Macrokosmos en Microkosmos

Helena Blavatsky:
Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens – de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. (Geheime Leer, Deel I, p. 301)
Plato: Wat immers alle verstandelijke kenbare wezens omvat, kan nooit tweede zijn, naast een ander: want dan zou er weer een ander levend wezen moeten zijn, dat die beide omvat, en waarvan die beide een deel zouden zijn. Dan zou men juister moeten zeggen dat de wereld gemaakt is naar de gelijkenis, niet van die twee, maar van dit derde, dat hen omvat. (Timaeus)

Inleiding

De éne werkelijkheid is dat het universum in het menselijke bewustzijn wordt weerspiegeld. De driehoek van Pythagoras en de tien categorieën van Aristoteles symboliseren hoe de innerlijke wereld, de mens als microkosmos met de uiterlijke wereld, de macrokosmos wordt verbonden. We zijn met onze innerlijke inspiratiebron een onderdeel van de werkelijkheid.

De gemanifesteerde werkelijkheid staat tegenover de ongemanifesteerde werkelijkheid, de macrokomos tegenover de microkosmos, ruimte tegenover materie. Het gaat om de vraag hoe met behulp van de schakel tussen ruimte en materie, de tijd ('energie') de transformatie plaatsvindt. De griekse filosoof Herakleitos zei: panta rhei, alles is in beweging. Het gaat om 'Flux en Transformatie'.

Het ligt voor de hand de drievoudige scheppingsleer tegenover de bewustzijnsevolutie, de triade ’Geest – Ziel – Lichaam’ van de mens te plaatsen.

Uitgangspunt is dat de voortschrijdende 'Creativiteit en Wijsheid' een resultante is van intelligentie, die samenhangt met de stoffelijke evolutie of emotionele intelligentie (EI), verstandelijke evolutie (IQ) en monadische evolutie of sociale intelligentie (SI).
De evolutie (creativiteit en wijsheid) is coherent met materiesymmetrie (disciplines: evolutiepsychologie, culturele psychologie), spiegelsymmetrie (discipline: waarnemer van IQ, intelligentiemeting) en tijdymmetrie, de evolutie van de identiteit (discipline: cultuursociologie).

Het 5Ddenkraam berust op psychologische (stoffelijke), sociologische (verstandelijke) en filosofische (monadische) gezichtspunten. Bij dit concept gaat het om de juiste transformatie tussen binnen en buiten en vice versa. De ziel, de schakel tussen 'geest en lichaam' staat daarbij voorop. Bij de individuele kant gaat het om de zelfkennis. De grote leraren van de mensheid, zoals Christus, Boeddha, Plato en Confucius, hebben over ethiek eigenlijk hetzelfde gedacht ‘Alle dingen dan die gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de Wet van de Profeten’.

Individuatie is het algemene begrip dat Carl Jung gebruikte voor het leren kennen van de totaliteit van de psyche en het toekennen van de centrale plaats aan het ‘Zelf’, en die niet uit te leveren aan het ego. De theosofie maakt daarentegen van het begrip individualiteit gebruik.

De zevenvoudige samenstelling van de mens:

Het begrip individuatie van Jung kan met het begrip onpersoonlijk in de filognosie worden vergeleken.

De op de persoonlijkheid (beginselen 1 t/m 4) betrekking hebbende wijsheidssleutels 4 t/m 7 komen in hoofdstuk 5. Psychologie aan de orde.

====

Eerste wijsheidssleutel (Symboliek van de cirkel, Spiegelsymmetrie)

De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 7 De dagen en nachten van Brahmâ (p. 411):
Want het zevende (‘duizendtal’) (niet het millennium van het exoterische christendom, maar dat van de antropogenese) stelt zowel de ‘zevende periode van de schepping’ voor, die van de fysieke mens (Vishnu Purāna), als het zevende beginsel – zowel macrokosmisch als microkosmisch –, als ook het pralaya na de zevende periode, de ‘nacht’ die dezelfde duur heeft als de ‘dag’ van Brahmā. ‘Zij werd in twaalf uur geheel verwoest, zoals er staat geschreven.’ Maar in het dertiende (tweemaal zes en de synthese) zal alles worden hersteld ‘en de zes zullen voortbestaan’.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 11 Over elementen en atomen (p. 627/628):
Niet één filosoof uit de oudheid, zelfs niet de joodse kabbalisten, scheidden ooit de geest van de stof of omgekeerd. Alles vond zijn oorsprong in het ENE, komt voort uit het ene en moet tenslotte terugkeren tot het Ene. ‘Licht wordt warmte en verdicht zich tot vurige deeltjes die, nadat ze hebben gebrand, koude, harde, ronde en gladde deeltjes worden. En dit wordt de ziel genoemd, gevangen in haar kleed van stof’; want atomen en zielen waren synoniem in de taal van de ingewijden. De ‘rondwervelende zielen’, gilgoolem, een leer waarin zoveel geleerde joden hebben geloofd (zie de Royal Masonic Cyclopaedia van Mackenzie), had esoterisch geen andere betekenis. De geleerde joodse ingewijden hebben met het ‘beloofde land’ nooit alleen Palestina bedoeld, maar hetzelfde nirvāna als de geleerde boeddhisten en brahmanen – de schoot van de EEUWIGE, gesymboliseerd door die van Abraham, en door Palestina als de plaatsvervanger ervan op aarde5. De doorgang van het ZIELEN-ATOOM ‘door de zeven planeetkamers’ had dezelfde metafysische en ook fysische betekenis. Het had de laatstgenoemde betekenis wanneer werd gezegd dat het zich in de ether oploste. (Zie Isis Ontsluierd, Deel I, Engelse uitgave, blz. 297.) Zelfs Epicurus, de model-atheïst en materialist, kende en geloofde zoveel van de oude wijsheid, dat hij verkondigde dat de ziel (geheel verschillend van de onsterfelijke geest, als de eerstgenoemde daarin latent is opgesloten, zoals in elk atomair deeltje) was samengesteld uit een fijne, tere essentie, gevormd uit de gladste, rondste en fijnste atomen.
5) Geen ontwikkelde jood heeft ooit geloofd in de letterlijke betekenis van deze allegorie – namelijk dat ‘de lichamen van joden die in vreemde landen zijn begraven, in zich een zielenbeginsel bevatten dat niet kan rusten, totdat het onsterfelijke deel, door een proces dat het ‘rondwervelen van de ziel’ wordt genoemd, de heilige grond van het ‘beloofde land’ weer bereikt’. Voor een occultist is de betekenis duidelijk. Het proces werd geacht zich te voltrekken door een soort metempsychose, waarbij de psychische vonk haar weg aflegde door een vogel, een viervoetig dier, een vis en het kleinste insect. (Zie de Royal Masonic Cyclopaedia van Mackenzie.) De allegorie heeft betrekking op de atomen van het lichaam, die elk door iedere vorm moeten gaan, voordat ze alle de eindtoestand bereiken, die het eerste uitgangspunt van elk atoom is – zijn oorspronkelijke layatoestand. Maar de oorspronkelijke betekenis van gilgoolem of de ‘rondwenteling van de zielen’ was het denkbeeld van de reïncarnerende zielen of ego’s. ‘Alle zielen gaan in de gilgoolah’, in een cyclisch of rondwentelend proces; d.w.z. ze volgen alle het cyclische pad van de wedergeboorten. Sommige kabbalisten leggen deze lering zó uit, dat deze alleen maar een soort vagevuur voor de zielen van de verdorvenen betekent. Maar dat is niet juist.

Deel II, Stanza 6 De evolutie van de zweetgeborenen (p. 171):
Analogie is de leidende wet in de Natuur, de enige ware draad van Ariadne, die ons langs de onontwarbare wegen van haar domein kan voeren naar haar eerste en laatste mysteriën. De Natuur is als scheppend vermogen oneindig, en geen enkele generatie van natuurkundigen kan zich er ooit op beroemen de lijst van haar middelen en methoden te hebben uitgeput, hoe uniform de wetten die zij volgt ook zijn.
Deel II, Hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen IAO en JEHOVA (p. 629):
Het brahmaanse ‘gouden ei’ waaruit Brahmā, de scheppende godheid, tevoorschijn komt, is de ‘cirkel met het centrale punt’ van Pythagoras, en een passend symbool daarvoor. In de Geheime Leer wordt de verborgen EENHEID – of deze nu PARABRAHMAM voorstelt, of het ‘GROTE UITERSTE’ van Confucius, of de godheid die wordt verborgen door PHTA, het eeuwige licht, dan wel het joodse EN-SOPH – altijd gesymboliseerd door een cirkel of de ‘nul’ (het absolute niet-iets en niets, omdat het oneindig en het AL is); terwijl het god-gemanifesteerde (door zijn werken) wordt aangeduid als de middellijn van die cirkel. De symboliek van het eraan ten grondslag liggende denkbeeld wordt nu duidelijk: de rechte lijn die door het middelpunt van een cirkel gaat, heeft in meetkundige zin lengte, maar geen breedte of dikte: het is een denkbeeldig en vrouwelijk symbool, dat de eeuwigheid doorkruist en dat men laat berusten op het bestaansgebied van de wereld van de verschijnselen. De rechte lijn heeft één dimensie, terwijl de cirkel ervan geen dimensie heeft of, om een algebraïsche term te gebruiken, deze is de dimensie van een vergelijking. Een andere manier om dit denkbeeld te symboliseren vindt men in de pythagorische heilige decade , die in het uit twee cijfers bestaande getal tien (de 1 en een cirkel of nul) het absolute AL samenvat, dat zich manifesteert in het WOORD of de voortbrengende scheppingskracht.

