5.3 Synthese
Inhoud
Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens – de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. (Geheime Leer, Deel I, p. 301)
Het zelf (Verticale as, Verborgen 5e Dimensie, Ruimte en Tijd, Middenweg)
Roberto Assagioli boek Pschychosynthese (p. 31):
(1) de ogenschijnlijke dualiteit, het schijnbaar bestaan van twee zelven in ons; het lijkt inderdaad alsof er twee zelven in ons bestaan, omdat het persoonlijke zelf zich gewoonlijk niet bewust is van het andere Zelf, en zelfs zover gaat dat het het bestaan ervan ontkent; het andere, het ware Zelf daarentegen is latent, en openbaart zich niet rechtstreeks aan ons bewustzijn;
(2) de werkelijke eenheid en het unieke karakter van het Zelf; in werkelijk bestaan er geen twee zelven, geen twee onafhankelijke en aparte, afgescheiden eenheden; het Zelf is één; het openbaart zichzelf in verschillende graden van gewaar-zijn en zelfverwerkelijking; de afspiegeling schijnt op zichzelf te bestaan, maar heeft in werkelijkheid geen autonome, eigen inhoud; zij is, met andere woorden, geen nieuw, ander licht, maar een projectie van haar lichtende bron.
Roberto Assagioli bespreekt op p. 32 de route, de verschillende stadia, om tot een harmonische innerlijke eenheid te komen.
'Inzicht', is de intuïtief opdagende lichtflits en blootlegging van de waarheid van vergankelijkheid, het lijden en de onpersoonlijke of niet-substantiële aard van alle fysieke en mentale verschijnselen van het bestaan.
Zelfbewustzijn is een hinderpaal voor waar inzicht.
De ziel is de centrale schakel tussen geest en materie. Met de psyche kunnen we de éne werkelijkheid leren ervaren. Het gaat er om te leren in het debat de rechter - en linkerhersenhelft, de non-verbale wijsheid en het verbale verstand, in te schakelen. Het reflexieve bewustzijn, het samenspel van de linker – en de rechterhersenhelft, is voor het creëren van balans verantwoordelijk. De zintuigen zijn de schakel tussen lichaam en geest.
WILLIAM Q. JUDGE boek De Oceaan van Theosofie, hoofdstuk Psychische wetten, krachten en verschijnselen:
De mens wordt door de meesters van wijsheid als het hoogste voortbrengsel van het hele evolutiestelsel beschouwd, en weerspiegelt alle vermogens van de natuur in zich, hoe verbazingwekkend of hoe verschrikkelijk die misschien ook zijn; juist omdat hij zo’n spiegel is, is hij mens.
De unificatietheorie zal uiteindelijk over het verschijnsel bewustzijn uitsluitsel geven. Eerder hebben Amit Goswami en Arthur Young aangegeven dat bewustzijn de basis van alle bestaan is. Om het bewustzijn toe te lichten wordt zowel gebruik gemaakt van het oude reflexieve ‘Macrokosmos = Microkosmos’ model van de esoterie als van de nieuwe doorsnede ‘Sensation, Awareness, Experience, Self-awareness, reflection en First-person experience’ van Francis Heylighen. De processen die zich binnen een deel afspelen kunnen door de eigenschappen van het geheel worden verklaard. De éne werkelijkheid zit holistisch in elkaar.
Synthese vindt door reflectie, wisselwerking via het Verticale (Causaal non-dualistische) en Horizontale (Grof subtiele) bewustzijn plaats. Het driehoekige diagram van Roberto Assagioli toont dat synthese met name via het verticale bewustzijn plaats vindt.
De verticale as door het centrum van het Ei van Assagioli symboliseert de door Maslow genoemde Derde Weg in de psychologie. De humanistische psychologie van Maslow gaat er van uit dat je de mens niet moet reduceren tot een door driften bepaald wezen, dat net als een dier reageert. De mens moet je ook niet zien als een wezen dat zich alleen door externe factoren, belonen en straffen, laat motiveren. De natuur van ieder mens is er op gericht zijn talenten tot ontplooiing te brengen. Voor de humanistische psychologie staat het menselijk zijn centraal, is juist de subjectieve informatie relevant.
In de 4e fase (psychologie van Maslow) wordt bekwaamheid een automatisme. In de '5e fase' groeien we als het ware in onze bekwaadheid. We respecteren ons zelf, maar gaan ook voor onze medemens.
Stanislav_Grof was, samen met Abraham Maslow en Anthony Sutich, mede-founding father van de transpersoonlijke psychologie, die – als uitbreiding van de humanistische psychologie – ook ruimte biedt aan ervaringen van religieuze en spirituele aard.
Joost van der Leij legt in zijn boek ONBEPERKT JEZELF de relatie tussen NLP en het Enneagram. Het is ook mogelijk NLP met het boek De Ether Bestaat! en het rapport 'E i V' te verbinden. Het rapport maakt gebruik van het TOTE-model, dat in het boek Essenties van NLP (p. 88, 92) van Lucas Derks & Jaap Hollander wordt besproken. De cirkel is rond.

Het model van Robert Dilts bestaat uit de hiërarchie van 6 logische niveaus. Iedereen leeft, bewust of onbewust tegelijkertijd op de 6 niveaus. Het model gaat er vanuit dat zaken van een niveau op de onderliggende niveaus doorwerken. De kernvraag is op welk niveau is er een probleem?
Modelregels:
- Een hoger niveau organiseert de informatie op onderliggende niveaus.
- Verandering op een lager niveau kan verandering op een hoger niveau teweeg brengen.
- Verandering op een hoger niveau zal veranderingen op lagere niveaus teweeg brengen.
- De oplossing ligt nooit op het niveau waar het probleem wordt geconstateerd.
- Om een oplossing te vinden is het noodzakelijk om naar een hoger niveau te gaan.
- De hoogste drie niveaus zijn abstract en naar binnen gericht. De laagste drie niveaus worden steeds meer concreet en van buitenaf meer waarneembaar.
- Als gedrag en vermogens in de pas lopen met wat op hogere niveaus wordt nagestreefd is er van integratie sprake: alle niveaus werken samen en ondersteunen elkaar.
Marli Huijer En nu de echte seksuele bevrijding
Het geslacht dat iemand bekleedt in de maatschappij (gender), en de daarbij behorende gedragspatronen, worden geconstrueerd door wat Butler in navolging van taalfilosoof John Austin performativiteit noemt. Er is een bepaald repertoire aan handelingen dat maakt dat iemand de rol van man of vrouw krijgt toebedeeld. Omdat die handelingen cultureel bepaald zijn en die cultuur aan het individu vooraf gaat, is het onmogelijk gedrag te vertonen dat niet in de hokjes mannelijk en vrouwelijk uiteenvalt.
'Identificatie en Disidentificatie' (Verticaal - en Horizontaal bewustzijn, Sutratman)
De oefening disidentificatie wordt in het boek Psychosynthese van Assagioli toegelicht (p. 132):
De eerste stap is om met overtuiging vast te stellen en zich bewust te worden van het feit: ‘Ik heb een lichaam, maar ik bén niet mijn lichaam’.
De tweede stap gaat over het besef: ‘Ik heb een gevoelsleven, maar ik ben niet mijn emoties of mijn gevoelens’.
De derde stap bestaat erin dat we gaan beseffen: Ik heb een intellect, maar ik bén niet dat intellect’.
Deze techniek van Assagioli laat zien dat gedachten en gevoelen verschijnen en verdwijnen, slechts een levensyclus van micro(nano)seconden hebben.
Karel Scholten Verslag van de lezing over psychosynthese.
Mary Anderson Meditatie-Diagram van Blavatsky:
Een volgend element is nu aan de meditatie toegevoegd: we moeten ons uitbreiding in ruimte en de oneindigheid voorbij tijd voorstellen, met of zonder zelfidentificatie. Afhankelijk van onze aard kunnen we ons dus uitbreiding in ruimte (grenzeloze Ruimte) en oneindigheid in tijd (Eeuwigheid of Duur) objectief voorstellen, waarbij we onszelf buiten beschouwing laten, of subjectief, waarbij we voelen dat we zelf grenzeloze ruimte en oneindige tijd zijn. De laatstgenoemde benadering herinnert ons aan de methode zoals deze uiteengezet wordt in Yoga of Light van Geoffrey Hodson.
Door alles wat bekend is los te laten, komen we datgene wat niet gekend kan worden nabij.
Ik ben niet het fysieke lichaam
Ik ben het hogere Zelf
Ik ben niet de emoties
Ik ben het hogere Zelf
Ik ben niet het denkvermogen
Ik ben het hogere Zelf
Derhalve ben ik onbegrensde ruimte, ik ben oneindigheid. Deze aanpak is gevaarlijk als we bewust of onbewust de persoonlijkheid identificeren met het hogere Zelf. Maar we zullen dit niet doen als we in staat zijn de nadere instructie van HPB op te volgen: ‘Er is geen kans op zelfbedrog, wanneer de persoonlijkheid geheel vergeten wordt.’ De Meditatie begint zo met inspirerende denkbeelden, waarmee zij, zoals we zullen zien, ook eindigt.
Artikel van Peter Giesen over hoogleraar Abram de Swaan in de Volkskrant van 20 januari 2007.
De socioloog Abraham de Swaan wijst op het mechanisme identificatie versus ‘desidentificatie’.
Als mensen zich als groep aaneensluiten, sluiten ze anderen uit. Dat zijn twee kanten van eenzelfde proces.
Het is ook moeilijk een collectief te analyseren waar jezelf deel van uitmaakt. Voor je het weet laat je je op sleeptouw nemen door je eigen emoties. Dan ga je praten in simplificaties, over “de” islam die niet door “de“ Verlichting is gegaan. Dat overkomt islam critici als Herman Philipse en Afshin Ellian. Terwijl die in hun eigen vak toch tot de top behoren.
Eckhart Tolle: Iedere handeling die vanuit het nu ontstaat, zal precies juist zijn.
Eckhart Tolle (PRANA nr. 176 dec/jan 2009): Ego verbreekt de natuurlijke gegevenheid van ‘eenheid, heelheid, een Zijn, verbonden Zijn’ en schept de illusie van afgescheidenheid. Dit vanuit het subject-object bewustzijn opererende ‘ego’ is de kern van ons lijden.
De kwintessens van het rapport 'E i V', het Meta-leren berust op het bewustzijn van bewustzijn (helicopterview, Top down perspective).
Het innerlijke bewustzijn (zelfbewustzijn, reflexief bewustzijn, bewustzijn van bewustzijn) is een levenscyclus (Huwelijksquaterniteit) die in het universele bewustzijn ligt besloten. Bewustzijn manifesteert zich door een levensyclus. Er bestaat niet alleen bewust en onbewust, maar ook het verschijnen en verdwijnen van het bewustzijn. Het bewustzijn is continu aan verandering onderhevig. Religies leggen op het innerlijke universum de nadruk.
Om zichzelf te kennen is bewustzijn en waarneming nodig (beide zijn beperkte vermogens die betrekking kunnen hebben op ieder onderwerp, behalve op Parabrahm). Vandaar de ‘eeuwige adem die zichzelf niet kent’.
De belangrijkste Universele Wet is de Wet van Eén, die stelt dat alles in de kosmos met elkaar verbonden is.
De ‘Law of One’ (zoekopdracht: Law) heeft op het verschijnsel karma, de 2e grondstelling betrekking.
Jan Wicherink (p. 194): Men zou kunnen beargumenteren dat de Oosterse spirituele tradities hun universele wijsheid niet bereikten via wetenschappelijke methoden, maar door esoterische principes zoals introspectieve meditatie. In een hogere staat van bewustzijn kregen ingewijden toegang tot de oerkennis die opgeslagen ligt in de Akasha-kronieken. Hoewel dit best waar zou kunnen zijn, geloof ik nog steeds dat er voldoende redenen bestaan om aan te nemen dat de oude vedische cultuur haar initiële wijsheid van eerdere beschavingen ontving.
