Deze filognostische presentatie is in aanbouw

1.3.2 Paradoxen en Ommekeer

LaoZi Zij die het zeggen weten het niet, zij die het weten zeggen het niet.
Het Dao dat men noemen kan is niet het ware Dao.
François Rabelais: Wanneer ge nooit meer een dwaas wilt zien, moet ge beginnen uw spiegel stuk te slaan.
Goso: Wanneer een buffel buiten zijn omheining naar de rand van de afgrond gaat, geldt dat voor zijn hoorns en zijn kop en zijn hoeven, maar waarom niet voor de staart?
Mumon Ekai (1183 – 1260) gedicht:
Als de buffel rent, valt hij in het ravijn;
Keert hij terug dan wacht hem de slachter;
Dat staartje
Is een heel raar ding.
Heinrich Suso: Als een mens iets niet vat, laat hij dan niets doen en het iets zal hem vatten.
Dualiteit: De paradox van de kwantummechanica is dat zij vele verschijnselen kan verklaren, doch zelf 'onbegrijpelijk' blijkt te zijn.
Hegel: De mens leert uit de geschiedenis dat de mens niets leert uit de geschiedenis.
G. de Purucker: Om de ware aard van prajñā te begrijpen en geestelijk aan te voelen is het noodzakelijk de opvatting van ‘deze zijde’ op te geven en met geestelijk begrip over te gaan naar de ‘andere oever’ (pāra), of de andere benaderingswijze van de dingen. Aan ‘deze zijde’ zijn we verwikkeld in een bewustzijnssfeer van verstandelijke analyses en bijzonderheden, die een wereld wordt van gehechtheid en van onderscheid op een lager niveau. Wanneer we deze innerlijke ‘ommekeer’ tot stand brengen, dit verheffen van ons bewustzijn naar de mystieke ‘andere oever’ van het zijn, dan stappen we met min of meer succes een wereld van bovenzinnelijke werkelijkheden binnen van waaruit we de dingen kunnen zien in hun oorspronkelijke en geestelijke eenheid, achter de māyā van de bedrieglijke sluiers van de veelvormigheid; kunnen we doordringen tot de essentiële aard van deze werkelijkheden en ze leren kennen zoals ze werkelijk zijn.
Emil Cioran: Het is echter een heldere, cionareske paradox dat de mens juist vanwege de wil tot slagen een eindeloze reeks catastrofen achter zich laat: je manifesteren betekent je door een of andere vorm van volmaaktheid laten verblinden. Denken leidt tot niet-handelen. De utopie houdt volkeren jong en vitaal. Wijsheid maakt hem oud en futloos. Dat zag je al bij de Romeinen. Toen ze ten langen leste door contact met de Grieken beschaafd werden, sloeg de vermoeidheid toe en waren ze een gemakkelijke prooi voor de utopisch gedreven barbaren.

Wederkerigheid (Eeuwige wederkeer, Universele kennis, Evolutie, Absoluut en Relatief)

Lama Anagarika Govinda: De volledige mens, de mens die heel geworden is (en daardoor ‘heilig’),
is degene die het universele met het individuele verenigt,
de uniekheid van het moment
met de eeuwigheid van de cyclische wederkeer
van constellaties en uiterlijke situaties
.
Lama Anagarika Govinda: Het is… nodig een nieuwe wijze van denken te ontwikkelen, die vrij is van het dogmatisme van onze zelfgeschapen wetten die – hoewel ze bruikbaar en gerechtvaardigd zijn in een wereld van concrete voorwerpen en begrippen – niet verenigbaar zijn met de wetten van een universum dat onze zintuiglijke ervaring en onze gedachtevormen verre te boven gaat. [Het is noodzakelijk]… ons denken aan de feiten van het universum aan te passen.… Dit kan alleen worden bereikt door onze ééndimensionale logica te boven te komen die – terwijl ze in een rechte lijn naar een gegeven voorwerp gaat – de wereld doormidden snijdt met het mes van het `of-of’, om uit de levenloze stukjes van een ontlede wereld een zuiver begripsmatig en volledig abstract universum te bouwen.

Douglas Hofstadter schrijft in zijn boek Gödel, Escher, Bach over de paradoxen van Zeno van Elea (leerling van Parmenides).

Zeno’s paradoxen: Achilles en de schildpad is een paradox die wordt toegeschreven aan Zeno van Elea. Het verhaal toont aan dat dichotomie - het opdelen van een probleem in deelproblemen - niet altijd leidt tot een resultaat dat overeenkomt met ons gezond verstand.

Plato (427-348 v. Chr.) en Aristoteles (384-322 v. Chr.)
Maker van de wereld (demiurg, goddelijke maker) hield eeuwige in het oog: de demiurg heeft volgens Plato de zichtbare natuur gemaakt naar het voorbeeld van de eeuwige en gelijkblijvende ideeën: mooi en goed gevormd volgens een orde die door rede en inzicht te begrijpen is. Zichtbare en geworden wereld is mimesis van het volmaakte model. Een afbeelding is nooit hetzelfde als het origineel, een verklaring ervan kan ook niet exact zijn. Wereld streeft naar ordening, hiervoor is rede nodig, wereld is levend wezen met verstand, anders klomp dode materie. Dit levende wezen wordt beheerst door een redelijke ziel die haar omgeeft en doordringt. De harmonie en orde van bewegingen verraadt een innerlijke redelijkheid.
Proclus en Plotinus hebben Plato uitgebouwd tot veelomvattend systeem waarin de gehele werkelijkheid verklaard werd uit een eerste beginsel dat zij het Goede noemen.

Emanatie uit het 'Ene' en terugkeer naar het 'Ene'
De eerste uitstroming is de nous (gedachte van de goddelijke geest, de levenskracht en orde van het universum). Het is de eerste 'Wil tot het Goede'. Uit de nous komt de wereldziel voort, die Plotinus onderverdeelt in hoger en lager. Hij identificeert het lagere aspect van de wereldziel met de natuur. Uit de wereldziel komen de individuele menselijke zielen voort, en tenslotte op het laagste niveau de materie. Ondanks deze lage waardering van de materiële wereld benadrukt Plotinus de uiteindelijk goddelijke oorsprong van de materie, aangezien zij ook een uitstroming is van het 'Ene'.

De unificatietheorie impliceert dat er maar een 'hoofdroute' is. Deze route sluit op de vier oorzaken-leer van Aristoteles, het evolutionair ontwikkelingsmodel en op de nieuwe levensrichting van Spinoza aan.
In het rechter kwadrant is een poging ondernomen om de tien categorieënleer van Aristoteles schematisch weer te geven.

Plotinus, de auteur van het boek De Enneaden was net als Origenes, een leerling van Ammonius Saccas.
Plotinus schreef de essays die later de Enneaden werden over een periode van meerdere jaren vanaf ca 253 tot een paar maanden voor zijn dood, zeventien jaar later. Porphyrius wijst er op dat de Enneaden, voordat ze door hemzelf waren samengesteld en geordend, slechts een enorme verzameling van notities en essays waren, die door Plotinus werden gebruikt in zijn colleges en debatten, in plaats van het formele boek dat Porphyrius ervan gemaakt heeft. Plotinus was zelf vanwege een slecht gezichtsvermogen niet in staat om zijn eigen werk te redigeren, terwijl zijn geschriften volgens Porphyrius juist een uitgebreide redactie vereisten: het handschrift van Plotinus was afschuwelijk, ook wist hij zijn woorden niet goed van elkaar te scheiden en hij trok zich ook weinig aan van de subtiliteiten van de toenmalige spellingsregels. Plotinus had een hartgrondige hekel aan het redactionele proces, en liet deze taak graag aan Porphyrius over, die de geschriften van Plotinus bijschaafde en bundelde in de Enneaden.

Origenes (185 – 253/254) leerling van Ammonius Saccas (3de eeuw n.Chr)
Leo van den Haak De last van de verleiding, en 2012: De kwintessens, ofwel dingen waar het in wezen om gaat, het wezenlijke van een zaak of gebeurtenis, de kern van de zaak, het hart, het niet-materiële, we moeten ze opnieuw proberen te duiden. Dat wat in alle dingen latent aanwezig wordt geacht. Dat singulare tantum dat al onze pijn stilt, waarvan de meervoudsvorm ontbreekt. Dat wat de vormkenmerken van een enkelvoud heeft, daarin kunnen we ons allemaal vinden.
De direkte gnosis levert de esoterische verdieping of vervulling, maakt het mogelijk het origineel terug te vinden, maakt het mogelijk met een veel groter gezag te spreken als een schriftgeleerde of wetenschapper ooit zal kunnen doen. De banvloek die over de grote kerkvader Origenes uitgesproken is krijgt in 2012 zijn vervolg. De Gnosis zal opnieuw de belangrijkste verdieping aan de cultuur geven, we gaan de originelen terugvinden als religie en filosofie zich vrij mogen ontplooien.

De in essentie devotionele aard van Plotinus zijn filosofie kan verder worden geïllustreerd aan de hand van zijn concept van het bereiken van een extatische vereniging met het 'Ene' (de henose zie Iamblichus). Porphyrius vertelt dat Plotinus een dergelijke vereniging vier keer heeft bereikt in de jaren dat Porphyrius hem kende. Deze henose kan worden gerelateerd aan verlichting, bevrijding en andere concepten van mystieke vereniging in veel Oosterse en Westerse tradities. Sommigen hebben Plotinus zijn leer vergeleken met de hindoe-school van Advaita Vedanta (advaita "niet twee" of het "niet-duale").

Het was vooral Plotinus, Felotin in het Arabisch, die goed aansloot bij het islamitische denken, die het denken van Plato, Aristoteles en Pythagoras heeft willen integreren en die zo tot een vrijwel puur gnostische filosofie komt. Dit werd door de islamitische soefisten overgenomen en in het islamitische denken geïntegreerd, in het bijzonder door Al-Kindi (800-866) en Ibn Sina (980-1037).

Wiel Smeets 4. Dionysius en andere mystici over bestaanslagen en hun geestelijke bewoners
Dionysius bespreekt de negen scharen van hemelwezens in drie triaden, beginnend bij de allerhoogste hemelwezens die in de onmiddellijke nabijheid van de Allerhoogste wonen:
- De eerste triade: de Serafijnen, de Cherubijnen en de Tronen;
- De tweede triade: de Heerschappijen, de Krachten en de Machten;
- De derde triade: de Hoogheden (Vorstendommen), de Aartsengelen en de Engelen.
Als de mens sterft, bepaalt karma (de kosmische wet van oorzaak en gevolg) naar welke van deze geestelijke rijken hij wordt toegetrokken. Wie nog erg gehecht is aan materie, en dus sterk is gericht op behoeftenbevrediging, gaat naar kamaloka. Wie al enigermate onthecht is van vormen, gaat naar rupaloka en wie geheel onthecht is van vorm naar arupaloka. Zowel het hindoeïsme als het boeddhisme kent de cyclus van voortdurende wedergeboorten. De overledene komt net zo vaak terug op aarde, in kamaloka, in rupaloka of in arupaloka totdat de volledige verlichting, de staat van nirvana, is bereikt.
De oplettende lezer ziet ogenblikkelijk de overeenkomsten met de Enneaden van Plotinus. Allereerst: de verschillende hypostasen die, vanaf de stoffelijke aarde gezien, steeds minder stoffelijk worden. De ziel verhuist van hypostase naar hypostase om uiteindelijk op te gaan in de boven elke vorm verheven Ene. Ook de rangorde van hemelwezens van Dionysius zien we terug: elk loka bevat verschillende geestelijke wezens. In kamaloka wonen ‘hellewezens’ en in de hogere loka’s goddelijke wezens (‘deva’s’).
De boeddhistische traditie kent een schilderij van het ‘wiel der wedergeboorte’ waarin zes bestaansniveaus worden onderscheiden en daar verblijvende geestelijke wezens worden afgebeeld. Net als bij het schilderij van Hildegard van Bingen gaat het om een mandala, een afbeelding bestaande uit cirkels, waarin ook geestelijke wezens staan afgebeeld (Zie: Bhavacakra).

13. Origenes en de Indiase theologie - 7. INVLOED
Ondanks de gehavende overlevering van zijn oeuvre is de invloed van de exegese van Origenes in de christelijke oudheid en de middeleeuwen nauwelijks te overschatten. Door de in zijn commentaren en preken verwerkte geestelijke leer werd hij de grote inspirator van de monniken. Wanneer in de 4de en 5de eeuw de discussies over Origenes' theologie steeds weer oplaaien (de zgn. origenistische strijd), zien we dan ook dat m.n. monniken en hun geestelijke leiders het voor hem opnemen tegen de aanvallen van theologen als Epiphanius van Salamis, Hiëronymus en Theophilus van Alexandrië. Verzoening van de standpunten in deze strijd werd bemoeilijkt doordat beide partijen vergaten dat Origenes al zijn theologische stellingen steeds als hypothesen en discussiepunten naar voren had gebracht en dat hij zonder zijn inzichten te verraden in die werken die hij als ‘man van de Kerk’ schreef geen wijsgerige visie op mens en wereld, maar een hoogstaande christelijke levensleer had willen meedelen.