====

Tweede wijsheidssleutel ('Macrokosmos en Microkosmos', Complementariteit)

Peter Demski, boek Het Anarchistische Principe, p. 11: Engels werpt Dühring tegen slechts de theologische kant van de Kantiaanse Antinomie opgenomen te hebben en niet de bewering en het bewijs van het tegenovergestelde; dat de wereld ten opzichte van de tijd geen aanvang en ten opzichte van de ruimte geen einde heeft.

H.P. Blavatsky, De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Proloog (p. 31): Alleen degenen die beseffen hoe hoog de intuïtie zich bevindt boven de trage processen van het redenerende denken, kunnen zich een heel vaag begrip vormen van die absolute wijsheid die de begrippen van Tijd en Ruimte te boven gaat.

Anna Lemkow, boek Het Heelheid Principe (p. 178): Bovendien stelde Blavatsky dat er drie gescheiden, maar onderling verweven, evolutiestromen zijn in het aardse schema der dingen: de spirituele, de intellectuele, en de fysieke, elk met zijn eigen regels of innerlijke wetten. Alle drie de stromen zijn vertegenwoordigd in de samenstelling van de mens, de microkosmos van de macrokosmos (de natuur zelf) en hierdoor zijn we de complexe wezens die we zijn.

De Vervlochten Driehoeken: Terwijl ze in het westen bekend zijn als het zegel of de ster van koning Salomo (davidster), waren ze in India bekend als het zegel van Vishnu. De vervlochten driehoeken duiden op de bipolariteit in de natuur - geest en stof, of mannelijk en vrouwelijk. De top van de witte driehoek vertegenwoordigt de goddelijke monade, de top van de zwarte driehoek de gemanifesteerde werelden. De omhooggerichte driehoek stelt de geest voor, bewustzijn en verborgen wijsheid, die zich spiegelen in de omlaag wijzende driehoek die staat voor de stof, de ontvankelijke ruimte, manifestatie of de onthulde wijsheid. De zijden van de donkere driehoek kunnen vorm voorstellen, kleur en substantie, de drie guna's of fundamentele eigenschappen, en de scheppende, behoudende en vernietigende/vernieuwende krachten van de hindoe-triade, Brahmâ, Vishnu en Shiva. Samen vertegenwoordigen de driehoeken het gemanifesteerde heelal, geëvolueerd uit het centrale punt binnen de slang-cirkel van tijd en ruimte. Ze vormen ook de zeshoek van de zes beginselen, de kosmische en menselijke, die voortkomen uit en één zijn in het centrale punt, het zevende en hoogste zelf van elk evoluerend wezen. Ze brengen dus de zevenvoudige structuur van het heelal tot uitdrukking. Het kruis in het midden is de innerlijke persoon, die alle dingen van de zes zijden raakt door middel van de zes driehoeken. De zes punten van de ster wijzen naar buiten naar de slang van de eeuwigheid en groeien en evolueren in de loop van de tijd.

Opmerking in de bijlage Weerkaatsing (hoofdstuk 4.3):
Bij de hindoes is de god Vishnu de bovenzinnelijke oorspronkelijke persoon of integriteit van de schepping en de instandhouder van leven, de schepper of de geest van het Absolute is (Brahmâ) en de vernietiger-vernieuwer is Shiva (zie verder guna-avatâra's). Deze drie-eenheid vertegenwoordigt in essentie de daadwerkelijke processen van het bewustzijn dat zijn vormen vernieuwt en verandert in overeenstemming met nieuwe innerlijke impulsen.
De drie verenigende Logoi van de Esoterie:

Pythagoras E i V: E i V:
  1e Logos, Monade3e Logos, TriadeAntroposofieRudolf Steiner 
MonadeTriadeGod ----GeestGeestmens ----Geestzelf (omgevormd Astraallichaam)
||||||
TetradeDuade4. Lichaam ----ZoonFysiek lichaam ----Levensgeest (omgevormd Etherlichaam)
  Tetrade2e Logos, Duade  
    Rapport ‘E i V’, de natuurlijke kringloop (1 - 3 - 2 - 4):
Macrokosmos Microkosmos MacrokosmosTijd-as
'Leegte' ----InhoudloosInhoud >>>>Inhoudloos, 'Leegte'1. Ruimte, Wat ----3. Absolute tijd
|||||
Vormloos ----InhoudVormloos <<<<Vorm, Vormbaar4. Relatieve tijd ----2. Materie, Hoe
 Microkosmos  Tijd-asMicrokosmos
    5e element Ether
    (snijpunt van dediagonalen 1./2. en 3./4)

====

Derde wijsheidssleutel (Standaardmodel, Triade)

Milo Wolff Solving Nature’s Mystery, 5. Measurement is a Property of an Ensemble of Matter.
A particle entirely alone in the universe cannot have dimensions of time, length or mass. These measures are undefined without the existence of other matter because dimensions can only be defined in comparison with other matter. For example, at least six separated particles are necessary to crudely define length in a 3D space: four to establish coordinates and two being measured. Thus the measurement concept requires the existence of an ensemble of particles. In our universe the required ensemble must include all observable matter, because there is no way to choose a special ensemble. The importance of this fact becomes clear when we recall that time, length and mass are the basic unit set used to describe all scientific measurements.


Figure 2. Inter-dependence. Laws particles, and the cosmos are inter-connected by the quantum waves of particle structures in the 'ether' medium of space. These interconnections are described by three Principles that define the properties of the space medium.
 

Albert Einstein, Relativiteitstheorie, de eenheid van Massa, Tijd en Energie (Kracht, Beweging) - Ruimte - Tijd - Beweging (Standaardmodel).

  Rapport Eenheid in Verscheidenheid 
Ruimte (Energie)Inertie (Tijd-as)1. Zwaartekracht (M/V)3. Materiesymmetrie
RelativiteitstheorieUnificatietheorie7. Hermeneutische cirkel ----5. Reflexief bewustzijn
||||
SnaartheorieQuantummechanica (Microkosmos)4.b Ether-paradigma ----6. Meta-leren
BewegingMaterie, Massa4.a Tijdsymmetrie2. Spiegelsymmetrie (Z.P.F.)

Quantummechanica, het Standaardmodel: Aanvankelijk werden drie symmetrieën als evident beschouwd: Spiegelsymmetrie of pariteit (het heelal gezien in een spiegel zou kunnen bestaan), Tijdsymmetrie (het heelal zou op kleine schaal andersom in de tijd kunnen verlopen) en Materiesymmetrie (elk deeltje heeft een tegendeel dat het doet verdwijnen als het dat ontmoet). In een open, dynamisch systeem moet er van een gebroken symmetrie sprake zijn. Volledig gelijk duidt immers op een evenwichtstoestand.

Singulariteit en filosofie, Hoofdstuk Algemeen en natuurkunde: De eigenschappen plus en min ontstaan uit de eigenschappen zwart en wit waardoor op het tweede niveau 4 eigenschappen optreden. Zwart en wit vormen binnen het systeem de relatieve singulariteiten, relatieve bron, voor de eigenschappen plus en min terwijl de absolute bron van het complexe systeem de absolute singulariteit is. Hoofdstuk Dualistisch relatieve singulariteit vat in een afbeelding de essentie van de theorie over dualistisch relatieve singulariteit samen. Deze driehoek wordt bij het verklaren van het Ether-paradigma gebruikt.

Volgens Albert Einstein heeft de zwaartekracht de kromming van ruimte en tijd tot gevolg. Beweging, duur maakt zwaartekracht mogelijk. Tijd, het NU is een fictieve grens, het bestaat feitelijk niet.