H.P. Blavatsky: De Geheime Leer, Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiërarchieën (p. 134):
De lipi-ka’s, van het woord lipi, ‘geschrift’, betekent letterlijk de ‘schrijvers’. Deze goddelijke wezens zijn op mystieke manier verbonden met karma, de wet van de vergelding, want ze zijn de griffiers of geschiedschrijvers, die op de (voor ons) onzichtbare tafelen van het astrale licht, ‘de grote beeldengalerij van de eeuwigheid’, een getrouw verslag afdrukken van iedere handeling en zelfs gedachte van de mens, van alles dat was, is of ooit zal zijn in het Heelal van de verschijnselen. Zoals in ‘Isis’ werd gezegd, is dit goddelijke en ongeziene schilderij het BOEK VAN HET LEVEN ('Akasha-kronieken').
Vyâsadeva:
4) De term filognosie of liefde voor de kennis, hier gepresenteerd als de ware kennis, kent twee equivalenten in het Sanskriet: jñâna, spirituele, geestelijke kennis en âtmatattva, de werkelijkheid of het principe van het zelf of de ziel. De term vertegenwoordigt de alomvattende logica van het spiritueel bestrijken van al de zes basisvisies (darshana's) van het menselijke, culturele respect wat betreft het
| Filognosie: | G. Glas | |
| - feitelijke (de filosofie en de wetenschap), | I Methode en Wetenschap | Tussen hoger en lager in de mens |
| - het principiële (de analyse en de spiritualiteit) en | II Analyse en Spiritualiteit | Tussen innerlijk en uiterlijk |
| - het persoonlijke (in religieuze en politieke zin). | III De Persoon en de Politiek | Tussen onmiddellijkheid en middellijkheid |
Eenheid en harmonie van bewustzijn is het oogmerk van deze naturalistisch/idealistische liefde waarin men, teneinde de problemen van het niet-weten tegen te gaan, van lichamelijke oefening is, van meditatie, van studie, bezinning, vertoog, gezang en dienst aan God en de medemens, overeenkomstig de natuurlijke orde van de tijd in samenhang met de ether. Het is een syncretische benadering die naar behoren iedere vorm van materialisme, politieke associatie of wetenschappelijke denkwijze, zijn eigen afgebakende plaats en missie in de samenleving toewijst. Een filognost ontleent, in het trouw en gelovig zijn met de basisbeginselen van het geweldloze mededogen, de boetvaardigheid, de reinheid en de waarachtigheid, zijn bestaan deels aan religieuze benaderingen zo verschillend als het Hindoeïsme, het gnosticisme in al zijn culturele verscheidenheid, het Boeddhisme, het Taoïsme/Confucianisme, het Universele Soefisme en het Vaishnavisme (zie verder theorderoftime. org).
31) In deze tekst wordt de term bewustzijn filognostisch gedefinieerd als een staat van zijn; een vorm of integriteit van het gewaar zijn van een zeker verschil in de tijd. Men is, modern gesproken, op een bepaalde golflengte, in een zekere tijdmodus, of in een bepaald denkmodel bewust bezig met een manier van onderscheid maken die berust op de kennis van het zelf (identificaties), het lichaam (relaties) en de cultuur (het vertoog). Aldus spreekt men van een cultureel en een natuurlijk bewustzijn (asat en sat): cultureel een relatieve en instabiele, materialistische vorm van bewustzijn die, gebaseerd op materiële motieven, de tijd manipuleert; en, natuurlijk gesproken, een meer absoluut bewustzijn gebaseerd op het respect voor de orde van de zon, de maan en de sterren zoals men die waarneemt in de hemel.
34) 'AUM dat eeuwig' heeft betrekking op het standaardgebed om tat sat dat door brahmanen wordt uitgesproken bij de uitvoering van hindoe-offers. Naast de betekenis in de tekst gegeven, betekent het: 'O AUM, die gezegende, ware en oorspronkelijke naam van God, o pranava!' Het woord sat betekent waar en werkelijk, en het woord tat betekent letterlijk 'dat' en heeft betrekking op zowel de oorspronkelijke werkelijkheid als het principe zoals in de context van het woord tattva, wat letterlijk 'die staat van zijn' betekent. Ook vindt men het terug in de uitdrukking tat tvam asi, hetgeen 'dat zijt gij' betekent, een mantra die verwijst naar de getuige en het zich vergewissen als men in meditatie de werkelijkheid onder ogen ziet zoals die is. In westerse termen zeggen we dingen als 'dat is het 'm' en 'dat is dat', hetgeen ongeveer hetzelfde inhoudt: wees tevreden met de dingen zoals ze zijn. Het latijnse woord amen, 'zo zij het', in het Christendom gebruikt, laat zich in het Sanskriet vertalen als astu, het woord voor 'laat het voor wat het is'.
In een compositie wordt een dissonant meestal gevolgd door een consonant.
Dit geldt ook voor de psychologie waar cognitieve dissonantie lijnrecht tegenover cognitieve consonantie staat. De klinisch psycholoog René Meijer:
A: Instabiliteit wordt gekenmerkt door compensatie. Men zoekt zekerheid die de definitie niet biedt en projecteert de behoefte dan op wat anders: b.v. harder werken, snoepen en joggen. Gevolg ervan: stress, ontregelde leefschema's en daarmee samenhangende gestoorde nachtrust en hartvergroting en -vervetting. Door cognitieve consonantie, d.w.z. willen overeenstemmen met wat je doet of hebt, vindt je dan die compensaties fijn. Echter, omdat het de oorspronkelijke onzekerheid niet wegneemt, helpt niets echt en ontstaat systeemregressie.
Dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) (in de ICD-terminologie: meervoudige persoonlijkheidsstoornis) of multipele persoonlijkheidsstoornis (MPS) is een psychische aandoening waarbij iemand afwisselend twee (of meer) van elkaar te onderscheiden persoonlijkheidstoestanden kan aannemen. Ten minste twee van deze persoonlijkheden nemen regelmatig het gedrag volledig over. Vaak heeft de patiënt 'gaten in het geheugen' die niet door vergeetachtigheid te verklaren zijn. Vaak weet de oorspronkelijke persoonlijkheid niets van de andere persoonlijkheden (ook wel alter ego's, alters of binnenmensen genoemd).
Absoluut en Relatief ('Scheppingsleer en Bewustzijnsevolutie', Hoofdroute, Sat en Asat)
Tegenover het aardse staat het hemelse, tegenover het relatieve staat het absolute, tegenover Chaos, Gaia en Eros staat het Goede, Ware en Schone, tegenover Asat staat Sat, tegenover Alpha staat Omega.
H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 32):
Zij is het ENE LEVEN, eeuwig, onzichtbaar en toch alomtegenwoordig, zonder begin of einde en toch periodiek in haar geregelde manifestaties, terwijl tussen die perioden het duistere geheim van het niet-zijn heerst; onbewust en toch absoluut Bewustzijn ('bijna-dood ervaringen'); niet te verwerkelijken en toch de ene op zichzelf bestaande werkelijkheid; inderdaad ‘een chaos voor het gevoel, een Kosmos voor de rede’. Haar ene absolute kenmerk, namelijk HETZELF, de eeuwige, onophoudelijke beweging, wordt in esoterische taal de ‘grote adem’2 genoemd, dat is de eeuwigdurende beweging van het Heelal in de zin van grenzeloze, altijd aanwezige RUIMTE. Wat bewegingloos is, kan niet goddelijk zijn. Maar er is ook in feite en in werkelijkheid niets absoluut onbeweeglijk binnen de universele ziel.
36/37: Deze essentie is ‘het LEVEN en LICHT van het Heelal; het zichtbare vuur en de zichtbare vlam zijn vernietiging, dood en onheil’. ‘Vuur en vlam vernietigen het lichaam van een arhat, hun essentie maakt hem onsterfelijk.’ (Bodhi-mur, Deel II.) ‘De kennis van de absolute geest is evenals de glans van de zon of de hitte in het vuur niets anders dan de absolute essentie zelf’, zegt Sankaracharya. HET – is ‘de geest van het vuur’, niet het vuur zelf, daarom ‘zijn de eigenschappen van het laatste, hitte of vlam, niet de eigenschappen van de geest, maar van dat waarvan de geest de onbewuste oorzaak is’. Is de bovenstaande zin niet de ware grondtoon van de latere rozenkruisersfilosofie? Parabrahm is kortom het verenigde totaal van de Kosmos in zijn oneindigheid en eeuwigheid, het ‘DAT’ en ‘DIT’, dat niet kan worden opgevat als een samenvoeging van een aantal subtotalen6. ‘In het begin was DIT het Zelf, slechts één’ (Aitareya Upanishad); de grote Sankaracharya verklaart dat ‘DIT’ betrekking had op het Heelal (jagat); omdat de woorden ‘in het begin’ betekenen: vóór het opnieuw voortbrengen van het Heelal van verschijnselen.
Geheime Leer Deel I, Stanza 1 De nacht van het heelal (p. 78/79):
Met andere woorden, bij het uiteenzetten van deze ‘twee waarheden’ (van de vier) geloven de eerstgenoemden en houden zij vol, dat (in ieder geval op dit gebied) er alleen samvritisatya of relatieve waarheid bestaat, terwijl de laatstgenoemden het bestaan leren van paramarthasatya, de ‘absolute waarheid’13.
13) ‘Paramartha’ is zelfbewustzijn in het Sanskriet, svasamvedana of de ‘zichzelf ontledende bespiegeling’ – van twee woorden, parama (boven alles) en artha (begrijpen), terwijl satya het absolute ware zijn of esse betekent. In het Tibetaans is paramarthasatya: Dondampaidenpa. Het tegenovergestelde van deze absolute werkelijkheid of actualiteit is samvritisatya – slechts de betrekkelijke waarheid – want ‘samvriti’ betekent ‘verkeerd begrip’ en is de oorsprong van illusie, maya; in het Tibetaans Kundzabchi-denpa, ‘illusie scheppende verschijning’.
De Geheime Leer Deel I Stanza 2 Het denbeeld van differentiatie (p. 84)
(b) Men moet bedenken dat paranishpanna het summum bonum is, het Absolute en dus hetzelfde als paranirvana. Het is behalve de eindtoestand tevens die toestand van subjectiviteit die met niets anders verband houdt dan de ene absolute waarheid (paramarthasatya) op haar eigen gebied. Door die toestand verkrijgt men een juiste waardering van de volledige betekenis van Niet-zijn dat, zoals werd verklaard, het absolute Zijn is.
86: (b) De term ‘adem’ van het ene Bestaan wordt door de archaïsche esoterie alleen toegepast op het geestelijke aspect van de kosmogonie; in andere gevallen wordt deze vervangen door de overeenkomstige term op het stoffelijke gebied: beweging. Het ene eeuwige Element, of elementbevattende voertuig, is Ruimte, in elke betekenis zonder dimensie; tegelijk daarmee bestaan eindeloze duur, oer- (en dus onvernietigbare) stof, en beweging – absolute ‘eeuwigdurende beweging’: de ‘adem’ van het ‘ene’ Element. Zoals wij hebben gezien, kan deze adem nooit ophouden, zelfs niet tijdens de eeuwigheden van pralaya (zie ‘Chaos, Theos, Kosmos’ in Afdeling II).
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 704):
De ware boeddhist, die geen ‘persoonlijke god’ en geen ‘vader’ en ‘schepper van hemel en aarde’ erkent, gelooft wel in een absoluut bewustzijn, ‘ādi-buddhi’; de boeddhistische filosoof weet dat er planeetgeesten zijn, de ‘Dhyāni-Chohans’.
Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 36):
36: Parabrahm is niet ‘God’ omdat Het niet een god is. ‘Het is dat wat het allerhoogste is, en niet het allerhoogste (paravara)’, verklaart de Mandukya Upanishad (2.28). HET is het ‘allerhoogste’ als OORZAAK, niet het allerhoogste als gevolg. Parabrahm is eenvoudig als ‘enig zijnde werkelijkheid’ de alomvattende Kosmos – of liever de oneindige kosmische Ruimte – in de hoogste geestelijke zin natuurlijk.