HENK DE ROEST Kerkhistorisch intermezzo
Reeds in de tweede en derde eeuw kunnen we de invloed van de lichaamsmetafoor traceren bij Origenes, Ireneus, Tertullianus, Clemens van Rome en Clemens van Alexandrië. De nadruk ligt hierbij op de eensgezindheid van de gemeente, de verschillen tussen de gelovigen en de betekenis van de charismata.

Ellen van Wolde: Alle vertalingen, commentaren en studies zeggen hetzelfde: de Bijbel begint met Gods schepping.
Fout, meent professor Ellen van Wolde. „God is niet de Schepper.”
’God schiep de hemel en de aarde.’ Hoe verschillend Nederlandse bijbelvertalingen ook zijn, in de weergave van de eerste woorden van de Bijbel zijn ze opvallend eensgezind. En toch kán die openingszin niet meer, vindt Ellen van Wolde. Want God schiep niet.
In haar rede heeft ze, zeer ongebruikelijk, een credo opgenomen, een academische geloofsbelijdenis: „Ik geloof in onbevangen lezen en leven, in het steeds weer opnieuw beginnen, in jezelf leeg maken van eerdere opvattingen, om telkens opnieuw alles als nieuw gewaar te worden”.
Waarom schiep God niet één ding of dier, maar steeds meerdere? Omdat, stelde Van Wolde vast, God niet schiep, maar scheidde. De aarde van de hemel, het land van de zee, de zeemonsters van de vogels en het gekrioel op de grond.
Maar als de mens er eenmaal is, gaat God weer ’scheiden’. Dus niet: God schiep de mens als zijn evenbeeld (NBV), maar: „God maakte een scheiding tussen de mens die zijn beeld is en zichzelf en hij maakte een scheiding tussen mannelijk en vrouwelijk.”

Anselmus van Canterbury (1033 – 1109) was de eerste die een logisch bewijs van het bestaan van God formuleerde. Dit zogeheten ontologisch godsbewijs laat zich als volgt samenvatten:

  • God is, per definitie, het volmaaktste wezen dat denkbaar is. In Proslogion, hoofdstukken 2-4, wordt dit in 2 varianten verwoord: God is 'iets, groter dan hetwelk niets gedacht kan worden' (aliquid quo nihil maius cogitari posit/potest/non valet) en God is 'datgene, groter dan hetwelk niets gedacht kan worden' (id quo maius cogitari nequit/non potest).
  • Het is beter te bestaan dan niet te bestaan, dus iets wat niet bestaat kan nooit volmaakt zijn.
  • Een niet bestaande God is minder volmaakt dan een bestaande.
  • Dus moet God bestaan.

Dit bewijs werd in de twintigste eeuw geformaliseerd met behulp van de modale logica door Kurt Gödel.

Thomas van Aquino (1225-1274) is in het algemeen goed te volgen in dit boek, zijn gedachten komen helder op mij over. Hij overdrijft de zaken niet, maar brengt nuances aan waar dat nodig is. Niet alles is duidelijk voor mij, maar dat stimuleert tot verder nadenken. De teksten van Aristoteles uit zijn Metaphysica sluiten het boek af. Thomas die Aristoteles gebruikt om de werkelijkheid te begrijpen. Hij neemt daarbij niet klakkeloos alles van hem over, maar 'schaaft' hem bij, buigt zijn ideeën om tot de zijne, Thomas die als mens en christen de waarheid zoekt omwille van de waarheid.

Raymond Lull (1232/1233 – 1315/1316) heeft eerder in zijn hoofdwerk Ars Magna (‘de grote kunst’) of ook wel Ars Generale Ultima al van de tien categorieën van de aristotelische wijsheid gebruik gemaakt.

De EPR-paradox (EPR-experiment) is een gedachte-experiment dat een schijnbare tegenspraak tussen de kwantummechanica en speciale relativiteitstheorie oplevert. De schijnbare tegenspraak heeft veel fysici lang hoofdpijn bezorgd, maar kan begrepen en opgelost worden met de meer hedendaagse notie van kwantumverstrengeling. "EPR" staat voor Einstein, Podolsky en Rosen die het gedachte-experiment in 1935 introduceerden om te suggereren dat de kwantummechanica geen complete theorie is. Het wordt soms de EPRB-paradox genoemd naar Bohm, die het originele gedachte-experiment vertaalde naar een iets eenvoudiger experimenteel toetsbaar experiment.
Het EPR-experiment brengt dus een dichotomie naar voren. Ofwel:

  • 1. Het resultaat van een meting uitgevoerd op deel A van een kwantumsysteem heeft een niet-lokaal effect op de fysische realiteit van een andere ver verwijderd deel B, in de zin dat de kwantummechanica de uitkomst van een meting in B kan voorspellen ofwel:
  • 2. De kwantummechanica is incompleet in de zin dat sommige elementen van fysische realiteit corresponderend met B niet verklaard kunnen worden door de kwantummechanica. Dat betekent dat er een of andere extra variabele nodig is.

Ilya Prigogine: tijd geeft het verschil aan tussen de rol van het verleden en die van de toekomst. Boek Order out of Chaos: We kunnen het oude a priori onderscheid tussen wetenschappelijke en ethische waarden niet langer accepteren…. Tegenwoordig weten we dat tijd een constructie is en daarom een ethische verantwoordelijkheid met zich draagt….Als gevolg daarvan is de individuele activiteit niet tot betekenisloosheid gedoemd.
De westerse filosofie is een voortgaande discussie tussen Herakleitos' wereld van het worden en Parmenides' wereld van het zijn. Deze discussie, die zo'n 2500 jaar geleden is gestart, is nog steeds niet ten einde.' De discussie draait om de vraag of er vaste en universele natuurwetten zijn of dat de natuur een wordingsproces zonder wetmatig-heden is. 'Geen van beide is volgens mij waar.'

Een open systeem is een systeem dat voortdurend interageert met zijn omgeving en daarbij al zijn inherente kenmerken behoudt, waaronder de openheid zelf. Een voorbeeld van een open systeem is een dissipatief systeem.
In de biologie worden organisme als open systemen beschouwd, omdat ze negentropie (het tegenovergestelde van entropie) importeren.
In de sociale wetenschappen (met name de sociologie) is een open systeem een systeem dat kapitaal, energie, mensen, materiaal en informatie uitwisselt met zijn omgeving.

Op het snijvlak tussen Biologie en Sociologie werd door Edward Osborne Wilson een derde discipline Sociobiologie gecreëerd die ongetwijfeld op de verbijzondering van de twee oorspronkelijke vakgebieden zijn weerslag zal hebben.

Het boek Akasha-veld, Verbinding en geheugen in kosmos en bewustzijn van Ervin Laszlo (interview) bespreekt de grondslagen van een integrale theorie van alles. Volgens Ervin Laszlo is de kernvraag hoe het universum zich heeft kunnen ontwikkelen tot een toestand waarin de biologische evolutie überhaupt kon plaatsvinden. Ervin Laszlo kijkt met zijn holistische visie naar het geheel, dat in de delen wordt weerspiegeld.

De vraag van Ervin Laszlo blijft actueel hoe heeft het universum zich kunnen ontwikkelen tot een toestand waarin de biologische evolutie überhaupt kon plaatsvinden? Het lijkt mogelijk een verband te leggen tussen het standaardmodel en de driehoek van Pythagoras. Het is een aanzet, niet om vanuit de natuurkunde, maar met name vanuit de geestkunde verschillende disciplines in één model samen te voegen. Het ontstaan en de eerste ontwikkeling van de mensheid heeft zich niet op aarde maar in de geestelijke wereld afgespeeld. De relatie tussen geest (ongemanifesteerde, hogere Zelf) en lichaam, de ziel staat nog steeds centraal.
Het antwoord op de vraag van Ervin Laszlo ligt in het Swabhâva (Zelf-ontplooiing, epigenetica) besloten. De godheid En Soph zonder eigenschappen, namelijk het universum zal er eeuwig zijn. De tegenwoordigheid van God in de schepping wordt wel Sjechinah (pleroma) genoemd.

De kredietcrisis toont een ding de risicospreiding(beheersing) is volledig (vol en ledig/leeg). De cultuurfilosoof Peter Sloterdijk hanteert in zijn boek Sferen voortdurend het oxymoron. Een oxymoron is een speciaal geval van de paradox: daar is wel een zekere tegenspraak aanwezig, maar bij nadere beschouwing lost die tegenspraak zich op. Bij de oxymoron blijft de spanning van het betekenisverschil echter in stand.
De éne werkelijheid biedt een referentiekader aan de boeken van Peter Sloterdijk.

The paradox of thrift (or paradox of saving) is a paradox of economics, popularized by John Maynard Keynes, though it had been stated as early as 1714 in The Fable of the Bees, and similar sentiments date to antiquity. The paradox states that if everyone tries to save more money during times of recession, then aggregate demand will fall and will in turn lower total savings in the population because of the decrease in consumption and economic growth. The paradox is, narrowly speaking, that total savings may fall even when individual savings attempt to rise, and, broadly speaking, that increase in savings may be harmful to an economy. Both the narrow and broad claims are paradoxical within the assumption underlying the fallacy of composition, namely that what is true of the parts must be true of the whole. The narrow claim transparently contradicts this assumption, and the broad one does so by implication, because while individual thrift is generally averred to be good for the economy, the paradox of thrift holds that collective thrift may be bad for the economy.

Om de supersymmetrie in het universum te symboliseren maakt het rapport ‘E i V’ gebruik van een pedagogisch denkmodel. Dit model is gebaseerd op de supersymmetrie tussen geest en stof. De M-theorie van Edward Witten is net als het Kompaskwadrant een multidimensionaal verklaringsmodel. De M van de M-theorie staat voor Magic, Mystery of Matrix. Het rapport ‘E i V’ heeft het liever over White Magic, Occultisme, het contrast van Black Magic.

De drie verenigende Logoi van de Esoterie:

Eenheid inVerscheidenheid Danielle AudoinTheosofie (1 - 2 - 3 - 4): 
Pythagoras 1e Logos, Monade3e Logos, TriadeRudolf SteinerAntroposofie: 
    1. Hogere Zelf3. Astrale lichaam
MonadeTriadeGod ----GeestGeestmens ----Geestzelf (omgevormd Astraallichaam)
||||||
TetradeDuade4. Lichaam ----ZoonFysiek lichaam ----Levensgeest (omgevormd Etherlichaam)
  Tetrade2e Logos, Duade4. Fysieke lichaam2. Lagere denken

De vervormingen van Creativethink en Zelfregulering (Zelfrealisatie) zijn Groupthink en Chaos:

Kernkwadrant: 5D-concept:  Vier kwadranten:Ken Wilber
    4. Holos3. Logos 
Creativethink >>>>Groupthink  SamenwerkingskrachtVoedingskrachtCultuur van waardenSociaal, Systeemtheorie
1. Daadkracht >>>>3. Drammerigheid  4. Wij-kant ----2. Zij-kant4. Innerlijk/Collectief ----2. Collectief/Uiterlijk
||  ||||
4. Passiviteit <<<<2. Geduld  1. Het-kant ----3. Ik-kant1. Individueel/Uiterlijk ----3. Innerlijk/Individueel
Chaos <<<<Zelfregulering  VormkrachtBeeldkrachtGedragsmatigIntentioneel
    1. Mythos (Eros)2. Theos 

Het 5D-concept brengt de ommekeer, de kwintessens tot uitdrukking. Zoals we in de inleiding hebben laten zien is het mogelijk ons weer met de oerbron te verbinden.

Natuurlijke kringloopTriade en Tetrade:Accent van het aanzicht ligt op:Kernkwadrant:
1. Mythos1. Oude TestamentRechtvaardigheid4. Creativethink
2. Theos2. Nieuwe TestamentUniversaliteit van mensenrechten3. Zelfregulering
3. Logos3. VerlichtingGelijkheid, gelijke kansen voor iedereen2. Groupthink
4. Holos4. IntegratieRechtvaardigheid en Gelijkheid1. Chaos

Het kernkwadrant rechts laat de ommekeer zien. Hoe we ons dus weer met de natuurlijke kringloop van de schepping (1 t/m 4 van boven naar beneden) kunnen verbinden. Het 5D-concept, het Ether-paradigma (kwintessens) brengt de ommekeer tot uitdrukking. Het Ken uzelve leidt er toe dat we op chaos en groupthink grip kunnen krijgen.