De website van Jan Nentjes (kies Ruimte en tijd, deel I en II) belicht de microkosmos van de quantummechanica en de macrokosmos van de relativiteitstheorie. Jan Nentjes bekijkt eerst een uitdijend heelal dat zo ijl is, dat de zwaartekracht geen invloed meer heeft op de evolutie.

====

Vierde wijsheidssleutel (4e Dimensie, Ether-paradigma, Zelf-ontplooiing)

De Geheime Leer Deel II, Stanza Het begin van bewust leven (p. 35):
‘Elke wereld heeft haar moederster en zusterplaneet. Zo is de Aarde het geadopteerde kind en de jongere broer van Venus, maar haar bewoners hebben hun eigen aard . . . Alle bewuste voltooide wezens (volledig zevenvoudige mensen of hogere wezens) worden bij hun aanvang voorzien van vormen en organismen, geheel in harmonie met de aard en toestand van de sfeer die zij bewonen.’
‘De sferen van het Zijn of levenscentra, die afgezonderde kernen zijn die hun mensen en hun dieren voortbrengen, zijn talloos; niet één heeft ook maar enige gelijkenis met haar gezellin of met enige andere van haar eigen speciale nageslacht.’
‘Alle hebben een dubbele stoffelijke en geestelijke natuur.’ (Wet van zelfontplooiing)
‘De levenskernen zijn eeuwig en altijddurend; de kernen periodiek en eindig. De levenskernen maken deel uit van het absolute. Het zijn de schietgaten van die zwarte onneembare vesting, die voor altijd is verborgen voor de blik van de mens of zelfs de Dhyani. De kernen zijn het licht van de eeuwigheid, dat daaruit ontsnapt.’

‘De leer van svabhâva’. Swabhâva (Sanskriet), een samengesteld woord dat is afgeleid van de wortel bhû, die 'worden' betekent - niet zozeer 'worden' in de passieve zin, maar meer iets 'worden', 'uitgroeien tot' iets. Het zogenaamde voornaamwoordelijke voorvoegsel swa betekent 'zelf'; daarom heeft het zelfstandige naamwoord de betekenis van 'zelf-wording', 'zelfvoortbrenging', 'zelf-groei' tot iets. Toch kunnen we niet zeggen dat het wezenlijke of fundamentele of integrale Zelf, hoewel dit voortdurend zijn eigen verheven pad van evolutie volgt, de veranderingen of fasen ondergaat die zijn voertuigen doormaken. Evenals de monaden, evenals het Ene, zendt het fundamentele Zelf - dat tenslotte praktisch hetzelfde is als de Ene Monadische Essentie - een straal van zichzelf omlaag in iedere organische entiteit, zoals ook de zon een straal van zichzelf in de omringende 'duisternis' van het zonneheelal zendt.
Swabhâva heeft twee algemene filosofische betekenissen: ten eerste, zelf-verwekking, zelf-voortbrenging, zelf-wording, waarbij de algemene gedachte is dat er in de natuur geen louter mechanische of zielloze activiteit bestaat die ons tot aanzijn brengt, want wij brachten onszelf voort, in en door de natuur, waarin we deel uitmaken van de bewuste krachten en daarom zijn we onze eigen kinderen. De tweede betekenis is dat iedere bestaande entiteit het resultaat is van wat ze werkelijk geestelijk is in haar eigen hogere natuur; ze brengt datgene voort wat ze zelf innerlijk is en niets anders. Een bepaald ras bijvoorbeeld is en blijft dat ras zolang het speciale ras-swabhâva in het ras-zaad blijft en zich aldus manifesteert. Hetzelfde is het geval met een mens, een boom, een ster, een god - en wat al niet!
Wat maakt dat een roos altijd een roos voortbrengt en geen distels of madeliefjes of viooltjes? Het antwoord is heel eenvoudig, maar zeer diepzinnig. Het komt door haar Swabhâva, de essentiële natuur in en van het zaad. Zijn Swabhâva kan alleen datgene voortbrengen wat het zelf is, zijn eigen essentiële karakteristiek, zijn eigen innerlijke natuur. Kortom, Swabhâva kan de wezenlijke individualiteit van iedere monade worden genoemd, die haar eigen kenmerken, kwaliteiten en type tot uitdrukking brengt door zelfgeleide evolutie.
Het zaad kan niets anders voortbrengen dan wat het zelf is, wat erin besloten ligt; en dit is het hart en de kern van de leer van Swabhâva. Het terrein dat deze leer in filosofisch, wetenschappelijk en religieus opzicht bestrijkt is eenvoudig onbegrensd; ze is van het grootste belang. Bijgevolg brengt ieder individueel Swabhâva, als zijn eigen bijzondere voertuigen, zijn verschillende swarûpa's voort, karakteristieke lichamen of beelden of vormen waarin het zich tot uitdrukking brengt. Het Swabhâva van een hond bijvoorbeeld brengt het hondelichaam voort. Het Swabhâva van een roos brengt een roos voort, het Swabhâva van een mens de vorm of het beeld van een mens en het Swabhâva van een godheid of een god brengt zijn eigen swarûpa of karakteristiek voertuig voort.

====

Vijfde wijsheidssleutel (Akasa, Akasha, 5e Dimensie, Wet van evolutie, Individualiteit)

John Van Mater (Sunrise juli/aug 2004), artikel Denkvermogen, herinnering en het astrale licht: De Ouden waren op de hoogte van het bestaan van een astrale of ‘sterachtige’ substantie die de grondslag is van de fysieke stof. De hindoes noemen haar akasa, ‘schitterend, stralend’. De stoïcijnen spraken van aether of kwintessens, de mysterieuze geest-substantie die de veranderlijke bron is van alle vormen. Theosofen noemen haar het astrale licht. Als meest stoffelijke laag van de niet-fysieke energieën die onze planeet omringen, analoog aan de ziel van de wereld, werkt ze als een compleet reservoir van herinneringen dat de optekeningen bevat van elke indruk en gebeurtenis die ooit op aarde heeft plaatsgevonden. Ze is vol met de potentiële oervormen van alle gedachten, vormen en wezens, en de werkingen ervan vallen buiten het ruimte-tijd-kader dat geldt voor het fysieke gebied. In feite is de fysieke wereld een uitbreiding van de astrale, die een reeks krachten en emanaties bevat, gedachten en wezens, die voor het leven op aarde òf weldadig òf schadelijk zijn.

Âkâs´a. (Sanskriet). Het woord betekent 'schitterend', 'schijnend', 'lichtgevend'. Het vijfde kosmische element, de vijfde essentie of 'kwintessens', door de oude Stoïcijnen aether genoemd; het is echter niet de ether van de wetenschap.
De ether van de wetenschap is slechts een van zijn lagere bestanddelen. In de Brahmaanse geschriften wordt Âkâs´a gebruikt voor wat de noordelijke Boeddhisten swabhavat noemen, in meer mystieke zin Âdi-buddhi - 'oorspronkelijke buddhi'; het is ook Mulaprakriti, de kosmische geest-substantie, het reservoir van het Zijn en van de wezens. Het Hebreeuwse Oude Testament verwijst ernaar als de kosmische 'wateren'. Het is universele en substantiële ruimte; ook, in mystieke zin, Alaya. (Zie MULAPRAKRITI en ALAYA).

Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 705):
‘Alles is uit ākāśa (of op onze aarde svabhavat) voortgekomen, gehoorzamend aan een inherente wet van beweging, en verdwijnt na een bepaalde tijd te hebben bestaan. Er is nog nooit iets uit niets ontstaan.’ (Buddhist Catechism.)

Het Akasha-veld biedt de basis voor ‘de integrale theorie van alles’, de unificatietheorie. In het rapport 'E i V' wordt voor het ‘allesverbindende informatieveld’ van de term Ether-paradigma gebruik gemaakt. Dit rapport wil aantonen dat de holos-beschaving gecreëerd kan worden door de absolute waarheid (G. de Purucker: Drie stadia van het zien van Waarheid), de éne werkelijkheid als vast referentiepunt te kiezen.

Het Akasha-veld heeft als medium (oerstof), de 'materie' ether.
Akasha is een plaats tussen tijd en ruimte, die vele namen heeft: Swabhavat, nulpuntveld, prana, levenskracht, Tetragrammaton, anima mundi, wereldziel, wereldgeest, eenheidsbewustzijn, De, ki, Chi, Kundalini, psi-vermogens, Zero Point Field (Z.P.F.), Aether, vril en tachyonenergie.
Ether wordt door een punt (snijpunt van de diagonalen 1./2. en 3./4.) gesymboliseerd.

De psyche, de 'intersubjectieve' relatie, de weerspiegeling (wederkerigheid) tussen de microkosmos en de macrokosmos, wordt aan de hand van het '5D-concept en Ether-paradigma', de Bewustzijnsschil toegelicht. Dit gezichtspunt maakt het mogelijk op de gewenste veranderingen grip te krijgen, dus de levenscycli op aarde beter te beheersen.