37: Parabrahm is kortom het verenigde totaal van de Kosmos in zijn oneindigheid en eeuwigheid, het ‘DAT’ en ‘DIT’, dat niet kan worden opgevat als een samenvoeging van een aantal subtotalen. ‘In het begin was DIT het Zelf, slechts één’ (Aitareya Upanishad); de grote Sankaracharya verklaart dat ‘DIT’ betrekking had op het Heelal (jagat); omdat de woorden ‘in het begin’ betekenen: vóór het opnieuw voortbrengen van het Heelal van verschijnselen.
39: De ene onbekende altijd-tegenwoordige god in de Natuur, of de Natuur in abscondito verwerpen wij niet, maar wel de God van het menselijke dogma en zijn vermenselijkte ‘woord’. In zijn oneindige verwaandheid en aangeboren trots en ijdelheid schiep de mens deze zelf met zijn heiligschennende hand uit de elementen die hij vond in zijn eigen kleine hersenweefsel en drong deze aan de mensheid op als een rechtstreekse openbaring uit de ene ongeopenbaarde RUIMTE10. De occultist aanvaardt dat openbaring komt van goddelijke maar toch nog eindige wezens, de gemanifesteerde levens, nooit van het ENE LEVEN, dat zich niet kan openbaren; van die wezens die men de oorspronkelijke mens, Dhyani-Boeddha’s of Dhyan-Chohans noemt, de ‘Rishi-Prajapati’s’ van de hindoes, de Elohim of ‘zonen van God’, de planeetgeesten van alle volkeren, die voor de mensen goden zijn geworden. Hij beschouwt ook de Adi-Sakti – de directe uitstraling van Mulaprakriti, de eeuwige wortel van DAT en het vrouwelijke aspect van de scheppende oorzaak, Brahma, in haar akasische vorm van de universele ziel – in filosofische zin als een maya en de oorzaak van de menselijke maya. Maar deze opvatting weerhoudt hem niet te geloven in zijn bestaan zolang dit duurt, nl. één maha-manvantara; en evenmin om akasa, de uitstraling van Mulaprakriti11, voor praktische doeleinden aan te wenden, omdat de wereldziel verbonden is met alle natuurverschijnselen die al of niet aan de wetenschap bekend zijn.
11) In tegenstelling tot het gemanifesteerde stoffelijke heelal wordt de term Mulaprakriti (van mula, ‘de wortel’, en prakriti, ‘natuur’), of de ongemanifesteerde oerstof – door de westerse alchemisten Adams aarde genoemd – door de aanhangers van de Vedanta toegepast op Parabrahmam. Stof is tweevoudig in de religieuze metafysica en zevenvoudig in de esoterische leringen, zoals al het andere in het heelal. Als Mulaprakriti is zij ongedifferentieerd en eeuwig, als Vyakta wordt zij gedifferentieerd en voorwaardelijk, volgens de Svetasvatara Upanishad, I. 8, en Devi Bhagavata Purana. De auteur van de vier lezingen over de Bhagavad Gita zegt over Mulaprakriti: ‘Vanuit zijn (nl. van de logos) objectieve gezichtspunt doet Parabrahmam zich als Mulaprakriti voor. . . . Natuurlijk is dit Mulaprakriti stoffelijk voor hem, zoals ieder stoffelijk voorwerp voor ons stoffelijk is . . . Parabrahmam is een onvoorwaardelijke en absolute werkelijkheid en Mulaprakriti is een soort sluier die eroverheen wordt geworpen.’ (Theosophist, Deel VIII, blz. 304.)
44: Parabrahm (de ene Werkelijkheid, het Absolute) is het gebied van het absolute bewustzijn, dat is die essentie die geen enkel verband heeft met het voorwaardelijke bestaan en waarvan het bewuste bestaan een voorwaardelijk symbool is. Maar zodra wij in gedachten afstappen van deze (voor ons) absolute ontkenning, treedt er tweevoudigheid op in de tegenstelling van geest (of bewustzijn) en stof, subject en object.
45: Geest (of bewustzijn) en stof moeten echter niet als onafhankelijke werkelijkheden worden beschouwd, maar als de twee facetten of aspecten van het Absolute (Parabrahm), die de basis vormen van het voorwaardelijke Zijn, hetzij subjectief of objectief.
Als wij deze metafysische triade beschouwen als de wortel waaruit alle manifestatie voortkomt, speelt de ‘grote adem’ de rol van vóórkosmische verbeeldingskracht. Deze is de ƒons et origo van de kracht en van ieder individueel bewustzijn en verschaft de leidende intelligentie in het omvangrijke kosmische evolutieplan. Anderzijds is vóórkosmische wortel-substantie (Mulaprakriti) dat aspect van het Absolute, dat aan al de objectieve gebieden van de Natuur ten grondslag ligt.
Evenals vóórkosmische verbeeldingskracht de wortel is van ieder individueel bewustzijn, is vóórkosmische substantie de grondslag van de materie in de verschillende graden van haar differentiatie.
Het zal dus duidelijk zijn dat de tegenstelling tussen deze twee aspecten van het Absolute essentieel is voor het bestaan van het ‘gemanifesteerde Heelal’. Zonder kosmische substantie zou de kosmische verbeeldingskracht zich niet kunnen manifesteren als individueel bewustzijn, omdat bewustzijn alleen door middel van een materieel voertuig te voorschijn komt als ‘ik ben ik’. Er is immers een stoffelijke grondslag nodig om een straal van het universele denkvermogen in een bepaald stadium van ingewikkeldheid ergens op te richten. Evenzo zou kosmische substantie zonder kosmische verbeeldingskracht een lege abstractie blijven en er zou geen bewustzijn uit voortkomen.
Het ‘gemanifesteerde Heelal’ is dus doordrongen van dualiteit en deze is als het ware de essentie van zijn EX-istentie als ‘manifestatie’. Maar evenals de tegenovergestelde polen van subject en object, geest en stof, alleen maar aspecten zijn van de Ene Eenheid waarin ze tot synthese zijn gebracht, zo is er ook in het gemanifesteerde Heelal ‘dat’ wat geest aan stof, en subject aan object verbindt.
46: (1.) Het ABSOLUTE, het Parabrahm van de Vedantaleer of de ene Werkelijkheid, SAT, dat zoals Hegel zegt, zowel het absolute Zijn als Niet-zijn is.
(b) De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ en die ‘de zich manifesterende sterren’ en ‘de vonken van de eeuwigheid’ worden genoemd. ‘De eeuwigheid van de pelgrim21’ is als een oogwenk van het Zelf-bestaan (Boek van Dzyan). ‘Het verschijnen en verdwijnen van werelden is als een regelmatig getij van eb en vloed.’ (Zie Afdeling II, ‘Dagen en nachten van Brahma’.)
Deze tweede stelling van de Geheime Leer betreft de algemene geldigheid van die wet van periodiciteit, van eb en vloed, van neergang en opkomst, die de natuurwetenschap op alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven. Een afwisseling zoals tussen dag en nacht, leven en dood, slapen en waken is een feit dat zo gewoon is, zo volkomen algemeen en zonder uitzondering, dat het gemakkelijk is te begrijpen dat wij er een van de werkelijk fundamentele wetten van het heelal in zien.
21) ‘Pelgrim’ is de benaming die wordt gegeven aan onze monade (de twee in één) gedurende haar cyclus van incarnaties. Zij is het enige onsterfelijke en eeuwige beginsel in ons, omdat zij een ondeelbaar onderdeel is van het integrale geheel – de universele geest, waaruit zij voortkomt en waarin zij aan het eind van de cyclus wordt opgenomen. Als men zegt dat zij uit de ene geest voortkomt, moet men een onbeholpen en onjuiste uitdrukking gebruiken, bij gebrek aan meer geschikte woorden in het Nederlands. De aanhangers van de Vedanta noemen haar sutratma (draad-ziel), maar ook hun uitleg verschilt iets van die van de occultisten. Het verklaren van dit verschil wordt echter aan eerstgenoemden zelf overgelaten.
H.P. Blavatsky: Geheime Leer Deel I, Stanza 1. De nacht van heelal (p. 71):
Maya of illusie is een element dat bij alle eindige dingen optreedt, want alles wat bestaat heeft alleen maar een relatieve en geen absolute werkelijkheid, omdat de vorm waarin het verborgen noumenon voor een waarnemer verschijnt, afhangt van zijn waarnemingsvermogen. Voor het ongeoefende oog van een barbaar is een schilderij eerst een zinloze wirwar van gekleurde strepen en klodders, terwijl een geoefend oog er onmiddellijk een gezicht of een landschap in ziet. Niets is blijvend, behalve het ene verborgen absolute bestaan dat in zichzelf de noumena van alle werkelijkheden bevat. De bestaansvormen die tot ieder gebied van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Chohan toe, hebben tot op zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf.
73: Het verschijnen en verdwijnen van het Heelal wordt voorgesteld als een uitademing en inademing van ‘de grote adem’, die eeuwig is en die, omdat hij beweging is, een van de drie aspecten van het Absolute is; de andere twee zijn abstracte Ruimte en duur. Als de ‘grote adem’ wordt geprojecteerd, wordt hij de goddelijke adem genoemd en wordt hij beschouwd als het ademen van de onkenbare godheid – het ene Bestaan – die als het ware een gedachte uitademt die de Kosmos wordt. (Zie Isis Ontsluierd.) Zo verdwijnt ook, als de goddelijke adem weer wordt ingeademd, het Heelal in de schoot van ‘de grote moeder’, die dan slaapt ‘gewikkeld in haar onzichtbare gewaden’.
81: Dit brengt de lezer vanzelf bij de ‘hoogste geest’ van Hegel en de Duitse transcendentalisten en het kan nuttig zijn op deze tegenstelling te wijzen. De scholen van Schelling en van Fichte zijn ver afgeweken van de oorspronkelijke archaïsche opvatting van een ABSOLUUT beginsel en hebben slechts een aspect van de grondgedachte van de Vedanta weergegeven. Zelfs de ‘absoluter Geist’ die door Von Hartmann werd aangeduid in zijn pessimistische filosofie van het onbewuste, blijft eveneens ver achter bij de werkelijkheid, hoewel deze misschien van alle Europese speculaties de Advaita-leer van de hindoes het meest nabij komt.
Volgens Hegel zou het ‘onbewuste’ de omvangrijke en moeizame taak van het ontwikkelen van het Heelal slechts hebben ondernomen in de hoop een helder zelfbewustzijn te bereiken. In dit verband moet men bedenken dat de Europese pantheïsten, wanneer zij geest, die zij als equivalent van Parabrahm opvatten, onbewust noemen, aan die uitdrukking ‘geest’ niet de betekenis hechten die er gewoonlijk aan wordt toegekend. Die uitdrukking wordt namelijk gebruikt bij gebrek aan een betere term om een diep mysterie te symboliseren.
Een aanhanger van de Vedanta zou nooit de juistheid van dit denkbeeld van Hegel erkennen en de occultist zou zeggen dat het precies van toepassing is op het ontwaakte MAHAT, het universele denkvermogen, dat al is geprojecteerd in de wereld van de verschijnselen als het eerste aspect van het onveranderlijke ABSOLUTE, maar nooit op dit laatste. ‘Geest en stof, of purusha en prakriti’, zo wordt ons geleerd, ‘zijn slechts de twee oorspronkelijke aspecten van het Ene en Ongeëvenaarde’.
82: De nous, die de stof beweegt, de levenwekkende ziel, die in ieder atoom zetelt en die in de mens is gemanifesteerd en latent is in de steen, heeft vermogens van verschillende graad. Dit pantheïstische denkbeeld van een algemene geest-ziel die de hele Natuur doordringt, is het oudste van alle filosofische begrippen.