H.P. Blavatsky boek De Sleutel tot de Theosofie (p. 1/2): De naam theosofie dateert uit de derde eeuw van onze jaartelling en komt voor het eerst voor bij Ammonius Saccas en zijn leerlingen, die het eclectisch theosofisch stelsel invoerden.
De kerngedachte van de eclectische theosofie was die van een enkel Hoogste Inwezen, onbekend en onkenbaar, want “Hoe kan men de kenner kennen?”, zoals de Brihadaranyaka Upanishad zich afvraagt.
Ammonius leerde dat de godsdienst van de menigte hand in hand ging met de filosofie, en dat ze met deze het lot had gedeeld geleidelijk door louter menselijke waandenkbeelden, bijgeloof en leugens te zijn verdraaid en verduisterd; dat ze daarom tot haar oorspronkelijke zuiverheid moest worden teruggebracht door haar van die ongerechtigheden te ontdoen en volgens filosofische beginselen te verklaren; en dat alles wat Christus beoogde was de wijsheid van de Ouden weer in haar oorspronkelijke zuiverheid te herstellen; de algemeen heersende macht van het bijgeloof te beperken, en de vele dwalingen die in de verschillende volksgodsdiensten waren binnengedrongen ten dele te verbeteren en ten dele uit te roeien.

Magie en Kabbalah
Magie is geen kabbalisme en dat geldt vice versa ook. De echte kabbalist gebruikt de Namen voor het verkrijgen van G´ddelijke hulp bij het zoeken naar een relatie tussen ‘boven' en ‘benenden', bij zijn streven deze krachten te organiseren en te vitaliseren. Bij de magiërs is het anders. Zij zijn gericht op macht en heerzucht. De natuur dient, volgens hen, geholpen te worden om tot een hereniging te komen. In hun zelfzuchtige opvattingen, koppelen zij demonische machten uit het duistere rijk van Kelippoth met de dynamiek van de natuur, om iets of iemand te winnen of zelfs iets of iemand te vernietigen. Dit is geen weg voor de kabbalist. Alles is heilig voor hem en de Namen van G´d zijn de krachten die de schepping naar EENheid dragen.

H.P. Blavatsky Isis ontsluierd Een sleutel tot de mysteries van oude en moderne wetenschap en religie
Deel I 5. De ether of het astrale licht (p. 207/208)
Terwijl een heilige man zoals Govinda Svamin slechts de hulp nodig heeft van zijn eigen goddelijke ziel, nauw verenigd met de astrale geest, en de hulp van enkele vertrouwde pitri’s – zuivere, etherische wezens, die zich rond hun uitverkoren broeder in het vlees verzamelen – kan de tovenaar slechts de hulp inroepen van die soort geesten die bij ons bekendstaan als elementalen. Gelijken trekken elkaar aan; en begeerte naar geld, onzuivere doeleinden en zelfzuchtige plannen kunnen geen andere geesten aantrekken dan die welke bij de Hebreeuwse kabbalisten bekendstaan als de klippoth, de bewoners van asiah, de vierde wereld, en bij de oosterse magiërs als ifrieten, elementaire spotgeesten of daeva’s.
Deel II 4. Oosterse kosmogonieën en bijbelverhalen (p. 245)
De menigten cherubijnen en serafijnen, waarmee we de katholieke madonna’s op hun afbeeldingen gewoonlijk omringd zien, behoren, evenals de elohim en beni elohim van de Hebreeën, tot de derde kabbalistische wereld, Jetzirah. Deze wereld is slechts één trede hoger dan Asiah, de vierde en laagste wereld, waarin de grofste en meest stoffelijke wezens wonen – de klippoth, die genoegen scheppen in het kwaad, en aan het hoofd van wie Belial staat!