De Swabhawat toont aan, dat we 'dit' aan 'dat' kennen , en 'dat' aan 'dit' , maar 'dit' op zichzelf staand kennen wij niet, evenmin als 'dat', want we kennen beide slechts aan de wederkerige verschillen met elkaar. Wat is dus het begrip van iets, anders dan uitsluitend het verschil tussen twee dingen? Wanneer een bepaald bedrag gegeven wordt dat een verschil tussen twee kapitalen is, dan is het niemand mogelijk daaruit af te leiden, welke kapitalen er bedoeld worden, maar met het verschil, het bedrag, kan worden gewerkt. Dit is de feitelijke betekenis van de oude Oosterse uitspraak: 'twee verborgen, één geopenbaard'.

De Swabhawat stellingen omgrijpen juist, met zeer strakke uitbeelding, geest en stof als een eenheid en voeren ze tot een zuiver beeld van het leven in de meest uitgebreide zin. Juist door de ontkenning van de grenzen tussen geest en stof werpt het terug naar het onbegrensde innerlijk. De zucht om persoonlijke verantwoording te dragen is een essentieel onderdeel van de menselijke waardigheid. Dit zoeken is een natuurlijke drang voortdurende druk uit te oefenen op de grenzen welke de mens tegenkomt.

De klinisch psycholoog René Meijer brengt met behulp van matrices de supersymmetrie in het universum in beeld:

De begrippen persoonlijk en onpersoonlijk in de filognosie.
Filognosie: hoofdstuk De ideale integratie en haar schaduw.

FilognosieSwabhawat:het veranderlijke van het onveranderlijkeVedische filosofie1.5 De blauwdruk van hetleerproces:
Ego (ziel)Swa:het ZelfDharma2. Collectief leerprocesA. Ongeopenb. Logos
WijsheidSu:volmaakt schoonVerlichting3. SymmetrieB. Potentiële wijsheid
ZelfBhawa:Wezen of toestand van het ZijnKarma4. Individueel leerprocesC. Algemene ideatie

De interacties tussen 'ego en het Zelf' leiden tot wijsheid. Het ligt dan voor de hand te veronderstellen dat het Zelf links laten liggen in dwaasheid (Vikarma) resulteert. De eerste zes hoofdstukken van de Bhagavad Gîtâ gelden als representatief voor de bezinning op de gevolgen van het baatzuchtig handelen, het karma dat men heeft. De overige twaalf hoofdstukken handelen over de toewijding in bewustzijnsvereniging en de kennis, de wijsheid van de bewustzijnsvereniging die de yoga is.

De ‘Law of One’ heeft op het verschijnsel karma ‘Er is niets nieuws onder de zon’ (Zaaien en Oogsten, Geven en Ontvangen), de 2e grondstelling betrekking. Het gaat in het kwantumvacuüm om de virtuele scheidslijn tussen twee polen (syzygieën), het aardse en het hemelse, tussen dharma en karma, waarvan Dharma buiten de bestaanssfeer van de wereld der tegenstellingen ligt, de Éne werkelijkheid . Het draait primair om de geestelijke wederhelft of Syzygos.

G. Barborka geeft in zijn boek Het Goddelijke plan - Menswording en Evolutie op pagina 596 een lijst van met Akasha gelijkwaardige termen:
Universele denkvermogen, Fohat en de Drie Logoi.
610: In deze vroegste drieëenheid zijn dus Chaos (of veeleer Chaino), Chaia en Eros (Chaos, Gaea, Eros) gelijk in betekenis aan Parabrahman (De éne werkelijkheid), Mûlaprakriti (p. 602: Voor – kosmische – wortel – substantie) en Fohat (p. 607). Zij vertegenwoordigen dus die stadia van een heelal, die aan de openbaring ervan vooraf gaan.
610: EROS = FOHAT.
De vergelijking van Fohat in de ongeopenbaarde stadia van een Heelal (Pralaya) en Fohat in openbaring (Manvantara) met Eros en Cupido werpt licht op een interessant punt in de Griekse mythologie. Cupido was werkelijk de stralende, gevleugelde god van de liefde in het oude Rome en voor die tijd werd hij in Griekenland op dezelfde wijze bezien onder de naam Eros, die altijd in het gezelschap van zijn moeder Venus (Aphrodite), de godin van de liefde, verkeerde.

Geheime Leer Deel II, Stanza 1 Het begin van bewust leven (p. 46):
De grenzeloze en oneindige EENHEID bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus.
In iedere kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het ONKENBARE en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties . . .

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 46):1.5 De blauwdruk van het leerproces:
(1.) Het ABSOLUTE, het Parabrahm van de Vedantaleer of de ene Werkelijkheid, SAT1. En-soph, Blauwdruk (11e dimensie)
(2.) De eerste manifestatie, de onpersoonlijke en in de filosofie de ongemanifesteerde logos2. Collectief leerproces en Reciprociteit
(3.) Geest-stof, LEVEN, de ‘geest van het Heelal’, purusha en prakriti3. Symmetrie en Eeuwige wederkeer
(4.) Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT of intelligentie, de universele wereldziel4. Individueel leerproces en Ken Uzelve
 
De ENE WERKELIJKHEID; haar tweevoudige aspecten in het voorwaardelijke Heelal.

De Logos 'A.B.C Het Onkenbare' wordt in het Diagram I (Blavatsky, Deel III, p. 492 en de bovenste driehoek p. 592) weergegeven:

 H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 46):
A. Geslachtsloze, Ongeopenbaarde Logos.(2.) De eerste manifestatie, de onpersoonlijke en in de filosofie de ongemanifesteerde logos
B. Potentiële wijsheid.(3.) Geest-stof, LEVEN, de ‘geest van het Heelal’, purusha en prakriti
C. Algemene ideatie (verbeeldingskracht).(4.) Kosmische verbeeldingskracht, MAHAT of intelligentie, de universele wereldziel

A., B. en C. hangen met de 1e, 2e en 3e Logos, de weerkaatsing van de Godheid (En-soph) samen.
P. 621: De geest wordt als het ware door geestelijke zwaartekracht omlaag getrokken. Toen de leerlingen nader naar de oorzaak hiervan zochten, weerhield H.P.B. hen, terwijl zij hun slechts een wenk gaf over de drie Logoi.
1. Potentialiteit van denkvermogen (volstrekt denken).
2. Gedachte in kiem.
3. Ideatie (verbeeldingskracht) aan het werk.

H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel II, (p. 25): Meer metafysisch uitgedrukt, wordt de hier genoemde classificatie van kosmische grondbeginselen meer voor het gemak gegeven dan wegens haar absolute filosofische nauwkeurigheid. Bij het begin van een groot manvantara manifesteert Parabrahm zich als Mulaprakriti en vervolgens als de logos. Deze logos is gelijkwaardig aan het ‘onbewuste universele denkvermogen’, enz. van de westerse pantheïsten. Hij vormt de basis van de SUBJECT-kant van het gemanifesteerde Zijn, en is de bron van alle manifestaties van individueel bewustzijn. Mulaprakriti of oorspronkelijke kosmische substantie is de grondslag van de OBJECT-kant van de dingen – de basis van alle objectieve evolutie en van het ontstaan van de Kosmos.

In 1888, Blavatsky described the universe as originating within-without from a zero point source-“an unextended point” rooted within the aether of higher space dimensions. She described the “Gods” and other invisible powers as “clothing themselves in bodies” through zero point dynamics by which the influences and forces of higher realms are brought down into material nature. Thus all cosmoses are guided and worked from within/without, and all things are rooted into the “seeming void” and yet “divine plenum” of the Absolute. Any Son, or created universe, originates from a point source within the plenum, expands from within/without and eventually contracts from without/within, resolving back into the underlying realm. The fundamental dogma of the ancient wisdom, according to Blavatsky's Secret Doctrine, is that there is “one indivisible and absolute Omniscience and Intelligence in the Universe, and this thrills throughout every … infinitesimal point of the whole finite Kosmos.” Zero points are the means by which individual lives are focused out of this underlying unified Omniscience and Intelligence.

