Zelfreinigend vermogen (Zelfregulering)

Prediker 1 De woorden van Prediker, den zoon van David, koning te Jeruzalem.
2 IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid!
3 Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?
4 Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde blijft altoos staan.
5 De zon komt op en de zon gaat onder en hijgend ijlt zij naar de plaats waar zij opkomt.
6 De wind gaat naar het Zuiden en draait naar het Noorden, aldoor draaiend gaat hij voort en op zijn kringloop keert de wind weer terug.
7 Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen zij altijd weer.
8 Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen.
9 Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon.
10 Is er iets, waarvan men zegt; ziehier, dat is nieuw - het was er al in verre tijden, die vóór ons waren.
(1: 2-11)
Matteüs 18-24:
Toen zeide Jezus tot zijn discipelen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.
Matteüs 25:35-40:
35 Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest,
36 naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.
37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven?
38 Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed?
39 Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen?
40 En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.
Bram Moerland: Aanvankelijk stond in de verzoeningsleer vooral Gods liefde voor de mens centraal:
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft...

Verlossing (Authentiek leiderschap, Catharsis)

De ware wijsheid
18 De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God.
19 Er staat namelijk geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.’
20 Waar is de wijze, waar de schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd?
21 Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging
(1 Korinthiërs 1:18-21).
Nisargadatta Maharaj: Er zijn geen stappen naar zelfverwerkelijking.
George Orwell: Sommige ideeën zijn zo fout dat alleen een heel intelligente mens daarin zou kunnen geloven.

De zoektocht in de Natuurkunde naar de bron van de kosmische straling staat tegenover de vrijheid, de nieuwe levensrichting van Spinoza, die vanuit de Geestkunde wordt verklaard. Hoe Geestkunde en Natuurkunde, 'Probleem en Oplossing' (complementaire polariteit), met elkaar samenhangen houdt de mensheid al millennia bezig. Het is het probleem van het ego, de Zielkunde (Evolutiepsychologie), die het mogelijk maakt beide met elkaar te verbinden. De kwintessens heeft op het balansmechanisme van de weegschaal in het universum betrekking.

Rinus van Warven De biecht en het Ware Zelf
Verzoening
In het Oude Testament wordt deze paradijselijke werkelijkheid aangeduid met de Hof van Eden. Vanaf het moment dat de eerste mens eet van de beroemde 'Boom van Kennis van Goed en Kwaad' gaat het mis. De mens wil zelf onderscheid maken tussen goed en kwaad, licht en donker, dag en nacht, wit en zwart. Vanaf dat moment ontstaat er een nieuwe wereld, waarin de mens zelf keuzen kan maken tussen wit en zwart, tussen goed en kwaad, tussen leven en dood. Dorothee Sölle, Albert Schweitzer en Edward Schillebeeckx hebben dat alle drie ongeveer op dezelfde manier beschreven. Als gij kunt kiezen tussen het leven en de dood, kies dan het leven.

De definitie Meta-leren plaats de ander centraal. De bijbel leert ons dat er slechts één weg is tot het behoud en dat is Jezus Christus, die zegt:
Ik ben de Weg, de Waarheid, en het Leven... Niemand komt tot de Vader dan door mij!
De Bijbel gebruikt voor het ongemanifesteerde Zelf de metafoor van het Lam Gods.

Het altaarstuk van de schilders en gebroeders Hubert en Jan van Eyck in de St.-Baafskathedraal te Gent toont het uit zijn hals bloedende lam dat symbool staat voor Jezus, die zijn leven offert om de mensheid van zijn zonden te verlossen.

Zonde (dr. F. de Graaff 19 februari 1972):
Hegel en Bolland hebben de zonde in haar ontstellende macht niet onderkend. Zij spreken slechts van een logische negatie. Door de zonde is er echter een veel vreselijker tegenstelling die openbaar wordt in de toorn Gods over de zonde. Die toorn kan niet door de rede opgeheven worden. De rede is niet in staat om de zondaar met God te verzoenen. Dat kan slechts door zoenbloed van Jezus. Wie de zonde als een „krankheid tot de dood" heeft leren verstaan, vindt geen antwoord in de logische eenheid der tegendelen. Die synthese wordt dan openbaar als een geruststellende camouflage van de waarachtige nood. In de Hegelse filosofie is geen plaats voor een persoonlijke, unieke God, noch voor een persoonlijk mens. God en mens worden in het algemene begrip opgeheven. Deze opheffing is volgens Kierkegaard de grote mystificatie van de geschiedenis. Het is de mystificatie van de grootste vijand van het geloof, de gnosis.

Apocalyps Er lijkt een soort van apocalyps ophanden: een apocalyps van het milieu, van de planeet aarde die ontploft. Een zorgwekkende ontwikkeling die deze planeet ondergaat. De frase ‘mijn God schiep eerst de dieren’ heeft iets van ondergeschiktheid van de mens in zich. Ondergeschiktheid aan de grootsheid van de natuur en aan het leven op deze planeet. Hoe gaat deze wereld aan zijn eind komen? En versnelt menselijk handelen dat einde?
Het praten over en beschrijven van het einde van de wereld wordt aangeduid met de theologische term eschatologie.
Moderne theologen zien apocalyptische geschriften in de Bijbel niet als een een-op-een voorspelling van het einde van de wereld. Ze interpreteren deze teksten meer als historische, prikkelende teksten die ontstonden in perioden van verdrukking en bedreiging. Vandaag de dag kun je hoop ontlenen aan het idee dat uitzichtloze situaties in het verleden uiteindelijk ook zijn ‘opgelost’. Voor de grote problemen van vandaag geldt uiteindelijk hetzelfde: alles gaat voorbij. Het draait daarbij om volharding en hoop op verlossing.
De katholieke theoloog Edward Schillebeeckxs (1914-2009) vond overigens dat je deze teksten over de eindtijd weliswaar niet te letterlijk maar ook weer niet te historisch moet lezen. Waar het volgens hem om gaat is de uitdrukking van ‘het messiaans verlangen naar de eindigheid van alle verdrukking’ in deze teksten.

De Tao van de Landbouw - 2 (prof. dr. Hans van Asseldonk p. 23):
De mysticus als 'samenstellend element' van het nieuwe heelal, deze opvatting zijn we ook bij Boehme en de alchemie tegengekomen. Daar sprak men echter over de relatie microkosmos-macrokosmos. In beide gevallen gaat het echter om dezelfde visie op de relatie mens-natuur. Het is een natuurconcept waarin de mens als medeschepper de incarnatie voortzet en aldus de mensheid en de natuur naar het Komende Rijk leidt. Het 'Rijk der Hemelen' is niet vér weg, het komt niet van buitenaf tot ons maar van binnenuit. "Maar bij ons, in het hart en het brandpunt van de techniek en het onderzoek, maakt het (Licht) zich gereed om op te gaan. Van dit standpunt uit gezien, kondigt zich in de richting van een dynamisch en progressief neo-humanisme… een mystiek van morgen aan om aan de nieuwe en steeds grotere behoeften van de antropogenese te beantwoorden."39

Schepping & evolutie Poging tot synthese Sjoerd L. Bonting Het doel van de schepping zal dan ook door de inspanning van de mens vanuit zijn mogelijkheid tot vrije keuze kunnen worden bereikt voordat alle leven op aarde door hitte of koude onmogelijk wordt. Het punt, waarop transformatie van de geschapen wereld in het Nieuwe Koninkrijk plaatsvindt, noemt Teilhard de Chardin het punt omega, het eindpunt van de christogenese als stap in de evolutie na die van de antropogenese (de wording tot mens). Transformatie, niet vernietiging, want dat zou een ontkenning inhouden van het woord in de Bijbel: "God zag, dat het goed was".

Christus en de verlossing (Ko Kleisen ):
Christus' komst op aarde heeft echter nog een andere betekenis. In zijn leven en sterven neemt God zelf deel aan ons lijden en verdriet. Dat opent voor ons de mogelijkheid ook onze pijn aan het leven te plaatsen in het perspectief van de verlossing. Maar wanneer wij in staat zijn over onszelf heen te zien, kunnen onze ogen ervoor opengaan, dat Christus' komst in de wereld een ruimer doel heeft dan de verlossing van iedere individuele mens: ze betekent een creatieve kracht voor de hele mensheid en de hele schepping. Zijn incarnatie en dood, het stichten van zijn kerk als zijn mystiek (geestelijk) lichaam en het instellen van de eucharistie (het Heilig Avondmaal) geven de schepping in het proces van vergeestelijking een blijvende stuwkracht.

H.P. Blavatsky boek De Sleutel tot de Theosofie
Hoofdstuk Wat is karma? (p. 194):
194: Kortom, zolang als de gevolgen van de door hem veroorzaakte verstoring van zelfs het kleinste atoom in de oneindige wereld van de harmonie niet volledig zijn vereffend. Want het enige gebod van karma — een eeuwig en onveranderlijk gebod — is volkomen harmonie, zowel in de wereld van de stof als in de wereld van de geest. Het is dus niet karma dat beloont of straft, maar wij belonen of straffen onszelf, al naar gelang wij met de natuur samenwerken en door middel van haar handelen, en ons houden aan de wetten waarop die harmonie berust, of — die wetten overtreden.
Besluit (p. 285):
De mentale en psychische groei van de mens zal harmonieus samengaan met zijn morele vooruitgang, en zijn materiële omgeving zal de vrede en broederlijke welwillendheid weerspiegelen die dan in zijn denken zullen heersen, in plaats van de tweedracht en strijd die nu overal om ons heen aan de dag treden.

Evolutieperspectief (Akko Kalma Volkskrant 13 oktober 2018 Opinie p. 10):
In de context van de #MeToo-discussie (Zaterdag, 6 oktober) beweert filosoof Jan Sleutels: ‘De evolutionaire redenering is gevaarlijk en gemakzuchtig. Als het beestje zo in elkaar zit, lijkt het alsof we er niks aan kunnen doen.’ Voor lagere diersoorten is er inderdaad niets of weinig aan het gedrag te veranderen, maar Sleutels heeft het over menselijk gedrag. Kennelijk denkt hij dat de evolutietheorie stelt dat evolutionair gevormde gedragssystemen onveranderbaar zijn. En als er een evolutionaire oorzaak zit achter mannelijke handtastelijkheid, daar dan ook niets aan te doen zou zijn.
Dat is natuurlijk niet zo. Flexibiliteit van reacties op veranderingen in de omgeving heeft een stevige plaats in de evolutionaire theorievorming.
Een actief ingrijpende sociale omgeving tegenover grensoverschrijders zal ook vanuit het evolutionaire perspectief prima werken.

H.P. Blavatsky Geselecteerde artikelen deel 1: 1874 –1882
Hoofdstuk De esoterische leringen van de Indo-Europese arhats over het zevenvoudige beginsel in de mens (T. Subba Row p. 472):
472: Er heerst in dit heelal een grote wet die subjectieve ervaringen herleidt tot objectieve verschijnselen en zulke ervaringen ontwikkelt op basis van die verschijnselen. Dit wordt ook wel ‘de cyclus van de noodzakelijkheid’ genoemd. De mens is aan deze wet onderworpen als hij het gewone lot of de lotsbestemming niet een halt toeroept en neutraliseert, en hij kan alleen aan haar macht ontsnappen door zijn aardse gehechtheden volledig te beteugelen. De nieuwe combinatie van omstandigheden waarin hij dan wordt geplaatst, kan beter of slechter zijn dan de aardse omstandigheden waaronder hij heeft geleefd. Maar u kunt er zeker van zijn dat hij bij zijn vooruitgang naar een nieuwe wereld zich nooit zal omkeren om zijn spiritistische vrienden terug te zien.1

H.P. Blavatsky Isis ontsluierd Deel 2 Een sleutel tot de mysteries van oude en moderne wetenschap en religie Hoofdstuk De kerk, waar is zij? (p. 7,8):
We vinden het heel onverstandig van de katholieke schrijvers om hun fiolen van toorn uit te storten in zinnen zoals deze: ‘In een groot aantal pagoden neemt de fallische steen altijd, evenals de Griekse betylos, de grove onfatsoenlijke vorm aan van het linga . . . de Mahådeva.’4 Alvorens het recht te hebben een smet te werpen op een symbool waarvan de metafysische betekenis te diep is om door de moderne voorvechters van die godsdienst van zinnelijkheid bij uitstek, het rooms-katholicisme, te worden begrepen, zijn ze verplicht hun oudste kerken te vernietigen, en de vorm van de koepels van hun eigen tempels te veranderen.
8: Bovendien zijn in alle christelijke kerken, ‘vooral in protestantse, waar ze erg opvallen, de twee stenen tafelen van de mozaïsche bedeling boven het altaar geplaatst, zij aan zij alsof ze één steen vormen, en de bovenkanten ervan zijn rond gemaakt. . . . De rechter steen is
mannelijk, de linker vrouwelijk.’ Noch katholieken noch protestanten hebben dus het recht te spreken over ‘onfatsoenlijke vormen’ van heidense monumenten, zolang ze hun kerken versieren met de symbolen van het linga en de yoni, en zelfs de wetten van God erop schrijven.
Hoofdstuk Over kosmogonieёn en bijbelverhalen (p. 200):
200: De
pythagorische tien duidde de Arba-il of goddelijke vier aan, gesymboliseerd door het linga van de hindoes: Anu, 1; Bel, 2; Hoa 3, wat samen 6 is. De triade en Mylitta als 4 vormen de tien.
Hoewel de ‘oorspronkelijke mens’ genoemd, komt Ennoia, die evenals de Egyptische Poimandres de ‘
kracht van het goddelijke denken’, de eerste begrijpelijke manifestatie van de goddelijke geest in stoffelijke vorm is, overeen met de ‘eniggeboren’ Zoon van de ‘onbekende Vader’ van alle andere volkeren.
Hoofdstuk 9 De Veda's en de Bijbel (p. 527):
De in de ark opgesloten dieren zijn de menselijke hartstochten. Ze symboliseren bepaalde inwijdingsbeproevingen en de mysteriën die ter herinnering aan deze allegorie bij verschillende volkeren waren ingesteld. Noachs ark rustte op de 17de dag van de zevende maand.
‘Noach is een gewijzigde vorm van Adam, zoals Mozes een gewijzigde vorm is van Abel en Seth’, zegt de kabbala,3 d.w.z. een herhaling of andere versie van hetzelfde verhaal. Het grootste bewijs daarvoor is de verdeling van de figuren in de Bijbel. Bijvoorbeeld, te beginnen met Kaïn, de eerste moordenaar, is elke vijfde man in zijn afstammingslijn een moordenaar. Zo komen daar Henoch, Irad, Mehujael, Methusael, en de vijfde is Lamech, de tweede moordenaar, en hij is Noachs vader. Als we de vijfpuntige ster van Lucifer (die haar hoofdpunt naar beneden heeft gericht) tekenen, en de naam van Kaïn onder het laagste punt, en die van zijn nakomelingen achtereenvolgens bij een van de andere punten schrijven, zullen we zien dat elke vijfde naam – die onder die van Kaïn geschreven zou staan – de naam van een moordenaar is. In de talmud wordt deze stamboom volledig gegeven, en er komen 13 moordenaars onder de naam van Kaïn te staan. Dit is geen toeval.
Shiva is de vernietiger, maar ook de vernieuwer. Kaïn is een moordenaar, maar hij is ook de schepper van volkeren, en een uitvinder. Deze ster van Lucifer is dezelfde ster die Johannes in zijn Openbaring op aarde ziet vallen.

Mahatmabrieven
Inleiding
xii,xiii: “xii: Het zijn de priesterkaste, het priesterdom en de kerken; het is in die illusies die de mens als heilig beschouwt dat hij de bron moet zoeken van die vele vormen van kwaad die de grote vloek van de mensheid zijn en haar bijna overweldigen. Onwetendheid schiep Goden en sluwheid maakte van de gelegenheid gebruik.”1 En verder “De gedachte ooit een nieuwe hiërarchie te stichten voor de toekomstige onderdrukking van een door priesters beheerste wereld, zij verre van ons.”2 De strekking en inhoud van deze woorden is in onze tijd duidelijk genoeg.
Brief No. 12
76,77: De perioden die vallen tussen elke grote manvantarische “ronde” zijn verhoudingsgewijs lang, als tegemoetkoming voor de duizenden levens die op de verschillende bollen zijn doorgebracht; terwijl de tijd die beschikbaar is tussen elke “rasgeboorte” – of ringen zoals U ze noemt – lang genoeg is om tijdens de periode die in bewuste gelukzaligheid wordt doorgebracht na de wedergeboorte van de
Ego, op te wegen tegen ieder leven van strijd en ellende. Het denkbeeld van eeuwige zaligheid of smart als vereffening van alle denkbare goede of slechte daden van een wezen, dat een eeuw, of zelfs duizend jaar in het vlees heeft doorgebracht, kan alleen zijn opgekomen in iemand die nog nooit de ontzagwekkende realiteit van het woord Eeuwigheid volledig heeft begrepen, of heeft nagedacht over de wet van volmaakte rechtvaardigheid en evenwicht die in de natuur heerst.
Brief No. 13
80,81: (2) Zij polariseren zichzelf gedurende het proces van beweging, en worden voortgedreven door de onweerstaanbare Kracht die aan het werk is. In de Kosmogonie en in het werk van de natuur corresponderen de positieve en negatieve, ofwel de actieve en passieve krachten met de mannelijke en vrouwelijke beginselen. Uw “geestelijke uitvloeiing” komt niet van “achter de sluier” maar is het mannelijk zaad dat in de sluier van de kosmische stof valt. Het actieve wordt aangetrokken door het passieve beginsel en de Grote Nag, het slang-embleem van de eeuwigheid, neemt zijn staart in de bek en vormt hier door een cirkel (
cyclussen in de eeuwigheid) in die onophoudelijke opeenvolging van het negatieve en het positieve. Vandaar het embleem van de lingam, de fallus en de ktei. De ene en voornaamste eigenschap van het universele, geestelijke beginsel – de onbewuste, maar altijd actieve levengever – is uitbreiden en uitstorten; die van het universele stoffelijke beginsel verzamelen en ontkiemen. Gescheiden zijn ze onbewust en niet-bestaand, tezamen gebracht worden zij bewustzijn en leven. Vandaar ook – Brahma, van de wortel “brih”, Sanskriet voor “uitbreiden, groeien, of bevruchten,” en Brahma is slechts de bezielende, expansieve kracht van de natuur in haar eeuwige evolutie.

Religieuze beleving in mystieke benadering (Prof. J.E. van der Stok 26 juli 1956 - p. 59):
Laten we u eerst denken aan het godslampje. Er is betrekkelijk weinig aandacht besteed aan dat machtige symbool. Als we het mystiek benaderen zouden we het kunnen noemen het Vader-Moeder symbool, het symbool van de eerste Offeraar en het allerhoogste Mysterie. Wanneer men denkt aan het allerhoogste Mysterie zal men gevoelen dat men er alleen als de volledige Offeraar tegenover kan staan. Het is vanzelfsprekend dat het niet op andere wijze te benaderen is. Van dat diepste Mysterie en van die Geest van allerhoogste Offering getuigt het wonderlijke mystereuze licht van het godslampje.
Niet dat de vorm op het ogenblik erg geëigend is. Als men in India heeft gereisd ziet men daar ook heilige lampjes die de vorm hebben van de heiligste symbolen die echter door de Westerlingen is geperverteerd, de
lingam, het Vader-Moeder symbool in de allerhoogste betekenis van het woord, een groot mysterie dat alleen kan worden benaderd in de geest van volkomen offering en dan de grondslag der grondslagen levert, het transcendentale.

In het Hindoeïsme staat de wisselwerking tussen drie fundamentele natuurkrachten, namelijk sterke kernkracht, zwakke kernkracht en de elektromagnetische kracht symbool voor de drie kosmische krachten scheppen, onderhouden en vernietigen. Hindoes vatten deze drie Shiva-krachten samen onder het symbool van de lingam. Een veel gebruikte metafoor voor de God Shiva, maar tevens een meer tastbaar symbool voor de vuurzuil zonder begin en eind. In het boek Loutering over de transformatie van het kwaad van Johan M. Pameijer wordt dit op p. 253 samengevat.

(Sanskriet) Liṅga De fallus. In het oude India was het het symbool van abstracte schepping. Kracht of vitaliteit gaat over in het linga of het orgaan van schepping, maar alleen op deze aarde. Voor de oude Ariërs was de betekenis ervan groots, subliem en poëtisch — en deze kijk op dit symbool was die van de gehele oude heidense wereld. Het idee van de scheppende kracht of macht was goddelijk en had veel weg van diezelfde geest van abstracte eerbied die zelfs vandaag nog leeft in India. Het was het heilige symbool van de kosmische scheppende en vernieuwende kracht, waarvan de vele duizenden activiteiten duidelijk te zien zijn in de hele natuur en zo was het ook in het kleine en concrete, als in het grote en abstracte, het was ontdekt en het geestelijke aspect van de stof overheerste. Vandaar dat de linga het symbool van Śiva werd en van elke andere scheppende god. De linga (symbool van scheppende activiteit) en yoni (symbool van voortbrengende of producerende activiteit) van Śiva-verering staan filosofisch gezien in hun oorspronkelijke betekenis veel te hoog, ondanks de moderne degeneratie, om op wat voor manier dan ook een fallusverering te worden genoemd, waar het geestelijke naar beneden is getrokken om dierlijk te worden, het sublieme tot de grofheid van het aardse.

Het merk Maarten Luther Een man met groot praktisch talent (Casper Thomas De Groene Amsterdammer 18 oktober 2017):
Behalve een religieuze opstand was de Reformatie vooral ook een mediarevolutie. Aangejaagd door een geestelijke met een uitstekende handelsgeest; Luther was ‘iemand die op het juiste moment het juiste onderwerp aansneed’.
Op 33-jarige leeftijd had de zelfbenoemde bevrijder kortom een credo dat goed wordt samengevat in stelling 37:
‘Iedere willekeurige waarachtige Christen, hetzij levend, hetzij dood, heeft deel aan alle goede gaven van Christus en kerk, die worden hem ook zonder aflaatbrieven gegeven door God.’
Hij had ook voldoende geldingsdrang om de kerkelijk-economische duomacht die aflaathandel organiseerde uit te dagen. Het enige wat nog ontbrak was een manier om anderen deelgenoot te maken van die missie.
Dat is, in een notendop, het verhaal dat Andrew Pettegree vertelt in Brand Luther.
Hij wijst daarmee op het ingrediënt dat nogal eens wordt overgeslagen in de theologie of intellectuele geschiedenis.

Luther: een mens zoekt God van H.J. Selderhuis:
Was Luther een aangenaam mens? Hij stond bekend om zijn woede-uitbarstingen, zijn grof taalgebruik en zijn soms lompe optreden. Maar dezelfde man stond ook bekend om zijn schitterend taalgebruik, zijn gevoel voor humor, zijn gastvrijheid en zijn rijkdom aan gedachten.
Luther had de mensen hun zelfrespect teruggegeven. Hij had mensen bevrijd uit de slavernij van bijgelovige angst en dwangmatig geloof. Mensen kregen hun gevoel voor eigen verantwoordelijkheid weer terug. Knellende banden van een heerszuchtig geloof werden verbroken. Vrijheid kwam daarvoor in de plaats. Een vrijheid binnen het kader dat de Bijbel aangaf in plaats van het benauwende kerkelijke kader. Binnen dat kader konden mensen zich echt ontplooien en eigen keuzes maken.
Vergelijk het met een sleutelwoord uit onze tijd. ‘Emancipatie’ heeft na 1968 een radicale ommekeer in onze samenleving teweeggebracht in politiek, sociaal, economisch en religieus opzicht. Het heeft in plaats van de gemeenschap het individu centraal gesteld en daarmee het huwelijk en gezin zijn bevoorrechte positie ontnomen en zelfs het belastingstelsel beïnvloed doordat het inkomen van partners los van elkaar beoordeeld wordt. En zo gaf het concept van de ‘rechtvaardiging door het geloof alleen’ een ander aanzien aan de 16e -eeuwse samenleving.
Hoofdstuk 4. Exegeet 1511 - 1517 (p. 79):
De tekst van Erasmus sprak over bekering (
metanoia), niet als een handeling maar als een innerlijke verandering. Wij moeten de dingen niet anders gaan doen, maar er moet van binnen iets gebeuren dat ons verandert en dan gaan wij de dingen pas anders doen. Luther raakte ervan overtuigd dat de volgorde van heiliging en rechtvaardiging anders moest. Wij worden niet rechtvaardig doordat wij ons heiligen, maar wij heiligen ons omdat wij gerechtvaardigd zijn. 'Het is dus niet zo, zoals Aristoteles meent, dat wij rechtvaardig worden door rechtvaardige dingen te doen. Het blijft een schijngerechtigheid. Pas wie rechtvaardig wordt en is, die doet rechtvaardige dingen. Eerst moet de mens veranderen dan pas de werken.

Stress is όόk een zaak van het hart (Ellen de Visser Volkskrant 13 oktober 2018 Sir Edmund p. 38-41):
Stress? Nee, daar hadden zijn hartkwalen niets mee te maken, kreeg huisarts Sjoerd Zwart te horen van zijn cardioloog. Toch wijst steeds meer op het tegendeel.
Stress is geen gelul Vergelijkbaar verhaal, dezelfde vraag, hetzelfde antwoord: toen Sjoerd Zwart drie weken geleden het verhaal las van Volkskrant-redacteur Fokke Obbema, die op een zaterdagavond een hartstilstand kreeg en bijna dood was, herkende hij de afwerende reactie van de cardioloog. Ook Obbema informeerde bij zijn cardioloog of stress een rol had gespeeld. Die haalde haar schouders erover op. ‘Stress is gelul’, vatte een specialist het daarna nog wat krachtiger samen; wat hem was overkomen, was gewoon pech.
Stressgevoeligheid
Niet iedereen met een zware baan of moeilijke privé-omstandigheden hoeft meteen de schrik om het hart te slaan. Wie gezond leeft en een zeer kleine kans heeft op hart- en vaatziekten, heeft dat bij een twee keer zo hoog risico nog steeds. Er zijn webtools ontwikkeld waarmee iedereen, door het invullen van persoonlijke gegevens, kan uitrekenen hoe groot het basisrisico is op hart- en vaatziekten. Hoeveel stress we ervaren, hangt sterk af van onze persoonlijke beleving.
Stressgevoeligheid is deels erfelijk bepaald, wordt bijgestuurd door de opvoeding, en heeft bijvoorbeeld ook te maken met de vraag of je je werk leuk vindt. Om het individuele stressniveau vast te stellen, maken wetenschappers gebruik van een vaste lijst met vragen over gevoelens en gedachten.
Net als Volkskrant-redacteur Fokke Obbema heeft huisarts Sjoerd Zwart zijn leven omgegooid – geschrokken nadat zijn hart op hol was geslagen. Hij stopte met lesgeven, om zich te ontspannen is hij bij een zangkoor gegaan. Wat stress voor gevolgen kan hebben, beschreef hij vorig jaar in het NTvG, in een ontroerend verhaal over een ouder echtpaar uit zijn praktijk. De vrouw had kanker, haar man kon het vooruitzicht zonder haar verder te moeten niet verdragen. De laatste dagen van haar leven lag hij naast haar in bed.
Hij overleed een paar uur na zijn vrouw. Zijn dood, zegt Zwart, is vermoedelijk versneld door de stress van het liefdesverdriet. Ze werden in dezelfde auto naar het rouwcentrum vervoerd.