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Inleiding (p. 28):
De dagen van Constantijn waren het laatste keerpunt in de geschiedenis, de tijd van de uiterste strijd die in de westelijke wereld eindigde met het verstikken van de oude religies ten gunste van de nieuwe, die op hun dode lichamen werd gebouwd. Vanaf die tijd begon men het zicht op het verre verleden, voorbij de ‘zondvloed’ en de hof van Eden, gewelddadig en meedogenloos met ieder toelaatbaar en ontoelaatbaar middel voor de onbescheiden blikken van het nageslacht af te sluiten. Ieder geschilpunt werd geblokkeerd, ieder document waarop de hand kon worden gelegd, werd vernietigd. Toch blijft er genoeg over, zelfs bij zulke verminkte documenten, om ons het recht te geven te zeggen dat daarin ieder mogelijk bewijs aanwezig is voor het werkelijke bestaan van een moederleer. Fragmenten ervan hebben geologische en politieke omwentelingen overleefd om het verhaal ervan te vertellen en ieder overblijfsel toont aan dat de nu Geheime Wijsheid eens de oorsprong was, de altijd vloeiende, eeuwige bron waaruit alle stroompjes – de latere religies van alle volkeren – van het eerste tot het laatste toe werden gevoed. Deze periode, die begon met Boeddha en Pythagoras en eindigde met de neoplatonisten en de gnostici, is het enige in de geschiedenis overgebleven brandpunt waarin voor het laatst de schitterende lichtstralen uit lang vervlogen eeuwigheden samenkomen, niet verduisterd door kwezelarij en fanatisme.
De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 46):
(1.) Het ABSOLUTE, het Parabrahm van de Vedantaleer of de ene Werkelijkheid, SAT, dat zoals Hegel zegt, zowel het absolute Zijn als Niet-zijn is.
De Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk Alaya, de universele ziel (p. 81):
Dit brengt de lezer vanzelf bij de ‘hoogste geest’ van Hegel en de Duitse transcendentalisten en het kan nuttig zijn op deze tegenstelling te wijzen. De scholen van Schelling en van Fichte zijn ver afgeweken van de oorspronkelijke archaïsche opvatting van een ABSOLUUT beginsel en hebben slechts een aspect van de grondgedachte van de Vedanta weergegeven. Zelfs de ‘absoluter Geist’ die door Von Hartmann werd aangeduid in zijn pessimistische filosofie van het onbewuste, blijft eveneens ver achter bij de werkelijkheid, hoewel deze misschien van alle Europese speculaties de Advaita-leer van de hindoes het meest nabij komt.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 3 Het ontwaken van de kosmos (p. 93):
(a) Het schijnbaar paradoxale gebruik van de uitdrukking ‘zevende eeuwigheid’, die zo het ondeelbare verdeelt, is in de esoterische filosofie toegestaan. Deze verdeelt grenzeloze duur in onvoorwaardelijke eeuwige en universele tijd en een voorwaardelijke tijd (khandakala). De ene is de abstractie of het noumenon van eindeloze tijd (kala); de andere het periodiek hierdoor optredende verschijnsel, als het gevolg van mahat (de universele intelligentie, beperkt door de duur van het manvantara).
De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 De goddelijke hermafrodiet (p. 138):
Deze noodzaak van geheimhouding bracht het vijfde Ras tot het instellen, of liever het opnieuw instellen, van de religieuze mysteriën, waarin onder de sluier van allegorie en symboliek oude waarheden aan de komende geslachten konden worden onderwezen. Zie de onvergankelijke getuige van de evolutie van de menselijke uit de goddelijke rassen, en in het bijzonder uit het androgyne Ras – de Egyptische Sfinx, dat raadsel van de eeuwen! Goddelijke wijsheid die zich incarneert op aarde en die wordt gedwongen de bittere vrucht te proeven van persoonlijke pijn en van lijden, die op aarde alleen wordt voortgebracht in de schaduw van de boom van kennis van goed en kwaad – een geheim dat eerst alleen bekend was aan de Elohim, de ZELF-INGEWIJDE ‘hogere goden’1.
1) Zie het Boek Henoch.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 211/212):
Uit de voorafgaande diagrammen, die mutatis mutandis kunnen worden toegepast op de Ronden, de bollen of de rassen, zal men zien dat het vierde lid van een reeks een unieke plaats inneemt. In tegenstelling tot de andere, heeft de vierde op hetzelfde gebied geen tweede bol naast zich, en hij vormt dus het steunpunt van de ‘balans’ die door de hele keten wordt voorgesteld. Dit is de sfeer waar de evolutionaire aanpassingen uiteindelijk plaatshebben, de wereld van de karmische weegschalen, de zaal van de gerechtigheid, waar de balans wordt opgemaakt die de toekomstige loop van de monade bepaalt tijdens de haar resterende incarnaties in de cyclus. En daarom kunnen geen monaden meer het mensenrijk binnengaan, nadat dit centrale keerpunt in de grote cyclus is gepasseerd, – d.w.z. na het midden van het vierde Ras in de vierde Ronde op onze bol. Wat betreft deze cyclus is de deur gesloten en de balans opgemaakt. Want als het anders zou zijn – als er een nieuwe ziel zou zijn geschapen voor elk van de talloze miljarden mensen die zijn heengegaan, en als er geen reïncarnatie zou zijn geweest – dan zou het ongetwijfeld moeilijk worden om ruimte te maken voor de ontlichaamde ‘geesten’, en de herkomst en de oorzaak van het lijden zouden nooit kunnen worden verklaard. Het ontstaan van het materialisme en het atheïsme, als protest tegen de beweerde goddelijke orde van de dingen, moet worden toegeschreven aan onbekendheid met occulte leringen en aan het opdringen van onjuiste opvattingen onder het mom van religieuze opvoeding.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 6 Vervolg (p. 226):
Het astrale licht staat in dezelfde betrekking tot akasa en anima mundi, als satan tot de godheid. Ze zijn een en hetzelfde, gezien vanuit twee standpunten: het geestelijke en het psychische – de bovenetherische of verbindende schakel tussen stof en zuivere geest – en het stoffelijke.
De Geheime Leer hoofdstuk Edens, slangen en draken (p. 241/242):
Als het alleen licht was, niet-actief en absoluut, dan zou het menselijke denkvermogen het niet kunnen waarderen of zelfs beseffen. Schaduw is dat, wat het licht in staat stelt zich te manifesteren en wat het objectieve werkelijkheid geeft. Daarom is schaduw niet iets kwaads, maar het noodzakelijke en onmisbare gevolg, dat het licht of het goede volledig maakt: zij is de schepper ervan op aarde.
242: Volgens de opvattingen van de gnostici zijn deze twee beginselen onveranderlijk licht en schaduw, want goed en kwaad zijn feitelijk één en hebben in alle eeuwigheid bestaan, en ze zullen altijd blijven bestaan zolang er gemanifesteerde werelden zijn.
Dit symbool verklaart de verering door deze sekte van de slang, als de Verlosser; gekronkeld om het offerbrood of om een tau, het fallische embleem. Als eenheid zijn Ennoia en Ophis de logos. Als ze zijn gescheiden, is de ene de Boom van het leven (geestelijk), de andere de Boom van kennis van goed en kwaad. Daarom zien we dat Ophis het eerste mensenpaar – het stoffelijke voortbrengsel van Ilda-Baoth, dat echter zijn geestelijke beginsel te danken had aan Sophia-Achamoth – aanspoort van de verboden vrucht te eten, hoewel Ophis de goddelijke wijsheid voorstelt.
243: Zo weinig hebben de eerste christenen (door wie de joden van hun bijbel werden beroofd) de esoterische betekenis van de eerste vier hoofdstukken van Genesis begrepen, dat zij nooit bemerkten dat met deze ongehoorzaamheid niet alleen geen zonde werd bedoeld, maar dat de ‘slang’ in werkelijkheid ‘de Heer God’ zelf was, die evenals de Ophis, de logos of de drager van goddelijke, scheppende wijsheid, aan de mensheid leerde op hun beurt scheppers te worden29.
29) De lezer wordt eraan herinnerd dat in de Zohar en ook in alle kabbalistische boeken wordt beweerd dat 'Metatron verenigd met Shekinah ’ [of Shekinah als de sluier (genade) van Ain-Soph] die de logos voorstelt, de boom van kennis zelf is; terwijl Shamaël – het duistere aspect van de logos – alleen de schors van die boom bewoont, en alleen de kennis van het KWADE heeft. Zoals Lacour, die in het schouwspel van de val (hfst. iii, Genesis) een voorval zag dat tot de Egyptische inwijding behoorde, zegt: ‘De boom van de waarzeggerij of van de kennis van goed en kwaad . . . is de wetenschap van Tzyphon, de genius van de twijfel; Tzy is onderwijzen en phon is twijfel. Tzyphon is een van de aleim; we zullen hem straks tegenkomen onder de naam Nach, de verleider.’ (Les OEloim, Deel II, blz. 218.) Hij staat nu bij de kenners van de symboliek bekend onder de naam JEHOVA.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 254):
De occultisten behoren ook tot de streng esoterische Vedanta-school, en zij noemen het Ene Leven (Parabrahm) de grote adem en de wervelwind; maar zij beschouwen het zevende beginsel geheel los van de stof en van iedere band daarmee.
276/277: Er is al eerder gezegd dat het occultisme niets anorganisch in de Kosmos aanvaardt. De door de wetenschap gebruikte uitdrukking ‘anorganische stof’ betekent eenvoudig dat het latente leven, dat sluimert in de moleculen van de zogenaamde ‘inerte stof’, onkenbaar is. ALLES IS LEVEN, en elk atoom, zelfs van mineraalstof, is een LEVEN, hoewel dit boven ons bevattingsvermogen ligt en voor ons niet waarneembaar is, omdat het valt buiten het gebied van de wetten die bekend zijn aan degenen die het occultisme afwijzen. ‘De atomen zelf’, zegt Tyndall, ‘schijnen vol verlangen te zijn naar het leven’. Waar komt dan de neiging vandaan ‘om in organische vormen over te gaan’, willen wij vragen. Kan men dit op een andere manier verklaren dan volgens de leringen van de occulte wetenschap?
Volgens een commentaar ‘zijn voor de niet-ingewijden de werelden opgebouwd uit de bekende elementen. In de opvatting van een arhat zijn deze elementen zelf collectief een goddelijk leven; afzonderlijk beschouwd zijn ze op het gebied van de manifestaties de talloze en ontelbare miljoenen levens. Alleen het vuur is EEN op het gebied van de Ene Werkelijkheid: op dat van het gemanifesteerde en dus bedrieglijke Zijn, zijn de deeltjes ervan vurige levens die leven en bestaan ten koste van elk ander leven dat ze verteren. Daarom worden ze de ‘VERSLINDERS’ genoemd. . . . ‘Alle zichtbare dingen in dit Heelal zijn door zulke LEVENS opgebouwd, van de bewuste en goddelijke oorspronkelijke mens tot de onbewuste werktuigen die de stof samenstellen.’. . . ‘Uit het ENE vormloze en ongeschapen LEVEN komt het Heelal van levens voort. Eerst werd uit de Diepte (de Chaos) koud lichtgevend vuur (gasachtig licht?) voortgebracht, dat in de Ruimte stremsel vormde.’ (Onoplosbare nevelvlekken misschien?). . . . ‘Deze bestreden elkaar, en er werd een grote hitte ontwikkeld doordat ze elkaar troffen en botsten, waardoor rotatie ontstond. Toen kwam de eerste gemanifesteerde STOF, vuur, de hete vlammen, de zwervers aan de hemel (kometen); de hitte brengt vochtige damp voort; deze vormt vast water (?); dan droge nevel, daarna vloeibare waterachtige nevel, die de lichtglans van de pelgrims (kometen?) dooft en vaste waterachtige wielen (STOF-bollen) vormt. Bhumi (de aarde) verschijnt met zes zusters. Deze brengen door hun voortdurende beweging het lagere vuur voort, warmte en een waterachtige nevel, die het derde wereld-element – WATER – oplevert; en uit de adem van alle wordt (atmosferische) LUCHT geboren. Deze vier zijn de vier levens van de eerste vier perioden (Ronden) van het manvantara. De laatste drie zullen volgen.’
De Geheime Leer Deel I, Samenvatting (p. 311):
De geest leeft en leven is geest, en leven en geest (prakriti purusha) (?) brengen alles voort, maar ze zijn in essentie één en niet twee. . . . Ook de elementen hebben ieder hun eigen Yliaster, omdat alle werkzaamheid van de materie in elke vorm slechts een uitvloeisel uit dezelfde bron is. Maar zoals uit het zaadje de wortels met hun vezels groeien en daarna de stengel met zijn takken en bladeren en tenslotte de bloemen en de zaadjes, zo werden ook alle wezens uit de elementen geboren en bestaan ze uit elementaire substanties waaruit andere vormen kunnen ontstaan, die de eigenschappen van hun ouders dragen. (De vertaler merkt op, dat ‘deze leer, die 300 jaar geleden werd verkondigd, overeenkomt met de leer die, nadat deze door Darwin in een nieuwe vorm was gegoten en verder uitgewerkt, een ommekeer in het moderne denken heeft teweeggebracht. Deze was nog meer uitgewerkt door Kapila in de sankhyafilosofie’). . . . Als moeders van alle schepselen hebben de elementen een onzichtbare, geestelijke aard en hebben ze zielen10. Ze komen alle uit het ‘mysterium magnum’ voort. (Philosophia ad Athenienses.)
10) De oosterse occultist zegt: ‘worden geleid en bezield door geestelijke wezens’, de werklieden in de onzichtbare werelden en achter de sluier van de occulte natuur, of van de natuur in abscondito.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 9 De maan, Deus Lunus, Phoebe (p. 422/423):
Dit archaïsche symbool is het meest poëtische en ook het meest filosofische van alle symbolen. Dit archaïsche symbool is het meest poëtische en ook het meest filosofische van alle symbolen. De oude Grieken plaatsten het op de voorgrond en de hedendaagse dichters hebben het tot op de draad versleten. De koningin van de nacht, die in de majesteit van haar weergaloze licht aan de hemel reist, die alles, zelfs Hesperos, verduistert en die haar zilveren mantel over de hele sterrenwereld uitspreidt, is altijd een geliefkoosd onderwerp geweest voor alle dichters van het christendom, van Milton en Shakespeare tot de laatste verzenmaker toe. Maar de stralende lamp van de nacht met haar gevolg van talloze sterren, sprak alleen tot de verbeelding van niet-ingewijden. Tot voor kort hadden religie en wetenschap niets met de schone mythe te maken.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 11 Demon est deus inversus (p. 450/451):
Deze symbolische zin is in zijn veelzijdige vormen in de ogen van alle latere dualistische religies – of liever theologieën – en vooral in het licht van het christendom, ongetwijfeld hoogst gevaarlijk en destructief. Toch is het niet gerechtvaardigd en ook niet juist te zeggen dat het christendom satan heeft bedacht en voortgebracht. Satan heeft altijd bestaan als ‘tegenstander’, de tegenwerkende kracht die nodig is voor het evenwicht en de harmonie van de dingen in de Natuur – zoals de schaduw nodig is om het licht nog helderder te laten uitkomen, zoals de nacht die meer reliëf geeft aan de dag en zoals de kou die ons de weldaad van de warmte meer laat waarderen. Homogeniteit is één en ondeelbaar. Maar als het homogene Ene en Absolute niet alleen maar een manier van zeggen is en als de heterogeniteit met haar twee aspecten daarvan afstamt – en dus zijn in tweeën vertakte schaduw of weerspiegeling is – dan moet zelfs die goddelijke homogeniteit in zichzelf de essentie van zowel goed als kwaad bevatten. Als ‘God’ absoluut, oneindig en de universele wortel van alles in de Natuur en haar heelal is, waar komt dan het kwaad of de duivel vandaan, als het niet is uit dezelfde ‘gouden schoot’ van het absolute? Zo worden we gedwongen om òf de emanatie van goed en kwaad, van Agathodaemon en Kakodaemon te aanvaarden als loten van dezelfde stam van de Boom van het Zijn, òf ons neer te leggen bij de ongerijmdheid van een geloof aan twee eeuwige Absoluutheden!
452/453: Men kan niet beweren dat god de synthese van het gehele Heelal is, alomtegenwoordig, alwetend en oneindig, en hem dan van het kwade scheiden. Omdat er in de wereld veel meer kwaad dan goed is, volgt hieruit op logische gronden dat god òf het kwade in zich moet bevatten, dan wel er de directe oorzaak van moet zijn, òf dat hij zijn aanspraken op absoluutheid moet opgeven. De Ouden begrepen dit zo goed, dat hun filosofen – nu nagevolgd door de kabbalisten – het kwade definieerden als de schaduwzijde van god of het goede: demon est deus inversus is een heel oud gezegde. Inderdaad is het kwade alleen maar een tegenwerkende blinde natuurkracht; het is reactie, weerstand en tegenstelling – kwaad voor sommigen, goed voor anderen. Er bestaat geen kwaad op zichzelf: alleen de schaduw van het licht; zonder deze zou het licht niet kunnen bestaan, zelfs niet in onze waarnemingen. Als het kwade verdween, zou het goede tegelijk daarmee van de aarde verdwijnen.
456: In de menselijke natuur wijst het kwade alleen op de polariteit van stof en geest, een strijd om het bestaan tussen de twee gemanifesteerde beginselen in Ruimte en tijd; deze beginselen zijn uit zichzelf één, omdat ze zijn geworteld in het Absolute. In de Kosmos moet het evenwicht bewaard blijven. De werkingen van de twee tegengestelden brengen harmonie voort, evenals de middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten, die onderling afhankelijk en voor elkaar noodzakelijk zijn – ‘opdat beide kunnen leven’. Indien de ene wordt tegengehouden, zal de werking van de andere onmiddellijk tot zelfvernietiging leiden.
464: Of de brahmaanse ingewijden ooit de volledige betekenis van deze allegorieën zullen bekendmaken, is een vraag waarmee de schrijfster zich niet bezighoudt. Het gaat er nu om aan te tonen dat geen enkele filosoof, al vereert hij de scheppende krachten in hun vele vormen, de allegorie voor de ware geest kon aanzien of ooit heeft aangezien, behalve misschien enige filosofen die behoren tot de hedendaagse ‘superieure en beschaafde’ christelijke rassen. Want Jehova is, zoals wij hebben aangetoond, op het gebied van de ethiek geen haar beter dan Vishnu. Dit is de reden waarom de occultisten en zelfs enkele kabbalisten, of zij die scheppende krachten wel of niet als levende en bewuste wezens opvatten – en wij zien niet in waarom zij niet als zodanig zouden worden aanvaard – de OORZAAK nooit met het gevolg zullen verwarren of de geest van de aarde voor Parabrahm of Ain-Soph zullen aanzien. In elk geval zijn ze goed op de hoogte van de ware aard van wat de Grieken Vader-Aether noemden, Jupiter-Titan, enz. Zij weten dat de ziel van het ASTRALE LICHT goddelijk is en het lichaam ervan (de lichtgolven op de lagere gebieden) duivels. Dit licht wordt gesymboliseerd door het ‘magische hoofd’ in de Zohar, het dubbele gezicht op de dubbele piramide: de zwarte piramide die oprijst tegen een zuivere witte achtergrond, met een wit hoofd en gezicht binnen haar zwarte driehoek; de omgekeerde witte piramide – de weerspiegeling van de eerste in de donkere wateren, die de zwarte weerspiegeling van het witte gezicht vertoont. . . .
Dit is het ‘astrale licht’, of DEMON EST DEUS INVERSUS.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 13 De zeven scheppingen (p. 488):
Origenes geeft in zijn commentaren op de boeken van Celsus, zijn tegenstander – boeken die alle door de zorgvuldige kerkvaders werden vernietigd – kennelijk antwoord op de tegenwerpingen van zijn opponent en onthult tegelijkertijd zijn stelsel. Dit was blijkbaar zevenvoudig. Maar zijn theogonie, zijn opvattingen over het ontstaan van de sterren of planeten, van geluid en kleur, werden alle slechts satirisch beantwoord. Celsus, ziet u, ‘wenst zijn geleerdheid tentoon te spreiden’ en spreekt over een ladder van de schepping met zeven poorten en daarboven de achtste – die altijd is gesloten. De mysteriën van de Perzische Mithras worden verklaard en ‘muzikale redenen worden eraan toegevoegd’ . . . En hieraan probeert hij ‘een tweede verklaring toe te voegen, die ook met de muziek in verband staat’1 – d.w.z. met de zeven noten van de toonladder, de zeven geesten van de sterren, enz.
1) Origenes, Contra Celsum, dl. vi, hfst. xxii.
490: In de Sepher Jezirah, het kabbalistische boek van de schepping, heeft de schrijver kennelijk de woorden van Manu herhaald. Daarin wordt het zo voorgesteld, dat alleen de goddelijke substantie door alle eeuwigheid heeft bestaan, grenzeloos en absoluut, en de geest uit zichzelf heeft uitgezonden. ‘Eén is de geest van de levende God, gezegend zij zijn naam, die eeuwig leeft! Stem, geest en woord, dit is de Heilige Geest.’ (Sepher Jezireh, hfst. 1, Mishna, ix.) En dit is de kabbalistische abstracte drie-eenheid, die door de kerkvaders zonder omhaal werd geantropomorfiseerd. Uit dit drievoudige ene emaneerde de hele Kosmos. Uit een emaneerde eerst het getal twee, of lucht, het scheppende element; en toen kwam het getal drie, water, voortgekomen uit lucht; ether of vuur voltooien de mystieke vier, de Arba-il (ibid.). In de oosterse leer is vuur het eerste element – ether is de synthese van het geheel (omdat hij ze alle omvat).
In het Vishnu Purāna worden alle zeven perioden gegeven en wordt de voortgaande evolutie van de ‘geest-ziel’ en de zeven vormen van stof (of beginselen) aangetoond.
491/492: Dit ‘eerstgeboren achttal’ was (a) in de theogonie de tweede logos (de gemanifesteerde), omdat hij was geboren uit de zevenvoudige eerste logos, daarom is hij de achtste op dit gemanifesteerde gebied; en (b) bij de sterrenaanbidding was het de zon, Mārttanda – de achtste zoon van Aditi, die door haar wordt verstoten, terwijl zij haar zeven zonen, de planeten, behoudt. Want de Ouden hebben de zon nooit als een planeet beschouwd, maar als een centrale en vaste ster. Dit is dan het tweede zevental, geboren uit de zevenstralige, Agni, de zon en wat al niet meer, maar niet de zeven planeten, die de broeders van Surya zijn en niet zijn zonen. Deze astrale goden, van wie het hoofd bij de gnostici Ildabaoth was (van ilda, ‘kind’ en baoth, ‘het ei’), de zoon van Sophia Achamoth, de dochter van Sophia (wijsheid), van wie het pleroma het gebied is, waren zijn (Ildabaoths) zonen. Hij brengt uit zichzelf deze zes sterrengeesten voort: Jupiter (Jehova), Sabaoth, Adonai, Eloi, Osraios, Astaphaios, en zij vormen het tweede of lagere zevental. Wat het derde betreft, dit is samengesteld uit de zeven oorspronkelijke mensen, de schaduwen van de maangoden, die door het eerste zevental zijn geprojecteerd.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 Aanval op de krachttheorie van de wetenschap (p. 579):
. . . De hypothese van Metcalfe over de zonnekracht en de aardkracht is niet alleen heel eenvoudig, maar ook heel boeiend . . . Hier zijn twee elementen in het Heelal, het ene is weegbare stof . . . Het tweede element is de alles doordringende ether, het zonnevuur. Het heeft geen gewicht, substantie, vorm of kleur; het is oneindig deelbare stof en de deeltjes ervan stoten elkaar af. Zij is zo ijl dat we geen woord hebben, behalve ether7, om haar uit te drukken. Zij doordringt en vult de ruimte, maar op zichzelf is ook zij in rust – dood8. We brengen de twee elementen, de inerte stof en de zelf-afstotende ether (?) samen, en daarna wordt dode (?) weegbare stof tot leven gewekt; [weegbare stof kan inert zijn, maar nooit dood – dit is een occulte wet. – HPB] . . . de ether [het tweede beginsel van de ether. – HPB] doordringt de deeltjes van de weegbare substantie, verenigt zich zodoende met de weegbare deeltjes en houdt ze in een massa bijeen, houdt ze verenigd samen. Ze worden in de ether opgelost.
7) Toch is zij geen ether, maar slechts een van de beginselen van de ether; deze laatste is zelf een van de beginselen van ākāśa.
8) Zo doordringt ook prāna (jiva) het hele levende lichaam van de mens: maar op zichzelf, zonder een atoom om op in te werken, zou dit in rust – dood zijn. Het zou in laya zijn of zoals Crookes het uitdrukt ‘opgesloten in de protyle'. Het is de werking van fohat op een samengesteld of zelfs een enkelvoudig lichaam, die leven voortbrengt. Als een lichaam sterft, gaat het over in dezelfde polariteit als zijn mannelijke energie en het stoot daarom het werkzame agens af dat, omdat het zijn greep op het geheel verliest, zich aan de delen of moleculen vasthecht. Deze werking noemt men chemisch. Vishnu, de instandhouder, verandert zich in Rudra-Śiva, de vernietiger – een verband dat aan de wetenschap onbekend schijnt te zijn.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 9 De zonnetheorie (p. 596):
Elders (in The Theosophist) werd uiteengezet dat de occulte filosofie ontkent dat de zon een verbrandende bol is, maar deze eenvoudig omschrijft als een wereld, een gloeiende bol, terwijl de echte zon erachter is verborgen en de zichtbare zon alleen zijn weerkaatsing, zijn schil is. De wilgenbladeren van Nasmyth, die Sir J. Herschel ten onrechte aanzag voor ‘bewoners van de zon’, zijn de reservoirs van de levensenergie van de zon, ‘de levenselektriciteit die het hele stelsel voedt . . .
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 15 Goden, monaden en atomen (p. 679):
Wat onwetendheid, trots of fanatisme ook daartegen kan inbrengen, men kan aantonen dat de esoterische kosmologie onafscheidelijk is verbonden met zowel de filosofie als de hedendaagse wetenschap. De goden van de Ouden, de monaden – van Pythagoras tot die van Leibniz – en de atomen van de hedendaagse materialistische scholen (zoals die door hen zijn ontleend aan de theorieën van de oude Griekse atomisten) zijn slechts een samengestelde eenheid, of een eenheid van geleidelijk in elkaar overgaande delen, zoals de mens, die begint met het lichaam en eindigt met de geest. In de occulte wetenschappen kunnen zij afzonderlijk worden bestudeerd, maar men kan ze nooit geheel begrijpen, tenzij men ze ziet in hun wisselwerkingen tijdens hun levenscyclus en als een universele eenheid tijdens de pralaya’s.
La Pluche toont oprechtheid, maar zijn filosofische vermogens maken een armzalige indruk als hij zijn persoonlijke opvattingen over de monade of het wiskundige punt geeft. ‘Een punt’, zegt hij, ‘is voldoende om alle scholen op de wereld in brand te zetten. Maar waarom is het voor de mens nodig om dat punt te kennen; de schepping van zo’n klein wezen ligt immers buiten zijn macht. A fortiori werkt de filosofie tegen de waarschijnlijkheid in, als ze zich de vrijheid veroorlooft vanaf het punt dat al haar overdenkingen opeist en in verwarring brengt, over te gaan tot de voortbrenging van de wereld . . .’
De filosofie had zich echter nooit een denkbeeld van een logische, universele en absolute godheid kunnen vormen, als zij geen wiskundig punt binnen de cirkel had om haar speculaties op te baseren. Alleen het gemanifesteerde punt, dat voor ons gevoel verloren is gegaan nadat het vóór de wereldvorming was verschenen in de oneindigheid en onkenbaarheid van de cirkel, maakte een verzoening tussen filosofie en theologie mogelijk – op voorwaarde dat laatstgenoemde haar grove materialistische dogma’s loslaat. En omdat zij zo onverstandig was de monade en de geometrische figuren van Pythagoras te verwerpen, heeft de christelijke theologie haar zelfgeschapen menselijke en persoonlijke God ontwikkeld, het monsterhoofd waaruit in twee stromen de dogma’s van verlossing en verdoemenis vloeien.
680: Het ‘hiërogram4 binnen een cirkel, of een gelijkzijdige driehoek’ betekende nooit ‘de uitbeelding van de eenheid van de goddelijke essentie’; want deze werd uitgebeeld door het vlak van de grenzeloze cirkel. In werkelijkheid werd bedoeld de drie-enige en onderling gelijke aard van de eerste gedifferentieerde substantie, of het één zijn in substantie van de (gemanifesteerde) geest, de stof en het Heelal – hun ‘zoon’, die voortkomt uit het punt (de werkelijke, esoterische LOGOS) of de MONADE van Pythagoras. Want de Griekse monas betekent ‘eenheid’ in haar oorspronkelijke betekenis. Wie niet in staat is het verschil te begrijpen tussen de monade – de universele eenheid – en de monaden of de gemanifesteerde eenheid, en ook niet het verschil tussen de altijd-verborgen en de geopenbaarde LOGOS of het Woord, zou zich nooit met filosofie moeten bezighouden, laat staan met de esoterische wetenschappen. Het is onnodig de ontwikkelde lezer te herinneren aan de these van om zijn tweede antinomie5 te bewijzen. Degenen die deze hebben gelezen en begrepen, zullen duidelijk de scheidslijn zien die we trekken tussen het absoluut ideële Heelal en de onzichtbare hoewel gemanifesteerde Kosmos.
680/681: De monade – slechts de uitstraling en weerspiegeling van het punt (logos) in de wereld van de verschijnselen – wordt, als de top van de gemanifesteerde gelijkzijdige driehoek, de ‘vader’. De linkerzijde of lijn is de duade, de ‘moeder’, die wordt beschouwd als het kwade, tegenwerkende beginsel (Plutarchus, De Placitis Placitorum); de rechterzijde stelt de zoon voor (in iedere kosmogonie ‘de echtgenoot van zijn moeder’, omdat hij één is met de top); de basislijn geeft het universele gebied van de voortbrengende Natuur weer, die op het gebied van de verschijnselen vader-moeder-zoon verenigt, zoals deze in de bovenzinnelijke wereld waren verenigd in de top. Door mystieke vervorming werden ze het viertal – de driehoek werd de tetraktis.
Deze transcendentale toepassing van de meetkunde op de kosmische en goddelijke theogonie – de alfa en omega van de mystieke gedachte – kreeg na Pythagoras door toedoen van Aristoteles veel minder betekenis.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 18 Samenvatting van de wederzijdse standpunten (p. 743):
De theologie wordt aangevallen en belachelijk gemaakt omdat zij gelooft in de vereniging van drie personen in één godheid – één God wat substantie, en drie personen wat individualiteit betreft; en men lacht ons uit om ons geloof in onbewezen en onbewijsbare leringen, in engelen en duivels, goden en geesten. En inderdaad behaalden de wetenschappers in de grote ‘strijd tussen religie en wetenschap’ een overwinning op de theologie dankzij het argument dat noch de identiteit van die substantie, noch de beweerde drievoudige individualiteit, na in de diepten van het theologische bewustzijn te zijn bedacht, uitgevonden en uitgewerkt, door enige wetenschappelijke inductieve redenering – en nog het minst door het getuigenis van onze zintuigen – kon worden bewezen.