H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 42):
Welke opvattingen de natuurwetenschap over dit onderwerp ook heeft, de occulte wetenschap leert al eeuwen dat akasa – waarvan ether de grofste vorm is – het vijfde universele kosmische beginsel (waarmee het menselijke manas overeenkomt en waaruit dit voortkomt), kosmisch gezien een stralende, koele, warmtestralen doorlatende, plastische stof is, scheppend voor wat betreft haar stoffelijke aard, en waarvan haar grofste aspecten en delen in onderlinge wisselwerking staan; zij is onveranderlijk in haar hogere beginselen. In eerstgenoemde toestand wordt zij de sub-wortel genoemd; in verbinding met stralende hitte roept zij ‘dode werelden tot het leven’ terug. In haar hogere aspect is zij de ziel van de wereld; in haar lagere, de VERNIETIGSTER.
De Geheime Leer Deel I Stanza 2 Het denkbeeld van differentiatie (p. 91):
Svabhavat, de ‘plastische essentie’ die het Heelal vult, is de wortel van alle dingen. Svabhavat is om zo te zeggen het boeddhistische concrete aspect van de abstractie die in de hindoefilosofie Mulaprakriti wordt genoemd. Het is het lichaam van de ziel en wat ether voor akasa zou zijn, en dit laatste is het bezielende beginsel van het eerstgenoemde.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiërarchieën (p. 134):
De lipi-ka’s, van het woord lipi, ‘geschrift’, betekent letterlijk de ‘schrijvers’. Deze goddelijke wezens zijn op mystieke manier verbonden met karma, de wet van de vergelding, want ze zijn de griffiers of geschiedschrijvers, die op de (voor ons) onzichtbare tafelen van het astrale licht, ‘de grote beeldengalerij van de eeuwigheid’, een getrouw verslag afdrukken van iedere handeling en zelfs gedachte van de mens, van alles dat was, is of ooit zal zijn in het Heelal van de verschijnselen. Zoals in ‘Isis’ werd gezegd, is dit goddelijke en ongeziene schilderij het BOEK VAN HET LEVEN ('Akasha-kronieken').
135: Omdat de lipika’s het ideële plan van het heelal, op basis waarvan de ‘bouwers’ na iedere pralaya de Kosmos weer ontwikkelen, uit het passieve universele denkvermogen in de objectiviteit projecteren, zijn zij het ook die een parallel vormen met de zeven engelen van de Goddelijke Tegenwoordigheid; de christenen zien die engelen in de zeven ‘planeetgeesten’ of de ‘geesten van de sterren’. Want zij zijn de rechtstreekse schrijvers van de eeuwige Verbeeldingskracht of, zoals Plato het noemde, de ‘goddelijke gedachte’. Het Eeuwige Verslag is geen fantastische droom, want dezelfde verslagen komen voor in de wereld van de grove stof.
De Geheime Leer Deel I Stanza 5 Zij brengen fohat voort (p. 140/141):
(c) Omdat fohat een van de belangrijkste, zo niet de allerbelangrijkste rol speelt in de esoterische kosmogonie, moet hij nauwkeurig worden beschreven. Evenals in de oudste Griekse kosmogonie, die sterk verschilde van de latere mythologie, Eros de derde persoon is in de oorspronkelijke drie-eenheid: Chaos, Gaea, Eros – die overeenkomt met het kabbalistische En-Soph (want Chaos is RUIMTE, [chaino]), ‘leegte’), het grenzeloze AL, Shekinah en de Oude van Dagen, of de Heilige Geest – zo is fohat in het nog ongemanifesteerde Heelal iets anders dan in de kosmische wereld van de verschijnselen. In laatstgenoemde is hij die occulte elektrische levenskracht die, door de wil van de scheppende logos, alle vormen verenigt en samenbrengt en deze de eerste impuls geeft, die te zijner tijd wet wordt. Maar in het ongemanifesteerde Heelal is fohat dit niet, evenmin als Eros de latere schitterende gevleugelde Cupido of LIEFDE is. Fohat heeft nog niets met de Kosmos te maken, want de Kosmos is nog niet geboren en de goden slapen nog in de schoot van de ‘vader-moeder’. Hij is een abstract filosofisch begrip. Hij brengt zelf nog niets voort; hij is eenvoudig die potentiële scheppende kracht, door de werking waarvan het NOUMENON van alle toekomstige verschijnselen zich als het ware verdeelt, maar alleen om zich in een mystieke bovenzinnelijke handeling weer te verenigen en de scheppende straal uit te zenden. Wanneer de ‘goddelijke zoon’ plotseling tevoorschijn komt, wordt fohat de stuwende kracht, de werkzame macht die veroorzaakt dat het ENE wordt tot TWEE en DRIE – op het gebied van de kosmische manifestatie. Het drievoudige ENE differentieert zich in het vele, en dan wordt fohat omgezet in die kracht die de elementalen-atomen samenbrengt en maakt dat ze zich verenigen en zich met elkaar verbinden. Een echo van deze oorspronkelijke lering vindt men in de vroege Griekse mythologie. Uit Chaos worden Erebos en Nux geboren, en onder de inwerking van Eros schenken zij op hun beurt het leven aan Aether en Hemera, het licht van de hogere en dat van de lagere of aardse gebieden. Duisternis brengt licht voort. Zie Brahma’s ‘wil’ of begeerte om te scheppen in de Purana’s, en in de Fenicische kosmogonie van Sanchoniathon de leer dat begeerte, [pothos], het beginsel van de schepping is.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 6 Vervolg (p. 226):
Het astrale licht staat in dezelfde betrekking tot akasa en anima mundi, als satan tot de godheid. Ze zijn een en hetzelfde, gezien vanuit twee standpunten: het geestelijke en het psychische – de bovenetherische of verbindende schakel tussen stof en zuivere geest – en het stoffelijke.
Deel I, Stanza 7 Akâsa en Ether (p. 283/295) van de De Geheime Leer geeft bijzonderheden over het Akasha-veld; vanaf p. 361 over Ether en intelligentie en p. 533/537, 581 over Ether.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 283):
Akâsa is dus pradhâna in een andere vorm, en kan als zodanig geen ether zijn, het altijd onzichtbare agens, waaraan zelfs de natuurwetenschap het hof maakt. Het is evenmin astraal licht. Het is, zoals gezegd, het noumenon van de zevenvoudig gedifferentieerde prakriti – de altijd onbevlekte ‘moeder’ van de vaderloze zoon, die ‘vader’ wordt op het lagere gemanifesteerde gebied. Want MAHAT is het eerste voortbrengsel van pradhâna of akâsa, en mahat – universele intelligentie, ‘waarvan buddhi de kenmerkende eigenschap is’ – is niets anders dan de logos, want hij wordt ‘Eswara’ Brahmâ, Bhâva, enz. genoemd. (Zie Linga Purâna, afd. lxx, 12 e.v. en Vâyu Purâna, maar vooral het eerstgenoemde Purâna, afdeling viii, 67-74.) Kortom, hij is de ‘schepper’ of het goddelijke denkvermogen in scheppende werkzaamheid, ‘de oorzaak van alle dingen’. Hij is de ‘eerstgeborene’, over wie de Purâna’s ons mededelen dat ‘mahat en stof de innerlijke en uiterlijke grenzen van het Heelal zijn’, of in onze taal, de negatieve en de positieve polen van de tweevoudige natuur (abstract en concreet), want het Purâna voegt eraan toe: ‘Op deze manier – zoals de zeven vormen (beginselen) van prakriti worden geteld van mahat tot de aarde – zo keren bij het aanbreken van pralaya (pratyâhâra) deze zeven achtereenvolgens in elkaar terug. Het ei van Brahmâ (sarva-mandala) wordt opgelost met zijn zeven zones (dvipa), zeven oceanen, zeven gebieden, enz.’ (Vishnu Purâna, Deel vi, hfst. iv).
De Geheime Leer Deel I Samenvatting, (p. 300):
(3.) Het Heelal is de periodieke manifestatie van deze onbekende absolute essentie. Door het ‘essentie’ te noemen, zondigt men echter juist tegen de geest van de filosofie. Want hoewel men het woord in dit geval kan afleiden van het werkwoord esse, ‘zijn’, kan HET toch niet worden vereenzelvigd met een of ander wezen, dat het menselijke verstand zich kan voorstellen. HET wordt het best beschreven als noch geest noch stof, maar beide. ‘Parabrahmam en Mulaprakriti’ zijn in werkelijkheid één, maar toch twee in de universele opvatting over het gemanifesteerde, zelfs in het begrip van de ene logos, zijn eerste manifestatie, die HET – zoals de bekwame spreker in zijn ‘Notes on the Bhagavadgita’ aantoont – vanuit het objectieve standpunt van de ene logos ziet als Mulaprakriti en niet als Parabrahmam; als de sluier ervan en niet als de daarachter verborgen ene WERKELIJKHEID, die onvoorwaardelijk en absoluut is.
Deel I, hoofdstuk 3 Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte (p. 355):
Ether, deze hypothetische Proteus, een van de ‘representatieve verzinsels’ van de moderne wetenschap – dat niettemin al zo lang werd aangenomen – is een van de lagere ‘beginselen’ van wat wij de OORSPRONKELIJKE SUBSTANTIE (in het Sanskriet akāsa) noemen, een van de dromen van voorheen, die nu opnieuw de droom van de moderne wetenschap is geworden. Het is de grootste, en ook de stoutmoedigste, van de nog bestaande speculaties van de filosofen uit de oudheid. Voor de occultisten is echter zowel de ETHER als de oorspronkelijke substantie een werkelijkheid. Om het duidelijk te stellen, ETHER is het astrale licht, en de oorspronkelijke substantie is AKĀSA, de upadhi van de GODDELIJKE GEDACHTE.
356: Ook nu begrijpen ze het niet. De evolutie van het GODSBEGRIP houdt gelijke tred met de verstandelijke ontwikkeling van de mens zelf. Dit is zo waar, dat het hoogste ideaal waarnaar de religieuze geest in een tijdperk kan opstijgen, aan de filosofische geest in een volgende periode slechts een grove karikatuur zal toeschijnen! De filosofen zelf moesten worden ingewijd in de waarnemingsmysteriën, voordat zij de juiste opvatting van de Ouden in verband met dit heel metafysische onderwerp konden begrijpen.