Voorbij het eigen gelijk #10 Babah Tarawally ‘Als ík al beledig…’ (Greta Riemersma De Groene Amsterdammer 15 november 2018 p. 16-19):
Hoe donkerder de huid, hoe lager in rang. Zo heeft Babah Tarawally Nederland leren kennen. Hij werd actief in de antiracismebeweging. Maar ook daar treft hij zwart-witdenken aan.
Hij pleit voor een civil rights movement zoals Martin Luther King die op de been kreeg, waarin zwart en wit samen tegen ongelijkheid ten strijde trekken.
Zijn inspiratiebron is Ubuntu, de Afrikaanse filosofie waarin geen ‘zij’ bestaat, alleen maar ‘wij’. In Sierra Leone kreeg hij het principe van jongs af aan mee. ‘Weet je waarom een los dier altijd wordt aangevallen?’ hield zijn oma hem voor. ‘Omdat het niet bij de kudde wil horen. En weet je waarom een slang dood wordt gemaakt zodra hij uit zijn hol komt? Omdat hij alleen is.’
Tarawally lacht schamper. ‘Alsof dat in zijn voordeel werkt…’ Hij vervolgt: ‘
En na de erkenning moet er verzoening komen, vergeving, dat is de essentie van Ubuntu. En zwarte mensen moeten dan niet terugdoen wat hun is aangedaan.

De Anne Frank die bleef leven (Antoinnette Scheulderman interviewt Edith Eger Volkskrant Magazine 4 november 2017 p. 29-34):
Van de ruim 15 duizend gedeporteerden uit het Hongaarse Kassa was Edith Eger een van de zeventig mensen die de oorlog overleefden. Pas op haar 90ste besloot de psycholoog haar verhaal op papier te zetten. ‘Er brandde iets in me.’
Maar waarom was God wel bij u, en niet bij degenen die stierven? ‘Ik snap je vraag, en ik begrijp ook dat anderen stopten met geloven. Maar voor mij gold dat woede of wraak maar een kort moment van bevrediging geven. Natuurlijk heb ik fantasieën gehad over hoe ik Mengele zou opzoeken in Paraguay waar hij naartoe was gevlucht. Het is belangrijk om schuld toe te schrijven aan de daders. We winnen er niets mee als we ze ermee laten wegkomen. Er is geen heling of vergeving mogelijk zonder eerst de woede te doorleven.’
Schrijver en psychiater Hans Keilson, wiens ouders stierven in Auschwitz, zei: leer leven zonder vijanden, al het andere is gevangenschap.
Dat is het precies. Als ik was blijven haten, had ik mezelf een gijzelaar van mijn eigen geschiedenis gemaakt. Je kunt leven om het verleden te wreken, of om het heden te verrijken. Wat kies je? Ik ben zelfzuchtig: ik was al mijn jeugd en mijn ouders kwijt - waarom nog meer terrein verliezen? Daaraan dacht ik laatst ook weer, toen er in Las Vegas 58 mensen werden doodgeschoten. Als jongeren nu besluiten daar niet meer naartoe te gaan om lol te maken, heeft de dader alsnog gewonnen.’
Uw oudste zus Klara zei vele jaren later keihard: ‘Als ik erbij was geweest, had onze moeder nog geleefd’. ‘Ik was toen gelukkig zo ver dat ik inzag dat zij met haar eigen trauma’s worstelde. Het gevoel dat ze het had kunnen, móéten, voorkomen.
‘Tegen al mijn cliënten zeg ik: verlos jezelf van de ‘wat als’-vragen. Die zijn niet goed voor je. ‘Wat als ik toen een ander antwoord had gegeven?’ Als je beter had geweten, had je beter gedaan. Maar dat moment is gepasseerd, dus stel jezelf de vraag: ‘Wat nu?’ Wat kan ik nú betekenen.’
We hadden het over Charlottesville, het opflakkerende antisemitisme. Hoe beziet u het presidentschap van Donald Trump? En de opmerking van zijn voormalig perschef Sean Spicer, die zei dat ‘zelfs Hitler’ geen chemische wapens gebruikte? ‘Hoewel ik liever niet over politiek praat, denk ik niet dat je op zoek moet naar de ratio in wat zij zeggen. Words can be very cheap. De leden van de Ku Klux Klan lopen rond met grote kruizen en noemen zichzelf chrístenen. Ik maak me zorgen om Trumps ‘wij-zij’-mentaliteit. Ik hoop dat mensen autoriteit zullen blijven bevragen, in plaats van er blind achteraanlopen.’ Viktor Frankl schreef: ‘Zie het lijden als zinvol.’ Waarom moet dat eigenlijk zo nodig, de zin vinden in pijn?
‘Omdat je dat gevoel misschien nodig hebt om er alsnog iets van te maken. Wat mijzelf betreft: het idee dat mijn ouders niet voor niets zijn gestorven. Dat ik het aan hen verschuldigd ben om andere mensen te helpen op hún weg naar vrijheid. Die noodzaak hield me in elk geval op de been, snap je?’

Bekeren in het Nieuwe Testament.
In het NT vinden we, in tegenstelling tot het OT, niet één maar twee woorden die al of niet terecht met bekeren worden vertaald. We zullen merken dat hier twee verschillende zaken mee worden bedoeld. Metanoia.
Het eerste is "metanoia"(Strong# 3341) en we vinden het voor de eerste keer in Matt. 3:8 "Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt;"
De letterlijke vertaling van "metanoia" is "na-DENKEN". Strong's geeft hier: Een verandering van gedachten. Denk hier aan Rom 12:2 "En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken..."
Metanoia komt 22 maal in het NT voor, waarvan 14 maal in de evangeliën, het begin van Handelingen en in de brieven ná Paulus. Paulus gebruik het 8 maal in Handelingen en in zijn brieven.

Boetedoening? Dat is iets voor anderen (Thomas von der Dunk Volkskrant 24 juli 2013 p. 23):
Nederland staat vanouds vooraan om van andere landen permanente
boetvaardigheid en de vertaling daarvan in klinkende munt te verlangen - of het nu Duitse Wiedergutmachung of de Stichting Japanse Ereschulden betreft - maar achteraan als het de erkenning van eigen moreel falen of eigen wandaden betreft. Dat gold nog voor Srebrenica, waar de verantwoordelijke commandant Thom Karremans na afloop promotie kon maken, en de gecapituleerde Dutchbatsoldaten later uit handen van toenmalig Defensieminister Henk Kamp een herdenkingspenning ontvingen. Het vormt zonder twijfel een unicum in de Europese krijgsgeschiedenis van de afgelopen tweeduizend jaar: een medaille voor een militair debacle.
Pas Ben Bot kon als minister van Buitenlandse Zaken in 2005 eindelijk erkennen dat Nederland indertijd aan de foute kant van de geschiedenis was beland. De nog steeds gangbare term 'politionele acties' voor de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog is veelzeggend: het verzet tegen de Nederlandse overheersing werd bij ons niet gezien als een taak voor de politiek, maar voor de politie. Wij voerden ginds dan ook geen oorlog, maar handhaafden slechts de orde. Wel, de orde handhaven: dat deed de hertog van Alva in 1568 ook.
Ook in het geval van Rawagede kwam die tandenknarsend, en de financiële
Wiedergutmachung vervolgens maar mondjesmaat. De grootste bandiet, kapitein Raymond Westerling, belandde indertijd niet achter de tralies, maar kreeg van de rijksoverheid een studiebeurs om zich in de zangkunst te bekwamen.
De oorlog die Nederland van 1945 tot 1949 in Indonesië voerde was niet alleen een foute oorlog, maar deels ook een smerige oorlog - zoals de meeste oorlogen onvermijdelijk worden als het hard tegen hard gaat.
Als bevel bevel is, dan moet dat natuurlijk ook in het geval van Duitse Wehrmacht als geldig excuus voor persoonlijke deelname aan de inval in Nederland op 10 mei 1940 worden erkend. Bijvoorbeeld op 5 mei. Ook Duitse dienstplichtigen vochten noodgedwongen de foute oorlog, zonder dat zij daarvoor persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Ook zij hadden geen keus.
Sterker: zij hadden die nog veel minder dan de Nederlandse. Bij weigering wachtte hun namelijk niet de cel.

Hoe India richting de afgrond dendert (Hassan Bahara Volkskrant 17 juni 2017 Sir Edmund p. 28-29):
En er is de in zichzelf gekeerde Tilo, die diepe oorlogstrauma's heeft opgelopen in Kasjmir, de separatistische deelstaat waarop zowel India als Pakistan aanspraak maakt.
En toch zal India op een gegeven moment stuklopen op een muur, betoogt Roy, en die muur zal Kasjmir heten. Het is een onvermijdelijke boetedoening, al was het maar vanwege het feit dat India de adembenemende Kasjmirvallei degradeerde tot een bloederige militaire zone.

Volkomen metaglap (Jeroen Teitler Volkskrant 12 november 2016 p. 24):
Frits Bolkestein vindt de overwinningstoespraak van Donald Trump goed. 'Hij wil de president van alle Amerikanen zijn', schrijft Bolkestein. Ik denk dat Bolkestein zich iets te makkelijk laat sussen. Die speech had de oprechtheid van een haatimam die voor de camera's 'islam is liefde' prevelt.
De visieloosheid was soms lachwekkend: 'We zullen gaan dromen van dingen voor dit land. En mooie dingen. En succesvolle dingen.'
Minder lollig is het vooruitzicht van wat Trump waarschijnlijk gaat doen als zijn beloofde economische wederopstanding uitblijft. Waarschijnlijk zal hij regeren volgens het recept van Poetin en Erdogan: het cultiveren van binnen- en buitenlandse vijandbeelden, het kweken van paranoia en opgefoktheid. Wie zich niet achter hem schaart, is een landverrader. Vrije media en wetenschap worden verdacht gemaakt en ingeperkt.
Net als sommige anderen haalt Bolkestein de reacties op de verkiezing van Ronald Reagan in herinnering. Ik geloof echter niet dat Reagan zo sterk de sfeer van lynchings en gewapende eigenrichting opriep als Donald Trump. De Ku Klux Klan betuigt niet zomaar zijn steun aan een kandidaat.
Wellicht heeft het presidentschap inderdaad een matigende invloed op Trump. Dat moet haast wel, want wat hij tijdens de campagne uit zijn losse pols liet rollen, was volkomen mataglap. Maar door Trumps racistische, geweld zaaiende gevaar te relativeren, is Bolkestein het spiegelbeeld van de linkse wegkijker.
Het grote vingerwijzen (Peter Jamin Volkskrant 12 november 2016 p. 24):
Nu Trump 'onverwacht' heeft gewonnen, begint de
boetedoening dan wel het vingerwijzen: de media en de elite hebben de zwijgende minderheid over het hoofd gezien en niet serieus genomen. Maar 'de elite' en 'de media' bestaan niet. The Daily Show is media, maar Fox News ook. Clinton is elite, maar Trump ook.
Het is eerder zo dat de verliezers van het (kapitalistische) systeem van zich hebben laten horen en een dikke middelvinger naar de winnaars hebben opgestoken. De ironie is dat ze dat hebben gedaan door te stemmen op een kapitalist pur sang, op een man die zich op zijn hebberigheid en zijn zucht naar geld laat voorstaan.
De vraag die de 'winnaars' zich zouden moeten stellen, is hoe ze het systeem zo kunnen veranderen dat ook de verliezers nog willen blijven meespelen.
Maar zo lang de echte winnaars van de vrije markt types als Trump zijn - mensen die hun eigenbelang vooropstellen en drijven op cynisme - en de verliezers blijven geloven dat ze de jackpot nog een keer kunnen winnen - een sentiment waar Trump nadrukkelijk aan appelleert - ben ik bang dat een 'beter' kapitalisme nog ver weg is.
De weg kwijt (Richard Koopman Volkskrant 12 november 2016 p. 25):
Toch vreemd. Met de afbraak van het pensioenstelsel de afgelopen jaren en de AOW naar 67 jaar en nog later, kwam en komt er geen mens overeind om te protesteren. Maar kom aan Zwarte Piet en hele volksstammen - pro en contra - komen op de been en zijn in staat elkaar de hersens in te slaan. We zijn volledig de weg kwijt, beste mensen.

Effectieve bewustwording, wat is dat? (Ton Borsboom GAMMA februari 1998):
Is niet het proces van bewustwording altijd effectief? Leidt niet het proces van bewustwording tot wijzigingen in houding en gedrag? Met andere woorden, bewustwording op zich is altijd effectief. De Celestijnse Belofte, de NewAgeliteratuur, het oosterse denken, het staat er bol van. Zelfs het christendom kent zijn metanoia, omkering, bekering, een proces van bewustwording. De levensgeschiedenissen van Teilhard en Whitehead staan in het teken van bewustwording. Zij hebben niet alleen nagedacht hierover, maar ons getuigen gemaakt door hun geschriften van hun bewustwording. De effecten komen daarna, zij zijn afgeleiden van het bewustwordingsproces. Bewustwording heeft zodoende altijd effect. Zodra materie zich bewust is van zijn zijn, is er sprake van bewustwording.
Het begrip 'universele bewustwording' (universele quintessens) is enigszins strijdig met hetgeen - zeker Teilhard - hierover heeft geschreven. Het is een evolutionair proces en derhalve in zijn aard altijd universeel. Volgens Teilhard zet bewustwording zich overal door als een natuurlijk verloop in het evolutieproces.

Is Bekering noodzakelijk voor Redding? En wat is Bekering?:
Voorwoord over “bekering”:
In het Grieks hebben we metanoeo: bekeren en metanoia: bekering. Het is enkel in die grondtekstbetekenis dat wij ook ons woord “bekering” moeten definiëren. (Zie verderop).

2. Wat de bekering van de mens inhoudt.
163: In het Latijn bezitten we vijf namen: regenratio, renovatio, resipiscentia, conversio en poenitentia. Resipiscentia schijnt letterlijk overeen te komen met het woord metanoia. Want zoals resipiscentia van het woord resipisco afstamt, d.w.z. ik begin wijs te worden na de daad, zo komt metanoia van een woord metanoeo, d.w.z. ik word wijs na de daad, ik verander van mening en verander mijn verkeerde voornemen. Het woord poenitentia komt van een Latijns woord „poenitere", dat „berouw hebben" betekent, óf het komt van het woord „poena", dat „straf" betekent, omdat het leedwezen in het berouw aan een straf gelijk is; of zoals Erasmus (Annotat. op Matth. 3 en 2 Kor. meent, komt het van de woorden pone tenere, d.w.z. achterhouden, omdat berouwen gelijk is aan de achterste of laatste raad en voornemen vasthouden, of om beter te verstaan na de daad. De oudere Latijnse vertaling van de Bijbel heeft de Griekse woorden metanoia en metameleia meestal met het woord „poenitentia" vertaald. En de Roomsen strijden zeer heftig, daar zij willen dat men dit woord overal moet vasthouden, om zo hun sacrament van de poenitentia (= boete, v. d. Hr.) te verdedigen; dat zij stellen in een uiterlijke straf of pijniging van degene die poenitentie doet, én in de ceremonie en woorden van de priester, die ze de absolutie (= vrijspraak) schenkt, als hij zegt: „Ego te absolvo", d.w.z. ik ontsla u, of spreek u vrij. Daarom willen ze beweren, dat het woord poenitentia van het woord poena, straf, afkomstig is.

LUTHER EN ZIJN BIJBELVERTALING (Dr. W. J. Kooiman p. 13):
Dat de Schrift alleen Gods Woord wordt als de Geest de verbinding legt tussen lezer en inhoud, was een inzicht, dat voor zijn eigen hermeneutiek belangrijk zou worden, 'Terugkeer tot de Bijbel, tot Augustinus en de kerkvaders' - zo kan Luther later zijn eigen program. kort samenvatten. En dat is iets anders dan het humanistische 'terug tot de bronnen', ook iets anders dan wat Erasmus noemde de terugkeer tot de 'filosofie van Christus' in de evangeliën. Het ging om de persoonlijke relatie tussen God en mens en om de boodschap van het heil voor de zondaar, in de geest van Augustinus.
35: Van de humanisten, van
Erasmus vooral, wil hij daarbij leren wat mogelijk is. Toen in februari 1516 diens Novum instrumentum omne, Griekse tekstuitgave van het Nieuwe Testament met Latijnse vertaling en aantekeningen, verscheen, heeft Luther er direct gebruik van gemaakt. Reeds in het college over het 9e hoofdstuk van Romeinen, dat hij in augustus van dit jaar behandelde, is de invloed van Erasmus' uitgave duidelijk (en het zal toch zeker een paar maanden geduurd hebben, voordat dit boek, in Bazel gedrukt, in Wittenberg verkrijgbaar was).

Isis ontsluierd Een sleutel tot de mysteries van oude en moderne wetenschap en religie – Deel 2:
Hoofdstuk 1 De kerk, waar is zij? (p. 25):
Vóór de reformatie werd de magie in al haar aspecten door de geestelijkheid op grote schaal en bijna openlijk beoefend. En zelfs hij die eens de ‘vader van de reformatie’ werd genoemd, de beroemde Johannes Reuchlin1, schrijver van het De verbo mirifico en vriend van Pico della Mirandola, de leermeester van Erasmus, Luther en Melanchthon, was kabbalist en occultist.
Het oude sortilegium, of het voorspellen door middel van sortes of loten – een kunst die nu door de geestelijkheid als iets afschuwelijks wordt afgekeurd, door Stat. 10, Jac. als een strafbaar feit wordt aangeduid, en door Stat. 12, Caroli II van amnestie wordt uitgesloten omdat het tovenarij is2 – werd door de geestelijkheid en monniken op grote schaal beoefend. Het werd zelfs goedgekeurd door St. Augustinus zelf, die deze methode om de toekomst te leren kennen niet afkeurt, ‘mits het niet voor wereldlijke doeleinden wordt gebruikt’. Sterker nog, hij geeft toe dat hij haar zelf heeft beoefend.3
1) Zie het titelblad van de Engelse vertaling van Mayerhoffs Johann Reuchlin und seine Zeit, Berlijn 1830. F. Barham, The Life and Times of John Reuchlin, or Capnion, the Father of the German Reformation, Londen, 1843.
2) Lord Coke, 3 Institutes, fol. 44.
3) Brief II aan Januarius, §37.
Hoofdstuk 4 Oosterse kosmogonieën en bijbelverhalen (p. 207):
Dit vers luidt: ‘Want drie zijn er die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn één.’ Van dit vers, dat ‘aangewezen is om in de kerken te worden gelezen’, is nu bekend dat het onecht is. Het is ‘in geen enkel Grieks manuscript te vinden, behalve in één in Berlijn’ dat werd overgeschreven van de één of andere tussen de regels toegevoegde omschrijving. In de eerste en tweede uitgave van
Erasmus van het Nieuwe Testament die in 1516 en 1519 werden gedrukt, wordt die toespeling op deze drie hemelse getuigen niet aangetroffen; en de tekst komt in geen enkel Grieks manuscript voor dat vóór de 15de eeuw werd geschreven.2 Het vers werd door geen enkele Griekse kerkelijke schrijver genoemd, noch door een van de oude Latijnse kerkvaders, die toch zo sterk ernaar verlangden om elk bewijs te verkrijgen ter ondersteuning van hun drie-eenheid, en het werd door Luther in zijn Duitse vertaling weggelaten.

Vox Luminis zou meer peper mogen strooien (Guido van Oorschot Volkskrant 10 februari 2017):
CD (klassiek) - Luther en de Reformatie
Aanvankelijk draait in het lutheranisme alles om eenvoud en meezingbaarheid. Heinrich Schütz (1585-1672) maakte de grond pas rijp voor de dramatiek waarmee Bach een eeuw later zijn Matthäus en Johannes oppept. Ironie: Schütz scherpte zijn neus voor theater in het katholieke Italië. Daar was de kunstvorm opera zojuist met bombarie op het toneel gesprongen.

Van der Linden: 'Excuses voor uitspraken Luther was te makkelijk geweest' (Just Fontein Volkskrant 11 april 2016):
De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) nam vandaag afstand van uitspraken die Maarten Luther in 1543 deed over joden. Eeuwout van der Linden van de Protestantse Kerk in de Volkskrant Nieuwsbreak: 'Excuses was wat gemakzuchtig geweest.'

Bedelmonnik rebelleerde met succes (Gert J. Peelen Volkskrant 12 september 2008):
Maarten Luther (1483-1546) wekt nog steeds beroering. Geprezen om zijn heldenmoed, verguisd vanwege zijn antisemitisme. Twee biografieën werpen licht op de man die niet alleen de kerk hervormde, maar ook een aanzet gaf tot de Verlichting....

Een oplossing voor het probleem van het lijden wordt een theodicee genoemd.

Theodicee: waarom er lijden is in de goede schepping (27 januari 2014):
God staat lijden en verdriet toe, zodat wij ook kunnen uitreiken naar gebroken en lijdende mensen. Alleen in een wereld waar lijden is, kunnen mensen echt leren lief te hebben. Het is niet alleen zo dat God het lijden toelaat zodat we kunnen oefenen in het liefhebben: Wanneer liefde daadwerkelijk een offer vraagt, dan pas leren we echt lief te hebben. Als een ziek kind de hele nacht overgeeft, een vriend in de problemen zit, zorgen voor een partner met langdurige ziekte. Jezus vertelde dat geen mens een grotere liefde heeft dan die zijn leven voor zijn vrienden opgeeft. Dit zou nooit passen in het idee van Augustinus van een perfect Eden. Als Adam en Eva nooit gezondigd hadden en dus uit de Hof van Eden gestuurd waren, dan hadden zij nooit geleerd hoe liefde emotie en sentiment overstijgt, dan waren zij nooit werkelijk mens geworden, waren zij nooit tot volledig beeld van God gegroeid. Alleen in een wereld van lijden en dood, kunnen we werkelijk mens worden, gemaakt naar het beeld van God, die naar zijn aard liefde is. Alleen in een wereld met lijden en dood kan Christus ons redden van alle keren dat wij tekortschoten in hoe God ons tot aanschijn riep.

The Problem of Evil - a Biblical Theodicy
A derivative of various religions and spiritualistic practices founded by Madame Helena Petrovna Blavatsky, a spiritualist medium. Humans are regarded as complex, having one spirit, three souls, a life principle and two bodies. According to theosophy, right and wrong, or good and evil depend on how each person reckons them. What is wrong or evil in one person’s mind is for that person wrong or evil, but the very same thing may not be perceived as wrong or evil in someone else’s mind, and so for that person it is not wrong or evil. Theosophy borrows several views from oriental religions, as well as from spiritualism and occultism.

Het onderzoeksrapport 'E i V' plaatst de relatie tussen 'Slachtoffers en Daders' in het licht van de evolutie van de mensheid, antropogenese (hominisatie).

Ian Buruma Hun beloofde land mijn grootouders in tijden van liefde en oorlog
Totale assimilatie
Hoewel beiden een Duits-Joodse achtergrond hadden - hun families behoorden in Duitsland tot de culturele bovenlaag - en ze veel joodse vrienden hadden, waren de Schlesingers niet religieus: die grote kerstboom was een symbool voor hun totale assimilatie en hun hang naar Britse tradities. Maar zo Engels als ze waren, nationalistisch zelfs, ze hoorden er toch niet helemaal bij. Dat is schrijnend. Het kostte Bernard grote moeite om een vaste aanstelling te krijgen als arts in een ziekenhuis; zodra ze zijn achternaam hoorden ging het niet door. Over dat antisemitisme werd thuis honend gesproken. Ze voelden zich geen slachtoffer, ze vonden het simpelweg dom en onbeschaafd.
Win en Bun verloochenden hun joodse afkomst niet, maar veelzeggend is dat ze die pas ter sprake brachten als ze mensen volledig vertrouwden. Hun codewoord voor 'joods' was '45'. Waarom, dat weet Buruma niet. Hun afkeer van Hitler was uiteraard groot, en ze leefden in grote spanning over het lot van de familieleden in Duitsland. Maar ze déden ook iets: ze kochten een huis waarin ze twaalf joodse kinderen uit Duitsland opvingen, van wie de ouders waren vermoord of in concentratiekampen zaten.

Het beloofde land of 'Ik voel veel sympathie voor Japanners' (Bor Beekman Volkskrant 9 juli 2016 bijlage Sir Edmund p. 62-67):
De 62-jarige regisseur en animator knikt. Zo ongeveer. En niet veel meer. 'Als je een mysterie uitlegt, valt die uitleg altijd buiten het gevoel dat je opwekt met dat mysterie.'
Dat er via campagnes zal worden gelobbyd voor een Oscar lijkt zeker. Toch is Dudok de Wit, die zich laat interviewen in een restaurant boven een bioscoopje in Parijs, het meest benieuwd naar de ontvangst in Japan. 'Ik voel veel sympathie voor Japanners. Ze houden veel van animatie. Het land inspireert me op een diepe wijze.'
1. Tekening: Cirkel - Hakuin Ekaku
Aan de Japanse monnik en wijsgeer, die leefde van 1686 tot 1768, wordt een van de bekendste zenboeddhistische raadsels toegeschreven:
'Je kent het geluid van twee klappende handen, vertel me: wat is het geluid van één klappende hand?'
7. Strip: Kuifje in Tibet (1960) - Hergé
'Zolang ik me kan herinneren was er Kuifje. Als vader heb ik ze later nog voorgelezen. Ik waardeer ze om de tekenstijl, maar ook om de humor: sympathiek. Ik las ooit dat Hergé voorafgaand van het tekenen van Kuifje in Tibet door een zware crisis ging, hij scheidde van zijn eerste vrouw.
Al zijn stripboeken gaan over goed en kwaad, maar in dit verhaal komt voor het eerst geen slechterik voor. Het gaat over diepe vriendschap. En er zit zoveel wit in. Een puur, besneeuwd landschap, maar ook een extreem verhaal: op een gegeven moment wil kapitein Haddock zichzelf opofferen, zodat Kuifje kan overleven. Zeker voor die tijd bijzonder in een strip.'
8. Boek: Ik ben/Zijn - Nisargadatta Maharaj
'Ligt al dertig jaar naast mijn bed. Ik lees er vaak in. Het zijn transcripties van gesprekken over een diep, intuïtief begrip van het leven.'
'De Indiase goeroe Nisargadatta Maharaj, overleden in 1981, sprak met bezoekers in zijn eenvoudige appartement in Mumbai over eenheid, of non-dualisme. Een Amerikaan, Maurice Frydman, nam de gesprekken op, publiceerde de weerslag ervan in de jaren zeventig. Je hoeft niet te begrijpen, stelt Maharaj ergens in het boek. Het is al voldoende iets niet verkeerd te begrijpen.
'Je kan eigenlijk geen zin isoleren. Hij spreekt over waar je met taal niet bij kan komen, ook niet met filmtaal, muziek of lichaamstaal. Hij wijst slechts aan. Alles wat hij zegt is paradoxaal. Je kunt meteen ook het tegenovergestelde beweren.'
Dudok lacht verontschuldigend. 'Ik praat hier eigenlijk nooit met andere personen over, behalve met mijn vrouw.'
Al sinds zijn 20ste verdiept hij zich in religie en filosofie: zenboeddhisme, soefisme, kaballisme, hindoeïsme, new age, yoga. 'Ik was een zoeker. Sommige mensen hebben veel: een comfortabel leven, mensen die van je houden en van wie jij houdt, een bezigheid die je graag uitoefent - en zijn toch niet helemaal gelukkig. Ik dacht altijd: het kan beter, veel beter. Het had, begreep ik, ook rechtstreeks te maken met creativiteit. Ben ik wel origineel? Of maak ik wat een ander ook kan maken? En wat is orginaliteit. Dat heb ik me jarenlang afgevraagd. Nu voel ik vooral diepe, stille dankbaarheid.'
9. Kunst: Prehistorische grottekeningen
'Ik werk graag met houtskool. En dat dan in combinatie met moderne software. Een paar jaar geleden bekeek ik met bevriende tekenaars grottekeningen in Rouffignac in Zuid-Frankrijk. Als je die mammoeten en paarden ziet, getekend door mensen uit de prehistorie - collega's eigenlijk. Ze wisten toen al precies hoe je bepaalde lijnen zet voor een sterker effect. We hebben nauwelijks iets geleerd in die 15.000 jaar, dacht ik. En wat is het mooi.'

J.E. van der Stok (Theosofia- december 1992):
De VKK-priester prof. J.E. van der Stok was een groot ziener. In de vele lezingen die hij gaf, plaatste hij oude leringen in de actualiteit van het moment waarbinnen hij sprak en de gebeurtenissen op de innerlijke gebieden waarnam. Van der Stok trachtte het moment zelf werkelijke diepte te geven. Hij raakte het creatieve en intuïtieve vermogen van zijn toehoorders aan en voerde hen tot een hogere graad van ontvankelijkheid en ervaring. Voor hem slaat ontplooiing van de werkelijke functie van de mens centraal.