W.Q. Judge boek Theosofische inzichten
261: Hieruit kunnen we concluderen dat wanneer de mensheid naar een ander bewustzijnsgebied, een bol genoemd, zal zijn gegaan, ze misschien in staat zal zijn een van de andere vergezellende bollen aan de hemel te zien. Dit is waarschijnlijk het geval omdat de aarde de laagste is, ofwel op het keerpunt van de cirkel staat, en daarom op haar eigen gebied alleen is en op dat gebied niet in het gezelschap verkeert van een andere bol.
265: Maar nadat de monade deze taak in twee of drie ronden heeft voltooid, laat ze op het keerpunt de menselijke vorm verschijnen, zodat de mens als model, middel, gids en redder met zijn verstand niet alleen de mensheid maar ook elk ander rijk beneden dat van de mens kan verheffen. Dit alles wordt heel duidelijk gemaakt en benadrukt in De geheime leer door herhaalde verklaringen en toelichtingen, en het is verbazingwekkend dat zoveel theosofen het niet begrijpen.
351: In dit verband beschikken we echter – via H.P. Blavatsky – over een duidelijke verklaring van de adepten dat terwijl het mogelijk is dat dieren in hun eigen rijk hoger komen, ze in dit tijdperk van evolutie het menselijke stadium niet kunnen bereiken, omdat we het keerpunt halverwege de vierde ronde voorbij zijn. In De geheime leer (2:221vn, zie noot 9) schrijft HPB over dit punt:
432: De volledige ontwikkeling van manas legt de volle verantwoordelijkheid op de schouders van de mensheid, en zo zien we hoe het ‘keerpunt’ wordt bereikt, wat de betekenis daarvan is, en ook wat ‘het moment van keuze’ betekent. Met volle verantwoordelijkheid moet die keuze worden gemaakt door de mensheid die dan over een volmaakt manas beschikt.
440/441: De vereisten van de evolutie maken dit noodzakelijk, en het keerpunt wordt bereikt in de vierde ronde, die als getal of aantal het kwadraat voorstelt, en alle monaden in de lagere rijken moeten het werk van de evolutie in die rijken voortzetten tot het volgende manvantara. Wanneer dat tijdperk aanbreekt, zullen de monaden die nu menselijke lichamen bewonen, zijn verdergegaan, waardoor ze plaatsmaken voor de minder gevorderden om hoger op te klimmen.
572: Deze wetten leggen beperkingen op aan de vooruitgang van de mensheid. In een cyclus waarin alles op en neer gaat, moeten de adepten wachten tot het tijdstip is aangebroken dat ze de mensheid kunnen helpen de weg omhoog te gaan. Ze kunnen en mogen niet ingrijpen in de karmische wet. Dus worden ze weer actief in spirituele zin wanneer ze weten dat de cyclus zijn keerpunt nadert.
598: Zoals een van de meesters van deze edele wetenschap heeft geschreven:
We hebben nooit beweerd dat we hele volkeren naar een of ander keerpunt kunnen voeren tegen de algemene tendens van de kosmische betrekkingen van de wereld in. De cyclussen moeten hun loop volbrengen. Perioden van verstandelijk en ethisch licht en duisternis volgen elkaar op als dag en nacht.

