “Elohim of Zonen Gods, de Planeetgeesten van alle landen” (8) en de aartsengelen (23). Deze zijn verbonden met de “zevenvoudige hiërarchie van bewuste Goddelijke Machten ... de ontwerpers, vormers, en uiteindelijk de scheppers van het hele gemanifesteerde universum; ... zij bezielen en leiden, zij zijn de intelligente Wezens die de evolutie aanpassen en controleren ... Als groep zijn ze bekend als Dhyan Chohans”(15-6). Ze zijn verwant aan de Bijbelse zeven “dagen” van de schepping, de “Zeven Scheppingen” van de Purana’s, en de zeven stanza’s van het boek van Dzyan, die de “zeven grote stadia van het evolutionaire proces” beschrijven. Elke familie brengt haar eigen entourage van Bodhisattva’s met zich mee, die H.P. Blavatsky definieert als “de menselijke tegenhangers van de Dhyani-Boeddha’s.” De Dhyani Boeddha’s en hun bodhisattva’s verschijnen allen in zowel mannelijke als vrouwelijke vorm, met hun wijsheidsleringen en hun goddelijke attributen. Blavatsky schrijft ook nog, “Esoterisch, daarentegen, zijn er zeven Dhyani-Buddha’s, waarvan er vijf gemanifesteerd zijn, .. twee zullen komen in het Zesde en Zevende Wortelras.”
De vijfvoudige verzameling waaruit het menselijk lichaam is opgebouwd, de skanda’s (vijf hopen, Ganesha: skandha’s zijn groepen van bijeenhorende eigenschappen. Er zijn vijf skandha’s die de persoonlijkheid vormen.), heeft hier ook haar wortels. Elk van de skanda’s wordt geassocieerd met de verschijning van een van de Dhyani Buddha-families en wijsheidsleringen, en elk bevat een “gif,” ontstaan vanuit de identificatie met het afgescheiden bestaan. Deze vergiften zorgen ervoor dat de mens van elke archetypische godheid wegrent, in plaats van er naartoe. Op die manier rent hij elke keer weer naar wedergeboorte in plaats van naar verlichting. De vijf wijsheden en de vijf vergiften, of blokkerende menselijke eigenschappen, laten in combinatie zien wat de relatie is tussen de goddelijke vonk en het menselijke dier in al zijn fantastische en verschrikkelijke schoonheid – van dier naar levende God, zoals Blavatsky zei.

Benjamin Adamah Aristoteles’ Wiedergutmachungsfilosofie over de verwekking en bestrijding van het Orwelliaanse ‘ding’…
Pragmatisme blijft de empowerment van het moderne denken, dat de mystieke correlatief dialectische “wiskunde” van de natuurlijke balans tussen oorzaak 1+3 en 2+4 van Aristoteles structureel verstoort en daarmee de synergie tussen macro en microkosmos vervangt door ‘the American way of life’. Hiermee ontkoppelt het pragmatisme de ‘ik’ van de mens duurzaam van zijn hoger zelf of Amakua, de interface tussen bewustzijn van bewustzijn en de interactie involutie-evolutie. Dit proces verkankert zich in elk samenlevingsfacet, zelfs in de meest goedbedoelde toekomstgerichte initiatieven en vrijwel altijd vind de uitzaaiing plaats via een veel te grote invloed van industrie en bedrijfsleven op de overheid met de glamourterm ‘innovatie’ als ziekmaker.

====

Zie ook:

Boeken:

Externe Links

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 keer bekeken.