Een functionele benadering van de mens (Professor J.E. Stok 16 juli 1954):
53: De mens is geklemd in het "het ogenblik", in het "nu", geknepen tussen het verleden en de toekomst.
Het verleden dat zwaar beladen is met tekortkomingen en schuld, bepaalt onze handelingen in het nu, en het bepaalt ook onherroepelijk de toekomst - alles is "vastgeklonken". Waarnemingen die worden gedaan door para-psychologen zouden ook kunnen wijzen op de zeer geringe vrijheid, die de mensheid en de mens is gegeven - als er zelfs nog van vrijheid kan worden gesproken.
Hoe kunnen we een doorbraak bewerkstelligen in de wereld van gebondenheid, en nu bedoel ik niet de wijsheidsgebondenheid binnen welke alleen maar vrijheid is, maar die harde bepaaldheid waaraan men niet kan ontkomen.
Een buitengewone gelegenheid om deze beklemming te doorbreken wordt ons geboden in de Kerk met de rijke symboliek van haar eredienst. Door de traditionele werkzame vormen en de genademiddelen komen wij in aanraking met de grote bevrijdende en verzoenende machten daarachter.
Dit zou de ideale situatie zijn, maar helaas zijn we erg eenzijdig ingesteld wat ons voorstellingsvermogen betreft, ook bij wat er in de Kerk gebeurt. De meest oorspronkelijke primaire functie is bij ons onwerkzaam. Het mannelijke stimulerende aanzicht, het impuls-aanzicht is namelijk zo sterk naar voren gekomen dat het andere aanzicht, het ontvangende, dat met wijsheid leidt, bindt en volbrengt, op de achtergrond blijft. Daardoor zijn onze voorstellingen niet volledig - ze zijn niet geïntegreerd.
56: Als we maar enigszins een visie hebben van deze "bewustzijns"-functies, die allemaal in ons aanwezig zijn, dan wordt alles levend. Dan komt er vrijheid en er komt ook de macht der verzoening. Dan kunnen we de mens verlossen uit zijn gevangenis en dan komt er vrijheid en geluk.
59: Nu geeft de kerk met haar attributen ons een bijzondere gelegenheid om die mystieke benadering te ontwikkelen. Het is wel genoemd een "schouwen", maar toch geeft het woord "schouwen" dit vermogen niet helemaal weer. Eigenlijk is het: een tot de dingen, de schepselen en de wezens uitgaan met geheel ons lichaam, geheel onze ziel en onze geest, zodat er niets overblijft. We zijn dan geworden als de volledige offeraar , de volledige mens. Want de mens is bij uitstek de offeraar.

Een linkse lente begint in de buurt, de tuin en de bibliotheek (Peter Giesen interviewt George Monbiot Volkskrant 27 oktober 2018 Opinie p. 6-8):
Nadat George Monbiot een boek had gepubliceerd over hoe we in de crisis waren beland, was het onvermijdelijk dat hij zou schrijven over hoe we er weer bovenop kunnen komen. De kernwoorden: gemeenschapszin en saamhorigheid.
In zijn laatste boek
Uit de puinhopen Een nieuwe politiek in een tijd van crisis gaat hij op zoek naar een linkse lente. Die begint voor hem heel klein, met het versterken van lokale gemeenschappen, door buurtacties en gezamenlijke projecten, zoals het opzetten van een bibliotheek of het verbouwen van biologische groenten.
Bewijst dat niet dat mensen gelukkig zijn met de consumptiemaatschappij?
‘Ze waren niet zo gelukkig toen ze hun land verloren. Dat is een van de dingen die de consumptiemaatschappij met je doet. Je consumeert het denken van iemand anders, in dit geval een rechtse tv-zender.’
Zit er iets van de nobele wilde in uw werk? De mens is van nature goed, maar wordt verpest door de samenleving?
‘Op zichzelf geloof ik niet in de nobele wilde.
Maar de neurowetenschap, de sociale psychologie, de antropologie en de evolutionaire biologie wijzen allemaal in dezelfde richting: de mens is spectaculair empathisch en altruïstisch, als de omstandigheden dat toelaten. Het is een aangeboren neiging, sterker dan het verlangen naar macht en rijkdom. Dat is ook het mooie: we hoeven de menselijke natuur niet te veranderen, we moeten haar alleen bloot leggen.’

Hoe kunnen we negatieve indrukken zuiveren?
Zuivering door middel van de vier tegenkrachten is erg belangrijk. Dit voorkomt niet alleen toekomstig lijden, maar verlicht ook de schuld of het zware gevoel dat we nu vaak ervaren. Door onze geest schoon te maken zijn we in staat de Dharma beter te begrijpen, voelen we ons kalmer en kunnen we ons beter concentreren. De vier tegenkrachten, die gebruikt worden om negatieve indrukken te zuiveren zijn:
1. spijt hebben,
2. besluiten het niet weer te doen,
3. toevlucht nemen en een altruïstische houding ten opzichte van anderen opwekken
4. een beoefening doen om de negatieve energie te zuiveren.

Illustratief is de oproep van Ilco van der Linde in het programma De Nieuwe Wereld 19 juni 2016.
‘Het belangrijkste is: gewoon doen’ ( Annemiek Huijerman OneWorld 17 september 2015 ):
Het Mandelahuisje, huis voor verzoening en verbinding, is het nieuwste initiatief van Ilco van der Linde. En hij schreef Be a Nelson, over het ontstaan van Bevrijdingspop, dance4life en MasterPeace. Het boek is vooral een oproep om je ideaal te verwezenlijken – net als Mandela deed.

H.S. Olcott Over theosofie (Engelse versie):
Ik ben pessimist noch optimist, maar ben er niet van overtuigd dat ons ras is gedoemd om te worden vernietigd, nu of in de toekomst, en evenmin dat het gevoel voor ethiek in de maatschappij onverminderd in stand kan blijven zonder een voortdurende vernieuwing vanuit de moederbron. Ik zie de studie van de theosofie en de persoonlijke verlichting als die bron, en ik beschouw hem als een weldoener van zijn soort die bij de sceptici, bij de wanhopigen, bij hen die levensmoe zijn, bij de hongerigen van hart, de aandacht erop vestigt dat de ijdelheden van de wereld de aspiraties van de ziel niet bevredigen, en dat het ware geluk alleen kan worden verkregen door innerlijke zelfontwikkeling, zuivering en verlichting.

Wanneer de moraal buiten het verkoopverhaal wordt gehouden loopt het marktmechanisme tussen koper en verkoper vast.
Het zondebokmechanisme laat zien dat het tussen Pilatus en het Volk om een vergelijkbaar soort fenomeen gaat.
Om de aardse met de hemelse werkelijkheid te verbinden kan het kompaskwadrant worden gebruikt.

Uit de Bijbel blijkt wie God is. God schiep de hemel en de aarde. De hemel is de onzichtbare werkelijkheid. In de hemel daar woont God. Hemel duidt op het absolute van God. De hemel is boven ons, we leven op moeder aarde. De Heilige Geest is de geest van God. Bij de Heilige Geest is er geen verschil meer tussen de Vader en de Zoon. De Heilige Geest maakt ons meer mens. Het is het intuïtief waarnemen van totaliteit en samenhang. Bij het proces van verinnerlijking gaat het om de Geest der Waarheid. Jezus leert ons dit te verstaan als het werk van de Heilige Geest, die een diepte en samenhang toont welke te maken hebben met God en onze diepste levensbestemming. God staat voor wat absoluut transcendent en immanent is.

Volgens de predestinatieleer worden de levensomstandigheden van het individu als graadmeter geïnterpreteerd voor de mate van het uitverkoren zijn door God. Hoe groter iemands welvaart en economisch succes is, des te waarschijnlijker is het dat hij na zijn dood naar de hemel zal gaan. Terwijl de katholieken hun heil in het contemplatieve leven achter kloostermuren zagen, was het voor de aanhangers van Calvijn juist belangrijk om actief deel te nemen aan het economische leven. Op die manier heeft het calvinisme wezenlijk bijdragen tot de bloei van de Republiek in de zeventiende eeuw.

Neil Douglas-Klotz The Genesis Meditations (Theosophical Publishing House, Wheaton, 2003):
Vanuit de vruchtbare bodem van het Jodendom, Christendom en de Islam probeert Douglas-Klotz de ‘meditatie over de oorsprong’ weer nieuw leven in te blazen. Deze oude vorm van gebed/meditatie richt zich op de geweldige kracht van de schepping, die door hem niet gezien wordt als iets dat ooit in het verleden gebeurde, maar als iets dat zich nog ieder moment ontvouwt in het universum en in onze persoonlijke ervaring.
Douglas-Klotz heeft zijn boek verdeeld in twee delen: Het eerste deel onderzoekt de meditatie van Jezus en de vroege Joodse mystici. We lezen over de diverse scheppingsverhalen vanuit Joodse, christelijke en gnostische bronnen. Wij zien dan hoe de scheppingsverhalen beleefd worden en hoe zij doorgegeven werden in de Joodse Kabbalah, het islamitisch Soefisme en door christelijke mystici zoals Pelagius en Meister Eckhart.
Het tweede deel van het boek laat zien hoe dat kan: - een scheppingsverhaal uit het Midden-Oosten wordt in hedendaagse taal verteld, zoals dat door een verhalenverteller gebeurt. - een korte meditatie over verschillende punten van dit verhaal. - een korte interpretatie hiervan vanuit de oude talen. - meditatie – gebed – ademhalingen en lichaamsbewustzijn. - verschillende stemmen uit de oude heilige literatuur, die variaties op het thema van het scheppingsverhaal bieden. Op deze manier worden de voor westerse toehoorders of lezers objectieve verhalen mythen vol symbolische wijsheid, die beleefd kunnen worden als in het begin, nu en altijd.
Over de schrijver: Dr. Neil Douglas-Klotz is een internationaal bekend geleerde op het gebied van godsdienststudies en psychologie. Hij doceert op het ogenblik in Schotland en geeft tevens lezingen overal in de wereld. Hij is stichter van het Internationale Netwerk voor dansen van Universele Vrede en leraar van de Sufi Ruhaniat International. Vanuit deze beweging leidt hij vredesreizen naar Rusland, Oost Europa en het Midden Oosten.

Pelagius in discussie met Augustinus
Pelagius, een kluizenaar, naar gezegd wordt een Brit van geboorte, hield zich bezig met de menselijke morele verantwoordelijkheid enerzijds en Gods almacht anderzijds. Hij hamerde erop dat de mens een vrije wil heeft en dus kan kiezen tussen goed en kwaad. Pelagius ontkende dat de erfzonde Gods genade in Adams nakomelingen teniet had gedaan. De mensheid was dus in staat te doen wat goed is, zich uit eigen kracht te bekeren en haar eigen verlossing te bewerken. Met een geweldige inspanning is het in het aardse lichaam al mogelijk volmaakt te zijn op moreel gebied. Pelagius' geloof is op het eerste gezicht optimistisch, maar belast in de praktijk gewone stervelingen veel te zwaar, vond Augustinus. Belangrijker nog vond hij dat de visie van Pelagius niet duidelijk maakte waarom Christus moest sterven voor wie zijn zonden dan ook; als de mensen zichzelf kunnen verlossen, was de verzoening aan het kruis op zijn best een goed voorbeeld. De erfzonde heeft volgens Augustinus Gods genade uit de menselijke ziel doen verdwijnen, hoe rechtvaardig ze zich ook gedragen; hun goede daden zullen hen nooit acceptabel maken voor de oneindige heiligheid van God. De mensheid is een massa peccati, een berg zonden; de mens kan zichzelf net zomin met genade vullen als een leeg glas zichzelf kan vullen.
We hebben wel een vrije wil (liberum arbitrium) in de zin dat we zelf verantwoordelijk zijn voor ons gedrag, maar we hebben geen echte vrijheid (libertas); we zijn niet vrij van zonde, want zonde zit in elke keus die we doen. Alleen vanuit Gods soevereine keus om ons genade te schenken, wordt verlossing mogelijk.
Vooral op het aandringen van Augustinus is het Pelagianisme in 418 veroordeeld door het Concilie van Carthago.

Pelagianism is the belief that original sin did not taint human nature and that mortal will is still capable of choosing good or evil without special divine aid. This theological theory is named after the British monk Pelagius (354–420 or 440), although he denied, at least at some point in his life, many of the doctrines associated with his name. Pelagius taught that the human will, as created with its abilities by God, was sufficient to live a sinless life, although he believed that God's grace assisted every good work. Pelagianism has come to be identified with the view (whether agreed with by Pelagius or not) that human beings can earn salvation by their own efforts.

Ketterij door de eeuwen heen (Ina Belderis Sunrise jan/feb 1991):
Een ander belangrijk strijdpunt leidde tot verdere beschuldigingen tegen ketters: de leer van de erfzonde en de voorbeschikking. In de vierde eeuw verwierp Pelagius de voorbeschikkingsleer van Augustinus en wees hij iedere gedachte aan de zondeval van Adam en Eva af. Volgens Pelagius worden de fouten van de mens niet veroorzaakt door ingeboren slechte neigingen, maar door het vermogen om te kiezen. Wanneer men dit vermogen niet goed gebruikt, is men schuldig: zonde is een zaak van de wil. Pelagius verwierp de opvatting van Augustinus dat de mens was verdoemd tengevolge van de daden van Adam; hij beschouwde de dood als iets natuurlijks, niet als een straf. Het Pelagianisme werd in de zesde eeuw in de ban gedaan.

Door religie bij het huisvuil te zetten is daarmee niet automatisch ook het kwaad uit de wereld verdwenen. De aarde is wat het is, we zijn zodanig geschapen dat we ook geneigd zijn tot het kwade. De manicheeër Aurelius Augustinus heeft zich tot het christendom bekeerd en heeft met zijn erfzondeleer voor verwarring gezorgd. De Rooms-katholieke Kerk heeft zijn standpunt herzien. Overgenomen uit dit artikel Hoe vrij zijn wij onder Gods genade?:

Op verscheidene concilies heeft de Kerk dit extreme standpunt veroordeeld. Het concilie van Orange, in 529, veroordeelde de leer van de dubbele predestinatie: dat God zowel de rechtvaardigen als de verdoemden zou hebben voorbestemd. Dit concilie leert twee belangrijke dingen:

  1. Niemand kan God beminnen, in Hem geloven en het goede doen, indien God zelf hem daartoe de genade niet geeft: "Een mens kan zich niets toeëigenen, tenzij het hem vanuit de hemel gegeven is" (Joh. 3,27).
  2. Als iemand zondigt, dan is hij het zelf die dat doet; alles wat slecht is, komt louter en alleen van de mens. Doet hij iets goeds, dan is het Gods genade die het in hem bewerkt, maar zó dat het tegelijk ook menselijke wil is. Want de genade respecteert de menselijke vrijheid volkomen.

Augustinus maakte, ruim tweehonderd jaar na Irenaeus, niet Gods liefde, maar de zondigheid van de mens tot kern van de verzoeningsleer. Het concilie van Orange, in 529, rehabiliteert min of meer Irenaeus. Zijn hoofdwerk Ontmaskering en weerlegging van de valselijk zo genaamde gnosis (gewoonlijk geciteerd onder de Latijnse titel Adversus haereses) geeft inhoud en strekking van de toenmaals bloeiende gnostieke stelsels op objectieve wijze weer, zoals opnieuw gebleken is uit de vondst van gnostieke geschriften te Nag Hammadi in Egypte.

I. Kerkvader Irenaeus en het Evangelie van Judas
Het eerste moment ligt ergens tussen de jaren 180-185 na Christus. Dan schrijft Irenaeus, een man afkomstig uit Klein-Azië (het huidige Turkije) en enkele jaren daarvoor bisschop geworden van de christelijke gemeente te Lyon in Zuid-Frankrijk, een werk tegen de ketters. Van deze dwaalgeesten en afvalligen weet Irenaeus vele soorten en namen op te noemen. Speciaal richt hij zich tegen personen en groeperingen die aanhangers zijn van `de zogenaamde kennis'.
Voor `kennis' schrijft Irenaeus in het Grieks, de taal waarvan hij zich ook bij de Keltische christenen in Gallië kan blijven bedienen, het woord `gnosis'. Voluit draagt zijn omvangrijke werk in vijf boeken de titel 'Ontmaskering en weerlegging van de valselijk zogenoemde Gnosis'. Meestal duiden we het aan met de korte titel Tegen de ketterijen ofwel Adversus Haereses, naar de Latijnse vertaling waarin het in zijn geheel voor het nageslacht werd bewaard.

Het kompaskwadrant belicht de 5e dimensie, de quintessens van het aardse ruimte/tijd-continuüm. Het is mogelijk de predestinatieleer aan de hand van het kompaskwadrant toe te lichten.

Kompaskwadrant:  Christendom:
MonadeLemniscaatEeuwige verandering(en)BijbelVrede
Duade (Synthese)Verticale asDerde weg'Predestinatie'‘Wat gij niet wilt’
Triade (Antithese)Kwalitatieve as (+/-)Tegendelen vormen eenheidVerlossingKwaad met Goed vergelden
Tetrade (These)Kwantitatieve as (+/-)TegenstellingenZondevalOnvrede, Onbehagen, Kwaad met Kwaad vergelden

Palmyre Domen Wetenschap en geloof: een schitterend contrast:
Met gevoel voor ironie laat John Brooke (Engels historicus die de geschiedenis van religie en science beschrijft) zien hoe de twee kampen elkaar bevechten, waarbij bepaalde feiten dan weer voor en dan weer tegen het geloof gebruikt worden. Vindingen van de natuurwetenschap leidden bijvoorbeeld tot de atheïstische conclusie: "gelovigen dachten tot op heden dat God nodig was voor de correctie van de planetenbanen in het zonnestelsel, maar wij weten nu beter, dit is namelijk vanuit de natuur zélf te verklaren" (Pierre Laplace 1749-1827). En na enige tijd als reactie daarop van de kant van de gelovigen: "dat er een mechanisme in de natuur bestaat voor zelfcorrectie bijvoorbeeld wijst toch juist op de grote wijsheid van de schepper" (William Whewell 1839). En zo lijkt het conflict bezworen. Om dan dan enige tijd weer op een ander punt en indringender de kop op te steken.
Asymmetrische verhouding
Van groot belang is het om die dia-loog eens vanuit de twee gesprekspartners te bekijken. Dat levert namelijk een zeer ander zicht op, omdat de relatie van geloof/theologie en natuurwetenschap wezenlijk asymmetrisch is.
Als theologen de relatie van God tot mens en wereld willen verhelderen, zullen ze daar het beste weten omtrent die wereld in moeten betrekken. Dus heeft de theologie (althans dat zou ze moeten hebben) een intrinsiek belang bij de natuurwetenschappen (en zo ook bij de mens- en maatschappijwetenschappen overigens). Maar vanuit de natuurwetenschap bezien is er niet een dergelijke in de eigen wetenschap verankerde relatie met de theologie. De natuurwetenschap ais zodanig heeft geen intrinsiek belang bij de theologie (heeft veeleer een belang zich daaruit te emanciperen). Onderzoek naar fundamentele eigenschappen van de materie of naar hersenfuncties kan prima zonder theologie, of beter: moet zonder theologie, zonder God in het verhaal. Vandaar dat ik dat ik de asymmetrie in de relatie tussen theologie en natuurwetenschap beklemtoon.
(En toch ... is er ook vanuit de natuurwetenschappen op een bepaalde manier een intieme relatie -al wordt die zelden expliciet benoemde: historisch hebben bepaalde religieuze opvattingen de wetenschappelijke activiteit sterk gestimuleerd. Bijvoorbeeld de theologische opvatting van de natuur als geschapen door God, verschafte de grond voor het wetenschappelijk uitgangspunt dat er een orde te vinden moest zijn in de veelheid van verschijnselen.)
Ik heb in het begin gezegd: of je theologie nu precies wetenschap mag noemen vind ik een minder interessante vraag. Wel interessant is echter dat theologie een belangrijke trek gemeen heeft met (andere) wetenschap: in zekere zin is ook theologie namelijk een hypothetische onderneming. De theologie poogt geloofsinhouden en -ervaringen te verhelderen, te interpreteren, te duiden. Theologie is dus ten diepste een hermeneutische bezigheid. Zo'n interpretatie nu kun je vanuit de wetenschapstheorie zien als een vorm van hypothese. De interpretatie is dus een hypothese, die dan ook niet de status van eeuwige waarheid heeft.
Ik heb hier sterk de asymmetrie benadrukt: theologie heeft de andere wetenschappen nodig, andersom niet.

In het rapport ‘E i V’ wordt er van uitgegaan dat het ‘onbewust absoluut bewustzijn’ een synoniem is voor non-lokaal bewustzijn.
Het zelfbewustzijn en het non-lokale bewustzijn zijn net als het persoonlijk bewustzijn en het Christusbewustzijn complementair.

====

Middenweg (Hoofdroute, Goed en Kwaad, Leraar en leerling, Levensboom, Individualiteit)

Kolossenzen 1
15 Beeld van God, de onzichtbare, is hij,
eerstgeborene van heel de schepping:
16 in hem is alles geschapen,
alles in de hemel en alles op aarde,
het zichtbare en het onzichtbare,
vorsten en heersers, machten en krachten,
alles is door hem en voor hem geschapen.
17 Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem.
1 Koningen 16:34
In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.
Gulden regel: Wat gij wilt dat u geschiedt doe dat de ander.
Confucius: Doe nooit anderen aan wat je niet zou willen dat ze jou aan zouden doen.
Matteüs: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt; want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden (7:1).
Mattheüs:
Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun aldus: want dit is de wet en de profeten (7:7-12).
En gij zult uw naaste liefhebben als uzelf (22:34-40).
Matteüs:
Waar twee of drie verenigd zijn in mijn naam, ben Ik in hun midden (18,20).
Mattheüs
U zult de Here, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. (22:37)
Johannes: Gij in Mij en Ik in u (14:20).
Johannes 10:30 Ik en mijn Vader zijn één.
Krishna B.G. 11.32: - De Allerhoogste Heer zei: "De Tijd ben Ik, de grote vernietiger der werelden hier bezig met de vernietiging van alle mensen, behalve jullie (broeders) alleen, zullen alle soldaten die aan beide zijden staan opgesteld, hun einde vinden".
Madame Blavatsky over de studie van de Theosofie:
Wat je ook in De Geheime Leer wilt bestuderen , houd steeds de volgende denkbeelden voor ogen, die de basis moeten zijn van je ideeën-vorming:
(d) Het vierde en laatste basis-idee dat je moet vasthouden is dat wat uitgedrukt wordt in het grote Hermetische axioma. Het somt alle anderen op en vat ze samen:
Zo binnen, zo buiten
zo groot, zo klein
zo boven, zo beneden
er is slechts één Leven en Wet
en de besturende Kracht is één
Er is geen binnen, geen buiten
geen groot, geen klein
geen hoog, geen laag
in het goddelijk bestel
Rabindranath Tagore: Eindeloos hebt Gij mij gemaakt naar Uw behagen. Dit broze vat ledigt Gij weer en weer, en vult het telkens met vers leven.
Over heuvelen en dalen hebt Gij dit rieten fluitje gedragen en er eeuwiglijk nieuwe melodieën door geblazen.
(Hij was bovendien de eerste Indiase winnaar van een Nobelprijs.)
De spiegel van de ziel kan niet tegelijk de aarde en de hemel weerkaatsen; de één verdwijnt van zijn oppervlak wanneer de ander erin wordt weerspiegeld. (Edward Bulwer-Lytton Zanoni boek 4, hfst. 9)
Carl Jung boek Aion: Vroeg of laat zullen de kernfysica en de psychologie van het onbewuste elkaar naderen als ze allebei, onafhankelijk van elkaar en vanuit tegenovergestelde richtingen, vooruitstoten naar het gebied van het buitenzintuiglijke.
Gerard Reve: God is oorspronkelijk een Eendenei geweest. Men heeft verzuimd Hem 10 minuten te koken; daarmee is alle ellende begonnen.
Stelling: Zonder de Kwintessens in het debat te betrekken is het oplossen van wereldvraagstukken niet mogelijk. De Kwintessens, wordt met behulp van de verborgen 5e Dimensie ('verborgen pad') van Roberto Assigioli en Enantiodromie van Carl Jung tot uitdrukking gebracht. De verborgen 5e Dimensie en de Enantiodromie zorgen voor het herstellen van het balansmechanisme.

Zowel meditatie als kunst maken het mogelijk met de waarheid, het Hogere Zelf, of godsvonk in verbinding te komen. Jiddhu Krishnamurte zegt:
Er bestaat geen pad naar de waarheid.
''Je moet je eigen leraar en je eigen leerling zijn''.

Christos – (H.P. Blavatsky Theosofia december 2001 p. 221-223):
‘Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?’ * vroegen de discipelen aan de MEESTER, op de Olijfberg.
Het antwoord, gegeven door de ‘Man van Smarten’, de
Chrestos, op zijn proces, maar ook op zijn weg naar triomf, als Christos, of Christus, + is profetisch, en heel suggestief. Het is feitelijk een waarschuwing.
222: Hij die streeft naar de opwekking van de Geest die in hem gekruisigd is door zijn eigen aardse hartstochten, en diep in de ‘grafkelder’ van zijn zondige vlees begraven ligt; hij die de kracht heeft om de steen der materie weg te rollen van de deur van zijn eigen innerlijk heiligdom, die heeft de opgestane Christus in zich. * De ‘Zoon des mensen’ is geen kind van de gebonden vrouw – vlees, maar waarlijk van de vrije vrouw – Geest, + het kind van de eigen daden van de mens, en de vrucht van zijn eigen geestelijke arbeid.
Theosofen – tenminste, een aantal van hen – die de
verborgen betekenis begrijpen van de universeel verwachte Avatars, Heilanden en Christussen – weten dat het niet het ‘einde van de wereld’ is, maar ‘de voltooiing van het tijdsgewricht’, d.w.z. het einde van een cyclus, dat nu snel nadert. #
De Adepten, die leefden en stierven voor de mensheid, hebben bestaan in vele en in alle tijdperken, en er waren vele goede en heilige mensen in de oudheid die de achternaam of titel van Chrestos droegen vóór Jezus van Nazareth, of ook wel Jezus (of Jehoshua) Ben Pandira geboren werd.* Daarom mag men met reden concluderen dat Jezus, of Jehoshua, leek op Socrates, op Phocianus, op Theodorus en zo vele anderen met de achternaam Chrestos, d.w.z. de “goede, de uitmuntende”, de vriendelijke en de heilige Ingewijde, die de ‘Weg’ wees naar de Christos toestand, en aldus zelf ‘de Weg’ werd in de harten van zijn enthousiaste bewonderaars.
Noten (p. 222,223)
*) Mattheüs xxiv., et seq. De cursief gedrukte zinnen zijn die, welke gecorrigeerd zijn in het Nieuwe Testament na de recente revisie in 1881 van de versie uit 1611; welke versie vol staat met vergissingen, al dan niet gewild. Dit en de rest van deze voetnoot heeft betrekking op de Engelse tekst.
+ Hij die niet wil nadenken over en het grote verschil wil leren inzien tussen de betekenis van de twee Griekse woorden –
chrestos en christos, moet voor altijd onkundig blijven van de ware esoterische betekenis van de Evangeliën; dat wil zeggen, van de levende Geest die begraven ligt in de steriele dode letter van de teksten, dezelfde Dode Zee vrucht van met de mond beleden Christendom.
+Geest, of de Heilige Geest, was vrouwelijk bij de Joden, zoals bij de meeste aloude volkeren, en zo ook bij de vroege Christenen. Sophia bij de Gnostici, en de derde Sephiroth Binah (de vrouwelijke Jehova van de Kabbalisten), zijn vrouwelijke principes – “Goddelijke Geest”, of Ruach. “Achath Ruach Elohim Chiim.” “Een is Zij, de
Geest van Elohim van het Leven”, wordt gezegd in “Sepher Yezirah”.
# Er zijn verschillende merkwaardige cycli die tot een einde komen aan het einde van deze eeuw. Ten eerste, de 5.000 jaar van de Kaliyuga cyclus; dan de Messiaanse cyclus van de Samaritaanse (ook Kabbalistische) Joden van de man verbonden met Pisces (Ichthys of “Vis-man” Dag). Het is een cyclus, historisch en niet erg lang, maar heel occult, die ongeveer 2.155 zonnejaren duurt, maar die alleen een ware betekenis heeft wanneer hij door maanmaanden wordt geteld. Het gebeurde in 2410 en 255 v.Chr., of toen de equinox het teken Ram inging, en ook weer toen het Pisces inging. Wanneer het over een paar jaar het teken Aquarius ingaat, krijgen de psychologen het druk, en dan zullen de psychologische eigenaardigheden van de mensheid een grote verandering ondergaan.
* Verscheidene klassieken getuigen van dit feit. In Phaedr. p. 226 E, staat geschreven, ‘U bedoelt Theodorus de Chrestos’. Plutarchus zegt hetzelfde; en “chrestos” is de eigen (behoorlijke) naam van een orator en discipel van Herodes Atticus.