362: Want in ‘ISIS ONTSLUIERD’ wordt de vraag gesteld: ‘Wat is de oorspronkelijke Chaos anders dan aether?’ Niet de tegenwoordige ether, zoals die nu wordt opgevat, maar zoals deze lang vóór de tijd van Mozes aan de oude filosofen bekend was: aether, met al zijn geheimzinnige en occulte eigenschappen, die in zich de kiemen voor de universele schepping bevat. De hoogste aether of akāsa is de hemelse maagd en de moeder van alle bestaande vormen en wezens, en vanuit haar schoot worden stof en leven, kracht en werking in het bestaan geroepen, zodra deze is ‘bevrucht’ door de goddelijke geest. Aether is de aditi van de hindoes, en hij is akāsa. Elektriciteit, magnetisme, warmte, licht en chemische werking worden zo weinig begrepen, zelfs nu nieuwe feiten voortdurend de omvang van onze kennis vergroten. Wie weet waar de macht van deze proteïsche reus – de aether – ophoudt, of waar zijn geheimzinnige oorsprong ligt? Wie, bedoelen wij, die de geest ontkent, die erin werkt en die alle zichtbare vormen eruit ontwikkelt?
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte (p. 369):
Deze ‘oorspronkelijke substantie’ wordt door sommigen Chaos genoemd: Plato en de pythagoreeërs noemden deze de wereldziel, nadat zij was bevrucht door de geest van dat wat op de oorspronkelijke wateren of de Chaos zweeft. De kabbalisten zeggen dat het zwevende beginsel de reeks droombeelden van een zichtbaar, gemanifesteerd Heelal schiep door zich daarin te weerspiegelen. Chaos vóór – ether na de ‘weerspiegeling’; het is steeds de godheid die alle Ruimte en dingen doordringt. Het is de onzichtbare, onweegbare geest van de dingen en het onzichtbare, maar goed voelbare fluïdum dat uitstraalt van de vingers van een gezonde magnetiseur, want het is vitale elektriciteit – het LEVEN zelf.
371: De overheersende en duidelijkste gedachte – die in alle oude leringen wordt gevonden met betrekking tot de kosmische evolutie en de eerste ‘schepping’ van onze bol met al zijn voortbrengselen, organische en anorganische (een vreemd woord voor een occultist) – is dat de hele Kosmos uit de GODDELIJKE GEDACHTE is voortgekomen. Deze gedachte doordringt de stof, die evenals de ENE WERKELIJKHEID eeuwig bestaat; en alles wat leeft en ademt, ontwikkelt zich uit de emanaties van het ENE Onveranderlijke – Parabrahm = Mulaprakriti, de eeuwige ene wortel.
Deel I, hoofdstuk 14 De vier elementen (p. 506):
Het orakel zegt dat ‘alle dingen uit de ether zijn voortgekomen en daarheen zullen terugkeren; dat de beelden van alle dingen daar onuitwisbaar op staan afgedrukt; en dat de ether de voorraadschuur is van de kiemen of van de overblijfselen van alle zichtbare vormen en zelfs van denkbeelden. Het schijnt dat dit op een merkwaardige manier onze bewering bevestigt dat, welke ontdekkingen men in onze tijd ook zal doen, men zal ontdekken dat onze ‘onwetende voorouders’ ons duizenden jaren vóór zijn geweest’ (Isis Ontsluierd).
Deel I, hoofdstuk 3 An lumen sit corpus, nec non? (p. 536):
Het blijkt dan dat de hele wervelatoomtheorie, die ons wordt aangeboden ter vervanging van de ‘metafysische theorie’ van actio in distans, berust op de hypothese van het bestaan van een materiële middenstof die in het geheel niet door ondervinding bekend is en die eigenschappen heeft die enigszins afwijken6 van die van gewone stof.
6) ‘Enigszins afwijken!’, roept Stallo uit. ‘De werkelijke betekenis van dit ‘enigszins’ is, dat de bedoelde middenstof in geen enkele begrijpelijke zin materieel is, omdat ze geen enkele eigenschap van de stof bezit.’ Alle eigenschappen van de stof berusten op verschillen en veranderingen, en de hier gedefinieerde ‘hypothetische’ aether vertoont niet alleen volstrekt geen verschillen, maar er kan geen verschil en verandering (laten we eraan toevoegen, in fysische zin) in optreden. Dit bewijst dat, als aether ‘stof’ is, deze alleen voor spirituele zintuigen iets zichtbaars, tastbaars en bestaands is, en dat er inderdaad sprake is van een wezen – maar niet op ons gebied: Pater Aether, of ākāśa.
537: De ‘stoffelijke punten zonder uitgebreidheid’ van Cauchy zijn de monaden van Leibniz, en tegelijkertijd de materialen waarmee de ‘goden’ en andere onzichtbare machten zich in lichamen hullen.
‘Hieruit volgt dat, als de maker van de natuur zou besluiten de wetten van aantrekking en afstoting van de atomen eenvoudig te wijzigen, wij dadelijk zouden kunnen zien dat de hardste lichamen elkaar doordringen, dat de kleinste stofdeeltjes ontzaglijke ruimten innemen of dat de grootste massa’s zich tot de kleinste omvang verkleinen en dat het gehele heelal zich als het ware in een enkel punt concentreert.’
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 7 Aanval op de krachttheorie van de wetenschap (p. 581):
(b) De ether, wat zijn aard ook is, komt van de zon en van de zonnen; de zonnen zijn de voortbrengers ervan, de voorraadschuren en de verspreiders ervan.
(c) Zonder ether zou er geen beweging kunnen zijn; zonder ether zouden de deeltjes van de weegbare stof niet over elkaar kunnen glijden; zonder ether zou er geen impuls zijn om die deeltjes tot werkzaamheid op te wekken.
(d) Ether bepaalt de gesteldheid van lichamen. Als er geen ether zou zijn, zou er geen verandering in de gesteldheid van de substantie kunnen zijn. Water zou bijvoorbeeld alleen als een substantie kunnen bestaan, vast en onoplosbaar, zó dat wij ons er geen begrip van kunnen vormen. Het zou zelfs nooit ijs, nooit hard of dampvormig kunnen zijn, als er geen ether was.
(e) Ether verbindt zon met planeet, planeet met planeet, mens met planeet, mens met mens. Zonder ether zou er in het Heelal geen communicatie kunnen zijn; geen licht, geen warmte, geen bewegingsverschijnselen.’
Deel I, hoofdstuk 14 Oeroude gedachten in een modern kleed (p. 648):
Ongetwijfeld zou de occulte filosofie veel kunnen leren van de hedendaagse exacte wetenschap; maar anderzijds zou de laatstgenoemde op meer dan één manier voordeel kunnen trekken uit de oude kennis, en voornamelijk op het gebied van de kosmogonie. Een voorbeeld vormt de mystieke – alchimistische en transcendentale – betekenis van de vele onweegbare stoffen die de interplanetaire ruimte vullen en die, terwijl ze elkaar doordringen, aan het lagere einde de rechtstreekse oorzaak zijn van het ontstaan van die natuurverschijnselen die zich door (zogenaamde) trilling manifesteren. Kortom, alleen de kennis van de werkelijke (niet de hypothetische) aard van ether – of liever van het ākāśa – en van andere mysteriën, kan leiden tot het kennen van krachten.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 704):
In de eerste twee Afdelingen hebben we aangetoond dat bij het eerste trillen van het opnieuw ontstaande leven, svabhavat, ‘de veranderlijke uitstraling van de onveranderlijke duisternis, die onbewust is in eeuwigheid’, bij elke wedergeboorte van de Kosmos overgaat van een passieve toestand naar een van intense activiteit; dat het zich differentieert en dan door middel van die differentiatie begint te werken. Dit werk is KARMA.
De cyclussen zijn ook onderworpen aan de gevolgen die door deze activiteit ontstaan. ‘Het ene kosmische atoom wordt zeven atomen op het gebied van de stof, en elk wordt in een energiecentrum omgezet; datzelfde atoom wordt zeven stralen op het gebied van de geest, en de zeven scheppende natuurkrachten, die van de wortel-essentie uitstralen . . . volgen, de ene het rechter-, de andere het linkerpad, gescheiden tot het einde van de kalpa en toch nauw met elkaar verbonden. Wat verenigt ze? Karma.’ De atomen die uit het centrale punt zijn uitgestraald, emaneren op hun beurt nieuwe energiecentra, die onder de latente adem van fohat hun werk van binnen naar buiten beginnen en zich vermenigvuldigen tot andere kleinere centra.
705: Ook al zijn de Dhyāni-Chohans en alle onzichtbare wezens – de zeven centra en hun directe uitstralingen, de kleinere energiecentra – de directe weerspiegeling van het ENE licht, toch staan de mensen veraf van deze wezens, omdat het geheel van de zichtbare Kosmos bestaat uit ‘uit zichzelf voortgebrachte wezens, de voortbrengsels van karma’. Terwijl zij dus een persoonlijke god opvatten ‘als slechts een enorme schaduw die door de verbeelding van onwetende mensen op de leegte van de ruimte is geworpen’2, verkondigen zij dat maar ‘twee dingen (objectief) eeuwig zijn, namelijk ākāśa en nirvāna’; en dat deze in werkelijkheid EEN zijn, maar indien verdeeld slechts een māyā. ‘De boeddhisten ontkennen de schepping en kunnen zich geen schepper voorstellen.’ ‘Alles is uit ākāśa (of op onze aarde svabhavat) voortgekomen, gehoorzamend aan een inherente wet van beweging, en verdwijnt na een bepaalde tijd te hebben bestaan. Er is nog nooit iets uit niets ontstaan.’ (Buddhist Catechism.)
Als men een brahmaan die de Advaita-Vedānta volgt, zou vragen of hij in het bestaan van God gelooft, zal hij hoogstwaarschijnlijk hetzelfde antwoord geven dat ook Jacolliot kreeg: ‘Ik zelf ben God’; een boeddhist (vooral een Singalees) zou eenvoudig lachen en antwoorden: ‘Er is geen God, geen schepping’. Toch is de basis van de filosofie van de Advaita- en die van de boeddhistische geleerden dezelfde, en beiden hebben eenzelfde eerbied voor het dierlijke leven, want beiden geloven dat elk schepsel op aarde, hoe klein en nederig het ook is, ‘een onsterfelijk deel is van de onsterfelijke stof’ – want stof heeft voor hen een heel andere betekenis dan voor een christen of een materialist – en dat elk schepsel is onderworpen aan karma.