82: Om opnieuw Hegel aan te halen, die met Schelling praktisch de pantheïstische opvatting aanvaardde van periodieke Avatars (bijzondere incarnaties van de wereldgeest in de mens, zoals men die aantreft bij alle grote religieuze hervormers): . . . ‘het wezen van de mens is geest . . . alleen door zich van zijn eindigheid te ontdoen en door zich over te geven aan zuiver zelfbewustzijn bereikt hij de waarheid. De Christus-mens, als mens in wie de eenheid van de god-mens verscheen (de identiteit van het individuele met het universele bewustzijn, zoals dit wordt geleerd door de aanhangers van de Vedanta en sommige van de Advaita), heeft door zijn dood en in het algemeen door zijn geschiedenis, zelf de eeuwige geschiedenis van de geest uitgebeeld – een geschiedenis die ieder mens in zichzelf moet verwezenlijken om als geest te kunnen bestaan.’ Philosophy of History, Engelse vertaling van Sibree, blz. 340.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 2 Het denkbeeld van differentiatie (p. 85):
Om zich te bevrijden van het persoonlijke bestaan, op te gaan in en één te worden met het Absolute2 en in het volle bezit van paramartha te blijven, moet men beschikken over ‘een helder en door de persoonlijkheid niet verduisterd verstand’ en moet men ‘de verdiensten van verscheidene levens, gewijd aan het Zijn als geheel (het hele levende en bezielde Heelal) in zich hebben opgenomen’.
2) Daarom is Niet-zijn in de esoterische filosofie ‘ABSOLUUT Zijn’. Volgens haar leer is zelfs Adi-Boeddha (de eerste of oorspronkelijke wijsheid), wanneer deze is gemanifesteerd, in zekere zin een illusie, maya, want alle goden, met inbegrip van Brahma, moeten aan het eind van de ‘eeuw van Brahma’ sterven; alleen de abstractie die men Parabrahm noemt – of we die nu Ensoph of ‘het Onkenbare’ van Herbert Spencer noemen – is ‘de ene absolute’ Werkelijkheid. Het ene Enig Bestaande is ADVAITA, ‘zonder een tweede’, en al het andere is maya, leert de Advaita-filosofie.
86: (b) De term ‘adem’ van het ene Bestaan wordt door de archaïsche esoterie alleen toegepast op het geestelijke aspect van de kosmogonie; in andere gevallen wordt deze vervangen door de overeenkomstige term op het stoffelijke gebied: beweging. Het ene eeuwige Element, of elementbevattende voertuig, is Ruimte, in elke betekenis zonder dimensie; tegelijk daarmee bestaan eindeloze duur, oer- (en dus onvernietigbare) stof, en beweging – absolute ‘eeuwigdurende beweging’: de ‘adem’ van het ‘ene’ Element. Zoals wij hebben gezien, kan deze adem nooit ophouden, zelfs niet tijdens de eeuwigheden van pralaya (zie ‘Chaos, Theos, Kosmos’ in Afdeling II).
Geheime Leer Deel I, Stanza 5. Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 149):
(a) Dit trekken van ‘spiraallijnen’ heeft betrekking op de evolutie van zowel de beginselen van de mens als die van de Natuur. Deze evolutie heeft geleidelijk plaats (zoals men zal zien in Deel II over ‘De oorsprong van de menselijke rassen’), evenals al het andere in de natuur. Hoewel volgens onze opvattingen het zesde beginsel in de mens (buddhi, de goddelijke ziel) alleen maar een adem is, is het toch iets stoffelijks vergeleken met de goddelijke ‘geest’ (atma), waarvan het de drager of het voertuig is. Fohat in zijn hoedanigheid van GODDELIJKE LIEFDE (Eros), het elektrische vermogen tot verwantschap en sympathie, wordt allegorisch weergegeven terwijl hij tracht de zuivere geest, de straal die onscheidbaar is van het ENE absolute, te verenigen met de ziel. Deze twee vormen in de mens de MONADE en in de Natuur de eerste schakel tussen het altijd onvoorwaardelijke en het gemanifesteerde. ‘De eerste is nu de tweede’ (wereld) – van de lipika’s – heeft betrekking op hetzelfde.
153: Het geloof in de ‘vier maharadja’s’ – de bestuurders van de vier hemelstreken – werd algemeen beleden en wordt nu door de christenen aanvaard, die hen in navolging van Augustinus ‘engelenmachten’ en ‘geesten’ noemen, wanneer zij zelf over hen spreken, en ‘duivels’ wanneer ze door heidenen worden genoemd. Maar waar is op dit punt het verschil tussen de heidenen en de christenen? In navolging van Plato maakte Aristoteles duidelijk, dat onder de term [stoicheia] alleen de onlichamelijke beginselen werden verstaan, die bij elk van de vier grote afdelingen van onze kosmische wereld waren geplaatst om daarover toezicht te houden. Evenmin als de christenen, aanbidden en vereren zij dus de elementen en de (denkbeeldige) hemelstreken, maar wel de ‘goden’ die deze respectievelijk bestuurden. Voor de kerk bestaan er twee soorten siderische wezens: de engelen en de duivels. Voor de kabbalist en de occultist is er maar één soort, en geen van beiden maakt enig verschil tussen ‘de heersers van het licht’ en de kosmocratoren of ‘rectores tenebrarum harum’, die de roomse kerk meent te ontdekken in een ‘heerser van het licht’, zodra deze met een andere naam wordt genoemd dan waarmee zij hem betitelt. Het is niet de ‘heerser’ of ‘maharadja’, die straft of beloont, met of zonder toestemming of bevel ‘van God’, maar de mens zelf – omdat zijn daden of karma individueel en collectief (zoals soms met hele volkeren het geval is) allerlei soort kwaad en rampen aantrekt. Wij maken OORZAKEN, en deze wekken in de siderische wereld de overeenkomstige krachten op. Deze krachten worden magnetisch en onweerstaanbaar aangetrokken tot degenen die deze oorzaken teweegbrachten en werken op hen terug, of dergelijke personen nu inderdaad de boosdoeners zijn, dan wel alleen de denkers die het kwaad hebben uitgebroed.
160: Bovendien zijn er in de occulte metafysica eigenlijk twee ‘ENEN’– het Ene op het onbereikbare gebied van absoluutheid en oneindigheid, waarover men niet kan speculeren, en het tweede ‘Ene’ op het gebied van de uitstralingen. Het eerste kan noch uitstralen, noch worden verdeeld, want het is eeuwig, absoluut en onveranderlijk. Het tweede is om zo te zeggen de weerkaatsing van het eerste Ene (immers, het is in het Heelal van de illusie de logos of Esvara) en kan dit alles wèl. Het emaneert uit zichzelf zoals de bovenste triade van de sephiroth de zeven lagere sephiroth emaneert – de zeven stralen of Dhyan-Chohans; met andere woorden, het homogene wordt het heterogene, de ‘protyle’ differentieert zich in de elementen. Maar deze kunnen nooit voorbij het laya-, of nulpunt komen, tenzij ze terugkeren tot hun oorspronkelijke element.
164: De ‘grote dag WEES-MET-ONS’ is dus een uitdrukking, waarvan de enige verdienste ligt in de letterlijke vertaling ervan. Haar betekenis wordt niet zo gemakkelijk onthuld aan een publiek, dat onbekend is met de mystieke leringen van het occultisme, of liever van de esoterische wijsheid of ‘boedhisme’. Genoemde uitdrukking is eigen aan het laatstgenoemde, en even vaag voor de niet-ingewijde als die van de Egyptenaren, die deze de ‘dag KOM-TOT-ONS’ noemden, wat identiek is met de eerste uitdrukking, hoewel het woord ‘wees’ in deze betekenis beter kan worden vervangen door ‘blijf’ of ‘rust-met-ons’, omdat het betrekking heeft op die lange periode van RUST, die paranirvana wordt genoemd. In de exoterische interpretatie van de Egyptische riten werd de ziel van iedere gestorvene – van de hiërofant tot de heilige stier Apis – een Osiris, zij werd ‘geosirifieerd’, hoewel de Geheime Leer altijd had gezegd, dat de werkelijke Osirificatie bij iedere monade pas na 3000 bestaanscyclussen plaatshad. Dit geldt ook hier. De ‘monade’, geboren uit de natuur en de essentie zelf van de ‘zeven’ (haar hoogste beginsel wordt onmiddellijk opgenomen in het zevende kosmische element), moet haar zevenvoudige omloop volbrengen door de Kringloop van het Bestaan en van de vormen, van de hoogste tot de laagste, en weer van mens tot god. Bij de drempel van paranirvana neemt zij haar oorspronkelijke essentie weer aan en wordt opnieuw het Absolute.
Geheime Leer Deel I, Stanza 7. De voorvaderen van de mens op aarde (p. 242):
Het is waar dat Ain-Soph, het ABSOLUTE EINDELOZE NIET-IETS, ook de gedaante van de ENE, de gemanifesteerde ‘hemelse mens’ (de EERSTE OORZAAK) gebruikt als zijn strijdwagen (mercabah in het Hebreeuws; vahan in het Sanskriet) of voertuig om in de wereld van de verschijnselen af te dalen en zich daarin te manifesteren. Maar de kabbalisten maken niet duidelijk hoe het ABSOLUTE iets kan gebruiken of een functie kan uitoefenen, omdat het als het Absolute geen eigenschappen heeft. Evenmin verklaren zij dat het in werkelijkheid de eerste Oorzaak (Plato’s logos) is, de oorspronkelijke en eeuwige IDEE, die zich manifesteert door Adam Kadmon, de tweede logos om zo te zeggen. In het ‘Boek van de Getallen’ wordt uitgelegd dat EN (of Ain, Aior) het enige zelfbestaande is, terwijl zijn ‘diepte’ (bythos of buthon van de gnostici, propator genoemd) alleen maar periodiek bestaat. De laatstgenoemde is Brahma, de differentiatie van Brahma of Parabrahm. Het is de diepte, de bron van het licht, of propator, die de ongemanifesteerde logos of de abstracte idee is, en niet Ain-Soph, waarvan de straal Adam-Kadmon – of de gemanifesteerde logos (het objectieve Heelal), ‘mannelijk en vrouwelijk’, – gebruikt als voertuig om zich daardoor te manifesteren. Maar in de Zohar lezen wij de volgende tegenstrijdigheid: ‘Senior occultatus est et absconditus; microprosopus manifestus est, et non manifestus.’ (Rosenroth; Liber Mysterii, IV, 1.) Dit is onjuist, omdat microprosopus of de microkosmos alleen tijdens zijn manifestaties kan bestaan, en tijdens de maha-pralaya’s tenietgaat. Rosenroth’s Kabbala is geen leidraad, maar heel vaak een raadsel.
265: (b) Zoals miljarden heldere vonken dansen op de wateren van een oceaan, waarboven een en dezelfde maan schijnt, zo fonkelen en dansen onze vergankelijke persoonlijkheden – de bedrieglijke omhulsels van het onsterfelijke MONADE-EGO – op de golven van maya. Evenals de duizenden vonken, voortgebracht door de stralen van de maan, duren en verschijnen zij slechts zolang de koningin van de nacht haar glans uitstraalt over de stromende wateren van het leven: het tijdperk van een manvantara. Dan verdwijnen ze; alleen de stralen – symbolen van onze eeuwige geestelijke ego’s – leven voort, weer opgegaan in en één met de moederbron, zoals tevoren.
5. DE VONK HANGT AAN DE VLAM, AAN DE FIJNSTE DRAAD VAN FOHAT. ZIJ REIST DOOR DE ZEVEN WERELDEN VAN MAYA (a). ZIJ HOUDT STIL IN DE EERSTE (rijk) EN IS EEN METAAL EN EEN STEEN; ZIJ GAAT DOOR NAAR DE TWEEDE (rijk), EN ZIE – EEN PLANT; DE PLANT WERVELT ROND DOOR ZEVEN VORMEN EN WORDT EEN HEILIG DIER (de eerste schaduw van de stoffelijke mens)
(a) De uitdrukking ‘door de zeven werelden van maya’ heeft hier betrekking op de zeven bollen van de planeetketen en de zeven ronden of de 49 fasen van actief bestaan, die de ‘vonk’ of monade vóór zich heeft bij het begin van elke ‘grote levenscyclus’ of manvantara. De ‘draad van fohat’ is de eerder genoemde levensdraad.