Ook voor presidentengeldt de wet (Rob Vreeken, Marjolein Van De Water, Jeroen Visser en Mark Schenkel Volkskrant 7 april 2018 p. 7):
Rechtszaken in Brazilië, Zuid-Afrika en Zuid-Korea tonen de worsteling van jonge democratieën. Waar hun leiders hongerden naar geld, blijken politiek en samenleving te beschikken over zelfreinigend vermogen.

'Shinto gaat er vanuit dat het leven prachtig is' (Marjon Bolwijn Volkskrant Magazine 2 december 2017 p. 10-14):
Je woning schoonmaken is een vrijwel dagelijks ritueel dat niet gemakzuchtig wordt uitbesteed aan een werkster, maar een klus die je zelf hoort te doen. Want wie schoonmaakt, reinigt ook zijn geest. Volgens het shintoïsme heeft alles een ziel. Dat is ook terug te vinden in het werk van de Japanse bestsellerauteur Haruki Marukami, die van een windvlaag een personage maakt.
Zijn naam is Paul de Leeuw en hij is shinto-meester in Amsterdam, een baken voor Japanners in Europa. Nederlanders beginnen de Japanse levensfilosofie ook te ontdekken. 'Dweil de vloer. Zo simpel is het. Maar eenvoud is al moeilijk genoeg.'
De moeilijkste vraag die je Paul de Leeuw kunt stellen, is wat shinto precies is.
'Ik hou het op een filosofie waarbij de mens in harmonie leeft met de natuur. Waarbij je je bewust bent van de zuivere, onzichtbare kracht van de natuur.
Is het shintoïsme net als het boeddhisme in trek bij westerlingen op zoek naar spiritualiteit?
Het boeddhisme heeft veel meer raakvlakken met de christelijke religie waarmee westerlingen vertrouwd zijn. Het heeft een duidelijke leer, een verlossingsleer die je uit een tranendal bevrijdt en waarbij Boeddha je de weg wijst.
Shinto gaat er vanuit dat het leven zelf prachtig is, iets om te vieren. Er is geen zondebesef, geen hiernamaals waarin je beloond of bestraft wordt. Bij shinto moet je in beweging komen.' Lachend: 'De vloer dweilen. Zo simpel is het. Maar eenvoud is al moeilijk genoeg.'
Hoe raakte u, ooit mede-oprichter van de fameuze theatergroep Dogtroep, verzeild in Japan om als eerste niet-Japanner opgeleid te worden tot shintomeester?
De Leeuw wilde meer weten van de filosofie achter die shinto-oefeningen en schreef een brief aan de in Japan bekende shintomeester Motohisa Yamakage. Pas een half jaar later kwam een reactie. Yamakage schreef dat hij zijn vragen niet kon beantwoorden. Wel was hij welkom bij de opleiding tot shinto-meester in Japan. Alleen zo zou hij het shintoïsme leren doorgronden: met een opleiding van honderd dagen in de koudste periode van het jaar. Elke dag, zo schreef Yamakage, sta je om zes uur op om naar de Grote Oceaan te gaan voor een reinigingsritueel: tien minuten tot aan je kin in het ijskoude zeewater staan. 'Weet waar je aan begint. De opleiding tussentijds afbreken is niet toegestaan', schreef de Japanse meester.
Hoe kreeg u in Japan vat op het woordloze mysterie van het shintoïsme?
Ik was doodzenuwachtig. Ik was de eerste niet-Japanner die deelnam aan de ceremonie, er waren honderden mensen bij aanwezig. Maar de angst verdween snel, de handeling verrichtte ik moeiteloos. Er gebeurde iets bijzonders: er ontstond een geïsoleerd moment van een sterk bewustzijn, een ruimtelijke beleving waarin
verleden, heden en toekomst samenkwamen. Een moment van tijdloosheid, waarin je voelt dat je onderdeel bent van een groot geheel. Na afloop van de ceremonie voelde ik me schoon. Alle rituelen en ceremonies van shinto staan in het teken van reiniging. Reiniging van de geest brengt je in contact met de energie van de natuur, met het grote geheel waarvan de mens deel uitmaakt.
Japanse bedrijven zijn bekend of berucht vanwege hun ongekend sterke arbeidsethos, waardoor jaarlijks een paar honderd werknemers zich letterlijk dood werken of ten einde raad van een flat springen. Hoe shinto is dat?
'
Het arbeidsethos in Japan is veel te ver doorgeslagen. Het is gebruik om eerder dan je baas op je werk te zijn en pas te vertrekken als hij weg is. Werkweken van 70 uur zijn normaal. Veel Japanners durven geen vakantiedagen op te nemen omdat ze niet de indruk willen wekken niet loyaal te zijn aan het bedrijf. Dat heeft niets met shinto te maken. Dat is eerder de invloed van het uit China overgewaaide confucianisme, waarin jezelf opofferen voor een hoger doel centraal staat en loyaliteit aan de groep boven het eigenbelang gaat. De jonge generatie Japanners is afgedreven van shinto. Dat heeft te maken met de manier waarop het militaire bewind voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog van het shintoïsme een staatsreligie maakte.

Het Boddhisattva Pad (Bhupendra R. Vora Theosofia september 2014 p. 118):
De sleutel tot de Theosofie definieert liefdadigheid als ‘persoonlijke inspanning voor anderen; persoonlijke genade en vriendelijkheid; persoonlijke belangstelling voor het welzijn van hen die lijden; persoonlijke sympathie, voorzorg en hulp bij hun problemen of noden.’
Dit zijn de deugden van een Bodhisattva.
121: Het Bodhizaad van de Bodhisattva wordt gevoed en gedrenkt door mededogende en liefhebbende daden, totdat het tot bloei komt in Bodhichitta, of het hart van wijsheid. Een soortgelijk zaad als dat van een Bodhisattva bestaat in ieder mens, aangezien iedereen deel uitmaakt van het Universele Bewustzijn, dat inherent mededogend is; maar alleen vanwege onwetendheid en onvolmaaktheid in de liefde wordt de glorie van het Bodhihart nog niet volledig manifest. Door zelfloos leven en liefdevolle daden die leven na leven verricht worden, het pad volgend van vele verlichte wezens, bereikt de aspirant die staat van volmaking en mededogen, die eigen is aan de grote ingewijden op het Pad.
121,122: In De Mahatma Brieven staat een intrigerende verwijzing van de Adept die bekend is als Mahatma M., over het zich terugtrekken van Mahatma KH., om hem voor te bereiden voor een hogere inwijding die hem verder zou brengen op het pad van
Bodhisattvaschap. Het is interessant om de verklaring te zien van Mahatma M. over de oude toren in wiens boezem generaties Bodhisattva’s opgegroeid zijn. De locatie van de Toren is een mysterie, net als het soort van voorbereiding waar de Mahatma mee bezig was, die diende te leiden tot het tot bloei komen van de Bodhichitta, tot volheid van wijsheid en onbegrensde liefde voor de gehele mensheid. Er wordt gezegd dat hij zich aan het voorbereiden was voor zijn hogere initiatie, die hem klaar zou maken voor zijn toekomstige werk als Leraar der mensen.

H.P. Blavatsky De SLEUTEL tot de THEOSOFIE Is bidden noodzakelijk? (p. 63):
Wij noemen onze ”Vader in de hemel” die goddelijke essentie waarmee wij innerlijk, in ons hart en geestelijk bewustzijn, bekend zijn en die niets te maken heeft met de antropomorfistische opvatting die wij er ons misschien van vormen in ons stoffelijk brein of de verbeelding; ”Weet gij niet dat gij de tempel Gods zijt en dat de geest van (de absolute) God in u woont?”*
Woordenlijst (p. 331):
In plaats van zelfzuchtige gelukzaligheid in te gaan, kiest hij een leven van zelfopoffering, welk bestaan pas met de levenscyclus eindigt, om zo de mensheid op niet zichtbare, maar uiterst effectieve manier te kunnen helpen. (
Zie ”Stem van de Stilte”, derde fragment, ”De Zeven Portalen”.) Een nirmanakaya is dus niet, zoals men algemeen gelooft, het lichaam ”waarin een boeddha of een bodhisattva op aarde verschijnt”, maar in werkelijkheid iemand die, of hij nu tijdens het leven een chutuktu of een khubilkhan, een adept of een yogi was, daarna lid is geworden van die onzichtbare schare die altijd de mensheid binnen karmische grenzen beschermt en over haar waakt. Een nirmanakaya, vaak ten onrechte aangezien voor een ”geest”, een deva, God zelf, enz., is altijd een wakende, mededogende, beschermende engel voor hem die zijn hulp waardig is. Welke tegenwerping er tegen deze leer ook mag worden ingebracht, hoezeer ze ook wordt ontkend, omdat ze inderdaad tot nu toe in Europa nooit openbaar is gemaakt en omdat ze aan de oriëntalisten onbekend is en dus een ”mythe van moderne vinding” moet zijn — toch zal wel niemand durven zeggen dat die gedachte, de lijdende mensheid te helpen, wat een vrijwel oneindige zelfopoffering kost, niet een van de verhevenste en edelste is die ooit uit het menselijk brein voortkwam.
332: De geleerde sinoloog, Eitel, legt het aldus uit: ”De algemene exoterische stelsels stemmen overeen in de negatieve omschrijving van nirvana als een toestand van volstrekte bevrijding van de kringloop van transmigratie; als een toestand waarin men volkomen vrij is van alle bestaansvormen, om te beginnen vrij van alle begeerten en inspanningen; een toestand die uitgaat boven alle zintuiglijke gewaarwording” — en hij had eraan kunnen toevoegen ”de dood van alle mededogen met de lijdende wereld”. Daarom staan de bodhisattva’s, die het kleed van de nirmanakaya verkiezen boven dat van de dharmakaya, hoger in de algemene achting dan de nirvani’s”. Maar dezelfde geleerde voegt eraan toe: ”Zij omschrijven nirvana positief (en esoterisch) als de hoogste toestand van geestelijk geluk, als absolute onsterfelijkheid, door het opgaan van de ziel (liever geest) in zichzelf, maar met behoud van de individualiteit'', zodat bijvoorbeeld boeddha’s weer op aarde kunnen verschijnen na nirvana te zijn ingegaan — d.w.z. in de toekomstige manvantara.”

H.P. Blavatsky boek De stem van de stilte
Fragment III De Zeven Poorten
50: Zie, gelukkige pelgrim! De poort waar u vóór staat is hoog en breed; en lijkt gemakkelijk te passeren. De weg die er doorheen leidt is recht, effen en groen. Hij lijkt op een zonnige, open plek in de donkere diepten van het bos, een afspiegeling op aarde van het paradijs van Amitabha. Daar zingen hoog in het lover nachtegalen van hoop en schitterend gevederde vogels, en wensen de onbevreesde pelgrims succes. Ze bezingen de vijf deugden van de bodhisattva’s, de vijfvoudige bron van de kracht van bodhi, en de zeven stadia van kennis.
62: Weet, overwinnaar van uw zonden, als een sowani23 eenmaal het zevende pad heeft afgelegd, trilt de hele natuur van vreugdevol ontzag en voelt zich onderworpen. De zilveren ster flonkert het nieuws uit aan de nachtbloesems, het stroompje vertelt het verhaal al bruisend aan de kiezels; de donkere oceaangolven zullen het toebrullen aan de rotsen in de branding; de met geuren beladen wind zingt het toe aan de dalen en statige pijnbomen fluisteren geheimzinnig: ‘Een meester is opgestaan, een meester van de dag.’24
23) Sowani is iemand die sowan, het eerste pad in dhyana, beoefent, een srotapanna. [Zie ook blz. 66vn.]
24) ‘Dag’ betekent hier een heel manvantara, een tijdperk van onberekenbaar lange duur.
65:Gedoemd door uzelf om gedurende toekomstige kalpa’s* te leven zonder door de mensen te worden bedankt of opgemerkt; als een steen ingeklemd tussen ontelbare andere stenen die de ‘beschermmuur’28 vormen, zó is uw toekomst als u door de zevende poort gaat. Gebouwd door de handen van vele meesters van mededogen, opgetrokken door hun martelgang en met hun bloed gemetseld, behoedt deze muur de mensheid sinds de mens mens is, beschermt haar tegen nog meer en veel grotere ellende en verdriet.
28) De ‘beschermmuur’ of de ‘beschuttingsmuur’. Er wordt geleerd dat de verenigde pogingen van vele generaties van yogi’s, heiligen en adepten en vooral die van de nirmanakaya’s als het ware een muur van bescherming rond de mensheid hebben gevormd, die haar onzichtbaar voor nog grotere rampen behoedt.
66: Kalm en onbewogen schrijdt de pelgrim voort, omhoog langs de stroom die naar nirvana leidt. Hij weet dat hoe meer zijn voeten zullen bloeden, hoe meer hij zal worden gelouterd. Hij weet zeker dat na zeven korte en snel voorbijgaande levens nirvana hem ten deel zal vallen. . . .
68: Ja, op het arya-pad bent u niet langer een srotapanna, u bent een
bodhisattva33. De stroom is overgestoken. Het is waar dat u recht heeft op het dharmakaya-kleed, maar een sambhogakaya is groter dan een nirvani en nog groter is een nirmanakaya – de boeddha van mededogen34.
33) Een
bodhisattva staat minder hoog in de hiërarchie dan een ‘volmaakte boeddha’. In exoterisch spraakgebruik worden de twee heel vaak verward. Toch heeft het intuïtieve inzicht van het volk een bodhisattva op grond van zijn zelfopoffering op een hogere trap van verering geplaatst dan een boeddha.
34) De titel ‘boeddha’s van mededogen’ wordt door het volk met eenzelfde eerbied gegeven aan
bodhisattva’s die, nadat ze de rang van arhat hebben verworven (dat wil zeggen, het vierde of zevende pad tot het einde zijn gegaan), weigeren nirvana in te gaan of ‘zich met het kleed van dharmakaya te tooien en naar de andere oever over te steken’, omdat het dan niet meer in hun macht zou liggen de mensen zelfs maar een klein beetje te helpen, voor zover karma dat toelaat. Ze blijven liever onzichtbaar (in de geest, om zo te zeggen) in de wereld om een bijdrage te leveren aan de verlossing van de mensen door hun aan te sporen de goede wet te volgen, dat wil zeggen, hen naar het pad van rechtvaardigheid te leiden. Het behoort tot het exoterische noordelijke boeddhisme al zulke grote figuren als heiligen te vereren en zelfs gebeden tot hen te richten, zoals de Grieken en de katholieken die richten tot hun heiligen en schutspatronen; deze gedragslijn vindt in de esoterische leringen echter geen steun. De twee leringen verschillen enorm. De exoterische leek kent nauwelijks de werkelijke betekenis van het woord nirmanakaya. Vandaar de verwarring en de onvoldoende verklaringen van de oriëntalisten. Bijvoorbeeld Schlagintweit gelooft dat het nirmanakaya-lichaam de fysieke vorm betekent, aangenomen door de boeddha’s wanneer ze op aarde incarneren – ‘de minst verhevene van hun aardse belemmeringen’ (zie Buddhism in Tibet) – en vervolgens geeft hij een volkomen onjuiste visie op het onderwerp.
U zult het zevende stadium bereiken en de poort van uiteindelijke kennis doorgaan, maar slechts om u met lijden te verbinden – als u een Tathagata wilt zijn en in de voetstappen van uw voorganger wilt treden, blijf dan onzelfzuchtig tot het eindeloze einde.

Schrijvers als Willem Frederik Hermans en Gerard Reve beogen op een ludieke manier valse leraren in de Rooms-katholieke Kerk te ontmaskeren.

Blavatsky: "Als je denkt dat je uit De Geheime Leer een bevredigend beeld van de samenstelling van het universum kunt krijgen, dan zal deze studie je alleen maar verwarren. Het boek is niet bedoeld om zo'n definitieve uitspraak te doen over het bestaan, maar om je in de richting van de Waarheid te leiden".
De oplossing van de unificatietheorie wordt niet gevonden in het elementaire deeltje maar in de ruimte die de elementaire deeltjes van elkaar scheidt.
Deze stelling is gebaseerd op De Geheime Leer, Deel I p. 563: ‘De kracht is daarom niet in het atoom maar in de ruimte die de atomen van elkaar scheidt (neutrale centrum, eros = fohat). Evolutie vindt door emanatie plaats. In supersymmetrie heeft ieder elementair deeltje een zogenaamde supersymmetrische partner. De elektrische spanning tussen twee polen bestaat echt. De i t/m xii experimenteel (min of meer) bewezen effecten van de werkzaamheid van de ether, vormen de materiële tegenhanger van de vijf eigenschappen, de verborgen 5e Dimensie van het bewustzijn.

Voetnoot Strafexpeditie of Doet Griekenland vrijwillig aan masochisme? (Arnon Grunberg Volkskrant 17 juli 2015):
Ruwweg zijn dit de twee posities aangaande Griekenland: Griekenland is ziek en heeft zo weinig inzicht in de eigen ziekte dat dwangverpleging de enige uitweg is.
De andere positie: die dwangverpleging is een strafexpeditie.
Griekenland kent inderdaad allerlei problemen, zo is in vergelijking met andere landen in de eurozone het verschil tussen de belasting die zou kunnen worden geïnd en de belasting die daadwerkelijk wordt geïnd groot. Deze problemen verdwijnen echter niet door Griekenland te dwingen al zijn schulden af te betalen. Zelfs het IMF, niet bepaald een revolutionaire organisatie, stelt dat kwijtschelding de enige manier is om Griekenland uit het moeras te trekken.
Dat Dijsselbloem de strafexpeditie 'perspectief bieden' noemt, weerspiegelt de dynamiek van het sadomasochisme. Elk pak slaag biedt de masochist meer perspectief, maar doet Griekenland vrijwillig aan masochisme? Of is de sadist zo narcistisch te denken dat al zijn slaafjes zijn sadisme lekker en gezond vinden?

Arnon Grunberg bespreekt in de Volkskrant van 31 december 2010 De grote Drie - Succes is een vijand (Boeken p. 5) en Peter van Giesen De klokkenluiders grijpen de macht (het Vervolg p. 5). Arnon Grundberg bespreekt van Gerard Reve De ondergang van de familie Boslowits, van Frederik Hermans De donkere kamer van Damokles respectievelijk De tranen der acacia’s en van Harry Mulisch De zaak 40/61.
‘In hoeverre is de afbeelding van gruwel de oorzaak van gruwel?’ vraagt Mulisch, een eeuwig actuele vraag. Over Mulisch schrijft Grunberg: We willen de volksschrijver wel uitzwaaien op zijn begrafenis, maar we wensen bij voorkeur niet na te denken over zijn werk.

Snaartheoretische fantasie
Het is frappant dat in 'De compositie van de wereld' onze eigenste Harry een Groot Punt maakt van:
- de betekenis van de ontdekking van de relatie tussen snaarlengte en toonhoogte door Pythagoras, zijnde de allereerste ontdekking, de oervondst, inzake het verband tussen de tastbare wereld en de wereld van de wiskunde (de getallen). Mulisch zal wel natte dromen hebben[*] van de snaartheorie als eindstadium van de ontwikkeling die in gang is gezet door Pythagoras, die overigens ook met de (cultus van) de mythische Orpheus in verband wordt gebracht. En: "Pythagoras was one of the first to speculate that human life begins with a blend of male and female fluids" en "Pythagoras allowed women to function on equal terms in his society".

Wim Brands VPRO boeken 26 jul 2015:
Sander Bax, universitair docent literatuurwetenschap en cultuurgeschiedenis, vertelt over zijn nieuwste boek 'De Mulisch Mythe'. Er zijn weinig schrijvers die zo zeer tot een mythe zijn geworden als Harry Mulisch. Voor de een is hij de onuitstaanbare, arrogante schrijver die het liefst over het Leidseplein paradeerde, voor de ander is hij de laatste grote intellectuele auteur die Nederland gekend heeft. 'De Mulisch Mythe' vertelt het verhaal van een fenomenaal schrijverschap en van de publieke figuur Harry Mulisch: hoe hij uitgroeide van een jonge debutant uit Haarlem tot een groot Europees schrijver.
Te gast is historicus en schrijver Willem Otterspeer, over het tweede deel van zijn biografie over Willem Frederik Hermans: 'De Mislukkingskunstenaar'. Hoewel hij zei weinig fiducie te hebben in de biografie, besefte W.F. Hermans heel goed dat ook zijn eigen leven onderwerp zou worden van studie. Mede daarom legde hij een immens archief aan, waarin hij alles bewaarde over wat hij schreef, las, zag en meemaakte. Biograaf Willem Otterspeer heeft zich door dat archief heen gewerkt om het leven van de grote romanschrijver te reconstrueren. De biografie die daar uit voort kwam biedt een nieuwe en belangwekkende visie op de schrijver, een schrijver die gevangen zat in zijn eigen ambitie om 'alles' tot stand te brengen, een schrijver die gedoemd was onder die ambitie te bezwijken, een schrijver voor wie de mislukking het belangrijkste motief van zijn leven en werken werd.

Pieter Kooistra: De verbindende mens - Liefde en geest in de economie door bewustwording (p. 33-39):
De gespletenheid in de ziel van mens en mensheid blijft daardoor voortbestaan en daarmee ook de ongelijkheid in kansen en behandeling van mensen overal ter wereld. Want het proces in de mens vindt door alle tijden heen zijn weerspiegeling in de maatschappij en in de concrete verhoudingen tussen mannen en vrouwen, zowel binnen als buiten de intieme relatie.
Eenheid van voelen en denken is ervaring van de geest, van de godsvonk in jezelf, in de medemensen en in de wereld. Je ik heeft nu zijn ware bestemming gevonden en is voortaan begeleider van de bewuste en onbewuste aspecten in de ziel naar een toestand van het bovenbewuste, het geestelijk zijn.
Het merkwaardige is dat dit onevenwichtige schommelen van het ik tussen meer- en minderwaardigheidsgevoel ophoudt als je deze beide loslaat. Dan kom je als 't ware in je eigen 'midden' terecht en kun je in de ruimte tussen de tegendelen jezelf bekijken, zoals je bent als 'waarnemer', die tot twee werelden behoort, die van het ik en die van het wij, van de materie en van de geest, van het mannelijke en van het vrouwelijke.

De negatieve as van het kernkwadrant toont de schaduw (asymmetrie) van de persona. Het maskerkwadrant brengt als het ware de asymmetrie van de asymmetrie in beeld. De persoon wordt in een dergelijke situatie volgens Ofman een gespleten persoon die een dubbelleven gaat leiden. Het façadegedrag verstoort het natuurlijke evenwicht, het is tegennatuurlijk. De symbolische orde wordt door de diabolische uitzichtloze wereld vervangen waaruit ontsnappen onmogelijk lijkt. Genezing is echter mogelijk wanneer de blokkade van de creatieve energie wordt opgeheven.

Bij schizofreniepatiënten (gespleten persoonlijkheid) is van verminderde connectiviteit sprake (zie ook: Biologische en Kunstmatige neurale netwerken, Connectionism vs. Computationalism debate, Artificial neural network, Cellular neural network en Langetermijngeheugen (neurale basis)).

René Meijer boek De Ether Bestaat Sectie III, Index van namen en begrippen (p. 197):
Schizoîdie (gespletenheid): de mentale staat van de innerlijke verdeeldheid. Het wordt beschouwd als de staat die voorafgaat aan de psychotische ontsporing waarin het individu uitloopt op een chaos van zelfreflectie. Eveneens gebruikt voor de moderne samenleving in oppositie tegen de natuur en zichzelf, bij tijden belandend in de chaos van oorlogvoering. Materialisme, met het ego van oppositie er eigen aan, vormt zo de voedingsbodem.

Mathieu Weggeman Graag wat minder arrogantie in het debat over God (Volkskrant 8 januari 2015 p. 30):
Onze verstandelijke vermogens zijn wellicht te beperkt om een betrouwbaar en valide antwoord op de vraag naar het bestaan van God te kunnen geven.
Ook de filosoof William James (1842-1910) komt tot de bevinding dat geloven in iets met een perspectief uiteindelijk voordelen biedt. Zijn pragmatische opvatting is dat het zinvol is te geloven in hypothesen, mogelijkheden en fantasieën, zo lang die beantwoorden aan reële behoeften. Het is niet de bedoeling van James om op die manier allerlei flauwekul te legitimeren. Hij vraagt zich gewoon rustig af wat er op tegen is om te geloven in'het bestaan van een of andere ongeziene orde waarin raadsels van de natuurlijke orde kunnen worden verklaard'.
Het voordeel van het geloof in zo'n hogere orde is dat daardoor de energie kan ontstaan waardoor dat geloof - althans ten dele - werkelijkheid wordt. James noemt dat het 'zelf-verifiërende geloven'. Zo werkt ook de tweede suggestie: door te kiezen voor het geloof in God, wordt een persoonlijke realiteit besteld waar je veel plezier van kunt hebben. En 'als het werkt, is het goed', zei Richard Rorty, de filosoof van het neo-pragmatisme.

Om de 'torens van Babel' tegen instorten te behoeden, zal in de toekomst aan risicobeheersing meer aandacht dienen te worden besteed.
De stroom van complexe causaliteiten, met schijnbare a-causaliteiten is de uitkristalisatie van de Negentropie en is de ordening van Informatie, waaruit indirect het "ongemanifesteerde" afgeleid kan worden, het is "verborgen" of zelfs bewust "geheim gehouden". Het "reflecteert" in de "materie".
In risk management, negentropy is the force that seeks to achieve effective organizational behavior and lead to a steady predictable state.

De tweenaturenleer ('emanatie van God' - Ferouer: goddelijke dubbelganger) of het dyofysitisme gaat over de verhouding van het goddelijke en menselijke in de Persoon van Jezus Christus of God de Zoon. De leer houdt in dat Jezus zowel volledig goddelijk als volledig menselijk is en dat deze beide naturen ongescheiden en onvermengd zijn. De tweenaturenleer werd vastgelegd op het Concilie van Chalcedon (451).

Willem J. Ouweneel Drie geheimenissen (en hun oplossing!?)
Het wezen van Christus Het feit dat wij vanaf de vierde eeuw (Concilie van Chalcedon, 451) belijden dat Christus één persoon en twee naturen (een goddelijke en een menselijke) is, is het tweede moeilijke probleem. Christus is God en mens in één persoon. Ook hier klinkt het zo gemakkelijk: Christus is waarachtig God en waarachtig mens. Maar vóórdat je er erg in hebt, glijd je ook hier uit naar de ene of de andere kant. Het ene gevaar is dat je de eenheid van de persoon zo sterk benadrukt dat je van de twee naturen er eigenlijk één maakt, waarbij je een van de twee naturen verdonkeremaant. Het andere gevaar is dat je de twee naturen zo sterk benadrukt dat Christus in feite twee personen wordt.

De boodschap, het nieuwe inzicht van Jezus ‘Keer dan ook uw andere wang toe’ is de keerzijde van het ‘Oog om oog, tand om tand’ uit het Oude Testament en berust op Wat gij wilt dat u geschiedt doe dat de ander.