De Geheime Leer Deel I hoofdstuk Archaïsche leringen in de purana’s en in genesis Stoffelijke evolutie (p. 287):
Omdat de mens in alle zogenaamde ‘zeven scheppingen’ is geweest, die de allegorie vormen van de zeven evolutionaire veranderingen, of de onderrassen, zoals we ze kunnen noemen, van het eerste Wortelras van de mensheid – was de MENS in deze Ronde vanaf het begin op aarde. Nadat hij in de voorafgaande drie Ronden2 door alle natuurrijken was gegaan, was zijn stoffelijke omhulsel – dat aan de temperaturen van die vroege tijdperken was aangepast – gereed om de goddelijke pelgrim te ontvangen bij de eerste dageraad van het menselijke leven, d.i. 18.000.000 jaar geleden.
2) ‘Volg de wet van de analogie, leren de Meesters. Atma-buddhi is tweevoudig en manas is drievoudig, omdat het eerstgenoemde twee aspecten heeft en het laatstgenoemde drie, d.i. als een beginsel per se, dat in zijn hogere aspect naar atma-buddhi streeft en in zijn lagere natuur kama volgt, de zetel van aardse en dierlijke begeerten en hartstochten. Vergelijk nu de evolutie van de Rassen, waarvan het eerste en het tweede van de aard van atma-buddhi zijn, hun passieve geestelijke nageslacht, terwijl het derde Wortelras fysiologisch en psychisch drie verschillende verdelingen of aspecten laat zien; het eerste is zonder zonden; het middelste ontwaakt tot intelligentie; en het derde en laatste is beslist dierlijk, d.i. manas dat bezwijkt voor de verleidingen van kama.
288/289: Maar we zouden willen vragen wat de wetenschap en haar exacte en nu axiomatische ontdekkingen tegen onze occulte theorie bewijzen? Zij die geloven in de wet van de evolutie en de geleidelijke voortgaande ontwikkeling uit een cel (die van een vitale cel een morfologische cel werd, totdat zij als zuiver protoplasma ontwaakte) – kunnen ongetwijfeld nooit hun geloof tot één lijn van evolutie beperken. De levenstypen zijn ontelbaar; en de voortgang van de evolutie gaat bovendien niet in elke soort even snel. De samenstelling van de oerstof in het Siluur – we bedoelen de ‘oer’stof van de wetenschap – is in elke essentiële bijzonderheid, met uitzondering van haar huidige graad van grofheid, dezelfde als de levende oerstof van nu. En we vinden niet wat we zouden moeten vinden, als de nu orthodoxe evolutietheorie geheel juist was, namelijk een constante, steeds verdere vooruitgang in alle soorten wezens. Wat zien wij in plaats daarvan? Terwijl de tussenliggende groepen van dierlijk leven alle naar een hoger type streven en terwijl specialisaties, nu eens van het ene type en dan van het andere, door de geologische tijdperken heen tot ontwikkeling komen, van vorm veranderen, nieuwe vormen aannemen, en in de beschrijving van de paleontologen van het ene tijdperk tot het andere met kaleidoscopische snelheid verschijnen en verdwijnen, zijn de enige twee uitzonderingen op de algemene regel de levenstypen aan de beide tegengestelde polen van het leven en de soort, nl. – DE MENS en de lagere bestaansvormen!
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 19 Is pleroma de legerstede van Satan? (p. 575):
Akâsa, het astrale licht, kan in een paar woorden worden omschreven; het is de universele ziel, de moederschoot van het Heelal, het ‘mysterium magnum’ waaruit alles wat bestaat, wordt geboren door scheiding of differentiatie. Het is de oorzaak van het bestaan; het vult de hele oneindige Ruimte; het is in zekere zin de Ruimte zelf, of zowel haar zesde als zevende beginsel5. Maar als het eindige in het oneindige, moet dit licht wat de manifestatie betreft, zijn schaduwkant hebben – zoals al is opgemerkt. En omdat het oneindige nooit kan worden gemanifesteerd, moet de eindige wereld zich tevreden stellen met de schaduw alleen, die door haar werking over de mensheid komt en die door de mensen wordt aangetrokken en tot activiteit gebracht. Daarom wordt het astrale licht – terwijl het in zijn niet gemanifesteerde eenheid en oneindigheid de universele oorzaak is – met betrekking tot de mensheid eenvoudig de gevolgen van de oorzaken die door de mensen in hun zondige levens zijn voortgebracht. Goed en kwaad worden niet in het leven geroepen door zijn stralende bewoners – of men die nu geesten van het licht of van de duisternis noemt maar door de mensheid zelf die de onvermijdelijke actie en reactie in het grote magische agens bepaalt.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 5 Organische evolutie en scheppende centra (p. 833):
Dit is juist voorzover het de ‘oorspronkelijke kiem’ betreft, maar het is onjuist dat die ‘kiem’ slechts ‘veel verder terug’ ligt dan de mens; want zij ligt op een onmetelijke en onvoorstelbare afstand (in de tijd, maar niet in de ruimte), zelfs van de oorsprong van ons zonnestelsel. Zoals de hindoefilosofie terecht leert, kan het ‘anīyāmsam anīyasām’ slechts door valse begrippen worden gekend. Het zijn de ‘vele’ die voortkomen uit het ene – de levende geestelijke kiemen of krachtcentra – elk in een zevenvoudige vorm, die de wet van de evolutie en van de langzame geleidelijke ontwikkeling eerst tevoorschijn roepen en haar dan de oorspronkelijke impuls geven.