Dit betreft het grootste probleem van de filosofie – de stoffelijke en substantiële aard van het leven; het onafhankelijke bestaan daarvan wordt door de moderne wetenschap ontkend, omdat zij niet in staat is dit te begrijpen. Alleen degenen die geloven in reïncarnatie en karma bespeuren vaag, dat het hele geheim van het leven ligt besloten in de onafgebroken reeks van de manifestaties ervan: hetzij in het stoffelijke lichaam, of daarbuiten. Want hoewel
‘Het leven, als een koepel van veelkleurig glas,
De witte glans van de eeuwigheid kleurt’
is het toch zelf een deel van die eeuwigheid; want alleen het leven kan het leven begrijpen.
274) Want de monade of jiva op zichzelf kan niet eens geest worden genoemd: zij is een straal, een adem van het ABSOLUTE, of liever de absoluutheid, en omdat het absolute homogene geen verband heeft met het voorwaardelijke en betrekkelijke eindige, is het op ons gebied onbewust. Naast het materiaal dat nodig zal zijn voor haar toekomstige menselijke vorm, heeft de monade dus nodig: (a) een geestelijk model of een oervorm, waarnaar dat materiaal zich vorm kan geven, en (b) een intelligent bewustzijn om haar evolutie en vooruitgang te leiden; de homogene monade en de redeloze maar levende stof bezitten deze twee niet.
281: Bij het bespreken en verklaren van de aard van de onzichtbare elementen en het bovengenoemde ‘oorspronkelijke vuur’, noemt Eliphas Lévi dit altijd het ‘astrale licht’. Het is voor hem ‘le grand agent magique’ en ongetwijfeld is dit zo, maar – slechts voorzover het om zwarte magie gaat, en op de laagste gebieden van wat wij ether noemen, waarvan akasa het noumenon is; en zelfs dit zou door orthodoxe occultisten als onjuist worden beschouwd. Het ‘astrale licht’ is eenvoudig het oudere ‘siderische licht’ van Paracelsus; en als men zegt dat ‘alles wat bestaat zich eruit heeft ontwikkeld en dat het alle vormen in stand houdt en reproduceert’, zoals hij schrijft, dan verkondigt men alleen in de tweede stelling de waarheid. De eerste is onjuist, want als alles wat bestaat door (of via) het astrale licht was ontwikkeld, dan is dit het astrale licht niet. Het laatste bevat niet alle dingen, maar weerspiegelt deze hoogstens. Eliphas Lévi schrijft:
‘Het grote magische agens is de vierde uitstraling van het levensbeginsel (wij zeggen: het is de eerste in het innerlijke en de tweede in het uiterlijke – ons Heelal), waarvan de zon de derde vorm is . . . want de dagster (de zon) is slechts de weerspiegeling en de stoffelijke schaduw van de centrale zon van de waarheid, die de verstandelijke (onzichtbare) wereld van de geest verlicht en die zelf maar een glans is, ontleend aan het ABSOLUTE.’
292: (a) De dag waarop ‘de vonk weer de vlam zal worden (d.i. de mens zal opgaan in zijn Dhyan-Chohan) en mijzelf en anderen, uzelf en mij zal worden’, zoals de stanza zegt, betekent het volgende. In paranirvana, wanneer pralaya niet alleen de stoffelijke en psychische lichamen, maar zelfs de geestelijke ego(’s) tot hun oorspronkelijke beginsel zal hebben teruggebracht, zal de vroegere, de tegenwoordige en zelfs de toekomstige mensheid, evenals alle andere dingen, een en dezelfde zijn. Alles zal weer in de grote adem zijn teruggekeerd. Met andere woorden, alles zal zijn ‘opgegaan in Brahma’ of de goddelijke eenheid.
Is dit vernietiging, zoals sommigen denken? Of atheïsme, zoals andere critici – die een persoonlijke godheid aanbidden en geloven in een onfilosofisch paradijs – geneigd zijn te veronderstellen? Geen van beide. Het is volstrekt nutteloos terug te komen op de vraag of er in de meest verfijnde spiritualiteit atheïsme kan zijn verborgen. In nirvana vernietiging te zien, is hetzelfde als dat men van een mens die in een diepe droomloze slaap is verzonken – een slaap die geen indruk achterlaat op het stoffelijke geheugen en brein, omdat in die tijd het hogere Zelf van de slaper in zijn oorspronkelijke toestand van absoluut bewustzijn verkeert – zegt dat ook hij is vernietigd. Deze vergelijking beantwoordt maar één kant van de vraag – de meest materiële; want wederopneming is in geen geval zo’n ‘droomloze slaap’, maar integendeel absoluut bestaan, een onvoorwaardelijke eenheid of een toestand, voor de beschrijving waarvan de menselijke taal volkomen ontoereikend en hopeloos ongeschikt is. Een benadering tot zoiets als een alomvattend denkbeeld ervan, kan men misschien alleen vinden in de panoramische visioenen van de ziel, door middel van de geestelijke verbeeldingskracht van de goddelijke monade. Evenmin gaat de individualiteit verloren – noch zelfs de essentie van de persoonlijkheid, als daarvan iets wordt achtergelaten – omdat zij weer wordt opgenomen. Want hoe grenzeloos – vanuit menselijk standpunt beschouwd – de paranirvanische toestand ook is, toch heeft deze een grens in de eeuwigheid. Als deze toestand eenmaal is bereikt, zal dezelfde monade daaruit weer te voorschijn komen als een nog hoger wezen op een veel hoger gebied, om opnieuw te beginnen met haar cyclus van vervolmaakte werkzaamheid. Het menselijke denkvermogen kan in zijn tegenwoordige stadium van ontwikkeling dit gebied van denken niet te boven gaan, en zelfs nauwelijks bereiken. Hier wankelt het op de rand van het onbegrijpelijke Absolute en Eeuwige.
De Geheime Leer Deel I, Samenvatting (p. 301):
(4.) Het Heelal met alles daarin wordt MAYA genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon. In de gedachten van een filosoof moet het Heelal met zijn vergankelijke steeds wisselende vormen, vergeleken met de eeuwige onbeweeglijkheid van het ENE en de onveranderlijkheid van dat beginsel, niet meer zijn dan een dwaallichtje. Toch heeft het Heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het Heelal zelf.
313: Dit wordt tegengesproken door dezelfde Trismegistos, die zegt: ‘Het is onmogelijk van God te spreken. Want het lichamelijke kan het niet-lichamelijke niet uitdrukken. . . . Dat wat noch lichaam, noch gestalte, vorm of materie heeft, kan niet door de zintuigen worden bevat. Ik begrijp het, Tatios, ik begrijp het, wat onmogelijk kan worden omschreven – dat is God.’ (Physical Eclogues, Florilegium van Stobaeus.)
Het is duidelijk dat deze twee passages elkaar tegenspreken en daaruit blijkt (a) dat een aantal generaties van mystici van allerlei soort onder het algemene pseudoniem van Hermes schreven en (b) dat een groot onderscheidingsvermogen nodig is vóór men een Fragment als esoterische lering aanvaardt, alleen omdat het onmiskenbaar oud is. We gaan nu het bovenstaande vergelijken met een soortgelijke aanroeping uit de hindoegeschriften, die ongetwijfeld even oud, zo niet veel ouder is. Hier is het Parasara, de Arische ‘Hermes’, die Maitreya, de Indiase Asclepios, onderwijst en Vishnu als drievoudig wezen aanroept.
‘Eer aan de onveranderlijke, heilige, eeuwige verheven Vishnu, die één universele aard heeft, de machtige over alles; aan hem die Hiranyagarbha, Hari en Sankara is (Brahma, Vishnu en Siva), de schepper, de instandhouder en de vernietiger van de wereld; eer aan Vasudeva, de bevrijder (van zijn aanbidders); aan hem van wie de essentie zowel enkelvoudig als veelvoudig is; die zowel ijl als lichamelijk is en zowel een geheel vormt als niet een geheel vormt; eer aan Vishnu, de oorzaak van de uiteindelijke verlossing, de oorzaak van de schepping, van het bestaan en van het einde van de wereld; die de wortel van de wereld is en die uit de wereld bestaat.’ (Vish. Purana, Deel I.)
314: ‘Werkelijkheid bestaat niet op aarde, mijn zoon, en kan daar niet bestaan. . . . Niets op aarde is werkelijk, er is slechts schijn. . . . Hij (de mens) is als mens niet werkelijk, mijn zoon. Het werkelijke bestaat alleen in zichzelf en blijft wat het is. . . . De mens is vergankelijk en hij is daarom niet werkelijk, hij is maar schijn en schijn is de hoogste illusie.
316: (xx.) ‘Materie of substantie is zowel in onze wereld als daarbuiten zevenvoudig. Bovendien is elk van haar toestanden of beginselen in zeven graden van dichtheid verdeeld. SURYA (de zon) toont in zijn zichtbare weerspiegeling de eerste of laagste toestand van de zevende of hoogste staat van de ALOMTEGENWOORDIGHEID, de allerzuiverste, de eerste gemanifesteerde adem van het steeds ongemanifesteerde SAT (het Zijn). Alle centrale stoffelijke of objectieve zonnen zijn naar hun substantie de laagste toestand van het eerste beginsel van de ADEM. Geen enkele van deze is meer dan de WEERSPIEGELING van zijn BEGINSELEN, die voor ieders blik zijn verborgen, behalve voor die van de Dhyan-Chohans, van wie de lichaamssubstantie behoort tot de vijfde afdeling van het zevende beginsel van de moedersubstantie en daarom vier graden hoger ligt dan de weerspiegelde zonnesubstantie. Evenals er zeven dhatu (hoofdsubstanties in het menselijke lichaam) zijn, zijn er ook zeven krachten in de mens en in de hele Natuur.’
317: (xxv.) ‘De zeven wezens in de zon zijn de zeven heiligen, zelfgeboren uit de inwonende kracht in de voedingsbodem van de moedersubstantie. Zij zenden de zeven hoofdkrachten of stralen uit, die zich aan het begin van pralaya zullen concentreren tot zeven nieuwe zonnen voor het volgende manvantara. De energie waaruit zij plotseling tot een bewust bestaan in iedere zon komen, wordt door sommigen Vishnu genoemd (zie de voetnoot hieronder), die de adem van het ABSOLUTE is.
Wij noemen dit het ene gemanifesteerde leven – zelf een weerspiegeling van het Absolute . . . . ’
Deel I, hoofdstuk 3 De oorspronkelijke substantie en godelijke gedachte (p. 357):
De goddelijke gedachte kan niet worden omschreven en haar betekenis kan niet worden verklaard, behalve door de talloze manifestaties van de kosmische substantie waarin de eerstgenoemde geestelijk wordt aangevoeld door degenen die dat kunnen. Als men dit zegt nadat men haar heeft omschreven als de onbekende godheid, die abstract, onpersoonlijk en geslachtloos is en die de grondslag moet vormen van iedere kosmogonie en de daaropvolgende evolutie, zegt men in feite helemaal niets. Het is alsof men een transcendente vergelijking van voorwaarden voor de verzameling van ware waarden wil vinden, terwijl men voor de afleiding daarvan alleen maar beschikt over een aantal onbekende grootheden. Men vindt de plaats van die onbekende godheid op de oude primitieve symbolische kaarten, waar zij, zoals eerder is aangegeven, wordt voorgesteld door een grenzeloze duisternis, tegen de achtergrond waarvan het eerste middelpunt in wit verschijnt – als symbool van het verschijnen van de even oude en eeuwig bestaande GEEST-STOF in de wereld van de verschijnselen, vóór haar eerste differentiatie. Wanneer ‘het ene twee wordt’, kan men het aanduiden als geest en stof. Iedere manifestatie van bewustzijn, weerspiegeld of direct, en van onbewuste doelgerichtheid (om een moderne uitdrukking uit de westerse zogenaamde filosofie te gebruiken), kan tot ‘geest’ worden teruggebracht, zoals blijkt uit het levensbeginsel en uit de onderwerping van de Natuur aan de majestueuze voortgang volgens de onveranderlijke wet. ‘Stof’ moet echter worden beschouwd als objectiviteit in haar zuiverste abstractie – de uit zichzelf bestaande basis, waarvan de zevenvoudige manvantarische differentiaties de objectieve werkelijkheid vormen, die ten grondslag ligt aan de verschijnselen van iedere fase van het bewuste bestaan. Tijdens de periode van de universele pralaya is er geen kosmische verbeelding, en de verschillend gedifferentieerde toestanden van de kosmische substantie zijn weer opgelost in de oorspronkelijke toestand van abstracte potentiële objectiviteit.