In het Nieuwe Testament van de Bijbel, staat de gelijkenis van de talenten.
Om de kwaliteit van besluiten te verbeteren is het niet nodig embryo’s te manipuleren. We moeten er wel moeite voor willen doen om de talenten die we hebben ontvangen tot ontplooiing te brengen, het Matteüs-effect.

Verhaal (Matteüs 25: 14-30)
"Het is als met iemand die op reis ging. Hij riep zijn dienaars bij zich en vertrouwde hun zijn eigendommen toe. Aan de ene gaf hij vijfduizend goudstukken, aan een andere tweeduizend en aan een derde duizend; ieder kreeg wat hij aankon. Toen vertrok hij. Onmiddellijk ging de dienaar die vijfduizend goudstukken had gekregen, er zaken mee doen en hij verdiende er vijfduizend bij. Zo deed ook de tweede en hij verdiende er tweeduizend bij. Maar de dienaar die duizend goudstukken had gekregen, ging een gat graven en verstopte het geld van zijn heer daarin.
Een hele tijd later keerde de heer van die dienaars terug en hij riep hen ter verantwoording. De dienaar die vijfduizend goudstukken had gekregen, kwam naar hem toe en overhandigde hem er nog vijfduizend: Heer, u hebt mij er vijfduizend gegeven, kijk, ik heb er nog vijfduizend bijverdiend. Uitstekend, zei zijn heer. Je bent een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je over iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. Toen kwam de dienaar die er tweeduizend had gekregen: Heer, u hebt mij er tweeduizend gegeven, kijk, ik heb er tweeduizend bijverdiend. Uitstekend, zei zijn heer. Je bent een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je over iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. Toen kwam ook de man die er duizend had gekregen: Heer, ik weet dat u streng bent; u maait waar u niet gezaaid hebt, en u oogst waar u niet hebt uitgezet. Ik was bang en ben daarom uw geld in de grond gaan verstoppen. Hier hebt u het weer terug. Jij slechte, luie dienaar! Antwoordde zijn heer hem. Je wist dus dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en oogst waar ik niet heb uitgezet. Waarom heb je mijn geld dan niet op de bank gezet? Dan had ik het bij mijn thuiskomst met rente kunnen opvragen. Neem hem die duizend goudstukken af en geef ze aan hem die er al tienduizend heeft! Want iedereen die iets heeft, krijgt nog meer en heeft overvloed. Maar wie niets heeft, hem zal wat hij heeft nog worden afgenomen. En gooi die nutteloze dienaar eruit, de duisternis in! Daar zal hij huilen en knarsetanden!"

Het Evangelie van Thomas:
Dit zijn de geheime woorden, welke Jezus de Levende gesproken heeft en welke Didymus Judas Thomas heeft opgeschreven.
Verklaring:
Er zijn twee redenen waarom de leringen geheim waren. De belangrijkste is dat ze indruisen tegen alle gevestigde belangen, alle heilige huisjes omvergooien en alles wat de mensen voor waar houden ontzenuwen. De tweede is wellicht dat de leerlingen, omdat ze het niet echt begrepen, van mening waren dat er iets geheimzinnigs aan was.
Dat ze Jezus "de levende" noemden, betekent alleen maar dat hij opgestaan was uit het dodenrijk (of zich losgemaakt had uit de schaduwwereld).
3
Jezus sprak: "Als uw leiders zeggen: ziet, het Koninkrijk is in de hemel, dan zullen de vogelen des velds u voorgaan.
Als zij zeggen: het is in de zee, dan zullen de vissen u voorgaan. Maar het Koninkrijk is binnen in u en buiten u."
Als gij uzelf zult kennen, dan zult gij gekend worden, en gij zult beseffen dat gij zonen van de levende Vader zijt.
Als gij uzelf echter niet zult kennen, dan zijt gij in armoede, en gij zijt zelf die armoede."
Verklaring:
Geloof de woorden van jullie leiders niet. Zij zeggen dat de hemel de beloning en de hel de straf na de dood is.
De ware hel is de wereld van de doden, de onbewusten, de slapenden hier op aarde. De hemel is de toestand van de ontwaakten. Als je jezelf kent voel je je een met de hele schepping en met alle mensen. Als "Jezus" praat over het Koninkrijk en de Vader, probeert hij het onuitsprekelijke in een metafoor te vangen. Waarover je niet kunt praten, daarover moet je zwijgen. Het heeft geen zin om over het onuitsprekelijke einddoel te praten, het is voldoende om de weg te wijzen. Als je jezelf niet kent leid je maar een armetierig leven. Misschien rijk voor de wereld, maar arm voor jezelf.
5
Jezus sprak: "Herken wat voor uw aangezicht is, en wat verborgen is voor u zal u duidelijk worden. Want niets is verborgen wat niet geopenbaard zal worden."
Verklaring:
Alles zul je begrijpen als je jezelf kent. Als je je binnenwereld begrijpt, begrijp je de buitenwereld. Mensen zeggen dat ze zichzelf kennen met al hun fouten en tekortkomingen. Als je je fouten kent, waarom doe je ze dan nog en waarom accepteer je je tekortkomingen? Pas je je aan de maatschappij aan, dan doe je jezelf tekort en zondig je tegen jezelf. Luister je naar jezelf, dan pas je niet in de maatschappij. Wat goed is voor de natuur, is slecht voor de cultuur en wat goed is voor de cultuur, is slecht voor de natuur.
11
Jezus sprak: "Deze hemel zal vergaan, en de hemel daarboven zal vergaan. En de doden leven niet, en de levenden zullen niet sterven. In de dagen dat gij at wat dood is, maakte gij het tot iets wat leeft. Als gij tot het licht zult komen, wat zult gij dan doen? Toen gij één waart, werd gij tot twee. Als gij echter twee zijt, wat zult gij dan doen?"
Verklaring:
Hij verkondigt de eeuwigdurende waarheid dat de mens mens is, wat hij ook denkt dat hij is en hoe onnatuurlijk hij zich ook gedraagt. De mens is gedoemd om gelukkig te zijn, hoezeer hij zich daar ook tegen verzet, en kan alleen tot zich zelf terugkeren. De ontaarde mens leeft niet echt en als je eenmaal wakker geworden bent, kun je nooit meer inslapen. Als je tot verlichting gekomen bent, wat zul je dan doen? Als klein kind was je één, door je aanpassing aan de maatschappij werd je leven gespleten en vol tegenstrijdigheden. Tussen karakter en natuur, tussen je binnen- en je buitenkant, tussen je masker en je ware gezicht. Waar kies je voor?
82
Jezus sprak: "Wie dicht bij mij is, is dicht bij het vuur. En wie ver van mij is, is ver van het Koninkrijk."
Verklaring:
Wie dicht bij zichzelf is, is dicht bij de verlichting, maar hoe groter de kloof tussen binnen en buiten, hoe onechter en hoe groter duisternis.

Een moderne versie van de Barmhartige Samaritaan stond in NRC van 24 december 2007, het essay De Ander als spiegel van Ryszard Kapuscinski. Ook Kapuscinski schetst dat bij elke ontmoeting met anderen uit drie mogelijkheden kan worden gekozen. Een wilde aanval inzetten op de vreemdelingen? Hen onverschillig passeren en doorlopen? Of toch maar proberen kennis te maken en met hen te communiceren? De Ander bepaalde voor hem de zin van het reizen, het verhaal dat geschreven moest worden.
Kapuscinski haalt ook de door Bronislaw Malinowski: gelanceerde stelling aan: er bestaan noch hogere noch lagere culturen, er is slechts sprake van verschillende culturen die op verscheidene manieren aan de behoeften en verwachtingen van haar deelnemers voldoen.

Y. Sarasvati boek Wetenschap van de ziel - aanschouwing van de innerlijke wereld door yoga
Veel wijsheid uit heilige boeken over yoga, de weg tot zelfverwerkelijking, staat ons reeds ter beschikking. Een volgende stap is een beschrijving van het met yoga beoogde stadium van gegrondvest zijn in het meest innerlijke zelf; de toestand van volledig bewustzijn, kennis en gelukzaligheid. Over de tocht naar dit meest innerlijke zelf gaat dit boek van Swami Yogeshvarananda Sarasvati. Hij heeft zelf tientallen jaren het koninklijk pad van de yoga bewandeld, om tenslotte een innerlijke aanschouwing van de individuele en collectieve ziel deelachtig te worden. Alvorens tot de ziel door te dringen worden uitvoerige beschrijvingen gewijd aan de drie 'omhullingen': het fysieke, het astrale en het causale lichaam. Van deze lichamen worden diverse onderdelen, functies en relaties in een heel bijzonder daglicht gesteld. Belicht worden o.a. zintuigen, zenuwstelsel, intellect, egoprincipe, chakra's, processen van gewaarwording en handeling, relaties met kosmische elementen. Bovendien wordt ingegaan op atma vyana, een praktische uiteenzetting van een oude methode tot visualisatie van de ziel. De geheimen van deze heilige wetenschap worden ontsluierd door openbaring van alle ijle elementen van de ziel, hun karakteristieken, onderlinge verschillen, lokaties en subtiele functies. Tenslotte geeft een beschrijving van de opperste vormen van onthechting en bevrijding aan hoe de ware gelukzaligheid en vrede, die verborgen is in het hart van ieder mens, verworven kan worden door het kennen van de ziel 'kennis van het zelf'.

André van der Braak boek Goeroes en Charisma - Het riskante pad van leerling en leraar
Loskomen uit de houdgreep van spirituele leermeesters Een onderzoek naar de magische ban van de goeroe Van oudsher zijn mensen op zoek naar de zin van het leven en manieren om het goede leven te bereiken. Ingewijde experts - meestal mannen - staan te trappelen om hun de weg naar het heil te wijzen. Hun grootste troef: charisma, het vermogen om anderen te betoveren en tot grote daden aan te sporen. Vanaf de jaren zestig heeft een golf van goeroes uit India, Tibet en Japan het Westen overspoeld, maar sommigen bleken in de praktijk verrassend minder 'heilig', getuige de vele schandalen rondom machtsmisbruik, hypocrisie, seks en geweld. Filosoof, psycholoog én ervaringsdeskundige André van der Braak gaat in zijn boek uitvoerig in op de gevaarlijke aspecten in de relatie goeroe-leerling. Gelukkig zijn er ook goeroes van onbesproken gedrag. Aan het onderscheid tussen 'gezonde' en 'ongezonde' goeroes is een apart deel gewijd. André van der Braak was van 1987 tot 1998 leerling van de Amerikaanse goeroe Andrew Cohen. Hij schreef er een prikkelend boek over: Enlightenment Blues. In 2004 promoveerde hij op Nietzsches opvattingen over levenskunst: Hoe men wordt, wat men is.

André van der Braak Goeroes en Charisma - Het riskante pad van leerling en leraar (samenvatting)
Socrates (deel 2) inspireert André bij het formuleren van wat een goede leraar is, omdat Socrates geen overgave maar reflectie vraagt. Er is een zekere magnetische werking vanuit de leraar, maar deze blijft ook leerling. Socrates heeft toch wel een bepaald doel voor ogen. Hem gaat het om het goede leven vanuit de deugd als voortreffelijkheid. Nietzsche is de tweede filosoof die als goede leraar wordt aangehaald. Hij heeft in allerlei fasen verschillende visies naar voren gebracht, maar in zijn laatste boek spreekt hij van het zich als een leeuw losmaken van de leraar. Als men als een spelend kind zijn lot accepteert blijft toch de eros behouden.
Deze balans van eros en scepsis werkt André in het derde deel verder uit. Er zal een evenwicht moeten zijn tussen de horizontale uitwisseling (leraar als reisgenoot) en verticale uitwisseling (zelfoverstijging), tussen logos (dialectiek en kritiek) en mythos (werking van symbolen, verhalen), tussen idealisering van de leraar en de de-idealisering, kortom: tussen eros en scepsis. Dit zijn belangrijke inzichten. Redelijkheid en gegrepen worden door een perspectief zijn samen onmisbaar op een spiritueel pad.

André van der Braak Goeroes en Charisma - Het riskante pad van leerling en leraar (recensie van Henk Hogeboom van Buggenum)
In de analyse gaat Van der Braak uitvoerig in op zowel het wezen van de goeroe als op de motivatie van mensen deze te volgen. Aan de goeroe worden ten onrechte bovennatuurlijke gaven toegeschreven. Jongeren sluiten zich - vaak in tijden van crisis - bij hem aan, geven zich aan hem over en ontvluchten zo min of meer de eigen verantwoordelijkheid. Wat de leerlingen drijft is eros in de socratische zin van een passie voor het goede, het verlangen naar een diepere betekenis in het leven, die het eigenbelang overstijgt. Wat zij echter missen is de scepsis. Autoritair ingestelde goeroes als Andrew Cohen laten die echter ook niet toe. Dit in tegenstelling tot Socrates en Zarathoestra. Als gezonde goeroes weten zij de balans tussen eros en scepsis te vinden en de leerling diegene te laten worden die hij in wezen is. Zij worden als het ware dienstbare verloskundigen. Maar ja, beiden zijn zij slechts in de literatuur fungerende gestalten, filosofische idolen. Zo niet Andrew Cohen. Bij hem was alles erop gericht je eigen ego te onderdrukken en hem te gaan zien als het narcistisch bewonderde spiegelbeeld van jezelf. Hoe dat in de commune praktisch gestalte kreeg, ervaren we niet. Het lijkt uitgesloten dat men met zo'n instelling nog iets voor anderen kan betekenen.

Bram Moerland: Gnosis en Christusbewustzijn Wij hebben als mens twee naturen.
Er is hier een grote verwantschap met het boeddhistische begrip 'boeddha-natuur'. Elk mens, alle wezens en alle dingen hebben boeddha-natuur, leert het boeddhisme. Het spirituele pad van het boeddhisme heeft als doel het bewustzijn van de individuele mens te verenigen met zijn eigen boeddha-natuur, die tegelijk ook de boeddha-natuur is van de ganse werkelijkheid.
Precies zoals in het boeddhisme wordt verteld dat een mens die de boeddha-natuur in zichzelf heeft gerealiseerd, tegelijkertijd ook de innerlijke vereniging met de boeddha-natuur van de ganse werkelijkheid zal ervaren, zo leert de gnostiek dat kennis van het zelf tegelijkertijd ook kennis van het Al is: Wie zichzelf kent, kent het Al.
In het Nieuwe Testament wordt verteld dat Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan gedoopt werd. Op dat moment, zo gaat de vertelling, daalt de Heilige Geest op hem neer. De Jordaan staat hier symbool voor de stroom van het zijn die voortvloeit uit de oerbron, het levenswater. (Zie 'Scheppingsmythe' hierboven.) De historische mens Jezus wordt hier dus met zijn persoonlijke natuur symbolisch ondergedompeld in de oerstroom van het zijn, en ervaart op dat moment zijn tijdloze Christusbewustzijn. Hij is een Christus geworden en zal voortaan zijn discipelen leren hoe ook zij een Christus kunnen worden, dat wil zeggen, zich bewust worden van de Christusnatuur die reeds in hen, en in alle mensen, aanwezig is. En zijn discipelen kunnen op hun beurt die blijde boodschap weer doorvertellen aan iedereen die het horen wil, en: 'Wie oren heeft die hore.'
In oecumenische zin zijn gnostiek, boeddhisme en hindoeisme en vele andere spirituele tradites slechts variaties op hetzelfde thema. Ze kunnen elkaar aanvullen en verrijken. Alleen wie meent in het exclusieve bezit te zijn van de enige zaligmakende waarheid plaats zich buiten dat spirituele deelgenootschap.

Daniel Ofman boek Bezieling en Kwaliteit in Organisaties
Jaap Voigt stipt in zijn nawoord (p. 207) de kern van het vraagstuk aan waar het in het rapport 'E i V' om draait.
Toch is het noodzakelijk om in dit nawoord stil te staan bij een aspect dat in dit boek niet aan de orde is gekomen, namelijk het 'alleen zijn' en het lijden dat daarmee gepaard gaat. Met dit onderwerp wordt het hart geraakt van de relatie tussen de weg van de individuele mens en de weg van een collectiviteit als een organisatie.
Onze samenleving, en daarmee vrijwel iedere organisatie, is nog steeds gebouwd op het principe dat het individu ondergeschikt is aan de groep. etc.
Het luisteren naar die stem van het geweten leidt ertoe dat hij minder vatbaar wordt voor de conditionering van de groepscultuur.
Tijdens het individuatieproces wordt de balans van het verleden opgemaakt. Materiële en immateriële schulden worden vereffend en door een hernieuwd inzicht in eigen functioneren ontstaat een nieuw soort zelfvertrouwen.

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel I, Hoofdstuk 12 Psychologische natuur van de mens
Want als de mens zichzelf begrijpt, begrijpt hij dat waaruit hij voortkwam en dat wat hijzelf is – begrijpt het heelal in de mate waarin zijn geest en denken zich hebben ontwikkeld, en zijn waarnemingsvermogens zich door die ontwikkeling hebben verscherpt.
Hoofdstuk 15: Goed en kwaad ontstaan uit de tegenstrijdige werking van de multimyriaden willen in de verschijningswereld.
Het goede is relatief; er is geen absoluut goed. Het kwade is relatief; er is geen absoluut kwaad. Beide zijn evenwel relatieve begrippen. ..etc.
Zij contrasteren met elkaar. Deze beide groepen representeren twee fundamentele Paden in de Natuur, het ene het Pad der Rechter -, het andere dat der Linkerhand en worden aldus in het Oude Occultisme genoemd. Het ‘Pad der Linkerhand’ is Pratyeka-Yâna; en wij kunnen Pratyeka in dit verband door de omschrijving ‘ieder voor zich’ vertalen. Het ‘Pad der Rechterhand’ is Amrita-Yâna; dat het Onsterfelijk Voertuig of Pad der Onsterfelijkheid wordt genoemd. Het ene, het eerstgenoemde, is het pad der persoonlijkheid; het andere het laatstgenoemde, is het pad der individualiteit; het ene is het pad der stof, het andere is het pad van de geest; het ene leidt naar beneden; het andere Pad verliest zich in de onuitsprekelijke glorie van het bewuste onsterfelijke in de ‘eeuwigheid’. Dit nu zijn de twee groepen van wezens, die de beide zijden der Natuur vertegenwoordigen, en de conflicten en tegenstellingen van deze beide zijden der Natuur, tezamen met de strijd van wil tegen wil van de scharen wezens in het gemanifesteerde bestaan, veroorzaken het zogenaamde kwaad in de wereld, dat uit de zelfzuchtige werkzaamheid van de lagere of minder ontwikkelde of geëvolueerde wezens ontstaat.

H.P. Blavatsky beschrijft Kosmos en mens, respectievelijk de macrokosmos en microkosmos in de Delen I en II van De Geheime Leer.
De beide boeken dragen als ondertitel: ‘De synthese van wetenschap, godsdienst en wijsbegeerte’.
In het informatie registrerende en overdragende Akasha-veld van het universum worden de correlaties tussen de micro - en macrokosmos tot stand gebracht. Het 'Hoe en Wat' in de aardse microkosmos, de mens staat tegenover het 'Wat en Hoe' in de hemelse macrokosmos, het universum.
De ziel, de natuurlijke schakel tussen lichaam en geest, tussen micro en macro.

Deze weinige voorbeelden, naast de vele daden van vriendelijkheid die dagelijks plaatsvinden, helpen bij het aantonen van de goedheid die één van de diepste eigenschappen is van de menselijke ziel, want de ziel heeft geen nationaliteit, geen geloof, geen kleur, geen sekse en geen vooroordeel. Al degenen die grote dienaren van de mensheid werden, gaven in hun leven in een diepgaande mate uitdrukking aan goedheid, omdat goedheid de natuurlijke uitdrukking is van een hart en een denkvermogen die totaal doordrongen zijn van de ervaring dat alle leven één is.

  Regelkringen:     
  Invoer -Verwerking -Uitvoer -Feedback
  Leraar (Wat) -Opvoeden (Hoe) -Leerling (Wat) -Gedogen (Hoe)
Oude Testament Wijze -Jodendom (Orde) -Rechtvaardige -Chaos
  God -Heilige geest -Christus (Mens) -Satan
  Welzijn -Volmaaktheid -Welvaart -Onvolmaaktheid
  Manager -Gedragsregels -Professional -Vrijblijvend
  Verkoper -DaderKoper -Slachtoffer
  Kwantiteit -KwantumKwaliteit -Exuberatie

H.P. Blavatsky Isis ontsluierd Deel 1 hoofdstuk 3 Blinde leiders van de blinden (p. 142):
De positivisten laten, om dit onderwerp te besluiten, geen middel ongebruikt om het spiritisme te vernietigen ten gunste van hun religie. Hun hogepriesters moeten onvermoeibaar op de trompet blazen; en hoewel het niet waarschijnlijk is dat de muren van een modern Jericho nooit door hun getoeter zullen instorten, laten ze toch niets na om het verlangde doel te bereiken. Hun paradoxen zijn uniek, en hun beschuldigingen tegen de spiritisten zijn van een onweerstaanbare logica. In een onlangs gehouden lezing, bijvoorbeeld, werd de opmerking gemaakt dat ‘het uitsluitend aankweken van het religieuze instinct seksuele immoraliteit veroorzaakt, en dat priesters, monniken, nonnen, heiligen, mediums, extatici en devote personen bekend staan om hun immorele gedrag’.

H.P. Blavatsky Isis ontsluierd Deel 2 hoofdstuk 11 Een vergelijking van de resultaten van boeddhisme en christendom (p. 656):
Ongetwijfeld was het nooit de bedoeling dat deze gravure Jezus van Nazareth voorstelde. Het was, zoals tegen Moor werd gezegd, Vithoba, en zoals de heilige geschriften van de hindoes bovendien zeggen, Brahma, de offeraar, die ‘tegelijkertijd zowel offeraar als slachtoffer is’; het is ‘Brahma, slachtoffer in zijn zoon Krishna, die op aarde is gekomen om te sterven en ons te redden, die zelf het indrukwekkende offer [van de Sarvamedha] volbrengt’. En toch is het zowel de mens Jezus als de mens Krishna, want beiden waren verenigd met hun christos.
732: Ze omvatten offeranden, het besprenkelen van het vuur met sterkedrank en melk, en vreemdsoortige gezangen, of beter gezegd magische bezweringen, die door de dienstdoende sjamaan worden ingezet en met een koor van de aanwezige personen worden afgesloten.