Blavatsky (1831 - 1891) De Geheime Leer Deel II, Stanza 1 Het begin van bewust leven (p. 25):
De opsomming van de stanza’s in Deel I liet zien dat de genesis2 van goden en mensen voortkwam uit een en hetzelfde punt, dat de ene universele, onveranderlijke, eeuwige en absolute EENHEID is. In zijn eerste gemanifesteerde aspect hebben wij het zien worden: (1) in de sfeer van objectiviteit en fysica, de oorspronkelijke substantie en kracht (middelpuntzoekend en middelpuntvliedend, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, enz.); (2) in de wereld van de metafysica, de GEEST VAN HET HEELAL of kosmische verbeeldingskracht, door sommigen de LOGOS genoemd.
2) Volgens de geleerde definitie van dr. A. Wilder is genesis, γένεσιϛ, niet voortplanting, maar ‘een komen uit het eeuwige naar de Kosmos en de Tijd’: ‘een komen van esse tot existere’, of ‘van HET ZIJN tot het zijnde’ – zoals een theosoof zou zeggen.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 82):
12. DE GROTE CHOHANS (Heren) RIEPEN DE HEREN VAN DE MAAN, MET DE LUCHTLICHAMEN (a). ‘BRENG MENSEN VOORT (werd hun gezegd), MENSEN VAN UW AARD. GEEF HUN (d.w.z. de jiva’s of monaden) HUN VORMEN VAN BINNEN. ZIJ (Moeder Aarde of de Natuur) ZAL HEN VAN BUITEN BEKLEDEN (met uitwendige lichamen). (Want) MANNEN-VROUWEN ZULLEN ZIJ ZIJN. OOK HEREN VAN DE VLAM.’
88: Tussen de mens en het dier – waarvan de monaden (of jiva’s) in principe identiek zijn – ligt de onoverbrugbare kloof van verstandelijkheid en zelfbewustzijn. Wat is de menselijke geest in zijn hogere aspect, waar komt hij vandaan, als hij geen deel is van de essentie – en in sommige zeldzame gevallen van incarnatie, de essentie zelf – van een hoger wezen: een wezen van een hoger en goddelijk gebied? Kan de mens – een god in diervorm – het product zijn van de stoffelijke Natuur, alleen door evolutie, evenals het dier dat van de mens verschilt in uiterlijke vorm maar in geen geval in de bouwstoffen van zijn fysieke structuur, en dat wordt bezield door dezelfde, hoewel niet ontwikkelde, monade – als we zien dat de verstandelijke vermogens van deze twee evenveel verschillen als de zon van de glimworm? En wat brengt zo’n verschil teweeg, tenzij de mens een dier is plus een levende god in zijn stoffelijke omhulsel? Laten wij hierbij even stilstaan en ons ernstig deze vraag stellen, zonder ons te storen aan de grillen en sofismen van zowel het tegenwoordige materialisme als de moderne psychologie.
De Geheime Leer Deel II Stanza 6 Enkele woorden over ‘zondvloeden’ en ‘noachs’ (p. 174):
De schrijfster is zich goed bewust dat de specialisten die zich de minste beperkingen oplegden bij hun berekeningen van de ouderdom van de aardbol en van de mens, altijd de meer angstvallige meerderheid tegen zich hadden. Maar dit bewijst heel weinig, omdat de meerderheid op de lange duur zelden of nooit gelijk blijkt te hebben. Harvey stond jaren lang alleen. De voorstanders van het idee om de Atlantische Oceaan met stoomboten over te steken, liepen het gevaar hun leven in een krankzinnigengesticht te eindigen. Mesmer wordt tot vandaag toe (in de encyclopedieën) met Cagliostro en St. Germain tot de kwakzalvers en bedriegers gerekend. En nu Mesmer door Charcot en Richet in het gelijk is gesteld en nu het ‘mesmerisme’ onder zijn nieuwe naam van hypnotisme – een valse neus op een heel oud gezicht – door de wetenschap wordt aanvaard, vergroot dat onze eerbied voor die meerderheid niet, als wij de lichtvaardigheid en de zorgeloosheid zien waarmee haar leden ‘hypnotisme’, ‘telepatische invloeden’ en andere verschijnselen behandelen. Kortom, zij spreken erover alsof zij er sinds de tijd van Salomo in hadden geloofd en niet slechts enkele jaren eerder de voorstanders ervan ‘krankzinnigen en bedriegers’ hadden genoemd28!
28) Hetzelfde lot staat de spiritistische verschijnselen en alle andere psychologische manifestaties van de innerlijke mens te wachten. Sinds de tijd van Hume, van wie de onderzoekingen culmineerden in een nihilistisch idealisme, is de psychologie geleidelijk veranderd in een grof materialisme. Hume wordt als een psycholoog beschouwd, en toch ontkende hij a priori de mogelijkheid van verschijnselen waarin nu miljoenen geloven, waaronder veel wetenschapsmensen. De hylo-idealisten van tegenwoordig zijn zuivere annihilationisten. De scholen van Spencer en van Bain zijn respectievelijk positivistisch en materialistisch, en helemaal niet metafysisch. Het is psychisme en geen psychologie; het doet even weinig denken aan de leer van de Vedanta als het pessimisme van Schopenhauer en Von Hartmann aan de esoterische filosofie, het hart en de ziel van het ware boeddhisme.
175: Dezelfde plotselinge ommekeer in het denken is te verwachten met betrekking tot de lange tijdsduur die de esoterische filosofie aanneemt als de ouderdom van de geslachtelijke en fysiologische mensheid.
De Geheime Leer Deel II Stanza 9 DE LAATSTE EVOLUTIESTADIA VAN DE MENS (p. 220/221):
Darwin wijst op een dergelijk geval bij een stam in Tasmanië, waarvan de vrouwen plotseling en masse door onvruchtbaarheid werden getroffen, enige tijd na de komst van de Europese kolonisten. De grote bioloog probeerde dit feit te verklaren uit de verandering van levenswijze, voedsel, omstandigheden, enz., maar gaf tenslotte het zoeken naar de oplossing van het mysterie op. Voor de occultist ligt deze voor de hand. ‘Kruising’, zoals het wordt genoemd, van Europeanen met Tasmaanse vrouwen – d.w.z. vertegenwoordigsters van een ras waarvan de voorouders een ‘zielloos’9 en verstandeloos monster en een werkelijk mens waren (hoewel de laatste evengoed verstandeloos was) – bracht steriliteit teweeg. Dit gebeurde niet alleen als gevolg van een fysiologische wet, maar ook als een voorschrift van de karmische evolutie betreffende het verdere voortbestaan van het abnormale ras. De wetenschap is nog niet bereid in enig bovengenoemd punt te geloven – maar zij zal op de lange duur wel moeten. Laten wij bedenken dat de esoterische filosofie slechts de leemten opvult die de wetenschap heeft opengelaten, en haar onjuiste vooronderstellingen verbetert.
9) Dat men het dier ‘zielloos’ noemt, betekent niet dat men aan het dier, van de laagste tot de hoogste soort, geen ‘ziel’ toeschrijft, maar alleen dat men het geen bewuste overlevende ego-ziel toekent, d.w.z. dat beginsel dat een mens overleeft en reïncarneert in een soortgelijke mens. Het dier heeft een astraal lichaam, dat de stoffelijke vorm een korte tijd overleeft; maar zijn (dierlijke) monade reïncarneert niet in dezelfde, maar in een hogere soort en heeft natuurlijk geen ‘devachan’. Het heeft de zaden van alle menselijke beginselen in zich, maar ze zijn latent.
De Geheime Leer Deel II Stanza 12 Onze goddelijke leermeesters (p. 425):
Het is de symbolische weergave van de grote worsteling tussen de goddelijke wijsheid, nous, en haar aardse weerspiegeling, psuche, of tussen geest en ziel, in de hemel en op aarde. In de hemel, omdat de goddelijke MONADE zich vrijwillig daaruit had verbannen om, met incarnatie als doel, af te dalen naar een lager gebied en zo het dier van klei te veranderen in een onsterfelijke god. Want, zoals Eliphas Lévi ons zegt, ‘de engelen streven ernaar mensen te worden; want de volmaakte mens, de mens-god, staat zelfs boven de engelen’. Op aarde omdat de geest, zodra hij was neergedaald, verstrikt raakte in de kronkelingen van de stof.
426: In Isis Ontsluierd’ (Akashakroniek) zijn talloze aanwijzingen in deze richting gegeven, en men kan verspreid over deze boekdelen een nog groter aantal verwijzingen naar dit mysterie vinden. Om dit punt eens en voor altijd duidelijk te maken: wat de geestelijkheid van elke dogmatische religie – voornamelijk de christelijke – satan, de vijand van god, noemt, is in werkelijkheid de hoogste goddelijke geest – (occulte wijsheid op aarde) – in zijn natuurlijke antagonisme tegen elke wereldse, vergankelijke illusie, de dogmatische of kerkelijke godsdiensten inbegrepen. De Latijnse kerk, onverdraagzaam, fanatiek en wreed tegenover allen die niet verkiezen haar slaven te zijn; de kerk die zich de bruid van Christus noemt en tegelijkertijd de gevolmachtigde van Petrus, tot wie de bestraffende woorden van de Meester: ‘Ga achter mij satan’ terecht werden gericht; en ook de protestantse kerk die, terwijl zij zich christelijk noemt, op paradoxale manier het Nieuwe Verbond vervangt door de oude ‘wet van Mozes’, die door Christus openlijk werd verworpen: deze beide kerken vechten tegen de goddelijke waarheid, als zij de draak van de esoterische (want goddelijke) wijsheid verwerpen en belasteren. Telkens wanneer zij de banvloek uitspreken over de gnostische zonne-Chnouphis – de Agathodaemon – Christos of de theosofische slang van de eeuwigheid, of zelfs de slang uit Genesis, worden zij door dezelfde geest van duister fanatisme geleid, die de Farizeeën ertoe bracht Jezus te vervloeken met de woorden: ‘Zeggen wij niet met recht, gij hebt een duivel?’
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 18 Over de mythe van de ‘gevallen engel’ in haar verschillende aspecten (p. 542/543):
Het is een bekend feit – in ieder geval bekend aan geleerde kenners van de symboliek – dat in elke grote religie van de oudheid de logos-demiurg (tweede logos), of de eerste emanatie van het denkvermogen (mahat), als het ware de grondtoon aanslaat van wat in het daaropvolgende evolutieschema de wisselwerking van individualiteit en persoonlijkheid kan worden genoemd. In de mystieke symboliek van kosmogonie, theogonie en antropogenie vervult de logos in het drama van de schepping en het zijn, twee rollen, namelijk die van de zuiver menselijke persoonlijkheid en de goddelijke onpersoonlijkheid van de zogenaamde Avatars of goddelijke incarnaties, en van de universele geest die door de gnostici Christos wordt genoemd en in de mazdeïsche filosofie de Farvarshi (of Ferouer) van Ahura Mazda. Op de lagere trappen van de theogonie hadden de hemelse wezens van lagere hiërarchieën elk een Farvarshi of een hemelse ‘dubbelganger’. Het is dezelfde, alleen meer mystieke bevestiging van het kabbalistische axioma: ‘Deus est Demon inversus’ (De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 11 (p. 450).
571/572: Dit was al een zekere verbetering ten opzichte van de Atlantische tovenarij, waarvan de herinnering in het geheugen van het hele geletterde en Sanskriet-sprekende deel van India en in de volkslegenden voortleeft. Toch was het een parodie op en de ontwijding van de heilige mysteriën en hun wetenschap. De snelle verbreiding van het antropomorfisme en de afgodendienst bracht het vroege vijfde Ras, zoals eerder ook het vierde, opnieuw tot tovenarij, hoewel op kleinere schaal. Tenslotte werden zelfs de vier ‘Adams’ (die onder andere namen de vier voorafgaande rassen symboliseren) vergeten; en terwijl ze van het ene geslacht aan het andere werden doorgegeven, waarbij elk werd beladen met een paar aanvullende mythen, verdronken ze tenslotte in die oceaan van volkssymboliek, die men pantheons noemt. Toch bestaan zij nog steeds in de oudste joodse overleveringen, als de Tzelem, ‘de schaduw-Adam’ (de chhaya’s van onze leer); de ‘model’ Adam, de kopie van de eerste en de ‘man en vrouw’ van de exoterische Genesis (hfst. i); de derde, de ‘aardse Adam’ vóór de val, een androgyn; en de vierde, de Adam na zijn val, d.i. gescheiden in geslachten, of de zuivere Atlantiër. De Adam van de hof van Eden, of de voorvader van ons ras – het vijfde – is een vernuftige combinatie van de bovengenoemde vier. Zoals wordt gezegd in de Zohar (iii, fol. 4, kol. 14, Cremona Ed.), wordt Adam, de eerste mens, nu niet op aarde aangetroffen, ‘men kan hem niet vinden in alles wat beneden is’. Want ‘waar komt de lagere aarde vandaan? Van de keten van de aarde en de hemel erboven’, d.i. van de hogere bollen, die aan onze aarde voorafgaan en erboven staan. ‘En er kwamen allerlei soorten schepselen uit (uit de keten). Sommige in (vaste) huiden, andere in schillen (klippoth) . . . sommige in rode schillen, sommige in zwarte, sommige in witte en sommige van andere kleuren . . .’ (Zie Qabbalah.)
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 21 Enoïchion-Henoch (p. 609):
Kortom, het Boek van Henoch is een samenvatting, een mengsel van de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van het derde, vierde en vijfde Ras en enkele voorspellingen uit het tegenwoordige tijdperk van de wereld; een lange retrospectieve, introspectieve en profetische opsomming van universele en inderdaad historische gebeurtenissen – geologische, etnologische, sterrenkundige en psychische – met een beetje theogonie uit de voordiluviaanse verslagen.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen Iao en Jehova en hun verband met het kruis en de cirkel (p. 625):
Intussen geven de zeven rishi’s de tijd en de duur aan van de gebeurtenissen in onze zevenvoudige levenscyclus. Ze zijn even geheimzinnig als hun veronderstelde vrouwen, de Pleiaden, van wie er slechts één – zij die zich verbergt – heeft bewezen deugdzaam te zijn. De Pleiaden (krittika) zijn de verzorgsters van Karttikeya, de god van de oorlog (Mars van de westerse heidenen), die de bevelhebber van de hemelse legers wordt genoemd – of liever van de siddha’s (in de hemel opgenomen yogi’s en heilige wijzen op aarde) – ‘siddha-sena’, wat Karttikeya gelijk zou maken aan Michaël, de ‘leider van de hemelse legers’ en evenals hijzelf, een maagdelijke kumāra14.
14) Dit te meer, omdat hij bekend staat als de doder van Tripurasura en de titan Taraka. Michaël is de overwinnaar van de draak, en Indra en Karttikeya worden vaak aan elkaar gelijkgesteld.
De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk 24 Het kruis en het pythagorische tiental (p. 661):
Als we nu aandacht schenken aan het Egyptische kruis of de tau, kunnen we ontdekken dat deze letter, die door de Egyptenaren, Grieken en Joden zo hoog werd vereerd, in een geheimzinnig verband staat met de decade. De tau is de alfa en de omega van de geheime goddelijke wijsheid, die wordt gesymboliseerd door de eerste en de laatste letter van Thot (Hermes).
666: Dit alles is heel raadselachtig voor iemand die de Purāna’s alleen in hun dode-letter betekenis kan lezen en begrijpen11. Daarom zien we dat de oriëntalisten weigeren te erkennen voor raadsels te staan en dat zij de Gordiaanse knoop van hun verbijstering doorhakken door te verklaren dat het hele stelsel ‘verdichtsels van de brahmaanse fantasie en zucht tot overdrijving’ zijn. Maar voor de beoefenaar van het occultisme heeft het geheel een diep filosofische betekenis. We laten de schil graag aan de westerse sanskritist over, maar eisen de kern van de vrucht voor onszelf op.
11) Toch zal deze betekenis, zodra men die heeft begrepen, het veilige kistje blijken te zijn dat de sleutels tot de Geheime Wijsheid bevat. Het is waar dat het kistje zo overdadig is versierd met ornamenten, dat de veer waarmee het wordt geopend er volledig door is verborgen, zodat de niet-intuïtieve in de waan wordt gebracht dat het geen opening heeft of kan hebben. Toch zijn de sleutels er, diep begraven, maar toch altijd aanwezig voor wie ze zoekt.
De Geheime Leer Deel II, Hoofdstuk 25 De mysteriën van het zevental Zeven in de sterrenkunde, de wetenschap en de magie (p. 711):
Vers 70 in de ‘Ha Idra Rabba Qadisha’ (de grote heilige vergadering) zegt over de schedel (het hoofd) van macroprosopus, de Oude7 (Sanat, een benaming van Brahmā), dat in elk van zijn haren zich een ‘verborgen bron die voortkomt uit het verborgen brein’ bevindt. ‘En zij schijnt door dat haar en gaat naar het haar van de microprosopus, en van daaruit (dat is het gemanifesteerde VIERTAL, het tetragrammaton) wordt zijn brein gevormd; en vandaar gaat dat brein in DERTIG en TWEE paden’ (of de triade en de duade, of weer 432). En verder (vers 80): ‘Er zijn dertien haarlokken aan de ene kant en aan de andere kant van de schedel’ – d.i. zes aan de ene en zes aan de andere, terwijl de dertiende ook de veertiende is, omdat zij mannelijk-vrouwelijk is, ‘en met hen begint de verdeling van het haar’ (de verdeling van de dingen, de mensheid en de rassen).
‘Wij zessen zijn lichten die uit een zevende (licht) stralen’, zegt rabbi Abba; ‘gij zijt het zevende licht’ (de synthese van ons allen, voegt hij eraan toe, sprekend over tetragrammaton en zijn zeven ‘metgezellen’, die hij ‘de ogen van tetragrammaton’ noemt).
711/712: TETRAGRAMMATON is Brahmā Prajāpati, die vier vormen aannam om vier soorten bovenaardse wezens te scheppen, d.w.z. die zich viervoudig, of tot het gemanifesteerde Viertal maakte (zie Vishnu Purāna, Deel I, hfst. V); en die daarna wordt herboren in de zeven rishi’s, zijn mānasaputra’s, ‘uit denkvermogen geboren zonen’, die later 9, 21 en zo verder werden, die zoals men zegt, allen zijn geboren uit verschillende delen van Brahmā8.
Er zijn twee tetragrammatons: de macro- en de microprosopus. De eerste is het absolute volmaakte vierkant of TETRAKTIS binnen de cirkel, beide abstracte begrippen, en wordt daarom AIN, het Niet-zijn genoemd, d.i. onbegrensbaar en absoluut Zijn. Maar beschouwd als microprosopus of de ‘hemelse mens’, de gemanifesteerde logos, is hij de driehoek in het vierkant – de zevenvoudige kubus, niet de viervoudige, of het vlakke vierkant.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 1 Archaïsche of hedendaagse antropologie? (p. 733):
Telkens wanneer men een onbevooroordeelde, eerlijke en ernstige wetenschapper de vraag stelt naar de oorsprong van de mens, komt onveranderlijk het antwoord: ‘Wij weten het niet.’ De Quatrefages is met zijn agnostische houding een van dergelijke antropologen.
Dit betekent niet dat de overige wetenschappers niet oprecht of niet eerlijk zijn, want in dat geval zou onze opmerking weinig tactvol zijn. Maar naar schatting zijn 75 procent van de Europese wetenschappers evolutionisten.