358: De manvantarische impuls begint met het opnieuw ontwaken van de kosmische verbeelding (het ‘universele denkvermogen’), terwijl tegelijkertijd en parallel daarmee de kosmische substantie voor het eerst tevoorschijn komt – deze laatste is het manvantarische voertuig van het eerstgenoemde – uit haar ongedifferentieerde toestand van pralaya. Dan weerspiegelt de absolute wijsheid zich in haar eigen ideeën; dit resulteert in kosmische energie (fohat) door een transcendentaal proces, dat het menselijke bewustzijn te boven gaat en hiervoor onbegrijpelijk is. De schoot van de inerte substantie doortrillend, brengt fohat deze tot activiteit en geleidt haar primaire differentiaties op alle zeven gebieden van kosmisch bewustzijn. Zo zijn er zeven protylen (zoals deze nu worden genoemd), terwijl ze in de Arische oudheid de zeven prakriti of naturen werden genoemd; elk voor zich diende als de relatief homogene basis die, terwijl de heterogeniteit (in de evolutie van het Heelal) toeneemt, zich differentieert tot de prachtige samengesteldheid die verschijnselen op de gebieden van waarneming bieden. Het woord ‘relatief’ wordt met opzet gebruikt, omdat alleen al het bestaan van zo’n proces, dat resulteert in de primaire scheiding van de ongedifferentieerde kosmische substantie in haar zevenvoudige grondslagen van de evolutie, ons dwingt om de protyle2 van ieder gebied te beschouwen als slechts een tussenfase die de substantie doorloopt, terwijl ze op weg is van abstractheid naar volledige objectiviteit.
2) De term protyle is afkomstig van Crookes, de eminente scheikundige, die deze naam gaf aan de pre-materie, als men de oorspronkelijke en zuiver homogene substanties zo mag noemen, waarvan de wetenschap het bestaan vermoedt – ook al is dat nog niet werkelijk gevonden – in de kleinste bestanddelen van het atoom. Maar de beginnende scheiding van de oorspronkelijke materie in atomen en moleculen ontstaat pas na de evolutie van de zeven protylen. Crookes is naar de laatste daarvan op zoek, nu hij onlangs de mogelijkheid heeft ontdekt van het bestaan ervan op ons gebied. [Zie ook de eerste noot van de vertaler bij de Toelichting op Stanza II, 4.]
Deel I, hoofdstuk 6 De maskers van de wetenschap (p. 567):
De wetenschap vergist zich alleen als ze gelooft dat zij, omdat ze in trillingsgolven de onmiddellijke oorzaak van deze verschijnselen heeft ontdekt, daarom ALLES heeft onthuld dat over de drempel van de zintuiglijke waarneming ligt. Zij gaat alleen maar de opeenvolging van de verschijnselen na op een gebied van gevolgen, bedrieglijke projecties uit het gebied waarin het occultisme langgeleden is doorgedrongen. En het laatste beweert dat die etherische trillingen niet, zoals de wetenschap verkondigt, worden veroorzaakt door de trillingen van moleculen van bekende lichamen – de stof van ons aardse objectieve bewustzijn – maar dat we de uiteindelijke oorzaken van licht, warmte, enz. moeten zoeken in STOF, die in bovenzinnelijke toestanden verkeert – toestanden die echter voor het spirituele oog van de mens volkomen objectief zijn, evenals een paard of een boom voor de gewone sterveling. Licht en warmte zijn de schim of schaduw van de stof in beweging. Zulke toestanden kunnen door de ZIENER of de adept worden waargenomen in de uren van trance, onder de sushumna straal – de eerste van de zeven mystieke stralen van de zon12.
We brengen dus de occulte lering naar voren, die het werkelijke bestaan verdedigt van een bovenstoffelijke en bovenzinnelijke essentie van dat ākāśa (niet van de ether, die slechts een aspect van laatstgenoemde is), waarvan men de aard niet kan afleiden uit zijn verder liggende manifestaties – zijn zuiver fenomenale samenstel van gevolgen – op dit aardse gebied. De wetenschap daarentegen zegt ons dat men warmte nooit als stof in een of andere denkbare toestand kan beschouwen. Men zegt ons ook dat de twee grote hinderpalen voor de fluïdum(?)theorie van warmte ongetwijfeld zijn:
(1.) Het voortbrengen van warmte door wrijving – het opwekken van moleculaire bewegingen.
(2.) Het omzetten van warmte in mechanische beweging.
12) De namen van de zeven stralen, nl. sushumna, harikeśa, viśvakarman, viśvatryarchas, samnaddha, sarvāvasu en svarāj, zijn alle mystiek en elk heeft voor occulte doeleinden zijn eigen toepassing in een bepaalde bewustzijnstoestand. De sushumna die, zoals in het Nirukta (II, 6) wordt gezegd, alleen dient om de maan te verlichten, is de straal die niettemin door de ingewijde yogi’s wordt geëerd. De zeven stralen, die door het zonnestelsel zijn verspreid, vormen samen als het ware de fysieke upādhi (basis) van de ether van de wetenschap. In deze upādhi werken licht, warmte, elektriciteit, enz. – de krachten van de orthodoxe wetenschap – op elkaar in om hun aardse gevolgen voort te brengen. Als psychische en spirituele gevolgen komen zij voort uit en hebben hun oorsprong in de supra-solaire upādhi, in de ether van de occultist – of ākāśa.
Deel I, hoofdstuk 14 Krachten - bewegingsvormen of intelligenties? (p. 668):
Met ‘moleculaire verbindingen’ bedoelt men natuurlijk die van de stof van onze tegenwoordige bedrieglijke waarnemingen; deze stof is alleen op ons gebied werkzaam. En dit is het belangrijkste punt dat aan de orde is.
De occultisten staan in hun overtuigingen dus niet alleen. Eigenlijk zijn ze ook niet zo dwaas dat ze zelfs de ‘zwaartekracht’ van de hedendaagse wetenschap tegelijk met andere fysische wetten verwerpen en in plaats daarvan aantrekking en afstoting aannemen. Bovendien zien ze in deze twee tegengestelde krachten slechts de twee aspecten van de universele eenheid, die men ‘het zich manifesterende denkvermogen’ noemt. In deze aspecten neemt het occultisme door middel van zijn grote zieners een ontelbare menigte werkzame wezens waar: kosmische Dhyāni-Chohans, wezens waarvan de essentie in haar tweevoudige natuur de oorzaak is van alle aardse verschijnselen. Want die essentie is één in substantie met de universele elektrische oceaan, die het LEVEN is; en omdat zij, zoals gezegd, tweevoudig is – positief en negatief – zijn de emanaties van die tweevoudigheid nu op aarde werkzaam onder de naam ‘bewegingsvormen’. Want zelfs tegen het woord kracht kan men bezwaar gaan maken uit vrees dat het iemand zelfs maar in gedachten ertoe zou brengen deze van de stof te scheiden! Het tweeledige gevolg van die tweevoudige essentie wordt nu, zoals het occultisme zegt, de middelpuntzoekende en de middelpuntvliedende kracht genoemd, de negatieve en positieve polen of polariteit, warmte en kou, licht en duisternis, enz.
En men beweert dat zelfs de grieks- en de rooms-katholieke christenen wijzer zijn door te geloven in engelen, aartsengelen, archonten, serafijnen en morgensterren, kortom in al die theologische deliciae humani generis, die de kosmische elementen regeren – zelfs als zij deze blindelings in verband brengen met en terugvoeren tot een antropomorfe god – dan de wetenschap door in het geheel niet daarin te geloven en deze aan mechanische krachten toe te schrijven. Want deze werken heel vaak met meer dan menselijke intelligentie en zakelijkheid. Niettemin ontkent men die intelligentie en schrijft deze toe aan blind toeval. Maar evenals De Maîstre gelijk had toen hij de wet van de zwaartekracht alleen maar een woord noemde dat ‘het onbekende iets’ verving (Soirées), hebben wij gelijk als we dezelfde opmerking toepassen op alle andere krachten van de wetenschap.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 15 Goden, monaden en atomen (p. 680/681):
De monade – slechts de uitstraling en weerspiegeling van het punt (logos) in de wereld van de verschijnselen – wordt, als de top van de gemanifesteerde gelijkzijdige driehoek, de ‘vader’. De linkerzijde of lijn is de duade, de ‘moeder’, die wordt beschouwd als het kwade, tegenwerkende beginsel (Plutarchus, De Placitis Placitorum); de rechterzijde stelt de zoon voor (in iedere kosmogonie ‘de echtgenoot van zijn moeder’, omdat hij één is met de top); de basislijn geeft het universele gebied van de voortbrengende Natuur weer, die op het gebied van de verschijnselen vadermoeder-zoon verenigt, zoals deze in de bovenzinnelijke wereld waren verenigd in de top. Door mystieke vervorming werden ze het viertal – de driehoek werd de TETRAKTIS.
Deze transcendentale toepassing van de meetkunde op de kosmische en goddelijke theogonie – de alfa en omega van de mystieke gedachte – kreeg na Pythagoras door toedoen van Aristoteles veel minder betekenis.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 704):
De ware boeddhist, die geen ‘persoonlijke god’ en geen ‘vader’ en ‘schepper van hemel en aarde’ erkent, gelooft wel in een absoluut bewustzijn, ‘ādi-buddhi’; de boeddhistische filosoof weet dat er planeetgeesten zijn, de ‘Dhyāni-Chohans’.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 1 Het begin van bewust leven (p. 35):
‘Elke wereld heeft haar moederster en zusterplaneet. Zo is de Aarde het geadopteerde kind en de jongere broer van Venus, maar haar bewoners hebben hun eigen aard . . . Alle bewuste voltooide wezens (volledig zevenvoudige mensen of hogere wezens) worden bij hun aanvang voorzien van vormen en organismen, geheel in harmonie met de aard en toestand van de sfeer die zij bewonen.’
‘De sferen van het Zijn of levenscentra, die afgezonderde kernen zijn die hun mensen en hun dieren voortbrengen, zijn talloos; niet één heeft ook maar enige gelijkenis met haar gezellin of met enige andere van haar eigen speciale nageslacht.’
‘Alle hebben een dubbele stoffelijke en geestelijke natuur.’ (Wet van zelfontplooiing)
‘De levenskernen zijn eeuwig en altijddurend; de kernen periodiek en eindig. De levenskernen maken deel uit van het absolute. Het zijn de schietgaten van die zwarte onneembare vesting, die voor altijd is verborgen voor de blik van de mens of zelfs de Dhyani. De kernen zijn het licht van de eeuwigheid, dat daaruit ontsnapt.’
36: ‘De bezielende intelligenties, die deze verschillende kernen van het Zijn tot leven opwekken, worden zonder onderscheid door de mensen aan de andere kant van de grote bergketen19 de Manu’s, de rishi’s, de pitri’s20, de prajapati’s, enz. genoemd. Aan deze kant van die keten noemt men ze Dhyani-Boeddha’s, de Chohans, melha’s (vuurgoden), bodhisattva’s21 en nog anders. De werkelijk onwetenden noemen hen goden, de geleerde niet-ingewijden de éne God; de wijzen, de ingewijden, eren in hen slechts de manvantarische manifestaties van DAT, wat noch onze scheppers (de Dhyan-Chohans) noch hun schepselen ooit kunnen bespreken en waarover ze niets weten. Het ABSOLUTE kan niet worden omschreven en geen sterfelijk of onsterfelijk wezen heeft het tijdens de perioden van Bestaan ooit gezien of begrepen. Het veranderlijke kan het onveranderlijke niet kennen en evenmin kan het levende het Absolute Leven waarnemen.’