Geheime Leer Deel I Inleiding (p. 3):
Eeuwigheden van onnoemelijke duur moeten zijn verstreken vóór de benaming ‘Boeddha’ bij wijze van spreken zó was vermenselijkt, dat deze mocht worden toegepast op stervelingen en tenslotte werd bestemd voor iemand van wie de ongeëvenaarde deugden en kennis hem de titel bezorgden van ‘de Boeddha van onbewogen wijsheid’. Bodha betekent het aangeboren bezit van goddelijk verstand of ‘begripsvermogen’; ‘buddha’ het verkrijgen daarvan door persoonlijke inspanning en verdienste; terwijl ‘buddhi’ het vermogen is zich bewust te worden van het kanaal waarlangs goddelijke kennis het ‘ego’ bereikt en om goed en kwaad te onderscheiden; het is ook het ‘goddelijke geweten’ en de ‘geestelijke ziel’, het voertuig van atma. ‘Wanneer buddhi ons ego-isme opneemt (en vernietigt) met al zijn vikara’s, verschijnt Avalokiteshvara aan ons en nirvana of mukti wordt bereikt’; ‘mukti’ is hetzelfde als nirvana, namelijk vrij zijn van de kluisters van ‘maya’ of zinsbedrog. ‘Bodhi’ is eveneens de naam van een bijzondere trancetoestand, samadhi genoemd; tijdens deze bereikt het subject het hoogtepunt van geestelijke kennis.
H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 39):
De ene onbekende altijd-tegenwoordige god in de Natuur, of de Natuur in abscondito verwerpen wij niet, maar wel de God van het menselijke dogma en zijn vermenselijkte ‘woord’. In zijn oneindige verwaandheid en aangeboren trots en ijdelheid schiep de mens deze zelf met zijn heiligschennende hand uit de elementen die hij vond in zijn eigen kleine hersenweefsel en drong deze aan de mensheid op als een rechtstreekse openbaring uit de ene ongeopenbaarde RUIMTE10.
10) Dit is precies wat werd gedaan door degenen die geloven in een
antropomorfe Schepper, een buitenkosmische, in plaats van een binnenkosmische God. Veel van Pratts onderwerpen – de meeste, mogen wij wel zeggen – zijn oude kabbalistische denkbeelden en theorieën die hij in een heel nieuw kleed aanbiedt: inderdaad ‘nieuwe aspecten’ van het occulte in de Natuur. Maar de Ruimte, gezien als een ‘werkelijk bestaande eenheid’ – de ‘levende levensbron’; –, als de ‘onbekende oorzaakloze oorzaak’, is het oudste dogma van het occultisme, duizenden jaren ouder dan de Pater-Aether van de Grieken en de Latijnse volkeren. Zo zijn ook ‘kracht en stof als vermogens van de Ruimte onscheidbaar, en de onbekende openbaarders van het onbekende’. Men kan ze alle vinden in de Arische filosofie, in de personen van Visvakarman, Indra, Vishnu, enz. Toch worden zij in het aangehaalde boek heel filosofisch en vanuit veel ongebruikelijke gezichtspunten omschreven.
47: Bovendien leert de Geheime Leer:
(c) De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk. Met andere woorden, geen zuiver geestelijke buddhi (goddelijke ziel) kan een onafhankelijk (bewust) bestaan hebben voordat de vonk die voortkwam uit de zuivere essentie van het universele zesde beginsel – of de OVERZIEL – (a) door iedere grondvorm van de verschijnselenwereld van dat manvantara is heengegaan en (b) individualiteit heeft verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte en zelf bedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, van het laagste tot het hoogste manas, van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel (Dhyani-Boeddha). De kernleer van de esoterische filosofie erkent geen voorrechten of bijzondere gaven van de mens, behalve die zijn eigen ego heeft verkregen door persoonlijke inspanning en verdienste gedurende een lange reeks van zielsverhuizingen en reïncarnaties. Daarom zeggen de hindoes dat het Heelal Brahma en Brahma is, want Brahma is in ieder atoom van het heelal, omdat de zes beginselen in de Natuur alle het resultaat zijn – de verschillend gedifferentieerde aspecten – van het ZEVENDE en ENE, de enige werkelijkheid in het Heelal, hetzij kosmisch of microkosmisch. Daarom ook worden de omzettingen (psychische, geestelijke en stoffelijke) van het zesde (Brahma, het voertuig van Brahma) op het gebied van manifestatie en vorm door metafysische antifrase opgevat als bedrieglijk en mayavisch.
47/48: Als iets absoluuts is het Ene Beginsel onder zijn twee aspecten (van Parabrahmam en Mulaprakriti) geslachtloos, onvoorwaardelijk en eeuwig. Zijn periodieke (manvantarische) emanatie – of oorspronkelijke uitstraling – is ook Een, androgyn en als verschijnsel eindig. Wanneer de uitstraling op haar beurt uitstraalt, zijn al haar uitstralingen ook androgyn, om in hun lagere aspecten mannelijke en vrouwelijke beginselen te worden. Na de pralaya, hetzij de grote of de kleine pralaya (de laatste laat de werelden in statu quo, is het eerste dat opnieuw tot werkzaam leven ontwaakt, het plastische akasa, vader-moeder, de geest en de ziel van de ether, of
het gebied op het oppervlak van de Cirkel. De Ruimte wordt vóór haar kosmische activiteit de ‘moeder’ genoemd en vader-moeder op de eerste trap van het opnieuw ontwaken. (Zie Toelichtingen, Stanza II.) In de Kabbala is zij ook vader-moeder-zoon. Maar terwijl deze in de oosterse leer het zevende beginsel van het gemanifesteerde Heelal zijn, of zijn ‘atma-buddhi-manas’ (geest, ziel en intelligentie), de triade die zich vertakt en verdeelt in de zeven kosmische en zeven menselijke beginselen, is zij in de westerse Kabbala van de christelijke mystici de triade of drieëenheid en voor hun occultisten de mannelijk-vrouwelijke Jehova, Jah-Havah. Hierin ligt het hele verschil tussen de esoterische en de christelijke drieëenheid. De mystici en de filosofen, de oosterse en de westerse pantheïsten, vatten hun aan de wereldvorming voorafgaande triade samen in de zuivere goddelijke abstractie. De orthodoxen vermenselijken haar. Hiranyagarbha, Hari en Sankara, de drie hypostasen van de zich manifesterende ‘geest van de opperste geest’ (met deze benaming begroet Prithivi – de aarde – Vishnu in zijn eerste Avatar), zijn de zuiver metafysische abstracte eigenschappen van vorming, instandhouding en vernietiging; het zijn de drie goddelijke Avastha’s (letterlijk: hypostasen) van dat wat ‘niet vergaat met de geschapen dingen’ (of Achyuta, een naam van Vishnu). De orthodoxe christen daarentegen scheidt zijn persoonlijke scheppende godheid in de drie personen van de drieëenheid en erkent geen hogere godheid.
Geheime Leer Deel I Aanvullende feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 213):
1. ‘Iedere vorm op aarde en elk stofje (atoom) in de Ruimte volgt bij zijn streven naar zelf-vorming zoveel mogelijk het model, dat daarvoor in de ‘HEMELSE MENS’ is gegeven. . . . Zijn involutie en evolutie (nl. van het atoom), zijn uiterlijke en innerlijke groei en ontwikkeling, hebben alle één en hetzelfde doel – de mens; de mens als de hoogste stoffelijke en uiteindelijke vorm op deze aarde; DE MONADE, in haar absolute totaliteit en haar ontwaakte toestand – als de culminatie van de goddelijke incarnaties op aarde.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 140):
(c) Omdat fohat een van de belangrijkste, zo niet de allerbelangrijkste rol speelt in de esoterische kosmogonie, moet hij nauwkeurig worden beschreven. Evenals in de oudste Griekse kosmogonie, die sterk verschilde van de latere mythologie, Eros de derde persoon is in de oorspronkelijke drie-eenheid: Chaos, Gaea, Eros – die overeenkomt met het kabbalistische En-Soph (want Chaos is RUIMTE, [chaino]), ‘leegte’), het grenzeloze AL, Shekinah en de Oude van Dagen, of de Heilige Geest – zo is fohat in het nog ongemanifesteerde Heelal iets anders dan in de kosmische wereld van de verschijnselen. In laatstgenoemde is hij die occulte elektrische levenskracht die, door de wil van de scheppende logos, alle vormen verenigt en samenbrengt en deze de eerste impuls geeft, die te zijner tijd wet wordt. Maar in het ongemanifesteerde Heelal is fohat dit niet, evenmin als Eros de latere schitterende gevleugelde Cupido of LIEFDE is.
Wanneer de ‘goddelijke zoon’ plotseling tevoorschijn komt, wordt fohat de stuwende kracht, de werkzame macht die veroorzaakt dat het ENE wordt tot TWEE en DRIE – op het gebied van de kosmische manifestatie. Het drievoudige ENE differentieert zich in het vele, en dan wordt fohat omgezet in die kracht die de elementalen-atomen samenbrengt en maakt dat ze zich verenigen en zich met elkaar verbinden. Een echo van deze oorspronkelijke lering vindt men in de vroege Griekse mythologie. Uit Chaos worden Erebos en Nux geboren, en onder de inwerking van Eros schenken zij op hun beurt het leven aan Aether en Hemera, het licht van de hogere en dat van de lagere of aardse gebieden. Duisternis brengt licht voort. Zie Brahma’s ‘wil’ of begeerte om te scheppen in de Purana’s, en in de Fenicische kosmogonie van Sanchoniathon de leer dat begeerte, [pothos], het beginsel van de schepping is.
140: Ze zijn de ‘Boeddha’s van contemplatie’ en zijn allen anupadaka (ouderloos), d.i. zelf-geboren uit goddelijke essentie. De exoterische leer zegt dat iedere Dhyani-Boeddha het vermogen bezit om uit zichzelf een eveneens hemelse zoon te scheppen – een Dhyani-bodhisattva – die na het sterven van de manushi- (menselijke) Boeddha het werk van deze moet uitvoeren. Deze leer berust op het feit dat tengevolge van de hoogste inwijding, verricht door degene die wordt overschaduwd door de ‘geest van Boeddha’ – (aan wie door de oriëntalisten de schepping van de vijf Dhyani-Boeddha’s wordt toegeschreven!) – een kandidaat feitelijk een bodhisattva wordt, daartoe door de Hoge Inwijder verheven.
De Geheime Leer Deel I Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 263):
Het bovenstaande kan natuurlijk worden toegepast op het verschil dat wordt gemaakt tussen de graden of orden van geestelijke wezens, en in die zin probeert de rooms-katholieke kerk het verschil te interpreteren en te onderwijzen; want terwijl de aartsengelen volgens haar leer goddelijk en heilig zijn, maakt zij hun dubbelgangers voor duivels uit27. Maar het woord ‘
ferouer’ moet niet in deze zin worden opgevat, want het betekent eenvoudig het tegenovergestelde of de keerzijde van een eigenschap of hoedanigheid. Als de occultist dus zegt, dat de ‘duivel de schaduwzijde van god is’ (het kwaad, de keerzijde van de medaille), bedoelt hij niet twee afzonderlijke werkelijkheden, maar de twee aspecten of facetten van dezelfde Eenheid. Maar de beste mens die er is, zou naast een Aartsengel – zoals de theologie die beschrijft – een duivel schijnen. Dit is dan ook beslist een reden om een lager ‘dubbel’, dat veel dieper in de stof is ondergedompeld dan zijn origineel, geringer te schatten. Maar er is nog steeds weinig aanleiding hen als duivels te beschouwen, en dit is precies wat de rooms-katholieken tegen alle reden en logica in doen.
Geheime Leer Deel I Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 293):
Evenmin gaat de individualiteit verloren – noch zelfs de essentie van de persoonlijkheid, als daarvan iets wordt achtergelaten – omdat zij weer wordt opgenomen. Want hoe grenzeloos – vanuit menselijk standpunt beschouwd – de paranirvanische toestand ook is, toch heeft deze een grens in de eeuwigheid. Als deze toestand eenmaal is bereikt, zal dezelfde monade daaruit weer te voorschijn komen als een nog hoger wezen op een veel hoger gebied, om opnieuw te beginnen met haar cyclus van vervolmaakte werkzaamheid. Het menselijke denkvermogen kan in zijn tegenwoordige stadium van ontwikkeling dit gebied van denken niet te boven gaan, en zelfs nauwelijks bereiken. Hier wankelt het op de rand van het onbegrijpelijke Absolute en Eeuwige.
294: Zo daalden, zoals de stanza het uitdrukt, de Wachters neer op aarde en regeerden over de mensen – ‘die zijzelf zijn’. De regerende koningen hadden hun cyclus op aarde en op andere werelden in de voorafgaande Ronden beëindigd. In de toekomstige manvantara’s zullen ze zijn gestegen tot hogere stelsels dan onze planeetwereld; en de uitverkorenen van onze mensheid, de pioniers op de zware en moeilijke weg van de vooruitgang, zullen de plaatsen van hun voorgangers innemen. Het volgende grote manvantara zal ervan getuige zijn dat de mensen van onze eigen levenscyclus de gidsen en leraren van een mensheid worden, waarvan de monaden nu misschien nog – halfbewust – gevangen zijn in de meest verstandelijke dieren, terwijl hun lagere beginselen de hoogste soorten van de plantenwereld van leven zullen voorzien.
De Geheime Leer Deel I Samenvatting (p. 297):
‘De grote leraren van de hogere kennis en de brahmanen worden steeds voorgesteld op weg naar Kshatriya-koningen (van de militaire kaste) om hun leerlingen te worden.’ Zoals Cowell terecht opmerkt, ‘ademen de Upanishads een heel andere geest’ (dan andere brahmaanse geschriften), ‘een vrijheid van denken, die niet voorkomt in enig vroeger geschrift, behalve in de gezangen uit de Rig Veda’. Het tweede feit wordt verklaard door een overlevering, die in een van de handschriften over het leven van Boeddha is vastgelegd. Deze zegt dat de Upanishads oorspronkelijk bij hun Brahmana’s waren gevoegd en wel na het begin van een hervorming, die leidde tot de exclusiviteit van het huidige kastenstelsel van de brahmanen, een paar eeuwen na het binnendringen in India door de ‘tweemaal geborenen’. Ze waren in die tijd volledig en werden gebruikt voor het onderwijs aan de chela’s die zich op hun inwijding voorbereidden.
301: (6.) Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens – de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken.
302: Omdat wat met ‘persoonlijkheid’ wordt bedoeld een beperking en een relatie inhoudt of, zoals Coleridge het definieert, ‘individualiteit die op zichzelf bestaat maar met een aard als ondergrond’, kan die term natuurlijk niet worden toegepast op niet-menselijke wezens. Maar het is een feit, door generaties van zieners volgehouden, dat geen enkel van die wezens, hoog of laag, een individualiteit of een persoonlijkheid als een afzonderlijke eenheid bezit; d.w.z. ze hebben geen individualiteit in de zin waarin een mens zegt: ‘ik ben mijzelf en geen ander’; met andere woorden, ze zijn zich niet bewust van zo’n duidelijke afgescheidenheid als mensen en dingen op aarde hebben. Individualiteit is de kenmerkende eigenschap van hun respectievelijke hiërarchieën, niet van hun eenheden; en deze eigenschappen variëren alleen met de graad van het gebied waartoe die hiërarchieën behoren: hoe dichter bij het gebied van homogeniteit en het Ene goddelijke, des te zuiverder en minder scherp omlijnd is die individualiteit in de hiërarchie. Ze zijn in alle opzichten eindig, met uitzondering van hun hogere beginselen – de onsterfelijke vonken die de universele goddelijke vlam weerkaatsen – die alleen op de gebieden van zinsbedrog geïndividualiseerd en gescheiden zijn door een differentiatie die evengoed zinsbedrog is als al het overige. Het zijn ‘levenden’, omdat zij de stralen zijn uit het ABSOLUTE LEVEN, die worden geprojecteerd op het Kosmische scherm van de illusie; wezens in wie het leven niet kan worden uitgeblust voordat het vuur van onwetendheid is uitgedoofd in diegenen die deze ‘levens’ waarnemen. Plotseling ontstaan onder de levenwekkende invloed van de ongeschapen straal, de weerkaatsing van de grote centrale zon die de oevers van de levensrivier beschijnt, behoort hun innerlijke beginsel tot de wateren van onsterfelijkheid, terwijl hun gedifferentieerde omhulsel even vergankelijk is als het menselijke lichaam.
303: ‘De mens kan de deva’s niet gunstig stemmen en ze ook niet bevelen’, wordt er gezegd. Maar door zijn lagere persoonlijkheid te bedwingen en daardoor te komen tot de volledige kennis van het niet afgescheiden zijn van zijn hogere ZELF van het ene absolute ZELF, kan de mens zelfs tijdens zijn aardse leven ‘een van ons’ worden. Zo wordt de mens door het eten van de vrucht van de kennis, die de onwetendheid verdrijft, als een van de Elohim of van de Dhyani’s; en eenmaal op hun gebied gekomen, moet de geest van saamhorigheid en van volmaakte harmonie, die in iedere hiërarchie heerst, zich over hem gaan uitstrekken en hem in ieder opzicht beschermen.
311: De geest leeft en leven is geest, en leven en geest (prakriti purusha) (?) brengen alles voort, maar ze zijn in essentie één en niet twee. . . . Ook de elementen hebben ieder hun eigen Yliaster, omdat alle werkzaamheid van de materie in elke vorm slechts een uitvloeisel uit dezelfde bron is. Maar zoals uit het zaadje de wortels met hun vezels groeien en daarna de stengel met zijn takken en bladeren en tenslotte de bloemen en de zaadjes, zo werden ook alle wezens uit de elementen geboren en bestaan ze uit elementaire substanties waaruit andere vormen kunnen ontstaan, die de eigenschappen van hun ouders dragen. (De vertaler merkt op, dat ‘deze leer, die 300 jaar geleden werd verkondigd, overeenkomt met de leer die, nadat deze door Darwin in een nieuwe vorm was gegoten en verder uitgewerkt, een ommekeer in het moderne denken heeft teweeggebracht. Deze was nog meer uitgewerkt door Kapila in de sankhyafilosofie’). . . . Als moeders van alle schepselen hebben de elementen een onzichtbare, geestelijke aard en hebben ze zielen10. Ze komen alle uit het ‘mysterium magnum’ voort. (Philosophia ad Athenienses.)
10) De oosterse occultist zegt: ‘worden geleid en bezield door geestelijke wezens’, de werklieden in de onzichtbare werelden en achter de sluier van de occulte natuur, of van de natuur in abscondito.
319: (2.) JNANASAKTI . . . De kracht van het verstand, van werkelijke wijsheid of kennis. Deze heeft twee aspecten:
Hier volgen enkele van haar manifestaties wanneer ze onder de invloed of beheersing van stoffelijke omstandigheden wordt gebracht. (a) Het vermogen van het verstand om onze gewaarwordingen te interpreteren. (b) Zijn vermogen om denkbeelden van vroeger terug te roepen (geheugen) en om toekomstverwachtingen te wekken. (c) Zijn vermogen zoals dat aan de dag treedt in wat de moderne psychologen ‘de wetten van associatie’ noemen, dat het denken in staat stelt blijvende verbanden te leggen tussen verschillende groepen van gewaarwordingen en mogelijke gewaarwordingen, en zo het begrip of denkbeeld van een uiterlijk voorwerp doet ontstaan. (d) Zijn vermogen om onze denkbeelden met elkaar te verbinden door de geheimzinnige schakel van het geheugen en om zo het begrip van het zelf of de individualiteit te doen ontstaan; enkele van haar manifestaties, wanneer zij is bevrijd van de binding aan de stof, zijn (a) helderziendheid en (b) psychometrie.
320/321: ‘De schepping van het leven door de zon gaat even onafgebroken door als zijn licht; niets houdt hem tegen of beperkt hem. Rondom hem zijn ontelbare koren van genii22 als een leger van satellieten. Deze genii verblijven in de omgeving van de onsterfelijken en waken van daar over menselijke zaken. Ze vervullen de wil van de goden (karma) door middel van stormen, orkanen, uitbarstingen van vulkanen en aardbevingen en ook door hongersnoden en oorlogen om ongeloof te bestraffen23. . . . Het is de zon die alle schepselen instandhoudt en voedt; en evenals de ideële wereld de waarneembare wereld omringt en deze met de overvloed en alomvattende verscheidenheid van vormen vult, zo brengt ook de zon, die alles in zijn licht hult, overal de geboorte en ontwikkeling van schepselen tot stand.’ . . . ‘Onder zijn bevel staat het koor van de genii, of liever de koren, want er zijn er veel en verschillende en hun aantal komt overeen met dat van de sterren. Elke ster heeft haar genii, goed en kwaad door hun aard, of liever door hun werking, want werking is de essentie van de genii. . . . Al deze genii voeren het beheer over wereldse zaken24. Ze brengen staten en individuen aan het wankelen of ten val. Ze drukken hun stempel op onze ziel, ze zijn te vinden in onze zenuwen, in ons merg, in onze aderen en slagaderen en zelfs in onze hersensubstantie . . . op het moment dat ieder van ons zijn leven en bestaan verkrijgt, komt hij onder de hoede van de genii (elementalen) die de zorg hebben voor de geboorten25 en die lager in rang staan dan de astrale krachten (bovenmenselijke astrale geesten). Ze veranderen voortdurend, niet altijd op dezelfde manier, maar in kringen rondgaand26. Door middel van het lichaam doordringen ze twee delen van de ziel, opdat deze van elk de afdruk kan ontvangen van zijn eigen energie. Maar het redelijk denkende gedeelte van de ziel is niet onderworpen aan de genii; het is bestemd om (de) god27 te ontvangen, die dit met een zonnige straal verlicht. Degenen die zo zijn verlicht, zijn klein in aantal en de genii laten hen ongemoeid: want noch de genii noch de goden hebben enige macht in de tegenwoordigheid van één enkele straal van god28. Maar bij alle andere mensen worden zowel de ziel als het lichaam door de genii bestuurd. Zij hechten zich aan hen en oefenen invloed uit op hun handelingen. . . . De genii beheersen dan de wereldse zaken en onze lichamen dienen hun tot instrument. . . .’
22) Noot vert. Het Latijnse ‘genii’, dat in de Engelse tekst voorkomt, is gehandhaafd, omdat de woorden ‘geniën’ of ‘beschermgeesten’ een wat andere betekenis hebben dan de genii waarover H.P.B. spreekt (zie haar toelichting op deze en de volgende bladzijden).
23) Zie de Stanza’s III en IV en de toelichtingen daarop, vooral de toelichtingen op Stanza IV, ‘de lipika’s en de vier maharadja’s’, de werktuigen van karma.
24) En ook ‘goden’ of Dhyani’s, niet alleen de genii of ‘geleide krachten’.
25) Dit betekent dat, omdat de mens is samengesteld uit al de grote elementen: vuur, lucht, water, aarde en ether, de ELEMENTALEN die respectievelijk tot die elementen behoren, zich aangetrokken voelen tot de mens, omdat ze in essentie met hem overeenkomen. Het element dat in een bepaalde constitutie overheerst, zal tijdens het hele leven het heersende element zijn. Als bijvoorbeeld in de mens het aardse, gnoom-element de overhand heeft, zullen de gnomen hem ertoe brengen om edele metalen, geld en rijkdom, enz. te vergaren. ‘De dierlijke mens is de zoon van de dierlijke elementen waaruit zijn ziel (leven) werd geboren, en dieren zijn een afspiegeling van de mens’, zegt Paracelsus (De Fundamento Sapientiae). Paracelsus was voorzichtig; hij wilde dat de bijbel overeenstemde met wat hij zei en daarom zei hij niet alles.
26) Cyclische vooruitgang in ontwikkeling.
27) De god in de mens en vaak de incarnatie van een god, een hoog geestelijke Dhyan-Chohan in hem, naast de tegenwoordigheid van zijn eigen zevende beginsel.
28) Welke ‘god’ wordt hier nu bedoeld? Niet God ‘de Vader’, de
antropomorfe fictie, want die god is de gezamenlijke Elohim en heeft geen bestaan los daarvan. Bovendien is zo’n god eindig en onvolmaakt. Hier worden met diegenen die ‘klein in aantal’ zijn de hoge ingewijden en adepten bedoeld. En juist die mensen geloven in ‘goden’ en kennen geen ‘God’, behalve één universele en onvoorwaardelijke godheid, die buiten alle betrekkelijkheid staat.
325/326: De theosofen en occultisten worden aangeklaagd door de openbare mening, die nog steeds de banier van de inductieve wetenschappen hooghoudt. Deze laatste moeten dus worden onderzocht en er moet worden vastgesteld in hoeverre hun prestaties en ontdekkingen op het gebied van de natuurwetten in tegenspraak zijn, niet zozeer met onze beweringen, als wel met de feiten van de natuur. Het uur heeft nu geslagen om vast te stellen of de muren van het moderne
Jericho zo stevig staan, dat geen geschal van de occulte bazuin deze ooit kan doen instorten.
De zogenaamde krachten, allereerst licht en elektriciteit, en de samenstelling van de zonnebol moeten zorgvuldig worden onderzocht; en dit geldt ook voor de zwaartekracht en de nevelvlektheorieën. De aard van de ether en van de andere elementen moet worden besproken en zo moeten wetenschappelijke en occulte leringen tegenover elkaar worden geplaatst, waarbij een aantal tot nu toe geheime leerstukken van laatstgenoemde zullen worden onthuld. (Zie het Aanhangsel.)
Ongeveer vijftien jaar geleden was de schrijfster de eerste die na de kabbalisten de wijze geboden van de esoterische catechismus herhaalde: ‘Sluit uw mond, opdat gij hierover (het mysterie) niet zult spreken, en uw hart, opdat gij niet hardop zult denken; en als uw hart u is ontsnapt, breng het op zijn plaats terug, want dat is het doel van ons verbond.’ (Sepher Jezireh, Boek van de schepping.) En verder: ‘Dit is een geheim dat de dood brengt: sluit uw mond opdat gij het niet aan het gewone volk onthult; houd uw brein bijeen opdat er niet iets uit ontsnapt en naar buiten valt.’ (Richtlijnen voor inwijding.)
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 2 De mysterietaal en haar sleutels (p. 339/340):
De Egyptische priesters zijn veel vergeten, maar ze hebben niets veranderd. Het verlies van een groot gedeelte van de oorspronkelijke leringen was te wijten aan de plotselinge dood van de grote hiërofanten, die stierven voordat ze tijd hadden om alles aan hun opvolgers te openbaren, maar vooral aan het ontbreken van waardige erfgenamen van hun kennis. Toch hebben ze in hun rituelen en dogma’s de belangrijkste leringen van de geheime leer bewaard. Zo vindt men in het door Maspero aangehaalde zeventiende hoofdstuk dat (1) Osiris zegt dat hij toum is (de scheppende kracht in de natuur, die vorm geeft aan alle wezens, geesten en mensen), voortgebracht door zichzelf en bestaande uit zichzelf en voortgekomen uit noun, de hemelse rivier, die vader-moeder van de goden wordt genoemd, de oorspronkelijke godheid die chaos of de diepte is, door de ongeziene geest bevrucht. (2) Hij heeft shoo (de zonnekracht) gevonden op de trap in de Stad van de Acht (de twee kubussen van goed en kwaad) en hij heeft de kinderen van het oproer, de kwade beginselen in noun (chaos), vernietigd. (3) Hij is het vuur en het water, dat is noun de oerbron, en hij heeft uit zijn ledematen de goden geschapen – 14 goden (tweemaal zeven), zeven duistere en zeven lichte goden (de zeven geesten van de Tegenwoordigheid bij de christenen en de zeven duistere kwade geesten). (4) Hij is de wet van het bestaan en van het Zijn (v. 10), de bennoo (of feniks, de vogel van de opstanding in eeuwigheid), in wie de nacht volgt op de dag en de dag op de nacht – een toespeling op de periodieke cyclussen van de wederopstanding van de kosmos en reïncarnatie van de mens; want wat kan dit betekenen? ‘De reiziger die miljoenen jaren overbrugt in naam van de Ene, en de grote groene (oerwater of Chaos) de naam van de andere’ (v. 17); de ene verwekt miljoenen jaren na elkaar, en de andere verzwelgt ze om ze weer terug te geven. (5) Hij spreekt over de zeven Verlichten die hun Heer volgen, die recht doet (Osiris in Amenti).
H.P. Blavatsky Geheime Leer Deel I hoofdstuk 3 Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte (p. 360):
En zolang de tegenstelling tussen subject en object voortduurt – namelijk zolang wij over onze vijf zintuigen beschikken en meer niet, en niet weten hoe we ons alles waarnemende Ego (het hogere Zelf) van de slavernij van deze zintuigen moeten bevrijden – zolang zal het voor het persoonlijke ego onmogelijk zijn de barrière te doorbreken die het scheidt van een kennis van de dingen op zichzelf (of substantie). Dat ego, dat voortgaat op een boog van toenemende subjectiviteit, moet de ervaringen van ieder gebied volledig doormaken. Maar pas wanneer de eenheid is opgegaan in het AL, op dit of op een ander gebied, en wanneer zowel subject als object verdwijnen in de toestand van de absolute ontkenning, d.i. nirvana (ontkenning, ook hier alleen vanuit ons gebied), wordt die top van alwetendheid beklommen – de kennis van dingen op zichzelf, en komt men dichter bij de oplossing van het nog ontzagwekkender raadsel, waarvoor zelfs de hoogste Dhyan-Chohan in stilte en onwetendheid moet buigen – het onuitsprekelijke mysterie van wat de aanhangers van de Vedanta PARABRAHMAM noemen.
Omdat dit zo is, hebben allen die probeerden aan het onkenbare beginsel een naam te geven, het eenvoudig verlaagd. Alleen al door te spreken over de kosmische verbeelding – behalve wat haar fenomenale aspect betreft – is het alsof men probeert de oorspronkelijke Chaos te bottelen, of om op de EEUWIGHEID een gedrukt etiket te plakken.
H.P. Blavatsky Geheime Leer Deel I hoofdstuk 15 Over Kwan-shi-yin en Kwan-yin (p. 515/516):
De Geheime Leer zegt: ‘Hij die bij de hernieuwing als eerste zal verschijnen, zal vóór de wederopneming (pralaya) als laatste komen.’ Zo zijn de logoi van alle volkeren, van de vedische Visvakarma van de mysteriën tot de Heiland van de tegenwoordige beschaafde volkeren, het ‘Woord’, dat ‘in het begin’ (of bij het opnieuw ontwaken van de energiegevende krachten van de Natuur) bij het Ene ABSOLUTE was. Geboren uit vuur en water, voordat deze verschillende elementen werden, was het de ‘maker’ (vormer of vormgever) van alle dingen; ‘zonder hem is niets gemaakt dat is gemaakt’; ‘in wie het leven was, en het leven was het licht van de mensen’; en die tenslotte de alfa en de omega van de gemanifesteerde Natuur kan worden genoemd, zoals hij altijd is genoemd. ‘De grote draak van wijsheid is uit vuur en water geboren en met hem zal alles weer in vuur en water worden opgenomen’ (Fa-Hwa-King). Omdat men over deze bodhisattva zegt, dat hij van het begin van een manvantara tot het einde ervan ‘elke vorm aanneemt die hij verkiest’, en hoewel zijn bijzondere geboortedag (herdenkingsdag) volgens de Kin-kwang-ming-King (‘Lichtende sutra van het gouden licht’) wordt gevierd op de negentiende dag van de tweede maand, en die van ‘Maitreya Boeddha’ op de eerste dag van de eerste maand, zijn die twee toch één. Hij zal in het zevende Ras verschijnen als Maitreya Boeddha, de laatste van de Avatars en Boeddha’s. Dit geloof en deze verwachting zijn in het hele oosten algemeen. Maar in het kali-yug, onze huidige verschrikkelijk materialistische tijd van duisternis, de ‘zwarte eeuw’, kan nooit een
nieuwe Verlosser van de mensheid verschijnen. Het kali-yug is alleen ‘l’age d’or’(!) in de mystieke geschriften van sommige Franse pseudo-occultisten. (Zie La Mission des Juifs.)
Daarom was het ritueel van de exoterische verering van deze godheid gebaseerd op magie. Alle mantra’s zijn ontleend aan speciale boeken die de priesters geheim hielden, en men zegt dat elk ervan een magische uitwerking heeft, omdat de zanger of lezer alleen al door ze te zingen, een geheime oorzaak in het leven roept die onmiddellijke gevolgen heeft. Kwan-Shi-Yin is Avalokiteshvara
, en beiden zijn vormen van het zevende universele beginsel, terwijl deze godheid in zijn meest verheven metafysische karakter de synthese is van alle planeetgeesten, Dhyani-Chohans. Hij is de ‘zelf-gemanifesteerde’; kortom, de ‘zoon van de vader’. Gekroond met zeven draken, staat boven zijn beeld de inscriptie Pu-Tsi-K’iun-ling, ‘de universele Verlosser van alle levende wezens’.
516,517: Natuurlijk is de naam die in het archaïsche boek van de stanza’s wordt gegeven, heel anders, maar Kwan-Yin is er volkomen gelijkwaardig mee. In een tempel van Pu’to, het heilige eiland van de boeddhisten in China, wordt Kwan-Shi-Yin voorgesteld terwijl hij op een zwarte watervogel (kāla-hansa) drijft en over de hoofden van de stervelingen het levenselixer giet, dat tijdens het uitstromen wordt veranderd in een van de belangrijkste Dhyani-Boeddha’s – de heerser van een ster die de ‘
ster van de verlossing’ wordt genoemd. In zijn derde transformatie is Kwan-Yin de bezielende geest of genius van het water. In China gelooft men dat de Dalai-Lama een incarnatie van Kwan-Shi-Yin is, die in zijn derde verschijning op aarde een bodhisattva was, terwijl de Teshu Lama een incarnatie is van Amitabha Boeddha of Gautama.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 11 Over elementen en atomen Vanuit het standpunt van de wetenschap en van het occultisme (p. 632):
In het noordelijke boeddhistische stelsel, of de exoterische volksreligie, wordt geleerd dat elke Boeddha, terwijl hij op aarde de goede wet predikt, zich gelijktijdig in drie werelden manifesteert: in de vormloze als Dhyāni-Boeddha, in de wereld van de vormen als een
bodhisattva en in de wereld van de begeerte, de laagste (of onze wereld) als een mens. De esoterische leer is anders: de goddelijke, zuiver ādi-buddhische monade manifesteert zich als het universele buddhi (de mahā-buddhi of mahat in de hindoefilosofieën), de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van goddelijke intelligentie, de hoogste anima mundi of de logos. Deze daalt neer ‘als een vlam die zich vanuit het eeuwige vuur verspreidt, onbeweeglijk en zonder toe of af te nemen, steeds dezelfde tot het einde’ van de cyclus van het bestaan en wordt op het gebied van de wereld het universele leven. Uit dit gebied van bewust leven schieten, als zeven vurige tongen, de zonen van het licht (de logoi van het leven). Daarna komen de Dhyāni-Boeddha’s van de contemplatie: de concrete vormen van hun vormloze vaders – de zeven zonen van het licht, die nog zichzelf zijn. Op hen kan het brahmaanse mystieke gezegde ‘U bent ‘DAT’ – Brahman’ worden toegepast. Deze Dhyāni-Boeddha’s stralen hun chhāyā’s (schaduwen) uit, de bodhisattva’s van de hemelse rijken, de oervormen van de bovenaardse bodhisattva’s en van de aardse Boeddha’s en tenslotte van de mensen. De ‘zeven zonen van het licht’ worden ook ‘sterren’ genoemd.
H.P. Blavatsky Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 708):
Hoe dichter de sterveling, van wie de persoonlijkheid door zijn eigen persoonlijke godheid (het zevende beginsel) als aardse verblijfplaats was gekozen, zijn oervorm ‘in de hemel’ benaderde, des te beter het voor hem was. Want bij iedere wilsinspanning tot
loutering en tot vereniging met die ‘Zelf-god’, breekt een van de lagere stralen en komt de spirituele entiteit van de mens steeds hoger, aangetrokken tot de straal die de eerste vervangt, totdat de innerlijke mens, van straal tot straal gaande, in de ene en hoogste straal van de Moeder-zon wordt getrokken. Zo ‘lopen de lotgevallen van de mensheid inderdaad gelijk op met de getalvormen’, omdat de afzonderlijke eenheden van die mensheid alle voortkomen uit dezelfde bron – de centrale zon en zijn schaduw, de zichtbare zon. Want de dag- en nachteveningen en zonnestilstanden, de perioden en verschillende fasen van de baan van de zon, sterrenkundig en numeriek uitgedrukt, zijn slechts de concrete symbolen van de eeuwig levende waarheid, hoewel zij voor niet-ingewijde stervelingen toch abstracte denkbeelden schijnen. En dit verklaart de merkwaardige numerieke overeenkomsten met meetkundige verhoudingen, die door verschillende schrijvers zijn aangetoond.
713: En even onverstandig zijn zij die geloven dat de godin door welke offers en gebeden ook, gunstig kan worden gestemd, of dat haar wiel kan worden afgebracht van het pad dat het eenmaal heeft ingeslagen. ‘De drievormige schikgodinnen en de altijd waakzame furiën’ zijn alleen op aarde haar attributen, en ze zijn door onszelf voortgebracht. Van de paden van haar kringloop is geen terugkeer mogelijk; toch hebben wij die paden zelf gemaakt, want wij zelf, collectief of individueel, bereiden ze voor. Karma-Nemesis is synoniem met voorzienigheid, zonder vooropgezet plan, goedheid en iedere andere eindige eigenschap en kwalificatie, die zo onfilosofisch aan deze laatste wordt toegeschreven.
714: Onze onwetendheid over die wegen van karma zou ongetwijfeld verdwijnen, als we deze slechts aan de juiste oorzaak zouden toeschrijven. Met de juiste kennis, of in ieder geval met de vaste overtuiging dat onze buren er evenmin naar streven om ons te benadelen, als wij de bedoeling zouden hebben om hen kwaad te doen, zou tweederde van het kwaad in de wereld in het niet verdwijnen. Als niemand zijn broeder kwaad deed, zou karma-Nemesis geen reden hebben tot handelen, en geen wapens om te gebruiken. De voortdurende aanwezigheid in ons midden van alle elementen van strijd en tegenstelling en de verdeling van rassen, volkeren, stammen, gemeenschappen en individuen in Kaïns en Abels, wolven en lammeren, zijn de voornaamste oorzaken van de ‘wegen van de voorzienigheid’. We vormen deze talrijke kronkelwegen van ons lot dagelijks met eigen handen, terwijl we ons verbeelden dat we een spoor volgen op de koninklijke hoofdweg van fatsoen en plicht, en klagen dan dat die wegen zo ingewikkeld en duister zijn. We zijn verbijsterd over het mysterie dat we zelf hebben gemaakt en over de raadsels van het leven die we maar niet oplossen, en we beschuldigen dan de grote sfinx dat ze ons verslindt.