Het idee om op basis van complementariteit fysica en meta-fysica met elkaar te verbinden is ook door Werner Heisenberg en door Fritjof Capra , in zijn boek The tao of physics, naar voren gebracht. Het boek van Capra beschrijft een onderzoek naar de parallellen tussen de moderne fysica en de oosterse mystiek. Het 5D-concept wil benadrukken dat het universele patroon van het wat vastligt. Het is zoals het is, daar kan de wetenschap weinig aan veranderen.

In het universum is de gebroken symmetrie een gegeven. De mensheid wordt daardoor op aarde uitgedaagd voor zijn survival slimme 'en-en', interdisciplinaire oplossingen te bedenken.

In het hoofdstuk '1.5.1' laten we zien dat de Spiegelsymmetrie en het Complementariteitsprincipe voor de paradox een oplossingsrichting aanreiken.

Het korte termijn denken prevaleert bij politici en bedrijven. Bij marktdenken gaat het niet om collectieve, maar om deeloplossingen. Het op de korte termijn gefixeerde marktdenken bevordert de graaicultuur. Het wordt tijd om het dilemma markt versus moraal te doorbreken. Er is niets nieuws onder de zon. Door alle eeuwen heeft de ontkenning van de waarheid tot lijden en dood geleid. Het zijn in hoofdzaak de onschuldigen die van menselijk falen de prijs betalen. Zaken lopen mis wanneer in de politiek de moraliteit, de moraal buiten het verkoopverhaal wordt gehouden.

De psyche (reflexief bewustzijn) werkt als een spiegel. Het is deze spiegel die zorgt voor de golfbewegingen in de geschiedenis. Welke kant van de medaille, de aardse Tetrade (Standaardmodel, de gemanifesteerde werkelijkheid) of de hemelse Triade (ongemanifesteerde werkelijkheid), laten we overheersen? Alleen wanneer we ons meer met de Triade verbinden komt de beschaving een stapje verder. Meer opties zijn er niet en dat was al bij Pythagoras (De Gulden Verzen van Pythagoras) bekend.

Duurzame samenleving (Zelf-ontplooiing, Bezieling, Er is niets nieuws onder de zon)

M.C. van Hall: Beschaving is een teer gewas; maar waar 't zijn schoon ontplooit, daar worden duintop en moeras, in Lentedos getooid.

De juiste woorden voor het klimaatdebat ontbreken ons’ (interview Stephen Gardiner Volkskrant 18 januari 2012)
Een lesje filosofie zou delegaties op klimaatconferenties niet misstaan.
‘Over de hele geschiedenis beschouwd, heeft iedereen schuld. Men moet aan beide kanten ophouden met de vinger te wijzen. De schuldvraag is in feite zinloos tijdverlies. Filosofisch is de situatie dat we aan niemand anders dan onszelf verantwoording schuldig zijn.’
Moraalfilosoof Stephen Gardiner (Volkskrant 20 januari 2012) sprak in zijn Zeno-lezing in Utrecht niet over de vraag of níemand verantwoordelijk is voor de wereldwijde klimaatcrisis, maar over de vraag waar precies persoonlijke verantwoordelijkheid ophoudt als de gevolgen van gedrag mondiaal zijn en in de toekomst liggen. Volgens Gardiner is het te gemakkelijk om te denken dat klimaatverandering normale moraliteit te boven gaat, maar ontbreekt vooral een goede ethische analyse van het probleem.

Het kan dus tóch anders (Maarten Keulemans Volkskrant 7 januar 2012)
Zelfs de Occupydemonstranten komen er niet goed uit: ons economische systeem hapert, maar is er eigenlijk wel een alternatief?
Een groeiende groep economen, ecologen, politicologen en andere wetenschappers denkt van wel.
En natuurlijk was er Noorwegen, dat zo verstandig was geweest zijn olieopbrengsten onder te brengen in een investeringsfonds, het NorwegianWelfare Fund, terwijl het steeds meer duurzame energie opwekte uit water en wind. Na de val van de eurozone was dit het eerste land dat de grenzen weer sloot om te kunnen experimenterenmet een nieuw economisch model. De ideeën werden ontleend aan oud-Wereldbankeconoom Herman Daly, die al in 1989 een ‘steadystate-economie’ voorstelde, een economie die niet méér grondstoffen verbruikt dan de natuur kan aanvullen.
Geen inkomstenbelasting en bedrijfjes overal
De eerste maatregelen werden nog met scepsis ontvangen. De jaarlijkse prognoses van het Centraal Planbureau van het te verwachten percentage economische groei werden afgeschaft. Het bruto nationaal product werd losgelaten als belangrijkste maat van economisch succes: daarvoor in de plaats kwamen cijfers die met name geluk, gezondheid en welbevinden van de Nederlandse burgers registreerden.