De mens kan dus geen wezens kennen hoger dan zijn eigen ‘voorvaderen’. ‘Evenmin moet hij ze aanbidden’, maar hij zou moeten leren hoe hij in de wereld kwam.
19) ‘Aan de andere kant van’ de grote bergketen betekent in ons geval India, omdat dit voor het Cis-Himalaja gebied [d.i. o.a. Tibet. Vert.], het Trans-Himalaja gebied vormt.
20) De term pitri’s wordt door ons in deze sloka’s gebruikt om het begrijpen ervan te vergemakkelijken, maar in de oorspronkelijke stanza’s wordt het woord niet op deze manier gebruikt; de ‘pitri’s’ hebben daar hun eigen benamingen, en ook die van ‘vaders’ en ‘voorouders’.
21) Het is onjuist om de verering van de menselijke bodhisattva’s of Manjusri letterlijk op te vatten. Het is waar dat de Mahayanaschool exoterisch leert ze zonder onderscheid te aanbidden, en dat Huien-Tsang spreekt over sommige leerlingen van Boeddha die worden vereerd. Maar esoterisch is het niet de leerling of de geleerde Manjusri persoonlijk, die eerbewijzen ontving, maar de goddelijke bodhisattva’s en Dhyani-Boeddha’s die de menselijke vormen bezielden (Amilakha, zoals de Mongolen zeggen).
46: Er heerst vaak verwarring over de eigenschappen en de stambomen van de goden in hun theogonieën, zoals die aan de wereld zijn gegeven door de half-ingewijde schrijvers, brahmaanse en bijbelse, de alfa en de omega van de geschriften van die symbolische wetenschap. Toch kon zo’n verwarring niet zijn teweeggebracht door de vroegste volkeren, de afstammelingen en leerlingen van de goddelijke leermeesters, want zowel de eigenschappen als de stambomen waren onafscheidelijk verbonden met kosmogonische symbolen, omdat de ‘goden’ het leven en het leven opwekkende ‘ziel-beginsel’ van de verschillende gebieden van het Heelal waren. Nergens en bij geen enkel volk was het toegestaan de speculatie uit te strekken tot voorbij die gemanifesteerde goden. De grenzeloze en oneindige EENHEID bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus.
Deel II,
TOT DE EERSTE MENSENRASSEN (p. 183):
‘Eerst komen de ZELFBESTAANDEN op deze aarde. Zij zijn de ‘geestelijke levens’, geprojecteerd door de absolute WIL en WET, bij de dageraad van elke wedergeboorte van de werelden. Deze LEVENS zijn de goddelijke ‘sishta’s’ (de zaad-Manu’s, of de prajapati’s en de pitri’s).’
Deel II, De oorspronkelijke manu's van de mensheid (p. 353):
In de symboliek van alle volkeren staat ‘de zondvloed’ voor chaotische ongeordende stof – de Chaos zelf – en het water voor het vrouwelijke beginsel: de ‘grote diepte’. Het Griekse Lexicon van Parkhurst zegt: ‘ Ἀρχή – (ark) komt overeen met het Hebreeuwse rasit of wijsheid . . . en (tegelijk) met het embleem van het vrouwelijke voortbrengende vermogen, de arg of arca, waarin de kiem van de natuur (en van de mensheid) zweeft of broedt op de grote afgrond van de wateren, tijdens het interval na elke wereld- (of ras-) cyclus.’ Ark is ook de mystieke naam van de goddelijke geest van het leven die zweeft boven de chaos. Maar Vishnu is de goddelijke geest als abstract beginsel en ook als de instandhouder en voortbrenger, of schenker van het leven – de derde persoon van de trimurti (die bestaat uit Brahma, de schepper, Siva, de vernietiger en Vishnu, de instandhouder). Volgens de allegorie leidt Vishnu, in de vorm van een vis, de ark van Vaivasvata Manu veilig over de wateren van de vloed.
G. de Purucker boek De Hiërarchie van Medogen (24): De gehele structuur van de Kosmos of Natuur is overal trapsgewijs opgebouwd, en is gebaseerd op ‘analogieën’en ‘herhalingen’. Er zijn nergens ‘absoluten’, en alles is volstrekt relatief ten opzichte van al het andere.
Absolute, Het: Een term die helaas vaak verkeerd wordt gebruikt en ook wordt misbruikt, zelfs in theosofische geschriften. Het is in de westerse wijsbegeerte een gangbaar woord waarmee het volstrekt onvoorwaardelijke wordt aangeduid; maar dit gebruik doet de etymologie van het woord geweld aan, en is ook in strijd met de wijze waarop sommige scherpzinnige en nauwlettende denkers zich ervan bedienen, zoals bijvoorbeeld Sir W. Hamilton in zijn Discussions, derde druk, blz. 13, voetnoot, die het woord 'Absoluut' op de juiste wijze blijkt te gebruiken, zoals theosofen zouden moeten doen, en wel in de betekenis van 'voltooid', 'volmaakt', 'volledig'. Sir W. Hamilton merkt op: 'Het Absolute staat lijnrecht tegenover en is het tegengestelde van het Oneindige' (zie aldaar). Deze laatste uitspraak is juist, en in zorgvuldig opgestelde theosofische geschriften zou het woord 'Absoluut' moeten worden gebruikt zoals Sir W. Hamilton dat doet, nl. in de betekenis van dat wat is bevrijd, losgemaakt, volmaakt, voltooid.
De Geheime Leer Deel II Stanza 6 Enkele woorden over ‘zondvloeden’ en ‘noachs’ (p. 177):
Het laatstgenoemde heeft echter niet meer persoonlijk belang in hen of hun scheppingen, dan de zon in de zonnebloem en haar zaden, of in de plantengroei in het algemeen. Het is bekend dat zulke actieve ‘scheppers’ bestaan en men gelooft in hen omdat de innerlijke mens in de occultist ze waarneemt en voelt. De laatstgenoemde zegt dat een ABSOLUTE godheid, die onvoorwaardelijk en zonder relaties moet zijn, niet tegelijkertijd als een actieve, scheppende, ene levende god kan worden gedacht, zonder onmiddellijk dat ideaal te verlagen30. Een godheid die zich manifesteert in Ruimte en Tijd – deze twee zijn eenvoudig de vormen van DAT wat het Absolute AL is – kan slechts een onderdeel van het geheel zijn.
30) Het begrip en de definitie van het Absolute volgens kardinaal Cusa kunnen alleen het westerse denken bevredigen, dat zonder het zelf te weten, gedurende lange eeuwen van scholastieke en theologische sofisterij gevangen was gehouden en was gedegenereerd. Maar deze ‘Recente filosofie van het Absolute’, die door Sir W. Hamilton tot Cusa werd teruggevoerd, zou de scherper metafysische geest van de hindoe-Vedantakenner nooit bevredigen.
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 2 De voorouders die de wetenschap aan de mensheid biedt (p. 756):
Een ‘theorie’ is eenvoudig een hypothese, een speculatie, en geen wet. Het anders te zeggen is slechts een van de vele vrijheden die wetenschappers tegenwoordig nemen. Zij verkondigen iets absurds en verbergen dat dan achter het schild van de wetenschap. Elke gevolgtrekking uit een theoretische speculatie is niets anders dan een speculatie gebaseerd op een speculatie. Sir W. Hamilton heeft al aangetoond dat het woord theorie nu ‘in een heel ruime en oneigenlijke betekenis’ wordt gebruikt . . . , ‘dat het verwisselbaar is met hypothese, en hypothese wordt gewoonlijk toegepast als een ander woord voor gissing, terwijl de woorden ‘theorie’ en ‘theoretisch’ eigenlijk moeten worden gebruikt als tegenstelling van de termen praktijk en praktisch ’.
Relativiteit: De moderne wetenschappelijke leer van de Relativiteit is, ondanks haar begrensdheid en mathematische beperkingen, voor de theosofische onderzoeker van buitengewoon veel betekenis, omdat ze de metafysica in de fysica introduceert, breekt met de zuiver speculatieve gedachte dat bepaalde dingen absoluut zijn in een zuiver relatief heelal, en ons doet terugkeren tot een onderzoek van de natuur zoals de natuur is, en niet zoals wiskundige theoretici tot nu toe stilzwijgend hebben aangenomen dat ze is. De leer van de Relativiteit met haar grondgedachte van relatieve in plaats van absolute begrippen is juist, maar dat betekent niet dat een theosoof de gevolgtrekkingen van Einstein of van zijn volgelingen noodzakelijkerwijs aanvaardt. Deze laatste kunnen waar zijn of niet, de tijd zal het leren. In ieder geval is Relativiteit niet waarvoor ze vaak ten onrechte wordt gehouden - louter de leer dat 'alles relatief' is, wat zou betekenen dat er nergens iets fundamenteels of werkelijks bestaat, waaruit andere dingen voortvloeien; met andere woorden, dat er geen wezenlijke of fundamenteel goddelijke en geestelijke achtergrond van het zijn bestaat. De Relativiteitstheorie is een vage aanduiding, een benadering van een zeer, zeer oude theosofische lering - de leer van mâyâ (zie aldaar).
René Meijer: Laten we deze fundamentele gedachtengang voor het nieuwe paradigma (Ether-paradigma) nog een keer doorlopen: in het begin van de schepping is er eerst het niets, 'het slapen van God' zeg maar, dan is er 'wakker' de lineaire tijd van de uitdijende tijdruimte: de donkere energie, de pure tijdenergie die enkel maar lineair de uitbreiding is. Dan ontstaat uit die lineaire tijd, door een verstoord evenwicht, door een gebroken symmetrie, een tegenkracht, de cyclische tijd, als een opsplitsing t.o.v. die oerether. Zo ontstaat dan vanuit de tijdruimte de driedimensionale ruimte die vol is met gravitonen of wervelingen van de cyclische tijd, pure tijdwervelingen dus van de oerether. Deze laatste fase van lichtmanifestatie is wat in de tijdlijn wordt weergegeven van het kosmisch bestel zoals de huidige wetenschap die zich die voorstelt. Daarin is er manifestatie vanaf het begin en is de donkere energie er pas later. Maar in een hiërarchische visie zoals hier gepresenteerd gaan er fasen aan vooraf en gaat de donkere energie vooraf aan de manifestatie. Deze gaat van E=T.e2 naar E=T.d2: de tijd die expandeert (e2) wordt eerst driedimensionaal (d2). Dan pas materialiseert vervolgens de materie zich als een verdere opsplitsing van de gravitonen in de universele (secundaire) ruimte: ze vormen dan de lokale ethersferen van de gekromde (tertiaire) ruimte.
Zo vormen de vier elementaire deeltjes samen met de relatieve, dynamische ether dan een parallel voor de vier basiskrachten die de natuurkunde kent: de zwaartekracht (het graviton), de elektromagnetische kracht (de elektronen en protonen), de sterke kernkracht die alles bij elkaar houdt (het integron) en de zwakke kernkracht (het neutron dat steeds tot verstrooiing en verval leidt op den duur). In één adem gezegd: eerst is er de tijd, dan de werveling ervan en dan de opsplitsing ervan in de drie basisdeeltjes van de materie plus een holistisch integriteits-effect dat ook wel als het lokale etherdeeltje of integron te beschrijven is. De etherdeeltjes zijn steeds deel en geheel, zijn 'part and parcel', of holondeeltjes - naar het holon zoals het hongaarse multitalent Arhur Koestler (1905-1983) en meer recent de holist Ken Wilber het als een filosofisch begrip verdedigden.
Samenvatting
De verticale dimensie (Axis mundi) brengt ook de evoluerende waardensystemen van de Spiral Dynamics van Don Beck in beeld. Elk mens heeft een natuurlijke aanleg (nature), maar onze sociale vaardigheden zijn niet aangeboren doch tijdens de opvoeding (nurture) aangeleerd. Bij de verticale as door het centrum gaat het om de moraal van het verhaal, de waarden en normen, de geschreven en ongeschreven leefregels. Jezelf met de ascensie van het universum te verbinden.