De Geheime Leer Deel II, De chronologie van de brahmanen (p. 66):
Zuiver brahmaanse overwegingen, gebaseerd op begeerte naar macht en eerzucht, lieten de grote massa onwetend van grote waarheden; en dezelfde oorzaken brachten de ingewijden onder de eerste christenen ertoe het stilzwijgen te bewaren, terwijl degenen die de waarheid nooit hadden gekend, de orde van de dingen vervormden, en de hiërarchie van de ‘engelen’ beoordeelden naar hun exoterische vorm. Evenals de Asura’s in het volksgeloof de opstandige lagere goden waren geworden, die de hogere bestreden, zo werd de hoogste Aartsengel, in werkelijkheid de Agathodaemon, de oudste goedgezinde logos, voor de theologie de ‘
tegenstander’ of satan. Maar wordt dit gerechtvaardigd door de juiste interpretatie van een van de oude heilige geschriften? Het antwoord is: beslist niet.
68: Zoals Bentley aantoont, zijn de ‘oorlog van de titanen tegen de goden’ bij Hesiodus, en ook de oorlog van de Asura’s (of de Tarakamaya) tegen de deva’s in de puranische legende, behalve de namen, in alles identiek. De aspecten van de sterren tonen aan (Bentley neemt het jaar 945 v.Chr. als de dichtstbijzijnde datum voor zo’n conjunctie) dat ‘alle planeten, behalve Saturnus, aan dezelfde kant van de hemel stonden als de zon en de maan’ en dus zijn tegenstanders waren. En toch is het Saturnus of de joodse ‘maan-god’ die zegevierde, zowel volgens Hesiodus als Mozes – die geen van beiden werden begrepen. Zo werd de ware betekenis verwrongen.

H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel II, Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 88):
Geen enkele entiteit, hetzij engel of mens, kan de toestand van nirvana of van absolute zuiverheid bereiken, behalve door het doormaken van eonen van lijden en door de kennis van zowel het KWADE als het goede, omdat het laatste anders onbegrijpelijk zou blijven.
De Geheime Leer Deel II, Het maagdelijke derde Ras (p. 153):
Herhaaldelijk is de tegenwerping gemaakt dat, hoe hoog het metafysische denken in het oude India ook stond, de oude Egyptenaren zich toch op niets anders konden beroemen dan op grove afgodendienst en dierenverering, terwijl Hermes zoals men beweert het werk is van Griekse mystici die in Egypte woonden. Hierop kan één antwoord worden gegeven: een rechtstreeks bewijs dat de Egyptenaren in de Geheime Leer geloofden, is dat zij daarin bij de inwijding werden onderwezen. Laat de opponenten de ‘Eclogae Physicae et Ethicae’ van Stobaeus raadplegen, de Griekse verzamelaar van oude fragmenten, die in de vijfde eeuw n.Chr. leefde. Het volgende is een door hem gemaakt afschrift van een oud Hermetisch fragment, dat de Egyptische theorie over de ziel bevat. Woordelijk vertaald staat er:
‘Uit één ziel, die van het AL, ontstaan alle zielen, die zich verspreiden alsof ze opzettelijk over de wereld werden verdeeld. Deze zielen ondergaan veel vormveranderingen; de al kruipende dieren veranderen in waterdieren; uit deze waterdieren komen landdieren voort, en uit deze de vogels. Uit de wezens die hoog in de lucht (de hemel) wonen, worden mensen geboren. Bij het bereiken van de staat van mens, ontvangen de zielen het beginsel van (bewuste) onsterfelijkheid, worden geesten, en worden dan opgenomen in het koor van de goden.’
De Geheime Leer Deel II, Stanza 6 De evolutie van de zweetgeborenen (p. 171):
Analogie is de leidende wet in de Natuur, de enige ware draad van Ariadne, die ons langs de onontwarbare wegen van haar domein kan voeren naar haar eerste en laatste mysteriën. De Natuur is als scheppend vermogen oneindig, en geen enkele generatie van natuurkundigen kan zich er ooit op beroemen de lijst van haar middelen en methoden te hebben uitgeput, hoe uniform de wetten die zij volgt ook zijn.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 9 DE LAATSTE EVOLUTIESTADIA VAN DE MENS (p. 216):
(a) De 'zondeval’ vond volgens de oude wijsheid en de oude geschriften plaats, zodra Daksha (de gereïncarneerde schepper van mensen en dingen in het begin van het derde Ras) verdween om plaats te maken voor dat deel van de mensheid dat zich had ‘gescheiden’.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk Edens, slangen en draken (p. 230):
Maar dit is niet het Eden uit Genesis; en ook niet de kabbalistische Hof van Eden. Want het eerstgenoemde – Eden Illa-ah – is in één betekenis wijsheid, een toestand zoals die van nirvana, een paradijs van gelukzaligheid; terwijl het in een andere betekenis betrekking heeft op de verstandelijke mens zelf, die het Eden bevat waarin de boom van de kennis van goed en kwaad groeit: op de mens als kenner (knower, knowing, and known) daarvan.
241: ‘Uit dit gebied van onpeilbare diepte (bythos, aditi, shekinah, de sluier van het onbekende) komt een cirkel tevoorschijn die uit spiralen is gevormd. Dit is Tiphereth, wat in de taal van de symboliek een grote cyclus betekent, die uit kleinere is samengesteld. Daarbinnen, opgerold langs de spiralen, ligt de slang-embleem van wijsheid en eeuwigheid – de tweevoudige androgyn; de cyclus stelt Ennoia of het goddelijke denkvermogen voor (een kracht die niet schept maar moet assimileren), en de slang, de Agathodaemon, de Ophis, de schaduw van het licht (niet-eeuwig, maar toch het grootste goddelijke licht op ons gebied). Beide waren de logoi van de ofieten: of de eenheid als logos, die zich manifesteert als een dubbel beginsel van goed en kwaad.’
241/242: Als het alleen licht was, niet-actief en absoluut, dan zou het menselijke denkvermogen het niet kunnen waarderen of zelfs beseffen. Schaduw is dat, wat het licht in staat stelt zich te manifesteren en wat het objectieve werkelijkheid geeft. Daarom is schaduw niet iets kwaads, maar het noodzakelijke en onmisbare gevolg, dat het licht of het goede volledig maakt: zij is de schepper ervan op aarde.
Volgens de opvattingen van de gnostici zijn deze twee beginselen onveranderlijk licht en schaduw, want goed en kwaad zijn feitelijk één en hebben in alle eeuwigheid bestaan, en ze zullen altijd blijven bestaan zolang er gemanifesteerde werelden zijn.
Dit symbool verklaart de verering door deze sekte van de slang, als de Verlosser; gekronkeld om het offerbrood of om een tau, het fallische embleem. Als eenheid zijn Ennoia en Ophis de logos. Als ze zijn gescheiden, is de ene de Boom van het leven (geestelijk), de andere de Boom van kennis van goed en kwaad. Daarom zien we dat Ophis het eerste mensenpaar – het stoffelijke voortbrengsel van Ilda-Baoth, dat echter zijn geestelijke beginsel te danken had aan Sophia-Achamoth – aanspoort van de verboden vrucht te eten, hoewel Ophis de goddelijke wijsheid voorstelt.
De slang, de boom van kennis van goed en kwaad, en de boom van het leven zijn symbolen die van Indiase bodem werden overgeplant. De arasamaram, de waringinboom, die voor hindoes zo heilig is (omdat Vishnu tijdens een van zijn incarnaties onder zijn machtige schaduw rustte en daar menselijke filosofie en wetenschappen onderwees), wordt de boom van kennis en de boom van het leven genoemd. Onder het beschermende gebladerte van deze koning van de wouden geven de goeroes hun leerlingen de eerste lessen over de onsterfelijkheid en wijden hen in de mysteriën van leven en dood in.
243: Zo weinig hebben de eerste christenen (door wie de joden van hun bijbel werden beroofd) de esoterische betekenis van de eerste vier hoofdstukken van Genesis begrepen, dat zij nooit bemerkten dat met deze ongehoorzaamheid niet alleen geen zonde werd bedoeld, maar dat de ‘slang’ in werkelijkheid ‘de Heer God’ zelf was, die evenals de Ophis, de logos of de drager van goddelijke, scheppende wijsheid, aan de mensheid leerde op hun beurt scheppers te worden29. Zij hebben nooit beseft dat het kruis zich heeft geëvolueerd uit de ‘boom en de slang’ en zo de verlossing van de mensheid werd. Hierdoor zou het het eerste fundamentele symbool van de Scheppende Oorzaak worden, toepasbaar op de meetkunde, op getallen, op de sterrenkunde, op maten en op dierlijke voortplanting. Volgens de Kabbala kwam de vloek over de mens bij het vormen van de vrouw30. De cirkel werd gescheiden van zijn middellijn. ‘Uitgaande van het bezit van het dubbele beginsel in één, dat is de androgyne toestand, had de scheiding van het tweevoudige beginsel plaats, waaruit twee tegengestelden ontstonden, die bestemd waren eeuwig te zoeken naar hereniging tot de oorspronkelijke ene toestand.
29) De lezer wordt eraan herinnerd dat in de Zohar en ook in alle kabbalistische boeken wordt beweerd dat ‘Metatron verenigd met Shekinah’ [of Shekinah als de sluier (genade) van Ain-Soph] die de logos voorstelt, de boom van kennis zelf is; terwijl Shamaël – het duistere aspect van de logos – alleen de schors van die boom bewoont, en alleen de kennis van het KWADE heeft. Zoals Lacour, die in het schouwspel van de val (hfst. iii, Genesis) een voorval zag dat tot de Egyptische inwijding behoorde, zegt: ‘De boom van de waarzeggerij of van de kennis van goed en kwaad . . . is de wetenschap van Tzyphon, de genius van de twijfel; Tzy is onderwijzen en phon is twijfel. Tzyphon is een van de aleim; we zullen hem straks tegenkomen onder de naam Nach, de verleider.’ (Les OEloim, Deel II, blz. 218.) Hij staat nu bij de kenners van de symboliek bekend onder de naam JEHOVA.
30) Dit is de opvatting die alle kerkvaders hebben aanvaard, maar het is niet de werkelijke esoterische leer. De vloek begon niet bij het vormen van man of vrouw, want hun scheiding was een natuurlijk gevolg van de evolutie, maar bij het overtreden van de wet (zie boven).