Jan Tromp sluit zijn artikel Leeg land, vol hoofd (Volkskrant 5 juli 2008) af met de vraag:
Wordt het niet tijd om het democratisch nut van een lagere versnelling te erkennen?

Is een beschaving, die alleen met inzet van de modernste informatica (Raymond Kurzweil) overeind kan worden gehouden de beste?
Een andere vraag is zijn banken die op de meest slimme manier met geld geld (financiële derivaten) verdienen de beste?

Of is wat deze voorbeelden betreft juist van dwaasheid sprake?

De Oosterse filosofie, de Esoterie, de Hegeliaanse (dialectische) - en de Natuurfilosofie bieden een kader, maken het mogelijk op deze vragen een antwoord te geven. Als vrucht van een reflexieve opvatting van de seculiere moderniteit, dat wil zeggen een progressie die spiraalsgewijs verloopt via cycli van op en neergang met een accumulatie van historische energie en een hoger niveau van collectief bewustzijn als uitvloeisel kan er van cyclische progressie worden gesproken.

De moraal van het verhaal is dat ethiek zowel de oorzaak van het probleem als de oplossing ervan laat zien. Het gaat volledig mis, er ontstaat een breuk wanneer extremen van het kapitalisme gaan overheersen, de moraal, de regulerende principes buiten het verkoopverhaal worden gehouden, het gedrag wordt amoreel.
Zowel de programma's van CDA als van PvdA zijn de afgelopen decennia naar rechts opgeschoven. Het neoliberalisme is geen panacee om mismanagement, bestuurlijk wanbeheer te verkleinen. Falende managers worden op vette vertrekbonussen getracteerd. Het heeft eerder de bestuurlijke chaos vergroot. Het gaat er om van de motieven van onze politici, de bestuurlijke elite een helder beeld te krijgen, het zelfbedrog, het egoïsme dat er aan ten grondslag kan liggen te ontmaskeren. Wanneer je als land de home market niet op orde hebt mag je niet verwachten dat je op de wereldmarkt meer succes zult hebben.

De hamvraag is of de nauwere verwevenheid van de publieke met de private sector de kwaliteit van de samenleving echt verbeterd? Het rapport ‘E i V’ verdedigd de stelling dat dit niet het geval is. Door de verzelfstanding van de wooncorporaties, de zorg en het onderwijs heeft de overheid het stuur uit handen gegeven. De door de overheid gestimuleerde marktwerking heeft een averechts effect, de valkuil van de schijnmarkt opgeleverd. Met het simplistische denken van politici als Geert Wilders los je de complexe vraagstukken die politici de afgelopen decennia mede hebben gecreëerd niet op.

De paradox is dat in Nederland op het individuele vlak, ondanks de devaluatie van de diploma's, het opleidingsniveau is toegenomen, maar op het collectieve vlak (collectief onbewuste) lijkt het dat de dwaasheid eerder is toe dan afgenomen. De mede door de neoliberale agenda toenemende scoringsdrift in de maatschappij resulteert bij de verliezers in rancune en frustratie. Als reactie uiten de rancuneuzen hun ongenoegen op partijen als de PVV. Het uitblijven van de hoge verwachtingen vindt ook een uitweg via het stijgen van de depressiviteit in het Westen.

Hans van Keken De sociogenese van de begrippen beschaafd en beschaving, 1.4. De antithese Kultur en Zivilisation
Een ontwikkeling. die in de tweede helft van de 18e eeuw uitmondde in een sociale tegenstelling, die onder meer tot uitdrukking kwam in de begrippen 'Zivilisation' en 'Kultur'. De burgerstand in Duitsland zette zich met deze twee begrippen af tegen de bovenlaag. Het begrip 'Zivilisation', dat met die bovenlaag laag werd geassocieerd, verkreeg in kringen uit de burgerstand een tweederangs betekenis; namelijk alleen verwijzend naar het uiterlijke (en derhalve het ‘oppervlakkige‘) gedrag van de mens. 'Kultur' werd er het kernbegrip, waarmee het trots zijn op het eigen wezen, de eigen prestaties tot uitdrukking werd gebracht. Het is in deze inhoudelijke betekenis -niet het uiterlijke gedrag is van belang, maar de persoonlijkheid en zijn kunnen- dat het begrip 'Kultur' een antithese vormde ten opzichte van het begrip 'Zivilisation'. Deze uitweg van de spanning tussen de burgerstand en de bovenlaag in Duitsland deed er een geheel eigen burgerlijke traditie ontstaan ".. die von der höfisch-aristokratischen Tradition und ihren Modellen weitgehend verschieden war." (Elias, pag 62)
Evenals dit met het Franse begrip 'civilisation' het geval is geweest, ging een opkomende burgerstand zich van het begrip 'beschaving bedienen om er hun vooruitgangsgedachten mee te verwoorden: 'beschaafd diende iedereen te worden'. Onder invloed van de verlichtingsideeën was namelijk het besef gekomen, dat de samenleving als geheel zich ontwikkelde. Dit proces, zo meende men, moest bevorderd worden door vooral de mensen uit de laagste standen 'op te voeden'. Een streven dat werd aangeduid met het begrip beschaving. Het zijn in het bijzonder de leden van de Maatschappij tot het Nut van 't Algemeen geweest, die zich met deze beschaving hebben beziggehouden. In de loop van de 19e eeuw wordt het begrip ‘beschaving' een kernbegrip waaraan men vele zaken ging ophangen. Tegelijk verkreeg het een statische betekenis. De beschaving werd niet langer gezien als een proces, maar als een -bevoorrechte en soms betreurde- toestand tegenover de staat van woestheid en barbaarsheid. Met andere woorden 'de beschaving' werd, tenminste voor wat het Westen betrof, als een afgerond geheel beschouwd.

Hans van Keken: Kortom - ik zal u niet verder met details vermoeien - de markt is in werking gezet in de zorg, maar niemand lijkt echt te weten hoe een en ander gaat uitpakken voor de zorgvragers, de zorgverleners en de zorgverzekeraars. Die ongewisheid ten aanzien van zo iets belangrijks is mijns inziens zorgwekkend.

De allochtoon en de pannenkoek: de multiculturele samenleving als rancuneleer - 7 In deze redenering kunnen thema's herkend worden die gebaseerd zijn op Norbert Elias enerzijds en Michel Foucault anderzijds. Misschien wordt ook Thompson in de redenering betrokken ("moral economy"). Nederland is hier weer het deltagebied dat theorieën uit naburige landen binnenlaat en hiervan een grof sediment achterhoudt. De gedachte dat de vierde stand na de eerste, tweede en derde "beschaafd" diende te worden, ook al heette dit niet het eigen streven van de vierde stand zelf te zijn, klinkt verdedigbaar. De pijnlijke vraag of het hele streven naar emancipatie van de arbeidersklasse dan niet eigenlijk een beschavingsproces was dient achterwege gelaten te worden. In de eerste plaats omdat het herinnert aan het vorige "paradigma". In de tweede plaats omdat een dergelijke beschouwingswijze de sociaal-democratie en haar aftakkingen (waaronder het zogeheten communisme van de CPN) als een bourgeoispartij laat zien, die zich met het beschaven van de mindere stand bezig heeft gehouden in plaats van deel uit te maken van de Arbeidersbeweging. Men zou dan kunnen concluderen dat er helemaal geen ideologische veren zijn af te schudden, omdat deze veren er nooit geweest zijn. Hoewel dit wel eens de pijnlijke waarheid zou kunnen zijn wordt meer de aandacht gericht op de verlichte liberale bourgeoisie, en overigens: er wordt uitdrukkelijk niet in termen van een beschavingsproces gesproken, maar van een beschavingsoffensief, waarmee Elias nogal ver buiten beeld raakt. We zijn hier plotseling in een oorlogssituatie beland. Geen klassenstrijd meer in de sfeer van produktie of een rechtvaardig geacht deel van de consumptie, maar een soort cultuurstrijd: de arbeiders willen hun kermis, de bourgeoisie wil hen van dat onbeschaafde gedoe afhouden.
Deze botsing van culturen die in de negentiende eeuw geprojecteerd wordt zou een weerspiegeling van het huidige idee van cultuurbotsing dat ten grondslag ligt aan een begrip als "de multiculturele samenleving" kunnen zijn. De allochtoon die naar deze streken komt om geen andere reden dan voor een culturele verrijking te zorgen is sterk verwant aan de mindere man en vrouw uit de negentiende eeuw die beschaafd moet worden: beiden hebben hun specifieke plaats in het produktieproces. Het a-woord is taboe in een multiculturele dus klasseloze samenleving, al had je in de negentiende eeuw klaarblijkelijk nog wel arbeiders. Teruggeprojecteerd wordt dan ook de hedendaagse preoccupatie met de rol van het Slachtoffer, die nauw verweven is met het cultuurbegrip dat gehanteerd wordt als men het over de multiculturele samenleving heeft. De Allochtoon is iemand in een achterstandsituatie die voortdurend gediscrimineerd dreigt te worden. Deze discriminatie heeft niets te maken met plaats in het produktieproces, maar met cultuur, is de interpretatie in de klasseloze samenleving. De Allochtoon is per definitie niet een handelend subject, maar (vooral potentieel) slachtoffer.

René Meijer belicht in zijn boek De Ether Bestaat! het Vedische gedachtegoed. Deel III, de Persoon en de Politiek is het vertrekpunt van het rapport
'E i V '. Of met andere woorden het boek De Ether Bestaat! kijkt vanuit een top down benadering, terwijl daarentegen het rapport 'E i V' bottom up.
In het rapport 'E i V' komen de andere gezichtspunten aan de orde. Het kompaskwadrant laat zien dat de verschillende perspectieven perfect op elkaar aansluiten.

Het kompaskwadrant is als het ware de schakel tussen het boek en het rapport en is een handig hulpmiddel om het nieuwe paradigma op de 'theorie van alles' en de daarmee samenhangende zelfhelende mechanismen verder uit te werken.
De relatie tussen het boek en het rapport, tusen de 'Triade en de Tetrade' wordt in het hoofdstuk Idealisme versus Materialisme aan de hand van de systeembenadering toegelicht.

Teilhard zegt dat de ganse kosmos niet opgebouwd is uit materie, maar uit wat hij noemt: 'Weltstoff'. Wat is nu het verschil? 'Weltstoff' is meer dan materie. De stof waaruit alles is opgebouwd, heeft namelijk een buitenkant én een binnenkant. De buitenkant van de 'Weltstoff' is materie. Haar binnenkant is bewustzijn. 'Weltstoff' is dus 'materie-bewustzijn', een soort bipolaire eenheid in elk 'deeltje'.

In het leven bewegen we ons tussen een materiële wereld en een spirituele wereld, een fundamentele dualiteit van leefwerelden. Als we een theorie van alles willen hebben, moeten deze werelden in deze hiërarchisch-structurele visie op de persoon en de materie, in dit nieuwe paradigma voor de wereldorde, worden gecombineerd zodat iedereen er een plaats in heeft, zodat een ieder gerespecteerd kan worden en conflicten daarmee beëindigd kunnen worden. De beide werelden hebben elkaar nodig en kunnen niet zonder elkaar bestaan, precies zoals de ruimte niet zonder de materie en de tijd kan bestaan en de oude natuurkunde het ook niet kan stellen zonder de antimaterie.

De gemanifesteerde 'Ruimte - Materie - Tijd' staat tegenover de ongemanifesteerde Triniteit. Voor de Triniteit geldt dat de Vader, de Zoon en Heilige Geest wel onderscheiden maar niet gescheiden kunnen worden. Dit is ook op 'Ruimte - Materie - Tijd' van toepassing.
Om de Triniteit te illustreren geeft Aurelius Augustinus een ingenieuze definitie:
Heilige Drie-eenheid kan men misschien beter de ene God noemen, uit Wie, door Wie, in Wie alle dingen zijn. Vader, Zoon en Heilige Geest zijn elk afzonderlijk God en vormen samen één God. Elk van hun is een volledige substantie en samen zijn ze één substantie. De Vader is noch de Zoon noch de Heilige Geest, de Zoon noch de Vader noch de Heilige Geest, de Heilige Geest is noch de Vader noch de Zoon, maar de Vader is alleen Vader, en de Zoon alleen Zoon en de Heilige Geest alleen Heilige Geest. Alle drie hebben ze dezelfde eeuwigheid, dezelfde onveranderlijkheid, dezelfde majesteit, dezelfde macht. In de Vader is de eenheid, in de Zoon de gelijkheid, in de Heilige Geest het harmonieuze samengaan van eenheid en gelijkheid. Alle drie zijn één door toedoen van de Vader, gelijk door toedoen van de Zoon, verbonden door toedoen van de Heilige Geest.

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 5823 keer bekeken.