Het zelfbewustzijn en het non-lokale bewustzijn zijn complementair. Het betekent uiteindelijk dat Geest en Lichaam, geesteswetenschappers en natuurwetenschappers gelijkwaardig aan elkaar zijn. De mens kan polariseren omdat er polariteiten bestaan.
In een compositie wordt een dissonant meestal gevolgd door een consonant.
Dit geldt ook voor de psychologie waar cognitieve dissonantie lijnrecht tegenover cognitieve consonantie staat.
Plato's Ideeën wereld:
Volgens Plato is dat wat wij doorgaans beschouwen als de werkelijkheid slechts een zwakke afschaduwing van de échte werkelijkheid: de wereld van de Ideeën. Deze ideeën bevinden zich in Plato’s hemel of Ideeënrijk: een transcendente werkelijkheid waar geen tijd of ruimte bestaat. In de allegorie van de grot brengt Plato een bepaalde visie op de werkelijkheid naar voren: idealisme. Kenmerkend voor Plato’s idealisme is dat de abstracte wereld van de Ideeën meer realiteit bezit dan de materiële wereld van de tastbare dingen.
Roberto Assagioli, boek ‘Psychosynthese’, p. 29: Het bewuste zelf of ‘Ik’ (centrum, centraal punt in het ‘ei’ van Assagioli): Vanuit een bepaald gezichtspunt kan men dit verschil vergelijken met het verschil dat er bestaat tussen het witte, verlichte scherm (Weerkaatsing, Toverlantaarn, Tetragrammaton), èn de verschillende beelden die erop geprojecteerd worden. …zij vereenzelvigen zichzelf met die opeenvolgende golvingen, met de steeds veranderende inhouden van hun bewustzijn (identificatie versus dis-identificatie).
Het witte, verlichte scherm komt met het hogere manas of het EGO overeen.
De Disidentificatie (Meditatie-Diagram van Blavatsky), die Roberto Assogioli toepast, sluit aan bij:
- De zelfrealisatie, die in de Bhagavad Gita van Vyasa tot uitdrukking wordt gebracht.
- Gnosis, het denken met het hart en het voelen met het hoofd.
- De mens is een mysterie, het begrip individualiteit in de theosofie.
- Het individuatieproces van Carl Jung.
- De Vierde Weg van Gurdjieff (self-development) en de Fourth Way van zijn leerling P. D. Ouspensky.
- De zelfverwerkelijking, die Freek van Leeuwen in zijn boek Levensweg beschrijft.
- De Ummah, de vijf Zuilen van de islam.
- Neuro-linguistic programming (NLP) van Richard Bandler & John Grinder.
- Het Kernkwadrant van Daniel Ofman wordt veel gebruikt om de Kernkwaliteiten van een persoon te beschrijven.
De humanistische psychologie van Maslow, het Ei van Assagioli en het metamodel in NLP brengen het 1e, 2e en 3e grondbeginsel (hypothese) van de theosofie tot uitdrukking. Maslow belicht in het bijzonder het 1e grondbeginsel ‘het onkenbare’, namelijk transcendentie, dat wat de mens overstijgt. De transpersoonlijke psychologie van Roberto Assagioli legt de nadruk op synthese, het 2e grondbeginsel verschijnen en verdwijnen (identificatie en disidentificatie) en bij NLP komt de systeemhiërarchie, het 3e grondbeginsel duidelijk naar voren. Het boek Psychosynthese van Roberto Assagioli laat duidelijk zien dat hij zich door de theosofie heeft laten inspireren. Zowel zijn moeder als zijn vrouw was theosoof.
De verticale as (Axis mundi) door het midden van het Ei van Assagioli symboliseert de door Maslow genoemde zelfrealisatie, de Derde weg in de psychologie of de weg van het universele soefisme. Door dis-identificatie is het mogelijk dat we ons met de ware identiteit, het hogere zelf verbinden. De psychosynthese van Assagioli is een transformatieproces, waarbij in de mens de macht van het ego naar het hogere Zelf verschuift. Het maakt het laten oplossen van conditioneringen mogelijk.
De transpersoonlijke psychologie van Roberto Assagioli sluit op de humanistische psychologie van Maslow aan. Op de verticale as plaatst Assagioli zachtheid tegenover sereniteit, juiste waardetoekenning tegenover spirituele waardigheid, praktisch realisme tegenover duidelijk waarnemen van de werkelijkheid, evenwichtige krachtige persoonlijkheid tegenover spirituele energie.
De behoeftehiërarchie van Maslow laat zien dat het in het leven niet alleen draait om materiële, maar ook om immateriële behoeften. Het gaat om welvaart, bijvoorbeeld het levensmiddelenpakket, maar ook om welzijn een gezonde lucht- en waterkwaliteit. Het leven is geen kosten/baten analyse.
Later in zijn leven bracht Maslow nog enkele veranderingen aan in zijn hiërarchie. Hij besefte dat er binnen de zelfontplooiing nog onderverdelingen te maken waren. Deze onderverdelingen tonen echter een grote verwantschap en lopen vloeiender in elkaar over dan de onderliggende die duidelijke afbakeningen hebben. Tegen het einde van zijn leven voegde Maslow nog een achtste trap toe; die van het transcendente.
De Triade symboliseert deze achtste stap, de eenheid der tegendelen (Complementariteit).
Atma-Buddhi-Manas (Geest, hogere Zelf) in de mens wordt door de drie Logoi {'Vader, Zoon en Heilige Geest' of 'Brahma, Vishnu en Shiva' (‘Scheppen, Onderhouden en Vernietigen’) of 'Isis, Osirus en Horus'} in de Kosmos weerspiegeld (Weerkaatsing, Toverlantaarn, Tetragrammaton).
Het model van Robert Dilts bestaat uit de hiërarchie van 6 logische niveaus. Iedereen leeft, tegelijkertijd op de 6 niveaus. Het model gaat er vanuit dat zaken van een niveau op de onderliggende niveaus doorwerken. De kernvraag is op welk niveau is er een probleem?
Modelregels:
- Een hoger niveau organiseert de informatie op onderliggende niveaus.
- Verandering op een lager niveau (macht van het ego) kan verandering op een hoger niveau (hogere Zelf) teweeg brengen.
- Verandering op een hoger niveau zal veranderingen op lagere niveaus teweeg brengen.
De verticale as (Axis_mundi, de Staf van Hermes, de staf van Mercurius, Sutratman, De Caduceus, Esculaap, de verborgen 5e Dimensie) toont ook de middenzuil van de levensboom. De Staf van Hermes wordt beschouwd als de sleutel en de weg van persoonlijke (spirituele) ontwikkeling.
In het rapport ‘E i V’ wordt de relatie ‘Absoluut en Relatief’ aan de hand van Ain-Soph (Parabram, éne Werkelijkheid) en het Ether-paradigma (Het paradigma van de relatieve ether) verklaart. De relatie ‘Absoluut en Relatief’ berust op het principe van complementariteit dat al door Heraclitus naar voren is gebracht en heeft op de ‘eenheid der tegendelen’ ('These + Antithese = Synthese', Trimurti) het overbruggen van tegenstellingen betrekking.
Hoe komen we los van onze conditioneringen (nurture)?
Er dient wel degelijk met de keerzijde van de evolutietheorie rekening te worden gehouden dat er van doelgerichtheid, entelechie, een blauwdruk in de natuur sprake is. Volgens Jared Diamond zijn religies uitgevonden om mensenmassa’s in bedwang te houden. Om de kwaliteit van de besluitvorming in organisaties te verbeteren dient niet het Angelsaksisch model, maar het Rijnlands model centraal te worden geplaatst. Er is behoefte om aan religie opnieuw inhoud te geven. Of met andere woorden het is wenselijk dat aan de bekende emotionele, mentale en lichamelijke dimensies een spirituele dimensie wordt toegevoegd.
Het ‘5Ddenkraam’ geeft mede op basis van het open systeem concept een aanzet hoe verschillende psychologische zienswijzen (Assagioli, Jung, Maslow en Berne) met elkaar samenhangen. Juist het combineren van verschillende zienswijzen maakt het mogelijk het fenomeen mens vanuit een holistisch perspectief beter te leren begrijpen.
Het ‘5Ddenkraam’ laat zien dat de lemniscaat, “Zo boven, Zo beneden”, hemel en aarde, het geestelijke en het stoffelijke met elkaar verbindt.
5D toont een derde aanzicht en laat zien hoe de kloof tussen de binnen - en de buitenwereld kan worden verkleind. Op deze manier is het mogelijk een gelukkiger, een natuurlijker balanssituatie te creëren. De psycholgie van Roberto Assagioli en de humanistische psychologie van Maslow brengen dit aspect met name in beeld. Het verticale bewustzijn, het verticale denken staat met het transformeren van inspiratie en materie in verband.
SisyPhus De MultiVersele Creatie door Negentropie in correlatie met de vier niveau's van de Ka-Ba-Lah.
Hoe kan ik dit nu in relatie zetten met de "zelforganisatie" van het DNA, dat wat de "Unieke Blauwdruk" van elk levend wezen maakt, dus ook de mens? Uit de godsdienstige overleveringen blijkt een gemeenschappelijk beeld te bestaan, dat "God" of "Goden" de Mens naar zijn beeld heeft gemaakt. Deze overlevering is niet zomaar fantasie, want als het "niet waar" was - dan zouden we het zelf moeten gaan verzinnen en waarom zouden we dat nou doen of laten doen: ten dele is het deceptie, met een "ongemanifesteerde waarheid": archief! Dus, die "goden" hebben wat weg van de mensen, de eigenschappen van die "goden" vinden we terug in de mensen! Dus, het kan zijn dat de "DNA-eigenschappen" van die "goden" terug te vinden zijn in de huidige samenstelling van de mens. Als we de esotherische literatuur goed volgen, blijkt dat "YHWH" de "oppergod" is en het "monotheïsme" (monisme) afdwingt en dus geen "andere god" mag er aanbeden worden dan hem.
Zie ook:
Boeken:
- David Icke Infinite Love Is the Only Truth: Everything Else Is Illusion
- De Geheime Leer Deel I
- Assagioli Over de Wil
- Assagioli Psychosynthese
- G. de Purucker De Hiërarchie van Medogen
Externe Links
- Introduction to special relativity
- Absolute (philosophy)
- Satya ("absolute truth" or "reality")
- Category: Identity politics
- Identity politics
- Geschiedenis van de evolutietheorie
- Synthesis
- Synthese (filosofie)
- Comparative advantage
- Absolute advantage
- Trickle-down economics (Reaganomics or laissez-faire)
- Collective versus Individual
- Purusha and Prakriti (three gunas)
- Maya (illusion)
- Indeterminisme
- Determinisme (filosofie)
- Historisch determinisme
- Fysisch-geografisch determinisme
- David McClelland
- Neoplatonism and Gnosticism
- Neoplatonism and Christianity
- David Icke Exploring the dreamworld we beieve to be real
- Mushin no shin (the mind without mind)
- Dangibon
- Oneindige onvolmaaktheid (Mahaprajnaparamita Sutra)
- Prajnaparamita
- Ramana Maharshi
- Zwaartekrachtsveld
- General relativity
- Categorie: Relativiteit
- Categorie: Mechanica
- Leon Festinger Cognitieve dissonantie
- Leon Festinger Cognitive dissonance
- Relativiteit
- Psychosynthese
- Herman De Ley FILOSOFIE ALS AMBACHT INLEIDING TOT DE SCHOLASTIEKE METHODE (Ramundus Lullus)
- Mary Anderson Meditatie-Diagram van Blavatsky
- het pad van devotie (bhakti yoga)
- Yoga
- Bhakti yoga
- Spirituele Sociëteit Zeeland Platform voor spirituele bewustwording
- G. de Purucker Drie stadia van het zien van Waarheid.
- 1e, 2e en 3e grondbeginsel
- Drie grondstellingen uit de proloog
- Gerrit Teule Website (QED, Lawrence Fagg)
- Contents: Parts 1 to 9 of Blessed Raymond Lull's Ars Generalis Ultima
Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof
Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 1306 keer bekeken.