Ervin Laszlo Het Akasha-veld, Verbinding en geheugen in kosmos en bewustzijn (p. 7):
Akasha belichaamt de eigenschappen van alle vijf de elementen: het is de baarmoeder waaruit alles wat wij met onze zintuigen waarnemen is voortgekomen en waarin uiteindelijk alles zal terugkeren. De Akasha-kroniek is de onvergankelijke registratie van al wat in heel het universum ooit is gebeurt of zich voltrekt.

Akasha-kronieken onderzoek van Rudolf Steiner. Akasha-kronieken: Alle gedachten en handelingen in de aura van de aarde/kosmos blijven eeuwig voortbestaan. Net als bijvoorbeeld een videofilm, beeld en geluid maar dan ook gevoel. De hele geschiedenis is voor een geestelijk hoogontwikkeld persoon aan gene zijde ‘op te roepen’. Dit is ‘daar’ een natuurlijk proces en alleen mogelijk voor iemand vanaf de vierde sfeer van licht aan gene zijde. Door ons aardse stoffelijk lichaam zijn we hier (gelukkig) grotendeels voor afgesloten. Dat is beter, want anders zou je erg beïnvloedt worden door al je vorige levens. Na de dood (je overgang) zie je jouw levensfilm van je afgelopen leven.

De Akasha Kronieken, de Binnenaarde en je Levensboek
Je levensboek heeft lege pagina’s met plaatjes in plaats van woorden. Deze pagina’s zijn lagen. Vanuit een horizontaal standpunt zie je enkel één pagina, wat staat voor één van je verschillende realiteiten. Vanuit een verticaal perspectief zie je al je parallelle realiteiten bestaan in het nu. Alle pagina’s interacteren met elkaar om samen één boek te creëren. Wanneer je iets verandert in welk plaatje dan ook (realiteiten) op welke pagina dan ook (dimensies), verandert het gehele collectieve plaatje (realiteit) ook.
De Binnenaarde
De derde en vierde dimensies zijn gebaseerd op de illusie van tijd-ruimte. Alle ‘bestanden’ voor deze realiteiten worden opgeslagen in de Akasha Kronieken die resoneren met het hoogste subniveau van de vierde dimensie. Je hebt de mogelijkheid toegang te krijgen tot deze Akasha Kronieken, zoals de gemeenschappen van Lemurië, Atlantis en Agartha doen in de Binnenaarde. Wanneer je je multidimensionale besturingssysteem activeert krijg je toegang tot de collectieve informatie van de derde en vierde dimensies die ligt opgeslagen in de Akasha Kronieken.

Herbert van Erkelens, publicatie JEZUS IN HET AQUARIUS EVANGELIE EN IN HERINNERINGEN VAN ESSENEN: Het Aquarius Evangelie is geschreven door de predikant/arts Levi Dowling (1844-1911) die vanuit de Akasha-kronieken het leven van Jezus heeft doorgegeven. Zijn evangelie is volgens de letters van het Hebreeuwse alfabet onderverdeeld in 22 hoofdstukken en is voor het eerst in het Engels gepubliceerd omstreeks 1907.

Pim van Lommel boek Eindeloos Bewustzijn – Wetenschappelijke visie op bijna-dood ervaringen:
Akasha is het Sanskritische woord voor 'allesdoordringende ruimte'. Volgens de oude Indiase filosofie is het de bron van het hele universum; het bevat informatie over alles wat is gebeurd, nu gebeurt en in de toekomst kan gebeuren.
P. 284: Er zijn aan het alomvattende bewustzijn vele namen gegeven. Ik noem het eindeloos of non-lokaal bewustzijn. Maar het is ook het hoger of hoogste bewustzijn, het kosmisch bewustzijn, het goddelijke bewustzijn of de zuivere bron of essentie van ons bewustzijn genoemd. De systeemfilosoof Ervin Laszlo noemt deze hoogste vorm van bewustzijn het Akasha-veld, omdat hier alle kennis en een eindeloze hoeveelheid informatie ligt opgeslagen.

H.P. Blavatsky Wat is theosofie?
Voor wat de goddelijke essentie en de aard van de ziel en de geest aangaat, gelooft de moderne theosofie hetzelfde als de oude. Voor wat de Volstrekte Essentie, het Ene en het Al betreft, leiden de Grieks-Pythagorese, de Chaldeeuws-kabbalistische, of de Arische filosofie in dit opzicht tot één en hetzelfde resultaat. De oorspronkelijke monade van het Pythagorese stelsel, die in de duisternis terugkeert en zelf duisternis is (voor het menselijk verstand), werd tot grondslag van alle dingen gemaakt. Wij kunnen het denkbeeld in al zijn ongereptheid in de wijsgerige stelsels van Leibnitz en Spinoza vinden. Daarom zullen veel zienswijzen (concepties) noodzakelijkerwijs leiden tot zuivere en volstrekte theosofie: zowel als men als theosoof instemt met de kabbala die, als zij over En-soph spreekt, de vraag stelt: “Wie kan Het begrijpen, aangezien het vormloos en niet-bestaand is?”; of als men de Vedantijnse opvatting over Brahma als “Volstrekt Bewustzijn” aanneemt; of als men zich schaart achter de Svabhavika’s van Nepal en volhoudt dat niets bestaat dan “Svabhavat” (substantie of natuur), die uit zichzelf bestaat zonder enige schepper.

Vraag aan H.P.Blavatsky: Welk aspect van Ruimte, of de onbekende godheid, in de Vedas genaamd 'DAT', dat verderop genoemd wordt, wordt hier de 'Eeuwige Ouder' genoemd?
Antwoord: Het is de Vedantijnse Mulaprakriti, en de Svabhavat van de Boeddhisten, of dat androgyne 'iets' waarover wij spraken, dat zowel gedifferentieerd als ongedifferentieerd is. In zijn eerste principe is het een zuivere abstractie, die pas gedifferentieerd wordt wanneer het in de loop der tijd getransformeerd wordt tot Prakriti. Wanneer het vergeleken wordt met menselijke principes, komt het overeen met Boeddhi, terwijl Atma zou overeenkomen met Parabrahm, Manas met Mahat enzovoorts.

G. De Purucker Occulte woordentolk:
Swabhavat. (Sanskriet). Het tegenwoordig deelwoord van een samengesteld woord, afgeleid van de wortel bhû, die 'worden' betekent in de zin van groei, waaraan een tweede betekenis van 'worden' [in passieve zin] is ontleend.
Swabhavat is een toestand van kosmische bewustzijnsubstantie, waarin geest en stof, die fundamenteel één zijn, niet langer twee zijn zoals bij manifestatie, maar één; dat wat noch geopenbaarde stof, noch geopenbaarde geest alleen is; beide zijn de oorspronkelijke Eenheid, het geestelijk âkâs´a, waar stof overgaat in geest en beide, die nu werkelijk één zijn, 'VaderMoeder' - geest - substantie worden genoemd. Swabhavat daalt nooit af uit zijn eigen toestand of gebied, maar is het kosmische reservoir van het Zijnde, zowel als van wezens, en dus van bewustzijn, van intellectueel licht, van leven; het is de uiteindelijke bron van wat de wetenschap in onze tijd de 'energieën' van de universele natuur noemt.
De noordelijke Boeddhisten noemen Swabhavat met een meer mystieke term Âdi-Buddhi-'Oorspronkelijk Buddhi', de Brâhmaanse geschriften spreken van 'Âkâs´a' en het Hebreeuwse Oude Testament verwijst ernaar als de kosmische 'Wateren '.
Het verschil in betekenis tussen Swabhavat en Swabhâva (zie aldaar) is zeer groot en wordt in het algemeen niet goed begrepen; beide woorden worden vaak met elkaar verward.
Swabhâva is de karakteristieke aard, de kenmerkende essentie, de individualiteit van Swabhavat - van ieder Swabhavat, omdat elk Swabhavat zijn eigen Swabhâva heeft. Swabhavat is dus in feite de wereld-substantie of stof, of nog nauwkeuriger, datgene wat de wereld-substantie veroorzaakt en dit oorzakelijke beginsel of element is de geest en essentie van de kosmische substantie. Het is de plastische essentie van de materie, zowel de geopenbaarde als de ongeopenbaarde. (Zie Âkâs´a).

Kattinka Hesselink: Akasha, Akas, (Sanskriet) Uitstralen. De universele ziel, de matrix van het heelal en ruimte, astraal licht, en vril. Astraal licht is Universele Ziel. Vril naam door Sir Bulwer Lytton (1803 – 1873) gegeven aan een mysterieuze kracht welke onder de Atlantiers bekend stond als mash-mak (volgens theosofische bronnen).

Benjamin Adamah, boek Nulpunt Revolutie: Vril, Tachyon-energie, mogelijk uitgevonden door Bulwer-Lytton.

====

Zie ook:

Boeken:

Externe Links

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 keer bekeken.