244: ‘De boom van kennis van goed en kwaad groeit uit de wortels van de boom van het leven.’ (Toel.) Maar ook: ‘In de Kabbala is duidelijk te vinden dat ‘de boom van het leven’ het ansatakruis in zijn seksuele aspect was, en dat de ‘boom van kennis’ de scheiding en het weer samenkomen was om de noodlottige voorwaarde te vervullen. De waarden van de letters die het woord otz (עץ), boom, vormen, zijn 7 en 9; de zeven is het heilige vrouwelijke getal en de negen het getal van de fallische of mannelijke energie. Dit ansatakruis is het symbool van de Egyptische vrouw-man, Isis-Osiris, het kiembeginsel in alle vormen, gebaseerd op de eerste manifestatie, die in elke richting en in elke betekenis kan worden toegepast:
Dit is de kabbalistische opvatting van de westerse occultisten, en deze verschilt van de meer filosofische oosterse of Arische denkbeelden over dit onderwerp. De scheiding van de geslachten was onderdeel van het programma van de natuur en van de natuurlijke evolutie; en het scheppende vermogen in man en vrouw was een geschenk van de goddelijke wijsheid.
De Geheime Leer Deel II Stanza 10 De geschiedenis van het vierde ras (p.276):
‘Satan of Lucifer vertegenwoordigt de actieve of, zoals Jules Baissac het noemt, de ‘middelpuntvliedende energie van het Heelal’ in kosmische zin. Hij is vuur, licht, leven, strijd, inspanning, gedachte, bewustzijn, vooruitgang, beschaving, vrijheid, onafhankelijkheid. Tegelijkertijd is hij pijn, de reactie op de vreugde van de daad, en dood – de omwenteling van het leven – satan, die brandt in zijn eigen hel, voortgebracht door de heftigheid van zijn eigen stuwkracht – de expansieve ontbinding van de nevelvlek, die zich moet verdichten tot nieuwe werelden. En terecht wordt hij telkens opnieuw weerhouden door de eeuwige inertie van de passieve energie van de Kosmos – het onverbiddelijke ‘IK BEN’ – de vuursteen waaruit de vonken worden geslagen. Terecht worden hij . . . en zijn aanhangers . . . prijsgegeven aan de ‘zee van vuur’, want in de zon (in de kosmische allegorie in slechts één betekenis), de levensbron in ons stelsel, worden zij gezuiverd (ontbonden) en gekarnd om ze voor een nieuw leven (de opstanding) geschikt te maken; die zon die, als de oorsprong van het actieve beginsel van onze aarde, tegelijk het thuis en de oorsprong van de wereldlijke satan is .’ De juistheid van de algemene theorie van Baissac (in Le Diable et Satan) blijkt verder uit het bekende feit dat koude een ‘middelpuntzoekende’ werking heeft.
H.P. Blavatsky Geheime Leer Deel II Stanza 10 Vervolg (p. 309):
De legende van de ‘gevallen engelen’ bevat in haar esoterische betekenis de sleutel tot de talrijke tegenstrijdigheden in het karakter van de mens; zij wijst op het geheim van het zelfbewustzijn van de mens; zij is de hoeksteen waarop zijn hele levenscyclus is gebaseerd – de geschiedenis van zijn evolutie en groei.
Het juiste begrip van de esoterische antropogenese hangt af van een goede beheersing van deze leer. Deze geeft een aanwijzing voor de oplossing van het lastige vraagstuk van de oorsprong van het kwaad, en laat zien dat de mens zelf het ENE scheidt in verschillende tegengestelde aspecten.
Geheime Leer Deel II Zijn de reuzen een verzinsel? (p. 315):
Bossuet (Elévations, blz. 56) ziet de oorzaak van de latere universele afgodendienst in de ‘erfzonde’. ‘Gij zult als goden zijn’, zegt de slang van Genesis tegen Eva, en legt zo de eerste kiem voor de verering van valse godheden. Daaruit ontstond de afgodendienst, denkt hij, of de cultus en de aanbidding van beelden, van vermenselijkte of menselijke figuren. Maar als men de afgodendienst op het laatstgenoemde baseert, dan zijn de twee kerken, de Griekse en vooral de Latijnse, even afgodisch en heidens als iedere andere religie2. Pas in het vierde Ras gingen de mensen, die alle recht hadden verloren om als goddelijk te worden beschouwd, over tot lichaamsverering, met andere woorden, tot fallisme.
2) En dat ondanks het formele verbod van het grote kerkconcilie van Elyrus in 303 n.Chr., toen werd verklaard dat ‘de vorm van God, die onstoffelijk en onzichtbaar is, niet zal worden beperkt door gestalte of vorm’. In 692 had ook het concilie van Constantinopel verboden ‘Jezus als een lam af te beelden of voor te stellen’ en ook ‘om te knielen in gebed, omdat dit een daad van afgodendienst is’. Maar het concilie van Nicaea (787) bracht deze afgodendienst terug, terwijl dat van Rome (883) Johannes, de patriarch van Constantinopel, excommuniceerde, omdat hij zich een openlijke tegenstander van beeldenverering toonde.
Geheime Leer Deel II De rassen met het derde oog (p. 330):
Dit is weer een allegorie en een symbool dat alleen door de oriëntalisten verkeerd wordt begrepen; die zien in deze vogel ‘een incarnatie van de bliksem’, en zeggen dat zijn lied ‘vaak werd opgevat als een uitspraak van een god en een openbaring’, en wat al niet meer. Karshipta is de menselijke denk-ziel en de godheid daarvan, die bij de oude magiërs werd gesymboliseerd door een vogel, en bij de Grieken door een vlinder. Zodra Karshipta de vara of mens was binnengetreden, begreep hij de wet van Mazda of de goddelijke wijsheid. In het ‘Book of Concealed Mystery’ wordt over de boom, die de boom van kennis van goed en kwaad is, gezegd: ‘In zijn takken (van de boom) wonen de vogels en bouwen zij hun nesten’, of hebben de zielen en de engelen hun plaats! Daarom was de boom bij de kabbalisten een soortgelijk symbool. ‘Vogel’ was een Chaldeeuws, en werd later een Hebreeuws synoniem en symbool voor engel, een ziel, een geest of deva; en het ‘vogelnest’ was bij beiden de hemel, en is in de Zohar de schoot van God. De volmaakte messias treedt Eden binnen ‘op de plaats die het vogelnest wordt genoemd’ (Zohar, ii, 8b). ‘Zoals een vogel die van zijn nest vliegt, en dat is de ziel van wie de shekinah (goddelijke wijsheid of genade) zich niet verwijdert’ (Zohar, iii, 278a; Qabbalah van Myer, 217). ‘Het nest van de eeuwige vogel, van wie het klapwieken leven voortbrengt, is grenzeloze ruimte’, zegt de Toelichting, die Hansa, de vogel van de wijsheid betreft.
Adam Kadmon is de boom (van de sephiroth) en hij wordt esoterisch de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. En die ‘boom heeft om zich heen zeven zuilen (zeven pilaren) van de wereld, of bestuurders’; dezelfde ‘voorouders’ of ‘sephiroth’ die weer ‘werkzaam zijn door middel van de respectievelijke orden van engelen in de sferen van de zeven planeten’, enz.; een van die orden verwekt reuzen (nephilim) op aarde.
342: De wet van KARMA is onontwarbaar verweven met die van reïncarnatie.
Alleen de leer die hieronder kort wordt samengevat, kan ons het geheimzinnige vraagstuk van goed en kwaad verklaren en de mens verzoenen met de vreselijke en schijnbare onrechtvaardigheid van het leven. Deze leer omvat de kennis van de voortdurende wedergeboorten van één en hetzelfde individu door de hele levenscyclus heen, en de overtuiging dat dezelfde MONADEN, onder wie veel Dhyan-Chohans of de ‘goden’ zelf zijn, door de ‘kringloop van noodzakelijkheid’ moeten gaan en door zo’n wedergeboorte worden beloond of gestraft voor het ondergane lijden of de gepleegde misdaden in het vorige leven. Verder zegt deze leer dat juist die monaden die binnengingen in de lege, onbezielde schillen of astrale vormen van het eerste Ras, die door de pitri’s waren geëmaneerd, dezelfde zijn die nu in ons midden zijn – ja, misschien zelfs wij zelf zijn. Slechts de zekerheid die zo’n leer biedt, kan ons in opstand gekomen gevoel van rechtvaardigheid tot rust brengen. Het kan zijn dat iemand die deze edele leer niet kent, om zich heen ziet en de ongelijkheid van geboorte en lot, van verstand en capaciteiten waarneemt en dat hij constateert dat eer wordt bewezen aan dwazen en losbollen, die alleen tengevolge van hun geboorte door het lot met gunsten zijn overladen, terwijl hun naaste buurman met al zijn verstand en edele deugden – die in ieder opzicht veel grotere verdiensten heeft – omkomt van armoede en door gebrek aan sympathie. Wanneer hij dit alles ziet en zich moet afwenden – niet in staat om het onverdiende lijden te verlichten, terwijl de kreten van pijn om hem heen in zijn oren weerklinken en zijn hart ontroeren – dan weerhoudt alleen die gezegende kennis van karma hem ervan zowel het leven en de mensen als hun veronderstelde schepper te vervloeken.
343/344: Vergelijk dit blinde geloof met het filosofische geloof aan Karma-Nemesis, of de wet van de vergelding, dat is gebaseerd op louter redelijke bewijzen en op levenservaring. Deze wet, of die nu bewust of onbewust werkt, beschikt niets en niemand tot iets vóór. Zij bestaat werkelijk van en in eeuwigheid, want zij is de EEUWIGHEID zelf; en omdat geen handeling kan samenvallen met de eeuwigheid, kan men niet zeggen dat zij handelt, want zij is de HANDELING zelf. Iemand verdrinkt niet door de golf, maar door de persoonlijke daad van deze ongelukkige, die weloverwogen handelt en zich blootstelt aan de onpersoonlijke werking van de wetten die de bewegingen van de oceaan beheersen. Karma schept niets en beraamt niet. De mens maakt plannen en schept oorzaken en de karmische wet past de gevolgen erbij aan. Deze aanpassing is geen handeling, maar universele harmonie, die er steeds toe neigt om naar de oorspronkelijke toestand terug te keren, zoals een tak die te sterk wordt neergebogen, met overeenkomstige kracht terugspringt.
345: Nauw of beter onverbrekelijk verbonden met karma is de wet van de wedergeboorte, of van de reïncarnatie van een en dezelfde geestelijke individualiteit in een lange, bijna eindeloze reeks van persoonlijkheden. Deze laatsten zijn als de verschillende kledingstukken die door dezelfde acteur worden gedragen en de rollen die door hem worden gespeeld, met elk waarvan die acteur zich enkele uren identificeert en door het publiek wordt geïdentificeerd.
Geheime Leer Deel II Stanza 12 Het vijfde ras, goddelijke leermeesters
De oorsprong van de mythe van satan (p. 433):
‘Ons . . . fragment heeft betrekking op de schepping van de mensheid, die Adam wordt genoemd; als (de mens) in de bijbel wordt hij volmaakt geschapen . . . maar later verenigt hij zich met de draak van de afgrond, het beest van Tiamat, de geest van de Chaos, en zondigt tegen zijn god, die hem vervloekt en al het kwaad en de moeilijkheden van de mensheid op zijn hoofd laat neerdalen.’
‘Hierop volgt een oorlog tussen de draak en de machten van het kwaad, of de chaos aan de ene kant en de goden aan de andere.’
439: Satan vertegenwoordigt metafysisch eenvoudig het omgekeerde of de tegengestelde pool van alles in de natuur22. Hij is allegorisch de
tegenstander, de ‘moordenaar’ en de grote vijand van alles, omdat er in het gehele heelal niets is dat niet twee kanten heeft – de keerzijden van dezelfde medaille.
22) In de demonologie is satan de leider van de oppositie in de hel, waarvan Beëlzebub de vorst was. Hij behoort tot de vijfde soort of klasse van demonen (waarvan er volgens de middeleeuwse demonologie negen zijn) en hij staat aan het hoofd van heksen en tovenaars. Maar zie in de tekst de ware betekenis van Baphomet, de satan met de geitenkop, die één is met Azazel, de zondebok van Israël. De Natuur is de god PAN.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 12 Het vijfde ras en zijn goddelijke leermeesters (p. 403/404):
‘In die tijd’, voegt de schrijver van dat merkwaardige boek, de ‘Sphinxiad’ en van ‘Urania’s Key to the Revelations’ hieraan toe, ‘zou de ecliptica op het middaguur parallel lopen met de meridiaan, en zou een deel van de Dierenriem van de noordpool afdalen naar de noordelijke horizon, en de acht kronkels van de slang (acht siderische jaren of meer dan 200.000 zonnejaren) kruisen, die zouden lijken op een denkbeeldige ladder met acht sporten, die van de aarde naar de pool, d.i. de troon van Jupiter, reikt. Langs deze ladder klommen en daalden de goden, d.i. de tekens van de Dierenriem (de ladder van Jakob en de engelen) . . . Het is meer dan 400.000 jaar geleden dat de Dierenriem de zijden van deze ladder vormde.’
474: Er is in de natuur één eeuwige wet, die er altijd naar streeft tegenstellingen te vereffenen en een uiteindelijke harmonie teweeg te brengen. Dankzij deze wet, waardoor de geestelijke ontwikkeling de stoffelijke en zuiver intellectuele verdringt, zal de mensheid worden bevrijd van haar valse goden en zal zij tenslotte DOOR ZICHZELF ZIJN VERLOST.
474/475: Het geschenk van Prometheus werd zo een VLOEK – hoewel de MENIGTE die in hem was gepersonifieerd, dit vooruit wist en zag, zoals zijn naam ook aantoont14. Hierin schuilt tegelijkertijd de zonde en de verlossing ervan. Want de menigte die in een deel van de mensheid incarneerde gaf, hoewel zij ertoe werd geleid door karma of nemesis, de voorkeur aan de vrije wil boven passieve slavernij, verstandelijke zelfbewuste pijn en zelfs marteling – ‘terwijl eeuwen verstrijken’ – boven zinloze, stompzinnige, instinctieve zaligheid. Hoewel zij wist dat zo’n incarnatie prematuur was en niet de bedoeling van de natuur, offerde de hemelse menigte, ‘Prometheus’, zich op om daarmee tenminste voor een deel van de mensheid nuttig te zijn15. Maar terwijl zij de mens van verstandelijke duisternis bevrijdden, lieten zij hem de martelingen ondergaan van het zelfbewustzijn van zijn verantwoordelijkheid – het gevolg van zijn vrije wil – en bovendien elk kwaad dat het erfdeel is van de sterfelijke mens en van het vlees. Deze marteling aanvaardde Prometheus voor zichzelf, omdat de menigte daarna één werd met het tabernakel dat voor hen was voorbereid en dat in die formatieperiode nog niet was voltooid.
De 'vloek' vanuit filosofisch gezichtspunt (p. 475):
Omdat de geestelijke evolutie niet in staat was de stoffelijke bij te houden, toen de homogeniteit ervan eenmaal door de vermenging was verbroken, werd het geschenk de belangrijkste oorzaak, zo niet de enige oorsprong, van het kwaad16.
16)
De filosofische opvatting van de Indiase metafysica plaatst de wortel van het kwaad in de differentiatie van het homogene in het heterogene, van het ene in het vele.
476/477: Een god, die zelfs is beroofd van die hoogste vertroosting van Prometheus, die in zelfopoffering leed
‘Omdat hij de mensen een te warm hart toedroeg . . .’
want de goddelijke titan wordt bewogen door altruïsme, maar de sterfelijke mens telkens weer door zelfzucht en egoïsme.
De moderne Prometheus is nu Epi-metheus geworden, ‘hij die alleen na de gebeurtenis ziet’; omdat de universele mensenliefde van de eerstgenoemde al lang in zelfzucht en zelfaanbidding is ontaard. De mens zal weer de vrije titan van vroeger worden, maar niet vóór de cyclische evolutie de verbroken harmonie tussen de twee naturen – de aardse en de goddelijke – heeft hersteld; waarna hij ontoegankelijk wordt voor de lagere titanische krachten, onkwetsbaar in zijn persoonlijkheid en onsterfelijk in zijn individualiteit, wat niet kan plaatsvinden vóór ieder dierlijk element uit zijn natuur is verwijderd. Wanneer de mens begrijpt dat ‘Deus non fecit mortem’ (Sap. I, 13), maar dat de mens die zelf heeft geschapen, zal hij weer de Prometheus worden van voor zijn val.
Voor de volledige symboliek van Prometheus en de oorsprong van deze mythe in Griekenland wordt de lezer verwezen naar Afdeling II van dit Deel, het hoofdstuk ‘Een tweede sleutel tot Prometheus’, enz. In de genoemde afdeling – een soort aanvulling van dit gedeelte – wordt alle verdere informatie gegeven over die leringen die het meest zullen worden bestreden en betwijfeld. Dit boek is zo heterodox, als men het toetst aan de erkende maatstaven van de theologie en de hedendaagse wetenschap, dat geen enkel bewijs waaruit zou kunnen blijken dat deze maatstaven vaak een onrechtmatig gezag opeisen, mag worden genegeerd.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 18 Over de mythe van de gevallen engel - in haar verschillende aspecten (p. 540):
540: Omdat de hele filosofie van het vraagstuk van het kwaad berust op een juist begrip van de constitutie van het
innerlijke wezen van de natuur en de mens, het goddelijke in het dierlijke, en dus ook op de juistheid van het hele stelsel zoals dat in deze bladzijden wordt gegeven met betrekking tot de kroon op de evolutie – DE MENS – kunnen we niet genoeg voorzorgsmaatregelen nemen tegen theologische uitvluchten. Dat de goede Augustinus en de vurige Tertullianus de duivel ‘de aap van God’ noemden, kan worden toegeschreven aan de onwetendheid van de eeuw waarin zij leefden. Het is moeilijker onze hedendaagse schrijvers om dezelfde reden te verontschuldigen. De vertaling van de mazdeïsche literatuur heeft de rooms-katholieke schrijvers een voorwendsel verschaft om hun denkbeelden in dezelfde richting nog eens uiteen te zetten. Zij hebben voordeel getrokken uit de tweevoudige natuur van Ahura Mazda in de Zend Avesta en de Vendidad en van zijn Amshaspends om nog meer nadruk te leggen op hun wilde theorieën. Satan is de plagiaris en de kopiist bij voorbaat van de religie die eeuwen later kwam. Dit was een van de meesterlijke zetten van de Latijnse kerk, haar beste troefkaart na de opkomst van het spiritisme in Europa. Hoewel het in het algemeen slechts een matig succes had, zelfs bij degenen die niet in theosofie of spiritisme zijn geïnteresseerd, wordt het wapen toch door de christelijke (rooms-katholieke) kabbalisten vaak tegen de oosterse occultisten gebruikt.
542/543: Het is een bekend feit – in ieder geval bekend aan geleerde kenners van de symboliek – dat in elke grote religie van de oudheid de logos-demiurg (tweede logos), of de eerste emanatie van het denkvermogen (mahat), als het ware de grondtoon aanslaat van wat in het daaropvolgende evolutieschema de wisselwerking van individualiteit en persoonlijkheid kan worden genoemd. In de mystieke symboliek van kosmogonie, theogonie en antropogenie vervult de logos in het drama van de schepping en het zijn,
twee rollen, namelijk die van de zuiver menselijke persoonlijkheid en de goddelijke onpersoonlijkheid van de zogenaamde Avatars of goddelijke incarnaties, en van de universele geest die door de gnostici Christos wordt genoemd en in de mazdeïsche filosofie de Farvarshi (of Ferouer) van Ahura Mazda.
Op de lagere trappen van de theogonie hadden de hemelse wezens van lagere hiërarchieën elk een Farvarshi of een hemelse ‘dubbelganger’. Het is dezelfde, alleen meer mystieke bevestiging van het kabbalistische axioma: Deus est Demon inversus. Het woord ‘demon’ betekent hier echter, evenals bij Socrates en in de geest van de betekenis die door de hele oudheid eraan werd gegeven, een beschermgeest, een ‘engel’, niet een duivel van satanische afkomst, zoals de theologie beweert. De rooms-katholieke kerk toont haar gebruikelijke logica en consequentie door als de
ferouer van Christus, Michaël aan te nemen, die ‘zijn beschermengel’ was, zoals is bewezen door Thomas4, die de prototypen van Michaël en zijn synoniemen, zoals bijvoorbeeld Mercurius, duivels noemt.
De kerk aanvaardt met stelligheid de leer dat Christus zijn
Ferouer heeft, evenals elke andere god of sterveling. De Mirville schrijft: ‘Hier hebben we de twee helden van het Oude Testament, het Verbum (?) of de tweede Jehova, en zijn gezicht (‘Tegenwoordigheid’, zoals de protestanten vertalen), die beiden slechts één vormen en toch twee zijn, een mysterie dat ons onoplosbaar toescheen voordat we de leer van de mazdeïsche ferouers hadden bestudeerd en hadden vernomen dat de ferouer het geestelijke vermogen was, tegelijk beeld, gezicht en beschermer van de ziel, die tenslotte de ferouer in zich opneemt.’ (Mémoires á l’Académie, Deel v, blz. 516.) Dit is bijna juist.
544/545: Al het bovenstaande wordt gegeven op gezag van verschillende boeken door rooms-katholieken, en moet dus orthodox zijn. Enkele uitdrukkingen zijn vertaald om te laten zien wat spitsvondige theologen en haarklovers bedoelen met de term
Ferouer8, een woord dat zoals gezegd door sommige Franse schrijvers aan de Zend Avesta werd ontleend en in het rooms-katholicisme werd gebruikt voor een doel dat Zoroaster in de verste verte niet heeft kunnen voorzien. In Fargard XIX van de Vendidad wordt gezegd (vers 14): ‘Roep, O Zarathustra! mijn Farvarshi aan; van mij, Ahura Mazda, het grootste, het beste, het schoonste van alle wezens, het meest zuivere, het intelligentste . . . en van wie de ziel het heilige woord is’ (Māthra Spenta). De Franse oriëntalisten vertalen Farvarshi met ‘Ferouer’.
8) Wat in de Vendidad ‘Farvarshi’ wordt genoemd, het onsterfelijke deel van een individu, dat wat de mens overleeft – het hogere ego, zeggen de occultisten, of de goddelijke dubbelganger.
553/554: De Hebreeuwse Elohim, die in de vertalingen ‘God’ worden genoemd, die ‘licht’ scheppen, komen overeen met de Arische Asura’s. Zij staan ook bekend als de ‘zonen van de duisternis’, als een filosofische en logische tegenstelling tot het onveranderlijke en eeuwige licht. De eerste Zoroastriërs geloofden niet dat het kwaad of de duisternis eeuwig gelijktijdig bestond met het goede of het licht, en zij geven dezelfde interpretatie. Ahriman is de gemanifesteerde schaduw van AHURA-MAZDA (Asura-mazda), die zelf voortkwam uit Zeruana Akerne, ‘grenzeloze (cirkel van de) tijd’ of de onbekende Oorzaak.
562/563: Dit was de grote strijd tussen goed en kwaad, tussen witte en zwarte magie, om de opperheerschappij van de goddelijke krachten dan wel van de lagere aardse of kosmische krachten. Om deze laatste uitspraak beter te begrijpen, kan de lezer zich wenden tot de Anugîtâ; episode van het Mahābhārata, hfst. v, waar de brahmaan tegen zijn vrouw zegt:
‘Ik heb door middel van het Zelf de in het Zelf verblijvende zetel waargenomen – (de zetel) waar het Brahman vrij van de paren van tegengestelden woont, en waar de maan, samen met het vuur (of de zon), (alle) wezens instandhoudt (als) de beweger van het verstandsbeginsel.’ De maan is inderdaad de godheid van het denkvermogen (manas), maar slechts op het lagere gebied. ‘Manas is tweevoudig – lunair in het lagere, solair in het hogere deel’, zegt een toelichting. Dat wil zeggen, het wordt in zijn hogere aspect aangetrokken tot buddhi, en in zijn lagere daalt het af tot en luistert naar de stem van zijn dierlijke ziel, die vol is van zelfzuchtige en zinnelijke begeerten; en hierin ligt het mysterie van het leven, zowel van een adept als van een niet-ingewijde, en ook dat van de post-mortem scheiding van de goddelijke van de dierlijke mens. Het Rāmayana – waarvan elke regel esoterisch moet worden gelezen – onthult in prachtige symboliek en allegorie de lotgevallen van zowel de mens als de ziel. ‘In het lichaam, te midden van al deze levenswinden (? beginselen) die zich door het lichaam bewegen en elkaar verslinden24, laait het Vaishvānara vuur25 zevenvoudig, waarvan ‘ik’ het doel ben’, zegt de brahmaan26.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 19 Is pleroma de legerstede van Satan? (p. 579):
De kabbalisten zeggen dat de ware naam van satan het omgekeerde is van die van Jehova, want ‘satan is geen zwarte god, maar de ontkenning van de witte godheid’ of het licht van de waarheid. God is licht en satan is de noodzakelijke duisternis of schaduw om dit licht te laten uitkomen, want zonder deze schaduw zou het zuivere licht onzichtbaar en onbegrijpelijk zijn.
583: De val was het gevolg van de kennis van de mens, want zijn ‘ogen werden geopend’. Inderdaad had de ‘gevallen engel’ hem wijsheid en de verborgen kennis geleerd; want de eerstgenoemde was vanaf die dag zijn manas, denkvermogen en
zelf-bewustzijn geworden. In ieder van ons is die gouden draad van voortgaand leven – dat periodiek wordt verdeeld in actieve en passieve cyclussen van zintuiglijk bestaan op aarde en bovenzinnelijk bestaan in devachan – vanaf het begin van ons verschijnen op deze aarde aanwezig. Het is de sutrātma, de lichtende draad van onsterfelijk onpersoonlijk monadeschap, waaraan onze aardse levens of voorbijgaande ego’s als evenzoveel kralen zijn geregen – volgens de prachtige uitdrukking van de Vedantafilosofie.
En nu is bewezen dat satan of de rode, vurige draak, de ‘Heer van de Phosphorus’ (zwavel was een theologische verbetering), en Lucifer of de ‘lichtdrager’ in ons is: het is ons denkvermogen, onze
verleider en verlosser, onze intelligente bevrijder en redder uit zuivere dierlijkheid. Zonder dit beginsel – de emanatie van de essentie zelf van het zuivere goddelijke beginsel mahat (intelligentie), dat rechtstreeks van het goddelijke denkvermogen uitstraalt – zouden we beslist niet beter dan dieren zijn. De eerste mens Adam werd slechts tot een levende ziel (nephesh) gemaakt, de laatste Adam tot een levendmakende geest6 – zegt Paulus, waarbij zijn woorden betrekking hebben op de bouw of de schepping van de mens. Zonder deze levendmakende geest, of het denkvermogen of de ziel van de mens zou er geen verschil zijn tussen een mens en een dier, zoals er in feite ook geen verschil is tussen dieren wat hun handelingen betreft. Etc.
584: De theologie en ook de wetenschap zeggen ons dat het dier veel eerder op aarde was dan de mens. Dan vragen wij aan de theologie: hoe plantte het dier zijn soort voort, voordat de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad was geplukt? Zoals gezegd: ‘De christenen – die veel kortzichtiger waren dan de grote mysticus en bevrijder van wie zij de naam hebben aangenomen, van wie zij de leringen verkeerd hebben begrepen en er een karikatuur van hebben gemaakt en van wie zij de nagedachtenis door hun daden hebben beklad – namen de joodse Jehova zoals hij was, en streefden er natuurlijk tevergeefs naar om het evangelie van licht en vrijheid in overeenstemming te brengen met de godheid van duisternis en onderwerping.’ (War in Heaven7.)
584/585: Maar het is nu voldoende bewezen dat alle zogenaamde kwade geesten, van wie men zegt dat zij oorlog voerden tegen de goden, als persoonlijkheden identiek zijn; en bovendien dat alle oude religies dezelfde lering verkondigden, met uitzondering van de eindconclusie, die van de christelijke verschilt. De zeven oorspronkelijke goden hadden allen een tweevoudig aspect, het ene essentieel, het andere bijkomstig. In hun essentiële aspect waren ze allen de ‘bouwers’ of vormgevers, de onderhouders en de heersers van deze wereld, en in het bijkomstige aspect, waarbij ze zich in zichtbare lichamelijkheid hulden, daalden ze op aarde neer en regeerden er als koningen en leraren van de lagere menigten, die daar opnieuw als mensen waren geïncarneerd.
Zo laat de esoterische filosofie zien dat de mens inderdaad de gemanifesteerde godheid is in haar beide aspecten – goed en kwaad, maar de theologie kan deze filosofische waarheid niet erkennen.
586: De voorzichtige wenken van Paulus bezitten alle de ware esoterische betekenis, en er waren eeuwen van scholastieke casuïstiek voor nodig om ze de huidige onjuiste uitleg te geven. Het woord en Lucifer zijn één in hun tweevoudige aspect; en de ‘vorst van de lucht’ (princeps aeris hujus) is niet de ‘god van die periode’ maar
een eeuwigdurend beginsel. Als van dit laatste werd gezegd dat het altijd om de wereld cirkelde – qui circumambulat terram – dan bedoelde de grote apostel eenvoudig de nooit ophoudende cyclussen van menselijke incarnaties, waarin het kwade steeds zal overheersen tot de dag waarop de mensheid wordt verlost door de ware goddelijke Verlichting, die het juiste inzicht in de dingen verschaft.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 22 De symboliek van de mysterienamen Iao en Jehova en hun verband met het kruis en de cirkel (p. 631):
Zou Plato, de grootste leerling van de archaïsche wijzen, zelf een wijze, voor wie er maar één enkel doel in dit leven was – werkelijke kennis – ooit hebben geloofd in een godheid die mensen bij de kleinste aanleiding voor eeuwig vervloekt en verdoemt20?
20) De kreet van wanhoop die werd geslaakt door graaf De Montlosier in zijn Mystères de la Vie Humaine, blz. 117, bewijst dat de oorzaak van ‘voortreffelijkheid en goedheid’, die volgens Plato het Heelal doordringt, noch zijn godheid noch onze wereld is. ‘Au spectacle de tant de grandeur opposé à celui de tant de misère, l’esprit qui se met à observer ce vaste ensemble, se représente je ne sais quelle grande divinité qu’une divinité, plus grande er plus pressante encore, aurait comme brisée et mise en pièces en dispersant les débris dans tout l’Univers.’ De ‘nog grotere en nog veeleisender godheid’ dan de god van deze wereld, die wordt verondersteld zo ‘goed’ te zijn – is karma. En deze ware godheid bewijst duidelijk dat de kleinere, onze innerlijke god (die voorlopig nog persoonlijk is), niet de kracht heeft om de machtige hand van deze grotere godheid tegen te houden, de oorzaak die in het leven is geroepen door onze daden, die kleinere oorzaken voortbrengt en die de wet van de vergelding wordt genoemd.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 24 Het kruis en het pythagorische tiental (p. 662):
Pythagoras, die zijn wijsheid uit India had meegebracht, heeft aan het nageslacht een glimp van deze waarheid nagelaten. Zijn school beschouwde het getal 7 als een samenstelling van de getallen 3 en 4, die zij op een tweevoudige manier verklaarden. Op het gebied van de noumenale wereld was de driehoek, als eerste voorstelling van de gemanifesteerde godheid, haar beeld: ‘vader-moeder-zoon’; en het viertal, het volmaakte getal, was de noumenale, ideële wortel van alle getallen en dingen op het stoffelijke gebied.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 25 De mysteriën van het zevental (p. 672):
Deze heilige getallen (3, 4, 7) zijn de heilige getallen van licht, leven en eenmaking – vooral in het tegenwoordige manvantara, onze levenscyclus, waarvan het getal zeven de bijzondere vertegenwoordiger of het factorgetal is. Dit moet nu worden aangetoond.
674/5: De getallen 3 en 4 zijn respectievelijk mannelijk en vrouwelijk, geest en stof, en hun vereniging is het embleem van het eeuwige leven in de geest op zijn opgaande boog, en in de stof als het steeds herrijzende element – door voortplanting en voortbrenging. Zoals die alchemisten het uitdrukken: ‘Wanneer de drie en de vier elkaar kussen, voegt het viertal zijn middelste natuur bij die van de driehoek’ (of triade, d.w.z. het oppervlak van een van zijn vlakken wordt het middenvlak van de andere), ‘en wordt een kubus; dan pas wordt hij (de uitgevouwen kubus) het voertuig en het getal van het leven, de vader-moeder zeven.’
684/5: Plutarchus verklaart (de Plac. Phil., blz. 878) dat de Achaïsche Grieken het viertal als de wortel en het beginsel van alle dingen beschouwden, omdat dit het getal van de elementen was, die alle zichtbare en onzichtbare geschapen dingen voortbrachten. Bij de broeders van het rozenkruis vormde de figuur van het kruis of de uitgeslagen kubus het onderwerp van een verhandeling in een van de theosofische graden van Peuvret, en werd behandeld volgens de fundamentele beginselen van licht en duisternis, of goed en kwaad.
688/689: De innerlijke mens bestaat eveneens uit vier samenstellende delen, maar deze worden verschaft door de opstandige aeonen van de sferen, die de kracht zijn – een deel van het goddelijke licht (‘divinae particula aurae’) dat nog in hen is overgebleven; de ziel (het vijfde) ‘gevormd uit de tranen van hun ogen en het zweet van hun kwellingen; het Ἀντίμιμον Πνεύματοϛ, nabootsing van de geest (die schijnt overeen te komen met ons geweten), (het zesde); en tenslotte de Μοῖρα, het lot5 (het karmische ego), dat tot taak heeft de mens naar het voor hem bestemde einde te brengen; als hij door het vuur moet sterven, hem naar het vuur te leiden; als hij door een wild beest moet sterven, hem naar het wilde beest te leiden, enz.6’ – het ZEVENDE!
5) Μοῖρα is in dit geval bestemming, niet ‘lot’, omdat het een benaming en geen eigennaam is. (Zie de vertaling van Wolf in Odyssee 22, 413.) Maar Moira, de godin van het lot, is een godheid ‘die evenals Ἀῖσα aan allen hun deel van goed en kwaad geeft’, en is dus karma (zie Liddell). Met deze afkorting wordt echter de aan het lot of karma onderworpene bedoeld, het ZELF of ego en dat wat wordt herboren. Evenmin is Ἀντίμιμον Πνεύματοϛ ons geweten, maar ons buddhi; ook is het niet de ‘nabootsing van de geest’ maar ‘daarnaar gevormd’ of een tegenhanger van de geest – wat buddhi is, als het voertuig van ātman (zie Ar. Thesm. 17, en de definities van Liddell).
6) C.W. King, Gnostics, blz. 38.
689/690: Het mensenras is voortgekomen uit vuur en water, zegt de allegorie; door de VADEREN of de voorvaderlijke offeraars gevormd uit Agni; want Agni, de aśvins, de āditya’s (Rig Veda III, 54, 16, II, 29, 3, 4) zijn allen synoniem met die ‘offeraar’ of de vaderen, die respectievelijk pitar (pitri’s, vaderen), angirasas3 (ibid, I, 31, 17, 139 e.v.), de sādhya’s, ‘goddelijke offeraars’, de meest occulte van allen, worden genoemd. Zij worden allen deva putra rishayah of ‘de zonen van god’ genoemd (X, 62; I, 4). De ‘offeraars’ zijn bovendien collectief de ENE offeraar, de vader van de goden, Viśvakarman, die de grote sarva-medha ceremonie verrichtte, en eindigde met zichzelf te offeren. (Zie de lofzangen van de Rig Veda.)
694: Hij weigert de priester van Ahura Mazda te worden, omdat hij
zijn eigen priester en offeraar is, maar hij aanvaardt het tweede voorstel. Men laat hem antwoorden:
‘Ja! . . . ja, ik zal over uw wereld heersen en waken. Er zal, terwijl ik koning ben, noch koude wind noch hete wind zijn, noch ziekte noch dood.’
3) Prof. Roth omschrijft (in Peters Lexicon) de angirasas als een tussenras van hogere wezens tussen goden en mensen; terwijl prof. Weber volgens zijn onveranderlijke gewoonte om het goddelijke te moderniseren en te
antropomorfiseren, in hen de oorspronkelijke priesters ziet van de religie die de Arische Hindoes en de Perzen gemeenschappelijk hadden. Roth heeft gelijk. ‘Angirasas’ was een van de namen van de Dhyāni’s of deva-leraren (‘goeroe-deva’s’), van de ingewijden van het late derde, het vierde en zelfs het vijfde Ras.

De Geheime Leer Deel III (p. 417):
Dit feit is wederom gegrond op die geheimzinnige overgang van de goddelijke gewezen persoonlijkheid samengesmolten met de onpersoonlijke individualiteit – thans in haar volledige drieledige vorm – van de Monade als Âtmâ-Buddhi-Manas in een nieuw lichaam, hetzij zichtbaar of subjectief.

De boodschap, het nieuwe inzicht van Jezus ‘Keer dan ook uw andere wang toe’ is de keerzijde van het ‘Oog om oog, tand om tand’ uit het Oude Testament en berust op Wat gij wilt dat u geschiedt doe dat de ander. Jezus was bij uitstek een pacifist.

Het fundamentele beginsel van moraliteit verhief Immanuel Kant tot zijn befaamde categorische imperatief. Er is niets nieuws onder de zon.

Het verschijnsel dat Jeroen Dijsselbloem in het eindrapport Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen signaleert namelijk dat de verantwoordelijke bewindslieden een tunnelvisie vertoonden is niet nieuw. Een tunnelvisie toont een duidelijke overeenkomst met het Pontius Pilatus-syndroom.

In de publicatie Waarom is er iets en niet niets? van Klaas Landsman komt de visie van Hans Küng: naar voren dat natuurwetenschap en religie complementair zijn.

Door de toenemende globalisering zal het individu eerder meer dan minder onder druk komen te staan. Alleen door het voeren van een transparant beleid is het mogelijk te voorkomen dat individuen of groepen tussen de wal en het schip terechtkomen. Om de harmonie binnen onze samenleving te waarborgen vormt juist de culturele verscheidenheid een hoeksteen. Door een open samenleving met een sterke debatcultuur kunnen tunnelvisies en hokjesgeest tussen de verschillende partijen worden voorkomen.

Door de secularisatie en de daarmee samenhangende ontzuiling zijn de verticale bindingen tussen de maatschappelijke lagen voor een belangrijk deel verloren gegaan. Naast het thema vierde macht verdient ook het fenomeen organisatiecultuur meer wetenschappelijke aandacht.

G. de Purucker boek '' Aspecten van de Occulte Filosofie'', HET ABSOLUTE
De leer zegt dat, om een volledig bewust goddelijk wezen te worden – ja zelfs het hoogste – de oorspronkelijke geestelijke intelligenties door het menselijke stadium moeten gaan. En wanneer we zeggen menselijk, dan heeft dit niet alleen betrekking op onze aardse mensheid, maar ook op de stervelingen die elke andere wereld bewonen . . . Hegel, de grote Duitse denker, moet deze waarheid hebben gekend of intuïtief hebben aangevoeld, toen hij zei dat het Onbewuste het heelal slechts ontwikkelde ‘in de hoop een helder zelfbewustzijn te bereiken’, met andere woorden, om mens te worden . . .

De fundamentele waarheid is dat er maar één oneindige Schepper, een oerbron is. Het is voor de mensheid mogelijk het 5D-concept experimenteel vast te stellen. Er is maar van één scheppingsgolf, één eeuwige evolutionaire kringloop sprake.
Wanneer zal de wetenschap bereid zijn met dit universele mechanisme rekening te houden?
Juist de verscheidenheid aan 5D-concepten laat zien dat de verschillende puzzelstukjes naadloos in elkaar passen en de waarheid zeer dicht naderen.

Voor 'Winst of Verlies' geldt de spreuk van Titus Maccius Plautus (254-184 v.Chr.) dat de kost gaat voor de baat uit.
Voor een gezonde boekhouding dienen inkomsten en schulden in balans te zijn.
In hoeverre is het slim geweest het de kost gaat voor de baat uit volledig voor live now pay later in te ruilen?

Palmyre Domen stelt ik heb hier de asymmetrie sterk benadrukt: theologie heeft de andere wetenschappen nodig, andersom niet. ====

Zie ook:

Boeken:

Externe Links

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 keer bekeken.